ISSN 1725-2474

doi:10.3000/17252474.C_2010.024.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 24

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

53e jaargang
30 januari 2010


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

IV   Informatie

 

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

 

Hof van Justitie

2010/C 024/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie in het Publicatieblad van de Europese UniePB C 11 van 16.1.2010

1

 

V   Adviezen

 

GERECHTELIJKE PROCEDURES

 

Hof van Justitie

2010/C 024/02

Gevoegde zaken C-399/06 P en C-403/06 P: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 3 december 2009 — Faraj Hassan/Raad van de Europese Unie, Europese Commissie (C-399/06), Chafiq Ayadi/Raad van de Europese Unie (C-403/06) (Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) — Beperkende maatregelen tegen personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, Al-Qa’ida-netwerk en Taliban — Verordening (EG) nr. 881/2002 — Bevriezing van tegoeden en economische middelen van persoon ten gevolge van zijn opname in door orgaan van Verenigde Naties opgestelde lijst — Sanctiecomité — Daaropvolgende opname in bijlage I bij verordening (EG) nr. 881/2002 — Beroep tot nietigverklaring — Grondrechten — Recht op eerbiediging van eigendom, recht om te worden gehoord en recht op effectieve rechterlijke controle)

2

2010/C 024/03

Zaak C-118/07: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Finland (Niet-nakoming — Artikel 307, tweede alinea, EG — Verzuim om passende middelen te gebruiken voor opheffing van onverenigbaarheid met EG-Verdrag van bilaterale overeenkomsten die met derde staten zijn gesloten vóór toetreding van lidstaat tot Europese Unie — Door Republiek Finland met Russische Federatie, Republiek Wit-Rusland, Volksrepubliek China, Maleisië, Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka en Republiek Oezbekistan gesloten bilaterale investeringsovereenkomsten)

3

2010/C 024/04

Zaak C-301/07: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 6 oktober 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — PAGO International GmbH/Tirolmilch registrierte Genossenschaft mbH (Merken — Verordening (EG) nr. 40/94 — Artikel 9, lid 1, sub c — In Gemeenschap bekend merk — Geografische omvang van bekendheid)

3

2010/C 024/05

Zaak C-390/07: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 10 december 2009 — Europese Commissie/Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Niet-nakoming — Milieu — Richtlijn 91/271/EEG — Behandeling van stedelijk afvalwater — Artikel 3, leden 1 en 2, artikel 5, leden 1- 3 en 5, en bijlagen I en II — Nalaten van oorspronkelijke identificatie van kwetsbare gebieden — Begrip eutrofiëring — Criteria — Bewijslast — Relevante datum voor onderzoek van bewijselementen — Uitvoering van verplichtingen tot inzameling — Toepassing van strengere behandeling van afvalwater in kwetsbare gebieden)

4

2010/C 024/06

Gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 19 november 2009 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) en het Handelsgericht Wien (Oostenrijk)) — Christopher Sturgeon, Gabriel Sturgeon, Alana Sturgeon (C-402/07), Stefan Böck, Cornelia Lepuschitz (C-432/07)/Condor Flugdienst GmbH (C-402/07), Air France SA (C-432/07) (Luchtvervoer — Verordening (EG) nr. 261/2004 — Artikelen 2, sub l, 5, 6 en 7 — Begrippen vertraging en annulering van vlucht — Recht op compensatie in geval van vertraging — Begrip buitengewone omstandigheden)

4

2010/C 024/07

Zaak C-540/07: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek (Niet-nakoming — Vrij verkeer van kapitaal — Artikel 56 EG — Artikelen 31 en 40 EER-Overeenkomst — Directe belastingen — Bronheffing op uitgaande dividenden — Verrekening in lidstaat van vestiging van dividendontvanger op grond van overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting)

5

2010/C 024/08

Zaak C-89/08 P: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 2 december 2009 — Europese Commissie/Ierland, Franse Republiek, Italiaanse Republiek, Eurallumina SpA, Aughinish Alumina Ltd (Hogere voorziening — Staatssteun — Accijnsvrijstelling voor minerale oliën — Verordening (EG) nr. 659/1999 — Artikel 1, sub b-v — Ontoereikende motivering — Taken en bevoegdheden van rechter — Middel van openbare orde ambtshalve opgeworpen door gemeenschapsrechter — Schending van beginsel van hoor en wederhoor — Omvang van motiveringsplicht)

6

2010/C 024/09

Zaak C-169/08: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte costituzionale — Italië) — Presidente del Consiglio dei Ministri/Regione autonoma della Sardegna (Vrij verrichten van diensten — Artikel 49 EG — Staatssteun — Artikel 87 EG — Regionale wetgeving die belasting op toeristische tussenstops van vliegtuigen bestemd voor privévervoer van personen en van pleziervaartuigen instelt die enkel geldt voor exploitanten die hun fiscaal domicilie buiten grondgebied van regio hebben)

6

2010/C 024/10

Zaak C-205/08: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 10 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Umweltsenat — Oostenrijk) — Umweltanwalt von Kärnten/Kärntner Landesregierung (Prejudiciële verwijzing — Artikel 234 EG — Begrip nationale rechterlijke instantie — Ontvankelijkheid — Richtlijn 85/337/EEG — Milieueffectbeoordeling — Aanleg van bovengrondse hoogspanningsleidingen — Lengte van meer dan 15 km — Grensoverschrijdende aanleg — Grensoverschrijdende leiding — Totale lengte boven drempelwaarde — Leiding grotendeels gelegen op grondgebied aangrenzende lidstaat — Lengte binnenlands traject onder drempelwaarde)

7

2010/C 024/11

Zaak C-260/08: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 10 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — Bundesfinanzdirektion West/Heko Industrieerzeugnisse GmbH (Communautair douanewetboek — Artikel 24 — Niet-preferentiële oorsprong van goederen — Begrip ingrijpende verwerking of bewerking — Criterium van verandering van tariefpost — In Noord-Korea met staalstrengen uit China vervaardigde staalkabels)

8

2010/C 024/12

Zaak C-288/08: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Svea hovrätt — Zweden) — Kemikalieinspektionen/Nordiska Dental AB (Prejudiciële verwijzing — Richtlijn 93/42/EEG — Medische hulpmiddelen — Uitvoerverbod voor kwikhoudend tandamalgaam voorzien van EG-markering van overeenstemming — Bescherming van gezondheid en milieu)

8

2010/C 024/13

Zaak C-299/08: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 10 december 2009 — Europese Commissie/Franse Republiek (Niet-nakoming — Richtlijn 2004/18/EG — Procedures voor plaatsen van overheidsopdrachten — Nationale regeling die voorziet in één enkele procedure voor gunning van opdracht voor definiëring van behoeften en van daarop aansluitende uitvoeringsopdracht — Verenigbaarheid met deze richtlijn)

9

2010/C 024/14

Zaak C-314/08: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 19 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Poznaniu — Polen) — Krzysztof Filipiak/Dyrektor Izby Skarbowej w Poznaniu (Wettelijke regeling inzake inkomstenbelasting — Recht op aftrek van socialezekerheidsbijdragen van belastinggrondslag — Recht op belastingvermindering voor betaalde ziekteverzekeringsbijdragen — Weigering indien bijdragen in andere lidstaat dan staat van belastingheffing zijn betaald — Verenigbaarheid met artikelen 43 EG en 49 EG — Arrest van nationaal constitutioneel hof — Ongrondwettigheid van nationale bepalingen — Uitstel van verlies van bindende kracht van die bepalingen — Voorrang van gemeenschapsrecht — Gevolgen voor verwijzende rechter)

9

2010/C 024/15

Zaak C-323/08: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 10 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de Madrid — Spanje) — Ovidio Rodríguez Mayor, Pilar Pérez Boto, Pedro Gallego Morzillo, Alfonso Francisco Pérez, Juan Marcelino Gabaldón Morales, Marta María Maestro Campo, Bartolomé Valera Huete/Herencia yacente de Rafael de las Heras Dávila, Sagrario de las Heras Dávila (Prejudiciële procedure — Bescherming van werknemers — Collectief ontslag — Richtlijn 98/59/EG — Beëindiging van arbeidsovereenkomsten wegens overlijden van werkgever)

10

2010/C 024/16

Zaak C-345/08: Arrest van het Hof (Derde kamer) van 10 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Schwerin — Duitsland) — Krzysztof Peśla/Justizministerium Mecklenburg-Vorpommern (Vrij verkeer van werknemers — Artikel 39 EG — Weigering van toegang tot juridische stage ter voorbereiding op uitoefening van gereglementeerde juridische beroepen — Kandidaat die rechtendiploma in andere lidstaat heeft behaald — Criteria voor onderzoek van gelijkwaardigheid van verworven kennis)

10

2010/C 024/17

Zaak C-358/08: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 2 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het House of Lords — Verenigd Koninkrijk) — Aventis Pasteur SA/OB (Richtlijn 85/374/EEG — Aansprakelijkheid voor producten met gebreken — Artikelen 3 en 11 — Dwaling betreffende kwalificatie van producent — Gerechtelijke procedure — Verzoek tot vervanging van oorspronkelijke verweerder door producent — Verstrijken van verjaringstermijn)

11

2010/C 024/18

Zaak C-363/08: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 26 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk) — Romana Slanina/Unabhängiger Finanzsenat Außenstelle Wien (Sociale zekerheid van migrerende werknemers — Kinderbijslag — Weigering — Staatsburger die met kind in andere lidstaat is gevestigd terwijl vader van kind op nationaal grondgebied werkt)

12

2010/C 024/19

Zaak C-433/08: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 3 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — Yaesu Europe BV/Bundeszentralamt für Steuern (Achtste btw-richtlijn — Regeling voor teruggaaf van btw aan niet in binnenland gevestigde belastingplichtigen — Bijlage A — Verzoek om teruggaaf — Begrip handtekening in dat verzoek — Nationale wettelijke regeling waarbij eigenhandig geplaatste handtekening van belastingplichtige of van zijn wettelijke vertegenwoordiger is vereist en die van gevolmachtigde is uitgesloten)

12

2010/C 024/20

Zaak C-460/08: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 10 december 2009 — Europese Commissie/Helleense Republiek (Niet-nakoming — Artikel 39 EG — Betrekkingen in overheidsdienst — Kapiteins en officieren (eerste stuurlieden) op schepen — Verlening van bevoegdheden van openbaar gezag aan boord — Vereiste van nationaliteit van lidstaat onder vlag waarvan wordt gevaren)

13

2010/C 024/21

Zaak C-461/08: Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 19 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Hoge Raad der Nederlanden) — Don Bosco Onroerend Goed BV/Staatssecretaris van Financiën (Zesde btw-richtlijn — Uitlegging van artikelen 13, B, sub g, en 4, lid 3, sub a — Levering van terrein met gedeeltelijk gesloopt gebouw, op plaats waarvan nieuw bouwwerk moet worden opgericht — Btw-vrijstelling)

13

2010/C 024/22

Zaak C-475/08: Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 3 december 2009 — Europese Commissie/Koninkrijk België (Niet-nakoming — Richtlijn 2003/55/EG — Interne markt voor aardgas — Definitieve aanwijzing van systeembeheerders — Besluit tot vrijstelling van grote nieuwe gasinfrastructuur van toepassing van sommige bepalingen van deze richtlijn — Bekendmakings-, overleg- en kennisgevingsplichten)

14

2010/C 024/23

Zaak C-476/08 P: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 3 december 2009 — Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE/Europese Commissie (Hogere voorziening — Verordeningen (EG, Euratom) nrs. 1605/2002 en 2342/2002 — Overheidsopdrachten die door communautaire instellingen voor eigen rekening worden geplaatst — Fout in verslag van evaluatiecomité — Verplichting tot motivering van afwijzing van offerte van inschrijver)

14

2010/C 024/24

Zaak C-13/09: Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 26 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek (Niet-nakoming — Richtlijn 2006/86/EG — Traceerbaarheidsvereisten — Melding van ernstige bijwerkingen en ernstige ongewenste voorvallen — Technische voorschriften voor coderen, bewerken, preserveren, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen — Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

15

2010/C 024/25

Zaak C-187/09: Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 10 december 2009 — Europese Commissie/Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (Niet-nakoming — Richtlijn 2006/40/EG — Klimaatregeling van motorvoertuigen — Onvolledige uitvoering)

15

2010/C 024/26

Zaak C-202/09: Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 26 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Ierland (Niet-nakoming — Richtlijn 2006/24/EG — Elektronische communicatie — Bescherming van persoonlijke levenssfeer — Bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met aanbieden van elektronische communicatiediensten — Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

16

2010/C 024/27

Zaak C-211/09: Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 26 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek (Niet-nakoming — Richtlijn 2006/24/EG — Elektronische communicatie — Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

16

2010/C 024/28

Zaak C-357/09: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 30 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Administrativen sad Sofia-grad — Bulgarije) — Said Shamilovich Kadzoev (Huchbarov) (Visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met vrij verkeer van personen — Richtlijn 2008/115/EG — Terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op grondgebied verblijven — Artikel 15, leden 4 tot en met 6 — Termijn voor bewaring — Inaanmerkingneming van tijdvak waarin uitvoering van verwijderingsbeslissing is geschorst — Begrip redelijk vooruitzicht op verwijdering)

17

2010/C 024/29

Zaak C-78/09 P: Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 24 september 2009 — Compagnie des bateaux mouches SA/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Jean-Noël Castanet (Hogere voorziening — Gemeenschapsmerk — Woordmerk BATEAUX MOUCHES — Weigering van inschrijving — Ontbreken van onderscheidend vermogen)

18

2010/C 024/30

Zaak C-278/09: Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 20 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal de grande instance de Paris — Frankrijk) — Olivier Martinez, Robert Martinez/MGN LIMITED (Verordening (EG) nr. 44/2001 — Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken — Rechterlijke instantie die niet krachtens artikel 68, lid 1, EG bevoegd is Hof om prejudiciële beslissing te verzoeken — Onbevoegdheid van Hof)

18

2010/C 024/31

Zaak C-399/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší správní soud (Tsjechië) op 16 oktober 2009 — Marie Landtová/Česká správa sociálního zabezpečení

19

2010/C 024/32

Zaak C-402/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunalul Sibiu (Roemenië) op 16 oktober 2009 — Ioan Tatu/De Roemeense Staat, vertegenwoordigd door het Ministerul Finanțelor și Economiei, Direcția Generală a Finanțelor Publice Sibiu, Administrația Finanțelor Publice Sibiu, Administrația Fondului pentru Mediu, Ministerul Mediului

19

2010/C 024/33

Zaak C-410/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy (Polen) op 28 oktober 2009 — Polska Telefonia Cyfrowa Sp. z o.o./Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej

19

2010/C 024/34

Zaak C-421/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht für ZRS Wien (Oostenrijk) op 28 oktober 2009 — Humanplasma GmbH/Republiek Oostenrijk

20

2010/C 024/35

Zaak C-422/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) op 28 oktober 2009 — Vasiliki S. Vandorou/Ypourgos Ethnikis Paideias kai Thriskevmaton

20

2010/C 024/36

Zaak C-423/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden op 29 oktober 2009 — Staatssecretaris van Financiën tegen X

21

2010/C 024/37

Zaak C-424/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) op 28 oktober 2009 — Christina Ioanni Toki/Ypourgos Ethnikis Paideias kai Thriskevmaton

21

2010/C 024/38

Zaak C-425/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) op 28 oktober 2009 — Vasilios A. Giankoulis/Ypourgos Ethnikis Paideias kai Thriskevmaton

21

2010/C 024/39

Zaak C-426/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) op 28 oktober 2009 — Ioannis G. Askoxylakis/Ypourgos Ethnikis Paideias kai Thriskevmaton

22

2010/C 024/40

Zaak C-428/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 29 oktober 2009 — Union Syndicale Solidaires Isère/Premier ministre,Ministre du travail, des relations sociales, de la famille, de la solidarité et de la ville, Ministre de la santé et des sports

22

2010/C 024/41

Zaak C-429/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Halle (Duitsland) op 30 oktober 2009 — Günter Fuss/Stadt Halle (Saale)

23

2010/C 024/42

Zaak C-430/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden op 2 november 2009 — Euro Tyre Holding BV tegen Staatssecretaris van Financiën

23

2010/C 024/43

Zaak C-431/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hof van beroep te Brussel (België) op 2 november 2009 — Airfield NV, Canal Digitaal BV tegen Belgische Vereniging van Auteurs, Componisten en Uitgevers CVBA (Sabam)

24

2010/C 024/44

Zaak C-432/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hof van beroep te Brussel (België) op 2 november 2009 — Airfield NV tegen Agicoa Belgium BVBA

24

2010/C 024/45

Zaak C-433/09: Beroep ingesteld op 4 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Oostenrijk

25

2010/C 024/46

Zaak C-435/09: Beroep ingesteld op 4 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk België

25

2010/C 024/47

Zaak C-436/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) op 9 november 2009 — Attila Belkiran/Oberbürgermeister der Stadt Krefeld — Procesdeelnemer: de vertegenwoordiger van het belang van de Bondsrepubliek bij het Bundesverwaltungsgericht

26

2010/C 024/48

Zaak C-437/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal de Grande Instance de Périgueux (Frankrijk) op 9 november 2009 — AG2R Prevoyance/Beaudout Père et Fils SARL

26

2010/C 024/49

Zaak C-439/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d’appel de Paris (Frankrijk) op 10 november 2009 — Pierre Fabre Dermo-Cosmétique SAS/Président de l’Autorité de la concurrence, Ministre de l’Économie, de l’Industrie et de l’Emploi

27

2010/C 024/50

Zaak C-441/09: Beroep ingesteld op 11 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Oostenrijk

27

2010/C 024/51

Zaak C-442/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bayerische Verwaltungsgerichtshof (Duitsland) op 13 november 2009 — Karl Heinz Bablok, Stefan Egeter, Josef Stegmeier, Karlhans Müller, Barbara Klimesch/Freistaat Bayern — In het geding geroepen partijen: Monsanto Technology Llc., Monsanto Agrar Deutschland GmbH, Monsanto Europe S.A./N.V.

28

2010/C 024/52

Zaak C-444/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado Contencioso Administrativo no 3 te La Coruña (Spanje) op 16 november 2009 — Rosa María Gavieiro Gavieiro/Consejería de Educación de la Junta de Galicia

28

2010/C 024/53

Zaak C-445/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 16 november 2009 — 1. IMC Securities BV, 2. Stichting Autoriteit Financiële Markten

29

2010/C 024/54

Zaak C-446/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België) op 17 november 2009 — Koninklijke Philips Electronics NV tegen Lucheng Meijing Industrial Company Ltd e.a.

29

2010/C 024/55

Zaak C-447/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesarbeitsgericht (Duitsland) op 18 november 2009 — Reinhard Prigge, Michael Fromm, Volker Lambach/Deutsche Lufthansa AG

29

2010/C 024/56

Zaak C-448/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 18 november 2009 door Royal Appliance International GmbH tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 15 september 2009 in zaak T-446/07, Royal Appliance International GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen); andere partij in de procedure: BSH Bosch und Siemens Hausgeräte GmbH

30

2010/C 024/57

Zaak C-451/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 18 november 2009 door Pigasos Alieftiki Naftiki Etaireia tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Zevende kamer) van 16 september 2009 in zaak T-162/07, Pigasos Alieftiki Naftiki Etaireia/Raad van de Europese Unie en Commissie van de Europese Gemeenschappen

31

2010/C 024/58

Zaak C-452/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte di Appello di Firenze (Italië) op 18 november 2009 — Tonina Enza Iaia, Andrea Moggio, Ugo Vassalle/Ministero dell’Istruzione, dell’Università e della Ricerca, Ministero dell’Economia e delle Finanze, Università di Pisa

32

2010/C 024/59

Zaak C-453/09: Beroep ingesteld op 19 november 2009 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland

32

2010/C 024/60

Zaak C-454/09: Beroep ingesteld op 19 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

33

2010/C 024/61

Zaak C-455/09: Beroep ingesteld op 20 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Polen

33

2010/C 024/62

Zaak C-456/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado Contencioso Administrativo no 3 te Pontevedra (Spanje) op 23 november 2009 — Ana María Iglesias Torres/Consellería de Educación de la Junta de Galicia

34

2010/C 024/63

Zaak C-458/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 20 november 2009 door de Italiaanse Republiek tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 4 september 2009 in zaak T-211/05, Italiaanse Republiek/Commissie van de Europese Gemeenschappen

34

2010/C 024/64

Zaak C-459/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 24 november 2009 door Dominio de la Vega, S.L. tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Zevende kamer) van 16 september 2009 in zaak T-458/07, Dominio de la Vega, S.L./Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) en Ambrosio Velasco, S.A.

35

2010/C 024/65

Zaak C-460/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 20 november 2009 door Inalca SpA — Industria Alimentari Carni en Cremonini SpA tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Zesde kamer) van 4 september 2009 in zaak T-174/06, Inalca SpA/Commissie van de Europese Gemeenschappen

36

2010/C 024/66

Zaak C-462/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 25 november 2009 — Stichting de Thuiskopie tegen Mijndert van der Lee e.a.

38

2010/C 024/67

Zaak C-464/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 25 november 2009 door Holland Malt BV tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 9 september 2009 in zaak T-369/06, Holland Malt BV/Commissie van de Europese Gemeenschappen

38

2010/C 024/68

Zaak C-478/09: Beroep ingesteld op 25 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

39

2010/C 024/69

Zaak C-479/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 26 november 2009 door Evets Corp. tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 23 september 2009 in gevoegde zaken T-20/08 en T-21/08, Evets Corp./Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

39

2010/C 024/70

Zaak C-480/09 P: Hogere voorziening ingesteld op 26 november 2009 door AceaElectrabel Produzione SpA tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 8 september 2009 in zaak T-303/05, AceaElectrabel Produzione SpA/Commissie van de Europese Gemeenschappen

40

2010/C 024/71

Zaak C-481/09: Beroep ingesteld op 27 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Tsjechische Republiek

41

2010/C 024/72

Zaak C-482/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) (Verenigd Koninkrijk) op 30 november 2009 — Budějovický Budvar národní podnik/Anheuser-Busch, Inc.

42

2010/C 024/73

Zaak C-486/09: Beroep ingesteld op 30 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

42

2010/C 024/74

Zaak C-491/09: Beroep ingesteld op 30 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België

43

2010/C 024/75

Zaak C-492/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione Tributaria Provinciale di Taranto (Italië) op 30 november 2009 — Societá Agricola Esposito S.r.l/Agenzia delle Entrate — Ufficio Taranto 2

43

2010/C 024/76

Zaak C-494/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione Tributaria Provinciale di Alessandria (Italië) op 1 december 2009 — Bolton Alimentari SpA/Agenzia Dogane Ufficio delle Dogane di Alessandria

44

2010/C 024/77

Zaak C-496/09: Beroep ingesteld op 2 december 2009 (fax van 30 november 2009) — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

44

2010/C 024/78

Zaak C-508/09: Beroep ingesteld op 8 december 2009 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek

45

 

Gerecht

2010/C 024/79

Gevoegde zaken T-427/04 en T-17/05: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 30 november 2009 — Frankrijk en France Télécom/Commissie (Staatssteun — Bedrijfsbelastingregeling die van 1994 tot en met 2002 van toepassing was op France Télécom — Beschikking waarbij steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard en terugvordering ervan wordt gelast — Voordeel — Verjaring — Gewettigd vertrouwen — Rechtszekerheid — Schending van wezenlijke vormvoorschriften — Collegialiteit — Rechten van verdediging en procedurele rechten van derde belanghebbenden)

46

2010/C 024/80

Zaak T-1/07: Arrest van het Gerecht van 9 december 2009 — Apache Footwear en Apache II Footwear/Raad (Dumping — Importen van schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam — Status van onderneming die evolueert in markteconomie — Belang van Gemeenschap)

46

2010/C 024/81

Zaak T-353/07: Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 30 november 2009 — Esber/BHIM — Coloris Global Coloring Concept (COLORIS) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk COLORIS — Ouder nationaal woordmerk COLORIS — Relatieve weigeringsgrond — Normaal gebruik van ouder merk — Artikel 15, lid 2, sub a, en artikel 43, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 15, lid 1, sub a, en artikel 42, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 207/2009))

47

2010/C 024/82

Zaak T-434/07: Arrest van het Gerecht van 2 december 2009 — Volvo Trademark/BHIM — Grebenshikova (SOLVO) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk SOLVO — Oudere communautaire en nationale woord- en beeldmerken VOLVO — Relatieve weigeringsgrond — Artikel 8, leden 1, sub b, en 5, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, leden 1, sub b, en 5, van verordening (EG) nr. 207/2009))

47

2010/C 024/83

Zaak T-195/08: Arrest van het Gerecht van 10 december 2009 — Antwerpse Bouwwerken/Commissie (Overheidsopdrachten — Communautaire aanbestedingsprocedure — Bouw van productiehal voor referentiematerialen — Afwijzing van offerte van inschrijver — Beroep tot nietigverklaring — Procesbelang — Ontvankelijkheid — Uitlegging van bestekvoorwaarde — Overeenstemming van offerte met bestekvoorwaarden — Uitoefening van bevoegdheid om verduidelijking over offertes te vragen — Beroep tot schadevergoeding)

48

2010/C 024/84

Zaak T-223/08: Arrest van het Gerecht van 3 december 2009 — Iranian Tobacco/BHIM — AD Bulgartabac (Bahman) (Gemeenschapsmerk — Procedure tot vervallenverklaring — Gemeenschapsbeeldmerk Bahman — Geen vereiste van procesbelang — Artikel 55, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 56, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 207/2009))

48

2010/C 024/85

Zaak T-245/08: Arrest van het Gerecht van 3 december 2009 — Iranian Tobacco/BHIM — AD Bulgartabac (TIR 20 FILTER CIGARETTES) (Gemeenschapsmerk — Procedure tot vervallenverklaring — Gemeenschapsbeeldmerk TIR 20 FILTER CIGARETTES — Geen vereiste van procesbelang — Artikel 55, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 56, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 207/2009))

49

2010/C 024/86

Zaak T-377/08 P: Arrest van het Gerecht van 9 december 2009 — Commissie/Birkhoff (Hogere voorziening — Openbare dienst — Ambtenaren — Sociale zekerheid — Ziektekostenverzekering — Vergoeding van medische kosten — Nietigverklaring in eerste aanleg van besluit om geen voorafgaande toestemming te verlenen voor de vergoeding van de aankoopkosten van een rolstoel — Verkeerde opvatting van bewijsmateriaal)

49

2010/C 024/87

Zaak T-484/08: Arrest van het Gerecht van 9 december 2009 — Longevity Health Products/BHIM — Merck (Kids Vits) (Gemeenschapsmerk — Oppositieprocedure — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Kids Vits — Ouder gemeenschapswoordmerk VITS4KIDS — Relatieve weigeringsgrond — Verwarringsgevaar — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009))

50

2010/C 024/88

Zaak T-486/08: Arrest van het Gerecht van 9 december 2009 — Earle Beauty/BHIM (SUPERSKIN) (Gemeenschapsmerk — Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk SUPERSKIN — Absolute weigeringsgrond — Beschrijvend karakter — Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009))

50

2010/C 024/89

Zaak T-27/09: Arrest van het Gerecht van 10 december 2009 — Stella Kunststofftechnik/BHIM — Stella Pack (Stella) (Gemeenschapsmerk — Procedure inzake vervallenverklaring — Gemeenschapswoordmerk Stella — Eerder ingeleide, op dit merk gebaseerde oppositieprocedure — Ontvankelijkheid — Artikel 50, lid 1, en artikel 55, lid 1, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 51, lid 1, en artikel 56, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009))

51

2010/C 024/90

Zaak T-41/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 20 november 2009 — IPK International — World Tourism Marketing Consultants/Commissie (Projet Ecodata — Beschikking van de Commissie ter voorbereiding van de gedwongen executie ter zake van een schuld die krachtens een eerdere beschikking is ontstaan — Geding zonder voorwerp geraakt — Afdoening zonder beslissing)

51

2010/C 024/91

Zaak T-94/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 19 november 2009 — EREF/Commissie (Beroep tot nietigverklaring — Vertegenwoordiging door advocaat die geen hoedanigheid van derde bezit — Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

52

2010/C 024/92

Zaak T-40/08: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 19 november 2009 — EREF/Commissie (Beroep tot nietigverklaring — Vertegenwoordiging door advocaat die geen hoedanigheid van derde bezit — Niet-ontvankelijkheid)

