|
ISSN 1977-0995 doi:10.3000/19770995.C_2013.336.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
56e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
|
2013/C 336/01 |
||
|
|
Hof van Justitie |
|
|
2013/C 336/02 |
||
|
2013/C 336/03 |
Verkiezing van de presidenten van de kamers bestaande uit drie rechters |
|
|
2013/C 336/04 |
Besluiten genomen door het Hof tijdens zijn algemene vergadering van 8 oktober 2013 |
|
|
2013/C 336/05 |
Lijsten om de samenstelling van de rechtsprekende formaties te bepalen |
|
|
2013/C 336/06 |
Besluit genomen door het Hof tijdens zijn algemene vergadering van 24 september 2013 |
|
|
2013/C 336/07 |
||
|
2013/C 336/08 |
||
|
2013/C 336/09 |
||
|
2013/C 336/10 |
Eedaflegging door een nieuwe rechter in het Ambtenarengerecht |
|
|
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/1 |
2013/C 336/01
Laatste publicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in:
EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu
Hof van Justitie
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/2 |
Eedaflegging door een nieuw lid van het Hof
2013/C 336/02
Na zijn benoeming tot rechter in het Hof van Justitie bij besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie van 26 juni 2013 (1), voor de periode van 6 oktober 2013 tot en met 6 oktober 2015, heeft de heer F. Biltgen voor het Hof de eed afgelegd op 7 oktober 2013.
(1) PB L 179 van 29 juni 2013, blz. 94.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/2 |
Verkiezing van de presidenten van de kamers bestaande uit drie rechters
2013/C 336/03
De rechters in het Hof van Justitie hebben tijdens hun vergadering van 1 oktober 2013 krachtens artikel 12, lid 2, van het Reglement voor de procedure de heer Borg Barthet verkozen tot president van de Zesde kamer, de heer Da Cruz Vilaça tot president van de Zevende kamer, de heer Fernlund tot president van de Achtste kamer, de heer Safjan tot president van de Negende kamer, en de heer Juhász tot president van de Tiende kamer, voor de periode van 8 oktober 2013 tot en met 6 oktober 2014.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/2 |
Besluiten genomen door het Hof tijdens zijn algemene vergadering van 8 oktober 2013
2013/C 336/04
Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 8 oktober 2013 besloten de heer Biltgen toe te voegen aan de Eerste en aan de Zesde kamer.
Bijgevolg zijn de Eerste en de Zesde kamer samengesteld als volgt:
|
|
Eerste kamer
|
|
|
Zesde kamer
|
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/3 |
Lijsten om de samenstelling van de rechtsprekende formaties te bepalen
2013/C 336/05
Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 8 oktober 2013 de volgende lijst opgesteld voor het bepalen van de samenstelling van de Grote kamer:
|
|
A. Rosas |
|
|
F. Biltgen |
|
|
E. Juhász |
|
|
A. Rodin |
|
|
G. Arestis |
|
|
C. Vajda |
|
|
A. Borg Barthet |
|
|
J. L. Da Cruz Vilaça |
|
|
J. Malenovský |
|
|
G. Fernlund |
|
|
U. Lõhmus |
|
|
E. Jarašiūnas |
|
|
E. Levits |
|
|
A. Prechal |
|
|
A. Ó Caoimh |
|
|
M. Berger |
|
|
J.-C. Bonichot |
|
|
D. Šváby |
|
|
A. Arabadjiev |
|
|
M. Safjan |
|
|
C. Toader |
Het Hof heeft tijdens zijn vergadering van 8 oktober 2013 de volgende lijst opgesteld voor het bepalen van de samenstelling van de Eerste kamer, zetelend met vijf rechters:
|
|
A. Borg Barthet |
|
|
F. Biltgen |
|
|
E. Levits |
|
|
A. Rodin |
|
|
M. Berger |
Het Hof heeft tijdens zijn vergadering van 8 oktober 2013 de volgende lijst opgesteld voor het bepalen van de samenstelling van de Zesde kamer, zetelend met drie rechters:
|
|
E. Levits |
|
|
M. Berger |
|
|
A. Rodin |
|
|
F. Biltgen |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/3 |
Besluit genomen door het Hof tijdens zijn algemene vergadering van 24 september 2013
2013/C 336/06
Tijdens zijn vergadering van 24 september 2013 heeft het Hof besloten de vicepresident aan een kamer van vijf rechters toe te voegen voor alle zaken waarin deze laatste rechter-rapporteur is en die door het Hof naar een dergelijke rechtsprekende formatie worden verwezen.
Krachtens artikel 11, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering besluit het Hof de heer Lenaerts toe te voegen aan de Tweede kamer voor de periode van 7 oktober 2013 tot en met 6 oktober 2015.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/4 |
Aanwijzing van de kamer belast met de zaken bedoeld in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof
2013/C 336/07
Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 24 september 2013 krachtens artikel 11, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de Derde kamer aangewezen als kamer belast met de zaken bedoeld in artikel 107 van voormeld reglement, voor de periode van 7 oktober 2013 tot en met 6 oktober 2014.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/4 |
Aanwijzing van de kamer belast met de zaken bedoeld in artikel 193 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof
2013/C 336/08
Het Hof heeft tijdens zijn algemene vergadering van 24 september 2013 krachtens artikel 11, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering de Vijfde kamer aangewezen als kamer belast met de zaken bedoeld in artikel 193 van voormeld reglement, voor de periode van 7 oktober 2013 tot en met 6 oktober 2014.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/4 |
Aanwijzing van de eerste advocaat-generaal
2013/C 336/09
Tijdens zijn algemene vergadering van 1 oktober 2013 heeft het Hof P. Cruz Villalón aangewezen als eerste advocaat-generaal, voor de periode van 7 oktober 2013 tot en met 6 oktober 2014.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/4 |
Eedaflegging door een nieuwe rechter in het Ambtenarengerecht
2013/C 336/10
Na zijn benoeming tot rechter in het Ambtenarengerecht bij besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie van 16 september 2013 (1), voor de periode van 16 september 2013 tot en met 30 september 2019, heeft J. Svenningsen voor het Hof de eed afgelegd op 7 oktober 2013.
(1) PB L 247 van 18 september 2013, blz. 37
V Adviezen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/5 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 september 2013 — Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad en Commissie
(Zaak C-15/12 P) (1)
(Hogere voorziening - Dumping - Verordening (EG) nr. 826/2009 - Invoer van bepaalde magnesiabriketten uit China - Verordening (EG) nr. 384/96 - Artikel 2, lid 10, sub b - Billijke vergelijking - Artikel 11, lid 9 - Gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek - Verplichting om zelfde methode toe te passen als bij onderzoek dat tot oplegging van recht heeft geleid - Wijziging van omstandigheden)
2013/C 336/11
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials Co. Ltd (vertegenwoordigers: J.-F. Bellis en R. Luff)
Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix, gemachtigde, bijgestaan door G. Berrisch, Rechtsanwalt, en N. Chesaites, barrister), Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Gippini Fournier en H. van Vliet, gemachtigden)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 16 december 2011, Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad (T-423/09), waarbij het Gerecht het verzoek tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 826/2009 van de Raad van 7 september 2009 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1659/2005 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en definitieve inning van het voorlopige recht op de invoer van bepaalde magnesiabriketten uit de Volksrepubliek China (PB L 240, blz. 7) heeft afgewezen — Vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs — Inaanmerkingneming van de belasting over de toegevoegde waarde van het land van oorsprong — Toepassing van een andere methode dan bij het oorspronkelijke onderzoek — Onjuiste rechtsopvattingen
Dictum
|
1. |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2. |
Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials Co. Ltd wordt verwezen in de kosten van het onderhavige geding. |
|
3. |
De Europese Commissie draagt haar eigen kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/5 |
Hogere voorziening ingesteld op 7 februari 2013 door H-Holding AG tegen de beschikking van het Gerecht (Zesde kamer) van 27 november 2012 in zaak T-672/11, H-Holding AG/Europees Parlement
(Zaak C-64/13 P)
2013/C 336/12
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: H-Holding AG (vertegenwoordiger: R. Závodný, advokát)
Andere partij in de procedure: Europees Parlement
Bij beschikking van 5 september 2013 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Zevende kamer) de hogere voorziening verworpen en rekwirante in haar eigen kosten verwezen.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/5 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Szombathelyi Törvényszék (Hongarije) op 24 juni 2013 — Sebestyén Katalin/Kövári Zsolt e.a.
(Zaak C-342/13)
2013/C 336/13
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Szombathelyi Törvényszék
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Katalin Sebestyén
Verwerende partijen: Kővári Zsolt Csaba, OTP Bank Nyrt., OTP Faktoring Követeléskezelő Zrt., Raiffeisen Bank Zrt.
Prejudiciële vragen
|
1. |
Moet een contractueel beding om geschillen betreffende de leningsovereenkomst tussen de consument en de bank te onderwerpen aan de exclusieve bevoegdheid van een kamer met drie arbiters van de Pénz- és Tőkepiaci Állandó Választottbíróság (permanent scheidsgerecht van de financiële en kapitaalmarkt), als oneerlijk worden beschouwd op grond van artikel 3, lid 1, (van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 (1) betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten)? |
|
2. |
Moet een contractueel beding om geschillen betreffende de leningsovereenkomst tussen de consument en de bank te onderwerpen aan de exclusieve bevoegdheid van een kamer met drie arbiters van het permanente scheidsgerecht van de financiële en kapitaalmarkt, met de uitzonderingen waarin de overeenkomst voorziet, als oneerlijk worden beschouwd op grond van artikel 3, lid 1, (van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten,) ongeacht of de leningsovereenkomst algemene informatie bevat over de verschillen tussen de procedure van wet LXXI van 1994 inzake arbitrage en de gewone gerechtelijke procedure? |
(1) PB L 95, blz. 29.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/6 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Bayerischer Verwaltungsgerichtshof (Duitsland) op 25 juli 2013 — Zuchtvieh-Export GmbH/Stadt Kempten
(Zaak C-424/13)
2013/C 336/14
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bayerischer Verwaltungsgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Zuchtvieh-Export GmbH
Verwerende partij: Stadt Kempten
Prejudiciële vragen
|
1. |
Moet artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 1/2005 (1) aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek bij lang vervoer van als huisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens, waarbij de plaats van vertrek in een lidstaat van de Europese Unie ligt, maar de plaats van bestemming in een derde land, het door de organisator voorgelegde journaal overeenkomstig artikel 14, lid 1, sub c, slechts dan moet afstempelen, wanneer het journaal voldoet aan de vereisten van artikel 14, lid 1, sub a-ii, voor het gehele traject tussen de plaats van vertrek en die van bestemming, dus ook voor de geheel buiten het grondgebied van de Europese Unie gelegen delen van het traject? |
|
2. |
Moet artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 1/2005 aldus worden uitgelegd dat de krachtens deze bepaling bevoegde autoriteit van de plaats van vertrek de organisator van het vervoer overeenkomstig artikel 14, lid 1, sub b, van verordening kan verplichten om de organisatie van het lange vervoer zo te wijzigen dat de voorschriften van deze verordening voor het gehele traject vanaf de plaats van vertrek tot aan de plaats van bestemming worden nageleefd, ook als bepaalde delen van het traject uitsluitend in derde landen liggen? |
(1) Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van verordening (EG) nr. 1255/97, PB 2005, L 3, blz. 1.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/6 |
Beroep ingesteld op 31 juli 2013 — Europese Commissie/Slowaakse Republiek
(Zaak C-433/13)
2013/C 336/15
Procestaal: Slowaaks
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Tokár en F. Schatz als gemachtigden)
Verwerende partij: Slowaakse Republiek
Conclusies
De Commissie verzoekt het Hof om:
|
— |
vast te stellen dat de Slowaakse Republiek, door begunstigden die in een andere lidstaat dan de Slowaakse Republiek wonen geen uitkeringen voor oppas, assistentie en meerkostencompensatie van wet nr. 447/2008 Z.z. toe te kennen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 48 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 7 en 21 van verordening (EG) nr. 883/2004 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels; |
|
— |
de Slowaakse Republiek te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Volgens de Commissie zijn de uitkeringen voor oppas, assistentie en meerkostencompensatie van wet nr. 447/2008 Z.z. prestaties bij ziekte in de zin van artikel 3, lid 1, punt a, van verordening (EG) nr. 883/2004, die ook moeten worden uitgekeerd aan begunstigden die niet in de betrokken lidstaat — in casu de Slowaakse Republiek — wonen. Naar intern recht mag het recht van begunstigden die niet op Slowaaks grondgebied verblijven om die uitkeringen te ontvangen dus niet worden beperkt. Het Slowaakse recht, dat een dergelijke beperking bevat, is derhalve in strijd met artikel 48 VWEU en de artikelen 7 en 21 van verordening (EG) nr. 883/2004.
