ISSN 1977-0995

doi:10.3000/19770995.C_2012.032.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 32

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

55e jaargang
4 februari 2012


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2012/C 032/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese UniePB C 25 van 28.1.2012

1

 

V   Adviezen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2012/C 032/02

Zaak C-250/08: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 1 december 2011 — Europese Commissie/Koninkrijk België (Niet-nakoming — Vrij verkeer van personen — Aankoop van tot nieuwe hoofdverblijfplaats bestemd onroerend goed — Berekening van belastingvoordeel — Registratierechten — Samenhang van belastingstelsel)

2

2012/C 032/03

Zaak C-371/08: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 8 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg — Duitsland) — Nural Ziebell, voorheen Nural Örnek/Land Baden-Württemberg (Associatieovereenkomst EEG-Turkije — Vrij verkeer van werknemers — Artikelen 7, eerste alinea, tweede streepje, en 14, lid 1, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad — Richtlijnen 64/221/EEG, 2003/109/EG en 2004/38/EG — Verblijfsrecht van Turk die op grondgebied van lidstaat van ontvangst is geboren en daar gedurende meer dan tien jaar legaal als kind van Turks werknemer ononderbroken heeft verbleven — Strafrechterlijke veroordelingen — Wettigheid van verwijderingsbesluit — Voorwaarden)

2

2012/C 032/04

Zaak C-157/09: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 1 december 2011 — Europese Commissie/Koninkrijk der Nederlanden (Niet-nakoming — Artikel 43 EG — Vrijheid van vestiging — Notarissen — Nationaliteitsvereiste — Artikel 45 EG — Deelneming aan uitoefening van openbaar gezag)

3

2012/C 032/05

Zaak C-253/09: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 1 december 2011 — Europese Commissie/Republiek Hongarije (Niet-nakoming — Vrij verkeer van personen — Vrijheid van vestiging — Koop van als nieuwe hoofdwoning bestemd onroerend goed — Vaststelling van grondslag van belasting op verwerving van onroerend goed — Waarde van verkochte woning die wordt afgetrokken van waarde van verworven woning — Uitsluiting van die aftrek indien verkocht onroerend goed niet op nationaal grondgebied is gelegen)

3

2012/C 032/06

Zaak C-272/09 P: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 8 december 2011 — KME Germany AG, voorheen KM Europa Metal AG, KME France SAS, voorheen Tréfimétaux SA, KME Italy SpA, voorheen Europa Metalli SpA/Europese Commissie (Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt voor industriële koperen buizen — Geldboeten — Omvang van markt, duur van inbreuk en medewerking die in aanmerking kunnen worden genomen — Effectief rechtsmiddel)

4

2012/C 032/07

Gevoegde zaken C-446/09 en C-495/09: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 1 december 2011 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België) en de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) (Verenigd Koninkrijk)) — Koninklijke Philips Electronics NV/Lucheng Meijing Industrial Company Ltd, Far East Sourcing Ltd, Röhlig Hong Kong Ltd, Röhlig Belgium NV (C-446/09), Nokia Corporation/Her Majesty’s Commissioners of Revenue and Customs (C-495/09) (Gemeenschappelijke handelspolitiek — Bestrijding van binnenbrengen in de Unie van namaakgoederen en door piraterij verkregen goederen — Verordeningen (EG) nrs. 3295/94 en 1383/2003 — Douane-entrepot en extern douanevervoer van uit derde landen afkomstige goederen die imitaties of kopieën zijn van in de Unie intellectuele-eigendomsrechtelijk beschermde waren — Optreden van autoriteiten van lidstaten — Voorwaarden)

4

2012/C 032/08

Zaak C-79/10: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 1 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — Systeme Helmholz GmbH/Hauptzollamt Nürnberg (Richtlijn 2003/96/EG — Belasting van energieproducten en elektriciteit — Artikel 14, lid 1, sub b — Vrijstelling voor energieproducten gebruikt als brandstof voor luchtvaart — Gebruik van luchtvaartuig voor andere dan commerciële doeleinden — Draagwijdte)

5

2012/C 032/09

Zaak C-81/10 P: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 8 december 2011 — France Télécom/Europese Commissie, Franse Republiek (Hogere voorziening — Staatssteun — Bedrijfsbelastingregeling voor France Télécom — Begrip steun — Gewettigd vertrouwen — Verjaringstermijn — Motiveringsplicht — Rechtszekerheidsbeginsel)

6

2012/C 032/10

Zaak C-125/10: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 8 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundespatentgericht — Duitsland) — Merck Sharp & Dohme Corporation (voorheen Merck & Co.)/Deutsches Patent- und Markenamt (Intellectuele en industriële eigendom — Octrooien — Verordening (EEG) nr. 1768/92 — Artikel 13 — Aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen — Mogelijkheid om dat certificaat af te geven wanneer periode die is verstreken tussen datum van aanvraag voor basisoctrooi en datum van eerste vergunning voor in handel brengen in Unie minder dan vijf jaar bedraagt — Verordening (EG) nr. 1901/2006 — Artikel 36 — Verlenging van duur van aanvullend beschermingscertificaat)

6

2012/C 032/11

Zaak C-145/10: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 1 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Handelsgericht Wien — Oostenrijk) — Eva-Maria Painer/Standard VerlagsGmbH, Axel Springer AG, Süddeutsche Zeitung GmbH, Spiegel-Verlag Rudolf Augstein GmbH & Co KG, Verlag M. DuMont Schauberg Expedition der Kölnischen Zeitung GmbH & Co KG (Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EG) nr. 44/2001 — Artikel 6, punt 1 — Pluraliteit van verweerders — Richtlijn 93/98/EEG — Artikel 6 — Bescherming van foto’s — Richtlijn 2001/29/EG — Artikel 2 — Reproductie — Gebruik van portretfoto als model voor montagefoto — Artikel 5, lid 3, sub d — Uitzonderingen en beperkingen voor citeren — Artikel 5, lid 3, sub e — Uitzonderingen en beperkingen voor doeleinden van openbare veiligheid — Artikel 5, lid 5)

7

2012/C 032/12

Zaak C-157/10: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 8 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Supremo — Spanje) — Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, SA/Administración General del Estado (Vrij verkeer van kapitaal — Vennootschapsbelasting — Overeenkomst tot vermijden van dubbele belasting — Verbod om in andere lidstaten verschuldigde maar niet geïnde belasting af te trekken)

8

2012/C 032/13

Zaak C-275/10: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 8 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — Residex Capital IV CV/Gemeente Rotterdam (Artikel 88, lid 3, EG — Staatssteun — Steun die in vorm van garantie aan kredietgever is verleend teneinde hem in staat te stellen aan kredietnemer een lening te verstrekken — Schending van procedureregels — Verplichting tot terugvordering — Nietigheid — Bevoegdheden van nationale rechter)

8

2012/C 032/14

Zaak C-371/10: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 29 november 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Gerechtshof te Amsterdam — Nederland) — National Grid Indus BV/Inspecteur van de Belastingdienst Rijnmond/kantoor Rotterdam (Verplaatsing van feitelijke bestuurszetel van vennootschap naar andere lidstaat dan die van haar oprichting — Vrijheid van vestiging — Artikel 49 VWEU — Heffing op latente meerwaarden in activa van vennootschap die haar zetel tussen lidstaten verplaatst — Bepaling van hoogte van heffing op moment van zetelverplaatsing — Onmiddellijke invordering van heffing — Evenredigheid)

9

2012/C 032/15

Zaak C-386/10 P: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 8 december 2011 — Chalkor AE Epexergasias Metallon/Europese Commissie (Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt voor koperen leidingbuizen — Geldboeten — Omvang van markt, duur van inbreuk en medewerking die in aanmerking kunnen worden genomen — Effectief rechtsmiddel)

9

2012/C 032/16

Zaak C-389/10 P: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 8 december 2011 — KME Germany AG, voorheen KM Europa Metal AG, KME France SAS, voorheen Tréfimétaux SA, KME Italy SpA, voorheen Europa Metalli SpA/Europese Commissie (Hogere voorziening — Mededinging — Mededingingsregelingen — Markt voor koperen leidingbuizen — Geldboeten — Omvang van markt, duur van inbreuk en medewerking die in aanmerking kunnen worden genomen — Effectief rechtsmiddel)

10

2012/C 032/17

Zaak C-442/10: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 1 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) — Verenigd Koninkrijk) — Churchill Insurance Company Limited/Benjamin Wilkinson en Tracy Evans/Equity Claims Limited (Verplichte motorrijtuigenverzekering — Richtlijn 84/5/EEG — Artikelen 1, lid 4, en 2, lid 1 — Derden die slachtoffer zijn van ongeval — Uitdrukkelijke of stilzwijgende machtiging om voertuig te besturen — Richtlijn 90/232/EEG — Artikel 1, eerste alinea — Richtlijn 2009/103/EG — Artikelen 10, 12, lid 1, en 13, lid 1 — Persoon die slachtoffer is van ongeval als passagier van voertuig waarvoor hij als bestuurder is verzekerd — Voertuig bestuurd door niet door polis gedekte persoon — Verzekerd slachtoffer niet uitgesloten van verzekering)

10

2012/C 032/18

Zaak C-492/10: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 1 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Unabhängige Finanzsenat, Auβenstelle Linz — Oostenrijk) — Immobilien Linz GmbH & Co. KG/Finanzamt Freistadt Rohrbach Urfahr (Fiscale bepalingen — Richtlijn 69/335/EEG — Indirecte belastingen — Bijeenbrengen van kapitaal — Artikel 4, lid 2, sub b — Aan kapitaalrecht onderworpen verrichtingen — Vermeerdering van vennootschappelijk vermogen — Prestatie van vennoot — Overneming van geleden verliezen op grond van vóór intreden daarvan aangegane verbintenis)

11

2012/C 032/19

Zaak C-515/10: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 1 december 2011 — Europese Commissie/Franse Republiek (Niet-nakoming — Richtlijn 1999/31/EG — Beschikking 2003/33/EG — Nationale regeling — Stortplaatsen voor inerte afvalstoffen — Toelating van asbestcementafval)

11

2012/C 032/20

Zaak C-329/11: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 6 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d’appel de Paris — Frankrijk) — Alexandre Achughbabian/Préfet du Val-de-Marne (Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht — Richtlijn 2008/115/EG — Gemeenschappelijke normen en procedures inzake terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen — Nationale regeling op grond waarvan in geval van illegaal verblijf gevangenisstraf en geldboete worden opgelegd)

12

2012/C 032/21

Gevoegde zaken C-448/10 P tot en met C-450/10 P: Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 6 oktober 2011 — ThyssenKrupp Acciai Speciali Terni SpA (C-448/10 P), Cementir Italia Srl (C-449/10 P), Nuova Terni Industrie Chimiche SpA (C-450/10 P)/Europese Commissie (Hogere voorziening — Compensatie voor onteigening ten algemenen nutte — Verlenging van preferent tarief voor levering van elektriciteit — Beschikking waarbij steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard en terugvordering ervan wordt gelast — Begrip voordeel — Vertrouwensbeginsel — Uitlegging van nationaal recht — Onjuiste opvatting — Begrip — Kennelijk niet-ontvankelijke en ongegronde hogere voorziening)

12

2012/C 032/22

Zaak C-515/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Berlin (Duitsland) op 3 oktober 2011 — Deutsche Umwelthilfe e.V./Bondsrepubliek Duitsland

13

2012/C 032/23

Zaak C-559/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank van koophandel te Antwerpen (België) op 7 november 2011 — Pelckmans Turnhout NV tegen Walter Van Gastel Balen NV e.a.

13

2012/C 032/24

Zaak C-574/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Düsseldorf (Duitsland) op 16 november 2011 — Novartis AG/Actavis Deutschland GmbH & Co KG, Actavis Ltd

13

2012/C 032/25

Zaak C-577/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Brussel (België) op 21 november 2011 — DKV Belgium/Belgische Verbruikersunie Test-Aankoop VZW

14

2012/C 032/26

Zaak C-579/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Administrativo e Fiscal do Porto (Portugal) op 22 november 2011 — Grande Área Metropolitana do Porto (GAMP)/Ministério da Agricultura, do Mar, do Ambiente e do Ordenamento do Território e.a.

14

2012/C 032/27

Zaak C-594/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Düsseldorf (Duitsland) op 25 november 2011 — Christoph Becker/Société Air France SA

15

2012/C 032/28

Zaak C-604/11: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 12 de Madrid (Spanje) op 28 november 2011 — Genil 48, S.L. en Comercial Hostelera de Grandes Vinos, S.L./Bankinter S.A., en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, S.A.

15

2012/C 032/29

Zaak C-613/11: Beroep ingesteld op 30 november 2011 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek

16

 

Gerecht

2012/C 032/30

Zaak T-291/04: Arrest van het Gerecht van 16 december 2011 — Enviro Tech Europe en Enviro Tech International/Commissie (Milieu en bescherming van consumenten — Indeling, verpakking en kenmerken van n-propylbromide als gevaarlijke stof — Richtlijn 2004/73/EG — Richtlijn 67/548/EEG — Verordening (EG) nr. 1272/2008 — Beroep tot nietigverklaring — Laattijdig verzoek om aanpassing van conclusies — Procesbelang — Niet individueel geraakt zijn — Niet-ontvankelijkheid — Niet-contractuele aansprakelijkheid — Arrest van Hof inzake geldigheid van richtlijn 2004/73 — Identiteit van voorwerp)

17

2012/C 032/31

Zaak T-377/07: Arrest van het Gerecht van 13 december 2011 — Evropaïki Dynamiki/Commissie (Overheidsopdrachten voor diensten — Aanbestedingsprocedure — Verrichten van IT-diensten betreffende technologieën voor inhoudsinteroperabiliteit voor Europese e-overheidsdiensten — Afwijzing van offerte van inschrijver — Kennelijke beoordelingsfout — Motiveringsplicht — Misbruik van bevoegdheid — Niet-contractuele aansprakelijkheid)

17

2012/C 032/32

Zaak T-232/08: Arrest van het Gerecht van 15 december 2011 — Luxemburg/Commissie (EOGFL — Afdeling Garantie — Van communautaire financiering uitgesloten uitgaven — Maatregelen voor plattelandsontwikkeling — Probleemgebieden en milieumaatregelen in de landbouw — Nationale systemen voor beheer, controle en bestraffing — Forfaitaire financiële correctie)

18

2012/C 032/33

Zaak T-244/08: Arrest van het Gerecht van 13 december 2011 — Konsum Nord/Commissie (Staatssteun — Verkoopprijs van grond — Beschikking waarbij steunmaatregel onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard en terugvordering van steun wordt gelast — Criterium van particuliere investeerder — Bepaling van marktprijs)

18

2012/C 032/34

Zaak T-437/08: Arrest van het Gerecht van 15 december 2011 — CDC Hydrogene Peroxide/Commissie (Toegang tot documenten — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Inhoudsopgave van administratief dossier van procedure inzake mededingingsregelingen — Weigering van toegang — Uitzondering betreffende bescherming van commerciële belangen van derde — Uitzondering betreffende bescherming van doel van inspecties, onderzoeken en audits)

18

2012/C 032/35

Zaak T-52/09: Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Nycomed Danmark/EMEA (Geneesmiddelen voor menselijk gebruik — Vergunning voor in handel brengen van geneesmiddel — Verordening (EG) nr. 1901/2006 — Verzoek om vrijstelling van verplichting om plan voor pediatrisch onderzoek voor te leggen — Afwijzende beschikking van EMEA — Misbruik van bevoegdheid)

19

2012/C 032/36

Zaak T-61/09: Arrest van het Gerecht van 13 december 2011 — Meica/BHIM — Bösinger Fleischwaren (Schinken King) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Schinken King — Ouder nationaal woordmerk King — Oudere nationale en communautaire woordmerken Curry King — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009) — Motiveringsplicht — Artikel 73 van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 75 van verordening (EG) nr. 207/2009))

19

2012/C 032/37

Zaak T-62/09: Arrest van het Gerecht van 16 december 2011 — Rintisch/BHIM — Bariatrix Europe (PROTI SNACK) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PROTI SNACK — Oudere nationale woord- en beeldmerken PROTIPLUS, PROTI en PROTIPOWER — Niet-tijdige overlegging van documenten — Beoordelingsvrijheid verleend bij artikel 74, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 76, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009) — Begrip andersluidende bepaling — Regel 20, lid 1, van verordening (EG) nr. 2868/95 — Regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95)

20

2012/C 032/38

Zaak T-109/09: Arrest van het Gerecht van 16 december 2011 — Rintisch/BHIM — Valfleuri Pâtes alimentaires (PROTIVITAL) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PROTIVITAL — Oudere nationale woord- en beeldmerken PROTIPLUS, PROTI en PROTIPOWER — Niet-tijdige overlegging van documenten — Beoordelingsvrijheid verleend bij artikel 74, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 76, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009) — Begrip andersluidende bepaling — Regel 20, lid 1, van verordening (EG) nr. 2868/95 — Regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95)

20

2012/C 032/39

Zaak T-152/09: Arrest van het Gerecht van 16 december 2011 — Rintisch/BHIM — Valfleuri Pâtes alimentaires (PROTIACTIVE) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PROTIACTIVE — Oudere nationale woord- en beeldmerken PROTIPLUS, PROTI en PROTIPOWER — Niet-tijdige overlegging van documenten — Beoordelingsvrijheid verleend bij artikel 74, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 76, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009) — Begrip andersluidende bepaling — Regel 20, lid 1, van verordening (EG) nr. 2868/95 — Regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95)

21

2012/C 032/40

Zaak T-377/09: Arrest van het Gerecht van 15 december 2011 — Mövenpick/BHIM (PASSIONATELY SWISS) (Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PASSIONATELY SWISS — Absolute weigeringsgrond — Aanduiding van geografische herkomst — Geen onderscheidend vermogen)

21

2012/C 032/41

Zaak T-423/09: Arrest van het Gerecht van 16 december 2011 — Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad (Dumping — Invoer van bepaalde magnesiabriketten uit China — Verordening tot beëindiging van tussentijds nieuw onderzoek — Vergelijking van normale waarde met uitvoerprijs — Inachtneming van belasting over toegevoegde waarde van land van oorsprong — Toepassing van andere werkwijze dan in oorspronkelijk onderzoek — Gewijzigde omstandigheden — Artikel 2, lid 10, sub b, en artikel 11, lid 9, van verordening (EG) nr. 384/96 9 (thans artikel 2, lid 10, sub b, en artikel 11, lid 9, van verordening (EG) nr. 1225/2009))

21

2012/C 032/42

Zaak T-424/09: Arrest van het Gerecht van 13 december 2011 — Goodyear Dunlop Tyres UK/BHIM — Sportfive (QUALIFIER) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk QUALIFIER — Ouder gemeenschapswoordmerk Qualifiers 2006 — Weigering van inschrijving — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

22

2012/C 032/43

Zaak T-504/09: Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Völkl/BHIM — Marker Völkl (VÖLKL) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk VÖLKL — Ouder internationaal woordmerk VÖLKL — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Gedeeltelijke weigering van inschrijving — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 — Normaal gebruik van ouder merk — Artikel 42, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009 en regel 22, lid 3, van verordening (EG) nr. 2868/95 — Bevoegdheid van de kamer van beroep bij beroep dat beperkt is tot gedeelte van waren of diensten waarop inschrijvingsaanvraag betrekking heeft — Artikel 64, lid 1, van verordening nr. 207/2009 — Aanvraag tot herziening van beslissing van kamer van beroep — Artikel 65, lid 3, van verordening nr. 207/2009)

22

2012/C 032/44

Zaak T-106/10: Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Spanje/Commissie (EOGFL — Afdeling Oriëntatie — Vermindering van financiële bijstand — Communautair initiatief Leader+ — Artikel 4 van verordening (EG) nr. 438/2001 — Evenredigheid)

23

2012/C 032/45

Zaak T-237/10: Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Vuitton Malletier/BHIM — Friis Group International (Weergave van sluitmechanisme) (Gemeenschapsmerk — Nietigheidsprocedure — Onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 — Geen door gebruik verkregen onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 207/2009)

23

2012/C 032/46

Zaak T-361/10 P: Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Commissie/Pachtitis (Hogere voorziening — Ambtenarenrecht — Ambtenaren — Aanwerving — Aankondiging van vergelijkend onderzoek — Algemeen vergelijkend onderzoek — Niet-toelating tot schriftelijk examen na uitslag van toelatingstoetsen — Verdeling van bevoegdheden tussen EPSO en jury van vergelijkend onderzoek)

