ISSN 1725-2474

doi:10.3000/17252474.C_2010.051.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 51

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

53e jaargang
27 februari 2010


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie

2010/C 051/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie in het Publicatieblad van de Europese UniePB C 37 van 13.2.2010

1

 

V   Adviezen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2010/C 051/02

Zaak C-284/05: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Republiek Finland (Niet-nakoming — Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting)

2

2010/C 051/03

Zaak C-294/05: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Koninkrijk Zweden (Niet-nakoming — Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting en van goederen voor zowel civiel als militair gebruik)

3

2010/C 051/04

Zaak C-372/05: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland (Niet-nakoming — Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting)

3

2010/C 051/05

Zaak C-387/05: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek (Niet-nakoming — Van douanerechten vrijgestelde invoer van materieel voor zowel civiel als militair gebruik)

4

2010/C 051/06

Zaak C-409/05: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Helleense Republiek (Niet-nakoming — Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting)

5

2010/C 051/07

Zaak C-461/05: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Koninkrijk Denemarken (Niet-nakoming — Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting)

5

2010/C 051/08

Zaak C-239/06: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek (Niet-nakoming — Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting)

6

2010/C 051/09

Zaak C-45/08: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 23 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Hof van beroep te Brussel — België) — Spector Photo Group NV, Chris Van Raemdonck/Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA) (Richtlijn 2003/6 — Handel met voorwetenschap — Gebruik van voorwetenschap — Sancties — Voorwaarden)

6

2010/C 051/10

Zaak C-227/08: Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Salamanca — Spanje) — Eva Martín Martín/EDP Editores SL (Richtlijn 85/577/EEG — Artikel 4 — Bescherming van consument — Buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten — Opzeggingsrecht — Informatieplicht van handelaar — Nietigheid van overeenkomst — Passende maatregelen)

7

2010/C 051/11

Zaak C-248/08: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 december 2009 — Europese Commissie/Helleense Republiek (Niet-nakoming — Verordening (EG) nr. 1774/2002 — Artikelen 4, lid 2, sub a en c, 5, lid 2, sub c, 6, lid 2, sub b, 10 tot en met 15, 17, 18 en 26 — Dierlijke bijproducten — Afval — Begraving zonder voorafgaande behandeling — Ontbreken van officiële controles — Installaties voor veilig beheer van dierlijke bijproducten — Exploitatie — Geen erkenning — Verbranding van gespecificeerd risicomateriaal — Geen passende procedés)

8

2010/C 051/12

Zaak C-305/08: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 23 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato — Italië) — Consorzio Nazionale Interuniversitario per le Scienze del Mare (CoNISMa)/Regione Marche (Overheidsopdrachten voor diensten — Richtlijn 2004/18 — Begrippen aannemer, leverancier, en dienstverlener — Begrip ondernemer — Universiteiten en onderzoeksinstituten — Combinatie (consorzio) die bestaat uit universiteiten en overheidsinstanties — Ander statutair hoofddoel dan nastreven van winst — Toelating tot procedure voor plaatsen van overheidsopdracht)

8

2010/C 051/13

Zaak C-376/08: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 23 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale amministrativo regionale per la Lombardia — Italië) — Serrantoni Srl, Consorzio stabile edili scrl/Comune di Milano (Overheidsopdrachten voor werken — Richtlijn 2004/18/EG — Artikelen 43 EG en 49 EG — Beginsel van gelijke behandeling — Consortia van ondernemingen — Verbod voor consorzio stabile (duurzaam consortium) en daartoe behorende vennootschap om als concurrenten aan dezelfde procedure deel te nemen)

9

2010/C 051/14

Gevoegde zaken C-410/08—C-412/08: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 december 2009 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Baden-Württemberg — Duitsland) — Swiss Caps AG/Hauptzollamt Singen (Gemeenschappelijk douanetarief — Gecombineerde nomenclatuur — Tariefindeling — Posten 1515, 1517, 2106 en 3004 — Gelatinecapsules — Visolie, tarwekiemolie en nigella sativaolie — Begrip verpakkingsmiddel)

9

2010/C 051/15

Zaak C-455/08: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 23 december 2009 — Europese Commissie/Ierland (Niet-nakoming — Richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG — Overheidsopdrachten voor leveringen en voor uitvoering van werken — Beroepsprocedure tegen besluit tot gunning van opdracht — Waarborg van doeltreffend beroep — In acht te nemen minimumtermijn tussen kennisgeving van besluit tot gunning van opdracht aan afgewezen inschrijvers en ondertekening van overeenkomst betreffende deze opdracht)

10

2010/C 051/16

Zaak C-505/08: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 17 december 2009 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland (Niet-nakoming — Richtlijn 2005/36/EG — Erkenning van beroepskwalificaties — Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

11

2010/C 051/17

Zaak C-586/08: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 17 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio — Italië) — Angelo Rubino/Ministero dell’Università e della Ricerca (Richtlijn 2005/36/EG — Erkenning van diploma’s — Begrip gereglementeerd beroep — Selectie van vooraf bepaald aantal personen op basis van vergelijkend onderzoek dat leidt tot toekenning van in tijd beperkt geldige titel — Nationale wetenschappelijke bekwaamheid — Hoogleraar en universitair hoofddocent)

11

2010/C 051/18

Zaak C-120/09: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 december 2009 — Europese Commissie/Koninkrijk België (Niet-nakoming — Richtlijn 1999/31/EG — Storten van afvalstoffen — Begrippen ondergrondse opslag, stortplaatsgas en eluaat — Verplichting om interventiepunten te bepalen op basis waarvan kan worden vastgesteld dat stortplaats significante nadelige effecten heeft op kwaliteit van grondwater — Niet-omzetting binnen gestelde termijn wat Waalse Gewest betreft)

12

2010/C 051/19

Gevoegde zaken C-450/07 en C-451/07: Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 9 november 2009 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio — Italië) — Roche SpA (C-450/07), Federazione nazionale unitaria dei Titolari di Farmacia italiani (Federfarma) (C-451/07)/Agenzia Italiana del Farmaco (AIFA), Ministero della Salute (Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor de procesvoering — Richtlijn 89/105/EEG — Doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik — Artikel 4 — Bevriezing van prijzen — Prijsverlaging)

12

2010/C 051/20

Zaak C-281/08 P: Beschikking van het Hof van 24 november 2009 — Landtag Schleswig-Holstein/Commissie van de Europese Gemeenschappen (Hogere voorziening — Beroep tot nietigverklaring — Toegang tot documenten — Procesbevoegdheid van regionaal parlement)

13

2010/C 051/21

Zaak C-353/08: Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 9 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio — Italië) — A. Menarini — Industrie Farmaceutiche Riunite Srl, FIRMA Srl, Laboratori Guidotti SpA, Menarini International Operations Luxembourg SA, Istituto Lusofarmaco d'Italia SpA, Malesi Istituto Farmacobiologico SpA/Ministero della Salute, Agenzia Italiana del Farmaco (AIFA) (Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor de procesvoering — Richtlijn 89/105/EEG — Doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik — Artikel 4, lid 1 — Prijsbevriezing — Prijsverlaging)

13

2010/C 051/22

Zaak C-553/08 P: Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 2 december 2009 — Powerserv Personalservice GmbH, voorheen Manpower Personalservice GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Manpower Inc. (Hogere voorziening — Gemeenschapsmerk — Verordening (EG) nr. 40/94 — Artikelen 7, lid 1, sub c, en 51, leden 1 en 2 — Vordering tot nietigverklaring — Incidentele hogere voorziening — Gemeenschapswoordmerk MANPOWER — Absolute weigeringsgronden — Beschrijvend karakter — Onderscheidend vermogen verkregen door gebruik)

14

2010/C 051/23

Gevoegde zaken C-561/08 P en C-4/09 P: Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 23 oktober 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Gerasimos Potamianos (C-561/08 P), Gerasimos Potamianos/Commissie van de Europese Gemeenschappen (C-4/09 P) (Hogere voorziening — Ambtenaren — Tijdelijk functionaris — Niet-verlenging van overeenkomst voor bepaalde tijd — Bezwarend besluit)

15

2010/C 051/24

Zaak C-85/09 P: Beschikking van het Hof van 29 oktober 2009 — Portela — Comércio de artigos ortopédicos e hospitalares, Lda/Commissie van de Europese Gemeenschappen (Hogere voorziening — Buitencontractuele aansprakelijkheid — Vordering tot vergoeding van schade tengevolge van verschillende nalatigheden van de Commissie bij toepassing van richtlijn 93/42/EEG — Ontbreken van causaal verband tussen gestelde nalatigheden en schade die verzoekster heeft geleden bij verkoop van defecte digitale thermometers — Kennelijk ongegronde hogere voorziening)

15

2010/C 051/25

Zaak C-143/09: Beschikking van het Hof (Tweede kamer) van 17 september 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Fővárosi Bíróság — Republiek Hongarije) — Pannon GSM Távközlési Rt./Nemzeti Hírközlési Hatóság Tanácsa (Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering — Toetreding tot de Europese Unie — Richtlijn 2002/22/EG — Toepasselijkheid ratione temporis — Bevoegdheid van het Hof)

16

2010/C 051/26

Zaak C-198/09: Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 9 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio — Italië) — IFB Stroder Srl/Agenzia Italiana del Farmaco (AIFA) (Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor de procesvoering — Richtlijn 89/105/EEG — Doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik — Artikel 4 — Prijsbevriezing — Prijsverlaging)

16

2010/C 051/27

Zaak C-333/09: Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 27 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil de Prud’hommes te Caen — Frankrijk) — Sophie Noël/SCP Brouard Daude, curator in het faillissement van Pronuptia Boutiques Province SA, Centre de Gestion et d’Étude AGS IDF EST (Prejudiciële verwijzing — Europees Verdrag tot bescherming van rechten van mens en fundamentele vrijheden — Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten — Beginsel van gelijke behandeling — Ontslag om economische redenen — Geen aanknopingspunt met gemeenschapsrecht — Kennelijke onbevoegdheid van Hof)

17

2010/C 051/28

Zaak C-443/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Ordinario di Cosenza (Italië) op 13 november 2009 — C.C.I.A.A. di Cosenza/Grillo Star srl Fallimento

18

2010/C 051/29

Zaak C-504/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 4 december 2009 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 23 september 2009 in zaak T-183/07, Polen/Commissie

18

2010/C 051/30

Zaak C-517/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Collège d'autorisation et de contrôle du Conseil supérieur de l'audiovisuel (België) op 11 december 2009 — RTL Belgium SA (voorheen TVI SA)

19

2010/C 051/31

Zaak C-522/09: Beroep ingesteld op 15 december 2009 — Europese Commissie/Roemenië

20

2010/C 051/32

Zaak C-525/09: Beroep ingesteld op 17 december 2009 — Europese Commissie/Portugese Republiek

21

2010/C 051/33

Zaak C-526/09: Beroep ingesteld op 17 december 2009 — Europese Commissie/Portugese Republiek

21

2010/C 051/34

Zaak C-529/09: Beroep ingesteld op 18 december 2009 — Europese Commissie/Koninkrijk Spanje

21

2010/C 051/35

Zaak C-531/09: Beroep ingesteld op 18 december 2009 — Europese Commissie/Portugese Republiek

22

2010/C 051/36

Zaak C-532/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 18 december 2009 door Vladimir Ivanov tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 30 september 2009 in zaak T-166/08, Ivanov/Commissie

22

2010/C 051/37

Zaak C-533/09: Beroep ingesteld op 18 december 2009 — Europese Commissie/Portugese Republiek

23

2010/C 051/38

Zaak C-538/09: Beroep ingesteld op 21 december 2009 — Europese Commissie/Koninkrijk België

23

2010/C 051/39

Zaak C-539/09: Beroep ingesteld op 21 december 2009 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland

24

2010/C 051/40

Zaak C-540/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Regeringsrätten (Zweden) op 21 december 2009 — Skandinaviska Enskilda Banken AB Momsgrupp/Skatteverket

24

2010/C 051/41

Zaak C-544/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 22 december 2009 door de Bondsrepubliek Duitsland tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Zevende kamer) van 6 oktober 2009 in zaak T-21/06, Bondsrepubliek Duitsland/Commissie van de Europese Gemeenschappen

25

2010/C 051/42

Zaak C-553/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 23 december 2009 door BCS Spa tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Achtste kamer) van 28 oktober 2009 in zaak T-137/08: BCS SpA/BHIM (merken, tekeningen en modellen)

26

2010/C 051/43

Zaak C-40/10: Beroep ingesteld op 25 januari 2010 — Europese Commissie/Raad van de Europese Unie

27

2010/C 051/44

Zaak C-466/08: Beschikking van de president van het Hof van 17 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Cyprus

27

2010/C 051/45

Zaak C-544/08: Beschikking van de president van de Achtste kamer van het Hof van 4 december 2009 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek

27

2010/C 051/46

Zaak C-548/08: Beschikking van de president van de Achtste kamer van het Hof van 12 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Zweden

28

2010/C 051/47

Zaak C-15/09: Beschikking van de president van de Vijfde kamer van het Hof van 26 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Tsjechische Republiek

28

2010/C 051/48

Zaak C-42/09: Beschikking van de president van het Hof van 2 december 2009 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek

28

2010/C 051/49

Zaak C-171/09: Beschikking van de president van de Achtste kamer van het Hof van 2 december 2009 — Europese Commissie/Franse Republiek

28

2010/C 051/50

Zaak C-183/09: Beschikking van de president van het Hof van 30 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

28

2010/C 051/51

Zaak C-184/09: Beschikking van de president van het Hof van 20 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje

28

2010/C 051/52

Zaak C-192/09: Beschikking van de president van het Hof van 11 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk der Nederlanden

28

2010/C 051/53

Zaak C-206/09: Beschikking van de president van het Hof van 18 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

29

2010/C 051/54

Zaak C-207/09: Beschikking van de president van het Hof van 7 december 2009 — Europese Commissie/Slowaakse Republiek

29

2010/C 051/55

Zaak C-220/09: Beschikking van de president van het Hof van 12 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Malta

29

2010/C 051/56

Zaak C-252/09: Beschikking van de president van het Hof van 19 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Portugese Republiek

29

 

Gerecht

2010/C 051/57

Gevoegde zaken T-355/04 en T446/04: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 19 januari 2010 — Co-Frutta/Commissie (Toegang tot documenten — Verordening (EG) nr. 1049/2001 — Documenten betreffende gemeenschappelijke markt van invoer van bananen — Stilzwijgende afwijzing gevolgd door uitdrukkelijke weigering van toegang — Beroep tot nietigverklaring — Ontvankelijkheid — Uitzondering betreffende bescherming van commerciële belangen van derde — Naleving van termijnen — Voorafgaande toestemming van lidstaat — Motiveringsplicht)

30

2010/C 051/58

Zaken T-252/07, T-271/07 en T-272/07: Arrest van het Gerecht van 20 januari 2010 — Sungro e.a./Raad en Commissie (Niet-contractuele aansprakelijkheid — Gemeenschappelijk landbouwbeleid — Wijziging van communautaire steunregeling voor katoen — Titel IV, hoofdstuk 10 bis, van verordening (EG) nr. 1782/2003, ingevoegd bij artikel 1, punt 20, van verordening (EG) nr. 864/2004 — Nietigverklaring van betrokken bepalingen bij arrest van Hof — Oorzakelijk verband)

30

2010/C 051/59

Zaak T-460/07: Arrest van het Gerecht van 20 januari 2010 — Nokia/BHIM — Medion (LIFE BLOG) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk LIFE BLOG — Ouder nationaal woordmerk LIFE — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009) — Gedeeltelijke weigering van inschrijving)

31

2010/C 051/60

Zaak T-355/08 P: Arrest van het Gerecht van 19 januari 2010 — De Fays/Commissie (Hogere voorziening — Incidentele hogere voorziening — Openbare dienst — Ambtenaren — Verlof — Ziekteverlof — Onregelmatige afwezigheid vastgesteld naar aanleiding van medische controle — Verrekening met vakantieverlof — Verlies van bezoldiging)

31

2010/C 051/61

Zaak T-254/08: Beschikking van het Gerecht van 22 december 2009 — Associazione Giùlemanidallajuve/Commissie (Gestelde inbreuken op artikelen 81 EG en 82 EG — Klacht — Beroep wegens nalaten — Standpuntbepaling van de Commissie die einde maakt aan nalaten — Afdoening zonder beslissing)

32

2010/C 051/62

Zaak T-71/09: Beschikking van het Gerecht van 5 januari 2010 — Química Atlântica/Commissie (Beroep wegens nalaten — Standpuntbepaling — Beroep tot schadevergoeding — Artikel 44, lid 1, sub c), van Reglement voor procesvoering van Gerecht — Niet-ontvankelijkheid)

32

2010/C 051/63

Zaak T-95/09 R II: Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 15 januari 2010 — United Phosphorus/Commissie (Kort geding — Richtlijn 91/414/EEG — Beschikking betreffende niet-opneming van napropamide in bijlage I bij richtlijn 91/414 — Verlenging van maatregel tot opschorting van tenuitvoerlegging)

32

2010/C 051/64

Zaak T-446/09 R: Beschikking van de president van het Gerecht van 8 januari 2010 — Escola Superior Agrária de Coimbra/Commissie (Kort geding — Life-programma — Terugbetaling van deel van betaalde bedragen — Invorderingsopdracht — Debetnota — Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging — Financiële schade — Uitzonderlijke omstandigheden — Geen spoedeisendheid)

33

2010/C 051/65

Zaak T-464/09: Beroep ingesteld op 20 november 2009 — Europese Commissie/New Acoustic Music en Anna Hildur Hildibrandsdottir

33

2010/C 051/66

Zaak T-486/09: Beroep ingesteld op 4 december 2009 — Polen/Commissie

34

2010/C 051/67

Zaak T-498/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 9 december 2009 door Petrus Kerstens tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 september 2009 in zaak F-102/07, Kerstens/Commissie

35

2010/C 051/68

Zaak T-502/09: Beroep ingesteld op 11 december 2009 — Inovis/BHIM — Sonaecom (INOVIS)

35

2010/C 051/69

Zaak T-503/09: Beroep ingesteld op 16 december 2009 — Cybergun/BHIM — Umarex Sportwaffen (AK 47)

36

2010/C 051/70

Zaak T-505/09: Beroep ingesteld op 16 december 2009 — Carlyle/BHIM — Mascha & Regner Consulting (CAFE CARLYLE)

36

2010/C 051/71

Zaak T-506/09: Beroep ingesteld op 16 december 2009 — Carlyle/BHIM — Mascha & Regner Consulting (THE CARLYLE)

37

2010/C 051/72

Zaak T-513/09: Beroep ingesteld op 22 december 2009 — Baena Grupo/BHIM — Neuman en Galdeano del Sel (tekeningen of modellen)

37

2010/C 051/73

Zaak T-514/09: Beroep ingesteld op 31 december 2009 — De Post/Commissie

38

2010/C 051/74

Zaak T-515/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 21 december 2009 door Luigi Marcuccio tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 7 oktober 2009 in zaak F-3/08, Marcuccio/Commissie

39

2010/C 051/75

Zaak T-516/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 21 december 2009 door Luigi Marcuccio tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 7 oktober 2009 in zaak F-122/07, Marcuccio/Commissie

40

2010/C 051/76

Zaak T-517/09: Beroep ingesteld op 21 december 2009 — Alstom/Commissie

40

2010/C 051/77

Zaak T-519/09: Beroep ingesteld op 23 december 2009 — Toshiba/Commissie

41

2010/C 051/78

Zaak T-521/09: Beroep ingesteld op 21 december 2009 — Areva T&D/Commissie

42

2010/C 051/79

Zaak T-522/09: Beroep ingesteld op 21 december 2009 — Gemmi Furs/BHIM — Lemmi-Fashion (GEMMI)

43

2010/C 051/80

Zaak T-523/09: Beroep ingesteld op 23 december 2009 — Smart Technologies/BHIM (WIR MACHEN DAS BESONDERE EINFACH)

44

2010/C 051/81

Zaak T-524/09: Beroep ingesteld op 24 december 2009 — Meredith/BHIM (BETTER HOMES AND GARDENS)

44

2010/C 051/82

Zaak T-528/09: Beroep ingesteld op 30 december 2009 — Hubei Xinyegang Steel/Raad van de Europese Unie

45

2010/C 051/83

Zaak T-2/10: Beroep ingesteld op 5 januari 2010 — De Lucia/BHIM — Galbani (De Lucia La natura pratica del gusto)

45

2010/C 051/84

Zaak T-4/10: Beroep ingesteld op 7 januari 2010 — Al Saadi/Europese Commissie

46

2010/C 051/85

Zaak T-6/10: Beroep ingesteld op 11 januari 2010 — Sviluppo Globale/Europese Commissie

47

2010/C 051/86

Zaak T-219/09: Beschikking van het Gerecht van 18 december 2009 — Balfe e.a./Parlement

48

2010/C 051/87

Zaak T-245/09: Beschikking van het Gerecht van 5 januari 2010 — Shell Hellas/Commissie

48

2010/C 051/88

Zaak T-251/09: Beschikking van het Gerecht van 5 januari 2010 — Société des Pétroles Shell/Commissie

48

2010/C 051/89

Zaak T-438/09: Beschikking van het Gerecht van 14 december 2009 — Serifo/Commissie en Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur

48

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie

27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/1


2010/C 51/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie in het Publicatieblad van de Europese Unie

PB C 37 van 13.2.2010

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 24 van 30.1.2010

PB C 11 van 16.1.2010

PB C 312 van 19.12.2009

PB C 297 van 5.12.2009

PB C 282 van 21.11.2009

PB C 267 van 7.11.2009

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Adviezen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/2


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Republiek Finland

(Zaak C-284/05) (1)

(Niet-nakoming - Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting)

2010/C 51/02

Procestaal: Fins

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Wilms en P. Aalto, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Finland (vertegenwoordigers: T. Pynnä, E. Bygglin, J. Heliskoski en A. Guimaraes-Purokoski, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordiger: J. Molde, gemachtigde), Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: M. Lumma en U. Forsthoff, gemachtigden), Helleense Republiek (vertegenwoordigers: E.-M. Mamouna en K. Boskovits, gemachtigden), Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: I. M. Braguglia, gemachtigde, G. De Bellis, avvocato dello Stato), Portugese Republiek (vertegenwoordiger: L. Inez Fernandes, gemachtigde), Koninkrijk Zweden (vertegenwoordiger: A. Falk, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 2, 9, 10 en 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1) en, voor het tijdvak na 31 mei 2000, van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1) — Van douanerechten vrijgestelde invoer van oorlogsmaterieel en van goederen voor zowel militair als civiel gebruik

Dictum

1)

De Republiek Finland heeft niet voldaan aan de verplichtingen die op haar rustten krachtens artikel 26 EG, artikel 20 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek en bijgevolg het gemeenschappelijk douanetarief, door tussen 1998 en 2002 de invoer van militaire uitrusting van douanerechten vrij te stellen, en heeft evenmin voldaan aan de verplichtingen die op haar rustten krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996, en dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen, door te weigeren om de desbetreffende eigen middelen te berekenen, vast te stellen en ter beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen te stellen, alsook door te weigeren om de vertragingsrente te betalen die was verschuldigd doordat die eigen middelen niet ter beschikking van de Commissie zijn gesteld.