(1) PB L 166, blz. 1.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/7 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesarbeitsgericht (Duitsland) op 27 augustus 2013 — Europese School München/Silvana Oberto
(Zaak C-464/13)
2013/C 336/16
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesarbeitsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Europese School München
Verwerende partij: Silvana Oberto
Prejudiciële vragen
|
1. |
Moet artikel 27, lid 2, eerste volzin, van het Verdrag houdende het Statuut van de Europese scholen van 21 juni 1994 (hierna: „SES”) (1) aldus worden uitgelegd dat door een Europese School aangestelde docenten met een beperkte leeropdracht, die niet door de lidstaten gedetacheerd worden, vallen onder de in het verdrag bedoelde personen en niet — zoals het administratief en dienstpersoneel — van de toepassing van de regeling zijn uitgesloten? |
|
2. |
Indien het Hof de eerste vraag bevestigend beantwoordt: Moet artikel 27, lid 2, eerste volzin, SES aldus worden uitgelegd dat de regeling zich ook uitstrekt tot de rechtmatigheid van bezwarende besluiten die de directeur van een school in de uitoefening van zijn bevoegdheden krachtens dit verdrag neemt tegen de docenten met een beperkte leeropdracht en die op het Verdrag of de in het kader hiervan vastgestelde voorschriften berusten? |
|
3. |
Indien het Hof de tweede vraag bevestigend beantwoordt: Moet artikel 27, lid 2, eerste volzin, SES aldus worden uitgelegd dat ook het sluiten van een overeenkomst tussen de directeur van een Europese school en een docent met een beperkte leeropdracht ter zake van de beperking van de aanstellingsduur van laatstgenoemde, een ten aanzien van die docent genomen en hem bezwarende besluit van de directeur vormt? |
|
4. |
Indien het Hof de tweede of de derde vraag ontkennend beantwoordt: Moet artikel 27, lid 2, eerste volzin, SES aldus worden uitgelegd dat de hierin bedoelde kamer van beroep bij uitsluiting bevoegd is om, nadat de bestuurlijke procedure is doorlopen, in eerste en laatste instantie uitspraak te doen in geschillen betreffende de beperking van de duur van een arbeidsovereenkomst die de directeur van een school met een docent met een beperkte leeropdracht sluit, wanneer deze overeenkomst in doorslaggevende mate berust op het voorschrift van de raad van bestuur in punt 1.3 van het Statuut van de na 31 augustus 1994 aangestelde docenten met een beperkte leeropdracht (Statut der nach dem 31. August 1994 eingestellten Lehrbeauftragten („StaLES”)), inhoudende dat de duur van de arbeidsovereenkomsten tot een jaar is beperkt? |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/7 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesarbeitsgericht (Duitsland) op 27 augustus 2013 — Europese School München/Barbara O’Leary
(Zaak C-465/13)
2013/C 336/17
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesarbeitsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Europese School München
Verwerende partij: Barbara O’Leary
Prejudiciële vragen
|
1. |
Moet artikel 27, lid 2, eerste volzin, van het Verdrag houdende het Statuut van de Europese scholen van 21 juni 1994 (hierna: „SES”) (1) aldus worden uitgelegd dat door een Europese School aangestelde docenten met een beperkte leeropdracht, die niet door de lidstaten gedetacheerd worden, vallen onder de in het verdrag bedoelde personen en niet — zoals het administratief en dienstpersoneel — van de toepassing van de regeling zijn uitgesloten? |
|
2. |
Indien het Hof de eerste vraag bevestigend beantwoordt: Moet artikel 27, lid 2, eerste volzin, SES aldus worden uitgelegd dat de regeling zich ook uitstrekt tot de rechtmatigheid van bezwarende besluiten die de directeur van een school in de uitoefening van zijn bevoegdheden krachtens dit verdrag neemt tegen de docenten met een beperkte leeropdracht en die op het Verdrag of de in het kader hiervan vastgestelde voorschriften berusten? |
|
3. |
Indien het Hof de tweede vraag bevestigend beantwoordt: Moet artikel 27, lid 2, eerste volzin, SES aldus worden uitgelegd dat ook het sluiten van een overeenkomst tussen de directeur van een Europese school en een docent met een beperkte leeropdracht ter zake van de beperking van de aanstellingsduur van laatstgenoemde, een ten aanzien van die docent genomen en hem bezwarende besluit van de directeur vormt? |
|
4. |
Indien het Hof de tweede of de derde vraag ontkennend beantwoordt: Moet artikel 27, lid 2, eerste volzin, SES aldus worden uitgelegd dat de hierin bedoelde kamer van beroep bij uitsluiting bevoegd is om, nadat de bestuurlijke procedure is doorlopen, in eerste en laatste instantie uitspraak te doen in geschillen betreffende de beperking van de duur van een arbeidsovereenkomst die de directeur van een school met een docent met een beperkte leeropdracht sluit, wanneer deze overeenkomst in doorslaggevende mate berust op het voorschrift van de raad van bestuur in punt 1.3 van het Statuut van de na 31 augustus 1994 aangestelde docenten met een beperkte leeropdracht (Statut der nach dem 31. August 1994 eingestellten Lehrbeauftragten („StaLES”)), inhoudende dat de duur van de arbeidsovereenkomsten tot een jaar is beperkt? |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/8 |
Hogere voorziening ingesteld op 27 augustus 2013 door Industries Chimiques du Fluor (ICF) tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 18 juni 2013 in zaak T-406/08, ICF/Commissie
(Zaak C-467/13 P)
2013/C 336/18
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Industries Chimiques du Fluor (ICF) (vertegenwoordigers: P. Wytinck, D. Gillet, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
nietig verklaren het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 18 juni 2013 in zaak T-406/08, Industries Chimiques du Fluor (ICF) tegen Europese Commissie, en, zo het Hof van oordeel is dat het beschikt over alle gegevens die noodzakelijk zijn om zelf definitief te beslissen over de zaak ten gronde, de in de litigieuze beschikking aan ICF opgelegde geldboete van 1 700 000 EUR nietig te verklaren althans het bedrag van die boete te verlagen; |
|
— |
subsidiair, het arrest van het Gerecht vernietigen en de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen; |
|
— |
de Commissie verwijzen in alle kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante drie middelen aan.
In haar eerste middel betoogt rekwirante dat de beslissing van het Gerecht berust op een onjuiste rechtsopvatting althans dat de feiten materieel onjuist zijn vastgesteld dan wel onjuist zijn beoordeeld, doordat is geoordeeld dat het recht van verweer en artikel 27 van verordening (EG) nr. 1/2003 (1) niet waren geschonden doordat de Commissie de litigieuze beschikking heeft gebaseerd op documenten die in de mededeling van de punten van bezwaar niet waren vermeld.
Rekwirante betoogt voorts dat het arrest van het Gerecht op een onjuiste rechtsopvatting berust doordat is geoordeeld dat de Commissie de belangen van rekwirante niet heeft aangetast en evenmin haar recht van verweer heeft geschonden door het aantal deelnemers aan de inbreuk tussen de mededeling van de punten van bezwaar en de vaststelling van de litigieuze beschikking te verminderen, aangezien zij zich niet over die vermindering heeft kunnen uiten voordat de litigieuze beschikking werd gegeven.
In haar tweede middel verwijt rekwirante het Gerecht schending van artikel 23 van verordening nr. 1/2003. Het Gerecht heeft punt 18 van de richtsnoeren inzake de berekening van geldboeten onjuist opgevat door de uitdrukking „totale waarde van de (…) verkochte goederen of diensten welke verband houden met de inbreuk” aldus uit te leggen dat het hierbij enkel gaat om de totale waarde van de verkopen van de ondernemingen die aan de inbreuk deelnemen, en niet om de totale waarde van de verkopen op die markt.
Rekwirante verwijt het Gerecht voorts schending van de motiveringsplicht, doordat het niet afdoende heeft geantwoord op haar betoog dat de Commissie is afgeweken van haar beslissingspraktijk op het gebied van de vaststelling van het bedrag van de boete.
In haar derde middel geeft rekwirante te kennen dat de duur van de procedure voor het Gerecht excessief is en dus artikel 47 van het Handvest van de grondrechten schendt, terwijl de onderhavige zaak eenvoudig is en het aantal documenten gering. Onder verwijzing naar het arrest Baustahlgewebe/Commissie (2) verzoekt rekwirante dan ook om verlaging van de haar opgelegde boete.
Tot slot verwijt rekwirante het Gerecht schending van artikel 31 van verordening nr. 1/2003. Het Gerecht heeft zijn volle rechtsmacht onjuist uitgeoefend door niet zelf te beoordelen of de opgelegde boete in casu gerechtvaardigd was en dit niet te rechtvaardigen. In dit verband heeft het Gerecht niet geantwoord op de door rekwirante aangevoerde argumenten.
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag.
