|
ISSN 1977-0995 doi:10.3000/19770995.C_2012.049.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
55e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
|
2012/C 049/01 |
||
|
|
V Adviezen |
|
|
|
GERECHTELIJKE PROCEDURES |
|
|
|
Hof van Justitie |
|
|
2012/C 049/02 |
||
|
2012/C 049/03 |
||
|
2012/C 049/04 |
||
|
2012/C 049/05 |
||
|
2012/C 049/06 |
||
|
2012/C 049/07 |
||
|
2012/C 049/08 |
||
|
2012/C 049/09 |
||
|
2012/C 049/10 |
||
|
2012/C 049/11 |
||
|
2012/C 049/12 |
||
|
2012/C 049/13 |
||
|
2012/C 049/14 |
||
|
2012/C 049/15 |
||
|
2012/C 049/16 |
||
|
2012/C 049/17 |
||
|
2012/C 049/18 |
||
|
2012/C 049/19 |
||
|
2012/C 049/20 |
||
|
2012/C 049/21 |
||
|
2012/C 049/22 |
||
|
2012/C 049/23 |
||
|
2012/C 049/24 |
||
|
2012/C 049/25 |
||
|
2012/C 049/26 |
||
|
2012/C 049/27 |
||
|
2012/C 049/28 |
||
|
2012/C 049/29 |
||
|
2012/C 049/30 |
||
|
2012/C 049/31 |
||
|
2012/C 049/32 |
||
|
2012/C 049/33 |
||
|
2012/C 049/34 |
||
|
2012/C 049/35 |
||
|
2012/C 049/36 |
||
|
2012/C 049/37 |
||
|
2012/C 049/38 |
||
|
2012/C 049/39 |
||
|
|
Gerecht |
|
|
2012/C 049/40 |
||
|
2012/C 049/41 |
||
|
2012/C 049/42 |
||
|
2012/C 049/43 |
||
|
2012/C 049/44 |
||
|
2012/C 049/45 |
||
|
2012/C 049/46 |
||
|
2012/C 049/47 |
||
|
2012/C 049/48 |
Zaak T-627/11: Beroep ingesteld op 2 december 2011 — ATMvision/Commissie |
|
|
2012/C 049/49 |
Zaak T-628/11: Beroep ingesteld op 5 december 2011 — Biogas Nord/Commissie |
|
|
2012/C 049/50 |
Zaak T-629/11: Beroep ingesteld op 5 december 2011 — Biogas Nord Anlagenbau/Commissie |
|
|
2012/C 049/51 |
||
|
2012/C 049/52 |
||
|
2012/C 049/53 |
Zaak T-639/11: Beroep ingesteld op 14 december 2011 — Heads!/BHIM (HEADS) |
|
|
2012/C 049/54 |
||
|
2012/C 049/55 |
||
|
2012/C 049/56 |
||
|
2012/C 049/57 |
Zaak T-661/11: Beroep ingesteld op 21 december 2011 — Italië/Commissie |
|
|
2012/C 049/58 |
Zaak T-662/11: Beroep ingesteld op 28 december 2011 — Müller/BHIM — Loncar (Sunless) |
|
|
2012/C 049/59 |
Zaak T-6/12: Beroep ingesteld op 5 januari 2012 — Godrej Industries en V V F/Raad |
|
|
2012/C 049/60 |
||
|
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/1 |
2012/C 49/01
Laatste publicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in:
EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu
V Adviezen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/2 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 december 2011 — Franse Republiek/People’s Mojahedin Organization of Iran, Raad van de Europese Unie, Europese Commissie
(Zaak C-27/09 P) (1)
(Hogere voorziening - Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met oog op strijd tegen terrorisme - Gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB - Verordening (EG) nr. 2580/2001 - Toepassing van bevriezing van tegoeden op groep die op door Raad van Europese Unie opgestelde, geëvalueerde en gewijzigde lijst is geplaatst - Rechten van verdediging)
2012/C 49/02
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Franse Republiek (vertegenwoordigers: E. Belliard, G. de Bergues en A. Adam, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: People’s Mojahedin Organization of Iran (vertegenwoordigers: J.-P. Spitzer, advocaat, D. Vaughan, QC, en M.-E. Demetriou, barrister), Raad van de Europese Unie, Europese Commissie (vertegenwoordigers: S. Boelaert en P. Aalto, gemachtigden)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Zevende kamer) van 4 december 2008, People’s Mojahedin Organization of Iran/Raad (T-284/08), waarbij het Gerecht besluit 2008/583/EG van de Raad van 15 juli 2008 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van besluit 2007/868/EG (PB L 188, blz. 21) nietig heeft verklaard, wat de People’s Mojahedin Organization of Iran betreft
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/2 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 december 2011 — Europese Commissie/Republiek Oostenrijk
(Zaak C-28/09) (1)
(Niet-nakoming - Artikelen 28 EG en 29 EG - Vrij verkeer van goederen - Maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen - Vervoer - Richtlijnen 96/62/EG en 1999/30/EG - Sectoraal rijverbod voor vrachtwagens van meer dan 7,5 ton die bepaalde goederen vervoeren - Luchtkwaliteit - Bescherming van gezondheid en milieu - Evenredigheidsbeginsel - Samenhang)
2012/C 49/03
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Oliver, A. Alcover San Pedro en B. Schima, gemachtigden)
Verwerende partij: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordigers: E. Riedl, G. Eberhard en C. Ranacher, gemachtigden, L. Schmutzhard, J. Thudium)
Interveniënten aan de zijde van de verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: I. Bruni, vervolgens G. Palmieri, gemachtigden, bijgestaan door G. De Bellis, avvocato dello Stato), Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: C. Wissels, Y. de Vries en M. Noort, gemachtigden)
Voorwerp
Niet-nakoming — Schending van artikelen 28 en 29 EG — Rijverbod op deel van autosnelweg A 12 „Inntalautobahn” voor vrachtwagens van meer dan 7,5 ton die bepaalde goederen vervoeren — Rechtvaardiging van dit verbod door artikel 30 EG en gemeenschapsregelgeving inzake luchtkwaliteit
Dictum
|
1) |
Door op een deel van de autosnelweg A 12 door het dal van de Inn (Oostenrijk) een rijverbod in te stellen voor vrachtwagens van meer dan 7,5 ton die bepaalde goederen vervoeren, is de Republiek Oostenrijk de krachtens de artikelen 28 EG en 29 EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
De Republiek Oostenrijk wordt verwezen in de kosten. |
|
3) |
De Italiaanse Republiek en het Koninkrijk der Nederlanden dragen hun eigen kosten. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/3 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 21 december 2011 — Europese Commissie/Republiek Polen
(Zaak C-271/09) (1)
(Niet-nakoming - Vrij verkeer van kapitaal - Werkingssfeer - Open pensioenfondsen - Beperking van kapitaalbeleggingen in buitenland - Evenredigheid)
2012/C 49/04
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Montaguti en K. Herrmann, gemachtigden)
Verwerende partij: Republiek Polen (vertegenwoordigers: M. Dowgielewicz, M. Szpunar, M. Jarosz en P. Kucharski, gemachtigden)
Voorwerp
Niet-nakoming — Schending van artikel 56 EG — Op het kapitalisatiebeginsel gebaseerde pensioenfondsen met een nationale deelnemingsverplichting — Nationale wettelijke regeling die buitenlandse beleggingen door deze fondsen beperkt en ontraadt
Dictum
|
1) |
Door de handhaving van de artikelen 143, 136, lid 3, en 136a, lid 2, van de wet inzake de organisatie en de werking van pensioenfondsen (Ustawa o organizacji i funkcjonowaniu funduszy emerytalnych) van 28 augustus 1997, zoals gewijzigd, voor zover deze de beleggingen van Poolse open pensioenfondsen in andere lidstaten beperken, is de Republiek Polen de krachtens artikel 56 EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
De Republiek Polen wordt verwezen in de kosten. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/3 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 21 december 2011 — A2A SpA, voorheen ASM Brescia SpA/Europese Commissie
(Zaak C-318/09 P) (1)
(Hogere voorziening - Staatssteun - Regeling van steun voor nutsbedrijven - Belastingvrijstellingen - Beschikking waarbij steunregeling onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard - Beroep tot nietigverklaring - Ontvankelijkheid - Procesbevoegdheid - Procesbelang - Artikel 87 EG - Begrip „steun” - Artikel 88 EG - Begrip „nieuwe steun” - Artikel 10 EG - Verplichting tot loyale samenwerking - Verordening (EG) nr. 659/1999 - Artikelen 1 en 14 - Rechtmatigheid van bevel tot terugvordering - Rechtszekerheidsbeginsel - Motiveringsplicht)
2012/C 49/05
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: A2A SpA, voorheen ASM Brescia SpA (vertegenwoordigers: A. Santa Maria, A. Giardina, C. Croff en G. Pizzonia, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Righini, V. Di Bucci en D. Grespan, gemachtigden)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Achtste kamer — uitgebreid) van 11 juni 2009, ASM Brescia SpA/Commissie (T-189/03), houdende afwijzing van een verzoek om nietigverklaring van de artikelen 2 en 3 van beschikking 2003/193/EG van de Commissie van 5 juni 2002 inzake de steunmaatregel betreffende belastingvrijstellingen en leningen tegen gunstige voorwaarden die Italië heeft verstrekt ten gunste van nutsbedrijven waarin de overheid een meerderheidsdeelneming heeft (PB 2003, L 77, blz. 21)
Dictum
|
1) |
De principale en de incidentele hogere voorziening worden afgewezen. |
|
2) |
A2A SpA wordt verwezen in de kosten van de principale hogere voorziening. |
|
3) |
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten van de incidentele hogere voorziening. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/4 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 21 december 2011 — ACEA SpA/Iride SpA, voorheen AEM SpA, Europese Commissie
(Zaak C-319/09 P) (1)
(Hogere voorziening - Staatssteun - Regeling van steun voor nutsbedrijven - Belastingvrijstellingen - Beschikking waarbij steunregeling onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard - Beroep tot nietigverklaring - Ontvankelijkheid - Procesbevoegdheid - Procesbelang - Artikel 87 EG - Begrip „steun” - Artikel 88 EG - Begrip „nieuwe steun” - Verordening (EG) nr. 659/1999 - Artikelen 1 en 14 - Rechtmatigheid van bevel tot terugvordering - Motiveringsplicht)
2012/C 49/06
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: ACEA SpA (vertegenwoordigers: L. Radicati di Brozolo, A. Giardina en T. Ubaldi, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Righini, V. Di Bucci en D. Grespan, gemachtigden), Iride SpA, voorheen AEM SpA (vertegenwoordigers: L. Radicati di Brozolo, M. Merola, T. Ubaldi en A. Santa Maria, advocaten)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Achtste kamer — uitgebreid) van 11 juni 2009, ACEA/Commissie (T-297/02), houdende afwijzing van een verzoek om nietigverklaring van de artikelen 2 en 3 van beschikking 2003/193/EG van de Commissie van 5 juni 2002 inzake de steunmaatregel betreffende belastingvrijstellingen en leningen tegen gunstige voorwaarden die Italië heeft verstrekt ten gunste van nutsbedrijven waarin de overheid een meerderheidsdeelneming heeft (PB 2003, L 77, blz. 21)
Dictum
|
1) |
De principale en de incidentele hogere voorziening worden afgewezen. |
|
2) |
ACEA SpA wordt verwezen in de kosten van de principale hogere voorziening. |
|
3) |
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten van de incidentele hogere voorziening. |
|
4) |
Iride SpA draagt haar eigen kosten. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/4 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 21 december 2011 — A2A SpA, voorheen AEM SpA/Europese Commissie
(Zaak C-320/09 P) (1)
(Hogere voorziening - Staatssteun - Regeling van steun voor nutsbedrijven - Belastingvrijstellingen - Beschikking waarbij steunregeling onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard - Beroep tot nietigverklaring - Ontvankelijkheid - Procesbevoegdheid - Procesbelang - Artikel 87 EG - Begrip „steun” - Artikel 88 EG - Begrip „nieuwe steun” - Artikel 10 EG - Verplichting tot loyale samenwerking - Verordening (EG) nr. 659/1999 - Artikelen 1 en 14 - Rechtmatigheid van bevel tot terugvordering - Rechtszekerheidsbeginsel - Motiveringsplicht)
2012/C 49/07
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: A2A SpA, voorheen AEM SpA (vertegenwoordigers: A. Santa Maria, A Giardina en G. Pizzonia, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Righini, V. Di Bucci en D. Grespan, gemachtigden)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Achtste kamer — uitgebreid) van 11 juni 2009, AEM/Commissie (T-301/02), houdende afwijzing van het verzoek om nietigverklaring van de artikelen 2 en 3 van beschikking 2003/193/EG van de Commissie van 5 juni 2002 inzake de steunmaatregel betreffende belastingvrijstellingen en leningen tegen gunstige voorwaarden die Italië heeft verstrekt ten gunste van nutsbedrijven waarin de overheid een meerderheidsdeelneming heeft (PB 2003, L 77, blz. 21)
Dictum
|
1) |
De principale en de incidentele hogere voorziening worden afgewezen. |
|
2) |
A2A SpA wordt verwezen in de kosten van de principale hogere voorziening. |
|
3) |
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten van de incidentele hogere voorziening. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/5 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 21 december 2011 — Iride SpA, voorheen Azienda Mediterranea Gas e Acqua SpA/Europese Commissie, A2A SpA, voorheen ASM Brescia SpA
(Zaak C-329/09 P) (1)
(Hogere voorziening - Staatssteun - Regeling van steun voor nutsbedrijven - Belastingvrijstellingen - Beschikking waarbij steunregeling onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard - Beroep tot nietigverklaring - Ontvankelijkheid - Procesbevoegdheid - Procesbelang)
2012/C 49/08
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Iride SpA, voorheen Azienda Mediterranea Gas e Acqua SpA (vertegenwoordigers: L. Radicati di Brozolo, M. Merola en T. Ubaldi, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: V. Di Bucci, E. Righini en D. Grespan, gemachtigden), A2A SpA, voorheen ASM Brescia SpA
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Achtste kamer — uitgebreid) van 11 juni 2009, AMGA/Commissie (T-300/02), waarbij het Gerecht niet-ontvankelijk heeft verklaard een verzoek om nietigverklaring van de artikelen 2 en 3 van beschikking 2003/193/EG van de Commissie van 5 juni 2002 inzake de steunmaatregel betreffende belastingvrijstellingen en leningen tegen gunstige voorwaarden die Italië heeft verstrekt ten gunste van nutsbedrijven waarin de overheid een meerderheidsdeelneming heeft (PB 2003, L 77, blz. 21)
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Iride SpA wordt verwezen in de kosten van de hogere voorziening. |
|
3) |
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten van het verzoek om vervanging van gronden. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/5 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 21 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per la Lombardia — Italië) — ENEL Produzione SpA/Autorità per l’energia elettrica e il gas
(Zaak C-242/10) (1)
(Richtlijn 2003/54/EG - Interne markt voor elektriciteit - Installaties voor elektriciteitsopwekking die van essentieel belang zijn voor werking van elektriciteitssysteem - Verplichting om elektriciteit aan te bieden op nationale elektriciteitsbeurs met inachtneming van beperkingen en criteria die door beheerder van transmissie- en distributiesysteem voor elektrische energie zijn vastgesteld - Systeem- en balanceringsdienst - Openbaredienstverplichtingen)
2012/C 49/09
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale Amministrativo Regionale per la Lombardia
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: ENEL Produzione SpA
Verwerende partij: Autorità per l’energia elettrica e il gas
In tegenwoordigheid van: Terna rete elettrica nazionale SpA
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunale Amministrativo Regionale per la Lombardia — Uitlegging van de artikelen 23, 43, 49 en 56 EG en van artikel 11, leden 2 en 6, en artikel 24 van richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92/EG (PB L 176, blz. 37) — Nationale wettelijke regeling die elektriciteitsproducenten verplicht om bij het opstellen van aanbiedingen voor de levering van elektriciteit de voorschriften van de beheerder van het transmissie- en distributiesysteem voor elektrische energie in acht te nemen
Dictum
Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92/EG, en in het bijzonder de artikelen 3, lid 2, en 11, leden 2 en 6, ervan, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij, met het oog op de verlaging van de elektriciteitsprijs in het belang van de eindafnemers en op de zekerheid van het elektriciteitsnetwerk, aan de exploitanten van installaties of groepen installaties die volgens de door de nationale regelgevende instantie vastgestelde criteria worden geacht van essentieel belang te zijn om te voorzien in de elektriciteitsbehoeften die aan de systeemdiensten verbonden zijn, de verplichting wordt opgelegd om elektriciteit aan te bieden op de nationale elektriciteitsmarkten tegen voorwaarden die vooraf door deze instantie zijn vastgesteld, voor zover deze regeling niet verder gaat dan ter bereiking van het daarmee nagestreefde doel noodzakelijk is. De verwijzende rechter dient na te gaan of in het hoofdgeding aan die voorwaarde is voldaan.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/6 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 21 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf — Duitsland) — Haltergemeinschaft LBL GbR/Hauptzollamt Düsseldorf
