|
ISSN 1977-0995 doi:10.3000/19770995.C_2012.295.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
55e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
|
2012/C 295/01 |
||
|
|
V Adviezen |
|
|
|
GERECHTELIJKE PROCEDURES |
|
|
|
Hof van Justitie |
|
|
2012/C 295/02 |
||
|
2012/C 295/03 |
||
|
2012/C 295/04 |
||
|
2012/C 295/05 |
||
|
2012/C 295/06 |
||
|
2012/C 295/07 |
||
|
2012/C 295/08 |
||
|
2012/C 295/09 |
||
|
2012/C 295/10 |
||
|
2012/C 295/11 |
||
|
2012/C 295/12 |
||
|
2012/C 295/13 |
||
|
2012/C 295/14 |
||
|
2012/C 295/15 |
||
|
2012/C 295/16 |
||
|
2012/C 295/17 |
||
|
2012/C 295/18 |
||
|
2012/C 295/19 |
||
|
2012/C 295/20 |
||
|
2012/C 295/21 |
||
|
2012/C 295/22 |
||
|
2012/C 295/23 |
||
|
2012/C 295/24 |
||
|
2012/C 295/25 |
||
|
2012/C 295/26 |
||
|
2012/C 295/27 |
||
|
2012/C 295/28 |
Zaak C-307/12: Beroep ingesteld op 25 juni 2012 — Europese Commissie/Republiek Bulgarije |
|
|
2012/C 295/29 |
||
|
2012/C 295/30 |
||
|
2012/C 295/31 |
||
|
2012/C 295/32 |
||
|
2012/C 295/33 |
||
|
2012/C 295/34 |
||
|
2012/C 295/35 |
||
|
2012/C 295/36 |
||
|
2012/C 295/37 |
||
|
2012/C 295/38 |
||
|
2012/C 295/39 |
||
|
2012/C 295/40 |
||
|
2012/C 295/41 |
||
|
2012/C 295/42 |
||
|
2012/C 295/43 |
||
|
2012/C 295/44 |
||
|
2012/C 295/45 |
||
|
|
Gerecht |
|
|
2012/C 295/46 |
||
|
2012/C 295/47 |
||
|
2012/C 295/48 |
Zaak T-330/12: Beroep ingesteld op 19 juli 2012 — Hut.com/BHIM — Intersport France (THE HUT) |
|
|
2012/C 295/49 |
Zaak T-338/12: Beroep ingesteld op 23 juli 2012 — Rocket Dog Brands/BHIM — Julius-K9 (K9 PRODUCTS) |
|
|
2012/C 295/50 |
||
|
2012/C 295/51 |
Zaak T-342/12: Beroep ingesteld op 1 augustus 2012 — Fuchs/BHIM — Les Complices (Star) |
|
|
2012/C 295/52 |
Zaak T-344/12: Beroep ingesteld op 1 augustus 2012 — Virgin Atlantic Airways/Europese Commissie |
|
|
2012/C 295/53 |
Zaak T-345/12: Beroep ingesteld op 3 augustus 2012 — Akzo Nobel e.a./Commissie |
|
|
2012/C 295/54 |
Zaak T-354/12: Beroep ingesteld op 3 augustus 2012 — Afepadi e.a./Commissie |
|
|
2012/C 295/55 |
||
|
2012/C 295/56 |
Zaak T-82/12: Beschikking van het Gerecht van 6 augustus 2012 — Makhlouf/Raad |
|
|
|
Gerecht voor ambtenarenzaken |
|
|
2012/C 295/57 |
Zaak F-58/12: Beroep ingesteld op 28 mei 2012 — ZZ/Commissie |
|
|
2012/C 295/58 |
Zaak F-73/12: Beroep ingesteld op 17 juli 2012 — ZZ e. a./EIB |
|
|
2012/C 295/59 |
||
|
2012/C 295/60 |
||
|
2012/C 295/61 |
Zaak F-83/12: Beroep ingesteld op 1 augustus 2012 — ZZ e. a./EIB |
|
|
2012/C 295/62 |
||
|
2012/C 295/63 |
Zaak F-85/12: Beroep ingesteld op 3 augustus 2012 — ZZ/Commissie |
|
|
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/1 |
2012/C 295/01
Laatste publicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in:
EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu
V Adviezen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/2 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 19 juli 2012 — Raad van de Europese Unie/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group Co. Ltd, Europese Commissie, Association des utilisateurs et distributeurs de l’agrochimie européenne (Audace)
(Zaak C-337/09 P) (1)
(Hogere voorziening - Handelspolitiek - Dumping - Invoer van glyfosaat uit China - Verordening (EG) nr. 384/96 - Artikel 2, lid 7, sub b en c - Status van marktgericht bedrijf - Begrip „staatsinmenging van betekenis” in zin van artikel 2, lid 7, sub c, eerste streepje - Overheidsaandeelhouder die de facto zeggenschap uitoefent over algemene vergadering van aandeelhouders van producent - Gelijkstelling van dergelijke zeggenschap met „inmenging van betekenis” - Beoordeling van regeling van afstempelen van exportcontracten - Grenzen van rechterlijke toetsing - Beoordeling van aangedragen bewijselementen)
2012/C 295/02
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix, gemachtigde, en G. Berrisch, Rechtsanwalt)
Andere partijen in de procedure: Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group Co. Ltd (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Horovitz, avocat, en vervolgens F. Graafsma, J. Cornelis en A. Woolich, advocaten, K. Adamantopoulos, dikigoros, en D. Moulis, barrister), Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Scharf, N. Khan en K. Talabér-Ritz, gemachtigden), Association des utilisateurs et distributeurs de l’agrochimie européenne (Audace) (vertegenwoordiger: J. Flynn, QC)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 17 juni 2009, Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group/Raad (T-498/04), waarbij het Gerecht ten aanzien van Zheijiang Xinan Chemical Industrial Group Co. Ltd. nietig heeft verklaard artikel 1 van verordening (EG) nr. 1683/2004 van de Raad van 24 september 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op glyfosaat uit de Volksrepubliek China (PB L 303, blz. 1) — Uitlegging van artikel 2, lid 7, sub c, van verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 56, blz. 1) — Status van marktgericht bedrijf
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten, daaronder begrepen die welke op de procedure in kort geding zijn gevallen. |
|
3) |
De Europese Commissie draagt haar eigen kosten. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/2 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 19 juli 2012 — Europees Parlement/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-130/10) (1)
(Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Verordening (EG) nr. 881/2002 - Verordening (EU) nr. 1286/2009 - Beperkende maatregelen tegen personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, Al-Qa’ida-netwerk en Taliban - Bevriezing van tegoeden en financiële middelen - Keuze van rechtsgrondslag - Artikelen 75 VWEU en 215 VWEU - Inwerkingtreding van Verdrag van Lissabon - Overgangsbepalingen - Gemeenschappelijke standpunten en GBVB-besluiten - Gezamenlijk voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en van de Commissie)
2012/C 295/03
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: E. Perillo, K. Bradley, A. Auersperger Matić en U. Rösslein, gemachtigden)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bishop en R. Szostak, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: M. Smolek, E. Ruffer en K. Najmanová, gemachtigden), Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues en A. Adam, gemachtigden), Koninkrijk Zweden (vertegenwoordigers: A. Falk en C. Meyer-Seitz, gemachtigden), Europese Commissie (vertegenwoordigers: S. Boelaert en M. Konstantinidis, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tot nietigverklaring — Nietigverklaring van verordening (EU) nr. 1286/2009 van de Raad van 22 december 2009 tot wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’idanetwerk en de Taliban (PB L 346, blz. 42) — Keuze van rechtsgrondslag
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Het Europees Parlement wordt verwezen in de kosten. |
|
3) |
De Tsjechische Republiek, de Franse Republiek, het Koninkrijk Zweden en de Europese Commissie zullen hun eigen kosten dragen. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/3 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — X/Staatssecretaris van Financiën
(Zaak C-334/10) (1)
(Zesde btw-richtlijn - Artikelen 6, lid 2, eerste alinea, sub a en b, 11, A, lid 1, sub c, en 17, lid 2 - Gedeelte van tot bedrijf behorend investeringsgoed - Tijdelijk gebruik voor privédoeleinden - Uitvoering van duurzame aanpassingen aan dat goed - Betaling van btw voor duurzame aanpassingen - Recht op aftrek)
2012/C 295/04
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: X
Verwerende partij: Staatssecretaris van Financiën
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Uitlegging van artikel 6, lid 2, eerste alinea, sub a en b, artikel 11, A, lid 1, sub c, en artikel 17, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Aftrek van voorbelasting — Belastingplichtige die gedeelte van tot zijn bedrijf behorend investeringsgoed tijdelijk voor eigen privédoeleinden heeft gebruikt en daartoe duurzame aanpassingen aan dit gedeelte van het goed heeft aangebracht — Recht op aftrek van btw op uitgaven gedaan voor duurzame aanpassingen
Dictum
De artikelen 6, lid 2, eerste alinea, sub a en b, 11, A, lid 1, sub c, en 17, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, moeten aldus worden uitgelegd dat een belastingplichtige die een gedeelte van een tot zijn bedrijf behorend investeringsgoed tijdelijk voor eigen privédoeleinden gebruikt, op grond van deze bepalingen recht heeft op aftrek van de voorbelasting over de kosten die zijn gemaakt om aan dat goed duurzame aanpassingen uit te voeren, ook al werden deze aanpassingen met het oog op dat tijdelijk gebruik voor privédoeleinden uitgevoerd, en dat dit recht op aftrek bovendien bestaat los van de vraag of ter zake van de aanschaf van het investeringsgoed waaraan deze aanpassingen zijn uitgevoerd, aan de belastingplichtige belasting over de toegevoegde waarde in rekening is gebracht en of hij deze belasting in aftrek heeft gebracht.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/3 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Sozialgericht Würzburg — Duitsland) — Doris Reichel-Albert/Deutsche Rentenversicherung Nordbayern
(Zaak C-522/10) (1)
(Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Verordening (EG) nr. 987/2009 - Artikel 44, lid 2 - Beoordeling van recht op ouderdomspensioen - Inaanmerkingneming van tijdvakken van kinderopvoeding vervuld in een andere lidstaat - Toepasselijkheid - Artikel 21 VWEU - Vrij verkeer van burgers)
2012/C 295/05
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Sozialgericht Würzburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Doris Reichel-Albert
Verwerende partij: Deutsche Rentenversicherung Nordbayern
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Sozialgericht Würzburg — Uitlegging van artikel 44, lid 2, van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 284, blz. 1) — Voorwaarden voor inaanmerkingneming van in een andere lidstaat vervulde tijdvakken van opvoeding van kinderen bij het onderzoek van het recht op ouderdomspensioen — Nationale regeling volgens welke dergelijke tijdvakken in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat de betrokkene tijdens de opvoeding of onmiddellijk voor de geboorte van het kind in loondienst of als zelfstandige tijdvakken van verplichte bijdragebetaling heeft vervuld en die tot gevolg kan hebben dat een tijdvak van kinderopvoeding noch in de lidstaat van verblijf tijdens de opvoeding van het kind, noch in de bevoegde lidstaat in aanmerking wordt genomen
Dictum
In een situatie zoals aan de orde in het hoofdgeding moet artikel 21 VWEU aldus worden uitgelegd, dat het de bevoegde autoriteit van een eerste lidstaat verplicht om voor de toekenning van een ouderdomspensioen de in een tweede lidstaat vervulde kinderopvoedingstijdvakken in aanmerking te nemen alsof deze tijdvakken op zijn nationale grondgebied waren vervuld door een persoon die alleen in de eerste lidstaat beroepsactiviteiten heeft verricht en die op het ogenblik van de geboorte van zijn kinderen tijdelijk is gestopt met werken en wegens strikt familiale redenen zijn woonplaats naar het grondgebied van de tweede lidstaat heeft overgebracht.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/4 |
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 19 juli 2012 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek
(Zaak C-565/10) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijn 91/271/EEG - Behandeling van stedelijk afvalwater - Artikelen 3, 4 en 10 - Opvangsystemen - Secundaire of gelijkwaardige behandeling - Waterzuiveringsinstallaties - Representatieve monsters)
2012/C 295/06
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: S. Pardo Quintillán en D. Recchia, gemachtigden)
Verwerende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri, gemachtigde, en M. Russo, avvocato dello Stato)
Voorwerp
Niet-nakoming — Schending van de artikelen 3, 4 en 10 van richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135, blz. 40)
Dictum
|
1) |
De Italiaanse Republiek is de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 3, 4, leden 1 en 3, en 10 van richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008, door te hebben nagelaten:
|
|
2) |
De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/5 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice, Chancery Division — Verenigd Koninkrijk) — Littlewoods Retail Ltd e.a./Her Majesty’s Commissioners of Revenue and Customs
(Zaak C-591/10) (1)
(Tweede en Zesde btw-richtlijn - Voorbelasting - Teruggaaf van overschot - Betaling van rente - Voorwaarden)
2012/C 295/07
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
High Court of Justice (Chancery Division)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Littlewoods Retail Ltd e.a.
