ISSN 1977-0995

doi:10.3000/19770995.C_2012.152.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 152

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

55e jaargang
30 mei 2012


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Europese Commissie

2012/C 152/01

Wisselkoersen van de euro

1

2012/C 152/02

Wisselkoersen van de euro

2

2012/C 152/03

Benoeming van een raadadviseur-auditeur in bepaalde handelsprocedures

3

 

V   Adviezen

 

BESTUURLIJKE PROCEDURES

 

Europese Commissie

2012/C 152/04

Bericht van bijeenkomst van schuldeisers van Landsbanki Íslands hf. overeenkomstig Richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen

4

 

Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten

2012/C 152/05

Oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor de leden van het Wetenschappelijk Comité van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) — Ref.: CEI-SCIE-2012

5

 

PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

 

Europese Commissie

2012/C 152/06

Steunmaatregelen van de staten — Denemarken — Steunmaatregel SA.33728 (12/C) (ex 11/N) — Financiering van een nieuwe multi-arena in Kopenhagen — Uitnodiging tot het indienen van opmerkingen overeenkomstig artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ( 1 )

12

2012/C 152/07

Steunmaatregelen van de staten — Zweden — Steunmaatregel SA.33618 (12/C) (ex 11/N) — Arena in Uppsala — Uitnodiging tot het indienen van opmerkingen overeenkomstig artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ( 1 )

18

2012/C 152/08

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.6603 — Hon Hai/Sharp/Sharp Display Products) ( 1 )

24

2012/C 152/09

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.6517 — The Klesch Group/Arkema's Vinyl Products business) — Voor een vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

25

2012/C 152/10

Voorafgaande aanmelding van een concentratie (Zaak COMP/M.6559 — Eurochem/K+S Nitrogen) — Voor een vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak ( 1 )

26

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Europese Commissie

30.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 152/1


Wisselkoersen van de euro (1)

28 mei 2012

2012/C 152/01

1 euro =


 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,2566

JPY

Japanse yen

99,75

DKK

Deense kroon

7,4303

GBP

Pond sterling

0,8001

SEK

Zweedse kroon

8,9982

CHF

Zwitserse frank

1,2019

ISK

IJslandse kroon

 

NOK

Noorse kroon

7,5359

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

25,309

HUF

Hongaarse forint

298,38

LTL

Litouwse litas

3,4528

LVL

Letlandse lat

0,698

PLN

Poolse zloty

4,3394

RON

Roemeense leu

4,468

TRY

Turkse lira

2,3074

AUD

Australische dollar

1,274

CAD

Canadese dollar

1,2871

HKD

Hongkongse dollar

9,7542

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,6477

SGD

Singaporese dollar

1,6038

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 483,09

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

10,461

CNY

Chinese yuan renminbi

7,956

HRK

Kroatische kuna

7,5576

IDR

Indonesische roepia

11 814,52

MYR

Maleisische ringgit

3,9495

PHP

Filipijnse peso

54,662

RUB

Russische roebel

40,116

THB

Thaise baht

39,721

BRL

Braziliaanse real

2,4826

MXN

Mexicaanse peso

17,517

INR

Indiase roepie

69,345


(1)  Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


30.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 152/2


Wisselkoersen van de euro (1)

29 mei 2012

2012/C 152/02

1 euro =


 

Munteenheid

Koers

USD

US-dollar

1,2523

JPY

Japanse yen

99,64

DKK

Deense kroon

7,4307

GBP

Pond sterling

0,79940

SEK

Zweedse kroon

8,9865

CHF

Zwitserse frank

1,2015

ISK

IJslandse kroon

 

NOK

Noorse kroon

7,5205

BGN

Bulgaarse lev

1,9558

CZK

Tsjechische koruna

25,512

HUF

Hongaarse forint

297,90

LTL

Litouwse litas

3,4528

LVL

Letlandse lat

0,6983

PLN

Poolse zloty

4,3610

RON

Roemeense leu

4,4653

TRY

Turkse lira

2,3008

AUD

Australische dollar

1,2737

CAD

Canadese dollar

1,2835

HKD

Hongkongse dollar

9,7224

NZD

Nieuw-Zeelandse dollar

1,6481

SGD

Singaporese dollar

1,6001

KRW

Zuid-Koreaanse won

1 472,72

ZAR

Zuid-Afrikaanse rand

10,4489

CNY

Chinese yuan renminbi

7,9301

HRK

Kroatische kuna

7,5700

IDR

Indonesische roepia

11 886,57

MYR

Maleisische ringgit

3,9531

PHP

Filipijnse peso

54,305

RUB

Russische roebel

40,3170

THB

Thaise baht

39,735

BRL

Braziliaanse real

2,4846

MXN

Mexicaanse peso

17,4445

INR

Indiase roepie

69,7220


(1)  Bron: door de Europese Centrale Bank gepubliceerde referentiekoers.


30.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 152/3


Benoeming van een raadadviseur-auditeur in bepaalde handelsprocedures

2012/C 152/03

De Commissie heeft op grond van artikel 3 van het besluit van de voorzitter van de Europese Commissie van 29 februari 2012 betreffende de functie en het mandaat van de raadadviseur-auditeur in bepaalde handelsprocedures (PB L 107 van 19.4.2012, blz. 5) de heer Dominique AVOT met ingang van 1 mei 2012 benoemd in de functie van raadadviseur-auditeur.


V Adviezen

BESTUURLIJKE PROCEDURES

Europese Commissie

30.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 152/4


Bericht van bijeenkomst van schuldeisers van Landsbanki Íslands hf. overeenkomstig Richtlijn 2001/24/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de sanering en de liquidatie van kredietinstellingen

2012/C 152/04

BIJEENKOMST VAN SCHULDEISERS

Op donderdag 31 mei 2012, om 9:00 uur, wordt in het Hilton Hotel Nordica, Suðurlandsbraut 2, Reykjavik een bijeenkomst met schuldeisers gehouden in het kader van de procedure voor de liquidatie van Landsbanki Íslands hf., reg. nr. 540291-2259.

Agenda van de bijeenkomst:

1.

Opening van de bijeenkomst, verkiezing van de voorzitter en de secretaris voor de bijeenkomst

2.

Stand van de liquidatieprocedure en voorstelling van de voornaamste maatregelen die sedert de laatste bijeenkomst van schuldeisers zijn genomen

3.

Financiële situatie per einde 1e kwartaal 2012

4.

Geschillen over ingediende vorderingen en ander zaken die momenteel bij de rechtbanken in behandeling zijn

5.

Voorstelling van de besluiten van de Liquidatieraad betreffende gedeeltelijke betalingen aan schuldeisers, in overeenstemming met de machtiging in het zesde lid van art. 102 van de Wet inzake financiële ondernemingen, nr. 161/2002, zoals vervolgens gewijzigd

6.

De schuldeisers hebben de gelegenheid bezwaar te maken tegen het besluit van de Liquidatieraad betreffende de referentiewisselkoers voor de gedeeltelijke betalingen als bedoeld in punt 5 van de agenda. Mocht geen bewaar worden gemaakt, dan geldt het besluit als definitief

7.

Discussie en vragenronde

De bijeenkomst wordt gehouden in het IJslands met Engelse vertolking. Gerechtigd tot het bijwonen van de bijeenkomst zijn de partijen die vorderingen tegen de bank hebben ingesteld welke niet definitief zijn verworpen of partijen aan wie dergelijke vorderingen rechtens zijn toegewezen.

Reykjavik, 15 mei 2012.

De Liquidatieraad van Landsbanki Íslands hf.

Halldór H. BACKMAN, advocaat bij het Hooggerechtshof

Herdís HALLMARSDÓTTIR, advocaat bij het Hooggerechtshof en

Kristinn BJARNASON, advocaat bij het Hooggerechtshof


Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten

30.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 152/5


Oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor de leden van het Wetenschappelijk Comité van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA)

Ref.: CEI-SCIE-2012

2012/C 152/05

1.   HET BUREAU

Het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) is een in Wenen gevestigd adviesorgaan van de Europese Unie (1).

Het Bureau heeft ten doel de betrokken instellingen, organen, instanties en agentschappen van de Gemeenschap en haar lidstaten wanneer zij het Gemeenschapsrecht uitvoeren, bijstand en expertise te bieden op het gebied van de grondrechten om hen te helpen de grondrechten volledig te eerbiedigen wanneer zij op hun respectieve bevoegdheidsgebieden maatregelen nemen of acties ontwerpen (2).

Het Bureau richt zich op de situatie van de grondrechten in de EU en haar 27 lidstaten. Kandidaat-lidstaten en de landen waarmee de EU een stabilisatie- en associatieovereenkomst heeft gesloten, kunnen voor deelname worden uitgenodigd. Dit geldt op dit moment voor Kroatië.

Het Bureau heeft:

 

een raad van bestuur,

 

een dagelijks bestuur,

 

een wetenschappelijk comité, en

 

een directeur.

2.   HET WETENSCHAPPELIJK COMITÉ

Met deze oproep tot het indienen van blijken van belangstelling worden deskundigen die beschikken over de nodige ervaring in een of meer wetenschappelijke disciplines op het gebied van de grondrechten, uitgenodigd zich kandidaat te stellen voor het lidmaatschap van het Wetenschappelijk Comité van het Bureau.

In overeenstemming met artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 (de „Verordening”) tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten („het Bureau”), benoemt de raad van bestuur van het Bureau een wetenschappelijk comité, bestaande uit elf onafhankelijke personen die hoog gekwalificeerd zijn op het gebied van de grondrechten.

Rol van het Wetenschappelijk Comité:

Conform artikel 14, lid 5, van de Verordening waarborgt het Wetenschappelijk Comité de wetenschappelijke kwaliteit van het werk van het Bureau.

Daartoe betrekt de directeur van het Bureau het Wetenschappelijk Comité bij het opstellen van alle documenten die worden geproduceerd in het kader van de aan het Bureau bij artikel 4, lid 1, onder a)-f) en h) van de Verordening toevertrouwde taken, te weten:

de verzameling, registratie en verspreiding van relevante, objectieve, betrouwbare en vergelijkbare informatie en gegevens over de grondrechten, met inbegrip van de resultaten van onderzoek en toezicht die aan het Bureau worden meegedeeld door de EU-lidstaten, door de instellingen van de Unie, door de organen, instanties en agentschappen van de Unie, en door onderzoekscentra, nationale instanties, niet-gouvernementele organisaties, derde landen en internationale organisaties, waaronder de bevoegde instanties van de Raad van Europa;

de ontwikkeling — in samenwerking met de Europese Commissie en de EU-lidstaten — van methoden en normen ter verbetering van de vergelijkbaarheid, objectiviteit en betrouwbaarheid van de gegevens over de grondrechten op Europees niveau;

de uitvoering van wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke enquêtes en voorbereidende en haalbaarheidsstudies op het gebied van de grondrechten;

de opstelling en publicatie van adviezen over specifieke onderwerpen in verband met de grondrechten;

de publicatie van een jaarverslag over grondrechtenvraagstukken die op het werkterrein van het Bureau liggen, waarin ook aandacht wordt geschonken aan voorbeelden van goede praktijken;

de publicatie door het Bureau van thematische verslagen op basis van zijn analysen, onderzoek en enquêtes;

de ontwikkeling door het Bureau van een communicatiestrategie om het bewustzijn bij het publiek van de grondrechten te vergroten en actief bekendheid aan zijn werk te geven, alsook de bevordering van de dialoog met het maatschappelijke middenveld.

