ISSN 1725-2474

doi:10.3000/17252474.C_2010.317.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 317

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

53e jaargang
20 november 2010


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie van de Europese Unie

2010/C 317/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese UniePB C 301 van 6.11.2010

1

 

Hof van Justitie

2010/C 317/02

Eedaflegging door een nieuw lid van het Hof

2

2010/C 317/03

Verkiezing van de kamerpresidenten

2

2010/C 317/04

Toevoeging van de rechters aan de kamers

2

2010/C 317/05

Benoeming van de eerste advocaat-generaal

3

2010/C 317/06

Lijsten om de samenstelling van de rechtsprekende formaties te bepalen

3

2010/C 317/07

Aanwijzing van de kamer belast met de zaken bedoeld in artikel 104 ter van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie

4

2010/C 317/08

Benoeming van de griffier

4

 

Gerecht

2010/C 317/09

Eedaflegging door een nieuw lid van het Gerecht

5

2010/C 317/10

Eedaflegging door een nieuw lid van het Gerecht

5

2010/C 317/11

Toevoeging aan de kamers van de heer Gratsias

5

 

V   Adviezen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2010/C 317/12

Gevoegde zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 september 2010 — Koninkrijk Zweden/Association de la presse internationale ASBL (API), Europese Commissie (C-514/07), Association de la presse internationale ASBL (API)/Europese Commissie (C-528/07), Europese Commissie/Association de la presse internationale ASBL (API) (C-532/07) (Hogere voorziening — Recht op toegang tot documenten van instellingen — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Artikel 4, lid 2, tweede en derde streepje — Memories van Commissie in gerechtelijke procedures voor Hof en Gerecht — Besluit van Commissie om toegang te weigeren)

6

2010/C 317/13

Zaak C-581/08: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 september 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het VAT and Duties Tribunal, London Tribunal Centre — Verenigd Koninkrijk) — EMI Group Ltd/The Commissioners of Her Majesty's Revenue & Customs (Zesde btw-richtlijn — Artikel 5, lid 6, tweede volzin — Begrip monster — Begrip geschenken van geringe waarde — Muziekopnames — Gratis verstrekking voor promotiedoeleinden)

7

2010/C 317/14

Zaak C-104/09: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 30 september 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de Galicia — Spanje) — Pedro Manuel Roca Álvarez/Sesa Start España ETT SA (Sociale politiek — Gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers — Richtlijn 76/207/EEG — Artikelen 2 en 5 — Recht op verlof voor in loondienst werkzame moeders — Opneembaar door in loondienst werkzame moeder of in loondienst werkzame vader — Niet in loondienst werkzame moeder — In loondienst werkzame vader van recht op verlof uitgesloten)

8

2010/C 317/15

Zaak C-132/09: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 september 2010 — Europese Commissie/Koninkrijk België (Niet-nakoming — Bevoegdheid van Hof — Statuut van Europese scholen — Akkoord inzake vestigingsplaats van 1962 — Overeenkomst van 1957 en verdrag van 1994 — Arbitragebeding — Artikel 10 EG — Financiering van Europese scholen — Uitgaven voor meubilair en didactisch materiaal)

8

2010/C 317/16

Zaak C-133/09: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 30 september 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Fővárosi Bíróság — Republiek Hongarije) — József Uzonyi/Mezőgazdasági és Vidékfejlesztési Hivatal Központi Szerve (Landbouw — Gemeenschappelijk landbouwbeleid — Steunregelingen — Verordening (EG) nr. 1782/2003 — Artikel 143 ter bis — Afzonderlijke suikerbetaling — Toekenning — Beslissing van nieuwe lidstaten — Voorwaarden — Objectieve en niet-discriminerende criteria)

9

2010/C 317/17

Zaak C-314/09: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 september 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — Stadt Graz/Strabag AG, Teerag-Asdag AG, Bauunternehmung Granit GesmbH (Richtlijn 89/665/EEG — Overheidsopdrachten — Beroepsprocedures — Beroep tot schadevergoeding — Onrechtmatige gunning — Nationale aansprakelijkheidsregel gebaseerd op vermoeden van schuld van aanbestedende dienst)

9

2010/C 317/18

Zaak C-392/09: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 september 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Baranya Megyei Bíróság — Republiek Hongarije) — Uszodaépítő Kft/APEH Központi Hivatal Hatósági Főosztály (Zesde btw-richtlijn — Richtlijn 2006/112/EG — Recht op aftrek van voorbelasting — Nieuwe nationale regeling — Vereisten inzake inhoud van factuur — Toepassing met terugwerkende kracht — Verval van recht op aftrek)

10

2010/C 317/19

Zaak C-395/09: Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 30 september 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny Izba Finansowa Wydział I — Polen) — Oasis East sp. z o.o./Minister Finansów (Zesde btw-richtlijn — Richtlijn 2006/112/EG — Toetreding van nieuwe lidstaat — Recht op aftrek van voorbelasting — Nationale regeling waarbij recht op aftrek van belasting over bepaalde diensten wordt uitgesloten — Handelspartners die in als belastingparadijs gekwalificeerd gebied zijn gevestigd — Bevoegdheid van lidstaten om ten tijde van inwerkingtreding van Zesde btw-richtlijn bestaande regels inzake uitsluiting van recht op aftrek te handhaven)

10

2010/C 317/20

Zaak C-479/09 P: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 30 september 2010 — Evets Corp./Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (Hogere voorziening — Gemeenschapsmerk — Woordmerk DANELECTRO — Beeldmerk QWIK TUNE — Aanvraag voor vernieuwing van inschrijving van merk — Verzoek om herstel in vorige toestand — Niet-inachtneming van termijn voor indiening van aanvraag voor vernieuwing van inschrijving van merk)

11

2010/C 317/21

Zaak C-481/09: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 30 september 2010 — Europese Commissie/ Tsjechische Republiek (Niet-nakoming — Milieu — Richtlijn 2006/7/EG — Zwemwaterkwaliteit — Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

11

2010/C 317/22

Zaak C-24/10: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 23 september 2010 — Europese Commissie/Helleense Republiek (Niet-nakoming — Richtlijn 2006/46/EG — Vennootschapsrecht — Jaarrekening en geconsolideerde jaarrekening van vennootschappen — Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

12

2010/C 317/23

Zaak C-36/10: Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 30 september 2010 — Europese Commissie/Koninkrijk België (Niet-nakoming — Richtlijnen 96/82/EG en 2003/105/EG — Beheersing van gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken — Artikel 12, lid 1, tweede alinea — Onjuiste uitvoering)

12

2010/C 317/24

Zaak C-344/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Mora Kommun (Zweden) op 21 augustus 2009 — Dan Bengtsson/Tele2 Sverige AB, Telenor Sverige AB, TeliaSonera Mobile Networks AB, Teracom

13

2010/C 317/25

Zaak C-378/10: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Magyar Köztársaság Legfelsőbb Bíróság (Hongarije) op 28 juli 2010 — VALE Építési Kft.

13

2010/C 317/26

Zaak C-384/10: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hof van Cassatie van België op 29 juli 2010 — Jan Voogsgeerd tegen Navimer SA

14

2010/C 317/27

Zaak C-399/10 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 augustus 2010 door Bouygues SA en Bouygues Télécom SA tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer — uitgebreid) van 21 mei 2010 in de gevoegde zaken T-425/04, T-444/04, T-450/04 en T-456/04, Frankrijk e.a./Commissie

14

2010/C 317/28

Zaak C-401/10 P: Hogere voorziening ingesteld op 5 augustus 2010 door Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer — uitgebreid) van 21 mei 2010 in de gevoegde zaken T-425/04, T-444/04, T-450/04 en T-456/04, Frankrijk e.a./Commissie

15

2010/C 317/29

Zaak C-421/10: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 25 augustus 2010 — Finanzamt Deggendorf/Markus Stoppelkamp, als curator van het vermogen van Harald Raab

16

2010/C 317/30

Zaak C-423/10: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (Duitsland) op 27 augustus 2010 — Delphi Deutschland GmbH/Hauptzollamt Düsseldorf

16

2010/C 317/31

Zaak C-434/10: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) op 6 september 2010 — Peter Aladzhov/Zamestnik direktor na Stolichna direktsia na vatreshnite raboti kam Ministerstvo na vatreshnite raboti

16

2010/C 317/32

Zaak C-435/10: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland) op 13 september 2010 — J.C. van Ardennen tegen Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

18

2010/C 317/33

Zaak C-437/10: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Judicial de Vieira do Minho (Portugal) op 13 september 2010 — Manuel Afonso Esteves/Axa — Seguros de Portugal SA

18

2010/C 317/34

Zaak C-443/10: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het tribunal administratif de Limoges (Frankrijk) op 14 september 2010 — Philippe Bonnarde/Agence de Services et de Paiement

19

2010/C 317/35

Zaak C-444/10: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 15 september 2010 — Finanzamt Lüdenscheid/Christel Schriever

19

2010/C 317/36

Zaak C-448/10 P: Hogere voorziening ingesteld op 15 september 2010 door ThyssenKrupp Acciai Speciali Terni SpA tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 1 juli 2010 in zaak T-62/08, ThyssenKrupp Acciai Speciali Terni SpA/Europese Commissie

20

2010/C 317/37

Zaak C-449/10 P: Hogere voorziening ingesteld op 15 september 2010 door Cementir Italia Srl tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 1 juli 2010 in zaak T-63/08, Cementir Italia Srl/Europese Commissie

20

2010/C 317/38

Zaak C-450/10 P: Hogere voorziening ingesteld op 15 september 2010 door Nuova Terni Industrie Chimiche SpA tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 1 juli 2010 in zaak T-64/08, Nuova Terni Industrie Chimiche SpA/Europese Commissie

21

2010/C 317/39

Zaak C-452/10 P: Hogere voorziening ingesteld op 16 september 2010 door BNP Paribas en Banca Nazionale del Lavoro SpA (BNL) tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 1 juli 2010 in zaak T-335/08, BNP Paribas en BNL/Commissie

22

2010/C 317/40

Zaak C-454/10: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof op 17 september 2010 — Oliver Jestel/Hauptzollamt Aachen

22

2010/C 317/41

Zaak C-459/10 P: Hogere voorziening ingesteld op 20 september 2010 door Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 8 juli 2010 in zaak T-396/08, Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt/Europese Commissie

23

2010/C 317/42

Zaak C-461/10: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Högsta domstol (Zweden) op 20 september 2010 — Bonnier Audio AB, Earbooks AB, Norstedts Förlagsgrupp AB, Piratförlaget Aktiebolag, Storyside AB/Perfect Communication Sweden AB

24

2010/C 317/43

Zaak C-462/10 P: Hogere voorziening ingesteld op 24 september 2010 door Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 8 juli 2010 in zaak T-331/06, Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE/Europees Milieuagentschap (EMA)

24

2010/C 317/44

Zaak C-466/10: Beroep ingesteld op 27 september 2010 — Europese Commissie/Helleense Republiek

25

 

Gerecht

2010/C 317/45

Zaak T-378/07: Arrest van het Gerecht van 29 september 2010 — CNH Global/BHIM (Combinatie van kleuren rood, zwart en grijs voor tractor) (Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapsmerk bestaande in combinatie van kleuren rood, zwart en grijs toegepast op buitenzijden van tractor — Absolute weigeringsgrond — Ontbreken van onderscheidend vermogen verkregen door gebruik — Artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 207/2009))

26

2010/C 317/46

Zaak T-200/08: Arrest van het Gerecht van 29 september 2010 — Interflon/BHIM — Illinois Tool Works (FOODLUBE) (Gemeenschapsmerk — Nietigheidsprocedure — Gemeenschapswoordmerk FOODLUBE — Absolute weigeringsgronden — Beschrijvend karakter — Onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, sub b en c, en artikel 51, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub b en c, et artikel 52, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 207/2009))

26

2010/C 317/47

Zaak T-201/08: Arrest van het Gerecht van 28 september 2010 — Market Watch/BHIM — Ares Trading (Seroslim) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Seroslim — Ouder gemeenschapswoordmerk SEROSTIM — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009))

27

2010/C 317/48

Zaak T-247/08: Arrest van het Gerecht van 28 september 2010 — C-Content/Commissie (Niet-contractuele aansprakelijkheid — Overheidsopdrachten voor diensten — Communautaire aanbestedingsprocedures — Diensten van elektronische publicatie — Vermeende onregelmatigheden en schendingen van gemeenschapsrecht door Bureau voor publicaties — Verjaringstermijnen — Oorzakelijk verband)

27

2010/C 317/49

Zaak T-452/08: Arrest van het Gerecht van 7 oktober 2010 — DHL Aviation en DHL Hub Leipzig/Commissie (Staatssteun — Luchtvrachtdiensten — Garanties inzake exploitatie van nieuwe Europese hub van DHL op luchthaven van Leipzig-Halle — Beschikking waarbij staatssteun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard en terugvordering ervan wordt gelast)

28

2010/C 317/50

Zaak T-534/08: Arrest van het Gerecht van 30 september 2010 — Granuband/BHIM — Granuflex (GRANUflex) (Gemeenschapsmerk — Nietigheidsprocedure — Gemeenschapsbeeldmerk GRANUflex — Oudere bedrijfsnaam en handelsnaam GRANUFLEX — Relatieve weigeringsgrond — Artikel 8, lid 4, en artikel 52, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 4, en artikel 53, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009))

28

2010/C 317/51

Zaak T-47/09: Arrest van het Gerecht van 7 oktober 2010 — Deutsche Behindertenhilfe — Aktion Mensch/BHIM (diegesellschafter.de) (Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk diegesellschafter.de — Absolute weigeringsgrond — Ontbreken van onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009))

28

2010/C 317/52

Zaak T-85/09: Arrest van het Gerecht van 30 september 2010 — Kadi/Commissie (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid — Beperkende maatregelen tegen personen en entiteiten die banden hebben met Osama bin Laden, Al-Qa’ida-netwerk en Taliban — Verordening (EG) nr. 881/2002 — Bevriezing van tegoeden en economische middelen van persoon ten gevolge van zijn opname in door orgaan van Verenigde Naties opgestelde lijst — Sanctiecomité — Daaropvolgende opname in bijlage I bij verordening (EG) nr. 881/2002 — Beroep tot nietigverklaring — Grondrechten — Recht om te worden gehoord, recht op effectieve rechterlijke controle en recht op eerbiediging van eigendom)

29

2010/C 317/53

Zaak T-92/09: Arrest van het Gerecht van 5 oktober 2010 — Strategi Group/BHIM — RBI (STRATEGI) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk STRATEGI — Ouder nationaal woordmerk Stratégies — Relatieve weigeringsgrond — Bewijs van gebruik van ouder merk — Artikel 43, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 42, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009) en regel 22 van verordening (EG) nr. 2868/95)

29

2010/C 317/54

Zaak T-136/09: Arrest van het Gerecht van 7 oktober 2010 — Commissie/Gal-Or (Arbitragebeding — Overeenkomst van financiële bijstand, gesloten in kader van specifiek programma van onderzoek en technologische ontwikkeling op gebied van niet-nucleaire energie — Niet-naleving van overeenkomst — Terugbetaling van voorschot — Vertragingsrente — Verstekprocedure)

30

2010/C 317/55

Zaak T-244/09: Arrest van het Gerecht van 7 oktober 2010 — Accenture Global Services/BHIM — Silver Creek Properties (acsensa) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk acsensa — Oudere communautaire en nationale woord- en beeldmerken ACCENTURE en accenture — Relatieve weigeringsgrond — Ontbreken van verwarringsgevaar — Tekens die niet overeenstemmen — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009) — Motiveringsplicht — Artikel 73 van verordening nr. 40/94 (thans artikel 75 van verordening nr. 207/2009))

30

2010/C 317/56

Zaak T-270/09: Arrest van het Gerecht van 30 september 2010 — PVS/BHIM — MeDiTA Medizinische Kurierdienst (medidata) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk medidata — Ouder nationaal woordmerk MeDiTA — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Overeenstemmende tekens — Soortgelijke diensten — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009))

31

2010/C 317/57

Zaak T-388/09: Arrest van het Gerecht van 28 september 2010 — Rosenruist/BHIM (Weergave op een broekzak van twee kromme lijnen) (Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk dat twee kromme lijnen op een broekzak weergeeft — Absolute weigeringsgrond — Ontbreken van onderscheidend vermogen — Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

31

2010/C 317/58

Zaak T-365/08: Beschikking van het Gerecht van 27 september 2010 — Hidalgo/BHIM — Bodegas Hidalgo — La Gitana (HIDALGO) (Gemeenschapsmerk — Nietigverklaring van inschrijving van nationaal merk waarop oppositie is gesteund — Afdoening zonder beslissing)

32

2010/C 317/59

Zaak T-498/09 P: Beschikking van het Gerecht van 24 september 2010 — Kerstens/Commissie (Hogere voorziening — Openbare dienst — Ambtenaren — Bevordering — Bevorderingsronde 2005 — Toekenning van gratificatiepunten — Bewijslast — Rechten van de verdediging — Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond)

32

2010/C 317/60

Zaak T-400/10: Beroep ingesteld op 12 september 2010 — Hamas/Raad

32

2010/C 317/61

Zaak T-407/10: Beroep ingesteld op 14 september 2010 — Hongarije/Commissie

33

2010/C 317/62

Zaak T-413/10: Beroep ingesteld op 15 september 2010 — Socitrel/Commissie

34

2010/C 317/63

Zaak T-414/10: Beroep ingesteld op 15 september 2010 — Companhia Previdente/Commissie

35

2010/C 317/64

Zaak T-422/10: Beroep ingesteld op 15 september 2010 — Emme/Commissie

35

2010/C 317/65

Zaak T-423/10: Beroep ingesteld op 16 september 2010 — Redaelli Tecna/Commissie

36

2010/C 317/66

Zaak T-424/10: Beroep ingesteld op 18 september 2010 — Dosenbach-Ochsner/BHIM — Sisma (Weergave van rechthoek met olifanten)

36

2010/C 317/67

Zaak T-425/10: Beroep ingesteld op 21 september 2010 — Häfele/BHIM (Mixfront)

37

2010/C 317/68

Zaak T-426/10: Beroep ingesteld op 16 september 2010 — Moreda-Riviere Trefilerías/Commissie

37

2010/C 317/69

Zaak T-427/10: Beroep ingesteld op 16 september 2010 — Trefilerías Quijano/Commissie

38

2010/C 317/70

Zaak T-428/10: Beroep ingesteld op 16 september 2010 — Trenzas y Cables de Acero/Commissie

38

2010/C 317/71

Zaak T-430/10: Beroep ingesteld op 17 september 2010 — Magnesitas de Rubián e.a./Commissie

39

2010/C 317/72

Zaak T-431/10: Beroep ingesteld op 24 september 2010 — Nencini/Parlement

40

2010/C 317/73

Zaak T-432/10: Beroep ingesteld op 17 september 2010 — Vivendi/Commissie

40

2010/C 317/74

Zaak T-433/10 P: Hogere voorziening ingesteld op 20 september 2010 door Allen en anderen tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 13 juli 2010 in zaak F-103/09, Allen e.a./Commissie

41

2010/C 317/75

Zaak T-436/10: Beroep ingesteld op 15 september 2010 — Hit Groep/Commissie

41

2010/C 317/76

Zaak T-437/10: Beroep ingesteld op 22 september 2010 — Gap SA granen & producten/Commissie

43

2010/C 317/77

Zaak T-438/10: Beroep ingesteld op 24 september 2010 — Forgital Italy/Raad

43

2010/C 317/78

Zaak T-444/10: Beroep ingesteld op 28 september 2010 — ESGE/BHIM — Kenwood Appliances Luxembourg (KMIX)

44

2010/C 317/79

Zaak T-445/10: Beroep ingesteld op 28 september 2010 — HerkuPlast Kubern/BHIM — How (eco-pack)

45

2010/C 317/80

Zaak T-450/10 P: Hogere voorziening ingesteld op 24 september 2010 door Marcuccio tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 9 juli 2010 in zaak F-91/09, Marcuccio/Commissie

45

2010/C 317/81

Zaak T-451/10: Beroep ingesteld op 28 september 2010 — Fuchshuber Agrarhandel/Commissie

46

 

Gerecht voor ambtenarenzaken

2010/C 317/82

Zaak F-43/09: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 september 2010 — Van Heuckelom/Europese Politiedienst (Europol) (Openbare dienst — Statuut voor personeelsleden van Europol — Artikel 29 — Salaristrapverhoging toegekend op basis van beoordelingsrapporten — Exceptie van onwettigheid van besluit tot vaststelling van het beleid inzake de vaststelling van rangen en salaristrappen — Respectieve bevoegdheden van directeur en raad van bestuur van Europol — Beoordelingsvrijheid van directeur van Europol — Grenzen)

47

2010/C 317/83

Zaak F-52/09: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 14 september 2010 — Da Silva Pinto Branco/Hof van Justitie (Openbare dienst — Ambtenaren — Aanwerving — Ambtenaar op proef — Ontslag aan einde van proeftijd — Rechten van de verdediging — Beoordeling van geschiktheid — Rechterlijke controle)

47

2010/C 317/84

Zaak F-79/09: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 14 september 2010 — AE/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Sociale zekerheid — Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten — Artikel 73 van het Statuut — Weigering om te erkennen dat ziekte door het beroep is veroorzaakt — Overgevoeligheid voor elektromagnetische velden)

48

2010/C 317/85

Zaak F-85/09: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 14 september 2010 — Rossi Ferreras/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Beoordelingsjaar 2001/2002 — Loopbaanontwikkelingsrapport — Uitvoering van arrest houdende nietigverklaring — Gevolgen van intrekking van handeling — Bepaling van doelstellingen)

48

2010/C 317/86

Zaak F-2/10: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 6 oktober 2010 Marcuccio/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Sociale zekerheid — Ziektekostenverzekering — Verzoeken om vergoeding van ziektekosten — Ontbreken van bezwarend besluit — Beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk rechtens ongegrond — Artikel 94 van Reglement voor de procesvoering)

48

2010/C 317/87

Zaak F-71/10: Beroep ingesteld op 30 augustus 2010 — Cantisani/Commissie

49

2010/C 317/88

Zaak F-72/10: Beroep ingesteld op 2 september 2010 — da Silva Tenreiro/Commissie

49

2010/C 317/89

Zaak F-86/10: Beroep ingesteld op 24 september 2010 — Dubus/Parlement

49

2010/C 317/90

Zaak F-88/10: Beroep ingesteld op 27 september 2010 — Van Asbroeck/Commissie

50

2010/C 317/91

Gevoegde zaken F-8/05 en F-10/05: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 september 2010 — Block e.a. en Knaul e.a./Commissie

50

2010/C 317/92

Zaak F-45/06: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 september 2010 — Avendano e.a./Commissie

50

2010/C 317/93

Zaak F-70/06: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 september 2010 — Baele e.a./Commissie

50

2010/C 317/94

Zaak F-103/06: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 september 2010 — Blank e.a./Commissie

51

2010/C 317/95

Zaak F-90/09: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 september 2010 — Ernotte/Commissie

51

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie van de Europese Unie

20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/1


2010/C 317/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie

PB C 301 van 6.11.2010

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 288 van 23.10.2010

PB C 274 van 9.10.2010

PB C 260 van 25.9.2010

PB C 246 van 11.9.2010

PB C 234 van 28.8.2010

PB C 221 van 14.8.2010

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


Hof van Justitie

20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/2


Eedaflegging door een nieuw lid van het Hof

2010/C 317/02

Na zijn benoeming tot rechter in het Hof van Justitie bij besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie van 29 september 2010 (1), voor de periode van 7 oktober 2010 tot en met 6 oktober 2012, heeft de heer E. Jarašiūnas voor het Hof de eed afgelegd op 6 oktober 2010.