52

2010/C 024/93

Zaak T-228/08: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 24 november 2009 — Szomborg/Commissie (Beroep wegens nalaten — Geen tijdige indiening door Commissie van wetenschappelijke evaluatie — Niet voor beroep vatbare handeling — Geen individuele geraaktheid — Niet-ontvankelijkheid)

52

2010/C 024/94

Gevoegde zaken T-313/08–T-318/08 en T-320/08–T-328/08: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 30 november 2009 — Veromar di Tudisco Alfio & Salvatore e.a./Commissie (Beroep tot nietigverklaring — Verordening (EG) nr. 530/2008 — Herstel van blauwvintonijnbestanden — Vaststelling van totaal toegestane vangsten voor 2008 — Handeling van algemene strekking — Niet individueel geraakt — Niet-ontvankelijkheid)

53

2010/C 024/95

Zaak T-53/09: Beschikking van het Gerecht van 1 december 2009 — Cafea/BHIM — Christian (BEST FARM) (Gemeenschapsmerk — Oppositie — Intrekking van oppositie — Afdoening zonder beslissing)

53

2010/C 024/96

Zaak T-87/09: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 25 november 2009 — Andersen/Commissie (Staatssteun — Maatregelen ten gunste van Danske Statsbaner — Openbaredienstverplichtingen — Beschikking om procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden — Niet-ontvankelijkheid)

54

2010/C 024/97

Zaak T-445/09: Beroep ingesteld op 4 november 2009 — Centre national de la recherche scientifique/Commissie

54

2010/C 024/98

Zaak T-447/09: Beroep ingesteld op 6 november 2009 — Centre national de la recherche scientifique/Commissie

55

2010/C 024/99

Zaak T-448/09: Beroep ingesteld op 4 november 2009 — Centre national de la recherche scientifique/Commissie

55

2010/C 024/00

Zaak T-449/09: Beroep ingesteld op 6 november 2009 — Centre national de la recherche scientifique/Commissie

56

2010/C 024/01

Zaak T-451/09: Beroep ingesteld op 9 november 2009 — Wind/BHIM — Sanyang Industry (Wind)

56

2010/C 024/02

Zaak T-455/09: Beroep ingesteld op 7 november 2009 — Jiménez Sarmiento/BHIM — Robin e.a. (Q)

57

2010/C 024/03

Zaak T-460/09: Beroep ingesteld op 16 november 2009 — CheapFlights International Ltd/BHIM

58

2010/C 024/04

Zaak T-461/09: Beroep ingesteld op 16 november2009 — CheapFlights International/BHIM — Cheapflights (Cheapflights)

58

2010/C 024/05

Zaak T-465/09: Beroep ingesteld op 19 november 2009 — Jurašinović/Raad

59

2010/C 024/06

Zaak T-466/09: Beroep ingesteld op 23 november 2009 — Comercial Losan/BHIM — McDonald’s International Property (Mc. Baby)

60

2010/C 024/07

Zaak T-467/09: Beroep ingesteld op 19 november 2009 — Stelzer/Commissie

60

2010/C 024/08

Zaak T-468/09: Beroep ingesteld op 24 november 2009 — JSK International Architekten und Ingenieure/ECB

61

2010/C 024/09

Zaak T-469/09: Beroep ingesteld op 23 november 2009 — Helleense Republiek/Commissie

62

2010/C 024/10

Zaak T-470/09: Beroep ingesteld op 30 november 2009 — medi/BHIM (medi)

62

2010/C 024/11

Zaak T-471/09: Beroep ingesteld op 27 november 2009 — Oetker Nahrungsmittel/BHIM — Bonfait (Buonfatti)

63

2010/C 024/12

Zaak T-472/09: Beroep ingesteld op 30 november 2009 — SP/Commissie

63

2010/C 024/13

Zaak T-473/09: Beroep ingesteld op 26 november 2009 — Matkompaniet/BHIM — DF World of Spices (KATOZ)

64

2010/C 024/14

Zaak T-475/09: Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER)

65

2010/C 024/15

Zaak T-476/09: Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER)

65

2010/C 024/16

Zaak T-477/09: Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER)

66

2010/C 024/17

Zaak T-478/09: Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER)

66

2010/C 024/18

Zaak T-479/09: Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER Garden)

67

2010/C 024/19

Zaak T-480/09: Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICOCENTER)

67

2010/C 024/20

Zaak T-481/09: Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (maxi BRICOCENTER)

68

2010/C 024/21

Zaak T-482/09: Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER Cittá)

68

2010/C 024/22

Zaak T-483/09: Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (Affiliato BRICO CENTER)

69

2010/C 024/23

Zaak T-121/06: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 27 november 2009 — Sellafield/Commissie

69

2010/C 024/24

Zaak T-337/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 23 november 2009 — Brilliant Hotelsoftware/BHIM (BRILLIANT)

69

2010/C 024/25

Gevoegde zaken T-415/07 en T-416/07: Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 30 november 2009 — RedEnvelope/BHIM — Red Letter Days (redENVELOPE)

69

 

Gerecht voor ambtenarenzaken

2010/C 024/26

Zaak F-47/07: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 10 september 2009 — Behmer/Parlement (Bevordering — Bevorderingsronde 2005 — Besluit betreffende bevorderingsbeleid en loopbaanplanning — Procedure voor toekenning van bevorderingspunten van het Europees Parlement — Onwettigheid van instructies voor die procedure — Raadpleging van comité voor het Statuut — Vergelijking van verdiensten — Discriminatie van personeelsvertegenwoordigers)

70

2010/C 024/27

Gevoegde zaken F-69/07 en F-60/08: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 29 september 2009 — O/Commissie (Openbare dienst — Arbeidscontractanten — Artikel 88 RAP — Vaste dienstverhouding — Artikel 100 RAP — Medisch voorbehoud — Artikel 39 EG — Vrij verkeer van werknemers)

70

2010/C 024/28

Zaak F-83/07: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 Zangerl-Posselt/Commissie (Openbare dienst — Algemeen vergelijkend onderzoek — Niet-toelating tot praktijk- en mondelinge examen — Vereiste diploma’s — Begrip hoger onderwijs — Discriminatie op grond van leeftijd)

71

2010/C 024/29

Zaak F-94/07: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 24 september 2009 — Rebizant, Vlandas en Vocino/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Bevordering — Bevorderingsronde 2006 — Vermenigvuldigingsfactor — Artikel 6, lid 2, van Statuut — Artikel 9 van bijlage XIII bij het Statuut — Bevorderingsdrempel)

71

2010/C 024/30

Zaak F-102/07: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 29 september 2009 Kerstens/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Bevordering — Bevorderingsrondes 2004, 2005 en 2006 — Toekenning van gratificatiepunten — Gratificatiepunten toegekend door directeuren-generaal — Gratificatiepunten ter erkenning van het werk verricht in het belang van de instelling — Non-discriminatiebeginsel — Motiveringsplicht)

72

2010/C 024/31

Zaak F-114/07: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 29 september 2009 — Wenning/Europol (Openbare dienst — Personeel van Europol — Verlenging van overeenkomst van functionaris van Europol — Artikel 6 van Statuut voor de personeelsleden van Europol — Beoordelingsrapport)

72

2010/C 024/32

Zaak F-124/07: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 10 september 2009 — Behmer/Parlement (Bevordering — Bevorderingsronde 2006 — Vergelijking van verdiensten)

72

2010/C 024/33

Zaak F-125/07: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 29 september 2009 — Hau/Parlement (Openbare dienst — Ambtenaren — Bevordering — Bevorderingsronde 2006 — Niet-plaatsing op lijst van bevorderde ambtenaren — Vergelijking van verdiensten — Referentiedrempel — Niet-inaanmerkingneming van de hoedanigheid van overgeblevene)

73

2010/C 024/34

Zaak F-130/07: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 16 september 2009 Vinci/Europese Centrale Bank (Openbare dienst — Personeel van de ECB — Vermeende onrechtmatige verwerking van medische gegevens — Verplicht medisch onderzoek)

73

2010/C 024/35

Gevoegde zaken F-20/08, F-34/08 en F-75/08: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 29 september 2009 — Aparicio, Simon e.a./Commissie (Openbare dienst — Arbeidscontractanten — Aanwerving — Selectieprocedure CAST 27/Relex — Niet-opneming in databanken — Neutralisatie van vragen — Redeneervermogen met betrekking tot tekst en berekeningen — Gelijke behandeling)

73

2010/C 024/36

Zaak F-55/08: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 — De Nicola/Europese Investeringsbank (Openbare dienst — Personeel van de Europese Investeringsbank — Beoordeling — Bevordering — Ziektekostenverzekering — Tenlasteneming van ziektekosten — Psychisch geweld — Zorgplicht — Beroep tot schadevergoeding — Bevoegdheid van Gerecht — Ontvankelijkheid)

74

2010/C 024/37

Zaak F-71/08: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 19 november 2009 — N/Parlement (Openbare dienst — Ambtenaren — Beoordeling — Beoordelingsrapport — Vaststelling van doelstellingen — Kennelijk onjuiste beoordeling — Ontvankelijkheid — Geen bezwarende maatregel)

74

2010/C 024/38

Zaak F-80/08: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 Wenig/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Tuchtprocedure — Schorsing van ambtenaar — Inhouding op bezoldiging — Bewering van ernstige fout — Rechten van de verdediging — Bevoegdheid — Ontbreken van bekendmaking van delegatie van bevoegdheid — Onbevoegdheid van vaststeller van bestreden besluit)

75

2010/C 024/39

Zaak F-86/08: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 Voslamber/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Sociale zekerheid — Gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering — Echtgenoot van voormalig ambtenaar — Gebonden bevoegdheid — Artikel 13 van de regeling inzake ziektekostenverzekering)

75

2010/C 024/40

Zaak F-93/08: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 10 november 2009 — N/Europees Parlement (Openbare dienst — Ambtenaren — Beoordeling — Beoordelingsrapport — Beroep tot nietigverklaring — Ontvankelijkheid — Motivering — Kennelijk onjuiste beoordeling — Definitie van te bereiken doelstellingen)

76

2010/C 024/41

Zaak F-99/08: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 17 november 2009 — Di Prospero/Commissie (Openbare dienst — Algemeen vergelijkend onderzoek — Gebied fraudebestrijding — Aankondiging van vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/116/08 en EPSO/AD/117/08 — Onmogelijkheid voor kandidaten om zich gelijktijdig voor meerdere vergelijkende onderzoeken in te schrijven — Weigering van verzoeksters aanmelding voor vergelijkend onderzoek EPSO/AD/117/08)

76

2010/C 024/42

Zaak F-1/09: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 25 november 2009 — Putterie-De-Beukelaer/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Bevordering — Attestprocedure — Beoordeling van mogelijkheden)

76

2010/C 024/43

Zaak F-3/09: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 — Ridolfi/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — In een derde land tewerkgestelde ambtenaren — Verhoogde schooltoelage — Nieuwe tewerkstelling in zetel — Bijscholing — Periode van normale tewerkstelling — Artikelen 3 en 15 van bijlage X bij het Statuut)

77

2010/C 024/44

Zaak F-16/09: Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 — de Britto Patrício-Dias/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Beoordeling — Loopbaanontwikkelingsrapport — Beoordelingsjaar 2007 — Schending van artikel 43 van Statuut — Motivering — Kennelijk onjuiste beoordeling — Beoordeling van prestaties over een deel van de referentieperiode)

77

2010/C 024/45

Zaak F-11/05 RENV: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 18 november 2009 — Chassagne/Commissie (Openbare dienst — Verwijzing naar Gerecht na vernietiging — Afdoening zonder beslissing)

77

2010/C 024/46

Zaak F-70/07: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 10 november 2009 — Marcuccio/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Beroep tot schadevergoeding — Exceptie van parallel beroep — Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

78

2010/C 024/47

Zaak F-94/08: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 29 oktober 2009 Marcuccio/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Uitvoering van arrest — Vergoeding van kosten — Intentie van administratie om een inhouding te verrichten op invaliditeitsuitkering van de ambtenaar — Ontbreken van bezwarend besluit — Beroep tot schadevergoeding — Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

78

2010/C 024/48

Zaak F-5/09: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 25 november 2009 — Soerensen Ferraresi/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Beroep tot schadevergoeding — Ontvankelijkheid — Klacht — Bezwarend besluit)

78

2010/C 024/49

Zaak F-17/09: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 — Meister/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) (Openbare dienst — Ambtenaren — Beroep tot nietigverklaring — Opnieuw ter sprake brengen van eerder verworven bevorderingspunten — Ontbreken van bezwarend besluit — Beroep tot schadevergoeding — Niet-berekende schade — Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

79

2010/C 024/50

Zaak F-54/09: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 — Lebedef/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Vakantieverlof — Detachering in deeltijd met het oog op vakbondsvertegenwoordiging — Onregelmatige afwezigheid — Aftrek van vakantieverlof — Artikel 60 van Statuut — Beroep kennelijk ongegrond)

79

2010/C 024/51

Zaak F-64/09: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 29 september 2009 — Labate/Commissie (Openbare dienst — Ambtenaren — Sociale zekerheid — Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten — Beroepsziekte — Beroep wegens nalaten — Onbevoegdheid van Gerecht — Verwijzing naar Gerecht van eerste aanleg)

79

2010/C 024/52

Zaak F-83/09: Beroep ingesteld op 15 oktober 2009 — Kalmár/Europol

80

2010/C 024/53

Zaak F-87/09: Beroep ingesteld op 21 oktober 2009 — Dekker/Europol

80

2010/C 024/54

Zaak F-88/09: Beroep ingesteld op 23 oktober 2009 — Z/Hof van Justitie

80

2010/C 024/55

Zaak F-95/09: Beroep ingesteld op 13 november 2009 — Skareby/Commissie

81

2010/C 024/56

Zaak F-97/09: Beroep ingesteld op 16 november 2009 — Taillard/Parlement

81

2010/C 024/57

Zaak F-98/09: Beroep ingesteld op 20 november 2009 — Whitehead/Europese Centrale Bank

82

2010/C 024/58

Zaak F-28/05: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 17 september 2009 — Callewaert/Commissie

82

2010/C 024/59

Zaak F-10/09: Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 30 november 2009 Moschonaki/Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (ESVLA)

82

NL

 


IV Informatie

INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE

Hof van Justitie

30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/1


2010/C 24/01

Laatste publicatie van het Hof van Justitie in het Publicatieblad van de Europese Unie

PB C 11 van 16.1.2010

Historisch overzicht van de vroegere publicaties

PB C 312 van 19.12.2009

PB C 297 van 5.12.2009

PB C 282 van 21.11.2009

PB C 267 van 7.11.2009

PB C 256 van 24.10.2009

PB C 244 van 10.10.2009

Deze teksten zijn beschikbaar in:

EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu


V Adviezen

GERECHTELIJKE PROCEDURES

Hof van Justitie

30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/2


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 3 december 2009 — Faraj Hassan/Raad van de Europese Unie, Europese Commissie (C-399/06), Chafiq Ayadi/Raad van de Europese Unie (C-403/06)

(Gevoegde zaken C-399/06 P en C-403/06 P) (1)

(Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) - Beperkende maatregelen tegen personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, Al-Qa’ida-netwerk en Taliban - Verordening (EG) nr. 881/2002 - Bevriezing van tegoeden en economische middelen van persoon ten gevolge van zijn opname in door orgaan van Verenigde Naties opgestelde lijst - Sanctiecomité - Daaropvolgende opname in bijlage I bij verordening (EG) nr. 881/2002 - Beroep tot nietigverklaring - Grondrechten - Recht op eerbiediging van eigendom, recht om te worden gehoord en recht op effectieve rechterlijke controle)

2010/C 24/02

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirant: Faraj Hassan (vertegenwoordigers: E. Grieves, barrister, H. Miller, solicitor, J. Jones, barrister, en M. Arani, solicitor) (C-399/06)

Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: S. Marquardt, M. Bishop en E. Finnegan, gemachtigden), Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Hetsch en P. Aalto, gemachtigden)

Interveniënten aan de zijde van verzoekende partij: Franse Republiek, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Rekwirant: Chafiq Ayadi (vertegenwoordigers: S. Cox, barrister, H. Miller, solicitor) (C-403/06)

Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bishop en E. Finnegan, gemachtigden), Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Hetsch en P. Aalto, gemachtigden)

Interveniënte aan de zijde van de Raad van de Europese Unie: Franse Republiek

Voorwerp

Hogere voorziening tegen de arresten van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 12 juli 2006, Hassan/Raad en Commissie (T-49/04) en Ayadi/Raad (T-253/02), waarbij het Gerecht heeft verworpen de beroepen tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 2049/2003 van de Commissie van 20 november 2003 tot vijfentwintigste wijziging van verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al Qa’ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad (PB L 303, blz. 20)

Dictum

1)

De arresten van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 12 juli 2006, Hassan/Raad en Commissie (T-49/04) en Ayadi/Raad (T-253/02), worden vernietigd.

2)

Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa’ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 46/2008 van de Commissie van 18 januari 2008, wordt nietig verklaard voor zover zij betrekking heeft op Hassan.

3)

Verordening nr. 881/2002, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1210/2006 van de Commissie van 9 augustus 2006, wordt nietig verklaard voor zover zij betrekking heeft op Ayadi.

4)

De Raad van de Europese Unie zal naast zijn eigen kosten de kosten dragen die Hassan en Ayadi zowel in eerste aanleg als in het kader van de onderhavige hogere voorzieningen hebben gedragen.

5)

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zal zijn eigen kosten in verband met de procedure in eerste aanleg in de zaak Ayadi en de onderhavige hogere voorzieningen dragen.

6)

De Franse Republiek zal haar eigen kosten dragen.

7)

De Europese Commissie zal haar eigen kosten in verband met de procedure in eerste aanleg en de hogere voorziening in de zaak Hassan dragen. Daarnaast zal zij in de zaak Ayadi haar eigen kosten in verband met haar interventie in de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen en het Hof van Justitie van de Europese Unie dragen.


(1)  PB C 294 van 2.12.2006.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/3


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Finland

(Zaak C-118/07) (1)

(Niet-nakoming - Artikel 307, tweede alinea, EG - Verzuim om passende middelen te gebruiken voor opheffing van onverenigbaarheid met EG-Verdrag van bilaterale overeenkomsten die met derde staten zijn gesloten vóór toetreding van lidstaat tot Europese Unie - Door Republiek Finland met Russische Federatie, Republiek Wit-Rusland, Volksrepubliek China, Maleisië, Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka en Republiek Oezbekistan gesloten bilaterale investeringsovereenkomsten)

2010/C 24/03

Procestaal: Fins

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Huttunen, H. Støvlbæk en B. Martenczuk, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Finland (vertegenwoordiger: J. Heliskoski, gemachtigde)

Interveniëntes aan de zijde van de verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: M. Lumma en C. Blaschke, gemachtigden), Republiek Hongarije (vertegenwoordiger: J. Fazekas, gemachtigde), Republiek Litouwen (vertegenwoordiger: D. Kriaučiūnas, gemachtigde), Republiek Oostenrijk (vertegenwoordiger: C. Pesendorfer, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van artikel 307, tweede alinea, EG — Verzuim om de passende middelen te gebruiken om de onverenigbaarheid met het Verdrag op te heffen waar het de bepalingen inzake overdrachten betreft in de bilaterale investeringsovereenkomsten die de Republiek Finland heeft gesloten met respectievelijk de Russische Federatie, Wit-Rusland, China, Maleisië, Sri Lanka en Oezbekistan

Dictum

1)

Door niet de passende middelen te gebruiken voor de opheffing van de onverenigbaarheid met het Verdrag van de bepalingen inzake kapitaaltransfer die zijn opgenomen in de bilaterale investeringsovereenkomsten inzake de bevordering en de wederzijdse bescherming van investeringen, die de Republiek Finland heeft gesloten met onderscheidenlijk de voormalige Unie van Socialistische Sovjetrepublieken, die door de Russische Federatie is opgevolgd (overeenkomst ondertekend op 8 februari 1989), de Republiek Wit-Rusland (overeenkomst ondertekend op 28 oktober 1992), de Volksrepubliek China (overeenkomst ondertekend op 4 september 1984), Maleisië (overeenkomst ondertekend op 15 april 1985), de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka (overeenkomst ondertekend op 27 april 1985) en de Republiek Oezbekistan (overeenkomst ondertekend op 1 oktober 1992), is de Republiek Finland de krachtens artikel 307, tweede alinea, EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

De Republiek Finland wordt verwezen in de kosten.

3)

De Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije en de Republiek Oostenrijk zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 95 van 28.4.2007.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/3


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 6 oktober 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof — Oostenrijk) — PAGO International GmbH/Tirolmilch registrierte Genossenschaft mbH

(Zaak C-301/07) (1)

(Merken - Verordening (EG) nr. 40/94 - Artikel 9, lid 1, sub c - In Gemeenschap bekend merk - Geografische omvang van bekendheid)

2010/C 24/04

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberster Gerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: PAGO International GmbH

Verwerende partij: Tirolmilch registrierte Genossenschaft mbH

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberster Gerichtshof — Uitlegging van artikel 9, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1) — Rechten van een houder van een merk dat bekend is in de Gemeenschap — Merk dat uitsluitend bekend is in één lidstaat — Bescherming van het merk in de gehele Gemeenschap dan wel alleen in een lidstaat

Dictum

Artikel 9, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk moet aldus worden uitgelegd dat een gemeenschapsmerk slechts de bij deze bepaling geboden bescherming geniet wanneer het bekend is bij een aanmerkelijk deel van het publiek waarvoor de door dat merk aangeduide waren of diensten bestemd zijn, in een aanmerkelijk gedeelte van het grondgebied van de Europese Gemeenschap en dat, gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding, het grondgebied van de betrokken lidstaat kan worden beschouwd als een aanmerkelijk gedeelte van het grondgebied van de Gemeenschap.


(1)  PB C 223 van 22.9.2007.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/4


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 10 december 2009 — Europese Commissie/Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

(Zaak C-390/07) (1)

(Niet-nakoming - Milieu - Richtlijn 91/271/EEG - Behandeling van stedelijk afvalwater - Artikel 3, leden 1 en 2, artikel 5, leden 1- 3 en 5, en bijlagen I en II - Nalaten van oorspronkelijke identificatie van kwetsbare gebieden - Begrip „eutrofiëring” - Criteria - Bewijslast - Relevante datum voor onderzoek van bewijselementen - Uitvoering van verplichtingen tot inzameling - Toepassing van strengere behandeling van afvalwater in kwetsbare gebieden)

2010/C 24/05

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: S. Pardo Quintillán en H. van Vliet, gemachtigden)

Verwerende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: C. Gibbs en V. Jackson, gemachtigden, D. Anderson QC en S. Ford, Barrister)

Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Portugese Republiek (vertegenwoordigers: L. Inez Fernandes en M. J. Lois, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Artikelen 3, leden 1 en 2, 5, leden 1, 2, 3, en 5, en bijlage II van richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135, blz. 40) — Nalaten om bepaalde gebieden aan te wijzen die als voor eutrofiëring kwetsbare gebieden hadden moeten worden aangewezen, alsook om ingrijpender zuivering in te voeren voor stedelijk afvalwater van agglomeraties met een inwonerequivalent van meer dan 10 000 dat wordt geloosd in kwetsbare gebieden of in gebieden die als kwetsbaar hadden moeten worden aangewezen

Dictum

1)

Door het stedelijk afvalwater van Craigavon (behandelingsinstallaties van Ballynacor en Bullay’s Hill) en Magherafelt niet aan een ingrijpender zuivering te onderwerpen, is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 5, leden 2, 3 en 5, van richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

4)

De Portugese Republiek draagt haar eigen kosten.


(1)  PB C 283 van 24.11.2007.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/4


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 19 november 2009 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) en het Handelsgericht Wien (Oostenrijk)) — Christopher Sturgeon, Gabriel Sturgeon, Alana Sturgeon (C-402/07), Stefan Böck, Cornelia Lepuschitz (C-432/07)/Condor Flugdienst GmbH (C-402/07), Air France SA (C-432/07)

(Gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07) (1)

(Luchtvervoer - Verordening (EG) nr. 261/2004 - Artikelen 2, sub l, 5, 6 en 7 - Begrippen „vertraging” en „annulering” van vlucht - Recht op compensatie in geval van vertraging - Begrip „buitengewone omstandigheden”)

2010/C 24/06

Procestaal: Duits

Verwijzende rechters

Bundesgerichtshof, Handelsgericht Wien

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Christopher Sturgeon, Gabriel Sturgeon, Alana Sturgeon (C-402/07), Stefan Böck, Cornelia Lepuschitz (C-432/07)

Verwerende partijen: Condor Flugdienst GmbH (C-402/07), Air France SA (C-432/07)

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesgerichtshof, Handelsgericht Wien — Uitlegging van artikel 2, sub l, en artikel 5, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46, blz. 1) — Vlucht die veel later dan het geplande vertrekuur is begonnen — Onderscheid tussen „vertraging” en „annulering”

Dictum

1)

De artikelen 2, sub l, 5 en 6 van verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 295/91, moeten aldus worden uitgelegd dat een vertraagde vlucht, ongeacht de duur van de vertraging, ook al is deze lang, niet als geannuleerd kan worden beschouwd wanneer zij overeenkomstig de oorspronkelijke planning van de luchtvaartmaatschappij wordt uitgevoerd.

2)

De artikelen 5, 6 en 7 van verordening nr. 261/2004 moeten aldus worden uitgelegd dat passagiers van vertraagde vluchten voor de toepassing van het recht op schadevergoeding met passagiers van geannuleerde vluchten kunnen worden gelijkgesteld en aldus aanspraak kunnen maken op de in artikel 7 van deze verordening bedoelde compensatie, wanneer zij door een vertraging van de vlucht drie of meer uren tijd verliezen, dat wil zeggen wanneer zij hun eindbestemming drie of meer uren na de door de luchtvaartmaatschappij oorspronkelijk geplande aankomsttijd bereiken. Een dergelijke vertraging verleent de passagiers evenwel geen recht op compensatie indien de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden, dat wil zeggen van omstandigheden waarop de luchtvaartmaatschappij geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.

3)

Artikel 5, lid 3, van verordening nr. 261/2004 moet aldus worden uitgelegd dat een technisch probleem aan een luchtvaartuig dat de annulering of de vertraging van een vlucht tot gevolg heeft, niet onder het begrip „buitengewone omstandigheden” in de zin van deze bepaling valt, tenzij dit probleem voortvloeit uit gebeurtenissen die wegens hun aard of hun oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij, en deze hierop geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.


(1)  PB C 283 van 24.11.2007.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/5


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

(Zaak C-540/07) (1)

(Niet-nakoming - Vrij verkeer van kapitaal - Artikel 56 EG - Artikelen 31 en 40 EER-Overeenkomst - Directe belastingen - Bronheffing op uitgaande dividenden - Verrekening in lidstaat van vestiging van dividendontvanger op grond van overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting)

2010/C 24/07

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: R. Lyal en A. Aresu, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: R. Adam, gemachtigde, P. Gentili, avvocato dello Stato)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van artikel 56 EG en van artikel 40 EER — Fiscale regeling waarbij dividenden uitgekeerd aan in andere lidstaten en in EER-staten gevestigde vennootschappen zwaarder worden belast dan „binnenlandse” dividenden

Dictum

1)

Door dividenden die worden uitgekeerd aan in andere lidstaten gevestigde vennootschappen, aan een minder gunstige fiscale regeling te onderwerpen dan dividenden die worden uitgekeerd aan ingezeten vennootschappen, is de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 56, lid 1, EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

Het beroep wordt voor het overige verworpen.

3)

De Italiaanse Republiek wordt verwezen in drie vierde van alle kosten. De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in het overige vierde.