23

2012/C 032/47

Zaak T-425/10: Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Häfele/BHIM (Mixfront) (Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Mixfront — Absolute weigeringsgrond — Beschrijvend karakter — Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009)

24

2012/C 032/48

Zaak T-433/10 P: Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Allen e.a./Commissie (Hogere voorziening — In gemeenschappelijke onderneming JET tewerkgesteld personeel — Toepassing van andere rechtsstatuut dan dat van tijdelijk functionaris — Vergoeding van materiële schade — Beroepstermijnen — Tardiviteit — Redelijke termijn)

24

2012/C 032/49

Zaak T-488/10: Arrest van het Gerecht van 16 december 2011 — Frankrijk/Commissie (EFRO — Vermindering van financiële steun — Structurele bijstandsverlening van Gemeenschap in regio Martinique — Beroep tot nietigverklaring — Overheidsopdrachten — Richtlijn 93/37/EEG — Begrip rechtstreekse subsidie — Begrip sport-, recreatie- en vrijetijdsuitrusting — Motiveringsplicht — Evenredigheidsbeginsel)

24

2012/C 032/50

Zaak T-531/10: Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Häfele/BHIM (Vorfront) (Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Vorfront — Absolute weigeringsgrond — Beschrijvend karakter — Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009)

25

2012/C 032/51

Zaak T-563/10 P: Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — De Luca/Commissie (Hogere voorziening — Incidentele hogere voorziening — Openbare dienst — Ambtenaren — Aanstelling in ambt van hogere functiegroep na algemeen vergelijkend onderzoek — Inwerkingtreding van nieuw Statuut — Overgangsbepalingen — Artikel 12, lid 3, van bijlage XIII bij Statuut)

25

2012/C 032/52

Zaak T-6/11 P: Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Commissie/Vicente Carbajosa e.a. (Hogere voorziening — Openbare dienst — Ambtenaren — Aanwerving — Aankondiging van vergelijkend onderzoek — Algemeen vergelijkend onderzoek — Niet-toelating tot schriftelijk examen na uitslag van toelatingstoetsen — Verdeling van bevoegdheden tussen EPSO en jury van vergelijkend onderzoek — Beginsel van hoor en wederhoor)

25

2012/C 032/53

Zaak T-166/11: Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Häfele/BHIM (Infront) (Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Infront — Absolute weigeringsgrond — Beschrijvend karakter — Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009)

26

2012/C 032/54

Zaak T-283/11: Beroep ingesteld op 23 mei 2011 — Fon Wireless/BHIM — nfon (nfon)

26

2012/C 032/55

Zaak T-566/11: Beroep ingesteld op 31 oktober 2011 — Viejo Valle/BHIM — Etablissements Coquet (Geribbeld koffieservies)

26

2012/C 032/56

Zaak T-567/11: Beroep ingesteld op 31 oktober 2011 — Viejo Valle/BHIM — Etablissements Coquet (Diep bord met ribbels)

27

2012/C 032/57

Zaak T-584/11: Beroep ingesteld op 15 november 2011 — Atlas Transport/BHIM — Hartmann (ATLAS TRANSPORT)

27

2012/C 032/58

Zaak T-589/11: Beroep ingesteld op 17 november 2011 — Phonebook of the World/BHIM — Seat Pagine Gialle (PAGINE GIALLE)

28

2012/C 032/59

Zaak T-591/11: Beroep ingesteld op 15 november 2011 — Przedsiębiorstwo Handlowe Medox Lepiarz Lepiarz/BHIM — Henkel (SUPER GLUE)

29

2012/C 032/60

Zaak T-598/11: Beroep ingesteld op 28 november 2011 — MPDV Mikrolab/BHIM (Lean Performance Index)

29

2012/C 032/61

Zaak T-599/11: Beroep ingesteld op 25 november 2011 — Eni/BHIM — EMI (IP) (ENI)

29

2012/C 032/62

Zaak T-600/11: Beroep ingesteld op 25 november 2011 — Schuhhaus Dielmann/BHIM — Carrera (Carrera panamericana)

30

2012/C 032/63

Zaak T-602/11: Beroep ingesteld op 22 november 2011 — Pêra-Grave/BHIM — Fundação De Almeida (QTA S. JOSÉ DE PERAMANCA)

30

2012/C 032/64

Zaak T-604/11: Beroep ingesteld op 28 november 2011 — Mega Brands/BHIM — Diset (MAGNEXT)

31

2012/C 032/65

Zaak T-605/11: Beroep ingesteld op 29 november 2011 — Novartis/BHIM — Organic (BIOCERT)

31

2012/C 032/66

Zaak T-606/11: Beroep ingesteld op 30 november 2011 — Woodman Labs/BHIM — 2 Mas 2 Publicidad Integral (HERO)

32

2012/C 032/67

Zaak T-608/11: Beroep ingesteld op 30 november 2011 — Beifa Group/BHIM — Schwan-Stabilo Schwanhäußer (Schrijfinstrumenten)

32

2012/C 032/68

Zaak T-610/11: Beroep ingesteld op 2 december 2011 — Wagon Automotive Nagold/Commissie

33

2012/C 032/69

Zaak T-611/11: Beroep ingesteld op 1 december 2011 — Spa Monopole/BHIM — South Pacific Management (Manea Spa)

34

2012/C 032/70

Zaak T-612/11: Beroep ingesteld op 2 december 2011 — Treofan Holdings en Treofan Germany/Commissie

34

2012/C 032/71

Zaak T-613/11: Beroep ingesteld op 5 december 2011 — VMS Deutschland/Commissie

35

2012/C 032/72

Zaak T-615/11: Beroep ingesteld op 6 december 2011 — Royal Scandinavian Casino Århus/Commissie

36

2012/C 032/73

Zaak T-617/11: Beroep ingesteld op 5 december 2011 — Meyr-Melnhof Karton/BHIM — Stora Enso (SILVAWHITE)

37

2012/C 032/74

Zaak T-622/11 P: Hogere voorziening ingesteld op 2 december 2011 door Francesca Cervelli tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 12 september 2011 in zaak F-98/10, Cervelli/Commissie

37

2012/C 032/75

Zaak T-623/11: Beroep ingesteld op 30 november 2011 — PICO Food/BHIM — Sobieraj (MILANÓWEK CREAM FUDGE)

38

2012/C 032/76

Zaak T-624/11: Beroep ingesteld op 30 november 2011 — Yueqing Onesto Electric/BHIM — Ensto (ONESTO)

38

2012/C 032/77

Zaak T-625/11: Beroep ingesteld op 2 december 2011 — BSH/BHIM (ecoDoor)

39

2012/C 032/78

Zaak T-631/11: Beroep ingesteld op 6 december 2011 — Caventa/BHIM — Anson’s Herrenhaus (B BERG)

39

2012/C 032/79

Zaak T-633/11: Beroep ingesteld op 8 december 2011 — Guangdong Kito Ceramics e.a./Raad

40

2012/C 032/80

Zaak T-634/11 P: Hogere voorziening ingesteld op 9 december 2011 door Mario Paulo da Silva Tenreiro tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 september 2011 in zaak F-72/10, da Silva Tenreiro/Commissie

40

2012/C 032/81

Zaak T-635/11: Beroep ingesteld op 9 december 2011 — Regency Entertainment Psychagogiki kai Touristiki/Commissie

41

2012/C 032/82

Zaak T-637/11: Beroep ingesteld op 15 december 2011 — Euris Consult/Parlement

41

2012/C 032/83

Zaak T-342/09: Beschikking van het Gerecht van 2 december 2011 — Bard/BHIM — Braun Melsungen (PERFIX)

42

 

Gerecht voor ambtenarenzaken

2012/C 032/84

Zaak F-51/08 RENV: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 13 december 2011 — Stols/Raad (Openbare dienst — Ambtenaren — Terugverwijzing naar Gerecht na vernietiging — Bevordering — Bevorderingsronde 2007 — Vergelijking van verdiensten — Kennelijke beoordelingsfout — Geen — Overwegingen van besluit — Ten overvloede geformuleerde overweging — Falend middel)

43

2012/C 032/85

Zaak F-30/10: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 15 december 2011 — de Fays/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Sociale zekerheid — Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten — Artikel 73 van Statuut — Weigering om beroepsziekte te erkennen)

43

2012/C 032/86

Zaak F-9/11: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 15 december 2011 — Sabag Afota/Raad (Openbare dienst — Ambtenaren — Beoordeling — Bevordering — Bevorderingsronde 2010 — Ontbreken van beoordelingsrapport)

43

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/1


2012/C 32/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

PB C 25 van 28.1.2012

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 13 van 14.1.2012

PB C 6 van 7.1.2012

PB C 370 van 17.12.2011

PB C 362 van 10.12.2011

PB C 355 van 3.12.2011

PB C 347 van 26.11.2011

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Adviezen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/2


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 1 december 2011 — Europese Commissie/Koninkrijk België

(Zaak C-250/08) (1)

(Niet-nakoming - Vrij verkeer van personen - Aankoop van tot nieuwe hoofdverblijfplaats bestemd onroerend goed - Berekening van belastingvoordeel - Registratierechten - Samenhang van belastingstelsel)

2012/C 32/02

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Van Nuffel, R. Lyal en W. Roels, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordigers: L. Van den Broeck, gemachtigde, B. van de Walle de Ghelcke, advocaat)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Republiek Hongarije (vertegenwoordigers: R. Somssich, K. Borvölgyi en M. Z. Fehér, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 18 EG, 43 EG en 56 EG en van de artikelen 31 en 40 EER — Berekening van een belastingvoordeel bij de aanschaf van een tot nieuwe hoofdverblijfplaats bestemd onroerend goed — Bedrag aan registratierechten betaald bij de aanschaf van een vroegere hoofdverblijfplaats — Enkel in aanmerking genomen indien deze laatste in het Vlaamse Gewest lag

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 223 van 30.8.2008.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/2


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 8 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg — Duitsland) — Nural Ziebell, voorheen Nural Örnek/Land Baden-Württemberg

(Zaak C-371/08) (1)

(Associatieovereenkomst EEG-Turkije - Vrij verkeer van werknemers - Artikelen 7, eerste alinea, tweede streepje, en 14, lid 1, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad - Richtlijnen 64/221/EEG, 2003/109/EG en 2004/38/EG - Verblijfsrecht van Turk die op grondgebied van lidstaat van ontvangst is geboren en daar gedurende meer dan tien jaar legaal als kind van Turks werknemer ononderbroken heeft verbleven - Strafrechterlijke veroordelingen - Wettigheid van verwijderingsbesluit - Voorwaarden)

2012/C 32/03

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Nural Ziebell, voorheen Nural Örnek

Verwerende partij: Land Baden-Württemberg

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg — Uitlegging van artikel 14, lid 1, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije — Uitbreiding tot Turkse staatsburgers van artikel 28, lid 3, sub a, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77), dat verwijdering van burgers van de Unie alleen toestaat om dwingende redenen van openbare veiligheid — Beslissing tot verwijdering genomen na meerdere strafrechtelijke veroordelingen van een Turks staatsburger die in Duitsland is geboren en daar sinds 34 jaar woont

Dictum

Artikel 14, lid 1, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, vastgesteld door de Associatieraad, die is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, welke op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963, moet aldus worden uitgelegd dat:

de door die bepaling aan Turkse staatsburgers verleende bescherming tegen verwijdering niet dezelfde draagwijdte heeft als de bescherming die aan de burgers van de Unie wordt verleend krachtens artikel 28, lid 3, sub a, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, zodat het stelsel van bescherming tegen verwijdering dat voor laatstgenoemde burgers geldt, niet naar analogie op die Turkse staatsburgers kan worden toegepast om de betekenis en de draagwijdte van dat artikel 14, lid 1, te bepalen;

die bepaling van besluit nr. 1/80 zich er niet tegen verzet dat een verwijderingsmaatregel om redenen van openbare orde wordt genomen tegen een Turks staatsburger die de rechten geniet die hem bij artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van dat besluit zijn toegekend, voor zover het persoonlijke gedrag van betrokkene thans een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving van de lidstaat van ontvangst en die maatregel noodzakelijk is voor de bescherming van dat belang. Het staat aan de verwijzende rechter om, in het licht van alle relevante elementen van de situatie van de betrokken Turks staatsburger, na te gaan of een dergelijke maatregel in het hoofdgeding rechtens gerechtvaardigd is.


(1)  PB C 285 van 8.11.2008.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/3


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 1 december 2011 — Europese Commissie/Koninkrijk der Nederlanden

(Zaak C-157/09) (1)

(Niet-nakoming - Artikel 43 EG - Vrijheid van vestiging - Notarissen - Nationaliteitsvereiste - Artikel 45 EG - Deelneming aan uitoefening van openbaar gezag)

2012/C 32/04

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: H. Støvlbæk en W. Roels, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: D. J. M. de Grave en M. A. M. de Ree, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Republiek Slovenië (vertegenwoordiger: T. Mihelič, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 43 EG en 45 EG — Toegang tot en uitoefening van het beroep van notaris — Nationaliteitsvoorwaarde — Deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag

Dictum

1)

Door voor de toegang tot het beroep van notaris een nationaliteitsvereiste te stellen, is het Koninkrijk der Nederlanden de krachtens artikel 43 EG op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

Het Koninkrijk der Nederlanden wordt verwezen in de kosten.

3)

De Republiek Slovenië draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 180 van 1.8.2009.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/3


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 1 december 2011 — Europese Commissie/Republiek Hongarije

(Zaak C-253/09) (1)

(Niet-nakoming - Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Koop van als nieuwe hoofdwoning bestemd onroerend goed - Vaststelling van grondslag van belasting op verwerving van onroerend goed - Waarde van verkochte woning die wordt afgetrokken van waarde van verworven woning - Uitsluiting van die aftrek indien verkocht onroerend goed niet op nationaal grondgebied is gelegen)

2012/C 32/05

Procestaal: Hongaars

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: R. Lyal en K. Talabér-Ritz, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Hongarije (vertegenwoordigers: R. Somssich en Z. Fehér, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 18 EG, 39 EG en 43 EG alsmede van de artikelen 28 en 31 EER-Overeenkomst — Nationale wettelijke regeling inzake de belasting op de aankoop van eigendommen op grond waarvan bij de vaststelling van de belastinggrondslag de mogelijkheid om de waarde van de verkochte woning af te trekken van die van de aangekochte woning afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de verkochte woning op nationaal grondgebied is gelegen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 223 van 26.09.2009.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/4


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 8 december 2011 — KME Germany AG, voorheen KM Europa Metal AG, KME France SAS, voorheen Tréfimétaux SA, KME Italy SpA, voorheen Europa Metalli SpA/Europese Commissie

(Zaak C-272/09 P) (1)

(Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt voor industriële koperen buizen - Geldboeten - Omvang van markt, duur van inbreuk en medewerking die in aanmerking kunnen worden genomen - Effectief rechtsmiddel)

2012/C 32/06

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirantes: KME Germany AG, voorheen KM Europa Metal AG, KME France SAS, voorheen Tréfimétaux SA, KME Italy SpA, voorheen Europa Metalli SpA (vertegenwoordigers: M. Siragusa, avvocato, A. Winckler, avocat, G. Rizza, avvocato, T. Graf, advokat, M. Piergiovanni, avvocato)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Gippini Fournier en J. Bourke, gemachtigden, C. Thomas, solicitor)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Achtste kamer) van 6 mei 2009, KME Germany e.a./Commissie (T-127/04), waarbij is verworpen een beroep strekkende tot verlaging van de geldboete die aan rekwirantes is opgelegd bij beschikking 2004/421/EG van de Commissie van 16 december 2003 in een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-beschikking (Zaak COMP/E-1/38.240 — Industriële buizen) (PB L 125, blz. 50) — Vaststelling van prijzen en verdeling van marken — Concrete weerslag op de markt — Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

KME Germany AG, KME France SAS en KME Italy SpA worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 220 van 12.9.2009.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/4


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 1 december 2011 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België) en de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) (Verenigd Koninkrijk)) — Koninklijke Philips Electronics NV/Lucheng Meijing Industrial Company Ltd, Far East Sourcing Ltd, Röhlig Hong Kong Ltd, Röhlig Belgium NV (C-446/09), Nokia Corporation/Her Majesty’s Commissioners of Revenue and Customs (C-495/09)

(Gevoegde zaken C-446/09 en C-495/09) (1)

(Gemeenschappelijke handelspolitiek - Bestrijding van binnenbrengen in de Unie van namaakgoederen en door piraterij verkregen goederen - Verordeningen (EG) nrs. 3295/94 en 1383/2003 - Douane-entrepot en extern douanevervoer van uit derde landen afkomstige goederen die imitaties of kopieën zijn van in de Unie intellectuele-eigendomsrechtelijk beschermde waren - Optreden van autoriteiten van lidstaten - Voorwaarden)

2012/C 32/07

Procestalen: Nederlands en Engels

Verwijzende rechters

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division)

Partijen in de hoofdgedingen

Verzoekende partijen: Koninklijke Philips Electronics NV (C-446/09), Nokia Corporation (C-495/09)

Verwerende partijen: Lucheng Meijing Industrial Company Ltd, Far East Sourcing Ltd, Röhlig Hong Kong Ltd, Röhlig Belgium NV (C-446/09), Her Majesty’s Commissioners of Revenue and Customs (C-495/09)

in tegenwoordigheid van: International Trademark Association

Voorwerp

(C-446/09)

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen — Uitlegging van artikel 6, lid 2, sub b, van verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden (PB L 341, blz. 8) — In vrij verkeer brengen en plaatsing onder schorsingsregeling — Toepasselijk recht — Uit derde land afkomstige goederen — Inbreuk op intellectuele rechten van houder

(C-495/09)

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) — Uitlegging van artikel 2, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten (PB L 196, blz. 7) — Begrip „namaakgoederen” — Van een gemeenschapsmerk voorziene goederen die in doorvoer zijn uit een derde staat waar zij zijn vervaardigd en voor de markt van een andere derde staat bestemd zijn — Mobiele telefoons „Nokia”

Dictum

Verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 houdende vaststelling van een aantal maatregelen betreffende het binnenbrengen in de Gemeenschap alsmede de uitvoer en wederuitvoer uit de Gemeenschap, van goederen die inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 241/1999 van de Raad van 25 januari 1999, en verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten, moeten aldus worden uitgelegd dat:

uit een derde land afkomstige goederen die een imitatie zijn van een in de Europese Unie door een merkrecht beschermde waar of een kopie van een in de Unie door een auteursrecht, naburig recht, tekening of model beschermde waar, niet als „namaakgoederen” of „door piraterij verkregen goederen” in de zin van deze verordeningen kunnen worden aangemerkt louter op grond van het feit dat zij onder een schorsingsregeling in het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht;

deze goederen daarentegen inbreuk op dat recht kunnen maken en dus als „namaakgoederen” of „door piraterij verkregen goederen” kunnen worden aangemerkt wanneer is bewezen dat zij bestemd zijn om in de Europese Unie te worden verhandeld, waarbij dit bewijs is geleverd met name wanneer blijkt dat deze goederen aan een klant in de Unie zijn verkocht of voor deze goederen een verkoopaanbieding is gedaan aan of reclame is gemaakt bij consumenten van de Unie, of wanneer uit documenten of briefwisseling betreffende deze goederen blijkt dat het voornemen bestaat om deze goederen naar de consumenten in de Unie om te leiden;

opdat de voor de beslissing ten gronde bevoegde autoriteit op nuttige wijze kan onderzoeken of een dergelijk bewijs bestaat en of er sprake is van de andere bestanddelen van een inbreuk op het aangevoerde intellectuele-eigendomsrecht, de douaneautoriteit waarbij een verzoek om optreden is gedaan, de vrijgave van deze goederen moet opschorten of deze goederen moet vasthouden zodra zij beschikt over aanwijzingen van een vermoeden dat inbreuk is gemaakt, en

dergelijke aanwijzingen onder meer kunnen zijn het feit dat de bestemming van de goederen niet is aangegeven hoewel voor de gevraagde schorsingsregeling daarvan aangifte moet worden gedaan, het ontbreken van nauwkeurige of betrouwbare informatie betreffende de identiteit of het adres van de producent of de expediteur van de goederen, het ontbreken van samenwerking met de douaneautoriteiten of nog aan het licht gekomen documenten of briefwisseling betreffende de betrokken goederen die het vermoeden kunnen doen ontstaan dat deze goederen mogelijk naar de consumenten in de Europese Unie zullen worden omgeleid.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.

