|
ISSN 1977-0995 doi:10.3000/19770995.C_2013.177.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 177 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
56e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Europese Commissie |
|
|
2013/C 177/01 |
||
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN |
|
|
2013/C 177/02 |
Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap — Wijziging van openbaredienstverplichtingen met betrekking tot geregelde luchtdiensten ( 1 ) |
|
|
2013/C 177/03 |
||
|
2013/C 177/04 |
Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap — Wijziging van openbaredienstverplichtingen met betrekking tot geregelde luchtdiensten ( 1 ) |
|
|
2013/C 177/05 |
||
|
|
V Adviezen |
|
|
|
PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID |
|
|
|
Europese Commissie |
|
|
2013/C 177/06 |
Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.6959 — Onex/JELD-WEN) — Voor een vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 ) |
|
|
|
ANDERE HANDELINGEN |
|
|
|
Europese Commissie |
|
|
2013/C 177/07 |
||
|
2013/C 177/08 |
||
|
2013/C 177/09 |
||
|
2013/C 177/10 |
||
|
|
||
|
2013/C 177/11 |
||
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Europese Commissie
|
22.6.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 177/1 |
Wisselkoersen van de euro (1)
21 juni 2013
2013/C 177/01
1 euro =
|
|
Munteenheid |
Koers |
|
USD |
US-dollar |
1,3180 |
|
JPY |
Japanse yen |
128,66 |
|
DKK |
Deense kroon |
7,4582 |
|
GBP |
Pond sterling |
0,85330 |
|
SEK |
Zweedse kroon |
8,6927 |
|
CHF |
Zwitserse frank |
1,2257 |
|
ISK |
IJslandse kroon |
|
|
NOK |
Noorse kroon |
7,9090 |
|
BGN |
Bulgaarse lev |
1,9558 |
|
CZK |
Tsjechische koruna |
25,825 |
|
HUF |
Hongaarse forint |
298,87 |
|
LTL |
Litouwse litas |
3,4528 |
|
LVL |
Letlandse lat |
0,7016 |
|
PLN |
Poolse zloty |
4,3289 |
|
RON |
Roemeense leu |
4,5350 |
|
TRY |
Turkse lira |
2,5515 |
|
AUD |
Australische dollar |
1,4296 |
|
CAD |
Canadese dollar |
1,3705 |
|
HKD |
Hongkongse dollar |
10,2239 |
|
NZD |
Nieuw-Zeelandse dollar |
1,7004 |
|
SGD |
Singaporese dollar |
1,6790 |
|
KRW |
Zuid-Koreaanse won |
1 521,52 |
|
ZAR |
Zuid-Afrikaanse rand |
13,4906 |
|
CNY |
Chinese yuan renminbi |
8,0832 |
|
HRK |
Kroatische kuna |
7,4905 |
|
IDR |
Indonesische roepia |
13 088,24 |
|
MYR |
Maleisische ringgit |
4,2222 |
|
PHP |
Filipijnse peso |
57,707 |
|
RUB |
Russische roebel |
43,2260 |
|
THB |
Thaise baht |
41,003 |
|
BRL |
Braziliaanse real |
2,9737 |
|
MXN |
Mexicaanse peso |
17,5558 |
|
INR |
Indiase roepie |
78,1200 |
(1) Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE LIDSTATEN
|
22.6.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 177/2 |
Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap
Wijziging van openbaredienstverplichtingen met betrekking tot geregelde luchtdiensten
(Voor de EER relevante tekst)
2013/C 177/02
|
Lidstaat |
Finland |
|||||||||
|
Betrokken route |
Helsinki–Varkaus |
|||||||||
|
Oorspronkelijke datum waarop de openbaredienstverplichtingen van kracht zijn geworden |
1 oktober 2010 |
|||||||||
|
Datum van inwerkingtreding van de wijzigingen |
1 januari 2014 |
|||||||||
|
Adres waar de tekst en alle relevante informatie en/of documentatie met betrekking tot de openbaredienstverplichting kunnen worden verkregen |
|
|
22.6.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 177/3 |
Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap
Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen
2013/C 177/03
|
Lidstaat |
Finland |
|||||||||
|
Betrokken route |
Helsinki–Varkaus |
|||||||||
|
Geldigheidsduur van het contract |
1 januari 2014-31 december 2015 |
|||||||||
|
Uiterste datum voor de indiening van de offertes |
61 dagen na publicatie van de kennisgeving van de openbaredienstverplichting |
|||||||||
|
Adres waar de tekst van de aanbesteding en alle relevante informatie en/of documentatie met betrekking tot de openbare aanbesteding en de openbaredienstverplichting kosteloos kan worden verkregen |
|
|
22.6.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 177/4 |
Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap
Wijziging van openbaredienstverplichtingen met betrekking tot geregelde luchtdiensten
(Voor de EER relevante tekst)
2013/C 177/04
|
Lidstaat |
Finland |
|||||||||
|
Betrokken route |
Helsinki–Savonlinna |
|||||||||
|
Oorspronkelijke datum waarop de openbaredienstverplichtingen van kracht zijn geworden |
22 augustus 2005 |
|||||||||
|
Datum van inwerkingtreding van de wijzigingen |
1 januari 2014 |
|||||||||
|
Adres waar de tekst en alle relevante informatie en/of documentatie met betrekking tot de openbaredienst verplichting kunnen worden verkregen |
|
|
22.6.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 177/5 |
Mededeling van de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap
Uitnodiging tot het indienen van offertes voor de exploitatie van geregelde luchtdiensten overeenkomstig openbaredienstverplichtingen
2013/C 177/05
|
Lidstaat |
Finland |
|||||||||
|
Betrokken route |
Helsinki–Savonlinna |
|||||||||
|
Geldigheidsduur van het contract |
1 januari 2014-31 december 2015 |
|||||||||
|
Uiterste datum voor de indiening van de offertes |
61 dagen na publicatie van de kennisgeving van de openbaredienstverplichting |
|||||||||
|
Adres waar de tekst van de aanbesteding en alle relevante informatie en/of documentatie met betrekking tot de openbare aanbesteding en de openbaredienstverplichting kosteloos kan worden verkregen |
|
V Adviezen
PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID
Europese Commissie
|
22.6.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 177/6 |
Voorafgaande aanmelding van een concentratie
(Zaak COMP/M.6959 — Onex/JELD-WEN)
Voor een vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak
(Voor de EER relevante tekst)
2013/C 177/06
|
1. |
Op 17 juni 2013 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Onex Corporation („Onex”, Canada) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de EG-concentratieverordening de volledige zeggenschap verkrijgt over JELD-WEN Holding, inc. („JELD-WEN”, Verenigde Staten) door de verwerving van aandelen. |
|
2. |
De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:
|
|
3. |
Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van de EG-concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens de EG-concentratieverordening (2). |
|
4. |
De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken. Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per faxbericht (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer COMP/M.6959 — Onex/JELD-WEN, aan onderstaand adres worden toegezonden:
|
(1) PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 (de „EG-concentratieverordening”).
(2) PB C 56 van 5.3.2005, blz. 32 („mededeling betreffende een vereenvoudigde procedure”).
ANDERE HANDELINGEN
Europese Commissie
|
22.6.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 177/8 |
Bekendmaking van een aanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen
2013/C 177/07
Deze bekendmaking verleent het recht om op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1) bezwaar aan te tekenen tegen de aanvraag.
ENIG DOCUMENT
VERORDENING (EG) Nr. 510/2006 VAN DE RAAD
inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (2)
„LIERS VLAAIKE”
EG-nummer: BE-PGI-0005-0967-22.02.2012
BGA ( X ) BOB ( )
1. Naam
„Liers vlaaike”
2. Lidstaat of derde land
België
3. Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel
3.1. Productcategorie
|
Categorie 2.4. |
Brood, gebak, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren |
3.2. Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is
Lierse vlaaikes zijn kleine ronde taartjes met een hoogte van ca. 3 cm, een diameter van 5 à 6 cm en wegen ca. 45 gr.
Het taartje is samengesteld uit een bodem en een vulling.
De bodem is een dunne, 3 à 4 mm dik, en vrij hoge taartbodem van ongezoet en bleek gebakken brokkeldeeg.
Deze bodem wordt gevuld met een gekruide en zoete donkere brij. De bodem is mooi tot aan de rand gevuld, de vulling staat na het bakken wat bol, de structuur is smeuïg en de vulling is zeer donker bruin gekleurd.
De smaak wordt gedomineerd door de kruiden en kandijsiroop.
|
Textuur |
: |
bodem: krokant vulling: smeuïg |
|
Kleur |
: |
bodem: bleke kleur vulling: donker bruin |
|
Smaak |
: |
bodem: droog en ongezoet vulling: zoete smaak van de kandijsiroop en kruidig (kaneel, kruidnagel, nootmuskaat en koriander) |
3.3. Grondstoffen (alleen voor verwerkte producten)
De bodem wordt bereid met neutrale tarwebloem (kwaliteit 11,5/680), water en boter.
De vulling bestaat uit grof paneermeel, lichte kandijsiroop, volle melk en neutrale tarwebloem (kwaliteit 11,5/680).
Deze vulling wordt op smaak gebracht met een vierkruidenmengeling die bestaat uit 25 % kaneel, 25 % kruidnagel, 25 % muskaatnoot en 25 % koriander.
3.4. Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong)
—
3.5. Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden
Het bereiden van het deeg, het vormen van het taartje en het afbakken van het Liers vlaaike moet in het afgebakende gebied plaatsvinden.
3.6. Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken, enz.
—
3.7. Specifieke voorschriften betreffende de etikettering
Het etiket moet de volgende aanduidingen bevatten: „Liers vlaaike”, het EU-logo voor Beschermde Geografische Aanduiding en het hieronder afgebeelde logo van Lierse vlaaike.
4. Beknopte omschrijving van de afbakening van het geografische gebied
Het geografisch gebied omvat de stad Lier, inclusief de deelgemeente Koningshooikt in de provincie Antwerpen.