(2) Arrest van 17 december 1998, Baustahlgewebe/Commissie, C-185/95 P, Jurispr. blz. I-8417.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/9 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bayerische Verwaltungsgericht München (Duitsland) op 2 september 2013 — Andre Lawrence Shepherd/Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-472/13)
2013/C 336/19
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bayerisches Verwaltungsgericht München
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Andre Lawrence Shepherd
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Prejudiciële vragen
|
1. |
Moet artikel 9, lid 2, sub e, van richtlijn 2004/83/EG (1) aldus worden uitgelegd dat voor de daarin bedoelde bescherming enkel personen in aanmerking komen wier concrete militaire taken de rechtstreekse deelneming aan gevechtshandelingen, dus gewapend optreden, omvat dan wel die het bevel tot gewapend optreden kunnen geven (alternatief 1), of kan die bescherming zich ook uitstrekken tot andere leden van de strijdkrachten, wier taken beperkt blijven tot de logistieke en technische ondersteuning van de troepen buiten de eigenlijke gevechtsactie en slechts indirect van invloed zijn op de eigenlijke gevechtshandelingen (alternatief 2)? |
|
2. |
Indien de eerste vraag in de zin van het tweede alternatief wordt beantwoord: Moet artikel 9, lid 2, sub e, van richtlijn 2004/83/EG aldus worden uitgelegd dat het vervullen van militaire dienst tijdens een (internationaal of nationaal) conflict in overwegende mate of stelselmatig misdrijven of handelingen in de zin van artikel 12, lid 2, van deze richtlijn dan wel het aanzetten daartoe zou moeten inhouden (alternatief 1), of volstaat het dat de asielzoeker aantoont dat de strijdkrachten waartoe hij behoort, zich in het gebied waar zij zijn ingezet incidenteel schuldig hebben gemaakt aan misdrijven in de zin van artikel 12, lid 2, sub a, van richtlijn 2004/83/EG, waarbij het zowel om specifieke militaire acties als om excessen van individuele personen kan gaan (alternatief 2)? |
|
3. |
Indien de tweede vraag in de zin van het tweede alternatief wordt beantwoord: Wordt vluchtelingenbescherming enkel verleend indien met een grote mate van waarschijnlijkheid en dus buiten redelijke twijfel valt te verwachten dat ook in de toekomst schendingen van het internationaal humanitair recht zullen plaatsvinden, of volstaat het dat de asielzoeker aannemelijk weet te maken dat het concrete conflict (onvermijdelijk of waarschijnlijk) met dergelijke misdrijven gepaard zal gaan en dat daarom niet valt uit te sluiten dat hij daarbij betrokken zou kunnen raken? |
|
4. |
Sluit het feit dat schendingen van het internationaal humanitair recht door de militaire rechter niet worden getolereerd dan wel worden bestraft, het verlenen van vluchtelingenbescherming overeenkomstig artikel 9, lid 2, sub e, van richtlijn 2004/83/EG uit, of speelt deze omstandigheid geen rol? Dient er zelfs een vervolging voor het Internationaal Strafhof te hebben plaatsgevonden? |
|
5. |
Staat het feit dat de troepeninzet en de bezettingssituatie de instemming van de internationale gemeenschap hebben of op een mandaat van de VN-Veiligheidsraad berusten, aan toekenning van de vluchtelingenstatus in de weg? |
|
6. |
Is het een voorwaarde voor het verlenen van vluchtelingenbescherming overeenkomstig artikel 9, lid 2, sub e, van richtlijn 2004/83/EG dat de asielzoeker bij het vervullen van zijn dienstplicht conform het Statuut inzake het Internationaal Strafhof zou kunnen worden veroordeeld (alternatief 1), of wordt vluchtelingenbescherming reeds verleend als de asielzoeker weliswaar geen strafrechtelijke veroordeling heeft te vrezen, maar desondanks de vervulling van zijn militaire dienst niet met zijn geweten in overeenstemming kan brengen (alternatief 2)? |
|
7. |
Indien de zesde vraag in de zin van het tweede alternatief wordt beantwoord: Sluit het feit dat de asielzoeker de mogelijkheid om een reguliere dienstweigeringsprocedure te volgen, niet heeft benut, hoewel hij daartoe de gelegenheid heeft gehad, de toekenning van de vluchtelingenstatus overeenkomstig bovengenoemde bepalingen uit, of kan vluchtelingenbescherming ook worden verleend als er sprake is van een actuele gewetensbeslissing? |
|
8. |
Vormen een oneervol ontslag uit het leger, de oplegging van een vrijheidsstraf en een daaraan gerelateerde maatschappelijke uitsluiting en achterstelling een daad van vervolging in de zin van artikel 9, lid 2, sub b of sub c, van richtlijn 2004/83/EG? |
(1) Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB L 304, blz. 12).
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/10 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 3 september 2013 — Adala Bero
(Zaak C-473/13)
2013/C 336/20
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Adala Bero
Betrokken overheidsinstantie: Regierungspräsidium Kassel
Prejudiciële vraag
Verplicht artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (1) ook dan een lidstaat om voor bewaring met het oog op verwijdering in beginsel gebruik te maken van speciale inrichtingen voor bewaring indien dergelijke inrichtingen enkel in een aantal, maar niet in alle federale geledingen van deze lidstaat beschikbaar zijn?
(1) PB L 348, blz. 98.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/10 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 3 september 2013 — Thi Ly Pham
(Zaak C-474/13)
2013/C 336/21
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Thi Ly Pham
Betrokken overheidsinstantie: Stadt Schweinfurt, Amt für Meldewesen und Statistik
Prejudiciële vraag
Staat artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (1) eraan in de weg dat een persoon die met het oog op zijn verwijdering in bewaring wordt gehouden, samen met strafrechtelijk veroordeelde gedetineerden wordt ondergebracht indien deze persoon met deze gezamenlijke onderbrenging instemt?
(1) PB L 348, blz. 98.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/10 |
Beroep ingesteld op 6 september 2013 — Europese Commissie/Republiek Polen
(Zaak C-478/13)
2013/C 336/22
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Bianchi en M. Owsiany-Hornung, gemachtigden)
Verwerende partij: Republiek Polen
Conclusies
|
— |
vaststellen dat de Republiek Polen, door in de nationale rechtsorde niet te voorzien in een verplichting om aan de bevoegde Poolse autoriteiten de locatie mee te delen van GGO’s die worden gecultiveerd overeenkomstig deel C van richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van richtlijn 90/220/EEG van de Raad (1), door geen register aan te leggen om de locatie van dergelijke GGO's op te tekenen en door deze locaties niet bekend te maken aan het publiek, de krachtens artikel 31, lid 3, sub b, van richtlijn 2001/18/EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen. |
|
— |
de Republiek Polen verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van richtlijn 2001/18/EG is op 17 oktober 2002 verstreken.
(1) PB L 106, blz. 1.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/11 |
Hogere voorziening ingesteld op 24 september 2013 door Metropolis Inmobiliarias y Restauraciones, SL tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 11 juli 2013 in zaak T-197/12, Metropolis Inmobiliarias y Restauraciones, SL/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-509/13 P)
2013/C 336/23
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Metropolis Inmobiliarias y Restauraciones, SL (vertegenwoordiger: J. Carbonell Callicó, abogado)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), MIP Metro Group Intellectual Property GmbH & Co. KG
Conclusies
|
— |
het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 11 juli 2013 in zaak T-197/12 vernietigen en zodoende de inschrijving van de aanvraag voor een gemeenschapsbeeldmerk nr. 7585045 METRO voor het verrichten van diensten van klasse 36 weigeren; |
|
— |
de andere partijen in de procedure verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
De hogere voorziening tegen het genoemde arrest van het Gerecht is in wezen gebaseerd op drie middelen.
Ten eerste verwijt rekwirante het Gerecht schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 inzake het gemeenschapsmerk (1), omdat de diensten waarop de conflicterende merken betrekking hebben, onjuist zijn uitgelegd, en de in geding zijnde merken niet globaal zijn onderzocht.
Ten tweede is het arrest van het Gerecht in strijd met een ander arrest van het Gerecht in een zaak waarin dezelfde partijen betrokken zijn en waarin dezelfde zaken voor soortgelijke merken worden behandeld. Het arrest in zaak T-284/11, die onlosmakelijk samenhangt met de onderhavige zaak, werd niet in aanmerking genomen, ondanks het feit dat rekwirante tijdig en volgens de vormvereisten het bestaan van bedoeld arrest heeft aangevoerd.
Ten derde worden onregelmatigheden in de procedure voor het Gerecht van de Europese Unie aangevoerd, waardoor rekwirantes belangen zijn geschaad en zij een aantal maal geen rechtsbescherming genoot. Inzonderheid heeft de mondelinge behandeling zonder rekwirante plaatsgehad, hoewel zij om ernstige redenen had verzocht om deze te verplaatsen en dit naar behoren heeft gestaafd.
(1) Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/11 |
Hogere voorziening ingesteld op 25 september 2013 door het Koninkrijk Spanje tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 11 juli 2013 in zaak T-358/08, Spanje/Commissie
(Zaak C-513/13 P)
2013/C 336/24
Procestaal: Spaans
Partijen
Rekwirante: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: A. Rubio González, gemachtigde)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
de hogere voorziening gegrond verklaren en het arrest van het Gerecht van 11 juli 2013 in zaak T-358/08, Spanje/Commissie, vernietigen; |
|
— |
beschikking C(2008) 3249 van de Commissie van 25 juni 2008 tot vermindering van de financiële bijstand uit het Cohesiefonds die bij beschikking C(96) 2095 van de Commissie van 26 juli 1996 was toegekend voor project nr. 96/11/61/018 — „Riolering van Zaragoza”, nietig verklaren; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
|
1. |
Onjuiste rechtsopvatting inzake de werking van de termijn in de zin van artikel H, lid 2, van bijlage II bij verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad van 16 mei 1994 tot oprichting van een Cohesiefonds. (1) Na verstrijken van deze termijn mag de Commissie geen maatregelen tot financiële correctie meer nemen en moet zij dus overgaan tot betaling; de verrichte correctie is dus onwettig. |
|
2. |
Onjuiste rechtsopvatting inzake het begrip werk, omdat het Gerecht het netwerk in zijn geheel beschouwde als één enkel werk in de zin van artikel 1, sub c, van richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken. (2) Het bestreden arrest wijkt af van de uit het arrest van 5 oktober 2000, Commissie/Frankrijk (C-16/98, Jurispr. blz. I-8315) voortvloeiende rechtspraak, door de noodzakelijke geografische continuïteit van alle werken en onderlinge afhankelijkheid, dat wil zeggen de noodzakelijke onderlinge aansluiting voor de verrichting van de dienst, buiten beschouwing te laten. |
(1) PB L 130, blz. 1.
(2) PB L 199, blz. 54.
Gerecht
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/13 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Galp Energia España e.a./Commissie
(Zaak T-462/07) (1)
(Mededinging - Mededingingsregelingen - Spaanse markt van penetratiebitumen - Beschikking waarbij inbreuk op artikel 81 EG wordt vastgesteld - Jaarlijkse overeenkomsten om markt te verdelen en prijzen te coördineren - Bewijs van deelneming aan mededingingsregeling - Berekening van bedrag van geldboete)
2013/C 336/25
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Galp Energia España, SA (Alcobendas, Spanje); Petróleos de Portugal (Petrogal), SA (Lissabon, Portugal); en Galp Energia, SGPS, SA (Lissabon) (vertegenwoordigers: M. Slotboom en G. Gentil Anastácio, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Castillo de la Torre, gemachtigde, aanvankelijk bijgestaan door J. Rivas Andrés, advocaat, en Heenan Bróna, solicitor, vervolgens door J. Rivas Andrés)
Voorwerp
Beroep, primair, tot gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2007) 4441 definitief van de Commissie van 3 oktober 2007 in een procedure op grond van artikel 81 (EG) (zaak COMP/F/38.710 — Bitumen (Spanje)), en, subsidiair, tot vermindering van het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboete.