(1)  PB C 37 van 9.2.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/6


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 2 december 2009 — Europese Commissie/Ierland, Franse Republiek, Italiaanse Republiek, Eurallumina SpA, Aughinish Alumina Ltd

(Zaak C-89/08 P) (1)

(Hogere voorziening - Staatssteun - Accijnsvrijstelling voor minerale oliën - Verordening (EG) nr. 659/1999 - Artikel 1, sub b-v - Ontoereikende motivering - Taken en bevoegdheden van rechter - Middel van openbare orde ambtshalve opgeworpen door gemeenschapsrechter - Schending van beginsel van hoor en wederhoor - Omvang van motiveringsplicht)

2010/C 24/08

Procestaal: Frans, Engels en Italiaans

Partijen

Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: V. Di Bucci en N. Khan, gemachtigden)

Andere partijen in de procedure: Ierland (vertegenwoordigers: D. O'Hagan, gemachtigde, en P. McGarry, BL), Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues en A.-L. Vendrolini, gemachtigden), Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: R. Adam, gemachtigde en G. Aiello, avvocato dello Stato), Eurallumina SpA (vertegenwoordiger: R. Denton, solicitor), Aughinish Alumina Ltd (vertegenwoordigers: J. Handoll en C. Waterson, solicitors)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer — uitgebreid) van 12 december 2007, Ierland e.a./Commissie (T-50/06, T-56/06, T-60/06, T-62/06 en T-69/06), waarbij het Gerecht heeft nietig verklaard beschikking 2006/323/EG van de Commissie van 7 december 2005 betreffende de door, onderscheidenlijk, Frankrijk, Ierland en Italië ten uitvoer gelegde accijnsvrijstelling voor bij de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in de regio Shannon en op Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën (PB 2006, L 119, blz. 12) — Begrippen bestaande steun en nieuwe steun — Objectieve begrippen — Motiveringsgebrek — Door de gemeenschapsrechter ambtshalve aan de orde te stellen middelen van openbare orde — Schending van het beginsel dat partijen het voorwerp van het geschil afbakenen en van de algemene beginselen van hoor en wederhoor en eerbiediging van de rechten van de verdediging

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 12 december 2007, Ierland e.a./Commissie (T-50/06, T-56/06, T-60/06, T-62/06 en T-69/06), wordt vernietigd voor zover het:

beschikking 2006/323/EG van de Commissie van 7 december 2005 betreffende de door, onderscheidenlijk, Frankrijk, Ierland en Italië ten uitvoer gelegde accijnsvrijstelling voor bij de productie van aluminiumoxide in de Gardanne, in de regio Shannon en op Sardinië als brandstof gebruikte minerale oliën, heeft nietig verklaard op grond dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen daarin de motiveringsplicht heeft geschonden wat het niet-toepassen van artikel 1, sub b-v, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [88 EG], betreft, en

de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft verwezen in haar eigen kosten en in die van verzoekers, daaronder begrepen die van de kortgedingprocedure in zaak T-69/06 R.

2)

De gevoegde zaken T-50/06, T-56/06, T-60/06, T-62/06 en T-69/06 worden verwezen naar het Gerecht van de Europese Unie.

3)

De beslissing over de kosten wordt aangehouden.


(1)  PB C 116 van 9.5.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/6


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 17 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte costituzionale — Italië) — Presidente del Consiglio dei Ministri/Regione autonoma della Sardegna

(Zaak C-169/08) (1)

(Vrij verrichten van diensten - Artikel 49 EG - Staatssteun - Artikel 87 EG - Regionale wetgeving die belasting op toeristische tussenstops van vliegtuigen bestemd voor privévervoer van personen en van pleziervaartuigen instelt die enkel geldt voor exploitanten die hun fiscaal domicilie buiten grondgebied van regio hebben)

2010/C 24/09

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Corte costituzionale

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Presidente del Consiglio dei Ministri

Verwerende partij: Regione autonoma della Sardegna

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Corte costituzionale — Uitlegging van de artikelen 49 EG en 87 EG — Regionale wetgeving volgens welke de belasting op toeristische tussenstops van vliegtuigen enkel geldt voor ondernemingen die hun fiscaal domicilie buiten Sardinië hebben en de activiteit van vervoer van personen of goederen per vliegtuig bijkomend verrichten ten opzichte van de hoofdactiviteit van de onderneming — Staatssteun in de vorm van belastingvrijstelling voor ondernemingen die hun fiscaal domicilie in Sardinië hebben en dezelfde activiteit uitoefenen

Dictum

1)

Artikel 49 EG dient aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de belastingregeling van een regionale overheid, zoals die vervat in artikel 4 van wet nr. 4 van de regio Sardinië van 11 mei 2006 houdende diverse bepalingen inzake inkomsten, herkwalificatie van uitgaven, sociaal en ontwikkelingsbeleid, zoals gewijzigd bij artikel 3, lid 3, van wet nr. 2 van de regio Sardinië van 29 mei 2007 houdende bepalingen betreffende het opstellen van de jaarlijkse en meerjarenbegroting van de regio — financieringswet 2007, die een regionale belasting op toeristische tussenstops van vliegtuigen voor het privévervoer van personen en van pleziervaartuigen instelt die enkel van toepassing is op natuurlijke en rechtspersonen die hun fiscaal domicilie buiten het grondgebied van de regio hebben.

2)

Artikel 87, lid 1, EG moet aldus worden uitgelegd dat een belastingregeling van een regionale autoriteit die een belasting op tussenstops, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, instelt die enkel van toepassing is op natuurlijke en rechtspersonen die hun fiscaal domicilie buiten het grondgebied van de regio hebben, staatssteun vormt ten gunste van de op dit grondgebied gevestigde ondernemingen.


(1)  PB C 171 van 5.7.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/7


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 10 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Umweltsenat — Oostenrijk) — Umweltanwalt von Kärnten/Kärntner Landesregierung

(Zaak C-205/08) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Artikel 234 EG - Begrip „nationale rechterlijke instantie” - Ontvankelijkheid - Richtlijn 85/337/EEG - Milieueffectbeoordeling - Aanleg van bovengrondse hoogspanningsleidingen - Lengte van meer dan 15 km - Grensoverschrijdende aanleg - Grensoverschrijdende leiding - Totale lengte boven drempelwaarde - Leiding grotendeels gelegen op grondgebied aangrenzende lidstaat - Lengte binnenlands traject onder drempelwaarde)

2010/C 24/10

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Umweltsenat

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Umweltanwalt von Kärnten

Verwerende partij: Kärntner Landesregierung

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Umweltsenat — Uitlegging van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 73, blz. 5), en richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L 156, blz. 17) — Verplichting tot milieueffectbeoordeling voor de aanleg van bovengrondse hoogspanningsleidingen van meer dan 15 km lengte — In aanmerking te nemen lengte in geval van grensoverschrijdende installaties — Project voor een elektrische leiding waarvan de totale lengte de drempelwaarde overschrijdt, maar die slechts voor 7,4 kilometer over het nationale grondgebied loopt en voor de rest over het grondgebied van de aangrenzende lidstaat

Dictum

De artikelen 2, lid 1, en 4, lid 1, van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003, moeten aldus worden uitgelegd dat de bevoegde overheidsinstanties van een lidstaat een milieueffectbeoordeling moeten uitvoeren van een in punt 20 van bijlage I bij deze richtlijn genoemd project, zoals de aanleg van bovengrondse hoogspanningsleidingen van 220 kV of meer en langer dan 15 km, ook indien het project grensoverschrijdend is en slechts een gedeelte ervan met een lengte van minder dan 15 km is gelegen op het grondgebied van deze lidstaat.


(1)  PB C 209 van 15.8.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/8


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 10 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — Bundesfinanzdirektion West/Heko Industrieerzeugnisse GmbH

(Zaak C-260/08) (1)

(Communautair douanewetboek - Artikel 24 - Niet-preferentiële oorsprong van goederen - Begrip „ingrijpende verwerking of bewerking” - Criterium van verandering van tariefpost - In Noord-Korea met staalstrengen uit China vervaardigde staalkabels)

2010/C 24/11

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Bundesfinanzdirektion West

Verwerende partij: Heko Industrieerzeugnisse GmbH

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van artikel 24 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1) — Vaststelling van de oorsprong van staalkabels die in Noord-Korea worden vervaardigd door assemblage van staaldraadstrengen uit China — Criteria die in aanmerking moeten worden genomen om uit te maken of een bepaald productiestadium de niet-preferentiële oorsprong van een product meebrengt — Eventueel belang van de omstandigheid dat de betrokken verwerking niet tot verandering van tariefpost leidt

Dictum

Voor goederen die zijn ingedeeld in post 7312 van de gecombineerde nomenclatuur van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1719/2005 van de Commissie van 27 oktober 2005, kunnen de ingrijpende verwerkingen of bewerkingen in de zin van artikel 24 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, niet alleen de be- of verwerkingen omvatten die ertoe leiden dat het be of verwerkte product in een andere post van de gecombineerde nomenclatuur wordt ingedeeld, maar ook de be- of verwerkingen die zonder verandering van de tariefpost ertoe leiden dat het voortgebrachte product eigenschappen heeft en een specifieke samenstelling vertoont die het vóór genoemde verrichting niet bezat.


(1)  PB C 247 van 27.09.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/8


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 19 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Svea hovrätt — Zweden) — Kemikalieinspektionen/Nordiska Dental AB

(Zaak C-288/08) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 93/42/EEG - Medische hulpmiddelen - Uitvoerverbod voor kwikhoudend tandamalgaam voorzien van EG-markering van overeenstemming - Bescherming van gezondheid en milieu)

2010/C 24/12

Procestaal: Zweeds

Verwijzende rechter

Svea hovrätt

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Kemikalieinspektionen

Verwerende partij: Nordiska Dental AB

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Svea Hovrätt — Uitlegging van de artikelen 29 EG en 30 EG alsmede van artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PB L 169, blz. 1) — Nationale wettelijke regeling houdende verbod van uitvoer van kwikhoudend tandamalgaam

Dictum

Artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de regeling van een lidstaat zoals die aan de orde in het hoofdgeding, die uit hoofde van bescherming van het milieu en de gezondheid voorziet in een verbod op beroepsmatige uitvoer van kwikhoudend tandamalgaam dat is voorzien van de in artikel 17 van deze richtlijn bedoelde EG-markering.


(1)  PB C 209 van 15.8.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/9


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 10 december 2009 — Europese Commissie/Franse Republiek

(Zaak C-299/08) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 2004/18/EG - Procedures voor plaatsen van overheidsopdrachten - Nationale regeling die voorziet in één enkele procedure voor gunning van opdracht voor definiëring van behoeften en van daarop aansluitende uitvoeringsopdracht - Verenigbaarheid met deze richtlijn)

2010/C 24/13

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: D. Kukovec, G. Rozet en M. Konstantinidis, gemachtigden)

Verwerende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues, J.-C. Gracia en J.-S. Pilczer, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van de artikelen 2, 28 en 31 van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114) — Gebruikmaking van de procedure van gunning door onderhandelingen zonder bekendmaking van de aankondiging van de opdracht, in gevallen waarin dit niet is voorzien in richtlijn 2004/18 — Onderscheid tussen „opdrachten voor projectdefiniëring” (marchés de définition), waarvoor de voorschriften van de richtlijn gelden, en „uitvoeringsopdrachten” (marchés d’exécution), waarop deze voorschriften niet van toepassing zijn — Schending van beginselen van transparantie en gelijke behandeling

Dictum

1)

Met de vaststelling en handhaving van de artikelen 73 en 74-IV van de Code des marchés publics zoals vastgesteld bij besluit nr. 2006-975 van 1 augustus 2006, voor zover daarbij is voorzien in een procedure voor het plaatsen van opdrachten voor projectdefiniëring op basis waarvan een aanbestedende dienst een opdracht tot uitvoering (van diensten, leveringen of werken) kan gunnen aan een van de opdrachtnemers van de oorspronkelijke opdrachten voor projectdefiniëring, zonder een nieuwe oproep tot mededinging, of hoogstens met een tot die opdrachtnemers beperkte oproep tot mededinging, is de Franse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2 en 28 van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 272 van 25.10.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/9


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 19 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Poznaniu — Polen) — Krzysztof Filipiak/Dyrektor Izby Skarbowej w Poznaniu

(Zaak C-314/08) (1)

(Wettelijke regeling inzake inkomstenbelasting - Recht op aftrek van socialezekerheidsbijdragen van belastinggrondslag - Recht op belastingvermindering voor betaalde ziekteverzekeringsbijdragen - Weigering indien bijdragen in andere lidstaat dan staat van belastingheffing zijn betaald - Verenigbaarheid met artikelen 43 EG en 49 EG - Arrest van nationaal constitutioneel hof - Ongrondwettigheid van nationale bepalingen - Uitstel van verlies van bindende kracht van die bepalingen - Voorrang van gemeenschapsrecht - Gevolgen voor verwijzende rechter)

2010/C 24/14

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Wojewódzki Sąd Administracyjny w Poznaniu

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Krzysztof Filipiak

Verwerende partij: Dyrektor Izby Skarbowej w Poznaniu

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Wojewódzki Sąd Administracyjny w Poznaniu — Uitlegging van de artikelen 10 EG en 43 EG — Nationale wettelijke regeling inzake inkomstenbelasting die aftrekbaarheid van socialeverzekeringsbijdragen van de belastinggrondslag en aftrekbaarheid van ziektekostenverzekeringsbijdragen van de belasting uitsluitend beperkt tot in de lidstaat betaalde bijdragen

Dictum

1)

De artikelen 43 EG en 49 EG staan in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan een ingezeten belastingplichtige er aanspraak op kan maken dat het bedrag van de tijdens het belastingjaar betaalde socialezekerheidsbijdragen in aftrek wordt gebracht op de belastinggrondslag, en dat de door hem verschuldigde inkomstenbelasting wordt verminderd met de tijdens die periode betaalde ziekteverzekeringsbijdragen, uitsluitend wanneer die bijdragen in de lidstaat van belastingheffing zijn betaald, terwijl dergelijke voordelen worden geweigerd wanneer die bijdragen in een andere lidstaat zijn betaald, hoewel zij daar niet zijn afgetrokken.

2)

In die omstandigheden is de nationale rechter ingevolge de voorrang van het gemeenschapsrecht verplicht het gemeenschapsrecht toe te passen en de daarmee strijdige nationale bepalingen buiten toepassing te laten, ongeacht het arrest van het nationale constitutionele hof waarin is verklaard dat die ongrondwettig geachte bepalingen hun bindende kracht op een later tijdstip zullen verliezen.


(1)  PB C 247 van 27.9.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/10


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 10 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de Madrid — Spanje) — Ovidio Rodríguez Mayor, Pilar Pérez Boto, Pedro Gallego Morzillo, Alfonso Francisco Pérez, Juan Marcelino Gabaldón Morales, Marta María Maestro Campo, Bartolomé Valera Huete/Herencia yacente de Rafael de las Heras Dávila, Sagrario de las Heras Dávila

(Zaak C-323/08) (1)

(Prejudiciële procedure - Bescherming van werknemers - Collectief ontslag - Richtlijn 98/59/EG - Beëindiging van arbeidsovereenkomsten wegens overlijden van werkgever)

2010/C 24/15

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Superior de Justicia de Madrid

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Ovidio Rodríguez Mayor, Pilar Pérez Boto, Pedro Gallego Morzillo, Alfonso Francisco Pérez, Juan Marcelino Gabaldón Morales, Marta María Maestro Campo, Bartolomé Valera Huete

Verwerende partijen: Herencia yacente de Rafael de las Heras Dávila, Sagrario de las Heras Dávila

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunal Superior de Justicia de Madrid — Uitlegging van de artikelen 1, 2, 3, 4 en 6 van richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225, blz. 16) — Nationale wettelijke regeling die het begrip ontslag beperkt tot ontslag om economische, technische, organisatorische of met de productie verband houdende redenen — Beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens overlijden, pensionering of invaliditeit van werkgever — Verschillende vergoeding naargelang het geval — Verenigbaarheid met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden

Dictum

1)

Artikel 1, lid 1, van richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat wanneer de arbeidsovereenkomsten van verscheidene werknemers die een natuurlijk persoon als werkgever hebben, eindigen omdat deze laatste is overleden, geen sprake is van collectief ontslag.

2)

Richtlijn 98/59 verzet zich niet tegen een nationale regeling die verschillende vergoedingen toekent naargelang de werknemer zijn baan heeft verloren omdat de werkgever is overleden of omdat hij het slachtoffer is geweest van collectief ontslag.


(1)  PB C 236 van 13.9.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/10


Arrest van het Hof (Derde kamer) van 10 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Schwerin — Duitsland) — Krzysztof Peśla/Justizministerium Mecklenburg-Vorpommern

(Zaak C-345/08) (1)

(Vrij verkeer van werknemers - Artikel 39 EG - Weigering van toegang tot juridische stage ter voorbereiding op uitoefening van gereglementeerde juridische beroepen - Kandidaat die rechtendiploma in andere lidstaat heeft behaald - Criteria voor onderzoek van gelijkwaardigheid van verworven kennis)

2010/C 24/16

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgericht Schwerin

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Krzysztof Peśla

Verwerende partij: Justizministerium Mecklenburg-Vorpommern

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Verwaltungsgericht Schwerin — Uitlegging van artikel 39 EG — Besluit waarbij een kandidaat die zijn rechtendiploma in een andere lidstaat heeft behaald, de toegang tot de juridische stage ter voorbereiding op de uitoefening van gereglementeerde juridische beroepen wordt geweigerd — Criteria voor het onderzoek van de gelijkwaardigheid van de opleidingen

Dictum

1)

Artikel 39 EG moet aldus worden uitgelegd dat bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid van opleidingen naar aanleiding van een verzoek om rechtstreeks, zonder de daartoe vastgestelde proeven af te leggen, te worden toegelaten tot een stage ter voorbereiding op de uitoefening van juridische beroepen, die kennis als maatstaf dient te worden genomen die blijkt uit de kwalificaties die worden vereist in de lidstaat waar de aanvrager verzoekt om tot een dergelijke stage te worden toegelaten.

2)

Artikel 39 EG moet aldus worden uitgelegd dat het op zich niet vereist dat de bevoegde autoriteiten van een lidstaat bij het onderzoek van een aanvraag van een burger van een andere lidstaat om tot een praktijkopleiding te worden toegelaten met het oog op de latere uitoefening van een gereglementeerd juridisch beroep, bijvoorbeeld tot een stage ter voorbereiding op de uitoefening van juridische beroepen in Duitsland, in het kader van de door het gemeenschapsrecht vereiste gelijkwaardigheidstoetsing van de aanvrager slechts een niveau van juridische kennis verlangen dat lager is dan het niveau dat blijkt uit de kwalificaties die in deze lidstaat worden vereist om tot een dergelijke praktijkopleiding te worden toegelaten. Evenwel dient te worden gepreciseerd dat dit artikel zich evenmin tegen een versoepeling van deze kwalificatievereisten verzet en dat de mogelijkheid van een gedeeltelijke erkenning van de kennis die blijkt uit de kwalificaties waarvan de betrokkene het bewijs heeft geleverd, in de praktijk niet louter fictief mag zijn, wat door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.


(1)  PB C 260 van 11.10.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/11


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 2 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het House of Lords — Verenigd Koninkrijk) — Aventis Pasteur SA/OB

(Zaak C-358/08) (1)

(Richtlijn 85/374/EEG - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Artikelen 3 en 11 - Dwaling betreffende kwalificatie van „producent” - Gerechtelijke procedure - Verzoek tot vervanging van oorspronkelijke verweerder door producent - Verstrijken van verjaringstermijn)

2010/C 24/17

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

House of Lords

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Aventis Pasteur SA

Verwerende partij: OB

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — House of Lords — Uitlegging van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 210, blz. 29) — Vordering ingesteld tegen een onderneming die ten onrechte als fabrikant van het beweerdelijk gebrekkige product wordt beschouwd — Mogelijkheid, na het verstrijken van de in artikel 11 van de richtlijn neergelegde verjaringstermijn van tien jaar, de verwerende partij te vervangen door een andere partij — Persoon die in de procedure gedurende de termijn van tien jaar als verwerende partij was aangeduid, is geen producent in de zin van artikel 3 van de richtlijn

Dictum

Artikel 11 van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een nationale regeling die de vervanging van een verweerder door een andere verweerder in de loop van de gerechtelijke procedure toestaat, zodanig wordt toegepast dat na het verstrijken van de hierbij vastgestelde termijn een „producent” in de zin van artikel 3 van deze richtlijn kan worden vervolgd als verweerder in een gerechtelijke procedure die binnen deze termijn is ingeleid tegen een andere persoon.

Dit artikel 11 moet echter aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat de nationale rechter van oordeel is dat in de gerechtelijke procedure die binnen de hierbij vastgestelde termijn is ingeleid tegen de volledige dochteronderneming van de „producent” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 85/374, deze producent in de plaats van deze dochteronderneming kan worden gesteld indien die rechter vaststelt dat het in feite deze producent was die tot het in het verkeer brengen van het betrokken product heeft besloten.

Voorts moet artikel 3, lid 3, van richtlijn 85/374 aldus worden uitgelegd dat wanneer de gelaedeerde van een product waarvan wordt gesteld dat het een gebrek vertoont, redelijkerwijze niet de producent van dit product heeft kunnen achterhalen alvorens zijn rechten uit te oefenen tegen de leverancier hiervan, deze leverancier als een „producent” moet worden beschouwd, met name voor de toepassing van artikel 11 van deze richtlijn, indien hij de gelaedeerde niet op eigen initiatief en met voortvarendheid de identiteit van de producent of van zijn eigen leverancier heeft meegedeeld, hetgeen door de nationale rechter moet worden nagegaan gelet op de omstandigheden van het geval.


(1)  PB C 260 van 11.10.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/12


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 26 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof — Oostenrijk) — Romana Slanina/Unabhängiger Finanzsenat Außenstelle Wien

(Zaak C-363/08) (1)

(Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Kinderbijslag - Weigering - Staatsburger die met kind in andere lidstaat is gevestigd terwijl vader van kind op nationaal grondgebied werkt)

2010/C 24/18

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Romana Slanina

Verwerende partij: Unabhängiger Finanzsenat Außenstelle Wien

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) — Uitlegging van artikel 73 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB L 149, blz. 2) — Nationale wettelijke regeling die voorziet in kinderbijslag (Familienbeihilfe) voor op nationale grondgebied woonachtige personen met kind ten laste — Weigering om bijslag toe te kennen aan staatsburger die zich met haar kind in andere lidstaat heeft gevestigd, terwijl vader van kind op nationale grondgebied is blijven wonen en aldaar beroepswerkzaamheid uitoefent

Dictum

1)

Artikel 73 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, moet aldus worden uitgelegd dat een gescheiden persoon die kinderbijslag ontving van het bevoegde orgaan van de lidstaat waarin zij woonde en waar haar ex-echtgenoot blijft wonen en werken, het recht op die bijslag behoudt voor haar kind, op voorwaarde dat dit kind als „gezinslid” van deze ex-echtgenoot in de zin van artikel 1, sub f-i, van deze verordening wordt erkend, hoewel zij die staat verlaat om met haar kind te gaan wonen in een andere lidstaat, waar zij niet werkt, en hoewel de ex-echtgenoot deze bijslag zou kunnen ontvangen in de lidstaat waar hij woont.

2)

Wanneer een persoon die zich bevindt in een situatie als die van verzoekster in het hoofdgeding, in de lidstaat van woonplaats een beroepsactiviteit uitoefent die daadwerkelijk een recht op kinderbijslag doet ontstaan, wordt overeenkomstig artikel 76 van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, het recht op de kinderbijslag die verschuldigd is krachtens de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan de ex-echtgenoot van deze persoon een beroepsactiviteit uitoefent, geschorst ten belope van het bedrag dat is vastgesteld in de wetgeving van de lidstaat van woonplaats van die persoon.


(1)  PB C 285 van 08.11.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/12


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 3 december 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — Yaesu Europe BV/Bundeszentralamt für Steuern

(Zaak C-433/08) (1)

(Achtste btw-richtlijn - Regeling voor teruggaaf van btw aan niet in binnenland gevestigde belastingplichtigen - Bijlage A - Verzoek om teruggaaf - Begrip „handtekening” in dat verzoek - Nationale wettelijke regeling waarbij eigenhandig geplaatste handtekening van belastingplichtige of van zijn wettelijke vertegenwoordiger is vereist en die van gevolmachtigde is uitgesloten)

2010/C 24/19

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Yaesu Europe BV

Verwerende partij: Bundeszentralamt für Steuern

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van het model in bijlage A bij de Achtste richtlijn (79/1072/EEG) van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen (PB L 331, blz. 11) — Begrip „handtekening” op het verzoek om teruggaaf — Nationale wettelijke regeling waarbij alleen de aanvrager zelf of zijn wettelijke vertegenwoordiger en niet een gemachtigde kan ondertekenen

Dictum

Het begrip „handtekening” in het model voor een verzoek om teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde in bijlage A bij de Achtste richtlijn (79/1072/EEG) van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen, vormt een gemeenschapsrechtelijk begrip dat uniform moet worden uitgelegd in die zin dat een dergelijk verzoek om teruggaaf niet verplicht door de belastingplichtige zelf moet worden ondertekend, maar dat het in dit verband volstaat dat het door een gevolmachtigde wordt ondertekend.


(1)  PB C 313 van 06.12.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/13


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 10 december 2009 — Europese Commissie/Helleense Republiek

(Zaak C-460/08) (1)

(Niet-nakoming - Artikel 39 EG - Betrekkingen in overheidsdienst - Kapiteins en officieren (eerste stuurlieden) op schepen - Verlening van bevoegdheden van openbaar gezag aan boord - Vereiste van nationaliteit van lidstaat onder vlag waarvan wordt gevaren)

2010/C 24/20

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Rozet en D. Triantafyllou, gemachtigden)

Verwerende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordiger: E.-M. Mamouna, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Schending van artikel 39 EG-Verdrag — Nationale wettelijke regeling die de functies van kapitein en eerste stuurman op Griekse koopvaardij- en visserijschepen aan Griekse onderdanen voorbehoudt

Dictum

1)

Door in haar wetgeving voor de toegang tot de functies van kapitein en officier (eerste stuurman) op alle schepen onder Griekse vlag het vereiste van de Griekse nationaliteit te handhaven, is de Helleense Republiek de krachtens artikel 39 EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 327 van 20.12.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/13


Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 19 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Hoge Raad der Nederlanden) — Don Bosco Onroerend Goed BV/Staatssecretaris van Financiën

(Zaak C-461/08) (1)

(Zesde btw-richtlijn - Uitlegging van artikelen 13, B, sub g, en 4, lid 3, sub a - Levering van terrein met gedeeltelijk gesloopt gebouw, op plaats waarvan nieuw bouwwerk moet worden opgericht - Btw-vrijstelling)

2010/C 24/21

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Don Bosco Onroerend Goed BV

Verwerende partij: Staatssecretaris van Financiën

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Uitlegging van artikel 4, lid 3, sub a, juncto artikel 13, B, sub g, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Belastbaarheid van de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en de bijbehorende grond vóór eerste ingebruikneming ervan — Levering van een gedeeltelijk gesloopt gebouw met het oog op vervanging ervan door een nieuw op te richten gebouw

Dictum

Artikel 13, B, sub g, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, juncto artikel 4, lid 3, sub a, van deze richtlijn, moet aldus worden uitgelegd dat de levering van een terrein waarop nog een oud gebouw staat dat moet worden gesloopt teneinde op die plaats een nieuw bouwwerk op te richten, welke sloop, waarvoor de verkoper instaat, reeds een aanvang heeft genomen vóór deze levering, niet onder de in het eerstgenoemde artikel neergelegde vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde valt. Dergelijke handelingen van levering en sloop vormen, vanuit het oogpunt van de belasting over de toegevoegde waarde, één handeling, die, als geheel, niet de levering van het bestaande gebouw en het erbij behorend terrein, maar de levering van een onbebouwd terrein tot voorwerp heeft, ongeacht hoever de sloop van het oude gebouw op het moment van de daadwerkelijke levering van het terrein is gevorderd.