5. Verband met het geografische gebied
5.1. Specificiteit van het geografische gebied
Vlaaien in al hun varianten maken deel uit van het zoete Vlaamse erfgoed. Het is meestal eenvoudig gebak dat zowel door de huisvrouwen als door de bakkers bereid werd. Ze werden zelfs vereeuwigd door de oude Vlaamse meesters zoals Breughel. Een aantal bereidingen heeft de tand des tijds doorstaan en zijn echte regionale specialiteiten geworden.
De Lierse bakkers hielden de traditie van het Liers vlaaike in ere. Het recept en de knowhow zijn zo stadsgebonden dat het gebakje nooit buiten Lier werd gebakken. De Lierse bakkers verkochten het wel buiten de stadsgrenzen bijvoorbeeld op markten in Antwerpen.
Dat het Liers vlaaike zijn oorsprong vindt zo dicht bij de havenstad Antwerpen kan geen toeval zijn. De typische smaak van het Liers vlaaike wordt gedomineerd door de 4 kruidenmengeling en de kandijsiroop. Antwerpen was één van de belangrijkste Europese aanvoerhavens van oosterse kruiden en suikerriet. Het suikerriet werd er ter plaatse verwerkt tot kandijsuiker en kandijcassonade.
In Lier is ook nog een aantal oude kleine houten taartvormpjes bewaard gebleven. Voor Tweede Wereldoorlog werd de taartbodem gevormd in deze houten vormpjes. Hiervoor maakte men een deeg met warm water, de vormpjes werden bekleed met deeg en men liet het deeg enkele dagen drogen. Dan pas werden de taartbodems uit de vormpjes gehaald en gebakken met de vulling.
5.2. Specificiteit van het product
Het Liers vlaaike heeft een uniek en traditioneel recept dat bewaard werd door de Lierse bakkers.
Het onderscheidt zich van de andere Vlaamse vlaaien door:
|
— |
: |
zijn vorm |
: |
het is een klein individueel gebakje |
|
— |
: |
zijn bodem |
: |
bestaat uit een droog en ongezoet deeg |
|
— |
: |
zijn vulling |
: |
op basis van paneermeel, kandijsiroop en kruiden |
Het Liers vlaaike bevat geen eieren, zout, bewaarmiddelen of verbeteraar. De meeste bakkers bereiden hun eigen paneermeel dat bestaat uit overschotten van gedroogde en geraspte pistolets, broodjes, sandwiches of stokbrood.
Deze combinatie van een klein gebak met een ongezoete korst en met een zeer zoete en kruidige vulling zorgt voor een uniek streekproduct dat enkel door de Lierse bakkers aangeboden wordt. De faam van het Liers vlaaike betreft dan ook enkel dit gebakje. Er bestaan geen varianten.
5.3. Causaal verband tussen het geografische gebied en de kwaliteit of de kenmerken van het product (voor een BOB) dan wel een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk van het product (voor een BGA)
De beschermde geografische aanduiding „Liers vlaaike” is gebaseerd op de faam die dit product, dat al meer dan 300 jaar in de stad Lier geproduceerd wordt, verworven heeft.
Volgens de overlevering gaat de oorsprong van het Liers vlaaike terug tot 1722. Lodewijk Jozef van Kessel, kanunnik van de Sint-Bavokathedraal in Gent vermeldde het recept in zijn memorieboekje. Neem een upper zoete melk, 3 beschuiten, 3 gestampte kruidnagel. Laat alles koken en giet er siroop bij, om te verzoeten. Doe dit mengsel in een taartkorst. Laat alles bakken. Het recept van de vulling is bijna niet veranderd, de beschuiten werden vervangen door paneermeel en er kwam een mengeling van kruiden i.p.v. enkel kruidnagel in.
In 1890, tijdens een tentoonstelling van de Lierse handelsnijverheid, ter gelegenheid van de sint Gummarusfeesten, werd Zijne Majesteit Koning Leopold II en Hare Majesteit Koningin Maria Hendrika door bakker Van den Eynde, zonder dat iemand daarover op voorhand gewaarschuwd was, op een zilveren schaal enige Lierse vlaaikes aangeboden. Hare Majesteit de Koningin nam er eentje van, en at het smakelijk op. Zij wende zich vervolgens tot Van den Eynde, vertelde hem dat het zeer lekker was, en vroeg hoe hij zulke gebakjes maakte. De bakker, die niet graag had dat het recept van zijn specialiteit door de omstaanders gehoord zou worden, zou geantwoord hebben: „Uwe Majesteit, neem mij niet kwalijk, maar dat is het geheim van het huis!” De koningin antwoordde toen met een glimlach: „O ja, het is waar, ik mag U geen concurrentie aandoen…” Enkele weken later hing er boven Bakkerij Van den Eynde in de Antwerpse Straat een koninklijk wapen, met als onderschrift „Fournisseur de la Cour”.
Felix Timmermans, beroemd Vlaams schrijver, nam het Liers vlaaike op in zijn lofzang „Schoon Lier” uit 1925.
Het Liers vlaaike werd opgenomen in tal van oude en recentere publicaties rond streekgebonden producten. Enkele voorbeelden: in het boek „De Zoete Provincie; Ambachtelijke specialiteiten uit Antwerpen” (1998 en 2007) krijgt het „Lierse vlaaike” een plaats als één van de oudste streekgebakjes. Idem in „Wat folklore in betrekking met de Pasteibakkerij” van A. Vanaise (1932): „Zoo kent men de „Liersche Vlaaikens”. Het zijn ronde koekjes in vormen gebakken en bereid met een mengsel van gemalen brood, stroop en melk”.
Ook toeristische gidsen zoals „Zwerven door Vlaanderen” van Jan Lambin (1961), „Ippa’s Streekgerechtengids voor België” (1995), „Lekker Antwerpen” (1993) en de „Kleine culinaire encyclopedie” (2009) vermelden het „Liers vlaaike”. Op het internet krijgt het Liers vlaaike zelfs internationale erkenning.
In een kwantitatief marktonderzoek van VLAM (Vlaams Centrum voor Agro- en Visserij Marketing vzw) bij de inwoners van de provincie Antwerpen, wordt het Liers vlaaike door 72 % van de respondenten als een traditioneel streekproduct beschouwd (2003).
Het Liers vlaaike werd opgenomen in de Vlaamse Euroterroirlijst (1995) en in 2007 erkend als traditioneel Vlaams streekproduct.
Het Liers vlaaike wordt het hele jaar rond gebakken en de Lierenaar neemt ze graag mee als geschenk voor iemand van buiten de stad. Het heeft zijn plaats bij de grote en kleine feestelijkheden in de stad en op het stadhuis. Bij een bezoek aan de stad Lier in 2000, mag het Belgisch prinsenpaar Filip en Mathilde proeven van de heerlijke Lierse vlaaikes. Bij lokale festiviteiten, zoals de viering van alle 75-jarige inwoners van de stad Lier, biedt de stad alle genodigden koffie en een Liers vlaaike aan en verschillende lokale restaurants serveren steevast een Liers vlaaike als dessertje bij de koffie.
Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier
(artikel 5, lid 7, van Verordening (EG) nr. 510/2006 (3))
http://lv.vlaanderen.be/nlapps/data/docattachments/20120117_dossier%20met%20bijlage.pdf
of
http://www.vlaanderen.be/landbouw — beleid — kwaliteitssystemen — Europese kwaliteitssystemen — vlaamse dossiers
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) Vervangen door Verordening (EU) nr. 1151/2012.
(3) Vgl. voetnoot 2.
|
22.6.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 177/12 |
Bekendmaking van een aanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen
2013/C 177/08
Deze bekendmaking verleent het recht om op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1) bezwaar aan te tekenen tegen de aanvraag.
AANVRAAG TOT REGISTRATIE VAN EEN GTS
VERORDENING (EG) Nr. 509/2006
inzake gegarandeerde traditionele specialiteiten voor landbouwproducten en levensmiddelen (2)
„SALINĀTĀ RUDZU RUPJMAIZE”
EG-nummer: LV-TSG-0007-01043-11.10.12
1. Naam en adres van de aanvragende groepering
|
Latvijas Maiznieku biedrība |
|
Adres: Lizuma iela 5 |
|
Rīga, LV-1006 |
|
LATVIJA |
|
Tel. +371 6754540, +371 27063370 |
|
E-mail: birojs@maizniekubiedriba.lv |
2. Lidstaat of derde land
Letland
3. Productspecificatie
3.1. Benaming(en) waarvoor de registratie wordt aangevraagd (artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1216/2007 van de Commissie)
„Salinātā rudzu rupjmaize”
3.2. De benaming
|
☒ |
is zelf specifiek |
|
|
brengt de specificiteit van het landbouwproduct of het levensmiddel tot uitdrukking. |
Het woord „salināt” betekent zoet maken, zoeten, bijvoorbeeld door heet water op meel te gieten (K. Karulis, Latviešu etimoloģijas vārdnīca (Etymologisch woordenboek van de Letse taal), Vol. II, 1992). Dit is een zeer oud woord, dat reeds in de achttiende eeuw gangbaar was in het westelijke deel van Letland.
De term „salinātā rudzu rupjmaize” verwijst naar brood dat van roggemeel wordt gebakken, waarbij tijdens het productieproces geblancheerd meel wordt gebruikt, wat wil zeggen dat heet water op een deel van het meel wordt gegoten om het brood zoet te maken.
In haar onderzoeksverslag Mūsu maize. Ons dagelijks brood (2004) legt de etnograaf Indra Čekstere uit dat in Kurzeme „roggebrood (rupjmaize) bekendstaat als „salinātā” brood, indien een deel van het meel geblancheerd is met heet water”.
3.3. Aanvraag tot registratie met of zonder reservering overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 509/2006
|
☒ |
Registratie met reservering van de benaming |
|
|
Registratie zonder reservering van de benaming |
3.4. Productcategorie
|
Categorie 2.3. |
Suikerwerk, brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren. |
3.5. Beschrijving van het landbouwproduct of het levensmiddel waarvoor de in punt 3.1 vermelde benaming geldt (artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1216/2007)
„Salinātā rudzu rupjmaize” is een op natuurlijke wijze gegist brood dat in Letland gebakken wordt van roggemeel, waarbij tijdens het productieproces geblancheerd meel en gist worden gebruikt. Dit type brood wordt gebakken op de bodem van een haardoven en gevormd tot een langwerpig brood van een of meer kilogram, met een gladde, donkere korst, waarop na het bakken zetmeelpap of water wordt aangebracht.