Dictum
|
1. |
Artikel 1 van beschikking C(2007) 4441 definitief van de Commissie van 3 oktober 2006 in een procedure op grond van artikel 81 (EG) (zaak COMP/F/38.710 — Bitumen (Spanje)), wordt nietigverklaard voor zover daarbij de betrokkenheid is vastgesteld van Galp Energía España, SA, Petróleos de Portugal (Petrogal), SA, en Galp Energia, SGPS, SA, bij een geheel van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen op de Spaanse markt van bitumen, voor zover dit geheel, enerzijds, het stelsel van controle op de uitvoering van overeenkomsten tot verdeling van de markt en de klantenkring, en, anderzijds, het mechanisme van compensatie dat is bedoeld om afwijkingen te corrigeren van de overeenkomsten tot verdeling van de markt en klantenkring, omvat. |
|
2. |
Artikel 3 van beschikking C(2007) 4441 definitief, wordt nietigverklaard voor zover daarbij Galp Energía España, Petróleos de Portugal (Petrogal) en Galp Energia, SGPS worden gelast een einde te maken aan de inbreuk die is vastgesteld bij artikel 1 van voornoemde beschikking, en zich te onthouden van de in dit artikel bedoelde handelingen of gedragingen, dan wel van handelingen of gedragingen die een soortgelijke werking hebben, en die, enerzijds, het stelsel van controle en uitvoering van overeenkomsten tot verdeling van de markt en de klantenkring, en, anderzijds, het mechanisme van compensatie dat is bedoeld om afwijkingen te corrigeren van de overeenkomsten tot verdeling van de markt en de klantenkring, omvatten. |
|
3. |
Het bedrag van de bij artikel 2 van beschikking C(2007) 4441 definitief, aan Galp Energía España en Petróleos de Portugal (Petrogal) opgelegde geldboete, wordt vastgesteld op 8 277 500 EUR. Het bedrag van de bij artikel 2 van beschikking C(2007) 4441 aan Galp Energia, SGPS opgelegde geldboete wordt vastgesteld op 6 149 000 EUR. |
|
4. |
De overige vorderingen van het beroep worden afgewezen. |
|
5. |
Elke partij draagt zijn eigen kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/13 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Nynäs Petroleum AB en Nynas Petróleo/Commissie
(Zaak T-482/07) (1)
(Mededinging - Mededingingsregelingen - Spaanse markt van penetratiebitumen - Beschikking waarbij inbreuk op artikel 81 EG wordt vastgesteld - Jaarlijkse overeenkomsten om markt te verdelen en prijzen te coördineren - Bewijs van deelneming aan mededingingsregeling - Berekening van bedrag van geldboete)
2013/C 336/26
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Nynäs Petroleum AB (Stockholm, Zweden) en Nynas Petróleo SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: D. Beard, QC, en M. Dean, solicitor)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk X. Lewis en F. Castillo de la Torre, vervolgens F. Castillo de la Torre en J. Bourke, en ten slotte F. Castillo de la Torre en C. Urraca Caviedes, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep, primair, tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2007) 4441 definitief van de Commissie van 3 oktober 2007 in een procedure op grond van artikel 81 (EG) (zaak COMP/F/38.710 — Bitumen (Spanje)) en, subsidiair, tot vermindering van het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboete.
Dictum
|
1. |
Het bedrag van de bij artikel 2 van beschikking C(2007) 4441 definitief van de Commissie van 3 oktober 2006 in een procedure op grond van artikel 81 (EG) (zaak COMP/F/38.710 — Bitumen (Spanje)) aan Nynas Petróleo SA opgelegde geldboete, wordt vastgesteld op 10 406 000 EUR. Het bedrag van de bij artikel 2 van voornoemde beschikking aan Nynäs Petroleum AB opgelegde geldboete wordt vastgesteld op 101 640 000 EUR. |
|
2. |
De overige vorderingen van het beroep worden afgewezen. |
|
3. |
Elke partij draagt zijn eigen kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/14 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — PROAS/Commissie
(Zaak T-495/07) (1)
(Mededinging - Mededingingsregelingen - Spaanse markt van penetratiebitumen - Jaarlijkse overeenkomsten om markt te verdelen en prijzen te coördineren - Vertaling van mededeling van punten van bezwaar - Toerekenbaarheid van inbreukmakende gedraging - Redelijke termijn - Beginsel van onpartijdigheid - Berekening van bedrag van geldboete - Gezag van gewijsde)
2013/C 336/27
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Productos Asfálticos (PROAS), SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Fernández Vicién, A. Pereda Miquel en P. Carmona Botana, vervolgens C. Fernández Vicién en A. Pereda Miquel en ten slotte C. Fernández Vicién, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Castillo de la Torre, gemachtigde, aanvankelijk bijgestaan door J. Rivas Andrés, advocaat, en Heenan Bróna, solicitor, vervolgens door J. Rivas Andrés en J. Gutiérrez Gisbert, advocaat, en ten slotte door J. Rivas Andrés)
Voorwerp
Beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2007) 4441 definitief van de Commissie van 3 oktober 2007 in een procedure op grond van artikel 81 (EG) (zaak COMP/F/38.710 — Bitumen (Spanje)), en een verzoek tot vermindering van het bedrag van de bij die beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete.
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
De vorderingen van de Europese Commissie tot verhoging van het bedrag van de geldboete worden afgewezen. |
|
3. |
Productos Asfálticos (PROAS), SA wordt verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/14 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Repsol Lubricantes y Especialidades e.a./Commissie
(Zaak T-496/07) (1)
(Mededinging - Mededingingsregelingen - Spaanse markt van penetratiebitumen - Jaarlijkse overeenkomsten om markt te verdelen en prijzen te coördineren - Rechten van verdediging - Toerekenbaarheid van inbreukmakende gedraging - Beginsel van persoonlijk karakter van straffen en sancties - Berekening van bedrag van geldboete - Gezag van gewijsde)
2013/C 336/28
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partijen: Repsol Lubricantes y Especialidades, SA, voorheen Repsol Lubricantes YPF y Especialidades, SA (Madrid, Spanje); Repsol Petróleo, SA (Madrid); en Repsol, SA, voorheen Repsol YPF, SA (Madrid) (vertegenwoordigers: L. Ortiz Blanco, J. Buendía Sierra, M. Muñoz de Juan en Á. Givaja Sanz, advocaten)
Verwerende partij: (vertegenwoordigers: F. Castillo de la Torre en C. Urraca Caviedes, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2007) 4441 definitief van de Commissie van 3 oktober 2007 in een procedure op grond van artikel 81 (EG) (zaak COMP/F/38.710 — Bitumen (Spanje)), en een verzoek tot vermindering van het bedrag van de bij die beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete.
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
De vorderingen van de Europese Commissie tot verhoging van het bedrag van de geldboete worden afgewezen. |
|
3. |
Repsol Lubricantes y Especialidades, SA, Repsol Petróleo, SA en Repsol, SA worden verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/15 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — CEPSA/Commissie
(Zaak T-497/07) (1)
(Mededinging - Mededingingsregelingen - Spaanse markt van penetratiebitumen - Jaarlijkse overeenkomsten om markt te verdelen en prijzen te coördineren - Vertaling van mededeling van punten van bezwaar - Toerekenbaarheid van inbreukmakende gedraging - Redelijke termijn - Beginsel van onpartijdigheid - Berekening van bedrag van geldboete - Gezag van gewijsde)
2013/C 336/29
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Compañía Española de Petróleos (CEPSA), SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: aanvankelijk O. Armengol i Gasull, P. Pérez-Llorca Zamora en Á. Pascual Morcillo, vervolgens O. Armengol i Gasull en J. Rodríguez Cárcamo, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Castillo de la Torre, gemachtigde, aanvankelijk bijgestaan door J. Rivas Andrés, advocaat, en Heenan Bróna, solicitor, vervolgens door J. Rivas Andrés en J. Gutiérrez Gisbert, advocaat, en ten slotte door J. Rivas Andrés)
Voorwerp
Beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2007) 4441 definitief van de Commissie van 3 oktober 2007 in een procedure op grond van artikel 81 (EG) (zaak COMP/F/38.710 — Bitumen (Spanje)), en een verzoek tot vermindering van het bedrag van de bij die beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete.
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
De vorderingen van de Europese Commissie met betrekking tot het bedrag van de geldboete worden afgewezen. |
|
3. |
Compañía Española de Petróleos (CEPSA), SA wordt verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/15 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Müller-Boré & Partner/BHIM — Popp e.a. (MBP)
(Zaak T-338/09) (1)
(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk MBP - Ouder gemeenschapswoordmerk ip_law@mbp./email - Relatieve weigeringsgrond - Gevaar voor verwarring - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009) - In economisch verkeer gebruikt nationaal teken mbp.de - Artikel 8, lid 4, van verordening nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009))
2013/C 336/30
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Müller-Boré & Partner Patentanwälte. Rechtsanwälte (München, Duitsland) (vertegenwoordigers: C. Osterrieth en T. Schmitz, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Schäffner, vervolgens A. Pohlmann, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Eugen Popp (München, Duitsland); Wolf E. Sajda (München); Johannes Bohnenberger (München), en Volkmar Kruspig (München) (vertegenwoordigers: C. Rohnke, M. Jacob en J. Herrlinger, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 23 juni 2009 (zaak R 1176/2007-4), inzake een oppositieprocedure tussen Eugen Popp, Wolf e. Sajda, Johannes Bohnenberger, Volkmar Kruspig en Müller-Boré & Partner Rechtsanwälte. Patentanwälte
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
Müller-Boré & Partner Patentanwälte. Rechtsanwälte wordt verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/16 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Colt Télécommunications France/Commissie
(Zaak T-79/10) (1)
(Staatssteun - Compensatie voor openbaredienstlasten in kader van project voor zeer snel elektronischecommunicatienetwerk in departement Hauts-de-Seine - Beschikking houdende vaststelling dat geen sprake is van steun - Geen inleiding van formele onderzoeksprocedure - Ernstige moeilijkheden)
2013/C 336/31
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Colt Télécommunications France (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: M. Debroux, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Stromsky en C. Urraca Caviedes, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van de verwerende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. de Bergues en J. Gstalter, vervolgens D. Colas, J. Bousin en J.-S. Pilczer, gemachtigden); Sequalum SAS (Puteaux, Frankrijk) (vertegenwoordiger: L Feldman, advocaat), en departement Hauts-de-Seine (Frankrijk) (vertegenwoordigers: J.-D. Bloch en G. O’Mahony, advocaten)
Voorwerp
Nietigverklaring van beschikking C(2009) 7426 definitief van de Commissie van 30 september 2009 betreffende de compensatie voor openbaredienstlasten voor de totstandbrenging en de exploitatie van een zeer snel elektronischecommunicatienetwerk in het departement Hauts-de-Seine (steunmaatregel N 331/2008 — Frankrijk)
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
Colt Télécommunications France draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie. |
|
3. |
De Franse Republiek, Sequalum SAS en het departement Hauts-de-Seine dragen hun eigen kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/16 |
Arrest van het Gerecht van 26 september 2013 — Pioneer Hi-Bred International/Commissie
(Zaak T-164/10) (1)
(Harmonisatie van wetgevingen - Doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in milieu - Toelatingsprocedure voor in handel brengen - Verzuim van Commissie om aan Raad voorstel voor besluit voor te leggen - Beroep wegens nalaten)
2013/C 336/32
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Pioneer Hi-Bred International, Inc. (Johnston, Iowa, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: J. Temple Lang, solicitor, en T. Müller-Ibold, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Pignataro-Nolin, N. Yerell en C. Zadra, gemachtigden)
Voorwerp
Vordering strekkende tot vaststelling, overeenkomstig artikel 265 VWEU, dat de Commissie, door te hebben verzuimd aan de Raad een ontwerp voor te nemen maatregelen voor te leggen overeenkomstig artikel 5, lid 4, van besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB L 184, blz. 23), en door te hebben verzuimd alle andere maatregelen te nemen die naargelang van het verloop van de besluitvormingsprocedure noodzakelijk kunnen zijn om te verzekeren dat het in artikel 18 van richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van richtlijn 90/220/EEG van de Raad (PB L 106, blz. 1) bedoelde besluit wordt vastgesteld, de krachtens artikel 18 van richtlijn 2001/18 op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen
Dictum
|
1. |
Door te hebben verzuimd aan de Raad een ontwerp voor te nemen maatregelen voor te leggen overeenkomstig artikel 5, lid 4, van besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden, is de Europese Commissie de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 18 van richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van richtlijn 90/220/EEG van de Raad. |
|
2. |
De Commissie wordt verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/17 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Avery Dennison/BHIM — Dennison-Hesperia (AVERY DENNISON)
(Zaak T-200/10) (1)
(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk AVERY DENNISON - Ouder nationaal woordmerk DENNISON - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Normaal gebruik van ouder merk - Artikel 42, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009 - Voorwerp van geschil voor kamer van beroep)
2013/C 336/33
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Avery Dennison Corp. (Pasadena, Californië, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: E. Armijo Chávarri, A. Castán Pérez-Gómez en A. Sanz Cerralbo, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Crespo Carrillo, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Dennison-Hesperia, SA (Torrejón de Ardoz, Spanje) (vertegenwoordiger: L. Broschat García, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 9 februari 2010 (zaak R 798/2009-2) inzake een oppositieprocedure tussen Dennison-Hesperia, SA en Avery Dennison Corp.