(1)  PB C 69 van 21.3.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/14


Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 3 december 2009 — Europese Commissie/Koninkrijk België

(Zaak C-475/08) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 2003/55/EG - Interne markt voor aardgas - Definitieve aanwijzing van systeembeheerders - Besluit tot vrijstelling van grote nieuwe gasinfrastructuur van toepassing van sommige bepalingen van deze richtlijn - Bekendmakings-, overleg- en kennisgevingsplichten)

2010/C 24/22

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Patakia en B. Schima, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordigers: C. Pochet, gemachtigde, J. Scalais en O. Vanhulst, advocaten)

Voorwerp

Niet-nakoming — Verzuim om alle bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan de artikelen 7, 11,18 juncto artikel 25, lid 2, en 22, lid 3, sub d en e, en lid 4, van richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van richtlijn 98/30/EG (PB L 176, blz. 57) — Geen aanwijzing van transmissie- en distributiesysteembeheerders voor vloeibaar aardgas — Geen verplichting tot bekendmaking van besluit tot vrijstelling van grote nieuwe gasinfrastructuur van toepassing van de richtlijn — Geen verplichting tot overleg met andere lidstaten of regelgevende instanties die zijn betrokken bij interconnectie van die infrastructuur

Dictum

1)

Door niet te zijn overgegaan tot de definitieve aanwijzing van de systeembeheerders van de transmissie-, opslag- en LNG-installaties, zoals vereist door artikel 7 van richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van richtlijn 98/30/EG, en door artikel 22, lid 3, sub d en e, en lid 4, van deze richtlijn niet in nationaal recht om te zetten, is het Koninkrijk België de krachtens deze bepalingen op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 32 van 7.2.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/14


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 3 december 2009 — Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE/Europese Commissie

(Zaak C-476/08 P) (1)

(Hogere voorziening - Verordeningen (EG, Euratom) nrs. 1605/2002 en 2342/2002 - Overheidsopdrachten die door communautaire instellingen voor eigen rekening worden geplaatst - Fout in verslag van evaluatiecomité - Verplichting tot motivering van afwijzing van offerte van inschrijver)

2010/C 24/23

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE (vertegenwoordiger: N. Korogiannakis, dikigoros)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Wilderspin en E. Manhaeve, gemachtigden)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 10 september 2008, Evropaïki Dynamiki/Commissie (T-59/05), waarbij het Gerecht heeft verworpen een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 23 november 2004 houdende afwijzing van rekwirante’s offerte in het kader van de aanbestedingsprocedure voor diensten van ontwikkeling en onderhoud van informatiesystemen en daarmee verband houdende ondersteuning, bestemd voor de financiële-informatiesystemen van het DG Landbouw, alsook van de beslissing om de opdracht aan een andere inschrijver te gunnen — Verplichting tot motivering van de afwijzing van een offerte van een inschrijver

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Evropaïki Dynamiki — Proigmena Systimata Tilepikoinonion Pliroforikis kai Tilematikis AE wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 19 van 24.1.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/15


Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 26 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

(Zaak C-13/09) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 2006/86/EG - Traceerbaarheidsvereisten - Melding van ernstige bijwerkingen en ernstige ongewenste voorvallen - Technische voorschriften voor coderen, bewerken, preserveren, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

2010/C 24/24

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: C. Cattabriga en S. Mortoni, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Calmieri, gemachtigde, F. Arena, avvocato dello Stato)

Voorwerp

Niet-nakoming — Verzuim om binnen de gestelde termijn de bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/86/EG van de Commissie van 24 oktober 2006 ter uitvoering van richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de traceerbaarheidsvereisten, de melding van ernstige bijwerkingen en ernstige ongewenste voorvallen en bepaalde technische voorschriften voor het coderen, bewerken, preserveren, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (PB L 294, blz. 32)

Dictum

1)

Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/86/EG van de Commissie van 24 oktober 2006 ter uitvoering van richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de traceerbaarheidsvereisten, de melding van ernstige bijwerkingen en ernstige ongewenste voorvallen en bepaalde technische voorschriften voor het coderen, bewerken, preserveren, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen, is de Italiaanse Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 55 van 7.3.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/15


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 10 december 2009 — Europese Commissie/Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

(Zaak C-187/09) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 2006/40/EG - Klimaatregeling van motorvoertuigen - Onvolledige uitvoering)

2010/C 24/25

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: O. Beynet en S. Walker, gemachtigden)

Verwerende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordiger: S. Ossowski, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Verzuim om binnen de gestelde termijn de bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PB L 161, blz. 12)

Dictum

1)

Door niet binnen de gestelde termijn alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van richtlijn 70/156/EEG van de Raad, is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 167 van 18.7.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/16


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 26 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Ierland

(Zaak C-202/09) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 2006/24/EG - Elektronische communicatie - Bescherming van persoonlijke levenssfeer - Bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met aanbieden van elektronische communicatiediensten - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

2010/C 24/26

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: L. Balta en A.-A. Gilly, gemachtigden)

Verwerende partij: Ierland (vertegenwoordiger: D. O'Hagan, gemachtigde)

Voorwerp

Niet-nakoming — Verzuim om binnen de gestelde termijn de bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van richtlijn 2002/58/EG (PB L 105, blz. 54)

Dictum

1)

Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van richtlijn 2002/58/EG, is Ierland de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

Ierland wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 167 van 18.7.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/16


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 26 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

(Zaak C-211/09) (1)

(Niet-nakoming - Richtlijn 2006/24/EG - Elektronische communicatie - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)

2010/C 24/27

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: L. Balta en M. Karanasou Apostolopoulou, gemachtigden)

Verwerende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: N. Dafniou en K. Vasiliki, gemachtigden)

Voorwerp

Niet-nakoming — Verzuim om binnen de gestelde termijn de bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van richtlijn 2002/58/EG (PB L 105, blz. 54)

Dictum

1)

Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende de bewaring van gegevens die zijn gegenereerd of verwerkt in verband met het aanbieden van openbaar beschikbare elektronische communicatiediensten of van openbare communicatienetwerken en tot wijziging van richtlijn 2002/58/EG, is de Helleense Republiek de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.

2)

De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 193 van 15.8.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/17


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 30 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Administrativen sad Sofia-grad — Bulgarije) — Said Shamilovich Kadzoev (Huchbarov)

(Zaak C-357/09) (1)

(Visa, asiel, immigratie en andere beleidsterreinen die verband houden met vrij verkeer van personen - Richtlijn 2008/115/EG - Terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op grondgebied verblijven - Artikel 15, leden 4 tot en met 6 - Termijn voor bewaring - Inaanmerkingneming van tijdvak waarin uitvoering van verwijderingsbeslissing is geschorst - Begrip „redelijk vooruitzicht op verwijdering”)

2010/C 24/28

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Administrativen sad Sofia-grad

Partij in het hoofdgeding

Said Shamilovich Kadzoev (Huchbarov)

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Administrativen sad Sofia–grad — Uitlegging van artikel 15, leden 4, 5 en 6, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348, blz. 98) — Overschrijding van maximumduur van inbewaringstelling, voorzien in artikel 15 van deze richtlijn, voor onderdaan van derde land die illegaal op het grondgebied verblijft — Overschrijding van deze maximumduur op de datum van inwerkingtreding van de richtlijn, maar vóór de omzetting ervan in het nationale recht, dat geen beperking in de tijd van inbewaringstelling kent — Toepassing van normen van richtlijn na omzetting ervan in nationaal recht en gebrek aan terugwerkende kracht voor hangende gevallen — Niet-inaanmerkingneming, bij de berekening van de maximumduur van inbewaringstelling, van de tijd die is verstreken tijdens een procedure tot betwisting van het door de nationale autoriteiten genomen verwijderingsbesluit — Eventuele toelaatbaarheid van overschrijding van deze duur, gebaseerd op ontbreken van identiteitsdocumenten en middelen van bestaan, en op agressief gedrag van de betrokken persoon — Begrip „redelijk vooruitzicht op verwijdering”

Dictum

1)

Artikel 15, leden 5 en 6, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, moet aldus worden uitgelegd dat de daarin voorziene maximumtermijn voor inbewaringstelling het tijdvak van bewaring moet insluiten dat is vervuld in het kader van een verwijderingsprocedure die is ingeleid vóór de regeling van deze richtlijn van toepassing is geworden.

2)

Het tijdvak waarin een persoon in een inrichting voor tijdelijke plaatsing is geplaatst op grond van een beslissing die krachtens de nationale en communautaire bepalingen over asielzoekers is genomen, mag niet worden beschouwd als bewaring met het oog op verwijdering in de zin van artikel 15 van richtlijn 2008/115.

3)

Artikel 15, leden 5 en 6, van richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat het tijdvak waarin de uitvoering van het verwijderingsbesluit was geschorst omdat de betrokkene tegen dit besluit beroep had ingesteld bij de rechter, in aanmerking wordt genomen bij de berekening van het tijdvak van bewaring met het oog op verwijdering wanneer de betrokkene gedurende deze procedure verder in een inrichting voor tijdelijke plaatsing heeft verbleven.

4)

Artikel 15, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat het geen toepassing vindt wanneer de mogelijkheden voor verlenging van de in artikel 15, lid 6, van richtlijn 2008/115 voorziene termijnen voor inbewaringstelling zijn uitgeput op het tijdstip van de rechterlijke toetsing van de bewaring van de betrokkene.

5)

Artikel 15, lid 4, van richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat alleen wanneer er een werkelijk vooruitzicht is dat de verwijdering kan slagen rekening houdend met de in artikel 15, leden 5 en 6, voorziene termijnen, sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering, en dat dit laatste vooruitzicht niet bestaat wanneer het weinig waarschijnlijk lijkt dat de betrokkene, gezien deze termijnen, in een derde land wordt opgevangen.

6)

Artikel 15, leden 4 en 6, van richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de in deze richtlijn voorziene maximumtermijn voor inbewaringstelling is verstreken, op basis van dit artikel niet kan worden beslist om de betrokkene niet onmiddellijk vrij te laten op grond dat hij niet in het bezit is van geldige documenten, dat hij agressief is en dat hij noch over eigen bestaansmiddelen noch over een woning of middelen die de lidstaat daartoe verstrekt, beschikt.


(1)  PB C 267 van 7.11.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/18


Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 24 september 2009 — Compagnie des bateaux mouches SA/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Jean-Noël Castanet

(Zaak C-78/09 P) (1)

(Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Woordmerk BATEAUX MOUCHES - Weigering van inschrijving - Ontbreken van onderscheidend vermogen)

2010/C 24/29

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Compagnie des bateaux mouches SA (vertegenwoordiger: G. Barbaut, advocaat)

Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde), Jean-Noël Castanet (vertegenwoordiger: J.-P. Sulzer, advocaat)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Zevende kamer) van 10 december 2008, Bateaux mouches/BHIM (T-365/06) houdende verwerping van het door rekwirante ingestelde beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 7 september 2006 inzake een procedure voor de nietigverklaring van het gemeenschapswoordmerk „BATEAUX MOUCHES” — Schending van artikel 7, leden 1, sub b, en 3 van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1) — Onjuiste uitlegging van de uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende criteria — Geen onderscheidend vermogen

Dictum

1)

De hogere voorziening wordt afgewezen.

2)

Compagnie des bateaux mouches SA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 102 van 1.5.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/18


Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 20 november 2009 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal de grande instance de Paris — Frankrijk) — Olivier Martinez, Robert Martinez/MGN LIMITED

(Zaak C-278/09) (1)

(Verordening (EG) nr. 44/2001 - Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken - Rechterlijke instantie die niet krachtens artikel 68, lid 1, EG bevoegd is Hof om prejudiciële beslissing te verzoeken - Onbevoegdheid van Hof)

2010/C 24/30

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal de grande instance de Paris

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Olivier Martinez, Robert Martinez

Verwerende partij: MGN LIMITED

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunal de grande instance de Paris — Uitlegging van de artikelen 2 en 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) — Rechter die bevoegd is om te oordelen over een beroep wegens aantasting van het privéleven en het portretrecht na plaatsing van informatie en foto’s op een internetsite vanaf een server op het grondgebied van een andere lidstaat dan die van de woonplaats van eiser — Vaststelling van de plaats waar het schadebrengend feit zich heeft voorgedaan — Relevantie voor de vaststelling van deze plaats van het aantal verbindingen met de litigieuze internetsite vanuit de staat waar eiser zijn woonplaats heeft, van zijn nationaliteit en, in voorkomend geval, van de taal waarin de litigieuze informatie is verspreid

Dictum

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is niet bevoegd om de door het Tribunal de grande instance de Paris in zaak C-278/09 gestelde vraag te beantwoorden.


(1)  PB C 220 van 12.9.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší správní soud (Tsjechië) op 16 oktober 2009 — Marie Landtová/Česká správa sociálního zabezpečení

(Zaak C-399/09)

2010/C 24/31

Procestaal: Tsjechisch

Verwijzende rechter

Nejvyšší správní soud

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Marie Landtová

Verwerende partij: Česká správa sociálního zabezpečení

Prejudiciële vragen

1)

Moet punt 6 van deel A van bijlage III in samenhang met artikel 7, lid 2, sub c, van verordening (EEG) nr. 1408/71 (1) van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, volgens hetwelk het criterium om te bepalen welke opvolgerstaat bevoegd is om het tot en met 31 december 1992 door werknemers in het socialezekerheidsstelsel van de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek vervulde verzekeringstijdvak mee te rekenen, van kracht blijft, aldus worden uitgelegd dat het de toepassing uitsluit van een regel van nationaal recht waarin wordt bepaald dat een Tsjechische socialezekerheidsinstelling met betrekking tot het recht op een uitkering en de vaststelling van de hoogte hiervan, het verzekeringstijdvak dat tot en met 31 december 1992 op het grondgebied van de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek is vervuld, volledig moet meerekenen, hoewel volgens het bovenvermelde criterium een socialezekerheidsinstelling van de Republiek Slowakije bevoegd is om deze mee te rekenen?

2)

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 12 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap in samenhang met de artikelen 3, lid 1, 10, en 46 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat het verzekeringstijdvak dat tot en met 31 december 1992 in het socialezekerheidsstelsel van de voormalige Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek is vervuld en al eenmaal in dezelfde omvang is meegerekend voor uitkeringsdoeleinden in het socialezekerheidsstelsel van de Republiek Slowakije, krachtens de voormelde nationale regeling slechts voor in de Tsjechische Republiek woonachtige onderdanen van deze staat volledig wordt meegerekend bij de vaststelling van het recht op ouderdomspensioen en de hoogte hiervan?


(1)  PB L 149, blz. 2.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunalul Sibiu (Roemenië) op 16 oktober 2009 — Ioan Tatu/De Roemeense Staat, vertegenwoordigd door het Ministerul Finanțelor și Economiei, Direcția Generală a Finanțelor Publice Sibiu, Administrația Finanțelor Publice Sibiu, Administrația Fondului pentru Mediu, Ministerul Mediului

(Zaak C-402/09)

2010/C 24/32

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Tribunalul Sibiu

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Ioan Tatu

Verwerende partij: De Roemeense Staat, vertegenwoordigd door het Ministerul Finanțelor și Economiei, Direcția Generală a Finanțelor Publice Sibiu, Administrația Finanțelor Publice Sibiu, Administrația Fondului pentru Mediu, Ministerul Mediului

Prejudiciële vraag

Verzet artikel 90 van het EG-Verdrag zich tegen de bepalingen van OUG nr. 50/2008 [tot vaststelling van de milieuheffing voor motorvoertuigen (1) ], zoals nadien gewijzigd [bij OUG nr. 208/2008 (2) en OUG nr. 218/2008 (3) ]? Is hier sprake van een kennelijk discriminerende maatregel?


(1)  OUG nr. 50/2008 tot vaststelling van de milieuheffing voor motorvoertuigen, M. Of. nr. 327 van 25 april 2008.

(2)  OUG nr. 208/2008 tot vaststelling van enkele maatregelen betreffende de milieuheffing voor motorvoertuigen, M. Of. nr. 825 van 8 december 2008.

(3)  OUG nr. 218/2008 tot wijziging van Ordonanța de urgență a Guvernului nr. 50/2008 tot vaststelling van de milieuheffing voor motorvoertuigen, M. Of. nr. 836 van 11 december 2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/19


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Najwyższy (Polen) op 28 oktober 2009 — Polska Telefonia Cyfrowa Sp. z o.o./Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej

(Zaak C-410/09)

2010/C 24/33

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Sąd Najwyższy

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Polska Telefonia Cyfrowa Sp. z o.o.

Verwerende partij: Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej

Prejudiciële vraag

Kunnen op grond van artikel 58 van de Toetredingsakte (PB 2003, L 236, blz. 33) de bepalingen van de richtsnoeren van de Europese Commissie (PB 2002, C 165, blz. 6), die een nationale regelgevende instantie overeenkomstig artikel 16, lid 1, van richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33) (omissis), bij een analyse van de relevante markten zoveel mogelijk in acht moet nemen, aan particulieren in deze lidstaat worden tegengeworpen wanneer die richtsnoeren niet in het Publicatieblad van de Europese Unie in de taal van deze lidstaat zijn bekendgemaakt, hoewel deze taal een officiële taal van de Europese Unie is?


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/20


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesgericht für ZRS Wien (Oostenrijk) op 28 oktober 2009 — Humanplasma GmbH/Republiek Oostenrijk

(Zaak C-421/09)

2010/C 24/34

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landesgericht für ZRS Wien

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Humanplasma GmbH

Verwerende partij: Republiek Oostenrijk

Prejudiciële vraag

Staat artikel 28 EG (juncto artikel 30 EG) in de weg aan de toepassing van een nationale regeling die de invoer van erytrocytenconcentraten uit Duitsland afhankelijk stelt van de — ook voor de winning in Oostenrijk van erytrocytenconcentraten geldende — voorwaarde dat de bloeddonatie volledig onbezoldigd (ook in de zin van een onkostenvergoeding) is geschied?


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/20


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) op 28 oktober 2009 — Vasiliki S. Vandorou/Ypourgos Ethnikis Paideias kai Thriskevmaton

(Zaak C-422/09)

2010/C 24/35

Procestaal: Grieks

Verwijzende rechter

Symvoulio tis Epikrateias

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Vasiliki S. Vandorou

Verwerende partij: Ypourgos Ethnikis Paideias kai Thriskevmaton

Prejudiciële vraag

Moet onder beroepservaring in de zin van artikel 4, lid 1, sub b, van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, zoals van kracht na de wijziging ervan bij artikel 1, lid 3, van richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2001 (PB L 206) en vóór de intrekking ervan bij artikel 62 van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 (PB L 255), die de nationale autoriteit in aanmerking neemt om te bepalen of de kennis die een belanghebbende op grond van die ervaring heeft opgedaan, van dien aard is dat daardoor geheel of ten dele de wezenlijke verschillen worden ondervangen tussen de vakgebieden waarop de opleiding betrekking heeft die de belanghebbende in de lidstaat van herkomst heeft genoten, en die welke bestreken worden door het in de lidstaat van ontvangst voorgeschreven diploma, mede worden verstaan een ervaring met de volgende cumulatieve kenmerken: a) zij is door de belanghebbende opgedaan na verwerving van het diploma dat toegang verleent tot een bepaald gereglementeerd beroep in de lidstaat van herkomst; b) zij is opgedaan in het kader van de uitoefening, in de lidstaat van ontvangst, van beroepsactiviteiten die weliswaar niet gelijk zijn te stellen met het gereglementeerde beroep, de uitoefening waarvan de belanghebbende heeft aangevraagd op basis van richtlijn 89/48 (en dat overigens in de lidstaat van ontvangst vóór de inwilliging van die aanvraag ook niet op rechtmatige wijze kan worden uitgeoefend), maar die naar het inhoudelijke oordeel van de tot beslissing op de aanvraag bevoegde autoriteit verwant zijn met het genoemde gereglementeerde beroep, en c) zij is wegens deze verwantschap naar het inhoudelijke oordeel van de genoemde nationale autoriteit, van dien aard dat de wezenlijke verschillen tussen de vakgebieden waarop de door de belanghebbende in een lidstaat genoten opleiding betrekking had en de vakgebieden die door het diploma in de lidstaat van ontvangst worden bestreken, daardoor ten minste ten dele worden ondervangen?


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden op 29 oktober 2009 — Staatssecretaris van Financiën tegen X

(Zaak C-423/09)

2010/C 24/36

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: Staatssecretaris van Financiën

Verweerder: X

Prejudiciële vraag

Aan de hand van welke criteria moet worden bepaald of groenten (knoflookbollen) die in enigerlei mate zijn gedroogd, maar waaraan niet (nagenoeg) al het vocht is onttrokken, en die in gekoelde staat worden ingevoerd, zijn in te delen in postonderverdeling 0703 20 00 van de GN dan wel in postonderverdeling 0712 90 90 van de GN?


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) op 28 oktober 2009 — Christina Ioanni Toki/Ypourgos Ethnikis Paideias kai Thriskevmaton

(Zaak C-424/09)

2010/C 24/37

Procestaal: Grieks

Verwijzende rechter

Symvoulio tis Epikrateias

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Christina Ioanni Toki

Verwerende partij: Ypourgos Ethnikis Paideias kai Thriskevmaton

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 3, sub b, van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, zoals dit van kracht was vóór de intrekking ervan bij artikel 62 van richtlijn 2005/36/EG (PB L 255), aldus worden uitgelegd dat het in deze bepaling voorziene erkenningsmechanisme van toepassing is wanneer het betrokken beroep in de lidstaat van herkomst gereglementeerd is in de betekenis die daaraan wordt gegeven in artikel 1, sub d, tweede alinea, van de richtlijn, maar de belanghebbende geen volwaardig lid is van een vereniging of organisatie die voldoet aan de voorwaarden van die alinea?

2)

Moet onder voltijdse uitoefening van een beroep in de lidstaat van herkomst in de zin van artikel 3, sub b, van richtlijn 89/48/EEG worden verstaan de uitoefening als zelfstandige of als loontrekkende van het beroep waarvoor uit hoofde van richtlijn 89/48/EEG om toelating tot uitoefening wordt gevraagd in de lidstaat van ontvangst, of kunnen hieronder ook onderzoekswerkzaamheden worden verstaan op een met het bedoelde beroep verwant wetenschapsgebied, verricht aan een instelling die in beginsel geen winstoogmerk heeft?


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) op 28 oktober 2009 — Vasilios A. Giankoulis/Ypourgos Ethnikis Paideias kai Thriskevmaton

(Zaak C-425/09)

2010/C 24/38

Procestaal: Grieks

Verwijzende rechter

Symvoulio tis Epikrateias

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Vasilios A. Giankoulis

Verwerende partij: Ypourgos Ethnikis Paideias kai Thriskevmaton

Prejudiciële vraag

Komt de term „beroepservaring” in artikel 4, lid 1, sub b, van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, zoals van kracht na de wijziging ervan bij artikel 1, lid 3, van richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2001 (PB L 206) en vóór de intrekking ervan bij artikel 62 van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 (PB L 255), overeen met de term,beroepservaring’ zoals gedefinieerd in artikel 1, sub e, van dezelfde richtlijn, en kan hieronder een ervaring worden verstaan met de volgende cumulatieve kenmerken: a) zij is door de belanghebbende opgedaan na verwerving van het diploma dat toegang verleent tot een bepaald gereglementeerd beroep in de lidstaat van herkomst; b) zij is opgedaan in het kader van de uitoefening van het beroep waarop de aanvraag uit hoofde van richtlijn 89/48 betrekking heeft (zie de termen „the profession concerned”, „la profession concerné”, en „der betreffende Beruf”, in respectievelijk de Engelse, Franse en Duitse taalversies van de richtlijn), en c) zij is opgedaan in het kader van een rechtmatige uitoefening van het beroep, dat wil zeggen volgens de regels en voorwaarden van de desbetreffende wetgeving van de lidstaat van beroepsuitoefening, zodat de ervaring die vóór de inwilliging van de aanvraag is opgedaan in het betrokken beroep in de lidstaat van ontvangst niet kan worden meegerekend, aangezien het betrokken beroep in de lidstaat van ontvangst vóór dat tijdstip niet rechtmatig kon worden uitgeoefend (vanzelfsprekend onder voorbehoud van artikel 5 van de richtlijn, dat onder bepaalde voorwaarden — ter voltooiing van het beroepsonderwijs dat niet is gevolgd in de lidstaat van herkomst — de uitoefening van het beroep in de ontvangende lidstaat toestaat met de bijstand van een geschoolde beroepsbeoefenaar)?


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/22


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Symvoulio tis Epikrateias (Griekenland) op 28 oktober 2009 — Ioannis G. Askoxylakis/Ypourgos Ethnikis Paideias kai Thriskevmaton

(Zaak C-426/09)

2010/C 24/39

Procestaal: Grieks

Verwijzende rechter

Symvoulio tis Epikrateias

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Ioannis G. Askoxylakis

Verwerende partij: Ypourgos Ethnikis Paideias kai Thriskevmaton

Prejudiciële vraag

Komt de term „beroepservaring” in artikel 4, lid 1, sub b, van richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hogeronderwijsdiploma’s waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, zoals van kracht na de wijziging ervan bij artikel 1, lid 3, van richtlijn 2001/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2001 (PB L 206) en vóór de intrekking ervan bij artikel 62 van richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 (PB L 255), overeen met de term,beroepservaring’ zoals gedefinieerd in artikel 1, sub e, van dezelfde richtlijn, en kan hieronder een ervaring worden verstaan met de volgende cumulatieve kenmerken: a) zij is door de belanghebbende opgedaan na verwerving van het diploma dat toegang verleent tot een bepaald gereglementeerd beroep in de lidstaat van herkomst; b) zij is opgedaan in het kader van de uitoefening van het beroep waarop de aanvraag uit hoofde van richtlijn 89/48 betrekking heeft (zie de termen „the profession concerned”, „la profession concerné”, en „der betreffende Beruf”, in respectievelijk de Engelse, Franse en Duitse taalversies van de richtlijn), en c) zij is opgedaan in het kader van een rechtmatige uitoefening van het beroep, dat wil zeggen volgens de regels en voorwaarden van de desbetreffende wetgeving van de lidstaat van beroepsuitoefening, zodat de ervaring die vóór de inwilliging van de aanvraag is opgedaan in het betrokken beroep in de lidstaat van ontvangst niet kan worden meegerekend, aangezien het betrokken beroep in de lidstaat van ontvangst vóór dat tijdstip niet rechtmatig kon worden uitgeoefend (vanzelfsprekend onder voorbehoud van artikel 5 van de richtlijn, dat onder bepaalde voorwaarden — ter voltooiing van het beroepsonderwijs dat niet is gevolgd in de lidstaat van herkomst — de uitoefening van het beroep in de ontvangende lidstaat toestaat met de bijstand van een geschoolde beroepsbeoefenaar)?


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/22


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 29 oktober 2009 — Union Syndicale „Solidaires Isère”/Premier ministre,Ministre du travail, des relations sociales, de la famille, de la solidarité et de la ville,

Ministre de la santé et des sports

(Zaak C-428/09)

2010/C 24/40

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Conseil d’État

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Union Syndicale „Solidaires Isère”

Verwerende partijen: Premier ministre, Ministre du travail, des relations sociales, de la famille, de la solidarité et de la ville, Ministre de la santé et des sports

Prejudiciële vragen

1)

Is de richtlijn van 4 november 2003 (1) van toepassing op tijdelijk en seizoenspersoneel dat maximaal tachtig dagen per jaar arbeid verricht in vakantie- en vrijetijdscentra?

2)

Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt:

a)

Moet artikel 17 ervan, gelet op het doel van de richtlijn, dat volgens artikel 1, lid 1, bestaat in het vaststellen van minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd, aldus worden uitgelegd dat incidentele en seizoenswerkzaamheden van personen in het bezit van een aanstellingsovereenkomst voor vormingswerk

hetzij uit hoofde van lid 1 van dit artikel kunnen worden geacht te behoren tot de werkzaamheden „waarvan de duur van de arbeidstijd wegens de bijzondere kenmerken van de verrichte werkzaamheid niet wordt gemeten en/of vooraf bepaald, of door de werknemers zelf kan worden bepaald”,

hetzij uit hoofde van lid 3, sub b, van dit artikel kunnen worden beschouwd als „bewakings-, surveillance- en wachtdiensten die verband houden met de noodzakelijke bescherming van goederen en personen”?

b)

Moeten in dat laatste geval de in artikel 17, lid 2, neergelegde voorwaarden betreffende „gelijkwaardige compenserende rusttijden” dan wel „een passende bescherming” voor de betrokken werknemers in die zin worden opgevat dat hieraan kan worden voldaan door een bepaling die de werkzaamheden van de personen met een dergelijke overeenkomst beperkt tot tachtig werkdagen per jaar in vakantie- en vrijetijdscentra?