PB C 37 van 13.2.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/5


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 1 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — Systeme Helmholz GmbH/Hauptzollamt Nürnberg

(Zaak C-79/10) (1)

(Richtlijn 2003/96/EG - Belasting van energieproducten en elektriciteit - Artikel 14, lid 1, sub b - Vrijstelling voor energieproducten gebruikt als brandstof voor luchtvaart - Gebruik van luchtvaartuig voor andere dan commerciële doeleinden - Draagwijdte)

2012/C 32/08

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Systeme Helmholz GmbH

Verwerende partij: Hauptzollamt Nürnberg

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van de artikelen 11, lid 3, 14, lid 1, sub b en 15, lid 1, sub j, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (PB L 283, blz. 51) — Omvang van de belastingvrijstelling voor energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de luchtvaart — Nationale regeling die deze vrijstelling beperkt tot vluchten van luchtvaartmaatschappijen — Zakelijke en privévluchten, uitgevoerd met een vliegtuig toebehorend aan een onderneming die geen luchtvaartmaatschappij is

Dictum

1)

Artikel 14, lid 1, sub b, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit moet aldus worden uitgelegd dat de belastingvrijstelling voor luchtvaartbrandstof in de zin van deze bepaling niet van toepassing is op een onderneming als die in het hoofdgeding, die voor haar acquisitie een haar toebehorend vliegtuig gebruikt voor de verplaatsingen van haar personeelsleden naar klanten en beurzen, voor zover deze verplaatsingen niet rechtstreeks dienen tot de verrichting van een luchtvaartdienst onder bezwarende titel door deze onderneming.

2)

Artikel 15, lid 1, sub j, van richtlijn 2003/96 moet aldus worden uitgelegd dat de brandstof die door een luchtvaartuig wordt gebruikt voor retourvluchten naar een onderhoudsbedrijf in de luchtvaartsector, niet binnen de werkingssfeer van deze bepaling valt.


(1)  PB C 113 van 1.5.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/6


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 8 december 2011 — France Télécom/Europese Commissie, Franse Republiek

(Zaak C-81/10 P) (1)

(Hogere voorziening - Staatssteun - Bedrijfsbelastingregeling voor France Télécom - Begrip „steun” - Gewettigd vertrouwen - Verjaringstermijn - Motiveringsplicht - Rechtszekerheidsbeginsel)

2012/C 32/09

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: France Télécom (vertegenwoordigers: S. Hautbourg, L. Olza Moreno en L. Godfroid, avocats)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Gippini Fournier en D. Grespan, gemachtigden), Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues en J. Gstalter, gemachtigden)

Voorwerp

Hogere voorziening ingesteld tegen de arresten van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 30 november 2009, Frankrijk en France Télécom/Commissie (T-427/04 en T-17/05), waarbij het Gerecht de door de Franse Republiek en rekwirante ingestelde beroepen tot nietigverklaring van beschikking 2005/709/EG van de Commissie van 2 augustus 2004 betreffende de steunregeling die door Frankrijk ten uitvoer is gelegd ten gunste van France Télécom (PB 2005, L 269, blz. 30) — Schending van de begrippen „staatssteun” en „voordeel” in verband met de bedrijfsbelastingregeling die van 1994 tot en met 2002 van toepassing was op France Télécom — Schending van het vertrouwensbeginsel — Verjaringstermijn voor de steunregeling — Motiveringsplicht en schending van het rechtszekerheidsbeginsel

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

France Télécom SA wordt verwezen in de kosten.

3)

De Franse Republiek draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 148 van 5.6.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/6


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 8 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundespatentgericht — Duitsland) — Merck Sharp & Dohme Corporation (voorheen Merck & Co.)/Deutsches Patent- und Markenamt

(Zaak C-125/10) (1)

(Intellectuele en industriële eigendom - Octrooien - Verordening (EEG) nr. 1768/92 - Artikel 13 - Aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen - Mogelijkheid om dat certificaat af te geven wanneer periode die is verstreken tussen datum van aanvraag voor basisoctrooi en datum van eerste vergunning voor in handel brengen in Unie minder dan vijf jaar bedraagt - Verordening (EG) nr. 1901/2006 - Artikel 36 - Verlenging van duur van aanvullend beschermingscertificaat)

2012/C 32/10

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundespatentgericht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Merck Sharp & Dohme Corporation (voorheen Merck & Co.)

Verwerende partij: Deutsches Patent- und Markenamt

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundespatentgericht — Uitlegging van artikel 13, lid 1, van verordening (EG) nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (PB L 152, blz. 1) — Mogelijkheid om een dergelijk certificaat af te geven wanneer de periode tussen de datum van de aanvraag voor het basisoctrooi en de datum van de eerste vergunning voor het in de handel brengen in de Gemeenschap minder dan vijf jaar bedraagt

Dictum

Artikel 13 van verordening (EEG) nr. 1768/92 van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de invoering van een aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1901/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006, gelezen in samenhang met artikel 36 van verordening nr. 1901/2006, moet aldus worden uitgelegd dat voor geneesmiddelen een aanvullend beschermingscertificaat kan worden afgegeven wanneer de periode die is verstreken tussen de datum van de aanvraag voor het basisoctrooi en de datum van de eerste vergunning voor het in de handel brengen in de Europese Unie minder dan vijf jaar bedraagt. In dat geval gaat de in verordening nr. 1901/2006 vastgestelde termijn van de pediatrische verlenging in vanaf de datum die wordt berekend door van de vervaldatum van het octrooi het verschil tussen vijf jaar en de duur van de periode tussen de indiening van de octrooiaanvraag en de verkrijging van de eerste vergunning voor het in de handel brengen af te trekken.


(1)  PB C 161 van 19.6.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/7


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 1 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Handelsgericht Wien — Oostenrijk) — Eva-Maria Painer/Standard VerlagsGmbH, Axel Springer AG, Süddeutsche Zeitung GmbH, Spiegel-Verlag Rudolf Augstein GmbH & Co KG, Verlag M. DuMont Schauberg Expedition der Kölnischen Zeitung GmbH & Co KG

(Zaak C-145/10) (1)

(Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Artikel 6, punt 1 - Pluraliteit van verweerders - Richtlijn 93/98/EEG - Artikel 6 - Bescherming van foto’s - Richtlijn 2001/29/EG - Artikel 2 - Reproductie - Gebruik van portretfoto als model voor montagefoto - Artikel 5, lid 3, sub d - Uitzonderingen en beperkingen voor citeren - Artikel 5, lid 3, sub e - Uitzonderingen en beperkingen voor doeleinden van openbare veiligheid - Artikel 5, lid 5)

2012/C 32/11

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Handelsgericht Wien

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Eva-Maria Painer

Verwerende partijen: Standard VerlagsGmbH, Axel Springer AG, Süddeutsche Zeitung GmbH, Spiegel-Verlag Rudolf Augstein GmbH & Co KG, Verlag M. DuMont Schauberg Expedition der Kölnischen Zeitung GmbH & Co KG

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Handelsgericht Wien — Uitlegging van artikel 6, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), van artikel 1, lid 1, en artikel 5, lid 3, sub d en e, en lid 5, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10) — Publicatie van foto’s in verschillende kranten en tijdschriften zonder toestemming van de auteur en zonder juiste bronvermelding — Bevoegdheid van een gerecht om te beslissen op verscheidene vorderingen die, ter zake van dezelfde inbreuk op het auteursrecht, op grond van in grote lijnen identieke bepalingen van het recht van twee lidstaten zijn ingesteld tegen verschillende gedaagden –Inbreuk op het auteursrecht gerechtvaardigd door doelstellingen van openbare veiligheid

Dictum

1)

Artikel 6, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat het enkele feit dat vorderingen die tegen meerdere verweerders wegens inhoudelijk identieke inbreuken op het auteursrecht zijn ingediend, op per lidstaat verschillende nationale rechtsgrondslagen berusten, aan toepassing van die bepaling niet in de weg staat. De nationale rechter dient gelet op alle elementen van het dossier te beoordelen of er bij afzonderlijke berechting van de vorderingen gevaar bestaat voor onverenigbare beslissingen.

2)

Artikel 6 van richtlijn 93/98/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 betreffende de harmonisatie van de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten, moet aldus worden uitgelegd dat een portretfoto krachtens die bepaling in aanmerking komt voor auteursrechtelijke bescherming mits — hetgeen de nationale rechter in ieder afzonderlijk geval dient na te gaan — een dergelijke foto een intellectuele schepping van de auteur is die de persoonlijkheid van deze laatste weerspiegelt en tot uiting komt door de vrije creatieve keuzen van die auteur bij de totstandkoming van die foto. Wanneer is vastgesteld dat de betrokken portretfoto de hoedanigheid heeft van een werk, geniet dit een bescherming die niet geringer is dan die waarvoor ieder ander werk, een fotografisch werk daaronder begrepen, in aanmerking komt.

3)

Artikel 5, lid 3, sub e, van richtlijn 2001/29 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 5, van die richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat een medium, zoals een persuitgever, niet op eigen initiatief een door een auteursrecht beschermd werk mag gebruiken met een beroep op een doel van openbare veiligheid. Het kan echter niet worden uitgesloten dat een persuitgever in individuele gevallen tot de bereiking van een doel van openbare veiligheid kan bijdragen door een foto van een gezochte persoon te publiceren. Het initiatief daartoe moet worden genomen in het kader van een beslissing of actie van de bevoegde nationale autoriteiten die ertoe strekt de openbare veiligheid te verzekeren, en in overleg en in coördinatie met die autoriteiten, om te voorkomen dat tegen de door deze laatste getroffen maatregelen wordt gehandeld. Een concrete, actuele en uitdrukkelijke oproep van de met de veiligheid belaste autoriteiten om ten behoeve van een onderzoek een foto te publiceren is echter niet noodzakelijk.

4)

Artikel 5, lid 3, sub d, van richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 5, van die richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat een artikel in de pers waarin een werk of ander materiaal wordt geciteerd geen door het auteursrecht beschermd werk van letterkunde is, aan toepassing van die bepaling niet in de weg staat.

5)

Artikel 5, lid 3, sub d, van richtlijn 2001/29, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 5, van die richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat aan de toepassing ervan de verplichting gekoppeld is dat de bron — waaronder de naam van de auteur of de uitvoerend kunstenaar — van het geciteerde werk of ander materiaal wordt vermeld. Indien die naam overeenkomstig artikel 5, lid 3, sub e, van richtlijn 2001/29 echter niet is vermeld, moet bedoelde verplichting worden geacht te zijn nageleefd indien enkel de bron is vermeld..


(1)  PB C 148 van 5.6.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/8


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 8 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Supremo — Spanje) — Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, SA/Administración General del Estado

(Zaak C-157/10) (1)

(Vrij verkeer van kapitaal - Vennootschapsbelasting - Overeenkomst tot vermijden van dubbele belasting - Verbod om in andere lidstaten verschuldigde maar niet geïnde belasting af te trekken)

2012/C 32/12

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Supremo

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, SA

Verwerende partij: Administración General del Estado

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunal Supremo — Uitlegging van de artikelen 63 en 65 VWEU — Vennootschapsbelasting — Nationale regeling en verdrag op het gebied van dubbele belastingheffing die de aftrek verbieden van de belasting die in andere lidstaten ter zake van aldaar verkregen inkomsten is verschuldigd, maar niet behoeft te worden betaald

Dictum

Artikel 67 EEG-Verdrag en artikel 1 van richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag [artikel ingetrokken bij het Verdrag van Amsterdam], verzetten zich niet tegen een regeling van een lidstaat, als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die voor de vennootschapsbelasting en in het kader van regels ter vermijding van dubbele belasting de aftrek verbiedt van de in andere lidstaten van de Europese Unie verschuldigde belasting over inkomsten die aldaar zijn verkregen en waarop die belasting wordt geheven, wanneer de belasting weliswaar verschuldigd is, maar niet behoeft te worden betaald op grond van een vrijstelling, belastingkrediet of enig ander fiscaal voordeel, voor zover die regeling niet discriminerend is vergeleken met de behandeling waaraan de in die lidstaat ontvangen rente wordt onderworpen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.


(1)  PB C 179 van 3.7.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/8


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 8 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — Residex Capital IV CV/Gemeente Rotterdam

(Zaak C-275/10) (1)

(Artikel 88, lid 3, EG - Staatssteun - Steun die in vorm van garantie aan kredietgever is verleend teneinde hem in staat te stellen aan kredietnemer een lening te verstrekken - Schending van procedureregels - Verplichting tot terugvordering - Nietigheid - Bevoegdheden van nationale rechter)

2012/C 32/13

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Residex Capital IV CV

Verwerende partij: Gemeente Rotterdam

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Staatssteun — Uitlegging van artikel 108, lid 3, VWEU — Steun in de vorm van een garantie aan een kredietgever teneinde hem in staat te stellen een krediet te verlenen aan een kredietnemer — Schending van vormvoorschriften — Bevoegdheden van de nationale rechter

Dictum

De laatste volzin van artikel 88, lid 3, EG moet aldus worden uitgelegd dat de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn om een garantie nietig te verklaren in een situatie zoals die in het hoofdgeding, waarin een onwettige steunmaatregel tot uitvoering is gebracht door middel van een door de overheid verstrekte garantie ter dekking van een lening die door een financiële maatschappij is toegekend aan een onderneming die een dergelijke financiering niet tegen normale marktvoorwaarden had kunnen verkrijgen. Bij de uitoefening van die bevoegdheid moeten genoemde rechterlijke instanties ervoor zorgen dat de steun wordt teruggevorderd en kunnen zij te dien einde de garantie nietig verklaren, met name wanneer bij gebreke van minder dwingende procedurele maatregelen, deze nietigverklaring ertoe kan leiden of ertoe kan bijdragen dat de mededingingssituatie van vóór de garantieverstrekking wordt hersteld.


(1)  PB C 246 van 11.9.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/9


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 29 november 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Gerechtshof te Amsterdam — Nederland) — National Grid Indus BV/Inspecteur van de Belastingdienst Rijnmond/kantoor Rotterdam

(Zaak C-371/10) (1)

(Verplaatsing van feitelijke bestuurszetel van vennootschap naar andere lidstaat dan die van haar oprichting - Vrijheid van vestiging - Artikel 49 VWEU - Heffing op latente meerwaarden in activa van vennootschap die haar zetel tussen lidstaten verplaatst - Bepaling van hoogte van heffing op moment van zetelverplaatsing - Onmiddellijke invordering van heffing - Evenredigheid)

2012/C 32/14

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Gerechtshof te Amsterdam

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: National Grid Indus BV

Verwerende partij: Inspecteur van de Belastingdienst Rijnmond/kantoor Rotterdam

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Gerechtshof te Amsterdam — Uitlegging van artikel 43 EG (thans artikel 49 VWEU) — Nationale fiscale bepalingen die voorzien in een onmiddellijke eindafrekeningsheffing voor vennootschappen die hun zetel of activa naar een andere lidstaat verplaatsen

Dictum

1)

Een naar het recht van een lidstaat opgerichte vennootschap die haar feitelijke bestuurszetel naar een andere lidstaat verplaatst, zonder dat deze verplaatsing haar hoedanigheid van vennootschap naar het recht van de eerste lidstaat aantast, kan zich op artikel 49 VWEU beroepen om de rechtmatigheid van een door de eerste lidstaat aan haar opgelegde heffing bij genoemde zetelverplaatsing aan de orde te stellen.

2)

Artikel 49 VWEU moet in die zin worden uitgelegd dat:

het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat krachtens welke het bedrag van de heffing over de latente meerwaarden in vermogensbestanddelen van een vennootschap definitief wordt vastgesteld — zonder eventuele later optredende waardeverminderingen of meerwaarden in aanmerking te nemen — op het moment waarop de vennootschap, wegens de verplaatsing van haar feitelijke bestuurszetel naar een andere lidstaat, ophoudt in de eerste lidstaat belastbare winst te genieten; het is in dat verband onverschillig dat de belaste latente meerwaarden betrekking hebben op valutawinsten die in de lidstaat van ontvangst niet tot uitdrukking kunnen komen, gelet op het daar geldende belastingregime;

het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die de onmiddellijke invordering voorschrijft van de heffing over de latente meerwaarden in vermogensbestanddelen van een vennootschap die haar feitelijke bestuurszetel naar een andere lidstaat verplaatst, op het moment zelf van genoemde verplaatsing.


(1)  PB C 328 van 4.12.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/9


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 8 december 2011 — Chalkor AE Epexergasias Metallon/Europese Commissie

(Zaak C-386/10 P) (1)

(Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt voor koperen leidingbuizen - Geldboeten - Omvang van markt, duur van inbreuk en medewerking die in aanmerking kunnen worden genomen - Effectief rechtsmiddel)

2012/C 32/15

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Chalkor AE Epexergasias Metallon (vertegenwoordiger: I. Forrester QC)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Gippini Fournier en S. Noë, gemachtigden, B. Doherty, barrister)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 19 mei 2010, Chalkor/Commissie (T-21/05), waarbij het Gerecht de geldboete heeft verlaagd die aan rekwirante is opgelegd bij beschikking 2006/485/EG van de Commissie van 3 september 2004 in een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/E-1/38.069 — Koperen leidingbuizen) [kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 2826], betreffende een regeling waarbij productievolumes en marktaandelen zijn toegewezen en prijsdoelstellingen en -verhogingen zijn vastgesteld op de Europese markt voor koperen leidingbuizen

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Chalkor AE Epexergasias Metallon wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 288 van 23.10.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/10


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 8 december 2011 — KME Germany AG, voorheen KM Europa Metal AG, KME France SAS, voorheen Tréfimétaux SA, KME Italy SpA, voorheen Europa Metalli SpA/Europese Commissie

(Zaak C-389/10 P) (1)

(Hogere voorziening - Mededinging - Mededingingsregelingen - Markt voor koperen leidingbuizen - Geldboeten - Omvang van markt, duur van inbreuk en medewerking die in aanmerking kunnen worden genomen - Effectief rechtsmiddel)

2012/C 32/16

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirantes: KME Germany AG, voorheen KM Europa Metal AG, KME France SAS, voorheen Tréfimétaux SA, KME Italy SpA, voorheen Europa Metalli SpA (vertegenwoordigers: M. Siragusa, avvocato, A. Winckler, avocat, G. Rizza, avvocato, T. Graf, advokat, M. Piergiovanni, avvocato)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Gippini Fournier en S. Noë, gemachtigden, C. Thomas, solicitor)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 19 mei 2010, KME Germany e.a./Commissie (T-25/05), waarbij is verworpen een beroep tot verlaging van de geldboete die aan rekwirantes is opgelegd bij beschikking 2006/485/EG van de Commissie van 3 september 2004 in een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/E-1/38.069 — Koperen leidingbuizen) [kennisgeving geschied onder nummer C(2004) 2826], betreffende een regeling waarbij productievolumes en marktaandelen zijn toegewezen en prijsdoelstellingen en -verhogingen zijn vastgesteld op de Europese markt voor koperen leidingbuizen

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

KME Germany AG, KME France SAS en KME Italy SpA worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 274 van 9.10.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/10


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 1 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) — Verenigd Koninkrijk) — Churchill Insurance Company Limited/Benjamin Wilkinson en Tracy Evans/Equity Claims Limited

(Zaak C-442/10) (1)

(Verplichte motorrijtuigenverzekering - Richtlijn 84/5/EEG - Artikelen 1, lid 4, en 2, lid 1 - Derden die slachtoffer zijn van ongeval - Uitdrukkelijke of stilzwijgende machtiging om voertuig te besturen - Richtlijn 90/232/EEG - Artikel 1, eerste alinea - Richtlijn 2009/103/EG - Artikelen 10, 12, lid 1, en 13, lid 1 - Persoon die slachtoffer is van ongeval als passagier van voertuig waarvoor hij als bestuurder is verzekerd - Voertuig bestuurd door niet door polis gedekte persoon - Verzekerd slachtoffer niet uitgesloten van verzekering)

2012/C 32/17

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Churchill Insurance Company Limited, Tracy Evans

Verwerende partijen: Benjamin Wilkinson, Equity Claims Limited

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) — Uitlegging van de artikelen 12, lid 1, en 13, lid 1, van richtlijn 2009/103/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 263, blz. 11) — Slachtoffer van een verkeersongeval dat ten tijde van het ongeval passagier van het voertuig is waarvoor het als bestuurder verzekerd is, maar dat wordt bestuurd door een niet-verzekerde bestuurder die van het slachtoffer toestemming had gekregen om het voertuig te besturen — Nationale bepalingen die het slachtoffer uitsluiten van de verzekering

Dictum

1)

Artikel 1, eerste alinea, van de Derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, en artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die tot gevolg heeft dat de voor de verzekeraar geldende verplichting tot schadeloosstelling van een slachtoffer van een verkeersongeval automatisch wordt uitgesloten wanneer dit ongeval door een niet door de polis gedekte bestuurder is veroorzaakt en het ten tijde van het ongeval als passagier meerijdende slachtoffer verzekerd was om dat voertuig te besturen en aan deze bestuurder toestemming had gegeven om dat voertuig te besturen.