Verwerende partij: Her Majesty’s Commissioners of Revenue and Customs
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — High Court of Justice (Chancery Division) — Uitlegging van artikel 8 van en bijlage A, punt 13, bij richtlijn 67/228/EEG van de Raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Structuur en wijze van toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 71, blz. 1303) — Uitlegging van artikel 11, A, lid 3, sub b, en van artikel 11, C, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Terugbetaling van te veel betaalde voorbelasting — Toepasselijke rentevoet
Dictum
Het recht van de Unie moet aldus moet worden uitgelegd dat de belastingplichtige die te veel belasting over de toegevoegde waarde heeft betaald, welke door de betrokken lidstaat in strijd met de Unierechtelijke regels inzake belasting over de toegevoegde waarde is geheven, recht heeft op terugbetaling van de in strijd met het Unierecht geheven belasting alsook op betaling van rente over de terug te betalen hoofdsom. Het staat aan de nationale rechter, met inachtneming van het doeltreffendheids- en het gelijkwaardigheidsbeginsel, uit te maken of over de terug te betalen hoofdsom „enkelvoudige rente” dan wel „samengestelde rente” of nog een ander soort rente dient te worden betaald.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/6 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 19 juli 2012 — Alliance One International, Inc., Standard Commercial Tobacco Company, Inc./Trans-Continental Leaf Tobacco Corp. Ltd, Europese Commissie en Europese Commissie/Alliance One International, Inc., Standard Commercial Tobacco Company, Inc., Trans-Continental Leaf Tobacco Corp. Ltd
(Gevoegde zaken C-628/10 P en C-14/11 P) (1)
(Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregelingen - Spaanse markt voor aankoop en eerste bewerking van ruwe tabak - Prijsvaststelling en marktverdeling - Inbreuk op artikel 81 EG - Toerekenbaarheid van inbreukmakend gedrag van dochterondernemingen aan hun moedermaatschappij - Vermoeden van onschuld - Rechten van verdediging - Motiveringsplicht - Gelijke behandeling)
2012/C 295/08
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Alliance One International, Inc., Standard Commercial Tobacco Company, Inc. (vertegenwoordigers: M. Odriozola Alén en A. João Vide, abogados)
Andere partijen in de procedure: Trans-Continental Leaf Tobacco Corp. Ltd, Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Castillo de la Torre, E. Gippini Fournier en R. Sauer, gemachtigden)
en
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Castillo de la Torre, E. Gippini Fournier en R. Sauer, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Alliance One International, Inc., Standard Commercial Tobacco Company, Inc., Trans-Continental Leaf Tobacco Corp. Ltd (vertegenwoordigers: M. Odriozola Alén en A. João Vide, abogados)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 27 oktober 2010, Alliance One International e.a./Commissie (T-24/05), waarbij het Gerecht het beroep van Alliance One International, Inc. en Standard Commercial Tobacco Co. Inc. heeft verworpen tot nietigverklaring van beschikking C(2004) 4030 van de Commissie van 20 oktober 2004 in een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag (zaak COMP/C.38.238/B.2 — Sector van de ruwe tabak in Spanje), die betrekking heeft op een mededingingsregeling betreffende de vaststelling van de aan de producenten betaalde prijzen en de van hen gekochte hoeveelheden op de Spaanse markt voor ruwe tabak
Dictum
|
1) |
De hogere voorzieningen worden afgewezen. |
|
2) |
Alliance One International Inc. en Standard Commercial Tobacco Co. Inc. dragen in verband met de hogere voorziening in zaak C-628/10 P hun eigen kosten alsook die van de Europese Commissie. |
|
3) |
De Europese Commissie draagt in verband met de hogere voorziening in zaak C-14/11 P haar eigen kosten alsook die van Alliance One International Inc., Standard Commercial Tobacco Co. Inc. en Trans-Continental Leaf Tobacco Corp. Ltd. |
(1) PB C 72 van 5.3.2011 en PB C 80 van 12.3.2011.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/6 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — Marianne Scheunemann/Finanzamt Bremerhaven
(Zaak C-31/11) (1)
(Vrijheid van vestiging - Vrij verkeer van kapitaal - Directe belastingen - Successiebelasting - Wijze van berekening van belasting - Verkrijging door erfopvolging van deelneming, als enig vennoot, in kapitaalvennootschap gevestigd in derde staat - Nationale wetgeving die belastingvoordelen voor deelneming in dergelijke vennootschappen uitsluit)
2012/C 295/09
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Marianne Scheunemann
Verwerende partij: Finanzamt Bremerhaven
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van de artikelen 56 en 58 EG — Verkrijging door vererving een tot het privé-vermogen van de overledene behorende deelneming als enig vennoot in een in een derde staat gevestigde kapitaalvennootschap — Successiebelasting — Nationale wetgeving die belastingvoordelen voorziet voor vennootschappen die in het binnenland zijn gevestigd of daar worden bestuurd
Dictum
Wettelijke bepalingen van een lidstaat zoals die aan de orde in het hoofdgeding, die voor de berekening van de successierechten de toepassing van bepaalde belastingvoordelen op een nalatenschap in de vorm van een deelneming in een kapitaalvennootschap die in een derde staat is gevestigd uitsluit, terwijl die voordelen wel worden toegekend op de nalatenschap van een dergelijke deelneming wanneer de vennootschap in een lidstaat gevestigd is, raken overwegend de uitoefening van de vrijheid van vestiging in de zin van de artikelen 49 VWEU en volgende, aangezien de houder van de deelneming daardoor een duidelijke invloed op de besluitvorming van de onderneming kan uitoefenen en de activiteiten ervan kan bepalen. Die artikelen vinden geen toepassing in een situatie betreffende de deelneming in een vennootschap die in een derde staat gevestigd is.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/7 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus — Finland) — Procedure ingeleid door A Oy
(Zaak C-33/11) (1)
(Zesde richtlijn - Vrijstellingen - Artikel 15, punt 6 - Vrijstelling voor levering van luchtvaartuigen die worden gebruikt door luchtvaartmaatschappijen welke zich hoofdzakelijk toeleggen op betaald internationaal vervoer - Levering van luchtvaartuigen aan ondernemer die ze aan dergelijke maatschappij ter beschikking stelt - Begrip „betaald internationaal vervoer” - Chartervluchten)
2012/C 295/10
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Korkein hallinto-oikeus
Partijen in het hoofdgeding
A Oy
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Korkein hallinto-oikeus — Uitlegging van artikel 15, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Vrijstelling van bepaalde handelingen betreffende luchtvaartuigen die worden gebruikt door luchtvaartmaatschappijen welke zich hoofdzakelijk toeleggen op betaald internationaal vervoer — Al dan niet uitbreiding tot handelingen van maatschappijen die hoofdzakelijk internationale chartervluchten ten behoeve van ondernemingen en particulieren verrichten — Levering van luchtvaartuigen aan een ondernemer die zelf geen betaald internationaal luchtvervoer verricht, maar het luchtvaartuig ter beschikking stelt aan een ondernemer die in deze sector actief is
Dictum
|
1) |
Het begrip „betaald internationaal vervoer” in de zin van artikel 15, punt 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/111/EEG van de Raad van 14 december 1992, moet aldus worden uitgelegd dat het ook internationale chartervluchten ter voldoening aan de vraag van ondernemingen en particulieren omvat. |
|
2) |
Artikel 15, punt 6, van richtlijn 77/388, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/111, moet aldus worden uitgelegd dat de daarin neergelegde vrijstelling ook geldt voor de levering van een luchtvaartuig aan een ondernemer die zelf niet behoort tot de „luchtvaartmaatschappijen welke zich hoofdzakelijk toeleggen op het betaalde internationale vervoer” in de zin van dit artikel, maar die dit luchtvaartuig koopt om het uitsluitend door een dergelijke maatschappij te laten gebruiken. |
|
3) |
De door de verwijzende rechter vermelde omstandigheden, namelijk het feit dat de koper van het luchtvaartuig de kosten van het gebruik ervan in rekening brengt aan een particulier die zijn aandeelhouder is en die dit luchtvaartuig hoofdzakelijk gebruikt voor zijn eigen zakelijke en/of particuliere doeleinden, waarbij de luchtvaartmaatschappij het ook kan inzetten voor andere vluchten, zijn niet van invloed op het antwoord op de tweede vraag. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/7 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — Finanzamt Frankfurt am Main V-Höchst/Deutsche Bank AG
(Zaak C-44/11) (1)
(Richtlijn 2006/112/EG - Artikel 56, lid 1, sub e - Artikel 135, lid 1, sub f en g - Vrijstelling van vermogensbeheer van waardepapieren (portefeuillebeheer))
2012/C 295/11
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Finanzamt Frankfurt am Main V-Höchst
Verwerende partij: Deutsche Bank AG
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van artikel 56, lid 1, sub e, en van artikel 135, lid 1, sub f, en sub g, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Vrijstelling van belasting voor ten behoeve van particuliere cliënten verrichte handelingen betreffende het vermogensbeheer van waardepapieren
Dictum
|
1) |
Vermogensbeheer van waardepapieren, zoals dit in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij een belastingplichtige tegen vergoeding naar eigen inzicht over de koop en de verkoop van waardepapieren beslist en deze beslissing door de koop en de verkoop van waardepapieren uitvoert, bestaat uit twee elementen die zo nauw verbonden zijn dat zij, objectief gezien, één enkele economische prestatie vormen. |
|
2) |
Artikel 135, lid 1, sub f of g, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moet aldus worden uitgelegd dat vermogensbeheer van waardepapieren, zoals dit in het hoofdgeding aan de orde is, niet krachtens deze bepaling van belasting over de toegevoegde waarde is vrijgesteld. |
|
3) |
Artikel 56, lid 1, sub e, van richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat het niet enkel van toepassing is op de in artikel 135, lid 1, sub a tot en met g, van deze richtlijn genoemde handelingen, maar ook op vermogensbeheer van waardepapieren. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/8 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus — Finland) — Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö/A Oy
(Zaak C-48/11) (1)
(Directe belastingen - Vrijheid van vestiging - Vrij verkeer van kapitaal - EER-Overeenkomst - Artikelen 31 en 40 - Richtlijn 2009/133/EG - Werkingssfeer - Aandelenruil tussen in lidstaat gevestigde vennootschap en vennootschap gevestigd in derde staat die partij is bij EER-Overeenkomst - Weigering van belastingvoordeel - Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken)
2012/C 295/12
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Korkein hallinto-oikeus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Veronsaajien oikeudenvalvontayksikkö
Verwerende partij: A Oy
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Korkein hallinto-oikeus — Verzoek om een prejudiciële beslissing — Korkein hallinto-oikeus — Artikelen 31 en 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB L 1, blz. 3) — Uitlegging van richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (PB L 310, blz. 34) — Toepassingsgebied van deze richtlijn — Aandelenruil tussen een in een lidstaat van de Europese Unie gevestigde vennootschap en een vennootschap gevestigd in een tot de EER behorende derde staat (Noorwegen) — Al dan niet fiscale gelijkstelling van deze transacties aan een aandelenruil tussen nationale vennootschappen of tussen in de lidstaten gevestigde vennootschappen
Dictum
Artikel 31 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 verzet zich tegen een wettelijke regeling van een lidstaat die een aandelenruil tussen een op het grondgebied van deze lidstaat gevestigde vennootschap en een vennootschap die is gevestigd op het grondgebied van een derde land dat partij is bij deze Overeenkomst, gelijkstelt met een belastbare overdracht van aandelen, terwijl een dergelijke transactie fiscaal neutraal zou zijn indien hierbij uitsluitend nationale vennootschappen of in andere lidstaten gevestigde vennootschappen waren betrokken, voor zover er tussen deze lidstaat en dit derde land een verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken bestaat dat voorziet in een even doeltreffende uitwisseling van informatie tussen nationale autoriteiten als die waarin is voorzien in richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen en richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van richtlijn 77/799, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/8 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hessische Landessozialgericht, Darmstadt — Duitsland) — Land Hessen/Florence Feyerbacher
(Zaak C-62/11) (1)
(Protocol betreffende statuten van Europees Stelsel van centrale banken en van ECB - Artikel 36 - Protocol betreffende voorrechten en immuniteiten van Europese Gemeenschappen - Artikelen 13, 15 en 23 - Zetelovereenkomst van ECB - Artikel 15 - Toepasbaarheid op personeelsleden van ECB van bepalingen van Duits sociaal recht die voorzien in ouderschapstoelage)
2012/C 295/13
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Hessisches Landessozialgericht, Darmstadt
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Land Hessen
Verwerende partij: Florence Feyerbacher
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hessisches Landessozialgericht, Darmstadt — Uitlegging van artikel 15 van de Overeenkomst van 18 september 1998 tussen de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Europese Centrale Bank inzake de zetel van de ECB in samenhang met artikel 36 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken — Recht van werknemer van de Europese Centrale Bank met Duitse nationaliteit op door het Duitse recht voorziene gezinsbijslagen — Kwalificatie van de overeenkomst betreffende de zetel van Europese Centrale Bank als onderdeel van het Unierecht of als een volkenrechtelijke overeenkomst — Toepasselijkheid van de Duitse socialezekerheidsbepalingen die gezinsbijslagen toekennen op werknemers van de Europese Centrale Bank
Dictum
Artikel 15 van de overeenkomst van 18 september 1998 tussen de Duitse regering en de Europese Centrale Bank inzake de zetel van deze instelling, gelezen in samenhang met artikel 36 van het protocol betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, in de aan het EG-Verdrag gehechte versie, sluit niet uit dat de Bondsrepubliek Duitsland een toelage kan toekennen als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/9 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Köln — Duitsland) — ebookers.com Deutschland GmbH/Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände — Verbraucherzentrale Bundesverband eV
(Zaak C-112/11) (1)
(Vervoer - Luchtvervoer - Gemeenschappelijke regels voor exploitatie van luchtdiensten in Unie - Verordening (EG) nr. 1008/2008 - Verplichting van verkoper van vliegreis om ervoor te zorgen dat facultatieve prijstoeslagen door klant op „opt-in”-basis worden aanvaard - Begrip „facultatieve prijstoeslagen” - Prijs van door onafhankelijke verzekeringsmaatschappij aangeboden annuleringsverzekering voor vlucht die deel uitmaakt van totale prijs)
2012/C 295/14
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Köln
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: ebookers.com Deutschland GmbH
Verwerende partij: Bundesverband der Verbraucherzentralen und Verbraucherverbände — Verbraucherzentrale Bundesverband eV
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberlandesgericht Köln — Uitlegging van artikel 23, lid 1, van verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (herziening) (PB L 293, blz. 3) — Verplichting voor de verkoper van een vliegreis om ervoor te zorgen dat facultatieve prijstoeslagen door de klant op „opt-in”-basis worden aanvaard — Begrip „facultatieve prijstoeslagen” — Prijs van een door een onafhankelijke verzekeringsmaatschappij aangeboden annuleringsverzekering die deel uitmaakt van de totale prijs en samen met de prijs van de vlucht aan de passagier in rekening wordt gebracht
Dictum
Het begrip „facultatieve prijstoeslagen” in artikel 23, lid 1, laatste zin, van verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap moet aldus worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op kosten die in verband met de vliegreis worden gemaakt voor diensten, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vluchtannuleringsverzekering, welke door een andere partij dan de luchtvaartmaatschappij worden aangeboden en door de verkoper van die reis samen met de prijs van de vlucht in de vorm van een totale prijs aan de klant in rekening worden gebracht.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/9 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) — Verenigd Koninkrijk) — Neurim Pharmaceuticals (1991) Ltd/Comptroller-General of Patents
(Zaak C-130/11) (1)