Het functioneren van het Wetenschappelijk Comité:

Anders dan de raad van bestuur is het Wetenschappelijk Comité een adviesorgaan dat niet betrokken is bij het besturen en leiden van het Bureau. Wel is het Comité een bij de onderzoeksprocessen van het Bureau betrokken werkorgaan. Dit houdt in dat van de leden wordt verwacht dat zij een substantiële hoeveelheid tijd en arbeid zullen besteden aan het Bureau, waarbij zij onderbouwde argumenten met betrekking tot de kwaliteit van het werk van het Bureau inbrengen, hetgeen gedetailleerde schriftelijke bijdragen kan vereisen. Volgens de huidige werkmethoden (3) houden de individuele leden van het Comité als „rapporteurs” toezicht op een of meer specifieke onderzoeksprojecten, vanaf het allereerste projectidee tot aan de publicatie van de eindresultaten. Besluiten over de „wetenschappelijke kwaliteit van het werk van het Bureau” worden echter door alle leden van het Wetenschappelijk Comité samen genomen. Het Comité kiest zijn voorzitter voor een termijn van één jaar (4). De voorzitter wordt bijgestaan door een secretariaat binnen de operationele diensten van het Bureau.

Samenstelling van het Wetenschappelijk Comité:

In artikel 14, lid 1, van de Verordening is vastgelegd dat het Wetenschappelijk Comité bestaat uit elf onafhankelijke personen die hoog gekwalificeerd zijn op het gebied van de grondrechten. De raad van bestuur stelt de leden aan na een transparante sollicitatie- en selectieprocedure en na raadpleging van de bevoegde commissie van het Europees Parlement (5).

De raad van bestuur ziet toe op een evenwichtige geografische vertegenwoordiging in het lidmaatschap van het door hem te benoemen Wetenschappelijk Comité. De raad van bestuur streeft bovendien naar een evenwichtige deelname van mannen en vrouwen in het Wetenschappelijk Comité. Daarnaast zal de raad van bestuur voldoende aandacht besteden aan de wetenschappelijke disciplines en specialisaties opdat de verschillende gebieden zoals deze zijn vastgelegd in het meerjarenkader van het Bureau, in het Comité zijn vertegenwoordigd.

Artikel 14, lid 1, van de Verordening bepaalt dat de leden van de raad van bestuur van het Bureau geen lid zijn van het Wetenschappelijk Comité.

De leden van het Wetenschappelijk Comité moeten deskundig zijn op een of meer vakgebieden die verband houden met of relevant zijn voor de rechten van de mens, onder andere:

sociale wetenschappen — hierbij moet ook worden gedacht aan kandidaten die deskundig zijn op het gebied van onderzoeksmethoden en grensoverschrijdend vergelijkend onderzoek;

recht, inclusief vergelijkend staatsrecht, EU-recht en internationaal recht;

politieke wetenschappen;

statistiek.

Ambtstermijn:

De ambtstermijn van de leden van het Wetenschappelijk Comité bedraagt vijf jaar en is niet verlengbaar. De leden van het Wetenschappelijk Comité zijn onafhankelijk en gebonden aan de regels van vertrouwelijkheid.

Zij kunnen alleen worden vervangen op eigen verzoek, of indien zij blijvend verhinderd zijn hun taken te vervullen. Indien een lid echter niet meer voldoet aan de criteria van onafhankelijkheid, brengt het de Commissie en de directeur van het Bureau daarvan onmiddellijk op de hoogte. Zijnerzijds kan de raad van bestuur op voorstel van een derde van zijn leden of van de Commissie het gebrek aan onafhankelijkheid constateren en het mandaat van de betrokkene intrekken. De raad van bestuur benoemt in dat geval een nieuw lid voor de resterende duur van de ambtstermijn in overeenstemming met de procedure voor gewone leden. Indien de resterende duur van de ambtstermijn minder dan twee jaar bedraagt, kan de ambtstermijn van het nieuwe lid met een volledige termijn van vijf jaar worden verlengd. De lijst van de leden van het Wetenschappelijk Comité wordt door het Bureau gepubliceerd en bijgewerkt op zijn website.

Vergaderingen van het Wetenschappelijk Comité:

In overeenstemming met artikel 14, lid 6, van de Verordening komt het Wetenschappelijk Comité viermaal per jaar bijeen in een plenaire vergadering. Deze bijeenkomsten vinden in de regel plaats ten kantore van het Bureau in Wenen. Van de leden wordt verwacht dat zij deelnemen aan deze vergaderingen en dat ze zowel qua tijd als qua arbeid een substantiële bijdrage leveren, waarbij zij ook — bij voorkeur schriftelijk en met onderbouwing — al het materiaal dat zij hebben ontvangen, beoordelen en becommentariëren.

Leden van het Wetenschappelijk Comité hebben recht op een vergoeding voor hun deelname aan de activiteiten van dit Comité (6).

3.   VEREISTE KWALIFICATIES EN ERVARING, BEOORDELINGSCRITERIA

A.   Toelatingscriteria

Kandidaten voor het lidmaatschap van het Wetenschappelijk Comité moeten voldoen aan de volgende vier criteria:

Zij moeten een postdoctorale of vergelijkbare universitaire titel hebben verkregen op een relevant wetenschappelijk gebied.

Zij moeten kunnen aantonen dat zij — na het verkrijgen van deze titel — zeven jaar beroepservaring hebben opgedaan op het gebied van de grondrechten in het kader van vakgebieden als sociale of politieke wetenschappen, recht en/of statistiek.

Zij moeten staatsburger zijn van een van de EU-lidstaten.

Zij moeten een grondige kennis hebben van een van de officiële EU-talen en een toereikende kennis van een andere EU-taal (7).

B.   Selectiecriteria

ESSENTIEEL:

De vijf essentiële vereisten voor de selectie van de leden van het Wetenschappelijk Comité zijn:

—   wetenschappelijke uitmuntendheid: op de onder het mandaat van het Bureau vallende gebieden, inclusief publicaties op deze en/of aanverwante gebieden;

—   grensoverschrijdende, comparatieve ervaring: ruime ervaring met het werken en/of verrichten van onderzoek in meer dan één land op gebieden die nauw verband houden met het werk van het Bureau;

—   gedegen inzicht in de praktijksituatie met betrekking tot de grondrechten: uitgebreide ervaring op het gebied van de juridische, sociaalwetenschappelijke, beleids- en/of praktische aspecten van de grondrechten in de praktijk — zoals ervaring met veldwerk en gegevensanalyse, het geven van technisch advies, rechterlijke uitspraken of het werken voor een internationale gouvernementele of niet-gouvernementele organisatie;

—   ervaring met het uitbrengen van adviezen en/of aanbevelingen: ervaring met het opstellen van adviezen of aanbevelingen op nationaal of internationaal niveau die betrekking hebben op de aandachtsgebieden van het Bureau; deze kunnen de vorm hebben van conclusies en bevindingen uit belangrijk onderzoek;

—   uitstekende beheersing van wetenschappelijk Engels: een uitstekende beheersing van geschreven en gesproken Engels. De werktaal van het Bureau is het Engels.

PLUSPUNTEN:

De volgende drie criteria worden beschouwd als pluspunten:

het bekleden of bekleed hebben van een permanente positie als hoogleraar of wetenschappelijk medewerker bij een academische instelling;

een doctorsgraad;

beroepservaring in een multidisciplinaire omgeving, bij voorkeur in een internationale context.

Of een kandidaat voldoet aan bovengenoemde essentiële vereisten, wordt beoordeeld aan de hand van de volgende schaal van meritepunten, feiten en bewijzen:

1.   Wetenschappelijke uitmuntendheid (0-30 punten)

Relevante wetenschappelijke publicaties — minimaal tien publicaties van hoge kwaliteit;

relevante, aan overheden verstrekte deskundigenadviezen, -aanbevelingen of -conclusies;

relevante onderzoeksprojecten in verschillende EU-lidstaten;

het geven van relevant onderricht in diverse EU-lidstaten en ervaring in het leiden van internationale conferenties en het deelnemen aan internationale werkgroepen en multidisciplinaire projecten.

2.   Grensoverschrijdende comparatieve ervaring (0-15 punten)

Relevante ervaring in veldwerk, bijvoorbeeld met multinationale enquêtes;

relevante ervaring met het geven van beleids- en juridisch advies in een internationale of transnationale context;

relevante ervaring met het vergelijken van politieke systemen en met vergelijkend staatsrecht (EU).

3.   Gedegen inzicht in de praktijk- en beleidssituatie met betrekking tot de grondrechten (0-15 punten)

Relevante ervaring op het gebied van openbaar bestuur of beleid, waaronder leidinggevende functies nu of in het verleden;

relevante ervaring in het rechtswezen, waaronder leidinggevende functies nu of in het verleden;

relevante ervaring met niet-gouvernementele organisaties, waaronder leidinggevende functies nu of in het verleden;

relevante ervaring met nationale mensenrechtenorganisaties of andere nationale instanties op dit gebied, waaronder leidinggevende functies nu of in het verleden;

relevante ervaring met betrekking tot de grondrechten op internationaal niveau, waaronder leidinggevende functies nu of in het verleden.

4.   Ervaring met het uitbrengen van adviezen en/of aanbevelingen/conclusies (0-15 punten)

Uitgebreide ervaring met de omzetting van wetenschappelijk onderzoek in relevante praktijkaanbevelingen;

uitgebreide ervaring met het verstrekken van bondige en voor het beleid relevante deskundigenadviezen aan overheden en ngo's;

uitgebreide ervaring als wetenschappelijk redacteur;

ervaring met het bevorderen van de bekendheid van de grondrechten bij het algemene publiek.

5.   Uitstekende beheersing van wetenschappelijk Engels (0-10 punten)

Uitstekende schriftelijke beheersing van wetenschappelijk Engels;

uitgebreide ervaring met het schrijven en redigeren van wetenschappelijke teksten in het Engels.

De als „pluspunten” aangemerkte criteria leveren tussen 0 en 5 punten op.

In de selectiefase zal tevens rekening worden gehouden met de noodzaak van een evenwichtige geografische vertegenwoordiging en een evenwichtige deelname van mannen en vrouwen.

4.   INDIENING VAN SOLLICITATIES

Kandidaten wordt verzocht hun sollicitaties langs elektronische weg in te dienen via de website van het Bureau: http://www.fra.europa.eu

Alleen onlinesollicitaties zullen in behandeling worden genomen. Een sollicitatie is alleen ontvankelijk als deze bestaat uit:

een brief waarin blijk wordt gegeven van belangstelling (maximaal één pagina);

een registratieformulier zie hiervoor de aan deze oproep tot het indienen van blijken van belangstelling gewijde pagina op de website van het Bureau;

een lijst van wetenschappelijke publicaties in boeken en collegiaal getoetste tijdschriften, met samenvattingen van de vijf meest relevante artikelen (waarvan er drie in het Engels moeten zijn). In een latere fase van de selectieprocedure kan om aanvullende documenten worden verzocht.

Verzoeken om nadere inlichtingen over deze oproep en de sollicitatieprocedure kunnen worden gericht tot het volgende adres:

selection-scientific-committee@fra.europa.eu

5.   SELECTIEPROCEDURE, BENOEMING EN AMBTSTERMIJN

Voorselectie:

Het werk voor de voorselectie van de leden van het Wetenschappelijk Comité wordt voorbereid en georganiseerd door de directeur van het Bureau. Hij of zij zal een voorselectiepanel voorzitten, dat bestaat uit de afdelingshoofden van het Bureau en een voor dit doel door de Raad van Europa aangesteld persoon. Twee leden van de raad van bestuur van het FRA kunnen als waarnemer de bijeenkomsten van het voorselectiepanel bijwonen.

Het voorselectiepanel toetst of de kandidaten voldoen aan de toelatingscriteria. Mocht een kandidaat niet voldoen aan een van deze criteria, dan zal deze worden uitgesloten van de rest van het selectieproces.

Hierna beoordeelt het voorselectiepanel iedere in aanmerking komende kandidaat aan de hand van de selectiecriteria. Het vult voor iedere kandidaat een individueel beoordelingsformulier in, waarin de specifieke sterke en minder sterke punten van de kandidaat in kwestie kort worden beschreven.