Uiterlijk en vorm: een langwerpig brood met afgeronde uiteinden, minimaal tweemaal zo lang als het breed is; boven op de korst kan een markering worden aangebracht en in de zijkanten kunnen indrukken worden gemaakt.
Korst: donker, glad en glanzend; eventueel bestrooid met karwijzaadjes; op de korst aan de onderzijde kunnen zich zemelen, meel of esdoornbladeren bevinden.
Kruim: donker, met grotere of kleinere poriën; elastisch; het kruim kan enigszins vochtig zijn.
Smaak en aroma: prettig aroma van gebakken brood en karwijzaad, met een zoetzure roggebroodsmaak.
3.6. Beschrijving van de methode waarmee het landbouwproduct of het levensmiddel met de in punt 3.1 vermelde benaming wordt geproduceerd (artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1216/2007)
De techniek voor de vervaardiging van „salinātā rudzu rupjmaize” bestaat uit een aantal fasen: het voorbereiden, afkoelen en gisten van het geblancheerde meel, het kneden en gisten van het deeg, het onderverdelen van het deeg, het vormen van broden en het bakken.
Geblancheerd meel
|
roggemeel |
3 kg |
||||||
|
karwijzaden |
0,08-0,1 kg |
||||||
|
heet water |
6-8 liter |
||||||
|
ongegiste mout |
0,2-0,3 kg |
||||||
|
Temperatuur van water: |
85 tot 95 °C |
||||||
|
Temperatuur van geblancheerd meel |
|
||||||
|
Voorbereidingstijd |
12-24 uur |
Gisting van het geblancheerde meel
|
afgekoeld geblancheerd meel |
7-10 kg |
|
gist |
0,4-0,6 kg |
|
Duur van gisting: |
3-6 uur |
|
Gistingstemperatuur: |
35 tot 36 °C |
Deeg
|
gegist geblancheerd meel |
7-10 kg |
|
roggemeel |
7 kg |
|
suiker |
0,4-0,8 kg |
|
zout |
0,15-0,2 kg |
|
Duur van gisting: |
2-3 uur |
|
Gistingstemperatuur: |
30 tot 34 °C |
Het meel dat geblancheerd wordt met heet water om „salinātā rudzu rupjmaize” te maken is roggemeel. Traditioneel wordt het geblancheerde meel bereid in kuipen gemaakt van planken van hout van bladverliezende bomen, namelijk espen of linden, met een volume van ongeveer 30 liter en wordt het meel gemengd met een houten spatel. De microflora van eerder gegist deeg die is achtergebleven op de zijkanten van de kuip stimuleert gisting; daarom wordt de kuip niet gewassen, maar zorgvuldig uitgeschraapt en droog opgeslagen. Ongeveer 30 % (3 kg) van de totale hoeveelheid meel die wordt gebruikt om het brood te produceren (10 kg) wordt gebruikt om het geblancheerde meel te maken. Het meel dat apart wordt gehouden om te worden geblancheerd en de karwijzaden worden „gezoet”, d.w.z. geblancheerd met heet water met een temperatuur van ongeveer 95 °C. Na dit proces moet de temperatuur van het geblancheerde meel ongeveer 63-68 °C zijn.
Er is gewoonlijk 2 tot 2,5 maal zoveel water als meel nodig. Water wordt geleidelijk toegevoegd, zodat het meel en het water gemakkelijker gemengd kunnen worden tot een homogene massa met een stevigheid die vergelijkbaar is met die van dubbele room. Wanneer de temperatuur van het geblancheerde meel 63-65 °C is, wordt ongeveer 200-300 g ongegiste roggemout toegevoegd en zorgvuldig door het meel gemengd. De karwijzaadjes en mout geven het geblancheerde meel het karwijzaadaroma en de specifieke zoetzure smaak van het product. De zoete smaak wordt gevormd door de omzetting van zetmeel in suikers door de mout, terwijl de zure smaak afkomstig is van het melkzuur en het azijnzuur die ontstaan door de gisting van melkzuur.
Juist bereid geblancheerd meel heeft een homogene textuur die vergelijkbaar is met die van dubbele room, en een grijsbruine kleur. Na de bereiding moet het meel gedurende 2 tot 4 uur in de kuip worden gelaten waarin het werd gemaakt, waarbij een optimale temperatuur (63-65 °C) moet worden gehandhaafd om de omzetting van zetmeel in suiker mogelijk te maken. Vervolgens moet het geblancheerde meel worden gemengd, zodat het afkoelt. Het afkoelen en gisten van het geblancheerde meel vindt in dezelfde kuip plaats binnen een periode van ongeveer 12 tot 24 uur. Wanneer de temperatuur ongeveer 36 °C is, wordt ca. 0,2 kg gist van de vorige partij brood toegevoegd aan het geblancheerde meel om de gisting van melkzuur te stimuleren. De gist moet eerst alleen aan het bovenste deel van de kuip worden toegevoegd, vervolgens een paar uur later dieper worden verspreid, halverwege door het geblancheerde meel heen, en ten slotte helemaal tot op de bodem worden verspreid. Tijdens het gisten wordt het geblancheerde meel enigszins zuur en een prettige zoetzure smaak komt tot stand.
Na gisting van het geblancheerde meel wordt het deeg gekneed in een houten kneedkuip of een kneedkom. Roggemeel, suiker en zout worden toegevoegd aan het deeg van geblancheerde meel, nadat het heeft gegist; maximaal 10 % meelbloem kan worden toegevoegd. Het deeg wordt gekneed totdat het niet langer aan de handen kleeft en alle ingrediënten gelijkmatig door het deeg zijn gemengd. Het oppervlak van het deeg wordt aan de bovenzijde met natte handen geëgaliseerd, waarna het deeg wordt afgedekt en op een warme plaats wordt bewaard om verder te gisten. Als het oppervlak van het deeg aan de bovenzijde splijt en het deeg in omvang verdubbeld is, duidt dit erop dat het gegist heeft. Het kan dan worden verdeeld en gebakken.
Het gegiste deeg wordt, na bevochtiging van de handen met water, in stukken verdeeld. „Salinātā ruzdu rupjmaize” wordt tot langwerpige broden gevormd, die met een vochtige hand glad worden gestreken; de zijkanten van grotere broden worden ingekeept om te voorkomen dat ze opensplijten, en in het oppervlak van het brood kunnen een kruis, gleuven of een symbool worden gesneden. De deegbroden kunnen worden geplaatst op met textiel bedekte oppervlakken, op planken of op schieters, die bestrooid zijn met zemelen of bedekt met esdoornbladeren, waarna ze in de oven worden geplaatst. De broden worden gebakken op de hete ovenbodem, niet op bakplaten of in bakvormen. De oven wordt aan het begin van het bakproces tot een hogere temperatuur (280-350 °C) verhit, zodat een sterkere korst wordt gevormd die niet zal splijten. Daarna wordt het bakken met een lagere temperatuur (200-250 °C) voortgezet. Het bakken duurt ongeveer een tot twee uur, afhankelijk van de omvang van het brood. Nadat het brood uit de oven is verwijderd, wordt op de warme broden zetmeelpap of water aangebracht, wat zorgt voor een zachtere korst met meer glans.
|
Vorm, uiterlijk |
Langwerpig brood, ten minste tweemaal zo lang als het breed is; dikke, donkere, glanzende korst; eventueel bestrooid met karwijzaadjes |
|
Porositeit van het kruim |
Gelijkmatig poreus; de poriën kunnen groter of kleiner zijn |
|
Elasticiteit van het kruim |
Donker, elastisch en enigszins vochtig |
|
Smaak en aroma |
Prettig aroma van gebakken brood en karwijzaad, met een zoetzure roggebroodsmaak |
|
Zuurtegraad van het brood, pH |
8-14 |
|
Vochtgehalte van het brood, % |
38-45 |
Na het bakken laat men het warme brood afkoelen, waarna het in een koele, goed geventileerde ruimte wordt geplaatst of afgedekt met een linnen doek. Nadat het is afgekoeld, kan het brood worden verkocht als een ongesneden brood of gesneden in kleinere stukken of boterhammen. Het brood kan ook worden verpakt in een doek, papier of plastic zak. Het kan bij kamertemperatuur (15-25 °C) worden bewaard of ingevroren (– 18 °C). „Salinātā rudzu rupjmaize” blijft lang vers en kan minstens 5 tot 10 dagen worden bewaard.
3.7. Het specifieke karakter van het landbouwproduct of het levensmiddel (artikel 3, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1216/2007)
„Salinātā rudzu rupjmaize” dankt zijn specifieke karakter aan het recept en de techniek die wordt toegepast om het te produceren.
In tegenstelling tot andere soorten roggebrood omvat het recept voor „salinātā rudzu rupjmaize” niet het gebruik van bakkersgist, maar roggemeel, ca. 0,8 % karwijzaden, 4-8 % suiker en 0,3 % ongegiste roggemout.
De productietechniek is specifiek in de zin dat, voordat het deeg wordt bereid, ongeveer 30 % van het roggemeel „gezoet” wordt, d.w.z. geblancheerd met heet water, waarna het geblancheerde meel apart wordt gezet en gedurende ten minste 12 uur gist. Daarnaast wordt het geblancheerde meel bereid in kuipen die gemaakt zijn van het hout van bladverliezende bomen en koelt het meel na het blancheren in deze kuipen langzamer af dan het geval zou zijn in kommen die van metaal of andere materialen zijn gemaakt. Zodra het meel met heet water (85-95 °C) geblancheerd is, wordt de temperatuur gedurende 2 tot 4 uur gehandhaafd op 63-65 °C, zodat zetmeel omgezet kan worden in suikers, waardoor het product zijn zoete smaak krijgt. De van eerder gegist en geblancheerd meel afkomstige microflora met daarin melkzuurbacteriën blijft zitten op de zijkanten van de kuip en zorgt voor een geleidelijke gisting van melkzuur en een stijging van de zuurtegraad van het geblancheerde meel, naarmate het afkoelt. De ontwikkeling van onwenselijke micro-organismen verhindert de gisting van melkzuur. Dankzij de lange duur van het proces waarin het geblancheerde meel en de gist worden bereid, kunnen micro-organismen zich tot voldoende aantallen vermeerderen om het brood de gewenste zuurtegraad, het gewenste aroma en de gewenste porositeit te geven, zodat geen bakkersgist hoeft te worden toegevoegd.