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
Avery Dennison Corp. wordt verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/17 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Knut IP Management/BHIM — Zoologischer Garten Berlin (KNUT — DER EISBÄR)
(Zaak T-250/10) (1)
(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk KNUT - DER EISBÄR - Ouder nationaal woordmerk KNUD - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009))
2013/C 336/34
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Knut IP Management Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: aanvankelijk C. Jaeckel, vervolgens J. Steinberg, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Zoologischer Garten Berlin AG (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: J. Schulz en P. Vatankhah, advocaten
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 17 maart 2010 (zaak R 650/2009-1) inzake een oppositieprocedure tussen Zoologischer Garten Berlin AG en Knut IP Management Ltd
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
Knut IP Management Ltd wordt verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/18 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Orange/Commissie
(Zaak T-258/10) (1)
(Staatssteun - Compensatie voor openbaredienstlasten in kader van project voor zeer snel elektronischecommunicatienetwerk in departement Hauts-de-Seine - Beschikking houdende vaststelling dat geen sprake is van steun - Geen inleiding van formele onderzoeksprocedure - Ernstige moeilijkheden - Arrest Altmark - Dienst van algemeen economisch belang - Marktfalen - Overcompensatie)
2013/C 336/35
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Orange, voorheen France Télécom (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. van der Woude en D. Gillet, vervolgens D. Gillet en H. Viaene, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Stromsky en C. Urraca Caviedes, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van de verwerende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. de Bergues en J. Gstalter, vervolgens D. Colas en J. Bousin, gemachtigden); departement Hauts-de-Seine (Frankrijk) (vertegenwoordigers: J.-D. Bloch en G. O’Mahony, advocaten), en Sequalum SAS (Puteaux, Frankrijk) (vertegenwoordiger: L. Feldman, advocaat)
Voorwerp
Nietigverklaring van beschikking C(2009) 7426 definitief van de Commissie van 30 september 2009 betreffende de compensatie voor openbaredienstlasten voor de totstandbrenging en de exploitatie van een zeer snel elektronischecommunicatienetwerk in het departement Hauts-de-Seine (steunmaatregel N 331/2008 — Frankrijk)
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
Orange draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie. |
|
3. |
Het departement Hauts-de-Seine, Sequalum SAS en de Franse Republiek dragen hun eigen kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/18 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Iliad e.a./Commissie
(Zaak T-325/10) (1)
(Staatssteun - Compensatie voor openbaredienstlasten in kader van project voor zeer snel elektronischecommunicatienetwerk in departement Hauts-de-Seine - Beschikking houdende vaststelling dat geen sprake is van steun - Geen inleiding van formele onderzoeksprocedure - Ernstige moeilijkheden - Arrest Altmark - Dienst van algemeen economisch belang - Marktfalen - Overcompensatie)
2013/C 336/36
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Iliad (Parijs, Frankrijk); Free infrastructure (Parijs), en Free (Parijs) (vertegenwoordiger: T. Cabot, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Stromsky en C. Urraca Caviedes, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van de verwerende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. de Bergues en J. Gstalter, vervolgens D. Colas en J. Bousin, gemachtigden); Republiek Polen (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Szpunar en B. Majczyna, vervolgens B. Majczyna, gemachtigden), en departement Hauts-de-Seine (Frankrijk) (vertegenwoordigers: J.-D. Bloch en G. O’Mahony, advocaten)
Voorwerp
Nietigverklaring van beschikking C(2009) 7426 definitief van de Commissie van 30 september 2009 betreffende de compensatie voor openbaredienstlasten voor de totstandbrenging en de exploitatie van een zeer snel elektronischecommunicatienetwerk in het departement Hauts-de-Seine (steunmaatregel N 331/2008 — Frankrijk)
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
Iliad, Free infrastructure en Free dragen hun eigen kosten en die van de Europese Commissie. |
|
3. |
Het departement Hauts-de-Seine, de Franse Republiek en de Republiek Polen dragen hun eigen kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/19 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Rovi Pharmaceuticals/BHIM — Laboratorios Farmaceuticos Rovi (ROVI Pharmaceuticals)
(Zaak T-97/11) (1)
(Gemeenschapsmerk - Oppositie - Aanvraag gemeenschapswoordmerk ROVI Pharmaceuticals - Ouder gemeenschapsbeeldmerk ROVI en ouder nationaal woordmerk ROVIFARMA - Relatieve weigeringsgrond - Gevaar voor verwarring - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Gelijke behandeling)
2013/C 336/37
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Rovi Pharmaceuticals GmbH (Schlüchtern, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Berghofer, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Crespo Carrillo, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Laboratorios Farmaceuticos Rovi, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: G. Marín Raigal, P. López Ronda en G. Macias Bonilla, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 7 december 2010 (zaak R 500/2010-2) inzake een oppositieprocedure tussen Laboratorios Farmacéuticos Rovi, SA et Rovi Pharmaceuticals GmbH.
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
Rovi Pharmaceuticals GmbH wordt verwezen in de kosten, daaronder begrepen de kosten die Laboratorios Farmacéuticos Rovi, SA zijn opgekomen in de procedure voor de kamer van beroep. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/19 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Golden Balls/BHIM — Intra Presse (GOLDEN BALLS)
(Zaak T-437/11) (1)
(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk GOLDEN BALLS - Ouder gemeenschapswoordmerk BALLON D’OR - Overeenstemmende tekens - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Vordering tot vernietiging ingesteld door interveniënte - Artikel 134, lid 3, van Reglement voor de procesvoering van het Gerecht - Omvang van door kamer van beroep te verrichten onderzoek - Verplichting om op volledig beroep te beslissen - Artikel 8, lid 5, artikel 64, lid 1, en artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009)
2013/C 336/38
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Golden Balls Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: M. Edenborough, QC, S. Smith, solicitor)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Intra-Presse (Boulogne-Billancourt, Frankrijk) (vertegenwoordigers: P. Péters, T. de Haan en M. Laborde, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 26 mei 2011 (zaak R 1310/2010-1) inzake een oppositieprocedure tussen Intra-Presse en Golden Balls Ltd
Dictum
|
1. |
Het eerste punt van het dispositief van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 26 mei 2011 (zaak R 1310/2010-1) wordt vernietigd. |
|
2. |
De door Intra-Presse ingestelde vordering tot vernietiging wordt afgewezen. |
|
3. |
Het BHIM draagt, naast zijn eigen kosten, de kosten van Golden Balls Ltd, met uitzondering van de kosten van laatstgenoemde met betrekking tot de vordering tot vernietiging op grond van artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. |
|
4. |
Intra-Presse draagt, naast haar eigen kosten, de kosten van Golden Balls Ltd met betrekking tot de vordering tot vernietiging op grond van artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/20 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Golden Balls/BHIM — Intra-Presse (GOLDEN BALLS)
(Zaak T-448/11) (1)
(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk GOLDEN BALLS - Ouder gemeenschapswoordmerk BALLON D’OR - Overeenstemming van tekens - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Door interveniënte ingestelde vordering tot vernietiging - Artikel 134, lid 3, van Reglement voor procesvoering van Gerecht - Omvang van door kamer van beroep te verrichten onderzoek - Verplichting om op volledig beroep te beslissen - Artikel 8, lid 5, artikel 64, lid 1, en artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009)
2013/C 336/39
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Golden Balls Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: M. Edenborough, QC, S. Smith, solicitor)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Intra-Presse (Boulogne-Billancourt, Frankrijk) (vertegenwoordigers: P. Péters, T. de Haan en M. Laborde, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 22 juni 2011 (zaak R 1432/2010-1) inzake een oppositieprocedure tussen Intra-Presse en Golden Balls Ltd
Dictum
|
1. |
Het eerste punt van het dispositief van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 22 juni 2011 (zaak R 1432/2010-1) wordt vernietigd. |
|
2. |
De door Intra-Presse ingestelde vordering tot vernietiging wordt afgewezen. |
|
3. |
Het BHIM wordt verwezen in zijn eigen kosten en in de kosten van Golden Balls Ltd, met uitzondering van de kosten die deze laatste met betrekking tot de vordering tot vernietiging op grond van artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering heeft gemaakt. |
|
4. |
Intra-Presse wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten die Golden Balls Ltd met betrekking tot de vordering tot vernietiging op grond van artikel 134, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering heeft gemaakt. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/20 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Gitana/BHIM — Teddy (GITANA)
(Zaak T-569/11) (1)
(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk GITANA - Ouder gemeenschapsbeeldmerk KiTANA - Bewijs van normaal gebruik van ouder merk - Artikel 42, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Dezelfde of soortgelijke waren - Overeenstemmende tekens - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 - Gedeeltelijke weigering van inschrijving)
2013/C 336/40
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Gitana SA (Pregny-Chambésy, Zwitserland) (vertegenwoordiger: F. Benech, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: P. Geroulakos, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Teddy SpA (Rimini, Italië) (vertegenwoordiger: S. Rizzo, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 4 augustus 2011 (zaak R 1825/2007-1) inzake een oppositieprocedure tussen Rosenruist — Gestão e serviços, Lda en Gitana SA
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
Gitana SA wordt verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/21 |
Arrest van het Gerecht van 16 september 2013 — Oro Clean Chemie/BHIM — Merz Pharma (PROSEPT)
(Zaak T-284/12) (1)
(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PROSEPT - Ouder nationaal woordmerk Pursept - Relatieve weigeringsgrond - Gevaar voor verwarring - Overeenstemmende tekens - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Recht van verweer - Artikel 75 van verordening nr. 207/2009)
2013/C 336/41
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Oro Clean Chemie AG (Fehraltorf, Zwitserland) (vertegenwoordiger: F. Ekey, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Merz Pharma GmbH & Co. KGaA (Frankfurt am Main) (vertegenwoordigers: M. Hirsch en C. Mayerhöffer, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 29 maart 2012 (zaak R 1053/2011-1), inzake een oppositieprocedure tussen Merz Pharma GmbH & Co. KGaA en Oro Clean Chemie AG
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
Oro Clean Chemie AG wordt verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/21 |
Beschikking van het Gerecht van 11 september 2013 — Rungis express/BHIM — Žito (MARESTO)
(Zaak T-243/10) (1)
(Gemeenschapsmerk - Oppositie - Intrekking van oppositie - Afdoening zonder beslissing)
2013/C 336/42
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Rungis express AG (Meckenheim, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk U. Feldmann, vervolgens O. Dimopoulou, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: B. Schmidt, R. Pethke en D. Botis, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Žito prehrambena industrija d.d. (Ljubljana, Slovenië) (vertegenwoordiger: M. Praviček, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 11 maart 2010 (zaak R 691/2009-1) inzake een oppositieprocedure tussen Žito prehrambena industrija d.d. en Rungis express AG
Dictum
|
1. |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2. |
Verzoekster en interveniënte worden verwezen in hun eigen kosten, alsook, elk voor de helft, in de kosten van verweerder. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/21 |
Beschikking van het Gerecht van 9 september 2013 — Altadis/Commissie
(Zaak T-400/11) (1)
(Beroep tot nietigverklaring - Staatssteun - Steunregeling die fiscale afschrijving van financiële goodwill voor verwerving van deelnemingen in buitenlandse ondernemingen toelaat - Besluit waarbij steunregeling onverenigbaar met interne markt wordt verklaard en geen terugvordering van steun wordt gelast - Handeling die uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt - Niet individueel geraakt - Geen terugbetalingsverplichting - Niet-ontvankelijkheid)