De directeur overhandigt vervolgens de resultaten van het voorselectieproces aan het dagelijks bestuur van het FRA, waarbij ook informatie wordt verstrekt over de kandidaten die zijn aangemerkt als niet in aanmerking komend.

Selectie:

Het dagelijks bestuur beoordeelt alle kandidaten aan de hand van de vastgestelde selectiecriteria.

Het houdt hierbij rekening met:

het werk van het voorselectiepanel;

de noodzaak dat de leden van het Wetenschappelijk Comité gespecialiseerd zijn op de voor de grondrechten meest relevante wetenschappelijke gebieden, in overeenstemming met de missie en doelen van het Bureau;

de noodzaak om een geografisch en genderevenwicht te bewerkstelligen.

Het dagelijks bestuur overhandigt de raad van bestuur een lijst met daarop de meest geschikte kandidaten. Deze lijst moet meer dan elf en minder dan tweeëntwintig namen bevatten. Ook worden hierop per kandidaat meritepunten aangegeven en een conclusie omtrent zijn/haar geschiktheid voor het lidmaatschap van het Wetenschappelijk Comité.

De voorzitter van het dagelijks bestuur overhandigt de resultaten van het selectieproces aan de raad van bestuur, inclusief een overzicht van de niet op bovenvermelde lijsten voorkomende kandidaten en de kandidaten die zijn aangemerkt als niet in aanmerking komend.

De operationele diensten van het Bureau bieden technische en logistieke ondersteuning voor het selectieproces.

Benoeming:

Op basis van de door het dagelijks bestuur verstrekte lijst stelt de raad van bestuur van het Bureau de leden van het Wetenschappelijk Comité aan na raadpleging van de bevoegde commissie van het Europees Parlement. De niet-benoemde kandidaten komen op een reservelijst.

In overeenstemming met artikel 14, lid 2, van de Verordening bedraagt de ambtstermijn van de leden van het Wetenschappelijk Comité vijf jaar en is deze niet verlengbaar.

De reservelijst is geldig voor de duur van de ambtstermijn van het aangestelde Wetenschappelijk Comité. Ingeval van een vacature benoemt de raad van bestuur een nieuw lid van de reservelijst. Deze vacature wordt ingevuld voor de resterende duur van de ambtstermijn van het Wetenschappelijk Comité. Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van de Verordening volgt de raad van bestuur een benoemingsprocedure die identiek is aan de voor de aanstelling van het oorspronkelijke lid gevolgde procedure, waarbij dus ook de Commissie LIBE van het Europees Parlement wordt geraadpleegd. Laatstgenoemde commissie kan besluiten de namen en cv's van de kandidaten openbaar te maken.

6.   VERKLARING VAN ENGAGEMENT, BELANGEN EN GEHEIMHOUDING

De leden van het Wetenschappelijk Comité worden op persoonlijke titel aangesteld. Zij verbinden zich ertoe onafhankelijk en zonder beïnvloeding van buitenaf op te treden. Om deze reden worden zij verzocht een engagements- en een belangenverklaring af te leggen (8).

Ook moeten zij een verklaring van geheimhouding ondertekenen om zo te voldoen aan de regels van vertrouwelijke behandeling wanneer zij te maken krijgen met informatie die door het Bureau specifiek is aangemerkt als „restreint” (beperkte verspreiding) of „confidentiel” (vertrouwelijke behandeling) (9).

7.   GELIJKE KANSEN

Het Bureau nodigt eenieder die voldoet aan de toelatingscriteria en belangstelling heeft voor het lidmaatschap van het Wetenschappelijk Comité van het FRA, uit te solliciteren.

Het Bureau voert een beleid van gelijke kansen en ziet erop toe dat zijn selectieprocedures niet discrimineren op grond van geslacht, huidskleur, ras, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of iedere andere opinie, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid of enige andere status.

8.   BESCHERMING VAN PERSOONSGEGEVENS

Er wordt op gewezen dat het Bureau de sollicitaties niet zal retourneren aan de kandidaten. De door het Bureau van kandidaten verlangde persoonlijke informatie wordt verwerkt in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Dit heeft in het bijzonder betrekking op de vertrouwelijkheid en veiligheid van die gegevens.

De persoonsgegevens worden uitsluitend in het kader van de selectieprocedure verwerkt. Indien een kandidaat een vraag heeft over de verwerking van zijn of haar persoonsgegevens, kan hij of zij deze stellen via het volgende adres:

selection-scientific-committee@fra.europa.eu

9.   UITERSTE TERMIJN

De uiterste datum voor het indienen van sollicitaties is 4 juli 2012 om 13:00 uur (lokale tijd, GMT +1).

Houdt u er rekening mee dat het systeem rond deze uiterste datum, als gevolg van een groot aantal sollicitaties, problemen kan hebben met de verwerking van grote hoeveelheden gegevens. Wij raden u dan ook aan ruim vóór de uiterste datum te solliciteren.


(1)  De door de Raad van de Europese Unie vastgestelde verordening tot oprichting van dit Bureau is gepubliceerd in PB L 53 van 22.2.2007, blz. 1.

(2)  Artikel 2 van Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten.

(3)  Aangenomen door het huidige Wetenschappelijk Comité; deze kunnen worden gewijzigd.

(4)  Artikel 19 van het Reglement van Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten.

(5)  De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (Commissie LIBE).

(6)  Artikel 24, lid 1, en artikel 25, leden 1-3, van het Reglement van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en Besluit nr. 11FIN 2010 van 20 april 2010 inzake de onkostenvergoedingen (Rules on the reimbursement of expenses incurred by members or alternate members of the Management Board, members of the Executive Board, members of the Scientific Committee, external members of Selection Committee(s) and experts invited to attend meetings).

(7)  

NB: De werktaal voor alle vergaderingen en documenten — voor zowel het Bureau als de leden van het Wetenschappelijk Comité — is Engels. Het Bureau vertaalt alleen de definitieve versies van zijn documenten in andere EU-talen. Kandidaten moeten daarom een uitstekende beheersing van het Engels hebben, zowel voor wat betreft de luister- en lees- als de schrijfvaardigheid, aangezien er geen vertaal- en tolkdiensten worden verleend met betrekking tot het werk van het Comité.

(8)  Art 27, leden 1-4, van het Reglement en BIJLAGE 2 & 3 van BIJLAGE I.

(9)  Art 26, leden 1-3, van het Reglement en BIJLAGE 1 van BIJLAGE I.


PROCEDURES IN VERBAND MET DE UITVOERING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK MEDEDINGINGSBELEID

Europese Commissie

30.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 152/12


STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN — DENEMARKEN

Steunmaatregel SA.33728 (12/C) (ex 11/N) — Financiering van een nieuwe multi-arena in Kopenhagen

Uitnodiging tot het indienen van opmerkingen overeenkomstig artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

(Voor de EER relevante tekst)

2012/C 152/06

De Commissie heeft Denemarken bij schrijven van 21 maart 2012, dat na deze samenvatting in de authentieke taal is weergegeven, in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ten aanzien van bovengenoemde steunmaatregel.

Belanghebbenden kunnen hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregel ten aanzien waarvan de Commissie de procedure inleidt maken door deze binnen een maand vanaf de datum van de bekendmaking van deze samenvatting en de volgende brief te zenden aan:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Directoraat C

Wetstraat 200

1049 Brussel

BELGIË

Fax +32 22961242

Deze opmerkingen zullen ter kennis van Denemarken worden gebracht. Een belanghebbende die opmerkingen maakt, kan, met opgave van redenen, schriftelijk verzoeken om vertrouwelijke behandeling van zijn identiteit.

TEKST VAN DE SAMENVATTING

De procedure

De Deense autoriteiten hebben de Europese Commissie in kennis gesteld van een maatregel voor de financiering van een nieuwe multi-arena in Kopenhagen. De Commissie heeft twee klachten ontvangen over de beoogde maatregel.

Beschrijving van de steunmaatregel

De stad Kopenhagen heeft plannen voor de bouw van een „multi-arena” van een internationaal formaat waarin faciliteiten voor muziek, cultuur en sport van een hoog, internationaal niveau kunnen worden ondergebracht. De multi-arena zal een maximale capaciteit van 15 000 zitplaatsen hebben.

De belangrijkste partijen (hierna „de partijen” genoemd) bij het project zijn de stad Kopenhagen en Realdania (een particuliere stichting). Een andere speler, By & Havn (die voor 55 % eigendom is van de stad Kopenhagen en voor 45 % van de Deense staat), zal het recht op gebruik van de grond voor de bouw van de multi-arena kosteloos verlenen. Ook Elitefacilitetsudvalget zal bijdragen in de financiering van de bouw van de multi-arena.

Er wordt op dit moment uitgegaan van een totaal bedrag voor de planning en de bouw van de multi-arena van ongeveer 1,1 miljard DDK (148 miljoen EUR). Het project zal worden gefinancierd met eigen middelen van de partijen gecombineerd met externe financiering (bankleningen). Elk van de partijen draagt 325 miljoen DDK (43,7 miljoen EUR) bij in het kapitaal van de „Arena Company” (in totaal ongeveer 650 miljoen EUR). Het eigendom zal evenredig zijn met de eigen inbreng, dat wil zeggen 50 % voor elk van de partijen.

De exploitatie van de multi-arena komt in handen van een particulier (de exploitant), geselecteerd via een open en transparante inschrijvingsprocedure. De Deense sportfederatie (DIF) zal een exploitatiesubsidie verlenen in ruil voor het recht om de multi-arena te gebruiken voor bepaalde sportevenementen. De geselecteerde exploitant zal er moeten op toezien dat de multi-arena toegankelijk is voor alle gebruikers, op voet van gelijkheid voor een huurprijs onder marktvoorwaarde.

Beoordeling van de steunmaatregel

Na een eerste beoordeling betwijfelt de Commissie dat de maatregel geen staatssteun inhoudt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Met name blijkt uit deze beoordeling dat een selectief economisch voordeel niet op alle niveaus (bouw, exploitatie en gebruik) kan worden uitgesloten. Bovendien is het meer dan waarschijnlijk dat de openbare medefinanciering, zonder welke de multi-arena niet zou worden gebouwd, de mededinging vervalst, of op zijn minst dreigt te vervalsen. Aangezien de markt voor de organisatie van internationale evenementen openstaat voor mededinging tussen aanbieders van faciliteiten en organisatoren van evenementen, die zich doorgaans bezighouden met activiteiten waarvoor handelsverkeer tussen de lidstaten bestaat, mag men ervan uitgaan dat het handelsverkeer wordt beïnvloed. In dit stadium en op grond van haar eerste beoordeling is de Commissie daarom van oordeel dat de aangemelde maatregel staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan inhouden.

Onder de bovengenoemde voorwaarden is het derhalve noodzakelijk na te gaan of de maatregel als verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU kan worden beschouwd. Daarbij moet worden onderzocht of de maatregel een beleidsdoel van gemeenschappelijk belang nastreeft, alsook of dit noodzakelijk en evenredig is en geen ongerechtvaardigde vervalsing van de mededinging veroorzaakt. Na haar eerste beoordeling betwijfelt de Commissie of het voorgenomen project in dit stadium en op alle drie niveaus van mogelijke staatssteun (bouw, exploitatie en gebruik) als verenigbaar met artikel 107, lid 3, onder c), VWEU kan worden beschouwd.

Gelet op deze twijfels en het effect van potentiële staatssteun op de investeringen van de particuliere sector blijkt het noodzakelijk dat de Commissie een formele onderzoeksprocedure inleidt.

TEKST VAN DE BRIEF

„Kommissionen skal herved meddele Danmark, at den efter at have undersøgt de oplysninger, som myndighederne har fremsendt om den omhandlede støtte, har besluttet at indlede proceduren efter artikel 108, stk. 2, i traktaten om Den Europæiske Unions funktionsmåde.