(1)  PB L 261 van 5.10.2010, blz. 5.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/2


Verkiezing van de kamerpresidenten

2010/C 317/03

De rechters van het Hof van Justitie hebben in een vergadering op 5 oktober 2010 overeenkomstig artikel 10, lid 1, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering de heren J.-J. Kasel, A. Arabadjiev, D. Šváby en K. Schiemann verkozen tot president van respectievelijk de Vijfde, de Zesde, de Zevende en de Achtste kamer bestaande uit drie rechters, voor een periode van een jaar die verstrijkt op 6 oktober 2011.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/2


Toevoeging van de rechters aan de kamers

2010/C 317/04

Het Hof van Justitie heeft in zijn vergadering van 12 oktober 2010 besloten, de heer E. Jarašiūnas aan de Vierde en aan de Achtste kamer toe te voegen.

Ten vervolge op de verkiezing van de presidenten van de kamers bestaande uit drie rechters en de toevoeging van de heer E. Jarašiūnas aan de Vierde en aan de Achtste kamer, zijn de Vierde, de Vijfde, de Zesde, de Zevende en de Achtste kamer samengesteld als volgt:

 

Vierde kamer

 

J.-C. Bonichot, president,

 

K. Schiemann, L. Bay Larsen, C. Toader, A. Prechal en E. Jarašiūnas, rechters

 

Vijfde kamer

 

J.-J. Kasel, president,

 

A. Borg Barthet, M. Ilešič, E. Levits, M. Safjan en M. Berger, rechters

 

Zesde kamer

 

A. Arabadjiev, president,

 

A. Rosas, U. Lõhmus, A. Ó Caoimh en P. Lindh, rechters

 

Zevende kamer

 

D. Šváby, président,

 

R. Silva de Lapuerta, E. Juhász, G. Arestis, J. Malenovský en T. von Danwitz, rechters

 

Achtste kamer

 

K. Schiemann, president,

 

L. Bay Larsen, C. Toader, A. Prechal en E. Jarašiūnas, rechters


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/3


Benoeming van de eerste advocaat-generaal

2010/C 317/05

Het Hof van Justitie heeft overeenkomstig artikel 10, lid 1, derde alinea, van het Reglement voor de procesvoering de heer Y. Bot benoemd tot eerste advocaat-generaal voor een periode van een jaar die verstrijkt op 6 oktober 2011.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/3


Lijsten om de samenstelling van de rechtsprekende formaties te bepalen

2010/C 317/06

Het Hof heeft in zijn vergadering van 12 oktober 2010 de in artikel 11 ter, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering bedoelde lijst voor het bepalen van de samenstelling van de Grote kamer vastgesteld als volgt:

 

A. Rosas

 

E. Jarašiūnas

 

R. Silva de Lapuerta

 

A. Prechal

 

K. Schiemann

 

M. Berger

 

E Juhász

 

D. Šváby

 

G. Arestis

 

M. Safjan

 

A. Borg Barthet

 

J.-J. Kasel

 

M. Ilešič

 

C. Toader

 

J. Malenovský

 

A. Arabadjiev

 

U. Lõhmus

 

T. von Danwitz

 

E. Levits

 

P. Lindh

 

A. Ó Caoimh

 

L. Bay Larsen

Het Hof heeft in zijn vergadering van 12 oktober 2010 de in artikel 11 quater, lid 2, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering bedoelde lijst voor het bepalen van de samenstelling van de Vierde kamer bestaande uit vijf rechters, vastgesteld als volgt:

Vierde kamer

 

K. Schiemann

 

E. Jarašiūnas

 

L. Bay Larsen

 

A. Prechal

 

C. Toader

Het Hof heeft in zijn vergadering van 12 oktober 2010 de in artikel 11 quater, lid 2, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering bedoelde lijst voor het bepalen van de samenstelling van de kamers bestaande uit drie rechters, vastgesteld als volgt:

Vijfde kamer

 

A. Borg Barthet

 

M. Ilešič

 

E. Levits

 

M. Safjan

 

M. Berger

Zesde kamer

 

A. Rosas

 

U. Lõhmus

 

A. Ó Caoimh

 

P. Lindh

Zevende kamer

 

R. Silva de Lapuerta

 

E. Juhász

 

G. Arestis

 

J. Malenovský

 

T. von Danwitz

Achtste kamer

 

L. Bay Larsen

 

C. Toader

 

A. Prechal

 

E. Jarašiūnas


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/4


Aanwijzing van de kamer belast met de zaken bedoeld in artikel 104 ter van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie

2010/C 317/07

Het Hof van Justitie heeft in zijn vergadering van 28 september 2010 voor een periode van een jaar die verstrijkt op 6 oktober 2011, de Eerste kamer van het Hof aangewezen als kamer die overeenkomstig artikel 9, lid 1, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering belast is met de in artikel 104 ter van dat reglement bedoelde zaken.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/4


Benoeming van de griffier

2010/C 317/08

Bij brief van 11 juni 2010 heeft de heer Roger Grass, griffier van het Hof van Justitie van de Europese Unie, verzocht, zijn ambt per 7 oktober 2010 te beëindigen.

Tijdens zijn algemene vergadering van 14 september 2010 heeft het Hof de heer Alfredo Calot Escobar overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van het Reglement voor de procesvoering tot griffier benoemd voor de periode van 7 oktober 2010 tot en met 6 oktober 2016.

De heer Calot Escobar heeft op de plechtige zitting van 6 oktober 2010 de in artikel 10 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie voorziene eed afgelegd.


Gerecht

20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/5


Eedaflegging door een nieuw lid van het Gerecht

2010/C 317/09

Na zijn benoeming tot rechter in het Gerecht van de Europese Unie bij besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie van 8 juli 2010 (1), voor de periode van 1 september 2010 tot en met 31 augustus 2016, heeft de heer Van der Woude voor het Hof de eed afgelegd op 13 september 2010.


(1)  PB L 186 van 20.7.2010


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/5


Eedaflegging door een nieuw lid van het Gerecht

2010/C 317/09

Na zijn benoeming tot rechter in het Gerecht van de Europese Unie bij besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie van 8 juli 2010 (1), voor de periode van 1 september 2010 tot en met 31 augustus 2016, heeft de heer Van der Woude voor het Hof de eed afgelegd op 13 september 2010.


(1)  PB L 186 van 20.7.2010


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/5


Toevoeging aan de kamers van de heer Gratsias

2010/C 317/11

Op 26 oktober 2010 heeft de voltallige conferentie van het Gerecht, gelet op de ambtsaanvaarding door rechter D. Gratsias, het besluit van de voltallige conferentie van 20 september 2010 inzake de toevoeging van de rechters aan de kamers gewijzigd.

Voor de periode van 26 oktober 2010 tot de datum van de ambtsaanvaarding door het Bulgaarse lid zijn de rechters aan de kamers toegevoegd als volgt:

 

Eerste kamer – uitgebreid, zetelend met vijf rechters:

J. Azizi, kamerpresident, E. Cremona, I. Labucka, S. Frimodt Nielsen en D. Gratsias, rechters.

 

Derde kamer – uitgebreid, zetelend met vijf rechters:

O. Czúcz, kamerpresident, E. Cremona, I. Labucka, S. Frimodt Nielsen en D. Gratsias, rechters.

 

Derde kamer, zetelend met drie rechters:

 

O. Czúcz, kamerpresident;

 

I. Labucka, rechter;

 

D. Gratsias, rechter.


V Adviezen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/6


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 september 2010 — Koninkrijk Zweden/Association de la presse internationale ASBL (API), Europese Commissie (C-514/07), Association de la presse internationale ASBL (API)/Europese Commissie (C-528/07), Europese Commissie/Association de la presse internationale ASBL (API) (C-532/07)

(Gevoegde zaken C-514/07 P, C-528/07 P en C-532/07 P) (1)

(Hogere voorziening - Recht op toegang tot documenten van instellingen - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Artikel 4, lid 2, tweede en derde streepje - Memories van Commissie in gerechtelijke procedures voor Hof en Gerecht - Besluit van Commissie om toegang te weigeren)

2010/C 317/12

Procestaal: Engels

Partijen

(C-514/07)

Rekwirant: Koninkrijk Zweden (vertegenwoordigers: S. Johannesson, A. Falk, K. Wistrand en K. Petkovska, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Association de la presse internationale ASBL (API) (vertegenwoordigers: S. Völcker en J. Heithecker, Rechtsanwälte, F. Louis, avocat, en C. O’Daly, solicitor), Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Docksey, V. Kreuschitz en P. Aalto, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verzoekende partij: Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordiger: B. Weis Fogh, gemachtigde), Republiek Finland (vertegenwoordiger: J. Heliskoski, gemachtigde)

(C-528/07)

Rekwirante: Association de la presse internationale ASBL (API) (vertegenwoordigers: S. Völcker, Rechtsanwalt, F. Louis, avocat, en C. O’Daly, solicitor)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Docksey, V. Kreuschitz en P. Aalto, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van verwerende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: E. Jenkinson en S. Behzadi-Spencer, gemachtigden, en J. Coppel, barrister)

(C-532/07)

Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Docksey, V. Kreuschitz en P. Aalto, gemachtigden)

Andere partij in de procedure: Association de la presse internationale ASBL (API) (vertegenwoordigers: S. Völcker, Rechtsanwalt, F. Louis, avocat, en C. O’Daly, solicitor)

Interveniënt aan de zijde van verzoekende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: E. Jenkinson en S. Behzadi-Spencer, gemachtigden, en J. Coppel, barrister)

Voorwerp

Hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Grote kamer) van 12 september 2007 in zaak T-36/04, Association de la presse internationale ASBL (API)/Commissie van de Europese Gemeenschappen, waarbij het Gerecht gedeeltelijk nietig heeft verklaard de beschikking van de Commissie van 20 november 2003 strekkende tot afwijzing van het door rekwirante gedane verzoek om toegang tot bepaalde memories die de Commissie heeft ingediend in het kader van bij het Hof en het Gerecht aanhangige procedures

Dictum

1)

De hogere voorzieningen worden afgewezen.

2)

Het Koninkrijk Zweden draagt zijn eigen kosten alsook die van de Europese Commissie in verband met de hogere voorziening in zaak C-514/07 P.

3)

De Association de la presse internationale ASBL (API) draagt haar eigen kosten alsook die van de Europese Commissie in verband met de hogere voorziening in zaak C-528/07 P.

4)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten alsook die van de Association de la presse internationale ASBL (API) in verband met de hogere voorziening in zaak C-532/07 P.

5)

Het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland dragen hun eigen kosten in verband met de hogere voorzieningen.


(1)  PB C 51 van 23.2.2008.

PB C 22 van 26.1.2008.

PB C 32 van 7.2.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/7


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 september 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het VAT and Duties Tribunal, London Tribunal Centre — Verenigd Koninkrijk) — EMI Group Ltd/The Commissioners of Her Majesty's Revenue & Customs

(Zaak C-581/08) (1)

(Zesde btw-richtlijn - Artikel 5, lid 6, tweede volzin - Begrip „monster” - Begrip „geschenken van geringe waarde” - Muziekopnames - Gratis verstrekking voor promotiedoeleinden)

2010/C 317/13

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

VAT and Duties Tribunal, London Tribunal Centre

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: EMI Group Ltd

Verwerende partij: The Commissioners of Her Majesty's Revenue & Customs

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — VAT and Duties Tribunal, London — Uitlegging van artikel 5, lid 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Onttrekkingen van goederen om voor bedrijfsdoeleinden te dienen als geschenken van geringe waarde of als monster — Begrip „monster” — Wezenlijke kenmerken — Muziekopnames in vorm van CD die gratis voor promotiedoeleinden worden weggegeven

Dictum

1)

Een „monster” in de zin van artikel 5, lid 6, tweede volzin, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, is een specimen van een product waarmee de verkoop daarvan moet worden bevorderd en aan de hand waarvan de eigenschappen en kwaliteiten van dit product kunnen worden beoordeeld zonder tot een ander eindgebruik te leiden dan aan dergelijke promotieactiviteiten inherent is. Dit begrip kan in algemene zin door een nationale regeling niet worden beperkt tot specimina die worden verstrekt in een niet voor verkoop beschikbare vorm of tot het eerste van een reeks identieke specimina die door een belastingplichtige aan dezelfde ontvanger worden verstrekt zonder dat op grond van deze regeling rekening kan worden gehouden met de aard van het vertegenwoordigde product en de commerciële context die eigen is aan elke transactie waarbij deze specimina worden verstrekt.

2)

Het begrip „geschenken van geringe waarde” in de zin van artikel 5, lid 6, tweede volzin, van de Zesde richtlijn (77/388) moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling waarbij een maximumbedrag wordt vastgesteld in de orde van grootte als is ingevoerd bij de wettelijke regeling waarom het in het hoofdgeding gaat, dat wil zeggen 50 GBP, voor geschenken die binnen een periode van twaalf maanden aan dezelfde persoon worden verstrekt dan wel deel uitmaken van een reeks of een opeenvolging van geschenken.

3)

Artikel 5, lid 6, tweede volzin, van de Zesde richtlijn (77/388) staat in de weg aan een nationale regeling die een vermoeden invoert dat goederen die „geschenken van geringe waarde” in de zin van deze bepaling vormen en die een belastingplichtige verstrekt aan verschillende personen die een gemeenschappelijke werkgever hebben, worden geacht aan dezelfde persoon te zijn verstrekt.

4)

Voor de beantwoording van de overige vragen maakt het niet uit wat de fiscale status van de ontvanger van monsters is.


(1)  PB C 55 van 07.03.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/8


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 30 september 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de Galicia — Spanje) — Pedro Manuel Roca Álvarez/Sesa Start España ETT SA

(Zaak C-104/09) (1)

(Sociale politiek - Gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers - Richtlijn 76/207/EEG - Artikelen 2 en 5 - Recht op verlof voor in loondienst werkzame moeders - Opneembaar door in loondienst werkzame moeder of in loondienst werkzame vader - Niet in loondienst werkzame moeder - In loondienst werkzame vader van recht op verlof uitgesloten)

2010/C 317/14

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Superior de Justicia de Galicia

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Pedro Manuel Roca Álvarez

Verwerende partij: Sesa Start España ETT SA

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunal Superior de Justicia de Galicia — Uitlegging van artikel 13 EG en van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/73 (PB L 269, blz. 25) — Nationale wettelijke regeling die ten gunste van de moeder in loondienst voorziet in een recht op borstvoedingsverlof, waarvan echter in de vorm van arbeidstijdverkorting gebruik kan worden gemaakt door de moeder of de vader — Uitgesloten indien de moeder als zelfstandige en de vader in loondienst werkzaam is — Beginsel van gelijke behandeling

Dictum

Artikel 2, leden 1, 3 en 4, en artikel 5 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale maatregel als die in het hoofdgeding, op grond waarvan in loondienst werkzame moeders, tot hun kind negen maanden oud is, recht hebben op een — in verschillende vormen opneembaar — verlof, terwijl in loondienst werkzame vaders dat verlof slechts kunnen genieten wanneer ook de moeder van dat kind arbeid in loondienst verricht.


(1)  PB C 141 van 20.6.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/8


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 september 2010 — Europese Commissie/Koninkrijk België

(Zaak C-132/09) (1)

(Niet-nakoming - Bevoegdheid van Hof - Statuut van Europese scholen - Akkoord inzake vestigingsplaats van 1962 - Overeenkomst van 1957 en verdrag van 1994 - Arbitragebeding - Artikel 10 EG - Financiering van Europese scholen - Uitgaven voor meubilair en didactisch materiaal)

2010/C 317/15

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J.-P. Keppenne en B. Eggers, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordiger: J.-C. Halleux, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van artikel 1, derde alinea, van het op 12 oktober 1962 tussen de Raad van bestuur van de Europese scholen en het Koninkrijk België ondertekende akkoord (hierna: „akkoord inzake de vestigingsplaats”) en van artikel 10 EG — Weigering van de Belgische autoriteiten om de uitgaven inzake meubilair en didactisch materiaal voor de Europese scholen ten laste te nemen — Rechtvaardigingsgronden die voortvloeien uit de interne rechtsorde — Ontbreken van latere akten of verklaringen van partijen in de zin van artikel 31, lid 3, sub a en b, van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht waarmee wordt teruggekomen op het akkoord inzake de vestigingsplaats

Dictum

1)

Het Hof van Justitie van de Europese Unie is onbevoegd om te beslissen op het beroep dat de Commissie krachtens artikel 226 EG heeft ingesteld op grond dat het Koninkrijk België de verplichtingen niet zou zijn nagekomen die op hem rusten krachtens het op 12 oktober 1962 tussen de raad van bestuur van de Europese school en de regering van het Koninkrijk België gesloten akkoord inzake de vestigingsplaats, gelezen in samenhang met artikel 10 EG.

2)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 153 van 4.7.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/9


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 30 september 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Fővárosi Bíróság — Republiek Hongarije) — József Uzonyi/Mezőgazdasági és Vidékfejlesztési Hivatal Központi Szerve

(Zaak C-133/09) (1)

(Landbouw - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Steunregelingen - Verordening (EG) nr. 1782/2003 - Artikel 143 ter bis - Afzonderlijke suikerbetaling - Toekenning - Beslissing van nieuwe lidstaten - Voorwaarden - Objectieve en niet-discriminerende criteria)

2010/C 317/16

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: József Uzonyi

Verwerende partij: Mezőgazdasági és Vidékfejlesztési Hivatal Központi Szerve

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Fővárosi Bíróság — Uitlegging van artikel 143 ter bis, lid 1, van verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270, blz. 1) — Verplichting voor de lidstaten om de afzonderlijke suikerbetaling op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria te verlenen — Nationale regeling waarbij die betaling uitsluitend wordt voorbehouden aan producenten die een contract voor levering van suikerbieten rechtstreeks met een suikerfabriek hebben gesloten

Dictum

Artikel 143 ter bis, lid 1, van verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 319/2006 van de Raad van 20 februari 2006, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling als die in het hoofdgeding, volgens welke een landbouwer die niet over leveringsrechten beschikt en suikerbieten aan een suikerfabrikant levert via een tussenpersoon die over deze rechten beschikt, van de afzonderlijke suikerbetaling wordt uitgesloten, terwijl deze regeling een afzonderlijke betaling toekent aan een landbouwer die over leveringsrechten beschikt en suikerbieten rechtstreeks aan een suikerfabrikant levert, alsook aan een landbouwer die niet over leveringsrechten beschikt, maar lid is van een producentenvereniging en via deze vereniging die over leveringsrechten beschikt, suikerbieten aan een suikerfabrikant levert.


(1)  PB C 153 van 4.7.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/9


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 september 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — Stadt Graz/Strabag AG, Teerag-Asdag AG, Bauunternehmung Granit GesmbH

(Zaak C-314/09) (1)

(Richtlijn 89/665/EEG - Overheidsopdrachten - Beroepsprocedures - Beroep tot schadevergoeding - Onrechtmatige gunning - Nationale aansprakelijkheidsregel gebaseerd op vermoeden van schuld van aanbestedende dienst)

2010/C 317/17

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberster Gerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Stadt Graz

Verwerende partij: Strabag AG, Teerag-Asdag AG, Bauunternehmung Granit GesmbH

In tegenwoordigheid van: Land Steiermark

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberster Gerichtshof — Uitlegging van de artikelen 1, lid 1, en 2, leden 1, sub c, en 7, van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB L 395, blz. 33) — Gunning van een overheidsopdracht overeenkomstig een beslissing van de rechter in hoger beroep die verbindend is voor de aanbestedende dienst — Onrechtmatigheid van de gunning van de overheidsopdracht wegens schending van de nationale regelgeving — Voorwaarden voor een beroep tot schadevergoeding — Beginsel van doeltreffendheid

Dictum

Richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling die het recht op schadevergoeding wegens schending door een aanbestedende dienst van het recht inzake overheidsopdrachten doet afhangen van de vraag of deze dienst schuld had aan de schending, ook wanneer de toepassing van die regeling berust op een vermoeden van schuld van deze aanbestedende dienst en op de onmogelijkheid voor deze dienst om zich op het ontbreken van individuele bekwaamheden en daarmee op subjectieve verwijtbaarheid van de gestelde schending te beroepen.


(1)  PB C 267 van 7.11.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/10


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 september 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Baranya Megyei Bíróság — Republiek Hongarije) — Uszodaépítő Kft/APEH Központi Hivatal Hatósági Főosztály

(Zaak C-392/09) (1)

(Zesde btw-richtlijn - Richtlijn 2006/112/EG - Recht op aftrek van voorbelasting - Nieuwe nationale regeling - Vereisten inzake inhoud van factuur - Toepassing met terugwerkende kracht - Verval van recht op aftrek)

2010/C 317/18

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Baranya Megyei Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Uszodaépítő Kft

Verwerende partij: APEH Központi Hivatal Hatósági Főosztály

Voorwerp

Uitlegging van de artikelen 17 en 20 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), alsook van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht — Nieuwe nationale btw-regeling waarbij belastingplichtigen het recht hebben om te kiezen voor de toepassing van deze regeling, zelfs met terugwerkende kracht, op zaken die lopen op het tijdstip van inwerkingtreding daarvan — Toepassing met terugwerkende kracht, op verbeurte van het recht op aftrek, van de nieuwe voorschriften inzake de inhoud van de factuur

Dictum

De artikelen 167, 168 en 178 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing met terugwerkende kracht van een nationale wettelijke regeling die, in het kader van een verleggingsregeling, voor aftrek van belasting over de toegevoegde waarde over bouwwerkzaamheden vereist dat de facturen voor die handelingen worden gecorrigeerd en dat een aanvullende, gecorrigeerde aangifte wordt ingediend, terwijl de betrokken belastingautoriteit over alle nodige gegevens beschikt om vast te stellen dat de belastingplichtige voor wie de betrokken handelingen zijn verricht, tot voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde gehouden is, en om het bedrag van de aftrekbare belasting te verifiëren.


(1)  PB C 11 van 16.1.2010.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/10


Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 30 september 2010 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny Izba Finansowa Wydział I — Polen) — Oasis East sp. z o.o./Minister Finansów

(Zaak C-395/09) (1)

(Zesde btw-richtlijn - Richtlijn 2006/112/EG - Toetreding van nieuwe lidstaat - Recht op aftrek van voorbelasting - Nationale regeling waarbij recht op aftrek van belasting over bepaalde diensten wordt uitgesloten - Handelspartners die in als „belastingparadijs” gekwalificeerd gebied zijn gevestigd - Bevoegdheid van lidstaten om ten tijde van inwerkingtreding van Zesde btw-richtlijn bestaande regels inzake uitsluiting van recht op aftrek te handhaven)

2010/C 317/19

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Naczelny Sąd Administracyjny Izba Finansowa Wydział I

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Oasis East sp. z o.o.