Een ander specifiek kenmerk van het Letse „salinātā rudzu rupjmaize” is dat karwijzaden worden toegevoegd tijdens de bereiding van het geblancheerde meel en het deeg, waardoor het brood zijn speciale karwijzaadaroma krijgt.
Het Letse „salinātā rudzu rupjmaize” staat ook bekend om de langwerpige vorm van het brood, met een lengte van minimaal tweemaal de breedte en afgeronde, met de hand gevormde uiteinden, een gladde, glanzende, donkerbruine, met zetmeelpap bestreken korst en een aromatisch kruim. „Salinātā rudzu rupjmaize” wordt op een hete ovenbodem gebakken, niet op bakplaten of in bakvormen. Dit waarborgt een intensieve hitteoverdracht, waardoor de met de hand gecreëerde vorm van het brood behouden blijft en een groter brood met een sterkere korst ontstaat.
3.8. Traditioneel karakter van het landbouwproduct of het levensmiddel (artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1216/2007)
Roggebrood is altijd een van de voornaamste bronnen van voeding voor Letse huishoudens geweest en daarom is het tot op de dag vandaag een symbolisch deel van de Letse nationale identiteit. Roggebrood is in de Letse culturele canon opgenomen in het hoofdstuk „Volkstradities”. Zoals in andere Europese landen, is de Letse culturele canon samengesteld als een compendium van de meest eminente en belangwekkende artistieke werken en cultuurschatten die gelden als de belangrijkste culturele verworvenheden in de geschiedenis van het land.
In haar onderzoeksverslag Mūsu maize. Ons dagelijks brood (2004) legt de etnograaf Indra Čekstere uit dat in Kurzeme „roggebrood (rupjmaize) bekendstaat als „salinātā” brood, indien een deel van het meel geblancheerd is met heet water”. Een stuk deeg van een vorige partij brood wordt opgelost in warm water en als gist toegevoegd. Het vloeibare deeg wordt in de kuip gemengd en gist gedurende de nacht. Het wordt met een lange houten spatel geklopt. De volgende ochtend wordt begonnen met het kneden. Het kneden is een langdurig proces, waarbij karwijzaadjes en meer meel worden toegevoegd. Als het deeg niet meer aan de handen blijft kleven, wordt het kneden gestaakt. De kuip met het gistende deeg wordt naast de oven geplaatst en lange, kleine broden worden gevormd op de schieter, die bestrooid is met meel of esdoornbladeren en die snel in de over wordt geplaatst.
De publicatie Latviešu tradicionālie ēdieni (Traditionele Letse gerechten) (samengesteld door I. Heinola en S. Stinkule, in 2006 gepubliceerd met steun van de overheidsstichting voor cultuurkapitaal) vermeldt dat het werk van de inwoners van Letland en Lijfland nog tot ver in de twintigste eeuw hoofdzakelijk bestond uit visvangst en landbouw, wat betekende dat de voornaamste bronnen van hun voeding zelf gemaakt roggebrood en diverse gekookte gerechten waren. De publicatie bevat een beschrijving van „salinātā rudzu rupjmaize”, waarbij wordt opgemerkt dat roggemeel werd gebruikt om het brood te produceren en dat een deel van dit meel geblancheerd was. Het deeg werd in een houten kuip bereid en de gisting van het deeg werd gewaarborgd door gist die achterbleef van de vorige partij brood en micro-organismen op de zijkanten van de kuip. Van het deeg werden lange broden gevormd en deze werden in een met hout gestookte oven gebakken.
In haar boek Daudzveidīgā maizīte (De talrijke vormen van brood) (1993) geeft Zigrīda Liepiņa, een deskundige op het gebied van broodproductie, ook een beschrijving van de productie van traditioneel „salinātā rudzu rupjmaize” zoals het aan het begin van de twintigste eeuw nog steeds werd gemaakt. De beschrijving benadrukt dat het blancheren van het meel uniek is en verwijst naar de duur van de gisting in houten kuipen, waardoor het kenmerkende, prettige aroma van het brood en het poreuze, elastische kruim worden gevormd.
Huishoudkunde- en handwerkdocente M. Leiše heeft een beschrijving gegeven van de bereiding van en het recept voor „salinātā rudzu rupjmaize”. Zij merkte op dat voor de bereiding van het brood het beste een kuip van hout afkomstig van bladverliezende bomen kan worden gebruikt en dat een bepaalde hoeveelheid heet water moet worden gegoten over een deel van het meel, waarna dit moet worden gemengd met een houten spatel tot het deeg een homogene structuur heeft. Ongeveer 12 uur later, wanneer het geblancheerde meel is afgekoeld, wordt gist toegevoegd en laat men het mengsel gisten. Pas daarna wordt het deeg gekneed. Het gistende deeg wordt vervolgens in stukken verdeeld en in een hete oven op de ovenbodem gebakken. (Praktiskā mājturība (Praktische huishoudkunde), gepubliceerd door A. Gulbis, Riga, 1931).
Omstreeks 1915 beschreef L. Dumpe in haar publicatie Latviešu tautas ēdieni (Nationale gerechten van Letland) (2006), op basis van materiaal dat tijdens etnografische expedities was verzameld, de manier waarop „salinātā rudzu rupjmaize” werd gebakken. Zij merkt op dat „men gewoon brood liet gisten met warm water van 45-65 °C, terwijl men „salinātā” brood liet gisten door heet water van 95 °C te gebruiken. Het werd gemengd tot het deeg niet langer aan de handen kleefden en een witte streep achterbleef wanneer er met een vinger aan werd getrokken. Het geknede deeg werd afgedekt en opnieuw op een warme plaats bewaard om te gisten. Het gegiste deeg werd in stukken verdeeld, tot langwerpige broden gevormd en op een ovenbodem gebakken. Water of zetmeelpap werd daarna op de hete broden aangebracht. Dit zorgde voor een zachte en glanzende korst”.
3.9. Minimumeisen en procedures voor de controle van de specificiteit (artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1216/2007)
„Salinātā rudzu rupjmaize” moet voldoen aan de minimumbasiseisen die zijn vastgesteld in de specificatie van de onderneming en moet in overeenstemming zijn met de relevante specifieke kenmerken van het product.
De minimumbasiseisen die van toepassing zijn op „salinātā rudzu rupjmaize” zijn:
|
1. |
de bereiding van „salinātā rudzu rupjmaize” vindt plaats overeenkomstig de in punt 3.6 gespecificeerde productiemethode, met gebruikmaking van de gespecificeerde ingrediënten; |
|
2. |
uiterlijk en vorm van het
|
De hoeveelheid „salinātā rudzu rupjmaize” die een producent vervaardigt en verkoopt, moet in het relevante register worden aangetekend.
Producenten zijn verplicht om de documenten die nodig zijn om de samenstelling van het product vast te kunnen stellen beschikbaar te hebben en aan de controleur te overleggen.
Overeenstemming met de specificatie, het gebruik van de gespecificeerde ingrediënten, het productieproces en het uiterlijk en de organoleptische kenmerken van het eindproduct wordt gecontroleerd voor iedere partij door een voor deze taak aangewezen werknemer van de producent, en tevens eenmaal per jaar door het controleorgaan.
4. Autoriteiten of organen die de naleving van het productdossier controleren
4.1. Naam en adres
|
Naam: |
Pārtikas un veterinārais dienests (voedsel- en diergeneeskundige dienst) |
|
Adres: |
Peldu iela 30 Rīga, LV-1050 LATVIJA |
|
Tel. |
+371 67095230 |
|
E-mail: |
pvd@pvd.gov.lv |
|
☒ publiek |
privaat |
4.2. Specifieke taken van de autoriteit of het orgaan
Het controleorgaan, d.w.z. de voedsel- en diergeneeskundige dienst, is verantwoordelijk voor de controle op de overeenstemming met het productieproces en de kwaliteitsindicatoren die in punt 3.6 zijn beschreven. Controles worden uitgevoerd op basis van een controle van het voor de vervaardiging van het product gebruikte productieproces en recept alsmede een evaluatie van de organoleptische kenmerken van het product.
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) PB L 93 van 31.3.2006, blz. 1.
(3) Dit recept levert ongeveer 15-20 kg deeg op, waarvan 13 tot 18 broden met elk een gewicht van 1 kg kunnen worden gebakken, gezien het feit dat 10 % van het gewicht tijdens het bakken verloren gaat. Na het bakken worden de broden voorzien van een laag zetmeelpap, die is bereid door aardappelmeel en water samen te koken.
|
22.6.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 177/18 |
Bekendmaking van een wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen
2013/C 177/09
Deze bekendmaking verleent het recht om op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (1) bezwaar aan te tekenen tegen de aanvraag.
WIJZIGINGSAANVRAAG
VERORDENING (EG) Nr. 510/2006 VAN DE RAAD
inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (2)
WIJZIGINGSAANVRAAG OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 9
„PERAS DE RINCÓN DE SOTO”
EG-Nr.: ES-PDO-0105-0251-05.10.2010
BGA ( ) BOB ( X )
1. Rubriek van het productdossier waarop de wijziging betrekking heeft
|
— |
|
Naam van het product |
|
— |
☒ |
Beschrijving van het product |
|
— |
☒ |
Geografisch gebied |
|
— |
☒ |
Bewijs van de oorsprong |
|
— |
☒ |
Werkwijze voor het verkrijgen van het product |
|
— |
|
Verband |
|
— |
|
Etikettering |
|
— |
|
Nationale eisen |
|
— |
☒ |
Overige (controledienst; wettelijke vereisten) |
2. Aard van de wijziging(en)
|
— |
☒ |
Wijziging van het enige document of de samenvatting |
|
— |
|
Wijziging van het productdossier voor een geregistreerde BOB of BGA waarvoor geen enig document en evenmin een samenvatting bekend zijn gemaakt |
|
— |
|
Wijziging van het productdossier waarbij geen wijziging van het bekendgemaakte enige document nodig is (artikel 9, lid 3, van Verordening (EG) nr. 510/2006) |
|
— |
|
Tijdelijke wijziging van het productdossier als gevolg van een verplichte gezondheids- of fytosanitaire maatregel die is opgelegd door de overheid (artikel 9, lid 4, van Verordening (EG) nr. 510/2006) |
3. Wijziging(en)
3.1. Beschrijving
Punt B.3., Onderscheidende kenmerken, wordt in die zin gewijzigd dat de inhoud over verschillende punten wordt verdeeld: B.3.1. Fysisch-chemische eigenschappen, B.3.2. Organoleptische kenmerken en B.3.3. Uiterlijke kenmerken.