1.   SAGSFORLØB

1)

Den 7. december 2012 gav de danske myndigheder Europa-Kommissionen meddelelse om en støtteforanstaltning til finansiering af en ny multiarena i København i forlængelse af en anmeldelsesforberedende fase. Kommissionen har modtaget to klager vedrørende den anmeldte foranstaltning, og den 21. december 2012 bad Kommissionen ved en anmodning om oplysninger de danske myndigheder om at kaste lys over de punkter, der blev fremført i klagerne. De danske myndigheder fremsendte deres svar den 6. februar 2012.

2.   DETALJERET BESKRIVELSE AF FORANSTALTNINGEN

2)

København kommune planlægger at bygge en "multiarena" af international standard med musik-, kultur- og sportsfaciliteter på et højt internationalt niveau. Multiarenaen vil have plads til 15 000 siddende tilskuere.

3)

Der findes allerede andre lignende faciliteter i København, der først og fremmest er beregnet til fodbold, men de danske myndigheder gør gældende, at disse ikke er tilstrækkeligt fleksible og skalérbare til at tiltrække internationale sports-, musik- og underholdningsarrangementer til København. Her skal særligt „Parken” nævnes, et stadium beliggende i centrum af København (FC Københavns hjemmebane, der også anvendes til store shows/koncerter med op til 45 000 tilskuere). Der findes også andre lignende faciliteter i nærheden, f.eks. i Malmø i Sverige.

4)

Multiarenaprojektets væsentligste parter (herefter "parterne") er Københavns Kommune og Realdania (en privat fond) (1). Endnu en aktør, By & Havn (ejes af Københavns Kommune (55 %) og den danske stat (45 %)), indrømmer vederlagsfrit brugsretten til den jord, hvorpå multiarenaen bygges.

5)

Efter flere mislykkede forsøg vil der ifølge Københavns Kommune og Realdania ikke blive bygget en multiarena i København, medmindre projektet modtager offentlig medfinansiering.

2.1.   Opførelse og ejerskab

6)

Parterne danner det fællesejede "arenaselskabet", der har til formål at opføre og eje multiarenaen samt at forvalte operatørkontrakten, mens driften af multiarenaen forestås af en særskilt operatør.

7)

De samlede udgifter til planlægning og opførelse anslås for indeværende til cirka 1 100 mio. DKK (148 mio. EUR) (2). Multiarenaprojektet vil blive finansieret ved parternes indskud af egenkapital kombineret med ekstern finansiering. Parterne bidrager hver med 325 mio. DKK (43,7 mio. EUR) til arenaselskabets formue (i alt 650 mio. DKK). Ejerskabsforholdene vil afspejle de tilførte bidrag, dvs. 50 % til hver af parterne. Den eksterne finansiering på 345 mio. DKK (46,4 mio. EUR) består af lån optaget på markedsvilkår med en afdragsperiode på 30 år. Desuden stiller Elitefacilitetsudvalget (3) 15 mio. DKK (2 mio. EUR) til rådighed til finansieringen af multiarenaens opførelse.

8)

I de første 40 år indrømmer By & Havn vederlagsfrit brugsretten til den jord, hvorpå multiarenaen bygges. Herefter betaler arenaselskabet markedslejen.

9)

Det egentlige anlægsarbejde tildeles gennem et offentligt udbud.

2.2.   Drift og brug

10)

Multiarenaens drift overdrages til en operatør. Arenaselskabet indgår en aftale med en privat part (operatøren) om leje af multiarenaen (4) på grundlag af et offentligt udbud. Operatøren, som er valgt efter en åben og gennemsigtig udbudsrunde (5), skal sikre, at alle har mulighed for at leje multiarenaen til markedslejen på ikke-diskriminerende vilkår. Operatøren er navnlig forpligtet til at udleje multiarenaen til forskellige brugergrupper og til forskellige aktiviteter og til ikke at give nogen enkel aktivitetsform uberettiget fortrinsbehandling, så det sikres, at arenaen anvendes til mange forskellige formål.

11)

Gennem lejeaftalen med operatøren vil arenaselskabet få løbende indtægter, som forventes at blive på ca. […] (6) om året i de første 10 år. Desuden vil arenaselskabet få parkeringsindtægter. Det forventes, at den eksterne finansiering vil stå i et sådant forhold til operatørens leje, at indtægterne kan betale udgifterne til den eksterne finansiering.

12)

DIF (7) stiller et driftstilskud på 5 mio. DKK (672 000 EUR) til rådighed om året i de første 10 driftsår (i alt 50 mio. DKK). Til gengæld får DIF ret til med et aftalt varsel at reservere multiarenaen til brug for internationale sportsmesterskaber og andre sportsarrangementer. Ifølge de danske myndigheder kommer DIF til at betale markedslejen til operatøren.

13)

Derudover stiller Region Hovedstaden 5 årlige bidrag på 10 mio. DKK (1,4 mio. EUR) til rådighed som økonomisk støtte til væsentlige internationale arrangementer, som det ikke ville have været muligt at gennemføre på almindelige kommercielle vilkår. Enhver, inklusive multiarenaens operatør, kan ansøge om disse legater til afvikling af den type arrangementer i multiarenaen.

3.   DE DANSKE MYNDIGHEDERS KOMMENTARER

14)

De danske myndigheder gør gældende, at den foreslåede foranstaltning ikke omfatter statsstøtte og henviser til hidtidig Kommissionspraksis, ifølge hvilken støtte til infrastruktur under visse betingelser kan anses for ikke at udgøre statsstøtte i henhold til artikel 107, stk. 1, i traktaten om Den Europæiske Unions funktionsmåde.

15)

De danske myndigheder fremhæver den set fra deres synspunkt manglende økonomiske fordel, og de gør gældende, at ingen af de involverede parter har direkte eller indirekte økonomisk fordel af den offentlige medfinansiering. I kortfattet form anfører de danske myndigheder følgende:

Ejerne af arenaselskabet (Københavns Kommune og Realdania) får en ejerandel, der afspejler den indskudte kapital, og den eksterne finansiering finder sted på markedsvilkår. Realdanias deltagelse i projektet kan ikke betragtes som en investering, der ville have været foretaget af en almindelig markedsøkonomisk investor, og tilrådighedsstillelsen af jord har alene som konsekvens at sænke den særlige ikke-markedsbaserede risiko, som Realdania påtager sig gennem sin investering. Det samme gælder for Elitefacilitetsudvalgets tilskud, som alene bidrager til at sikre projektets levedygtighed. Hvad angår DIF's tilskud, så gøres det gældende, at de ikke er statsmidler, og at de under alle omstændigheder skal betragtes som betaling for retten til at reservere multiarenaen.

Arenaselskabet opnår ikke en økonomisk fordel, eftersom multiarenaen vil blive anvendt til mange forskellige formål og være åben for forskellige brugere og aktiviteter. Desuden vil både arenaens opførelse og drift blive sat i udbud på en gennemsigtig, objektiv og ikke-diskriminerende måde, ligesom udvælgelseskriterierne og deres indbyrdes vægtning vil blive fastsat på forhånd (med hovedvægt på prisen).

Operatøren vælges, som nævnt ovenfor, gennem en åben udbudsrunde på grundlag af gennemsigtige, objektive og ikke-diskriminerende betingelser og krav, og den leje, der betales til arenaselskabet, vil ikke ligge under markedslejen. Region Hovedstadens eventuelle tilskud gives også efter et åbent og gennemsigtigt forløb.

16)

Hvis det fastslås, at multiarenaprojektet omfatter statsstøtte, gør de danske myndigheder gældende, at statsstøtten i så fald bør betragtes som forenelig med det indre marked i henhold til artikel 107, stk. 3, litra c), i traktaten om Den Europæiske Unions funktionsmåde. De gør gældende, at særligt de følgende punkter vil skulle tages i betragtning:

Der foreligger et markedssvigt (projektet vil ikke blive gennemført uden offentlig medfinansiering)

Den offentlige medfinansiering er begrænset til det absolut nødvendige, for at projektet kan gennemføres

Medfinansieringen gives alene til etableringen (opførelsen) af faciliteterne, eftersom den efterfølgende drift vil foregå på markedsvilkår

Opførelsen af sådanne faciliteter er indbegrebet af en stats ansvar over for offentligheden, og

Fordi multiarenaen tilbyder anderledes faciliteter, vil den kun i meget begrænset omfang indgå i konkurrence om arrangementer, hvorom det kan antages, at de ellers ville blive afholdt andre steder i København.

4.   BEMÆRKNINGER FRA TREDJEPARTER

17)

Som nævnt har Kommissionen modtaget to klager vedrørende den foreslåede foranstaltning. Begge disse gør gældende, at multiarenaprojektet vil fordreje eller true med at fordreje konkurrencevilkårene på markedet for afholdelse af arrangementer, særligt på markedet for afholdelse af kommercielle mellemstore og store underholdningsarrangementer, og påvirke handlen mellem medlemsstaterne, eftersom operatøren vil indgå i konkurrence med operatører af lignende faciliteter i andre medlemsstater.

18)

En af klagerne går dybere ind i vurderingen af projektet ved at gøre gældende, at der vil være tale om statsstøtte, der er uforenelig med det indre marked på grund af dens konkurrencefordrejende virkning på markedet for afholdelse af kommercielle mellemstore og store underholdningsarrangementer. Det gøres endvidere gældende, […], vil statsstøtten kunne føre til vertikal markedsafskærmning.

19)

Klageren gør særligt gældende, at multiarenaen giver operatøren en fordel, eftersom andre lignende faciliteter i København, der kan huse kommercielle mellemstore og store underholdningsarrangementer, enten selv har skullet finansiere opkøb af jord og anlæg eller har indhentet ekstern finansiering, som tilbagebetales med provenuet fra driften af de relevante faciliteter. Ifølge klageren sikrer en udbudsrunde ikke i sig selv, at den godtgørelse, som operatøren betaler til multiarenaens ejer, dækker arenaens finansieringsomkostninger. Desuden afhjælper udbudsprocessen ikke i sig selv det faktum, at den godtgørelse, som den private operatør betaler, vil være kunstigt lav sammenholdt med det investeringsafkast, som de konkurrerende operatører af lignende private faciliteter er nødt til at opnå.

20)

Følgelig kan der ske det, at multiarenaens operatør gennem sit kunstigt lave omkostningsniveau kan tiltrække alle eller næsten alle mellemstore og store underholdningsarrangementer med entrébetaling på bekostning af andre lignende faciliteter, som vil tabe deres væsentligste indtægtskilde med den konsekvens til følge, at foranstaltningen ikke alene vil fordreje konkurrencevilkårene men endda kan true andre lignende faciliteter på deres overlevelse. Eftersom operatøren vil indgå i konkurrence med operatører af lignende faciliteter i andre medlemsstater (særligt i Sverige og muligvis også i dele af Tyskland), vil foranstaltningen få konsekvenser for samhandelen mellem medlemsstaterne.

5.   VURDERING AF FORANSTALTNINGEN

5.1.   Vurdering af, om der foreligger statsstøtte efter artikel 107, stk. 1, i traktaten om den Europæiske Unions funktionsmåde  (8)

21)

Ifølge artikel 107, stk. 1, i traktaten om den Europæiske Unions funktionsmåde »er statsstøtte eller støtte, som ydes ved hjælp af statsmidler under enhver tænkelig form, og som fordrejer eller truer med at fordreje konkurrencevilkårene ved at begunstige visse virksomheder eller visse produktioner, uforenelig med det indre marked, i det omfang den påvirker samhandelen mellem medlemsstaterne.«

22)

For at blive betragtet som statsstøtte, skal den anmeldte foranstaltning således opfylde følgende kumulative betingelser: 1) foranstaltningen skal indebære, at der anvendes statsmidler, 2) den skal give virksomheder en økonomisk fordel, 3) denne fordel skal være selektiv og fordreje eller true med at fordreje konkurrencevilkårene, og 4) foranstaltningen skal påvirke samhandelen mellem medlemsstaterne.