2)

De Republiek Finland wordt verwezen in de kosten.

3)

Het Koninkrijk Denemarken, de Duitse Bondsrepubliek, de Helleense Republiek, de Italiaanse Republiek, de Portugese Republiek en het Koninkrijk Zweden dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 271 van 29.10.2005.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/3


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Koninkrijk Zweden

(Zaak C-294/05) (1)

(Niet-nakoming - Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting en van goederen voor zowel civiel als militair gebruik)

2010/C 51/03

Procestaal: Zweeds

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Ström van Lier, P. Dejmek en G. Wilms, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk Zweden (vertegenwoordigers: A. Kruse en A. Falk, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland, (vertegenwoordiger: M. Lumma, gemachtigde), Republiek Finland (vertegenwoordiger: J. Heliskoski, gemachtigde), Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordiger: J. Molde, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 2, 9, 10 en 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1) en, voor het tijdvak na 31 mei 2000, van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1) — Van douanerechten vrijgestelde invoer van oorlogsmaterieel en van goederen voor zowel militair als civiel gebruik

Dictum

1)

Door in het kader van de invoer van oorlogsmaterieel en van goederen voor zowel civiel als militair gebruik niet de eigen middelen te hebben vastgesteld en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen te hebben betaald die in het tijdvak tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002 niet werden geïnd, en door niet de vertragingsrente te hebben betaald in verband met het feit dat die eigen middelen niet aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen werden betaald, is het Koninkrijk Zweden tot en met 31 mei 2000 de verplichtingen niet nagekomen die op hem rustten krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996, en na die datum evenmin die welke op hem rustten krachtens dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.

2)

Het Koninkrijk Zweden wordt verwezen in de kosten.

3)

De Duitse Bondsrepubliek, de Republiek Finland en het Koninkrijk Denemarken dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 217 van 3.9.2005.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/3


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-372/05) (1)

(Niet-nakoming - Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting)

2010/C 51/04

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Cattabriga, G. Wilms, D. Triantafyllou en H. Støvlbæk, gemachtigden)

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: M. Lumma, gemachtige, C. von Donat, Rechtsanwalt)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordiger: J. Bering Liisberg, gemachtigde), Helleense Republiek (vertegenwoordigers: E.-M. Mamouna, A. Samoni-Rantou en K. Boskovits, gemachtigden), Republiek Finland (vertegenwoordiger: E.Bygglin en A. Guimaraes-Purokoski, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 2, 9, 10 en 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1) en, voor het tijdvak na 31 mei 2000, van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1) — Van douanerechten vrijgestelde invoer van militair materieel

Dictum

1)

Door te weigeren om de uit de invoer van militair materieel in de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2002 voortvloeiende eigen middelen te berekenen, vast te stellen en ter beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen te stellen, en door te weigeren om de vertragingsrente te betalen die is verschuldigd doordat die eigen middelen niet ter beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn gesteld, is de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996, en dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.

2)

De Bondsrepubliek Duitsland wordt in de kosten verwezen.

3)

Het Koninkrijk Denemarken, de Helleense Republiek en de Republiek Finland dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 296 van 26.11.2005.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/4


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek

(Zaak C-387/05) (1)

(Niet-nakoming - Van douanerechten vrijgestelde invoer van materieel voor zowel civiel als militair gebruik)

2010/C 51/05

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Wilms, L. Visaggio en C. Cattabriga, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: I. M. Braguglia, gemachtigde, G. De Bellis, avvocato dello Stato)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordiger: J. Bering Liisberg, gemachtigde), Helleense Republiek (vertegenwoordigers: E.-M. Mamouna, A. Samoni-Rantou en K. Boskovits, gemachtigden), Portugese Republiek (vertegenwoordigers: C. Guerra Santos, L. Inez Fernandes en J. Gomes, gemachtigden), Republiek Finland (vertegenwoordiger: A. Guimaraes-Purokoski, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van artikel 26 EG en van diverse douanevoorschriften [artikel 20 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), artikelen 2, 9, 10 en 17, lid 1, van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1), en de overeenkomstige bepalingen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 (PB L 130, blz. 1)] — Van douanerechten vrijgestelde invoer van materieel voor militair en civiel gebruik — Weigering om de bedragen te berekenen die hadden moeten worden geïnd en als eigen middelen ter beschikking van de Gemeenschappen hadden moeten worden gesteld

Dictum

1)

Door de invoer van materieel dat voor zowel civiele als militaire doeleinden kan worden gebruikt, in het tijdvak tussen 1 januari 1999 en 31 december 2002 van douanerechten te hebben vrijgesteld, en door berekening, vaststelling en terbeschikkingstelling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen te hebben geweigerd van de wegens die vrijstelling niet geïnde eigen middelen en van de vertragingsrente die opeisbaar is geworden doordat die eigen middelen niet tijdig ter beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn gesteld, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die enerzijds op haar rustten krachtens artikel 26 EG, artikel 20 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek en bijgevolg het gemeenschappelijk douanetarief, en anderzijds krachtens de artikelen 2, 9, 10 en 17, lid 1, van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996, en dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.

2)

De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.

3)

Het Koninkrijk Denemarken, de Helleense Republiek, de Portugese Republiek en de Republiek Finland dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 22 van 28.1.2006.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/5


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Helleense Republiek

(Zaak C-409/05) (1)

(Niet-nakoming - Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting)

2010/C 51/06

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Cattabriga, D. Triantafyllou, H. Støvlbæk en G. Wilms, gemachtigden)

Verwerende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: A. Samoni-Rantou, E.-M. Mamouna en K. Boskovits, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordiger: J. Bering Liisberg, gemachtigde), Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: I. Braguglia, gemachtigde, G. De Bellis, avvocato dello Stato), Portugese Republiek (vertegenwoordigers: C. Guerra Santos, L. Inez Fernandes en J. Gomes, gemachtigden), Republiek Finland (vertegenwoordigers: J. Heliskoski en A. Guimaraes-Purokoski, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 2, 9, 10 en 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1) en, voor het tijdvak na 31 mei 2000, van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1) — Van douanerechten vrijgestelde invoer van oorlogsmaterieel

Dictum

1)

Door met betrekking tot de invoer van militair materieel met vrijstelling van douanerechten te weigeren de eigen middelen te berekenen en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen te betalen die in het tijdvak tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002 niet werden geïnd, alsmede door te weigeren de vertragingsrente te betalen in verband met het feit dat die eigen middelen niet aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen werden betaald, is de Helleense Republiek tot en met 31 mei 2000 de verplichtingen niet nagekomen die op haar rustten krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996, en na die datum evenmin die welke op haar rustten krachtens dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.

2)

De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.

3)

Het Koninkrijk Denemarken, de Italiaanse Republiek, de Portugese Republiek en de Republiek Finland dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 10 van 14.1.2006.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/5


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Koninkrijk Denemarken

(Zaak C-461/05) (1)

(Niet-nakoming - Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting)

2010/C 51/07

Procestaal: Deens

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Cattabriga, G. Wilms, D. Triantafyllou en H. Støvlbæk, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordigers: J. Molde, J. Bering Liisberg en B. Weis Fogh, gemachtigden)

Interveniëntes aan de zijde van verwerende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: E.-M. Mamouna, A. Samoni-Rantou en K. Boskovits, gemachtigden), Portugese Republiek (vertegenwoordigers: C. Guerra Santos, L. Inez Fernandes en J. Gomes, gemachtigden), Republiek Finland (vertegenwoordigers: E. Bygglin en A. Guimaraes-Purokoski, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 2, 9, 10 en 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1) en, voor het tijdvak na 31 mei 2000, van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1) — Van douanerechten vrijgestelde invoer van oorlogsmaterieel

Dictum

1)

Door met betrekking tot de invoer van militair materieel met vrijstelling van douanerechten te weigeren de eigen middelen te berekenen en aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen te betalen die in het tijdvak tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002 niet werden geïnd, alsmede door te weigeren de vertragingsrente te betalen in verband met het feit dat die eigen middelen niet aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen werden betaald, is het Koninkrijk Denemarken tot en met 31 mei 2000 de verplichtingen niet nagekomen die op hem rustten krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996, en na die datum evenmin die welke op hem rustten krachtens dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.

2)

Het Koninkrijk Denemarken wordt verwezen in de kosten.

3)

De Helleense Republiek, de Portugese Republiek en de Republiek Finland dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 48 van 25.2.2006.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/6


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 15 december 2009 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek

(Zaak C-239/06) (1)

(Niet-nakoming - Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting)

2010/C 51/08

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Wilms, C. Cattabriga en L. Visaggio, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: I. Braguglia, gemachtigde, G. De Bellis, avvocato dello Stato)

Interveniëntes aan de zijde van verwerende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: E.-M. Mamouna, A. Samoni-Rantou en K. Boskovits, gemachtigden), Republiek Finland (vertegenwoordiger: A. Guimaraes-Purokoski, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 2, 9, 10 en 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen (PB L 155, blz. 1) en van de overeenkomstige bepalingen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1) — Van douanerechten vrijgestelde invoer van militaire uitrusting — Weigering het bedrag van de eigen middelen te berekenen dat had moeten worden geïnd en ter beschikking had moeten worden gesteld van de Gemeenschappen

Dictum

1)

Door de invoer van militair materieel in het tijdvak tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002 van douanerechten te hebben vrijgesteld en door berekening, vaststelling en terbeschikkingstelling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen te hebben geweigerd van de wegens die vrijstelling niet geïnde eigen middelen en van de vertragingsrente die opeisbaar is geworden doordat die eigen middelen niet tijdig ter beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn gesteld, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rustten krachtens de artikelen 2 en 9 tot en met 11 van verordening (EEG, Euratom) nr. 1552/89 van de Raad van 29 mei 1989 houdende toepassing van besluit 88/376/EEG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Gemeenschappen, zoals gewijzigd bij verordening (Euratom, EG) nr. 1355/96 van de Raad van 8 juli 1996, en dezelfde artikelen van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.

2)

De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.

3)

De Helleense Republiek en de Republiek Finland dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 178 van 29.7.2006.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/6


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 23 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Hof van beroep te Brussel — België) — Spector Photo Group NV, Chris Van Raemdonck/Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA)

(Zaak C-45/08) (1)

(Richtlijn 2003/6 - Handel met voorwetenschap - Gebruik van voorwetenschap - Sancties - Voorwaarden)

2010/C 51/09

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van beroep te Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Spector Photo Group NV, Chris Van Raemdonck

Verwerende partij: Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA)

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hof van Beroep te Brussel — Uitlegging van de artikelen 2 en 14 van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) (PB L 96, blz. 16) en van artikel 1 van richtlijn 2003/124/EG van de Commissie van 22 december 2003 tot uitvoering van richtlijn 2003/6 (PB L 339, blz. 70) — Gebruik van voorwetenschap — Maximale harmonisatie waarbij de lidstaten over geen speelruimte beschikken om het begrip handel met voorkennis te definiëren — Mogelijke sancties — Voorwaarden

Dictum

1)

Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) moet aldus worden uitgelegd dat het feit dat een in de tweede alinea van deze bepaling bedoelde persoon die over voorwetenschap beschikt, voor eigen rekening of voor rekening van derden, rechtstreeks of middellijk de financiële instrumenten waarop deze voorwetenschap betrekking heeft, verkrijgt of vervreemdt of tracht te verkrijgen of te vervreemden, inhoudt dat deze persoon van deze informatie „gebruikmaakt” in de zin van deze bepaling, onder voorbehoud van eerbiediging van de rechten van verdediging en inzonderheid van het recht om dat vermoeden te weerleggen. De vraag of deze persoon het verbod van handel met voorwetenschap heeft overtreden, moet worden onderzocht op basis van de doelstelling van deze richtlijn, die erin bestaat de integriteit van de financiële markten te beschermen en het vertrouwen van de beleggers te vergroten, dat onder meer berust op de wetenschap dat zij met elkaar op voet van gelijkheid zullen verkeren en dat zij zullen worden beschermd tegen het ongeoorloofde gebruik van voorwetenschap.

2)

Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2003/6 moet aldus worden uitgelegd dat het economische voordeel dat uit handel met voorwetenschap wordt gehaald, een relevante factor kan zijn bij de vaststelling van een doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie. De wijze van berekening van dat economische voordeel en inzonderheid de in aanmerking te nemen datum of periode zijn zaak van nationaal recht.

3)

Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2003/6 moet aldus worden uitgelegd dat, indien een lidstaat de mogelijkheid biedt om naast de in deze bepaling bedoelde administratieve sancties een strafrechtelijke geldelijke sanctie op te leggen, bij de beoordeling of de administratieve sanctie doeltreffend, evenredig en afschrikkend is, geen rekening hoeft te worden gehouden met de mogelijkheid en/of het niveau van een eventuele latere strafsanctie.


(1)  PB C 107 van 26.4.2008.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/7


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Salamanca — Spanje) — Eva Martín Martín/EDP Editores SL

(Zaak C-227/08) (1)

(Richtlijn 85/577/EEG - Artikel 4 - Bescherming van consument - Buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten - Opzeggingsrecht - Informatieplicht van handelaar - Nietigheid van overeenkomst - Passende maatregelen)

2010/C 51/10

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Audiencia Provincial de Salamanca

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Eva Martín Martín

Verwerende partij: EDP Editores SL

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Audiencia Provincial de Salamanca — Uitlegging van artikel 4 van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten (PB L 372, blz. 31) — Artikelen 3 EG, 95 EG en 153 EG — Artikel 38 van het Europees Handvest van de grondrechten — Recht van afstand — Verplichting van de handelaar om bepaalde informatie te verstrekken — Maatregelen ter bescherming van de consument in geval van niet-nakoming — Nietigheid van de overeenkomst en bevoegdheid van de nationale rechter

Dictum

Artikel 4 van richtlijn 85/577/EEG van de Raad van 20 december 1985 betreffende de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten verzet zich er niet tegen dat een nationale rechterlijke instantie een onder deze richtlijn vallende overeenkomst ambtshalve nietig verklaart op grond dat de consument niet over zijn opzeggingsrecht is voorgelicht, ook al heeft de consument deze nietigheid nooit aangevoerd voor de bevoegde nationale rechters.


(1)  PB C 223 van 30.8.2008.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/8


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 december 2009 — Europese Commissie/Helleense Republiek

(Zaak C-248/08) (1)

(Niet-nakoming - Verordening (EG) nr. 1774/2002 - Artikelen 4, lid 2, sub a en c, 5, lid 2, sub c, 6, lid 2, sub b, 10 tot en met 15, 17, 18 en 26 - Dierlijke bijproducten - Afval - Begraving zonder voorafgaande behandeling - Ontbreken van officiële controles - Installaties voor veilig beheer van dierlijke bijproducten - Exploitatie - Geen erkenning - Verbranding van gespecificeerd risicomateriaal - Geen passende procedés)

2010/C 51/11

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: H. Tserepa-Lacombe en A. Markoulli, gemachtigden)

Verwerende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: V. Kontolaimos, S. Charitaki, E.-M. Mamouna en I. Chalkias, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 4, lid 2, 5, lid 2, 10 tot en met 15, 17, 18 en 26 van verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PB L 273, blz. 1) — Begraving van dierlijke bijproducten zonder voorafgaande behandeling — Ontbreken van officiële controles

Dictum

1)

Door verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten niet correct toe te passen of de toepassing ervan niet naar behoren voor te schrijven, voor zover afval zonder voorafgaande verwerking wordt begraven, officiële controles ontbreken, de installaties voor het beheer van de dierlijke bijproducten niet erkend zijn en gespecificeerd risicomateriaal wordt verbrand, is de Helleense Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 4, lid 2, sub a en c, 5, lid 2, sub c, 6, lid 2, sub b, en 10 tot en met 15, 17, 18 en 26 van deze verordening.

2)

De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 209 van 15.8.2008.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/8


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 23 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Stato — Italië) — Consorzio Nazionale Interuniversitario per le Scienze del Mare (CoNISMa)/Regione Marche

(Zaak C-305/08) (1)

(Overheidsopdrachten voor diensten - Richtlijn 2004/18 - Begrippen „aannemer”, „leverancier”, en „dienstverlener” - Begrip „ondernemer” - Universiteiten en onderzoeksinstituten - Combinatie („consorzio”) die bestaat uit universiteiten en overheidsinstanties - Ander statutair hoofddoel dan nastreven van winst - Toelating tot procedure voor plaatsen van overheidsopdracht)

2010/C 51/12

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Consiglio di Stato

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Consorzio Nazionale Interuniversitario per le Scienze del Mare (CoNISMa)

Verwerende partij: Regione Marche

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Consiglio di Stato — Uitlegging van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114) — Uitsluiting van instellingen zonder winstoogmerk die het verrichten van onderzoek als doel hebben, zoals universiteiten, van deelneming aan de aanbesteding van een opdracht voor het verzamelen van geofysische gegevens

Dictum

1)

De bepalingen van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, en met name die van artikel 1, leden 2, sub a, en 8, eerste en tweede alinea, ervan, waarin naar het begrip „ondernemer” wordt verwezen, moeten aldus worden uitgelegd dat op grond daarvan aan een openbare aanbesteding van diensten kan worden deelgenomen door lichamen die hoofdzakelijk andere doelstellingen dan winst nastreven, niet als een onderneming zijn georganiseerd en evenmin op een regelmatige basis op de markt aanwezig zijn, zoals universiteiten en onderzoeksinstituten alsook combinaties bestaande uit universiteiten en overheidsinstanties.

2)

Richtlijn 2004/18 moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een uitlegging van een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die eraan in de weg staat dat lichamen, zoals universiteiten en onderzoeksinstituten, die hoofdzakelijk andere doelstellingen dan winst nastreven, deelnemen aan een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht, terwijl dergelijke lichamen op grond van het nationale recht wel gerechtigd zijn de diensten waarop die opdracht betrekking heeft, aan te bieden.


(1)  PB C 247 van 27.09.2008.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/9


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 23 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale amministrativo regionale per la Lombardia — Italië) — Serrantoni Srl, Consorzio stabile edili scrl/Comune di Milano

(Zaak C-376/08) (1)

(Overheidsopdrachten voor werken - Richtlijn 2004/18/EG - Artikelen 43 EG en 49 EG - Beginsel van gelijke behandeling - Consortia van ondernemingen - Verbod voor „consorzio stabile” („duurzaam consortium”) en daartoe behorende vennootschap om als concurrenten aan dezelfde procedure deel te nemen)

2010/C 51/13

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale per la Lombardia

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Serrantoni Srl, Consorzio stabile edili scrl

Verwerende partij: Comune di Milano

In tegenwoordigheid van: Bora Srl Construzioni edili, Unione consorzi stabili Italia (UCSI), Associazione nazionale imprese edili (ANIEM)

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunale amministrativo regionale per la Lombardia — Uitlegging van de artikelen 39, 43, 49 en 81 EG en van artikel 4 van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114) — Nationale wettelijke regeling die voorziet in de automatische uitsluiting van ondernemingen die deel uitmaken van een consortium van ondernemers, in geval van deelneming aan de procedure door het consortium

Dictum

Het gemeenschapsrecht moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan, in het kader van een procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht waarvan de waarde lager ligt dan de drempel die is vastgesteld in artikel 7, lid 1, sub c, van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, maar die een duidelijk grensoverschrijdend belang vertoont, een duurzaam consortium alsook de ondernemingen die lid zijn van dat consortium automatisch worden uitgesloten van deelneming aan die procedure, en aan hen strafsancties kunnen worden opgelegd, wanneer bedoelde leden in het kader van dezelfde procedure offertes hebben ingediend die concurreren met die van het consortium, ook al zou de offerte van het consortium niet voor rekening en in het belang van die ondernemingen zijn ingediend.