2)

Het antwoord op de eerste vraag verschilt niet naargelang het verzekerde slachtoffer wist dat de persoon aan wie het toestemming had gegeven om het voertuig te besturen, daarvoor niet verzekerd was, het veronderstelde dat deze persoon daarvoor verzekerd was, of het zich dat wel of niet had afgevraagd.


(1)  PB C 346 van 18.12.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/11


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 1 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Unabhängige Finanzsenat, Auβenstelle Linz — Oostenrijk) — Immobilien Linz GmbH & Co. KG/Finanzamt Freistadt Rohrbach Urfahr

(Zaak C-492/10) (1)

(Fiscale bepalingen - Richtlijn 69/335/EEG - Indirecte belastingen - Bijeenbrengen van kapitaal - Artikel 4, lid 2, sub b - Aan kapitaalrecht onderworpen verrichtingen - Vermeerdering van vennootschappelijk vermogen - Prestatie van vennoot - Overneming van geleden verliezen op grond van vóór intreden daarvan aangegane verbintenis)

2012/C 32/18

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Unabhängiger Finanzsenat, Auβenstelle Linz

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Immobilien Linz GmbH & Co. KG

Verwerende partij: Finanzamt Freistadt Rohrbach Urfahr

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Unabhängiger Finanzsenat, Auβenstelle Linz — Uitlegging van artikel 4, lid 2, sub b, van richtlijn 69/335/EEG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal (PB L 249, blz. 25) — Aan kapitaalrecht onderworpen handelingen — Vermeerdering van vennootschappelijk vermogen van kapitaalvennootschap — Eventuele opneming in dit vermogen van de verbintenis van een publiekrechtelijk lichaam dat de enige vennoot van deze vennootschap is, om de verliezen van deze vennootschap aan te zuiveren

Dictum

Artikel 4, lid 2, sub b, van richtlijn 69/335/EG van de Raad van 17 juli 1969 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, zoals gewijzigd bij richtlijn 85/303/EEG van de Raad van 10 juni 1985, moet aldus worden uitgelegd dat de overneming van de verliezen van een vennootschap door een vennoot ter uitvoering van een verbintenis die deze vennoot vóór het ontstaan van die verliezen is aangegaan en die enkel de aanzuivering van deze verliezen dient te verzekeren, niet tot vermeerdering van het vennootschappelijk vermogen van die vennootschap leidt.


(1)  PB C 13 van 15.1.2011.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/11


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 1 december 2011 — Europese Commissie/Franse Republiek

(Zaak C-515/10) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 1999/31/EG - Beschikking 2003/33/EG - Nationale regeling - Stortplaatsen voor inerte afvalstoffen - Toelating van asbestcementafval)

2012/C 32/19

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Rozet en A. Marghelis, gemachtigden)

Verwerende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues en S. Menez, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Onjuiste uitvoering van de artikelen 2 (sub e), artikel 3, lid 1, en artikel 6 (sub d) van richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182, blz. 1) en van de bepalingen van de bijlage bij beschikking 2003/33/EG van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van richtlijn 1999/31/EG (PB L 11, blz. 27) — Nationale wettelijke regeling die in strijd met de richtlijn een categorie „inerte en gevaarlijke” afvalstoffen vaststelt — Storten van asbestcementafval

Dictum

1)

Door niet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen om te verzekeren dat asbestcementafval op de daarvoor geschikte stortplaatsen wordt verwerkt, is de Franse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2, sub e, 3, lid 1, en 6, sub d, van richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen, en krachtens de bijlage bij beschikking 2003/33/EG van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van richtlijn 1999/31/EG.

2)

De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 30 van 29.1.2011.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/12


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 6 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d’appel de Paris — Frankrijk) — Alexandre Achughbabian/Préfet du Val-de-Marne

(Zaak C-329/11) (1)

(Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - Richtlijn 2008/115/EG - Gemeenschappelijke normen en procedures inzake terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen - Nationale regeling op grond waarvan in geval van illegaal verblijf gevangenisstraf en geldboete worden opgelegd)

2012/C 32/20

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour d’appel de Paris

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Alexandre Achughbabian

Verwerende partij: Préfet du Val-de-Marne

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Cour d’appel de Paris — Uitlegging van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348, blz. 98) — Verenigbaarheid van een nationale regeling krachtens welke aan een onderdaan van een derde land een gevangenisstraf wordt opgelegd op de enkele grond dat hij illegaal het nationale grondgebied is binnengekomen en aldaar illegaal verblijft — Inbewaringstelling met het oog op terugleiding tot aan de grens — Eventuele onregelmatigheid van de inverzekeringstelling

Dictum

Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, moet aldus worden uitgelegd dat zij

zich verzet tegen een regeling van een lidstaat waarbij illegaal verblijf wordt tegengegaan met strafrechtelijke sancties, voor zover die regeling toestaat dat een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een onderdaan van een derde land die weliswaar illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijft en niet bereid is dat grondgebied vrijwillig te verlaten, doch op wie niet de in artikel 8 van deze richtlijn bedoelde dwangmaatregelen zijn toegepast en voor wie, in geval van vreemdelingenbewaring met het oog op de voorbereiding en de uitvoering van zijn verwijdering, de maximale duur van die bewaring nog niet is verstreken; en

zich niet verzet tegen een dergelijke regeling voor zover deze toestaat dat een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een onderdaan van een derde land op wie de bij die richtlijn ingestelde terugkeerprocedure is toegepast en die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal op dat grondgebied verblijft.


(1)  PB C 298 van 8.10.2011.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/12


Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 6 oktober 2011 — ThyssenKrupp Acciai Speciali Terni SpA (C-448/10 P), Cementir Italia Srl (C-449/10 P), Nuova Terni Industrie Chimiche SpA (C-450/10 P)/Europese Commissie

(Gevoegde zaken C-448/10 P tot en met C-450/10 P) (1)

(Hogere voorziening - Compensatie voor onteigening ten algemenen nutte - Verlenging van preferent tarief voor levering van elektriciteit - Beschikking waarbij steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard en terugvordering ervan wordt gelast - Begrip „voordeel” - Vertrouwensbeginsel - Uitlegging van nationaal recht - Onjuiste opvatting - Begrip - Kennelijk niet-ontvankelijke en ongegronde hogere voorziening)

2012/C 32/21

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirantes: ThyssenKrupp Acciai Speciali Terni SpA (C-448/10 P), Cementir Italia Srl (C-449/10 P), Nuova Terni Industrie Chimiche SpA (C-450/10 P) (vertegenwoordigers: T. Salonico, G. Barone en A. Marega, avvocati)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Grespan en G. Conte, gemachtigden)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 1 juli 2010, ThyssenKrupp Acciai Speciali Terni/Commissie (T-62/08), Cementir Italië/Commissie (T-63/08) en Nuova Terni Industrie Chimiche/Commissie (T-64/08), houdende afwijzing van de vorderingen tot nietigverklaring van beschikking 2008/408/EG van de Commissie van 20 november 2007 betreffende steunmaatregel C 36/A/06 (ex NN 38/06) die door Italië ten uitvoer is gelegd ten gunste van ThyssenKrupp, Cementir en Nuova Terni Industrie Chimiche (PB 2008, L 144, blz. 37)

Dictum

1)

De hogere voorzieningen worden afgewezen.

2)

ThyssenKrupp Acciai Speciali Terni SpA, Cementir Italia Srl en Nuova Terni Industrie Chimiche SpA worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 317 van 20.11.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Berlin (Duitsland) op 3 oktober 2011 — Deutsche Umwelthilfe e.V./Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-515/11)

2012/C 32/22

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgericht Berlin

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Deutsche Umwelthilfe e.V.

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 2, punt 2, tweede zin, van richtlijn 2003/4/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313/EEG van de Raad, aldus worden uitgelegd dat instellingen en organen ook dan in een wetgevende hoedanigheid optreden wanneer zij op grond van een machtigingswet van het Parlement als uitvoerende macht rechtsregels uitvaardigen?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, vallen deze instellingen en organen duurzaam of alleen voor de tijd van de wetgevingsprocedure onder het begrip „overheidsinstantie”?


(1)  PB L 41, blz. 26.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank van koophandel te Antwerpen (België) op 7 november 2011 — Pelckmans Turnhout NV tegen Walter Van Gastel Balen NV e.a.

(Zaak C-559/11)

2012/C 32/23

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank van koophandel te Antwerpen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: Pelckmans Turnhout NV

Verweersters: Walter Van Gastel Balen NV, Walter Van Gastel NV, Walter Van Gastel Schoten NV, Walter Van Gastel Lifestyle NV

Prejudiciële vragen

1)

Is het zeven dagen op zeven openhouden van een winkel door een handelaar en het daarvoor reclame maken te beschouwen als handeling, ommissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten, en dus als handelspraktijk in de zin van richtlijn 2005/29/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt [en tot wijziging van richtlijn 84/450/EEG van de Raad, richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad („Richtlijn oneerlijke handelspraktijken”)]?

2)

Verzetten richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt of een andere bepaling van EU-recht zoals o.m. artikel 34 of 35 VWEU of artikel 49 of 56 VWEU zich tegen een nationale bepaling, zoals die van de artikelen 8 tot en met 14 van de Wet van 10 november 2006 die — behoudens enkele uitzonderingen opgesomd in de Wet — de handelaar verplichten om een wekelijkse sluitingsdag voor de winkel te kiezen, gelet op het feit dat de handelaar zonder meer wordt verboden zeven dagen op zeven zijn winkel te openen en dit ongeacht de invloed die dit heeft of kan hebben op de gemiddelde consument en ongeacht of deze handeling in de concrete omstandigheden als strijdig met de professionele toewijding of de eerlijke handelsgebruiken kan beschouwd worden, en ook ongeacht het feit dat los van deze wet, de arbeidsrechtelijke rust van werknemers gewaarborgd is door andere wetgeving?


(1)  PB L 149, blz. 22.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Düsseldorf (Duitsland) op 16 november 2011 — Novartis AG/Actavis Deutschland GmbH & Co KG, Actavis Ltd

(Zaak C-574/11)

2012/C 32/24

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landgericht Düsseldorf

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Novartis AG

Verwerende partij: Actavis Deutschland GmbH & Co KG, Actavis Ltd

Prejudiciële vraag

Moeten de artikelen 4 en 5 van verordening (EG) nr. 469/2009 (1) aldus worden uitgelegd, dat de bescherming van een voor een afzonderlijke werkzame stof (in casu valsartan) afgegeven aanvullend beschermingscertificaat ook geldt voor een uitvoeringsvorm die een samenstelling van werkzame stoffen bevat (in casu valsartan en hydrochloorthiazide) waarin deze afzonderlijke werkzame stof is opgenomen?


(1)  Verordening (EG) nr. 469/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen (Gecodificeerde versie) (PB L 152, blz. 1).


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Beroep te Brussel (België) op 21 november 2011 — DKV Belgium/Belgische Verbruikersunie Test-Aankoop VZW

(Zaak C-577/11)

2012/C 32/25

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Hof van Beroep te Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: DKV Belgium

Verwerende partij: Belgische Verbruikersunie Test-Aankoop VZW

Prejudiciële vraag

Moeten de artikelen 29, [tweede alinea], en 39, [lid] 3, van richtlijn 92/49/EEG (1) en artikel 8, lid 3, [derde alinea], van richtlijn 73/239/EEG (2), enerzijds, en de artikelen 49 en 56 VWEU, anderzijds, aldus worden uitgelegd dat zij de lidstaten verbieden om in het kader van andere dan beroepsgebonden ziekteverzekeringsovereenkomsten, bepalingen vast te stellen krachtens welke de premie, de vrijstelling en de prestatie op de jaarlijkse premievervaldag enkel mogen worden aangepast:

op grond van het indexcijfer der consumptieprijzen;

op grond van een of verschillende specifieke indexcijfers, aan de kosten van de diensten die gedekt worden door de private ziekteverzekeringsovereenkomsten [genoemd „medisch indexcijfer”], indien en voor zover de evolutie van dat of deze indexcijfer(s) het indexcijfer der consumptieprijzen overstijgt;

op grond van een toelating door een administratieve overheid die toeziet op de activiteiten van de verzekeringsondernemingen en die door de betrokken verzekeringsonderneming daarom wordt verzocht, indien deze overheid vaststelt dat de toepassing van het tarief van deze onderneming, ondanks de op grond van de indexcijfers uit de vorige paragrafen berekende aanpassingen, verlieslatend is of dreigt te worden, en haar op deze manier toelaat ter verzekering van het evenwicht van haar tarieven maatregelen te nemen die een wijziging van de dekkingsvoorwaarden tot gevolg kunnen hebben.


(1)  Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering) (PB L 228, blz. 1).

(2)  Eerste richtlijn (73/239/EEG) van de Raad, van 24 juli 1973, tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan (PB L 228, blz. 3).


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Administrativo e Fiscal do Porto (Portugal) op 22 november 2011 — Grande Área Metropolitana do Porto (GAMP)/Ministério da Agricultura, do Mar, do Ambiente e do Ordenamento do Território e.a.

(Zaak C-579/11)

2012/C 32/26

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Tribunal Administrativo e Fiscal do Porto

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Grande Área Metropolitana do Porto (GAMP)

Verwerende partijen: Ministério da Agricultura, do Mar, do Ambiente e do Ordenamento do Território, Comissão Diretiva do Programa Operacional Potencial Humano en Ministério do Trabalho e da Solidariedade Social

Andere partijen: Sindicato dos Quadros Técnicos do Estado, Ministério da Saúde en Instituto do Desporto de Portugal (IP)

Prejudiciële vragen

1)

Moeten het gemeenschapsrecht en met name de artikelen 5 tot en met 8, 22, 32, 34, 35 en 56 van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 (1) en de artikelen 174, 175 en 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat geen uitzonderingen zijn toegestaan op het beginsel inzake de geografische subsidiabiliteit van uitgaven, dat wil zeggen, in die zin dat uitgaven voor door de structuurfondsen en door het Cohesiefonds medegefinancierde acties in het kader van de operationele programma’s slechts subsidiabel zijn indien zij worden gedaan in de onder de betreffende operationele programma’s vallende NUTS II-regio’s (gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek)?

2)

In het bijzonder, moeten voornoemde bepalingen aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de nationale autoriteiten een regeling vaststellen die het, door uitzonderingen te maken op het voor uitgaven geldende territorialiteitsbeginsel, mogelijk maakt dat investeringen waarvan de plaats van uitvoering of de begunstigde instantie of onderneming zich niet bevindt in de NUTS II-regio’s die vallen onder de specifiek op de convergentiedoelstelling gerichte operationele programma’s, subsidiabel zijn in het kader van deze operationele programma’s?

3)

Of moeten het gemeenschapsrecht en met name de artikelen 5 tot en met 8, 22, 32, 34, 35 en 56 van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 en de artikelen 174, 175 en 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie daarentegen aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen het bestaan van uitzonderingen op het beginsel inzake de geografische subsidiabiliteit van uitgaven, zodat de nationale autoriteiten een regeling kunnen vaststellen die het mogelijk maakt dat uitgaven voor door de structuurfondsen en door het Cohesiefonds medegefinancierde acties in het kader van de operationele programma’s ook subsidiabel zijn indien zij niet worden gedaan in de onder de betreffende operationele programma’s vallende NUTS II-regio’s, met name wanneer sprake is van uitgaven/acties met een relevant uitstralingseffect („spill-over effect”), dat wil zeggen, wanneer zij gerechtvaardigd zijn door de aard van de acties en het multiplicatoreffect ervan in andere regio’s dan die waar de investering wordt gedaan?

4)

Meer in het bijzonder, verzetten die bepalingen zich er niet tegen dat de nationale autoriteiten een regeling vaststellen die het mogelijk maakt dat, in het kader van op de convergentiedoelstelling gerichte operationele programma’s, investeringen subsidiabel zijn waarvan de plaats van uitvoering of de begunstigde instantie of onderneming zich niet bevindt in de onder deze convergentiedoelstelling vallende NUTS II-regio’s, met name wanneer sprake is van uitgaven/acties met een relevant uitstralingseffect („spill-over effect”), dat wil zeggen, wanneer zij gerechtvaardigd zijn door de aard van de acties en het multiplicatoreffect ervan in andere regio’s dan die waar de investering wordt gedaan?


(1)  Verordening houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210, blz. 25).


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Düsseldorf (Duitsland) op 25 november 2011 — Christoph Becker/Société Air France SA

(Zaak C-594/11)

2012/C 32/27

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Düsseldorf

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Christoph Becker

Verwerende partij: Société Air France SA

Prejudiciële vraag

Heeft een luchtreiziger recht op de in artikel 7 van verordening (EG) nr. 261/2004 (1) bedoelde compensatie indien het vertrek van de vlucht een vertraging oploopt die binnen de door artikel 6, lid 1, van de verordening gestelde grenzen valt, maar de vlucht minstens drie uur later dan de geplande aankomsttijd op de eindbestemming aankomt?


(1)  Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46, blz. 1).


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/15


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 12 de Madrid (Spanje) op 28 november 2011 — Genil 48, S.L. en Comercial Hostelera de Grandes Vinos, S.L./Bankinter S.A., en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, S.A.

(Zaak C-604/11)

2012/C 32/28

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado de Primera Instancia no 12 de Madrid

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Genil 48, S.L. en Comercial Hostelera de Grandes Vinos, S.L.

Verwerende partijen: Bankinter S.A., en Banco Bilbao Vizcaya Argentaria, S.A.

Prejudiciële vragen

1)

Moet het aanbieden van een renteswap aan een cliënt ter dekking van het risico van de variabiliteit van de rentevoet van andere financiële producten worden beschouwd als een dienst van beleggingsadvies, als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 4, van de MiFID-richtlijn (1)?

2)

Is de overeenkomst tussen een kleine belegger en een beleggingsonderneming absoluut nietig indien geen toetsing van de geschiktheid voor de belegger is verricht overeenkomstig artikel 19, lid 4, van deze richtlijn?

3)

Indien de op de hierboven beschreven wijze verrichte dienst niet als beleggingsadvies wordt beschouwd, is de overeenkomst dan absoluut nietig door het loutere feit dat een complex financieel instrument, zoals een renteswap, door toedoen van de beleggingsonderneming wordt gekocht zonder de in artikel 19, lid 5, van de MiFID-richtlijn bedoelde passendheidstoets te verrichten?

4)

Vormt de omstandigheid dat een kredietinstelling een complex financieel product aanbiedt dat is gekoppeld aan andere financieringsproducten, een voldoende reden om niet de bij artikel 19 van de MiFID-richtlijn opgelegde geschiktheids- en passendheidstoets te verrichten, waartoe de beleggingsonderneming verplicht is voor een kleine belegger?

5)

Kan de toepassing van de in artikel 19, lid 9, van de MiFID-richtlijn vastgestelde verplichtingen slechts worden uitgesloten indien voor het financiële product waaraan het aangeboden financieel instrument is gekoppeld, soortgelijke normen ter bescherming van de belegger gelden als de bij deze richtlijn vastgestelde normen?


(1)  Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB L 145, blz. 1).


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/16


Beroep ingesteld op 30 november 2011 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek

(Zaak C-613/11)

2012/C 32/29

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Stromsky en D. Grespan, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Italiaanse Repbliek, door niet binnen de gestelde termijn de maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om de bij beschikking 2008/92/EG van de Commissie van 10 juli 2007 betreffende een Italiaanse steunregeling ten gunste van de scheepvaartsector op Sardinië (kennisgeving op 11 juli 2007 en bekend gemaakt in Publicatieblad L 29 van 2 februari 2008, blz. 24) onwettig en onverenigbaar met de interne markt verklaarde staatssteun terug te vorderen, de krachtens de artikelen 2 en 5 van die beschikking alsmede krachtens het VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, en

verweerster verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn waarbinnen beschikking 2008/92 moest worden uitgevoerd is op 11 september 2007 verstreken.