23)

Hvad angår kravet om, at foranstaltningen skal indebære, at der anvendes statsmidler, og skal kunne henføres til staten, så er det åbenbart, at kriteriet er opfyldt i denne sag, eftersom foranstaltningen delvist finansieres af Københavns Kommune, og By & Havn (ejet af Københavns Kommune og den danske stat) stiller jord til rådighed. Københavns Kommune og den danske stat er selvsagt offentlige myndigheder, der anvender midler, som tilhører og/eller kontrolleres af staten. Tilskuddene fra Elitefacilitetsudvalget, der i hvert fald delvist er finansieret af den danske stat, og Region Hovedstaden (den regionale administrative enhed bestående af Københavns og Frederiksberg Kommune samt Bornholms Regionskommune) burde i princippet også betragtes som statsmidler. Kommuner er offentlige myndigheder og dermed en del af staten, hvorfor deres midler kan henføres til staten. Elitefacilitetsudvalget er utvivlsomt i det mindste delvist finansieret af den danske stat og modtager derfor statsmidler, som udvalget uddeler i overensstemmelse med sit formål. Hvad angår tilskuddene fra DIF, så gør de danske myndigheder gældende, at der ikke er tale om statsmidler. Da DIF også er Danmarks Olympiske Komité og dermed ansvarlig for den danske deltagelse i de olympiske lege, og da DIF's finansiering fremstår uklart, kan det imidlertid ikke på nuværende tidspunkt udelukkes, at DIF modtager og uddeler statsmidler, i det mindste i forbindelse med varetagelsen af denne opgave.

24)

Kommissionen finder, at såvel opførelsen som driften af infrastruktur udgør en økonomisk aktivitet i sig selv (og derfor er underlagt statsstøttereglerne), hvis den infrastruktur, som der er tale om, anvendes eller vil blive anvendt til at forsyne markedet med varer eller tjenesteydelser. I denne sag er multiarenaen beregnet til f.eks. kommercielle musik-, kultur- og sportsarrangementer, altså til at forsyne markedet med tjenesteydelser. Dette synspunkt deles af Retten i Leipzig/Halle-sagerne (9). I infrastruktursager kan støtte således ydes på flere forskellige niveauer: opførelse, drift og brug af faciliteterne.

25)

Hvad angår opførelsen, kan det kun udelukkes, at der er tale om statsstøtte, hvis støtten er i overensstemmelse med det markedsøkonomiske investorprincip. I denne sag anerkender de danske myndigheder imidlertid, at multiarenaprojektet ikke ville blive gennemført ved markedskræfternes virke alene, og at offentlig støtte er nødvendig for, at projektet kan gennemføres. Således gør de danske myndigheder ikke gældende, at projektet er i overensstemmelse med det markedsøkonomiske investorprincip.

26)

På nuværende tidspunkt finder Kommissionen, at den offentlige medfinansiering af multiarenaens opførelse udgør en fordel, og at der dermed er tale om statsstøtte, eftersom medfinansieringen utvivlsomt ikke er i overensstemmelse med det markedsøkonomiske investorprincip og afhjælper et markedssvigt (projektet ville ikke blive gennemført uden offentlig støtte). Kommissionen er derfor ikke på nuværende tidspunkt i stand til at udelukke, at der kan være tale om en økonomisk fordel på operatør- og brugerplan.

27)

Hvad angår driften, så skal de nøjagtige betingelser for valget af operatør og for aftalen mellem operatøren og arenaselskabet undersøges nærmere.

28)

Hvad angår statsstøtte på brugerplanet, så skal det undersøges nærmere, om det sikres, at multiarenaen vil blive anvendt på ikke-diskriminerende vilkår uden favorisering af nogen specifik virksomhed og på markedsvilkår. Dette er især nødvendigt, fordi det er tilkendegivet, at der kan gives incitamenter eller fordele til enhver hyppig eller tilbagevendende bruger eller lejer af multiarenaen eller til dens sponsorer eller forretningspartnere.

29)

I realiteten kan enhver virksomhed, der ejer, anvender eller forvalter en del af faciliteterne få gavn af støtten, med mindre disse virksomheder betaler priser, der tilsvarer prisen for sammenlignelige faciliteter på det relevante marked.

30)

På nuværende tidspunkt kan Kommissionen således ikke udelukke, at den anmeldte foranstaltning omfatter statsstøtte på både operatør- og brugerplan. I særdeleshed er det nødvendigt med yderligere undersøgelser for at efterprøve, om valget af og aftalen med operatøren kan siges at være baseret på markedsvilkår, idet der også tages hensyn til de ovenfor nævnte bemærkninger fra tredjeparter. Hvad angår brugerplanet, så skal det efterprøves, om alle potentielle brugere har adgang til multiarenaen på lige og ikke-diskriminerende vilkår.

31)

Kommissionens foreløbige vurdering viser således, at det ikke på noget plan (opførelse, drift eller brug) kan udelukkes, at der er tale om en selektiv økonomisk fordel, og at projektet derfor kan omfatte statsstøtte. Desuden vil den offentlige medfinansiering af multiarenaen, uden hvilken arenaen ikke ville blive opført, højst sandsynligt fordreje eller true med at fordreje konkurrencevilkårene. Eftersom markedet for afholdelse af internationale arrangementer er åbent for konkurrence mellem facilitetsoperatører og tilrettelæggere af arrangementer, der generelt er involveret i aktiviteter, som er genstand for samhandel mellem medlemsstater, kan det antages, at der vil ske en påvirkning af samhandelen. I denne sag er det endda endnu mere sandsynligt, at der vil ske en påvirkning af samhandelen mellem visse nabomedlemsstater på grund af placeringen af den planlagte multiarena. Desuden fandt Retten i sin nylige kendelse vedrørende Ahoy-komplekset i Nederlandene, at der ikke var nogen grund til at begrænse definitionen af markedet til den omtalte medlemsstats område (10).

32)

På nuværende tidspunkt og på grundlag af sin foreløbige vurdering kan Kommissionen således ikke udelukke, at den anmeldte foranstaltning omfatter elementer, der kan betragtes som statsstøtte i henhold til artikel 107, stk. 1, i traktaten om Den Europæiske Unions funktionsmåde. Under de ovenfor nævnte omstændigheder er det således nødvendigt at overveje, om foranstaltningen kan betragtes som værende forenelig med det indre marked.

5.2.   Forenelighedsundersøgelse

33)

De danske myndigheder har gjort gældende, at hvis foranstaltningen skal betragtes som statsstøtte, så må den være forenelig med det indre marked i henhold til artikel 107, stk. 3, i traktaten om Den Europæiske Unions funktionsmåde. Før en foreslået foranstaltning kan betragtes som forenelig med det indre marked i henhold til denne undtagelse, skal Kommissionen undersøge, om foranstaltningen forfølger en politisk målsætning af fælles interesse, og om den er nødvendig og proportionel og ikke fordrejer konkurrencevilkårene urimeligt.

34)

Hvad angår virkeliggørelsen af en politisk målsætning af fælles interesse, skal det bemærkes, at opførelsen af faciliteter beregnet til sport og andre offentlige arrangementer, og som understøtter forskellige typer aktiviteter til gavn for offentligheden, kan betragtes som et statsansvar, særligt i lyset af Amsterdam-traktatens Erklæring om sport og artikel 165 i traktaten om Den Europæiske Unions funktionsmåde. Opførelsen af faciliteter som multiarenaen indebærer desuden en stor og risikabel investering, som markedet muligvis ikke er i stand til at gennemføre på egen hånd.

35)

Hvad angår den anmeldte foranstaltnings nødvendighed og proportionalitet, så noterer Kommissionen sig det anførte behov for kapacitetsudvidelse, grundet at den kapacitet, som de eksisterende lignende faciliteter kan tilbyde, er utilstrækkelig og derfor uegnet til visse typer arrangementer, osv. (ifølge de danske myndigheder har ingen andre lignende faciliteter i København kapacitet og fleksibilitet til at tiltrække væsentlige internationale sportsarrangementer og shows). I den henseende bør det også bemærkes, at multiarenaen til en vis grad vil overlappe med anden infrastruktur (der findes andre lignende faciliteter både i nærheden og i nærtliggende byer/lande), og på nuværende tidspunkt er det ikke blevet tilstrækkeligt begrundet, hvorfor behovet for yderligere kapacitet ikke kan opfyldes af private aktører eller ved at benytte de eksisterende lignende faciliteter i Danmark. De danske myndigheders argument om, at multiarenaen muliggør afholdelsen af en række arrangementer, som angiveligt ikke kan finde sted i København på nuværende tidspunkt, og at multiarenaen således øger antallet af arrangementer og kun i begrænset udstrækning konkurrerer om arrangementer, som kan antages alligevel at ville være blevet afholdt i København, skal undersøges yderligere, særligt i lyset af de indsendte klager. Det er ligeledes nødvendigt yderligere at vurdere, om den offentlige finansiering virkelig er begrænset til det strengt nødvendige, og om den står i forhold til sit mål. Hvis det desuden også viser sig, at der er tale statsstøtte til multiarenaen på drifts- og brugsplan, så vil det være nødvendigt at undersøge nærmere, om kravene om nødvendighed og proportionalitet er opfyldt (dvs. at undersøge de nøjagtige betingelser for valg af operatør og aftalen mellem operatøren og arenaselskabet).

36)

På baggrund af sin foreløbige vurdering er Kommissionen således i tvivl om, hvorvidt det anmeldte projekt kan betragtes som foreneligt med det indre marked i henhold til artikel 107, stk. 3, litra c), hvad angår alle tre mulige planer for støtte (opførelse, drift og brug).

37)

På nuværende tidspunkt har Kommissionen ikke foretaget en vurdering af andre mulige undtagelser, i henhold til hvilke foranstaltningen kunne blive betragtet som forenelig med det indre marked. De danske myndigheder har ikke fremført yderligere specifikke argumenter i den henseende.

6.   KONKLUSION

På grundlag af de oplysninger, som de danske myndigheder og tredjeparter har indgivet, finder Kommissionen efter sin foreløbige vurdering, at finansieringen af en ny multiarena i København – inden for rammerne af det ovenfor beskrevne projekt – kan udgøre statsstøtte som omhandlet i artikel 107, stk. 1, i traktaten om Den Europæiske Unions funktionsmåde.

38)

Kommissionen er som anført ovenfor i tvivl om, hvorvidt den potentielle statsstøtte er forenelig med det indre marked.

39)

I betragtning af disse tvivlsspørgsmål og af den potentielle statsstøttes indvirkning på private operatørers investeringer synes det påkrævet, at Kommissionen indleder en formel undersøgelsesprocedure.

40)

Endelig vil indledningen af proceduren gøre det muligt for interesserede tredjeparter at fremsætte bemærkninger til de spørgsmål, som dette projekt rejser.

41)

I lyset af de ovennævnte betragtninger opfordrer Kommissionen efter proceduren i artikel 108, stk. 2, i traktaten om Den Europæiske Unions funktionsmåde Danmark til senest en måned efter modtagelsen af dette brev at fremsætte sine bemærkninger hertil og fremsende alle oplysninger, der måtte være nyttige for vurderingen af støtten/foranstaltningen. Kommissionen opfordrer myndighederne til straks at sende en kopi af dette brev til den potentielle støttemodtager.

42)

Kommissionen minder Danmark om, at artikel 108, stk. 3, i traktaten om Den Europæiske Unions funktionsmåde har opsættende virkning, og henviser til artikel 14 i Rådets forordning (EF) nr. 659/1999, hvor det er fastsat, at ulovligt udbetalt støtte kan kræves tilbagebetalt af støttemodtageren. I den henseende skal Danmark bekræfte, at der ikke er udbetalt støtte til dette projekt, og at Danmark vil overholde standstill-forpligtelsen, dvs. at støtten først kan ydes efter Kommissionens godkendelse, så den foreslåede foranstaltning ikke gennemføres, før Kommissionen har godkendt den (11). I modsat fald vil foranstaltningen blive betragtet som ulovlig (ikke-anmeldt) støtte.