(1)  Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299, blz. 9).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/23


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgericht Halle (Duitsland) op 30 oktober 2009 — Günter Fuss/Stadt Halle (Saale)

(Zaak C-429/09)

2010/C 24/41

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Verwaltungsgericht Halle

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Günter Fuss

Verwerende partij: Stadt Halle (Saale)

Prejudiciële vragen

1)

Vloeien uit richtlijn 2003/88/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299, blz. 9; hierna: „richtlijn 2003/88”) secundaire rechten voort wanneer de werkgever een arbeidstijd heeft vastgesteld die de grenzen van artikel 6, sub b, van richtlijn 2003/88 overschrijdt?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, vloeit dat recht dan voort uit de enkele schending van richtlijn 2003/88 of stelt het gemeenschapsrecht verdergaande eisen voor het ontstaan van dat recht, bijvoorbeeld dat een verzoek tot arbeidstijdverkorting bij de werkgever moet zijn ingediend of dat er sprake moet zijn van schuld bij de vaststelling van de arbeidstijd?

3)

Indien er een secundair recht bestaat, rijst de vraag of het gericht is op compensatie in de vorm van vrije tijd dan wel op een financiële schadeloosstelling en welke criteria het gemeenschapsrecht bevat voor de berekening van de omvang van het recht?

4)

Zijn de referentieperiodes van artikel 16, sub b, en/of artikel 19, tweede alinea, van richtlijn 2003/88 rechtstreeks toepasselijk in een geval als het onderhavige waarin het nationale recht enkel een arbeidstijd vaststelt, die de maximumarbeidstijd van artikel 6, sub b, overschrijdt, en niet voorziet in een compensatie? Indien er sprake is van rechtstreekse toepasselijkheid, rijst de vraag of, en zo ja hoe, de compensatie moet plaatsvinden wanneer de werkgever tot aan het einde van de referentieperiode niet tot compensatie overgaat?

5)

Hoe moeten de vragen 1 tot en met 4 worden beantwoord voor de periode waarin richtlijn 93/104/EG (2) van de Raad van 23 november 1993 (PB L 307, blz. 15) van kracht was?


(1)  Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 299, blz. 9).

(2)  Richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB L 307, blz. 18).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/23


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden op 2 november 2009 — Euro Tyre Holding BV tegen Staatssecretaris van Financiën

(Zaak C-430/09)

2010/C 24/42

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: Euro Tyre Holding BV

Verweerder: Staatssecretaris van Financiën

Prejudiciële vraag

Hoe moet, in het licht van artikel 28 quater, A, aanhef en letter a, van de Zesde richtlijn (1), alsmede van artikel 8, lid 1, letters a en b, artikel 28 bis, lid 1, letter a, eerste alinea, en artikel 28 ter, A, letter a, eerste alinea, van de Zesde richtlijn, ingeval met betrekking tot hetzelfde goed tussen als zodanig handelende belastingplichtigen opeenvolgend twee leveringen worden verricht waarbij sprake is van één enkele intracommunautaire verzending of één enkel intracommunautair vervoer, worden bepaald aan welke levering het intracommunautaire vervoer moet worden toegerekend, wanneer het vervoer van de goederen is verricht door dan wel voor rekening van de persoon die zowel de hoedanigheid heeft van koper bij de eerste levering als de hoedanigheid van verkoper bij de tweede levering?


(1)  Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/24


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hof van beroep te Brussel (België) op 2 november 2009 — Airfield NV, Canal Digitaal BV tegen Belgische Vereniging van Auteurs, Componisten en Uitgevers CVBA (Sabam)

(Zaak C-431/09)

2010/C 24/43

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van beroep te Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeksters: Airfield NV, Canal Digitaal BV

Verweerster: Belgische Vereniging van Auteurs, Componisten en Uitgevers CVBA (Sabam)

Prejudiciële vragen

1)

Verzet Richtlijn 93/83 (1) zich ertegen dat aan de aanbieder van digitale satelliettelevisie wordt opgelegd toestemming te bekomen van de rechthebbenden, in het geval van een handeling waarbij een omroeporganisatie haar programmadragende signalen hetzij via een vaste verbinding, hetzij via een gecodeerd satellietsignaal aanlevert aan een van de omroeporganisatie onafhankelijke aanbieder van digitale satelliettelevisie die deze signalen door een met haar verbonden vennootschap laat coderen en opstralen naar een satelliet waarna deze signalen, met toestemming van de omroeporganisatie, als onderdeel van een pakket televisiezenders en derhalve gebundeld worden neergestraald naar de abonnees van de satelliettelevisie-aanbieder die de programma’s simultaan en ongewijzigd kunnen bekijken door middel van een door de satelliettelevisie-aanbieder ter beschikking gestelde decodeerkaart of smartcard?

2)

Verzet Richtlijn 93/83 zich ertegen dat aan de aanbieder van digitale satelliettelevisie wordt opgelegd toestemming te bekomen van de rechthebbenden, in geval van een handeling waarbij een omroeporganisatie haar programmadragende signalen conform de instructies van een van de omroeporganisatie onafhankelijke aanbieder van digitale satelliettelevisie aanlevert op een satelliet waarna deze signalen, met toestemming van de omroeporganisatie, als onderdeel van een pakket televisiezenders en derhalve gebundeld worden neergestraald naar de abonnees van de satelliettelevisie-aanbieder die de programma’s simultaan en ongewijzigd kunnen bekijken door middel van een door de satelliettelevisie-aanbieder ter beschikking gestelde decodeerkaart of smartcard?


(1)  Richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PB L 248, blz. 15).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/24


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Hof van beroep te Brussel (België) op 2 november 2009 — Airfield NV tegen Agicoa Belgium BVBA

(Zaak C-432/09)

2010/C 24/44

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hof van beroep te Brussel

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: Airfield NV

Verweerster: Agicoa Belgium BVBA

Prejudiciële vragen

1)

Verzet Richtlijn 93/83 (1) zich ertegen dat aan de aanbieder van digitale satelliettelevisie wordt opgelegd toestemming te bekomen van de rechthebbenden, in het geval van een handeling waarbij een omroeporganisatie haar programmadragende signalen hetzij via een vaste verbinding, hetzij via een gecodeerd satellietsignaal aanlevert aan een van de omroeporganisatie onafhankelijke aanbieder van digitale satelliettelevisie die deze signalen door een met haar verbonden vennootschap laat coderen en opstralen naar een satelliet waarna deze signalen, met toestemming van de omroeporganisatie, als onderdeel van een pakket televisiezenders en derhalve gebundeld worden neergestraald naar de abonnees van de satelliettelevisie-aanbieder die de programma’s simultaan en ongewijzigd kunnen bekijken door middel van een door de satelliettelevisie-aanbieder ter beschikking gestelde decodeerkaart of smartcard?

2)

Verzet Richtlijn 93/83 zich ertegen dat aan de aanbieder van digitale satelliettelevisie wordt opgelegd toestemming te bekomen van de rechthebbenden, in geval van een handeling waarbij een omroeporganisatie haar programmadragende signalen conform de instructies van een van de omroeporganisatie onafhankelijke aanbieder van digitale satelliettelevisie aanlevert op een satelliet waarna deze signalen, met toestemming van de omroeporganisatie, als onderdeel van een pakket televisiezenders en derhalve gebundeld worden neergestraald naar de abonnees van de satelliettelevisie-aanbieder die de programma's simultaan en ongewijzigd kunnen bekijken door middel van een door de satelliettelevisie-aanbieder ter beschikking gestelde decodeerkaart of smartcard?


(1)  Richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PB L 248, blz. 15).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/25


Beroep ingesteld op 4 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Oostenrijk

(Zaak C-433/09)

2010/C 24/45

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: D. Triantafyllou, gemachtigde)

Verwerende partij: Republiek Oostenrijk

Conclusies

vaststellen dat de Republiek Oostenrijk, door de Normverbrauchsabgabe (een op het gemiddelde brandstofverbruik gebaseerde belasting) in de maatstaf van heffing op te nemen in de belasting over de toegevoegde waarde die in Oostenrijk bij de aflevering van een motorvoertuig wordt geheven, de krachtens de artikelen 79 en 79 van richtlijn 2006/112/EG (1) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Republiek Oostenrijk verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie komt op tegen de opneming van de Normverbrauchsabgabe (NoVA) in de maatstaf van heffing voor de belasting over de toegevoegde waarde die door de Republiek Oostenrijk bij de aflevering van een motorvoertuig in dit land wordt geheven.

De Normverbrauchsabgabe is in feite een eenmalige registratiebelasting, nu het hoofdkenmerk ervan de toelating van een motorvoertuig in de Republiek Oostenrijk is. Dientengevolge is de rechtspraak van het Hof in zaak C-98/05 (2), krachtens welke een dergelijke belasting niet in de maatstaf van heffing voor de belasting over de toegevoegde waarde mag worden opgenomen, op de onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing.


(1)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, PB L 347, blz. 1.

(2)  Arrest van het Hof van 1 juni 2006, De Danske Bilimportører (C-98/05, Jurispr. blz. I-4945).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/25


Beroep ingesteld op 4 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk België

(Zaak C-435/09)

2010/C 24/46

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. van Beek, J.-B. Laignelot en C.A.H.M. ten Dam, gemachtigden)

Verweerder: Koninkrijk België

Conclusies

1.

vast te stellen dat België, door niet de maatregelen vast te stellen die nodig zijn om,

wat het Vlaamse Gewest betreft: artikel 4, leden 2 en 3, in samenhang met bijlagen II en III,

wat het Waalse Gewest betreft: artikel 4, lid 1, in samenhang met bijlage I, punt 8, sub a en punt 18, sub a en artikel 7, lid 1, sub b, en

wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft: artikel 4, leden 2 en 3, in samenhang met bijlagen II en III en bijlage III als zodanig,

van richtlijn 85/337/EEG (1) van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997, correct dan wel volledig uit te voeren,

de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.

2.

België in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie heeft hiertoe de volgende gronden aangevoerd:

a)

Met betrekking tot de wetgeving van het Vlaamse gewest stelt de Commissie dat in deze wetgeving niet alle relevante criteria van bijlage III van de richtlijn in acht worden genomen bij het bepalen of de in bijlage II van de richtlijn genoemde projecten al dan niet moeten worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling als bedoeld in de artikelen 5 tot en met 10 van de richtlijn. De Vlaamse regering heeft niet aangetoond dat de door haar genoemde alternatieve procedures voor bedoelde projecten voldoen aan de eisen van de artikelen 2 en 5 tot en met 10 van de richtlijn.

b)

Met betrekking tot de wetgeving van het Waalse Gewest stelt de Commissie in de eerste plaats dat deze wetgeving voor de in punt 18, sub a, van bijlage I genoemde projecten (industriële installaties voor de fabricage van papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen) een drempelwaarde hanteert, terwijl de richtlijn daarin niet voorziet, en voor de in punt 8, sub a, van bijlage I genoemde projecten (havens voor de binnenscheepvaart) een drempelwaarde hanteert die is uitgedrukt in het aantal schepen en niet in termen van tonnages, zoals de richtlijn doet. In de tweede plaats stelt de Commissie dat in de wetgeving van het Waalse Gewest artikel 7, lid 1, sub b van de richtlijn niet juist is omgezet.

c)

Met betrekking tot de wetgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest stelt de Commissie in de eerste plaats dat in deze wetgeving geen rekening wordt gehouden met de relevante selectiecriteria van bijlage III van de richtlijn bij de omzetting van artikel 4, lid 3, van de richtlijn en dat de door de Brusselse regering genoemde alternatieve beoordelingswijzen niet voldoen aan alle in de richtlijn genoemde kenmerken. In de tweede plaats stelt de Commissie dat in deze wetgeving bijlage III van de richtlijn als zodanig niet is omgezet.


(1)  PB L 175, blz. 40.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/26


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht (Duitsland) op 9 november 2009 — Attila Belkiran/Oberbürgermeister der Stadt Krefeld — Procesdeelnemer: de vertegenwoordiger van het belang van de Bondsrepubliek bij het Bundesverwaltungsgericht

(Zaak C-436/09)

2010/C 24/47

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesverwaltungsgericht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Attila Belkiran

Verwerende partij: Oberbürgermeister der Stadt Krefeld

Procesdeelnemer: de vertegenwoordiger van het belang van de Bondsrepubliek bij het Bundesverwaltungsgericht

Prejudiciële vraag

Moet de in artikel 14, lid 1, van besluit nr. 1/80 neergelegde bescherming tegen verwijdering ten gunste van een Turks staatsburger die een rechtspositie op grond van artikel 7 van besluit nr. 1/80 heeft ten opzichte van de lidstaat waar hij de laatste tien jaar heeft verbleven, worden toegepast overeenkomstig artikel 28, lid 3, sub a, van richtlijn 2004/38/EG (1), zodat verwijdering alleen is toegestaan om dwingende redenen van openbare veiligheid zoals door de lidstaat gedefinieerd?


(1)  Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/26


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal de Grande Instance de Périgueux (Frankrijk) op 9 november 2009 — AG2R Prevoyance/Beaudout Père et Fils SARL

(Zaak C-437/09)

2010/C 24/48

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Tribunal de grande instance de Périgueux

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: AG2R Prevoyance

Verwerende partij: Beaudout Père et Fils SARL

Prejudiciële vraag

Zijn de invoering van een regeling van verplichte aansluiting bij een aanvullend stelsel van gezondheidszorg als bedoeld in artikel L 912-1 van de Code de la sécurité sociale, en, het op verzoek van de representatieve werkgevers- en werknemersorganisaties van een bepaalde bedrijfstak door de overheid verbindend verklaarde avenant, dat voorziet in de aansluiting bij één enkel orgaan dat wordt aangewezen voor het beheer van een aanvullend stelsel van gezondheidszorg, zonder enige mogelijkheid voor de ondernemingen binnen die bedrijfstak om van aansluiting te worden vrijgesteld, in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 81 EG en 82 EG, of kan als gevolg daarvan het aangewezen orgaan een machtspositie gaan innemen die misbruik oplevert?


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/27


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d’appel de Paris (Frankrijk) op 10 november 2009 — Pierre Fabre Dermo-Cosmétique SAS/Président de l’Autorité de la concurrence, Ministre de l’Économie, de l’Industrie et de l’Emploi

(Zaak C-439/09)

2010/C 24/49

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Cour d’appel de Paris

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Pierre Fabre Dermo-Cosmétique SAS

Verwerende partijen: Président de l’Autorité de la concurrence, Ministre de l’Économie, de l’Industrie et de l’Emploi

Prejudiciële vraag

Levert het algemene en absolute verbod om de contractgoederen op Internet aan de eindgebruikers te verkopen, dat in het kader van een selectief distributienetwerk aan de erkende distributeurs wordt opgelegd, inderdaad naar zijn strekking een hardekernbeperking van de mededinging in de zin van artikel 81, lid 1, EG op die niet onder de groepsvrijstelling voorzien in verordening nr. 2790/1999 (1) valt, maar eventueel wel voor een individuele vrijstelling krachtens artikel 81, lid 3, EG in aanmerking kan komen?


(1)  Verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (PB L 336, blz. 21).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/27


Beroep ingesteld op 11 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Oostenrijk

(Zaak C-441/09)

2010/C 24/50

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: D. Triantafyllou en B.-R. Killmann, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Oostenrijk

Conclusies

vaststellen dat de Republiek Oostenrijk, door op leveringen, importen en intracommunautaire verwervingen van bepaalde levende dieren, inzonderheid paarden, die niet bestemd zijn voor de bereiding van levensmiddelen, een verlaagd btw-tarief toe te passen, de krachtens de artikelen 96 en 98 van de btw-richtlijn (1) juncto bijlage III daarbij op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

Republiek Oostenrijk verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Commissie is van mening dat het Oostenrijkse belastingrecht inbreuk maakt op de artikelen 96 en 98 juncto bijlage III van de btw-richtlijn, voor zover op leveringen van bepaalde levende dieren (met name paarden) een verlaagd btw-tarief ook wordt toegepast wanneer deze dieren niet bestemd zijn voor de productie van levensmiddelen.

Het begrip „levende dieren” in punt 1 van bijlage III bij de btw-richtlijn vormt geen zelfstandige categorie, maar omvat enkel dieren die gewoonlijk voor gebruik als levensmiddel worden geleverd. Voor deze uitlegging is steun te vinden in de Spaanse, de Franse, de Engelse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese en de Zweedse versie van deze bepaling. Bovendien moet deze bepaling, daar zij een uitzondering vormt, volgens vaste rechtspraak strikt worden uitgelegd.


(1)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/28


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bayerische Verwaltungsgerichtshof (Duitsland) op 13 november 2009 — Karl Heinz Bablok, Stefan Egeter, Josef Stegmeier, Karlhans Müller, Barbara Klimesch/Freistaat Bayern — In het geding geroepen partijen: Monsanto Technology Llc., Monsanto Agrar Deutschland GmbH, Monsanto Europe S.A./N.V.

(Zaak C-442/09)

2010/C 24/51

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bayerischer Verwaltungsgerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Karl Heinz Bablok, Stefan Egeter, Josef Stegmeier, Karlhans Müller, Barbara Klimesch

Verwerende partij: Freistaat Bayern

In het geding geroepen partijen: Monsanto Technology Llc., Monsanto Agrar Deutschland GmbH, Monsanto Europe S.A./N.V.

Prejudiciële vragen

1)

Dient het begrip „genetisch gemodificeerd organisme” of „GGO” in de zin van artikel 2, punt 5, van verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (1), aldus te worden uitgelegd dat het ook betrekking heeft op materiaal van genetisch gemodificeerde planten (in casu stuifmeel van de genetisch gemodificeerde maïslijn MON 810), dat weliswaar genetisch gemodificeerd DNA en genetisch gemodificeerde eiwitten (in casu Bt-toxine) bevat, maar op het tijdstip waarop het in een levenmiddel (in casu honing) terechtkomt of voor voedingsdoeleinden/als voedingssupplement wordt gebruikt, geen concrete en individuele reproductiecapaciteit (meer) bezit?

2)

Indien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord:

a)

Is het om te kunnen spreken van levensmiddelen die „met GGO’s geproduceerd” zijn in de zin van artikel 2, punt 10, van verordening (EG) nr. 1829/2003, in ieder geval voldoende dat het levensmiddel materiaal uit genetisch gemodificeerde planten bevat dat vroeger een concrete en individuele reproductiecapaciteit bezat?

b)

Zo ja:

Dient het begrip „met GGO’s geproduceerd” in de zin van de artikelen 2, punt 10, en 3, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 1829/2003 aldus te worden uitgelegd, dat het niet vereist dat tijdens het productieproces bewust en doelgericht GGO’s worden gebruikt, en dat het ook de ongewilde en onvoorziene opname van (vroegere) GGO’s in een levensmiddel (in casu honing, of stuifmeel als voedingssupplement) omvat?

3)

Indien de eerste of de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord:

Dienen de artikelen 3, lid 1, en 4, lid 2, van verordening (EG) nr. 1829/2003 aldus te worden uitgelegd, dat elke opname van op rechtmatige wijze in de natuur aanwezig genetisch gemodificeerd materiaal in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, zoals honing, tot gevolg heeft dat daarvoor een vergunning moet worden verleend en daarop toezicht moet worden uitgeoefend, of kunnen drempelwaarden uit andere bepalingen (bvb. die van artikel 12, lid 2, van de verordening) mutatis mutandis worden toegepast?


(1)  PB L 268, blz. 1.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/28


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado Contencioso Administrativo no 3 te La Coruña (Spanje) op 16 november 2009 — Rosa María Gavieiro Gavieiro/Consejería de Educación de la Junta de Galicia

(Zaak C-444/09)

2010/C 24/52

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado Contencioso Administrativo nr. 3 te La Coruña

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Rosa María Gavieiro Gavieiro

Verwerende partij: Consejería de Educación de la Junta de Galicia

Prejudiciële vraag

Wat betekenen de woorden „verschillende [criteria voor de vaststelling van de] periodes van anciënniteit” in clausule 4, punt 4, van de raamovereenkomst van richtlijn 1999/70/EG (1), en is het loutere feit dat de dienstbetrekking van bepaalde ambtenaren tijdelijk is, een „objectieve grond” die het verschil in behandeling bij de betaling van anciënniteitstoelagen rechtvaardigt?


(1)  Van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/29


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 16 november 2009 — 1. IMC Securities BV, 2. Stichting Autoriteit Financiële Markten

(Zaak C-445/09)

2010/C 24/53

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekers

:

1.

IMC Securities BV

2.

Stichting Autoriteit Financiële Markten

Prejudiciële vraag

Moet artikel 1, tweede lid, onder a, tweede gedachtestreepje, van de Richtlijn

Marktmisbruik (1) zo worden uitgelegd dat het teweegbrengen van koersveranderingen

in een tijdsbestek zoals hier aan de orde, door het verrichten van een samenstel van

handelingen met een financieel instrument, n.l. enkele transacties en handelsorders […], is aan te merken als het op een abnormaal of een kunstmatig niveau „houden” van een zodanig instrument?


(1)  Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) (PB L 96, blz. 16).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/29


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België) op 17 november 2009 — Koninklijke Philips Electronics NV tegen Lucheng Meijing Industrial Company Ltd e.a.

(Zaak C-446/09)

2010/C 24/54

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: Koninklijke Philips Electronics NV

Verweersters: Lucheng Meijing Industrial Company Ltd e.a.

Prejudiciële vraag

Vormt artikel 6.2 b) van de verordening (EG) nr. 3295/94 (1) van 22 december 1994 (de oude douaneverordening) een regel van geuniformiseerd gemeenschapsrecht, die zich opdringt aan de rechtbank van de lidstaat die overeenkomstig artikel 7 van de verordening gevat werd door de houder van het recht, en houdt deze regel in dat de rechtbank bij haar beoordeling geen rekening mag houden met het statuut van tijdelijke opslag/het transit statuut en de fictie moet toepassen dat de goederen vervaardigd werden in diezelfde lidstaat, en vervolgens met toepassing van het recht van diezelfde lidstaat moet oordelen ofzodanige goederen inbreuk plegen op het intellectuele recht in kwestie?


(1)  Verordening (EG) nr. 3295/94 van de Raad van 22 december 1994 tot vaststelling van maatregelen om het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer, de wederuitvoer en de plaatsing onder een schorsingsregeling van nagemaakte of door piraterij verkregen goederen te verbieden (PB L 341, blz. 8).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/29


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesarbeitsgericht (Duitsland) op 18 november 2009 — Reinhard Prigge, Michael Fromm, Volker Lambach/Deutsche Lufthansa AG

(Zaak C-447/09)

2010/C 24/55

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesarbeitsgericht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Reinhard Prigge, Michael Fromm, Volker Lambach

Verwerende partij: Deutsche Lufthansa AG

Prejudiciële vraag

Moeten de artikelen 2, lid 5, 4, lid 1, en/of 6, lid 1, eerste zin, van richtlijn 2007/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (1), en/of het algemene gemeenschapsrechtelijke beginsel van verbod van discriminatie op grond van leeftijd aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling waarbij een leeftijdsgrens van 60 jaar voor piloten wordt aanvaard die ter waarborging van de vliegveiligheid bij collectieve arbeidsovereenkomst is vastgesteld?


(1)  PB L 303, blz. 16.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/30


Hogere voorziening ingesteld op 18 november 2009 door Royal Appliance International GmbH tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 15 september 2009 in zaak T-446/07, Royal Appliance International GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen); andere partij in de procedure: BSH Bosch und Siemens Hausgeräte GmbH

(Zaak C-448/09 P)

2010/C 24/56

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Royal Appliance International GmbH (vertegenwoordigers: K.-J. Michaeli en M. Schork, advocaten)

Andere partijen in de procedure:

Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

BSH Bosch und Siemens Hausgeräte GmbH

Conclusies

Rekwirante concludeert tot:

vernietiging van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 15 september 2009 in zaak T-446/07;

vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 3 oktober 2007 in zaak R 572/2006-4;

verwijzing van de verwerende partij en interveniënte in hun eigen kosten en in de kosten van rekwirante zowel in de procedure in eerste aanleg als in de procedure in hogere voorziening.

Middelen en voornaamste argumenten

De hogere voorziening is gericht tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg waarbij de beslissing van de kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 3 oktober 2007 is bevestigd. Het Gerecht en de kamer van beroep zijn van oordeel dat er gevaar voor verwarring van het Duitse oppositiemerk „sensixx” en het aangevraagde merk „Centrix” bestaat voor de waren „stofzuigers”. Het oppositiemerk is nadat de kamer van beroep haar beslissing heeft genomen, en vóór de behandeling van de zaak bij het Gerecht op rechtsgeldige wijze doorgehaald voor de waren „stofzuigers”. Het Gerecht heeft een daarop ingediend verzoek tot schorsing van de behandeling afgewezen en de nietigverklaring van het oppositiemerk als juridisch niet-relevant beschouwd aangezien deze nietigverklaring niet binnen het feitelijke en juridische kader viel van het geding dat de kamer van beroep moest beslechten en het Gerecht om deze reden daarmee ook geen rekening moest houden.

Rekwirante is van mening dat het Gerecht de juridische voorwaarden voor een schorsing van de behandeling van artikel 77 van zijn Reglement voor de procesvoering onjuist heeft beoordeeld door geen rekening te houden met de nietigverklaring van het oppositiemerk. De voor de beslechting van dit geding relevante wijziging in de feitelijke situatie betreft de geldigheid van het oppositiemerk, waarop rekwirante geen invloed heeft. Door deze wijziging komt de grond op basis waarvan oppositie tegen de merkaanvraag is ingesteld, te vervallen en het Gerecht was dan ook verplicht hiermee rekening te houden. Dit volgt ook uit rekwirantes fundamentele recht op eigendom, dat ook de merkaanvraag omvat. Als gevolg van zijn weigering om rekening te houden met de reeds bestaande beslissing van het Oberlandesgericht München tot nietigverklaring van het oppositiemerk heeft het Gerecht de soortgelijkheid onderzocht van waren die zijn aangeduid door twee merken waarvan één op het tijdstip van de beslissing nagenoeg in zijn geheel was doorgehaald. Op deze wijze heeft het Gerecht artikel 45 van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk (hierna: „verordening nr. 40/94”) geschonden, doordat op het tijdstip van de beslissing van het Gerecht geen rechten van derden meer bestonden daar de doorhaling van het oppositiemerk reeds een feit was. De gemeenschapsrechter heeft uitzonderingen op het verbod om nieuwe feiten in aanmerking te nemen toegestaan, in die zin dat beslissingen van nationale rechters ook in aanmerking kunnen worden genomen wanneer zij voor het eerst in de procedure voor de gemeenschapsrechter worden aangevoerd. Dit is inzonderheid het geval wanneer rekwirante geen invloed heeft op het tijdstip van de beslissing van de kamer van beroep, die — zoals in casu — is genomen kort vóór het verstrijken van periode waarin geen verplichting tot gebruik van het merk geldt, aangezien uitsluitend de kamer van beroep beslist over het tijdstip van haar beslissing. Een beslissing betreffende de inschrijving van een merk die op een dergelijke willekeurige basis is genomen, druist in tegen het doel en de opzet van het communautaire merkenrecht.