(Zaak C-250/10) (1)
(Richtlijn 2003/96/EG - Belasting van energieproducten en elektriciteit - Artikel 14, lid 1, sub b - Vrijstelling voor energieproducten gebruikt als brandstof voor luchtvaart - Brandstof ter beschikking gesteld door vervrachter van luchtvaartuig gebruikt door diens bevrachters voor hun vluchten met andere doeleinden dan verrichting van luchtvaartdienst onder bezwarende titel)
2012/C 49/10
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Haltergemeinschaft LBL GbR
Verwerende partij: Hauptzollamt Düsseldorf
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Finanzgericht Düsseldorf — Uitlegging van artikel 14, lid 1, sub b, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283, blz. 51) — Draagwijdte van de vrijstelling voor energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de luchtvaart — Vrijstelling van de brandstof die door de verhuurder of vervrachter van een luchtvaartuig, die geen luchtvaartmaatschappij is, wordt geleverd en die wordt gebruikt door de huurders van het luchtvaartuig voor hun commerciële vluchten
Dictum
Artikel 14, lid 1, sub b, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, moet aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling voorziene vrijstelling van belasting voor energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor andere luchtvaart dan particuliere plezierluchtvaart, niet ten goede kan komen aan een onderneming, zoals die in het hoofdgeding, wanneer zij een haar toebehorend luchtvaartuig met brandstof verhuurt of vervracht aan ondernemingen waarvan de luchtvaartactiviteiten niet rechtstreeks dienen voor het verrichten, door die ondernemingen, van een luchtvaartdienst onder bezwarende titel.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/6 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 21 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Vestre Landsret — Denemarken) — Danske Svineproducenter/Justitsministeriet
(Zaak C-316/10) (1)
(Artikel 288, tweede alinea, VWEU - Verordening (EG) nr. 1/2005 - Bescherming van dieren tijdens vervoer - Wegvervoer van als huisdieren gehouden varkens - Minimumhoogte van dierenafdelingen - Inspectie tijdens reis - Beladingsdichtheid - Recht van lidstaten tot nadere regulering)
2012/C 49/11
Procestaal: Deens
Verwijzende rechter
Vestre Landsret
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Danske Svineproducenter
Verwerende partij: Justitsministeriet
in tegenwoordigheid van: Union européenne du commerce de bétail et de la viande
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Vestre Landsret — Uitlegging van artikel 249, tweede alinea, EG (thans artikel 288, tweede alinea, VWEU) en verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van verordening (EG) nr. 1255/97 (PB L 3, blz. 1) — Recht van lidstaten om gedetailleerde nationale regels vast te stellen inzake minimumhoogte van compartimenten, inspectiehoogte en beladingsdichtheid in voertuigen voor dierenvervoer
Dictum
Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en verordening (EG) nr. 1255/97, moet aldus worden uitgelegd dat:
|
— |
deze verordening zich niet ertegen verzet dat een lidstaat normen voor het wegvervoer van varkens uitvaardigt, die met het oog op meer rechtszekerheid, met inachtneming van het doel van bescherming van het welzijn van de dieren en zonder dienaangaande buitenmatige criteria aan te leggen, de eisen van deze verordening inzake de minimumbinnenhoogte van de dierenafdelingen preciseren, voor zover deze normen geen extra kosten of technische moeilijkheden meebrengen in het nadeel van hetzij de producenten van de lidstaat die deze normen heeft vastgesteld, hetzij de producenten van andere lidstaten die hun producten naar of via de eerste lidstaat willen uitvoeren, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan; normen als die in de overgangsbepalingen van § 36, lid 4, van besluit nr. 1729 van 21 december 2006 betreffende de bescherming van dieren tijdens het vervoer, kunnen evenwel niet als evenredig gelden aangezien dezelfde lidstaat in § 9, lid 1, van dat besluit in het kader van de gemeenrechtelijke regeling minder dwingende normen op dat gebied heeft vastgesteld; |
|
— |
deze verordening zich ertegen verzet dat een lidstaat normen voor het wegvervoer van varkens uitvaardigt ter precisering van de eisen van deze verordening inzake de toegang tot de dieren om de omstandigheden voor hun welzijn regelmatig te controleren, die slechts de reizen van meer dan 8 uur betreffen, en |
|
— |
deze verordening zich niet ertegen verzet dat een lidstaat normen uitvaardigt volgens welke de dieren bij wegvervoer van varkens moeten beschikken over een minimumoppervlakte die varieert op basis van hun gewicht, waarbij een oppervlakte van 0,42 m2 voor een varken van 100 kg bij een reistijd van minder dan 8 uur en van 0,50 m2 bij een langere reistijd geldt. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/7 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de High Court of Justice, Queen’s Bench Division (Administrative Court) — Verenigd Koninkrijk) — The Air Transport Association of America, American Airlines Inc., Continental Airlines Inc., United Airlines Inc./The Secretary of State for Energy and Climate Change
(Zaak C-366/10) (1)
(Verzoek om prejudiciële beslissing - Richtlijn 2003/87/EG - Regeling voor handel in broeikasgasemissierechten - Richtlijn 2008/101/EG - Opneming van luchtvaartactiviteiten in deze regeling - Geldigheid - Verdrag van Chicago - Protocol van Kyoto - Luchtvaartovereenkomst Europese Unie-Verenigde Staten - Beginselen van internationaal gewoonterecht - Rechtsgevolgen - Inroepbaarheid - Extraterritoriaal karakter van recht van Unie - Begrippen „kosten en lasten” en „heffingen”)
2012/C 49/12
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
High Court of Justice, Queen’s Bench Division (Administrative Court)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: The Air Transport Association of America, American Airlines Inc., Continental Airlines Inc., United Airlines Inc.
Verwerende partij: The Secretary of State for Energy and Climate Change
in tegenwoordigheid van: International Air Transport Association (IATA), National Airlines Council of Canada (NACC), Aviation Environment Federation, WWF-UK, European Federation for Transport and Environment, Environmental Defense Fund, Earthjustice
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — High Court of Justice, Queen’s Bench Division (Administrative Court) — Geldigheid van richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 tot wijziging van richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PB 2009, L 8, blz. 3) — Inroepbaarheid van bepaalde regels en/of voorschriften van internationaal recht
Dictum
|
1) |
In omstandigheden als die van het hoofdgeding kunnen van de door de verwijzende rechter genoemde beginselen en bepalingen van het internationale recht, met het oog op de beoordeling van de geldigheid van richtlijn 2008/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 tot wijziging van richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, alleen worden ingeroepen:
|
|
2) |
Bij het onderzoek van richtlijn 2008/101 is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van deze richtlijn kunnen aantasten. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/8 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 december 2011 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division), High Court of Ireland — Verenigd Koninkrijk, Ierland) — N. S. (C-411/10)/Secretary of State for the Home Department en M. E. (C-493/10), A. S. M., M. T., K. P., E. H./Refugee Applications Commissioner, Minister for Justice, Equality and Law Reform
(Gevoegde zaken C-411/10 en 493/10) (1)
(Unierecht - Beginselen - Grondrechten - Uitvoering van Unierecht - Verbod van onmenselijke of vernederende behandelingen - Gemeenschappelijk Europees asielstelsel - Verordening (EG) nr. 343/2003 - Begrip „veilige landen” - Overdracht van asielzoeker aan verantwoordelijke lidstaat - Verplichting - Weerlegbaar vermoeden dat die lidstaat grondrechten eerbiedigt)
2012/C 49/13
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division), High Court of Ireland
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: N. S. (C-411/10), M. E., A. S. M., M. T., K. P., E. H. (C-493/10)
Verwerende partijen: Secretary of State for the Home Department (C-411/10), Refugee Applications Commissioner, Minister for Justice, Equality and Law Reform (C-493/10)
in tegenwoordigheid van: International Ltd and the AIRE Centre (Advice on Individual Rights in Europe) (UK) (C-411/10), United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) (UK) (C-411/10), Equality and Human Rights Commission (EHRC) (C-411/10), Amnesty International Ltd and the AIRE Centre (Advice on Individual Rights in Europe) (IRL) (C-493/10), United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) (IRL) (C-493/10)
Voorwerp
(C-411/10)
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Court of Appeal (England & Wales) — (Verenigd Koninkrijk) — Uitlegging van artikel 3, leden 1 en 2, en van de bepalingen van hoofdstuk III van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 50, blz. 1) — Uitlegging van de minimumnormen voor de opvang van asielzoekers die zijn neergelegd in de bepalingen van richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (PB L 31, blz. 18), richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB L 304, blz. 12), en richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB L 32, blz. 13) — Procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek van een persoon met de Afghaanse nationaliteit — Risico van schending van grondrechten in geval van overneming door de voorheen verantwoordelijke lidstaat — Aard en draagwijdte van de bescherming die aan een asielzoeker wordt verleend door de bepalingen van het Handvest van de grondrechten en van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
(C-493/10)
Verzoek om een prejudiciële beslissing — High Court of Ireland — Uitlegging van de artikelen 3, lid 2, en 18 van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 50, blz. 1) — Procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van asielverzoeken van burgers van verschillende derde landen (Afghanistan, Iran en Algerije) — Verplichting voor een lidstaat om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielverzoek op zich te nemen op grond van artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 343/2003, indien het risico bestaat dat de grondrechten van de indiener van het verzoek worden geschonden en/of dat de in de richtlijnen 2003/9/EG, 2004/83/EG en 2005/85/EG vastgestelde minimumnormen niet worden toegepast door de lidstaat die overeenkomstig de criteria van die verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek
Dictum
|
1) |
De beslissing genomen door een lidstaat op basis van artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, om een asielverzoek waarvoor hij volgens de criteria van hoofdstuk III van deze verordening niet verantwoordelijk is, al dan niet te behandelen, voert het Unierecht uit in de zin van artikel 6 VEU en/of artikel 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. |
|
2) |
Het Unierecht staat in de weg aan de toepassing van een onweerlegbaar vermoeden dat de op basis van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 343/2003 verantwoordelijke lidstaat de grondrechten van de Europese Unie eerbiedigt. Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten, daaronder begrepen de nationale rechterlijke instanties, een asielzoeker niet aan de „verantwoordelijke lidstaat” in de zin van verordening nr. 343/2003 mogen overdragen wanneer zij niet onkundig kunnen zijn van het feit dat de tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in deze lidstaat ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van deze bepaling. Onder voorbehoud van de door artikel 3, lid 2, van verordening nr. 343/2003 geboden mogelijkheid om het verzoek zelf te behandelen moet, wanneer een asielzoeker niet kan worden overgedragen aan een andere lidstaat van de Europese Unie en deze staat op basis van de criteria van hoofdstuk III van deze verordening de verantwoordelijke lidstaat is, de lidstaat die de asielzoeker diende over te dragen de criteria van dit hoofdstuk verder onderzoeken, teneinde na te gaan of een andere lidstaat volgens een van de latere criteria verantwoordelijk is om het asielverzoek te behandelen. Van belang is echter dat de lidstaat waar de asielzoeker zich bevindt, erop toeziet dat hij een situatie waarin de grondrechten van de asielzoeker worden geschonden, niet erger maakt door de procedure om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, onredelijk lang te laten duren. Zo nodig dient hij het verzoek zelf te behandelen overeenkomstig artikel 3, lid 2, van verordening nr. 343/2003. |
|
3) |
De artikelen 1, 18 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie leiden niet tot een ander antwoord. |
|
4) |
Voor zover de bovenstaande vragen rijzen in verband met de verplichtingen van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, moeten de tweede tot en met de zesde vraag in zaak C-411/10 niet anders worden beantwoord wanneer rekening wordt gehouden met Protocol (nr. 30) betreffende de toepassing van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie op de Republiek Polen en het Verenigd Koninkrijk. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/9 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 december 2011 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht — Duitsland) — Tomasz Ziolkowski C-424/10), Barbara Szeja, Maria-Magdalena Szeja, Marlon Szeja (C-425/10)/Land Berlin
(Gevoegde zaken C-424/10 en C-425/10) (1)
(Vrij verkeer van personen - Richtlijn 2004/38/EG - Duurzaam verblijfsrecht - Artikel 16 - Legaal verblijf - Verblijf op grond van nationaal recht - Verblijf vóór toetreding van land van herkomst van betrokken burger tot Unie)
2012/C 49/14
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Tomasz Ziolkowski (C-424/10), Barbara Szeja, Maria-Magdalena Szeja, Marlon Szeja (C-425/10)
Verwerende partij: Land Berlin
in aanwezigheid van: Vertreter des Bundesinteresses beim Bundesverwaltungsgericht
Voorwerp
Verzoeken om een prejudiciële beslissing — Bundesverwaltungsgericht — Uitlegging van artikel 16, lid 1, eerste zin, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PB L 158, blz. 77) — Burger van de Unie die overeenkomstig het recht van het gastland meer dan vijf jaar legaal in dit land heeft verbleven, maar gedurende zijn verblijf nooit aan de voorwaarden van artikel 7 van richtlijn 2004/38/EG heeft voldaan — Begrip „legaal verblijf” — Verblijf waarvan de duur alleen vijf jaar bedraagt wanneer de vóór de toetreding van het land van herkomst van de betrokkene tot de Europese Unie vervulde tijdvakken in aanmerking worden genomen — Bepaling van de noodzakelijke duur voor de verwerving van een duurzaam verblijfsrecht
Dictum
|
1) |
Artikel 16, lid 1, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, moet aldus worden uitgelegd dat een burger van de Unie die meer dan vijf jaar in het gastland heeft verbleven op de enkele grondslag van het nationale recht van dit laatste, niet kan worden geacht het duurzame verblijfsrecht overeenkomstig deze bepaling te hebben verkregen, wanneer hij tijdens dit verblijf niet aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, van deze richtlijn heeft voldaan. |
|
2) |
Ook perioden van verblijf van een burger van een derde land in een lidstaat vóór de toetreding van dit derde land tot de Europese Unie moeten, bij gebreke van specifieke bepalingen in de toetredingsakte, worden meegerekend met het oog op de verkrijging van het duurzame verblijfsrecht in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2004/38, voor zover die perioden in overeenstemming met de voorwaarden van artikel 7, lid 1, ervan zijn vervuld. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/10 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 21 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État — Frankrijk) — Ministre de l’Intérieur, de l’Outre-mer, des Collectivités territoriales et de l’Immigration/Chambre de commerce et d’industrie de l’Indre