(1)  PB C 327 van 20.12.2008.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/9


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 december 2009 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Baden-Württemberg — Duitsland) — Swiss Caps AG/Hauptzollamt Singen

(Gevoegde zaken C-410/08—C-412/08) (1)

(Gemeenschappelijk douanetarief - Gecombineerde nomenclatuur - Tariefindeling - Posten 1515, 1517, 2106 en 3004 - Gelatinecapsules - Visolie, tarwekiemolie en nigella sativaolie - Begrip „verpakkingsmiddel”)

2010/C 51/14

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Finanzgericht Baden-Württemberg

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Swiss Caps AG

Verwerende partij: Hauptzollamt Singen

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Finanzgericht Baden-Wurttemberg (Duitsland) — Uitlegging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1) — Posten 1517 (Margarine; mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten of oliën bedoeld bij dit hoofdstuk, andere dan de vetten en oliën of fracties daarvan, bedoeld bij post 1516) en 2106 (Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen) — Onderdeel A, punt 5, sub b, van titel I van het eerste deel van bijlage I — Tariefindeling van een bereiding van visolie met toevoeging van vitamine E, in capsules bestaande uit gelatine, glycerol en water — Begrip verpakkingsmiddel

Dictum

De gecombineerde nomenclatuur in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2388/2000 van de Commissie van 13 oktober 2000, moet aldus worden uitgelegd dat:

producten voor menselijke consumptie in de vorm van als voedingssupplement bedoelde capsules met daarin 600 mg koudgeperste geconcentreerde visolie en 22,8 mg geconcentreerde vitamine E, welke capsules een omhulsel hebben dat is samengesteld uit 212,8 mg gelatine, 77,7 mg glycerol en 159,6 mg gezuiverd water;

producten voor menselijke consumptie in de vorm van als voedingssupplement bedoelde capsules met daarin 580 mg tarwekiemolie, welke capsules een omhulsel hebben dat is samengesteld uit 250 mg zetmeelgranulaat;

producten voor menselijke consumptie in de vorm van als voedingssupplement bedoelde capsules met daarin 500 mg koudgeperste zwartekomijnolie, 38,7 mg sojaolie, 18,8 mg vitamine E, 16 mg botervet, 10 mg lecithine, 8,2 mg was, 8 mg calciumpantothenaat, 0,2 mg foliumzuur en 0,11 mg biotine, welke capsules een omhulsel hebben dat is samengesteld uit 313,97 mg gelatinemengsel (47,3 % gelatine, 17,2 % glycerine, 35,5 % water), 4,3 mg pasta bestaande uit 50 % titaandioxide en 50 % glycerine, alsmede 1,73 mg pasta bestaande uit 25 % chinolinegeel en 75 % glycerine,

vallen onder post 2106 van de genoemde gecombineerde nomenclatuur.


(1)  PB C 313 van 6.12.2008.

PB C 327 van 20.12.2008.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/10


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 23 december 2009 — Europese Commissie/Ierland

(Zaak C-455/08) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG - Overheidsopdrachten voor leveringen en voor uitvoering van werken - Beroepsprocedure tegen besluit tot gunning van opdracht - Waarborg van doeltreffend beroep - In acht te nemen minimumtermijn tussen kennisgeving van besluit tot gunning van opdracht aan afgewezen inschrijvers en ondertekening van overeenkomst betreffende deze opdracht)

2010/C 51/15

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Zavvos en M. Konstantinidis, gemachtigden)

Verwerende partij: Ierland (vertegenwoordiger: D. O’Hagan, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 1, lid 1, en 2, lid 1, van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB L 395, blz. 33) — Schending van de artikelen 1, lid 1, en 2, lid 1, van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 76, blz. 14) — Verplichting om in het nationale recht te voorzien in een doeltreffende en snelle beroepsprocedure waarmee de afgewezen inschrijver kan bewerkstelligen dat het besluit tot gunning van een opdracht nietig wordt verklaard — Beroepstermijnen

Dictum

1)

Door artikel 49 van Statutory Instrument nr. 329/2006 en artikel 51 van Statutory Instrument nr. 50/2007 vast te stellen, heeft Ierland de regels inzake de kennisgeving aan inschrijvers van besluiten van aanbestedende overheidsdiensten en de motivering daarvan zodanig vorm gegeven dat dit ertoe kan leiden dat op het tijdstip waarop de inschrijvers volledig zijn geïnformeerd over de redenen voor de afwijzing van hun inschrijving, de opschortende termijn vóór het sluiten van de overeenkomst reeds is verstreken, waardoor deze lidstaat de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 1, lid 1, en 2, lid 1, van richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992, en de artikelen 1, lid 1, en 2, lid 1, van richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie.

2)

Ierland wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 32 van 7.2.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/11


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 17 december 2009 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-505/08) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 2005/36/EG - Erkenning van beroepskwalificaties - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

2010/C 51/16

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: H. Støvlbæk en M. Adam, gemachtigden)

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: M. Lumma en N. Graf Vitzthum, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Verzuim om binnen de gestelde termijn de bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255, blz. 22)

Dictum

1)

Door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en aan de Europese Commissie mee te delen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties, is de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 19 van 24.1.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/11


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 17 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio — Italië) — Angelo Rubino/Ministero dell’Università e della Ricerca

(Zaak C-586/08) (1)

(Richtlijn 2005/36/EG - Erkenning van diploma’s - Begrip „gereglementeerd beroep” - Selectie van vooraf bepaald aantal personen op basis van vergelijkend onderzoek dat leidt tot toekenning van in tijd beperkt geldige titel - Nationale wetenschappelijke bekwaamheid - Hoogleraar en universitair hoofddocent)

2010/C 51/17

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Angelo Rubino

Verwerende partij: Ministero dell’Università e della Ricerca

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio — Uitlegging van artikel 3, lid 1, sub c, EG en artikel 47, lid 1, EG alsmede van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties — Nationale regeling op grond waarvan geen erkenning kan plaatsvinden van een in een andere lidstaat verkregen beroepskwalificatie van hoogleraar en universitair hoofddocent

Dictum

Het feit dat de toegang tot een beroep is voorbehouden aan kandidaten die zijn gekozen volgens een procedure die erop is gericht een vooraf bepaald aantal personen te selecteren op basis van een vergelijkend onderzoek van de kandidaten, en niet op basis van absolute criteria, en die leidt tot het verkrijgen van een titel waarvan de geldigheid strikt beperkt is in de tijd, heeft niet tot gevolg dat dit beroep een gereglementeerd beroep is in de zin van artikel 3, lid 1, sub a, van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties.

Niettemin moeten ingevolge de artikelen 39 EG en 43 EG de in andere lidstaten verworven kwalificaties op hun juiste waarde worden geschat en in het kader van een dergelijke procedure naar behoren in aanmerking worden genomen.


(1)  PB C 55 van 7.3.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/12


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 17 december 2009 — Europese Commissie/Koninkrijk België

(Zaak C-120/09) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 1999/31/EG - Storten van afvalstoffen - Begrippen „ondergrondse opslag”, „stortplaatsgas” en „eluaat” - Verplichting om interventiepunten te bepalen op basis waarvan kan worden vastgesteld dat stortplaats significante nadelige effecten heeft op kwaliteit van grondwater - Niet-omzetting binnen gestelde termijn wat Waalse Gewest betreft)

2010/C 51/18

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. van Beek en J.-B. Laignelot, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordiger: T. Materne, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Onvolledige omzetting in Waals recht van artikel 2, sub f, j en k, van, en van punt 4, punt C van bijlage III bij richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182, blz. 1) — Begrippen „ondergrondse opslag”, „stortplaatsgas” en „eluaat” — Verplichting om interventiepunten te bepalen op basis waarvan kan worden vastgesteld dat een stortplaats significante nadelige effecten heeft op de kwaliteit van het grondwater

Dictum

1)

Door niet de omzetting, wat het Waalse Gewest betreft, te verzekeren van artikel 2, sub f, j en k, en bijlage III, punt 4, punt C, van richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen, is het Koninkrijk België de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 141 van 20.6.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/12


Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 9 november 2009 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio — Italië) — Roche SpA (C-450/07), Federazione nazionale unitaria dei Titolari di Farmacia italiani (Federfarma) (C-451/07)/Agenzia Italiana del Farmaco (AIFA), Ministero della Salute

(Gevoegde zaken C-450/07 en C-451/07) (1)

(Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor de procesvoering - Richtlijn 89/105/EEG - Doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik - Artikel 4 - Bevriezing van prijzen - Prijsverlaging)

2010/C 51/19

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Roche SpA

Verwerende partij: Agenzia Italiana del Farmaco (AIFA), Ministero della Salute

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio — Uitlegging van artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg (PB L 40, blz. 8) — Geneesmiddelen waarvoor een prijsstop geldt — In acht te nemen modaliteiten in geval van een prijsverlaging

Dictum

1)

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg, moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, mits aan de in die bepaling gestelde vereisten wordt voldaan, algemeen geldende maatregelen mogen vaststellen die bestaan in verlaging van de prijzen van alle geneesmiddelen of van bepaalde categorieën geneesmiddelen, ook al worden die maatregelen niet voorafgegaan door een bevriezing van die prijzen.

2)

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/105 moet aldus worden uitgelegd dat, mits aan de in die bepaling gestelde vereisten wordt voldaan, meerdere malen per jaar, en gedurende meerdere jaren, maatregelen tot verlaging van de prijzen van alle geneesmiddelen of van bepaalde categorieën geneesmiddelen kunnen worden vastgesteld.

3)

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/105 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat maatregelen ter controle van de prijzen van alle geneesmiddelen of van bepaalde categorieën geneesmiddelen worden vastgesteld op basis van uitgavenramingen, mits aan de in die bepaling gestelde vereisten wordt voldaan en die ramingen steunen op objectieve en verifieerbare gegevens.

4)

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/105 moet aldus worden uitgelegd dat het aan de lidstaten staat om, met inachtneming van de door die richtlijn nagestreefde doelstelling van doorzichtigheid en de in dat artikel gestelde vereisten, de criteria vast te stellen op grond waarvan de in dat artikel bedoelde controle van de macro-economische omstandigheden moet plaatsvinden, en dat die criteria kunnen zijn uitsluitend de uitgaven voor geneesmiddelen, de uitgaven voor de gezondheidszorg in hun geheel of ook andere soorten uitgaven.

5)

Artikel 4, lid 2, van richtlijn 89/105 moet aldus worden uitgelegd:

dat de lidstaten voor een onderneming die wordt geraakt door een maatregel tot bevriezing of verlaging van de prijzen van alle geneesmiddelen of van bepaalde categorieën geneesmiddelen, steeds moeten voorzien in de mogelijkheid om te verzoeken om een afwijking van de krachtens die maatregelen voorgeschreven prijs;

dat zij zorg ervoor moeten dragen dat een met redenen omkleed besluit over een dergelijk verzoek wordt genomen, en

dat de concrete participatie van de betrokken onderneming erin bestaat dat zij haar verzoek om een afwijking naar behoren met bijzondere redenen omkleedt en voorts gedetailleerde aanvullende inlichtingen verstrekt wanneer de bij haar aanvraag gevoegde inlichtingen niet toereikend zijn.


(1)  PB C 297 van 8.12.2007.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/13


Beschikking van het Hof van 24 november 2009 — Landtag Schleswig-Holstein/Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak C-281/08 P) (1)

(Hogere voorziening - Beroep tot nietigverklaring - Toegang tot documenten - Procesbevoegdheid van regionaal parlement)

2010/C 51/20

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirant: Landtag Schleswig-Holstein (vertegenwoordigers: S. R. Laskowski, Privatdozentin, J. Caspar, Professor)

Andere partij in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: P. Costa de Oliveira en B. Martenczuk, gemachtigden)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 3 april 2008, Landtag Schleswig-Holstein/Commissie (T-236/06), waarbij het Gerecht niet-ontvankelijk heeft verklaard het beroep tot nietigverklaring van de beschikkingen van de Commissie van 10 maart en 23 juni 2006 houdende weigering om verzoeker toegang te verlenen tot document SEC(2005) 420 van 22 maart 2005, dat een juridische analyse bevat van het ter bespreking in de Raad voorliggende ontwerpkaderbesluit over de bewaring van gegevens die zijn verwerkt en opgeslagen in verband met het aanbieden van voor het publiek toegankelijke elektronische-communicatiediensten, of die via openbare communicatienetwerken worden doorgegeven, met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten, daaronder begrepen terrorisme — Procesbevoegdheid van regionaal parlement — Recht om in rechte te worden gehoord — Begrip „rechtspersoon” in artikel 230, vierde alinea, EG

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Landtag Schleswig-Holstein wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 260 van 11.10.2008.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/13


Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 9 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio — Italië) — A. Menarini — Industrie Farmaceutiche Riunite Srl, FIRMA Srl, Laboratori Guidotti SpA, Menarini International Operations Luxembourg SA, Istituto Lusofarmaco d'Italia SpA, Malesi Istituto Farmacobiologico SpA/Ministero della Salute, Agenzia Italiana del Farmaco (AIFA)

(Zaak C-353/08) (1)

(Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor de procesvoering - Richtlijn 89/105/EEG - Doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik - Artikel 4, lid 1 - Prijsbevriezing - Prijsverlaging)

2010/C 51/21

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: A. Menarini — Industrie Farmaceutiche Riunite Srl, FIRMA Srl, Laboratori Guidotti SpA, Menarini International Operations Luxembourg SA, Istituto Lusofarmaco d'Italia SpA, Malesi Istituto Farmacobiologico SpA

Verwerende partijen: Ministero della Salute, Agenzia Italiana del Farmaco (AIFA)

In tegenwoordigheid van: Bracco SpA

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio — Uitlegging van artikel 4, leden 1 en 2 van richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg (PB L 40, blz. 8) — Geneesmiddelen waarvoor een prijsbevriezing geldt — Modaliteiten van een eventuele prijsverlaging

Dictum

1)

Artikel 4, lid 1 van richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg, moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, mits aan de in die bepaling gestelde vereisten wordt voldaan, algemeen geldende maatregelen mogen vaststellen die bestaan in de verlaging van de prijzen van alle geneesmiddelen of van bepaalde categorieën geneesmiddelen, ook al worden die maatregelen niet voorafgegaan door een bevriezing van die prijzen.

2)

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/105 moet aldus worden uitgelegd dat, mits aan de in die bepaling gestelde vereisten wordt voldaan, meerdere malen per jaar, en gedurende meerdere jaren, maatregelen tot verlaging van de prijzen van alle geneesmiddelen of van bepaalde categorieën geneesmiddelen kunnen worden vastgesteld.

3)

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/105 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat maatregelen ter controle van de prijzen van alle geneesmiddelen of van bepaalde categorieën geneesmiddelen worden vastgesteld op basis van uitgavenramingen, mits aan de in die bepaling gestelde vereisten wordt voldaan en die ramingen steunen op objectieve en verifieerbare gegevens.

4)

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/105 moet aldus worden uitgelegd dat het aan de lidstaten staat om, met inachtneming van de door die richtlijn nagestreefde doelstelling van doorzichtigheid en de in dat artikel gestelde vereisten, de criteria vast te stellen op grond waarvan de in dat artikel bedoelde controle van de macro-economische omstandigheden moet plaatsvinden, en dat die criteria kunnen zijn uitsluitend de uitgaven voor geneesmiddelen, de uitgaven voor de gezondheidszorg in hun geheel of ook andere soorten uitgaven.


(1)  PB C 313 van 6.12.2008.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/14


Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 2 december 2009 — Powerserv Personalservice GmbH, voorheen Manpower Personalservice GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Manpower Inc.

(Zaak C-553/08 P) (1)

(Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Verordening (EG) nr. 40/94 - Artikelen 7, lid 1, sub c, en 51, leden 1 en 2 - Vordering tot nietigverklaring - Incidentele hogere voorziening - Gemeenschapswoordmerk MANPOWER - Absolute weigeringsgronden - Beschrijvend karakter - Onderscheidend vermogen verkregen door gebruik)

2010/C 51/22

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Powerserv Personalservice GmbH, voorheen Manpower Personalservice GmbH (vertegenwoordiger: B. Kuchar, advocaat)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde), Manpower Inc. (vertegenwoordigers: A. Bryson, barrister en V. Marsland, solicitor)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 15 oktober 2008, Powerserv Personalservice/BHIM en Manpower (T-405/05), waarbij het Gerecht heeft verworpen het door rekwirante ingestelde beroep tot vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 22 juli 2005 houdende verwerping van het beroep tegen de afwijzing door de nietigheidsafdeling van de vordering tot nietigverklaring van het gemeenschapswoordmerk „MANPOWER” voor waren van de klassen 9, 16, 35, 41 en 42 — Onjuiste beoordeling van het onderscheidend vermogen van het merk — Geen nieuwe beoordeling, na de uitbreiding van het relevante publiek in vergelijking met de bestreden beslissing van de kamer van beroep, van het bewijs betreffende het door gebruik verkregen onderscheidend vermogen

Dictum

1)

De principale hogere voorziening van Powerserv Personalservice GmbH wordt afgewezen.

2)

De incidentele hogere voorziening van Manpower Inc. wordt afgewezen.

3)

Powerserv Personalservice GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 69 van 21.3.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/15


Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 23 oktober 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Gerasimos Potamianos (C-561/08 P), Gerasimos Potamianos/Commissie van de Europese Gemeenschappen (C-4/09 P)

(Gevoegde zaken C-561/08 P en C-4/09 P) (1)

(Hogere voorziening - Ambtenaren - Tijdelijk functionaris - Niet-verlenging van overeenkomst voor bepaalde tijd - Bezwarend besluit)

2010/C 51/23

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwiranten: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Curral en D. Martin, gemachtigden) (C-561/08 P), Gerasimos Potamianos (vertegenwoordiger: J.-N. Louis, advocaat) (C-4/09 P)

Andere partijen in de procedure: Gerasimos Potamianos (vertegenwoordigers: J.-N. Louis, advocaat) (C-4/09 P), Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Curral en D. Martin, gemachtigden) (C-561/08 P)

Voorwerp

Hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Zevende kamer) van 15 oktober 2008 in zaak T-160/04, Potamianos/Commissie, waarbij het Gerecht het beroep van Potamianos tegen de betekening door de directeur-generaal van het DG „Onderzoek”, van de informatie dat zijn overeenkomst als tijdelijk functionaris niet zou worden verlengd, ontvankelijk heeft verklaard — Begrip „bezwarend besluit” — Afwijkende uitlegging door het Hof enerzijds en het Gerecht van eerste aanleg en het Gerecht voor ambtenarenzaken anderzijds

Dictum

1)

De hogere voorzieningen worden afgewezen.

2)

Elke partij zal de eigen kosten dragen.


(1)  PB C 44 van 21.2.2009.

PB C 82 van 4.4.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/15


Beschikking van het Hof van 29 oktober 2009 — Portela — Comércio de artigos ortopédicos e hospitalares, Lda/Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak C-85/09 P) (1)

(Hogere voorziening - Buitencontractuele aansprakelijkheid - Vordering tot vergoeding van schade tengevolge van verschillende nalatigheden van de Commissie bij toepassing van richtlijn 93/42/EEG - Ontbreken van causaal verband tussen gestelde nalatigheden en schade die verzoekster heeft geleden bij verkoop van defecte digitale thermometers - Kennelijk ongegronde hogere voorziening)

2010/C 51/24

Procestaal: Portugees

Partijen

Rekwirante: Portela — Comércio de artigos ortopédicos e hospitalares, Lda (vertegenwoordiger: C. Mourato, advogado)

Andere partij in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: B. Schima en P. Guerra e Andrade, gemachtigden)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Achtste kamer) van 17 december 2008, Portela/Commissie (T-137/07), waarbij het Gerecht de primaire vordering, die ertoe strekt de Commissie te verplichten op te treden overeenkomstig artikel 14 ter van richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PB L 169, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek (PB L 331, blz. 1), door de Bondsrepubliek Duitsland de certificatievennootschap TÜV Rheinland Product Safety GmbH te laten gelasten, de in punt 6 van bijlage XI bij richtlijn 93/42 bedoelde wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering die deze vennootschap heeft gesloten, in het voordeel van rekwirante toe te passen, en de subsidiaire vordering tot vergoeding van de schade die rekwirante door verschillende nalatigheden van de Commissie heeft geleden, die is ingesteld voor het geval dat de gestelde schade niet op grond van de primaire vordering zou kunnen worden vergoed, deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond heeft verklaard

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Portela — Comércio de artigos ortopédicos e hospitalares, Lda wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 102 van 1.5.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/16


Beschikking van het Hof (Tweede kamer) van 17 september 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Fővárosi Bíróság — Republiek Hongarije) — Pannon GSM Távközlési Rt./Nemzeti Hírközlési Hatóság Tanácsa

(Zaak C-143/09) (1)

(Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering - Toetreding tot de Europese Unie - Richtlijn 2002/22/EG - Toepasselijkheid ratione temporis - Bevoegdheid van het Hof)

2010/C 51/25

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Fővárosi Bíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Pannon GSM Távközlési Rt.