2013/C 336/43
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Altadis, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: J. Buendía Sierra, E. Abad Valdenebro, M. Muñoz de Juan en R. Calvo Salinero, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lyal, C. Urraca Caviedes en P. Němečková, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om gedeeltelijke nietigverklaring van besluit 2011/282/EU van de Commissie van 12 januari 2011 inzake de fiscale afschrijving van financiële goodwill voor de verwerving van deelnemingen in buitenlandse ondernemingen C-45/07 (ex NN 51/07, ex CP 9/07) die door Spanje is toegepast (PB L 135, blz. 1)
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
Altadis, SA wordt verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/22 |
Beschikking van het Gerecht van 9 september 2013 — Banco Bilbao Vizcaya Argentaria/Commissie
(Zaak T-429/11) (1)
(Beroep tot nietigverklaring - Staatssteun - Steunregeling die fiscale afschrijving van financiële goodwill voor verwerving van deelnemingen in buitenlandse ondernemingen mogelijk maakt - Besluit waarbij steunregeling onverenigbaar met interne markt wordt verklaard en terugvordering van steun niet wordt gelast - Handeling die uitvoeringsmaatregelen bevat - Geen individuele geraaktheid - Geen hoedanigheid van daadwerkelijke begunstigde van steunregeling - Geen verplichting tot teruggave - Niet-ontvankelijkheid)
2013/C 336/44
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Banco Bilbao Vizcaya Argentaria SA (Bilbao, Spanje) (vertegenwoordigers: J. Ruiz Calzado, M. Núñez Müller en J. Domínguez Pérez, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lyal, C. Urraca Caviedes en P. Němečková, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit 2011/282/EU van de Commissie van 12 januari 2011 inzake de fiscale afschrijving van financiële goodwill voor de verwerving van deelnemingen in buitenlandse ondernemingen C-45/07 (ex NN 51/07, ex CP 9/07) die door Spanje is toegepast (PB L 135, blz. 1)
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
Banco Bilbao Vizcaya Argentaria SA wordt verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/22 |
Beschikking van het Gerecht van 9 september 2013 — Telefónica/Commissie
(Zaak T-430/11) (1)
(Beroep tot nietigverklaring - Staatssteun - Steunregeling die fiscale afschrijving van financiële goodwill voor verwerving van deelnemingen in buitenlandse ondernemingen mogelijk maakt - Besluit waarbij steunregeling onverenigbaar met interne markt wordt verklaard en terugvordering van steun niet wordt gelast - Handeling die uitvoeringsmaatregelen bevat - Geen individuele geraaktheid - Geen hoedanigheid van daadwerkelijke begunstigde van steunregeling - Geen verplichting tot teruggave - Niet-ontvankelijkheid)
2013/C 336/45
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Telefónica SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: J. Ruiz Calzado, M. Núñez Müller en J. Domínguez Pérez, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lyal, C. Urraca Caviedes en P. Němečková, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit 2011/282/EU van de Commissie van 12 januari 2011 inzake de fiscale afschrijving van financiële goodwill voor de verwerving van deelnemingen in buitenlandse ondernemingen C-45/07 (ex NN 51/07, ex CP 9/07) die door Spanje is toegepast (PB L 135, blz. 1)
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2. |
Telefónica SA wordt verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/22 |
Beschikking van het Gerecht van 11 september 2013 — Marcuccio/Commissie
(Zaak T-475/11 P) (1)
(Hogere voorziening - Openbare dienst - Terugbetaling van invorderbare kosten - Ontbreken van procesbelang - Hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk)
2013/C 336/46
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirant: Luigi Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en C. Berardis-Kayser, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 20 juni 2011, Marcuccio/Commissie (F-67/10, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van die beschikking
Dictum
|
1. |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2. |
Marcuccio draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/23 |
Beschikking van het Gerecht van 11 september 2013 — Melkveebedrijf Overenk e.a./Commissie
(Zaak T-540/11) (1)
(Beroep tot schadevergoeding - Heffing in sector melk en zuivelproducten - Verordening (EG) nr. 1468/2006 - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)
2013/C 336/47
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partijen: Melkveebedrijf Overenk BV (Sint Anthonis, Nederland); Maatschap Veehouderij Kwakernaak (Oosterwolde, Nederland); Mulders Agro vof (Heerle, Nederland); Melkveebedrijf Engelen vof (Grashoek, Nederland); Melkveebedrijf De Peel BV (Heusden, Nederland), en Mathijs Moonen (Nederweert, Nederland) (vertegenwoordigers: P. Mazel en A. van Beelen, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: Z. Malůšková en B. Burggraaf, gemachtigden)
Voorwerp
Vordering tot vergoeding van de schade die verzoekers beweerdelijk hebben geleden door verordening (EG) nr. 1468/2006 van de Commissie van 4 oktober 2006 tot wijziging van verordening (EG) nr. 595/2004 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 274, blz. 6)
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2. |
Melkveebedrijf Overenk BV, Maatschap Veehouderij Kwakernaak, Mulders Agro vof, Melkveebedrijf Engelen vof, Melkveebedrijf De Peel BV en Mathijs Moonen worden verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/23 |
Beschikking van het Gerecht van 10 september 2013 — Symbio Gruppe/BHIM — Ada Cosmetic (SYMBIOTIC CARE)
(Zaak T-562/11) (1)
(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Schrapping van internationale inschrijving - Afdoening zonder beslissing)
2013/C 336/48
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Symbio Gruppe GmbH & Co. KG (Herborn, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Schulz en C. Onken, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: R. Pethke en D. Botis, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Ada Cosmetic GmbH (Kehl, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk H. Börjes-Pestalozza, vervolgens R. Douglas Morton en E. Kessler, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 18 augustus 2011 (zaak R 2121/201-4) inzake een oppositieprocedure tussen Symbio Gruppe GmbH & Co. KG en Ada Cosmetic GmbH
Dictum
|
1. |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2. |
Elke partij zal haar eigen kosten dragen. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/23 |
Beschikking van het Gerecht van 16 september 2013 — Hübner/BHIM — Silesia Gerhard Hanke (Original silicea Kieselsäure-Gel)
(Zaak T-211/12) (1)
(Gemeenschapsmerk - Oppositie - Intrekking van oppositie - Afdoening zonder beslissing)
2013/C 336/49
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Anton Hübner GmbH & Co. KG (Ehrenkirchen, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Kirchgäßner, vervolgens R. Kunz-Hallstein, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Poch, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Silesia Gerhard Hanke GmbH & Co. KG (Norf, Duitsland) (vertegenwoordiger: H.-J. Krieger, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 1 maart 2012 (zaak R 351/2011-1) inzake een oppositieprocedure tussen Silesia Gerhard Hanke GmbH & Co. KG en Anton Hübner GmbH & Co. KG
Dictum
|
1. |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2. |
Verzoekster en interveniënte worden verwezen in hun eigen kosten, alsook, elk voor de helft, in de kosten van verweerder. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/24 |
Beschikking van het Gerecht van 13 september 2013 — Conticchio/Commissie
(Zaak T-358/12 P) (1)
(Hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Pensioenen - Besluit betreffende berekening van pensioenrechten - Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond)
2013/C 336/50
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Rosella Conticchio (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: R. Giuffrida en A. Tortora, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en G. Gattinara, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 12 juli 2012, Conticchio/Commissie (F-22/11, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van die beschikking
Dictum
|
1. |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2. |
Elke partij zal haar eigen kosten dragen. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/24 |
Beschikking van het Gerecht van 9 september 2013 — Planet/Commissie
(Zaak T-489/12) (1)
(Arbitragebeding - Zesde kaderprogramma voor activiteiten op gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie - Overeenkomsten inzake projecten Ontogov, FIT en RACWeb - Subsidiabele kosten - Geen procesbelang - Niet-ontvankelijkheid)
2013/C 336/51
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij): Planet AE Anonymi Etaireia Parochis Symvouleftikon Ypiresion (Athene, Griekenland) (vertegenwoordiger: V. Christianos, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lyal en B. Conte, gemachtigden, bijgestaan door S. Drakakakis, advocaat)
Voorwerp
Krachtens de artikelen 272 VWEU en 340, eerste alinea, VWEU ingesteld beroep, waarmee verzoekster het Gerecht verzoekt enerzijds vast te stellen dat de Commissie haar contractuele verplichtingen niet is nagekomen doordat zij heeft geweigerd om bepaalde bedragen die waren voorgeschoten in uitvoering van de overeenkomsten „Ontology enabled E-Gov Service Configuration (Ontogov)”, „Fostering self-adaptive e-government service improvement using semantic technologies (FIT)” en „Risk Assessment for Customs in Western Balkans (RACWeb)”, die zijn gesloten in het kader van het zesde kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, ter bevordering van de totstandbrenging van de Europese onderzoeksruimte en van innovatie (2002-2006), te beschouwen als subsidiabele kosten, en anderzijds te constateren dat die bedragen subsidiabele kosten zijn en niet hoeven te worden terugbetaald
Dictum
|
1. |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2. |
Planet AE Anonymi Etaireia Parochis Symvouleftikon Ypiresion wordt verwezen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/24 |
Beschikking van het Gerecht van 12 september 2013 — Yaqub/BHIM — Turkije (ATATURK)
(Zaak T-580/12) (1)
(Gemeenschapsmerk - Aanwijzing van nieuwe vertegenwoordiger - Stilzitten van verzoeker - Afdoening zonder beslissing)
2013/C 336/52
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: J. Yaqub (Nottingham, Verenigd Koninkrijk)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Republiek Turkije
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 17 september 2012 (zaak R 2613/2011-2) inzake een nietigheidsprocedure tussen de Republiek Turkije, enerzijds, en J. Yaqub en G. Yaqub, anderzijds
Dictum
|
1. |
Op het onderhavige beroep behoeft niet te worden beslist. |
|
2. |
J. Yaqub zal zijn eigen kosten dragen. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/25 |
Beschikking van het Gerecht van 16 september 2013 — Bouillez/Raad
(Zaak T-31/13 P) (1)
(Hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Bevordering - Bevorderingsronde 2007 - Besluit om rekwirant niet naar rang AST 7 te bevorderen - Motiveringsplicht - Artikel 266 VWEU - Artikel 45 Statuut - Tegenstrijdige motivering - Vergelijking van verdiensten - Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond)
2013/C 336/53
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirant: Vincent Bouillez (Overijse, België) (vertegenwoordigers: D. Abreu Caldas, A. Coolen, J.-N. Louis en E. Marchal, advocaten)
Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer en A. Bisch, gemachtigden)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Derde kamer) van 14 november 2012, Bouillez/Raad (F-75/11, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van dat arrest
Dictum
|
1. |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2. |
Bouillez draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten die de Raad van de Europese Unie in het kader van deze procedure heeft gemaakt. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/25 |
Beschikking van het Gerecht van 20 september 2013 — Van Neyghem/Raad
(Zaak T-113/13 P) (1)
(Hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Bevordering - Bevorderingsronde 2007 - Besluit om rekwirant niet naar de rang AST 7 te bevorderen - Verwerping van beroep in eerste aanleg - Motiveringsplicht - Artikel 266 VWEU - Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond)
2013/C 336/54
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirant: Kris van Neyghem (Tienen, België) (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)
Andere partij in de procedure: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer en A. Bisch, gemachtigden)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Derde kamer) van 12 december 2012, Van Neyghem/Raad (F-77/11, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van dat arrest
Dictum
|
1. |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2. |
Van Neyghem draagt zijn eigen kosten en de kosten die de Raad van de Europese Unie in het kader van deze procedure heeft gemaakt. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/25 |
Beroep ingesteld op 4 september 2013 — Syrian Lebanese Commercial Bank/Raad
(Zaak T-477/13)
2013/C 336/55