(Zaak C-465/10) (1)
(Verzoek om prejudiciële beslissing - Bescherming van financiële belangen van Europese Unie - Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 - Artikel 3 - Fondsen met structurele strekking - Verordening (EEG) nr. 2052/88 - Verordening (EEG) nr. 4253/88 - Aanbestedende dienst die subsidie uit Structuurfondsen ontvangt - Schending van regels inzake plaatsen van overheidsopdrachten door ontvanger van EFRO-subsidie - Grondslag van verplichting tot terugvordering van subsidie van Europese Unie in geval van onregelmatigheden - Begrip „onregelmatigheid” - Begrip „voortdurende onregelmatigheid” - Wijze van terugvordering - Verjaringstermijn - Langere nationale verjaringstermijnen - Evenredigheidsbeginsel)
2012/C 49/15
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Conseil d’État
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ministre de l’Intérieur, de l’Outre-mer, des Collectivités territoriales et de l’Immigration
Verwerende partij: Chambre de commerce et d’industrie de l’Indre
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Conseil d’État (Frankrijk) — Uitlegging van de bepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PB L 185, blz. 9), verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 (PB L 374, blz. 1) en verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1) — Schending van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten door de ontvanger van de subsidies in het kader van het EFRO en het FNADT — Grondslag voor de verplichting tot terugvordering van communautaire steun in geval van onregelmatigheden — Wijze van terugvordering van ten onrechte verleende steun — Verjaringstermijn
Dictum
|
1) |
In omstandigheden als die van het hoofdgeding vormt artikel 23, lid 1, derde streepje, van verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2082/93 van de Raad van 20 juli 1993, juncto artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2081/93 van de Raad van 20 juli 1993, een rechtsgrondslag voor de terugvordering door de nationale autoriteiten bij de begunstigde van een volledige subsidie uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), zonder dat een bevoegdheidsattributie naar nationaal recht noodzakelijk is, op grond dat deze begunstigde, in zijn hoedanigheid van „aanbestedende dienst” in de zin van richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/36/EEG van de Raad van 14 juni 1993, niet heeft voldaan aan de voorschriften van deze richtlijn inzake het plaatsen van een overheidsopdracht voor dienstverlening met betrekking tot de uitvoering van de actie waarvoor deze begunstigde deze subsidie had ontvangen. |
|
2) |
De schending door een aanbestedende dienst die een EFRO-subsidie ontvangt, van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten van richtlijn 92/50, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/36, bij de gunning van de opdracht voor de uitvoering van de gesubsidieerde actie, vormt een „onregelmatigheid” in de zin van artikel 1 van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, ook al kon de bevoegde nationale instantie bij de toekenning van deze subsidie niet onkundig zijn van het feit dat de begunstigde reeds had beslist aan welke dienstverlener hij de uitvoering van de gesubsidieerde actie zou opdragen. |
|
3) |
In omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin de begunstigde van een EFRO-subsidie, in zijn hoedanigheid van aanbestedende dienst, de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten van richtlijn 92/50, zoals gewijzigd bij richtlijn 93/36, heeft geschonden bij de gunning van de opdracht voor de uitvoering van de gesubsidieerde actie:
|
|
4) |
Het evenredigheidsbeginsel staat eraan in de weg dat de lidstaten, wanneer zij gebruikmaken van de hun bij artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 geboden mogelijkheid, een verjaringstermijn van dertig jaar toepassen op de terugvordering van een onterecht uit de Uniebegroting verkregen voordeel. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/11 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 21 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte dei conti, sezione giurisdizionale per la Regione Siciliana — Italië) — Teresa Cicala/Regione Siciliana
(Zaak C-482/10) (1)
(Nationale bestuursrechtelijke procedure - Bestuurshandelingen - Motiveringsplicht - Mogelijkheid om ontbreken van motivering in loop van gerechtelijke procedure tegen bestuurshandeling te herstellen - Uitlegging van artikel 296, tweede alinea, VWEU en artikel 41, lid 2, sub c, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Onbevoegdheid van Hof)
2012/C 49/16
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte dei conti — Sezione giurisdizionale per la Regione Siciliana
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Teresa Cicala
Verwerende partij: Regione Siciliana
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Corte dei conti — Sezione giuridizionale per la Regione Siciliana — Uitlegging van artikel 296 VWEU en artikel 41, lid 2, sub c, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Verenigbaarheid van een nationale regeling die voor de overheid in de mogelijkheid voorziet dat zij haar handelingen onder bepaalde voorwaarden niet motiveert of een niet-gemotiveerde bestuurshandeling tijdens een tegen die handeling ingestelde gerechtelijke procedure motiveert
Dictum
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd om te antwoorden op de prejudiciële vragen die hem bij beslissing van 20 september 2010 werden gesteld door de Corte dei conti, sezione giurisdizionale per la Regione Siciliana (Italië).
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/11 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État — Frankrijk) — Centre hospitalier universitaire de Besançon/Thomas Dutrueux, Caisse primaire d’assurance maladie du Jura
(Zaak C-495/10) (1)
(Richtlijn 85/374/EEG - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Werkingssfeer - Nationale wettelijke regeling op grond waarvan openbare gezondheidsinstellingen verplicht zijn schade te vergoeden die patiënt heeft geleden ten gevolge van gebreken van bij verzorging gebruikt toestel of product, zelfs bij ontbreken van aan deze instellingen toerekenbare onrechtmatige daad)
2012/C 49/17
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Conseil d’État
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Centre hospitalier universitaire de Besançon
Verwerende partij: Thomas Dutrueux, Caisse primaire d’assurance maladie du Jura
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Conseil d’État — Uitlegging van artikel 13 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 210, blz. 29) — Aansprakelijkheid van openbare gezondheidsinstellingen jegens hun patiënten — Toelaatbaarheid van nationale aansprakelijkheidsregeling op grond waarvan een slachtoffer, ook wanneer er geen sprake is van een onrechtmatige daad, vergoeding kan ontvangen voor schade veroorzaakt door producten met gebreken — Beperking van de aansprakelijkheid van de dienstverrichter
Dictum
De aansprakelijkheid van een dienstverrichter die in het kader van een dienstverrichting, zoals de zorgverstrekking in een ziekenhuisomgeving, toestellen of producten met gebreken gebruikt waarvan hij niet de producent is in de zin van artikel 3 van richtlijn 85/374 van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, zoals gewijzigd bij richtlijn 1999/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 1999, en daardoor schade veroorzaakt aan de dienstontvanger, valt niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn. Deze richtlijn verzet zich er bijgevolg niet tegen dat een lidstaat een regeling instelt als die in het hoofdgeding, die voorziet in de aansprakelijkheid van een dergelijke dienstverrichter voor de daardoor veroorzaakte schade, zelfs bij ontbreken van een aan hem toe te rekenen onrechtmatige daad, evenwel op voorwaarde dat voor de gelaedeerde en/of voor de dienstverrichter de mogelijkheid blijft bestaan om tegen de producent een aansprakelijkheidsvordering in te stellen op grond van deze richtlijn, indien is voldaan aan de voorwaarden ervan.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/12 |
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 21 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge — België) — Vlaamse Oliemaatschappij NV/FOD Financiën
(Zaak C-499/10) (1)
(Zesde btw-richtlijn - Tot voldoening van belasting gehouden personen - Hoofdelijk aansprakelijke derde - Stelsel van entrepot ander dan douane-entrepot - Hoofdelijke aansprakelijkheid van entrepothouder van goederen en van belastingplichtige eigenaar van deze goederen - Goede trouw of ontbreken van fout of nalatigheid van entrepothouder)
2012/C 49/18
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank van eerste aanleg te Brugge
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Vlaamse Oliemaatschappij NV
Verwerende partij: FOD Financiën
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Rechtbank van eerste aanleg te Brugge — Uitlegging van artikel 21, lid 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Schuldenaren van de belasting — Hoofdelijk aansprakelijke derde — Nationale regeling volgens welke de entrepothouder van goederen hoofdelijk aansprakelijk is voor betaling van de belasting die verschuldigd is door de belastingplichtige die eigenaar van deze goederen is, onder een andere entrepotregeling dan de douane-entrepotregeling, zelfs indien de entrepothouder te goeder trouw is en hem geen fout of nalatigheid kan worden verweten
Dictum
Artikel 21, lid 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/115/EG van de Raad van 20 december 2001, moet aldus worden uitgelegd dat het de lidstaten niet is toegestaan te bepalen dat de houder van een entrepot ander dan douane-entrepot hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde die verschuldigd is over een levering van goederen die vanuit dit entrepot onder bezwarende titel is verricht door de belastingplichtige eigenaar van deze goederen, zelfs indien deze entrepothouder te goeder trouw is of hem geen fout of nalatigheid kan worden verweten.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/12 |
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 21 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad — Bulgarije) — Evroetil AD/Direktor na Agentsia „Mitnitsi”
(Zaak C-503/10) (1)
(Richtlijn 2003/30/EG - Artikel 2, lid 2, sub a - Begrip bio-ethanol - Product gewonnen uit biomassa, met ethylalcoholgehalte van meer dan 98,5 % en niet gedenatureerd - Relevantie van daadwerkelijk gebruik als biobrandstof - Verordening (EEG) nr. 2658/87 - Gecombineerde nomenclatuur - Tariefindeling van bio-ethanol ten behoeve van accijnsheffing - Richtlijn 2003/96/EG - Energieproducten - Richtlijn 92/83/EEG - Artikelen 20, eerste streepje, en 27, lid 1, sub a en b - Begrip ethylalcohol - Vrijstelling van geharmoniseerde accijns - Denaturering)
2012/C 49/19
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Varhoven administrativen sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Evroetil AD
Verwerende partij: Direktor na Agentsia „Mitnitsi”
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Varhoven administrativen sad — Uitlegging van artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer (PB L 123, blz. 42) en van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2587/91 van de Commissie van 26 juli 1991 (PB L 259, blz. 1) — Uitlegging van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283, blz. 51) en van artikel 20, eerste streepje, van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (PB L 316, blz. 21) — Product gewonnen uit biomassa, dat esters, hogere alcoholen en aldehyden bevat, een alcoholgehalte van meer dan 98 % heeft en niet is gedenatureerd — Begrip bio-ethanol — Indeling onder postonderverdeling 2207 20 00 (ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte) of onder postonderverdeling 2207 10 00 (ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcoholvolumegehalte van 80 % of meer) ten behoeve van de heffing van accijns
Dictum
|
1) |
De omschrijving van bio-ethanol in artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer moet aldus worden uitgelegd, dat zij een product omvat als in het hoofdgeding aan de orde, dat met name gewonnen wordt uit biomassa en meer dan 98,5 % ethylalcohol bevat, mits dit product als biobrandstof voor het vervoer te koop wordt aangeboden. |
|
2) |
Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd, dat op een product zoals aan de orde in het hoofdgeding, dat meer dan 98,5 % ethylalcohol bevat en dat niet via een daartoe uitdrukkelijk voorgeschreven procedé is gedenatureerd, moet worden onderworpen aan de accijns vastgesteld bij artikel 19, lid 1, van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken, ook al is dit product gewonnen uit biomassa volgens een ander procedé dan het procedé voor de winning van ethylalcohol uit landbouwproducten, bevat het stoffen die het ongeschikt maken voor menselijke consumptie, voldoet het aan de voorschriften van de Europese ontwerpnorm pr EN 15376 voor bio-ethanol die wordt gebruikt als brandstof en beantwoordt het in voorkomend geval aan de omschrijving van bio-ethanol in artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2003/30. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/13 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 21 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Firenze — Italië) — Strafzaak tegen X
(Zaak C-507/10) (1)
(Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Kaderbesluit 2001/220/JBZ - Status van slachtoffers in strafzaken - Bescherming van kwetsbare personen - Horen van minderjarigen als getuige - Incidentele procedure tot vervroegde bewijsvoering - Weigering van openbaar ministerie om met gerechtelijk vooronderzoek belaste rechter om verhoor te verzoeken)
2012/C 49/20
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale di Firenze
Partijen in de strafzaak
X
in tegenwoordigheid van: Y
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunale di Firenze — Uitlegging van de artikelen 2, 3 en 8 van het kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure (PB L 82, blz. 1) — Horen van minderjarigen als getuigen — Horen van een minderjarige die het slachtoffer van seksueel misbruik is geworden — Beschermingsmiddelen die niet dwingend zijn voorgeschreven door de nationale wetgeving
Dictum
De artikelen 2, 3 en 8, lid 4, van het kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen, zoals die van de artikelen 392, lid 1 bis, 398, lid 5 bis, en 394 van het wetboek van strafvordering, die niet voorzien in een verplichting voor het openbaar ministerie om het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is te verzoeken een bijzonder kwetsbaar slachtoffer toe te laten om tijdens het vooronderzoek van de strafprocedure te worden gehoord en een verklaring af te laten leggen volgens de regels van de procedure van het bewijsincident, en evenmin voorzien in de mogelijkheid voor bedoeld slachtoffer om bij een rechter op te komen tegen de afwijzing door het openbaar ministerie van het verzoek om overeenkomstig bedoelde regels te worden gehoord en een verklaring af te leggen.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/13 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 21 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf — Duitsland) — Strafzaak tegen Mohsen Afrasiabi, Behzad Sahabi, Heinz Ulrich Kessel
(Zaak C-72/11) (1)
(Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen ten aanzien van Islamitische Republiek Iran teneinde nucleaire proliferatie te verhinderen - Verordening (EG) nr. 423/2007 - Artikel 7, leden 3 en 4 - Levering en installatie van sinteroven in Iran - Begrip „indirecte terbeschikkingstelling” van „economisch middel” ten behoeve van in bijlage IV en V bij deze verordening genoemde persoon, entiteit of lichaam - Begrip „omzeiling” van verbod van terbeschikkingstelling)
2012/C 49/21
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Düsseldorf
Partijen in de strafzaak
Mohsen Afrasiabi, Behzad Sahabi, Heinz Ulrich Kessel