(Geneesmiddelen voor menselijk gebruik - Aanvullend beschermingscertificaat - Verordening (EG) nr. 469/2009 - Artikel 3 - Voorwaarden voor verkrijging - Geneesmiddel waarvoor van kracht zijnde vergunning voor in handel brengen is afgegeven - Eerste vergunning - Opeenvolgende vergunningen voor in handel brengen van product als geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik en als geneesmiddel voor menselijk gebruik)
2012/C 295/15
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Neurim Pharmaceuticals (1991) Ltd
Verwerende partij: Comptroller-General of Patents
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) — Uitlegging van de artikelen 3 en 13, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1768/92 van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (PB L 182, blz. 1) — Uitlegging van artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311, blz. 67) — Voorwaarden voor de verkrijging van een aanvullend beschermingscertificaat — Datum van de eerste vergunning voor het in de handel brengen, die in aanmerking moet worden genomen voor de toekenning van een certificaat — Producten met dezelfde werkzame stof die elk een vergunning voor het in de handel brengen hebben gekregen, de eerste voor een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik voor een bepaalde indicatie en de tweede voor een geneesmiddel voor menselijk gebruik voor een andere indicatie
Dictum
|
1) |
De artikelen 3 en 4 van verordening (EG) nr. 469/2009 van verordening (EG) nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen, moeten aldus worden uitgelegd dat, in een geval zoals in het hoofdgeding aan de orde is, het enkele bestaan van een vergunning voor het in de handel brengen die eerder voor het geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik is verkregen, er niet aan in de weg staat dat een aanvullend beschermingscertificaat wordt afgegeven voor een andere toepassing van hetzelfde product waarvoor een vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven, mits deze toepassing binnen de beschermingssfeer valt van het basisoctrooi op basis waarvan de aanvraag voor een aanvullend beschermingscertificaat is ingediend. |
|
2) |
Artikel 13, lid 1, van verordening nr. 469/2009 moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling verwijst naar de vergunning voor het in de handel brengen van een product dat binnen de beschermingssfeer valt van het basisoctrooi waarop de aanvraag voor een aanvullend beschermingscertificaat is gebaseerd. |
|
3) |
De antwoorden op de vorige prejudiciële vragen luiden niet anders indien, in een situatie zoals die van het hoofdgeding, waarin twee geneesmiddelen waarvoor opeenvolgende vergunningen voor het in de handel brengen zijn verkregen, dezelfde werkzame stof bevatten, voor de tweede vergunning voor het in de handel brengen een volledige aanvraag vereist was overeenkomstig artikel 8, lid 3, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, of indien het product waarop de eerste vergunning voor het in de handel brengen van het desbetreffende geneesmiddel betrekking had, binnen de beschermingssfeer viel van een ander octrooi, dat toebehoorde aan een andere houder dan de aanvrager van het aanvullende beschermingscertificaat. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/10 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 19 juli 2012 — Europese Commissie/Franse Republiek
(Zaak C-145/11) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijn 2001/82/EG - Geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik - Gedecentraliseerde procedure voor verlening van vergunning voor in handel brengen van geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik in meerdere lidstaten - Generieke geneesmiddelen die vergelijkbaar zijn met referentiegeneesmiddelen waarvoor reeds vergunning is verleend - Weigering van validatie van aanvraag door lidstaat - Samenstelling en vorm van geneesmiddel)
2012/C 295/16
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Šimerdová, A. Marghelis en O. Beynet, gemachtigden)
Verwerende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues, S. Menez en R. Loosli-Surrans, gemachtigden)
Voorwerp
Niet-nakoming — Schending van de artikelen 32 en 33 van richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PB L 311, blz. 1) — Gedecentraliseerde procedure voor de verlening van de vergunning voor het in de handel brengen in meer dan één lidstaat — Generieke geneesmiddelen die vergelijkbaar zijn met referentiegeneesmiddelen waarvoor reeds een vergunning is verleend — Weigering van validatie door een lidstaat om wetenschappelijke redenen in verband met de samenstelling van het geneesmiddel en de keuze van de farmaceutische vorm — Beginsel van wederzijdse erkenning
Dictum
|
1) |
Door te weigeren twee aanvragen voor een vergunning voor het in de handel brengen van de geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik CT-Line 15 % Premix en CT-Line 15 % Oral Powder in het kader van de gedecentraliseerde procedure van richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, te valideren, is de Franse Republiek de krachtens de artikelen 32 en 33 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/11 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesarbeitsgericht Berlin — Duitsland) — Ahmed Mahamdia/Democratische Volksrepubliek Algerije
(Zaak C-154/11) (1)
(Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Bevoegdheid voor individuele arbeidsovereenkomsten - Met ambassade van derde staat gesloten overeenkomst - Immuniteit van staat als werkgever - Begrip „agentschap, filiaal of andere vestiging” in zin van artikel 18, lid 2 - Verenigbaarheid met artikel 21 van beding waarbij gerechten van derde staat bevoegd worden verklaard)
2012/C 295/17
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landesarbeitsgericht Berlin
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ahmed Mahamdia
Verwerende partij: Democratische Volksrepubliek Algerije
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Landesarbeitsgericht Berlin — Uitlegging van de artikelen 18, 19 en 21 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) — Vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid om kennis te nemen van een geschil betreffende de geldigheid van het ontslag van verzoeker, staatsburger van een lidstaat en van een derde staat, die in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit als chauffeur in dienst is geweest van de ambassade van de derde staat waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit, op basis van een arbeidsovereenkomst die de gerechten van deze laatste staat bevoegd verklaart
Dictum
|
1) |
Artikel 18, lid 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat een op het grondgebied van een lidstaat gevestigde ambassade van een derde staat in een geschil over een door die ambassade namens de zendstaat gesloten arbeidsovereenkomst een „vestiging” in de zin van die bepaling vormt wanneer de door de werknemer verrichte taken niet vallen onder de uitoefening van openbaar gezag. De aangezochte nationale rechter dient vast te stellen welke taken de werknemer precies heeft verricht. |
|
2) |
Artikel 21, punt 2, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat een vóór het ontstaan van een geschil overeengekomen jurisdictiebeding onder die bepaling valt voor zover het de werknemer de mogelijkheid biedt, naast de gerechten die normaal bevoegd zijn krachtens de bijzondere regels van de artikelen 18 en 19 van die verordening, andere gerechten aan te zoeken, daaronder begrepen, in voorkomend geval, buiten de Unie gelegen gerechten. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/11 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny — Polen) — Bawaria Motors Sp. z o.o./Minister Finansów
(Zaak C-160/11) (1)
(Richtlijn 2006/112/EG - Btw - Artikel 136 - Vrijstellingen - Artikelen 313 tot en met 315 - Bijzondere regeling voor belastingheffing over winstmarge - Levering van gebruikte voertuigen door belastingplichtige wederverkoper - Voertuigen belastingvrij aan belastingplichtige wederverkoper geleverd door andere belastingplichtige die zelf deel van voorbelasting heeft afgetrokken)
2012/C 295/18
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Naczelny Sąd Administracyjny
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Bawaria Motors Sp. z o.o.
Verwerende partij: Minister Finansów
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Naczelny Sąd Administracyjny — Uitlegging van de artikelen 136, 313, lid 1, 314 en 315 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Bijzondere regeling voor belastingplichtige wederverkopers — Verkoop van gebruikte voertuigen aan een eindgebruiker — Toepassing van de winstmargeregeling in het geval waarin de wederverkoper het voertuig belastingvrij heeft gekocht van een persoon die zelf recht had op gedeeltelijke aftrek van voorbelasting
Dictum
De artikelen 313, lid 1, en 314 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, in samenhang met de artikelen 136 en 315 ervan, moeten aldus worden uitgelegd dat een belastingplichtige wederverkoper niet in aanmerking komt voor toepassing van de winstmargeregeling wanneer hij als gebruikte goederen in de zin van artikel 311, lid 1, punt 1, van de richtlijn beschouwde voertuigen levert die hij zelf belastingvrij heeft verworven van een andere belastingplichtige, die de voorbelasting over de aankoopprijs van deze voertuigen gedeeltelijk heeft kunnen aftrekken.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/12 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Gdańsku — Polen) — Fortuna Sp z o.o. (C-213/11), Grand sp. z o.o. (C-214/11), Forta sp. z o.o. (C-217/11)/Dyrektor Izby Celnej w Gdyni
(Gevoegde zaken C-213/11, C-214/11 en C-217/11) (1)
(Interne markt - Richtlijn 98/34/EG - Normen en technische voorschriften - Informatieprocedure op gebied van normen en technische voorschriften - Speelautomaten met geringe prijzen - Verbod van wijziging, verlenging en verlening van exploitatievergunningen - Begrip „technisch voorschrift“)
2012/C 295/19
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Wojewódzki Sąd Administracyjny w Gdańsku
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Fortuna Sp z o.o. (C-213/11), Grand sp. z o.o. (C-214/11), Forta sp. z o.o. (C-217/11)
Verwerende partij: Dyrektor Izby Celnej w Gdyni
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Wojewódzki Sąd Administracyjny w Gdańsku — Uitlegging van artikel 1, punt 11, van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/96/EG van de Raad van 20 november (PB L 204, blz. 37) — Begrip „technisch voorschrift” — Nationale bepaling die de wijziging van een vergunning voor de exploitatie van speelautomaten met prijzen van geringe waarde, verbiedt met betrekking tot de standplaats van deze automaten
Dictum
Artikel 1, punt 11, van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/96/EG van de Raad van 20 november 2006, moet aldus worden uitgelegd dat nationale bepalingen zoals die van de ustawa o grach hazardowich (kansspelenwet) van 19 november 2009, die tot gevolg kunnen hebben dat de exploitatie van automatenspelen met prijzen van geringe waarde buiten casino’s en speelzalen wordt beperkt en zelfs geleidelijk onmogelijk wordt gemaakt, „technische voorschriften” in de zin van die bepaling kunnen zijn, waarvan de ontwerpen krachtens artikel 8, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn moeten worden meegedeeld, voor zover vaststaat dat de bedoelde bepalingen voorwaarden vormen die op significante wijze de aard of de verhandeling van het betrokken product kunnen beïnvloeden; het staat aan de verwijzende rechter dit na te gaan.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/12 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės — Litouwen) — AB Lietuvos geležinkeliai/Vilniaus teritorinė muitinė, Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos
(Zaak C-250/11) (1)
(Vrijstelling van douanerechten en btw-vrijstelling bij invoer van goederen - Brandstof in normale reservoirs van motorvoertuigen te land - Begrip „motorvoertuig te land” - Locomotieven - Weg- en spoorvervoer - Beginsel van gelijke behandeling - Neutraliteitsbeginsel)
2012/C 295/20
Procestaal: Litouws
Verwijzende rechter
Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: AB Lietuvos geležinkeliai
Verwerende partijen: Vilniaus teritorinė muitinė, Muitinės departamentas prie Lietuvos Respublikos finansų ministerijos
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Mokestinių ginčų komisija prie Lietuvos Respublikos Vyriausybės — Uitlegging van artikel 112 van verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PB L 105, blz. 1) en van artikel 107, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PB L 324, blz. 23) — Uitlegging van artikel 82, lid 1, van richtlijn 83/181/EEG van de Raad van 28 maart 1983 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, sub d, van richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen (PB L 105, blz. 38) en van artikel 84, lid 1, sub a, van richtlijn 2009/132/EG van de Raad van 19 oktober 2009 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 143, sub b, en c, van richtlijn 2006/112/EG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen (PB L 292, blz. 5) — Invoer, met vrijstelling van douanerechten en met btw-vrijstelling, van brandstof in de normale reservoirs van motorvoertuigen te land — Onderneming die op het grondgebied van een derde staat de normale brandstofreservoirs van haar locomotieven met diesel heeft laten vullen — Begrip motorvoertuigen te land
Dictum
Artikel 112, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1315/88 van de Raad van 3 mei 1988, artikel 107, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen, artikel 82, lid 1, sub a, van richtlijn 83/181/EEG van de Raad van 28 maart 1983 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, sub d, van richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen, zoals gewijzigd bij richtlijn 88/331/EEG van de Raad van 13 juni 1988, en artikel 84, lid 1, sub a, van richtlijn 2009/132/EG van de Raad van 19 oktober 2009 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 143, onder b) en c), van richtlijn 2006/112/EG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet van toepassing zijn op locomotieven.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/13 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākās Tiesas Senāts — Letland) — Ainārs Rēdlihs/Valsts ieņēmumu dienests
(Zaak C-263/11) (1)
(Zesde btw-richtlijn - Richtlijn 2006/112/EG - Begrip „economische activiteit” - Houtleveringen ter compensatie van stormschade - Verleggingsregeling - Geen inschrijving van belastingplichtigen in register - Geldboete - Evenredigheidsbeginsel)
2012/C 295/21
Procestaal: Lets
Verwijzende rechter
Augstākās Tiesas Senāts
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ainārs Rēdlihs
Verwerende partij: Valsts ieņēmumu dienests
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Augstākās tiesas Senāts — Uitlegging van artikel 4 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), en van artikel 9 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Begrippen belastingplichtige en economische activiteit — Leveringen van hout die met het oog op het herstellen van stormschade worden verricht door een natuurlijke persoon die eigenaar is van bossen bestemd om in eigen behoeften te voorzien — Overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel van een nationale maatregel waarbij aan een persoon een geldboete wordt opgelegd ter hoogte van het bedrag van de belasting die normaliter op basis van de waarde van de geleverde goederen verschuldigd is, op grond dat hij zich niet in het btw-register heeft laten inschrijven, terwijl de betrokkene de belasting, zo hij zich in dat register had laten inschrijven, niet had hoeven te betalen
Dictum
|
1) |
Artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138/EG van de Raad van 19 december 2006, moet aldus worden uitgelegd dat houtleveringen door een natuurlijke persoon om de gevolgen van overmacht te compenseren, exploitatie van een lichamelijke zaak opleveren die als „economische activiteit” in de zin van deze bepaling moet worden gekwalificeerd, wanneer deze leveringen erop gericht zijn er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Het staat aan de nationale rechter om alle omstandigheden van het geval te beoordelen teneinde vast te stellen of een lichamelijke zaak, zoals een bos, wordt geëxploiteerd om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. |
|
2) |
Het recht van de Unie moet aldus worden uitgelegd dat het niet is uitgesloten dat een regel van nationaal recht op grond waarvan een boete ter hoogte van het normale btw-tarief voor de geleverde goederen kan worden opgelegd aan een particulier die zijn verplichting zich in te schrijven in het register van btw-plichtigen niet is nagekomen en die geen btw verschuldigd was, in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het is aan de nationale rechter na te gaan of het bedrag van de sanctie, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concreet opgelegde bedrag en eventuele fraude of ontwijking van de toepasselijke wetgeving die kan worden toegerekend aan de belastingbetaler die is beboet wegens het verzuim zich in te schrijven, niet hoger is dan noodzakelijk is ter bereiking van de doelstellingen, de juiste heffing van de belasting te waarborgen en fraude te voorkomen. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/14 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 19 juli 2012 — Kaimer GmbH & Co. Holding KG, Sanha Kaimer GmbH & Co. KG, Sanha Italia Srl/Europese Commissie