Rekwirante voert bovendien onjuiste toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 aan. Het Gerecht is zijn onderzoeks- en motiveringsplicht ontoereikend nagekomen. Zo heeft het Gerecht geen rekening gehouden met relevante feiten in verband met de in casu betrokken waren en het effect ervan op de consument en bijgevolg heeft het Gerecht onjuiste toetsingscriteria gehanteerd bij de beoordeling van het aandachtsniveau van de consument en de soortgelijkheid van de waren. Bij de beoordeling van de overeenstemming van de merken heeft het Gerecht gemeenschappelijke kenmerken van en verschillen tussen de merken niet hetzelfde belang toegekend en het heeft zich met name bij de beoordeling van de visuele overeenstemming gebaseerd op niet-relevante gemeenschappelijke kenmerken. Het heeft geen rekening gehouden met de wijze waarop het aangevraagde merk door het relevante Duitse publiek wordt uitgesproken, en bij de beoordeling van de auditieve en conceptuele overeenstemming het in het beroep aangevochten onderscheid enkel nog versterkt door een verwantschap met „center” te bevestigen doch een associatie met dit begrip te ontkennen. Het Gerecht is voorbijgegaan aan de beginselen inzake de auditieve perceptie door aan te nemen dat het laatste element „xx” van het woord op een zeer klankvolle wijze wordt uitgesproken, en heeft de in beroep gedane feitelijke uiteenzetting onjuist opgevat door te veronderstellen dat rekwirante geen duidelijke betekenis aan beide merken toekent. Ten slotte heeft het Gerecht op een onjuiste wijze onderzocht of was voldaan aan de voorwaarden voor het bestaan van verwarringsgevaar door geen acht te slaan op het aandachtsniveau van het relevante publiek op het tijdstip van aankoop en door op deze wijze ten onrechte de auditieve en visuele perceptie een zelfde belang toe te kennen.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/31


Hogere voorziening ingesteld op 18 november 2009 door Pigasos Alieftiki Naftiki Etaireia tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Zevende kamer) van 16 september 2009 in zaak T-162/07, Pigasos Alieftiki Naftiki Etaireia/Raad van de Europese Unie en Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak C-451/09 P)

2010/C 24/57

Procestaal: Grieks

Partijen

Rekwirante: Pigasos Alieftiki Naftiki Etaireia (vertegenwoordigers: N. Skandàmis, M.Perakis, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie en Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

De onderhavige hogere voorziening toewijzen en het arrest in eerste aanleg van de Zevende kamer van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 16 september 2009 in zaak T-162/07 vernietigen, wegens onvoldoende en onduidelijke motivering, onjuiste uitlegging van de in de hogere voorziening vermelde rechtsbegrippen en verkeerde beoordeling door het Gerecht van de in eerste aanleg aangevoerde bewijzen;

Oordelen dat de zaak in staat van wijzen is (artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie), en zelf de zaak afdoen;

Of, subsidiair:

De zaak opnieuw naar het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen verwijzen opdat dit uitspraak doet over het beroep tot schadevergoeding dat rekwirante op 8 mei 2007 heeft ingesteld tegen de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wegens de schade die zij heeft geleden door onrechtmatige handelingen en verzuimen van voormelde instellingen, zoals die in het beroepschrift zijn beschreven;

De Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Met haar op 16 november 2009 ingestelde hogere voorziening komt de vennootschap „Pigasos Alieftiki Naftiki Etaireia” op tegen het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 16 september 2009 in zaak T-162/07, met het argument dat het Gerecht het gemeenschapsrecht heeft geschonden door onvoldoende motivering van zijn arrest, onjuiste uitlegging van rechtsbegrippen en verkeerde beoordeling van de aangevoerde bewijzen.

In het bijzonder:

1.

Het Gerecht heeft geoordeeld dat de regeling van verordening nr. 2454/93, bepalende dat het document T2M het enige bewijsmiddel is voor het communautaire karakter van visserijproducten die in internationale wateren zijn gevangen en over het grondgebied van een derde land zijn vervoerd, noodzakelijk en evenredig is. Volgens verzoekster heeft het Gerecht niet geantwoord op al haar stellingen en argumenten, inzonderheid met betrekking tot de mogelijkheid voor de gemeenschapswetgever om in alternatieve bewijsmiddelen te voorzien, met name wegens de ontoereikendheid van de maatregel om de veiligheid van de handelstransacties te waarborgen. Bovendien heeft het Gerecht zijn conclusie betreffende de noodzakelijkheid en evenredigheid van de communautaire regeling onvoldoende gemotiveerd en het karakter van het douanedocument T2M als constitutief voor het recht op vrij verkeer onjuist uitgelegd.

ΙΙ.

Volgens rekwirante heeft het Gerecht de door haar overgelegde bewijzen niet correct geïnterpreteerd, zodat het van oordeel is dat de documenten die de Tunesische douaneautoriteiten aan de vennootschap „Pigasos” hebben afgegeven, geen gelijkwaardige inhoud hebben als vak 13 van het document T2M. Uit het geheel van de overgelegde documenten blijkt echter dat de Tunesische douaneautoriteiten op de visserijproducten het voortdurende toezicht hebben gehouden dat ook het communautaire document T2M beoogt. De door de Tunesische douaneautoriteiten afgegeven documenten bevestigen immers dat de visserijproducten zich op het Tunesische grondgebied „in transit” bevonden. Dit impliceert naar nationaal recht het voortdurende toezicht van de douaneautoriteiten dat ook in vak 13 van het document T2M moet worden bevestigd.

ΙΙΙ.

Door bovendien te oordelen dat de vennootschap „Pigasos” in het kader van haar ondernemingsactiviteit in Tunesië geen blijk heeft gegeven van de vereiste zorgvuldigheid, heeft het Gerecht, volgens rekwirante, een juridisch onjuiste uitlegging van dat begrip gegeven en de van de ondernemer vereiste aandacht en zorg verruimd tot een algemeen wantrouwen tegenover de uitvoerende organen van het derde land, om de enkele reden dat zij niet door het gemeenschapsrecht gebonden zijn.

Om deze redenen verzoekt rekwirante het Hof, het arrest van het Gerecht in zaak T-162/07 te vernietigen en de zaak zelf af te doen of ze anders voor uitspraak naar het Gerecht terug te wijzen.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/32


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte di Appello di Firenze (Italië) op 18 november 2009 — Tonina Enza Iaia, Andrea Moggio, Ugo Vassalle/Ministero dell’Istruzione, dell’Università e della Ricerca, Ministero dell’Economia e delle Finanze, Università di Pisa

(Zaak C-452/09)

2010/C 24/58

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Corte di Appello di Firenze

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Tonina Enza Iaia, Andrea Moggio, Ugo Vassalle

Verwerende partijen: Ministero dell’Istruzione, dell’Università e della Ricerca, Ministero dell’Economia e delle Finanze, Università di Pisa

Prejudiciële vragen

1)

Is het met het gemeenschapsrecht verenigbaar dat de Italiaanse Staat zich met betrekking tot het tijdvak vóór de vaststelling van de eerste Italiaanse wettelijke regeling tot uitvoering van richtlijn 82/76/EEG (1) mag beroepen op de vijfjarige of de gewone tienjarige verjaringstermijn in het kader van een aan die richtlijn ontleend recht, zonder dat daarmee definitief wordt verhinderd dat dit recht, dat de vorm aanneemt van een recht op salaris/alimentatie, wordt uitgeoefend, of, subsidiair, een vordering tot schadevergoeding/schadeloosstelling wordt ingesteld?

2)

Is het — omgekeerd — met het gemeenschapsrecht verenigbaar dat elke exceptie van verjaring uitgesloten is omdat daardoor de uitoefening van dat recht definitief wordt belemmerd? Dan wel,

3)

is het met het gemeenschapsrecht verenigbaar dat elke exceptie van verjaring uitgesloten is totdat het Hof van Justitie de schending van het gemeenschapsrecht heeft vastgesteld (in casu tot 1999)? Dan wel,

4)

is het met het gemeenschapsrecht verenigbaar dat elke exceptie van verjaring hoe dan ook is uitgesloten totdat de richtlijn waarbij het recht wordt verleend, correct en volledig in het nationale recht is omgezet (wat in casu nooit is gebeurd), zoals het Hof in het arrest Emmott heeft geoordeeld?


(1)  PB L 43, blz. 21.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/32


Beroep ingesteld op 19 november 2009 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-453/09)

2010/C 24/59

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: D. Triantafyllou en B.-R. Killmann, gemachtigden)

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland

Conclusies

vaststellen dat de Bondsrepubliek Duitsland, door op de leveringen, importen en intracommunautaire verwervingen van bepaalde levende dieren, in het bijzonder paarden die niet worden gebruikt bij de bereiding van levensmiddelen, een verlaagd btw-tarief toe te passen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 96 en 98 juncto bijlage III, van de btw-richtlijn.

de Bondsrepubliek Duitsland verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Dit beroep komt op tegen het door de Bondsrepubliek Duitsland toegepaste verlaagde btw-tarief op de levering, de import en de intracommunautaire verwerving van levende dieren, in het bijzonder paarden, zelfs als zij gewoonlijk niet worden gebruikt voor de bereiding van levensmiddelen. Volgens de Commissie is dit niet verenigbaar met de bepalingen van richtlijn 2006/112/EG (hierna: „btw-richtlijn”), in het bijzonder bij paardenrassen die gewoonlijk als dressuur-, rij-, circus- of renpaard worden ingezet.

Op basis van de btw-richtlijn mogen de lidstaten onder bepaalde voorwaarden naast het normale btw-tarief verlaagde tarieven toepassen. Zo krijgen de lidstaten krachtens artikel 98, lid 2, van de btw-richtlijn de mogelijkheid verlaagde tarieven toe te passen op „de goederenleveringen […] die tot de in bijlage III genoemde categorieën behoren”. Daar de verlaagde tarieven als een uitzondering op het normale btw-tarief moeten worden beschouwd, moet die bepaling voor de toepassing ervan strikt worden uitgelegd.

Volgens de Commissie vallen levende dieren, in het bijzonder paarden die gewoonlijk niet bestemd zijn voor gebruik als levensmiddel niet onder nummer 1 van bijlage III. Bijgevolg kunnen de in artikel 98, lid 2, van de richtlijn betreffende het btw-stelsel vervatte verlaagde tarieven niet op die dieren worden toegepast. Dit blijkt zowel uit de systematiek als uit de verschillende taalversies van bijlage III, nummer 1, van de richtlijn. De teleologische uitlegging van de richtlijn levert hetzelfde resultaat op: met dit nummer wil men een voorkeursbehandeling geven aan alle producten die worden gebruikt voor de productie van levensmiddelen.

Het is daarbij in casu irrelevant dat in de gecombineerde nomenclatuur geen onderscheid wordt gemaakt tussen de paardenrassen, nu de douanerechtelijke indeling op basis van andere factoren wordt beoordeeld dan de indeling van het btw-recht. Het is niet omdat de lidstaten krachtens artikel 98, lid 3, van de richtlijn betreffende het btw-stelsel van de gecombineerde nomenclatuur gebruik mogen maken, dat een lidstaat de verkeerde omzetting van het communautaire btw-recht ermee kan rechtvaardigen dat de gecombineerde nomenclatuur onvoldoende nauwkeurig is.

Evenmin kunnen voor omzet met paardenrassen die gewoonlijk als dressuur-, rij-, circus- of renpaard worden ingezet verlaagde tarieven worden toegepast krachtens bijlage III, nummer 11, van de richtlijn betreffende het btw-stelsel als levering van goederen die normaal bestemd zijn voor gebruik in de landbouw. Dat paarden landbouwdieren zijn, betekent niet dat die paardenrassen normaal bestemd zijn voor gebruik in de landbouw. Die paardenrassen worden in werkelijkheid normaal ingezet voor sport, opleiding, recreatie en ontspanning, en dus net niet voor gebruik in de landbouw.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/33


Beroep ingesteld op 19 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

(Zaak C-454/09)

2010/C 24/60

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: E. Righini en B. Stromsky, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Italiaanse Republiek, door niet alle noodzakelijke maatregelen te nemen tot intrekking van de steun die bij beschikking 2008/697/EG (1) van de Commissie van 16 april 2008 betreffende staatssteun C 13/07 (ex NN 15/06 en N 734/06) die Italië ten uitvoer heeft gelegd ten behoeve van New Interline [kennisgeving is op 17 juni 2008 geschied onder nummer C(2008) 1321], onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is bevonden, de krachtens de artikelen 2, 3 en 4 van die beschikking en krachtens het EG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Italiaanse Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn waarbinnen Italië de onrechtmatig verleende steun had moeten intrekken en terugvorderen, is vier maanden na de kennisgeving van de beschikking verstreken. Meer dan een jaar nadien hebben de Italiaanse autoriteiten nog niet de noodzakelijke maatregelen genomen om de beschikking uit te voeren en de steun terug te vorderen.


(1)  PB L 235, blz. 12.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/33


Beroep ingesteld op 20 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Polen

(Zaak C-455/09)

2010/C 24/61

Procestaal: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: S. Pardo Quintillán en Ł. Habiak, gemachtigden)

Verwerende partij: Republiek Polen

Conclusies

vaststellen dat de Republiek Polen, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/07/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van richtlijn 76/160/EEG (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 18 van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Republiek Polen verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2006/07/EG in nationaal recht is op 24 maart 2008 verstreken.


(1)  PB L 64, blz. 37.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/34


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado Contencioso Administrativo no 3 te Pontevedra (Spanje) op 23 november 2009 — Ana María Iglesias Torres/Consellería de Educación de la Junta de Galicia

(Zaak C-456/09)

2010/C 24/62

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado Contencioso Administrativo nr. 3 te Pontevedra

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Ana María Iglesias Torres

Verwerende partij: Consellería de Educación de la Junta de Galicia

Prejudiciële vragen

1)

Is richtlijn 1999/70/EG (1) van toepassing op het tijdelijk personeel van de autonome gemeenschap Galicië?

2)

Kan artikel 25, lid 2, van wet nr. 7/2007 worden aangemerkt als de omzetting van die richtlijn in nationaal recht, ofschoon in die wet in het geheel niet naar communautaire regelgeving wordt verwezen?

3)

Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend luidt, moet artikel 25, lid 2, BSA dan worden aangemerkt als nationale omzettingsbepaling in de zin van onderdeel 4 van het dictum van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 april 2008 (zaak Impact) (2), of is de Spaanse staat louter gehouden met terugwerkende kracht de driejaarlijkse toelagen te betalen die hij op grond van de richtlijn toekent?

4)

Wanneer de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, dient richtlijn 1999/70/EG dan rechtstreeks op de zaak te worden toegepast in de zin van het arrest Del Cerro (3) van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen?


(1)  Van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43).

(2)  Zaak C-268/06, Impact, Jurispr. 2008, blz. I-2483.

(3)  Zaak C-307/05, Del Cerro Alonso, Jurispr. 2007, blz. I-7109.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/34


Hogere voorziening ingesteld op 20 november 2009 door de Italiaanse Republiek tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Derde kamer) van 4 september 2009 in zaak T-211/05, Italiaanse Republiek/Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak C-458/09 P)

2010/C 24/63

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirante: Italiaanse Republiek (vertegenwoordiger: G. Palmieri, gemachtigde)

Andere partij in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

toewijzing van de hogere voorziening;

vernietiging van het arrest van 4 september 2009 van het Gerecht in zaak T-211/05 (Italiaanse Republiek/Commissie), waarvan kennis is gegeven bij aangetekende brief nr. 405966 van 4 september 2009, die op 8 september is ontvangen, en bijgevolg nietigverklaring van beschikking C(2005)591 van 16 maart 2005 betreffende steunmaatregel C 8/2004 (ex NN 164/2003) die door Italië ten uitvoer is gelegd ten gunste van recentelijk aan de beurs genoteerde ondernemingen.

Middelen en voornaamste argumenten

Eerste middel. Schending van de artikelen 10 en 13 van verordening nr. 659/99 (1) („procedure inzake staatssteun”), artikel 88, lid 2, EG en het beginsel van hoor en wederhoor. Kennelijk onjuiste beoordeling van de stukken

Volgens het Gerecht vormden de brieven die de Commissie in oktober en december 2003 aan Italië stuurde, een werkelijke voorafgaande bespreking van de bij decreto legge 326/2003 ingevoerde maatregelen. Het Gerecht is eraan voorbijgegaan dat die brieven slechts algemene verzoeken bevatten alsmede de negatieve verklaring dat „niet kon worden uitgesloten” dat de maatregelen met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steun inhielden.

Tweede middel. Schending van het beginsel van hoor en wederhoor

In de beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure had de Commissie vastgesteld dat de maatregelen selectief waren omdat de niet in Italië gevestigde vennootschappen van de voorziene fiscale voordelen waren uitgesloten. In de eindbeschikking stelde zij zich daarentegen op het standpunt dat de maatregelen selectief waren omdat de fiscale voordelen méér ten goede kwamen aan in Italië gevestigde ondernemingen, aangezien die op de wereldwijd gerealiseerde winsten worden belast, dan aan elders in de Gemeenschap gevestigde ondernemingen, die in Italië enkel op de aldaar gerealiseerde winsten worden belast. De Commissie heeft de Italiaanse regering nooit van deze gewijzigde benadering op de hoogte gebracht en heeft haar niet in staat gesteld om ter zake opmerkingen in te dienen. Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat de Commissie rechtmatig heeft gehandeld.

Derde middel. Schending van artikel 87, lid 1, EG

Een voordeel als het aan de orde zijnde, waarvoor alle ondernemingen — zowel Italiaanse als communautaire — in aanmerking komen die de voorwaarden vervullen om een notering op een gereglementeerde markt van de Europese Unie te verkrijgen, kan hoe dan ook niet als selectief worden beschouwd. Het feit dat de Italiaanse ondernemingen een groter voordeel genieten, is een gevolg van het belastingstelsel, dat voorziet in de heffing van belasting op basis van het vestigingscriterium; het enkele feit dat ondernemingen die alle voor de betrokken maatregel in aanmerking komen, het voordeel in verschillende mate genieten, kan evenwel niet beslissend zijn voor het selectief karakter daarvan. Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat de selectiviteit ook in een dergelijk verschil kan bestaan.

Vierde middel. Schending van artikel 87, lid 1, EG. Gebrek aan motivering

Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat het om een selectieve maatregel gaat, voor zover niet alle ondernemingen daarvoor in aanmerking komen. In feite komen alle ondernemingen ervoor in aanmerking die de voorwaarden vervullen om een notering op een gereglementeerde markt te verkrijgen. Voorts brengt de keuze voor een notering zeer aanzienlijke structurele lasten mee, die niet worden gedragen door ondernemingen die zich niet aan de beurs laten noteren. De in aanmerking komende ondernemingen worden op die objectieve gronden geselecteerd, en het betreft een coherent voordeel dat is gekoppeld aan de verschillende situatie qua structurele kosten waarin de twee categorieën ondernemingen zich bevinden. Dit houdt in dat de maatregel een algemene strekking heeft en niet selectief is. Het Gerecht heeft zijn beslissing hoe dan ook niet afdoende gemotiveerd, wat de bewijzen betreft die Italië ter zake heeft geleverd.

Vijfde middel. Schending van artikel 87, lid 1, EG

Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat de maatregelen hoe dan ook selectief zijn, gelet op de korte duur ervan, waardoor ondernemingen die op een later tijdstip besluiten, een beursnotering aan te vragen, ervan zijn uitgesloten. De beperkte duur van het voordeel valt te verklaren door de nood aan begrotingsevenwicht en het experimentele karakter van de maatregelen, maar heeft geen weerslag op de structuur ervan, wat het enige criterium is op basis waarvan moet worden beoordeeld of het al dan niet selectieve maatregelen betreft.

Zesde middel. Schending van artikel 87, lid 3, sub c, EG. Gebrek aan motivering

Ook wanneer de maatregelen als staatssteun worden beschouwd, dan nog zijn zij verenigbaar met de gemeenschappelijke markt in de zin van artikel 87, lid 3, sub c, EG, aangezien het gaat om investeringssteun ter bevordering van de ontplooiing van specifieke activiteiten. Het Gerecht heeft ten onrechte geoordeeld dat het ging om steun voor de bedrijfsvoering, waarbij het eraan is voorbijgegaan dat de beursnotering duurzame gevolgen heeft voor de structuur en de operationele doeltreffendheid van de ondernemingen, en het heeft ten onrechte niet geoordeeld dat de toename van het aantal noteringen op een gereglementeerde markt een activiteit is die ook op gemeenschapsniveau bevorderenswaardig is. Het Gerecht had de Commissie dus moeten tegenwerpen dat zij haar beoordelingsvrijheid ter zake heeft uitgeoefend zonder zich te baseren op een juiste evaluatie van de feiten.


(1)  PB L 83, blz. 1.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/35


Hogere voorziening ingesteld op 24 november 2009 door Dominio de la Vega, S.L. tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Zevende kamer) van 16 september 2009 in zaak T-458/07, Dominio de la Vega, S.L./Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) en Ambrosio Velasco, S.A.

(Zaak C-459/09 P)

2010/C 24/64

Procestaal: Spaans

Partijen

Rekwirant: Dominio de la Vega, S.L. (vertegenwoordigers: E. Caballero Oliver en A. Sanz-Bermell y Martínez, abogados)

Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) en Ambrosio Velasco, S.A.

Conclusies

gehele vernietiging van het bestreden arrest van 16 september 2009 in zaak T-458/07 en, bijgevolg,

definitieve beslechting van het geding, met de verklaring dat er geen overeenstemming tussen de litigieuze tekens en dus geen verwarringsgevaar is, en de inschrijving van het gemeenschapsmerk nr. 2 789 576„Dominio de la Vega”, van klasse 33, toestaan, aangezien dit niet valt onder het verbod van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/1994, thans verordening nr. 207/2009;

indien nodig en subsidiair, verwijzing van de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen met het oog op een uitspraak overeenkomstig de bindende criteria van het Hof van Justitie;

uitdrukkelijke verwijzing van het BHIM en de interveniërende onderneming in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

1)

Schending van artikel 8, leden 1, sub b, en 2, sub a-i en ii, van de vroegere verordening (EG) nr. 40/94 (1) en thans verordening (EG) nr. 207/09 (2). Het oudere merk, waarop de oppositie in de onderhavige zaak is gebaseerd, is een gemeenschapsmerk. Het bestreden arrest geeft blijk van een onjuiste opvatting van het recht, aangezien geen rekening is gehouden met het feit dat het om een gemeenschapsmerk gaat en een onjuist publiek als referentiepubliek voor de beoordeling van het gevaar voor verwarring tussen de conflicterende merken is genomen, dat niet beantwoordt aan de omschrijving in de in casu toepasselijke verordening inzake het gemeenschapsmerk.

2)

Onjuiste opvatting van het recht bij de beoordeling en de niet-ontvankelijkverklaring van de ingediende stukken, en dus onjuiste beoordeling van het gevaar voor verwarring bij de Spaanse verbruiker. Het Gerecht heeft de bewijsmiddelen waaruit het naast elkaar bestaan van de merken in Spanje blijkt, onjuist opgevat, hetgeen tot schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94, thans verordening nr. 207/09, heeft geleid.


(1)  Van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (PB L 11, blz. 1).

(2)  Van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk (Gecodificeerde versie) (Voor de EER relevante tekst) (PB L 78, blz. 1).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/36


Hogere voorziening ingesteld op 20 november 2009 door Inalca SpA — Industria Alimentari Carni en Cremonini SpA tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Zesde kamer) van 4 september 2009 in zaak T-174/06, Inalca SpA/Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak C-460/09 P)

2010/C 24/65

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwiranten: Inalca SpA — Industria Alimentari Carni en Cremonini SpA (vertegenwoordigers: F. Sciandone en C. D’Andria, advocaten)

Andere partij in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

de bestreden beschikking vernietigen en de zaak terugverwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg voor een nieuwe uitspraak overeenkomstig de aanwijzingen van het Hof;

de Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en van de procedure in zaak T-174/06.

Middelen en voornaamste argumenten

A)

Betreffende het onderscheid tussen het procedurecriterium betreffende de aanvang van de verjaringstermijn en de toetsing van de voorwaarden voor het bestaan van aansprakelijkheid: i) tegenstrijdige motivering en ii) schending van de communautaire rechtspraak

De bestreden beschikking is kennelijk tegenstrijdig, voor zover daarin enerzijds wordt herinnerd aan de vaste communautaire rechtspraak volgens welke de verjaringstermijn voor een beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap pas een aanvang neemt wanneer alle voorwaarden voor de verplichting tot het vergoeden van de schade zijn vervuld en inzonderheid pas wanneer de te vergoeden schade zich concreet heeft voorgedaan, en anderzijds wordt afgewezen de stelling van rekwiranten dat de schadelijke gevolgen van de litigieuze brief zich pas op zekere en vaststaande wijze hebben voorgedaan op het tijdstip waarop de beschikking van de Commissie van 3 oktober 2006 is vastgesteld. (1)

Bovendien heeft het Gerecht de communautaire rechtspraak miskend door het verstrijken van de aanvankelijke verjaringstermijn te hebben bepaald onder verwijzing naar de door rekwiranten geleden materiële schade.

B)

Verjaring van het beroep met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand en advies en de personeelskosten: i) tegenstrijdige en kennelijk onlogische motivering en ii) schending van de gemeenschapsrechtspraak

De motivering van de bestreden beschikking is duidelijk tegenstrijdig, aangezien het Gerecht in eerste instantie naar een algemeen beginsel inzake voortdurende schade heeft verwezen, maar dit algemene beginsel vervolgens niet heeft toegepast om de aard (al dan geen momentschade) van de kosten van rechtsbijstand en advies en de personeelskosten vast te stellen. Verder is de beschikking kennelijk onlogisch, voor zover het Gerecht enerzijds heeft erkend dat de kosten voor de zekerheidstellingen duurschade zijn, terwijl het anderzijds heeft uitgesloten dat dit ook het geval is voor de kosten van rechtsbijstand, die evenzo jarenlang recurrent waren, namelijk in het kader van de afdoening van de verschillende ten gevolge van het onderzoek van OLAF ingeleide procedures.

Bovendien heeft het Gerecht een standpunt ingenomen dat tegen zijn eigen rechtspraak indruist, aangezien het eerder heeft erkend dat prestaties inzake rechtsbijstand niet als onmiddellijk zijn aan te merken.

C)

Betreffende de niet-ontvankelijkheid van de vordering tot vergoeding van de gederfde winst: onjuiste opvatting van de aangevoerde argumenten en schending van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht

Het Gerecht heeft artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering geschonden en de argumenten van rekwiranten onjuist opgevat, aangezien het verschillende in de loop van de beroepsprocedure overgelegde bewijselementen niet in aanmerking heeft genomen en heeft geoordeeld dat de vordering tot vergoeding van de schade die rekwiranten in de vorm van gederfde winst hadden geleden, niet door de noodzakelijke preciseringen waren onderbouwd.

D)

Betreffende de morele schade: schending van de rechtspraak en kennelijk onlogische motivering

Door de morele schade als momentschade en niet als duurschade aan te merken, zonder met de specifieke kenmerken van morele schade rekening te houden, heeft het Gerecht duidelijk de communautaire rechtspraak geschonden. Bovendien is de bestreden beschikking kennelijk onlogisch, voor zover het Gerecht zich, ter rechtvaardiging dat de morele schade geen duurschade is, heeft gebaseerd op rechtspraak die uitsluitend betrekking heeft op materiële schade.

E)

Betreffende de morele schade: schending van artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, schending van de rechtspraak op het gebied van morele schade en kennelijk onlogische motivering

Het Gerecht heeft artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering geschonden door de vordering tot vergoeding van de morele schade niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van de vereiste preciseringen, daar rekwiranten niet enkel louter in het algemeen het bestaan van immateriële schade hebben aangevoerd, maar tevens verschillende bewijselementen aan het Gerecht hebben overgelegd, die evenwel volledig buiten beschouwing zijn gelaten.

Bovendien heeft het Gerecht de relevante rechtspraak betreffende de vergoedbaarheid van morele schade geschonden, door bij de vaststelling van de omvang van de schade parameters te gebruiken die naar hun aard moeilijk „kwantificeerbaar” zijn of moeilijk met bewijzen kunnen worden gestaafd.

Vervolgens heeft het Gerecht nog in een ander opzicht het recht geschonden, met name door een kennelijk onlogische motivering, voor zover het zich ter rechtvaardiging van het ontbreken van preciseringen ter onderbouwing van de vordering tot vergoeding van de morele schade heeft gebaseerd op rechtspraak die uitsluitend op materiële schade ziet.

F)

Onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de vereisten inzake het oorzakelijk verband

Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te concluderen tot het ontbreken van een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de toezending aan de Italiaanse autoriteiten van de brief van 6 juli 1998, die aan de restitutiebrieven van de Italiaanse autoriteiten aan rekwiranten ten grondslag lag, en de door hen geleden schade, te weten de zekerheden die met het oog op de opschorting van de onmiddellijke restitutie van de betwiste bedragen zijn betaald.

G)

Schending van het beginsel van een redelijke procestermijn: i) vernietiging van de bestreden beschikking en ii) met het oog op een nadien in te stellen beroep tot schadevergoeding aangevoerde inbreuk

Het Gerecht heeft het beginsel van een redelijke procestermijn geschonden, zoals dit recht wordt erkend in artikel 6, eerste alinea, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden en in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.