43)

Kommissionen gør Danmark opmærksom på, at den vil underrette interesserede parter ved at offentliggøre dette brev samt et fyldestgørende resumé af det i Den Europæiske Unions Tidende. Kommissionen underretter ligeledes interesserede parter i de EFTA-lande, der har undertegnet EØS-aftalen, ved offentliggørelse af en meddelelse i EØS-tillægget til De Europæiske Fællesskabers Tidende, samt EFTA-Tilsynsmyndigheden ved fremsendelse af kopi af dette brev. Alle interesserede parter vil blive opfordret til at fremsætte deres bemærkninger senest en måned efter meddelelsens offentliggørelse.

44)

Det skal også bemærkes, at denne afgørelse på ingen måde foregriber andre analyser, som Kommissionen eventuelt måtte udføre, for så vidt angår overholdelsen af EU's regler for offentlige indkøb.”


(1)  Selv om Realdania tilstræber at skabe overskud på sit virke, er fonden ikke en profitmaksimerende virksomhed, men en filantropisk fond, der beskriver sit formål således: "Vi støtter og igangsætter projekter inden for det byggede miljø til gavn for almenvellet." Se www.realdania.dk.

(2)  De samlede udgifter på 1 100 mio. DKK inkluderer de anslåede udgifter til renter samt pris- og lønregulering indtil 2015.

(3)  Udvalget har til formål at opgradere idrætsfaciliteter til en standard, som gør det muligt at afholde sportsarrangementer på internationalt niveau. Det finansieres delvist af den danske stat.

(4)  Kontrakten med den valgte operatør forventes at få en varighed på 25 år. I februar 2012 modtog Kommissionen meddelelse om, at udbuddet af operatøropgaven var afsluttet, og at der var blevet valgt en operatør. Danmark skal bekræfte, at der ikke er blevet udbetalt støtte til projektet, herunder til den valgte operatør, og at standstill-forpligtelsen overholdes (se afgørelsens punkt 43).

(5)  De danske myndigheder har bekræftet, at udbudsrunden om valg af operatør er funderet på gennemsigtige, objektive og ikke-diskriminerende vilkår og krav, at den relative vægtning af de enkelte delkriterier er fastlagt på forhånd, og at pris indgår som et vigtigt kriterium i den samlede vurdering.

(6)  Forretningshemmelighed

(7)  DIF er hovedorganisation for 61 specialforbund med et samlet medlemsantal på over 1,6 millioner fordelt på ca. 10 700 sportsforeninger. Ud over at være ansvarlig for både elite- og breddeidræt er DIF national olympisk komité og er således ansvarlig for den danske deltagelse ved OL.

(8)  Med virkning fra den 1. december 2009 er EF-traktatens artikel 87 og 88 blevet til henholdsvis artikel 107 og 108 i traktaten om Den Europæiske Unions funktionsmåde. De to sæt bestemmelser er i alt væsentligt identiske. I denne afgørelse skal henvisninger til artikel 107 og 108 i traktaten om Den Europæiske Unions funktionsmåde efter omstændighederne forstås som henvisninger til EF-traktatens artikel 87 og 88.

(9)  Forenede sager T-455/08 og T-443/08.

(10)  Rettens kendelse af 26. januar 2012, præmis 45, sag T-90/09, Mojo Concerts og Amsterdam Music Dome Exploitatie mod Kommissionen.

(11)  Se artikel 3 i Rådets forordning (EF) nr. 659/1999 af 22. marts 1999 om fastlæggelse af regler for anvendelsen af EF-traktatens artikel 93 (nu artikel 88) i EF-traktaten (EFT L 83 af 27.3.1999, s. 1-9).


30.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 152/18


STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN — ZWEDEN

Steunmaatregel SA.33618 (12/C) (ex 11/N) — Arena in Uppsala

Uitnodiging tot het indienen van opmerkingen overeenkomstig artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

(Voor de EER relevante tekst)

2012/C 152/07

De Commissie heeft Zweden bij schrijven van 21 maart 2012, dat na deze samenvatting in de authentieke taal is weergegeven, in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ten aanzien van bovengenoemde steunmaatregel.

Belanghebbenden kunnen hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregel ten aanzien waarvan de Commissie de procedure inleidt, kenbaar maken door deze binnen een maand vanaf de datum van de bekendmaking van deze samenvatting en de onderstaande brief te zenden aan:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Directoraat C

Wetstraat 200

1049 Brussel

BELGIË

Fax +32 22961242

Deze opmerkingen zullen ter kennis van Zweden worden gebracht. Een belanghebbende die opmerkingen maakt, kan, met opgave van redenen, schriftelijk verzoeken om vertrouwelijke behandeling van zijn identiteit.

TEKST VAN DE SAMENVATTING

Procedure

De Zweedse autoriteiten hebben de Europese Commissie in kennis gesteld van een maatregel voor een nieuwe arena in Uppsala, Zweden.

Beschrijving van de steunmaatregel

De Uppsala-arena zal bestemd zijn voor verschillende sporten (ijshockey, basketbal, floorball, handbal en paardensport), verschillende soorten recreatieve evenementen (concerten, shows voor gezinnen, televisieproducties en gala-evenementen), alsook voor diverse bijeenkomsten (congressen, conferenties, bedrijfsvergaderingen, handelsbeurzen, ondernemingsevenementen en kerkbijeenkomsten). In de grootste ruimte van de arena zullen 8 500 bezoekers kunnen worden ondergebracht bij sportevenementen en 10 000 bij conferenties en concerten.

De partijen bij het project zijn de gemeente Uppsala, de Arena Company, de Property Company en de Events Company. Het budget voor de arena is 650 miljoen SEK (72 miljoen EUR). De gemeente zou 150 miljoen SEK (16,5 miljoen EUR) bijdragen. De rest zal voornamelijk worden gefinancierd met leningen en voor een deel met particuliere investeringen. De arena wordt eigendom van de Property Company, die op haar beurt het eigendom wordt van particuliere investeerders. De gemeente zal derhalve geen aandeel hebben in de arena, noch enige invloed hebben op de activiteiten van de Property Company. Als waarborg voor haar bijdrage, krijgt de gemeente een koopoptie op de Property Company. De arena moet worden gebouwd op grond van de gemeente. Hiervoor zal een erfpachtovereenkomst worden gesloten tussen Property Company en de gemeente met een looptijd van 50 jaar.

De exploitatie van de arena komt in handen van de Events Company (die eigendom is van particuliere investeerders). De gemeente zal een aparte huurovereenkomst sluiten met de Events Company voor het regelen van, onder andere, het gebruik van de ijsbaan door sportbonden en het algemene publiek, alsook van het gebruik van de arena door de gemeente voor eigen activiteiten. Wat het gebruik van de arena betreft, moet de Events Company ervoor zorgen dat die toegankelijk is voor het algemene publiek op voet van gelijkheid en voor een huurprijs onder marktvoorwaarden.

Beoordeling van de steunmaatregel

Na een eerste beoordeling betwijfelt de Commissie dat de maatregel geen staatssteun inhoudt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Met name blijkt uit deze beoordeling dat een selectief economisch voordeel niet op alle niveaus (bouw, exploitatie en gebruik) kan worden uitgesloten. Bovendien is het meer dan waarschijnlijk dat de openbare medefinanciering, die zich zou beperken tot het financieringstekort (dat geen andere marktspeler bereid is te financieren) en zonder welke er niet genoeg middelen zouden zijn om de arena te bouwen, de mededinging vervalst of op zijn minst dreigt te vervalsen. Hoewel de meeste activiteiten die in de arena zullen plaatsvinden een lokaal karakter vertonen, zal de arena de capaciteit hebben om ook grote, internationale evenementen onder te brengen, en bijgevolg kan enige invloed op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten niet worden uitgesloten. In dit stadium en op grond van haar eerste beoordeling is de Commissie daarom van oordeel dat de aangemelde maatregel staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU kan inhouden.

Gezien het bovenstaande is het derhalve noodzakelijk na te gaan of de maatregel als verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU kan worden beschouwd. Daarbij moet worden onderzocht of de maatregel een beleidsdoel van gemeenschappelijk belang nastreeft, alsook of dit noodzakelijk en evenredig is en geen ongerechtvaardigde vervalsing van de mededinging veroorzaakt. Na haar eerste beoordeling betwijfelt de Commissie of het voorgenomen project in dit stadium en op alle drie niveaus van mogelijke staatssteun (bouw, exploitatie en gebruik) als verenigbaar met artikel 107, lid 3, onder c), VWEU kan worden beschouwd.

Wegens deze twijfels en het effect van potentiële staatssteun op investeringen van de particuliere sector blijkt het noodzakelijk dat de Commissie een formele onderzoeksprocedure inleidt.

TEKST VAN DE BRIEF

„The Commission wishes to inform Sweden that, after having examined the information supplied by your authorities on the measure referred to above, it has decided to initiate the procedure laid down in Article 108(2) of the Treaty on the Functioning of the European Union.

1.   PROCEDURE

(1)

On 7 December 2012, the Swedish authorities notified the European Commission a measure for a new arena in Uppsala following a pre-notification phase. On 17 January 2012, the Commission sent a request for information. The Swedish authorities submitted their reply on 16 February 2012. The Swedish authorities have provided a language waiver and agree that the decision will be adopted in English as the authentic language.

2.   DESCRIPTION OF THE MEASURE

(2)

The parties involved in the Uppsala Arena project are the municipality of Uppsala (1) (hereafter the "municipality"), the Arena Company, the Property Company and the Events Company. The Arena Company will manage and coordinate the Arena project until the Property Company and Events Company have been formed. The Arena Company is thus the only one of the three companies which currently exists. It is owned by the private companies SH Bygg (45 %), Aros Holding (45 %) and the sports association Almtuna IS (10 %).

(3)

In order to meet the current and future need for new facilities for sports and cultural events, the municipality of Uppsala claims, based on the result of studies made (2), that a multifunctional facility of the size of the arena must be constructed.

(4)

The arena will be designed for several types of sports (ice hockey, basketball, floor ball, handball and equestrian sports), several types of entertainment events (concerts, family shows, TV productions and gala events) as well as various types of meetings (congresses, conferences, company meetings, trade fairs, corporate events and church meetings). The largest “arena room” will have the capacity to take 8,500 visitors at sport events and 10,000 at conventions and concerts. (3) The arena will also house a gym and restaurants.

(5)

There are six existing arenas/concert halls in Uppsala (four owned by the municipality and two privately owned). In addition, there are other large arenas within 1-2 hours distance from Uppsala, i.a. in Stockholm. The new arena is to be located next to the present Gränby Ice Rink (the largest existing indoor arena in Uppsala). However, the municipality claims that the present capacity is insufficient to meet the needs for arena space and does not allow hosting of larger sports and cultural events and that alternative means of expansion would be more expensive for the municipality (4).

(6)

The municipality had hoped that private investors would be able to finance the realization of the arena without municipal intervention. However, this has proven impossible.

2.1.   Construction and Ownership

(7)

The arena will be owned by the Property Company which in turn will be owned exclusively by private investors (currently not known which these will be). The municipality will thus not own any part of the arena nor have any influence over the activities of the Property Company. As regards security for its contribution, the municipality will receive an option to purchase the Property Company.

(8)

The key elements of the option are as follows: The option may not be exercised prior to the expiry of 5 years and after the expiry of 25 years from the date it comes into force; the option shall be transferable and may not be disposed of prior to the expiry of 5 years; and the option holder shall pay a fee for exercising the option […] (5). The option is allegedly valued, in the most likely scenario, i.e. the base scenario, at […]. From the municipal's perspective, the value of the option lies primarily in the fact that the option can be sold in the future for a profit to someone that has a real interest in owning and operating the arena.