(Zaak C-264/11 P) (1)
(Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregeling - Sanctie - Sector van koperen fittingen en fittingen uit koperlegering - Bewijswaarde van in het kader van het clementiebeleid afgelegde verklaringen)
2012/C 295/22
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwiranten: Kaimer GmbH & Co. Holding KG, Sanha Kaimer GmbH & Co. KG, Sanha Italia Srl (vertegenwoordiger: J. Brück, Rechtsanwalt)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: V. Bottka en R. Sauer, gemachtigden)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 24 maart 2011 — Kaimer e.a./Commissie (T-379/06), waarbij het Gerecht gedeeltelijk heeft verworpen het beroep van rekwiranten strekkende tot nietigverklaring van beschikking C(2006) 4180 def. van de Commissie van 20 september 2006 betreffende een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst inzake een mededingingsregeling in de sector van koperen fittingen en fittingen uit koperlegering of, subsidiair, tot verlaging van aan rekwiranten opgelegde geldboete — Onjuiste opvatting van het bewijsmateriaal — Onjuiste beoordeling van de bewijswaarde van in het kader van het clementiebeleid afgelegde verklaringen — Schending van de artikelen 6 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Kaimer GmbH & Co. Holding KG, Sanha Kaimer GmbH & Co. KG en Sanha Italia Srl worden verwezen in de kosten. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/14 |
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d'appel de Lyon — Frankrijk) — Receveur principal des douanes de Roissy Sud, Receveur principal de la recette des douanes de Lyon Aéroport, Direction régionale des douanes et droits indirects de Lyon, Administration des douanes et droits indirects/Société Rohm & Haas Electronic Materials CMP Europe GmbH, Rohm & Haas Europe s.à.r.l., Société Rohm & Haas Europe Trading APS-UK Branch
(Zaak C-336/11) (1)
(Gemeenschappelijk douanetarief - Tariefindeling - Gecombineerde nomenclatuur - Polijstlappen uitsluitend bestemd voor machines voor polijsten van schijven van halfgeleidermateriaal - Tariefposten 3919 en 8466 (of 8486) - Begrippen „delen” of „toebehoren”)
2012/C 295/23
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour d'appel de Lyon
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Receveur principal des douanes de Roissy Sud, Receveur principal de la recette des douanes de Lyon Aéroport, Direction régionale des douanes et droits indirects de Lyon, Administration des douanes et droits indirects
Verwerende partijen: Société Rohm & Haas Electronic Materials CMP Europe GmbH, Rohm & Haas Europe s.à.r.l., Société Rohm & Haas Europe Trading APS-UK Branch
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Cour d’appel de Lyon — Uitlegging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1549/2006 van de Commissie van 17 oktober 2006 (PB L 301, blz. 1) en verordening (EG) nr. 1214/2007 van de Commissie van 20 september 2007 (PB L 286, blz. 1) — Polijstschijven die uitsluitend zijn bestemd voor een machine waarmee schijven van halfgeleidermateriaal worden gepolijst — Tariefposten 3919 en 8466 — Begrippen „delen” en „verwisselbaar gereedschap” — Vrijstelling — Terugbetaling van douanerechten
Dictum
De gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, in de versies die achtereenvolgens voortvloeien uit de verordeningen tot wijziging van bijlage I bij verordening nr. 2658/87, te weten verordening (EG) nr. 1789/2003 van de Commissie van 11 september 2003, verordening (EG) nr. 1810/2004 van de Commissie van 7 september 2004, verordening (EG) nr. 1719/2005 van de Commissie van 27 oktober 2005 en verordening (EG) nr. 1549/2006 van de Commissie van 17 oktober 2006, moet aldus worden uitgelegd dat polijstlappen bestemd voor polijstmachines voor het bewerken van halfgeleidermateriaal — die als zodanig vallen onder tariefpost 8464 (of 8486 vanaf 1 januari 2007) — die los van die machines zijn ingevoerd, die de vorm hebben van schijven die in het midden zijn geperforeerd, die bestaan uit een harde laag van polyurethaan, een laag van polyurethaanschuim, een kleeflaag en een beschermfolie van kunststof, die geen enkel metalen deel, noch een polijststof bevatten, die worden gebruikt om met een polijstvloeistof „wafers” te polijsten en die moeten worden vervangen naargelang hun slijtsnelheid, onder postonderverdeling 3919 90 10 vallen als platte producten, anders versneden dan vierkant of rechthoekig, zelfklevend en van kunststof.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/15 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Brussel — België) — Pie Optiek/Bureau Gevers, European Registry for Internet Domains
(Zaak C-376/11) (1)
(Internet - .eu-topniveaudomein - Verordening (EG) nr. 874/2004 - Domeinnamen - Stapsgewijze registratie - Artikel 12, lid 2 - Begrip „licentiehouders van oudere rechten” - Persoon die door merkhouder is gemachtigd tot registratie, in eigen naam maar voor rekening van deze houder, van domeinnaam die gelijk is aan of overeenstemt met merk - Geen instemming met ander gebruik van teken als merk)
2012/C 295/24
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Hof van Beroep te Brussel
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Pie Optiek
Verwerende partijen: Bureau Gevers, European Registry for Internet Domains
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hof van Beroep te Brussel — Uitlegging van de artikelen 12, lid 2, en 21, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 874/2004 van de Commissie van 28 april 2004 tot vaststelling van regels met betrekking tot het overheidsbeleid voor de toepassing en werking van het „.eu”-topniveaudomein en de beginselen inzake registratie (PB L 162, blz. 40) — Uitlegging van artikel 4, lid 2, sub b, van verordening (EG) nr. 733/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 22 april 2002 betreffende de invoering van het „.eu”-topniveaudomein (PB L 113, blz. 1) — Speculatieve en onrechtmatige registraties — Begrip „licentiehouders van oudere rechten” — Persoon die door de houder van een merk is gemachtigd tot registratie, in eigen naam maar voor rekening van de licentiegever, van een domeinnaam die gelijk is aan of overeenstemt met dit merk, zonder ander gebruik van het teken als merk — Zonder „recht of gewettigd belang” geregistreerde naam
Dictum
Artikel 12, lid 2, derde alinea, van verordening (EG) nr. 874/2004 van de Commissie van 28 april 2004 tot vaststelling van regels met betrekking tot het overheidsbeleid voor de toepassing en werking van het.eu-topniveaudomein en de beginselen inzake registratie, moet aldus worden uitgelegd dat in een situatie waarin het betrokken oudere recht een merkrecht is, de woorden „licentiehouders van oudere rechten” niet doelen op een persoon die door de houder van het betrokken merk uitsluitend is gemachtigd om, in eigen naam maar voor rekening van deze houder, een domeinnaam te registreren die gelijk is aan of overeenstemt met bedoeld merk, zonder evenwel gemachtigd te zijn dat merk commercieel te gebruiken in overeenstemming met de eigen functies ervan.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/15 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de Cataluña — Spanje) — International Bingo Technology, S.A./Tribunal Económico Administrativo Regional de Cataluña (TEARC)
(Zaak C-377/11) (1)
(Zesde btw-richtlijn - Artikel 11, A, lid 1, sub a, artikel 17, lid 5, en artikel 19, lid 1 - Organisatie van bingospelen - Wettelijke verplichting tot uitkering van gedeelte van verkoopprijs van kaarten als prijzengeld voor spelers - Berekening van maatstaf van heffing)
2012/C 295/25
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Tribunal Superior de Justicia de Cataluña
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: International Bingo Technology, S.A.
Verwerende partij: Tribunal Económico Administrativo Regional de Cataluña (TEARC)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunal Superior de Justicia de Cataluña — Uitlegging van de artikelen 11, A, lid 1, sub a, 17, lid 5, en 19, lid 1, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Maatstaf van heffing — Organisatie van bingospelen — Verkoop van bingokaarten aan de spelers — Gebruik van een deel van de geïnde bedragen voor de uitkering van het prijzengeld aan de winnaars
Dictum
|
1) |
Artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/80/EG van de Raad van 12 oktober 1998, moet aldus worden uitgelegd dat in het geval van de verkoop van bingokaarten als in het hoofdgeding het vooraf bij wet vastgestelde gedeelte van de prijs van deze kaarten dat is bestemd voor de uitkering van het prijzengeld aan de spelers, niet is begrepen in de maatstaf van heffing voor de belasting over de toegevoegde waarde. |
|
2) |
Artikel 17, lid 5, en artikel 19, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/80, moeten aldus worden uitgelegd dat de lidstaten niet mogen bepalen dat voor de pro rata-berekening van de aftrek van de belasting over toegevoegde waarde het vooraf bij wet vastgestelde gedeelte van de verkoopprijs van de bingokaarten dat aan de spelers als prijzengeld moet worden uitgekeerd, deel uitmaakt van de omzet die moet worden opgenomen in de noemer van de in artikel 19, lid 1, bedoelde breuk. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/16 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Giessen — Duitsland) — Natthaya Dülger/Wetteraukreis
(Zaak C-451/11) (1)
(Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Besluit nr. 1/80 van Associatieraad - Artikel 7, eerste alinea - Verblijfsrecht van gezinsleden van Turkse werknemer die tot legale arbeidsmarkt van lidstaat behoort - Thaise staatsburger die met Turkse werknemer gehuwd is geweest en gedurende meer dan drie jaar met deze laatste heeft samengewoond)
2012/C 295/26
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgericht Giessen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Natthaya Dülger
Verwerende partij: Wetteraukreis
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Verwaltungsgericht Gießen — Uitlegging van art. 7, eerste alinea, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije — Verblijfsrecht van gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer — Thaise staatsburger die meer dan drie jaar en tot haar echtscheiding met haar Turkse echtgenoot heeft samengewoond
Dictum
Artikel 7, eerste alinea, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie, vastgesteld door de Associatieraad die is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, welke op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963, moet aldus worden uitgelegd dat een gezinslid van een Turkse werknemer dat staatsburger van een ander derde land dan Turkije is, zich in de gastlidstaat op de uit die bepaling voortvloeiende rechten kan beroepen wanneer alle andere in die bepaling gestelde voorwaarden zijn vervuld.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/16 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākās tiesas Senāts — Letland) — SIA Garkalns/Rīgas Dome
(Zaak C-470/11) (1)
(Artikel 49 EG - Beperkingen van vrijheid van dienstverrichting - Gelijke behandeling - Transparantieverplichting - Kansspelen - Casino’s, speelautomatenhallen en bingohallen - Verplichte voorafgaande toestemming van gemeente van vestigingsplaats - Beoordelingsbevoegdheid - Aanzienlijke aantasting van belangen van Staat en inwoners van betrokken administratief gebied - Rechtvaardigingsgronden - Evenredigheid)
2012/C 295/27
Procestaal: Lets
Verwijzende rechter
Augstākās tiesas Senāts
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: SIA Garkalns
Verwerende partij: Rīgas Dome
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Augstākās tiesas Senāts — Uitlegging van artikel 56 VWEU (artikel 49 EG) — Nationale wettelijke regeling die ter beperking van kansspelen voorziet in een vergunningsysteem voor het openen van casino’s, speelautomatenhallen en bingohallen — Weigering om een vergunning voor een speelautomatenhal te verlenen op grond dat het organiseren van kansspelen op de voorgenomen locatie het belang van de inwoners van de gemeente aanzienlijk zou schaden
Dictum
Artikel 49 EG moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die de lokale autoriteiten een ruime beoordelingsbevoegdheid toekent door hun de mogelijkheid te geven de vergunning voor de opening van een casino, speelautomatenhal of bingohal te weigeren op grond van een „aanzienlijke aantasting van de belangen van de Staat en de inwoners van het betrokken administratieve gebied”, voor zover die regeling er daadwerkelijk toe strekt de gelegenheden tot spelen te verminderen en de activiteiten op dit gebied op samenhangende en stelselmatige wijze te beperken of de openbare orde te handhaven en voor zover de bevoegde autoriteiten hun beoordelingsbevoegdheid op transparante wijze uitoefenen, waardoor een controle van de onpartijdigheid van de vergunningprocedures mogelijk is; het staat aan de verwijzende rechter dit na te gaan.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/17 |
Beroep ingesteld op 25 juni 2012 — Europese Commissie/Republiek Bulgarije
(Zaak C-307/12)
2012/C 295/28
Procestaal: Bulgaars
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Hetsch, D. Düsterhaus, С. Petrova)
Verwerende partij: Republiek Bulgarije
Conclusies
|
— |
vaststellen dat de Republiek Bulgarije, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om het nationale recht in overeenstemming te brengen met richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (1), of althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 40 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
de Republiek Bulgarije overeenkomstig artikel 260, lid 3, VWEU wegens niet-nakoming van de verplichting om de maatregelen mee te delen die zijn vastgesteld om het nationale recht in overeenstemming te brengen met richtlijn 2008/98/EG, een dwangsom opleggen van 15 200,80 EUR per dag, vanaf de dag van bekendmaking van de beslissing in de onderhavige procedure; |
|
— |
de Republiek Bulgarije verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De uiterste termijn voor het nemen van maatregelen tot omzetting van de richtlijn is verstreken op 12 december 2010.
(1) PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/17 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Corte dei Conti — Sezione Giurisdizionale per la Regione Siciliana (Italië) op 28 juni 2012 — Giuseppa Romeo/Regione Siciliana
(Zaak C-313/12)
2012/C 295/29
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte dei Conti — Sezione Giurisdizionale per la Regione Siciliana
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Giuseppa Romeo
Verwerende partij: Regione Siciliana
Prejudiciële vragen
|
1) |
Mag een nationale rechterlijke instantie op grond van een nationale regeling die voor zuiver interne situaties naar het Europese recht verwijst, bij de uitlegging en de toepassing van de voorschriften en beginselen van het Europese recht afwijken van of ingaan tegen de uitlegging die er in de rechtspraak van het Hof van Justitie aan is gegeven? |
|
2) |
Is met het recht van de Unie verenigbaar dat artikel 3 van wet nr. 241/1990 en artikel 3 van regionale wet van Sicilië nr. 10/1991, juncto artikel 1 van wet nr. 241/90, dat het Italiaanse bestuur ertoe verplicht de beginselen van de rechtsorde van de Europese Unie toe te passen, gelezen in samenhang met de plicht tot motivering van overheidshandelingen die is neergelegd in artikel 296, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en in artikel 41, lid 2, sub c, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd en toegepast dat gelijkwaardige handelingen op pensioengebied, die betrekking hebben op subjectieve rechten maar niettemin bindende kracht hebben, aan de motiveringsplicht kunnen ontkomen en is dan sprake van een schending van een wezenlijk vormvoorschrift door de bestuurlijke maatregel? |
|
3) |
Is artikel 21 octies, lid 2, eerste alinea, van wet nr. 241/1990, zoals uitgelegd door de bestuursrechter met betrekking tot de motiveringsplicht die is neergelegd in artikel 3 van diezelfde wet nr. 241/1990 en in artikel 3 van regionale wet van Sicilië nr. 10/1991, gelezen in samenhang met de plicht tot motivering van overheidshandelingen als voorzien in artikel 296, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 41, lid 2, sub c, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, verenigbaar met artikel 1 van wet nr. 241/1990, voor zover dit voorziet in de verplichting van het bestuur om de beginselen van de rechtsorde van de Europese Unie toe te passen, en is bijgevolg daarmee verenigbaar en toelaatbaar deze aldus uit te leggen en toe te passen dat het bestuur de mogelijkheid heeft om de motivering van de maatregel in de loop van de procedure in rechte aan te vullen? |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/18 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Frankfurt am Main (Duitsland) op 29 juni 2012 — J. Sebastian Guevara Kamm/TAM Airlines S.A./TAM Linhas Aereas S.A.