Verwerende partij: Minister Finansów

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Naczelny Sąd Administracyjny — Uitlegging van artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), alsmede van artikel 176 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Nationale regeling die reeds vóór de toetreding van kracht was en waarbij het recht wordt uitgesloten op aftrek van de belasting over de diensten in verband waarmee de vergoeding wordt betaald aan een rechtssubject dat zijn woonplaats, zetel of hoofdkantoor heeft in een als „belastingparadijs” bestempeld gebied

Dictum

Artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, waarvan de bepalingen in wezen zijn overgenomen in artikel 176 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moet aldus worden uitgelegd dat op grond daarvan niet is toegestaan een nationale wetgeving te handhaven die bij de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn (77/388) in de betrokken lidstaat van toepassing was, en algemeen het recht uitsluit op aftrek van voorbelasting die is voldaan bij de verwerving van ingevoerde diensten, in verband waarmee de vergoeding direct of indirect wordt betaald aan een persoon die in een in deze wetgeving als „belastingparadijs” gekwalificeerd land of gebied is gevestigd.


(1)  PB C 312 van 19.12.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/11


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 30 september 2010 — Evets Corp./Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

(Zaak C-479/09 P) (1)

(Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Woordmerk DANELECTRO - Beeldmerk QWIK TUNE - Aanvraag voor vernieuwing van inschrijving van merk - Verzoek om herstel in vorige toestand - Niet-inachtneming van termijn voor indiening van aanvraag voor vernieuwing van inschrijving van merk)

2010/C 317/20

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Evets Corp. (vertegenwoordiger: S. Ryan, Solicitor)

Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 23 september 2009, Evets/BHIM (gevoegde zaken T-20/08 en T-21/08), waarbij het Gerecht heeft verworpen een beroep tot vernietiging van beslissing R 603/2007-4 van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 5 november 2007 waarbij het beroep tegen de beslissing van de afdeling merkenadministratie en juridische aangelegenheden is verworpen met de verklaring dat het verzoek om herstel in de vorige toestand dat rekwirant had ingediend teneinde met betrekking tot de vernieuwing van het woordmerk „DANELECTRO” in zijn rechten te worden hersteld, wegens te late indiening werd geacht niet te zijn ingediend — Niet-inachtneming van de termijn voor indiening van de aanvraag voor vernieuwing van merken

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Evets Corp. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/11


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 30 september 2010 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek

(Zaak C-481/09) (1)

(Niet-nakoming - Milieu - Richtlijn 2006/7/EG - Zwemwaterkwaliteit - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

2010/C 317/21

Procestaal: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: S. Pardo Quintillán en M. Thomannová-Körnerová, gemachtigden)

Verwerende partij: Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: M. Smolek en J. Jirkalová, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Verzuim om binnen de gestelde termijn de bepalingen vast te stellen of mee te delen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van richtlijn 76/160/EEG (PB L 64, blz. 37)

Dictum

1)

Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van richtlijn 76/160/EEG, is de Tsjechische Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

De Tsjechische Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 24 van 30.1.2010.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/12


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 23 september 2010 — Europese Commissie/Helleense Republiek

(Zaak C-24/10) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 2006/46/EG - Vennootschapsrecht - Jaarrekening en geconsolideerde jaarrekening van vennootschappen - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

2010/C 317/22

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Karanasou Apostolopoulou en G. Braun, gemachtigden)

Verwerende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordiger: N. Dafniou, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Verzuim om binnen de gestelde termijn de bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 tot wijziging van de richtlijnen 78/660/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, 83/349/EEG van de Raad betreffende de geconsolideerde jaarrekening, 86/635/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen en 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen (PB L 224, blz. 1)

Dictum

1)

Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 tot wijziging van de richtlijnen 78/660/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, 83/349/EEG van de Raad betreffende de geconsolideerde jaarrekening, 86/635/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen en 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen, is de Helleense Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 63 van 13.3.2010.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/12


Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 30 september 2010 — Europese Commissie/Koninkrijk België

(Zaak C-36/10) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijnen 96/82/EG en 2003/105/EG - Beheersing van gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken - Artikel 12, lid 1, tweede alinea - Onjuiste uitvoering)

2010/C 317/23

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Sipos en J.-B. Laignelot, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordiger: T. Materne, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Verzuim om de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PB 1997, L 10, blz. 13), zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2003 (PB L 345, blz. 97)

Dictum

1)

Door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de juiste omzetting van artikel 12, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2003, is het Koninkrijk België de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 80 van 27.3.2010.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Mora Kommun (Zweden) op 21 augustus 2009 — Dan Bengtsson/Tele2 Sverige AB, Telenor Sverige AB, TeliaSonera Mobile Networks AB, Teracom

(Zaak C-344/09)

()

2010/C 317/24

Procestaal: Zweeds

Verwijzende rechter

Mora Kommun

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Dan Bengtsson

Verwerende partij: Tele2 Sverige AB, Telenor Sverige AB, TeliaSonera Mobile Networks AB, Teracom

Prejudiciële vraag

Het milieu- en gezondheidscomité van de gemeente Mora verzoekt om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van aanbeveling 1999/519/EG (1) van de Raad in verhouding tot artikel 174, lid 2, EG. De vraag luidt of de in de aanbeveling gegeven referentieniveaus voor elektromagnetische velden moeten worden opgevat als een leidraad voor de toepassing van het voorzorgsbeginsel dan wel of dat beginsel als een aanvulling op die aanbeveling geldt.


(1)  Aanbeveling van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz-300 GHz (PB L 199, blz. 59).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/13


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Magyar Köztársaság Legfelsőbb Bíróság (Hongarije) op 28 juli 2010 — VALE Építési Kft.

(Zaak C-378/10)

()

2010/C 317/25

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Magyar Köztársaság Legfelsőbb Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: VALE Építési Kft.

Prejudiciële vragen

1)

Is de lidstaat van ontvangst verplicht tot naleving van de artikelen 43 EG en 48 EG wanneer een in een andere lidstaat (de lidstaat van oorsprong) opgerichte vennootschap haar zetel verplaatst naar de lidstaat van ontvangst en tegelijkertijd daartoe haar inschrijving in het handelsregister van de lidstaat van oorsprong wordt doorgehaald, de eigenaren van de vennootschap een nieuwe oprichtingsakte opstellen in overeenstemming met het recht van de lidstaat van ontvangst en de vennootschap verzoekt om inschrijving in het handelsregister van de lidstaat van ontvangst in overeenstemming met het recht van die lidstaat?

2)

Ingeval de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: moeten in het hierboven beschreven geval de artikelen 43 EG en 48 EG aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een regeling of praktijk van een lidstaat (de lidstaat van ontvangst) die een in ongeacht welke andere lidstaat (de lidstaat van oorsprong) wettig opgerichte vennootschap belet om haar zetel te verplaatsen naar de lidstaat van ontvangst en aldaar haar activiteiten voort te zetten in overeenstemming met het recht van laatstgenoemde lidstaat?

3)

Is het voor het antwoord op de tweede vraag van belang om welke reden de lidstaat van ontvangst de inschrijving van de vennootschap in het handelsregister weigert, in concreto:

dat de vennootschap in de in de lidstaat van ontvangst opgestelde oprichtingsakte als rechtsvoorgangster de in de lidstaat van oorsprong opgerichte vennootschap heeft doen vermelden waarvan de inschrijving in het handelsregister is doorgehaald, en verzoekt om inschrijving van die vennootschap als haar rechtsvoorgangster in het handelsregister van de lidstaat van ontvangst?

Is de lidstaat van ontvangst in het geval van intracommunautaire internationale omzetting verplicht om voor de beslissing op het verzoek om inschrijving van de vennootschap in het handelsregister rekening te houden met de handeling waarmee de lidstaat van oorsprong de verplaatsing van de zetel in zijn handelsregister heeft ingeschreven, en, zo ja, in welke mate?

4)

Mag de lidstaat van ontvangst met toepassing van zijn vennootschapsrechtelijke bepalingen betreffende de omzetting van vennootschappen op nationaal niveau, beslissen op het verzoek om inschrijving in zijn handelsregister dat is gedaan door een vennootschap die een intracommunautaire internationale omzetting verricht, en daarbij van die vennootschap verlangen dat zij voldoet aan alle vereisten die zijn vennootschapsrecht voor nationale omzettingen stelt (bijvoorbeeld het opstellen van een balans en een inventaris van de activa), of is hij daarentegen op grond van de artikelen 43 EG en 48 EG verplicht om onderscheid te maken tussen intracommunautaire internationale omzettingen en nationale omzettingen, en, zo ja, in welke mate?


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/14


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hof van Cassatie van België op 29 juli 2010 — Jan Voogsgeerd tegen Navimer SA

(Zaak C-384/10)

()

2010/C 317/26

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van Cassatie van België

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: Jan Voogsgeerd

Verweerster: Navimer SA

Prejudiciële vragen

1)

Moet met het land waar zich de vestiging bevindt die de werknemer in dienst heeft genomen in de zin van artikel 6.2. b) van het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, voor ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (1), worden verstaan het land waar zich de vestiging van de werkgever bevindt, die volgens de arbeidsovereenkomst de werknemer in dienst heeft genomen, dan wel het land waar zich de vestiging van de werkgever bevindt, waaraan de werknemer voor zijn effectieve tewerkstelling is verbonden, ook al verricht deze zijn arbeid niet gewoonlijk in eenzelfde land?

2)

Moet de plaats waar de werknemer, die zijn werk niet gewoonlijk in een zelfde land verricht, zich dient aan te melden en de administratieve onderrichtingen, alsmede de instructies voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden ontvangt, te worden aangezien als de plaats van effectieve tewerkstelling in de zin van de eerste vraag?

3)

Moet de vestiging van de werkgever waaraan de werknemer voor zijn effectieve tewerkstelling is verbonden in de zin van de eerste vraag, beantwoorden aan bepaalde formele vereisten zoals ondermeer het bezit van rechtspersoonlijkheid of volstaat daartoe het bestaan van een feitelijke vestiging?

4)

Kan de vestiging van een andere vennootschap, met wie de vennootschapwerkgever bindingen heeft, dienst doen als vestiging in de zin van de derde vraag, ook al is het werkgeversgezag niet overgedragen aan die andere vennootschap?


(1)  PB 1980, L 266, p. 1.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/14


Hogere voorziening ingesteld op 4 augustus 2010 door Bouygues SA en Bouygues Télécom SA tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer — uitgebreid) van 21 mei 2010 in de gevoegde zaken T-425/04, T-444/04, T-450/04 en T-456/04, Frankrijk e.a./Commissie

(Zaak C-399/10 P)

()

2010/C 317/27

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwiranten: Bouygues SA, Bouygues Télécom SA (vertegenwoordigers: J. Vogel, F. Sureau, D. Theophile, avocats)

Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Franse Republiek, France Télécom SA, Association française des opérateurs de réseaux et services de télécommunications (AFORS Télécom)

Conclusies

vernietiging van het arrest van het Gerecht van 21 mei 2010 in de gevoegde zaken T-425/04, T-444/04, T-450/04 en T-456/04;

toewijzing van de door de vennootschappen Bouygues SA en Bouygues Télécom SA geformuleerde vorderingen, te weten: 1) nietigverklaring van artikel 1 van beschikking 2006/621/EG van de Commissie (1) uitsluitend voor zover daarbij impliciet maar noodzakelijk is geweigerd de door de Franse staat in juli, september en oktober 2002 afgelegde verklaringen als steun aan te merken, en 2) nietigverklaring van artikel 2 van de beschikking, zodat de Franse staat verplicht is de vastgestelde steun van de vennootschap France Télécom terug te vorderen;

subsidiair, voor het geval het Hof zou oordelen dat het geding niet in staat van wijzen is, de zaak naar het Gerecht terugwijzen voor een nieuwe uitspraak in de gevoegde zaken T-425/04, T-444/04, T-450/04 en T-456/04 met inaanmerkingneming van de door het Hof geformuleerde rechtsopvatting;

de Commissie, de vennootschap France Télécom en de Franse staat verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren Bouygues en Bouygues Télécom twee middelen aan.

Als eerste middel, dat uit drie onderdelen bestaat, voeren rekwiranten aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn bevestiging van de analyse van de Commissie dat de door de Franse staat in juli, september en oktober 2002 afgelegde verklaringen, afzonderlijk noch tezamen, een of meer staatssteunmaatregelen vormden. Het Gerecht zou het begrip gebruik van staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU verkeerd hebben opgevat door te oordelen dat steunverklaringen slechts gebruik van overheidsmiddelen kunnen inhouden indien zij de vorm en het bedrag van de voorgenomen steun nader aangeven en onmiddellijk van toepassing, zeker en juridisch verbindend zijn (eerste onderdeel). Bovendien zou het Gerecht de voor de Commissie aangevoerde nationale rechtsregels verkeerd hebben opgevat door erop te wijzen dat ook volgens deze regels steunbeloften slechts verbindend zijn indien zij de modaliteiten en het bedrag van de beloofde steun nauwkeurig aangeven en niet afhankelijk zijn gesteld van de voorwaarde dat de schuldenaar zijn betalingsverplichtingen niet kan nakomen, terwijl volgens het nationale recht de belofte van een resultaat volstaat om de belover te verbinden. De voorwaarde betreffende het ontstaan van financiële moeilijkheden zou een garantieverbintenis niet in de weg staan en de omstandigheid dat de staat door zijn gedragingen de overtuiging doet ontstaan dat hij op een bepaalde wijze zal handelen, zou tot aansprakelijkheid van de staat kunnen leiden (tweede onderdeel). Ten slotte zou het Gerecht het begrip gebruik van staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU verkeerd hebben opgevat door te oordelen dat een dergelijk gebruik niet kan voortvloeien uit de reactie van de markten die voor de staat de feitelijke verplichting zou meebrengen om de financieringsproblemen van France Télécom te verhelpen (derde onderdeel).

Als tweede middel, dat uit twee onderdelen bestaat, voeren rekwiranten aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het als steun aanmerken van het aandeelhoudersvoorschot dat de staat in december 2002 in de vorm van een kredietlijn van 9 miljard EUR aan France Télécom heeft verleend. In dit verband wijzen Bouygues en Bouygues Télécom er in de eerste plaats op dat het Gerecht het begrip steun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU verkeerd heeft opgevat door te oordelen dat het voordeel dat uit de aankondiging van de opening van een kredietlijn voortvloeit, niet nauw genoeg met de uit deze opening voortvloeiende overdracht van geldmiddelen is verbonden om tot het bestaan van staatssteun te kunnen concluderen. Rekwiranten stellen dat het Gerecht ten onrechte eist dat het voordeel en het gebruik van de geldmiddelen samenvallen.

In de tweede plaats wijzen rekwiranten erop dat het Gerecht het begrip steun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU verkeerd heeft opgevat door het ter beschikking van France Télécom stellen van het bedrag van 9 miljard EUR buiten zijn context te beschouwen voor zijn conclusie dat dit geen specifiek voordeel in de vorm van een verhoging van de France Télécom ter beschikking staande financiële middelen opleverde, en door voor zijn oordeel of er sprake is van een dergelijk voordeel, geen rekening te houden met het vertrouwenwekkend effect van die maatregelen.


(1)  Beschikking 2006/621/EG van de Commissie van 2 augustus 2004 betreffende de door Frankrijk ten uitvoer gelegde steunmaatregel ten gunste van France Télécom (PB L 257, blz. 11).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/15


Hogere voorziening ingesteld op 5 augustus 2010 door Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer — uitgebreid) van 21 mei 2010 in de gevoegde zaken T-425/04, T-444/04, T-450/04 en T-456/04, Frankrijk e.a./Commissie

(Zaak C-401/10 P)

()

2010/C 317/28

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Giolito, D. Grespan en S. Thomas, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Franse Republiek, France Télécom SA, Bouygues SA, Bouygues Télécom SA, Association française des opérateurs de réseaux et services de télécommunications (AFORS Télécom)

Conclusies

het bij faxbericht van 25 mei 2010 aan de Commissie officieel ter kennis gebrachte arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Derde kamer — uitgebreid) van 21 mei 2010 in de gevoegde zaken T-425/04, T-444/04, T-450/04 en T-456/04 vernietigen voor zover daarbij:

artikel 1 van beschikking 2006/621/EG van de Commissie van 2 augustus 2004 betreffende de door Frankrijk ten uitvoer gelegde steunmaatregel ten gunste van France Télécom (1) nietig is verklaard;

de Commissie is verwezen in haar eigen kosten alsmede in die welke de Franse Republiek en France Télécom in de zaken T-425/04 en T-444/04 zijn opgekomen;

de zaak voor een nieuwe behandeling naar het Gerecht terugwijzen;

de beslissing omtrent de kosten aanhouden.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert de Commissie drie middelen aan.

Als eerste middel voert de Commissie aan dat het arrest van het Gerecht op verschillende punten een tegenstrijdige motivering bevat. Dit is met name het geval waar het Gerecht in het bestreden arrest oordeelt dat de verklaringen, daaronder begrepen de aankondiging van het aandeelhoudersvoorschot op 4 december 2002, als een geheel kunnen worden beoordeeld om uit maken of France Télécom een voordeel heeft gekregen, terwijl het om uit te maken of staatsmiddelen op het spel waren gezet, van mening is dat er een diepe kloof is tussen de aankondiging van het aandeelhoudersvoorschot en de verschillende verklaringen van de staat die daaraan zijn voorafgegaan.

Als tweede middel, dat uit vier onderdelen bestaat, voert de Commissie aan dat het Gerecht in verschillende opzichten artikel 87, lid 1, EG juncto artikel 230 EG heeft geschonden. Zo zou het Gerecht het begrip steun verkeerd hebben opgevat door te eisen dat het voordeel nauw verknocht is met het op het spel staan van staatsmiddelen (eerste onderdeel), door niet te willen erkennen dat de aankondiging en het aanbieden van een aandeelhoudersvoorschot door de Franse staat aan France Télécom staatsmiddelen op het spel zette (tweede onderdeel), en door het criterium van de voorzichtige particuliere investeerder niet te hanteren om uit te maken of France Télécom een voordeel had gekregen (derde onderdeel). Bovendien zou het Gerecht zijn voorbijgegaan aan de beoordelingsmarge die de Commissie bij het verrichten van ingewikkelde economische analyses heeft, en aan die beoordelingsmarge ook zijn voorbijgegaan bij het beoordelen van de opportuniteit van de betrokken beschikking (vierde onderdeel).

Als derde middel stelt de Commissie dat het Gerecht de bestreden beschikking onjuist heeft opgevat door te oordelen dat zij het bestaan van een afzonderlijk voordeel voortvloeiend uit het aanbieden van een kredietlijn van 9 miljard EUR aan France Télécom nader had moeten motiveren, en door een diepe kloof vast te stellen tussen de sinds juli 2002 afgelegde verklaringen en de aankondiging van het aandeelhoudersvoorschot op 4 december 2002.


(1)  PB L 257, blz. 11.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 25 augustus 2010 — Finanzamt Deggendorf/Markus Stoppelkamp, als curator van het vermogen van Harald Raab

(Zaak C-421/10)

()

2010/C 317/29

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Finanzamt Deggendorf

Verwerende partij: Markus Stoppelkamp, als curator van het vermogen van Harald Raab

Prejudiciële vraag

Is een belastingplichtige reeds een „in het buitenland gevestigde belastingplichtige” in de zin van artikel 21, lid 1, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (1) wanneer hij de zetel van zijn bedrijfsuitoefening in het buitenland heeft gevestigd, of geldt daarvoor de extra voorwaarde dat zijn particuliere woonplaats niet in het binnenland is gelegen?


(1)  PB L 145, blz. 1.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (Duitsland) op 27 augustus 2010 — Delphi Deutschland GmbH/Hauptzollamt Düsseldorf

(Zaak C-423/10)

()

2010/C 317/30

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Düsseldorf

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Delphi Deutschland GmbH

Verwerende partij: Hauptzollamt Düsseldorf

Prejudiciële vraag

Vallen de in de beschikking nader omschreven elektrische verbindingsstukken onder postonderverdeling 8536 69 van de gecombineerde nomenclatuur in de versies van de verordeningen (EG) nr. 1810/2004 van de Commissie van 7 september 2004 (1), nr. 1719/2005 van de Commissie van 27 oktober 2005 (2) en nr. 1549/2006 van de Commissie van 17 oktober 2006 (3), die zijn vastgesteld tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijke douanetarief?


(1)  PB L 327, blz. 1.

(2)  PB L 286, blz. 1.

(3)  PB L 301, blz. 1.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Administrativen sad Sofia-grad (Bulgarije) op 6 september 2010 — Peter Aladzhov/Zamestnik direktor na Stolichna direktsia na vatreshnite raboti kam Ministerstvo na vatreshnite raboti

(Zaak C-434/10)

()

2010/C 317/31

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Administrativen sad Sofia-grad

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Peter Aladzhov

Verwerende partij: Zamestnik direktor na Stolichna direktsia na vatreshnite raboti kam Ministerstvo na vatreshnite raboti

Prejudiciële vragen

1)

Dient in de omstandigheden van het hoofdgeding het verbod om het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie te verlaten, dat is opgelegd aan een onderdaan van die lidstaat in zijn hoedanigheid van directielid van een naar het recht van die staat ingeschreven handelsvennootschap wegens niet-vereffende schulden van die vennootschap aan de staat, te worden beschouwd als een beperking om redenen van „openbare orde”, als neergelegd in artikel 27, lid 1, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, voor zover tegelijkertijd sprake is van de volgende omstandigheden:

1.1.

in de grondwet van de betrokken lidstaat is niet voorzien in een beperking van het vrije verkeer van natuurlijke personen om redenen van bescherming van de openbare orde;

1.2.

de grond „openbare orde”, als grondslag voor de oplegging van het genoemde verbod, is opgenomen in een nationale wet die is vastgesteld om een andere handeling van de Europese Unie om te zetten in nationaal recht;

1.3.

de grond „openbare orde”, in de zin van genoemde bepaling van de richtlijn, omvat tevens de grond „bescherming van de rechten van andere onderdanen” wanneer een maatregel is genomen om de begrotingsinkomsten van de lidstaat door invordering van schulden te waarborgen?