Bovendien wordt in punt B.3.1. „Fysisch-chemische eigenschappen” (die worden gemeten op het moment van verzending van het product en niet tijdens de oogst) de maximumwaarde van het gehalte aan oplosbare stoffen geschrapt omdat het, gezien de specifieke, kenmerkende zoetheid van ons product, onlogisch is een dergelijke maximumwaarde vast te stellen. Hetzelfde geldt voor de ondergrenswaarde van de hardheid, die wordt aangepast aan de ontwikkeling van dit climacterische fruit dat na de oogst verder rijpt (waardoor het fruit zoeter en het vruchtvlees minder stevig wordt), de behoeften van de markt en de smaak van de consument. Verder wordt, in het licht van de ervaring, in voorkomend geval een vermindering met 5 mm toegestaan van de aangegeven minimumgrootte om te voldoen aan de behoeften van de markt. In onderverdeling B.3.3. „Uiterlijke kenmerken” wordt de verwijzing naar de verplichting om te voldoen aan Verordening (EG) nr. 1619/2001 geschrapt.
3.2. Geografisch gebied
Teneinde een aanvankelijk foutieve afbakening van het geografische gebied te herstellen, worden de volgende gemeenten in de Ebrovallei toegevoegd: Albelda, Alberite, Alcanadre, Agoncillo, Arrubal, Ausejo, Azofra, Cenicero, Entrena, Fuenmayor, Hormilla, Hormilleja, Huércanos, Lardero, Logroño, Murillo, Nalda, Nájera, Navarrete, Pradejón, San Asensio, Torremontalbo, Uruñuela en Villamediana de Iregua.
Dit gebied ligt volledig in de Ebrovallei, ver van het gebergte, het bezit dezelfde kenmerkende menselijke en natuurlijke factoren als het aanvankelijk afgebakende gebied en het vormt daarmee een uniek en ondeelbaar geheel.
3.3. Bewijs van de oorsprong
Door het opnemen van de nieuwe nomenclatuur van het „Instituto de Calidad Agroalimentaria de La Rioja” en de nieuwe structuur van het exploitantenregister is dit punt beknopter en bondiger geworden. De naam „Asociación para la Promoción de la Pera de Rincón de Soto” is vervangen door „Consejo Regulador”.
3.4. Werkwijze voor het verkrijgen van het product
Dit punt wordt beknopter en bondiger geformuleerd door aanpassing van de inhoud aan de veranderende technologische kennis, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit van het product, en aan nieuwe particuliere kwaliteitsprotocollen, met name door het schrappen van verwijzingen naar handelingen die slechts handmatig kunnen worden uitgevoerd en vermeldingen dat alleen houten opslagkisten („palox”) mogen worden gebruikt.
3.5. Overig
In punt G., „Controledienst”, wordt de nieuwe benaming van de betreffende dienst ingevoerd. Punt. I., „Wettelijke vereisten”, is aan de geldende regelgeving aangepast.
ENIG DOCUMENT
VERORDENING (EG) Nr. 510/2006 VAN DE RAAD
inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (3)
„PERAS DE RINCÓN DE SOTO”
EG-Nr.: ES-PDO-0105-0251-05.10.2010
BGA ( ) BOB ( X )
1. Naam
„Peras de Rincón de Soto”
2. Lidstaat of derde land
Spanje
3. Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel
3.1. Productcategorie
|
Categorie 1.6 |
Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt |
3.2. Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is
Fruit van de soort Pyrus communis L., afkomstig van de variëteiten Blanquilla en Conference, behorend tot de klassen „Extra” en „I”, bestemd om vers te worden geconsumeerd.
Op het moment van verzending moeten de peren aan de volgende parameters voldoen:
|
|
Hardheid: maximale waarde van 6,12 kg/cm2 |
|
|
Oplosbare stoffen: het gehalte aan oplosbare stoffen bedraagt ten minste 13 graden Brix. |
|
|
Minimumgrootte: de grootte, bepaald door de maximale diameter van de dwarsdoorsnede, bedraagt 58 mm voor een Blanquilla-peer en 60 mm voor een Conference-peer. Om aan de marktvraag te voldoen, mogen deze diameters worden verminderd met 5 mm. |
Natuurlijke roestvlekken, zonder gebruik van bijtende chemische producten.
Zichtbare steel.
3.2.1.
De in dit gebied geproduceerde Blanquilla-peer wordt gekenmerkt door een uitgesproken, intense smaak en een evenwichtige balans tussen zoet en zuur. De Conference-peer, met een houtachtige structuur, heeft een uitstekende zoet-zuurverhouding en een uitgesproken, intense en evenwichtige smaak. Beide variëteiten zijn zeer sappig en hebben een hoog suikergehalte dat bepalend is voor de zoete smaak van het fruit.
3.3. Grondstoffen (alleen voor verwerkte producten)
—
3.4. Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong)
—
3.5. Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden
De opslag en de laatste keuring van het fruit vinden in het productiegebied plaats.
De door de beschermde oorsprongsbenaming beschermde peren „Peras de Rincón de Soto” moeten de consument niet alleen in perfecte staat bereiken, maar ze dienen op ieder moment aan alle onderscheidende parameters te voldoen.
Zo moeten Rincón de Soto-peren niet alleen op de juiste manier worden opgeslagen, maar dienen zij, alvorens te worden verzonden, nog eens te worden onderworpen aan een laatste, volledige keuring, waarbij peren met gebreken of die slecht zijn bewaard, evenals peren die niet voldoen aan de onderscheidende kwaliteitseisen, worden verwijderd.
Omdat deze laatste keuring pas kan plaatsvinden net voordat het product het tuinbouwbedrijf verlaat, wanneer ze uit de kisten worden gehaald waarin ze zijn geoogst en opgeslagen, wordt deze stap beschouwd als een onderdeel van het productieproces en moet hij derhalve plaatsvinden in het beschermde geografische gebied.
Indien productie, opslag en laatste keuring plaatsvinden in het beschermde geografische gebied, kunnen niet alleen de herkomst van het product, maar ook een optimale opvolging en het behoud van de fysische en organoleptische eigenschappen worden gegarandeerd.
3.6. Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken enz.
Omdat in de fase van de laatste keuring de door de BOB beschermde peren „Peras de Rincón de Soto” tevens worden verpakt, waarbij de peren die aan de in het dossier vermelde kenmerken voldoen van de opslagkisten („palox”) worden overgeheveld in kratten voor verzending, moet ook deze handeling in het afgebakende geografische gebied worden uitgevoerd.
Het is van belang dat deze verpakking in het tuinbouwbedrijf plaatsvindt in kisten die uit één laag bestaan en voorzien zijn van een bekleding die het fruit op zijn plaats houdt om alle mogelijke schade tijdens het vervoer of de distributie te voorkomen.
Toch worden deze kisten niet als „verpakking” beschouwd, aangezien ze niet zijn bedoeld als eindverpakking voor de consument.
3.7. Specifieke voorschriften betreffende de etikettering
Op de etiketten dient de vermelding „Denominación de Origen Protegida „Peras de Rincón de Soto”” verplicht te worden vermeld. Etiketten die, om welke reden dan ook, misleidend kunnen zijn voor de consument, zijn niet toegestaan.
4. Beknopte beschrijving van het afgebakende geografische gebied
De gemeenten Albelda, Alberite, Alcanadre, Aldeanueva de Ebro, Alfaro, Agoncillo, Arrubal, Ausejo, Azofra, Calahorra, Cenicero, Entrena, Fuenmayor, Hormilla, Hormilleja, Huércanos, Lardero, Logroño, Murillo, Nalda, Nájera, Navarrete, Pradejón, Rincón de Soto, San Asensio, Torremontalbo, Uruñuela en Villamediana de Iregua, die over de hele Ebrovallei verspreid liggen.
5. Verband met het geografische gebied
5.1. Specificiteit van het geografische gebied
De streek Rioja wordt in hoge mate beïnvloed door de topografie van het terrein, waarbij de bergen in het zuiden een duidelijke natuurlijke scheiding vormen tussen de Ebrovallei en de rest van de regio, met een sterke neerslag- en temperatuurgradiënt tot gevolg.
Het geografische gebied ligt volledig in de Ebrovallei, ver van het gebergte. De homogene bodemgesteldheid en een specifiek en gemeenschappelijk klimaat maken dit tot een regio die zich bijzonder goed leent voor de teelt van peren met specifieke en hooggewaardeerde organoleptische en kwaliteitskenmerken. Een en ander vormt, in combinatie met de diepgewortelde agrarische traditie van deze teelt, een uniek en ondeelbaar geheel.
Reliëf: de ligging van het beschermde geografische gebied is, dankzij de nabijheid van de Ebrovallei, met perioden van vorst, zonneschijn en verdamping ideaal voor de juiste ontwikkeling van peren van uitzonderlijke kwaliteit. Het zijn vlakten zonder kreupelhout of obstakels, met een goede luchtcirculatie en vochtigheidsgraad. Dat zorgt enerzijds voor een hoge bestralingsindex en voorkomt anderzijds het bevriezen door een voldoende luchtvochtigheid.
Bodem: vanwege de hoge eisen die de perenboom stelt, concentreert de teelt zich binnen het beschermde geografische gebied op de vlakten langs de waterlopen met een goede luchtcirculatie en een homogene en diepe leem- of kiezel-kleibodem zonder calciumoxide — want een teveel daaraan kan leiden tot chlorose — en een goede afwatering, want de geteelde perenbomen worden bevloeid en zijn zeer gevoelig voor stilstaand vocht in de bodem.