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberlandesgericht Düsseldorf — Uitlegging van artikel 7, leden 3 en 4, van verordening nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 103, blz. 1) — Levering van in bijlage II bij verordening nr. 423/2007 genoemde uitrusting die nog niet voor gebruik gereed is aan een Iranese rechtspersoon die niet vermeld staat in de bijlagen IV en V bij deze verordening — Uitrusting die naar verluidt bestemd is voor latere productie ten gunste van een in deze bijlagen genoemde inrichting — Strekking van het verbod om economische middelen ter beschikking te stellen aan de in de bijlagen IV en V van genoemde verordening opgesomde personen — Begrip „indirect ter beschikking stellen” — Gelijktijdige toepassing van bepalingen die de terbeschikkingstelling van economische middelen verbieden enerzijds, en de omzeiling van dat verbod anderzijds
Dictum
|
1) |
Artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran, moet aldus worden uitgelegd dat het verbod van indirecte terbeschikkingstelling van een economisch middel in de zin van artikel 1, sub i, van deze verordening, alle handelingen in verband met de levering en de installatie van een werkende, maar nog niet gebruiksklare sinteroven in Iran omvat die zijn verricht ten behoeve van een derde die, handelend namens, onder de zeggenschap van of in opdracht van een persoon, entiteit of lichaam genoemd in de bijlagen IV en V van genoemde verordening, voornemens is deze oven te gebruiken om ten behoeve van een dergelijke persoon, entiteit of lichaam goederen te produceren die kunnen bijdragen tot de nucleaire proliferatie in die staat. |
|
2) |
Artikel 7, lid 4, van verordening nr. 423/2007 moet aldus worden uitgelegd dat:
|
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/14 |
Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 18 november 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Bari — Italië) — Giovanni Colapietro/Ispettorato Centrale Repressioni Frodi
(Zaak C-519/10) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Artikelen 92, lid 1, 103, lid 1, en 104, lid 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering - Wijnbouwsector - Verordening (EEG) nr. 822/87 en verordening (EG) nr. 343/94 - Vraag waarop antwoord geen ruimte voor redelijke twijfel laat - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)
2012/C 49/22
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale di Bari
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Giovanni Colapietro
Verwerende partij: Ispettorato Centrale Repressioni Frodi
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunale di Bari — Wijnbouwsector — Stelsel van verplichte distillatie — Wijnoogstjaar 1993/1994 — Temporele werkingssfeer van verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad van 16 maart 1987 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 84, blz. 1) — Intrekking van deze verordening bij verordening (EG) nr. 343/94 van de Commissie van 15 februari 1994 tot instelling van de in artikel 39 van verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad bedoelde verplichte distillatie en houdende afwijking van uitvoeringsbepalingen ter zake voor het wijnoogstjaar 1993/1994 (PB L 44, blz. 9) — Administratieve sanctie waarin nationaal recht voorziet in geval van schending van verordening nr. 822/87 — Toepasselijkheid in geval van schending van verordening nr. 343/94 — Evenredigheid van opgelegde administratieve sanctie
Dictum
Verordening (EG) nr. 343/94 van de Commissie van 15 februari 1994 tot instelling van de in artikel 39 van verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad bedoelde verplichte distillatie en houdende afwijking van uitvoeringsbepalingen ter zake voor het wijnoogstjaar 1993/1994, voert verordening nr. 822/87 uit zonder dat deze wordt ingetrokken of vervangen.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/14 |
Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 20 oktober 2011 — DTL Corporación, SL/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)/Gestión de Recursos y Soluciones Empresariales, SL
(Zaak C-67/11 P) (1)
(Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Verordening (EG) nr. 40/94 - Artikel 8, lid 1, sub b - Oppositieprocedure - Ouder nationaal beeldmerk dat woordelement «Solaria» bevat, en ouder nationaal beeldmerk dat woordelement «Solartia» bevat - Gedeeltelijke weigering van inschrijving - Verwarringsgevaar - Verzoek tot opschorting van procedure voor Gerecht - Verzoek dat niet binnen termijn is ingediend)
2012/C 49/23
Procestaal: Spaans
Partijen
Rekwirante: DTL Corporación, SL (vertegenwoordiger: A. Zuazo Araluze, abogado)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Crespo Carrillo, gemachtigde), Gestión de Recursos y Soluciones Empresariales, SL (vertegenwoordigers: M. Polo Carreño en M. Granado Carpenter, abogados)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (vierde kamer) van 15 december 2010, DTL/BHIM — Gestión de Recursos y Soluciones Empresariales (Solaria) (T-188/10), waarbij het Gerecht heeft verworpen een beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 17 februari 2010 (zaak R 767/2009-2) inzake een oppositieprocedure tussen Gestión de Recursos y Soluciones Empresariales SL en DTL Corporación SL
Dictum
|
1) |
Op de hogere voorziening behoeft niet te worden beslist voor de diensten van klasse 37 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd. |
|
2) |
De hogere voorziening wordt afgewezen voor de diensten van klasse 42 in de zin van de Overeenkomst van Nice. |
|
3) |
DTL Corporación SL wordt verwezen in de kosten. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/15 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Karlsruhe (Duitsland) op 24 november 2011 — Philipp Seeberger/Studentenwerk Heidelberg
(Zaak C-585/11)
2012/C 49/24
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgericht Karlsruhe
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Philipp Seeberger
Verwerende partij: Studentenwerk Heidelberg
Prejudiciële vraag
Staat het Unierecht in de weg aan een nationale wettelijke regeling krachtens welke geen studietoelage wordt toegekend voor een studie in een andere lidstaat, op de enkele grond dat de student die zijn recht van vrij verkeer en verblijf heeft uitgeoefend, bij het begin van de studie niet minstens drie jaar een vaste woonplaats in zijn lidstaat van herkomst had? (1)
(1) Uitlegging van de artikelen 20 en 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) — Burgerschap van de Unie en recht van vrij verkeer en verblijf.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/15 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Korkein hallinto-oikeus (Finland) op 25 november 2011 — Anssi Ketelä
(Zaak C-592/11)
2012/C 49/25
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Korkein hallinto-oikeus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Anssi Ketelä
Verwerende partij: Etelä-Pohjanmaan elinkeino-, liikenne- ja ympäristökeskus
Prejudiciële vragen
|
1) |
Welke uitlegging moet worden gegeven aan artikel 22, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 1698/2005 (1) van de Raad („zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigen”) en artikel 13, leden 4 en 6, van de verordening (EG) nr. 1974/2006 (2) van de Commissie, wanneer de landbouwactiviteiten worden uitgeoefend in het kader van een vennootschap? Wanneer het erom gaat te bepalen of een persoon zich voor de eerste keer vestigt als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf, is het dan voor de beoordeling van de vroegere activiteiten doorslaggevend of de persoon op grond van zijn deelneming zeggenschap in de vennootschap had of hoe hoog zijn inkomen uit de landbouw was, dan wel of zijn activiteiten in de vennootschap te onderscheiden zijn als een in functioneel en financieel opzicht onafhankelijke productie-eenheid? Of dient de hoedanigheid van bedrijfshoofd in algemene zin te worden beoordeeld, met inachtneming van naast de bovengenoemde factoren de positie van de betrokkene in de vennootschap en de vraag of hij feitelijk ondernemersrisico draagt? |
|
2) |
Moet bij de boordeling van de betekenis van een vroegere activiteit voor de toekenning van steun voor een andere activiteit, de hoedanigheid van bedrijfshoofd op dezelfde wijze worden uitgelegd zowel wat de vroegere activiteiten als wat de activiteiten betreft waarvoor een steunaanvraag is ingediend? Is het voor de intrekking van vestigingssteun voor jonge landbouwers in de zin van artikel 22 van de verordening van de Raad op grond van vroeger uitgeoefende activiteiten noodzakelijk dat de vroegere activiteiten volgens de geldende regels in beginsel in aanmerking zouden komen voor steun? |
|
3) |
Moet artikel 13, lid 4, van de verordening van de Commissie aldus worden uitgelegd dat de in de eerste vraag genoemde criteria op grond waarvan iemand wordt aangemerkt als gevestigd als bedrijfshoofd, in het nationale recht gepreciseerd of nader bepaald kunnen worden, of verleent de bepaling uitsluitend de bevoegdheid om het tijdstip van vestiging te bepalen? |
(1) Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (PB L 277, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 1974/2006 van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (PB L 368, blz. 15).
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/16 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) op 1 december 2011 — TVI Televisão Independente SA/Fazenda Pública
(Zaak C-618/11)
2012/C 49/26
Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Supremo Tribunal Administrativo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: TVI Televisão Independente SA
Verwerende partij: Fazenda Pública
Prejudiciële vragen
|
1) |
Is artikel 16, lid 1, CIVA, zoals uitgelegd in de bestreden beslissing (in die zin dat de heffing voor de uitzending van commerciële reclame samenhangt met de verrichting van reclamediensten en dus voor de btw-heffing moet worden opgenomen in de grondslag voor de belasting van de dienstverrichting) verenigbaar met artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388) van de Raad (1) (thans artikel 73 van richtlijn 2006/112/EG (2) van de Raad van 28 november 2006), inzonderheid met het begrip „wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen”? |
|
2) |
Is artikel 16, lid 6, sub c, CIVA, zoals uitgelegd in de bestreden beslissing (in die zin dat de heffing voor de uitzending van commerciële reclame niet een bedrag is dat namens en voor rekening van de ontvanger van de dienst wordt betaald, ook al wordt zij boekhoudkundig als doorlopende post geboekt en is zij bestemd om te worden afgedragen aan openbare lichamen, zodat zij voor de btw-heffing niet moet worden uitgesloten van de belastbare grondslag), verenigbaar met artikel 11, A, lid 3, sub c, van de Zesde richtlijn (77/388) van de Raad (thans artikel 79, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006), inzonderheid met het begrip „door een belastingplichtige van de afnemer als terugbetaling van in naam en voor rekening van laatstgenoemden gemaakte kosten ontvangen bedragen die in de boekhouding van de belastingplichtige als doorlopende posten voorkomen”? |
(1) Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1).
(2) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/16 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Arbeidsrechtbank te Brussel (België) op 30 november 2011 — Patricia Dumont de Chassart/RKW — Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers
(Zaak C-619/11)
2012/C 49/27
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Arbeidsrechtbank te Brussel
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Patricia Dumont de Chassart
Verwerende partij: RKW — Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers
Prejudiciële vraag
„Schendt artikel 79, lid 1, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (1), de algemene beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, neergelegd in, onder meer, artikel 14 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, in voorkomend geval gelezen in samenhang met de artikelen 17, 39 en/of 43 van de geconsolideerde versie van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, wanneer het aldus wordt uitgelegd dat enkel de overleden ouder in aanmerking komt voor toepassing van de in artikel 72 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen voorziene gelijkstellingsregels voor de tijdvakken van verzekering, werkzaamheden anders dan in loondienst of van arbeid, zodat artikel 56 bis, § 1, van de op 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag de overlevende ouder, ongeacht zijn nationaliteit maar voor zover hij een onderdaan is van een lidstaat of binnen de personele werkingssfeer van verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen valt, die in een ander land van de Europese Unie heeft gewerkt gedurende het in artikel 56 bis, § 1, van de op 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voorziene tijdvak van twaalf maanden, de mogelijkheid ontneemt het bewijs te leveren dat hij voldoet aan de voorwaarde dat hij, als begunstigde in de zin van artikel 51, § 3, 1o, van de op 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag, aanspraak had kunnen maken op zes maandelijkse forfaitaire bijslagen in de loop van de twaalf maanden die aan het overlijden voorafgaan, terwijl de overlevende ouder, ongeacht of hij de Belgische dan wel de nationaliteit van een andere lidstaat van de Europese Unie heeft, die gedurende het in artikel 56 bis, § 1, van de op 19 december 1939 samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voorziene tijdvak van twaalf maanden uitsluitend in België heeft gewerkt, in voorkomend geval omdat hij nooit het Belgische grondgebied heeft verlaten, wél dat bewijs zou mogen leveren.”
(1) PB L 149, blz. 2.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/17 |
Hogere voorziening ingesteld op 8 december 2011 door Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 20 september 2011 in zaak T-298/09, Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE/Europese Commissie
(Zaak C-629/11 P)
2012/C 49/28
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (vertegenwoordigers: N. Korogiannakis, M. Dermitzakis, Δικηγόροι)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirante concludeert dat het het Hof behage:
|
— |
het arrest van het Gerecht te vernietigen; |
|
— |
zijn volledige rechtsmacht uit te oefenen en het besluit van DG EAC om rekwirante op grond van de offertes die zij had ingediend in het kader van de openbare oproep tot inschrijving EAC/01/2008 voor externe dienstverlening voor onderwijsprogramma’s (ESP-ISEP), perceel 1 „Ontwikkeling en onderhoud van informatiesystemen” en perceel 2 „Onderzoek, testen, opleiding en bijstand inzake informatiesystemen” (PB 2008/S 158-212752), te kiezen als tweede contractant in het cascademechanisme, dat rekwirante is meegedeeld bij twee afzonderlijke brieven van 12 mei 2009, nietig te verklaren, alsook overeenkomstig de oude artikelen 225, 235 en 288 EG (thans artikelen 256, 268 en 340 VWEU) uitspraak te doen over het verzoek om vergoeding van de wegens de betrokken aanbestedingsprocedure geleden schade van 9 544 480 EUR (3 945 040 EUR voor perceel 1 en 5 599 440 EUR voor perceel 2); |
|
— |
subsidiair, de zaak te verwijzen naar het Gerecht voor een beslissing ten gronde; |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten die rekwirante in het kader van deze hogere voorziening en van de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring voor het Gerecht heeft gemaakt. |
Middelen en voornaamste argumenten
|
1) |
Rekwirante baseert haar hogere voorziening op één middel, dat betrekking heeft op de onjuiste uitlegging van artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement (1) en artikel 149, lid 2, van de uitvoeringsvoorschriften. |
|
2) |
Rekwirante vordert nietigverklaring van het arrest in zaak T-298/09, daar de Commissie niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan aan artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement en artikel 149, lid 2, van de uitvoeringsvoorschriften, hetgeen een wezenlijk vormvoorschrift vormt. Bovendien kan de beperkte informatie die met vertraging aan rekwirante is meegedeeld, in geen geval worden geacht toereikend te zijn en te voldoen aan de in artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement neergelegde motiveringsplicht, aangezien zij geen motivering of rechtvaardiging voor de evaluatie verschaft en geen gegevens betreffende de kenmerken en de specifieke voordelen van de best geklasseerde inschrijver bevat. |
(1) Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248, blz. 1).