2)

Staan de beperkingen en voorwaarden die gelden bij de uitoefening van het recht van vrij verkeer van de burgers van de Unie, alsmede de ter uitvoering ervan krachtens het unierecht vastgestelde bepalingen, in de omstandigheden van het hoofdgeding een nationale wettelijke regeling toe, krachtens welke de betrokken lidstaat aan een van zijn onderdanen, in zijn hoedanigheid van directielid van een naar het recht van die lidstaat ingeschreven handelsvennootschap, wegens schulden aan die staat die naar diens recht als „aanzienlijke” schulden worden beschouwd, de bestuurlijke dwangmaatregel „verbod het land te verlaten” oplegt, wanneer die schuld kan worden ingevorderd onder toepassing van de procedure van samenwerking tussen de lidstaten overeenkomstig richtlijn 2008/55/EG van de Raad van 26 mei 2008 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten en belastingen, alsmede uit andere maatregelen, alsmede verordening nr. 1179/2008 van de Commissie van 28 november 2008 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften voor sommige bepalingen van richtlijn 2008/55/EG?

3)

Dienen het evenredigheidsbeginsel en de beperkingen en voorwaarden die gelden bij de uitoefening van het recht van vrij verkeer van de burgers van de Unie, alsmede de ter uitvoering ervan krachtens het unierecht vastgestelde bepalingen, meer bepaald de criteria van artikel 27, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, in de omstandigheden van het hoofdgeding aldus te worden uitgelegd dat zij in geval van schulden aan de schatkist van een in die staat ingeschreven handelsvennootschap, die naar diens recht als „aanzienlijke” schulden worden beschouwd, er niet aan in de weg staan dat het een natuurlijke persoon die directielid van de betrokken vennootschap is, verboden wordt die lidstaat te verlaten, voor zover tegelijkertijd sprake is van de volgende omstandigheden:

3.1.

er is sprake van een „aanzienlijke” schuld aan de staat die als een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving wordt beschouwd en die voor de wetgever aanleiding was de specifieke bestuurlijke maatregel „verbod het land te verlaten” in te voeren;

3.2.

er vindt geen toetsing plaats van omstandigheden die verband houden met het persoonlijke gedrag van het directielid en een beperking van zijn grondrechten, zoals zijn recht op uitoefening, in het kader van een andere rechtsverhouding, van een beroepsactiviteit die met reizen naar het buitenland gepaard gaat;

3.3.

er vindt na de oplegging van het verbod geen beoordeling plaats van de gevolgen voor de commerciële activiteit van de schuldplichtige vennootschap en de mogelijkheden tot vereffening van de schuld aan de staat;

3.4.

het verbod wordt opgelegd naar aanleiding van een verzoek dat bindend is indien hierin wordt vastgesteld dat sprake is van een „aanzienlijke” schuld van een bepaalde handelsvennootschap, dat geen zekerheid is gesteld voor het hoofdbedrag en de rente en dat de persoon waartegen om oplegging van het verbod wordt verzocht, deel uitmaakt van de directie van die handelsvennootschap;

3.5.

het verbod is van kracht totdat de schuld aan de staat volledig is vereffend of daarvoor zekerheid is gesteld, zonder dat de adressaat bij de instantie die het verbod heeft opgelegd om toetsing van dit verbod kan verzoeken en zonder dat rekening wordt gehouden met de termijnen voor de verjaring van de schuld?


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/18


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Centrale Raad van Beroep (Nederland) op 13 september 2010 — J.C. van Ardennen tegen Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(Zaak C-435/10)

()

2010/C 317/32

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Centrale Raad van Beroep

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: J.C. van Ardennen

Verweerder: Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)

Prejudiciële vragen

1)

Moet de insolventierichtlijn (1), in het bijzonder de artikelen 4, 5 en 10 van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat daarmee reeds in het algemeen onverenigbaar is een nationale regeling die werknemers, in geval van insolventie van hun werkgever voor het (volledig) geldend maken van hun recht op overneming van onvervulde loonaanspraken, verplicht uiterlijk op de eerste werkdag na de dag waarop de dienstbetrekking is opgezegd of redelijkerwijs had moeten worden opgezegd, zich te laten registreren als werkzoekende? Zo nee:

2)

Moet de insolventierichtlijn, in het bijzonder de artikelen 4, 5 en 10 van de richtlijn, aldus worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is een nationale regeling die deze registratieverplichting ook oplegt aan werknemers die tijdens de opzegtermijn activiteiten in eigen bedrijf of beroep zijn gaan verrichten?

3)

Moet de insolventierichtlijn, in het bijzonder de artikelen 4, 5 en 10 van die richtlijn, aldus worden uitgelegd dat daarmee onverenigbaar is een nationale regeling op grond waarvan niet (tijdige) naleving van deze registratieverplichting kan leiden tot het gedeeltelijk niet uitbetalen van de insolventie-uitkering, waarbij voor de hoogte en de duur van de maatregel mede bepalend is het tijdstip waarop die verplichting alsnog wordt nagekomen?


(1)  Richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283, blz. 23).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/18


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Judicial de Vieira do Minho (Portugal) op 13 september 2010 — Manuel Afonso Esteves/Axa — Seguros de Portugal SA

(Zaak C-437/10)

()

2010/C 317/33

Procestaal: Portugees

Verwijzende rechter

Tribunal Judicial de Vieira do Minho

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Manuel Afonso Esteves

Verwerende partij: Axa — Seguros de Portugal SA

Prejudiciële vraag

Staat het gemeenschapsrecht, inzonderheid artikel 3, lid 1, van de Eerste richtlijn (72/166/EEG) (1), artikel 2, lid 1, van de Tweede richtlijn (84/5/EEG) (2) en artikel 1 van de Derde richtlijn (90/232/EEG) (3), zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, eraan in de weg dat in geval van een aanrijding tussen voertuigen waaraan geen van de bestuurders schuld heeft en waarbij een van de bestuurders (de benadeelde die schadevergoeding vordert) lichamelijke en materiële schade heeft geleden, de risicoaansprakelijkheid kan worden verdeeld (artikel 506, leden 1 en 2, Código Civil), wat rechtstreekse gevolgen heeft voor het bedrag van de schadevergoeding die aan de benadeelde moet worden toegekend voor de uit zijn lichamelijke letsels voortvloeiende materiële en immateriële schade (aangezien deze verdeling van de risicoaansprakelijkheid een evenredige vermindering van het bedrag van de schadevergoeding impliceert)?


(1)  Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (PB L 103, blz. 1).

(2)  Tweede richtlijn (84/5/EEG) van de Raad van 30 december 1983 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB 1984 L 8, blz. 17).

(3)  Derde richtlijn (90/232/EEG) van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (PB L 129, blz. 33).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het tribunal administratif de Limoges (Frankrijk) op 14 september 2010 — Philippe Bonnarde/Agence de Services et de Paiement

(Zaak C-443/10)

()

2010/C 317/34

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal administratif de Limoges

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Philippe Bonnarde

Verwerende partij: Agence de Services et de Paiement

Prejudiciële vragen

1)

Verzet het recht van de Europese Unie, in het bijzonder de bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie die het vrije verkeer moeten waarborgen, en die van richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/127/EG (2), zich tegen de wettelijke regeling van een lidstaat die voor de inschrijving van motorvoertuigen een bijzonder document invoert zoals een kentekenbewijs waarop de vermelding „demonstratievoertuig” is aangebracht, dat kan worden geacht geen betrekking te hebben op de tijdelijke inschrijving in de zin van artikel 1 van richtlijn 1999/37/EG, en dat het bijgevolg eraan in de weg staat dat voor de verlening van een voordeel de overlegging van een dergelijk document wordt verlangd?

2)

Indien de voorgaande vraag ontkennend wordt beantwoord, brengen deze bepalingen dan mee dat bij de aanschaf van een voertuig in een andere lidstaat de toepassing van een nationale regeling die voor de verlening van een steun bij de aanschaf van „schone” auto’s die reeds waren ingeschreven, verlangt dat het desbetreffende kentekenbewijs op grond van de regeling van de lidstaat de vermelding „demonstratievoertuig” bevat, achterwege moet blijven wanneer de verkoper van dat voertuig zelf niet van deze steun heeft kunnen genieten en:

hetzij de verkrijger een kentekenbewijs overlegt dat in de andere lidstaat is afgegeven en speciaal voor demonstratievoertuigen is bestemd;

hetzij het voertuig de kenmerken vertoont, onder meer betreffende de datum waarop het voor het eerst tot het wegverkeer is toegelaten, die de nationale regeling verlangt voor de erkenning als demonstratievoertuig.


(1)  PB L 138, blz. 57.

(2)  Richtlijn 2003/127/EG van de Commissie van 23 december 2003 tot wijziging van richtlijn 1999/37/EG van de Raad inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (PB 2004, L 10, blz. 29).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 15 september 2010 — Finanzamt Lüdenscheid/Christel Schriever

(Zaak C-444/10)

()

2010/C 317/35

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Finanzamt Lüdenscheid

Verwerende partij: Christel Schriever

Prejudiciële vragen

1)

Is er sprake van „overgang” van het geheel van een algemeenheid van goederen in de zin van artikel 5, lid 8, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (1), wanneer een ondernemer de goederenvoorraad en de inrichting van zijn detailhandelszaak aan een verkrijger overdraagt, doch de winkelruimte zelf, waarvan hij eigenaar is, enkel aan hem verhuurt?

2)

Is hierbij van belang of het gebruik van de winkelruimte berust op een langlopende huurovereenkomst, dan wel of de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is afgesloten en door beide partijen op korte termijn kan worden opgezegd?


(1)  PB L 145, blz. 1.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/20


Hogere voorziening ingesteld op 15 september 2010 door ThyssenKrupp Acciai Speciali Terni SpA tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 1 juli 2010 in zaak T-62/08, ThyssenKrupp Acciai Speciali Terni SpA/Europese Commissie

(Zaak C-448/10 P)

()

2010/C 317/36

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirante: ThyssenKrupp Acciai Speciali Terni SpA (vertegenwoordigers: T. Salonico, G. Barone en A. Marega, avvocati)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden arrest (1) vernietigen en de beschikking (2) nietig verklaren voor zover daarin is geoordeeld dat de omstreden maatregel niet van compenserende of vergoedende aard is, maar onrechtmatige en met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun vormt; en/of

het bestreden arrest vernietigen voor zover daarin is geoordeeld dat het in de beschikking besloten liggende bevel tot terugvordering niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel, en bijgevolg de beschikking nietig verklaren voor zover Italië daarin wordt gelast, onverwijld over te gaan tot terugvordering van de steun vermeerderd met rente; en

de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens rekwirante is het bestreden arrest onjuist en dient het om de volgende redenen te worden vernietigd:

1)

schending van de artikelen 107 en 108 VWEU, tegenstrijdige motivering en een kennelijke fout door onjuiste opvatting van de aangedragen bewijselementen met betrekking tot de kwalificatie van de omstreden maatregel als staatssteun en niet als een vergoeding voor rekwirante. Het Gerecht heeft een fout gemaakt door een restrictieve uitlegging te geven aan de door verzoekster in eerste aanleg aangevoerde nationale bepalingen en nationale rechtspraak waaruit blijkt dat de omstreden maatregel geen staatssteun is, maar het door de Italiaanse wetgever in 1962 bepaalde en door de Commissie en het Gerecht erkende aanvankelijke vergoedingsniveau heeft gehandhaafd.

2)

schending van artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 (3), alsmede tegenstrijdige en ontoereikende motivering doordat het Gerecht heeft geoordeeld dat het in de beschikking besloten liggende bevel tot terugvordering niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Het arrest van het Gerecht is onjuist en niet afdoende gemotiveerd voor zover daarin wordt geoordeeld dat de omstandigheid dat de Commissie lange tijd niet heeft gereageerd op de door de Italiaanse autoriteiten eind 1991 verstrekte verduidelijking over het feit dat de eerste verlenging van het Terni-tarief het aanvankelijke vergoedingsdoel handhaafde, niet van dien aard is dat daardoor bij verzoekster een gewettigd vertrouwen kon ontstaan dat de verlengingen van het Terni-tarief, waaronder de omstreden maatregel, geen staatssteun vormden.


(1)  Arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Vijfde kamer) van 1 juli 2010 in zaak T-62/08.

(2)  Beschikking 2008/408/EG van de Commissie van 20 november 2007 betreffende steunmaatregel C 36/A/06 (ex NN 38/06) die door Italië ten uitvoer is gelegd ten gunste van ThyssenKrupp, Cementir en Nuova Terni Industrie Chimiche (PB L 144, blz. 37).

(3)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG] (PB L 83, blz. 1).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/20


Hogere voorziening ingesteld op 15 september 2010 door Cementir Italia Srl tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 1 juli 2010 in zaak T-63/08, Cementir Italia Srl/Europese Commissie

(Zaak C-449/10 P)

()

2010/C 317/37

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirante: Cementir Italia Srl (vertegenwoordigers: T. Salonico, G. Barone en A. Marega, avvocati)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden arrest (1) vernietigen en de beschikking (2) nietig verklaren voor zover daarin is geoordeeld dat de omstreden maatregel niet van compenserende of vergoedende aard is, maar onrechtmatige en met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun vormt; en/of

het bestreden arrest vernietigen voor zover daarin is geoordeeld dat het in de beschikking besloten liggende bevel tot terugvordering niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel, en bijgevolg de beschikking nietig verklaren voor zover Italië daarin wordt gelast, onverwijld over te gaan tot terugvordering van de steun vermeerderd met rente; en

de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens rekwirante is het bestreden arrest onjuist en dient het om de volgende redenen te worden vernietigd:

1)

schending van de artikelen 107 en 108 VWEU, tegenstrijdige motivering en een kennelijke fout door onjuiste opvatting van de aangedragen bewijselementen met betrekking tot de kwalificatie van de omstreden maatregel als staatssteun en niet als een vergoeding voor rekwirante. Het Gerecht heeft een fout gemaakt door een restrictieve uitlegging te geven aan de door verzoekster in eerste aanleg aangevoerde nationale bepalingen en nationale rechtspraak waaruit blijkt dat de omstreden maatregel geen staatssteun is, maar het door de Italiaanse wetgever in 1962 bepaalde en door de Commissie en het Gerecht erkende aanvankelijke vergoedingsniveau heeft gehandhaafd.

2)

schending van artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 (3), alsmede tegenstrijdige en ontoereikende motivering doordat het Gerecht heeft geoordeeld dat het in de beschikking besloten liggende bevel tot terugvordering niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Het arrest van het Gerecht is onjuist en niet afdoende gemotiveerd voor zover daarin wordt geoordeeld dat de omstandigheid dat de Commissie lange tijd niet heeft gereageerd op de door de Italiaanse autoriteiten eind 1991 verstrekte verduidelijking over het feit dat de eerste verlenging van het Terni-tarief het aanvankelijke vergoedingsdoel handhaafde, niet van dien aard is dat daardoor bij verzoekster een gewettigd vertrouwen kon ontstaan dat de verlengingen van het Terni-tarief, waaronder de omstreden maatregel, geen staatssteun vormden.


(1)  Arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Vijfde kamer) van 1 juli 2010 in zaak T-63/08.

(2)  Beschikking 2008/408/EG van de Commissie van 20 november 2007 betreffende steunmaatregel C 36/A/06 (ex NN 38/06) die door Italië ten uitvoer is gelegd ten gunste van ThyssenKrupp, Cementir en Nuova Terni Industrie Chimiche (PB L 144, blz. 37).

(3)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG] (PB L 83, blz. 1).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/21


Hogere voorziening ingesteld op 15 september 2010 door Nuova Terni Industrie Chimiche SpA tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 1 juli 2010 in zaak T-64/08, Nuova Terni Industrie Chimiche SpA/Europese Commissie

(Zaak C-450/10 P)

()

2010/C 317/38

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirante: Nuova Terni Industrie Chimiche SpA (vertegenwoordigers: T. Salonico, G. Barone en A. Marega, avvocati)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden arrest (1) vernietigen en de beschikking (2) nietig verklaren voor zover daarin is geoordeeld dat de omstreden maatregel niet van compenserende of vergoedende aard is, maar onrechtmatige en met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun vormt; en/of

het bestreden arrest vernietigen voor zover daarin is geoordeeld dat het in de beschikking besloten liggende bevel tot terugvordering niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel, en bijgevolg de beschikking nietig verklaren voor zover Italië daarin wordt gelast, onverwijld over te gaan tot terugvordering van de steun vermeerderd met rente; en

de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens rekwirante is het bestreden arrest onjuist en dient het om de volgende redenen te worden vernietigd:

1)

schending van de artikelen 107 en 108 VWEU, tegenstrijdige motivering en een kennelijke fout door onjuiste opvatting van de aangedragen bewijselementen met betrekking tot de kwalificatie van de omstreden maatregel als staatssteun en niet als een vergoeding voor rekwirante. Het Gerecht heeft een fout gemaakt door een restrictieve uitlegging te geven aan de door verzoekster in eerste aanleg aangevoerde nationale bepalingen en nationale rechtspraak waaruit blijkt dat de omstreden maatregel geen staatssteun is, maar het door de Italiaanse wetgever in 1962 bepaalde en door de Commissie en het Gerecht erkende aanvankelijke vergoedingsniveau heeft gehandhaafd.

2)

schending van artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 (3), alsmede tegenstrijdige en ontoereikende motivering doordat het Gerecht heeft geoordeeld dat het in de beschikking besloten liggende bevel tot terugvordering niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Het arrest van het Gerecht is onjuist en niet afdoende gemotiveerd voor zover daarin wordt geoordeeld dat de omstandigheid dat de Commissie lange tijd niet heeft gereageerd op de door de Italiaanse autoriteiten eind 1991 verstrekte verduidelijking over het feit dat de eerste verlenging van het Terni-tarief het aanvankelijke vergoedingsdoel handhaafde, niet van dien aard is dat daardoor bij verzoekster een gewettigd vertrouwen kon ontstaan dat de verlengingen van het Terni-tarief, waaronder de omstreden maatregel, geen staatssteun vormden.


(1)  Arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Vijfde kamer) van 1 juli 2010 in zaak T-64/08.

(2)  Beschikking 2008/408/EG van de Commissie van 20 november 2007 betreffende steunmaatregel C 36/A/06 (ex NN 38/06) die door Italië ten uitvoer is gelegd ten gunste van ThyssenKrupp, Cementir en Nuova Terni Industrie Chimiche (PB L 144, blz. 37).

(3)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG] (PB L 83, blz. 1).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/22


Hogere voorziening ingesteld op 16 september 2010 door BNP Paribas en Banca Nazionale del Lavoro SpA (BNL) tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 1 juli 2010 in zaak T-335/08, BNP Paribas en BNL/Commissie

(Zaak C-452/10 P)

()

2010/C 317/39

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwiranten: BNP Paribas en Banca Nazionale del Lavoro SpA (BNL) (vertegenwoordigers: R. Silvestri, G. Escalar en M. Todino, avvocati)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Vijfde kamer) van 1 juli 2010 in zaak T-335/08, BNP Paribas en Banca Nazionale del Lavoro/Europese Commissie, meegedeeld bij telefax-bericht van dezelfde dag (PB C 221, blz. 39), volledig vernietigen, en dienovereenkomstig

i)

de in eerste aanleg geformuleerde vordering tot volledige nietigverklaring van beschikking 2008/711/EG van de Commissie van 11 maart 2008 betreffende steunmaatregel C 15/07 (ex NN 20/07) die Italië ten uitvoer heeft gelegd „met betrekking tot de bij omzetting van rechtspersoon aan bepaalde kredietinstellingen verleende fiscale prikkels” (PB L 237, blz. 70) toewijzen, of

ii)

subsidiair de zaak naar het Gerecht terugwijzen voor heronderzoek tegen de achtergrond van het arrest van het Hof.

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

1)

Het Gerecht heeft de beschikking van de Commissie niet grondig onderzocht en niet getoetst of de Commissie er rechtmatig voor kon kiezen om geen rekening te houden met de situatie van de overheidsinstanties voor de vaststelling van het selectieve karakter van de gekritiseerde regeling.

2)

Het Gerecht is voorbijgegaan aan de rechtspraak van het Hof volgens welke een specifieke fiscale maatregel kan worden gemotiveerd op basis van de interne logica van het belastingstelsel in het algemeen en heeft bij zijn beoordeling alleen de parameters gehanteerd die de Commissie zelf in haar beschikking heeft aangegeven.

3)

Het Gerecht is ook voorbijgegaan aan de rechtspraak inzake het vereiste betreffende het selectieve karakter van staatssteun, volgens hetwelk het selectieve karakter van een fiscale maatregel alleen dient te worden getoetst aan de mogelijke gevolgen uit fiscaal oogpunt.

4)

Het Gerecht heeft de feiten onjuist beoordeeld en ten onrechte geoordeeld dat de algemene waardeafstemmingsregeling ondernemingen niet de mogelijkheid gaf om de fiscale kosten voor de activa die verband houden met ingebrachte ondernemingen, af te stemmen op de hogere balanswaarde.

5)

Ten slotte heeft het Gerecht zich ten onrechte in de plaats van de Commissie gesteld door nieuwe gronden tot motivering van de bestreden beschikking te geven.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/22


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof op 17 september 2010 — Oliver Jestel/Hauptzollamt Aachen

(Zaak C-454/10)

()

2010/C 317/40

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Oliver Jestel

Verwerende partij: Hauptzollamt Aachen

Prejudiciële vragen

1)

Wordt iemand die aan het op onregelmatige wijze binnenbrengen van goederen in het douanegebied van de Europese Unie „deelneemt” in de zin van artikel 202, lid 3, tweede streepje, van verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (1), douaneschuldenaar, wanneer hij zonder rechtstreeks mee te werken aan het binnenbrengen bemiddelt bij het sluiten van de koopovereenkomsten voor de relevante goederen, en er daarbij rekening mee houdt dat het mogelijk is dat de verkoper bij de verkoop van de goederen of een deel ervan rechten bij invoer zal ontduiken?

2)

Volstaat het in voorkomend geval dat hij dat voor mogelijk houdt, of wordt hij slechts douaneschuldenaar wanneer hij er stellig rekening mee houdt dat dit zal gebeuren?


(1)  PB L 302, blz. 1.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/23


Hogere voorziening ingesteld op 20 september 2010 door Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt tegen het arrest van het Gerecht (Achtste kamer) van 8 juli 2010 in zaak T-396/08, Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt/Europese Commissie

(Zaak C-459/10 P)

()

2010/C 317/41

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwiranten: Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt (vertegenwoordigers: A. Rosenfeld en I. Liebach, Rechtsanwälte)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

1)

het arrest dat het Gerecht van de Europese Unie op 8 juli 2010 in zaak T-396/08, Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt/Europese Commissie, heeft gewezen op het beroep strekkende tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2008/878/EG van de Commissie van 2 juli 2008 betreffende de steunmaatregel die Duitsland voornemens is toe te kennen ten gunste van DHL, vernietigen en artikel 1, lid 1, van beschikking 2008/878/EG van de Commissie van 2 juli 2008 nietig verklaren;

2)

subsidiair, het sub 1 genoemde arrest van het Gerecht van de Europese Unie vernietigen en de zaak naar het Gerecht van de Europese Unie terugwijzen;

3)

verweerster verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De hogere voorziening is gericht tegen het arrest waarbij het Gerecht het door rekwiranten ingestelde beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2008/878/EG van de Commissie van 2 juli 2008 heeft verworpen. Bij deze beschikking had de Commissie een groot deel van de aangemelde opleidingssteun die Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt aan DHL wilden verlenen, onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt verklaard.