Klimaat: het afgebakende geografische gebied, in de Ebrovallei en ver van het gebergte, heeft een gematigd mediterraan klimaat met enkele kenmerken van een landklimaat, dat gekenmerkt wordt door milde winters, lange zomers en kleine temperatuurschommelingen tussen dag en nacht (behalve tijdens de zomermaanden), waardoor het ideaal is voor de goede ontwikkeling van perenbomen.
Wat de hoeveelheid neerslag en de duur, intensiteit en seizoensgebondenheid van de droge periode betreft, kan het klimaat mediterraan van het droge type worden genoemd.
Teelt- en/of productieomstandigheden: de telers zorgen ervoor dat de fruit-houtverhouding van de bomen correct is; zo nodig dunnen zij de bomen handmatig uit.
Zo hebben zij er altijd voor gezorgd dat hun bomen evenwichtig zijn opgebouwd, met een door handmatig snoeien goed gevormde structuur en voldoende luchtdoorstroming en lichtinval, waardoor fotosynthese, ademhaling en een gelijkmatige productie bevorderd worden.
Voorts moeten de telers, om een goede productie te verkrijgen en verschroeiing in de zomer te voorkomen, zorgen voor de aanvoer van water in de vorm van beregening. Uit de ervaring van de telers, gebaseerd op de specifieke klimaateigenschappen van het gebied, blijkt dat het vaakst besproeid moet worden in de periode van het uitbotten tot de vruchtzetting en van de rijping tot het einde van de zomer, omdat de momenten waarop de behoefte aan water het grootst is samenvallen met de periode waarin de minste regen valt.
Alle telers zijn het erover eens dat de wijze van oogsten van cruciaal belang is om kwaliteitsfruit te verkrijgen. Dit moet dan ook met zorg worden gedaan en op het juiste moment van rijpheid. Het fenomeen van de rijping is fundamenteel, niet alleen om fruit van hoge kwaliteit te verkrijgen, maar ook om het lang en in goede staat te kunnen bewaren. Het fruit dient precies op het punt waar het steeltje aan de tak vastzit, losgetrokken te worden, waardoor het goed bewaard kan worden. De Blanquilla-peer moet met speciale zorg worden behandeld, want door zijn dunnere schil en veel kwetsbaardere steel is hij moeilijker te oogsten dan de Conference-peer.
5.2. Specificiteit van het product
De peer die in het beschermde geografische gebied wordt geproduceerd, is groter, langwerpiger, zoeter, iets harder en de schil is groeniger dan die van andere peren die in aangrenzende gebieden worden geproduceerd. Daardoor heeft hij een hogere marktwaarde. Bovendien zorgen de hogere ligging van het gebied en de nabijheid van waterlopen voor natuurlijke roestvlekken, zonder dat van chemische producten gebruik hoeft te worden gemaakt.
5.3. Causaal verband tussen het geografische gebied en de kwaliteit of de kenmerken van het product (voor een BOB) dan wel een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk van het product (voor een BGA)
Historische bronnen die het belang van de productie en verhandeling van het fruit in het gebied aantonen, gaan terug tot 1747, wanneer voor het eerst naar de Blanquilla-peer wordt verwezen als „overheerlijk fruit” dat al gegeten werd aan het hof van Filips V, en 1752, wanneer in enkele geschriften wordt gemeld dat er al peren werden geteeld en geplukt in de gemeente Rincón de Soto. In de negentiende eeuw begon in het geografische gebied, dankzij de „Desamortización de Mendizábal” (de confiscatie van Mendizábal), de liberalisering van de landbouw en de handel in vers fruit. Vanuit Alfaro (de gerechtelijke hoofdplaats die historisch en traditioneel nauw verbonden is met Calahorra en met Rincón de Soto, dat pas in de negentiende eeuw een zelfstandige gemeente werd) werden het uitstekende fruit en de onovertroffen Blanquilla-peren over het hele land en naar het buitenland verzonden, terwijl ook de Conference-peren aan belang begonnen te winnen. Zo werd de landbouw de enige bron van rijkdom in dit gebied, met een speciale vermelding voor de peer („La Pera”), die in die tijd al zeer populair was.
Reliëf: de hoge ligging van de vallei en de nabijheid van waterlopen leiden tot de vorming van ochtendmist, die in slechts enkele uren verdwijnt om plaats te maken voor een stralende zon. Door de verdamping van het door de mist op de Conference-peren gevormde vocht vormen zich natuurlijke roestvlekken, zonder dat er chemische producten gebruikt hoeven te worden die het oppervlak van de schil kunstmatig verbranden. Deze natuurlijke roestvlekken zijn een zeer gewaardeerd verschijnsel in dit gebied, omdat het product daarmee kan worden onderscheiden van de peren uit de aangrenzende gebieden.
De weersomstandigheden in het beschermde geografische gebied zorgen ervoor dat de kleur, de geur, de grootte, de zuurgraad en de stevigheid van het vruchtvlees en het hoge gehalte aan oplosbare stoffen van de „Peras de Rincón de Soto” zo exclusief zijn voor dit gebied. De hoge gemiddelde temperaturen in juni, zonder grote temperatuurdalingen in de nacht en de afwezigheid van vorst in het voorjaar, bevorderen een snelle groei van het fruit. Het korter worden van de dagen, de daling van de temperatuur 's nachts, het grote aantal uren zonneschijn en de krachtige zonnestraling tijdens het rijpingsproces zijn er dan weer de directe oorzaak van dat „Peras de Rincón de Soto” een hoger gehalte aan oplosbare stoffen hebben dan peren uit aangrenzende geografische gebieden, waarbij het suikergehalte en de zuurgraad de twee elementen zijn die de smaak bepalen.
Anderzijds is het verschil tussen de hoge temperaturen overdag in de zomer en de lage temperaturen 's nachts in de periode vlak voor de pluk bepalend voor de kenmerkende hardheid en textuur, en zorgen de hoge temperaturen gedurende de rijping voor de afgifte van vluchtige stoffen, met name ethyleen en aromatische stoffen, wat bijdraagt tot de bijzondere geur van „Peras de Rincón de Soto”.
Ook de traditionele en bijzondere gebruiken van het gebied vormen een verbindend element tussen de specifieke kenmerken van de „Peras de Rincón de Soto” enerzijds en menselijke en geografische factoren anderzijds.
Om tot een correcte hout-fruitverhouding te komen, dunnen en snoeien de lokale boeren hun bomen al van oudsher met de hand. Met de juiste hoeveelheid fruit in de boom worden de vruchten groter en zoeter. Dankzij hun ervaring, gebaseerd op de specifieke klimatologische kenmerken van het gebied, kunnen de telers, om een goede productie te verkrijgen en verschroeiing in de zomer te voorkomen, irrigeren op het meest geschikte moment, waardoor ze te geringe groei van de vruchten, verlies van organoleptische eigenschappen, rimpelvorming en massale val van het fruit kunnen voorkomen. Behalve bij ongunstige weersomstandigheden wordt er niet beregend gedurende de periode kort voor de oogst, want dat zou leiden tot een lager gehalte oplosbare vaste stoffen en daarmee tot een kwaliteitsvermindering, hetgeen de latere bewaring van het fruit in gevaar zou brengen.
Doordat wij vandaag de dag in staat zijn de datum van de oogst bijna exact te bepalen dankzij on-site monitoring van de ontwikkeling van de vruchten, de kleur, de kleur van de zaden, de weerstand bij het plukken en de hardheid van het vruchtvlees enerzijds en de analyse van de oplosbare stoffen en de hardheid van het fruit anderzijds, kunnen de peren „Peras de Rincón de Soto” worden geoogst wanneer ze precies rijp genoeg zijn: niet te groen en niet overrijp.
Daarnaast hebben de in het afgebakende geografische gebied gevestigde tuinbouwcentrales jarenlange ervaring met de behandeling, opslag en selectie van de peren en kennen zij de bijzondere eigenschappen van de „Pera de Rincón de Soto” zeer goed. Zij weten hoe ze het fruit moeten opslaan tot het moment van verzending en zij zien met het blote oog welke vruchten beschadigd zijn of niet aan de eisen voldoen.
Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier
(artikel 5, lid 7, van Verordening (EG) nr. 510/2006 (4))
http://www.larioja.org/upload/documents/733015_Pliego_y_documento_unico_peras_de_rincon.pdf?idtab=438497
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) Vervangen door Verordening (EU) nr. 1151/2012.
(3) Vgl. voetnoot 2.
(4) Vgl. voetnoot 2.
|
22.6.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 177/24 |
Bekendmaking van een wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen
2013/C 177/10
Deze bekendmaking verleent het recht om op grond van artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad bezwaar aan te tekenen tegen de aanvraag (1).
WIJZIGINGSAANVRAAG
VERORDENING (EG) Nr. 510/2006 VAN DE RAAD
inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (2)
WIJZIGINGSAANVRAAG OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 9
„MONTES DE GRANADA”
EG-nummer: ES-PDO-0105-0169-28.07.2008
BGA ( ) BOB ( X )
1. Rubriek van het productdossier waarop de wijziging betrekking heeft
|
— |
|
Naam van het product |
|
— |
|
Beschrijving van het product |
|
— |
☒ |
Geografisch gebied |
|
— |
☒ |
Bewijs van de oorsprong |
|
— |
☒ |
Werkwijze voor het verkrijgen van het product |
|
— |
☒ |
Verband |
|
— |
|
Etikettering |
|
— |
☒ |
Nationale eisen |
|
— |
☒ |
Overige [controlestructuren] |
2. Aard van de wijziging(en)
|
— |
☒ |
Wijziging van het enige document of de samenvatting |
|
— |
|
Wijziging van het productdossier voor een geregistreerde BOB of BGA waarvoor geen enig document en evenmin een samenvatting bekend zijn gemaakt |
|
— |
|
Wijziging van het productdossier waarbij geen wijziging van het bekendgemaakte enige document nodig is (artikel 9, lid 3, van Verordening (EG) nr. 510/2006) |
|
— |
|
Tijdelijke wijziging van het productdossier als gevolg van een verplichte gezondheids- of fytosanitaire maatregel die is opgelegd door de overheid (artikel 9, lid 4, van Verordening (EG) nr. 510/2006) |
3. Wijziging(en)
3.1. Geografisch gebied
Aan het geografische productie- en verwerkingsgebied van de BOB „Montes de Granada” worden 22 gemeenten toegevoegd,
die zich aan de ene kant uitstrekken tot de gemeenten Peligros en Víznar in de omgeving van de Sierra Arana en aan de andere kant, op de hoogvlakte van Granada, tot de volgende gemeenten:
Beas de Guadix, Benalúa de Guadix, Cortes y Graena, de gemeente Gor (met uitzondering van het deel van het grondgebied dat tot het natuurpark „Sierra de Baza” behoort), Gorafe, Guadix, Marchal, Purullena, de gemeenten Baza en Caniles (met uitzondering van de twee delen van het grondgebied die tot het natuurpark „Sierra de Baza” behoren), Benamaurel, Cortes de Baza, Cúllar, Cuevas del Campo, Freila, Zújar, Castilléjar, Castril, Galera en Huéscar.