(Zaak C-316/12)
2012/C 295/30
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landgericht Frankfurt am Main
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: J. Sebastian Guevara Kamm
Verwerende partij: TAM Airlines S.A./TAM Linhas Aereas S.A.
Prejudiciële vraag
Moet artikel 2, sub j, van verordening (EG) nr. 261/2004 (1), wat de daarin bedoelde „redelijke gronden” betreft, aldus worden uitgelegd dat „redelijke gronden” alleen gronden kunnen zijn die betrekking hebben op de persoon van de passagier en de veiligheid van het luchtverkeer of van andere passagiers in gevaar brengen of andere openbare of contractuele belangen aantasten, dan wel aldus dat „redelijke gronden” ook gronden kunnen zijn die geen betrekking hebben op de persoon van de passagier, meer bepaald gevallen van overmacht?
(1) Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46, blz. 1).
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/18 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel București (Roemenië) op 5 juli 2012 — E.On Energy Trading SE/Agenția Națională de Administrare Fiscală, Direcția Generală a Finanțelor Publice a Municipiului București — Serviciul de administrare a contribuabililor nerezidenți
(Zaak C-323/12)
2012/C 295/31
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curtea de Apel București
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: E.On Energy Trading SE
Verwerende partijen: Agenția Națională de Administrare Fiscală, Direcția Generală a Finanțelor Publice a Municipiului București — Serviciul de administrare a contribuabililor nerezidenți
Prejudiciële vragen
|
1) |
Kan een belastingplichtige van wie de hoofdzetel in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Roemenië is gevestigd en die in Roemenië voor btw-doeleinden een fiscaal vertegenwoordiger heeft aangewezen krachtens de nationale bepalingen die in Roemenië golden voordat deze staat tot de Europese Unie is toegetreden en welke bepalingen na deze toetreding zijn gehandhaafd, worden aangemerkt als een „niet in het binnenland gevestigde belastingplichtige” in de zin van artikel 1 van de Achtste richtlijn (79/1072/EEG) (1) van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen? |
|
2) |
Is het voorschrift dat de betrokken rechtspersoon niet voor btw-doeleinden mag zijn geregistreerd, zoals dit vereiste is neergelegd in artikel 147 ter, lid 1, sub a, van wetdecreet nr. 571/2003 houdende de Codice tributario, waarmee de bepalingen van de richtlijn zijn omgezet, een bijkomende voorwaarde bovenop de vereisten waarin de artikelen 3 en 4 [van de Achtste richtlijn] uitdrukkelijk voorzien, en zo ja, is een dergelijke bijkomende voorwaarde toegestaan, gelet op artikel 6 van de richtlijn? |
|
3) |
Hebben de artikelen 3 en 4 [van de Achtste richtlijn] rechtstreekse werking, met andere woorden, kan bedoelde rechtspersoon die niet in Roemenië is gevestigd in de zin van artikel 1, zich beroepen op het feit dat voldaan is aan de uitdrukkelijk bij deze bepalingen gestelde voorwaarden, zodat hij aanspraak kan maken op het recht op teruggaaf van de btw, ongeacht de wijze waarop deze bepalingen in het nationale recht zijn omgezet? |
(1) PB L 331, blz. 1, Bijzondere uitgave in het Roemeens: Hoofdstuk 9, Deel 1, blz. 34.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/19 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato (Italië) op 10 juli 2012 — Ministero dello Sviluppo Economico en Autorità per la Vigilanza sui Contratti Pubblici di lavori, servizi e forniture/Soa Nazionale Costruttori
(Zaak C-327/12)
2012/C 295/32
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Consiglio di Stato
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Ministero dello Sviluppo Economico en Autorità per la Vigilanza sui Contratti Pubblici di lavori, servizi e forniture
Verwerende partij: Soa Nazionale Costruttori — Organismo di Attestazione Spa
Prejudiciële vraag
Verzetten de beginselen van het communautaire mededingingsrecht en de artikelen 101, 102 en 106 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zich tegen de toepassing van de vergoedingen die in decreto presidenziale nr. 34 van 25 januari 2000 en decreto presidenziale nr. 207 van 5 oktober 2010 zijn vastgesteld voor de attestatie-activiteit die wordt verricht door società organismi di attestazione (Soa’s) [ondernemingen die kwalificatie-attesten voor de uitvoering van overheidsopdrachten afgeven]?
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/19 |
Hogere voorziening ingesteld op 16 juli 2012 door Pi-Design AG, Bodum France en Bodum Logistics A/S tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 8 mei 2012 in zaak T-331/10, Yoshida Metal Industry Co. Ltd/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-337/12 P)
2012/C 295/33
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Pi-Design AG, Bodum France, en Bodum Logistics A/S (vertegenwoordiger: H. Pernez, Advocate)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) en Yoshida Metal Industry Co. Ltd
Conclusies
Rekwirantes verzoeken het Hof:
|
— |
het arrest van het Gerecht te vernietigen; |
|
— |
gemeenschapsmerknr. 1 371 244 nietig te verklaren; |
Subsidiair
|
— |
de zaak terug te wijzen naar het Gerecht met de verplichting ze naar de kamer van beroep terug te wijzen in geval van vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep; |
|
— |
YOSHIDA METAL INDUSTRY CO. LTD. te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirantes voeren aan dat het bestreden arrest moet worden vernietigd op grond dat het Gerecht artikel 7, lid 1, sub e-ii, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk heeft geschonden door onjuiste criteria toe te passen bij de vaststelling van de wezenlijke kenmerken van het bestreden teken en de voorgelegde bewijzen onjuist op te vatten.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/19 |
Hogere voorziening ingesteld op 16 juli 2012 door het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 8 mei 2012 in zaak T-331/10, Yoshida Metal Industry Co. Ltd/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-338/12 P)
2012/C 295/34
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)
Andere partijen in de procedure: Yoshida Metal Industry Co. Ltd en Pi-Design AG, Bodum France, Bodum Logistics A/S
Conclusies
Rekwirant verzoekt het Hof:
|
— |
de hogere voorziening geheel toe te wijzen; |
|
— |
het bestreden arrest te vernietigen; |
|
— |
Yoshida Metal Industry Co. Ltd te verwijzen in de kosten die het Bureau heeft gemaakt. |
Middelen en voornaamste argumenten
|
— |
Rekwirant voert aan dat het Gerecht het betreden arrest niet heeft gemotiveerd voor zover het niet heeft geantwoord op het in punt 18 van het bestreden arrest uiteengezette argument van het Bureau. |
|
— |
Rekwirant voert ook aan dat het Gerecht artikel 7, lid 1, sub e-ii, van verordening nr. 207/2009 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk heeft geschonden. Het had moeten vaststellen dat een tweedimensionaal teken niet alleen kan worden aangebracht op, maar ook kan worden verwerkt in een driedimensionaal voorwerp. De toepassing van artikel 7, lid 1, sub e-ii, van verordening nr. 207/2009 vereist dus dat rekening wordt gehouden met alle manieren waarop men zich op de datum van indiening kan voorstellen dat het betrokken teken in een driedimensionaal voorwerp zou kunnen worden opgenomen. Het Gerecht heeft de bewijzen onjuist opgevat door te oordelen dat de kamer van beroep haar onderzoek uitsluitend had gebaseerd op de daadwerkelijk in de handel gebrachte waren. In feite heeft de kamer van beroep verduidelijkt dat haar conclusie hoofdzakelijk is gebaseerd op de door Pi-Design aangevraagde octrooien. Hoe dan ook mag een verwijzing naar bijkomend materiaal, met inbegrip van octrooien en de daadwerkelijk in de handel gebrachte waren, niet worden verboden wanneer dergelijk materiaal de conclusie bevestigt dat door de kenmerken van het betwiste teken, zoals dit werd aangevraagd, een technische uitkomst kan worden verkregen na de verwerking ervan in een driedimensionaal voorwerp. Dit is de enige gepaste benadering ter vrijwaring van de rechtszekerheid en het algemeen belang die aan artikel 7, lid 1, sub e-ii, van verordening nr. 207/2009 ten grondslag liggen. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/20 |
Hogere voorziening ingesteld op 16 juli 2012 door Pi-Design AG, Bodum France en Bodum Logistics A/S tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 8 mei 2012 in zaak T-416/10, Yoshida Metal Industry Co. Ltd/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-339/12 P)
2012/C 295/35
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Pi-Design AG, Bodum France, en Bodum Logistics A/S (vertegenwoordiger: H. Pernez, Advocate)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) en Yoshida Metal Industry Co. Ltd
Conclusies
Rekwirantes verzoeken het Hof:
|
— |
het arrest van het Gerecht te vernietigen; |
|
— |
gemeenschapsmerknr. 1 372 580 nietig te verklaren; |
Subsidiair
|
— |
de zaak terug te wijzen naar het Gerecht met de verplichting ze naar de kamer van beroep terug te wijzen in geval van vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep; |
|
— |
YOSHIDA METAL INDUSTRY CO. LTD. te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirantes voeren aan dat het bestreden arrest moet worden vernietigd op grond dat het Gerecht artikel 7, lid 1, sub e-ii, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk heeft geschonden door onjuiste criteria toe te passen bij de vaststelling van de wezenlijke kenmerken van het bestreden teken en de voorgelegde bewijzen onjuist op te vatten.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/20 |
Hogere voorziening ingesteld op 16 juli 2012 door het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 8 mei 2012 in zaak T-416/10, Yoshida Metal Industry Co. Ltd/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-340/12 P)
2012/C 295/36
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirant: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)
Andere partijen in de procedure: Yoshida Metal Industry Co. Ltd en Pi-Design AG, Bodum France, Bodum Logistics A/S
Conclusies
Rekwirant verzoekt het Hof:
|
— |
de hogere voorziening geheel toe te wijzen; |
|
— |
het bestreden arrest te vernietigen; |
|
— |
Yoshida Metal Industry Co. Ltd te verwijzen in de kosten die het Bureau heeft gemaakt. |
Middelen en voornaamste argumenten
|
— |
Rekwirant voert aan dat het Gerecht het betreden arrest niet heeft gemotiveerd voor zover het niet heeft geantwoord op het in punt 18 van het bestreden arrest uiteengezette argument van het Bureau. |
|
— |
Rekwirant voert ook aan dat het Gerecht artikel 7, lid 1, sub e-ii, van verordening nr. 207/2009 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk heeft geschonden. Het had moeten vaststellen dat een tweedimensionaal teken niet alleen kan worden aangebracht op, maar ook kan worden verwerkt in een driedimensionaal voorwerp. De toepassing van artikel 7, lid 1, sub e-ii, van verordening nr. 207/2009 vereist dus dat rekening wordt gehouden met alle manieren waarop men zich op de datum van indiening kan voorstellen dat het betrokken teken in een driedimensionaal voorwerp zou kunnen worden opgenomen. Het Gerecht heeft de bewijzen onjuist opgevat door te oordelen dat de kamer van beroep haar onderzoek uitsluitend had gebaseerd op de daadwerkelijk in de handel gebrachte waren. In feite heeft de kamer van beroep verduidelijkt dat haar conclusie hoofdzakelijk is gebaseerd op de door Pi-Design aangevraagde octrooien. Hoe dan ook mag een verwijzing naar bijkomend materiaal, met inbegrip van octrooien en de daadwerkelijk in de handel gebrachte waren, niet worden verboden wanneer dergelijk materiaal de conclusie bevestigt dat door de kenmerken van het betwiste teken, zoals dit werd aangevraagd, een technische uitkomst kan worden verkregen na de verwerking ervan in een driedimensionaal voorwerp. Dit is de enige gepaste benadering ter vrijwaring van de rechtszekerheid en het algemeen belang die aan artikel 7, lid 1, sub e-ii, van verordening nr. 207/2009 ten grondslag liggen. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/21 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal do Trabalho de Viseu (Portugal) op 18 juli 2012 — Worten — Equipamentos para o Lar, SA/ACT — Autoridade para as Condições de Trabalho
(Zaak C-342/12)
2012/C 295/37
Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Tribunal do Trabalho de Viseu
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Worten — Equipamentos para o Lar, SA
Verwerende partij: ACT — Autoridade para as Condições de Trabalho
Prejudiciële vragen
|
1) |
Dient artikel 2 van richtlijn 95/46/EG (1) aldus te worden uitgelegd dat de arbeidstijdregistratie — te weten de registratie voor elke werknemer van het begin en einduur van de arbeidstijd alsook de onderbrekingen of pauzes die er geen deel van uitmaken — onder het begrip „persoonsgegevens” valt? |
|
2) |
Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: is de Portugese Staat krachtens artikel 17, lid 1, van richtlijn 95/46/EG verplicht om passende technische en organisatorische maatregelen vast te stellen om persoonsgegevens te beveiligen tegen toevallige of onrechtmatige vernietiging, toevallig verlies, vervalsing, niet-toegelaten verspreiding of toegang, met name wanneer de verwerking gepaard gaat met doorzending van gegevens via een netwerk? |
|
3) |
Indien ook de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: wanneer de lidstaat geen enkele maatregel neemt overeenkomstig artikel 17, lid 1, van richtlijn 95/46/EG en de voor de verwerking van voornoemde gegevens verantwoordelijke werkgever een systeem van beperkte toegang tot deze gegevens invoert waarbij de nationale overheid die bevoegd is voor de controle van de arbeidsvoorwaarden, niet automatisch toegang krijgt tot deze gegevens, dient het beginsel van voorrang van het Unierecht dan aldus te worden uitgelegd dat de lidstaat deze werkgever niet kan bestraffen voor een dergelijke handelwijze? |
(1) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281, blz. 31).
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/21 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský soud v Plzni (Tsjechië) op 24 juli 2012 — Ochranný svaz autorský pro práva k dílům hudebním, o. s. (OSA)/Léčebné lázně Mariánské Lázně, a. s.
(Zaak C-351/12)
2012/C 295/38
Procestaal: Tsjechisch
Verwijzende rechter
Krajský soud v Plzni
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ochranný svaz autorský pro práva k dílům hudebním, o. s. (OSA)
Verwerende partij: Léčebné lázně Mariánské Lázně, a. s.