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/17 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) op 12 december 2011 — TVI Televisão Independente SA/Fazenda Pública
(Zaak C-637/11)
2012/C 49/29
Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Supremo Tribunal Administrativo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: TVI Televisão Independente SA
Verwerende partij: Fazenda Pública
Prejudiciële vragen
|
1) |
Is artikel 16, lid 1, CIVA, zoals uitgelegd in de bestreden beslissing (in die zin dat de heffing voor de uitzending van commerciële reclame samenhangt met de verrichting van reclamediensten en dus voor de btw-heffing moet worden opgenomen in de grondslag voor de belasting van de dienstverrichting) verenigbaar met artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388) van de Raad (1) (thans artikel 73 van richtlijn 2006/112/EG (2) van de Raad van 28 november 2006), inzonderheid met het begrip „wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen”? |
|
2) |
Is artikel 16, lid 6, sub c, CIVA, zoals uitgelegd in de bestreden beslissing (in die zin dat de heffing voor de uitzending van commerciële reclame niet een bedrag is dat namens en voor rekening van de ontvanger van de dienst wordt betaald, ook al wordt zij boekhoudkundig als doorlopende post geboekt en is zij bestemd om te worden afgedragen aan openbare lichamen, zodat zij voor de btw-heffing niet moet worden uitgesloten van de belastbare grondslag), verenigbaar met artikel 11, A, lid 3, sub c, van de Zesde richtlijn (77/388) van de Raad (thans artikel 79, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006), inzonderheid met het begrip „door een belastingplichtige van de afnemer als terugbetaling van in naam en voor rekening van laatstgenoemden gemaakte kosten ontvangen bedragen die in de boekhouding van de belastingplichtige als doorlopende posten voorkomen”? |
(1) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1).
(2) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/18 |
Hogere voorziening ingesteld op 19 december 2011 door Dimos Peramatos tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 12 oktober 2011 in zaak T-312/07, Dimos Peramatos/Europese Commissie
(Zaak C-647/11 P)
2012/C 49/30
Procestaal: Grieks
Partijen
Rekwirante: Dimos Peramatos (vertegenwoordiger: G. Gerapetritis, dikigoros)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
|
— |
het arrest van het Gerecht vernietigen voor zover daarbij het beroep van rekwirante is afgewezen waarin zij verzocht dat een einde werd gemaakt aan al haar verplichtingen om de bedragen terug te betalen die zijn uitgekeerd in het kader van het programma LIFE97/ENV/GR/000380 of, subsidiair, de bestreden handeling aldus te herzien dat rekwirante 93 795,32 EUR moet betalen, hetgeen — zoals de Commissie zelf erkent — overeenkomt met de boekhoudkundige waarde van de niet in aanmerking komende uitgaven; |
|
— |
de zaak voor een hernieuwde behandeling terugverwijzen naar het Gerecht; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van rekwirante, in het bijzonder de honoraria van haar procesgemachtigde. |
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante twee middelen aan:
|
1) |
Onjuiste uitlegging van de financieringsovereenkomst die op 17 juli tussen Dimos Peramatos (gemeente Perama) en de Europese Commissie 1997 is gesloten met nummer C(97) 1997/def./29, in het kader van de uitvoering van een actie in het kader van het programma LIFE, en van de regelingscontext daarvan (verordening nr. 1973/1992), voor zover het Gerecht heeft geoordeeld dat niet genoegzaam was voldaan aan de bij die overeenkomst aan de gemeente opgelegde verplichting om bomen te planten. |
|
2) |
Onjuiste uitlegging en schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en van het rechtszekerheidsbeginsel vanwege een ontoereikende motivering van het bestreden arrest op het punt van de verplichting om door de instellingen van de Europese Unie vastgestelde bezwarende bestuurshandelingen met redenen te omkleden. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/18 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākās tiesas Senāts (Republiek Letland) op 19 december 2011 — Ilgvars Brunovskis/Lauku atbalsta dienests
(Zaak C-650/11)
2012/C 49/31
Procestaal: Lets
Verwijzende rechter
Augstākās tiesas Senāts
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ilgvars Brunovskis
Verwerende partij: Lauku atbalsta dienests
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet artikel 125, lid 1, van verordening nr. 1782/2003 (1) aldus worden uitgelegd dat voor de zoogkoeienpremie rekening moet worden gehouden met alle zoogkoeien die geboren zijn in de loop van het kalenderjaar? |
|
2) |
Moet artikel 102, lid 2, van verordening nr. 1973/2004 (2) aldus worden uitgelegd dat de periode van zes maanden de termijn voor de indiening van de premieaanvragen is? |
|
3) |
Is, bij een bevestigend antwoord op de tweede vraag, een lidstaat die deze aanvraagtermijn heeft verkort, verplicht tot vergoeding van de verliezen van een landbouwer die niet ten volle gebruik heeft kunnen maken van de in de verordening vastgestelde aanvraagtermijn? |
(1) Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 1973/2004 van de Commissie van 29 oktober 2004 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en IV bis van die verordening ingestelde steunregelingen en het gebruik van braakgelegde grond voor de productie van grondstoffen (PB L 345, blz. 1).
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/19 |
Hogere voorziening ingesteld op 19 december 2011 door Mindo Srl tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 5 oktober 2011 in zaak T-19/06, Mindo Srl/Europese Commissie
(Zaak C-652/11 P)
2012/C 49/32
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Mindo Srl (vertegenwoordigers: C. Osti, A. Prastaro en G. Mastrantonio, avvocati)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
|
— |
het arrest van het Gerecht van 5 oktober 2001, Mindo/Commissie (T-19/06), in zijn geheel te vernietigen en, bijgevolg, |
|
— |
de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht met het oog op een uitspraak ten gronde, aangezien het Mindo met zijn arrest een volledige rechtelijke toetsing in eerste aanleg ontzegt, |
|
— |
de Commissie te verwijzen in alle kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het verzoek van rekwirante berust op de volgende middelen:
|
|
Het Gerecht oordeelt dat Mindo geen belang heeft om de procedure voort te zetten, aangezien zij geen voordeel kan halen uit vernietiging van het bestreden arrest zelf, noch met betrekking tot terugvordering door Alliance One International Inc. („Alliance One”) van een deel van de betaalde boete, noch met betrekking tot latere schadevorderingen van derden. |
|
|
Ten eerste voert rekwirante aan dat voormelde overwegingen moeten worden vernietigd aangezien zij de toepasselijke wetgeving schenden, gebaseerd zijn op een onjuiste opvatting van de feiten en, in elk geval, steunen op een ontoereikende en tegenstrijdige motivering. |
|
|
Ten tweede betoogt rekwirante dat het bestreden arrest moet worden vernietigd omdat het, ofwel Mindo het recht op toegang tot de rechter ontneemt (en bijgevolg het recht op een herziening ten gronde van haar zaak), ofwel, indien het bestreden arrest moet worden uitgelegd in die zin dat Mindo en Alliance One samen hun verzoek in eerste aanleg hadden moeten indienen, het recht van verweer van Mindo en Alliance One schendt. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/19 |
Hogere voorziening ingesteld op 20 december 2011 door Transcatab SpA, in liquidatie, tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 5 oktober 2011 in zaak T-39/06, Transcatab/Commissie
(Zaak C-654/11 P)
2012/C 49/33
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Transcatab SpA, in liquidatie (vertegenwoordigers: C. Osti, A. Prastaro en G. Mastrantonio, avvocati)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
Rekwirante verzoekt het Hof:
|
— |
het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 5 oktober 2011 in zaak T-39/06, Transcatab/Commissie (hierna: „bestreden arrest”), te vernietigen, voor zover daarbij is geoordeeld dat Standard Commercial Corp. (en dus Alliance One International) hoofdelijk aansprakelijk moet worden geacht voor de door Transcatab gepleegde inbreuken; |
|
— |
de aan Transcatab opgelegde geldboete derhalve te verlagen door artikel 2, sub c, van beschikking C(2005) 4012 def. van de Commissie van 20 oktober 2005 in een procedure op grond van artikel 81, lid 1, EG (zaak COMP/C 38.281/B.2 — Ruwe tabak — Italië) nietig te verklaren en voor recht te verklaren dat de geldboete — overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17/62 en artikel 23, punt 2, van verordening nr. 1/2003 — op basis van de omzet van Transcatab moet worden berekend, te weten 32,338 miljoen EUR wat het in maart 2005 gesloten boekjaar betreft; |
|
— |
deze beschikking bijgevolg nietig te verklaren, voor zover daarin voor Transcatab een coëfficiënt van 1,25 op het basisbedrag van de geldboete is gehanteerd; |
|
— |
het bestreden arrest te vernietigen, voor zover daarbij de grieven van Transcatab zijn verworpen betreffende a) het feit dat de opgelegde geldboete niet is verlaagd wegens het ontbreken van een concrete invloed op de markt, b) de geringere intensiteit van de inbreuk in de periode 1999-2002 en c) de verzachtende omstandigheid van „redelijke twijfel”, terwijl deze in een parallelle Spaanse zaak wel is toegepast, en de opgelegde geldboete dan ook dienovereenkomstig te verlagen; |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
In de eerste plaats schendt het bestreden arrest artikel 296 VWEU, de artikelen 48 en 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en — in elk geval –de beginselen betreffende de bewijslast en de rechten van verdediging van Transcatab. In de loop van de procedure in eerste aanleg zijn argumenten aangevoerd en bewijselementen verstrekt ter weerlegging van het vermoeden dat SCC een beslissende invloed op het gedrag van Transcatab uitoefende. Aangezien deze argumenten en bewijselementen relevant en hoe dan ook — tegen de achtergrond van de recente rechtspraak van het Hof van Justitie — niet onbeduidend waren, hadden zij op zijn minst concreet moeten worden onderzocht en konden zij niet worden verworpen zonder passende motivering. Volgens rekwirante heeft het Gerecht noch het ene, noch het andere gedaan. Hoe dan ook is rekwirante van mening dat het bestreden arrest, voor zover daarin is geoordeeld dat in de voor het Gerecht betwiste beschikking nieuwe bewijselementen konden worden gebruikt, schending oplevert van de beginselen betreffende de bewijslast en in elk geval van de rechten van verdediging van Transcatab.
In de tweede plaats betoogt rekwirante dat het Gerecht, door haar grieven betreffende het ontbreken van een concrete invloed van de inbreuk op de markt en de geringere intensiteit van de inbreuk tijdens de periode van 1999 tot en met 2002 niet te hebben aanvaard, de feiten heeft verdraaid en hoe dan ook de algemene beginselen betreffende de uitlegging van bestuurlijke handelingen van de Europese instellingen heeft miskend, alsook de op hem rustende motiveringsplicht en de voorschriften inzake de bewijslast, de rechten van verdediging van Transcatab en het non ultra petita-beginsel heeft geschonden.
In de derde plaats stelt rekwirante dat het bestreden arrest door een onjuiste rechtsopvatting en door een ontoereikende en onlogische motivering is aangetast, in het gedeelte van het arrest houdende verwerping door het Gerecht van de door Transcatab aangevoerde grief betreffende schending van het beginsel van gelijke behandeling doordat de verzachtende omstandigheid van het bestaan van „redelijke twijfel”, die wel in de soortgelijke Spaanse zaak was toegepast, niet in aanmerking is genomen.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/20 |
Beroep ingesteld op 21 december 2011 — Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-656/11)
2012/C 49/34
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: C. Murrell, gemachtigde en A. Dashwood QC)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
|
— |
het besluit van de Raad van 16 december 2001 (1) betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, inzake de vervanging van bijlage II bij die overeenkomst betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, nietig verklaren; |
|
— |
de Raad van de Europese Unie verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
|
1) |
In haar krachtens artikel 263 VWEU ingesteld beroep verzoekt het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland om nietigverklaring krachtens artikel 264 VWEU van het besluit van de Raad van 16 december 2001 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité dat is opgericht bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen, inzake de vervanging van bijlage II bij die overeenkomst betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. |
|
2) |
Artikel 48 VWEU is de enige materiële rechtsgrondslag die in het besluit is vermeld. |
|
3) |
Het besluit betreft de wijziging van bijlage II bij de Overeenkomst van 21 juni 1999 tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen. Bijlage II bij de overeenkomst betreft uitsluitend de coördinatie, tussen de EU en Zwitserland, van socialezekerheidsstelsels. De wijzigingen van bijlage II die het bestreden besluit zou willen doorvoeren, hebben tot doel de wijzigingen op te nemen die zich hebben voorgedaan in het EU-mechanisme op het vlak van de coördinatie van de sociale zekerheid. Een van de gevolgen van de voorgenomen wijzigingen van bijlage II betreft de toekenning aan Zwitserse staatsburgers die zelf geen economische activiteit uitoefenen, en evenmin gezinslid zijn van een persoon die een economische activiteit uitoefent („niet-actieven”) van rechten die zij krachtens de huidige regeling van bijlage II niet genieten. |
|
4) |
Het Verenigd Koninkrijk is van mening dat artikel 48 VWEU niet als enige materiële rechtsgrondslag kan dienen voor een maatregel die dergelijke gevolgen zal hebben. Deze bepaling beoogt het vrije verkeer van personen te vergemakkelijken (a) binnen de Unie, niet tussen de Unie en derde landen en (b) van personen die een economische activiteit uitoefenen of van hun gezinsleden, niet van niet-actieven. De passende rechtsgrondslag is artikel 79, lid 2, sub b, VWEU. Dit artikel verleent de bevoegdheid om maatregelen vast te stellen op het vlak van „de omschrijving van de rechten van onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, alsook de voorwaarden ter regeling van het vrije verkeer en het vrije verblijf in andere lidstaten”. |
|
5) |
Artikel 79, lid 2, sub b, VWEU is opgenomen in Titel V van het derde deel van het Verdrag. Volgens Protocol nr. 21 bij de Verdragen zijn de overeenkomstig titel V aangenomen maatregelen niet van toepassing op het Verenigd Koninkrijk (of Ierland) tenzij het te kennen geeft dat het „eraan wenst deel te nemen”. Door ten onrechte artikel 48 VWEU als materiële rechtsgrondslag voor het besluit te kiezen in plaats van artikel 79, lid 2, sub b, VWEU, heeft de Raad geweigerd het keuzerecht te erkennen van het Verenigd Koninkrijk om niet aan het besluit deel te nemen en er niet door te zijn gebonden. |
|
6) |
Bijgevolg wordt om de nietigverklaring van het besluit van de Raad van 16 december 2011 verzocht op grond dat het krachtens de verkeerde rechtsgrondslag is vastgesteld met als gevolg dat de rechten van het Verenigd Koninkrijk krachtens Protocol nr. 21 niet zijn geëerbiedigd. |
(1) PB L 341, blz. 1.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/21 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) op 27 december 2011 — TVI Televisão Independente SA/Fazenda Pública
(Zaak C-659/11)
2012/C 49/35
Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Supremo Tribunal Administrativo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: TVI Televisão Independente SA
Verwerende partij: Fazenda Pública
Prejudiciële vragen
|
1) |
Is artikel 16, lid 1, CIVA, zoals uitgelegd in de bestreden beslissing (in die zin dat de heffing voor de uitzending van commerciële reclame samenhangt met de verrichting van reclamediensten en dus voor de btw-heffing moet worden opgenomen in de grondslag voor de belasting van de dienstverrichting) verenigbaar met artikel 11, A, lid 1, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388) (1) van de Raad (thans artikel 73 van richtlijn 2006/112/EG (2) van de Raad van 28 november 2006), inzonderheid met het begrip „wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen”? |
|
2) |
Is artikel 16, lid 6, sub c, CIVA, zoals uitgelegd in de bestreden beslissing (in die zin dat de heffing voor de uitzending van commerciële reclame niet een bedrag is dat namens en voor rekening van de ontvanger van de dienst wordt betaald, ook al wordt zij boekhoudkundig als doorlopende post geboekt en is zij bestemd om te worden afgedragen aan openbare lichamen, zodat zij voor de btw-heffing niet moet worden uitgesloten van de belastbare grondslag), verenigbaar met artikel 11, A, lid 3, sub c, van de Zesde richtlijn (77/388) van de Raad (thans artikel 79, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006), inzonderheid met het begrip „door een belastingplichtige van de afnemer als terugbetaling van in naam en voor rekening van laatstgenoemden gemaakte kosten ontvangen bedragen die in de boekhouding van de belastingplichtige als doorlopende posten voorkomen”? |
(1) Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1).