(1)  Beschikking 2006/678/EG van de Commissie van 3 oktober 2006 betreffende de financiële consequenties die, in het kader van de goedkeuring van uit de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw gefinancierde uitgaven, moeten worden getrokken in bepaalde gevallen van door marktdeelnemers begane onregelmatigheden (PB L 278, blz. 24).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/38


Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 25 november 2009 — Stichting de Thuiskopie tegen Mijndert van der Lee e.a.

(Zaak C-462/09)

2010/C 24/66

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Hoge Raad der Nederlanden

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster: Stichting de Thuiskopie

Verweerders: Mijndert van der Lee, Hananja van der Lee, Opus Supplies Deutschland GmbH

Prejudiciële vragen

1)

Biedt richtlijn 2001/29/EG (1) in het bijzonder in art. 5, lid 2, onder b, en lid 5, aanknopingspunten voor de beantwoording van de vraag wie in de nationale wetgeving behoort te worden aangemerkt als de schuldenaar van de in art. 5, lid 2 onder b, bedoelde „billijke vergoeding”? Zo ja, welke?

2)

Indien sprake is van een koop op afstand waarbij de koper in een andere lidstaat is gevestigd dan de verkoper, noopt art. 5, lid 5, van de richtlijn dan tot een zo ruime uitleg van het nationale recht dat ten minste in één van de bij de koop op afstand betrokken landen de in art. 5, lid 2, onder b, bedoelde „billijke compensatie” is verschuldigd door een bedrijfsmatig handelende schuldenaar?


(1)  Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/38


Hogere voorziening ingesteld op 25 november 2009 door Holland Malt BV tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 9 september 2009 in zaak T-369/06, Holland Malt BV/Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak C-464/09 P)

2010/C 24/67

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Holland Malt BV (vertegenwoordigers: O. W. Brouwer, A.C.E. Stoffer, P. Schepens, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen, Koninkrijk der Nederlanden

Conclusies

Rekwirante concludeert dat het den Hove behage:

de punten 168 tot en met 180 van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg te vernietigen;

de zaak naar het Gerecht van eerste aanleg terug te wijzen of de beschikking van de Commissie nietig te verklaren; en

de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

De hogere voorziening is gericht tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 9 september 2009, Holland Malt BV/Commissie (T-369/06) (het arrest) houdende verwerping van het beroep dat Holland Malt had ingesteld tegen de beschikking waarbij de Commissie had verklaard dat een onder opschortende voorwaarde aan rekwirante toegekende subsidie met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steun vormt. Rekwirante stelt dat het Gerecht van eerste aanleg blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en een procedurefout heeft gemaakt bij het verwerpen van het door Holland Malt ingestelde beroep. Zij voert daartoe twee middelen aan:

A.

In de punten 169 tot en met 180 van het arrest heeft het Gerecht van eerste aanleg blijk gegeven van een onjuiste rechtopvatting door artikel 87, lid 3, sub c, EG (1) onjuist uit te leggen en door de communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouwsector onjuist uit te leggen en toe te passen. Bovendien berust het arrest dienaangaande op een onlogische en ondeugdelijke redenering.

B.

In punt 168 van het arrest heeft het Gerecht van eerste aanleg een procedurefout gemaakt door een van de argumenten van rekwirante verkeerd te lezen en op te vatten en daardoor de belangen van rekwirante te schaden.


(1)  PB C 321 E, blz. 76.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/39


Beroep ingesteld op 25 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek

(Zaak C-478/09)

2010/C 24/68

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: S. La Pergola, M. Karanasou Apostolopoulou, gemachtigden)

Verwerende partij: Helleense Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Helleense Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2007/63/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 tot wijziging van richtlijn 78/855/EEG van de Raad en richtlijn 82/891/EEG van de Raad wat betreft de verplichte opstelling van een verslag van een onafhankelijke deskundige bij fusies of splitsingen van naamloze vennootschappen, althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Helleense Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 31 december 2008 verstreken.


(1)  PB L 300 van 17.11.2007, blz. 47.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/39


Hogere voorziening ingesteld op 26 november 2009 door Evets Corp. tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 23 september 2009 in gevoegde zaken T-20/08 en T-21/08, Evets Corp./Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

(Zaak C-479/09 P)

2010/C 24/69

Procestaal: Engels

Partijen

Rekwirante: Evets Corp. (vertegenwoordiger: S. Ryan, Solicitor)

Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

de beslissing van het Gerecht van eerste aanleg vernietigen;

verklaren dat het verzoek tot herstel in de vorige toestand werd ingediend binnen de in artikel 78, lid 2, van verordening nr. 40/94 (1) gestelde termijnen;

de zaak terugverwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg zodat het Gerecht op zijn beurt de zaak kan terugverwijzen naar de kamer van beroep voor een uitspraak ten gronde over de vraag of alle noodzakelijke zorgvuldigheid voor de vernieuwing van de inschrijving van de betrokken merken was betracht;

het BHIM verwijzen in de kosten van de procedure voor het Hof van Justitie en voor het Gerecht van eerste aanleg.

Middelen en voornaamste argumenten

1)

Deze hogere voorziening betreft een verzoek tot herstel in de vorige toestand overeenkomstig artikel 78, lid 2, van verordening (EG) nr. 40/94 (gemeenschapsmerkverordening). De geldigheid van het betrokken merk was verstreken wegens niet-betaling van de vernieuwingstaks.

2)

De merkhouder had de verantwoordelijkheid voor de betaling van de vernieuwingstaks overgedragen aan een derde. Door een ongewilde fout was de vernieuwingstaks evenwel niet binnen de gestelde termijn betaald.

3)

Het BHIM heeft de gemachtigde van de merkhouder, die niet de derde was die verantwoordelijk was voor de betaling van de vernieuwingstaks, in kennis gesteld van de doorhaling. De gemachtigde heeft deze kennisgevingen doorgestuurd naar de merkhouder, die deze een aantal dagen later heeft ontvangen.

4)

Daarop heeft de merkhouder een verzoek tot herstel in de vorige toestand ingediend overeenkomstig artikel 78, lid 2. Dit verzoek werd ingediend minder dan twee maanden nadat de merkhouder zelf de kennisgevingen van doorhaling had ontvangen, maar meer dan twee maanden nadat de gemachtigde deze had ontvangen.

5)

Artikel 78, lid 2, vereist dat het verzoek schriftelijk wordt ingediend binnen twee maanden na de beëindiging van de verhindering die tot niet-inachtneming van een termijn heeft geleid. Deze hogere voorziening betreft de wijze van vaststelling van de datum waarop die termijn begint te lopen.

6)

De merkhouder betoogt dat de datum waarop hij de kennisgeving heeft ontvangen, moet worden beschouwd als de relevante datum. Hij had de verantwoordelijkheid voor de betaling van de vernieuwingstaks op zich genomen met behulp van een derde. Pas bij ontvangst van die kennisgeving ontdekte hij de fout en kon de verhindering worden beëindigd.

7)

Het Gerecht van eerste aanleg was het evenwel eens met het betoog van het BHIM dat de relevante datum die was waarop de gemachtigde van de merkhouder, aan wie het BHIM de kennisgeving had gestuurd, deze had ontvangen. Het BHIM verwees naar regel 77, die het volgende bepaalt: „Elke door het Bureau aan de behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger gerichte kennisgeving of andere mededeling heeft hetzelfde rechtsgevolg als was deze aan de vertegenwoordigde persoon gericht”.

8)

In hogere voorziening voert de merkhouder het volgende aan:

i)

De fictie in regel 77 is erop gericht dat het BHIM heeft voldaan aan zijn verplichting van kennisgeving aan een partij wanneer het een kennisgeving richt aan een vertegenwoordiger van een partij met betrekking tot zaken waarvoor deze vertegenwoordiger mag optreden. Het BHIM moet dan niets anders meer doen. Maar dit is geen relevante overweging in de onderhavige zaak.

ii)

De „verhindering die tot niet-inachtneming van een termijn heeft geleid” wordt in het geval van termijnen voor betaling van vernieuwingstaks beëindigd wanneer de merkhouder zelf, en/of de persoon aan wie de verantwoordelijkheid voor betaling is overgedragen, daadwerkelijk op de hoogte is van het ongewilde verzuim om te betalen. Elke andere conclusie zou de relevante bepaling onuitvoerbaar maken: in het bijzonder zal een professionele vertegenwoordiger altijd op de hoogte zijn of geacht worden op de hoogte te zijn van de relevante termijnen zodat het richten van een kennisgeving door het BHIM aan hem gewoonlijk hoe dan ook irrelevant zou zijn.

iii)

Betaling van vernieuwingstaks is een eenvoudige financiële transactie waarvoor geen wettelijke vertegenwoordiging is vereist. Een partij kan dus zelf de taks betalen of dit aan een andere persoon overdragen. Wanneer de „vertegenwoordiger” van een partij — die deze partij heeft vertegenwoordigd in de procedure voor het Bureau — niet afzonderlijk is belast met de betaling van de vernieuwingstaks, is de kennisgeving van de niet-betaling aan deze vertegenwoordiger irrelevant. Het is geen kennisgeving aan de partij en kan ook niet worden geacht dit te zijn. Die vertegenwoordiger is juridisch niet verplicht om te reageren op die kennisgeving (hij kan deze evenwel overleggen aan zijn klant uit professionele hoffelijkheid).

iv)

In een geval als het onderhavige is een vertegenwoordiger voor andere doeleinden geen „behoorlijk gemachtigde vertegenwoordiger” voor de betaling van vernieuwingstaks. Kennisgeving aan hem/haar voldoet derhalve niet aan de voorwaarden van regel 77 en doet de fictie niet in werking treden.

v)

Kort gezegd, de relevante persoon die in aanmerking moet worden genomen is de persoon die verantwoordelijk is voor het verrichten van de betrokken handeling. Slechts op het tijdstip waarop deze persoon kennis krijgt van de verhindering kan de relevante termijn voor het indienen van een verzoek tot herstel beginnen te lopen.

vi)

Hoewel de bepalingen van het Europees Octrooiverdrag strikt gezien niet bindend zijn in het gemeenschapsrecht, moeten zij duidelijk hoog worden aangeschreven. Wanneer er rechtspraak van het Europees Octrooibureau bestaat inzake een in dezelfde bewoordingen geformuleerde bepaling, is het uitermate wenselijk dat deze formulering op dezelfde wijze wordt uitgelegd. Rekwirante betoogt dat de parallelle beslissingen van het EOB juist zijn en dat zijn redenering correct is.


(1)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 11, blz. 1).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/40


Hogere voorziening ingesteld op 26 november 2009 door AceaElectrabel Produzione SpA tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 8 september 2009 in zaak T-303/05, AceaElectrabel Produzione SpA/Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak C-480/09 P)

2010/C 24/70

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirante: AceaElectrabel Produzione SpA (vertegenwoordigers: L. Radicati di Brozolo, M. Merola, T. Ubaldi en E. Marasà, advocaten)

Andere partijen in de procedure: Electrabel, Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

Het bestreden arrest vernietigen;

de reeds in eerste aanleg geformuleerde conclusies toewijzen, of, subsidiair, de zaak verwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie;

de Commissie verwijzen in de kosten van beide instanties.

Middelen en voornaamste argumenten

1)

Onjuiste opvatting van de middelen, verkeerde rechtsopvatting, alsmede onredelijke en tegenstrijdige motivering, wat de aanwijzing van de steunbegunstigde en de beoordeling van de discretionaire bevoegdheid van de Commissie bij de vaststelling van de steunbegunstigde betreft

Met haar eerste middel klaagt rekwirante AceaElectrabel Produzione SpA (hierna: „AEP”, ook wel: „rekwirante”) dat het arrest ernstige fouten bevat, voor zover het Gerecht haar middel ontleend aan onjuiste aanwijzing van de steunbegunstigde afwijst, die de subjectieve voorwaarde was voor toepassing op onderhavige zaak van het in het „arrest Deggendorf” geformuleerde beginsel (namelijk dat de verlening van nieuwe steun die als zodanig met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is verklaard, onder bepaalde omstandigheden kan worden geschorst totdat eerder aan dezelfde onderneming uitgekeerde onrechtmatige steun is terugbetaald). In de eerste plaats betwist rekwirante de niet-ontvankelijkverklaring van dit middel wat de schending van artikel 88 EG en van verordening (EG) nr. 659/1999 (1) betreft. AEP betoogt dat het Gerecht dit onderdeel van het middel onjuist heeft opgevat; met dit middel beoogde rekwirante namelijk alleen, de onjuiste aanwijzing van de steunbegunstigde terug te voeren op één van de specifieke gebreken van de administratieve handeling. Met de uiteenzetting dat de schending van de voorschriften inzake terugvordering van de steun in de zaak volstrekt niet aan de orde is, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting van de argumenten waarop dit onderdeel van het betrokken middel is gebaseerd.

Voorts betwist rekwirante het arrest voor zover daarbij geen kritiek op de beschikking wordt geformuleerd ondanks dat daarin de zware fout wordt gemaakt dat AEP (begunstigde van de nieuwe steun) met de ACEA-groep (begunstigde van de niet-terugbetaalde steun) wordt vereenzelvigd als gevolg van de verkeerde, onlogische en tegenstrijdige toepassing van het in de gemeenschapsrechtspraak ontwikkelde begrip „economische eenheid” van een groep van ondernemingen. Rekwirante betwist dat dit begrip kan worden toegepast wanneer het gaat om een joint venture waarover twee afzonderlijke groepen gezamenlijk zeggenschap hebben (zoals in het geval van AEP), aangezien de vaste rechtspraak inzake de economische eenheid van ondernemingen enkel betrekking heeft op gevallen waarin slechts één bedrijf zeggenschap heeft over meerdere ondernemingen. De fout is des te zwaarder omdat het Gerecht de omstandigheid irrelevant heeft geacht dat 70 % van het kapitaal van AEP is verankerd in een andere economische groep, die niets van doen heeft met de begunstigde van de niet-terugbetaalde steun. Bovendien heeft het Gerecht het begrip „functioneel autonome onderneming” verkeerd toegepast, waar het uiteenzet dat rekwirante niet als functioneel autonoom kan worden beschouwd, nu zij onder gezamenlijke zeggenschap van twee ondernemingen staat.

2)

Onjuiste opvatting van de middelen, verkeerde rechtsopvatting, alsmede tegenstrijdige en ontoereikende motivering, wat rekwirantes argumenten betreft inzake de strekking van het arrest Deggendorf ter beoordeling van het onderhavige geval

Met haar tweede middel benadrukt rekwirante dat het Gerecht het arrest Deggendorf verkeerd heeft toegepast voor zover het de beoordeling van de Commissie óók bevestigt met betrekking tot het feit dat aan de objectieve voorwaarde voor toepassing van genoemd arrest is voldaan. Rekwirante betwist in het bijzonder de redenering van het Gerecht, voor zover het bevestigt dat de Commissie niet gehouden was nauwkeurig en omstandig bewijs te leveren dat de eerder verleende steun en de later toegekende steun samen zulke ongunstige invloed zouden hebben op het intracommunautaire handelsverkeer dat de nieuwe steun onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt. De bewijslast in verband met de beoordeling van de onverenigbaarheid van aangemelde steun kan niet naar eigen goeddunken worden omgekeerd, inzonderheid niet wanneer de Commissie geen gebruik heeft gemaakt van de instrumenten die haar door de procedurevoorschriften ter beschikking worden gesteld. Het Gerecht is op dergelijke argumenten van rekwirante niet ingegaan en heeft de beschikking van de Commissie kritiekloos bevestigd. Ten slotte heeft het Gerecht rekwirantes middel noch begrepen noch behandeld, voor zover daarbij werd aangevoerd dat de Deggendorf-leer niet beoogt, een sanctieregeling in te voeren voor ondernemingen die eerder verleende steun niet hebben terugbetaald, maar alleen wil voorkomen dat de samenvoeging van meerdere steunmaatregelen ten gunste van één enkele onderneming zulke ongunstige invloed op het intracommunautaire handelsverkeer heeft, dat de nieuwe steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, zolang de eerder toegekende steun niet is terugbetaald.


(1)  Verordening van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/41


Beroep ingesteld op 27 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Tsjechische Republiek

(Zaak C-481/09)

2010/C 24/71

Procestaal: Tsjechisch

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: S. Pardo Quintillán, M. Thomannová-Körnerová, gemachtigden)

Verwerende partij: Tsjechische Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Tsjechische Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van richtlijn 76/160/EEG (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Tsjechische Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 24 maart 2008 verstreken.


(1)  PB L 64 van 04.03.2006, blz. 37.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/42


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) (Verenigd Koninkrijk) op 30 november 2009 — Budějovický Budvar národní podnik/Anheuser-Busch, Inc.

(Zaak C-482/09)

2010/C 24/72

Procestaal: Engels

Verwijzende rechter

Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division)

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Budějovický Budvar národní podnik

Verwerende partij: Anheuser-Busch, Inc.

Prejudiciële vragen

1)

Wat is de betekenis van „gedoogd” in artikel 9, lid 1, van richtlijn 89/104 (1) van de Raad, en in het bijzonder:

a)

Is „gedoogd” een gemeenschapsrechtelijk begrip of is de nationale rechter vrij om ter zake intern recht toe te passen (inclusief dulden of langdurig parallel en eerlijk gebruik)?

b)

Indien „gedoogd” een gemeenschapsrechtelijk begrip is, kan de merkhouder dan worden geacht een langdurig en eerlijk gebruik van een identiek merk te hebben gedoogd, wanneer hij al lange tijd van het gebruik op de hoogte was maar niet in staat om het te verhinderen?

c)

Is het, hoe dan ook, vereist dat de merkhouder zijn merk heeft ingeschreven voordat de periode van gedogen van het gebruik door een ander van (i) een identiek of (ii) een merk van verwarringwekkende gelijkenis kan ingaan?

2)

Wanneer begint de periode van „vijf opeenvolgende jaren” en, in het bijzonder, kan deze periode beginnen (en, zo ja, kan zij eindigen) vóórdat de houder van het oudere merk het merk feitelijk heeft laten inschrijven; en, zo ja, aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om deze periode te doen aanvangen?

3)

Moet artikel 4, lid 1, sub a, van richtlijn 89/104 aldus worden uitgelegd, dat de houder van een ouder merk ook dan zijn merkrecht kan doen gelden, wanneer sprake is van langdurig parallel en eerlijk gebruik van twee identieke merken voor identieke waren, zodat de herkomstgarantie van het oudere merk niet inhoudt dat het merk enkel en alleen de waren van de houder van het oudere merk aanduidt, maar integendeel de waren van deze gebruiker dan wel die van de andere gebruiker?


(1)  Eerste Richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 40, blz. 1).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/42


Beroep ingesteld op 30 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

(Zaak C-486/09)

2010/C 24/73

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Condou-Durande en N. Bambara, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Italiaanse Republiek, door niet alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan verordening (EG) nr. 1030/2002 (1) van de Raad van 13 juni 2002, de krachtens de artikelen 1 en 9 van deze verordening op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;

de Italiaanse Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ingevolge artikel 1 in samenhang met artikel 9 van verordening (EG) nr. 1030/2002 zijn de lidstaten verplicht alle noodzakelijke maatregelen te nemen voor het in omloop brengen van een uniforme verblijfstitel voor onderdanen van derde landen vanaf 14 augustus 2003.


(1)  Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PB L 157, blz. 1).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/43


Beroep ingesteld op 30 november 2009 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België

(Zaak C-491/09)

2010/C 24/74

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Sénéchal en S. La Pergola, gemachtigden)

Verwerende partij: Koninkrijk België

Conclusies

vaststellen dat het Koninkrijk België, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2007/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 tot wijziging van richtlijn 78/855/EEG van de Raad en richtlijn 82/891/EEG van de Raad wat betreft de verplichte opstelling van een verslag van een onafhankelijke deskundige bij fusies of splitsingen van naamloze vennootschappen (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 4 van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen;

het Koninkrijk België verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De termijn voor omzetting van richtlijn 2007/63/EG in nationaal recht is op 31 december 2008 verstreken. Op de datum van de instelling van dit beroep had de verwerende partij evenwel nog niet alle maatregelen getroffen om de richtlijn om te zetten of had zij deze althans nog niet aan de Commissie meegedeeld.


(1)  PB L 300, blz. 47.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/43


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione Tributaria Provinciale di Taranto (Italië) op 30 november 2009 — Societá Agricola Esposito S.r.l/Agenzia delle Entrate — Ufficio Taranto 2

(Zaak C-492/09)

2010/C 24/75

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Commissione Tributaria Provinciale di Taranto

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Societá Agricola Esposito S.r.l

Verwerende partij: Agenzia delle Entrate — Ufficio Taranto 2

Prejudiciële vragen

1)

Zijn artikel 21 van het tarief dat als bijlage aan het D.P.R nr. 641 van 1972 is gehecht, en artikel 160 van het DLegs. nr.259 van 2003 verenigbaar met de beginselen van richtlijn 2002/20/EG (1), waar zij het bezit van een vergunning eisen van de consument die een abonnementscontract heeft, terwijl de richtlijn enkel spreekt van individuele vergunningen voor bedrijven die de diensten verrichten of de netwerken ter beschikking stellen?

2)

Zijn de artikelen 1 en 9 van D.P.R nr. 641 van 1972 en artikel 21 van het daaraan gehechte tarief in strijd met de regel betreffende de oplegging van verschillende heffingen in de context van één en dezelfde vergunning, die voortvloeit uit de uitlegging van de artikelen 12 en 13 van richtlijn 2002/20/EG?

3)

Is het verenigbaar met de beginselen van richtlijn 2002/21/EG (2) en in het bijzonder met het in artikel 9, lid 1, van die richtlijn neergelegde verbod van discriminatie bij „de bestemming en toewijzing van de radiofrequenties door de nationale regelgevende instanties”, dat personen die een abonnementsovereenkomst hebben gesloten, de Italiaanse belasting voor overheidsconcessies verschuldigd zijn, maar niet degenen die oplaadbare kaarten gebruiken?

4)

Is de belasting voor overheidsconcessies verenigbaar met de beginselen van de richtlijnen 2002/77/EG (3) en 2002/21/EG, die bepalen dat „nationale regelingen die bestemd zijn om de nettokosten van de universele-dienstverplichtingen te delen, gebaseerd moeten zijn op objectieve, doorzichtige en niet-discriminerende criteria en in overeenstemming moeten zijn met het beginsel van de evenredigheid en van de minimale verstoring van de markt”?

5)

Ontmoedigt de Italiaanse belasting voor overheidsconcessies, die kostenverhogend werkt voor gebruikers van mobiele telefoondiensten, die abonnementscontracten hebben gesloten, het betreden van de Italiaanse markt en belet zij daardoor, ten nadele van de nationale consumenten en in strijd met de beginselen van richtlijn 2002/21, dat er een markt ontstaat waarop concurrentie heerst?

6)

Is de Italiaanse belasting voor overheidsconcessies in strijd met het beginsel van artikel 25 van het basisverdrag, op grond waarvan „in- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking tussen de lidstaten verboden zijn. Zulks geldt eveneens voor douanerechten van fiscale aard”?


(1)  PB L 108, blz. 21.

(2)  PB L 108, blz. 33.

(3)  PB L 249, blz. 21.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/44


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Commissione Tributaria Provinciale di Alessandria (Italië) op 1 december 2009 — Bolton Alimentari SpA/Agenzia Dogane Ufficio delle Dogane di Alessandria

(Zaak C-494/09)

2010/C 24/76

Procestaal: Italiaans

Verwijzende rechter

Commissione Tributaria Provinciale di Alessandria

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Bolton Alimentari SpA

Verwerende partij: Agenzia Dogane Ufficio delle Dogane di Alessandria

Prejudiciële vragen

1)

Dient artikel 239 van het communautair douanewetboek aldus te worden uitgelegd dat in een geval zoals het onderhavige, waarin een lidstaat van mening is dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen geen enkele onregelmatigheid kan worden verweten en er evenmin sprake is van één van de andere in artikel 905, lid 1, van de verordening tot uitvoering van het communautair douanewetboek bedoelde gevallen, diezelfde lidstaat autonoom kan beslissen over een door de belastingplichtige ingediend verzoek om terugbetaling in de zin van artikel 899, lid 2, van de uitvoeringsverordening?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, kan de „bijzondere situatie” waarop voornoemd artikel 239 van het communautair douanewetboek ziet [en die als zodanig in artikel 905, lid 1, van de uitvoeringsverordening is vermeld] het geval omvatten waarin een communautaire importeur van een op een zondag geopend tariefcontingent wordt uitgesloten wegens het feit dat de douanekantoren van de betrokken lidstaat op zondag gesloten zijn?

3)

Dienen de artikelen 308 bis tot en met 308 quater van de uitvoeringsverordening en de relevante bepalingen van de Administratieve regeling [betreffende het beheer van tariefcontingenten] aldus te worden uitgelegd dat in een geval als het onderhavige de lidstaat de Commissie preventief had moeten verzoeken om het betrokken tariefcontingent te blokkeren, teneinde te waarborgen dat de Italiaanse importeurs ten opzichte van importeurs uit andere lidstaten eerlijk en gelijk worden behandeld?

4)

Kunnen de uitsluiting van Bolton SpA van het tariefcontingent, waartoe de Commissie heeft besloten, en de TAXUD-nota worden beschouwd als maatregelen die daadwerkelijk stroken met de artikelen 308 bis tot en met 308 quater van de uitvoeringsverordening en met de relevante bepalingen van de door het Comité douanewetboek vastgestelde Administratieve regeling betreffende het beheer van tariefcontingenten van 30 oktober 2007 (TAXUD/3439/2006-rev.1-NL), die dus geldig zijn?


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/44


Beroep ingesteld op 2 december 2009 (fax van 30 november 2009) — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek

(Zaak C-496/09)

2010/C 24/77

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: L. Pignataro, E. Righini, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Italiaanse Republiek, door niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 1 april 2004 in zaak C-99/02 betreffende de terugvordering bij de begunstigden van de bij beschikking 2000/128/EG (1) van de Commissie van 11 mei 1999 betreffende de steun verleend door Italië voor maatregelen ten behoeve van de werkgelegenheid, onrechtmatig en met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar verklaarde steun, de krachtens artikel 228, lid 1, EG op haar rustende verplichtingen is nagekomen;

de Italiaanse Republiek gelasten, de Commissie een dwangsom te betalen van 285 696 EUR per dag vertraging bij de uitvoering van het arrest in zaak C-99/02 betreffende beschikking 2000/128/EG, vanaf de dag waarop het arrest in de onderhavige zaak zal worden gewezen tot de dag waarop het arrest in zaak C-99/02 zal zijn uitgevoerd;

de Italiaanse Republiek gelasten, de Commissie een forfaitair bedrag te betalen waarvan de hoogte het resultaat is van de vermenigvuldiging van een dagelijks bedrag van 31 744 EUR met het aantal dagen dat de inbreuk voortduurt vanaf de dag van uitspraak van het arrest in de onderhavige zaak wat beschikking 2000/128/EG betreft;

de Italiaanse Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

De Italiaanse Republiek heeft niet alle maatregelen getroffen die nodig zijn om de door de beschikking onrechtmatig en onverenigbaar verklaarde steun terug te vorderen, aangezien zij in juni 2009 slechts 52 088 600,60 EUR op een totaal bedrag van 281 525 686,79 had teruggevorderd. De Italiaanse Republiek erkent dat het nog terug te vorderen bedrag gelijk is aan 229 437 086,19 EUR. Zij heeft dus niet alle nodige maatregelen getroffen om aan de beschikking te voldoen, zoals vereist door het arrest in zaak C-99/02.


(1)  PB L 42, blz. 1


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/45


Beroep ingesteld op 8 december 2009 — Europese Commissie/Italiaanse Republiek

(Zaak C-508/09)

2010/C 24/78

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Zadra en D. Recchia, gemachtigden)

Verwerende partij: Italiaanse Republiek

Conclusies

vaststellen dat de Italiaanse Republiek de krachtens artikel 9 van richtlijn 79/409 (1) op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen doordat de door de Regio Sardinië vastgestelde en toegepaste regeling inzake het toestaan van afwijkingen van de regeling betreffende de bescherming van de vogelstand niet voldoet aan de eisen van artikel 9 van die richtlijn;

de Italiaanse Republiek verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Volgens de Commissie is de door de Regio Sardinië vastgestelde wettelijke regeling niet in overeenstemming met de bepalingen van artikel 9 van richtlijn 79/409.