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Syrian Lebanese Commercial Bank S.A.L. (Beiroet, Libanon) (vertegenwoordigers: P. Vanderveeren, L. Defalque en T. Bontinck, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
|
— |
vaststellen dat de Europese Unie niet-contractueel aansprakelijk is doordat verzoekster is opgenomen in bijlage II bij verordening (EU) nr. 36/2012 van de Raad en niet van de daarin opgenomen lijst is geschrapt; |
|
— |
bijgevolg de Unie veroordelen tot betaling van een redelijke en volledige vergoeding van de schade die verzoekster heeft geleden door het onrechtmatige optreden van de Unie, zulks ten bedrage van eenenveertig miljoen vierenzeventigduizend negenhonderdveertig EUR (41 074 940 EUR), vermeerderd met compenserende rente en vertragingsrente tegen het tarief dat door de Europese Centrale Bank op haar belangrijkste herfinancieringstransacties wordt toegepast, vermeerderd met twee procentpunten, alsmede tot betaling van een voorlopige vergoeding van één miljoen EUR, welke kan worden aangepast al naargelang de uitgaven en investeringen die verzoekster zich genoodzaakt ziet te doen om haar imago en reputatie te herstellen; |
|
— |
subsidiair, voor zover mocht worden geoordeeld dat de geleden schade opnieuw moet worden begroot, een deskundigenonderzoek bevelen op grond van artikel 65, sub d, artikel 66, lid l, en artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht; |
|
— |
de Raad verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan die betrekking hebben op vermeend onrechtmatig optreden van de Raad bij het nemen van bevriezingsmaatregelen en het handhaven daarvan sinds januari 2012:
|
— |
kennelijke beoordelingsfout wat betreft haar betrokkenheid bij de financiering van het Syrische regime; |
|
— |
ontbreken van een toereikende en duidelijke motivering van de maatregelen die de Raad tegen haar heeft genomen; |
|
— |
schending van de rechten van de verdediging, het recht op een eerlijk proces en het recht op effectieve rechterlijke bescherming, en |
|
— |
ontoereikend onderzoek van de Raad waardoor de door de Raad genomen beperkende maatregelen onrechtmatig zijn. |
Volgens verzoekster zijn de bevriezingsmaatregelen van de Raad met zekerheid de oorzaak van de materiële en immateriële schade die zij heeft geleden.
Wat de materiële schade betreft, stelt verzoekster aanzienlijke exploitatie- en technologische verliezen te hebben geleden met name als gevolg van het verlies van zakelijke relaties met verschillende Europese en Arabische banken, een sterke daling van haar bedrijfsresultaat en het verlies van veel bankactiva sinds 2012. Bovendien heeft haar leverancier van banksoftware hun zakelijke relatie beëindigd.
Wat de immateriële schade betreft, vordert verzoekster vergoeding van de schade die voortvloeit uit de aantasting van haar imago door de onrechtmatige bevriezingsmaatregelen die de Raad heeft genomen.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/26 |
Beroep ingesteld op 3 september 2013 — Marchiani/Parlement
(Zaak T-479/13)
2013/C 336/56
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Jean-Charles Marchiani (Toulon, Frankrijk) (vertegenwoordiger: C. S. Marchiani, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
het besluit van de secretaris-generaal van 4 juli 2013 nietig te verklaren; |
|
— |
de debetnota van 5 juli 2013 nietig te verklaren; |
|
— |
het Europees Parlement in de kosten te verwijzen. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep komt verzoeker op tegen het besluit van het Europees Parlement waarbij dit de bedragen die verzoeker tussen 2001 en 2004 als parlementaire assistentievergoeding heeft ontvangen terugvordert.
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij zes middelen aan.
|
1. |
Eerste middel, ontleend aan onregelmatigheden in de procedure doordat het besluit van de secretaris-generaal van het Parlement van 4 juli 2013 in strijd is met het besluit van het bureau van het Europees Parlement van 19 mei en 9 juli 2008 houdende de uitvoeringsbepalingen van het Statuut van de leden van het Europees Parlement alsook met het beginsel van hoor en wederhoor en de eerbiediging van het rechten van verweer. |
|
2. |
Tweede middel, ontleend aan onjuiste toepassing van de regeling betreffende de kosten en vergoedingen van de leden van het Parlement. |
|
3. |
Derde middel, ontleend aan onjuiste beoordeling van de stukken in het dossier. |
|
4. |
Vierde middel, ontleend aan gebrek aan onpartijdigheid van de secretaris-generaal van het Europees Parlement bij het geven van het besluit van 4 juli 2013. |
|
5. |
Vijfde en zesde middel, ontleend aan verjaring van de gevorderde bedragen. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/27 |
Beroep ingesteld op 6 september 2013 — Systran/Commissie
(Zaak T-481/13)
2013/C 336/57
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Systran SA (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: J. Hoss, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
de besluiten van 5 juli 2013 en 21 augustus 2013 van de Europese Commissie, althans van de Europese Unie nietig verklaren; |
|
— |
de Europese Commissie en de Europese Unie verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep vordert verzoekster nietigverklaring van de besluiten van de Commissie waarbij zij, na het arrest van het Hof van Justitie van 18 april 2013, Commissie/Systran (C-103/11 P, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), is overgegaan tot inning van de compensatierente, vermeerderd met vertragingsrente vanaf 19 augustus 2013 over het bedrag dat de Commissie aan verzoekster had betaald uit hoofde van schadevergoeding na het arrest van het Gerecht van 16 december 2010, Systran en Systran Luxembourg/Commissie (T-19/07, Jurispr. blz. II-6083, dat bij het arrest van het Hof is vernietigd.
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekster drie middelen aan.
|
1. |
Onbevoegdheid van de Commissie om de bestreden besluiten te nemen, aangezien de Commissie geen bevoegdheid bezit om aan zichzelf compensatierente toe te kennen. Dergelijke rente kan alleen door een rechter worden toegekend omdat deze toe doel heeft schade te vergoeden die is ontstaan omdat een partij niet heeft voldaan aan haar verplichtingen. Verzoekster betoogt dat de toekenning van compensatierente niet past in het kader van de afwikkeling van de gevolgen van een door het Hof gewezen arrest. |
|
2. |
Schending van de algemene beginselen van Europees recht, zowel vanuit het oogpunt van de toekenning van rente als vanuit het oogpunt van het algemene beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking. Verzoekster betoogt dat:
|
|
3. |
Misbruik van bevoegdheid door de Commissie aangezien zij zich niet kan baseren op artikel 299 VWEU om betaling van compensatierente te vorderen zonder rechtsgrondslag waarbij haar die bevoegdheid wordt verleend, en zonder rechterlijke uitspraak waarin verzoekster wordt veroordeeld tot betaling daarvan. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/27 |
Beroep ingesteld op 16 september 2013 — La Rioja Alta/BHIM — Aldi Einkauf (VIÑA ALBERDI)
(Zaak T-489/13)
2013/C 336/58
Taal van het verzoekschrift: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: La Rioja Alta, SA (Haro, Spanje) (vertegenwoordiger: F. Pérez Álvarez, abogado)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Aldi Einkauf GmbH & Co. OHG (Essen, Duitsland)
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 9 juli 2013 in zaak R 1190/2011-4 te vernietigen; |
|
— |
gemeenschapsmerk nr. 3 189 065„VIÑA ALBERDI” geldig te verklaren voor klasse 33 van de Overeenkomst van Nice: „Alcoholhoudende dranken (uitgezonderd bieren), uitgezonderd wijnen uit Italië”; |
|
— |
het BHIM en de andere partijen in de procedure te verwijzen in de kosten van deze procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: woordmerk „VIÑA ALBERDI” voor waren van de klassen 30, 32 en 33 — ingeschreven gemeenschapsmerk nr. 3 189 065
Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster
Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: Aldi Einkauf GmbH & Co. OHG
Motivering van de vordering tot nietigverklaring: schending van artikel 8, lid 1, sub b, juncto artikel 53, lid 1, sub a en b, van verordening nr. 207/2009 — beeldmerk met de woordelementen „VILLA ALBERTI”
Beslissing van de nietigheidsafdeling: toewijzing van de vordering
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, juncto artikel 53, lid 1, sub a en b, van verordening nr. 207/2009
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/28 |
Beroep ingesteld op 18 september 2013 — May/BHIM — Constantin Film Produktion (WINNETOU)
(Zaak T-501/13)
2013/C 336/59
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Karl May Verwaltungs- und Vertriebs- GmbH (Bamberg, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Pejman, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Constantin Film Produktion GmbH (München, Duitsland)
Conclusies
|
— |
de beslissing van de eerste kamer van beroep van 9 juli 2013 in zaak R 125/2012-1 vernietigen; |
|
— |
verweerder verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: woordmerk „WINNETOU” voor waren en diensten van de klassen 3, 9, 14, 16, 18, 21, 24, 25, 28, 29, 30, 39, 41, 42 en 43 (gemeenschapsmerk nr. 2 735 017)
Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster
Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: Constantin Film Produktion GmbH
Motivering van de vordering tot nietigverklaring: artikel 52, lid 1, sub a, juncto artikel 7 van verordening nr. 207/2009
Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering tot nietigverklaring
Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de beslissing van de nietigheidsafdeling en gedeeltelijke nietigverklaring van het gemeenschapsmerk
Aangevoerde middelen: schending van het beginsel van autonomie en onafhankelijkheid van het gemeenschapsmerk en van de gemeenschapsmerkregeling, alsmede schending van artikel 76 en artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening nr. 207/2009
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/28 |
Beroep ingesteld op 23 september 2013 — Italië/Commissie
(Zaak T-510/13)
2013/C 336/60
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: P. Gentili, avvocato dello Stato, en G. Palmieri, gemachtigde)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
de in het Publicatieblad van de Europese Unie C 199 A van 11 juli 2013 bekendgemaakte aankondiging van de algemene vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/260/13, 261/13, 262/13, 263/13, 264/13, 265/13, 266/13 voor de vorming van reservelijsten voor de aanwerving van vertalers voor de Deense, Engelse, Franse, Italiaanse, Maltese, Nederlandse en Sloveense taal, nietig te verklaren; |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten van het geding. |
Middelen en voornaamste argumenten
De middelen en de voornaamste argumenten komen overeen met die welke zijn aangevoerd in zaak T-275/13, Italië/Commissie.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/28 |
Beroep ingesteld op 23 september 2013 — Braun Melsungen/BHIM (SafeSet)
(Zaak T-513/13)
2013/C 336/61
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: B. Braun Melsungen AG (Melsungen, Duitsland) (vertegenwoordiger: M.-C. Seiler, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
de bestreden beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 27 juni 2013 te vernietigen; |
|
— |
de bestreden beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 27 juni 2013 aldus te wijzigen dat de voorafgaande weigeringsbeslissing van het BHIM van 25 juni 2012 wordt vernietigd; |
|
— |
de bestreden beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 27 juni 2013 aldus te wijzigen dat de inschrijvingsprocedure wordt voortgezet; |
|
— |
het BHIM te verwijzen in de kosten van de procedure, de kosten van de procedure voor de kamer van beroep daaronder begrepen. |
Middelen en voornaamste argumenten
Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „SafeSet” voor waren van klasse 10 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 10 549 368
Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de inschrijvingsaanvraag
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: schending van de artikelen 7, leden 1, sub b en c, en 2, en 75 en 76 van verordening (EG) nr. 207/2009.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/29 |
Beroep ingesteld op 25 september 2013 — Spanje/Commissie
(Zaak T-515/13)
2013/C 336/62
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordigers: N. Díaz Abad, Abogado del Estado)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
het bestreden besluit nietig verklaren, en |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep is gericht tegen besluit C(2013) 4426 definitief van de Commissie van 17 juli 2013 betreffende de belastingregeling voor bepaalde leaseovereenkomsten met het oog op financiering, ook Spaanse belasting-leaseregeling genoemd (Steunmaatregel SA.21233 C/2011 (ex NN/2011, ex CP 137/2006)). Volgens dit besluit is er bij de maatregelen die voortvloeien uit artikel 115, lid 11, van de geconsolideerde tekst van de Ley del Impuesto sobre Sociedades (wet vennootschapsbelasting) (vervroegde afschrijving van geleasede activa), de toepassing van de tonnagebelastingregeling op niet in aanmerking komende ondernemingen, schepen of activiteiten, en artikel 50, lid 3, van het Reglamento del Impuesto de Sociedades (besluit vennootschapsbelasting), sprake van met de interne markt onverenigbare staatssteun aan economische samenwerkingsverbanden.