Ter ondersteuning van hun hogere voorziening stellen rekwiranten dat het Gerecht het recht van de Unie op de volgende punten heeft geschonden:

Het Gerecht heeft verordening nr. 68/2001, het voormalige artikel 87, lid 3, sub c, EG en het gelijkheidsbeginsel geschonden omdat ten onrechte de noodzaak van de steun is onderzocht. De schending van verordening (EG) nr. 68/2001 blijkt uit het feit dat niet de in die verordening vastgestelde inhoudelijke criteria zijn gehanteerd, wat slechts is toegestaan in uitzonderlijke gevallen waarin de bijzonderheden van het concrete geval dit rechtvaardigen. Het voormalige artikel 87, lid 3, EG is geschonden omdat het Gerecht ten onrechte niet heeft aanvaard dat opleidingssteun de doelstellingen van het voormalige artikel 87, lid 3, sub c, EG diende of kon dienen, en dat de Commissie daarmee rekening dient te houden bij de afweging die zij op grond van artikel 87, lid 3, EG verricht. Ten slotte is het gelijkheidsbeginsel geschonden omdat de Commissie in eerdere beschikkingen met betrekking tot vergelijkbare feiten de noodzaak van opleidingssteun niet heeft onderzocht of vastgesteld. Een objectieve rechtvaardigingsgrond voor deze ongelijke behandeling valt niet te ontwaren.

Zelfs wanneer dient te worden aangenomen dat het criterium van de noodzaak terecht is aangewend, is er sprake van een onjuiste rechtsopvatting. Rekwiranten stellen in dit verband dat het Gerecht verordening nr. 68/2001, de richtsnoeren van de Commissie inzake regionale steunmaatregelen en het voormalige artikel 87, lid 3, sub c, EG heeft geschonden omdat het bij het onderzoek van de noodzaak ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de stimuli die van die steun uitgaan voor de keuze van de locatie. Uit de tekst van verordening nr. 68/2001 blijkt immers dat opleidingssteun op zijn minst ook regionale aspecten kan hebben. Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat slechts regionale steun mag worden gebruikt voor de subsidiëring van ondernemingen in achtergebleven gebieden en voor het aantrekken van nieuwe ondernemingen in dergelijke gebieden.

Verder heeft het Gerecht verordening nr. 68/2001, het voormalige artikel 87, lid 3, sub c, EG en het gelijkheidsbeginsel ook geschonden door ten onrechte niet ter zake dienende criteria te hanteren bij de beoordeling van de noodzaak van de steun. Enerzijds had het daarbij geen rekening mogen houden met de bedrijfspraktijk en de bedrijfsstrategie van de begunstigde van de steun omdat daardoor ondernemingen die op grond van interne normen een hoog opleidingsniveau opzetten, uit steunrechtlijk oogpunt worden benadeeld ten opzichte van ondernemingen die een minder hoog opleidingsniveau opzetten. Anderzijds had de steun niet als niet-noodzakelijk mogen worden aangemerkt op de enkele grond dat hij in nationale bepalingen was voorgeschreven. Dit heeft immers tot gevolg dat ondernemingen uit lidstaten waarin bij wet een hoog opleidingsniveau is voorgeschreven, worden benadeeld ten opzichte van ondernemingen uit lidstaten met een, relatief gezien, lager opleidingsniveau.

Ten slotte heeft het Gerecht het voormalige artikel 87, lid 3, sub c, EG ook geschonden doordat het ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de positieve externe effecten van de betrokken opleiding.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/24


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Högsta domstol (Zweden) op 20 september 2010 — Bonnier Audio AB, Earbooks AB, Norstedts Förlagsgrupp AB, Piratförlaget Aktiebolag, Storyside AB/Perfect Communication Sweden AB

(Zaak C-461/10)

()

2010/C 317/42

Procestaal: Zweeds

Verwijzende rechter

Högsta domstol

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Bonnier Audio AB, Earbooks AB, Norstedts Förlagsgrupp AB, Piratförlaget Aktiebolag, Storyside AB

Verwerende partij: Perfect Communication Sweden AB

Prejudiciële vragen

1)

Staat richtlijn 2006/24/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronischecommunicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van richtlijn 2002/58/EG (richtlijn bewaring van gegevens), inzonderheid de artikelen 3, 4, 5 en 11 daarvan, in de weg aan de toepassing van een op artikel 8 van richtlijn 2004/48/EG (2) van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten gebaseerde nationale bepaling volgens welke in een civielrechtelijke procedure een internetprovider met het oog op de identificatie van een abonnee kan worden gelast aan een auteursrechthouder of diens vertegenwoordiger informatie te verstrekken over de abonnee aan wie de internetprovider het IP-adres heeft toegewezen dat is gebruikt om inbreuk te maken op het auteursrecht, wanneer de verzoeker een duidelijk bewijs van de inbreuk op een bepaald auteursrecht heeft overgelegd en die maatregel in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel?

2)

Heeft de omstandigheid dat de lidstaat de richtlijn bewaring van gegevens nog niet in nationaal recht heeft omgezet ofschoon de termijn daarvoor is verstreken, invloed op het antwoord op vraag 1?


(1)  PB L 105, blz. 54.

(2)  PB L 157, blz. 45.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/24


Hogere voorziening ingesteld op 24 september 2010 door Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 8 juli 2010 in zaak T-331/06, Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE/Europees Milieuagentschap (EMA)

(Zaak C-462/10 P)

()

2010/C 317/43

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (vertegenwoordiger: N. Korogiannakis, Δικηγόρος)

Andere partij in de procedure: Europees Milieuagentschap (EMA)

Conclusies

Verzoekster concludeert dat het het Hof behage:

het arrest van het Gerecht vernietigen;

de beschikking van het EMA, waarbij verzoeksters bod niet is aanvaard en de overeenkomst is gegund aan de gekozen inschrijver, nietig verklaren;

het EMA veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt in het kader van het beroep in zaak T-331/06 en in de onderhavige hogere voorziening, zelfs indien de onderhavige hogere voorziening zou worden afgewezen.

Middelen en voornaamste argumenten

1)

Verzoekster betoogt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een onjuiste uitlegging te geven of door artikel 97 van het Financieel Reglement (1) en artikel 138 van de Uitvoeringbepalingen niet toe te passen, aangezien de aankondiging van de subcriteria vóór de indiening van de offertes essentieel is opdat inschrijvers hun beste bod kunnen indienen. Het Gerecht heeft ten onrechte verzoeksters argument betreffende het vermengen van de selectie- en de gunningscriteria verworpen op grond dat dit argument laattijdig was ingediend. Verzoekster betoogt dat zelfs indien het Gerecht juist heeft gehandeld, het de inhoud van het bestek verkeerd heeft uitgelegd bij zijn onderzoek of het gebruik van individuele cv's in de gunningsfase het bestek schond.

2)

Bovendien stelt verzoekster dat het niet aan haar te wijten is dat het Evaluatieverslag zodanig is opgesteld dat niet wordt aangetoond hoe de Evaluatiecommissie tot haar conclusie is gekomen. Indien het EMA geen verdere weging van de subcriteria had toegepast, zou dit onmiddellijk moeten hebben leiden tot nietigverklaring van de bestreden beschikking wegens ontoereikende motivering, aangezien het niet duidelijk is welke criteria zijn toegepast en er bijgevolg niet aan de motiveringsplicht is voldaan.

3)

Met betrekking tot het milieubeleid stelt verzoekster dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat aan een dergelijk algemeen geformuleerd gunningscriterium is voldaan door de loutere verklaring van kennisgeving, hetgeen slechts één mogelijke manier is om bewijs te leveren. Het Gerecht heeft eveneens ten onrechte veronachtzaamd dat het milieubeleid slechts kan worden beoordeeld in de selectiefase.

4)

Het Gerecht heeft nagelaten vast te stellen dat het EMA artikel 100, lid 2, van het Financieel Reglement en artikel 149, lid 2, van de Uitvoeringsbepalingen heeft geschonden door de inschrijvers die daarom hadden verzocht, geen toegang te geven tot het volledige evaluatieverslag zodat zij de redenen voor afwijzing van hun bod konden beoordelen.

5)

Bovendien is de redenering van het Gerecht niet alleen onjuist en in strijd met de algemene en reeds bestaande motiveringsplicht, zij is ook in strijd met het Verdrag van Lissabon, dat aan het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie een gelijke rechtskracht toekent als aan de Verdragen, meer in het bijzonder artikel 41.

6)

Tot slot betoogt verzoekster dat het bestreden arrest niet alleen de afwijzing van de individuele middelen betreffende de kennelijke beoordelingsfout ontoereikend heeft gemotiveerd, maar deze middelen zelfs niet eens individueel heeft onderzocht.


(1)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248, blz. 1).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/25


Beroep ingesteld op 27 september 2010 — Europese Commissie/Helleense Republiek

(Zaak C-466/10)

()

2010/C 317/44

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Patakia en M. Kukovec)

Verwerende partij: Helleense Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Helleense Republiek, door gebruik te maken van de procedure van gunning door onderhandelingen zonder bekendmaking van een aankondiging van een opdracht voor het beheer van gevaarlijk en besmettelijk medisch afval van de ziekenhuizen binnen het ressort van het eerste Dioikisi Ygeionomikis Perifereias Attikis (directoraat Volksgezondheid van de regio Attica), de krachtens artikel 28 van richtlijn 2004/18/EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, voor zover niet is voldaan aan de voorwaarden voor de uitzonderingen als bedoeld in artikel 31 van de richtlijn, in het bijzonder de voorwaarden van artikel 31, lid 1, sub c, die rechtvaardigen dat van de algemene regel wordt afgeweken en dat gebruik wordt gemaakt van de in dat artikel bedoelde uitzonderingsprocedure;

de Helleense Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

1)

Na ontvangst van een klacht heeft de Europese Commissie een onderzoek gevoerd naar de oproep van de gezondheidscommissie tot deelname aan een procedure van gunning door onderhandelingen zonder bekendmaking van een aankondiging van een opdracht voor het beheer van gevaarlijk en besmettelijk medisch afval van de ziekenhuizen binnen het ressort van het eerste Dioikisi Ygeionomikis Perifereias Attikis.

2)

De Commissie herinnert eraan dat in de regel een aankondiging van opdracht is vereist, waarin welomlijnde en duidelijke voorwaarden worden gesteld. De procedure van gunning door onderhandelingen zonder bekendmaking van een aankondiging van opdracht is daarentegen slechts bij uitzondering toegestaan, in de zeer specifieke gevallen als bedoeld in de artikelen 30 en 31 van richtlijn 2004/18/EG, die eng moeten worden uitgelegd, en het bewijs dat er wel degelijk sprake is van buitengewone omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen, moet worden geleverd door degene die zich op de betrokken bepalingen beroept.

3)

Volgens de Commissie blijkt uit de oproep in kwestie dat de aanbestedende dienst weliswaar de uitzonderingsprocedure als bedoeld in artikel 31, lid 1, sub c, van richtlijn 2004/18/EG heeft toegepast, maar niet heeft bewezen dat was voldaan aan de in die bepaling gestelde voorwaarden, die een beroep op die procedure rechtvaardigen.

4)

De Commissie is van mening dat de aanbestedende dienst, door gebruik te maken van een procedure van gunning door onderhandelingen zonder bekendmaking van een aankondiging van opdracht, de krachtens artikel 28 van de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, nu niet is voldaan aan de voorwaarden voor de uitzonderingen als bedoeld in artikel 31 van de richtlijn, in het bijzonder de voorwaarden van artikel 31, lid 1, sub c, die rechtvaardigen dat van de algemene regel wordt afgeweken en dat gebruik wordt gemaakt van de in dat artikel bedoelde uitzonderingsprocedure.


Gerecht

20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/26


Arrest van het Gerecht van 29 september 2010 — CNH Global/BHIM (Combinatie van kleuren rood, zwart en grijs voor tractor)

(Zaak T-378/07) (1)

(Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapsmerk bestaande in combinatie van kleuren rood, zwart en grijs toegepast op buitenzijden van tractor - Absolute weigeringsgrond - Ontbreken van onderscheidend vermogen verkregen door gebruik - Artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 207/2009))

2010/C 317/45

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: CNH Global NV (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordigers: M. Edenborough, barrister, en R. Harrison, solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 5 juli 2007 (zaak R 1642/2006-1) inzake een aanvraag tot inschrijving van het teken bestaande in de weergave van een tractor in rood, zwart en grijs als gemeenschapsmerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

CNH Global NV wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 297 van 8.12.2007.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/26


Arrest van het Gerecht van 29 september 2010 — Interflon/BHIM — Illinois Tool Works (FOODLUBE)

(Zaak T-200/08) (1)

(Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Gemeenschapswoordmerk FOODLUBE - Absolute weigeringsgronden - Beschrijvend karakter - Onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, sub b en c, en artikel 51, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub b en c, et artikel 52, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 207/2009))

2010/C 317/46

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Interflon BV (Roosendaal, Nederland) (vertegenwoordigers: S. Wertwijn, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Novais Gonçalves, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Illinois Tool Works, Inc. (Glenview, Illinois, Verenigde Staten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 3 maart 2008 (zaak R 638/2007-2) inzake een nietigheidsprocedure tussen Interflon BV en Illinois Tool Works, Inc.

Dictum

1)

De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 3 maart 2008 (zaak R 638/2007-2) wordt vernietigd voor zover zij het beroep verwerpt betreffende chemische producten voor industriële doeleinden van klasse 1 en industriële oliën en vetten alsook smeermiddelen van klasse 4.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Iedere partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 183 van 19.7.2008.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/27


Arrest van het Gerecht van 28 september 2010 — Market Watch/BHIM — Ares Trading (Seroslim)

(Zaak T-201/08) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Seroslim - Ouder gemeenschapswoordmerk SEROSTIM - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009))

2010/C 317/47

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Market Watch Franchise Consulting, Inc. (Freeport, Bahama-eilanden) (vertegenwoordiger: J. Korab, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Ares Trading SA (Aubonne, Zwitserland) (vertegenwoordigers: M. De Justo Bailey en M. De Justo Vazquez, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 6 maart 2008 (zaak R 805/2007-2) inzake een oppositieprocedure tussen Ares Trading SA en Market Watch Franchise Consulting, Inc.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Market Watch Franchise Consulting, Inc. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 197 van 2.8.2008.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/27


Arrest van het Gerecht van 28 september 2010 — C-Content/Commissie

(Zaak T-247/08) (1)

(Niet-contractuele aansprakelijkheid - Overheidsopdrachten voor diensten - Communautaire aanbestedingsprocedures - Diensten van elektronische publicatie - Vermeende onregelmatigheden en schendingen van gemeenschapsrecht door Bureau voor publicaties - Verjaringstermijnen - Oorzakelijk verband)

2010/C 317/48

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: C-Content BV (’s-Hertogenbosch, Nederland) (vertegenwoordiger: M. Meulenbelt, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk E. Manhaeve en N. Bambara, gemachtigden, bijgestaan door O. Soudry, adviseur, en A. Nucara, advocaat, vervolgens E. Manhaeve en N. Bambara, bijgestaan door O. Soudry en E. Petritsi, advocaat)

Voorwerp

Beroep tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden als gevolg van onregelmatigheden en schendingen van het gemeenschapsrecht die het Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen zou hebben begaan in het kader van verschillende communautaire aanbestedingsprocedures betreffende diensten van elektronische publicatie

Dictum

1)

Het beroep wordt ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond verklaard.

2)

C-Content BV wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 209 van 15.8.2008.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/28


Arrest van het Gerecht van 7 oktober 2010 — DHL Aviation en DHL Hub Leipzig/Commissie

(Zaak T-452/08) (1)

(Staatssteun - Luchtvrachtdiensten - Garanties inzake exploitatie van nieuwe Europese hub van DHL op luchthaven van Leipzig-Halle - Beschikking waarbij staatssteun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard en terugvordering ervan wordt gelast)

2010/C 317/49

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: DHL Aviation SA/NV (Zaventem, België); en DHL Hub Leipzig GmbH (Schkeuditz, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Burnside, advocaat, en B. van de Walle de Ghelcke, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: K. Gross, B. Martenczuk en E. Righini, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking 2008/948/EG van de Commissie van 23 juli 2008 betreffende door Duitsland aan DHL en aan de luchthaven van Leipzig/Halle toegekende steun (PB L 346, blz. 1)

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

DHL Aviation SA/NV en DHL Hub Leipzig GmbH worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 6 van 10.1.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/28


Arrest van het Gerecht van 30 september 2010 — Granuband/BHIM — Granuflex (GRANUflex)

(Zaak T-534/08) (1)

(Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Gemeenschapsbeeldmerk GRANUflex - Oudere bedrijfsnaam en handelsnaam GRANUFLEX - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, lid 4, en artikel 52, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 4, en artikel 53, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009))

2010/C 317/50

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Granuband BV (Krommenie, Nederland) (vertegenwoordiger: M. Ellens, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: W. Verburg, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Granuflex Ipari és Kereskedelmi Kft (Boedapest, Hongarije) (vertegenwoordiger: K. Szamosi, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 15 september 2008 (zaak R 1277/2007-2) inzake een nietigheidsprocedure tussen Granuflex Ipari és Kereskedelmi Kft en Granuband BV.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Granuband BV wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 44 van 21.2.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/28


Arrest van het Gerecht van 7 oktober 2010 — Deutsche Behindertenhilfe — Aktion Mensch/BHIM (diegesellschafter.de)

(Zaak T-47/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk diegesellschafter.de - Absolute weigeringsgrond - Ontbreken van onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009))

2010/C 317/51

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Deutsche Behindertenhilfe — Aktion Mensch eV (Mainz, Duitsland) (vertegenwoordigers: V. Töbelmann en A. Piltz, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Pohlmann, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 27 november 2008 (zaak R 1094/2008-1) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken diegesellschafter.de als gemeenschapsmerk

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Deutsche Behindertenhilfe — Aktion Mensch eV wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 102 van 1.5.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/29


Arrest van het Gerecht van 30 september 2010 — Kadi/Commissie

(Zaak T-85/09) (1)

(Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen personen en entiteiten die banden hebben met Osama bin Laden, Al-Qa’ida-netwerk en Taliban - Verordening (EG) nr. 881/2002 - Bevriezing van tegoeden en economische middelen van persoon ten gevolge van zijn opname in door orgaan van Verenigde Naties opgestelde lijst - Sanctiecomité - Daaropvolgende opname in bijlage I bij verordening (EG) nr. 881/2002 - Beroep tot nietigverklaring - Grondrechten - Recht om te worden gehoord, recht op effectieve rechterlijke controle en recht op eerbiediging van eigendom)

2010/C 317/52

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Yassin Abdullah Kadi (Jeddah, Saoedie Arabië) (vertegenwoordigers: D. Anderson, QC, M. Lester, barrister, en G. Martin, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. Hetsch, P. Aalto en F. Hoffmeister, vervolgens P. Hetsch, F. Hoffmeister en E. Paasivirta, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bishop, E. Finnegan en R. Szostak, gemachtigden), Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues en L. Butel, gemachtigden), Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: S. Behzadi-Spencer en E. Jenkinson, gemachtigden, bijgestaan door D. Beard, barrister)

Voorwerp

Beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1190/2008 van de Commissie van 28 november 2008 tot 101e wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban (PB L 322, blz. 25), voor zover deze handeling verzoeker betreft

Dictum

1)

Verordening (EG) nr. 1190/2008 van de Commissie van 28 november 2008 tot 101e wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban, wordt nietig verklaard voor zover zij Yassin Abdullah Kadi betreft.

2)

De Europese Commissie draagt haar eigen kosten alsook die van Kadi.

3)

De Raad van de Europese Unie, de Franse Republiek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland dragen elk hun eigen kosten.