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (1), aldus worden uitgelegd dat een beperking die makers een vergoeding ontzegt voor de mededeling van hun werk via radio- of televisie-uitzending door middel van radio- of televisieontvangstapparatuur aan patiënten in de kamers van een kuurinrichting die geldt als onderneming, in strijd is met de artikelen 3 en 5 (artikel 5, leden 2, sub e, 3, sub b, en 5) ervan? |
|
2) |
Zijn deze bepalingen van de richtlijn inzake bovenbedoeld gebruik van een werk zo nauwkeurig en onvoorwaardelijk dat collectieve beheersorganisaties voor auteursrechten zich er voor de nationale rechter in een geschil tussen particulieren op kunnen beroepen, indien een lidstaat de richtlijn niet correct in nationaal recht heeft omgezet? |
|
3) |
Moeten de artikelen 56 en volgende en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (of, in voorkomend geval, artikel 16 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (2)) aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de toepassing van bepalingen van nationaal recht die het collectieve beheer van auteursrecht op het grondgebied van de staat voorbehouden aan één enkele collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten (monopolist), zodat afnemers van de dienst niet de vrije keuze hebben voor een collectieve beheersorganisatie van een andere lidstaat van de Europese Unie? |
(1) PB L 167, blz. 10.
(2) PB L 376, blz. 36.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/22 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per l’Abruzzo (Italië) op 25 juli 2012 — Consiglio Nazionale degli Ingegneri/Comune di Castelvecchio Subequo, Comune di Barisciano
(Zaak C-352/12)
2012/C 295/39
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale Amministrativo Regionale per l’Abruzzo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Consiglio Nazionale degli Ingegneri
Verwerende partijen: Comune di Castelvecchio Subequo, Comune di Barisciano
Prejudiciële vragen
|
1) |
Staat richtlijn 2004/18/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, in het bijzonder artikel 1, lid 2, sub a en d, artikel 2, artikel 28 en bijlage [II], categorieën 8 en 12, in de weg aan een nationale regeling op basis waarvan schriftelijke overeenkomsten kunnen worden gesloten tussen twee aanbestedende diensten voor ondersteuning aan gemeentes op het gebied van het onderzoek, de beoordeling en de planning van de reconstructie van de historische centra van de Comune di Barisciano en de Comune di Castelvecchio Subequo, zoals nader bepaald in het bestek dat is gehecht aan de overeenkomst en zoals bepaald in de nationale en regionale voorschriften op dit gebied, tegen een vergoeding die niet kennelijk niet hoger is dan de kosten voor de prestatie, indien de uitvoerende dienst een ondernemer kan zijn? |
|
2) |
Staat richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, in het bijzonder artikel 1, lid 2, sub a en d, artikel 2, artikel 28 en bijlage [II], categorieën 8 en 12, in de weg aan een nationale regeling op basis waarvan schriftelijke overeenkomsten kunnen worden gesloten tussen twee aanbestedende diensten voor ondersteuning aan gemeentes op het gebied van het onderzoek, de beoordeling en de planning van de reconstructie van de historische centra van de Comune di Barisciano en de Comune di Castelvecchio Subequo, zoals nader bepaald in het bestek dat is gehecht aan de overeenkomst en zoals bepaald in de nationale en regionale voorschriften op dit gebied, tegen een vergoeding die niet kennelijk niet hoger is dan de kosten voor de prestatie, indien de rechtstreekse gunning uitdrukkelijk is onderbouwd aan de hand van primaire en secundaire voorschriften die na de ramp zijn vastgesteld en waarbij rekening is gehouden met de toegelichte welomschreven openbare belangen? |
(1) PB L 134, blz. 114.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/22 |
Hogere voorziening ingesteld op 25 juli 2012 door Asa Sp. z o.o. tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 22 mei 2012 in zaak T-110/11, Asa/BHIM — Merck (FEMIFERAL)
(Zaak C-354/12 P)
2012/C 295/40
Procestaal: Pools
Partijen
Rekwirante: Asa Sp. z o.o. (vertegenwoordiger: M. Chimiak, advocaat)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
|
— |
het bestreden arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 22 mei 2012 in zaak T-110/11 vernietigen; |
|
— |
de zaak voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht van de Europese Unie; |
|
— |
het Bureau verwijzen in de kosten van de procedure voor het Hof. |
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante verwijt het Gerecht van de Europese Unie schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (gecodificeerde versie) (1) doordat het de juridische criteria buiten beschouwing heeft gelaten die van wezenlijk belang zijn voor de toepassing van die bepaling, en doordat het bij de beoordeling van deze criteria in de omstandigheden van de onderhavige zaak kennelijke fouten heeft gemaakt.
Zo verwijt rekwirante het Gerecht dat het de uitlegging inzake het criterium van de gemiddelde consument onjuist heeft toegepast in de feitelijke omstandigheden van de onderhavige zaak. Verder heeft het Gerecht het onderscheidend vermogen van huis uit van de oudere tekens FEMINATAL onjuist beoordeeld, hoewel rekwirante in het verzoekschrift voor het Gerecht heeft aangevoerd dat de kamer van beroep van het BHIM deze kwestie niet ernstig en grondig heeft onderzocht. Tevens heeft het Gerecht de visuele en begripsmatige overeenstemming van de tekens onjuist beoordeeld. Ten slotte verwijt rekwirante het Gerecht een onjuiste beoordeling van het gevaar dat bij de gemiddelde consument verwarring ontstaat.
Voorts verwijt rekwirante het Gerecht schending van artikel 9 VEU doordat het in soortgelijke zaken andere juridische criteria heeft toegepast.
(1) PB L 78, blz. 1.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/23 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Milano (Italië) op 26 juli 2012 — Nintendo Co., Ltd e.a./PC Box Srl en 9Net Srl
(Zaak C-355/12)
2012/C 295/41
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale di Milano
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Nintendo Co., Ltd, Nintendo of America Inc., Nintendo of Europe GmbH
Verwerende partijen: PC Box Srl, 9Net Srl
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 6 van richtlijn 2001/29/EG (1), mede in het licht van punt 48 van de considerans ervan, aldus worden uitgelegd dat de bescherming van technische beschermingsvoorzieningen voor auteursrechtelijk beschermde werken of materiaal zich ook kan uitstrekken tot een systeem dat is vervaardigd en in de handel gebracht door een onderneming die in haar eigen hardware een inrichting heeft opgenomen om na te gaan of een afzonderlijke drager met het beschermde werk (een videogame dat is ontwikkeld door de betrokken onderneming en door derden die houders van de rechten op de beschermde werken zijn) een herkenningscode bevat, bij gebreke waarvan dit werk niet kan worden weergegeven of uitgevoerd op het systeem, zodat interoperabiliteit van het apparaat met apparaten en producten die niet afkomstig zijn van de onderneming die het systeem heeft vervaardigd, is uitgesloten? |
|
2) |
Kan artikel 6 van richtlijn 2001/29/EG, mede in het licht van punt 48 van de considerans ervan, aldus worden uitgelegd dat de nationale rechter, wanneer hij moet beoordelen of het gebruik van een product of onderdeel met het doel, een technische beschermingsvoorziening te omzeilen, zwaarder weegt dan andere commercieel relevante doeleinden of gebruikswijzen, criteria moet aanleggen waarbij de bestemming die is toegekend door de rechthebbende op het product waarin de beschermde inhoud is opgenomen, een rol speelt, of, in plaats daarvan of in combinatie daarmee, kwantitatieve criteria ontleend aan het aandeel van deze gebruikswijzen in verhouding tot andere, of kwalitatieve criteria ontleend aan de aard en het gewicht van deze gebruikswijzen? |
(1) PB L 167, blz. 10.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/23 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Napoli (Italië) op 31 juli 2012 — Carratù/Poste Italiane SpA
(Zaak C-361/12)
2012/C 295/42
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale di Napoli
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Carmela Carratù
Verwerende partij: Poste Italiane SpA
Prejudiciële vragen
|
1) |
Is een bepaling van nationaal recht die, ter uitvoering van richtlijn 1999/70/EG (1), in het geval van onrechtmatige beëindiging van een arbeidsovereenkomst met een nietig beding inzake de beperking van de duur ervan, voorziet in andere, aanmerkelijk slechtere financiële gevolgen dan in het geval van onrechtmatige beëindiging van een burgerrechtelijke overeenkomst met een nietig beding inzake de beperking van de duur ervan, in strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel? |
|
2) |
Is het verenigbaar met het Europese recht dat, bij de uitvoering ervan, een sanctie de werkgever die zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik in feite op een dusdanige manier bevoordeelt ten opzichte van de werknemer van wie misbruik is gemaakt, dat de duur — ook uit fysiologisch oogpunt — van de procedure de werknemer rechtstreeks benadeelt ten opzichte van de werkgever, en de reparatoire werking ervan afneemt en uiteindelijk nagenoeg volledig wordt tenietgedaan naarmate de procedure langer duurt? |
|
3) |
Is het, in het kader van de uitvoering van het Europese recht overeenkomstig artikel 51 van het Handvest van Nice, verenigbaar met artikel 47 van het Handvest en artikel 6 EVRM dat de duur — ook uit fysiologisch oogpunt — van de procedure de werknemer rechtstreeks benadeelt ten opzichte van de werkgever en dat de reparatoire werking ervan afneemt en uiteindelijk nagenoeg volledig wordt tenietgedaan naarmate de procedure langer duurt? |
|
4) |
Omvat het begrip „arbeidsvoorwaarden” in clausule 4 van richtlijn 1999/70/EG, gelet op het bepaalde in artikel 3, lid 1, sub c, van richtlijn 2000/78/EG (2) en artikel 14, lid 1, sub c, van richtlijn 2006/54/EG (3), ook de gevolgen van de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsverhouding? |
|
5) |
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, is het dan in het licht van clausule 4 gerechtvaardigd dat het nationale recht in het algemeen andere gevolgen verbindt aan de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd dan aan de onrechtmatige beëindiging van de arbeidsverhouding voor bepaalde tijd? |
|
6) |
Moeten de algemene beginselen van het geldende [Unie]recht, te weten de beginselen van rechtszekerheid, bescherming van het gewettigde vertrouwen, „equality of arms” en effectieve rechterlijke bescherming, alsook het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter en, meer algemeen, op een eerlijk proces, die worden gewaarborgd ingevolge artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (zoals gewijzigd bij artikel 1.8 van het Verdrag van Lissabon en waarnaar artikel 46 van het Verdrag betreffende de Europese Unie [in de versie die gold vóór het Verdrag van Lissabon] verwijst) — gelezen in samenhang met artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en de artikelen 46, 47 en 52, lid 3, van het op 7 december 2000 te Nice afgekondigde Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zoals uitgevoerd door het Verdrag van Lissabon — aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staan dat de Italiaanse Staat na een aanzienlijk tijdsverloop (9 jaar) een wettelijke bepaling als artikel 32, lid 7, van wet nr. 183/10 vaststelt, die de gevolgen van een reeds aanhangige procedure zodanig ingrijpend wijzigt, dat de werknemer rechtstreeks wordt benadeeld ten opzichte van de werkgever, en de reparatoire werking ervan afneemt en uiteindelijk nagenoeg volledig wordt tenietgedaan naarmate de procedure langer duurt? |
|
7) |
Mocht het Hof van Justitie de voornoemde beginselen, met het oog op de horizontale en algemene werking ervan, niet beschouwen als fundamentele beginselen van de Europese Unie, en slechts vaststellen dat een bepaling als artikel 32, leden 5 tot en met 7, van wet nr. 183/10 indruist tegen de uit richtlijn 1999/70/EG en het Handvest van Nice voortvloeiende verplichtingen, moet dan een onderneming als verweerster met het oog op de rechtstreekse, opwaarts verticale werking van het Unierecht, in het bijzonder van clausule 4 van richtlijn 1999/70/EG en het Handvest van Nice, als overheidsorgaan worden aangemerkt? |
(1) PB L 175, blz. 43.
(2) PB L 303, blz. 16.
(3) PB L 204, blz. 23.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/24 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour administrative d’appel de Nantes (Frankrijk) op 2 augustus 2012 — Adiamix/Ministre de l’Économie et des Finances
(Zaak C-368/12)
2012/C 295/43
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour administrative d’appel de Nantes
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Adiamix
Verwerende partij: Ministre de l’Économie et des Finances
Prejudiciële vraag
Is beschikking 2004/343/EG van de Commissie van 16 december 2003 (1), waarvan de rechtmatigheid van het litigieuze betalingsbevel noodzakelijkerwijs afhangt, geldig?
(1) 2004/343/EG: Beschikking van de Commissie van 16 december 2003 betreffende een steunmaatregel die ten uitvoer werd gelegd door Frankrijk voor de overname van ondernemingen in moeilijkheden (PB L 108, blz. 38).
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/24 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Tivoli (Italië) op 3 augustus 2012 — Enrico Petillo en Carlo Petillo/Unipol
(Zaak C-371/12)
2012/C 295/44
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale di Tivoli
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Enrico Petillo, Carlo Petillo
Verwerende partij: Unipol
Prejudiciële vraag
Kan gelet op de richtlijnen 72/166/EEG (1), 84/5/EEG (2), 90/232/EEG (3) en 2009/103/EG (4) betreffende de verplichte verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, een nationale regeling van een lidstaat de omvang van de aansprakelijkheid voor immateriële schade die ten laste komt van personen (verzekeringsmaatschappijen) die krachtens deze richtlijnen gehouden zijn een verplichte verzekering aan te bieden tegen schade die voortvloeit uit het verkeer van motorrijtuigen, enkel in geval van schade die voortvloeit uit verkeersongevallen feitelijk beperken door de wijze van berekening van de schadevergoeding bij wet voor te schrijven?
(1) Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 103, blz. 1).
(2) Tweede Richtlijn 84/5/EEG van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984, L 8, blz. 17).
(3) Derde Richtlijn 90/232/EEG van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 129, blz. 33).
(4) Richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 263, blz. 11).
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/25 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Upper Tribunal (Immigration and Asylum Chamber) Londen (Verenigd Koninkrijk) op 3 augustus 2012 — Nnamdi Onuekwere/Secretary of State for the Home Department
(Zaak C-378/12)
2012/C 295/45
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Upper Tribunal (Immigration and Asylum Chamber), Londen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Nnamdi Onuekwere
Verwerende partij: Secretary of State for the Home Department
Prejudiciële vragen
|
1) |
In welke omstandigheden geldt gevangenistijd als legaal verblijf voor verkrijging van duurzaam verblijfsrecht krachtens artikel 16 van richtlijn 2004/38 (1)? |
|
2) |
Indien gevangenistijd niet geldt als legaal verblijf, mag een persoon die een tijd in de gevangenis doorbrengt, dan de verblijfsperioden vóór en na zijn gevangenschap samentellen voor de berekening van de periode van vijf jaar tot verkrijging van duurzaam verblijfsrecht krachtens richtlijn 2004/38? |
(1) Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (Voor de EER relevante tekst). (PB L 158, blz. 77).