(2) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/21 |
Beschikking van de president van de Derde kamer van het Hof van 22 november 2011 — Europese Commissie/Ierland
(Zaak C-356/10) (1)
2012/C 49/36
Procestaal: Engels
De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/21 |
Beschikking van de president van het Hof van 14 november 2011 — 4care AG/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Laboratorios Diafarm, SA
(Zaak C-535/10 P) (1)
2012/C 49/37
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/22 |
Beschikking van de president van het Hof van 22 november 2011 — Europese Commissie/Republiek Oostenrijk
(Zaak C-568/10) (1)
2012/C 49/38
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/22 |
Beschikking van de president van de Zesde kamer van het Hof van 22 november 2011 — Europese Commissie/Republiek Oostenrijk
(Zaak C-582/10) (1)
2012/C 49/39
Procestaal: Duits
De president van de Zesde kamer van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
Gerecht
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/23 |
Arrest van het Gerecht van 12 januari 2012 — Storck/BHIM — RAI (Ragolizia)
(Zaak T-462/09) (1)
(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Ragolizia - Ouder gemeenschapswoordmerk FAVOLIZIA - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Overeenstemmende tekens - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)
2012/C 49/40
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: August Storck KG (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: I. Rohr, P. Goldenbaum en T. Melchert, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Radiotelevisione italiana SpA (RAI) (Rome, Italië)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 8 september 2009 (zaak R 1779/2008-4) inzake een oppositieprocedure tussen Radiotelevisione italiana SpA (RAI) en August Storck KG
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
August Storck KG wordt verwezen in de kosten. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/23 |
Beschikking van het Gerecht van 13 december 2011 — Marcuccio/Commissie
(Zaak T-311/09 P) (1)
(Hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Sociale zekerheid - Vergoeding van ziektekosten - Besluit van de Commissie houdende weigering van 100 % vergoeding van bepaalde door rekwirant gemaakte ziektekosten - Verkeerde opvatting - Motiveringsplicht - Onderzoek - Bezwarend besluit - Gezag van gewijsde - Litispendentie - Bevestigende handeling)
2012/C 49/41
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirant: Luigi Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en C. Berardis-Kayser, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 20 mei 2009, Marcuccio/Commissie (F-73/08, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van die beschikking
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Marcuccio zal zijn eigen kosten dragen alsmede de kosten die de Europese Commissie in het kader van deze procedure heeft gemaakt. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/23 |
Beschikking van het Gerecht van 16 december 2011 — Stichting Woonlinie e.a./Commissie
(Zaak T-202/10) (1)
(Staatssteun - Steunregeling van Nederland ten gunste van woningcorporaties - Bestaande steun - Besluit tot aanvaarding van door lidstaat aangegane verbintenissen - Beroep tot nietigverklaring - Geen individuele geraaktheid - Niet-ontvankelijkheid)
2012/C 49/42
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partijen: Stichting Woonlinie (Woudrichem, Nederland), Stichting Allee Wonen (Roosendaal, Nederland), Woningstichting Volksbelang (Wijk bij Duurstede, Nederland), Stichting WoonInvest (Leidschendam-Voorburg, Nederland) en Stichting Woonstede (Ede, Nederland) (vertegenwoordigers: P. Glazener, E. Henny en T. Ottervanger, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: H. van Vliet, S. Noë en S. Thomas, gemachtigden, bijgestaan door H. Gilliams, advocaat)
Voorwerp
Beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C(2009) 9963 def. van de Commissie van 15 december 2009 inzake de steunmaatregelen nrs. E 2/2005 en N 642/2009 — Nederland — Bestaande steun en bijzondere projectsteun voor woningcorporaties
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Op de verzoeken tot interventie van Vesteda Groep BV, de Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, Nederland, de Société wallonne du logement, de Union sociale pour l’habitat en het Comité européen de coordination de l’habitat social (Cecodhas) behoeft geen uitspraak te worden gedaan. |
|
3) |
Stichting Woonlinie, Stichting Allee Wonen, Woningstichting Volksbelang, Stichting WoonInvest en Stichting Woonstede dragen hun eigen kosten en die van de Europese Commissie. |
|
4) |
Vesteda Groep, de Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, Nederland, de Société wallonne du logement, de Union sociale pour l’habitat en Cecodhas, verzoekers tot interventie, dragen hun eigen kosten. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/24 |
Beschikking van het Gerecht van 16 december 2011 — Stichting Woonpunt e.a./Commissie
(Zaak T-203/10) (1)
(Staatssteun - Steunregeling van Nederland ten gunste van woningcorporaties - Bestaande steun - Besluit tot aanvaarding van door lidstaat aangegane verbintenissen - Besluit waarbij nieuwe steun verenigbaar wordt verklaard - Beroep tot nietigverklaring - Geen individuele geraaktheid - Geen procesbelang - Niet-ontvankelijkheid)
2012/C 49/43
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partijen: Stichting Woonpunt (Beek, Nederland), Stichting Com.wonen (Rotterdam, Nederland), Woningstichting Haag Wonen (’s-Gravenhage, Nederland) en Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl (Eindhoven, Nederland) (vertegenwoordigers: P. Glazener, E. Henny en T. Ottervanger, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: H. van Vliet, S. Noë en S. Thomas, gemachtigden, bijgestaan door H. Gilliams, advocaat)
Voorwerp
Beroep tot nietigverklaring van besluit C(2009) 9963 def. van de Commissie van 15 december 2009 inzake de steunmaatregelen nrs. E 2/2005 en N 642/2009 — Nederland — Bestaande steun en bijzondere projectsteun voor woningcorporaties
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Op de verzoeken tot interventie van Vesteda Groep BV en van de Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, Nederland, behoeft geen uitspraak te worden gedaan. |
|
3) |
Stichting Woonpunt, Stichting Com.wonen, Woningstichting Haag Wonen en Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl dragen hun eigen kosten en die van de Europese Commissie. |
|
4) |
Vesteda Groep en de Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed, Nederland, verzoeksters tot interventie, dragen hun eigen kosten. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/24 |
Beschikking van het Gerecht van 15 december 2011 — Gooré/Raad
(Zaak T-285/11) (1)
(Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen in verband met situatie in Ivoorkust - Schrapping van betrokken personen van lijst - Beroep tot nietigverklaring - Afdoening zonder beslissing - Beroep tot schadevergoeding - Beroep kennelijk ongegrond)
2012/C 49/44
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Charles Kader Gooré (Abidjan, Ivoorkust) (vertegenwoordiger: F. Meynot, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: B. Driessen, G. Etienne en M. Chavrier, gemachtigden)
Voorwerp
Ten eerste, nietigverklaring van verordening (EU) nr. 330/2011 van de Raad van 6 april 2011 tot wijziging van verordening (EG) nr. 560/2005 tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust (PB L 93, blz. 10), voor zover deze verordening verzoeker betreft en ten tweede, een vordering tot schadevergoeding.
Dictum
|
1) |
Op het verzoek tot nietigverklaring van verordening (EU) nr. 330/2011 van de Raad van 6 april 2011 tot wijziging van verordening (EG) nr. 560/2005 tot instelling van beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten in verband met de situatie in Ivoorkust, behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
De vordering tot schadevordering wordt afgewezen. |
|
3) |
Elke partij zal haar eigen kosten dragen. |
|
4) |
Op het verzoek om toelating tot interventie van de Europese Commissie behoeft niet te worden beslist. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/25 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 22 december 2011 — Al-Chihabi/Raad
(Zaak T-593/11 R)
(Kort geding - Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen Syrië - Bevriezing van tegoeden en financiële middelen - Verzoek om voorlopige maatregelen - Geen spoedeisendheid - Geen ernstige en onherstelbare schade)
2012/C 49/45
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Fares Al-Chihabi (Aleppo, Syrië) (vertegenwoordigers: L. Ruessmann en W. Berg, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bishop en R. Liudvinaviciute-Cordeiro, gemachtigden)
Voorwerp
In wezen verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging van besluit 2011/522/GBVB van de Raad van 2 september 2011 houdende wijziging van besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB L 228, blz. 16), van verordening (EU) nr. 878/2011 van de Raad van 2 september 2011 tot wijziging van verordening (EU) nr. 422/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB L 228, blz. 1), van besluit 2011/684/GBVB van de Raad van 13 oktober 2011 houdende wijziging van besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB L 269, blz. 33), en van verordening (EU) nr. 1011/2011 van de Raad van 13 oktober 2011 tot wijziging van verordening (EU) nr. 442/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB L 269, blz. 18), voor zover deze teksten betrekking hebben op verzoeker.