Verwerende partij: Nemzeti Hírközlési Hatóság Tanácsa

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Fővárosi Bíróság — Uitlegging van de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, voor de Republiek Estland, voor de Republiek Cyprus, voor de Republiek Letland, voor de Republiek Litouwen, voor de Republiek Hongarije, voor de Republiek Malta, voor de Republiek Polen, voor de Republiek Slovenië en voor de Slowaakse Republiek en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond (PB L 236, blz. 33), van de artikelen 10, 87, lid 1, en 249 EG en van richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (universeledienstrichtlijn) (PB L 108, blz. 51) — Verdeling van de nettokosten van de universeledienstverplichtingen tussen de netwerkexploitanten en de aanbieders van elektronische communicatiediensten — Nationale regeling van de mechanismen voor de kostendeling, die voorziet in de toepassing van bepalingen die niet met de richtlijn verenigbaar zijn voor wat betreft de financiering van de universele diensten in het jaar vóór de toetreding van de betrokken lidstaat tot de Europese Unie

Dictum

Artikel 13, lid 2, en bijlage IV bij richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn) zijn niet van toepassing op feiten als die van het hoofdgeding, dat betrekking heeft op de bijdrage die de Hongaarse autoriteiten, op het gebied van de elektronische communicatiediensten, verlangen voor het jaar 2003.


(1)  PB C 153 van 04.07.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/16


Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 9 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio — Italië) — IFB Stroder Srl/Agenzia Italiana del Farmaco (AIFA)

(Zaak C-198/09) (1)

(Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor de procesvoering - Richtlijn 89/105/EEG - Doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik - Artikel 4 - Prijsbevriezing - Prijsverlaging)

2010/C 51/26

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio — Italië

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: IFB Stroder Srl

Verwerende partij: Agenzia Italiana del Farmaco (AIFA)

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunale Amministrativo Regionale del Lazio — Uitlegging van artikel 4, leden 1 en 2 van richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg (PB L 40, blz. 8) — Geneesmiddelen waarvoor een prijsbevriezing geldt — Modaliteiten van een eventuele prijsverlaging

Dictum

1)

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/105/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de doorzichtigheid van maatregelen ter regeling van de prijsstelling van geneesmiddelen voor menselijk gebruik en de opneming daarvan in de nationale stelsels van gezondheidszorg, moet aldus worden uitgelegd dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, mits aan de in die bepaling gestelde vereisten wordt voldaan, algemeen geldende maatregelen mogen vaststellen die bestaan in de verlaging van de prijzen van alle geneesmiddelen of van bepaalde categorieën geneesmiddelen, ook al worden die maatregelen niet voorafgegaan door een bevriezing van die prijzen.

2)

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/105 moet aldus worden uitgelegd dat, mits aan de in die bepaling gestelde vereisten wordt voldaan, meerdere malen per jaar, en gedurende meerdere jaren, maatregelen tot verlaging van de prijzen van alle geneesmiddelen of van bepaalde categorieën geneesmiddelen kunnen worden vastgesteld.

3)

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/105 moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat maatregelen ter controle van de prijzen van alle geneesmiddelen of van bepaalde categorieën geneesmiddelen worden vastgesteld op basis van uitgavenramingen, mits aan de in die bepaling gestelde vereisten wordt voldaan en die ramingen steunen op objectieve en verifieerbare gegevens.

4)

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 89/105 moet aldus worden uitgelegd dat het aan de lidstaten staat om, met inachtneming van de door die richtlijn nagestreefde doelstelling van doorzichtigheid en de in dat artikel gestelde vereisten, de criteria vast te stellen op grond waarvan de in dat artikel bedoelde controle van de macro-economische omstandigheden moet plaatsvinden, en dat die criteria kunnen zijn uitsluitend de uitgaven voor geneesmiddelen, de uitgaven voor de gezondheidszorg in hun geheel of ook andere soorten uitgaven.

5)

Artikel 4, lid 2, van richtlijn 89/105 moet aldus worden uitgelegd:

dat de lidstaten voor een onderneming die wordt geraakt door een maatregel tot bevriezing of verlaging van de prijzen van alle geneesmiddelen of van bepaalde categorieën geneesmiddelen, steeds moeten voorzien in de mogelijkheid om te verzoeken om een afwijking van de krachtens die maatregelen voorgeschreven prijs;

dat zij zorg ervoor moeten dragen dat een met redenen omkleed besluit over een dergelijk verzoek wordt genomen, en

dat de concrete participatie van de betrokken onderneming erin bestaat dat zij haar verzoek om een afwijking naar behoren met bijzondere redenen omkleedt en voorts gedetailleerde aanvullende inlichtingen verstrekt wanneer de bij haar aanvraag gevoegde inlichtingen ontoereikend zijn.


(1)  PB C 233 van 26.9.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/17


Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 27 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil de Prud’hommes te Caen — Frankrijk) — Sophie Noël/SCP Brouard Daude, curator in het faillissement van Pronuptia Boutiques Province SA, Centre de Gestion et d’Étude AGS IDF EST

(Zaak C-333/09) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Europees Verdrag tot bescherming van rechten van mens en fundamentele vrijheden - Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - Beginsel van gelijke behandeling - Ontslag om economische redenen - Geen aanknopingspunt met gemeenschapsrecht - Kennelijke onbevoegdheid van Hof)

2010/C 51/27

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil de Prud’hommes te Caen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Sophie Noël

Verwerende partijen: SCP Brouard Daude, curator in het faillissement van Pronuptia Boutiques Province SA, Centre de Gestion et d’Étude AGS IDF EST

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Conseil de Prud’hommes te Caen (Frankrijk) — Uitlegging van artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden — Uitlegging van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten — Ontslag om economische redenen — Ontslag om persoonlijke redenen — Nationale bepalingen die in strijd zouden zijn met voornoemde voorschriften — Schending van het beginsel van gelijke behandeling

Dictum

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is kennelijk onbevoegd om te antwoorden op de door de Conseil de Prud’hommes te Caen bij beslissing van 11 juni 2009 gestelde vragen.


(1)  PB C 256 van 24.10.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/18


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Ordinario di Cosenza (Italië) op 13 november 2009 — C.C.I.A.A. di Cosenza/Grillo Star srl Fallimento

(Zaak C-443/09)

2010/C 51/28

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Tribunale Ordinario di Cosenza

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: C.C.I.A.A. di Cosenza

Verwerende partij: Grillo Star srl Fallimento

Prejudiciële vragen

1)

Zijn de criteria voor de bepaling van de jaarlijkse bijdrage bedoeld in artikel 18, lid 1, sub b, van de Italiaanse wet nr. 580 van 29 december 1993, zoals neergelegd in de leden 3, 4, 5 en 6 van dat artikel, onverenigbaar met richtlijn 2008/7 (1) van de Raad van de Europese Unie van 12 februari 2008 betreffende de indirecte belastingen op het bijeenbrengen van kapitaal, aangezien die bijdrage niet kan vallen onder de uitzondering van artikel 6, lid 1, sub e, van die richtlijn?

2)

In het bijzonder:

Vormt de jaarlijkse bijdrage, die wordt berekend op basis van de middelen die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de diensten die het systeem van de kamers van koophandel op het gehele nationale grondgebied moet verrichten, een vergoeding?

Sluit de omstandigheid dat een egalisatiefonds is opgericht dat moet verzekeren dat op het gehele nationale grondgebied alle bestuurlijke taken die door de wet aan de kamers van koophandel zijn opgedragen, homogeen worden uitgevoerd, uit dat de jaarlijkse bijdrage een vergoeding vormt?

Brengt de omstandigheid dat de individuele kamers van koophandel het bedrag van de jaarlijkse bijdrage tot 20 % mogen verhogen om initiatieven ter verhoging van de productie en de verbetering van de economische omstandigheden in hun bevoegdheidsgebieden te cofinancieren, mee dat bedoelde bijdrage geen vergoeding vormt?

Staat de omstandigheid dat niet is vastgelegd hoe moet worden bepaald aan welke middelen de kamers van koophandel behoefte hebben voor het houden en het bijwerken van de inschrijvingen en de aanmeldingen in het handelsregister, eraan in de weg dat de jaarlijkse bijdrage als een vergoeding kan worden beschouwd?

Sluit de omstandigheid dat het bedrag van de jaarlijkse bijdrage forfaitair wordt bepaald, uit dat deze bijdrage een vergoeding vormt, nu niet is bepaald dat op „geregelde tijdstippen” wordt bezien of het bedrag ervan de gemiddelde kosten van de dienst dekt?


(1)  PB L 46, blz. 11.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/18


Hogere voorziening ingesteld op 4 december 2009 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 23 september 2009 in zaak T-183/07, Polen/Commissie

(Zaak C-504/09 P)

2010/C 51/29

Procestaal: Pools

Partijen

Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Kružíková, E. White, K. Herrmann, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Republiek Polen, Republiek Hongarije, Republiek Litouwen, Slowaakse Republiek

Conclusies

het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 23 september 2009 in zaak T-183/07 in zijn geheel vernietigen;

de Republiek Polen verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Rekwirante baseert haar conclusies op vier middelen: 1) het Gerecht heeft de grenzen van zijn controlebevoegdheden overschreden en procedurefouten gemaakt die de belangen van de Commissie ongunstig hebben beïnvloed; 2) het Gerecht heeft inbreuk gemaakt op artikel 9, lid 3, van richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG (1) van de Raad; 3) het Gerecht heeft de omvang van de in artikel 296 VWEU neergelegde verplichting tot motivering van beschikkingen onjuist uitgelegd, en 4) het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het de artikelen 1, lid 1, 2, lid 1, en 3, lid 1, niet scheidbaar heeft geacht van de overige bepalingen van de bestreden beschikking en daardoor deze beschikking in haar geheel nietig heeft verklaard.

In het kader van het eerste middel stelt rekwirante dat het Gerecht de door verzoekster pas in repliek aangevoerde grief dat de Commissie de grenzen van haar bevoegdheden had overschreden, in strijd met artikel 48, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering ontvankelijk heeft verklaard. Bovendien heeft het Gerecht door zelf te bepalen op welke bepalingen van gemeenschapsrecht het tweede middel betrekking heeft, de grenzen van zijn rechterlijk toezicht overschreden.

In het kader van het tweede middel stelt rekwirante dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van de omvang en de wijze van uitvoering van de bevoegdheden van de Commissie die haar bij artikel 9, lid 3, van richtlijn 2003/87 zijn verleend. Dit middel valt uiteen in twee onderdelen.

In het kader van het eerste onderdeel van dit middel stelt rekwirante dat het Gerecht met de vaststelling dat de Commissie niet bevoegd was om bij de controle van de aan haar meegedeelde nationale toewijzingsplannen II (hierna: „NTP II”) aan de hand van de criteria van bijlage III bij richtlijn 2003/87 de geverifieerde CO2-gegevens uit eenzelfde bron (Community Independant Transaction Log) voor alle lidstaten in dezelfde periode (2005) te gebruiken, en om haar beschikking te baseren op de vooruitzichten voor de ontwikkeling van het bruto binnenlands product in de periode 2005-2010 die in dezelfde periode voor alle lidstaten zijn gepubliceerd, artikel 9, lid 3, van richtlijn 2003/87 onjuist heeft uitgelegd waardoor het beginsel van gelijke behandeling is geschonden.

In het kader van het tweede onderdeel van dit middel wordt gesteld dat het Gerecht door de Commissie het recht te ontzeggen om bij de beoordeling van een NTP II de door een bepaalde lidstaat gebruikte gegevens buiten beschouwing te laten en in haar op grond van artikel 9, lid 3, van richtlijn 2003/87 vastgestelde beschikking waarbij het NTP II werd verworpen, een maximum vast te stellen voor de totale hoeveelheid emissierechten die de lidstaat kan toewijzen, artikel 9, lid 3, van richtlijn 2003/87 onjuist heeft uitgelegd omdat het geen rekening heeft gehouden met het doel en het voorwerp ervan.

Volgens rekwirante is de controle vooraf van het NTP II op grond van artikel 9, lid 3, van richtlijn 2003/87 erop gericht, het bereiken van het doel daarvan mogelijk te maken, dat wil zeggen de emissies van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen, alsmede een juiste werking van de gemeenschapsregeling voor de handel in broeikasgasemissierechten te waarborgen. Voor zover het recht om een beschikking tot verwerping van een NTP II vast te stellen in de tijd is beperkt, moet de wijze waarop de Commissie haar controlebevoegdheden op grond van artikel 9, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 2003/87 uitvoert, worden uitgelegd met inaanmerkingneming van het doel van de gehele controleprocedure, dat wil zeggen het waarborgen dat alleen de NTP II die voldoen aan de criteria van bijlage III, in het bijzonder de in de punten 1 tot en met 3 vastgestelde criteria, definitief kunnen worden en de basis voor de vaststelling van de besluiten van de lidstaten met betrekking tot de totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten kunnen vormen.

In het kader van het derde middel stelt rekwirante dat de rechter met de beslissing dat de Commissie in het kader van de bestreden beschikking diende te verklaren waarom de in het NTP II van de Republiek Polen gebruikte gegevens „minder betrouwbaar” waren, de gehele inhoud van de in punt 5 van de bestreden beschikking vervatte motivering in aanmerking had moeten nemen en hoe dan ook de grenzen van de in artikel 296 VWEU neergelegde motiveringsplicht heeft overschreden.

Met het vierde middel stelt de Commissie dat het Gerecht de voorwaarde voor de scheidbaarheid van de bepalingen van de bestreden beschikking onjuist heeft toegepast omdat het heeft vastgesteld dat de leden 2 tot en met 5 van de artikelen 1 en 2, die de onverenigbaarheid van het NTP II met andere criteria van bijlage III bij de richtlijn dan de leden 1 daarvan betreffen, van laatstgenoemde niet te scheiden zijn. De onjuiste beoordeling van het Gerecht heeft ertoe geleid dat de bestreden beschikking in haar geheel nietig is verklaard.


(1)  PB L 275, blz. 32.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Collège d'autorisation et de contrôle du Conseil supérieur de l'audiovisuel (België) op 11 december 2009 — RTL Belgium SA (voorheen TVI SA)

(Zaak C-517/09)

2010/C 51/30

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Collège d'autorisation et de contrôle du Conseil supérieur de l'audiovisuel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: RTL Belgium SA (voorheen TVI SA)

Verwerende partij: Conseil supérieur de l'audiovisuel

Prejudiciële vraag

Kan het begrip „uitoefenen van effectieve controle over de keuze van programma’s en de organisatie ervan” in artikel 1, sub c, van richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 (richtlijn audiovisuele mediadiensten), aldus worden uitgelegd dat een vennootschap die in een lidstaat is gevestigd en krachtens een vergunning van de regering van die lidstaat een audiovisuele mediadienst mag aanbieden, daadwerkelijk een dergelijke controle uitoefent wanneer zij tegen betaling van een niet nader bepaald bedrag, overeenkomend met de totale omzet uit reclame die bij de uitzending van deze dienst wordt behaald, een in een andere lidstaat gevestigde derde vennootschap (met mogelijkheid van subdelegatie) belast met de productie van alle eigen programma’s van die dienst, de externe communicatie op het gebied van het programmaschema, alsmede de financiële en juridische zaken, het personeelsbeleid, het beheer van de infrastructuur en andere voorzieningen met betrekking tot het personeel, en voorts blijkt dat de beslissingen met betrekking tot de samenstelling van de programma’s, het eventueel schrappen van uitzendingen en de aanpassing van het programmaschema wegens actuele gebeurtenissen, op de zetel van die derde vennootschap worden genomen en uitgevoerd.


(1)  Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (PB L 298, blz. 23)


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/20


Beroep ingesteld op 15 december 2009 — Europese Commissie/Roemenië

(Zaak C-522/09)

2010/C 51/31

Procestaal: Roemeens

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Recchia en L. Bouyon, gemachtigden)

Verwerende partij: Roemenië

Conclusies

vaststellen dat Roemenië, door naar aantal en oppervlakte onvoldoende gebieden die het meest geschikt zijn voor de bescherming van de in bijlage I bij richtlijn 79/409/EEG (1) genoemde vogelsoorten en de op zijn grondgebied aanwezige trekvogels als specialebeschermingszones te hebben aangewezen, niet aan zijn uit artikel 4, leden 1 en 2, van deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.

Roemenië verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, zoals gewijzigd, regelt de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten. De uit de richtlijn voortvloeiende verplichtingen zijn van toepassing op Roemenië vanaf de datum van zijn toetreding (1 januari 2007). Bijgevolg moet Roemenië, uit hoofde van artikel 4, leden 1 en 2, de aanwijzing van specialebeschermingszones op zijn grondgebied voltooien.

Na onderzoek van de door de Roemeense autoriteiten aangewezen specialebeschermingszones, is de Commissie van mening dat die aanwijzing als specialebeschermingszones van de meest geschikte gebieden naar aantal en oppervlakte niet voldoende is.

In casu werden de door Roemenië als specialebeschermingszones aangewezen zones onderzocht in samenhang met de door de organisatie BirdLife International opgemaakte inventaris van belangrijke vogelgebieden, en met een door de Societatea Ornitologică Română (Roemeense ornithologische vereniging) uitgevoerde vergelijkbare analyse. De procedure van aanwijzing van belangrijke vogelgebieden in Roemenië werd in 2007 afgerond en heeft geresulteerd in de aanwijzing van 130 belangrijke vogelgebieden.

Van de in totaal 130 belangrijke vogelgebieden met een oppervlakte van 4 157 500 ha, werden slechts 108 gebieden, met een oppervlakte van 2 998 700 ha, door de Roemeense autoriteiten aangewezen als specialebeschermingszones, en van deze gebieden werden slechts 38 gebieden volledig als specialebeschermingszones aangewezen.

Voorts werden 21 belangrijke vogelgebieden, met een oppervlakte van 341 013 ha, nog niet aangewezen als specialebeschermingszones in Roemenië, en verschilt de omvang van 71 aangewezen specialebeschermingszones sterk van die van de vogelbeschermingsgebieden.

Gelet op een en ander hebben de Roemeense autoriteiten voorts, ondanks het feit dat 71 belangrijke vogelgebieden niet volledig als specialebeschermingszones werden geregistreerd, en dat 21 belangrijke vogelgebieden niet bij de aanwijzingsprocedure werden betrokken, in geen enkele inventaris of wetenschappelijke methode voorzien die dergelijke verschillen tussen belangrijke vogelgebieden en aangewezen specialebeschermingszones zouden kunnen rechtvaardigen.

Zowel de niet-aanwijzing als de gedeeltelijke aanwijzing van de respectieve belangrijke vogelgebieden leidt tot het ontbreken van maatregelen ter bescherming van zowel de in bijlage I bij richtlijn 79/409 genoemde vogelsoorten als de trekvogels, wat een schending oplevert van artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 79/409.

De Commissie is derhalve van oordeel dat door naar aantal en oppervlakte onvoldoende specialebeschermingszones te hebben aangewezen, Roemenië niet aan zijn uit artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 79/409 voortvloeiende verplichtingen heeft voldaan.


(1)  Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1).


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/21


Beroep ingesteld op 17 december 2009 — Europese Commissie/Portugese Republiek

(Zaak C-525/09)

2010/C 51/32

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Marghelis en G. Braga da Cruz, gemachtigden)

Verwerende partij: Portugese Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Portugese Republiek, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/21/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van richtlijn 2004/35/EG, althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 25 van die richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Portugese Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 30 april 2008 verstreken.


(1)  PB L 102, blz. 15.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/21


Beroep ingesteld op 17 december 2009 — Europese Commissie/Portugese Republiek

(Zaak C-526/09)

2010/C 51/33

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: S. Pardo Quintillán en G. Braga da Cruz, gemachtigden)

Verwerende partij: Portugese Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Portugese Republiek, door het lozen van industrieel afvalwater door de in de zone Matosinhos gelegen industriële eenheid „Estação de Serviço Sobritos” zonder passende vergunning te hebben toegestaan, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens van artikel 11, leden 1 en 2, van richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 (1) inzake de behandeling van stedelijk afvalwater.

De Portugese Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot op heden heeft de Portugese Republiek de Commissie niet meegedeeld dat de vergunningprocedure voor de industriële eenheid „Estação de Serviço Sobritos” is afgesloten.


(1)  PB L 135, blz. 40.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/21


Beroep ingesteld op 18 december 2009 — Europese Commissie/Koninkrijk Spanje

(Zaak C-529/09)

2010/C 51/34

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Flynn en C. Urraca Caviedes, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk Spanje

Conclusies

vaststellen dat het Koninkrijk Spanje de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 288, vierde alinea, VWEU en de artikelen 2 en 3 van beschikking 1999/509/EG van de Commissie van 14 oktober 1998 betreffende door Spanje toegekende steun ten behoeve van de ondernemingen van het Magefesa-concern en hun opvolgers (PB 1999, L 198, blz. 15), door, wat Industrias Domésticas, SA (Indosa) betreft, niet de maatregelen te hebben getroffen die nodig zijn om aan die beschikking te voldoen;

het Koninkrijk Spanje verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het Koninkrijk Spanje heeft, wat Industrias Domésticas, SA (Indosa) betreft, niet binnen de gestelde termijn de maatregelen getroffen die nodig zijn om te voldoen aan beschikking 1999/509/EG.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/22


Beroep ingesteld op 18 december 2009 — Europese Commissie/Portugese Republiek

(Zaak C-531/09)

2010/C 51/35

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: N. Yerrell en M. Teles Romão, gemachtigden)

Verwerende partij: Portugese Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Portugese Republiek, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/38/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 tot wijziging van richtlijn 1999/62/EG betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Portugese Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 10 juni 2008 verstreken.