(1)  PB C 90 van 18.4.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/29


Arrest van het Gerecht van 5 oktober 2010 — Strategi Group/BHIM — RBI (STRATEGI)

(Zaak T-92/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk STRATEGI - Ouder nationaal woordmerk Stratégies - Relatieve weigeringsgrond - Bewijs van gebruik van ouder merk - Artikel 43, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 42, lid 2, van verordening (EG) nr. 207/2009) en regel 22 van verordening (EG) nr. 2868/95)

2010/C 317/53

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Strategi Group Ltd (Manchester, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: N. Saunders, barrister)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Botis, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Reed Business Information (RBI) (Issy-Les-Moulineaux, Frankrijk) (vertegenwoordiger: A. Messas, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 18 december 2008 (zaak R 1581/2007-2) inzake een oppositieprocedure tussen Reed Business Information (RBI) en Strategi Group Ltd

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Strategi Group Ltd wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 113 van 16.5.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/30


Arrest van het Gerecht van 7 oktober 2010 — Commissie/Gal-Or

(Zaak T-136/09) (1)

(Arbitragebeding - Overeenkomst van financiële bijstand, gesloten in kader van specifiek programma van onderzoek en technologische ontwikkeling op gebied van niet-nucleaire energie - Niet-naleving van overeenkomst - Terugbetaling van voorschot - Vertragingsrente - Verstekprocedure)

2010/C 317/54

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A.-M. Rouchaud-Joët en F. Mirza, gemachtigden, aanvankelijk bijgestaan door B. Katan en M. van der Woude, advocaten, vervolgens door B. Katan)

Verwerende partij: Benjamin Gal-Or (Jupiter, Florida, Verenigde Staten)

Voorwerp

Beroep, ingesteld op basis van een arbitragebeding en strekkende tot veroordeling van Gal-Or tot terugbetaling van het bedrag van 205 611 EUR dat de Commissie hem heeft betaald in het kader van overeenkomst IN/0042/97, vermeerderd met vertragingsrente, alsook tot betaling van vertragingsrente over het bedrag van 9 231,25 EUR, dat de kosten vertegenwoordigt van een procedure die Gal-Or voor de Nederlandse rechterlijke instanties tegen de Commissie heeft ingeleid

Dictum

1)

Gal-Or wordt veroordeeld tot betaling aan de Europese Commissie van het hoofdbedrag van 205 611 EUR, vermeerderd met interesten ter hoogte van:

2,75 % vanaf 2 maart 2003;

2,50 % vanaf 7 maart 2003;

2,00 % vanaf 6 juni 2003;

2,25 % vanaf 6 december 2005;

2,50 % vanaf 8 maart 2006;

2,75 % vanaf 15 juni 2006;

3,00 % vanaf 9 augustus 2006;

3,25 % vanaf 11 oktober 2006;

3,50 % vanaf 13 december 2006;

3,75 % vanaf 14 maart 2007;

4,00 % vanaf 13 juni 2007;

4,25 % vanaf 9 juli 2008;

3,75 % vanaf 15 oktober 2008;

3,25 % vanaf 12 november 2008;

2,50 % vanaf 10 december 2008;

2,00 % vanaf 21 januari 2009;

1,50 % vanaf 11 maart 2009;

1,25 % vanaf 8 april 2009;

1,00 % vanaf 13 mei 2009.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Gal-Or wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 141 van 20.6.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/30


Arrest van het Gerecht van 7 oktober 2010 — Accenture Global Services/BHIM — Silver Creek Properties (acsensa)

(Zaak T-244/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk acsensa - Oudere communautaire en nationale woord- en beeldmerken ACCENTURE en accenture - Relatieve weigeringsgrond - Ontbreken van verwarringsgevaar - Tekens die niet overeenstemmen - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009) - Motiveringsplicht - Artikel 73 van verordening nr. 40/94 (thans artikel 75 van verordening nr. 207/2009))

2010/C 317/55

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Accenture Global Services GmbH (Schaffhausen, Zwitserland) (vertegenwoordiger: R. Niebel, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: O. Mondéjar Ortuño, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Silver Creek Properties SA (Panama, Panama)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 20 maart 2009 (zaak R 802/2008-2) inzake een oppositieprocedure tussen Accenture Global Services GmbH en Silver Creek Properties SA

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Accenture Global Services GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 193 van 15.8.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/31


Arrest van het Gerecht van 30 september 2010 — PVS/BHIM — MeDiTA Medizinische Kurierdienst (medidata)

(Zaak T-270/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk medidata - Ouder nationaal woordmerk MeDiTA - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Overeenstemmende tekens - Soortgelijke diensten - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009))

2010/C 317/56

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: PVS — Privatärztliche Verrechnungsstelle Rhein-Ruhr GmbH (Mülheim an der Ruhr, Duitsland) (vertegenwoordiger: F. Lindberg, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Pohlmann, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: MeDiTA Medizinische Kurierdienst- und Handelsgesellschaft mbH (Düsseldorf, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Schulte-Beckhausen, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 14 mei 2009 (zaak R 1724/2007-4), inzake een oppositieprocedure tussen MeDiTA Medizinische Kurierdienst- und Handelsgesellschaft mbH en PVS — Privatärztliche Verrechnungsstelle Rhein-Ruhr GmbH

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

PVS — Privatärztliche Verrechnungsstelle Rhein-Ruhr GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 220 van 12.9.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/31


Arrest van het Gerecht van 28 september 2010 — Rosenruist/BHIM (Weergave op een broekzak van twee kromme lijnen)

(Zaak T-388/09) (1)

(Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk dat twee kromme lijnen op een broekzak weergeeft - Absolute weigeringsgrond - Ontbreken van onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)

2010/C 317/57

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Rosenruist — Gestão e serviços, Lda (Funchal, Portugal) (vertegenwoordigers: S. Rizzo en S. González Malabia, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 18 juni 2009 (zaak R 237/2009-2) inzake een aanvraag tot inschrijving als gemeenschapsmerk van een beeldteken dat twee kromme lijnen op een broekzak weergeeft.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Rosenruist — Gestão e serviços, Lda wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 282 van 21.11.2009.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/32


Beschikking van het Gerecht van 27 september 2010 — Hidalgo/BHIM — Bodegas Hidalgo — La Gitana (HIDALGO)

(Zaak T-365/08) (1)

(Gemeenschapsmerk - Nietigverklaring van inschrijving van nationaal merk waarop oppositie is gesteund - Afdoening zonder beslissing)

2010/C 317/58

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Emilio Hidalgo, SA (Jerez de la Frontera, Spanje) (vertegenwoordiger: M. Esteve Sanz, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Crespo Carrillo, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Bodegas Hidalgo — La Gitana, SA (Sanlucar de Barrameda, Spanje) (vertegenwoordigers: S. Rivero Galán, J. M. Sanjuán de Coca, advocaten)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 11 juni 2008 (zaak R 1329/2007-4) inzake een oppositieprocedure tussen Emilio Hidalgo SA en Bodegas Hidalgo — La Gitana SA

Dictum

1)

Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 272 van 25.10.2008.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/32


Beschikking van het Gerecht van 24 september 2010 — Kerstens/Commissie

(Zaak T-498/09 P) (1)

(Hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Bevordering - Bevorderingsronde 2005 - Toekenning van gratificatiepunten - Bewijslast - Rechten van de verdediging - Hogere voorziening deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond)

2010/C 317/59

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirant: Petrus Kerstens (Overijse, België) (vertegenwoordiger: C. Mourato, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en G. Berscheid, gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Tweede kamer) van 29 september 2009, Kerstens/Commissie (F-102/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van dat arrest

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Kerstens draagt zijn eigen kosten alsook die welke de Europese Commissie in het kader van deze procedure heeft gemaakt.


(1)  PB C 51 van 27.2.2010.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/32


Beroep ingesteld op 12 september 2010 — Hamas/Raad

(Zaak T-400/10)

()

2010/C 317/60

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Hamas (vertegenwoordiger: L. Glock, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

kennisgeving C 188/13 van de Raad van 13 juli 2010 nietig verklaren;

besluit 2010/386/GBVB van de Raad van 12 juli 2010 nietig verklaren;

uitvoeringsverordening (EU) nr. 610/2010 van de Raad van 12 juli 2010 nietig verklaren;

de Raad in alle kosten verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster vordert nietigverklaring van kennisgeving 2010/C 188/09 van de Raad (1), van besluit 2010/386/GBVB van de Raad (2), en van uitvoeringsverordening (EU) nr. 610/2010 van de Raad (3), voor zover haar naam blijft gehandhaafd op de lijst van personen, groepen en entiteiten wier tegoeden en economische middelen worden bevroren op grond van de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB (4) en artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2580/2001 met het oog op de strijd tegen het terrorisme.

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster zeven middelen aan. Met betrekking tot kennisgeving 2010/C 188/09 van de Raad:

schending van artikel 297, lid 2, derde alinea, VWEU, aangezien de kennisgeving niet aan verzoekster is betekend en een eenvoudige mededeling in het Publicatieblad van de Europese Unie niet als een dergelijke betekening van deze tekst kan worden beschouwd;

schending van artikel 41, lid 2, sub b, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aangezien de kennisgeving voor verzoekster nagenoeg ontoegankelijk was;

schending van artikel 6, lid 3, sub a, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), betreffende het recht van degene tegen wie een vervolging is ingesteld om onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;

en met betrekking tot besluit 2010/386/GBVB en verordening nr. 610/2010:

kennelijke beoordelingsfout, aangezien Hamas een wettelijk verkozen regering is die volgens het beginsel van niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van een staat niet op de terroristenlijsten mag worden geplaatst;

schending van de fundamentele rechten van verzoekster door de schending:

van haar rechten van verdediging en van het recht op goed bestuur, aangezien het besluit om verzoekster te handhaven op de lijst van personen, groepen en entiteiten wier tegoeden en economische middelen worden bevroren niet werd voorafgegaan door een mededeling van de haar ten laste gelegde elementen en verzoekster niet de gelegenheid heeft gekregen om haar standpunt over deze elementen op nuttige wijze kenbaar te maken; en

van het eigendomsrecht, aangezien de bevriezing van verzoeksters tegoeden een ongerechtvaardigde beperking van haar eigendomsrecht vormt;

schending van de in artikel 296 VWEU neergelegde motiveringsplicht, aangezien de Raad noch besluit 2010/386/GBVB, noch verordening nr. 610/2010 uitdrukkelijk heeft gemotiveerd.


(1)  Kennisgeving 2010/C 188/09 van de Raad van 13 juli 2010 aan de personen, groepen en entiteiten die zijn geplaatst op de lijst bedoeld in artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PB C 188, blz. 13).

(2)  Besluit 2010/386/GBVB van de Raad van 12 juli 2010 inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PB L 178, blz. 28).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 610/2010 van de Raad van 12 juli 2010 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1285/2009 (PB L 178, blz. 1).

(4)  Gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB van de Raad van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PB L 344, blz. 93).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/33


Beroep ingesteld op 14 september 2010 — Hongarije/Commissie

(Zaak T-407/10)

()

2010/C 317/61

Procestaal: Hongaars

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Hongarije (vertegenwoordigers: M. Fehér en K. Szíjjártó, gemachtigden)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

artikel 1, leden 3 en 4, alsmede bijlage 2 van beschikking C(2010) 4593 van de Commissie van 8 juli 2010 betreffende het grote project „Heraanleg van de spoorlijn Boedapest-Kelenföld Székesfehérvár-Boba, eerste tracé, eerste fase”, dat deel uitmaakt van het operationele programma „Transport”, waarbij structurele steun via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Cohesiefonds wordt verleend, nietig verklaren, voor zover deze bepalingen het maximumbedrag waarop het cofinancieringspercentage moet worden toegepast, aldus vaststellen dat btw-betalingen van de subsidiabele uitgaven zijn uitgesloten;

de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster vordert gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(2010) 4593 van de Commissie van 8 juli 2010 betreffende het grote project „Heraanleg van de spoorlijn Boedapest-Kelenföld Székesfehérvár-Boba, eerste tracé, eerste fase”, dat deel uitmaakt van het operationele programma „Transport”, waarbij in het kader van de convergentiedoelstelling structurele steun via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Cohesiefonds wordt verleend. In deze beschikking zette de Commissie het licht op groen voor de betaling van een bijdrage voor dat grote project uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Cohesiefonds. Verder ging de Commissie ervan uit dat in het geval van het betrokken grote project de terugvorderbare btw niet mocht worden meegerekend in het maximumbedrag waarop het percentage van de prioritaire medefinanciering in het kader van het operationele programma moet worden toegepast.

Ter onderbouwing van haar beroep stelt verzoekster dat de Commissie bij de vaststelling van de bestreden beschikking de ter zake geldende bepalingen van het recht van de Unie, met name artikel 56, lid 4, van verordening (EG) nr. 1083/2006 (1) en artikel 3 van verordening (EG) nr. 1084/2006 (2), heeft geschonden.

Verzoekster is van mening dat artikel 3, sub e, van verordening nr. 1084/2006 duidelijk bepaalt dat terugvorderbare btw niet in aanmerking komt voor een bijdrage uit het Cohesiefonds. Volgens haar volgt ondubbelzinnig uit deze bepaling dat niet terugvorderbare btw wel voor steun in aanmerking komt. Bijgevolg had de Commissie, gelet op het feit dat de begunstigde van het grote project waarop de bestreden beschikking betrekking heeft (Nemzeti Infrastruktúra Fejlesztő Zártkörűen Működő Részvénytarsaság — nationale maatschappij voor infrastructuurontwikkeling), volgens het recht van de Unie of de nationale regelgeving inzake btw geen belastingplichtige is, zodat zij de voorbelasting niet kan terugvorderen, in deze beschikking btw-uitgaven niet van de steun mogen uitsluiten.

Voorts stelt verzoekster dat de Commissie de lidstaten bij de bestreden beschikking de hun bij artikel 56, lid 4, van verordening nr. 1083/2006 verleende bevoegdheid heeft ontnomen door uitgaven die verordening nr. 1084/2006 niet onder de niet-subsidiabele uitgaven heeft opgenomen, en die de overeenkomstige nationale wetgeving uitdrukkelijk als subsidiabele uitgaven beschouwt, niet als subsidiabele uitgaven te beschouwen.

Verder komt het standpunt van de Commissie dat de door de begunstigde van de steun gedragen btw „terugvorderbaar” is via de btw die de exploitant van de door de begunstigde aangelegde infrastructuur samen met de te betalen prijs in rekening brengt, neer op een zeer ruime opvatting van het begrip „terugvorderbare btw” in de zin van artikel 3, sub e, van verordening nr. 1084/2006, die geen steun vindt in de formulering van deze bepaling, los van het feit dat dit criterium ook in strijd is met het recht van de Unie inzake btw. Volgens verzoekster zijn de begunstigde die de infrastructuur aanlegt en de organen die de aangelegde infrastructuur exploiteren onderling onafhankelijk; tussen hen bestaat er slechts indirect een wederkerige verhouding, namelijk uit hoofde van de relevante wettelijke bepalingen, en dus niet uit hoofde van commerciële verrichtingen. In dit verband stelt verzoekster dat de begunstigde de betaalde voorbelasting feitelijk en definitief moet dragen.

Ten slotte stelt verzoekster dat noch verordening nr. 1083/2006 noch verordening nr. 1084/2006 aldus kan worden uitgelegd dat de Commissie zich bij de beoordeling van de subsidiabele uitgaven, daaronder begrepen de subsidiabele btw, kan baseren op het feit dat de lidstaat voor een andere wettelijke oplossing voor de ontwikkeling van het project en het beheer van de infrastructuur had kunnen opteren. Volgens verzoekster behoort het tot de wezenlijke bevoegdheid van de lidstaten om het beheer van de nationale infrastructuur en van de hiermee verband houdende openbare diensten te organiseren. Voor zover is voldaan aan de vereisten die in het recht van de Unie zijn vastgesteld, dient de Commissie de door de lidstaat gemaakte keuze dus te eerbiedigen, ook al heeft dit gevolgen voor de kwalificatie van de uitgaven als subsidiabel naargelang de begunstigde al dan niet de hoedanigheid van belastingplichtige heeft.


(1)  Verordening van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210, blz. 25).

(2)  Verordening van de Raad van 11 juli 2006 tot oprichting van het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1164/94 (PB L 210, blz. 79).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/34


Beroep ingesteld op 15 september 2010 — Socitrel/Commissie

(Zaak T-413/10)

()

2010/C 317/62

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Socitrel — Sociedade Industrial de Trefilaria, SA (São Romão de Coronado, Portugal) (vertegenwoordigers: F. Proença de Carvalho en T. de Faria, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

gedeeltelijke nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van de beschikking van de Commissie van 30 juni 2010 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak COMP/38.344 — voorspanstaal), voor zover zij verzoekster betreft;

verlaging van de geldboete;

verwijzing van de Commissie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster komt op tegen dezelfde beschikking als die in zaak T-385/10, ArcelorMittal Wire France e.a./Commissie.

Verzoekster voert de volgende middelen aan:

1)

ontoereikende motivering van de bestreden beschikking, hetgeen schending van artikel 296 VWEU oplevert, en schending van het vertrouwensbeginsel doordat de geldboete is opgelegd in strijd met verzoeksters rechten van verdediging in verband met de berekening van de haar opgelegde geldboete;

2)

schending van de rechten van verdediging van SOCITREL wegens de buitensporig lange duur van de administratieve procedure bij de Commissie, waardoor afbreuk wordt gedaan aan het recht op een redelijke termijn, zoals vervat in artikel 6, lid 1, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Subsidiair,

3)

schending van artikel 101, lid 1, VWEU en kennelijke beoordelingsfout, doordat de Commissie heeft geoordeeld dat SOCITREL niet autonoom op de markt actief was;

4)

kennelijke beoordelingsfout vanwege de Commissie doordat zij met het oog op de vaststelling van het plafond van 10 % van het omzetcijfer bij de berekening van de geldboeten het gezamenlijke omzetcijfer van de vennootschappen Emesa, Galycas en ITC als omzetcijfer heeft genomen, terwijl deze vennootschappen op het tijdstip van de inbreuk niet tot de groep Previdente behoorden;

5)

vaststelling van het bedrag van de geldboete in strijd met het evenredigheidsbeginsel, het non-discriminatiebeginsel en het vertrouwensbeginsel.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/35


Beroep ingesteld op 15 september 2010 — Companhia Previdente/Commissie

(Zaak T-414/10)

()

2010/C 317/63

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Companhia Previdente — Sociedade de Controle de Participações Financeiras, SA (Lissabon, Portugal) (vertegenwoordigers: D. Proença de Carvalho en J. Caimoto Duarte, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

gedeeltelijke nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van de beschikking van de Commissie van 30 juni 2010 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak COMP/38.344 — voorspanstaal), voor zover die verzoekster betreft;

vaststelling dat een verlaging van de aan Socritel opgelegde geldboete in het kader van de andere beroepen inzake inbreuken waarvoor Companhia Previdente gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk is, automatisch leidt tot een overeenkomstige verlaging van de aan laatstgenoemde gezamenlijk en hoofdelijk opgelegde geldboete.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster komt op tegen dezelfde beschikking als die in zaak T-385/10, ArcelorMittal Wire France e.a./Commissie.

1)

schending van artikel 101 VWEU en van het beginsel van de persoonlijke aansprakelijkheid voor inbreuken, junctis artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag. (1) In de beschikking heeft de Commissie blijk gegeven van een kennelijke beoordelingsfout bij de vaststelling dat COMPANHIA PREVIDENTE gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk is voor de door SOCITREL gemaakte inbreuken, doordat het in artikel 23, lid 2, van verordening nr. 1/2003 bedoelde maximumbedrag van de geldboete wordt overschreden.

2)

schending van artikel 296 VWEU doordat verzoeksters argumenten niet worden weerlegd en het vermoeden dat COMPANHIA PREVIDENTE een beslissende invloed heeft uitgeoefend op SOCITREL, in wezen niet afwijst met het oog op de bepaling van de gezamenlijke en hoofdelijke aansprakelijkheid en op de berekening van de geldboete, voor 1998 tot en met 2002, alsmede doordat niet afdoende wordt verklaard op welke basis wordt geconcludeerd dat een beslissende invloed werd uitgeoefend tijdens de periode daarvoor, tussen 1994 en 1998, waarvoor het vermoeden klaarblijkelijk niet zou gelden.

Subsidiair,

3)

schending van artikel 101, lid 1, VWEU, artikel 53 van de EER-overeenkomst en artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 alsmede van het evenredigheidsbeginsel doordat het maximumbedrag van de geldboete die aan COMPANHIA PREVIDENTE kan worden opgelegd, wordt overschreden.

4)

schending van het evenredigheidsbeginsel en van het non-discriminatiebeginsel doordat geen rekening wordt gehouden met de economische context van de huidige crisis en met de omstandigheid dat COMPANHIA PREVIDENTE niet in staat is de geldboete te betalen.


(1)  PB L 1, blz. 1.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/35


Beroep ingesteld op 15 september 2010 — Emme/Commissie

(Zaak T-422/10)

()

2010/C 317/64

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Emme Holding SpA (Pescara, Italië) (vertegenwoordigers: G. Visconti, E. Vassallo di Castiglione, M. Siragusa, M. Beretta, P. Ferrari, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

de door de Commissie bij de beschikking van 30 juni 2010 (zaak COMP/38.344 — Spanstaal) aan Emme Holding opgelegde geldboete nietig verklaren of verlagen;

de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De beschikking waartegen in de onderhavige zaak wordt opgekomen, is dezelfde als die welke aan de orde is in zaak T-385/10, ArcelorMittal Wire France e.a./Commissie.

Verzoekster voert inzonderheid aan:

dat haar ten onrechte een enkele en voortdurende inbreuk ten laste is gelegd bestaande uit het samenstel van de Europese mededingingsregeling (de club Europa) en de nationale/regionale mededingingsregelingen (de club Italia, de club España en de Zuidelijke Overeenkomst). Zij heeft immers nooit op Europees niveau (actief of passief) deelgenomen aan de gestelde inbreuk. Verder was Trame ook niet op de hoogte van eventuele regionale of nationale mededingingsregelingen in andere landen dan Italië.

dat de beschikking zowel trefoli (strengen van 7 draden) als de treccia (strengen van 2-3 draden) in aanmerking neemt. Verzoekster wijst er echter op dat er in de club Italia nooit een mededingingsregeling met betrekking tot treccia is geweest. De met dat product gerealiseerde omzet mag dus niet in aanmerking worden genomen voor de berekening van het bedrag van de geldboete.

Verzoekster vordert ook een verlaging van de geldboete op grond dat zij slechts marginaal betrokken is geweest bij de gestelde inbreuk, en op grond van haar geringe draagkracht.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/36


Beroep ingesteld op 16 september 2010 — Redaelli Tecna/Commissie

(Zaak T-423/10)

()

2010/C 317/65

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Redaelli Tecna SpA (Milaan, Italië) (vertegenwoordigers: R. Zaccà, M. Todino, E. Cruellas Sada, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

de bestreden beschikking nietig verklaren voor zover daarin is vastgesteld dat Redaelli in de periode 1984-1992 heeft deelgenomen aan de in die beschikking bedoelde mededingingsregeling;

de bestreden beschikking nietig verklaren voor zover daarin het door Redaelli geformuleerde verzoek om clementie is afgewezen, en deze laatste bijgevolg een passende verlaging van de haar opgelegde boete toe te kennen wegens de bijdrage die zij via dat verzoek aan het onderzoek van de Commissie heeft geleverd;

de aan Redaelli opgelegde boete billijkheidshalve nog meer te verlagen ter vergoeding van de onredelijk lange duur van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De beschikking waartegen in de onderhavige zaak wordt opgekomen, is dezelfde als die welke aan de orde is in zaak T-385/10, ArcelorMittal Wire France e.a./Commissie.

Verzoekster voert inzonderheid aan:

dat de Commissie een ernstige inbreuk op het gelijkheidsbeginsel heeft gemaakt door uitsluitend op Redaelli strengere normen toe te passen en deze geen clementie te verlenen, ofschoon een dergelijke clementie is verleend aan andere ondernemingen wier verzoeken om clementie in termen van „toegevoegde waarde” een zeer kleine en veel geringere inhoud hadden dan die van verzoekster. Daardoor heeft de Commissie ook het vertrouwensbeginsel geschonden omdat zij in wezen de gewettigde verwachting van verzoekster heeft beschaamd dat haar verzoek zou worden beoordeeld aan de hand van de criteria die in de destijds door Commissie gevolgde praktijk waren ontwikkeld en waren neergelegd in de mededeling van 2002.

dat de Commissie de partijen ten onrechte een mededingingsregeling met betrekking tot periode 1984-1992 heeft toegerekend omdat zij niet voldoende bewijs voor het bestaan van een mededingingsregeling in die periode heeft aangedragen.

dat de onredelijk lange duur van de administratieve procedure afbreuk heeft gedaan aan de rechten van verdediging van verzoekster doordat deze ten gevolge daarvan een aantal bewijzen à decharge die inmiddels niet meer beschikbaar waren, niet heeft kunnen aandragen, en bovendien in de praktijk ongunstige gevolgen heeft gehad voor de beoordeling van haar verzoek om clementie.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/36


Beroep ingesteld op 18 september 2010 — Dosenbach-Ochsner/BHIM — Sisma (Weergave van rechthoek met olifanten)

(Zaak T-424/10)

()

2010/C 317/66

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Dosenbach-Ochsner AG Schuhe und Sport (Dietikon, Zwitserland) (vertegenwoordiger: O. Rauscher, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Sisma SpA (Mantova, Italië)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 15 juli 2010 in zaak R 1638/2008-4 vernietigen;

het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring is gevorderd: beeldmerk dat een rechthoek met olifanten weergeeft voor waren van de klassen 10, 16, 21, 24 en 25

Houder van het gemeenschapsmerk: SISMA S.p.A.

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: verzoekster

Merkrecht van de partij die nietigverklaring vordert: internationaal en nationaal beeldmerk dat een olifant weergeeft en het nationale woordmerk „elefanten” voor waren van de klassen 24 en 25

Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering tot nietigverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 53, lid 1, sub a, juncto artikel 8, lid 1, sub b, en lid 2, sub a, van verordening (EG) nr. 207/2009 (1), aangezien de conflicterende merken uit begripsmatig, visueel en fonetisch oogpunt overeenstemmen en verzoekster uitdrukkelijk heeft betoogd dat haar merken door intensief gebruik of de bekendheid ervan een groot onderscheidend vermogen hebben verkregen.