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/25 |
Hogere voorziening ingesteld op 24 november 2011 door A tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 14 september 2011 in zaak F-12/09, A/Commissie
(Zaak T-595/11 P)
2012/C 49/46
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirerende partij: A (Port-Vendres, Frankrijk) (vertegenwoordigers: B. Cambier, A. Paternostre en L. Levi, advocaten)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie van 14 september 2011 in zaak F-12/09 te vernietigen; |
|
— |
dientengevolge, rekwirants in eerste aanleg geformuleerde vorderingen toe te wijzen en derhalve,
|
Middelen en voornaamste argumenten
Ter onderbouwing van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij drie middelen aan:
|
1) |
Eerste middel, ontleend aan schending van het recht op eerbiediging van de redelijke termijn, van het zorgbeginsel en het beginsel van gewettigd vertrouwen alsmede verkeerde opvatting van het dossier. |
|
2) |
Tweede middel, ontleend aan schending van het recht op volledige vergoeding van de geleden schade. |
|
3) |
Derde middel, ontleend aan schending van de artikelen 73 en 90 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en van de beginselen van behoorlijk bestuur, proceseconomie, non-retroactiviteit, hiërarchie van normen en van het begrip maximale graad van genezing alsmede verkeerde opvatting van de feiten en van rekwirants betoog. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/26 |
Beroep ingesteld op 2 december 2011 — Sky Deutschland en Sky Deutschland Fernsehen/Commissie
(Zaak T-626/11)
2012/C 49/47
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Sky Deutschland AG (Unterföhring, Duitsland) en Sky Deutschland Fernsehen GmbH & Co. KG (Unterföhring) (vertegenwoordigers: A. Cordewener, F. Kutt en C. Jehke, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoeksters verzoeken het Gerecht:
|
— |
het besluit van verweerster van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/2010 (ex CP 250/2009 en NN 5/2010) „KStG, Sanierungsklausel”, in zijn geheel nietig te verklaren; |
|
— |
subsidiair, het hierboven genoemde besluit ten minste nietig te verklaren voor zover daarin ten gunste van ondernemingen die zich in de situatie van de eerste en de tweede verzoekster bevinden, niet is voorzien in een op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen gebaseerde uitzondering op de in de artikelen 4 en 5 opgelegde verplichting tot terugvordering, of althans ten gunste van dergelijke ondernemingen niet is voorzien in een overgangsregeling; |
|
— |
verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters in wezen het volgende aan:
|
— |
Verweerster komt in het bestreden besluit ten onrechte tot de conclusie, dat bij de „Sanierungsklausel” (saneringsclausule) van § 8c, lid 1a, van het Duitse Körperschaftsteuergesetz (wet inzake vennootschapsbelasting; KStG) sprake is van onrechtmatige steun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. In dat verband voeren verzoeksters onder meer aan dat verweerster ten onrechte ervan uitgaat dat de regeling van § 8c, lid 1a, KStG selectief is en een niet-gerechtvaardigde uitzondering vormt op het in § 8c, lid 1, KStG neergelegde beginsel dat belastingverliezen van een vennootschap in geval van wijziging in het aandeelhouderschap in deze vennootschap onder bepaalde voorwaarden verloren gaan. Volgens verzoeksters beschouwt verweerster de regeling van § 8c, lid 1, KStG ten onrechte als het relevante nationale referentiestelsel in het kader van haar onderzoek naar steun. |
|
— |
Het relevante referentiestelsel is de naar Duits recht in beginsel bestaande mogelijkheid van verrekening van verliezen tussen tijdvakken, die voortvloeit uit het zogenoemde objectieve nettobeginsel. Volgens verzoeksters wordt dat referentiestelsel slechts bevestigd door de „Sanierungsklausel” van § 8c, lid 1a, KStG. Voorts druist § 8c, lid 1, KStG in tegen het Duitse grondwettelijke recht, zodat deze bepaling ook daarom niet het relevante nationale referentiestelsel kan zijn. |
|
— |
De regeling van § 8c, lid 1a, KStG is bovendien een zogenoemde algemene maatregel, waarmee alle marktdeelnemers die verliezen hebben hun voordeel kunnen doen en geen bepaalde groep marktdeelnemers wordt bevoorrecht. Volgens verzoeksters is de „Sanierungsklausel” dus niet selectief. |
|
— |
De „Sanierungsklausel” van § 8c, lid 1a, KStG wordt ook gerechtvaardigd door de aard en de opzet van het Duitse belastingstelsel, aangezien deze norm de effecten van de beperking van de aftrek van verliezen waarin is voorzien bij § 8c, lid 1, KStG, beperkt. Verzoeksters betogen dienaangaande dat de oorspronkelijke versie van § 8c KStG een te ruim werkende antimisbruikregeling was en dat de latere aanvulling (met terugwerkende kracht) van dat voorschrift door § 8c, lid 1a, KStG louter de te verregaande inhoud van de regeling van § 8c, lid 1, KStG inperkt en in zoverre de algemene verrekening van de verliezen tussen tijdvakken als toepasselijke referentiestelsel opnieuw gelding doet vinden. |
|
— |
Ten slotte voeren verzoeksters aan dat zij bescherming van het gewettigd vertrouwen genieten, aangezien verweersters negatieve besluit niet voorzienbaar was en voorts verweerster geen bewaar had gemaakt tegen de op dezelfde wijze gestructureerde vroegere regeling van de oude versie van § 8c, lid 4, KStG of tegen vergelijkbare regelingen van andere lidstaten. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/26 |
Beroep ingesteld op 2 december 2011 — ATMvision/Commissie
(Zaak T-627/11)
2012/C 49/48
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: ATMvision AG (Salem, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Cordewener, F. Kutt en C. Jehke, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
|
— |
het besluit van verweerster van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/2010 (ex CP 250/2009 en NN 5/2010) „KStG, Sanierungsklausel”, in zijn geheel nietig te verklaren; |
|
— |
subsidiair, het hierboven genoemde besluit ten minste nietig te verklaren voor zover daarin ten gunste van ondernemingen die zich in verzoeksters situatie bevinden, niet is voorzien in een op het beginsel van bescherming van het gewettigd vertrouwen gebaseerde uitzondering op de in de artikelen 4 en 5 opgelegde verplichting tot terugvordering, of althans ten gunste van dergelijke ondernemingen niet is voorzien in een overgangsregeling; |
|
— |
verweerster te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster in wezen het volgende aan:
|
— |
Verweerster komt in het bestreden besluit ten onrechte tot de conclusie, dat bij de „Sanierungsklausel” (saneringsclausule) van § 8c, lid 1a, van het Duitse Körperschaftsteuergesetz (wet inzake vennootschapsbelasting; KStG) sprake is van onrechtmatige steun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. In dat verband voert verzoekster onder meer aan dat verweerster ten onrechte ervan uitgaat dat de regeling van § 8c, lid 1a, KStG selectief is en een niet-gerechtvaardigde uitzondering vormt op het in § 8c, lid 1, KStG neergelegde beginsel dat belastingverliezen van een vennootschap in geval van wijziging in het aandeelhouderschap in deze vennootschap onder bepaalde voorwaarden verloren gaan. Volgens verzoekster beschouwt verweerster de regeling van § 8c, lid 1, KStG ten onrechte als het relevante nationale referentiestelsel in het kader van haar onderzoek naar steun. |
|
— |
Het relevante referentiestelsel is de naar Duits recht in beginsel bestaande mogelijkheid van verrekening van verliezen tussen tijdvakken, die voortvloeit uit het zogenoemde objectieve nettobeginsel. Volgens verzoekster wordt dat referentiestelsel slechts bevestigd door de „Sanierungsklausel” van § 8c, lid 1a, KStG. Voorts druist § 8c, lid 1, KStG in tegen het Duitse grondwettelijke recht, zodat deze bepaling ook daarom niet het relevante nationale referentiestelsel kan zijn. |
|
— |
De regeling van § 8c, lid 1a, KStG is bovendien een zogenoemde algemene maatregel, waarmee alle marktdeelnemers die verliezen hebben hun voordeel kunnen doen en geen bepaalde groep marktdeelnemers wordt bevoorrecht. Volgens verzoekster is de „Sanierungsklausel” dus niet selectief. |
|
— |
De „Sanierungsklausel” van § 8c, lid 1a, KStG wordt ook gerechtvaardigd door de aard en de opzet van het Duitse belastingstelsel, aangezien deze norm de effecten van de beperking van de aftrek van verliezen waarin is voorzien bij § 8c, lid 1, KStG, beperkt. Verzoekster betoogt dienaangaande dat de oorspronkelijke versie van § 8c KStG een te ruim werkende antimisbruikregeling was en dat de latere aanvulling (met terugwerkende kracht) van dat voorschrift door § 8c, lid 1a, KStG louter de te verregaande inhoud van de regeling van § 8c, lid 1, KStG inperkt en in zoverre de algemene verrekening van de verliezen tussen tijdvakken als toepasselijke referentiestelsel opnieuw gelding doet vinden. |
|
— |
Ten slotte voert verzoekster aan dat zij bescherming van het gewettigd vertrouwen geniet, aangezien verweersters negatieve besluit niet voorzienbaar was en voorts verweerster geen bewaar had gemaakt tegen de op dezelfde wijze gestructureerde vroegere regeling van de oude versie van § 8c, lid 4, KStG of tegen vergelijkbare regelingen van andere lidstaten. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/27 |
Beroep ingesteld op 5 december 2011 — Biogas Nord/Commissie
(Zaak T-628/11)
2012/C 49/49
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Biogas Nord AG (Bielefeld, Duitsland) (vertegenwoordiger: C. Birkemeyer, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
besluit C(2011) 275 van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/2010 (ex CP 250/2009 en NN 5/2010) „KStG, Sanierungsklausel” krachtens artikel 264 VWEU nietig te verklaren; |
|
— |
de Commissie krachtens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te veroordelen tot het dragen van verzoeksters kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.
|
1) |
Eerste middel: toepassing van het beginsel van de particuliere schuldeiser In het kader van het eerste middel stelt verzoekster dat er bij § 8c, lid 1a, van het Duitse Körperschaftsteuergesetz (wet inzake vennootschapsbelasting; KStG) geen sprake is van een steunmaatregel in de zin van de artikelen 107 VWEU e.v., aangezien de begunstigde ondernemingen een gelijkwaardige tegenprestatie verrichten, die de vergelijking met de handelwijze van een particuliere schuldeiser in een markteconomie doorstaat. |
|
2) |
Tweede middel: geen selectiviteit Verzoekster betoogt dat er bij § 8c, lid 1a, KStG geen sprake is van steun in de zin van artikel 107 VWEU e.v., aangezien eerstgenoemd voorschrift niet resulteert in een selectieve begunstiging. |
|
3) |
Derde middel: bescherming van het gewettigd vertrouwen Verzoekster stelt in het kader van het derde middel dat ondernemingen die vermogensrechtelijke regelingen hebben getroffen voordat zij kennis kregen aan de procedure van de Commissie op grond van artikel 108, lid 2, VWEU, met betrekking tot het bestreden besluit aanspraak kunnen maken op bescherming van het gewettigd vertrouwen. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/28 |
Beroep ingesteld op 5 december 2011 — Biogas Nord Anlagenbau/Commissie
(Zaak T-629/11)
2012/C 49/50
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Biogas Nord Anlagenbau GmbH (Bielefeld, Duitsland) (vertegenwoordiger: C. Birkemeyer, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
besluit C(2011) 275 van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/2010 (ex CP 250/2009 en NN 5/2010) „KStG, Sanierungsklausel” krachtens artikel 264 VWEU nietig te verklaren; |
|
— |
de Commissie krachtens artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht te veroordelen tot het dragen van verzoeksters kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.
|
1) |
Eerste middel: toepassing van het beginsel van de particuliere schuldeiser In het kader van het eerste middel stelt verzoekster dat er bij § 8c, lid 1a, van het Duitse Körperschaftsteuergesetz (wet inzake vennootschapsbelasting; KStG) geen sprake is van een steunmaatregel in de zin van de artikelen 107 VWEU e.v., aangezien de begunstigde ondernemingen een gelijkwaardige tegenprestatie verrichten, die de vergelijking met de handelwijze van een particuliere schuldeiser in een markteconomie doorstaat. |
|
2) |
Tweede middel: geen selectiviteit Verzoekster betoogt dat er bij § 8c, lid 1a, KStG geen sprake is van steun in de zin van artikel 107 VWEU e.v., aangezien eerstgenoemd voorschrift niet resulteert in een selectieve begunstiging. |
|
3) |
Derde middel: bescherming van het gewettigd vertrouwen Verzoekster stelt in het kader van het derde middel dat ondernemingen die vermogensrechtelijke regelingen hebben getroffen voordat zij kennis kregen aan de procedure van de Commissie op grond van artikel 108, lid 2, VWEU, met betrekking tot het bestreden besluit aanspraak kunnen maken op bescherming van het gewettigd vertrouwen. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/28 |
Hogere voorziening ingesteld op 6 december 2011 door Peter Strobl tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 september 2011 in zaak F-56/05, Strobl/Commissie
(Zaak T-630/11 P)
2012/C 49/51
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirerende partij: Peter Strobl (Besozzo, Italië) (vertegenwoordiger: H.-J. Rüber, advocaat)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Raad van de Europese Unie
Conclusies
De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 september 2011 in de zaak Strobl/Commissie te vernietigen; |
|
— |
vast te stellen dat rekwirant bij zijn aanstelling van 7 oktober 2004 in een verkeerde rang is ingedeeld en deze indeling nietig te verklaren; |
|
— |
de verwerende partij ertoe te veroordelen om rekwirants discriminatie te beëindigen en de door hem geleden schade te vergoeden; |
|
— |
de verwerende partij te verwijzen in de kosten van de gehele procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij de volgende middelen aan:
|
1) |
Onjuiste vaststelling van de feiten door het Gerecht voor ambtenarenzaken met betrekking tot de voor rekwirants post vereiste beroepservaring. |
|
2) |
Onjuiste vaststelling van de feiten door het Gerecht voor ambtenarenzaken en tegenstrijdige uitlegging van het bewijs met betrekking tot rekwirants indeling en in zoverre schending van de motiveringsplicht. |
|
3) |
Schending van de motiveringsplicht door het Gerecht voor ambtenarenzaken bij de afwijzing van een aantal van rekwirants grieven. |
|
4) |
Schending van de motiveringsplicht door het Gerecht voor ambtenarenzaken met betrekking tot de controle van rekwirants salaristrap. |
|
5) |
Ontoereikende motivering door het Gerecht voor ambtenarenzaken met betrekking tot de toepasbaarheid van de relevante rechtspraak. |
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/29 |
Beroep ingesteld op 12 december 2011 — European Dynamics Belgium e.a/Europees Geneesmiddelenbureau
(Zaak T-638/11)
2012/C 49/52
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partijen: European Dynamics Belgium SA (Brussel, België), European Dynamics Luxembourg SA (Ettelbrück, Luxemburg), Evropaïki Dinamiki — Proigmena Sistimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (Athene, Griekenland), European Dynamics UK Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: B. Christianos, advocaat)
Verwerende partij: Europees Geneesmiddelenbureau
Conclusies
De verzoekende partijen verzoeken het Gerecht om:
|
— |
nietigverklaring van de hun op 3 oktober 2011 officieel ter kennis gebrachte beschikking EMA/787935/2011 van het Europees Geneesmiddelenbureau (European Medicine Agency: hierna „EMA”) houdende afwijzing van de offerte die zij in het kader van de omstreden aanbesteding hadden ingediend; |
|
— |
nietigverklaring van besluit EMA/882467/2011 van de Acting Executive Director van EMA van 9 november 2011 houdende afwijzing van hun verzoek om mededeling van de samenstelling van het beoordelingscomité; |
|
— |
verwijzing van EMA in alle kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep vorderen verzoeksters nietigverklaring van de volgende handelingen: ten eerste de hun op 3 oktober 2011 officieel ter kennis gebrachte beschikking EMA/787935/2011 houdende afwijzing door EMA van de offerte die zij in het kader van openbare aanbesteding EMA/2011/05/DV hadden ingediend, en ten tweede besluit EMA/882467/2011 van de Acting Executive Director van EMA van 9 november 2011 houdende afwijzing van hun confirmatief verzoek om toegang tot de documenten van de aanbesteding die betrekking hebben op de samenstelling van het beoordelingscomité.
Verzoeksters vorderen nietigverklaring van de bestreden beschikking wegens schending van wezenlijke vormvoorschriften, en in het bijzonder wegens ontoereikende motivering, onjuiste motivering of volledig ontbreken van motivering, op grond dat: 1) de bestreden beschikking geen toereikende motivering voor de afwijzing van hun offerte bevatte en nog steeds geen dergelijke motivering bevat, en de verstrekte motivering in elk geval onjuist is; verzoeksters stellen in het bijzonder dat de bestreden beschikking niet duidelijk aangeeft welke elementen tegen hun offerte en voor de offertes van de andere deelnemers pleitten; 2) de bestreden beschikking geen motivering betreffende de wiskundige formule (algoritme) die is gehanteerd voor de berekening van de juiste rangschikking (tot op twee cijfers na de komma) van verzoeksters bevatte en nog steeds geen dergelijke motivering bevat; 3) de bestreden beschikking niet aangaf en nog steeds niet aangeeft waarom de economische offerte van een van de inschrijvers niet als abnormaal laag is aangemerkt.