(1)  PB L 157, blz. 8.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/22


Hogere voorziening ingesteld op 18 december 2009 door Vladimir Ivanov tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 30 september 2009 in zaak T-166/08, Ivanov/Commissie

(Zaak C-532/09 P)

2010/C 51/36

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirant: Vladimir Ivanov (vertegenwoordiger: F. Rollinger, avocat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

de hogere voorziening ontvankelijk verklaren;

de hogere voorziening gegrond verklaren;

de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 30 september 2009 vernietigen;

beslissen overeenkomstig het inleidend verzoekschrift;

de wederpartij in de kosten van beide instanties verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Rekwirant voert ter staving van zijn hogere voorziening drie middelen aan.

Met zijn eerste middel, bestaande uit twee onderdelen, stelt hij dat het Gerecht geen exceptie van misbruik van procedure had mogen opwerpen ter motivering van de niet-ontvankelijkheid van zijn vordering uit niet-contractuele aansprakelijkheid, aangezien deze exceptie slechts van toepassing is in de zeer beperkte en buitengewone gevallen waarin de vordering tot schadevergoeding strekt tot betaling van eenzelfde bedrag als de verzoeker zou hebben ontvangen bij het slagen van een beroep tot nietigverklaring. In het onderhavige geval staat de door rekwirant ingestelde vordering tot schadevergoeding echter geheel op zichzelf, daar zij erop is gericht om de Commissie buitencontractueel aansprakelijk te stellen voor de wijze waarop zij zich ten opzichte van hem heeft gedragen, en niet om in een financiële situatie te worden geplaatst die identiek is aan degene waarin hij zou hebben verkeerd in geval van nietigverklaring van de besluiten van de Commissie.

In dit verband is rekwirant overigens van mening dat het Gerecht de exceptie van misbruik van procedure niet ambtshalve had mogen opwerpen, aangezien de bewijslast hiervan rust op de verwerende partij.

Met zijn tweede middel stelt rekwirant dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door als voorafgaande voorwaarde voor de buitencontractuele aansprakelijkheid van de Commissie te eisen dat wordt vastgesteld dat zij onrechtmatig heeft gehandeld, terwijl het in zijn meest recente rechtspraak de onrechtmatigheid van de handelwijze van de gemeenschapsinstellingen niet meer als voorwaarde heeft gesteld voor het ontstaan van de aansprakelijkheid van deze instellingen.

Tot slot is rekwirant met zijn derde middel van mening dat zijn recht op een doeltreffende voorziening in rechte zoals neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, door de bestreden beschikking is geschonden, voor zover hierin is geoordeeld dat een beroep tot nietigverklaring gepaster is dan een beroep tot schadevergoeding.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/23


Beroep ingesteld op 18 december 2009 — Europese Commissie/Portugese Republiek

(Zaak C-533/09)

2010/C 51/37

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: H. Støvlbæk en P. Guerra e Andrade, gemachtigden)

Verwerende partij: Portugese Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Portugese Republiek, door op basis van het besluit van de Ministro da Justiça van 12 december 1991 houdende bekrachtiging van het advies van de Conselho Consultivo da Procuradoria-Geral da República over artikel 15 van de Constituição, het bezit van de Portugese nationaliteit als voorwaarde te stellen voor de toegang tot en de uitoefening van het beroep van notaris, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 49 VWEU, nu het bepaalde in artikel 51 VWEU niet van toepassing is.

De Portugese Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

In Portugal zijn de belangen die door notarissen worden behartigd, geen staatsbelangen. De notaris verricht geen werkzaamheden ter rechtstreekse en specifieke uitoefening van het openbaar gezag en behoort niet tot het openbaar bestuur. De uitzondering van artikel 51 VWEU geldt dus niet voor de notaris in Portugal. Het op 12 december 1991 bekrachtigde advies van de Procuradoria-Geral da República bevestigt niet dat het beroep van notaris onder artikel 15, lid 2, van de Constituição valt. In Portugal heeft de notaris zuiver technische taken, die niet op het politiek vertrouwen, maar op de beroepsbekwaamheid berusten.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/23


Beroep ingesteld op 21 december 2009 — Europese Commissie/Koninkrijk België

(Zaak C-538/09)

2010/C 51/38

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Recchia en A. Marghelis, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk België

Conclusies

vaststellen dat het Koninkrijk België, doordat de Belgische wetgeving voor bepaalde activiteiten geen passende milieueffectbeoordeling voorschrijft wanneer deze activiteiten gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied en door bepaalde activiteiten aan een aanmeldingsregeling te onderwerpen, de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (1);

het Koninkrijk België verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie beroept zich op één grief ter onderbouwing van haar beroep inzake onjuiste uitvoering van artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43 (habitatrichtlijn).

In dit verband merkt verzoekster op dat deze bepaling vereist dat voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied een passende milieueffectbeoordeling wordt gemaakt. De Belgische wetgeving is in strijd met het gemeenschapsrecht voor zover zij een dergelijke milieueffectbeoordeling niet stelselmatig voorschrijft en in een gewone aanmeldingsregeling voorziet voor bepaalde activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied.

Dit is met name het geval voor alle plannen of projecten waarvoor geen milieuvergunning is vereist in het Waalse Gewest.


(1)  PB L 206, blz. 7.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/24


Beroep ingesteld op 21 december 2009 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-539/09)

2010/C 51/39

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A. Caeiros en B. Conte, gemachtigden)

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland

Conclusies

vaststellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door haar weigering de Rekenkamer toe te staan in Duitsland controles uit te voeren inzake de in verordening (EG) nr. 1798/2003 en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen geregelde administratieve samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van btw, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 248, leden 1, 2 en 3, EG en de artikelen 140, lid 2 en 142, lid 1, van verordening (EG) nr. 1605/2002;

de Bondsrepubliek Duitsland verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige beroep betreft de weigering door de Duitse autoriteiten om de Europese Rekenkamer toe te staan in Duitsland controles uit te voeren inzake de in verordening (EG) nr. 1798/2003 en de desbetreffende uitvoeringsbepalingen geregelde administratieve samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van btw.

Volgens de Commissie is de Bondsrepubliek Duitsland daardoor haar verplichtingen op grond van artikel 248 EG, respectievelijk op grond van verordening (EG) nr. 1605/2002 niet nagekomen, en heeft zij haar loyaliteitsverplichting op grond van artikel 10 EG geschonden.

De controlebevoegdheden van de Rekenkamer moeten ruim worden uitgelegd. De Rekenkamer moet de EU-financiën controleren en verbeteringen voorstellen. Dit kan alleen als deze het recht heeft volledige audits en verificaties wat betreft alle gebieden en partijen in verband met ontvangsten en uitgaven van de EU te verrichten. Dergelijke onderzoeken mogen ook worden verricht in de lidstaten, die overeenkomstig artikel 248, lid 3 EG, artikel 140, lid 2 en artikel 142, lid 1, van verordening nr. 1605/2002, alsook op grond van de loyaliteitsverplichting van artikel 10 EG de Rekenkamer bij haar activiteiten alle mogelijke bijstand moeten verlenen. Dit omvat eveneens de verplichting om alle controles door de Rekenkamer toe te laten die de beoordeling beogen van de inning en gebruik van de financiële middelen van de EU.

Dit is precies wat de Duitse instanties in het onderhavige geval niet toestonden aan de Rekenkamer.

Verordening (EG) nr. 1798/2003 betreft de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten van de Gemeenschap. Deze verordening is één van talrijke maatregelen die moeten verzekeren dat de lidstaten de btw naar behoren innen, zodat de Gemeenschap onder optimale omstandigheden over de haar toekomende eigen middelen kan beschikken, door frauduleuze praktijken te bestrijden en door preventieve maatregelen te voorkomen. Vanuit deze invalshoek acht de Commissie het noodzakelijk dat de Rekenkamer om de wettigheid en de regelmatigheid van de btw-ontvangsten te controleren, de tenuitvoerlegging en toepassing van verordening (EG) nr. 1798/2003 mag onderzoeken. Dit betekent dat zij mag onderzoeken of de lidstaten een efficiënt systeem van samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand hebben ingesteld en of het in de praktijk voldoening geeft, dan wel of verbeteringen nodig zijn.

De praktische uitvoering van de administratieve samenwerking waarin wordt voorzien door verordening (EG) nr. 1798/2003 heeft een weerslag op de eigen middelen uit de btw die de lidstaten moeten afdragen. Door een goed functionerende samenwerking op dit domein wordt btw-ontduiking en -ontwijking vermeden, zodat de btw-ontvangsten stijgen en de Gemeenschap dus beschikt over meer eigen middelen uit btw. Als een lidstaat echter niet naar behoren samenwerkt, schendt hij niet alleen zijn verplichtingen op grond van verordening (EG) nr. 1798/2003, maar eveneens zijn verplichting op grond van de btw-richtlijn om alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen te nemen om de inning van de volledige op diens grondgebied verschuldigde btw te waarborgen.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/24


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Regeringsrätten (Zweden) op 21 december 2009 — Skandinaviska Enskilda Banken AB Momsgrupp/Skatteverket

(Zaak C-540/09)

2010/C 51/40

Procestaal: Zweeds

Verwijzende rechter

Regeringsrätten

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Skandinaviska Enskilda Banken AB Momsgrupp

Verwerende partij: Skatteverket

Prejudiciële vraag

Moet artikel 13, B, van de Zesde btw-richtlijn (artikel 135, lid 1, van richtlijn [2006/112/EG] van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (1)) aldus worden uitgelegd dat de daarin genoemde belastingvrijstellingen ook diensten (underwriting) omvatten die inhouden dat een kredietmaatschappij tegen vergoeding een garantie verleent aan een vennootschap die op het punt staat aandelen uit te geven, wanneer de garantie inhoudt dat de kredietmaatschappij zich ertoe verbindt de aandelen te verwerven waarop tijdens de intekenperiode eventueel niet wordt ingetekend?


(1)  Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad (PB L 145, blz. 1).


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/25


Hogere voorziening ingesteld op 22 december 2009 door de Bondsrepubliek Duitsland tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Zevende kamer) van 6 oktober 2009 in zaak T-21/06, Bondsrepubliek Duitsland/Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak C-544/09 P)

2010/C 51/41

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: M. Lumma, J. Möller en B. Klein, gemachtigden)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

Het arrest van het Europees Gerecht van eerste aanleg van 6 oktober 2009 in zaak T-21/06, Bondsrepubliek Duitsland/Commissie van de Europese Gemeenschappen, vernietigen;

beschikking C(2005)3903 van de Commissie van 9 november 2003 betreffende de steunmaatregelen die de Bondsrepubliek Duitsland voor de invoering van digitale terrestrische televisie (DVB-T) in Berlijn en Brandenburg heeft verleend, nietig verklaren, en

verweerster verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De hogere voorziening heeft betrekking op het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen, waarbij het beroep van de Bondsrepubliek Duitsland tegen de beschikking van de Commissie van 9 november 2005 in steunprocedure C 25/2004 inzake de invoering van digitale terrestrische televisie (DVB-T) in Berlijn en Brandenburg ongegrond is verklaard. In de beschikking heeft de Commissie de steunmaatregelen als onverenigbaar met de interne markt (artikel 107, lid 3, sub c, VWEU) aangemerkt.

Tot staving van haar hogere voorziening voert de Bondsrepubliek Duitsland vijf middelen aan, waarin zij het Gerecht verwijt een misbruik van bevoegdheid door de Commissie niet te hebben erkend, en bijgevolg het beroep ten onrechte te hebben verworpen.

Ten eerste heeft het Gerecht ten onrechte het stimulerend effect van de maatregel ontkend, door enkel het zeer begrensde tijdvak van de omschakeling van analoge terrestrische televisie naar DVB-T in aanmerking te nemen, in plaats van rekening te houden met de kosten van de gesubsidieerde omroepen in verband met de maatregel als geheel. Deze maatregel als geheel, omvat naast de omschakeling zelf ook een verplichting om vijf jaar lang het programma-aanbod via DVB-T in stand te houden, ongeacht de, nauwelijks te voorspellen, marktacceptatie. Derhalve dienen ook de uit dit tijdvak van omroepverplichting voortvloeiende kosten in aanmerking te worden genomen.

Ten tweede heeft het Gerecht het in artikel 107, lid 3, sub c, VWEU neergelegde beoordelingscriterium van de Commissie te zeer uitgebreid, door te aanvaarden dat de Commissie de geschiktheid van de steunmaatregel reeds kan afwijzen enkel op grond dat het doel mogelijk ook met alternatieve reguleringsmaatregelen kan worden bereikt. De vergelijking met alternatieve maatregelen behoort, overeenkomstig het doel van de steuncontrolevoorschriften van het VWEU, niet tot de onderzoeksprocedure die de Commissie gerechtigd is om uit te voeren. In dit verband verwijt de Duitse regering het Gerecht ook, dat het de lidstaat belast met het bewijs dat de door de Commissie voorgestelde alternatieve maatregelen hoe dan ook ineffectief zouden zijn. Dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, de algemene beginselen van de bewijslastverdeling en het doel van de steuncontrole.

Ten derde heeft het Gerecht bij zijn beoordeling uit hoofde van artikel 107, lid 3, sub c, VWEU de relevantie miskend van de Uniegrondrechten die, als onderdeel van het primaire recht, de Unie-instellingen bij alle handelingen binden. Indien een loutere verwijzing naar mogelijke alternatieve reguleringsmaatregelen zou volstaan voor het weigeren van goedkeuring voor de steun, dan zou er aan voorbij worden gegaan dat reguleringsmaatregelen afbreuk doen aan het grondrecht van het vrije ondernemerschap. Dit aspect dient op zijn minst beoordeeld te worden, hetgeen in casu niet is geschied.

Ten vierde heeft het Gerecht met de verwijzing naar alternatieve reguleringsmaatregelen een onjuiste uitlegging gegeven aan de in artikel 107, lid 3, VWEU genoemde begrippen „interne markt” en „[verandering van] de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt”, door niet te onderkennen dat reguleringsmaatregelen eveneens de mededinging veranderen. De globale veronderstelling dat elke reguleringsmaatregel minder afbreuk doet aan deze rechtsbelangen dan een steunmaatregel, komt neer op het hanteren van een ontoelaatbaar beperkte maatstaf.

Ten vijfde verwijt de Bondsrepubliek Duitsland het Gerecht dat het het door de Commissie ontwikkelde beginsel van technologische neutraliteit heeft overgenomen, zonder daarbij te erkennen dat daarmee in casu het door de Duitse autoriteiten nagestreefde doel van de maatregel van de hand wordt gewezen. Technologische neutraliteit is slechts dan een geschikt criterium voor het toetsen van de verenigbaarheid, wanneer het doel van de subsidie is gelegen in de omschakeling naar digitale omroep op zich. In geval van subsidie van de omschakeling naar DVB-T in Berlijn en Brandenburg dient echter om verscheidene redenen juist deze transmissiewijze te worden gesubsidieerd, terwijl transmissie via kabel en satelliet geen subsidie behoeft. Bij de vaststelling van het rechtmatige doel van de steunmaatregel heeft de lidstaat een beoordelingsmarge.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/26


Hogere voorziening ingesteld op 23 december 2009 door BCS Spa tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Achtste kamer) van 28 oktober 2009 in zaak T-137/08: BCS SpA/BHIM (merken, tekeningen en modellen)

(Zaak C-553/09 P)

2010/C 51/42

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: BCS SpA (vertegenwoordigers: M. Franzosi, V. Jandoli, F. Santonocito, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Deere & Company

Conclusies

De bestreden beslissingen vernietigen;

gemeenschapsmerk 63 289 nietig verklaren;

verweerder in de kosten verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Rekwirante betoogt dat het bestreden arrest om de volgende redenen op een onjuiste opvatting van het recht berust:

I.

Het Gerecht heeft artikel 7, lid 1, sub b, en lid 3, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk (1) onjuist uitgelegd door te verklaren dat de verkrijging van onderscheidend vermogen van een teken niet afhangt van het uitsluitende gebruik van het merk thans en in het verleden (bovendien was bedoeld gebruik niet bewezen en wordt het in dezelfde beslissing geacht in sommige landen te worden ontkend);

II.

Het Gerecht heeft de in de communautaire rechtspraak ontwikkelde criteria voor de bepaling van het onderscheidend vermogen onjuist toegepast, in strijd met artikel 7, lid 3, van de verordening inzake het gemeenschapsmerk.

Onder I. wordt het ontbreken van uitsluitend gebruik in andere delen van de Gemeenschap bewezen door verklaringen van derden in Denemarken en Ierland. Het ontbreken van een eenduidige associatie tussen de kleurencombinatie geel en groen en Deere is onverenigbaar met de erkenning dat het teken in deze landen onderscheidend vermogen heeft verkregen.

Onder II. BCS komt BCS op tegen de criteria die het Gerecht rechtens heeft gehanteerd met betrekking tot het bewijs van secundaire betekenis, daar deze indruisen tegen de beginselen zoals die zijn vastgelegd in vaste rechtspraak van het Hof van Justitie. De duur van het gebruik in Denemarken, de marktaandelen en de omzet kunnen niet worden beschouwd als elementen die — individueel beschouwd — volstaan om de secundaire betekenis te bewijzen. Inzonderheid kunnen zij het achterwege laten van een opiniepeiling (of een andersluidend resultaat van verklaringen van derden) niet compenseren, daar dit bewijsparameters van andere aard zijn.

Het Gerecht heeft ten onrechte het rechtstreekse bewijs van het ontbreken van onderscheidend vermogen van gemeenschapsmerk 63 289 in Ierland en Denemarken buiten beschouwing gelaten.


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 11, blz. 1), vervangen door verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (gecodificeerde versie) (PB L 78, blz. 1)


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/27


Beroep ingesteld op 25 januari 2010 — Europese Commissie/Raad van de Europese Unie

(Zaak C-40/10)

2010/C 51/43

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall, G. Berscheid en J.-P. Keppenne, gemachtigden)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

verordening (EU, Euratom) nr. 1296/2009 van de Raad van 23 december 2009 houdende aanpassing met ingang van 1 juli 2009 van de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren en de andere personeelsleden van de Europese Unie, alsmede van de aanpassingscoëfficiënten welke van toepassing zijn op deze bezoldigingen en pensioenen (1), met uitzondering van de artikelen 1 en 3 ervan, nietig verklaren, maar met handhaving van de gevolgen ervan totdat de Raad een nieuwe verordening zal hebben vastgesteld waarin de artikelen 64 en 65 van het Statuut en bijlage XI daarbij correct worden toegepast.

de Raad verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie vordert gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EU) nr. 1296/2009 op grond dat de Raad daarin de bedragen van de bezoldigingen en pensioenen zoals die door de Commissie waren voorgesteld op basis van een aanpassingspercentage van 3,70 % — het resultaat van het aanpassingsmechanisme van artikel 65 van het Statuut en bijlage XI daarbij — om redenen van politieke opportuniteit heeft vervangen door bedragen die overeenkomen met de — onjuiste — coëfficiënt 1,85 %. Volgens de Raad is die vervanging gerechtvaardigd gelet op de financiële en economische crisis en als een onderdeel van het economische en sociale beleid van de Unie.

Aangaande de artikelen 2 en 4 tot en met 17 van de bestreden verordening voert de Commissie één middel aan, dat zij ontleent aan schending van artikel 65 van het Statuut en van de artikelen 1 en 3 van bijlage XI daarbij. Volgens de Commissie heeft de Raad terzake een gebonden bevoegdheid, in de huidige versie van het Statuut — waarin de methode voor de aanpassing van de bezoldigingen en de pensioenen gedetailleerd is geregeld in bijlage XI bij het Statuut — nog meer dan in het verleden, waarrin het Hof op basis van enkel artikel 65 van het Statuut reeds heeft verklaard dat de beoordelingsbevoegdheid van de Raad beperkt is. De Commissie beroept zich voorts op schending van het vertrouwensbeginsel en van het „patere legem quam ipse fecisti”-beginsel.

Artikel 18 van de bestreden verordening druist op zijn beurt in tegen de artikelen 3 tot en met 7 van bijlage XI bij het Statuut doordat het de mogelijkheid opent dat een tussentijdse aanpassing van de bezoldigingen plaatsvindt, naast de jaarlijkse aanpassing op basis van artikel 65 van het Statuut en buiten de in de artikelen 4 tot en met 7 van bijlage XI bij het Statuut bepaalde voorwaarden.