Deze gemeenten worden in het productiegebied van de oorsprongsbenaming „Montes de Granada” opgenomen omdat zij met het huidige gebied een homogeen geheel vormen, zowel uit geografisch oogpunt (topografie, geologie, bodemgesteldheid, klimaat, enz.), als op basis van de menselijke factor (gebruikte olijvenrassen, teelt- en productietechnieken van de olijfolie van eerste persing); daar komt bij dat de olie die wordt geproduceerd in de voor de uitbreiding van het gebied voorgestelde gemeenten dezelfde fysisch-chemische en organoleptische kenmerken heeft als die uit het bestaande gebied van de BOB „Montes de Granada”.
3.2. Verpakking
De beperking dat het product alleen op de plaats van oorsprong mag worden verpakt, is opgeheven, op voorwaarde dat de middelen ter hand worden gesteld die nodig zijn om de traceerbaarheid van het beschermde product te waarborgen.
3.3. Verband
De tekst betreffende het verband is gewijzigd zodat deze overeenkomt met de opbouw van punt 5 van het enig document, „Verband met het geografische gebied”.
3.4. Controlestructuur
Aanduiding van de bevoegde instantie die verantwoordelijk is voor de controle en haar website, waarop de instellingen zijn vermeld die belast zijn met de controle op naleving van het productdossier.
3.5. Nationale eisen
De wettelijke voorschriften zijn bijgewerkt en de geldende wetgeving wordt gedetailleerd aangegeven.
ENIG DOCUMENT
VERORDENING (EG) Nr. 510/2006 VAN DE RAAD
inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (3)
„MONTES DE GRANADA”
EG-nummer: ES-PDO-0105-0169-28.07.2008
BGA ( ) BOB ( X )
1. Naam
„Montes de Granada”
2. Lidstaat of derde land
Spanje
3. Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel
3.1. Productcategorie
|
Categorie 1.5. |
Oliën en vetten (boter, margarine, spijsolie, enz.) |
3.2. Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is
Extra olijfolie van eerste persing uit gezonde, rijpe vruchten van de olijfboom (Olea europea) van primaire rassen (Picual, Lucio en Loaime) en secundaire rassen (Escarabajuelo, Negrillo de Iznalloz, Hojiblanca en Gordal de Granada), die in het afgebakende gebied worden geteeld.
De verkregen oliën zijn het resultaat van de gezamenlijke persing van olijven van primaire en secundaire rassen. Het gaat dus om olie van verschillende variëteiten die beter wordt van die diversiteit. Wat de organoleptische kenmerken betreft, domineren de tonen van het ras Picual, met een sterk karakter (groene kleur, matig tot sterk bittere smaak en fruitig aroma) dat wordt verzacht door de rassen Lucio, Loaime en andere, secundaire rassen die zorgen voor een fris aroma van verschillende soorten fruit, een minder bittere smaak en een meer goudgele kleur.
Over het geheel genomen heeft de in het gebied geproduceerde extra olijfolie van eerste persing een fruitige geur en smaak (matig tot zeer intens) die doet denken aan versgeperste of rijpe olijven, een licht bittere smaak en een mondgevoel waarvan de intensiteit afhangt van de rijpheid van de gebruikte olijven. De olie heeft een lage zuurgraad en de groene kleur varieert van zeer intens groen tot groengeel.
Wat het lipidenprofiel betreft, valt het hoge gehalte aan oliezuur op, meestal hoger dan 80 %, soms zelfs 83 %. De olie heeft tevens een hoog gehalte aan enkelvoudig/meervoudig onverzadigde vetzuren (12 tot 20), en bijgevolg een hoge voedingswaarde en een goede oxidatiebestendigheid. Bovendien heeft deze olie een goede chemische stabiliteit, die voornamelijk te danken is aan de componenten welke verantwoordelijk zijn voor de bittere smaak, waardoor hij een grotere oxidatiebestendigheid heeft dan andere olijfolie van eerste persing.
3.3. Grondstoffen (alleen voor verwerkte producten)
Niet van toepassing.
3.4. Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong)
Niet van toepassing.
3.5. Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden
De productie en de verwerking van de olijven vinden plaats in het in punt 4 beschreven geografische gebied.
3.6. Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken enz.
Het verpakken vindt plaats onder de daarvoor aangewezen omstandigheden in houders voor voedingsmiddelen om een lange levensduur van het in de handel gebrachte product te waarborgen. Het verpakte product moet koel en donker worden opgeslagen, zodat het de consument in de beste omstandigheden bereikt.
3.7. Specifieke voorschriften betreffende de etikettering
Het product wordt voorzien van een conformiteitsmerk (contra-etiket genoemd), waarbij een alfanumerieke code zodanig wordt aangebracht dat het niet opnieuw kan worden gebruikt en waarmee het product kan worden getraceerd.
4. Beknopte beschrijving van het afgebakende geografische gebied
Het beschermde geografische gebied beslaat de volgende gemeenten: Alamedilla, Alfacar, Alicún de Ortega, Beas de Guadix, Benalúa de Guadix, Benalúa de las Villas, Benamaurel, Calicasas, Campotéjar, Castillejar, Castril, Cogollos Vega, Colomera, Cortes de Baza, Cortes y Graena, Cúllar, Cuevas del Campo, Darro, Dehesas de Guadix, Deifontes, Diezma, Fonelas, Freila, Galera, Gobernador, Gorafe, Guadahortuna, Guadix, Güevéjar, Huélago, Huéscar, Iznalloz, het noordelijke deel van de gemeente La Peza (tot de rivier de Fardes), Marchal, Montejícar, Montillana, Morelábor, Nívar, Pedro Martínez, Píñar, Peligros, Purullena, Torrecardela, Villanueva de las Torres, Víznar, Zújar, het oostelijke gebied van de gemeente Moclín tot de natuurlijke grens die wordt gevormd door de rivier de Velillos, het noordelijke gebied ten noorden van de gemeenten Albolote en Atarfe (tussen de natuurlijke grenzen gevormd door de rivieren de Cubillas en de Colomera, tot waar die elkaar kruisen), en de gemeenten Baza, Caniles en Gor (deze laatste drie met uitzondering van de gebieden die tot het natuurpark „Sierra de Baza” behoren).
5. Verband met het geografische gebied
5.1. Specificiteit van het geografische gebied
De teeltomstandigheden in het gebied dat met de naam „Montes de Granada” wordt afgebakend, zijn dezelfde in het hele gebied en zijn ongewoon voor de olijventeelt op het Iberische schiereiland.
Dit is namelijk het hoogste gebied op het Iberische schiereiland waar olijven worden geteeld, met een gemiddeld hoogte van meer dan 900 m boven de zeespiegel. Het maakt deel uit van de Subbetische bergketens. In een groot deel van de „sierra” of het „middelgebergte” in de provincie Granada worden olijfbomen geteeld. Dit gebied staat van oudsher bekend als de „Montes de Granada”. De eerste verwijzingen naar de geografische aanduiding „Montes de Granada”, waar sprake is van „bergachtige terreinen” en “olijventeelt” in dit gebied, dateren uit de zestiende eeuw. Het gaat om een document uit de „Repartimientos” (een systeem van grondverdeling) na de herovering van Granada door de Katholieke Koningen, waarin wordt gesteld dat „…ieder gehucht ook recht had op een deel van de olijfbomen die,…” (Peinado Santaella, 1989; La repoblación de la tierra de Granada: Los Montes (Herbevolking van de streek van Granada: De Bergen), Universidad de Granada (Universiteit van Granada).
In het gebied bestaat het landschap uit lagere delen van ongeveer 750 tot 900 m hoogte die worden afgewisseld met van oost naar west lopende bergruggen met toppen tussen 1 400 en 2 000 m. In het algemeen is het landschap steiler in kalksteenmassieven, met andere vormen die eveneens behoren bij een steil reliëf en bestaan uit heuvels en hellingen van kalksteenformaties, mergelkalksteen en mergel. Verder naar het oosten, vanaf Peligros, de meest zuidwestelijke gemeente van het afgebakende gebied, dichtbij de Vega de Granada (Intrabetische laagte), wordt het landschap glooiender om op 1 200 m een plateau te vormen, waarin de Subbetische bergketens en de Intrabetische laagte opgaan ter hoogte van de gemeente Huéscar, in het uiterste noordoosten van het met de naam „Montes de Granada” afgebakende gebied.
De klimatologische kenmerken van het met de naam Montes de Granada afgebakende gebied zijn uniek en bepalend voor de eigenschappen van de hier geproduceerde olijfolie van eerste persing.
Het gebied wordt gekenmerkt door een continentaal mediterraan klimaat, waarbij de grote temperatuurverschillen opvallen, zowel van de ene dag op de andere als tussen de seizoenen. Maar de regio wordt nog meer gekenmerkt door de lange, koude winters, die duren van november tot maart, met een gemiddelde temperatuur tussen 5 en 6 °C, een gemiddelde minimumtemperatuur onder de 2 °C en, door de grote hoogte (750 à 2 000 m), veelvuldige sneeuwval. Anderzijds zijn de zomers er, door de zuidelijke ligging van de provincie Granada, lang en heet en duren zij van eind mei tot oktober, met een gemiddelde maximumtemperatuur van meer dan 30 °C. De gemiddelde jaarlijkse neerslag varieert tussen 400 en 600 mm, of nog minder in jaren van droogte.