(9)

The Arena Project is budgeted at SEK 650 million (EUR 72 million). The municipality would contribute with a grant of SEK 150 million (EUR 16.5 million), the rest will be financed mainly by loans and to a certain extent by investments from private investors. The Property Company will receive SEK 15 million from the municipality, as an advance payment, once/if the project is found compatible with the internal market by the Commission for building planning and design work. The remaining amount of the municipal grant will only be provided once binding agreements regarding the private funding have been secured. Private investors shall contribute SEK 75–100 million (EUR 8-11 million) in a financial instrument, the exact form is under negotiation. The Property Company will take up loans of between SEK 400–425 million (EUR 44-47 million) for which the municipality will not guarantee any commitments. The lenders will take security in the arena.

(10)

The arena is to be constructed on the municipality’s land, for which a site leasehold agreement will be entered into between the Property Company and the municipality with duration of 50 years. The lease shall be SEK 50,000 per year (EUR 5,500), which is claimed to be on market terms.

2.2.   Operation and Use

(11)

The operation of the arena will be conducted by the "Events Company" (owned by private investors, which will not at the same time own shares of the property Company). The Events Company will handle the letting and booking of the arena and shall enter into a lease agreement with the Property Company for this purpose. There are currently […] letters of intent from different private companies with experience from operating similar businesses.

(12)

Separately, the municipality will enter into a lease agreement with the Events Company in order to regulate, inter alia, ice times for sports associations and the general public, as well as the municipality’s use of the arena for its own events. The basic features of the lease are the following: The lease will be for 25 years with a rent of SEK 15 million (EUR 1.7 million) per year, indexed annually according to consumer price index (however the first four years the municipality will pay two years rent in advance each year). In return, the municipality shall be entitled to use the arena around 20 % of the total possible use of the Arena (on its own behalf or sublease to a third party). Besides the municipality's rent, the arena is estimated to have other revenues of initially SEK 30 million per year (EUR 3.3 million).

(13)

Regarding the use of the arena, the Events Company has to ensure that the arena is made available to the general public on market terms and under non-discriminatory conditions. Thus, the arena is claimed to be multifunctional open to all with no main user.

3.   THE VIEWS OF THE SWEDISH AUTHORITIES

(14)

The Swedish authorities have, for the purpose of the notification, assumed the presence of aid with regard to the proposed measure and only claim compatibility.

(15)

If the arena project would involve state aid, the Swedish authorities argue that it should be considered compatible with the internal market under article 107(3)(c) TFEU. They argue that in particular the following should be taken into consideration:

The arena satisfies a well-defined objective of common interest in light of the arena's multifunctional character and present lack of facilities capacity in Uppsala, the municipality will be fulfilling its responsibility to the general public by making the arena project possible.

The necessity of the arena is based on the fact that the current arena capacity is not enough and not of the modern design that is demanded for current and future needs of which several studies have been made. (6) The current sports and cultural facilities in Uppsala are out of date and hence the arena will not compete with any of the arenas that are used today.

There is a market failure (the project would not be realised in the absence of public co-funding as without the municipal contribution there will not be enough funds to finance the arena project, the lease is necessary in order for the municipality to be granted access to the arena, and the site leasehold is essential as only the municipality can provide a place for the arena);

The public co-funding is limited to the strictly necessary in order to realise the project (the municipal contribution is limited to the funding gap i.e. what no other market actors are willing to contribute), the lease that the municipality will pay for 20 % of the arena's capacity is fair and on market terms (the municipality is paying a lower hourly price than the Events Company) and the site leasehold is the same as that paid by other site leasehold interest holders in Uppsala to the municipality for land that can only be used for the building of sports facilities;

Alternatives are more expensive or not realistic. A possibility would be to maintain the existing arena (Gränby Ice Rink) without any expansion of capacity, however this would not be a realistic alternative to the arena because it would not solve the need for new capacity and the costs for operation and maintenance of an unchanged Gränby Ice Rink are particularly high (7). A realistic alternative to the arena could be to expand the capacity of Gränby Ice Rink, although this would involve higher costs for the municipality (8) and the arena would not be in a position to satisfy the need for facilities to host larger events. Thus, the alternatives to the arena do no fulfil the need for facilities.

Limited, if any, effect on competition and trade between member States since the economic activities are mostly local and thus do not significantly affect trade between EU member States. In addition the private facilities in the municipality have different profiles and cannot be considered to compete for the same audiences as the arena.

4.   ASSESSMENT OF THE MEASURE

4.1.   Existence of aid within the meaning of Article 107(1) of the TFEU  (9)

(16)

According to Article 107(1) TFEU, "any aid granted by a Member State or through State resources in any form whatsoever which distorts or threatens to distort competition by favouring certain undertakings or the production of certain goods shall, in so far as it affects trade between Member States, be incompatible with the internal market".

(17)

In order to be classified as a state aid, the notified project must thus fulfil the following cumulative conditions: 1) the measure must be granted through State resources; 2) it has to confer an economic advantage to undertakings; 3) this advantage must be selective and distort or threaten to distort competition; and 4) the measure must affect intra-Community trade.

(18)

With regard to the requirement that the measure must be granted through State resources and attributable to the State, this criterion is clearly fulfilled in this case as the municipality of Uppsala itself will contribute with a direct grant, pay rent for use of the arena and provide the land where the arena is to be built. Municipalities, like Uppsala, are public authorities and part of the State and their resources thereby deemed attributable to the State.

(19)

The Commission is of the opinion that both the construction and operation of an infrastructure constitute an economic activity in itself (and are thus subject to state aid rules) if that infrastructure is, or will be used, to provide goods or services on the market. In this case, the arena is intended for e.g. music, culture and sport events on a commercial basis, i.e. for the provision of services on the market. This view has been confirmed by the General Court in Leipzig/Halle. (10) Consequently in infrastructure cases, aid may be granted at several levels: construction, operation and use of the arena.

(20)

Regarding the construction, according to the Swedish authorities, the municipality had initially hoped that private investors would finance the realization of the arena, but it has proven impossible to carry out the project without public funding. The direct grant by the municipality is thus claimed to be necessary, as without it there will not be enough funds to finance the arena project. In return for its contribution, the municipality will receive access to the arena (through a lease agreement) and an option to purchase the Property Company (see paragraph (8) above). The lease agreement, and its relatively long duration, is claimed to be necessary and also reducing risk since the municipality is expected to be an essential customer of the arena. If the municipality would abstain from using the arena, the prerequisites of the project would, according to Sweden, change dramatically. The municipality is also essential for the purpose of the site leasehold, as this measure, allegedly, can only be taken by the municipality. According to the Commission, at least at this stage, the public co-financing of the construction of the arena would constitute an economic advantage and thus aid, since the project would admittedly not be realised in the absence of public funding and the municipality's participation (direct grant, lease agreement and site leasehold) is essential to the arena project as a whole.

(21)

The operation of the Uppsala arena will be carried out by the Events Company, which will be a wholly privately owned company devoted to making the arena as profitable as possible. The municipality will not be involved in selecting the companies that will ultimately make up the ownership and management of the Events Company, as this selection will be coordinated by the Arena Company together with the Property Company, with the expressed condition that the Events Company and the Property Company will not be part of the same corporate group. At this stage, the details of the selection criteria are, at least to the Commission, not clear. The Swedish authorities have stated that "it is reasonable to assume that the selection criteria will be rational and business-focused" and that "the criteria will include experience and knowledge of the events, sports and restaurant markets and commitment to the Events Company". So far […] letters of intent have been signed by private companies interested in becoming involved in the Events Company.

(22)

Regarding the operation of the Uppsala arena, and as explained above, this will be assigned to a predetermined company and the conditions of the lease agreement between the operator and the owner are unclear. Unless the conditions are market-conform, aid from the investment could be passed on to the operator. In addition, the municipality will enter into a lease agreement with the operator. The lease agreement shall be for 25 years with a basic rent of SEK 15 million (EUR 1.7 million) per year (however during the first four years of the agreement the municipality will pay two years rent in advance each year) in return for use of around 20 % of the total possible use of the arena. At this stage, the Commission takes the view that it is very unlikely that such conditions could be considered to represent market terms (e.g. the long duration of 25 years and the amount appears high in relation to the return). This could also point to the existence of aid at the operator level. The Commission can therefore not on the evidence available rule out state aid to the operator of the Uppsala arena. Thus, both the precise details of the selection process and criteria for the operator and its lease agreement with the Property Company would need to be clarified..

(23)

Regarding aid at the user level, it needs to be further verified whether use of the arena will be ensured on a non-discriminatory basis without favouring any specific undertaking(s) and on market terms. This is particularly so as there are indications that it may be intended mainly for elite sports associations and/or that it may become the home arena for (a) certain sport association(s).

(24)

In fact, the potential beneficiaries of the measure could be all undertakings, which can own, use or manage part of the facilities benefiting from the aid, unless these undertakings would pay comparable prices for comparable facilities on the same relevant market.

(25)

Considering the above and in particular the lack of details regarding the selection of the operator and its lease agreement with the Property Company, and possible main user(s) and its/theirs economic activities, the Commission is not, at this stage, in a position to rule out an economic advantage at the operator and user levels.

(26)

Thus, the preliminary assessment of the Commissions shows that a selective economic advantage cannot be excluded at any level (construction, operation and use) and consequently the project would involve state aid. In addition, the public co-financing of the arena, which allegedly is limited to the funding gap (i.e. that no other market actors are willing to contribute) and thus without the municipal contribution there would not be enough funds to finance the arena, would most likely thereby distort, or at least, threaten to distort competition. Even if most of the activities which are to be carried out in the arena are of local character, the arena will have the capacity to host large international events as well, and thus an effect on competition and trade between Member States cannot be excluded. It has also been stated that the majority of the arena's capacity will have to be rented out commercially in fierce competition in order for the arena to be profitable. Moreover, the General Court has recently, in its Order concerning the Ahoy complex in the Netherlands, held that there was no reason to limit the market for use of this type of facilities to the territory of that Member State. (11)

(27)

Therefore, at this stage and based on its preliminary assessment, the Commission cannot exclude that the notified measure includes elements of state aid within the meaning of Article 107(1) TFEU. Under the conditions referred to above, it is thus necessary to consider whether the measure can be found to be compatible with the internal market.

4.2.   Compatibility assessment

(28)

The Swedish authorities argued that if the measure was found to constitute state aid, this should be declared compatible under article 107(3)(c) TFEU. In order for a proposed measure to be found compatible with the internal market under this derogation, the Commission examines whether it pursues a policy objective of common interest, as well as whether it is necessary and proportional and does not cause undue distortion of competition.

(29)

With regards to the achievement of a policy objective of common interest, it is noted that the construction of venues for sport and other public events and supporting different types of activities which benefit the general public can be considered as a State responsibility, particularly in light of the Amsterdam Declaration on Sport and article 165 TFEU. In addition, the construction of arenas implies a large and risky investment which the market may not be able to carry out entirely on its own.

(30)

Concerning necessity and proportionality of the proposed measure, the Commission notes the alleged need of additional arena capacity as there is a lack of capacity in existing arenas and/or existing arenas would be inappropriate for certain types of events etc (e.g. the Swedish authorities claim that the existing facilities have become outdated and would need to be modernised if they are to meet the modern requirements of the public and that the privately owned facilities typically arrange only smaller types of events). In this respect it should also be noted that the arena would, at least to some extent, result in duplication of infrastructures (other arenas exist both directly in the areas and in nearby cities/countries) and at this stage it has not yet been sufficiently justified why the need of the arena's additional capacity cannot be met by private actors or by use of the existing arenas in Uppsala and/or expansion thereof. The argument that expanding and/or renovating existing arenas would be more expensive can easily be questioned as the costs of the municipality for the construction and use of the new arena would be SEK 150 million, EUR 16.5 million, (direct grant) + SEK 15 million/year (EUR 1.7 million) for 25 years for use of 20 % of the arena capacity. Consequently it would need to be further justified how/why expanding/renovating the existing arena (located next to the proposed new arena) would be more expensive than constructing the new proposed arena. Moreover, it would also need to be further assessed whether the public financing is indeed limited to the strictly necessary and whether it is proportionate in order to achieve its objective. Furthermore, in case state aid would also be found at the level of operation and use of the arena, it would need to be further examined (e.g. the selection of the operator and its agreement with the Property Company) whether the necessity and proportionality requirements are fulfilled.