(1)  PB L 348, blz. 10.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/27


Beschikking van de president van het Hof van 17 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Cyprus

(Zaak C-466/08) (1)

2010/C 51/44

Procestaal: Grieks

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 327 van 20.12.2008.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/27


Beschikking van de president van de Achtste kamer van het Hof van 4 december 2009 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek

(Zaak C-544/08) (1)

2010/C 51/45

Procestaal: Tsjechisch

De president van de Achtste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 44 van 21.2.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/28


Beschikking van de president van de Achtste kamer van het Hof van 12 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Zweden

(Zaak C-548/08) (1)

2010/C 51/46

Procestaal: Zweeds

De president van de Achtste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 32 van 7.2.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/28


Beschikking van de president van de Vijfde kamer van het Hof van 26 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Tsjechische Republiek

(Zaak C-15/09) (1)

2010/C 51/47

Procestaal: Tsjechisch

De president van de Vijfde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 69 van 21.3.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/28


Beschikking van de president van het Hof van 2 december 2009 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek

(Zaak C-42/09) (1)

2010/C 51/48

Procestaal: Italiaans

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 69 van 21.3.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/28


Beschikking van de president van de Achtste kamer van het Hof van 2 december 2009 — Europese Commissie/Franse Republiek

(Zaak C-171/09) (1)

2010/C 51/49

Procestaal: Frans

De president van de Achtste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 153 van 4.7.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/28


Beschikking van de president van het Hof van 30 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

(Zaak C-183/09) (1)

2010/C 51/50

Procestaal: Grieks

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 167 van 18.7.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/28


Beschikking van de president van het Hof van 20 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje

(Zaak C-184/09) (1)

2010/C 51/51

Procestaal: Spaans

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 167 van 18.7.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/28


Beschikking van de president van het Hof van 11 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk der Nederlanden

(Zaak C-192/09) (1)

2010/C 51/52

Procestaal: Nederlands

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 180 van 1.8.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/29


Beschikking van de president van het Hof van 18 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

(Zaak C-206/09) (1)

2010/C 51/53

Procestaal: Italiaans

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 180 van 1.8.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/29


Beschikking van de president van het Hof van 7 december 2009 — Europese Commissie/Slowaakse Republiek

(Zaak C-207/09) (1)

2010/C 51/54

Procestaal: Slowaaks

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 205 van 29.8.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/29


Beschikking van de president van het Hof van 12 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Malta

(Zaak C-220/09) (1)

2010/C 51/55

Procestaal: Maltees

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 193 van 15.8.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/29


Beschikking van de president van het Hof van 19 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Portugese Republiek

(Zaak C-252/09) (1)

2010/C 51/56

Procestaal: Portugees

De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 205 van 29.8.2009.


Gerecht

27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/30


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 19 januari 2010 — Co-Frutta/Commissie

(Gevoegde zaken T-355/04 en T446/04) (1)

(Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Documenten betreffende gemeenschappelijke markt van invoer van bananen - Stilzwijgende afwijzing gevolgd door uitdrukkelijke weigering van toegang - Beroep tot nietigverklaring - Ontvankelijkheid - Uitzondering betreffende bescherming van commerciële belangen van derde - Naleving van termijnen - Voorafgaande toestemming van lidstaat - Motiveringsplicht)

2010/C 51/57

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Co-Frutta Soc. coop. (Padua, Italië) (vertegenwoordigers: W. Viscardini en G. Donà, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk L. Visaggio en P. Aalto, vervolgens P. Aalto en L. Prete, gemachtigden)

Voorwerp

In zaak T-355/04, vordering tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 28 april 2004 houdende afwijzing van een initieel verzoek om toegang tot de gegevens over de in de Gemeenschap geregistreerde marktdeelnemers voor de invoer van bananen en een vordering tot nietigverklaring van de stilzwijgende beschikking van de Commissie houdende afwijzing van het confirmatief verzoek om toegang, alsmede, in zaak T-446/04, vordering tot nietigverklaring van de uitdrukkelijke beschikking van de Commissie van 10 augustus 2004 waarbij toegang tot die gegevens is geweigerd

Dictum

1)

Op het beroep in zaak T-355/04 behoeft niet te worden beslist.

2)

Het beroep in zaak T-446/04 wordt verworpen.

3)

Co-Frutta Soc. coop. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 262 van 23.10.2004.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/30


Arrest van het Gerecht van 20 januari 2010 — Sungro e.a./Raad en Commissie

(Zaken T-252/07, T-271/07 en T-272/07) (1)

(„Niet-contractuele aansprakelijkheid - Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Wijziging van communautaire steunregeling voor katoen - Titel IV, hoofdstuk 10 bis, van verordening (EG) nr. 1782/2003, ingevoegd bij artikel 1, punt 20, van verordening (EG) nr. 864/2004 - Nietigverklaring van betrokken bepalingen bij arrest van Hof - Oorzakelijk verband”)

2010/C 51/58

Procestaal: Spaans

Partijen

Verzoekende partijen: Sungro, SA (Cordoba, Spanje) (T-252/07); Eurosemillas, SA (Cordoba, Spanje) (T-271/07), en Surcotton, SA (Cordoba, Spanje) (T-272/07) (vertegenwoordiger: L. Ortiz Blanco, advocaat)

Verwerende partijen: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Moore, A. De Gregorio Merino en A. Westerhof Löfflerova, gemachtigden) en Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Parpala en F. Jimeno Fernández, gemachtigden, bijgestaan door E. Díaz-Bastien Lopez, L. Divar Bilbao en J. Magdalena Anda, advocaten)

Voorwerp

Beroepen op grond van de artikelen 235 EG en 288, tweede alinea, EG strekkende tot vergoeding van de schade die verzoeksters stellen te hebben geleden door de vaststelling en de toepassing in het verkoopseizoen 2006/2007 van hoofdstuk 10 bis van titel IV van verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PB L 270, blz. 1), dat is ingevoegd bij artikel 1, punt 20, van verordening (EG) nr. 864/2004 van de Raad van 29 april 2004 houdende wijziging van verordening (EG) nr. 1782/2003, en tot aanpassing daarvan in verband met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije tot de Europese Unie (PB L 161, blz. 48), en dat nietig is verklaard bij het arrest van het Hof van 7 september 2006, Spanje/Raad (C-310/04, Jurispr. blz. I-7285).

Dictum

1)

De zaken T-252/07, T-271/07 en T-272/07 worden gevoegd voor het arrest.

2)

De beroepen worden verworpen.

3)

Sungro, SA, Eurosemillas, SA, en Surcotton, SA dragen elk hun eigen kosten alsmede, hoofdelijk, de kosten van de Raad van de Europese Unie en van de Europese Commissie.


(1)  PB C 211 van 8.9.2007.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/31


Arrest van het Gerecht van 20 januari 2010 — Nokia/BHIM — Medion (LIFE BLOG)

(Zaak T-460/07) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk LIFE BLOG - Ouder nationaal woordmerk LIFE - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009) - Gedeeltelijke weigering van inschrijving”)

2010/C 51/59

Procestaal: Fins

Partijen

Verzoekende partij: Nokia Oyj (Helsinki, Finland) (vertegenwoordiger: J. Tanhuanpää, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Medion AG (Essen, Duitsland) (vertegenwoordiger: P.-M. Weisse, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 2 oktober 2007 (zaak R 141/2007-2) inzake een oppositieprocedure tussen Medion AG en Nokia Oyj

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Nokia Oyj wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 51 van 23.2.2008.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/31


Arrest van het Gerecht van 19 januari 2010 — De Fays/Commissie

(Zaak T-355/08 P) (1)

(„Hogere voorziening - Incidentele hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Verlof - Ziekteverlof - Onregelmatige afwezigheid vastgesteld naar aanleiding van medische controle - Verrekening met vakantieverlof - Verlies van bezoldiging”)

2010/C 51/60

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Chantal De Fays (Bereldange, Luxemburg) (vertegenwoordigers: F. Moyse en A. Salerno, advocaten)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Martin en K. Herrmann, gemachtigden)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 17 juni 2008, De Fays/Commissie (F-97/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van dat arrest

Dictum

1)

De principale en de incidentele hogere voorziening worden afgewezen.

2)

De Fays wordt verwezen in de kosten van de principale hogere voorziening.

3)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten van de incidentele hogere voorziening.


(1)  PB C 285 van 8.11.2008.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/32


Beschikking van het Gerecht van 22 december 2009 — Associazione Giùlemanidallajuve/Commissie

(Zaak T-254/08) (1)

(„Gestelde inbreuken op artikelen 81 EG en 82 EG - Klacht - Beroep wegens nalaten - Standpuntbepaling van de Commissie die einde maakt aan nalaten - Afdoening zonder beslissing”)

2010/C 51/61

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Associazione Giùlemanidallajuve (Cerignola, Italië) (vertegenwoordigers: L. Misson, A. Kettels, G. Ernes en A. Pel, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordiger: A. Bouquet, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep strekkende tot vaststelling, overeenkomstig artikel 232 EG, dat de Commissie op onrechtmatige wijze heeft verzuimd haar standpunt te bepalen inzake verzoeksters klacht betreffende de gestelde schendingen door Federazione Italiana Giuoco Calcio (FIGC), Comitato Olimpico Nazionale Italiano (CONI), Union des associations européennes de football (UEFA) en Fédération Internationale de Football Association (FIFA), van de artikelen 81 EG en 82 EG

Dictum

1)

Op het onderhavige beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

De Associazione Giùlemanidallajuve en de Europese Commissie zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 223 van 30.8.2008.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/32


Beschikking van het Gerecht van 5 januari 2010 — Química Atlântica/Commissie

(Zaak T-71/09) (1)

(„Beroep wegens nalaten - Standpuntbepaling - Beroep tot schadevergoeding - Artikel 44, lid 1, sub c), van Reglement voor procesvoering van Gerecht - Niet-ontvankelijkheid”)

2010/C 51/62

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Química Atlântica Lda (Lissabon, Portugal) (vertegenwoordiger: J. Teixeira Alves, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Afonso en L. Bouyon, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot vaststelling van een verzuim van de Commissie doordat zij op onrechtmatige wijze heeft nagelaten de maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor de harmonisatie van de criteria voor de tariefindeling van calciumdiwaterstoffosfaat, alsook een verzoek om terugbetaling van het verschil tussen de bedragen die verzoekster sinds 1995 heeft moeten betalen aan douanerechten en de bedragen die zouden zijn geresulteerd uit de toepassing van het tarief betreffende tariefcode 28 35 25 90 bij de invoer van calciumdiwaterstoffosfaat uit Tunesië of vergoeding van een gelijk bedrag

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Op het verzoek tot interventie van Timab Ibérica SL hoeft niet te worden beslist.

3)

Química Atlântica Lda draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie.


(1)  PB C 113 van 16.5.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/32


Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 15 januari 2010 — United Phosphorus/Commissie

(Zaak T-95/09 R II)

(„Kort geding - Richtlijn 91/414/EEG - Beschikking betreffende niet-opneming van napropamide in bijlage I bij richtlijn 91/414 - Verlenging van maatregel tot opschorting van tenuitvoerlegging”)

2010/C 51/63

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: United Phosphorus Ltd (Warrington, Cheshire, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: C. Mereu en K. Van Maldegem, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: L. Parpala en N. Rasmussen, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot verlenging van de maatregel tot opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking 2008/902/EG van de Commissie van 7 november 2008 betreffende de niet-opneming van napropamide in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten (PB L 326, blz. 35)

Dictum

1)

De in punt 1 van de beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 28 april 2009, United Phosphorus/Commissie (T-95/09 R, niet gepubliceerd in de Jurisprudentie) opgelegde maatregel tot opschorting van tenuitvoerlegging wordt verlengd tot en met 30 november 2010, zonder dat deze maatregel evenwel kan gelden na de datum van uitspraak van de beslissing in de hoofdzaak of na de datum van formele afsluiting van de versnelde procedure die voor napropamide is ingeleid op grond van artikel 13 van verordening (EG) nr. 33/2008 van de Commissie van 17 januari 2008 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de uitvoering van richtlijn 91/414/EEG van de Raad met betrekking tot een normale en een versnelde procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die deel uitmaakten van het in artikel 8, lid 2, van die richtlijn bedoelde werkprogramma, maar niet in bijlage I ervan zijn opgenomen (PB L 15, blz. 5).

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/33


Beschikking van de president van het Gerecht van 8 januari 2010 — Escola Superior Agrária de Coimbra/Commissie

(Zaak T-446/09 R)

(„Kort geding - Life-programma - Terugbetaling van deel van betaalde bedragen - Invorderingsopdracht - Debetnota - Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging - Financiële schade - Uitzonderlijke omstandigheden - Geen spoedeisendheid”)

2010/C 51/64

Procestaal: Portugees

Partijen

Verzoekende partij: Escola Superior Agrária de Coimbra (Coimbra, Portugal) (vertegenwoordiger: J. Pais do Amaral, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Braga da Cruz en J.-B. Laignelot, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de besluiten die zijn vervat in respectievelijk brief D(2009) 224268 van de Commissie van 9 september 2009 betreffende een invorderingsopdracht, en debetnota nr. 3230909105 van de Commissie van 11 september 2009 voor een bedrag van 327 500,35 EUR

Dictum

1)

Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/33


Beroep ingesteld op 20 november 2009 — Europese Commissie/New Acoustic Music en Anna Hildur Hildibrandsdottir

(Zaak T-464/09)

2010/C 51/65

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: A.-M. Rouchaud-Joët, N. Bambara, gemachtigden, bijgestaan door C. Erkelens, advocaat)

Verwerende partijen: New Acoustic Music Association (Orpington, Verenigd Koninkrijk), Anna Hildur Hildibrandsdottir (Orpington)

Conclusies

verwerende partijen veroordelen tot terugbetaling aan de Commissie van het bedrag van 31 136,23 EUR in hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke interesten van 7,70 % per jaar met ingang van 14 januari 2008 tot de dag van betaling;

verwerende partijen verwijzen in de kosten van de procedure, met inbegrip van de door de Commissie gemaakte kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het ingediende verzoekschrift betreft de subsidieovereenkomst 2003-1895/001-001, tussen de Europese Commissie (hierna: „Commissie”) en New Acoustic Music Association (hierna: „NAMA”), vertegenwoordigd door Anna Hildur Hildibrandsdottir, met als voorwerp de opdracht CLT2003/A1/GB-317 — European Music Roadwork uit te voeren binnen het kader van het Programma „Cultuur 2000” (1)

Verzoekster verzoekt het Gerecht de verwerende partijen hoofdelijk te veroordelen tot de betaling van het bedrag van 31 136,23 EUR, te vermeerderen met vertragingsrente, welk bedrag overeenkomt met het verschil tussen het voorschot dat verzoekster aan NAMA betaalde voor de uitvoering van de acties zoals beschreven in de subsidie-overeenkomst, en het bedrag waarop NAMA recht heeft.

Verzoekster voert als enige middel aan dat NAMA zijn contractuele verplichtingen heeft geschonden door een deel van het door de Commissie betaalde voorschot niet terug te betalen, daar de voor subsidiëring in aanmerking komende kosten uiteindelijk lager lagen dan de oorspronkelijk geschatte totale kosten.

De Commissie stelt dat zowel Acoustic als Anna Hildur Hildibrandsdottir, in haar hoedanigheid van partner en gemachtigd wettelijk vertegenwoordiger van NAMA, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het verschuldigde bedrag.


(1)  Besluit nr. 508/2000/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 februari 2000 tot instelling van het programma „Cultuur 2000”.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/34


Beroep ingesteld op 4 december 2009 — Polen/Commissie

(Zaak T-486/09)

2010/C 51/66

Procestaal: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Polen (vertegenwoordiger: M. Szpunar, gemachtigde)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietig verklaren beschikking 2009/721/EG van de Commissie van 24 september 2009 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, (ELFPO) hebben verricht [Kennisgeving geschied onder nummer C(2009) 7044] (1), voor zover daarbij aan communautaire financiering is onttrokken een bedrag van 47 152 775 PLN, dat door het door de Republiek Polen erkende betaalorgaan is uitgegeven;

de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De bestreden beschikking voorziet in een financiële correctie van 5 % van de in 2005 in het kader van het plan voor Plattelandsontwikkeling uitgegeven middelen ter ondersteuning van de landbouwactiviteit in benadeelde gebieden (met economisch ongunstige omstandigheden) en van maatregelen op agromilieugebied. Reden voor de toegepaste correctie waren de gestelde fouten betreffende de kruiscontroles op de naleving van de beginselen van een gebruikelijke goede landbouwpraktijk, de sanctieregeling, de verslagen van de controle ter plaatse en de coördinatie van de controles van alle met de maatregelen op agromilieugebied verbonden verplichtingen.

Verzoekster trekt het bestaan van alle verweten fouten in twijfel en voert tegen de bestreden beschikking de volgende middelen aan:

In de eerste plaats stelt zij schending van artikel 7, lid 4, eerste alinea, van verordening nr. 1258/1999 (2) en van artikel 31, lid 1, van verordening nr. 1290/2005 (3), alsmede schending van de in document nr. VI/5330/97 vastgestelde richtsnoeren omdat de financiële correctie op basis van onjuiste feiten en een onjuiste uitlegging van het recht is toegepast. Geen van de gestelde fouten die aanleiding tot de toegepaste financiële correctie hebben gegeven, is daadwerkelijk gemaakt, en de op grond van de bestreden beschikking van communautaire financiering uitgesloten uitgaven waren overeenkomstig de communautaire voorschriften verricht.

In het kader van het eerste middel stelt verzoekster dat de verslagen van de controles ter plaatse overeenkomstig artikel 28 van verordening nr. 796/2004 (4) de controle van alle beginselen van een gebruikelijk goede landbouwpraktijk weerspiegelden, waaronder de controle op de naleving van de jaarlijkse limiet voor de bemesting met natuurlijke mest. Verzoekster voert ook aan dat de administratieve kruiscontroles aan de hand van de identificatie- en registratieregeling voor dieren enkel niet zijn verricht omdat deze regeling als basis voor de kruiscontroles nutteloos was en de uitvoering van de kruiscontroles aan de hand deze regeling op grond van artikel 68 van verordening nr. 817/2004 (5) niet noodzakelijk was. Bovendien stelt verzoekster dat de sanctieregeling voor inbreuken op de beginselen van een gebruikelijk goede landbouwpraktijk volkomen effectief was, toegesneden op de situatie van het eerste jaar van uitvoering van het plan voor Plattelandsontwikkeling en zelfs strenger dan de thans geldende communautaire sanctieregeling, en dus volledig verenigbaar met artikel 73 van verordening nr. 817/2004. Bovendien stelt verzoekster in het kader van het eerste middel dat de complexiteit van de controle ter plaatse zelfs in ruimere mate wordt gewaarborgd dan op grond van artikel 69, derde alinea, van voornoemde verordening vereist is.

In de tweede plaats stelt verzoekster schending van artikel 7, lid 4, vierde alinea, van verordening nr. 1258/1999 en van artikel 31, lid 2, van verordening nr. 1290/2005, schending van de in document nr. VI/5330/97 vastgestelde richtsnoeren alsmede schending van het evenredigheidsbeginsel omdat de forfaitaire correctie in verhouding tot het risico van eventuele financiële verliezen voor de gemeenschapsbegroting te hoog is uitgevallen. Geen van de gestelde fouten die aanleiding tot de toegepaste correctie hebben gegeven, kon tot financiële verliezen voor de Gemeenschap leiden, en het risico van die vermeende financiële verliezen was in elk geval volkomen marginaal en vele malen geringer dan het bedrag dat op grond van de bestreden beschikking van de communautaire financiering is uitgesloten.

In de derde plaats stelt verzoekster schending van artikel 296, tweede alinea, VWEU omdat de bestreden beschikking ontoereikend is gemotiveerd. De Commissie heeft de redenen voor de wezenlijke wijziging met betrekking tot de gestelde fouten niet toegelicht en de Poolse autoriteiten derhalve niet in staat gesteld deze redenen te vernemen.


(1)  PB L 257, blz. 28.

(2)  Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, PB L 160, blz. 103.

(3)  Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, PB L 209, blz. 1.

(4)  Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, PB L 141, blz. 18.

(5)  Verordening (EG) nr. 817/2004 van de Commissie van 29 april 2004 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), PB L 157, blz.30.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/35


Hogere voorziening ingesteld op 9 december 2009 door Petrus Kerstens tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 september 2009 in zaak F-102/07, Kerstens/Commissie

(Zaak T-498/09 P)

2010/C 51/67

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirant: Petrus Kerstens (Overijse, België) (vertegenwoordiger: C. Mourato, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

vernietiging van het bestreden arrest;

terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie;

verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Met deze hogere voorziening verzoekt rekwirant om vernietiging van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 29 september 2009 in zaak F-102/07, Kerstens/Commissie, waarbij een beroep strekkende tot nietigverklaring van verschillende besluiten van de Commissie betreffende de toekenning aan rekwirant van gratificatiepunten van het directoraat-generaal en/of gratificatiepunten ter erkenning van aanvullende taken verricht in het belang van de instelling in het kader van de bevorderingsrondes 2004, 2005 en 2006, is verworpen.