Gerecht
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/26 |
Beroep ingesteld op 19 juli 2012 — Knauf Insulation Technology/BHIM — Saint Gobain Cristaleria (ECOSE)
(Zaak T-323/12)
2012/C 295/46
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Knauf Insulation Technology (Visé, België) (vertegenwoordiger: K. Manhaeve, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij voor de kamer van beroep: Saint Gobain Cristaleria, SL (Madrid, Spanje)
Conclusies
|
— |
de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 17 april 2012 in zaak R 259/2011-5 vernietigen voor zover daarbij de oppositie van de opposant tegen de gemeenschapsmerkaanvraag voor een gedeelte van de aangevraagde goederen en diensten is toegewezen; |
|
— |
verweerder en — indien toepasselijk — de opposant hoofdelijk en gezamenlijk verwijzen in alle kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekende partij
Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „ECOSE” voor waren en diensten van de klassen 1, 2, 3, 16, 17, 19, 20 en 40 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. W00993849
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Oppositiemerk of -teken: Spaanse merkinschrijving nr. 2556409 van het woordmerk „ECOSEC FACHADAS” voor waren van de klassen 17 en 19
Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie voor een deel van de betrokken waren
Beslissing van de kamer van beroep: gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing, verwerping van het beroep en bevestiging van de bestreden beslissing voor het overige
Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening 207/2009 van de Raad.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/26 |
Beroep ingesteld op 19 juli 2012 — Knauf Insulation Technology/BHIM — Saint Gobain Cristaleria (ECOSE TECHNOLOGY)
(Zaak T-324/12)
2012/C 295/47
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Knauf Insulation Technology (Visé, België) (vertegenwoordiger: K. Manhaeve, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij voor de kamer van beroep: Saint Gobain Cristaleria, SL (Madrid, Spanje)
Conclusies
|
— |
de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 4 mei 2012 in de zaken R 1193/2011-5 en R 1426/2011-5 vernietigen voor zover daarbij de oppositie van de opposant tegen de gemeenschapsmerkaanvraag voor een gedeelte van de aangevraagde goederen en diensten is toegewezen; |
|
— |
verweerder en — indien toepasselijk — de opposant hoofdelijk en gezamenlijk verwijzen in alle kosten |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekende partij
Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk „ECOSE TECHNOLOGY” voor waren en diensten van de klassen 1, 2, 3, 16, 17, 19, 20 en 40 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. W 998610
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Oppositiemerk of -teken: Spaanse merkinschrijving nr. 2556409 van het woordmerk „ECOSEC FACHADAS” voor waren van de klassen 17 en 19
Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie voor een deel van de betrokken waren
Beslissing van de kamer van beroep: gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing, verwerping van het beroep en bevestiging van de bestreden beslissing voor het overige
Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening 207/2009 van de Raad.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/27 |
Beroep ingesteld op 19 juli 2012 — Hut.com/BHIM — Intersport France (THE HUT)
(Zaak T-330/12)
2012/C 295/48
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: The Hut.com Ltd (Northwich, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: S. Malynicz, Barrister)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij voor de kamer van beroep: Intersport France (Longjumeau, Frankrijk)
Conclusies
|
— |
de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 27 april 2012 in zaak R 814/2011-2 vernietigen, en |
|
— |
verweerder en de andere partij voor de kamer van beroep verwijzen in hun eigen kosten en die van verzoekster. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster
Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „THE HUT” voor onder andere diensten van klasse 35 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 8394091
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij voor de kamer van beroep
Oppositiemerk of -teken: Franse merkinschrijving nr. 33228708 van het woordmerk „LA HUTTE” voor waren van de klassen 3, 5, 18, 22, 25 en 28
Beslissing van de oppositieafdeling: gehele afwijzing van de oppositie
Beslissing van de kamer van beroep: gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing
Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/27 |
Beroep ingesteld op 23 juli 2012 — Rocket Dog Brands/BHIM — Julius-K9 (K9 PRODUCTS)
(Zaak T-338/12)
2012/C 295/49
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Rocket Dog Brands LLC (Hayward, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: J. Reid, Barrister,)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Julius-K9 bt (Szigetszentmiklós, Hongarije)
Conclusies
|
— |
vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 21 mei 2012 (R 1961/2011-4), voor zover daarbij is verworpen het beroep met betrekking tot alle waren van klasse 25 en de volgende goederen van klasse 18, hieruit vervaardigde producten voor zover niet begrepen in andere klassen; portefeuilles, beurzen, beurzen niet van edel metaal; en |
|
— |
verwijzing van de merkhouder in verzoeksters kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: beeldmerk K9 PRODUCTS in zwart en wit voor onder andere waren van klassen 18 en 25 — gemeenschapsmerk nr. 5966031
Houder van het gemeenschapsmerk: andere partij voor de kamer van beroep
Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: verzoekster
Motivering van de vordering tot nietigverklaring: gemeenschapsbeeldmerk K9 in zwart en wit voor waren van klasse 25, ingeschreven onder nr. 3933256
Beslissing van de nietigheidsafdeling: gedeeltelijke nietigverklaring van het gemeenschapsmerk
Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de bestreden beslissing voor zover daarbij het gemeenschapsmerk nietig is verklaard en het verzoek tot doorhaling in zijn geheel is afgewezen
Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/28 |
Beroep ingesteld op 30 juli 2012 — Gandia Blasco/BHIM — Sachi Premium — Outdoor Furniture (Fauteuils)
(Zaak T-339/12)
2012/C 295/50
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Gandia Blasco, SA (Valencia, Spanje) (vertegenwoordiger: I Sempere Massa, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij voor de kamer van beroep: Sachi Premium — Outdoor Furniture, Lda (Estarreja, Portugal)
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
de beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 25 mei 2012 (zaak R 970/2011-3) te vernietigen en het betwiste gemeenschapsmodel nr. 1512633-0001 nietig te verklaren; |
|
— |
het BHIM te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ingeschreven gemeenschapsmodel waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: een model voor „fauteuils, sofa’s” — gemeenschapsmodel nr. 1512633-0001
Houder van het gemeenschapsmodel: de andere partij voor de kamer van beroep
Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmodel vordert: verzoekster
Motivering van de vordering tot nietigverklaring: de artikelen 4 en 9 van verordening nr. 6/2002 van de Raad; gemeenschapsmodel nr. 52113-0001 voor „fauteuils”
Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering tot nietigverklaring
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: schending van de artikelen 4 tot en met 9 van verordening nr. 6/2002 van de Raad.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/28 |
Beroep ingesteld op 1 augustus 2012 — Fuchs/BHIM — Les Complices (Star)
(Zaak T-342/12)
2012/C 295/51
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Max Fuchs (Freyung, Duitsland) (vertegenwoordiger: C. Onken, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij voor de kamer van beroep: Les Complices SA (Montreuil-sous-Bois, Frankrijk)
Conclusies
|
— |
de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 8 mei 2012 in zaak R 2040/2011-5 vernietigen; |
|
— |
oppositie nr. 1299967 in haar geheel verwerpen; en |
|
— |
de verwerende partij en de andere partij voor de kamer van beroep te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekende partij
Betrokken gemeenschapsmerk: Beeldmerk van een zwarte ster, voor waren van de klassen 18, 24 en 25 — Gemeenschapsmerkaanvraag nr. 5588694
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Andere partij voor de kamer van beroep
Oppositiemerk of -teken: Gemeenschapsrechtaanvraag nr. 632232 van een beeldmerk met een witte ster in een zwarte cirkel, voor waren van de klassen 3, 9, 14, 16, 18, 20, 24 en 28; Franse merkinschrijving nr. 1579557 van een beeldmerk met een witte ster in een zwarte cirkel, voor waren van klasse 25
Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie voor een deel van de betrokken waren
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: Schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 van de Raad
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/29 |
Beroep ingesteld op 1 augustus 2012 — Virgin Atlantic Airways/Europese Commissie
(Zaak T-344/12)
2012/C 295/52
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Virgin Atlantic Airways Ltd (Crawley, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: N. Green, QC en K. Dietzel, Solicitor)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
het besluit van de Europese Commissie van 30 maart 2012 in zaak COMP/M.6447 (IAG/bmi) nietig verklaren; en |
|
— |
verweerder verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster baseert haar beroep op vijf middelen.
|
1) |
Eerste middel: onjuiste toepassing van het recht door de Commissie doordat zij geen rekening hield met relevante informatie over de mededingingssituatie die zonder verwerving had gegolden, waardoor zij de verwerving kon beoordelen tegen de achtergrond van een minder concurrentiële situatie dan anders het geval was geweest. In het bijzonder vergiste de Commissie zich in de beoordeling van (i) het door bmi aan IAG/British Airways in september 2011 verkochte pakket slots; en (ii) de slots van bmi die voor IAG/British Airways zijn gegarandeerd in ruil voor een vooruitbetaling van 60m GBP van de aankoopprijs van bmi. |
|
2) |
Tweede middel: een aantal materiële vergissingen van de Commissie en verzuim rekening te houden met relevante informatie bij de beoordeling van de invloed van de verwerving op de geleidelijke stijging van de slots (en marktmacht) die IAG na de verwerving op Londen-Heathrow had. |
|
3) |
Derde middel: een aantal vergissingen van de Commissie en verzuim rekening te houden met relevante informatie doordat zij niet andere beïnvloede horizontale markten identificeerde of daarvan afzag. |
|
4) |
Vierde middel: onjuiste toepassing van het recht door de Commissie doordat zij (i) niet overging tot fase II van het onderzoek; en (ii) toezeggingen aanvaardde die de door de Commissie vastgestelde ernstige twijfel niet konden wegnemen. |
|
5) |
Vijfde middel: onjuiste toepassing van het recht door de Commissie doordat zij de rechtsverhouding tussen IAG en Iberia respectievelijk British Airways onterecht kwalificeerde als gedekt door artikel 5, lid 4, van de „EG-concentratieverordening” (1), waardoor zij de verwerving kon beschouwen als een „concentratie met een communautaire dimensie” in de zin van artikel 1 van deze verordening en zich bevoegd kon beschouwen om de verwerving te controleren. De Commissie overschrijdt dus haar bevoegdheden met deze beslissing. |
(1) Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24, blz. 1).
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/29 |
Beroep ingesteld op 3 augustus 2012 — Akzo Nobel e.a./Commissie
(Zaak T-345/12)
2012/C 295/53
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Akzo Nobel NV (Amsterdam, Nederland), Akzo Nobel Chemicals Holding AB (Nacka, Zweden) en Eka Chemicals AB (Bohus, Zweden) (vertegenwoordigers: C. Swaak en R. Wesseling, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
gehele of gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2012) 3533 def. van de Commissie van 24 mei 2012, waarbij is afgewezen een verzoek om vertrouwelijke behandeling met betrekking tot zaak COMP/F/C.38.620 — Waterstofperoxide en perboraat; |
|
— |
verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van hun beroep voeren verzoeksters drie primaire middelen en twee subsidiaire middelen aan.
|
1) |
De Commissie heeft inbreuk gemaakt op de motiveringsplicht en verzoeksters’ recht op behoorlijk bestuur op grond van artikel 296 VWEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. |
|
2) |
De bekendmaking van de uitgebreide niet-vertrouwelijke versie van de waterstofperoxidebeschikking is in strijd met de geheimhoudingsplicht van de Commissie op grond van artikel 339 VWEU, zoals uitgewerkt in verordening nr. 1/2003 (1), verordening nr. 773/2004 (2) en de mededelingen van de Commissie van 2002 en 2006 inzake medewerking. (3) |
|
3) |
De bekendmaking van een uitgebreide niet-vertrouwelijke versie van de waterstofperoxidebeschikking, die informatie bevat die afkomstig is uit verzoeksters’ clementieverzoek, is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, verzoeksters’ gewettigd vertrouwen en het recht op behoorlijk bestuur op grond van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. |
|
4) |
Voor zover de beschikking van de Commissie kan worden geacht een besluit in te houden om toegang tot bepaalde informatie te verlenen op grond van de transparantieverordening (4), heeft de Commissie inbreuk gemaakt op de motiveringsplicht en het recht op behoorlijk bestuur op grond van artikel 296 VWEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. |
|
5) |
Voor zover de beschikking van de Commissie kan worden geacht een besluit in te houden om toegang tot bepaalde informatie te verlenen op grond van de transparantieverordening, is de bekendmaking van de uitgebreide niet-vertrouwelijke versie van de waterstofperoxidebeschikking in strijd met deze verordening. |
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 123, blz. 18).
(3) Mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2002, C 45, blz. 3) en mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (PB 2006, C 298, blz. 17).
(4) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/30 |
Beroep ingesteld op 3 augustus 2012 — Afepadi e.a./Commissie
(Zaak T-354/12)
2012/C 295/54
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partijen: Asociación Española de Fabricantes de Preparados alimenticios especiales, dietéticos y plantas medicinales (Afepadi) (Barcelona, Spanje), Elaborados Dietéticos, SA (Spanje), Nova Diet, SA (Burgos, Spanje), Laboratorios Vendrell, SA (Spanje), Ynsadiet, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: P. Velázquez González, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
de punten 11, 14 en 17 van de considerans van verordening (EU) 432/2012 van de Commissie nietig verklaren, aangezien zij verzoeksters’ belangen ernstig kunnen schaden; |
|
— |
ter wille van de rechtszekerheid verklaren dat de in artikel 13 van verordening (EG) 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde gezondheidsclaims moeten worden afgewezen door middel van een normatieve handeling, en |
|
— |
de Commissie van de Europese Gemeenschappen verwijzen in de kosten van deze procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Op 16 mei 2012 heeft de Commissie verordening (EU) nr. 432/2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan vastgesteld. (1) Deze verordening geeft uitvoering aan verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen. (2)
Ter ondersteuning van hun beroep stellen verzoeksters schending van het rechtszekerheidsbeginsel.
Dienaangaande wordt gesteld dat het in artikel 13, lid 3, van verordening nr. 1924/2006 vastgestelde mandaat van de Commissie om een communautaire lijst van toegestane claims op te stellen, ondanks de verrichte werkzaamheden niet volledig is uitgevoerd, aangezien niet ten aanzien van alle aan de EFSA ter beoordeling voorgelegde gezondheidsclaims een besluit is genomen over de verlening van een vergunning ervoor. Bijgevolg moet een groot aantal claims nog voor de eerste maal of nauwkeuriger worden beoordeeld, waaronder claims inzake plantaardige stoffen die verzoeksters gewoonlijk in hun levensmiddelen gebruiken.