Verzoeksters stellen dat het bestreden besluit overeenkomstig artikel 263 VWEU nietig moet worden verklaard wegens schending van recht van de Unie, inzonderheid van verordening nr. 1049/2001 zoals aangevuld door de uitvoeringsbepalingen voor de toepassing van verordening nr. 1049/2001 op EMA, op grond dat EMA hun verzoek om toegang tot de namen en tot andere elementen voor de identificatie van de leden van het beoordelingscomité van de omstreden aanbesteding heeft afgewezen.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/29 |
Beroep ingesteld op 14 december 2011 — Heads!/BHIM (HEADS)
(Zaak T-639/11)
2012/C 49/53
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Heads! GmbH & Co. KG (München, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Jaeger-Lenz en T. Bösling, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
|
— |
de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 11 oktober 2011 in zaak R 2348/2010-1 vernietigen en gemeenschapsmerkaanvraag nr. 8 327 926„HEADS” voor diensten van klasse 35 „bedrijfsleiding; bedrijfsbeheer; personeel- en managementconsultancy; personeelmarketing; verschaffing van vakmensen en leidinggevenden; tijdelijke terbeschikkingstelling van vakmensen en leidinggevenden (tijdelijk management)” afwijzen, en |
|
— |
verweerder verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „HEADS” voor diensten van klasse 35
Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag
Beslissing van de kamer van beroep: gedeeltelijke verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009, aangezien het betrokken gemeenschapsmerk onderscheidend vermogen bezit, en aangezien de kamer van beroep geen specifieke vaststellingen heeft gedaan in verband met de aan de grondslag van haar beslissing liggende weigeringsgrond van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009, haar beoordeling ten onrechte heeft gebaseerd op woordcombinaties waarop de aanvraag geen betrekking heeft, zich ten onrechte op een beslissing van het Bundespatentgericht heeft gebaseerd en onjuiste gevolgen heeft verbonden aan de veronderstelde opvatting van het relevante publiek.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/30 |
Hogere voorziening ingesteld op 8 december 2011 door Harald Mische tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 september 2011 in zaak F-70/05, Mische/Commissie
(Zaak T-641/11 P)
2012/C 49/54
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirerende partij: Harald Mische (Brussel, België) (vertegenwoordigers: R. Holland, J. Mische en M. Velardo, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Raad van de Europese Unie
Conclusies
De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie van 29 september 2011 in zaak F-70/05 te vernietigen en, voor zover mogelijk, op basis van de voor het Gerecht aangevoerde feiten uitspraak te doen; |
|
— |
het besluit van de Commissie van 11 november 2004 nietig te verklaren, voor zover rekwirant daarbij in rang is ingedeeld; |
|
— |
de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade (daaronder begrepen loopbaanschade, wettelijke en regelmatige bezoldiging, immateriële schade, met betaling van vertragingsrente etc.); |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten van deze procedure en in die van de procedure voor het Gerecht voor ambtenarenzaken. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij drie middelen aan.
|
1) |
Eerste middel, ontleend aan het verzuim van het Gerecht voor ambtenarenzaken om de grief betreffende schending van artikel 41, lid 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te onderzoeken alsmede artikel 41, lid 3, van dat Handvest betreffende het recht op schadevergoeding, namelijk de daarin opgenomen voorwaarden dat rekwirants zaken met betrekking tot een aantal feitelijk situaties „billijk en binnen een redelijke termijn” moeten worden behandeld, ofschoon die grief uitdrukkelijk was aangevoerd. |
|
2) |
Tweede middel, ontleend aan het feit dat het Gerecht voor ambtenarenzaken de grief betreffende de schending van artikel 5, lid 5 van het Statuut (1), dat specifiek bepaalt dat „voor alle ambtenaren” niet alleen gelijke, maar in feite „dezelfde voorwaarden inzake aanwerving en loopbaanverloop” gelden, ten onrechte niet ontvankelijk heeft verklaard. |
|
3) |
Derde middel, ontleend aan het feit dat het Gerecht voor ambtenarenzaken ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de wettelijk vereiste continuïteit van loopbaan van voormalige tijdelijke functionarissen, zoals door het Hof van Justitie vastgesteld in zijn recente rechtspraak (zaak C-177/10). Voorts heeft dat Gerecht de grief betreffende de onwettigheid van artikel 5, lid 4 van bijlage XIII bij het Statuut ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard op grond dat rekwirant niet op basis van die bepaling in rang was ingedeeld. |
(1) Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB 2004, L 124, blz. 1).
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/30 |
Hogere voorziening ingesteld op 8 december 2011 door Harald Mische tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 september 2011 in zaak F-93/05, Mische/Parlement
(Zaak T-642/11 P)
2012/C 49/55
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirerende partij: Harald Mische (Brussel, België) (vertegenwoordigers: R. Holland, J. Mische, en M. Velardo, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Europees Parlement, Raad van de Europese Unie
Conclusies
De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie van 29 september 2011 in zaak F-93/05, Mische/Parlement, te vernietigen en, voor zover mogelijk, uitspraak te doen op basis van de voor het Gerecht aangevoerde feiten; |
|
— |
het besluit van het Parlement van 4 oktober 2004 nietig te verklaren, voor zover hij daarbij in rang is ingedeeld; |
|
— |
het Parlement te veroordelen tot betaling van schadevergoeding (daaronder begrepen loopbaanschade, wettelijke en regelmatige bezoldiging, immateriële schade, met betaling van vertragingsrente etc.); |
|
— |
het Parlement te verwijzen in de kosten van deze procedure en in die van de procedure voor het Gerecht voor ambtenarenzaken. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij drie middelen aan.
|
1) |
Eerste middel, ontleend aan het feit dat het Gerecht voor ambtenarenzaken het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat het te laat was ingesteld. |
|
2) |
Tweede middel, ontleend aan het feit dat het Gerecht voor ambtenarenzaken van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door het beroep niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het rekwirant geen enkel voordeel kon brengen en hij dus geen procesbelang had. |
|
3) |
Derde middel, ontleend aan het feit dat het Gerecht voor ambtenarenzaken ten onrechte geen uitspraak heeft gedaan over de gegrondheid van een aantal grieven, met name de schending van artikel 41, lid 3 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en/of artikel 5, lid 5 van het Statuut. (1) |
(1) Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB 2004, L 124, blz. 1).
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/31 |
Beroep ingesteld op 15 december 2011 — Crown Equipment (Suzhou) en Crown Gabelstapler/Raad
(Zaak T-643/11)
2012/C 49/56
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Crown Equipment (Suzhou) Co. Ltd. (Suzhou, China) en Crown Gabelstapler GmbH & Co. KG (Roding, Duitsland) (vertegenwoordigers: K. Neuhaus, H. Freund en B. Ecker, advocaten)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
Verzoeksters verzoeken het Gerecht:
|
— |
het beroep ontvankelijk te verklaren; |
|
— |
uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011 (1) van de Raad nietig te verklaren voor zover zij op verzoeksters betrekking heeft; |
|
— |
verweerder te verwijzen in zijn eigen kosten en die van verzoeksters. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters drie middelen aan.
|
1) |
Eerste middel: schending van het recht van verweer van verzoeksters doordat verweerder uitdrukkelijk delen van verzoeksters’ opmerkingen heeft genegeerd. |
|
2) |
Tweede middel: schending van de artikelen 11, lid 2, en 3, leden 2, 6 en 7 van verordening (EG) nr. 1225/2009 (2) van de Raad doordat verweerder zijn bevindingen over schade en oorzakelijk verband heeft gebaseerd op meerdere onjuiste voorstellingen van de feiten. Verweerder heeft zijn bevindingen gebaseerd op feiten die in strijd zijn met de feiten die in de bestreden verordening worden genoemd:
|
|
3) |
Derde middel: schending van de artikelen 11, lid 2, en 3, leden 2, 6 en 7 van verordening (EG) nr. 1225/2009 of van artikel 296, lid 2 VWEU doordat verweerder zijn bevindingen over schade en oorzakelijk verband heeft gebaseerd op kennelijke beoordelingsfouten of heeft verzuimd voldoende gronden aan te voeren. Verweerder heeft kennelijke beoordelingsfouten gemaakt:
|
In elk geval heeft verweerder een procedurefout begaan doordat de bestreden verordening geen uitleg bevat over de duidelijke invloed van de afname van de vraag op de beweerde schade van de bedrijfstak van de Unie.
(1) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1008/2011 van de Raad van 10 oktober 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot handpallettrucks en essentiële onderdelen daarvan verzonden uit Thailand, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Thailand, na een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB 2011, L 268, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009 L 343, blz. 51).
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/32 |
Beroep ingesteld op 21 december 2011 — Italië/Commissie
(Zaak T-661/11)
2012/C 49/57
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordiger: G. Aiello, avvocato dello Stato)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De Italiaanse Republiek verzoekt het Gerecht:
|
— |
beschikking C(2011) 7105 def. van de Commissie van 14 oktober 2011 nietig te verklaren voor zover daarbij bepaalde in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) verrichte uitgaven van communautaire financiering worden uitgesloten en ten laste van de begroting van de Italiaanse Republiek worden gebracht. |
Middelen en voornaamste argumenten
De beschikking waartegen in de onderhavige zaak wordt opgekomen, vloeit voort uit twee door de Commissie voor de melkprijsjaren 2003/2004, 2004/2005, 2005/2006 en 2006/2007 gelaste onderzoeken en voorziet in dit verband in een financiële correctie ten laste van Italië ten belope van in totaal 85 625 455 EUR.
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster aan:
|
a) |
schending en/of onjuiste toepassing van artikel 11 van verordening (EG) nr. 885/2006 (1) en van de Richtsnoeren voor de berekening van de financiële consequenties bij de voorbereiding van de beschikking inzake de goedkeuring van de rekeningen in het kader van het EOGFL, afdeling Garantie (document VI/5330/97), vastgesteld op 23 december 1997, alsmede schending van artikel 230 EG-Verdrag wegens misbruik van bevoegdheid In dit verband wordt verklaard dat de toepassing van de forfaitaire correctie in het onderhavige geval dient te worden veroordeeld, omdat het mogelijk was naar aanleiding van de verrichte controles — zij het in een aantal gevallen met enige vertraging — eventuele „te lage aangiften” vast te stellen, de auteurs van die onjuiste aangiften sancties op te leggen, aldus de eventueel nog verschuldigde extra heffing in te vorderen en op die manier te voorkomen dat de communautaire schatkist economische schade lijdt door een onderwaardering van de verschuldigde inkomsten. |
|
b) |
schending en/of onjuiste toepassing van de artikelen 21 en 22, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 595/2004 (2) van 30 maart 2004 Dienaangaande wordt gesteld dat de op de controles bij de kopers toepasselijke regeling niet alleen voorziet in controle van een bepaald aantal kopers, maar ook in controle van een bepaald percentage van de melk. De controles moeten aldus betrekking hebben op ten minste 40 % van de voor het betrokken tijdvak aangegeven hoeveelheid melk vóór correctie. Het is immers overduidelijk dat het risico voor het financieringsstelsel van het EOGFL nauw verband houdt met de totale hoeveelheid melk die in elke lidstaat wordt geproduceerd. Het is juist met betrekking tot deze hoeveelheid dat het gevaar van schade voor de communautaire schatkist ten gevolge van het niet betalen van de extra heffing moet worden beoordeeld. |
|
c) |
schending en/of onjuiste toepassing van artikel 11 van de reeds aangehaalde verordening (EG) nr. 885/2006 en van de Richtsnoeren voor de berekening van de financiële consequenties bij de voorbereiding van de beschikking inzake de goedkeuring van de rekeningen in het kader van het EOGFL, afdeling Garantie (document VI/5330/97), vastgesteld op 23 december 1997, alsmede schending van het evenredigheidsbeginsel en schending van artikel 230 EG-Verdrag wegens misbruik van bevoegdheid Volgens verzoekster heeft de Commissie het percentage van de forfaitaire correctie als raming van de mogelijke overschrijding van het quotum en van de dienovereenkomstige heffing gebruikt, en deze overschrijding bij de overschrijding van het nationale productiequotum gevoegd en ze over de verschillende aan de controles voor het afsluiten van de rekeningen onderworpen regio’s omgeslagen. Bij een dergelijke aanpak komt het begrip forfaitaire correctie echter neer op willekeur en is er bijgevolg sprake van schending van het evenredigheidsbeginsel. |
|
d) |
ten slotte, schending en/of onjuiste toepassing van artikel 253 EG-Verdrag wegens ontbreken van motivering of ontoereikende motivering |
(1) Verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de erkenning van de betaalorganen en andere instanties en de goedkeuring van de rekeningen inzake het ELGF en het ELFPO (PB L 171, blz. 90-110).
(2) Verordening (EG) nr. 595/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB 94, blz. 22-32).
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/32 |
Beroep ingesteld op 28 december 2011 — Müller/BHIM — Loncar (Sunless)
(Zaak T-662/11)
2012/C 49/58
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Thomas Müller (Gütersloh, Duitsland) (vertegenwoordiger: J. Schmidt, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij voor de kamer van beroep: Loncar, SL (Sabadell (Barcelona), Spanje)
Conclusies
|
— |
de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 27 september 2011 in zaak R 2508/2010-2 vernietigen, en |
|
— |
het Bureau verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoeker
Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „Sunless” bevat, voor waren van de klassen 6, 19, 22 en 24
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Loncar, SL
Oppositiemerk of -teken: woordmerken „SUNLESS” en „LONCAR-SUNLESS” voor waren van de klassen 22, 23 en 24, alsmede touw, bindgarens, netten, tenten, dekzeilen, zakken (voor zover niet begrepen in andere klassen); vulmateriaal (uitgezonderd rubber of plastic), en ruwe vezelige textielmaterialen
Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009, aangezien geen gevaar voor verwarring van de conflicterende merken bestaat.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/33 |
Beroep ingesteld op 5 januari 2012 — Godrej Industries en V V F/Raad
(Zaak T-6/12)
2012/C 49/59
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Godrej Industries Ltd (Mumbai, India), V V F Ltd (Mumbai) (vertegenwoordiger: B. Servais, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
Verzoeksters verzoeken het Gerecht:
|
— |
uitvoeringsverordening (EU) nr. 1138/2011 van de Raad van 8 november 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde vetalcoholen en mengsels daarvan, van oorsprong uit India, Indonesië en Maleisië (PB L 293 van 11 november 2011, blz. 1) nietig te verklaren voor zover zij op verzoeksters betrekking heeft; |
|
— |
de Raad te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters drie middelen aan.
|
1) |
Eerste middel: schending door de Raad van artikel 2, lid 10 (in het bijzonder sub j) van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), zoals uitgelegd in overeenstemming met de artikelen 2, lid 4, en 2, lid 4, sub 1, van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994 van de Wereldhandelsorganisatie, wegens het niet toekennen van de correctie op de valutaomrekening die verzoeksters hebben gevraagd voor verkopen in euro tussen januari en juni 2010, omdat er een aanhoudende opwaardering van de Indiase roepie tegenover de euro had plaatsgevonden tijdens een aanzienlijk deel van het onderzoektijdvak. |
|
2) |
Tweede middel: schending door de Raad van artikel 3, in het bijzonder de leden 2, 6 en 7, en artikel 9, lid 4, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009, omdat hij de verkoop van het betrokken product aan de bedrijfstak van de Unie niet buiten beschouwing heeft gelaten bij de berekening van de schademarge en de analyse van schade en oorzakelijk verband. |
|
3) |
Derde middel: schending door de Raad van de artikelen 1, lid 1, en 2, lid 10, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009, zoals uitgelegd in overeenstemming met de relevante bepalingen van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel 1994 van de Wereldhandelsorganisatie, in het bijzonder artikel 9, lid 1, en van het beginsel van evenredigheid en redelijkheid, omdat hij de verkoop aan de bedrijfstak van de Unie niet buiten beschouwing heeft gelaten bij de berekening van de dumpingmarge. |
(1) PB L 343 van 22 december 2009, blz. 51.
|
18.2.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 49/33 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 15 december 2011 — Maxima Grupė/BHIM — Bodegas Maximo (MAXIMA PREMIUM)
(Zaak T-523/11) (1)
2012/C 49/60
Procestaal: Engels
De president van het Gerecht heeft de doorhaling van de zaak gelast.