Ondanks de zuidelijke ligging van het gebied, doet dit type winter denken aan het noordelijke deel van de Meseta van het Iberische schiereiland. Deze ongewone temperaturen zo ver in het zuiden zijn te verklaren door de geografische ligging van het afgebakende gebied, te midden van een vierhoek waarvan de hoeken samenvallen met bergketens met de laagste temperaturen van het hele zuidelijke schiereiland en die zich, met betrekking tot het afgebakende gebied Montes de Granada, bevinden: in het zuidwesten grenzend aan de Sierra Nevada (gemiddelde jaartemperatuur van 8 tot 10 °C), in het noordwesten grenzend aan de Sierra Mágina-Sierra de Lucena-Montejícar (gemiddelde jaartemperatuur van 10 tot 12 °C), in het zuidoosten grenzend aan de Sierra de Baza (gemiddelde jaartemperatuur van 10 tot 12 °C) en in het noordoosten grenzend aan de Sierra de Castril en de Sierra de la Sagra (gemiddelde jaartemperatuur van 8 tot 10 °C).
Deze extreme weersomstandigheden zijn bepalend geweest voor de olijventeelt in het gebied van de Montes de Granada, van de selectie van aan de strenge winters aangepaste olijvenrassen tot de praktijk van het „vroeg oogsten” om de vorstperioden van januari en februari voor te zijn, en de wijze van snoeien die erop gericht is de beste blad-houtverhouding te behouden om de bomen te beschermen tegen de strenge wintervorst. Anderzijds konden endemische ziekten en plagen, zoals de olijfvlieg en de pauwenoogziekte (spilocaea oleaginum) zich door deze weersomstandigheden in de olijventeeltgebieden van Andalusië niet verspreiden, wat de kwaliteit van de vruchten (met een lage zuurgraad) en dus ook van de olie ten goede komt.
De inheemse olijvenrassen van het afgebakende gebied Montes de Granada, zoals Lucio, Loaime, Escarabajuelo en Negrillo de Iznalloz zijn in de loop van de geschiedenis geselecteerd omdat ze goed zijn aangepast aan de extreme teeltomstandigheden en met name goed bestand zijn tegen vorst en omdat het fruit vroeg rijp is, wat nodig is om te kunnen oogsten voor de winterse vorst inzet. Zo zijn er verwijzingen uit 1634 waarin sprake is van „kwaliteitsolijven” in de gemeente Cogollos Vega, en waar verwezen wordt naar hoge bomen die vruchten van goede kwaliteit leveren (Libro de apeos de Cogollos Vega, (Slachtboek van Cogollos Vega), Real Chancillería de Granada (Koninklijke Kanselarij van Granada)). Er zijn nog altijd bomen van meer dan 500 jaar oud in deze gemeente van de Montes de Granada. Zij zijn van het ras Loaime, een naam van Arabische oorsprong, dat werd gekweekt vóór de herovering van Granada door de Katholieke Koningen.
Met de aanpassing aan de teeltomstandigheden van het (meest voorkomende) ras Picual, dat in het midden van de negentiende eeuw in het gebied is ingevoerd, met minder wisselende opbrengsten en sterker dan de hiervoor genoemde inheemse rassen, werd de ontwikkeling van het merendeel van de huidige olijfgaarden mogelijk, naast die met de oudere, inheemse rassen.
Uit het midden van de negentiende eeuw dateert een belangrijke historische opmerking (Diccionario geográfico estadístico e histórico (Geografisch, statistisch en historisch woordenboek), Pascual Madoz, 1845, heruitgegeven door Bosque Maurel, 1987), die de uitstekende kwaliteiten van de olijfgaarden en de voortreffelijke smaak van de olie in deze regio prijst met de volgende woorden: „Montes de Granada […] en hoewel het drinkwater er schaars is, wordt dat van Cubillos, Benalúa en Moclín gebruikt om bepaalde delen van hun grondgebied te bevloeien en daar worden allerlei soorten graan, zeer heldere en voortreffelijke olie, wijn en veel uiteenlopende zaden geproduceerd […]”.
5.2. Specificiteit van het product
De specifieke kenmerken van de „Montes de Granada”- olie zijn:
|
— |
een bijzonder lipidenprofiel, gekenmerkt door een hoog gehalte aan oliezuur (hoger dan 80 %, soms wel 83 %). Hij heeft ook een hoog gehalte aan enkelvoudig/meervoudig onverzadigde vetzuren (12 tot 20), dat zorgt voor de hoge voedingswaarde van het product; |
|
— |
een lage zuurgraad; |
|
— |
verschillende kleuren variërend van donkergroen tot geelgroen afhankelijk van het stadium van rijping en de samenstelling van de olie uit de verschillende rassen; |
|
— |
een fruitige geur en smaak, van verse en rijpe vruchten, met een matige tot sterke intensiteit (fruitmediaan ≥ 3); |
|
— |
een licht bittere, pikante smaak van variabele intensiteit, afhankelijk van het stadium van rijping van de olijf en het polyfenolgehalte in de olie. |
5.3. Causaal verband tussen het geografische gebied en de kwaliteit of de kenmerken van het product (voor een BOB) dan wel een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk van het product (voor een BGA)
De hoge ligging van het productiegebied Montes de Granada, in combinatie met de extreme temperaturen in de herfst en de winter wanneer de olijven rijpen, zijn bepalend voor de kwaliteit van de olie.
De invloed van de omgevingstemperatuur en de hoge ligging van de productiegebieden op het rijpingsproces in de herfst en de winter is al lang wetenschappelijk vastgesteld. De vetzuurgehalten van de olie en de hoeveelheid chlorofyl die zorgt voor de groene kleur van de olie worden sterk beïnvloed door deze factoren. Hoe hoger de ligging en hoe lager de omgevingstemperatuur, vooral tijdens de maanden waarin het fruit rijpt (herfst-winter), hoe hoger het gehalte aan onverzadigde vetzuren, vooral oliezuur, en het chlorofylgehalte van de olie, omdat de olijven door de lage temperaturen langzaam rijpen; een bijzonder aspect waarmee het productiegebied Montes de Granada zich onderscheidt. Ook de olijvenrassen maken een verschil. Het Picual-ras (dat het meeste voorkomt in het productiegebied) heeft het hoogste gehalte aan oliezuur van alle in Spanje geteelde rassen. In dit opzicht behoort het in de Montes de Granada aangetroffen oliezuurgehalte (tussen 80 en 83 %) tot de hoogst voorkomende in olijfolie van eerste persing. Om dezelfde redenen is de verhouding enkelvoudig/meervoudig onverzadigde vetzuren in deze olie zeer hoog, tussen 12 en 20. Deze verhouding wordt iets lager door de toevoeging van de inheemse rassen Lucio et Loaime, met minder onverzadigde vetzuren dan Picual. Anderzijds is het ras Picual verantwoordelijk voor de groene kleur van de olie Montes de Granada, met een wisselende intensiteit, van donkergroen tot geelgroen. Dit olijvenras heeft een van de hoogste chlorofylgehalten in Spanje, dat door de trage rijping als gevolg van de ligging van het productiegebied nog verder wordt verhoogd.
Omdat de gemiddelde hoogte van het teeltgebied van de olijven Montes de Granada boven 900 m ligt, bestaat een belangrijk deel uit bergtoppen of middelhoge bergen en hebben de olijven een lage zuurgraad in verband met de lage temperatuur in de oogsttijd (winter), want de lipasen verminderen hun activiteit bij lage temperaturen. Omdat er bijna geen parasieten zoals de olijfvlieg voorkomen, worden bovendien de lipolytische processen in het fruit in de herfst tegengegaan.
Ten slotte is de invloed van de teeltomstandigheden op de organoleptische kwaliteit van olijfolie van eerste persing al lang bekend. Zo is olie van olijven die worden geteeld in bergachtige gebieden geuriger en smakelijker dan olie van olijven uit de laagvlakte. Dat komt doordat de onverzeepbare fractie van deze olie van eerste persing, die verantwoordelijk is voor de geur, toeneemt met de hoogte. Zo zorgt een tragere rijping van het fruit in deze teeltomstandigheden van „de sierra” (middelgebergte) voor een olijf met meer aromatische stoffen. In combinatie met de typische omgevingsstress in de Montes de Granada tijdens de herfst en de winter (lage temperaturen en waterstress), leidt die tot een toename van de polyfenolverbindingen en dus van de bittere, pikante smaak van de olie. Ook het ras is van invloed op de polyfenolverbindingen en het Picual-ras heeft de hoogste concentratie van alle olijvenrassen in Spanje.
Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier
(artikel 5, lid 7, van Verordening (EG) nr. 510/2006 (4))
De volledige (Spaanse) tekst van het productdossier kan worden geraadpleegd via de volgende koppeling:
http://www.juntadeandalucia.es/agriculturaypesca/portal/export/sites/default/comun/galerias/galeriaDescargas/cap/industrias-agroalimentarias/denominacion-de-origen/Pliegos/PliegoMontesdeGranadamodificado.pdf
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) Vervangen door Verordening (EU) nr. 1151/2012.
(3) Vgl. voetnoot 2.
(4) Vgl. voetnoot 2.
|
22.6.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 177/s3 |
MEDEDELING
Op 22 juni 2013 wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie C 177 A de „Gemeenschappelijke rassenlijst voor groentegewassen — 4e aanvulling op de 31e volledige uitgave” gepubliceerd.
Abonnees van het Publicatieblad ontvangen gratis een exemplaar naargelang van het aantal en van de ta(a)l(en) van hun abonnement(en). Zij worden verzocht om de onderstaande bestelbon, naar behoren ingevuld, met opgave van hun abonneenummer (code aan de linkerkant van elk etiket, beginnende met O/…), te retourneren. Dit gratis aanbod geldt gedurende één jaar, met ingang van de verschijningsdatum van het betrokken Publicatieblad.
Niet-abonnees kunnen dit Publicatieblad tegen betaling verkrijgen bij een van onze verkoopkantoren (zie http://publications.europa.eu/others/agents/index_nl.htm).
Het Publicatieblad kan — net als alle Publicatiebladen (L, C, C A, C E) — gratis worden geraadpleegd op de website http://eur-lex.europa.eu