Tot op heden heeft de Italiaanse Republiek de bij de betrokken beschikking onwettig verklaarde steun niet teruggevorderd of de Commissie ervan in kennis gesteld dat de terugvordering heeft plaatsgevonden. De door de Italiaanse Republiek ter rechtvaardiging van de vertraging bij de uitvoering van die beschikking aangevoerde juridische en praktische moeilijkheden kunnen bovendien geen volstrekte onmogelijkheid voor terugvordering van de steun opleveren in de zin van de rechtspraak van het Hof, en Italië heeft zich nooit op een dergelijke volstrekte onmogelijkheid beroepen.

Voorts verwijt de Commissie de Italiaanse Republiek dat zij haar te laat heeft geïnformeerd over de voortgang van de nationale procedure ter uitvoering van de beschikking en daardoor de verplichting tot informatieverschaffing heeft geschonden die krachtens de beschikking en krachtens het beginsel van loyale samenwerking op haar rust.


Gerecht

4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/17


Arrest van het Gerecht van 16 december 2011 — Enviro Tech Europe en Enviro Tech International/Commissie

(Zaak T-291/04) (1)

(Milieu en bescherming van consumenten - Indeling, verpakking en kenmerken van n-propylbromide als gevaarlijke stof - Richtlijn 2004/73/EG - Richtlijn 67/548/EEG - Verordening (EG) nr. 1272/2008 - Beroep tot nietigverklaring - Laattijdig verzoek om aanpassing van conclusies - Procesbelang - Niet individueel geraakt zijn - Niet-ontvankelijkheid - Niet-contractuele aansprakelijkheid - Arrest van Hof inzake geldigheid van richtlijn 2004/73 - Identiteit van voorwerp)

2012/C 32/30

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Enviro Tech Europe Ltd (Kingston upon Thames, Verenigd Koninkrijk) en Enviro Tech International, Inc. (Melrose Park, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: C. Mereu en K. Van Maldegem, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk X. Lewis, vervolgens P. Oliver en G. Wilms, gemachtigden)

Voorwerp

Enerzijds, nietigverklaring van richtlijn 2004/73/EG van de Commissie van 29 april 2004 tot negenentwintigste aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van richtlijn 67/548/EEG van de Raad betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (PB L 152, blz. 1, rectificatie PB L 216, blz. 3), voorzover daarbij n-propylbromide is ingedeeld als stof met bepaalde gevaarlijke eigenschappen, en, anderzijds, verzoek om schadevergoeding.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Enviro Tech Europe en Enviro Tech International, Inc. worden verwezen in de kosten, daaronder begrepen die welke op het kort geding zijn gevallen.


(1)  PB C 273 van 6.11.2004.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/17


Arrest van het Gerecht van 13 december 2011 — Evropaïki Dynamiki/Commissie

(Zaak T-377/07) (1)

(Overheidsopdrachten voor diensten - Aanbestedingsprocedure - Verrichten van IT-diensten betreffende technologieën voor inhoudsinteroperabiliteit voor Europese e-overheidsdiensten - Afwijzing van offerte van inschrijver - Kennelijke beoordelingsfout - Motiveringsplicht - Misbruik van bevoegdheid - Niet-contractuele aansprakelijkheid)

2012/C 32/31

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (Athene, Griekenland) (vertegenwoordiger: N. Korogiannakis, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Manhaeve, gemachtigde, bijgestaan door J. Stuyck, advocaat)

Voorwerp

Enerzijds verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 13 juli 2007 tot afwijzing van de door verzoekster ingediende offerte in het kader van de aanbestedingsprocedure betreffende technologieën voor inhoudsinteroperabiliteit voor Europese e-overheidsdiensten (PB S 128), alsook van het besluit om de opdracht aan een andere inschrijver te gunnen, en, anderzijds, een vordering tot schadevergoeding.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Europese Commissie.


(1)  PB C 297 van 8.12.2007.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/18


Arrest van het Gerecht van 15 december 2011 — Luxemburg/Commissie

(Zaak T-232/08) (1)

(EOGFL - Afdeling „Garantie” - Van communautaire financiering uitgesloten uitgaven - Maatregelen voor plattelandsontwikkeling - „Probleemgebieden” en „milieumaatregelen in de landbouw” - Nationale systemen voor beheer, controle en bestraffing - Forfaitaire financiële correctie)

2012/C 32/32

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Groothertogdom Luxemburg (vertegenwoordigers: F. Probst, gemachtigde, bijgestaan door M. Theisen en K. Spitz, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. van Rijn, vervolgens F. Clotuche-Duvieusart en F. Jimeno Fernández, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2008/321/EG van de Commissie van 8 april 2008 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, of het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) hebben verricht (PB L 109, blz. 35)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Het Groothertogdom Luxemburg wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 209 van 15.8.2008.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/18


Arrest van het Gerecht van 13 december 2011 — Konsum Nord/Commissie

(Zaak T-244/08) (1)

(Staatssteun - Verkoopprijs van grond - Beschikking waarbij steunmaatregel onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard en terugvordering van steun wordt gelast - Criterium van particuliere investeerder - Bepaling van marktprijs)

2012/C 32/33

Procestaal: Zweeds

Partijen

Verzoekende partij: Konsum Nord ekonomisk förening (Umeå, Zweden) (vertegenwoordigers: U. Öberg en I. Otken Eriksson, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Giolito, P. Dejmek en J. Enegren, vervolgens C. Giolito en L. Parpala, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2008/366/EG van de Commissie van 30 januari 2008 met betrekking tot steunmaatregel C 35/06 (ex NN 37/06) die Zweden ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van Konsum Jämtland ekonomisk förening (PB L 126, blz. 3)

Dictum

1)

Beschikking 2008/366/EG van de Commissie van 30 januari 2008 betreffende steunmaatregel C 35/06 (ex NN 37/06) die Zweden ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van Konsum Jämtland ekonomisk förening, wordt nietig verklaard.

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van Konsum Nord ekonomisk förening.


(1)  PB C 223 van 30.8.2008.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/18


Arrest van het Gerecht van 15 december 2011 — CDC Hydrogene Peroxide/Commissie

(Zaak T-437/08) (1)

(Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Inhoudsopgave van administratief dossier van procedure inzake mededingingsregelingen - Weigering van toegang - Uitzondering betreffende bescherming van commerciële belangen van derde - Uitzondering betreffende bescherming van doel van inspecties, onderzoeken en audits)

2012/C 32/34

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: CDC Hydrogene Peroxide Cartel Damage Claims (CDC Hydrogene Peroxide) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Wirtz, vervolgens R. Wirtz en S. Echement en ten slotte T. Funke, A. Kirschstein en D. Stein, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. Costa de Oliveira, A. Antoniadis en O. Weber, vervolgens A. Bouquet, P. Costa de Oliveira en A. Antoniadis, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van verzoekende partij: Koninkrijk Zweden (vertegenwoordigers: A. Falk, K. Petkovska en S. Johannesson, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Evonik Degussa GmbH (Essen, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Steinle, vervolgens en M. Holm-Hadulla, advocaten)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van beschikking SG.E3/MM/psi D(2008) 6658 van de Commissie van 8 augustus 2008 tot weigering van volledige toegang tot de inhoudsopgave van het dossier in zaak COMP/F/38.620 — Waterstofperoxide en perboraat

Dictum

1)

De beschikking SG.E3/MM/psi D(2008) 6658 van de Commissie van 8 augustus 2008 tot weigering van volledige toegang tot de inhoudsopgave van het dossier in zaak COMP/F/38.620 — Waterstofperoxide en perboraat, wordt nietig verklaard.

2)

De Europese Commissie zal haar eigen kosten alsmede die van CDC Hydrogene Peroxide Cartel Damage Claims (CDC Hydrogene Peroxide) dragen.

3)

Het Koninkrijk Zweden en Evonik Degussa GmbH zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 313 van 6.12.2008.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/19


Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Nycomed Danmark/EMEA

(Zaak T-52/09) (1)

(Geneesmiddelen voor menselijk gebruik - Vergunning voor in handel brengen van geneesmiddel - Verordening (EG) nr. 1901/2006 - Verzoek om vrijstelling van verplichting om plan voor pediatrisch onderzoek voor te leggen - Afwijzende beschikking van EMEA - Misbruik van bevoegdheid)

2012/C 32/35

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Nycomed Danmark ApS (Roskilde, Denemarken) (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Schoonderbeek en H. Speyart van Woerden, advocaten, vervolgens C. Schoonderbeek)

Verwerende partij: Europees Geneesmiddelenbureau (EMEA) (vertegenwoordigers: V. Salvatore en N. Rampal Olmedo, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Portugese Republiek (vertegenwoordigers: L. Inez Fernandes en P. Antunes, gemachtigden); Koninkrijk België (vertegenwoordigers: T. Materne en C. Pochet, gemachtigden); Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: S. Ossowski en H. Walker, gemachtigden, bijgestaan door J. Stratford, barrister); Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues, A. Adam, R. Loosli Surrans en J.-S. Pilczer, gemachtigden); en Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Oliver en M. Šimerdová, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van de beschikking van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMEA) van 28 november 2008 houdende afwijzing van verzoeksters verzoek om een specifieke vrijstelling inzake perflubutaan overeenkomstig verordening (EG) nr. 1901/2006 van het Europees Parlement en de Raad, zoals gewijzigd

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Nycomed Danmark ApS wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in die van het Europees Geneesmiddelenbureau (EMEA), met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding.

3)

De Portugese Republiek, het Koninkrijk België, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Franse Republiek en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten, met inbegrip van de kosten van de procedure in kort geding.


(1)  PB C 82 van 4.4.2009.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/19


Arrest van het Gerecht van 13 december 2011 — Meica/BHIM — Bösinger Fleischwaren (Schinken King)

(Zaak T-61/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Schinken King - Ouder nationaal woordmerk King - Oudere nationale en communautaire woordmerken Curry King - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009) - Motiveringsplicht - Artikel 73 van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 75 van verordening (EG) nr. 207/2009))

2012/C 32/36

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Meica Ammerländische Fleischwarenfabrik Fritz Meinen GmbH & Co. KG (Edewecht, Duitsland) (vertegenwoordiger: S. Russlies, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: A. Führer en G. Schneider, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Bösinger Fleischwaren GmbH (Bösingen, Duitsland)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 11 december 2008 (zaak R 1049/2007-1) inzake een oppositieprocedure tussen Meica Ammerländische Fleischwarenfabrik Fritz Meinen GmbH & Co. KG en Bösinger Fleischwaren GmbH

Dictum

1)

De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 11 december 2008 (zaak R 1049/2007-1) wordt vernietigd.

2)

Het BHIM wordt verwezen in zijn eigen kosten alsook in die van Meica Ammerländische Fleischwarenfabrik Fritz Meinen GmbH & Co. KG.


(1)  PB C 102 van 1.5.2009.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/20


Arrest van het Gerecht van 16 december 2011 — Rintisch/BHIM — Bariatrix Europe (PROTI SNACK)

(Zaak T-62/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PROTI SNACK - Oudere nationale woord- en beeldmerken PROTIPLUS, PROTI en PROTIPOWER - Niet-tijdige overlegging van documenten - Beoordelingsvrijheid verleend bij artikel 74, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 76, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009) - Begrip „andersluidende bepaling” - Regel 20, lid 1, van verordening (EG) nr. 2868/95 - Regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95)

2012/C 32/37

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Bernhard Rintisch (Bottrop, Duitsland) (vertegenwoordiger: A. Dreyer, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Bariatrix Europe Inc. SAS (Guilherand-Granges, Frankrijk)

Voorwerp

Beroep strekkende tot vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 15 december 2008 (zaak R 740/2008-4) inzake een oppositieprocedure tussen Bernhard Rintisch en Bariatrix Europe Inc. SAS

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Bernhard Rintisch wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 102 van 1.5.2009.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/20


Arrest van het Gerecht van 16 december 2011 — Rintisch/BHIM — Valfleuri Pâtes alimentaires (PROTIVITAL)

(Zaak T-109/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PROTIVITAL - Oudere nationale woord- en beeldmerken PROTIPLUS, PROTI en PROTIPOWER - Niet-tijdige overlegging van documenten - Beoordelingsvrijheid verleend bij artikel 74, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 76, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009) - Begrip „andersluidende bepaling” - Regel 20, lid 1, van verordening (EG) nr. 2868/95 - Regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95)

2012/C 32/38

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Bernhard Rintisch (Bottrop, Duitsland) (vertegenwoordiger: A. Dreyer, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Valfleuri Pâtes alimentaires SA (Wittenheim, Frankrijk) (vertegenwoordiger: F. Baujoin, advocaat)

Voorwerp

Beroep strekkende tot vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 21 januari 2009 (zaak R 1660/2007-4) inzake een oppositieprocedure tussen Bernhard Rintisch en Valfleuri Pâtes alimentaires SA

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Bernhard Rintisch wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 113 van 16.5.2009.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/21


Arrest van het Gerecht van 16 december 2011 — Rintisch/BHIM — Valfleuri Pâtes alimentaires (PROTIACTIVE)

(Zaak T-152/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PROTIACTIVE - Oudere nationale woord- en beeldmerken PROTIPLUS, PROTI en PROTIPOWER - Niet-tijdige overlegging van documenten - Beoordelingsvrijheid verleend bij artikel 74, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 76, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009) - Begrip „andersluidende bepaling” - Regel 20, lid 1, van verordening (EG) nr. 2868/95 - Regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95)

2012/C 32/39

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Bernhard Rintisch (Bottrop, Duitsland) (vertegenwoordiger: A. Dreyer, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde)

Andere partij(en) in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Valfleuri Pâtes alimentaires SA (Wittenheim, Frankrijk) (vertegenwoordiger: F. Baujoin, advocaat)

Voorwerp

Beroep strekkende tot vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 3 februari 2009 (zaak R 1661/2007-4) inzake een oppositieprocedure tussen Bernhard Rintisch en Valfleuri Pâtes alimentaires SA

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Bernhard Rintisch wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 153 van 4.7.2009.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/21


Arrest van het Gerecht van 15 december 2011 — Mövenpick/BHIM (PASSIONATELY SWISS)

(Zaak T-377/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PASSIONATELY SWISS - Absolute weigeringsgrond - Aanduiding van geografische herkomst - Geen onderscheidend vermogen)

2012/C 32/40

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Mövenpick-Holding (Cham, Zwitserland) (vertegenwoordiger: M. Taxhet, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tot vernietiging van beslissing R 1457/2008-1 van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 23 juli 2009 betreffende een aanvraag tot inschrijving van het woordteken „PASSIONATELY SWISS” als gemeenschapsmerk.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Mövenpick Holding wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 282 van 21.11.2009.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/21


Arrest van het Gerecht van 16 december 2011 — Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials/Raad

(Zaak T-423/09) (1)

(Dumping - Invoer van bepaalde magnesiabriketten uit China - Verordening tot beëindiging van tussentijds nieuw onderzoek - Vergelijking van normale waarde met uitvoerprijs - Inachtneming van belasting over toegevoegde waarde van land van oorsprong - Toepassing van andere werkwijze dan in oorspronkelijk onderzoek - Gewijzigde omstandigheden - Artikel 2, lid 10, sub b, en artikel 11, lid 9, van verordening (EG) nr. 384/96 9 (thans artikel 2, lid 10, sub b, en artikel 11, lid 9, van verordening (EG) nr. 1225/2009))

2012/C 32/41

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials Co. Ltd (Dashiqiao, China) (vertegenwoordigers: J.-F. Bellis en R. Luff, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix, vervolgens door J.-P. Hix en B. Driessen, gemachtigden, aanvankelijk bijgestaan door G. Berrisch en G. Wolf, vervolgens door G. Berrisch, advocaten)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: É. Gippini Fournier en H. van Vliet, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 826/2009 van de Raad van 7 september 2009 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1659/2005 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van magnesiabriketten uit de Volksrepubliek China (PB L 240, blz. 7), voor zover het daarbij aan verzoekster opgelegde antidumpingrecht hoger is dan het recht dat van toepassing zou zijn indien voor de berekening ervan te werk was gegaan als in het oorspronkelijke onderzoek om rekening te houden met de niet-teruggaaf van Chinese btw bij export.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Dashiqiao Sanqiang Refractory Materials Co. Ltd zal haar eigen kosten en die van de Raad van de Europese Unie dragen.

3)

De Europese Commissie zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 312 van 19.12.2009.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/22


Arrest van het Gerecht van 13 december 2011 — Goodyear Dunlop Tyres UK/BHIM — Sportfive (QUALIFIER)

(Zaak T-424/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk QUALIFIER - Ouder gemeenschapswoordmerk Qualifiers 2006 - Weigering van inschrijving - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2012/C 32/42

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Goodyear Dunlop Tyres UK Ltd (Birmingham, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: M. Graf, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: R. Manea, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Sportfive GmbH & Co. KG (Keulen, Duitsland)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 11 augustus 2009 (zaak R 1291/2008-4) inzake een oppositieprocedure tussen Sportfive GMBH & Co. KG en Goodyear Dunlop Tyres UK Ltd.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Goodyear Dunlop Tyres UK Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 312 van 19.12.2009.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/22


Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Völkl/BHIM — Marker Völkl (VÖLKL)

(Zaak T-504/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk VÖLKL - Ouder internationaal woordmerk VÖLKL - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Gedeeltelijke weigering van inschrijving - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Normaal gebruik van ouder merk - Artikel 42, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009 en regel 22, lid 3, van verordening (EG) nr. 2868/95 - Bevoegdheid van de kamer van beroep bij beroep dat beperkt is tot gedeelte van waren of diensten waarop inschrijvingsaanvraag betrekking heeft - Artikel 64, lid 1, van verordening nr. 207/2009 - Aanvraag tot herziening van beslissing van kamer van beroep - Artikel 65, lid 3, van verordening nr. 207/2009)

2012/C 32/43

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Völkl GmbH & Co. KG (Erding, Duitsland) (vertegenwoordiger: C. Raßmann, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: S. Hanne, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Marker Völkl International GmbH (Baar, Zwitserland) (vertegenwoordiger: J. Bauer, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 30 september 2009 (zaak R 1387/2008-1) inzake een oppositieprocedure tussen Marker Völkl International GmbH en Völkl GmbH & Co. KG

Dictum

1)

De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 30 september 2009 (zaak R 1387/2008-1) wordt vernietigd.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Het BHIM draagt zijn eigen kosten alsook die van Völkl GmbH & Co. KG.

4)

Marker Völkl International GmbH draagt zijn eigen kosten.


(1)  PB C 37 van 13.2.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/23


Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Spanje/Commissie

(Zaak T-106/10) (1)

(EOGFL - Afdeling „Oriëntatie” - Vermindering van financiële bijstand - Communautair initiatief Leader+ - Artikel 4 van verordening (EG) nr. 438/2001 - Evenredigheid)

2012/C 32/44

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: M. Muñoz Pérez, abogado del Estado)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. von Rintelen en F. Jimeno Fernández, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van beschikking C(2009) 10136 def. van de Commissie van 18 december 2009 betreffende de toepassing van financiële correcties op het deel van het EOGFL, afdeling „Oriëntatie”, dat betrekking heeft op het communautaire initiatief CCI 2000.ES.06.0.PC.003 (Spanje — Leader+ regio Aragon)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 113 van 1.5.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/23


Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Vuitton Malletier/BHIM — Friis Group International (Weergave van sluitmechanisme)

(Zaak T-237/10) (1)

(Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Geen door gebruik verkregen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2012/C 32/45

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Louis Vuitton Malletier SA (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: P. Roncaglia, G. Lazzeretti, M. Boletto en E. Gavuzzi, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Botis, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Friis Group International ApS (Kopenhagen, Denemarken) (vertegenwoordiger: C. Type Jardorf, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 24 februari 2010 (zaak R 1590/2008-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen Friis Group International Aps en Louis Vuitton Malletier

Dictum

1)

De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 24 februari 2010 (zaak R 1590/2008-1) wordt vernietigd voor zover daarbij het gemeenschapsmerk nr. 3 693 116 werd nietig verklaard voor „juwelen, waaronder ringen, sleutelhangers, gespen en oorbellen, manchetknopen, armbanden, snuisterijen, broches, halskettingen, dasspelden, sieraden, medaillons; uurwerken en tijdmeetinstrumenten en -apparaten, waaronder horloges, horlogedoosjes, wekkers; notenkrakers van edele metalen, hun legeringen of hiermee bedekt, kandelaars van edele metalen, hun legeringen of hiermee bedekt” van klasse 14 en waren van „leder en kunstleder” en „paraplu’s” van klasse 18.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Louis Vuitton Malletier, Friis Group International ApS en het BHIM zullen elk hun eigen kosten van de procedure voor het Gerecht dragen.