Derhalve weten marktdeelnemers uit de levensmiddelensector die plantaardige stoffen produceren of gebruiken met zekerheid welke op algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs gebaseerde gezondheidbevorderende eigenschappen (de 222 reeds toegestane gezondheidsclaims) zij in hun producten kunnen gebruiken, maar zij zijn niet op dezelfde wijze (bij verordening) geïnformeerd over het lot van de claims die niet zijn opgenomen in de lijst van toegestane claims; of zij momenteel worden beoordeeld of nauwkeuriger moeten worden beoordeeld, zijn afgewezen, dan wel zijn toegestaan en op welk tijdstip of binnen welke termijn.
(1) PB L 136, blz. 1.
(2) PB L 404, blz. 9.
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/31 |
Hogere voorziening ingesteld op 8 augustus 2012 door Rosella Conticchio tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 12 juli 2012 in zaak F-22/11, Conticchio/Commissie
(Zaak T-358/12 P)
2012/C 295/55
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirerende partij: Rosella Conticchio (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: R. Giuffrida en A. Tortora, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 12 juli 2012 in zaak F-22/11, Conticchio/Commissie, te vernietigen; |
|
— |
de in eerste aanleg door rekwirante geformuleerde vorderingen toe te wijzen; |
|
— |
subsidiair, indien het Gerecht dat zinvol en noodzakelijk acht, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken om op de in eerste aanleg door rekwirante geformuleerde vorderingen te beslissen; |
|
— |
het beroep naar aanleiding waarvan de bestreden beschikking is gewezen, ontvankelijk en in volle omvang gegrond te verklaren; |
|
— |
de verwerende partij te verwijzen in alle kosten, honoraria en rechten die rekwirante in alle instanties van deze zaak heeft gemaakt. |
Middelen en voornaamste argumenten
De onderhavige hogere voorziening is gericht tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie van 12 juli 2012 in zaak F-22/11, waarbij een beroep dat hoofdzakelijk strekte tot nietigverklaring van het besluit betreffende de berekening van rekwirantes ouderdomspensioenrechten, deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond is verklaard.
Ter onderbouwing van haar hogere voorziening voert rekwirante drie middelen aan.
|
1) |
Eerste middel: Schending van het beginsel van goede trouw, billijkheid en onpartijdigheid — geen duidelijke voorstelling van de reikwijdte van enkele bepalingen en praktijken die de Commissie in de betrekkingen met haar werknemers hanteert. In dit verband wordt gesteld dat in de bestreden beschikking wordt geoordeeld dat het betoog van rekwirante kennelijk ongegrond is en dat zij had kunnen opkomen tegen het loonstrookje voor januari 2010, nu zij vanaf dat moment op de hoogte was van haar positie. Dat loonstrookje is niettemin geen besluit dat zelfstandig kan worden aangevochten, aangezien het geen uitputtende weergave biedt van de positie van rekwirante op het moment van pensionering. Volgens vaste rechtspraak op dit punt is het loonstrookje, als boekhoudkundig administratief besluit, op zichzelf geen bezwarend besluit en kan het derhalve bij gebreke van andere vaststaande onderdelen niet worden aangevochten. Het systeem SysPer 2 volstaat niet om de hoogte van toekomstige pensioenrechten te berekenen en ook „Calculette Pension” levert niet meer dan een indicatief, niet-aanvechtbaar richtsnoer. Conticchio kon pas in beroep komen toen een definitief, schriftelijk meegedeeld besluit was genomen betreffende de toekenning en de berekening van haar pensioenrechten, want pas op dat moment heeft zij zekerheid gekregen over de precieze hoogte van haar maandelijkse pensioenuitkering. |
|
2) |
Tweede middel: Schending van het recht op rechterlijke bescherming en van het recht op een openbaar proces. Het Gerecht voor ambtenarenzaken was van oordeel dat het op de stukken kon beslissen en heeft de procedure niet voortgezet, maar bij met redenen omklede beschikking beslist. Deze beslissing heeft inbreuk gemaakt op rekwirantes recht op volledige rechterlijke bescherming. Conticchio is namelijk niet in de gelegenheid gesteld haar redenen uiteen te zetten noch heeft zij nader kunnen ingaan op de eventuele gronden van niet-ontvankelijkheid en/of ongegrondheid van haar beroep. Aldus is het beginsel van een billijk proces geschonden. In dat verband verdient vermelding dat in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het recht op behoorlijk bestuur is neergelegd, opgevat als het recht van eenieder dat zijn zaken door de instellingen en organen van de Unie onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn worden behandeld. Dat recht behelst onder meer het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen. |
|
3) |
Derde middel: Ongerechtvaardigde verrijking — Schending van het recht op een behoorlijke procedure. Het beroep is niet te laat ingesteld, aangezien de onderdelen van het onderhavige middel aan de hand van het loonstrookje op geen enkele manier konden worden vastgesteld. Rekwirante heeft pas op het moment waarop zij het besluit betreffende de berekening van het pensioen heeft ontvangen, namelijk op 26 mei 2010, kunnen vaststellen dat de Commissie ongerechtvaardigd was verrijkt. Rekwirante is er namelijk nooit volledig van op de hoogte geweest hoe hoog de gestorte premies waren, aangezien zij daarover nooit mededelingen van de verantwoordelijke diensten van de Commissie heeft ontvangen. Daarnaast is de actuariële tegenwaarde van de pensioenpremies die voordien in Italië aan het INPS waren gestort, aan de Commissie overgemaakt door ze aan de pensioenregeling van de Gemeenschappen over te schrijven, waardoor een wanverhouding is ontstaan tussen het pensioen dat rekwirante ontvangt en de premies die zij gedurende haar loopbaan heeft gestort. De administratie heeft zodoende eerst premies van een bepaalde hoogte gevorderd en vervolgens een bepaalde anciënniteit toegewezen die lager is dan het daadwerkelijke aantal loopbaanjaren, zodat de administratie ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van haar ambtenaren. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/32 |
Beschikking van het Gerecht van 6 augustus 2012 — Makhlouf/Raad
(Zaak T-82/12) (1)
2012/C 295/56
Procestaal: Frans
De president van de Zesde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
Gerecht voor ambtenarenzaken
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/33 |
Beroep ingesteld op 28 mei 2012 — ZZ/Commissie
(Zaak F-58/12)
2012/C 295/57
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van verzoekers verzoek betreffende de uitvoering door de verwerende partij van het arrest van het Gerecht van 4 november 2008, F-41/06, Marcuccio/Commissie, en vergoeding van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het van de Commissie afkomstige of in elk geval aan haar toe te schrijven besluit tot afwijzing, in welke vorm dan ook en hetzij gedeeltelijk hetzij volledig, van de in verzoekers verzoek van 25 maart 2011 opgenomen vorderingen; |
|
— |
nietigverklaring van het van de Commissie afkomstige of in elk geval aan haar toe te schrijven besluit tot afwijzing, in welke vorm dan ook en hetzij gedeeltelijk hetzij volledig, van de in verzoekers verzoek van 17 oktober 2011 opgenomen vorderingen; |
|
— |
voor zover nodig, vaststelling dat de Commissie onrechtmatig heeft gehandeld door (gedeeltelijk) na te laten om binnen redelijke termijn de maatregelen te treffen ter uitvoering van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 4 november 2008 in zaak F-41/06, Marcuccio/Commissie; |
|
— |
veroordeling van de Commissie tot betaling van het bedrag van 70 000 EUR aan verzoeker ter vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het feit dat de Commissie niet alle maatregelen ter uitvoering van het arrest van 4 november 2008 heeft getroffen; |
|
— |
verwijzing van de Commissie in de kosten. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/33 |
Beroep ingesteld op 17 juli 2012 — ZZ e. a./EIB
(Zaak F-73/12)
2012/C 295/58
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: ZZ en anderen (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)
Verwerende partij: Europese Investeringsbank
Voorwerp en beschrijving van het geding
Enerzijds, nietigverklaring van de in de salarisafrekeningen vervatte besluiten om toepassing te geven aan het algemeen besluit van de Europese Investeringsbank om voor het gehele personeel een salarisprogressie vast te stellen die beperkt is tot 2,8 % en aan het besluit waarbij een schema van verdienste is gedefinieerd dat een salarisverlies van 1 % inhoudt en, anderzijds, veroordeling van de verwerende partij tot betaling van het verschil in bezoldiging met vertragingsrente alsmede betaling van een schadevergoeding
Conclusies van de verzoekende partijen
|
— |
nietigverklaring van de besluiten om met betrekking tot verzoekers toepassing te geven aan het besluit van de raad van bestuur van de EIB van 13 december 2011 tot vaststelling van een salarisprogressie die beperkt is tot 2,8 % en aan het besluit van het directiecomité van de EIB van 14 februari 2012 waarbij een schema van verdienste is gedefinieerd dat een salarisverlies van 1 % inhoudt, welke besluiten zijn vervat in de salarisafrekeningen van april 2012, alsmede, in dezelfde mate, van alle besluiten die in de latere salarisafrekeningen zijn vervat; |
|
— |
veroordeling van de verwerende partij tot betaling van het uit bovenvermelde besluiten van de raad van bestuur van de EIB van 13 december 2011 en van het directiecomité van de EIB van 14 februari 2012 voortvloeiende verschil in bezoldiging in vergelijking met de toepassing van de vroegere salarisregeling; dit verschil in bezoldiging moet worden vermeerderd met vertragingsrente vanaf 12 april 2012 en, vervolgens, vanaf de 12e van elke maand tot aan de volledige vereffening, waarbij het rentepercentage moet worden vastgesteld op het niveau van het percentage van de ECB, vermeerderd met 3 punten; |
|
— |
veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een vergoeding voor de schade die is geleden wegens het verlies aan koopkracht, welke schade ex aequo et bono en voorlopig moet worden vastgesteld op 1,5 % van de maandelijkse bezoldiging van elke verzoeker; |
|
— |
verwijzing van de EIB in de kosten. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/34 |
Beroep ingesteld op 25 juli 2012 — ZZ/Raad
(Zaak F-78/12)
2012/C 295/59
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit van de Raad om de verzoekende partij niet op te nemen op de lijst van ambtenaren die voor 2011 voor bevordering in aanmerking komen
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het besluit van 12 september 2011 van het secretariaat-generaal van de Raad alsmede van het besluit van het TABG van 18 april 2012 om verzoekster niet op te nemen op de lijst van bevorderbare ambtenaren; |
|
— |
veroordeling van de Raad tot vergoeding van de materiële en immateriële schade welke voorlopig op 40 000 EUR wordt geraamd, maar in de loop van het geding nader zal worden gepreciseerd, en tot betaling van 6,75 % vertragingsrente; |
|
— |
verwijzing van de Raad in de kosten. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/34 |
Beroep ingesteld op 27 juli 2012 — ZZ/Raad
(Zaak F-81/12)
2012/C 295/60
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: D. Abreu Caldas, S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en E. Marchal, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van de besluiten om verzoeker in het kader van de bevorderingsrondes 2010 en 2011 niet naar de rang AD 12 te bevorderen
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het besluit van het TABG om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2010 niet naar de rang AD 12 te bevorderen; |
|
— |
nietigverklaring van het besluit van het TABG om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2011 niet naar de rang AD 12 te bevorderen; |
|
— |
voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit van 18 april 2012 tot afwijzing van de klachten tegen de besluiten om verzoeker in het kader van de bevorderingsrondes 2010 en 2011 niet naar de rang AD 12 te bevorderen; |
|
— |
verwijzing van de Raad in de kosten. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/34 |
Beroep ingesteld op 1 augustus 2012 — ZZ e. a./EIB
(Zaak F-83/12)
2012/C 295/61
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: ZZ en anderen (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)
Verwerende partij: Europese Investeringsbank
Voorwerp en beschrijving van het geding
Enerzijds, nietigverklaring van de besluiten om verzoekers een bonus te geven krachtens het nieuwe prestatiesysteem zoals dat volgt uit het besluit van de raad van bestuur van 14 december 2010 en de besluiten van het directiecomité van 9 november 2010 en 16 november 2011 en, anderzijds, daaruit volgend verzoek om veroordeling van de verwerende partij tot betaling van het verschil in bezoldiging en van een schadevergoeding
Conclusies van de verzoekende partijen
|
— |
nietigverklaring van de besluiten om verzoekers een bonus te geven krachtens het nieuwe prestatiesysteem zoals dat volgt uit het besluit van de raad van bestuur van 14 december 2010 en de besluiten van het directiecomité van 9 november 2010 en 16 november 2011, waarvan het individuele toepassingsbesluit is vervat in de salarisafrekening van april 2012 waarvan de betrokkenen op zijn vroegst op 22 april 2012 kennis hebben genomen; |
|
— |
dientengevolge,
|
|
— |
verwijzing van de EIB in de kosten. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/35 |
Beroep ingesteld op 1 augustus 2012 — ZZ/Raad
(Zaak F-84/12)
2012/C 295/62
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit houdende weigering om verzoeker rechtstreeks toegang te verlenen tot het eindrapport van de conclusies van de invaliditeitscommissie en tot de diagnose van de derde arts van die commissie
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het besluit van 17 oktober 2011 waarbij verzoeker de rechtstreekse toegang wordt geweigerd tot het eindrapport van de conclusies van de invaliditeitscommissie en tot de diagnose van de derde arts; |
|
— |
nietigverklaring van het besluit van het TABG van 24 maart 2012 waarbij de krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht is beantwoord; |
|
— |
veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een vergoeding voor de materiële en immateriële schade en van een vertragingsrente van 6,75 %; |
|
— |
verwijzing van de Raad in de kosten. |
|
29.9.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 295/35 |
Beroep ingesteld op 3 augustus 2012 — ZZ/Commissie
(Zaak F-85/12)
2012/C 295/63
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: D. Abreu Caldas, A. Coolen, J.-N. Louis, E. Marchal en S. Orlandi, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om op basis van de nieuwe AUB over te gaan tot berekening van de extra pensioenrechten die vóór indiensttreding zijn verworven
Conclusies van de verzoekende partij
|
— |
nietigverklaring van het besluit van 27 januari 2012 tot berekening van de extra pensioenrechten die verzoeker uit hoofde van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut vóór zijn indiensttreding bij de Commissie heeft verworven; |
|
— |
voor zover nodig, nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van de klacht van 2 mei 2012 tegen het besluit tot vaststelling van de extra pensioenrechten die hij vóór zijn indiensttreding in de pensioenregeling van de Unie heeft verworven; |
|
— |
verwijzing van de Commissie in de kosten. |