(31)

With regards to the user level, the openness to all potential users and, access conditions should be further verified and/or justified in particular taking into account how much the arena appears to be intended/used by elite sports associations and/or may become the home arena for (a) certain sport association(s). It should also be further examined whether the municipality's foreseen use of the arena (approximately 20 % of the time), really means that the arena is open to the general public.

(32)

Consequently, following its preliminary assessment, the Commission has doubts whether the proposed project could be deemed compatible under Article 107(3)(c) TFEU, at this stage at all three levels of possible aid (construction, operation and use) in accordance with the above.

(33)

At this stage, the Commission has not carried out an assessment with respect to other possible derogations, under which the measure could be found compatible with the internal market. In this respect, the Swedish authorities did not bring forward any further specific arguments.

5.   CONCLUSION

(34)

Based on the information submitted by the Swedish authorities, the Commission, after carrying out the preliminary assessment, is of the opinion that the financing by the municipality of Uppsala of a new arena in Uppsala - within the context of the project as outlined above – might constitute state aid within the meaning of Article 107(1) TFEU. As outlined above, the Commission has doubts as regards the compatibility of the potential state aid with the internal market.

(35)

Given these doubts and the impact of potential state aid on the investments of private operators it appears necessary that the Commission opens the formal investigation procedure.

(36)

Finally, the opening of the procedure enables interested third parties to comment on the questions raised by this project.

(37)

In the light of the foregoing considerations, the Commission, acting under the procedure laid down in Article 108(2) of the Treaty on the Functioning of the European Union, requests Sweden to submit its comments and to provide all such information as may help to assess the aid/measure, within one month of the date of receipt of this letter. It requests your authorities to forward a copy of this letter to the potential recipient of the aid immediately.

(38)

The Commission wishes to remind Sweden that Article 108(3) of the Treaty on the Functioning of the European Union has suspensory effect, and would draw your attention to Article 14 of Council Regulation (EC) No 659/1999, which provides that all unlawful aid may be recovered from the recipient. In this respect, Sweden is to confirm that no aid has been paid with regards to this project and that the standstill obligation, i.e. that the aid can only be granted after the Commission has approved the aid, will be respected and thus the proposed measure will not be put into effect before it has been authorised by the Commission. (12) If not, the measure is considered as unlawful (non-notified) aid.

(39)

The Commission warns Sweden that it will inform interested parties by publishing this letter and a meaningful summary of it in the Official Journal of the European Union. It will also inform interested parties in the EFTA countries which are signatories to the EEA Agreement, by publication of a notice in the EEA Supplement to the Official Journal of the European Union and will inform the EFTA Surveillance Authority by sending a copy of this letter. All such interested parties will be invited to submit their comments within one month of the date of such publication.

(40)

It should also be noted that this decision in no way prejudges any possible further analysis by the Commission as far as compliance with EU public procurement rules is concerned.

(41)

The Commission notes that Sweden has agreed that the decision shall be adopted in English as the authentic language.”


(1)  Uppsala is the fourth largest city in Sweden (located approx. 70 km north of Stockholm).

(2)  For the Uppsala Arena, several surveys have been submitted e.g. a survey on the needs for facilities for organized sports associations in Uppsala, the result thereof showed that currently only around 70 % of the need for facilities for major sports in Uppsala is being satisfied and thus the lack of capacity would correspond to approximately 30 %. Another questionnaire amongst the residents of Uppsala in which 37 % of the residents believe that the Municipality should invest in sports halls, arenas and stadiums (the second most required investment after bike and walking paths), and that investments in sport events are preferred by 16 %.

(3)  The larger of the two wings of the Arena will have the capacity to take 2,000 visitors at sports and 3,500 visitors at congresses and concerts. The smaller of the two wings of the Arena will have the capacity to take around 1,000 visitors at any event and the “conference room” of the Arena has room for 10-400 visitors.

(4)  E.g. only maintaining the existing Gränby Ice Rink without any expansion of capacity would allegedly not be a realistic alternative, because it would not solve the need for new capacity and expanding the capacity of Gränby Ice Rink would allegedly involve higher costs for the municipality.

(5)  Business secret

(6)  See footnote 2 above.

(7)  The current value of maintaining the existing Gränby Ice Rink for the next 25 years is SEK 430 million (EUR 48.4 million) at a discount interest if 8 %.

(8)  As regards the alternative of expanding the capacity of Gränby Ice Rink, it would increase the costs further and the current value of the costs for an expansion is SEK 455 million (EUR 51.3 million). The municipality's rent payments for the arena, in comparison, would allegedly be at the current value of SEK 382 million (EUR 43 million).

(9)  With effect from 1 December 2009, Articles 87 and 88 of the EC Treaty have become Articles 107 and 108, respectively, of the TFEU. The two sets of provisions are, in substance, identical. For the purposes of this Decision, references to Articles 107 and 108 of the TFEU should be understood as references to Articles 87 and 88, respectively, of the EC Treaty where appropriate.

(10)  Joint cases T-455/08 and T-443/08.

(11)  Case T-90/09, Mojo Concerts BV and Amsterdam Music Dome Exploitatie BV v. the European Commission, Order of the General Court of 26/01/2012, paragraph 45.

(12)  See Article 3 of Regulation 659/1999, Council Regulation No 659/1999 of 22 March 1999 laying down detailed rules for the application of Article 93 (now Art.88) of the EC Treaty. Official Journal L 83/1, 27.03.1999, p. 1-9.


30.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 152/24


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.6603 — Hon Hai/Sharp/Sharp Display Products)

(Voor de EER relevante tekst)

2012/C 152/08

1.

Op 21 mei 2012 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Hon Hai Precision Industry Co. („Hon Hai”, Taiwan) en Sharp Corporation („Sharp”, Japan) in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de EG-concentratieverordening de gezamenlijke zeggenschap verkrijgen over Sharp Display Products Corporation („SDP”, Japan) door de verwerving van aandelen.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

Sharp: vervaardiging en verkoop van een breed gamma consumptiegoederen, IT-producten en elektronische onderdelen,

Hon Hai: aanbieder van diensten op het gebied van de vervaardiging van elektronische producten aan OEM's; vervaardiging en verkoop van een beperkt gamma elektronische producten en onderdelen onder haar eigen merknaam,

SDP: vervaardiging en verkoop van dunnefilmtransistor-LCD's („TFT-LCD”).

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde transactie binnen het toepassingsgebied van de EG-concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden.

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per faxbericht (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer COMP/M.6603 — Hon Hai/Sharp/Sharp Display Products, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

J-70

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 (de „EG-concentratieverordening”).


30.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 152/25


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.6517 — The Klesch Group/Arkema's Vinyl Products business)

Voor een vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

2012/C 152/09

1.

Op 21 mei 2012 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Klesch Group Limited, die onder zeggenschap staat van Klesch Group („The Klesch Group”, Malta), in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de EG-concentratieverordening de volledige zeggenschap verkrijgt over de divisie Vinyl Products van Arkema door de verwerving van aandelen.

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

Klesch Group: olieraffinage en aluminium,

Arkema's Vinyl Products Business: productie van chloor en chloorderivaten, natriumhydroxyde, polyvinylchloride (PVC), onderverdeeld in emulsie-PVC en suspensie-PVC, buizen, verbindingen en profielen.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van de EG-concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens de EG-concentratieverordening (2).

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per faxbericht (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer COMP/M.6517 — The Klesch Group/Arkema's Vinyl Products business, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

J-70

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 (de „EG-concentratieverordening”).

(2)  PB C 56 van 5.3.2005, blz. 32 („mededeling betreffende een vereenvoudigde procedure”).


30.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 152/26


Voorafgaande aanmelding van een concentratie

(Zaak COMP/M.6559 — Eurochem/K+S Nitrogen)

Voor een vereenvoudigde procedure in aanmerking komende zaak

(Voor de EER relevante tekst)

2012/C 152/10

1.

Op 21 mei 2012 heeft de Commissie een aanmelding van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (1) ontvangen. Hierin is meegedeeld dat Eurochem Trading GmbH („Eurochem Trading”, Duitsland), die deel uitmaakt van het concern OJSC — Mineral and Chemical Company Eurochem („Eurochem”, Rusland), in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van de EG-concentratieverordening de volledige zeggenschap verkrijgt over de volgende ondernemingen (tezamen, „K+S Nitrogen”), die onder zeggenschap staan van K+S AG („K+S”, Duitsland), K+S Nitrogen GmbH (Duitsland), fertiva GmbH (Duitsland), K+S Gübre ve Endüstri Ürünleri San.ve Tec. Ltd Sti (Turkije), K plus S Iberia S.L. (Spanje), K+S Agricoltura SpA (Italië), K+S Hellas SA (Griekenland), K+S Agro México SA de C.V. (Mexico) en K+S Interservicios SA de C.V. (Mexico), door de verwerving van aandelen en ook in de zin van artikel 3, lid 1, onder b) van de EG-concentratieverordening zeggenschap verkrijgt over delen van de volgende ondernemingen, die onder zeggenschap staan van K+S: K+S Nitrogen France SAS (Frankrijk), Shenzhen K+S Trading Co. Ltd (China), K+S Asia Pacific Pte. Ltd (Singapore) en K+S AG (Duitsland), door de verwerving van activa. De verworven ondernemingen en activa vormen tezamen de huidige activiteiten van K+S op het gebied van de verkoop van stikstofmeststoffen (de „voorgenomen transactie”).

2.

De bedrijfswerkzaamheden van de betrokken ondernemingen zijn:

Eurochem: ontginning van mineralen en steenkool, en vervaardiging en verkoop van minerale meststoffen,

K+S Nitrogen: verkoop van enkelvoudige stikstofmeststoffen en NPK-meststoffen van onafhankelijke ondernemingen, die voorheen hoofdzakelijk door BASF in Antwerpen werden geproduceerd.

3.

Op grond van een voorlopig onderzoek is de Commissie van oordeel dat de aangemelde concentratie binnen het toepassingsgebied van de EG-concentratieverordening kan vallen. Ten aanzien van dit punt wordt de definitieve beslissing echter aangehouden. Er zij op gewezen dat deze zaak in aanmerking kan komen voor de vereenvoudigde procedure zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie betreffende een vereenvoudigde procedure voor de behandeling van bepaalde concentraties krachtens de EG-concentratieverordening (2).

4.

De Commissie verzoekt belanghebbenden haar hun eventuele opmerkingen over de voorgenomen concentratie kenbaar te maken.

Deze opmerkingen moeten de Commissie uiterlijk tien dagen na dagtekening van deze bekendmaking hebben bereikt. Zij kunnen per faxbericht (+32 22964301), per e-mail naar COMP-MERGER-REGISTRY@ec.europa.eu of per post, onder vermelding van zaaknummer COMP/M.6559 — Eurochem/K+S Nitrogen, aan onderstaand adres worden toegezonden:

Europese Commissie

Directoraat-generaal Concurrentie

Griffie voor concentraties

J-70

1049 Brussel

BELGIË


(1)  PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1 (de „EG-concentratieverordening”).

(2)  PB C 56 van 5.3.2005, blz. 32 („mededeling betreffende een vereenvoudigde procedure”).