(1)  PB C 209 van 31.7.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/23


Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Commissie/Pachtitis

(Zaak T-361/10 P) (1)

(Hogere voorziening - Ambtenarenrecht - Ambtenaren - Aanwerving - Aankondiging van vergelijkend onderzoek - Algemeen vergelijkend onderzoek - Niet-toelating tot schriftelijk examen na uitslag van toelatingstoetsen - Verdeling van bevoegdheden tussen EPSO en jury van vergelijkend onderzoek)

2012/C 32/46

Procestaal: Grieks

Partijen

Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Currall en I. Chatzigiannis, gemachtigden, vervolgens J. Currall, bijgestaan door E. Antypas en E. Bourtzalas, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Dimitrios Pachtitis (Athene, Griekenland) (vertegenwoordigers: P. Giatagantzidis en K. Kyriazi, advocaten); en Europees toezichthouder voor gegevensbescherming (ETGB)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 15 juni 2010, Pachtitis/Commissie (F-35/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van dat arrest

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten alsook in de kosten die Dimitrios Pachtitis in het kader van de onderhavige hogere voorziening heeft gedragen.


(1)  PB C 301 van 6.11.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/24


Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Häfele/BHIM (Mixfront)

(Zaak T-425/10) (1)

(Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Mixfront - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2012/C 32/47

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Häfele GmbH & Co KG (Nagold, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Eck en J. Dönch, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Schäffner, vervolgens R. Manea, en ten slotte A. Pohlmann, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tot vernietiging van beslissing R 338/2010-1 van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 30 juni 2010 inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken Mixfront als gemeenschapsmerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Häfele GmbH & Co. KG wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 317 van 20.11.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/24


Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Allen e.a./Commissie

(Zaak T-433/10 P) (1)

(Hogere voorziening - In gemeenschappelijke onderneming JET tewerkgesteld personeel - Toepassing van andere rechtsstatuut dan dat van tijdelijk functionaris - Vergoeding van materiële schade - Beroepstermijnen - Tardiviteit - Redelijke termijn)

2012/C 32/48

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirerende partijen: John Allen (Horspath, Verenigd Koninkrijk) en de 109 andere rekwiranten wier namen zijn opgenomen in de bijlage bij het arrest (vertegenwoordigers: K. Lasok, QC, en B. Lask, barrister)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en D. Martin, gemachtigden)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 13 juli 2010, Allen e.a./Commissie (F-103/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van die beschikking

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Allen en de 109 andere rekwiranten wier namen zijn opgenomen in de bijlage zullen hun eigen kosten dragen en de kosten die de Europese Commissie in het kader van deze procedure heeft gemaakt.


(1)  PB C 137 van 20.11.2010.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/24


Arrest van het Gerecht van 16 december 2011 — Frankrijk/Commissie

(Zaak T-488/10) (1)

(EFRO - Vermindering van financiële steun - Structurele bijstandsverlening van Gemeenschap in regio Martinique - Beroep tot nietigverklaring - Overheidsopdrachten - Richtlijn 93/37/EEG - Begrip „rechtstreekse subsidie” - Begrip „sport-, recreatie- en vrijetijdsuitrusting” - Motiveringsplicht - Evenredigheidsbeginsel)

2012/C 32/49

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: E. Belliard, G. de Bergues en N. Rouam, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. Dintilhac en A. Steiblytė, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van beschikking C(2010) 5229 van de Commissie van 28 juli 2010 houdende intrekking van een deel van de deelneming van het Europees fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) uit hoofde van het enkelvoudig programmeringsdocument van doelstelling 1 voor de structurele bijstandsverlening van de Gemeenschap in de regio Martinique (Frankrijk)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 13 van 15.1.2011.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/25


Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Häfele/BHIM (Vorfront)

(Zaak T-531/10) (1)

(Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Vorfront - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2012/C 32/50

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Häfele GmbH & Co KG (Nagold, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Eck en J. Dönch, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Schäffner, daarna R. Manea, en tenslotte A. Pohlmann, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 14 september 2010 (zaak R 570/2010-1) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken Vorfront als gemeenschapsmerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Häfele GmbH & Co. KG wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 30 van 29.1.2011.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/25


Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — De Luca/Commissie

(Zaak T-563/10 P) (1)

(Hogere voorziening - Incidentele hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Aanstelling in ambt van hogere functiegroep na algemeen vergelijkend onderzoek - Inwerkingtreding van nieuw Statuut - Overgangsbepalingen - Artikel 12, lid 3, van bijlage XIII bij Statuut)

2012/C 32/51

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Patrizia De Luca (Brussel, België) (vertegenwoordigers: J. N. Louis en S. Orlandi, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordiger: J. Currall, gemachtigde) en Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer en K. Zieleśkiewicz, gemachtigden)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 30 september 2010, De Luca/Commissie (F-20/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van dat arrest

Dictum

1)

De incidentele hogere voorzieningen worden afgewezen.

2)

Het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 30 september 2010, De Luca/Commissie (F-20/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), wordt vernietigd.

3)

De zaak wordt terugverwezen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken.

4)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


(1)  PB C 63 van 26.2.2011.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/25


Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Commissie/Vicente Carbajosa e.a.

(Zaak T-6/11 P) (1)

(Hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Aanwerving - Aankondiging van vergelijkend onderzoek - Algemeen vergelijkend onderzoek - Niet-toelating tot schriftelijk examen na uitslag van toelatingstoetsen - Verdeling van bevoegdheden tussen EPSO en jury van vergelijkend onderzoek - Beginsel van hoor en wederhoor)

2012/C 32/52

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en B. Eggers, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Isabel Vicente Carbajosa (Brussel, België); Niina Lehtinen (Brussel) en Myriam Menchén (Brussel) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J. N. Louis, E. Marchal en D. Abreu Caldas, advocaten)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 28 oktober 2010, Vicente Carbajosa e.a./Commissie (F-9/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot gedeeltelijke vernietiging van dat arrest

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie van 28 oktober 2010, Vicente Carbajosa e.a./Commissie (F-9/09), wordt vernietigd, voor zover daarbij nietig zijn verklaard de besluiten van het Europees Bureau voor de personeelsselectie (EPSO) om Isabel Vicente Carbajosa voor vergelijkend onderzoek EPSO/AD/117/08 en Niina Lehtinen en Myriam Menchén voor vergelijkend onderzoek EPSO/AD/116/08 niet te plaatsen op de lijst van kandidaten die worden verzocht om een volledig sollicitatieformulier in te vullen.

2)

De besluiten van EPSO om Vicente Carbajosa voor vergelijkend onderzoek EPSO/AD/117/08 en Lehtinen en Menchén voor vergelijkend onderzoek EPSO/AD/116/08 niet te plaatsen op de lijst van kandidaten die worden verzocht om een volledig sollicitatieformulier in te vullen, worden nietig verklaard.

3)

Vicente Carbajosa, Lehtinen, Menchén en de Europese Commissie dragen elk hun eigen kosten van deze procedure.


(1)  PB C 72 van 5.3.2011.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/26


Arrest van het Gerecht van 14 december 2011 — Häfele/BHIM (Infront)

(Zaak T-166/11) (1)

(Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Infront - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2012/C 32/53

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Häfele GmbH & Co KG (Nagold, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Eck en J. Dönch, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Manea, vervolgens A. Pohlmann, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tot vernietiging van beslissing R 1711/2010-1 van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 17 januari 2011 betreffende een aanvraag tot inschrijving van het woordteken „Infront” als gemeenschapsmerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Häfele GmbH & Co. KG wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 145 van 14.5.2011.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/26


Beroep ingesteld op 23 mei 2011 — Fon Wireless/BHIM — nfon (nfon)

(Zaak T-283/11)

2012/C 32/54

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Fon Wireless Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: F. Brandolini Kujman, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: nfon AG (München, Duitsland)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het verzoekschrift met al zijn documenten en de bijbehorende kopieën ontvankelijk te verklaren;

de voorgelegde bewijzen toe te laten;

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 18 maart 2011 in zaak R 1017/2009-4 te vernietigen en de inschrijving van gemeenschapsmerk nr. 6 206 321„nfon” zodoende te weigeren;

de verwerende partij in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: nfon AG

Aangevraagd gemeenschapsmerk: woordmerk „nfon” voor waren en diensten van de klassen 9, 35 en 38

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: communautair en nationaal beeld- en woordmerk „fon” voor waren en diensten van de klassen 9, 38 en 42

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: toewijzing van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009, aangezien de betrokken merken overeenstemmen, en schending van artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009, aangezien nfon AG tracht aan te haken bij de reputatie van oudere merken


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/26


Beroep ingesteld op 31 oktober 2011 — Viejo Valle/BHIM — Etablissements Coquet (Geribbeld koffieservies)

(Zaak T-566/11)

2012/C 32/55

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Viejo Valle, SA (L'Olleria, Spanje) (vertegenwoordiger: I. Temiño Ceniceros, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Etablissements Coquet SA (Saint Léonard de Noblat, Frankrijk)

Conclusies

Verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het onderhavige beroep en de bijlagen daarbij ontvankelijk te verklaren;

de beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 29 juli 2011 in zaak R 1054/2010-3 te vernietigen;

de verwerende partij in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven model waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: tekening nr. 384.912-0001, die versierd serviesgoed voorstelt; een koffiekopje met bordje.

Houder van het gemeenschapsmodel: verzoekster.

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmodel vordert: Etablissements Coquet SA

Motivering van de vordering tot nietigverklaring: schending van artikel 25, lid 1, sub f, van verordening (EG) nr. 6/2002, aangezien in het gemeenschapsmodel zonder toestemming gebruik wordt gemaakt van een werk dat in een lidstaat auteursrechtelijk is beschermd.

Beslissing van de nietigheidsafdeling: toewijzing van de vordering tot nietigverklaring.

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep.

Aangevoerde middelen: schending van artikel 25, lid 1, sub f, van verordening (EG) nr. 6/2002 en van artikel 28, lid 1, sub b-iii, van verordening (EG) nr. 2245/2002, aangezien de verwerende partij onvoldoende bewijs heeft geleverd van het beschermde werk waarop het verzoek tot nietigverklaring is gebaseerd, van haar houderschap en van het voorwerp ervan.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/27


Beroep ingesteld op 31 oktober 2011 — Viejo Valle/BHIM — Etablissements Coquet (Diep bord met ribbels)

(Zaak T-567/11)

2012/C 32/56

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Viejo Valle, SA (L’Olleria, Spanje) (vertegenwoordiger: I. Temiño Ceniceros, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Etablissements Coquet SA (Saint Léonard de Noblat, Frankrijk)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

het onderhavige beroep en de bijlagen daarbij ontvankelijk te verklaren;

de beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 29 juli 2011 in zaak R 1055/2010-3 te vernietigen;

verwerende partij in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven model waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: tekening nr. 384.912-0009, die versierd serviesgoed voorstelt; een diep bord.

Houder van het gemeenschapsmodel: verzoekende partij.

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmodel vordert: Etablissements Coquet SA.

Motivering van de vordering tot nietigverklaring: Schending van artikel 25, lid 1, sub f, van verordening (EG) nr. 6/2002, aangezien in het gemeenschapsmodel zonder toestemming gebruik wordt gemaakt van een werk dat in een lidstaat auteursrechtelijk is beschermd.

Beslissing van de nietigheidsafdeling: toewijzing van de vordering tot nietigverklaring.

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep.

Aangevoerde middelen: schending van artikel 25, lid 1, sub f, van verordening (EG) nr. 6/2002 en van artikel 28, lid 1, sub b-iii, van verordening (EG) nr. 2245/2002 aangezien de verwerende partij onvoldoende bewijs heeft geleverd van het beschermde werk waarop het verzoek tot nietigverklaring is gebaseerd, van haar houderschap en van het voorwerp ervan.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/27


Beroep ingesteld op 15 november 2011 — Atlas Transport/BHIM — Hartmann (ATLAS TRANSPORT)

(Zaak T-584/11)

2012/C 32/57

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Atlas Transport GmbH (Düsseldorf, Duitsland) (vertegenwoordigers: U. Hildebrandt, K. Schmidt-Hern en B. Weichhaus, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Alfred Hartmann (Leer, Duitsland)

Conclusies

vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 1 september 2011 in zaak R 2262/2010-1;

verwijzing van verweerder in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan vervallenverklaring is gevorderd: woordmerk „ATLAS TRANSPORT” voor diensten van klasse 39

Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Partij die vervallenverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: Alfred Hartmann

Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering tot vervallenverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: toewijzing van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van regel 40, lid 5, juncto regel 22 van verordening nr. 2868/95 doordat de bewijsstukken onjuist zijn beoordeeld; schending van artikel 15 van verordening nr. 207/2009 doordat verweerder bij de vraag of er sprake is van een voor het behoud van het recht voldoende gebruik van het merk voor de betrokken diensten, zich uitsluitend op een woordelijke interpretatie heeft gebaseerd; schending van artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009 doordat verweerder bij de verduidelijking van de betekenis van het begrip „transportwezen” slechts één vindplaats heeft geconsulteerd en deze betekenis ontoereikend en dus onzorgvuldig heeft onderzocht; schending van artikel 75, eerste volzin, van verordening nr. 207/2009 doordat verweerder zijn rechtsopvatting niet duidelijk heeft onderbouwd; schending van artikel 75, lid 2, en artikel 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009 doordat het recht op te worden gehoord is geschonden.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/28


Beroep ingesteld op 17 november 2011 — Phonebook of the World/BHIM — Seat Pagine Gialle (PAGINE GIALLE)

(Zaak T-589/11)

2012/C 32/58

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Phonebook of the World (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: A. Bertrand, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: Seat Pagine Gialle SpA (Milaan, Italië)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 4 augustus 2011 in zaak R 1541/2010-2 te vernietigen;

gemeenschapsmerkinschrijving nr. 161380, voor waren en diensten van de klassen 16 en 35, van het woordmerk „PAGINE GIALLE” van de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep nietig te verklaren;

verweerder te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: het woordmerk „PAGINE GIALLE” voor waren en diensten van de klassen 16 en 35 — gemeenschapsmerkinschrijving nr. 161380

Houder van het gemeenschapsmerk: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: verzoekster

Motvering van de vordering tot nietigverklaring: toepassing van artikel 52, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 207/2009, aangezien het betrokken gemeenschapsmerk in strijd met artikel 7, lid 1, sub c en d, van deze verordening is ingeschreven.

Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering tot nietigverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 52, lid 1, sub a, juncto artikel 7, lid 1, sub b, c en d, van verordening nr. 207/2009, op grond dat de kamer van beroep de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht niet heeft toegepast, inzonderheid de beginselen die door het Gerecht van eerste aanleg zijn ontwikkeld in het arrest van 16 maart 2006, T-322/03, Telefon & Buch/BHIM — Herold Business Data (WEISSE SEITEN), en bedoelde kamer evenmin conclusies heeft getrokken uit haar eigen vaststelling dat de bewoordingen „PAGINE GIALLE” elk onderscheidend vermogen missen voor het Italiaanse publiek.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/29


Beroep ingesteld op 15 november 2011 — Przedsiębiorstwo Handlowe Medox Lepiarz Lepiarz/BHIM — Henkel (SUPER GLUE)

(Zaak T-591/11)

2012/C 32/59

Taal van het verzoekschrift: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Przedsiębiorstwo Handlowe Medox Lepiarz Jarosław Lepiarz Alicja sp. j. (Jaworzno, Republiek Polen) (vertegenwoordiger: M. Konieczyński, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Henkel Corp. (Gulph Mills, Verenigde Staten)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 12 september 2011 in zaak R 1147/2010-4 vernietigen;

verweerder verwijzen in de kosten van de procedure, de advocatenkosten daaronder begrepen.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat een tube in de kleuren wit, zwart, grijs en geel met het woordbestanddeel „SUPER GLUE” weergeeft voor waren van de klassen 1 en 16 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 7 262 405

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: in de Benelux ingeschreven woordmerk „SUPERGLUE” (nr. 377 517) voor waren van de klassen 1 en 16

Beslissing van de oppositieafdeling: gedeeltelijke toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 (1) door de vaststelling dat de merken overeenstemmen en dat er verwarringsgevaar bij het publiek bestaat.


(1)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/29


Beroep ingesteld op 28 november 2011 — MPDV Mikrolab/BHIM (Lean Performance Index)

(Zaak T-598/11)

2012/C 32/60

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: MPDV Mikrolab GmbH, Mikroprozessordatenverarbeitung und Mikroprozessorlabor (Mosbach, Duitsland) (vertegenwoordiger: W. Göpfert, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 15 september 2011 in zaak R 131/2011-1 vernietigen;

het Bureau verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „Lean Performance Index” voor waren en diensten van de klassen 9, 16, 35 en 42

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening (EG) nr. 207/2009, aangezien het betrokken gemeenschapsmerk onderscheidend vermogen bezit en niet beschrijvend is.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/29


Beroep ingesteld op 25 november 2011 — Eni/BHIM — EMI (IP) (ENI)

(Zaak T-599/11)

2012/C 32/61

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Eni (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: D. De Simone en G. Orsoni, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: EMI (IP) Ltd (Londen, Engeland)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 8 september 2011 in zaak R 2439/2010-1 vernietigen, en

het Bureau verwijzen in de kosten van alle stadia van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „ENI” voor waren en diensten van de klassen 1-4, 6-7, 9, 11, 14, 16-19, 22, 25 en 35 tot 45 — gemeenschapsmerkinschrijving nr. 6488076

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsmerkinschrijving nr. 4197315 van het woordmerk „EMI” voor waren en diensten van de klassen 9, 16, 35, 38, 41 en 42; gemeenschapsmerkinschrijving nr. 6167357 van het beeldmerk „EMI”, voor waren en diensten van de klassen 9, 16, 28, 35, 38, 41 en 42

Beslissing van de oppositieafdeling: gedeeltelijke toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: Verzoekster voert drie middelen aan: (i) onjuiste en ongemotiveerde vaststelling dat de waren en diensten soortgelijk zijn, gebaseerd op een onjuiste opvatting en toepassing van de vorige rechtspraak daarover; (ii) onjuiste uitlegging en toepassing van het Praktiker-arrest, waarbij de anti-monopolistische beginselen ervan, in het bijzonder de reden waarom is beslist dat detailhandeldiensten kunnen worden ingeschreven, onjuist zijn opgevat, en (iii) onjuiste vaststelling dat de tekens overeenstemmen en onjuiste vaststelling dat er verwarringsgevaar bestaat.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/30


Beroep ingesteld op 25 november 2011 — Schuhhaus Dielmann/BHIM — Carrera (Carrera panamericana)

(Zaak T-600/11)

2012/C 32/62

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Schuhhaus Dielmann GmbH & Co. KG (Darmstadt, Duitsland) (vertegenwoordiger: W. Göpfert, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Carrera SpA (Caldiero, Italië)

Conclusies

vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 15 september 2011 in zaak R 1989/2010-1;

verwijzing van verweerder in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „Carrera panamericana” voor waren van de klassen 18 en 25

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Carrera SpA

Oppositiemerk of -teken: beeldmerk dat het woordelement „CARRERA” bevat voor waren van klasse 25

Beslissing van de oppositieafdeling: gedeeltelijke toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 doordat geen gevaar voor verwarring van de conflicterende merken bestaat


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/30


Beroep ingesteld op 22 november 2011 — Pêra-Grave/BHIM — Fundação De Almeida (QTA S. JOSÉ DE PERAMANCA)

(Zaak T-602/11)

2012/C 32/63

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Pêra-Grave Sociedade Agrícola, Unipessoal, Lda (Évora, Portugal) (vertegenwoordiger: J. de Oliveira Vaz Miranda Sousa, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: Fundação Eugénio De Almeida (Évora, Portugal)

Conclusies

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 19 september 2011 in zaak R 1797/2010-2 vernietigen, zodat de oppositie tegen het aangevraagde merk in haar geheel wordt afgewezen en de inschrijving van het aangevraagde merk dus volledig wordt toegestaan, en

het Bureau verwijzen in zijn eigen kosten en in de door verzoekster in de onderhavige procedure gemaakte kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk „QTA S. JOSÉ DE PERAMANCA” voor waren van klasse 33 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 7291669

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: Portugese merkinschrijving nr. 283684 van het beeldmerk „VINHO PÊRAMANCA TINTO” voor waren van klasse 33; Portugese merkinschrijving nr. 308864 van het beeldmerk „VINHO PÊRAMANCA BRANCO” voor waren van klasse 33; Portugese merkinschrijving nr. 405797 van het beeldmerk „PÊRAMANCA” voor waren van klasse 33