Tot staving van de hogere voorziening voert rekwirant twee middelen aan, ontleend aan:

een onjuiste rechtsopvatting van het Gerecht voor ambtenarenzaken bij de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling, artikel 5 van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het Statuut en van de door de directeur van het Bureau beheer en afwikkeling van individuele rechten vastgestelde criteria voor de toekenning van gratificatiepunten voor het jaar 2005 krachtens voormelde bepaling alsmede verkeerde opvatting van het bewijsmateriaal;

niet-eerbiediging van de rechten van de verdediging, aangezien het Gerecht voor ambtenarenzaken zich heeft gebaseerd op een vermeend uittreksel van het loopbaanontwikkelingsrapport 2004 dat niet is overgelegd en waarover partijen geen opmerkingen hebben kunnen maken.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/35


Beroep ingesteld op 11 december 2009 — Inovis/BHIM — Sonaecom (INOVIS)

(Zaak T-502/09)

2010/C 51/68

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Inovis, Inc. (Alpharetta, Verenigde Staten van Amerika) (vertegenwoordigers: R. Black, B. Ladas, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Sonaecom — Serviços de Communicaçoes, S.A. (Maia, Portugal)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 14 september 2009 in zaak R 1691/2008-1 vernietigen;

de kamer van beroep van verweerder gelasten het aangevraagde gemeenschapsmerk in te schrijven; en

verweerder verwijzen in zijn eigen kosten en in die van verzoekster.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „INOVIS” voor waren en diensten van de klassen 9, 35, 38 en 42

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: Portugees woordmerk „NOVIS”, dat is ingeschreven voor waren en diensten van de klassen 9, 35, 37, 38, 41 en 42

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 van de Raad doordat de kamer van beroep ten onrechte i) geen rekening heeft gehouden met de duidelijke verschillen die bestaan tussen de door de betrokken merken aangeduide waren en diensten, en onder meer ten onrechte heeft geoordeeld dat het oudere merk zag op waren en diensten van de klassen 9 en 42, hoewel inschrijving voor waren en diensten van deze klassen was geweigerd door het Portugese merkenbureau en deze inschrijving in geen geval met bewijsstukken is aangetoond in de loop van de procedure; ii) is voorbijgegaan aan de duidelijke begripsmatige verschillen tussen de betrokken merken; en iii) heeft geoordeeld dat er gevaar voor verwarring van de betrokken merken bestond.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/36


Beroep ingesteld op 16 december 2009 — Cybergun/BHIM — Umarex Sportwaffen (AK 47)

(Zaak T-503/09)

2010/C 51/69

Taal van het verzoekschrift: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Cybergun (Bondoufle, Frankrijk) (vertegenwoordiger: S. Guyot, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Umarex Sportwaffen GmbH & Co. KG (Arnsberg, Duitsland)

Conclusies

de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 8 oktober 2009 vernietigen voor zover het merk „AK 47” daarbij nietig is verklaard;

het BHIM overeenkomstig de artikelen 87, lid 2, en 91 van het Reglement voor de procesvoering verwijzen in de kosten, daaronder begrepen verzoeksters kosten voor de onderhavige procedure, onder meer de kosten voor de vertaling van de stukken, het honorarium van haar advocaat en in voorkomend geval de reis- en verblijfskosten. Het Gerecht wordt verzocht, deze kosten vast te stellen op 20 000 EUR.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring is gevorderd: het woordmerk „AK 47” voor waren en diensten van de klassen 9, 28 en 38 (gemeenschapsmerk nr. 3 249 381)

Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: Umarex Sportwaffen GmbH & Co. KG

Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering tot nietigverklaring van dit merk

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de beslissing van de nietigheidsafdeling en nietigverklaring van het gemeenschapsmerk

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, van verordening (EG) nr. 40/94 [thans artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009] en van artikel 51, lid 1, van verordening nr. 40/94 [thans artikel 52, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009].


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/36


Beroep ingesteld op 16 december 2009 — Carlyle/BHIM — Mascha & Regner Consulting (CAFE CARLYLE)

(Zaak T-505/09)

2010/C 51/70

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: The Carlyle, LLC (St. Louis, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: E. Cornu, E. De Gryse en D. Moreau, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Mascha & Regner Consulting KEG (Wenen, Oostenrijk)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 8 oktober 2009 in zaak R 239/2009-4 vernietigen;

het BHIM verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan vervallenverklaring is gevorderd: het woordmerk „CAFE CARLYLE” voor diensten van klasse 42

Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Partij die vervallenverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering tot vervallenverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: vervallenverklaring van het betrokken gemeenschapsmerk

Aangevoerde middelen: schending van artikel 51, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad, op grond dat de kamer van beroep het begrip normaal gebruik ten onrechte te eng heeft uitgelegd. Bovendien heeft de kamer van beroep verzuimd: i) de door verzoekster aan de nietigheidsafdeling overgelegde bewijzen van het gebruik naar behoren in aanmerking te nemen; ii) de draagwijdte van deze bewijzen van het gebruik juist te beoordelen; iii) dit bewijsmateriaal globaal te beoordelen.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/37


Beroep ingesteld op 16 december 2009 — Carlyle/BHIM — Mascha & Regner Consulting (THE CARLYLE)

(Zaak T-506/09)

2010/C 51/71

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: The Carlyle, LLC (St. Louis, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: E. Cornu, E. De Gryse en D. Moreau, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Mascha & Regner Consulting KEG (Wenen, Oostenrijk)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 8 oktober 2009 in zaak R 240/2009-4 vernietigen;

het BHIM verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan vervallenverklaring is gevorderd: het woordmerk „THE CARLYLE” voor waren en diensten van de klassen 3, 25 en 42

Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Partij die vervallenverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Beslissing van de nietigheidsafdeling: gedeeltelijke afwijzing van de vordering tot vervallenverklaring

Beslissing van de kamer van beroep: vervallenverklaring van het betrokken gemeenschapsmerk

Aangevoerde middelen: schending van artikel 51, lid 1, sub a, van verordening nr. 207/2009 van de Raad, op grond dat de kamer van beroep het begrip normaal gebruik ten onrechte te eng heeft uitgelegd. Bovendien heeft de kamer van beroep verzuimd: i) de door verzoekster aan de nietigheidsafdeling overgelegde bewijzen van het gebruik naar behoren in aanmerking te nemen; ii) de draagwijdte van deze bewijzen van het gebruik juist te beoordelen; iii) dit bewijsmateriaal globaal te beoordelen.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/37


Beroep ingesteld op 22 december 2009 — Baena Grupo/BHIM — Neuman en Galdeano del Sel (tekeningen of modellen)

(Zaak T-513/09)

2010/C 51/72

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: José Manuel Baena Grupo, SA (Santa Perpètua de Mogoda, Spanje) (vertegenwoordiger: A. Canela Giménez, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep: Herbert Neuman en Andoni Galdeano del Sel (Tarifa, Spanje)

Conclusies

inwilliging van het beroep tegen de beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 14 oktober 2009 in zaak R 1323/2008-3;

vernietiging van de beslissing van het BHIM;

verwijzing van het BHIM in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring is gevorderd: ingeschreven gemeenschapsmodel nr. 000426 895-0002 voor „versiering voor hemdjes, versiering voor petten, versiering voor stickers, versiering voor drukwerk, waaronder reclamewerk”

Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: Herbert Neuman en Andoni Galdeano Del Sel

Merkrecht van de partij die nietigverklaring vordert: gemeenschapsbeeldmerk nr. 1 312 651, voor waren van de klassen 25, 28 en 32 van de classificatie van Nice

Beslissing van de nietigheidsafdeling: inwilliging van het beroep en nietigverklaring van het teken

Beslissing van de kamer van beroep: nietigverklaring van de bestreden beslissing en, op basis van de mogelijkheid die artikel 60, lid 1, van verordening nr. 6/2002 betreffende gemeenschapsmodellen biedt, beslechting van de zaak ten gronde en nietigverklaring van het gemeenschapsmodel

Aangevoerde middelen: onjuiste uitlegging van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 6/2002.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/38


Beroep ingesteld op 31 december 2009 — De Post/Commissie

(Zaak T-514/09)

2010/C 51/73

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: De Post NV van publiek recht (Brussel, België) (vertegenwoordigers: R. Martens en B. Schutyser, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van de beslissing van het Bureau voor publicaties van de Europese Unie om het contract in inschrijvingsbericht AO 10234 „Daily transport and delivery of the Official Journal, books, other periodicals and publications” (PB 2009/S 176-253034) te gunnen aan „Entreprises des Postes et Télécommunications Luxembourg” en niet aan verzoekster, die hiervan op 17 december 2009 op de hoogte werd gesteld;

in voorkomend geval, zo het Bureau voor publicaties op het moment van uitspraak van het arrest het contract met Entreprises des Postes et Télécommunications Luxembourg ingevolge inschrijvingsbericht AO 10234 reeds ondertekend zou hebben, nietigverklaring ervan;

toekenning van een schadevergoeding, provisioneel geraamd op 2 386 444,94 EUR, te vermeerderen met de moratoire en de samengestelde interesten te rekenen vanaf de neerlegging van het verzoekschrift;

verwijzing van de Europese Commissie in de kosten, met inbegrip van de kosten van verzoeksters rechtsbijstand.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster vordert enerzijds de nietigverklaring van de beslissing van 17 december 2009 van het Bureau voor publicaties van de Europese Unie (hierna: „Bureau”) om het contract als bedoeld in inschrijvingsbericht AO 10234 „Daily transport and delivery of the Official Journal, books, other periodicals and publications” (PB 2009/S 176-253034) te gunnen aan „Entreprises des Postes et Télécommunications Luxembourg” (hierna: „Post Luxembourg”) en, bijgevolg, het contract niet te gunnen aan verzoekster, en, anderzijds, vergoeding, voorlopig geraamd op 2 386 444,94 EUR, van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden ingevolge de afwijzing van haar inschrijving.

Verzoekster voert één enkel middel aan, dat bestaat uit vier onderdelen.

Als eerste en enige middel voert zij de schending, door het Bureau, aan van het transparantiebeginsel en van het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers zoals omschreven in artikel 15 EU en artikel 89 van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (hierna „het Financieel Reglement”) (1), de schending van de verplichting, vervat in artikel 100, lid 1, van het Financieel Reglement, het contract te gunnen op grond van een evaluatie van de selectiecriteria, het gebrek aan motivering van de beslissing (schending van artikel 296 EU), en de kennelijke onjuistheden in de beoordeling welke de beslissing dat de inschrijving van Post Luxembourg, en niet die van verzoekster, economisch de voordeligste inschrijving was, aantasten.

Met het eerste onderdeel van het middel stelt verzoekster dat het Bureau, in strijd met artikel 100, lid 1, van het Financieel Reglement, zijn beslissing niet gegrond heeft op een evaluatie van de selectie- en gunningscriteria.

Met het tweede onderdeel voert verzoekster aan dat het Bureau, bij zijn beoordeling van de inschrijvers, bijkomende voorwaarden heeft gesteld die niet in het inschrijvingsbericht voorkwamen, waardoor het transparantiebeginsel, omschreven in artikel 15 EU en artikel 89 van het Financieel Reglement, geschonden werd.

Met het derde onderdeel stelt verzoekster dat het Bureau de niet vastomlijnde technische gunningsvoorwaarden op een inconsistente manier heeft toegepast, waardoor het beoordelingsproces ondoorzichtig is geworden.

Met het vierde onderdeel betoogt verzoekster dat het Bureau, daarbij zowel de artikelen 15 EU, 296 EU en 89 van het Financieel Reglement als de grondbeginselen van motivering en transparantie schendend, zijn evaluatie van de inschrijvers niet naar behoren met redenen heeft omkleed, waardoor de motivering inconsistent zou zijn, en door kennelijke onjuistheden in de beoordeling zou zijn aangetast.

Tenslotte voert verzoekster aan dat, aangezien de kwestieuze beslissing meerdere schendingen uitmaakt van het Europees recht, het Bureau onrechtmatig heeft gehandeld, en bijgevolg, ingevolge artikel 340 EU, aansprakelijk is voor de veroorzaakte schade. Verzoekster stelt dat ingevolge de beslissing het contract niet aan haar maar aan Post Luxembourg te gunnen, zij een aanzienlijk verlies geleden heeft, bestaande uit de kans dat het contract haar gegund zou worden en de kosten die zij gemaakt heeft zowel bij het voorbereiden en opstellen van de inschrijving als bij het verdedigen van haar positie.


(1)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/39


Hogere voorziening ingesteld op 21 december 2009 door Luigi Marcuccio tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 7 oktober 2009 in zaak F-3/08, Marcuccio/Commissie

(Zaak T-515/09 P)

2010/C 51/74

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirant: Luigi Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

in elk geval, de bestreden beschikking volledig vernietigen;

vaststellen dat het beroep in eerste aanleg waarin de bestreden beschikking is gegeven, volledig ontvankelijk was;

primair, rekwirants vorderingen zoals geformuleerd in het beroep in eerste aanleg volledig toewijzen;

de verwerende partij veroordelen tot betaling aan rekwirant van alle kosten van de procedures die reeds hebben plaatsgevonden en die van de onderhavige procedure;

subsidiair, de zaak voor een nieuwe beslissing terugverwijzen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken in een andere samenstelling.

Middelen en voornaamste argumenten

Deze hogere voorziening is gericht tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 7 oktober 2009 in zaak F-3/08. Bij die beschikking is een beroep, strekkende tot nietigverklaring van het besluit waarbij de Commissie heeft geweigerd om rekwirant de Italiaanse vertaling van een eerder besluit te sturen alsmede tot veroordeling van de verwerende partij tot vergoeding van de daardoor ontstane schade, kennelijk ongegrond verklaard. Bij de bestreden beschikking is rekwirant krachtens artikel 94, sub a, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken eveneens veroordeeld tot betaling van het bedrag van 1 000 EUR aan het Gerecht.

Rekwirant voert de volgende middelen tot staving van zijn vorderingen aan:

volledig ontbreken van motivering, eveneens wegens verkeerde opvatting en verdraaiing van de feiten, wat de verklaring van het Gerecht voor ambtenarenzaken betreft over de mogelijkheid voor verzoeker om de inhoud van de betrokken brief te begrijpen in de taalversie waarin deze aan hem was gezonden;

schending van de regel dat elke persoon het recht heeft om zich tot een gemeenschapsinstelling te richten in één van de officiële talen van de Europese Unie en het recht om in diezelfde taal antwoord te ontvangen;

verkeerde uitlegging en toepassing van artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/40


Hogere voorziening ingesteld op 21 december 2009 door Luigi Marcuccio tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 7 oktober 2009 in zaak F-122/07, Marcuccio/Commissie

(Zaak T-516/09 P)

2010/C 51/75

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirant: Luigi Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

in elk geval, de bestreden beschikking volledig vernietigen;

verklaren dat het beroep in eerste aanleg waarin de bestreden beschikking is gegeven volledig ontvankelijk was;

primair, de in het verzoekschrift in eerste aanleg geformuleerde vordering van rekwirant volledig toewijzen;

de verwerende partij veroordelen tot betaling van alle kosten van de procedures die reeds hebben plaatsgevonden en die van de onderhavige procedure;

subsidiair, de zaak voor een nieuwe uitspraak ten gronde terugverwijzen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken in een andere samenstelling.

Middelen en voornaamste argumenten

Deze hogere voorziening is gericht tegen de beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 7 oktober 2009 in zaak F-122/07. Bij die beschikking is een beroep strekkende tot, primair, nietigverklaring van het besluit tot afwijzing door de verwerende partij van rekwirants verzoek om een onderzoek in te stellen naar bepaalde gebeurtenissen waarmee hij in 2001 en 2003 zou zijn geconfronteerd alsmede veroordeling van de verwerende partij tot vergoeding van de schade die hij daardoor zou hebben geleden, deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard.

Tot staving van zijn vorderingen beroept rekwirant zich op verkeerde opvatting en verdraaiing van de feiten in de bestreden beschikking alsmede een onjuiste uitlegging en toepassing van de verplichting om besluiten te motiveren.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/40


Beroep ingesteld op 21 december 2009 — Alstom/Commissie

(Zaak T-517/09)

2010/C 51/76

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Alstom (Levallois Perret, Frankrijk) (vertegenwoordigers: J. Derenne en A. Müller-Rappard, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van de beschikking van 7 oktober 2009 van de Commissie in zaak COMP/F/39.129 — Krachttransformatoren; en

nietigverklaring van de beschikking van de rekenplichtige van de Commissie van 10 december 2009;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Alstom vordert de nietigverklaring van beschikking C(2009) 7601 def. van de Commissie van 7 oktober 2009 — Krachttransformatoren betreffende een procedure op grond van artikel 81 EG (thans artikel 101 VWEU) en artikel 53 EER, inzake een kartel op de Europese markt van krachttransformatoren, en nietigverklaring van de beschikking van de rekenplichtige van de Commissie van 10 december 2009 tot verwerping van het verzoek van Alstom om gedurende de procedure met voormeld voorgenoemd verzoek werd ingesteld een financiële zekerheid te stellen.

Ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 7 oktober 2009 voert verzoekster vier middelen aan:

schending van de voorschriften inzake hoofdelijkheid, nu de Commissie twee ondernemingen hoofdelijk aansprakelijk stelt voor één en dezelfde inbreuk, hoewel de Commissie deze ondernemingen afzonderlijk en autonoom niet direct en formeel aansprakelijk kon stellen;

schending van artikel 296 VWEU voor zover de bestreden beschikking

ontoereikend gemotiveerd is inzake de beïnvloeding van de handel tussen lidstaten;

niet gemotiveerd is inzake de bewering van de Commissie dat Alstom het vermoeden van aansprakelijkheid van de moederonderneming voor de handelingen van haar dochteronderneming niet heeft weerlegd en niet heeft bewezen dat de dochteronderneming zelfstandig is;

een tegenstrijdige motivering bevat inzake de gezamenlijke aansprakelijkheid van Alstom en Alstom T&D SA;

schending van artikel 101 VWEU in verband met de regels over de toerekenbaarheid aan moedermaatschappijen van inbreukmakende gedragingen van dochterondernemingen, voor zover de Commissie zich heeft gebaseerd op met het recht van de Europese Unie strijdige rechtspraak die dus buiten toepassing dient te blijven, omdat op rechtscheppende wijze een onweerlegbaar vermoeden werd vastgesteld dat niet is gebaseerd op de zelfstandigheid of het marktgedrag, maar op economische, juridische en organisatorische banden, die algemene kenmerken zijn die inherent zijn aan elke groep vennootschappen.

Ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 10 december 2009 voert verzoekster volgende middelen aan:

ontbreken van een rechtsgrondslag, voor zover de beschikking tot verwerping van het verzoek om een financiële zekerheid te stellen gedurende de procedure tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 7 oktober 2009 niet wettig is gebaseerd op het Financieel Reglement nr. 1605/2002 van de Raad (1), noch op de uitvoeringsverordening nr. 2342/2002 van de Commissie ervan, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1248/2006 (2);

schending van het vertrouwensbeginsel, voor zover de beschikking van de rekenplichtige van de Commissie voorbijgaat aan de gegronde verwachtingen die de vroegere praktijk van de Commissie heeft gewekt;

schending van het beginsel van gelijke behandeling, voor zover de nieuwe handelwijze van de rekenplichtige van de Commissie, zonder voorafgaande publiciteitsmaatregelen of overgangsbepalingen, zorgt voor een ongelijke behandeling van Alstom in vergelijking met boeteplichtigen die vóór deze nieuwe handelwijze een financiële zekerheid konden stellen;

schending van de verplichting om een verkeerde uitlegging te herzien en zulks bekend te maken, indien het Gerecht oordeelt dat de vroegere handelwijze van de Commissie niet strookt met de toepasselijke financiële voorschriften.


(1)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 248, blz. 1).

(2)  Verordening (EG, Euratom) nr. 1248/2006 van de Commissie van 7 augustus 2006 tot wijziging van verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB L 227, blz. 3).


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/41


Beroep ingesteld op 23 december 2009 — Toshiba/Commissie

(Zaak T-519/09)

2010/C 51/77

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Toshiba Corp. (vertegenwoordigers: J. MacLennan, solicitor, A. Schulz, J. Jourdan en P. Berghe, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

de beschikking van de Europese Commissie betreffende een procedure overeenkomstig artikel 81 EG (artikel 101 VWEU) en artikel 53 EER (zaak COMP/39.129 — Energietransformators) nietig verklaren voor zover deze betrekking heeft op verzoekster;

de aan verzoekster opgelegde geldboete nietig verklaren;

subsidiair, voor het geval dat de bestreden beschikking geheel of gedeeltelijk zou worden gehandhaafd, de aan verzoekster opgelegde geldboete verlagen;

de Commissie verwijzen in de kosten van verzoekster;

iedere andere maatregel gelasten die nodig is voor de uitvoering van het arrest van het Hof.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekster vordert nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 7 oktober 2009 (zaak COMP/39.129 — Energietransformators), voor zover de Commissie hierin heeft vastgesteld dat verzoekster inbreuk heeft gepleegd op artikel 81 EG en artikel 53 EER door deel te nemen aan de verdeling van de markten via de tussen de Europese en de Japanse producenten van energietransformators gesloten gentlemen’s agreement om van elkaars thuismarkten weg te blijven en daar geen verkopen te verrichten. Subsidiair vordert verzoekster verlaging van haar geldboete.

Ter ondersteuning van haar vorderingen voert zij vier middelen aan.

In de eerste plaats heeft de Commissie niet rechtens genoegzaam bewezen dat de Europese en de Japanse producenten van energietransformators een gentlemen’s agreement of een overeenkomst hebben gesloten of hun gedragingen onderling hebben afgestemd, en dat verzoekster hieraan heeft deelgenomen.

In de tweede plaats heeft de Commissie niet aangetoond dat zij bevoegd is om tegen de gestelde gentlemen’s agreement op te treden, gesteld al dat deze bewezen zou zijn, quod non. Door de zeer hoge toetredingsdrempels tot de markt kon deze gentlemen’s agreement geen onmiddellijk en aanzienlijk effect hebben op de mededinging in de Europese Unie en de handelsstromen tussen de lidstaten niet beïnvloeden.

Met haar derde — subsidiaire — middel stelt verzoekster dat de Commissie de duur van de inbreuk en van haar deelneming daaraan onjuist heeft beoordeeld. De Commissie heeft niet aangetoond dat bepaalde bijeenkomsten tot doel hadden de mededinging te verstoren of tot een dergelijke verstoring hebben geleid, en dat verzoekster het Europese mededingingsrecht heeft geschonden door hieraan deel te nemen.