(1)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/37


Beroep ingesteld op 21 september 2010 — Häfele/BHIM (Mixfront)

(Zaak T-425/10)

()

2010/C 317/67

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Häfele GmbH & Co. KG (Nagold, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Eck en J. Dönch, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 30 juni 2010 in de zaak R 338/2010-1;

verwijzing van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „Mixfront” voor waren van de klassen 6 en 20

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, c en d, van verordening (EG) nr. 207/2009 (1) doordat het betrokken gemeenschapsmerk onderscheidend vermogen bezit, de betrokken waren niet beschrijft en geen gebruikelijke aanduiding vormt.


(1)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/37


Beroep ingesteld op 16 september 2010 — Moreda-Riviere Trefilerías/Commissie

(Zaak T-426/10)

()

2010/C 317/68

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Moreda-Riviere Trefilerías, SA (Gijón, Spanje) (vertegenwoordigers: F. González Díaz en A. Tresandi Blanco, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

beschikking C(2010) 4387 def. van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 2010 in zaak COMP/38.344 — Voorspanstaal) krachtens artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie nietig verklaren;

subsidiair, de bij die beschikking opgelegde geldboete krachtens artikel 261 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie nietig verklaren of verminderen, en

de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

In de onderhavige procedure wordt opgekomen tegen dezelfde beschikking als die in zaak T-385/10, ArcelorMittal/Commissie.

Verzoekster voert concreet het volgende aan:

onjuiste toepassing van artikel 101 VWEU voor zover MRT verantwoordelijk wordt geacht voor de gestelde schending van dat artikel, nu om te beginnen TYCSA (PSC) en niet MRT verantwoordelijk is voor de gestelde deelname van TYCSA SL aan de in de beschikking beschreven gedragingen en voorts TYCSA SL geen deel heeft uitgemaakt van een economische eenheid met GSW/TYCSA. Bijgevolg kan MRT geen verantwoordelijkheid worden aangerekend voor het gedrag van TYCSA SL en TYCSA PSC;

fouten, feitelijk en rechtens, bij de beoordeling van de verweten gedragingen, aangezien de Europese Commissie zich vergist waar zij zich op het standpunt stelt dat het samenstel van overeenkomsten en bijeenkomsten die in verschillende periodes in diverse lidstaten zouden hebben plaatsgevonden met verschillende deelnemers en uiteenlopende doelen één enkele voortgezette inbreuk in de zin van artikel 101 VWEU vormt. Verder vormen de genoemde overeenkomsten geen coherent geheel van maatregelen die op de verwezenlijking van één enkel doel zijn gericht.

Subsidiair verzoekt verzoekster om nietigverklaring of vermindering van de geldboete wegens schending van de beginselen van evenredigheid, gewettigd vertrouwen, niet-terugwerkende kracht en rechtszekerheid, nu de richtsnoeren uit 1998 voor de berekening van geldboeten niet zijn toegepast, geen rekening is gehouden met een aantal verzachtende omstandigheden, de rechten van verweer zijn geschonden en de beschikking niet toereikend is gemotiveerd.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/38


Beroep ingesteld op 16 september 2010 — Trefilerías Quijano/Commissie

(Zaak T-427/10)

()

2010/C 317/69

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Trefilerías Quijano, SA (Los Corrales de Buelna, Spanje) (vertegenwoordigers: E. González Díaz en A. Tresandí Blanco, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

beschikking C(2010) 4387 def. van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 2010 in zaak COMP/38.344 — Voorspanstaal) krachtens artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie nietig verklaren;

subsidiair, de bij die beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete krachtens artikel 261 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie nietig verklaren of verminderen, en

de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

In de onderhavige procedure wordt opgekomen tegen dezelfde beschikking als die in zaak T-426/10, Moreda Riviere Trefilerías/Commissie.

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die in voornoemde zaak.

Verzoekster betwist dat haar verantwoordelijkheid treft voor de gestelde schending van artikel 101 VWEU.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/38


Beroep ingesteld op 16 september 2010 — Trenzas y Cables de Acero/Commissie

(Zaak T-428/10)

()

2010/C 317/70

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Trenzas y Cables de Acero PSC, SL (Santander, Spanje) (vertegenwoordigers: E. González Díaz en A. Tresandí Blanco, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

beschikking C(2010) 4387 def. van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 2010 in zaak COMP/38.344 — Voorspanstaal) krachtens artikel 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie nietig verklaren;

subsidiair, de bij die beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete krachtens artikel 261 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie nietig verklaren of verminderen, en

de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

In de onderhavige procedure wordt opgekomen tegen dezelfde beschikking als die in zaak T-426/10, Moreda Riviere Trefilerías/Commissie.

De middelen en voornaamste argumenten komen overeen met die in voornoemde zaak.

Verzoekster verwijt de Commissie dat zij een fout, feitelijk en rechtens, heeft gemaakt bij de toepassing van artikel 101 VWEU voor zover zij TYCSA PSC verantwoordelijk acht voor de gestelde schending van dat artikel, op grond dat TYCSA PSC, nu deze tussen 30 november 1992 en 19 september 2002 lid zou zijn geweest van een economische eenheid bestaande uit verschillende rechtspersonen (GSW, TQ, MRT en TYCSA PSC zelf), verantwoordelijkheid treft voor de in de beschikking beschreven gedraging.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/39


Beroep ingesteld op 17 september 2010 — Magnesitas de Rubián e.a./Commissie

(Zaak T-430/10)

()

2010/C 317/71

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partijen: Magnesitas de Rubián, SA (Incio, Spanje), Magnesitas Navarras, SA (Zubiri, Spanje), Ellinikoi Lefkolithoi Anonimos Metalleftiki Viomichaniki Naftiliaki kai Emporiki Etaireia (Athene, Griekenland) (vertegenwoordigers: H. Brokelmann en P. Martínez-Lage Sobredo, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

primair, nietigverklaring van onderdeel 3 van het referentiedocument over de beste beschikbare technieken voor de cement, kalk en magnesiumoxide producerende industrie (PB C 166 van 26 juni 2010) en van de verwijzingen naar de magnesiumoxide producerende industrie in de overige onderdelen van dat document;

subsidiair, voor het geval dat het Gerecht onderdeel 3 van dat besluit niet in zijn totaliteit nietig zou verklaren, in elk geval nietigverklaring van punt 3.5.5.4 daarvan, alsmede, in het bijzonder, van de in tabel 3.11 vastgestelde emissiewaarden, en

hoe dan ook, verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige beroep is gericht tegen een besluit dat door de Commissie is vastgesteld in het kader van richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (1); deze richtlijn voert een regeling voor de bestrijding van verontreiniging in en voorziet in een mechanisme voor de afgifte van vergunningen voor bepaalde industriële installaties.

In dat besluit wordt de vermindering van SOx-emissies die het gevolg zijn van de ontstane gassen, beschouwd als de beste beschikbare techniek (BBT) en worden emissiewaarden voor SOx vastgesteld die, afgezien van het feit dat zij lager zijn dan voor de andere sectoren, enkel kunnen worden bereikt door toepassing van technieken die ernstige milieuschade veroorzaken. Verder zijn de betrokken waarden vastgesteld op basis van gegevens die door één enkele onderneming werden verstrekt, zonder dat de daarvoor vastgestelde procedure is gevolgd.

Ter onderbouwing van hun beroep voeren verzoeksters vier middelen aan:

onbevoegdheid van de Europese Commissie

In dit verband stellen verzoeksters dat de Commissie niet bevoegd was om de productie van magnesiumoxide in het bestreden besluit op te nemen;

schending van wezenlijke vormvoorschriften

Het bestreden besluit vertoont drie wezenlijke vormgebreken, voor zover:

verzoeksters niet van de procedure tot vaststelling van dat besluit op de hoogte zijn gebracht en zij eerst laat daaraan hebben kunnen deelnemen;

daarin geen gewag wordt gemaakt van de door verzoeksters aangevoerde „split views”, en

de termijn voor beoordeling van het definitieve ontwerp van het bestreden besluit niet in acht is genomen;

schending van artikel 1 van richtlijn 2008/1/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, voor zover het bestreden besluit inbreuk maakt op het in dat artikel geformuleerde doel, namelijk het milieu in zijn geheel beschermen;

schending van het algemene beginsel van gelijke behandeling

Het bestreden besluit maakt inbreuk op het beginsel van gelijke behandeling, voor zover het ondernemingen die zich in verschillende situaties bevinden, gelijk behandelt.


(1)  PB L 24, blz. 8.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/40


Beroep ingesteld op 24 september 2010 — Nencini/Parlement

(Zaak T-431/10)

()

2010/C 317/72

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Riccardo Nencini (Firenze, Italië) (vertegenwoordiger: F. Bertini, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement

Conclusies

primair, het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 16 juli 2010 en mededeling nr. 312 331 van de directeur-generaal van het directoraat-generaal Financiën van het Europees Parlement van 4 augustus 2010, beide aan R. Nencini gericht, en, in voorkomend geval, alle daarop betrekking hebbende en/of daaraan voorafgaande besluiten om de in het verzoekschrift uiteengezette redenen nietig verklaren;

subsidiair, het bestreden besluit nietig verklaren en de zaak verwijzen naar de secretaris-generaal van het Europees Parlement, die het betwiste bedrag opnieuw en op billijke wijze zal vaststellen;

hoe dan ook, verweerder verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter onderbouwing van zijn beroep voert verzoeker, die in de ambtsperiode 1994 — 1999 lid was van het Europees Parlement, de volgende middelen aan:

schending van de taalregeling van de Europese Gemeenschap en dus schending van het recht op een eerlijk proces en van het recht op effectieve rechterlijke bescherming, nu de twee bestreden besluiten hadden moeten zijn opgesteld in het Italiaans, de taal van de lidstaat waarvan verzoeker de nationaliteit heeft;

niet-ontvankelijkheid van de aangevoerde schuldvordering wegens verjaring van het recht om de gestelde vordering op te eisen;

schending van het beginsel van hoor en wederhoor en van het recht op effectieve rechterlijke bescherming. In verzoekers geval heeft de secretaris-generaal van het Europees Parlement het definitieve besluit namelijk genomen op basis van feiten en een motivering die gedeeltelijk afwijken van die welke voorheen zijn gebruikt jegens verzoeker en aan hem zijn meegedeeld;

schending van de vergoedingsregeling voor de leden van het Europees Parlement wat de reisvergoedingen betreft, nu eraan is voorbijgegaan dat verzoeker tijdens zijn mandaat van lid van het Europees Parlement te Rome verbleef. In die stad — zoals bekend, de hoofdstad van Italië en het centrum van de nationale politiek — is Nencini immers altijd politiek actief geweest als nationaal verantwoordelijke van zijn politieke partij;

schending van de vergoedingsregeling voor de leden van het Europees Parlement wat de vergoedingen voor secretariaatsdiensten betreft. Verzoeker zet uiteen ervoor te hebben gezorgd dat iedereen die in zijn secretariaat werkzaam is geweest, alle daarvoor voorziene vergoedingen heeft ontvangen; hij heeft daarbij geen bedragen voor zichzelf achtergehouden;

schending van het algemene evenredigheidsbeginsel.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/40


Beroep ingesteld op 17 september 2010 — Vivendi/Commissie

(Zaak T-432/10)

()

2010/C 317/73

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Vivendi (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: M. Struys, O. Fréget en J.-Y. Ollier, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 2 juli 2010 in zaak COMP/C-1/39.653 — Vivendi & Iliad/France Télécom, waarbij de Europese Commissie de door Vivendi krachtens artikel 7 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad op 2 maart 2009 ingediende klacht over met artikel 102 VWEU strijdig geachte praktijken van France Télécom heeft afgewezen, en

verwijzing van de Commissie in de door verzoekster voor het Gerecht gemaakte kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster vordert nietigverklaring van beschikking C(2010) 4730 van de Commissie van 2 juli 2010 houdende afwijzing, wegens het ontbreken van belang voor de Gemeenschap, van de klacht die verzoekster tegen France Télécom heeft ingediend met betrekking tot een gesteld met artikel 102 VWEU strijdig misbruik van een machtspositie op de Franse breedband- en telefoonabonnementmarkt, waarbij France Télécom volgens verzoekster bij de prijzen voor groothandelsdiensten structureel discrimineerde ten voordele van haar kleinhandelafdeling en te hoge vaste tarieven voor toegang tot het aansluitnet handhaafde.

Ter onderbouwing van haar beroep voert verzoekster een aantal middelen aan, waaronder:

onjuiste rechtsopvattingen, kennelijke beoordelingsfouten en schending van de zorgvuldigheidsplicht bij het onderzoek van de gelaakte, voor de werking van de interne markt schadelijke, praktijken, aangezien de Commissie enkel i) heeft gekeken naar het gemiddelde niveau van de prijzen van de breedbandaanbiedingen op de kleinhandelsmarkten, zonder zich af te vragen of dat prijsniveau daadwerkelijk geschikt was om de gelaakte praktijken aan te tonen, en ii) op subjectieve wijze heeft geoordeeld dat de levering van telefoonabonnementsdiensten achterhaald is;

ontoereikende motivering, onjuiste opvattingen rechtens en feitelijk en kennelijke beoordelingsfouten, voor zover de Commissie tot de conclusie is gekomen dat de mogelijkheid om het bestaan van een inbreuk aan te tonen, zeer gering was, nu de Commissie:

heeft nagelaten te onderzoeken of de werkelijke verkoopprijzen discriminerend zijn gelet op de werkelijk verrichte prestaties en ten onrechte heeft gesteld dat het inleidende onderzoek geen aanwijzingen en bewijzen heeft opgeleverd;

zich op het standpunt heeft gesteld dat de door France Télécom gebruikte berekeningsmethode ter bepaling van haar tarieven voor toegang tot het aansluitnet door de Autorité de régulation des communications électroniques et des postes (ARCEP) is gevalideerd, en dat het feit dat France Télécom onjuiste informatie aan ARCEP heeft meegedeeld zonder dat is getracht die te corrigeren, niet ter zake doet gelet op de gebruikte methode;

een verkeerde voorstelling heeft gegeven van het doel van de door verzoekster overgelegde tests inzake uitsluitingsgedrag, dat erin bestond de gevolgen van de gelaakte praktijken aan te tonen;

schending van de waarborgen die op het gebied van misbruik van machtspositie gelden voor het onderzoek van klachten en voor besluiten om een klacht niet verder te behandelen, doordat verzoekster i) niet onmiddellijk toegang tot de schrifturen van de tegenpartij en tot het dossier heeft gekregen, en ii) onvoldoende tijd heeft gehad om haar opmerkingen over die documenten in te dienen.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/41


Hogere voorziening ingesteld op 20 september 2010 door Allen en anderen tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 13 juli 2010 in zaak F-103/09, Allen e.a./Commissie

(Zaak T-433/10 P)

()

2010/C 317/74

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwiranten: John Allen (Horspath, Verenigd Koninkrijk) e.a. (vertegenwoordigers: K. Lasok, QC en B. Lask, Barrister)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

de hogere voorziening ontvankelijk verklaren;

de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 13 juli 2010 in zaak F-103/09 vernietigen;

het eerste en twee middel inzake ontvankelijkheid van de verwerende partij afwijzen;

de verwerende partij verwijzen in de kosten van de hogere voorziening.

Middelen en voornaamste argumenten

Met deze hogere voorziening vragen rekwiranten om vernietiging van de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (GVAEU) van 13 juli 2010 in zaak F-103/09, Allen en anderen/Commissie, waarbij niet-ontvankelijk is verklaard de vordering van rekwiranten tot schadevergoeding en tot nietigverklaring van een besluit houdende weigering om hun een vergoeding te betalen voor de schade die elke rekwirant heeft geleden als gevolg van het feit dat hij gedurende de tijd dat hij was tewerkgesteld bij de gemeenschappelijke onderneming Joint European Torus (JET), niet als tijdelijk functionaris van de Gemeenschappen is aangeworven.

Tot staving van hun hogere voorziening stellen rekwiranten dat het GVAEU, door te concluderen dat er in casu een verplichting gold om binnen een redelijke periode te handelen en, zelfs indien dit het geval was, door zijn benadering van de duur en het beginpunt van die periode, in strijd heeft gehandeld met de rechtspraak van het Hof van Justitie en met de fundamentele beginselen van het recht van de Europese Unie.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/41


Beroep ingesteld op 15 september 2010 — Hit Groep/Commissie

(Zaak T-436/10)

()

2010/C 317/75

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Hit Groep BV (Haarlem, Nederland) (vertegenwoordigers: G. van der Wal, G. Oosterhuis en H. Albers, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies van verzoekende partij

Nietigverklaring van de beschikking voor zover gericht tot verzoekster, in het bijzonder van artikel 1 onder (9) sub b), artikel 2 onder (9), en artikel 4 onder (22), subsidiair bepaling op nihil van de in artikel 2 onder (9) aan verzoekster opgelegde boete of verlaging van deze boete in goede justitie;

veroordeling van de Commissie in de door verzoekster gemaakte kosten van deze procedure, de door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand daaronder begrepen.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster richt haar beroep tegen de aan haar geadresseerde beschikking van de Commissie van 30 juni 2010, C(2010) 4387 def. in zaak COMP/38.344 — Spanstaal.

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster 5 middelen aan.

Ten eerste zou de Commissie ten onrechte en rechtens onjuist, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd, in artikel 1 van het besluit hebben bepaald dat door verzoekster inbreuk is gemaakt op artikel 101 VWEU en op artikel 53 EER in de periode van 1 januari 1998 tot 17 januari 2002.

Volgens verzoekster heeft de Commissie onvoldoende gemotiveerd waarom verzoekster artikel 101 VWEU zou hebben overtreden en anders dan als aandeelhouder met „beslissende invloed” in de periode 1 januari 1998 tot 17 januari 2002 in deze zaak door de Commissie is betrokken.

Ten tweede zou de Commissie ten onrechte en rechtens onjuist aan verzoekster een boete hebben opgelegd. Volgens verzoekster is het bij beschikking van 30 juni 2010 opleggen van een boete aan een onderneming als verzoekster die al sinds 1 november 2004 niet meer economisch actief is, strijdig met de doelstellingen van artikel 101 VWEU, het gemeenschappelijke boetebeleid en het evenredigheidsbeginsel.

Ten derde zou de Commissie ten onrechte en rechtens onjuist in artikel 1 onder (9) van het bestreden besluit geoordeeld hebben dat verzoekster een inbreuk heeft gepleegd op artikel 101 VWEU en artikel 53 EER en op voet daarvan ten onrechte aan verzoekster een boete hebben opgelegd van EUR 6 934 000, omdat verzoekster naar het oordeel van de Commissie hoofdelijk aansprakelijk zou zijn met Nedri Spanstaal BV voor de periode van 1 januari 1998 tot 17 januari 2002.

Verzoekster voert aan dat zij in de periode van 1 januari 1998 tot 17 januari 2002 een participatiemaatschappij was die geen „beslissende invloed” had op Nedri Spanstaal en om die reden niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de door Nedri Spanstaal gepleegde inbreuk op het mededingingsrecht.

Ten vierde en in subsidiaire orde zou de Commissie ten onrechte en rechtens onjuist aan verzoekster een boete hebben opgelegd van EUR 6 934 000 en zou de Commissie aan verzoekster geen dan wel een aanzienlijk lagere boete hebben moeten opleggen.

De Commissie had volgens verzoekster niet haar omzet in 2003 als maatstaf mogen nemen voor de vaststelling van het 10 %-plafond van de boete die aan verzoekster is opgelegd, althans had de Commissie in geval wordt afgeweken van de hoofdregel van artikel 23 lid 2 van Verordening (EG) nr. 1/2003 de gevolgen daarvan moeten bezien in het concrete geval in het licht van de doelstelling van die bepaling. De boete is daarom niet evenredig aan de omvang van de onderneming en voldoet niet aan de voorwaarden van de rechtspraak.

De Commissie had ook aan verzoekster de clementiekorting moeten geven die zij aan Nedri Spanstaal heeft gegeven.

De Commissie heeft ten onrechte een aparte berekening van de boete van verzoekster gemaakt en had de boete van verzoekster dienen te beperken tot een fractie van de aan Nedri Spanstaal opgelegde boete. Het besluit jegens verzoekster is gebaseerd op het aandeelhouderschap van verzoekster in Nedri Spanstaal gedurende een 48/224ste deel van de totale periode van de door Nedri Spanstaal gepleegde inbreuk; de boete beantwoordt niet aan het evenredigheidsbeginsel.

Door na toepassing van het 10 %-plafond geen rekening te houden met de relatief beperkte duur waarvoor verzoekster aansprakelijk wordt gehouden voor de overtreding van Nedri Spanstaal, de relatief beperkte kwaliteit van de aansprakelijkheid van verzoekster en de beperkte omzet van verzoekster, heeft de Commissie het evenredigheidsbeginsel geschonden.

Door na toepassing van het 10 %-plafond geen rekening te houden met de beperkte duur, waarvoor HIT verantwoordelijk wordt gehouden voor de overtreding in verhouding tot Nedri Spanstaal, heeft de Commissie het beginsel van gelijke behandeling geschonden. Uit de rechtspraak volgt dat de hoogte van de boete mede wordt bepaald door de duur van de inbreuk gedurende welke de beboete onderneming hoofdelijk aansprakelijk is. Daarmee is niet verenigbaar dat de boete van verzoekster hoger is dan de boete van Nedri Spanstaal.

Ten vijfde en in subsidiaire orde voert verzoekster aan dat de Commissie haar verplichting de beslissing te nemen binnen een redelijke termijn schendt, in strijd met artikel 6 lid 1 EVRM en artikel 41 lid 1 Handvest van de grondrechten van de EU. De Commissie heeft ten onrechte nagelaten bij de bepaling van de boete rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. De duur van de onderhavige procedure is in dit geval 94 maanden en daarmee onredelijk lang.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/43


Beroep ingesteld op 22 september 2010 — Gap SA granen & producten/Commissie

(Zaak T-437/10)

()

2010/C 317/76

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Gap SA granen & producten NV (Zoersel, België) (vertegenwoordigers: C. Ronse en A. Hansebout, advocaten)

Verwerende partij: Europese Unie, vertegenwoordigd door de Europese Commissie

Conclusies van verzoekende partij

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht om de Europese Unie buitencontractueel aansprakelijk te stellen en haar te veroordelen om de schade te vergoeden die verzoekende partij geleden heeft, en meer bepaald om het bedrag van 295 690,43 EUR te betalen, vermeerderd met de Belgische wettelijke interest vanaf de respectievelijke data waarop verzoekende partij de betrokken invoerrechten betaalde, alsook om de Unie te veroordelen tot het betalen van een provisioneel bedrag van 30 000 EUR, vermeerderd met de Belgische wettelijke interest voor de overige schade die verzoekende partij geleden heeft.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster vraagt vergoeding van de schade die zij zou geleden hebben, doordat de Europese Commissie bij de vaststelling van invoerrechten op harde tarwe, en met name in het kader van de Verordening 919/2009 van de Commissie van 1 oktober 2009 houdende wijziging van Verordening 915/2009 tot vaststelling van invoerrechten in de sector granen, van toepassing vanaf 1 oktober 2009 (PB L 259, blz. 5) onrechtmatig heeft gehandeld en onjuiste marktprijzen en vrachtprijzen heeft gehanteerd.