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: toewijzing van de oppositie en van het beroep, vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van de gemeenschapsmerkaanvraag voor alle bestreden waren

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009, aangezien de kamer van beroep (i) blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de talrijke visuele, auditieve en begripsmatige verschillen tussen de tekens samen minder gewicht toe te kennen en door het enige gemeenschappelijke element ervan, namelijk de woordelementen „PERA” en „MANCA”, meer gewicht toe te kennen en dus de invloed ervan te overschatten, en (ii) de beginselen en de benadering die het Gerecht heeft vastgesteld in arrest T-332/05, TERRANUS/TERRA, onjuist heeft toegepast op de onderhavige zaak en ten onrechte heeft geoordeeld dat de totale overeenstemming tussen de conflicterende tekens voldoende was om tot verwarringsgevaar te leiden


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/31


Beroep ingesteld op 28 november 2011 — Mega Brands/BHIM — Diset (MAGNEXT)

(Zaak T-604/11)

2012/C 32/64

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Mega Brands International, Luxemburg, Zweigniederlassung Zug (Zug, Zwitserland) (vertegenwoordiger: A. Nordemann, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Diset, SA (Barcelona, Spanje)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 27 september 2011 in zaak R 1695/2010-4 vernietigen en oppositie nr. B 138369 afwijzen; en

de verwerende partij verwijzen in de kosten van het geding.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekende partij

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk in zwart en wit „MAGNEXT” voor waren van klasse 28 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 6588991

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: Spaans woordmerk nr. 2550099 „MAGNET 4” voor waren van klasse 28; gemeenschapsbeeldmerk in blauw en wit „Diset Magnetics”, nr. 3840121, voor waren en diensten van de klassen 16, 28 en 41

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie en afwijzing van de gemeenschapsmerkaanvraag in haar geheel

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 van de Raad doordat de kamer van beroep het gevaar voor verwarring van het oppositiemerk met het aangevraagde merk onjuist heeft beoordeeld.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/31


Beroep ingesteld op 29 november 2011 — Novartis/BHIM — Organic (BIOCERT)

(Zaak T-605/11)

2012/C 32/65

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Novartis AG (Basel, Zwitserland) (vertegenwoordiger: M. Douglas, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: Dr. Organic Ltd (Swansea, Verenigd Koninkrijk)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 28 september 2011 in zaak R 1030/2010-4 vernietigen;

verweerder verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken gemeenschapsmerk: het woordmerk „BIOCERT” voor waren en diensten van de klassen 3, 4, 5, 29, 30, 31, 32, 35 en 44 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 7134984

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: Oostenrijkse merkinschrijving nr. 136273 van het woordmerk „BIOCEF” voor waren van klasse 5

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie in haar geheel

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van de artikelen 8, lid 1, sub b, en 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009, aangezien de kamer van beroep: (i) door de rechter van de Unie ontwikkelde algemene rechtsbeginselen onjuist heeft uitgelegd en ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake was van gevaar voor verwarring tussen de merken „BIOCEF” en „BIOCERT”; (ii) haar beslissing ten onrechte heeft gebaseerd op feiten die niet door partijen in de procedure zijn aangevoerd.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/32


Beroep ingesteld op 30 november 2011 — Woodman Labs/BHIM — 2 Mas 2 Publicidad Integral (HERO)

(Zaak T-606/11)

2012/C 32/66

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Woodman Labs, Inc. (Sausalito, Verenigde Staten van Amerika) (vertegenwoordiger: M. Graf, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: 2 Mas 2 Publicidad Integral, SL (Vitoria-Gasteiz, Spanje)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 29 september 2011 in zaak R 876/2010-4 te vernietigen; en

verwerende partij in de kosten van de procedure te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekende partij

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „HERO” voor waren van klasse 9 –gemeenschapsmerkaanvraag nr. 6750376

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsmerkinschrijving nr. 5883533 van het voor waren en diensten van klassen 9 en 41 ingeschreven goud- en zwartkleurige beeldmerk „hero PICTURES”

Beslissing van de oppositieafdeling: aanvaarding van de gemeenschapsmerkaanvraag voor bepaalde waren van klasse 9

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, verordening nr. 207/2009 van de Raad, aangezien de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat er verwarringsgevaar bestaat tussen het oudere merk en het aangevraagde gemeenschapsmerk.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/32


Beroep ingesteld op 30 november 2011 — Beifa Group/BHIM — Schwan-Stabilo Schwanhäußer (Schrijfinstrumenten)

(Zaak T-608/11)

2012/C 32/67

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Beifa Group Co. Ltd (voorheen Ningbo Beifa Group Co. Ltd) (Zhejiang, China) (vertegenwoordigers: R. Davis, Barrister, en N. Cordell, Solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: Schwan-Stabilo Schwanhäußer GmbH & Co. KG (Heroldsberg, Duitsland)

Conclusies

de beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 9 augustus 2011 in zaak R 1838/2010-3 vernietigen, en

het Bureau verwijzen in zijn eigen kosten en in die van verzoekster

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmodel waarvan nietigverklaring wordt gevorderd: model voor de waar „schrijfinstrumenten” — ingeschreven gemeenschapsmodel nr. 352315-0007

Houder van het gemeenschapsmodel: verzoekster

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmodel vordert: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Motvering van de vordering tot nietigverklaring: Duitse merkinschrijving nr. 30045470.8 van een beeldmerk dat een schrijfinstrument weergeeft, voor waren van klasse 16; Duitse merkinschrijving nr. 936051 van een beeldmerk dat een schrijfinstrument weergeeft, voor waren van klasse 16; Duitse merkinschrijving nr. 2911311 van een driedimensionaal merk dat een schrijfinstrument weergeeft, voor waren van klasse 16; internationale merkinschrijving nr. 936051 van een beeldmerk dat een schrijfinstrument weergeeft, voor waren van klasse 16; internationale merkinschrijving nr. 418036 van een beeldmerk dat een schrijfinstrument weergeeft, voor waren van klasse 16

Beslissing van de nietigheidsafdeling: nietigverklaring van het bestreden gemeenschapsmodel

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 61, lid 6, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad, aangezien de kamer van beroep een ongeoorloofd heronderzoek heeft verricht. Schending van artikel 62 van verordening nr. 6/2002, aangezien de kamer van beroep (i) de grondbeginselen van dit artikel heeft geschonden door de wijze waarop het de maatregelen heeft toegepast die noodzakelijk waren om aan de beslissing van het Gerecht te voldoen, en (ii) het criteria ten onrechte heeft toegepast voor zowel artikel 25, lid 1, sub b, als artikel 25, lid 1, sub e, van deze verordening. Schending van artikel 25, lid 1, sub e, van verordening nr. 6/2002, aangezien de kamer van beroep (i) een onjuist criterium heeft toegepast om te bepalen of er sprake was van het vereiste „gebruik” van het merk in het ingeschreven gemeenschapsmodel, (ii) niet heeft onderzocht of de merken waren gebruikt, als bestanddeel van zowel artikel 25, lid 1, sub e, van deze verordening als het Duitse recht, en (iii) het criterium om het gebruik te mogen verbieden, onjuist heeft toegepast. Schending van artikel 25, lid 1, sub b, van verordening nr. 6/2002, aangezien de kamer van beroep de kenmerken van de geïnformeerde gebruiker en de wijze waarop en de methode waarmee de algemene indruk moet worden beoordeeld, onjuist heeft beoordeeld.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/33


Beroep ingesteld op 2 december 2011 — Wagon Automotive Nagold/Commissie

(Zaak T-610/11)

2012/C 32/68

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Wagon Automotive Nagold GmbH (Nagold, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Hackemann en H. Horstkotte, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van beschikking C(2011) 275 def. van de Commissie van 26 januari 2011 in een procedure betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/2010 (ex CP 250/2009 en NN 5/2010) „KStG, Sanierungsklausel”;

verwijzing van verweerster in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoeksters baseren hun beroep in wezen op het volgende:

1)

Schending van artikel 107, lid 1, VWEU: de aftrek van verlies is geen uit staatsmiddelen verleende steun

Verzoekster betoogt met name dat § 8c, lid 1, van het Duitse Körperschaftsteuergesetz (wet inzake vennootschapsbelasting; hierna: „KStG”) in strijd is met het objectieve nettobeginsel en het beginsel inzake draagkracht en dat met de saneringsclausule alleen een aantasting van de financiële positie van de belastingplichtige in strijd met de grondwet kan worden voorkomen in de gevallen die binnen de werkingssfeer van de saneringsclausule vallen. Derhalve is volgens verzoekster niet voldaan aan de vereisten van het gemeenschapsrecht om te spreken van staatssteun.

2)

Schending van artikel 107, lid 1, VWEU: geen selectiviteit bij gebrek aan uitzondering op het relevante referentiestelsel

Volgens verzoekster is het relevante referentiestelsel de algemene regeling inzake aftrek van verlies voor vennootschappen [§ 10, sub d, van het Duitse Einkommensteuergesetz (wet inkomstenbelasting) juncto § 8, lid 1, KStG en § 10, sub a, van het Duitse Gewerbesteuergesetz (wet inzake bedrijfsbelasting)] en is de beperking van § 8c KStG alleen een uitzondering op dit relevante referentiestelsel, die voorts met name door de saneringsclausule is beperkt.

3)

Schending van artikel 107, lid 1, VWEU: geen selectiviteit doordat niet wordt gedifferentieerd tussen de marktdeelnemers, die zich wat het nagestreefde doel betreft, in een vergelijkbare feitelijke en juridische positie bevinden

Volgens verzoekster komt de saneringsclausule elke belastingplichtige onderneming ten goede en worden noch bepaalde branches respectievelijk activiteitsgebieden noch ondernemingen met een bepaalde omvang begunstigd.

4)

Schending van artikel 107, lid 1, VWEU: geen selectiviteit wegens rechtvaardiging op basis van de aard respectievelijk de interne opbouw van het belastingstelsel

Volgens verzoekster berust de saneringsclausule op grondslagen in verband met het belastingstelsel, die grondwettelijke beginselen volgen als belasting naar draagkracht, geen overdreven belasting en inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.

5)

Schending van artikel 107, lid 1, VWEU: kennelijk onjuiste beoordeling op grond dat onvoldoende rekening is gehouden met de Duitse fiscaalrechtelijke situatie

Volgens verzoekster legt de Commissie de Duitse fiscaalrechtelijke normen inzake aftrek van verliezen verkeerd uit.

6)

Gemeenschapsrechtelijk beginsel van gewettigd vertrouwen

Verzoekster stelt met name dat de Commissie de fiscale saneringsvoorrechten bij het verwerven van participaties in samenhang met de aftrek van verliezen voor het eerst in een formele onderzoeksprocedure onderzocht; het gaat om een buitengewone handelswijze, aangezien alleen na een juridische vereenvoudiging van een bepaling (§ 8, lid 4, KStG) die onbetwist geen steun vormde, sprake zou kunnen zijn van steun. De relevantie van deze wettelijke vereenvoudiging op het gebied van het recht inzake staatssteun was niet evident voor de Duitse wetgever of de door deskundigen bijgestane ondernemingen.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/34


Beroep ingesteld op 1 december 2011 — Spa Monopole/BHIM — South Pacific Management (Manea Spa)

(Zaak T-611/11)

2012/C 32/69

Taal van het verzoekschrift: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Spa Monopole, pachtstermaatschappij van Spa SA/NV (Spa, België) (vertegenwoordigers: L. De Brouwer, E. Cornu en E. De Gryse, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

Andere partij voor de kamer van beroep: South Pacific Management (Papeete, Polynesië)

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 8 september 2011 in de gevoegde zaken R 1776/2010-1 en R 1886/2010-1 te vernietigen;

verweerder in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: South Pacific Management.

Betrokken gemeenschapsmerk: Woordmerk „Manea Spa” voor waren en diensten van de klassen 3, 24, 25, 43 en 44.

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Verzoekster.

Oppositiemerk of -teken: Beneluxinschrijvingen van de woordmerken „SPA” en „Les Thermes de Spa” voor waren en diensten van de klassen 3, 32 en 42 (thans klasse 44).

Beslissing van de oppositieafdeling: Gedeeltelijke afwijzing van de oppositie.

Beslissing van de kamer van beroep: Verwerping van het beroep van verzoekster.

Aangevoerde middelen: Schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 bij de beoordeling van de overeenstemming tussen de betrokken merken en bij de beoordeling van het belang van het door gebruik van het merk „SPA” verkregen onderscheidend vermogen en van het gevaar voor verwarring, en schending van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009 bij de beoordeling van de bekendheid van de merken „SPA” en „Les Thermes de Spa”.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/34


Beroep ingesteld op 2 december 2011 — Treofan Holdings en Treofan Germany/Commissie

(Zaak T-612/11)

2012/C 32/70

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partijen: Treofan Holdings GmbH (Raunheim, Duitsland); en Treofan Germany GmbH & Co. KG (Neunkirchen, Duitsland) (vertegenwoordiger: J. de Weerth, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van beschikking C(2011) 275 def. van de Commissie van 26 januari 2011, in de rectificatie bij C(2011) 2628 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/2010 (ex CP 250/2009 en ex NN 5/2010) „KStG, Sanierungsklausel”

verwijzing van verweerster in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoeksters baseren hun beroep in wezen op het volgende:

1)

Schending van artikel 107, lid 1, VWEU: de aftrek van verlies is geen uit staatsmiddelen verleende steun

Verzoeksters betogen met name dat met de saneringsclausule geen financieel voordeel word verleend, maar veeleer een reeds bestaande financiële positie in de vorm van voorwaartse verliesverrekening niet wordt ontzegd. Derhalve is volgens verzoeksters geen sprake van financiering uit staatsmiddelen.

2)

Schending van artikel 107, lid 1, VWEU: geen selectiviteit bij gebrek aan uitzondering op het relevante referentiestelsel

Volgens verzoeksters is het relevante referentiestelsel de algemene regeling inzake aftrek van verlies voor vennootschappen [§ 10, sub d, van het Duitse Einkommensteuergesetz (wet inkomstenbelasting) juncto § 8, lid 1, KStG en § 10, sub a, van het Duitse Gewerbesteuergesetz (wet inzake bedrijfsbelasting)] en is de beperking van § 8c KStG alleen een uitzondering op dit relevante referentiestelsel, die voorts met name door de saneringsclausule is beperkt.

3)

Schending van artikel 107, lid 1, VWEU: geen selectiviteit doordat niet wordt gedifferentieerd tussen de marktdeelnemers, die zich wat het nagestreefde doel betreft, in een vergelijkbare feitelijke en juridische positie bevinden.

Volgens verzoeksters komt de saneringsclausule elke belastingplichtige onderneming ten goede en worden noch bepaalde branches respectievelijk activiteitsgebieden noch ondernemingen met een bepaalde omvang begunstigd.

4)

Schending van artikel 107, lid 1, VWEU: geen selectiviteit wegens rechtvaardiging op basis van de aard respectievelijk de interne opbouw van het belastingstelsel

Volgens verzoeksters berust de saneringsclausule op grondslagen in verband met het belastingstelsel, die grondwettelijke beginselen volgen als belasting naar financiële draagkracht, geen overdreven belasting en inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.

5)

Schending van artikel 107, lid 1, VWEU: kennelijk onjuiste beoordeling op grond dat onvoldoende rekening is gehouden met de Duitse fiscaalrechtelijke situatie

Volgens verzoeksters legt de Commissie de Duitse fiscaalrechtelijke normen inzake aftrek van verliezen verkeerd uit.

6)

Gemeenschapsrechtelijk beginsel van gewettigd vertrouwen

Verzoeksters stellen met name dat de Commissie de fiscale saneringsvoorrechten bij het verwerven van participaties in samenhang met de aftrek van verliezen voor het eerst in een formele onderzoeksprocedure onderzocht; het gaat om een buitengewone handelswijze die niet was te voorzien door de wetgever, de deskundigen en de fiscale administratie en dus ook niet door de ondernemingen zelfs bij diepgaand deskundigenadvies


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/35


Beroep ingesteld op 5 december 2011 — VMS Deutschland/Commissie

(Zaak T-613/11)

2012/C 32/71

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: VMS Deutschland Holdings GmbH (Darmstadt, Duitsland) (vertegenwoordigers: D. Pohl, G. Burwitz, M. Maier en P. Werner, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van beschikking C(2011) 275 def. van de Commissie van 26 januari 2011 betreffende de steunmaatregel van Duitsland C 7/10 „KStG, Sanierungsklausel”;

verwijzing van verweerster in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoeksters baseert haar beroep op drie middelen:

1)

Eerste middel: geen prima facie selectiviteit van de maatregel

Verzoekster betoogt in het eerste middel met name dat de saneringsclausule van § 8, sub c, lid 1, sub a, van het Duitse Körperschaftssteuergesetz (wet inzake vennootschapsbelasting; hierna: „KStG”) over de voorwaartse verliesverrekening van ondernemingen, die door een andere onderneming met het oog op sanering worden overgenomen, niet selectief is. Volgens verzoekster gaat het niet om een staatssteunregeling in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, aangezien geen uitzondering op het relevante referentiestelsel is gemaakt.

2)

Tweede middel: algemene maatregel

Verzoekster voert in dit verband met name aan dat de technische differentiëring naar de economische situatie en financiële draagkracht van een onderneming een technische regeling is, die als algemene maatregel niet binnen de werkingssfeer van artikel 107, lid 1, VWEU kan vallen. Volgens verzoekster kan een dergelijke regeling economisch in haar geheel beschouwd elke onderneming ten goede komen, zelfs wanneer op een bepaald ogenblik slechts enkele ondernemingen daadwerkelijk gebruik kunnen maken van de regel.

3)

Derde middel: rechtvaardiging van de regeling op basis van de aard en de interne opbouw van het belastingstelsel

Volgens verzoekster is de saneringsclausule van § 8, sub c, lid 1, sub a, KStG gerechtvaardigd op basis van de aard en de interne opbouw van het belastingstelsel en ook op die basis geen steunregeling in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/36


Beroep ingesteld op 6 december 2011 — Royal Scandinavian Casino Århus/Commissie

(Zaak T-615/11)

2012/C 32/72

Procestaal: Deens

Partijen

Verzoekende partij: Royal Scandinavian Casino Århus I/S (Århus, Denemarken) (vertegenwoordiger: B. Jacobi, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 20 september 2011 inzake maatregel nr. C 35/2010 (ex N 302/2010) die Denemarken voornemens is uit te voeren in de vorm van heffingen op online-kansspelen in de Deense wet inzake belastingen op kansspelen

verwijzing van de Commissie in de kosten

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster baseert haar beroep op zes middelen:

1)

Eerste middel: onterechte goedkeuring door de Commissie van de steun op basis van artikel 107, lid 3, sub c, VWEU op grond dat:

artikel 107, lid 3, sub c, VWEU geen goedkeuring van steun aan een deel van een economische bedrijvigheid toestaat;

de steun niet voldoet aan de vereisten van artikel 107, lid 3, sub c, VWEU dat de steun de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid moet vergemakkelijken;

de steun de voorwaarden voor het handelsverkeer zodanig beïnvloedt dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad;

de steun geen behoorlijk gedocumenteerd doel van Europees belang dient.

Voorts, aldus verzoekster, moet de uitzondering van artikel 107, lid 3, sub c, VWEU strikt worden uitgelegd en staat die bepaling niet toe dat staatssteun wordt verleend op basis van financiële overwegingen van de staat.

2)

Tweede middel: goedkeuring van de steun door de Commissie in strijd met de rechtspraak van het Hof inzake exploitatiesteun. Volgens verzoekster komt de betrokken steun die als permanente steun in de vorm van een belastingvermindering wordt verleend, neer op exploitatiesteun die volgens vaste rechtspraak niet kan worden goedgekeurd in een geval als het onderhavige.

3)

Derde middel: schending door de Commissie van het evenredigheidsbeginsel aangezien de doelstellingen van de Deense wetgeving niet kunnen worden bereikt zonder verlening van staatssteun.

4)

Vierde middel: onjuiste beoordeling door de Commissie doordat zij onterecht vaststelde dat de steun noodzakelijk is als stimulans voor de aanbieders van online-kansspelen om een Deense vergunning aan te vragen.