Meer subsidiair stelt verzoekster, in de vierde plaats, dat de Commissie bij de vaststelling van het basisbedrag van haar geldboete blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de feiten onjuist heeft beoordeeld. Ten eerste is de Commissie bij de berekening van verzoeksters omzet van een verkeerd referentiejaar uitgegaan en is zij aldus afgeweken van de in de richtsnoeren voor het berekenen van geldboeten uiteengezette methode. Voorts heeft de Commissie een kennelijke beoordelingsfout gemaakt door voorbij te gaan aan de zeer hoge toetredingsdrempels tot de Europese markt en door ervan uit gaan dat Toshiba op de EER- markt een even groot marktaandeel had kunnen opbouwen als op de wereldmarkt. Ten slotte heeft de Commissie punt 18 van de richtsnoeren ten onrechte aldus uitgelegd dat verzoeksters omzet in de EER mocht worden geraamd op basis van haar wereldwijde omzet, en dat niet enkel hoefde te worden gekeken naar de markten waarop de gestelde inbreuk betrekking had. Hierdoor is de aan verzoekster opgelegde geldboete buitensporig hoog.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/42


Beroep ingesteld op 21 december 2009 — Areva T&D/Commissie

(Zaak T-521/09)

2010/C 51/78

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Areva T&D SA (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: A. Schild en C. Simphal, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

nietigverklaring van de bestreden beschikking voor zover deze Areva T&D SA betreft, en

verwijzing van de Commissie in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige door Areva T&D SA ingestelde beroep strekt tot nietigverklaring van beschikking C(2009) 7601 def. van de Europese Commissie van 7 oktober 2009 betreffende een procedure op grond van artikel 81 EG (thans artikel 101 VWEU) en artikel 53 EER-Overeenkomst — Zaak COMP/39.129 — Energietransformators.

Ter onderbouwing van haar beroep tot nietigverklaring voert verzoekster vier middelen aan.

Het eerste middel betreft schending van de bij artikel 296 VWEU voorgeschreven motiveringsplicht. Volgens verzoekster heeft de Commissie haar beschikking noch gemotiveerd op het punt van de delegatie van haar sanctiebevoegdheid als gevolg van de hoofdelijke veroordeling van Areva T&D SA noch op dat van de toevoeging van een voorwaarde aan die welke in de mededeling van 19 februari 2002 worden gesteld om immuniteit tegen geldboeten te kunnen genieten.

Met haar tweede middel verwijt verzoekster de Commissie schending van artikel 101, lid 1, VWEU en in het bijzonder van de rechtsregels inzake de toerekenbaarheid van inbreuken op het mededingingsrecht. Volgens verzoekster kon de Commissie haar niet aansprakelijk stellen voor de mededingingsverstorende praktijken die hebben plaatsgevonden vóór de overdracht van Alstom T&D SA door ALSTOM. Ten tijde van de feiten was Alstom T&D SA namelijk geen onafhankelijke vennootschap, maar stond zij onder de zeggenschap van moedermaatschappij Alstom. Bijgevolg had de Commissie overeenkomstig de beginselen inzake de toerekenbaarheid van inbreuken bij de overdracht van ondernemingen moeten vaststellen dat ten tijde van de betrokken feiten alleen de moedermaatschappij, te weten Alstom, aansprakelijk kon worden gesteld voor de mededingingsverstorende praktijken die vóór de overdracht hadden plaatsgevonden. Verzoekster is voorts van mening dat de Commissie, door haar aansprakelijk te stellen, de algemene beginselen van rechtszekerheid en van het persoonlijk karakter van straffen heeft geschonden.

Met haar derde middel betoogt verzoekster dat de Commissie artikel 101, lid 1, VWEU en in het bijzonder de rechtsregels inzake hoofdelijkheid heeft geschonden. De Commissie kon haar en Alstom namelijk niet hoofdelijk veroordelen tot betaling van de geldboete, aangezien zij op de dag dat de beschikking is vastgesteld, geen economische eenheid meer vormden. Ten slotte is verzoekster van mening dat de Commissie, met de hoofdelijke veroordeling van Alstom en haarzelf, in de beschikking voorbijgaat aan twee algemene beginselen van het recht van de Unie, te weten de beginselen van gelijke behandeling en van rechtszekerheid.

Met haar vierde middel verwijt verzoekster de Commissie schending van artikel 101, lid 1, VWEU en in het bijzonder van de regels van de mededeling van de Commissie van 19 februari 2002 betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken. (1) Verzoekster stelt voorts dat de Commissie, door haar geen immuniteit te verlenen, de algemene beginselen van het gewettigd vertrouwen en van rechtszekerheid heeft geschonden.


(1)  PB C 45, blz. 3.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/43


Beroep ingesteld op 21 december 2009 — Gemmi Furs/BHIM — Lemmi-Fashion (GEMMI)

(Zaak T-522/09)

2010/C 51/79

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Gemmi Furs Oy (Loviisa, Finland) (vertegenwoordiger: J. Tanhuanpää, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Lemmi-Fashion Vertriebsgesellschaft mbH & Co. Bekleidungs KG (Fritzlar, Duitsland)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 21 oktober 2009 in zaak R 1372/2008-4 vernietigen;

de oppositie ingesteld door de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep afwijzen;

inschrijving van het betrokken gemeenschapsmerk „GEMMI” toestaan voor alle waren van klasse 25, zoals omschreven in verzoeksters aanvraag tot inschrijving van een gemeenschapsmerk;

verweerder verwijzen in de kosten van verzoeksters, daaronder begrepen de kosten die zijn opgekomen voor de kamer van beroep;

de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep verwijzen in de kosten van verzoekster, daaronder begrepen de kosten die zijn opgekomen voor de kamer van beroep, mocht zij interveniëren in deze zaak.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: merk „GEMMI” voor waren van de klassen 18, 24 en 25

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: Duits merk „LEMMI”, dat is ingeschreven voor waren van klasse 25; internationaal merk „LEMMI fashion”, dat is ingeschreven voor waren van klasse 25; ouder niet-ingeschreven merk „LEMMI”, dat in het economisch verkeer in Duitsland wordt gebruikt voor kledingstukken

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie in haar geheel

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van de betrokken gemeenschapsmerkaanvraag voor waren van klasse 25

Aangevoerde middelen: schending van regel 19, lid 2, sub a-i en ii, van verordening nr. 2868/95 van de Commissie (1) doordat de kamer van beroep het bewijsmateriaal betreffende oudere rechten onjuist en/of ontoereikend heeft onderzocht; schending van regel 22, lid 3, van verordening nr. 2868/95 doordat de kamer van beroep het overgelegde bewijs van het gebruik onjuist en/of ontoereikend heeft beoordeeld; schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 van de Raad doordat de kamer van beroep de overeenstemming van de betrokken merken en tevens het aandachtsniveau van het relevante publiek onjuist heeft beoordeeld; schending van artikel 75 van verordening nr. 207/2009 doordat de kamer van beroep verzoekster niet in staat heeft gesteld om haar opmerkingen in te dienen over het bewijsmateriaal dat was overgelegd tot staving van het bestaan van oudere rechten; schending van het vertrouwensbeginsel, van het gelijkheidsbeginsel en van het legaliteitsbeginsel.


(1)  Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1).


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/44


Beroep ingesteld op 23 december 2009 — Smart Technologies/BHIM (WIR MACHEN DAS BESONDERE EINFACH)

(Zaak T-523/09)

2010/C 51/80

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Smart Technologies ULC (Calgary, Canada) (vertegenwoordiger: M. Edenborough, barrister)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 29 september 2009 in zaak 554/2009-2 vernietigen;

subsidiair, de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 29 september 2009 in zaak 554/2009-2 herzien en vaststellen dat het betrokken gemeenschapsmerk voldoende onderscheidend vermogen heeft en dat geen bezwaar tegen de inschrijving ervan kan worden gemaakt op grond van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 van de Raad;

het BHIM verwijzen in de kosten van het onderhavige beroep.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: het woordmerk „WIR MACHEN DAS BESONDERE EINFACH” voor waren van klasse 9

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de gemeenschapsmerkaanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 van de Raad, op grond dat de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat het betrokken gemeenschapsmerk niet voor inschrijving in aanmerking komt omdat het beweerdelijk elk onderscheiden vermogen mist.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/44


Beroep ingesteld op 24 december 2009 — Meredith/BHIM (BETTER HOMES AND GARDENS)

(Zaak T-524/09)

2010/C 51/81

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Meredith Corporation (Des Moines, Verenigde Staten van Amerika) (vertegenwoordigers: R.N. Furneaux, E.A. Hardcastle, solicitors)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 23 september 2009 in zaak R 517/2009-2 vernietigen voor zover daarbij inschrijving van het betrokken gemeenschapsmerk voor diensten van klasse 36 is geweigerd, met als gevolg dat de aanvraag voor die diensten zal worden ingewilligd;

de verzoeken van verzoeksters toe te wijzen; en

het Bureau verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: het woordmerk „BETTER HOMES AND GARDENS” voor goederen en diensten van de klassen 16, 35 en 36

Beslissing van de onderzoeker: gedeeltelijke weigering van de inschrijving als gemeenschapsmerk

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: Schending van de artikelen 7, lid 1, sub b, en 7, lid 2, van verordening nr. 207/2009 van de Raad. De kamer van beroep heeft niet de juiste criteria gehanteerd om te bepalen of het merk ieder onderscheidend vermogen mist met betrekking tot de waren en diensten waarvoor om inschrijving wordt verzocht.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/45


Beroep ingesteld op 30 december 2009 — Hubei Xinyegang Steel/Raad van de Europese Unie

(Zaak T-528/09)

2010/C 51/82

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd (vertegenwoordigers: F. Carlin, barrister, N. Niejahr, Q. Azau, A. MacGregor, lawyers)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

verordening (EG) nr. 926/2009 van 24 september 2009 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (1), nietigverklaren voor zover deze een antidumpingrecht en een definitieve inning van voorlopige rechten instelt op de door verzoekster geëxporteerde goederen, subsidiair, deze verordening nietigverklaren wat de voorlopige rechten ten aanzien van verzoekster betreft;

verwerende partij verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige verzoek strekt tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 926/2009 van 24 september 2009 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, voor zover deze op verzoekster van toepassing is.

Verzoekster voert drie middelen aan.

Ten eerste voert verzoekster aan dat de Raad de feiten kennelijk onjuist heeft beoordeeld door de „betrokken producten” aan de hand van te eenvoudig voorgestelde categorieën te identificeren. Vervolgens stelt zij dat de Commissie ten onrechte een vergelijking maakt met in de VS geproduceerde goederen.

Ten tweede betoogt verzoekster dat de Raad artikel 9, lid 5, van de basisverordening (2) schendt door in de bestreden verordening verzoeksters IB-status in te trekken terwijl deze aanvankelijk, tijdens de administratieve procedure voorafgaand aan de publicatie van de voorlopige verordening, door de Commissie was toegekend. (3)

Ten derde stelt verzoekster dat de Raad de artikelen 9, lid 4, en 10, lid 2, van de basisverordening schendt door het instellen van een definitief recht en de beslissing de voorlopige rechten, geheven op de door verzoekster naar de EU geëxporteerde „betrokken producten”, te innen, aangezien deze beslissingen gegrond zijn op een kennelijk onjuiste vaststelling van het bestaan van een dreigende aanmerkelijke schade.


(1)  PB 2009, L 262, blz. 19

(2)  Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 1996, L 56, blz. 1)

(3)  Verordening (EG) nr. 289/2009 van de Commissie van 7 april 2009 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, PB L 94, blz. 48


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/45


Beroep ingesteld op 5 januari 2010 — De Lucia/BHIM — Galbani (De Lucia La natura pratica del gusto)

(Zaak T-2/10)

2010/C 51/83

Taal van het verzoekschrift: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Domenico De Lucia SpA (San Felice a Cancello, Italië) (vertegenwoordiger: S. Cutolo, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Egidio Galbani SpA (Melzo, Italië)

Conclusies

vernietiging van de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 15 oktober 2009 in zaak R 37/2009-1;

verwijzing van het BHIM in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „De Lucia/La natura practica del gusto” (aanvraagnr. 4 962 346) bevat, voor waren van de klassen 29, 30 en 31

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Egidio Galbani SpA

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapswoordmerk „LUCIA” (nr. 620 716) voor waren van de klassen 29 en 30; gemeenschapsbeeldmerk dat het woordelement „Galbani-Santa Lucia” bevat (nr. 2 302 677) voor waren van klasse 29; nationaal (Italiaanse inschrijving nr. 67 470) en internationaal (nr. 256 299) beeldmerk „LUCIA” voor waren van klasse 29; nationaal (Italiaanse inschrijving nr. 597 377), internationaal (nr. 601 651) en gemeenschaps- (nr. 70 185) beeldmerk „Santa Lucia” voor waren van de klassen 29 en 30; nationaal (Italiaanse inschrijving nr. 131 028) en internationaal (nr. 256 299) woordmerk „Santa Lucia” voor waren van klasse 29, en gemeenschapswoordmerk „Santa Lucia” (nr. 70 128) voor waren van de klassen 29 en 30

Beslissing van de oppositieafdeling: gedeeltelijke toewijzing van de oppositie, voor bepaalde waren van klasse 31

Beslissing van de kamer van beroep: het beroep inwilligen voor zover het „tabak” (klasse 31) betreft en inschrijving van die waar toestaan

Aangevoerde middelen: onjuiste toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009, en geen en/of onvoldoende motivering met betrekking tot het verzoek om toepassing van artikel 12, sub a, van deze verordening.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/46


Beroep ingesteld op 7 januari 2010 — Al Saadi/Europese Commissie

(Zaak T-4/10)

2010/C 51/84

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Faraj Faraj Hassan Al Saadi (Leicester, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: J. Jones, barrister, en Mudassar Arani, solicitor)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

verordening (EG) nr. 954/2009 van de Commissie van 13 oktober 2009 nietig verklaren voor zover deze verzoeker betreft;

de Europese Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Met zijn beroep vordert verzoeker op grond van artikel 263 VWEU nietigverklaring van verordening (EG) nr. 954/2009 van de Commissie van 13 oktober 2009 (1) tot 114e wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 (2) tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al Qaida-netwerk en de Taliban, uit hoofde waarvan verzoeker is geplaatst op de lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen worden bevroren.

Verzoekers naam is oorspronkelijk toegevoegd aan bijlage I bij verordening nr. 881/2002 van de Raad bij verordening (EG) nr. 2049/2003 van de Commissie van 20 november 2003 (3), die later is vervangen door verordening (EG) nr. 46/2008 van de Commissie van 18 januari 2008 (4). Bij het arrest van 3 december 2009 in de gevoegde zaken Hassan/Raad en Europese Commissie (C-399/06 P) en Ayadi/Raad (C-403/06 P) (5), heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 46/2008, nietig verklaard voor zover zij betrekking heeft op verzoeker.

Verzoeker voert ter onderbouwing van zijn beroep de volgende middelen aan:

 

Ten eerste stelt verzoeker dat de bestreden verordening zijn rechten van verweer schendt, waaronder het recht om te worden gehoord en het recht op effectieve rechterlijke bescherming, en hieraan geen einde maakt. Voorts stelt hij dat de Commissie geen bewijs heeft verstrekt dat de bevriezing van zijn tegoeden rechtvaardigt, waardoor hij zich met betrekking tot dit bewijs niet heeft kunnen verdedigen.

 

Ten tweede betoogt verzoeker dat de Commissie in strijd met haar verplichting krachtens artikel 296 VWEU geen overtuigende redenen voor de handhaving van de bevriezing van zijn tegoeden heeft aangevoerd.

 

Ten derde stelt verzoeker dat de Commissie bij de beslissing of zij de betwiste verordening zou vaststellen, geen beoordeling heeft verricht van alle relevante feiten en bewijs en derhalve bij haar beoordeling een kennelijke fout heeft gemaakt. Verzoeker stelt voorts dat hij nooit betrokken is geweest bij enige vorm van terroristische activiteiten en dat geen van tegen hem gerichte financiële sancties of preventieve maatregelen in welke vorm ook noodzakelijk zijn.

 

Ten vierde betoogt verzoeker dat de bij de bestreden verordening opgelegde onbepaalde restricties van zijn eigendomsrecht neerkomen op een onevenredige en onduldbare inbreuk op zijn recht op eerbiediging van zijn eigendom, die niet door dwingend bewijs wordt gerechtvaardigd.


(1)  Verordening (EG) nr. 954/2009 van de Commissie van 13 oktober 2009 tot 114e wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban (PB L 269, blz. 20).

(2)  Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan (PB L 139, blz. 9).

(3)  Verordening (EG) nr. 2049/2003 van de Commissie van 20 november 2003 tot vijfentwintigste wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad (PB L 303, blz. 20).

(4)  Verordening (EG) nr. 46/2008 van de Commissie van 18 januari 2008 tot 90e wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban (PB L 16, blz. 11).

(5)  Arrest van het Hof van 3 december 2009, Hassan/Raad en Europese Commissie (C-399/06 P) en Ayadi/Raad (C-403/06 P), Jurispr. blz. I-00000.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/47


Beroep ingesteld op 11 januari 2010 — Sviluppo Globale/Europese Commissie

(Zaak T-6/10)

2010/C 51/85

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Sviluppo Globale GEIE (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: F. Sciaudone, R. Sciaudone, A. Neri, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

vernietiging van de beschikkingen van 10 november 2009 en 26 november 2009;

verwerende partij verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Het onderhavige beroep is gericht tegen de beschikking van de Commissie van 10 november 2009, waarmee de Commissie de offerte heeft verworpen die door de belangengemeenschap ITAK (waarvan verzoeker lid was en waarvoor hij belast was met het ontwikkelen van alle administratieve -en beheerstaken voor deze belangengemeenschap) is ingediend in het kader van de inschrijving EUROPEAID/127843/D/SER/KOS, houdende het verstrekken van steun aan de douane-en belastingdiensten in Kosovo, en tegen de beschikking van de Commissie van 26 november 2009, inzake het verzoek om toegang tot de documenten van de betrokken inschrijving, afkomstig van de belangengemeenschap ITAK.

Ter ondersteuning van zijn verzoek om vernietiging van de beschikking van 10 november 2009, voert verzoeker aan:

schending van de motiveringsplicht voor zover de Commissie nooit informatie heeft verstrekt inzake de kenmerken en de voordelen van de geselecteerde offerte;

schending door de Commissie van haar verplichtingen op grond van punt 2.4.15 van de „Praktische gids voor opdrachtprocedures in het kader van externe procedures” van de Europese Gemeenschap, alsook schending door de Commissie van de zorgvuldigheidsplicht bij administratief handelen. Verweerster heeft namelijk niet geantwoord op de volgens de voorwaarden van punt 2.4.15 van de praktische gids geformuleerde grieven;

kennelijke beoordelingsfout van de kwaliteit van de technische offerte die werd ingediend door de belangengemeenschap ITAK, voor zover het evaluatiecomité een offerte die werd ingediend door drie besturen (douane- en belastingdiensten) van wel drie lidstaten van de Europese Unie als ontoereikend en technisch ongeschikt heeft aangemerkt;

kennelijk onjuiste beoordeling van de kwaliteit van de technische offerte die de voorkeur kreeg. Het evaluatiecomité heeft namelijk een heel hoge score gegeven aan de offerte die werd ingediend door een belangengemeenschap van IT-specialisten met een team leader die in het verleden van de Commissie matige beoordelingen had gekregen.

Ter ondersteuning van zijn verzoek om vernietiging van de beschikking van 26 november 2009, voert verzoeker aan:

schending van artikel 7 van verordening nr. 1049/2001 (1), voor zover de Commissie het verzoek om toegang niet snel heeft behandeld, geen ontvangstbevestiging heeft gestuurd en geoordeeld heeft het verzoek gewoon te kunnen negeren;

schending van artikel 8 van verordening nr. 1049/2001, voor zover de Commissie het door de belangengemeenschap ITAK gestelde confirmatief verzoek niet snel heeft behandeld, ook daar geen ontvangstbevestiging heeft gestuurd en, tot slot, heeft geoordeeld op het verzoek te kunnen antwoorden na verstrijken van de termijn voor antwoord;

schending van de algemene beginselen inzake toegang tot documenten zoals vastgelegd in verordening nr. 1049/2001 en de desbetreffende rechtspraak. In het bijzonder gaat de Commissie zo ver dat zij informatie die voorheen aan verzoekende partijen werd overgemaakt, niet meer meedeelt;

tot slot stelt verzoeker eveneens dat verweerster artikel 4, leden 2, 3 en 6 van verordening nr. 1049/2001 heeft geschonden.


(1)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/48


Beschikking van het Gerecht van 18 december 2009 — Balfe e.a./Parlement

(Zaak T-219/09) (1)

2010/C 51/86

Procestaal: Frans

De president van de Tweede kamer heeft de gedeeltelijke doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 205 van 29.8.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/48


Beschikking van het Gerecht van 5 januari 2010 — Shell Hellas/Commissie

(Zaak T-245/09) (1)

2010/C 51/87

Procestaal: Frans

De president van de Achtste kamer van het Gerecht heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 193 van 15.8.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/48


Beschikking van het Gerecht van 5 januari 2010 — Société des Pétroles Shell/Commissie

(Zaak T-251/09) (1)

2010/C 51/88

Procestaal: Frans

De president van de Achtste kamer van het Gerecht heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 193 van 15.8.2009.


27.2.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 51/48


Beschikking van het Gerecht van 14 december 2009 — Serifo/Commissie en Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur

(Zaak T-438/09) (1)

2010/C 51/89

Procestaal: Italiaans

De president van de Vijfde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 312 van 19.12.2009.