Ter ondersteuning van haar verzoek tot schadevergoeding voert verzoekster aan dat de Commissie artikel 4 van Verordening 1249/96 (1) en de algemene zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden door de verkeerde prijzen en vrachttarieven in aanmerking te nemen in het kader van de oplegging en berekening van de invoerheffingen.

Volgens verzoekster is de schending van artikel 4 van Verordening 1249/96 voldoende gekwalificeerd, omdat de Commissie bij het aannemen van Verordening 919/2009 geen enkele discretionaire bevoegdheid had. Bovendien zou de schending van de zorgvuldigheidsplicht in hoofde van de Commissie op zich eveneens een voldoende gekwalificeerde schending zijn.

Verzoekster voert tenslotte aan dat haar schade uit een onrechtmatig opgelegde en foutief berekende heffing voortvloeit, waarvan verzoekende partij het precieze bedrag bewijst. Daarnaast zou verzoekende partij tevens schade hebben geleden tengevolge van de tijd die zij in deze zaak heeft moeten investeren en de advocatenkosten die zij heeft moeten dragen.


(1)  Verordening (EG) nr. 1249/96 van de Commissie van 28 juni 1996 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad ten aanzien van de invoerrechten in de sector granen (PB L 161, blz. 125).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/43


Beroep ingesteld op 24 september 2010 — Forgital Italy/Raad

(Zaak T-438/10)

()

2010/C 317/77

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Forgital Italy SpA (Velo d’Astico, Italië) (vertegenwoordigers: V. Turnietti di Priero en R. Mastroianni, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

verordening (EU) nr. 566/2010 van de Raad van 29 juni 2010 tot wijziging van verordening (EG) nr. 1255/96 houdende tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief voor bepaalde industrie-, landbouw- en visserijproducten, in het bijzonder artikel 1, lid, alsmede bijlage I daarbij, nietig verklaren voor zover daarbij de omschrijving van GN-code 8108 20 00 in die verordening is gewijzigd;

de Raad verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster in de onderhavige zaak, een vennootschap met zetel in Italië, die is gespecialiseerd in metalenbewerking, komt op tegen de bestreden verordening waarbij de toepasselijke regeling met betrekking tot de tijdelijke schorsing van de autonome rechten van het gemeenschappelijk douanetarief is gewijzigd, voor zover één van de wijzigingen GN-code 8108 20 00, TARC 20, betreft, waarvan de omschrijving is vervangen door de volgende: „Onbewerkte ingots, verkregen uit het samensmelten van titaan en titaanlegeringen, met een diameter van niet meer dan 380 mm”.

Ten gevolge van deze wijziging zijn ingots met een diameter van meer dan 380 mm, die tot dan toe krachtens de eerdere regeling waren vrijgesteld van rechten, met ingang van 1 juli 2010 onderworpen aan betaling van het gemeenschappelijk douanetarief. Ingots met een diameter van minder dan 380 mm blijven daarentegen krachtens de nieuwe regeling tot 31 december 2013 vrijgesteld van rechten.

Tot staving van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan:

1)

Geen of een ontoereikende motivering van het besluit. De bestreden verordening bevat geen afdoende motivering ter rechtvaardiging van de wijziging van de omschrijving van de goederen van GN-post 8108 20 00, TARIC 20, en vermeldt enkel dat deze wijziging noodzakelijk is „om rekening te houden met de technische ontwikkeling van producten en de economische ontwikkelingen op de markt”. In weerwil van de eisen van de rechtspraak, stelt deze formulering verzoekster niet in staat de rechtvaardiging van de bepaling te kennen teneinde haar rechten te verdedigen en stelt de Unierechter niet in staat zijn toezicht uit te oefenen.

2)

Schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van verzoeksters gerechtvaardigd vertrouwen. De bestreden verordening, voor zover deze de omschrijving van het betrokken product betreft, voldoet niet aan het rechtszekerheidsbeginsel nu de betrokken voorschriften in het licht van de eerdere praktijk en de aanwijzingen in de mededeling van de Commissie inzake autonome schorsingen van rechten en contingenten (PB C 128 van 25 april 1998) niet voorspelbaar lijken. Dit brengt voorts schending mee van het beginsel van gerechtvaardigd vertrouwen voor zover verzoekster terecht had vertrouwd i) op de eerderde omschrijving en termijn van de tariefschorsing voor de betrokken producten als opgenomen in de regeling van vóór de wijziging, en ii) op de in de eerdere praktijk en in genoemde mededeling ontwikkelde criteria als grondslag voor eventuele wijzigingen in de omschrijving of voor vervroegde opheffing van genoemde tariefschorsing.

3)

Schending van het gelijkheidsbeginsel. De bestreden verordening voert zonder enige plausibele rechtvaardiging een verschil in behandeling in tussen importeurs van ingots van titaanlegeringen met een diameter van niet meer dan 380 mm (waarvoor de tariefschorsing geldt) en de importeurs van ingots met een grotere diameter.

4)

Schending van het evenredigheidsbeginsel. De bestreden verordening lijkt wat het betrokken goed betreft onevenredig vanuit het oogpunt van genoemde noodzaak om „rekening te houden met de technische ontwikkeling van producten en de economische ontwikkelingen op de markt”, omdat: i) niet is gebleken van zodanige waarneembare economische en technische wijzigingen in de sector van de ingots van titaanlegeringen, dat een wijziging van het bij de verordening ingestelde invoerstelsel noodzakelijk is, en ii) de drastische en onverhoedse aard van deze wijzigingen, zonder enige overgangsperiode, onevenredig lijkt aan het met de verordening nagestreefde doel.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/44


Beroep ingesteld op 28 september 2010 — ESGE/BHIM — Kenwood Appliances Luxembourg (KMIX)

(Zaak T-444/10)

()

2010/C 317/78

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: ESGE AG (Bussnang, Zwitserland) (vertegenwoordiger: J. Klink, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Kenwood Appliances Luxembourg SA (Luxemburg, Luxemburg)

Conclusies

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 14 juli 2010 in zaak R 1249/2009-2 vernietigen;

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 14 juli 2010 in zaak R 1249/2009-2 in die zin wijzigen dat de beslissing van de oppositieafdeling van 21 augustus 2008 in zaak B 1252958 wordt vernietigd;

het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) verwijzen in de kosten van de procedure, de kosten van de beroepsprocedure daaronder begrepen.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Kenwood Appliances Luxembourg SA

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „KMIX” voor waren van de klassen 7 en 11

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: woordmerk „BAMIX” voor waren van de klassen 7 en 40

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 (1), daar er gevaar voor verwarring van de conflicterende merken bestaat.


(1)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/45


Beroep ingesteld op 28 september 2010 — HerkuPlast Kubern/BHIM — How (eco-pack)

(Zaak T-445/10)

()

2010/C 317/79

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: HerkuPlast Kubern GmbH (Ering, Duitsland) (vertegenwoordigers: G. Würtenberger en R. Kunze, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Heidi A. T. How (Harrow, Verenigd Koninkrijk)

Conclusies

vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 27 juli 2010 in de zaak R 1014/2009-4;

verwijzing van de verwerende partij in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Heidi A.T. How

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „eco-pack” bevat, voor waren van klasse 16

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekende partij

Oppositiemerk of -teken: Duits woordmerk en internationaal ingeschreven merk „ECOPAK” voor waren van klasse 20

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 (1) doordat gevaar voor verwarring van de conflicterende merken bestaat, alsmede schending van de artikelen 75 en 76 van verordening (EG) nr. 207/2009 doordat de kamer van beroep het bestaan van verwarringsgevaar globaal heeft ontkend, haar motivering op meerdere punten tegenstrijdig is en zij feitelijke, voor de uitkomst van het geding relevante stellingen van verzoekster ten onrechte als niet van belang heeft beschouwd.


(1)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/45


Hogere voorziening ingesteld op 24 september 2010 door Marcuccio tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 9 juli 2010 in zaak F-91/09, Marcuccio/Commissie

(Zaak T-450/10 P)

()

2010/C 317/80

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirant: Luigi Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

in elk geval, de bestreden beschikking volledig vernietigen;

verklaren dat het beroep in eerste aanleg waarin de bestreden beschikking is gegeven volledig ontvankelijk was;

primair, de door rekwirant in eerste aanleg geformuleerde vorderingen volledig toewijzen;

de verwerende partij veroordelen tot betaling aan rekwirant van de volledige kosten die hij in alle instanties van deze zaak heeft gemaakt;

subsidiair, de zaak voor een nieuwe uitspraak terugverwijzen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken in een andere samenstelling.

Middelen en voornaamste argumenten

Deze hogere voorziening is gericht tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 9 juli 2010, waarbij een beroep, met name strekkende tot vergoeding van de schade die rekwirant zou hebben geleden als gevolg van het verzoek van de verwerende partij om de medische onderzoeken te ondergaan die nodig zijn om zijn eventuele invaliditeit vast te stellen, deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels ongegrond is verklaard.

Tot staving van zijn hogere voorziening beroept rekwirant zich op het volledig ontbreken van motivering van de bestreden beschikking met betrekking tot de zogenoemde niet-ontvankelijkheid van de verzoeken om schadevergoeding.

Voorts beroept hij zich onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 270 VWEU, van artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie, van de beginselen van rechtszekerheid, van het recht op rechterlijke bescherming, van de rangorde van de rechtsbronnen, van de scheiding der machten en van de onderworpenheid van de rechter aan de wet.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/46


Beroep ingesteld op 28 september 2010 — Fuchshuber Agrarhandel/Commissie

(Zaak T-451/10)

()

2010/C 317/81

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Fuchshuber Agrarhandel GmbH (Hörsching, Oostenrijk) (vertegenwoordiger: G. Lehner, Rechtsanwalt)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

een mondelinge behandeling toestaan;

de Commissie van de Europese Gemeenschappen veroordelen tot betaling aan verzoekster, binnen een termijn van 14 dagen, van een bedrag van 2 623 282,31 EUR vermeerderd met 6 % rente per jaar berekend over een bedrag van 1 641 372,50 EUR sinds 24 september 2007 en 6 % rente per jaar berekend over een bedrag van 981 909,81 EUR sinds 16 oktober 2007;

de Commissie van de Europese Gemeenschappen veroordelen tot vergoeding van de eventuele bijkomende schade die verzoekster zou lijden in verband met kavels KUK459 en KUK465, die op 3 september 2007 respectievelijk 17 september 2007 zijn gegund;

vaststellen dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen de kosten van de procedure binnen een termijn van 14 dagen dient te betalen aan verzoeksters vertegenwoordiger in rechte.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster vordert vergoeding van de schade die zij heeft geleden doordat bepaalde hoeveelheden maïs die zij in 2007 in het kader van twee aanbestedingen van het Hongaarse interventiebureau had gekocht, niet aanwezig waren in de betrokken opslagplaatsen.

In de motivering van haar verzoekschrift stelt verzoekster onder meer dat de Commissie haar bevoegdheid om toezicht te houden op het Hongaarse betaalorgaan niet heeft uitgeoefend en er evenmin op heeft aangedrongen dat bedoeld orgaan zijn verplichtingen in acht zou nemen. Voorts voert verzoekster aan dat zij geen schade zou hebben geleden indien de Commissie op juridisch en materieel vlak strengere vereisten en controlemechanismen zou hebben vastgesteld met betrekking tot de geschiktheid en de betrouwbaarheid van de opslaghouder, de geschiktheid van de opslagplaatsen, en de voorraadopname, de identificatie en de opslag van de goederen die in interventie worden genomen.


Gerecht voor ambtenarenzaken

20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/47


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 september 2010 — Van Heuckelom/Europese Politiedienst (Europol)

(Zaak F-43/09) (1)

(Openbare dienst - Statuut voor personeelsleden van Europol - Artikel 29 - Salaristrapverhoging toegekend op basis van beoordelingsrapporten - Exceptie van onwettigheid van besluit tot vaststelling van het beleid inzake de vaststelling van rangen en salaristrappen - Respectieve bevoegdheden van directeur en raad van bestuur van Europol - Beoordelingsvrijheid van directeur van Europol - Grenzen)

2010/C 317/82

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Carlo van Heuckelom (’s-Gravenhage, Nederland) (vertegenwoordigers: W. J. Dammingh en N. D. Dane, advocaten)

Verwerende partij: Europese Politiedienst (Europol) (vertegenwoordigers: D. Neumann en D. El Khoury, gemachtigden, aanvankelijk bijgestaan door B. Wägenbaur en R. Van der Hout, advocaten, vervolgens door B. Wägenbaur, advocaat)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit van 14 juli 2008 om verzoeker slechts één salaristrap toe te kennen alsmede van het besluit van 19 januari 2009 houdende afwijzing van de klacht die tegen het eerste besluit is ingediend

Dictum

1)

Het beroep van Van Heuckelom wordt verworpen.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 180 van 1.8.2009, blz. 63.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/47


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 14 september 2010 — Da Silva Pinto Branco/Hof van Justitie

(Zaak F-52/09) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Aanwerving - Ambtenaar op proef - Ontslag aan einde van proeftijd - Rechten van de verdediging - Beoordeling van geschiktheid - Rechterlijke controle)

2010/C 317/83

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Delfina Da Silva Pinto Branco (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordigers: M. Erniquin en C. Defago, advocaten)

Verwerende partij: Hof van Justitie (vertegenwoordiger: A. V. Placco, gemachtigde)

Voorwerp

Ten eerste, nietigverklaring van het besluit om verzoekster te ontslaan. Ten tweede, verzoek om haar in vaste dienst aan te stellen of, subsidiair, haar weer aan te stellen als ambtenaar op proef. Ten derde, verzoek om betaling van een vergoeding voor de geleden immateriële schade.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Da Silva Pinto Branco zal alle kosten dragen.


(1)  PB C 244 van 10/10/2009, blz. 16.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/48


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 14 september 2010 — AE/Commissie

(Zaak F-79/09)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Sociale zekerheid - Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten - Artikel 73 van het Statuut - Weigering om te erkennen dat ziekte door het beroep is veroorzaakt - Overgevoeligheid voor elektromagnetische velden)

2010/C 317/84

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: AE (Muchamiel, Spanje) (vertegenwoordigers: L. Levi en M. Vandenbussche, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Currall en D. Martin, gemachtigden, vervolgens J. Currall en J. Baquero Cruz, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van, enerzijds, het op 16 januari 2009 ontvangen besluit van het TABG van 15 december 2008 houdende afwijzing van verzoekers verzoek om erkenning van zijn aandoening als beroepsziekte in de zin van artikel 73 van het Statuut en, anderzijds, voor zover nodig, het besluit van 11 juni 2009 tot afwijzing van verzoekers klacht. Verzoek om betaling van een vergoeding van 12 000 EUR voor de geleden immateriële schade.

Dictum

1)

De Europese Commissie wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag van 2 000 EUR aan verzoeker.

2)

De overige vorderingen worden afgewezen.

3)

De Europese Commissie zal naast haar eigen kosten één vierde van verzoekers kosten dragen.

4)

Verzoeker zal drie vierde van zijn eigen kosten dragen.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/48


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 14 september 2010 — Rossi Ferreras/Commissie

(Zaak F-85/09) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Beoordelingsjaar 2001/2002 - Loopbaanontwikkelingsrapport - Uitvoering van arrest houdende nietigverklaring - Gevolgen van intrekking van handeling - Bepaling van doelstellingen)

2010/C 317/85

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Francisco Rossi Ferreras (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordiger: F. Frabetti, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Berscheid en C. Berardis-Kayser, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om nietigverklaring van verzoekers loopbaanontwikkelingsrapport over de periode van 1 juli 2001 tot en met 31 december 2002

Dictum

1)

Het beroep van Rossi Ferreras wordt verworpen.

2)

Rossi Ferreras zal alle kosten dragen.


(1)  PB C 312 van 19/12/2009, blz. 45.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/48


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 6 oktober 2010 Marcuccio/Commissie

(Zaak F-2/10) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Sociale zekerheid - Ziektekostenverzekering - Verzoeken om vergoeding van ziektekosten - Ontbreken van bezwarend besluit - Beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk rechtens ongegrond - Artikel 94 van Reglement voor de procesvoering)

2010/C 317/86

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Luigi Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en C. Berardis-Kayser, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit houdende weigering om verzoeker 100 % vergoeding van ziektekosten te geven

Dictum

1)

Het beroep van Marcuccio wordt deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard.

2)

Marcuccio wordt verwezen in de kosten.

3)

Marcuccio wordt veroordeeld tot betaling aan het Gerecht van het bedrag van 1 500 EUR.


(1)  PB C 63 van 13/03/2010, blz. 53.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/49


Beroep ingesteld op 30 augustus 2010 — Cantisani/Commissie

(Zaak F-71/10)

()

2010/C 317/87

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Nicola Cantisani (Brussel, België) (vertegenwoordiger: S. de Lannoy, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van de verwerende partij houdende afwijzing van verzoekers verzoek om bijstand in verband met psychisch geweld en verzoek om vergoeding van de geleden schade

Conclusies van de verzoekende partij

nietig verklaren het besluit van de directeur van het directoraat-generaal Personeelszaken en administratie van de Commissie van 9 oktober 2009 (ADMIN.B2/JJ/jm 0(09)) waarbij de administratie zich op het standpunt heeft gesteld dat geen gevolg behoefde te worden gegeven aan het verzoek om bijstand dat verzoeker op 29 januari 2009 bij de Commissie had ingediend;

verzoeker schadeloosstellen voor de materiële en immateriële schade als gevolg van het psychisch geweld;

de Europese Commissie verwijzen in de kosten.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/49


Beroep ingesteld op 30 augustus 2010 — Cantisani/Commissie

(Zaak F-71/10)

()

2010/C 317/87

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Nicola Cantisani (Brussel, België) (vertegenwoordiger: S. de Lannoy, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van de verwerende partij houdende afwijzing van verzoekers verzoek om bijstand in verband met psychisch geweld en verzoek om vergoeding van de geleden schade

Conclusies van de verzoekende partij

nietig verklaren het besluit van de directeur van het directoraat-generaal Personeelszaken en administratie van de Commissie van 9 oktober 2009 (ADMIN.B2/JJ/jm 0(09)) waarbij de administratie zich op het standpunt heeft gesteld dat geen gevolg behoefde te worden gegeven aan het verzoek om bijstand dat verzoeker op 29 januari 2009 bij de Commissie had ingediend;

verzoeker schadeloosstellen voor de materiële en immateriële schade als gevolg van het psychisch geweld;

de Europese Commissie verwijzen in de kosten.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/49


Beroep ingesteld op 24 september 2010 — Dubus/Parlement

(Zaak F-86/10)

()

2010/C 317/89

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Charles Dubus (Tervuren, België) (vertegenwoordigers: E. Boigelot en S. Woog, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van de verwerende partij om verzoeker niet op te nemen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2009 van de rang AST3 tot de rang AST4 zijn bevorderd

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van het Parlement om verzoeker niet op te nemen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2009 van de rang AST3 tot de rang AST4 zijn bevorderd;

dientengevolge een nieuwe vergelijking van verzoekers verdiensten en die van de andere kandidaten in het kader van de bevorderingsronde 2009 en bevordering van verzoeker tot de rang AST4 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2009 alsmede rentebetaling over de achterstallige bezoldiging tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank met ingang van 1 januari 2009 voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met twee punten;

verwijzing van het Europees Parlement in de kosten.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/50


Beroep ingesteld op 27 september 2010 — Van Asbroeck/Commissie

(Zaak F-88/10)

()

2010/C 317/90

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Marc Van Asbroeck (Dilbeek, België) (vertegenwoordigers: S. Rodrigues, A. Blot en C. Bernard-Glanz, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van de verwerende partij houdende afwijzing van verzoekers verzoek om gedeeltelijke nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 22 oktober 2008 betreffende de invoering van een compenserende vergoeding voor ambtenaren die vóór 1 mei 2004 van categorie zijn gewijzigd, herindeling, met terugwerkende kracht tot 1 mei 2004, in de rang D*4/8 en herstel van loopbaan volgens de bevorderingen, de jaarlijkse aanpassingen en de verhoging van salaristrap die sindsdien op hem van toepassing zijn geweest

Conclusies van de verzoekende partij

de verwerende partij verzoeken om expliciet een standpunt in te nemen over de tabel die verzoeker heeft opgesteld ter vergelijking van de vooruitgang van zijn daadwerkelijke bezoldiging en die welke hij had moeten ontvangen indien hij vóór 1 mei 2004 niet van categorie was gewijzigd;

nietig verklaren het besluit van de Commissie tot afwijzing van zijn verzoek om nietigverklaring van de derde volzin van artikel 1, lid 3, van het besluit van de Commissie van 22 oktober 2008 betreffende de invoering van een compenserende vergoeding voor ambtenaren die vóór 1 mei 2004 van categorie zijn gewijzigd, herindeling, met terugwerkende kracht tot 1 mei 2004, in de rang D*4/8 en herstel van loopbaan volgens de bevorderingen, de jaarlijkse aanpassingen en de verhoging van salaristrap die sindsdien op hem van toepassing zijn geweest en, voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht nietig verklaren;

de verwerende partij veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de financiële schade die voorlopig is vastgesteld op 13 218,24 EUR, te vermeerderen met vertragingsrente tegen de wettelijke rentevoet en vanaf de datum van het te wijzen arrest;

de Europese Commissie verwijzen in de kosten.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/50


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 september 2010 — Block e.a. en Knaul e.a./Commissie

(Gevoegde zaken F-8/05 en F-10/05) (1)

()

2010/C 317/91

Procestaal: Frans

De president van de Eerste kamer heeft de doorhaling van de zaken gelast.


(1)  PB C 115 van 14/05/2005, blz. 33 en 36.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/50


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 september 2010 — Avendano e.a./Commissie

(Zaak F-45/06) (1)

()

2010/C 317/92

Procestaal: Frans

De president van de Eerste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 143 van 17/06/2006, blz. 39.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/50


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 september 2010 — Baele e.a./Commissie

(Zaak F-70/06) (1)

()

2010/C 317/93

Procestaal: Frans

De president van de Eerste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 190 van 12/08/2006, blz. 36.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/51


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 september 2010 — Blank e.a./Commissie

(Zaak F-103/06) (1)

()

2010/C 317/94

Procestaal: Frans

De president van de Eerste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 261 van 28/10/2006, blz. 35.


20.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 317/51


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 16 september 2010 — Ernotte/Commissie

(Zaak F-90/09) (1)

()

2010/C 317/95

Procestaal: Frans

De president van de Eerste kamer heeft na het treffen van een minnelijke regeling de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 11 van 16/01/2010, blz. 41.