5)

Vijfde middel: misbruik van bevoegdheid door de Commissie door te verwijzen naar een verdragsbepaling die de bevoegdheid verleent om steun goed te keuren die de ontwikkeling van een economische bedrijvigheid vergemakkelijkt, terwijl de werkelijke reden voor goedkeuring van de steun blijkens de beschikking daarentegen de wens is een passend aantal aanvragers van een Deense online-vergunning aan te trekken. Voorts, aldus verzoekster, misbruikt de Commissie haar bevoegdheid wanneer zij de goedkeuring motiveert met het doel de ontwikkeling van een economische bedrijvigheid te liberaliseren en te vergemakkelijken, terwijl de Deense staat zelf verklaart dat het algemene doel van de belastingregeling is zoveel mogelijk fiscaal inkomen te genereren.

6)

Zesde middel: onvoldoende motivering door de Commissie doordat de motivering:

algemeen incoherent en op een aantal punten tegenstrijdig is;

onvoldoende verklaart hoe de liberalisering van de kansspelenmarkt een via goedkeuringen op basis van artikel 107, lid 3, sub c, VWEU te bereiken legitiem doel is;

niet afdoende de uitlegging door de Commissie van artikel 107, lid 3, sub c, VWEU verklaart;

de noodzaak van staatssteun niet aantoont en onvoldoende rekening houdt met de fiscale situatie in andere lidstaten;

onvoldoende duidelijk is over de doelstellingen van de Deense wetgeving inzake belasting op kansspelen;

niet ingaat op de Deense regeling voor andere vormen van kansspelen;

de gevolgen van steun aan in het land gevestigde activiteiten inzake kansspelen niet onderzoekt of verklaart.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/37


Beroep ingesteld op 5 december 2011 — Meyr-Melnhof Karton/BHIM — Stora Enso (SILVAWHITE)

(Zaak T-617/11)

2012/C 32/73

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Meyr-Melnhof Karton AG (Wenen, Oostenrijk) (vertegenwoordigers: P. Baronikians en N. Wittich, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: Stora Enso Oyj (Helsinki, Finland)

Conclusies

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 21 september 2011 in zaak R 2139/2010-2 vernietigen;

de oppositie tegen gemeenschapsmerkaanvraag nr. 8197469 afwijzen;

verweerder verwijzen in de kosten die verzoekster in de procedure voor de kamer van beroep en in de procedure voor het Gerecht heeft gemaakt.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: het woordmerk „SILVAWHITE” voor waren van klasse 16 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 8197469

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: Finse merkinschrijving nr. 231953 van het woord „SILVAPRESS” voor waren van klasse 16; internationale merkinschrijving nr. 872793 van het woord „SILVAPRESS” voor waren van klasse 16

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie in haar geheel

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van verordening nr. 207/2009, aangezien de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat gevaar voor verwarring bestaat tussen het oudere merk en het aangevraagde gemeenschapsmerk.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/37


Hogere voorziening ingesteld op 2 december 2011 door Francesca Cervelli tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 12 september 2011 in zaak F-98/10, Cervelli/Commissie

(Zaak T-622/11 P)

2012/C 32/74

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirerende partij: Francesca Cervelli (Brussel, België) (vertegenwoordiger: J. García-Gallardo Gil-Fournier, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:

de ontvangst van de hogere voorziening te bevestigen en deze ontvankelijk te verklaren;

vast te stellen dat de hogere voorziening namens en ten behoeve van Francesca Cervelli is ingesteld door haar wettelijke vertegenwoordigers;

de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 12 september 2011 volledig te vernietigen;

de zaak voor een inhoudelijk onderzoek terug te verwijzen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij twee middelen aan.

1)

Eerste middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten, daar het GVA heeft geoordeeld dat rekwirante zich niet kon beroepen op een nieuw feit, namelijk het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 19 juni 2007 in de zaak Asturias Cuerno/Commissie (T-473/04, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie). Rekwirante heeft aangevoerd dat dit arrest een nieuw feit vormde, aangezien het dezelfde situatie betreft als die waarin zij zich bevond en de analyse in dat arrest in wezen een objectief punt betreft en niet een analyse van voor die zaak kenmerkende feiten.

2)

Tweede middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste rechtsopvatting, aangezien het GVA de op het beginsel van autonomie van het TABG gebaseerde beoordelingsmarge absoluut zwaarder heeft doen wegen dan het beginsel van eenheid van het ambtenarenrecht.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/38


Beroep ingesteld op 30 november 2011 — PICO Food/BHIM — Sobieraj (MILANÓWEK CREAM FUDGE)

(Zaak T-623/11)

2012/C 32/75

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: PICO Food GmbH (Tamm, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Douglas, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bogumit Sobieraj (Milanówek, Polen)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 8 september 2011 in zaak R 553/2010-1 vernietigen;

de verwerende partij verwijzen in de kosten van het geding.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: andere partij voor de kamer van beroep

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk „MILANÓWEK CREAM FUDGE” voor waren van klasse 30 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. 6342455

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekende partij

Oppositiemerk of -teken: Duits beeldmerk nr. 30522224 dat een koe weergeeft voor waren van klasse 30; Duits beeldmerk nr. 30523439 „Original Sahne Muh-Muhs HANDGESCHNITTEN HANDGEWICKELT” voor waren van klasse 30; Duits beeldmerk nr. 30702751 „Original Sahne Muh-Muhs HANDGESCHNITTEN HANDGEWICKELT” voor waren van klasse 30; Duits beeldmerk nr. 30702748 „Original Sahne Muh-Muhs HANDGESCHNITTEN HANDGEWICKELT” voor waren van klasse 30; Duits beeldmerk nr. 30700574 „SAHNE TOFFEE LUXURY CREAM FUDGE” voor waren van klasse 30

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie in haar geheel

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 van de Raad doordat de kamer van beroep de door de Europese rechterlijke instanties geformuleerde algemene beginselen onjuist heeft uitgelegd en het bestaan van gevaar voor verwarring van de oppositiemerken met de betwiste aanvraag heeft ontkend. Schending van artikel 76, lid 1, verordening nr. 207/2009 van de Raad doordat de kamer van beroep de beslissing heeft gebaseerd op feiten die niet door de procespartijen werden aangevoerd.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/38


Beroep ingesteld op 30 november 2011 — Yueqing Onesto Electric/BHIM — Ensto (ONESTO)

(Zaak T-624/11)

2012/C 32/76

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Yueqing Onesto Electric Co. Ltd (Zhejiang, China) (vertegenwoordiger: B. Piepenbrink, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: Ensto Oy (Porvoo, Finland)

Conclusies

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 20 september 2011 in zaak R 2535/2010-2 vernietigen, en

het Bureau verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk „ONESTO” voor waren van klasse 9 — gemeenschapsmerkaanvraag nr. W00909305

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsmerkinschrijving nr. 1980242 van het beeldmerk „ENSTO” voor waren van de klassen 7, 9 en 11; gemeenschapsmerkinschrijving nr. 40600 van het woordmerk „ENSTO” voor waren van de klassen 7, 9, 11 en 16; Finse merkinschrijving nr. 218071 van het woordmerk „ENSTO” voor waren van de klassen 7, 9 en 11

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie in haar geheel

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van de gemeenschapsmerkaanvraag

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009, aangezien de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat er gevaar voor verwarring van het oudere merk en het aangevraagde gemeenschapsmerk bestond.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/39


Beroep ingesteld op 2 december 2011 — BSH/BHIM (ecoDoor)

(Zaak T-625/11)

2012/C 32/77

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: BSH Bosch und Siemens Hausgeräte GmbH (München, Duitsland) (vertegenwoordiger: S. Biagosch, Rechtsanwalt)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 22 september 2011 in zaak R 340/2011-1 vernietigen;

het BHIM verwijzen in zijn eigen en in verzoeksters kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „ecoDoor” voor waren van de klassen 7, 9 en 11.

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de inschrijvingsaanvraag.

Beslissing van de kamer van beroep: afwijzing van de oppositie.

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b en c, van verordening nr. 207/2009, aangezien het betrokken gemeenschapsmerk onderscheidend vermogen heeft en niet louter beschrijvend is.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/39


Beroep ingesteld op 6 december 2011 — Caventa/BHIM — Anson’s Herrenhaus (B BERG)

(Zaak T-631/11)

2012/C 32/78

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Caventa AG (Rekingen, Zwitserland) (vertegenwoordiger: J. Krenzel, Rechtsanwalt)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij voor de kamer van beroep: Anson’s Herrenhaus KG (Düsseldorf, Duitsland)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 15 september 2011 in zaak R 2014/2010-1 vernietigen;

verweerder verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster.

Betrokken gemeenschapsmerk: het beeldmerk met het woordelement „B. BERG” voor waren van de klassen 25 en 28.

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Anson’s Herrenhaus KG.

Oppositiemerk of -teken: het woordmerk „Christian Berg” voor waren en diensten van de klassen 3, 18, 25 en 35.

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie.

Beslissing van de kamer van beroep: toewijzing van de oppositie en afwijzing van de inschrijvingsaanvraag.

Aangevoerde middelen: tussen de conflicterende waren bestaat er geen overeenstemming; tussen de conflicterende tekens bestaat er geen gevaar voor verwarring.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/40


Beroep ingesteld op 8 december 2011 — Guangdong Kito Ceramics e.a./Raad

(Zaak T-633/11)

2012/C 32/79

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Guangdong Kito Ceramics Co. Ltd (Foshan, China), Jingdezhen Kito Ceramic Co. Ltd (Jingdezhen, China), Jingdezhen Lehua Ceramic Sanitary Ware Co. Ltd (Jingdezhen, China) en Zhaoqing Lehua Ceramic Sanitary Ware Co. Ltd (Sihui, China) (vertegenwoordiger: M. Sánchez Rydelski, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

uitvoeringsverordening (EU) nr. 917/2011 van de Raad van 12 september 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op keramische tegels van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 238, blz. 1) nietig verklaren voor zover zij verzoeksters betreft;

verweerder verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoeksters baseren hun beroep op drie middelen:

1)

Eerste middel: kennelijk onjuiste uitlegging en toepassing door verweerder van artikel 18 van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad. (1)

2)

Tweede middel: ontoereikende motivering van de bestreden verordening.

3)

Derde middel: onverenigbaarheid van de procedure die leidde tot de bestreden verordening, met algemene Unierechtelijke beginselen als het beginsel van goed bestuur, transparantie en verzoeksters’ rechten op verdediging alsook schending van artikel 18, lid 4, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad.


(1)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343, blz. 51).


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/40


Hogere voorziening ingesteld op 9 december 2011 door Mario Paulo da Silva Tenreiro tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 september 2011 in zaak F-72/10, da Silva Tenreiro/Commissie

(Zaak T-634/11 P)

2012/C 32/80

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirerende partij: Mario Paulo da Silva Tenreiro (Kraainem, België) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.–N. Louis, É. Marchal en D. Abreu Caldas, advocaten)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

De rekwirerende partij verzoekt het Gerecht:

te verklaren en vast te stellen:

het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 september 2011 (zaak F-72/10, da Silva Tenreiro/Commissie) waarbij rekwirants beroep is verworpen, wordt vernietigd;

een nieuwe beslissing te geven,

te verklaren en vast te stellen:

het besluit van de Europese Commissie tot afwijzing van rekwirants sollicitatie naar het vacante ambt van directeur van de directie E, „Justitie”, van het directoraat-generaal (DG) „Justitie, vrijheid en veiligheid” alsmede het besluit tot benoeming van K. in dat ambt, worden nietig verklaard;

de Commissie wordt verwezen in de kosten van de beide procedures.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van de hogere voorziening voert de rekwirerende partij vier middelen aan.

1)

Eerste middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste rechtsopvatting, aangezien het Gerecht het middel ontleend aan misbruik van bevoegdheid heeft afgewezen, ondank de serieuze aanwijzingen voor dat misbruik waarop rekwirant zich heeft beroepen, terwijl met het oog op de eerbiediging van het beginsel dat partijen voor het Gerecht gelijk zijn, een omkering van de bewijslast had moeten plaatsvinden.

2)

Tweede middel, ontleend aan een miskenning van de gelijkheid van partijen, door te weigeren de overlegging te gelasten van onder meer K’s beoordelingsrapport over de periode gedurende welke zij de functie van directeur van de directie „Veiligheid” van het DG „Justitie, vrijheid en veiligheid” heeft uitgeoefend, terwijl het TABG als reden voor de afwijzing van haar sollicitatie naar dat ambt een aannemelijke ongeschiktheid gezien haar prestaties als interim directeur heeft aangevoerd, ofschoon het van mening is dat zij, gelet op diezelfde ervaring als directeur, kan worden aangesteld in het ambt van directeur van de directie „Justitie” van datzelfde DG.

3)

Derde middel, ontleend aan een verkeerde opvatting van de feiten, aangezien het GVA heeft geoordeeld dat de twee procedures voor de voorziening in de ambten van directeur („Justitie” en „Veiligheid”) twee afzonderlijke procedures waren en dat de uitkomst van de ene procedure geen invloed heeft op die van de andere.

4)

Vierde middel, ontleend aan een miskenning van het beginsel van hoor en wederhoor, de rechten van de verdediging en de motiveringsplicht, aangezien het GVA niet heeft verwezen naar de kennelijke beoordelingsfout die rekwirant ter terechtzitting aan de orde had gesteld, op basis van de beoordelingstabel van het voorselectiecomité waarvan rekwirant kennis heeft genomen in de bijlage bij het verweerschrift, en het GVA heeft geoordeeld dat een tweede memoriewisseling niet nodig was.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/41


Beroep ingesteld op 9 december 2011 — Regency Entertainment Psychagogiki kai Touristiki/Commissie

(Zaak T-635/11)

2012/C 32/81

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Regency Entertainment Psychagogiki kai Touristiki AE (Maroussi Attikis, Griekenland) (vertegenwoordigers: N. Niejahr, Q. Azau, F. Spyropoulos, I. Dryllerakis, K. Spyropoulos, advocaten, en F. Carlin, barrister)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van besluit 2011/716/EU van de Commissie van 24 mei 2011 betreffende de door Griekenland aan bepaalde Griekse casino’s verleende staatssteun [steunmaatregel nr. C 16/10 (ex NN 22/10, ex CP 318/09)] (PB L 285, blz. 25);

subsidiair, nietigverklaring van het bestreden besluit, voor zover het van toepassing is op verzoekster; of

meer subsidiair, nietigverklaring van het bestreden besluit, voor zover het terugvordering van bedragen van verzoekster gelast; en

verwijzing van verweerster in haar eigen kosten en in die van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan.

1)

Eerste middel: schending door verweerster van artikel 107, lid 1, VWEU door te besluiten dat de betrokken maatregel een steunmaatregel was, doordat zij heeft:

verklaard dat verzoekster een economisch voordeel heeft gekregen in de vorm van „fiscale discriminatie” ten belope van 7,20 EUR per ticket;

vastgesteld dat de betrokken maatregel een verlies van staatsmiddelen betekende;

beschouwd dat de maatregel selectief in verzoeksters voordeel was, en

geconcludeerd dat de maatregel de mededinging vervalste en de handel tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedde.

2)

Tweede middel: schending door verweerster van verzoeksters rechten van verdediging door totaal geen rekening te houden met de door verzoekster in de uitoefening van haar procedurele rechten gemaakte opmerkingen en aanvullende opmerkingen na het besluit tot inleiding van de procedure.

3)

Derde middel: schending door verweerster van artikel 296 VWEU, doordat zij geen toereikende motivering heeft verstrekt op grond waarvan verzoekster kan begrijpen en dit Gerecht kan nagaan waarom zij heeft gesteld dat verzoekster een selectief voordeel heeft gekregen, dat een dergelijk voordeel een verlies van staatsmiddelen betekende, de mededinging kon vervalsen en de handel tussen de lidstaten ongunstig kon beïnvloeden.

4)

Vierde middel: voor zover het bestreden besluit terugvordering van bedragen van verzoekster gelast, schendt het:

artikel 14, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 659/1999 (1), op grond waarvan de terugvordering betrekking heeft op de door de begunstigde ontvangen steun, doordat verweerster in het bestreden besluit het eventueel door verzoekster ontvangen steunbedrag niet naar behoren heeft gekwantificeerd, en

artikel 14, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 659/1999, doordat de terugvordering in casu algemene beginselen van het Unierecht schendt, namelijk het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.


(1)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB 1999 L 83, blz. 1).


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/41


Beroep ingesteld op 15 december 2011 — Euris Consult/Parlement

(Zaak T-637/11)

2012/C 32/82

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Euris Consult Ltd (Floriana, Republiek Malta) (vertegenwoordiger: F. Moyse, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

het besluit van het Directoraat-generaal vertaling van het Europees Parlement, dat is vastgesteld in het kader van aanbestedingsprocedure MT/2011/EU inzake het verrichten van vertaaldiensten naar het Maltees, houdende afwijzing, bij de opening, van verzoeksters offerte op grond van niet-naleving van de vertrouwelijkheid, nietig verklaren;

verweerder verwijzen in de kosten, met inbegrip van die van verzoekster;

vaststellen dat verzoekster schadevergoeding kan vorderen voor de uit het bestreden besluit voortvloeiende schade.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar vordering voert verzoekster vijf middelen aan.

1)

schending van artikel 98, lid 1, van het Financieel Reglement, van artikel 143 van de uitvoeringsvoorschriften daarvan en van punt 2.4 van aanbesteding MT/2011/EU (exceptie van niet-toepasselijkheid van een handeling krachtens artikel 277 VWEU);

2)

schending van het evenredigheidsbeginsel;

3)

schending van het beginsel van gelijke behandeling;

4)

schending van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aangezien de aanbestedende dienst heeft nagelaten verzoekster te horen alvorens het bestreden besluit vast te stellen;

5)

ontoereikende motivering van de bestreden beslissing.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/42


Beschikking van het Gerecht van 2 december 2011 — Bard/BHIM — Braun Melsungen (PERFIX)

(Zaak T-342/09) (1)

2012/C 32/83

Procestaal: Engels

De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 256 van 24.10.2009.


Gerecht voor ambtenarenzaken

4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/43


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 13 december 2011 — Stols/Raad

(Zaak F-51/08 RENV) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Terugverwijzing naar Gerecht na vernietiging - Bevordering - Bevorderingsronde 2007 - Vergelijking van verdiensten - Kennelijke beoordelingsfout - Geen - Overwegingen van besluit - Ten overvloede geformuleerde overweging - Falend middel)

2012/C 32/84

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Willem Stols (Halsteren, Nederland) (vertegenwoordigers: S. Rodrigues, A. Blot en C. Bernard-Glanz, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordiger: M. Bauer, gemachtigde)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit van het TABG om verzoeker niet op te nemen op de lijst van personen die in het kader van de bevorderingsronde 2007 tot de rang AST 11 zijn bevorderd

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Stols zal zijn eigen kosten dragen en de kosten die de Raad van de Europese Unie in zaak F-51/08 heeft gemaakt.

3)

Stols en de Raad van de Europese Unie dragen elk hun eigen kosten in zaak T-175/09 P en in de onderhavige zaak.


(1)  PB C 183 van 19.7.2008, blz. 34.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/43


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 15 december 2011 — de Fays/Commissie

(Zaak F-30/10) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Sociale zekerheid - Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten - Artikel 73 van Statuut - Weigering om beroepsziekte te erkennen)

2012/C 32/85

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Philippe de Fays (Malèves-Sainte-Marie-Wastines, België) (vertegenwoordigers: N. Soldatos, daarna N. Soldatos en C. Eyben, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en D. Martin, gemachtigden, bijgestaan door J.-L. Fagnart, advocaat)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit houdende weigering om te erkennen dat de verzoekende partij aan een beroepsziekte lijdt

Dictum

1)

Het beroep van de Fays wordt verworpen.

2)

De Fays zal alle kosten dragen.


(1)  PB C 179 van 3.7.2010, blz. 59.


4.2.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 32/43


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 15 december 2011 — Sabag Afota/Raad

(Zaak F-9/11) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Beoordeling - Bevordering - Bevorderingsronde 2010 - Ontbreken van beoordelingsrapport)

2012/C 32/86

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Verónica Sabag Afota (Brussel, België) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en É. Marchal, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer en K. Zieleśkiewicz, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van het besluit van het TABG om verzoekster in het kader van de bevorderingsronde 2010 niet tot de rang AD 11 te bevorderen

Dictum

1)

Het beroep van Sabbag Afota wordt verworpen.

2)

Sabbag Afota zal naast haar eigen kosten de kosten van de Raad van de Europese Unie dragen.


(1)  PB C 152 van 21.5.2011, blz. 33.