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.
|
1. |
Eerste middel: schending van artikel 107 VWEU aangezien bij de maatregelen die in het bestreden besluit zijn onderzocht, aan geen van de voorwaarden om te worden aangemerkt als staatssteun is voldaan. Bij een voordeel dat voor alle potentiële investeerders uit alle sectoren van de economie geldt zonder dat daaraan voorwaarden worden gesteld, is immers geenszins sprake van een selectief aspect. Evenmin wordt de mededinging vervalst of dreigt zij te worden vervalst. Het is namelijk niet aannemelijk dat een voordeel dat zonder discriminatie (ook niet op grond van nationaliteit) voor eenieder geldt, de concurrentiepositie van bepaalde sectoren of ondernemingen versterkt of kan versterken ten opzichte van die van hun concurrenten, aangezien alle investeerders konden deelnemen aan de zogenoemde Spaanse belasting-leaseregeling en de door deze regeling geboden winst konden behalen. Hieruit volgt dat ook het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig wordt beïnvloed omdat de partners (of aandeelhouders) van een entiteit geen marktactiviteiten ontplooien. |
|
2. |
Tweede, subsidiair aangevoerde, middel: schending van het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel aangezien volgens artikel 14 van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag de steun niet hoeft te worden teruggevorderd. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/29 |
Beschikking van het Gerecht van 10 september 2013 — Aeroporia Aigaiou Aeroporiki en Marfin Investment Group Symmetochon/Commissie
(Zaak T-202/11) (1)
2013/C 336/63
Procestaal: Engels
De president van de Zevende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/30 |
Beschikking van het Gerecht van 16 september 2013 — National Trust for Scotland/BHIM — Comhairle nan Eilean Siar (ST KILDA)
(Zaak T-222/12) (1)
2013/C 336/64
Procestaal: Engels
De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/30 |
Beschikking van het Gerecht van 3 september 2013 — Nemeco/BHIM — Coca-Cola (NU)
(Zaak T-549/12) (1)
2013/C 336/65
Procestaal: Engels
De president van de Vijfde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/30 |
Beschikking van het Gerecht van 3 september 2013 — Seal Trademarks/BHIM — Exel Composites (XCEL)
(Zaak T-14/13) (1)
2013/C 336/66
Procestaal: Engels
De president van de Vierde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/30 |
Beschikking van het Gerecht van 3 september 2013 — Madaus/BHIM — Indena (ECHINAMID)
(Zaak T-212/13) (1)
2013/C 336/67
Procestaal: Engels
De president van de Achtste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
Gerecht voor ambtenarenzaken
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/31 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 2 oktober 2013 — Nardone/Commissie
(Zaak F-111/12) (1)
(Openbare dienst - Voormalig ambtenaar - Blootstelling aan asbest en andere stoffen - Beroepsziekte - Ongeval - Artikel 73 Statuut - Medische commissie - Motivering - Beroep tot schadevergoeding - Procesduur)
2013/C 336/68
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Albert Nardone (Piétrain, België) (vertegenwoordigers: L. Levi en A. Blot, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en V. Joris, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot bevestiging van de conclusies van de medische commissie waarbij wordt beslist over verzoekers invaliditeitspercentage en de vraag of zijn ziekte door het beroep is veroorzaakt
Dictum
|
1. |
De Europese Commissie wordt veroordeeld tot betaling aan Nardone van vertragingsrente voor de periode van 1 maart 2006 tot 15 juli 2010 over het bedrag van 8 448,51 EUR, tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank voor de betrokken periode voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met twee punten, alsmede van het bedrag van 3 000 EUR. |
|
2. |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
3. |
De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen en wordt verwezen in één vierde van de kosten van Nardone. |
|
4. |
Nardone zal drie vierde van zijn eigen kosten dragen. |
(1) PB C 379 van 8.12.2012, blz. 35.
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/31 |
Beroep ingesteld op 27 juni 2013 — ZZ/ENISA
(Zaak F-63/13)
2013/C 336/69
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: V. Christianos, advocaat)
Verwerende partij: Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (ENISA)
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om verzoeker te ontslaan alsmede van het besluit, genomen na het arrest van het GVA in zaak F-118/10, om een andere functionaris in de post van boekhouder aan te stellen. Voorts, vergoeding van de immateriële schade die verzoeker zou hebben geleden.
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het besluit van ENISA tot afwijzing van verzoekers klacht alsmede van de andere bestreden besluiten, namelijk het besluit van ENISA van 4 september 2012 om verzoeker te ontslaan en het besluit van ENISA van 9 oktober 2012 om X en niet verzoeker aan te stellen in de post van boekhouder; |
|
— |
veroordeling van ENISA tot betaling aan verzoeker van het bedrag van 100 000 EUR ter vergoeding van de immateriële schade die door alle hierboven genoemde onwettige besluiten is ontstaan; |
|
— |
verwijzing van ENISA in de kosten van de procedure. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/31 |
Beroep ingesteld op 13 september 2013 — ZZ/Parlement
(Zaak F-86/13)
2013/C 336/70
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: P. Bentley QC, Barrister, en R. Bäuerle, advocaat)
Verwerende partij: Europees Parlement
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit waarbij verzoeker is verboden om binnen twee jaar na beëindiging van zijn functie bij het Europees Parlement een post als adviseur bij de minister-president van de Oekraïne te aanvaarden
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 3 januari 2013 waarbij verzoeker is verboden om binnen twee jaar na beëindiging van zijn functie bij het Europees Parlement een post als adviseur bij de minister-president van de Oekraïne te aanvaarden; |
|
— |
nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 24 juni 2013 tot afwijzing van verzoekers klacht tegen het besluit van het Parlement van 3 januari 2013; |
|
— |
verwijzing van het Parlement in de kosten van de procedure. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/32 |
Beroep ingesteld op 20 september 2013 — ZZ/Commissie
(Zaak F-92/13)
2013/C 336/71
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: S. Orlandi, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om de extra vóór indiensttreding verworven pensioenrechten te berekenen op basis van de nieuwe AUB van de artikelen 11 en 12 van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
verklaren dat artikel 9 van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut onwettig en derhalve niet van toepassing is; |
|
— |
nietig verklaren het besluit van 15 februari 2013 om de pensioenrechten die verzoekster vóór haar indiensttreding heeft verworven, in het kader van de overdracht daarvan aan de pensioenregeling van de instellingen van de Europese Unie te berekenen krachtens de algemene uitvoeringsbepalingen (AUB) van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van 3 maart 2011; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/32 |
Beroep ingesteld op 23 september 2013 — ZZ/Commissie
(Zaak F-93/13)
2013/C 336/72
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: S. Orlandi, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om de extra vóór indiensttreding verworven pensioenrechten te berekenen op basis van de nieuwe AUB van de artikelen 11 en 12 van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
verklaren dat artikel 9 van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut onwettig en derhalve niet van toepassing is; |
|
— |
nietig verklaren het besluit van 3 oktober 2012 om de pensioenrechten die verzoeker vóór zijn indiensttreding heeft verworven, in het kader van de overdracht daarvan aan de pensioenregeling van de instellingen van de Europese Unie te berekenen krachtens de algemene uitvoeringsbepalingen (AUB) van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van 3 maart 2011; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten. |
|
16.11.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 336/32 |
Beroep ingesteld op 23 september 2013 — ZZ/Raad
(Zaak F-94/13)
2013/C 336/73
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: E. Marchal, J.-N. Louis, D. Abreu Caldas en A. Coolen, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om de extra vóór indiensttreding verworven pensioenrechten te berekenen op basis van de nieuwe AUB van de artikelen 11 en 12 van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het besluit van 30 januari 2013 houdende berekening van de vóór indiensttreding bij de Raad verworven pensioenrechten; |
|
— |
voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van 11 juni 2013 tot afwijzing van de klacht, strekkende tot toepassing van de AUB en de actuariële waarden die op het moment van het verzoek om overdracht van pensioenrechten van toepassing waren; |
|
— |
verwijzing van de Raad in de kosten. |