Regionale wet nr. 2 van 13 februari 2004, die de jacht op grond van een afwijking regelt, en de op grond daarvan vastgestelde decreten nr. 3/V van 2004 en nr. 8/IV van 2006, voldoen niet aan de vereisten van artikel 9 van de richtlijn, voor zover:

het advies van het wetenschappelijk orgaan soms werd gevraagd en, indien negatief, niet werd gevolgd, en soms in het geheel niet werd gevraagd;

geen voldoende motivering werd gegeven (omtrent de behoeften die moeten worden beschermd door middel van jacht op grond van een afwijking, de onderzochte alternatieven, de waarschijnlijk bereikte resultaten);

er geen adequaat controlesysteem bestaat dat het mogelijk maakt te verifiëren of aan de voorwaarden voor de afwijking is voldaan en tijdig op te treden;

de in artikel 9, lid 2, van de richtlijn neergelegde voorwaarden door de regionale wet niet worden gesteld en dus in de afwijkende bepalingen niet worden vermeld.

Wet nr. 2 van 13 februari 2004 is gewijzigd bij regionale wet nr. 4 van 11 mei 2006. Ondanks de wijzigingen voldoen wet nr. 2 van 13 februari 2004 en het op grond daarvan vastgestelde decreet nr. 2225/DecA/3 van 30 januari 2009 niet aan de vereisten van artikel 9 van de betrokken richtlijn, voor zover:

de invoering van de raadpleging van het wetenschappelijk orgaan niet in de weg staat aan de vaststelling van afwijkende bepalingen zonder voldoende motivering en rechtvaardiging, en aan de vaststelling van afwijkende bepalingen zonder advies van het wetenschappelijk orgaan;

regionale wet nr. 2/2004, zoals gewijzigd, nog steeds niet bepaalt dat de individuele afwijkende bepalingen de in artikel 9, lid 2, van richtlijn 79/409 neergelegde voorwaarden moeten vermelden (en ook decreet nr. 2225 op dit punt te kort schiet).


(1)  Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1).


Gerecht

30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/46


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 30 november 2009 — Frankrijk en France Télécom/Commissie

(Gevoegde zaken T-427/04 en T-17/05) (1)

(„Staatssteun - Bedrijfsbelastingregeling die van 1994 tot en met 2002 van toepassing was op France Télécom - Beschikking waarbij steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard en terugvordering ervan wordt gelast - Voordeel - Verjaring - Gewettigd vertrouwen - Rechtszekerheid - Schending van wezenlijke vormvoorschriften - Collegialiteit - Rechten van verdediging en procedurele rechten van derde belanghebbenden”)

2010/C 24/79

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Franse Republiek (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. de Bergues, R. Abraham en S. Ramet, vervolgens G. de Bergues, S. Ramet en E. Belliard, en ten slotte G. de Bergues, E. Belliard en A.-L. Vendrolini, gemachtigden) en France Télécom SA (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Gosset-Grainville en L. Godfroid, vervolgens L. Godfroid, S. Hautbourg en M. van der Woude, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: C. Giolito en J. Buendía Sierra, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2005/709/EG van de Commissie van 2 augustus 2004 betreffende de steunregeling die door Frankrijk ten uitvoer is gelegd ten gunste van France Télécom (PB 2005, L 269, blz. 30)

Dictum

1)

De beroepen worden verworpen.

2)

De Franse Republiek en France Télécom SA worden verwezen in de kosten.


(1)  PB C 19 van 22.1.2005.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/46


Arrest van het Gerecht van 9 december 2009 — Apache Footwear en Apache II Footwear/Raad

(Zaak T-1/07) (1)

(„Dumping - Importen van schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam - Status van onderneming die evolueert in markteconomie - Belang van Gemeenschap”)

2010/C 24/80

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partijen: Apache Footwear Ltd (Pingsha, China) en Apache II Footwear Ltd (Qingxin) (Taiping Zhen, China) (vertegenwoordigers: aanvankelijk O. Prost en S. Ballschmiede, vervolgens O. Prost en E. Berthelot, advocaten)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix, gemachtigde, bijgestaan door G. Berrisch, advocaat)

Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: H. van Vliet en T. Scharf, gemachtigden); Europese Confederatie van de schoenindustrie (CEC) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. Vlaemminck, G. Zonnekeyn en S. Verhulst, vervolgens P. Vlaemminck en A. Hubert, advocaten), BA.LA. di Lanciotti Vittorio & C. Sas (Monte Urano, Italië) en zestien andere interveniënten waarvan de namen in bijlage bij het arrest vermeld staan (vertegenwoordigers: P. Tabellini, G. Celona en C. Cavaliere, advocaten)

Voorwerp

Verzoek om gedeeltelijke nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1472/2006 van de Raad van 5 oktober 2006 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op schoeisel met bovendeel van leder uit de Volksrepubliek China en Vietnam (PB L 275, blz. 1), voor zover zij verzoeksters treft

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Apache Footwear Ltd et Apache II Footwear Ltd (Qingxin) zullen hun eigen kosten en de kosten de Raad van de Europese Unie dragen.

3)

De Europese Commissie, de Europese Confederatie van de schoenindustrie (CEC), BA.LA. di Lanciotti Vittorio & C. Sas en de zestien andere interveniënten waarvan de namen in de bijlage vermeld staan zullen hun eigen kosten dragen.


(1)  PB C 56 van 10.3.2007.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/47


Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 30 november 2009 — Esber/BHIM — Coloris Global Coloring Concept (COLORIS)

(Zaak T-353/07) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk COLORIS - Ouder nationaal woordmerk COLORIS - Relatieve weigeringsgrond - Normaal gebruik van ouder merk - Artikel 15, lid 2, sub a, en artikel 43, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 15, lid 1, sub a, en artikel 42, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 207/2009)”)

2010/C 24/81

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Esber, SA (Burceña-Baracaldo, Spanje) (vertegenwoordigers: T. Villate Consonni, J. Calderón Chavero en M. Yañez Manglano, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Coloris Global Coloring Concept (Villeneuve Loubet, Frankrijk) (vertegenwoordiger: K. Manhaeve, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 28 juni 2007 (zaak R 1060/2006-1) inzake een oppositieprocedure tussen Coloris Global Coloring Concept en Esber, SA.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Esber, SA wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 269 van 10.11.2007.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/47


Arrest van het Gerecht van 2 december 2009 — Volvo Trademark/BHIM — Grebenshikova (SOLVO)

(Zaak T-434/07) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk SOLVO - Oudere communautaire en nationale woord- en beeldmerken VOLVO - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, leden 1, sub b, en 5, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, leden 1, sub b, en 5, van verordening (EG) nr. 207/2009)”)

2010/C 24/82

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Volvo Trademark Holding AB (Göteborg, Zweden) (vertegenwoordigers: T. Dolde, V. von Bomhard en A. Renck, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: S. Laitinen en A. Folliard-Monguiral, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Elena Grebenshikova (Sint-Petersburg, Rusland) (vertegenwoordiger: M. Björkenfeldt, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 2 augustus 2007 (zaak R 1240/2006 2) inzake een oppositieprocedure tussen Volvo Trademark Holding AB en Elena Grebenshikova.

Dictum

1)

De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 2 augustus 2007 (zaak R 1240/2006 2) inzake een oppositieprocedure tussen Volvo Trademark Holding AB en Elena Grebenshikova, wordt vernietigd.

2)

Het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) wordt verwezen in zijn eigen kosten en in de helft van de kosten van Volvo Trademark Holding.

3)

Grebenshikova wordt verwezen in haar eigen kosten en in de helft van de kosten van Volvo Trademark Holding.


(1)  PB C 37 van 09.02.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/48


Arrest van het Gerecht van 10 december 2009 — Antwerpse Bouwwerken/Commissie

(Zaak T-195/08) (1)

(„Overheidsopdrachten - Communautaire aanbestedingsprocedure - Bouw van productiehal voor referentiematerialen - Afwijzing van offerte van inschrijver - Beroep tot nietigverklaring - Procesbelang - Ontvankelijkheid - Uitlegging van bestekvoorwaarde - Overeenstemming van offerte met bestekvoorwaarden - Uitoefening van bevoegdheid om verduidelijking over offertes te vragen - Beroep tot schadevergoeding”)

2010/C 24/83

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Antwerpse Bouwwerken NV (Antwerpen, België) (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Verbist en D. de Keuster, vervolgens J. Verbist, B. van de Walle de Ghelcke en A. Vandervennet, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: E. Manhaeve, gemachtigde, bijgestaan door M. Gelders, advocaat)

Voorwerp

Enerzijds een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot afwijzing van verzoeksters offerte in het kader van een niet-openbare aanbesteding voor de bouw van een productiehal voor referentiematerialen op het domein van het Instituut voor referentiematerialen en metingen te Geel (België) en tot gunning van de overheidsopdracht aan een andere inschrijver, en anderzijds een beroep tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden als gevolg van dit besluit van de Commissie

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Antwerpse Bouwwerken NV wordt verwezen in de kosten, met inbegrip van die welke op de procedure in kort geding in zaak T-195/08 R zijn gevallen.


(1)  PB C 183 van 19.7.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/48


Arrest van het Gerecht van 3 december 2009 — Iranian Tobacco/BHIM — AD Bulgartabac (Bahman)

(Zaak T-223/08) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Procedure tot vervallenverklaring - Gemeenschapsbeeldmerk Bahman - Geen vereiste van procesbelang - Artikel 55, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 56, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 207/2009)”)

2010/C 24/84

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Iranian Tobacco Co. (Teheran, Iran) (vertegenwoordiger: M. Beckensträter, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Poch, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: AD Bulgartabac Holding Sofia (Sofia, Bulgarije) (vertegenwoordiger: M. Maček, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 10 april 2008 (zaak R 709/2007-1) inzake een procedure tot vervallenverklaring tussen AD Bulgartabac Holding Sofia en Iranian Tobacco Co.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Iranian Tobacco Co. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 223 van 30.8.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/49


Arrest van het Gerecht van 3 december 2009 — Iranian Tobacco/BHIM — AD Bulgartabac (TIR 20 FILTER CIGARETTES)

(Zaak T-245/08) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Procedure tot vervallenverklaring - Gemeenschapsbeeldmerk TIR 20 FILTER CIGARETTES - Geen vereiste van procesbelang - Artikel 55, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 56, lid 1, sub a, van verordening (EG) nr. 207/2009)”)

2010/C 24/85

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Iranian Tobacco Co. (Teheran, Iran) (vertegenwoordiger: M. Beckensträter, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Poch, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: AD Bulgartabac Holding Sofia (Sofia, Bulgarije) (vertegenwoordiger: M. Maček, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 11 april 2008 (zaak R 708/2007-1) inzake een procedure tot vervallenverklaring tussen AD Bulgartabac Holding Sofia en Iranian Tobacco Co.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Iranian Tobacco Co. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 223 van 30.8.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/49


Arrest van het Gerecht van 9 december 2009 — Commissie/Birkhoff

(Zaak T-377/08 P) (1)

(„Hogere voorziening - Openbare dienst - Ambtenaren - Sociale zekerheid - Ziektekostenverzekering - Vergoeding van medische kosten - Nietigverklaring in eerste aanleg van besluit om geen voorafgaande toestemming te verlenen voor de vergoeding van de aankoopkosten van een rolstoel - Verkeerde opvatting van bewijsmateriaal”)

2010/C 24/86

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en B. Eggers, gemachtigden)

Andere partij in de procedure: Gerhard Birkhoff (Weitnau, Duitsland) (vertegenwoordiger: C. Inzillo, advocaat)

Voorwerp

Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 8 juli 2008, Birkhoff/Commissie (F-76/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), en strekkende tot vernietiging van dat arrest

Dictum

1)

Het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (Eerste kamer) van 8 juli 2008, Birkhoff/Commissie (F-76/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie), wordt vernietigd.

2)

Het besluit van het bureau afwikkeling van 8 november 2005 wordt nietig verklaard.

3)

Birkhoff en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten van deze procedure.

4)

De Commissie zal alle kosten van de procedure in eerste aanleg dragen.


(1)  PB C 327 van 20.12.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/50


Arrest van het Gerecht van 9 december 2009 — Longevity Health Products/BHIM — Merck (Kids Vits)

(Zaak T-484/08) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Kids Vits - Ouder gemeenschapswoordmerk VITS4KIDS - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009)”)

2010/C 24/87

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Longevity Health Products, Inc. (Nassau, Bahama’s) (vertegenwoordiger: J. Korab, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: G. Schneider, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Merck KGaA (Darmstadt, Duitsland)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 28 augustus 2008 (zaak R 716/2007-4) inzake een oppositieprocedure tussen Merck KGaA en Longevity Health Products, Inc.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Longevity Health Products, Inc. wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 32 van 7.2.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/50


Arrest van het Gerecht van 9 december 2009 — Earle Beauty/BHIM (SUPERSKIN)

(Zaak T-486/08) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk SUPERSKIN - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 207/2009)”)

2010/C 24/88

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Liz Earle Beauty Co. Ltd (Ryde, Isle of Wight, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: M. Cover, solicitor)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Botis, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 15 september 2008 (zaak R 1656/2007-4) inzake de inschrijving van het woordteken SUPERSKIN als gemeenschapsmerk

Dictum

1)

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 15 september 2008 (zaak R 1656/2007-4) wordt vernietigd met betrekking tot parfums, haar- en nagelverzorgingsproducten, toiletverzorgingsmiddelen tegen transpiratie, deodorantia, tandpasta, haarverf, haarlak, preparaten voor de verzorging van de ogen, nagellak en nagellakremover en valse nagels van klasse 3 en verzorging op het gebied van hygiëne en cosmetische behandelingen voor het haar van klasse 44.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

Liz Earle Beauty Co. Ltd draagt haar eigen kosten, alsook de helft van de kosten van het BHIM, dat de andere helft van zijn kosten draagt.


(1)  PB C 6 van 10.1.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/51


Arrest van het Gerecht van 10 december 2009 — Stella Kunststofftechnik/BHIM — Stella Pack (Stella)

(Zaak T-27/09) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Procedure inzake vervallenverklaring - Gemeenschapswoordmerk Stella - Eerder ingeleide, op dit merk gebaseerde oppositieprocedure - Ontvankelijkheid - Artikel 50, lid 1, en artikel 55, lid 1, van verordening (EG) nr. 40/94 (thans artikel 51, lid 1, en artikel 56, lid 1, van verordening (EG) nr. 207/2009)”)

2010/C 24/89

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Stella Kunststofftechnik GmbH (Eltville, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Beckensträter, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: A. Führer en G. Schneider, gemachtigden)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Stella Pack sp. z o.o. (Lubartow, Polen) (vertegenwoordiger: O. Bischof, advocaat)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 13 november 2008 (zaak R 693/2008-4) met betrekking tot een procedure inzake vervallenverklaring tussen Stella Kunststofftechnik GmbH en Stella Pack sp. z o.o.

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Stella Kunststoftechnik GmbH wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 82 van 4.4.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/51


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 20 november 2009 — IPK International — World Tourism Marketing Consultants/Commissie

(Zaak T-41/07) (1)

(„Projet Ecodata - Beschikking van de Commissie ter voorbereiding van de gedwongen executie ter zake van een schuld die krachtens een eerdere beschikking is ontstaan - Geding zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing”)

2010/C 24/90

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: IPK International — World Tourism Marketing Consultants GmbH (München, Duitsland) (vertegenwoordiger: C. Pitschas, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: B. Schima, gemachtigde, bijgestaan door C. Arhold, advocaat)

Voorwerp

Beroep ingesteld tegen beschikking C(2006) 6452 van de Commissie van 4 december 2006 betreffende de terugvordering van voorschotten ten bedrage van 318 000 EUR die door IPK International — World Tourism Marketing Consultants GmbH voor het project Ecodata op basis van de beschikking houdende toekenning van financiële bijstand van 4 augustus 1992 zijn ontvangen vóór de intrekking van de financiële bijstand bij beschikking van de Commissie van 13 mei 2005.

Dictum

1)

Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

IPK International — World Tourism Marketing Consultants GmbH en de Commissie van de Europese Gemeenschappen dragen ieder hun eigen kosten.


(1)  PB C 82 van 14.4.2007.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/52


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 19 november 2009 — EREF/Commissie

(Zaak T-94/07) (1)

(„Beroep tot nietigverklaring - Vertegenwoordiging door advocaat die geen hoedanigheid van derde bezit - Kennelijke niet-ontvankelijkheid”)

2010/C 24/91

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: European Renewable Energies Federation ASBL (EREF) (Brussel, België) (vertegenwoordiger: D. Fouquet, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: N. Khan, gemachtigde)

Voorwerp

Beroep tot nietigverklaring van beschikking C (2006) 4963 def. van de Commissie van 24 oktober 2006, inzake een consortiale lening en een bilaterale lening die zijn toegekend in het kader van de bouw door Framatome ANP van een kerncentrale voor Teollisuuden Voima Oy

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

European Renewable Energies Federation ASBL (EREF) draagt haar eigen kosten alsook die van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.


(1)  PB C 117 van 29.5.2007.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/52


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 19 november 2009 — EREF/Commissie

(Zaak T-40/08) (1)

(„Beroep tot nietigverklaring - Vertegenwoordiging door advocaat die geen hoedanigheid van derde bezit - Niet-ontvankelijkheid”)

2010/C 24/92

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: European Renewable Energies Federation ASBL (EREF) (Brussel, België) (vertegenwoordiger: D. Fouquet, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: N. Khan en B. Martenczuk, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2007) 4323 def. van de Commissie van 25 september 2007, inzake maatregel C 45/2006 van Frankrijk in het kader van de bouw door AREVA NP van een kerncentrale voor Teollisuuden Voima Oy

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

European Renewable Energies Federation ASBL (EREF) draagt haar eigen kosten alsook die van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

3)

Op de verzoeken tot tussenkomst van de Franse Republiek, de Republiek Finland, Greenpeace France en Greenpeace Nordic hoeft niet te worden beslist.


(1)  PB C 107 van 26.4.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/52


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 24 november 2009 — Szomborg/Commissie

(Zaak T-228/08) (1)

(„Beroep wegens nalaten - Geen tijdige indiening door Commissie van wetenschappelijke evaluatie - Niet voor beroep vatbare handeling - Geen individuele geraaktheid - Niet-ontvankelijkheid”)

2010/C 24/93

Procestaal: Pools

Partijen

Verzoekende partij: Grzegorz Szomborg (Jastarnia, Polen) (vertegenwoordiger: R. Nowosielski, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: K. Banks en A. Szmytkowska, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep wegens nalaten strekkende tot vaststelling dat de Commissie onrechtmatig heeft nagelaten binnen de voorgeschreven termijn de wetenschappelijke evaluatie te presenteren als bedoeld in artikel 27 van verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, tot wijziging van verordening (EG) nr. 1434/98 en tot intrekking van verordening (EG) nr. 88/98 (PB L 349, blz. 1)

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Szomborg wordt verwezen in zijn eigen kosten alsook in die van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.


(1)  PB C 209 van 15.8.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/53


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 30 november 2009 — Veromar di Tudisco Alfio & Salvatore e.a./Commissie

(Gevoegde zaken T-313/08–T-318/08 en T-320/08–T-328/08) (1)

(„Beroep tot nietigverklaring - Verordening (EG) nr. 530/2008 - Herstel van blauwvintonijnbestanden - Vaststelling van totaal toegestane vangsten voor 2008 - Handeling van algemene strekking - Niet individueel geraakt - Niet-ontvankelijkheid”)

2010/C 24/94

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partijen: Veromar di Tudisco Alfio & Salvatore Snc (Catane, Italië) en zestien andere verzoekers wier namen in de bijlage bij de beschikking worden vermeld (vertegenwoordigers: A. Maiorana, A. De Matteis en A. De Francesco, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: K. Banks en D. Nardi, gemachtigden)

Voorwerp

Beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 530/2008 van de Commissie van 12 juni 2008 tot vaststelling van noodmaatregelen met betrekking tot de visserij op blauwvintonijn door ringzegenvaartuigen in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en in de Middellandse Zee (PB L 155, blz. 9)

Dictum

1)

De beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Verzoekers, Veromar di Tudisco Alfio & Salvatore Snc en zestien andere verzoekers wier namen in de bijlage worden vermeld, worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.


(1)  PB C 272 van 25.10.2008.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/53


Beschikking van het Gerecht van 1 december 2009 — Cafea/BHIM — Christian (BEST FARM)

(Zaak T-53/09) (1)

(„Gemeenschapsmerk - Oppositie - Intrekking van oppositie - Afdoening zonder beslissing”)

2010/C 24/95

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Cafea GmbH (Hamburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: C. Schumann en M. Hartmann, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: C. Jenewein, gemachtigde)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Dieter Christian (Frankfurt am Main, Duitsland)

Voorwerp

Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 27 november 2008 (zaak R 420/2008-1) inzake een oppositieprocedure tussen Cafea GmbH en Dieter Christian

Dictum

1)

Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist.

2)

Cafea GmbH wordt verwezen in haar eigen kosten, alsmede in de kosten van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen).


(1)  PB C 90 van 18.4.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/54


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 25 november 2009 — Andersen/Commissie

(Zaak T-87/09) (1)

(„Staatssteun - Maatregelen ten gunste van Danske Statsbaner - Openbaredienstverplichtingen - Beschikking om procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden - Niet-ontvankelijkheid”)

2010/C 24/96

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Jørgen Andersen (Ballerup, Denemarken) (vertegenwoordigers: M. Nissen, J. Rivas de Andrés en J. Gutiérrez Gisbert, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: B. Martenczuk en C. Urraca Caviedes, gemachtigden)

Voorwerp

Verzoek tot nietigverklaring van beschikking C(2008) 4776 def. van de Commissie van 10 september 2008 om de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden ten aanzien van steunmaatregel C 41/2008 (ex NN 35/2008) van het Koninkrijk Denemarken ten gunste van Danske Statsbaner.

Dictum

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Jørgen Andersen wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 113 van 16.5.2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/54


Beroep ingesteld op 4 november 2009 — Centre national de la recherche scientifique/Commissie

(Zaak T-445/09)

2010/C 24/97

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Centre national de la recherche scientifique (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: N. Lenoir, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

nietig verklaren het besluit van 17 augustus 2009, voor zover het de verrekening betreft van de schuldvordering van het CNRS op de Gemeenschap als gevolg van het contract Role of Skin enerzijds, en de vermeende schuldvordering van de Gemeenschap tegen het CNRS op grond van het contract EURO-THYMAIDE anderzijds;

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het onderhavige beroep verzoekt het Centre national de la recherche scientifique (CNRS) om nietigverklaring van de verrekening in besluit BUDG/C3 D(2009) 10.5 — 1232 van 17 augustus 2009, waarbij de Commissie is overgegaan tot invordering van bedragen die aan verzoeker zijn betaald in het kader van het contract EURO THYMAIDE nr. LSHB-CT-2003-503410 betreffende een project van het 6de kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling.

Verzoeker baseert zijn beroep op vijf middelen:

schending van het recht van verweer doordat het besluit is vastgesteld zonder dat de Commissie de omstandige elementen van antwoord van het CNRS op het definitieve auditrapport heeft onderzocht;

schending van de motiveringsplicht in de zin van artikel 253 EG daar de wezenlijke elementen ontbreken om de redenering van de Commissie in het besluit te kunnen begrijpen;

onjuiste rechtsopvattingen en kennelijke vergissingen bij de beoordeling van de feiten, doordat de Commissie in aanmerking komende kosten heeft verworpen door de criteria voor inaanmerkingneming van de voor het contract gedane uitgaven te wijzigen en ten onrechte bewijzen van deze kosten van de hand heeft gewezen;

schending van artikel 73, lid 1, van het Financieel Reglement doordat de litigieuze schuldvordering wegens de ernstige aard van de betwisting ervan niet als „zeker, vaststaand en invorderbaar” kon worden beschouwd;

schending van het rechtszekerheidsbeginsel doordat het besluit is genomen op basis van criteria voor inaanmerkingneming van de uitgaven die ten tijde van de ondertekening van het contract niet bestonden.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/55


Beroep ingesteld op 6 november 2009 — Centre national de la recherche scientifique/Commissie

(Zaak T-447/09)

2010/C 24/98

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Centre national de la recherche scientifique (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: N. Lenoir, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

nietig verklaren het besluit van 28 augustus 2009 inzake verrekening van de uit contract FP7 239108 ICT — VAMDC/=PF= voortvloeiende schuldvordering enerzijds en de vermeende schuldvordering van de Gemeenschap tegen het CNRS op grond van het contract NEMAGENETAG anderzijds;

de Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het onderhavige beroep verzoekt het Centre national de la recherche scientifique (CNRS) om nietigverklaring van de verrekening in besluit BUDG/C3 D(2009) 10.5 — 1232 van 28 augustus 2009, waarbij de Commissie is overgegaan tot invordering van de bedragen die aan verzoeker in het kader van het contract NEMAGENETAG betreffende een project van het 6de kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling zijn betaald.

Verzoeker baseert zijn beroep op drie middelen:

schending van het recht van verweer doordat het besluit is vastgesteld zonder dat de Commissie de omstandige elementen van antwoord van het CNRS op het definitieve auditrapport heeft onderzocht;

onjuiste rechtsopvattingen en kennelijke vergissingen bij de beoordeling van de feiten die het besluit hebben beïnvloed en de Commissie ertoe hebben gebracht, enerzijds kosten af te wijzen door de criteria voor de beoordeling van de in aanmerking komende uitgaven te wijzigen en anderzijds bewijzen van de voor het project gedane uitgaven ten onrechte van de hand te wijzen;

schending van artikel 73, lid 1, van het Financieel Reglement doordat in de eerste plaats de litigieuze schuldvordering wegens de ernstige aard van de betwisting ervan niet als „zeker, vaststaand en invorderbaar” kon worden beschouwd, in de tweede plaats de schuldvorderingen die aanleiding gaven tot onderlinge verrekening niet als wederzijds konden worden beschouwd, aangezien de ene collectief was en de andere persoonlijk, en ten slotte het bedrag van de krachtens het contract VAMDC verschuldigde voorfinanciering ten tijde van de vaststelling van de verrekening niet invorderbaar was.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/55


Beroep ingesteld op 4 november 2009 — Centre national de la recherche scientifique/Commissie

(Zaak T-448/09)

2010/C 24/99

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Centre national de la recherche scientifique (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: N. Lenoir, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

het beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;

de Commissie veroordelen, het bedrag van 110 102,26 EUR van de vermeende vordering terug te betalen, dat de Commissie krachtens het contract in haar debetnota van 29 juni 2009 (ref. nr. 3230906067) heeft opgeëist en dat heeft geleid tot de verrekening op 17 augustus 2009 (ref. BUDG/C3 D(2009) 10.5 — 1232), vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente volgens het op het contract toepasselijke Belgische recht;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het onderhavige beroep verzoekt het Centre national de la recherche scientifique (CNRS) het Gerecht, de Commissie te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 110 102,26 EUR van de vordering, zoals vermeld in debetnota nr. 3230906067 van 29 juni 2009, dat door verzoeker zou zijn verschuldigd op grond van het contract EURO-THYMAIDE betreffende een project van het 6de kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling, en dat heeft geleid tot een verrekening op 17 augustus 2009, alsook tot terugbetaling van de vertragingsrente.

Verzoeker baseert zijn beroep op drie middelen:

niet-inachtneming van de rechtvaardigingscriteria voor de kosten op contractuele basis doordat de Commissie artikel II.19.1 van de Algemene voorwaarden van het contract EURO-THYMAIDE betreffende de in aanmerking komende kosten heeft geschonden, en subsidiair niet-eerbiediging van de verplichting tot goede trouw in de zin van artikel 1134 van het Belgisch burgerlijk wetboek door het afwijzen van bewijselementen inzake de directe kosten van het personeel voor het project, waarvan de bewijskracht nochtans evident was. Daardoor heeft de Commissie bepaalde directe personeelskosten onterecht verworpen en aanpassingen verricht die tot de betwiste vordering hebben geleid;

onjuiste beoordeling van de Voorziening bij Verlies van Arbeid (VVA) tegen de achtergrond van de in de artikelen II.19.1, II.19.2.c en II.20 van de Algemene voorwaarden van het contract EURO-THYMAIDE vastgestelde criteria, aangezien de VVA, in strijd met haar misleidende benaming, een met de werkloosheidsverzekering verbonden personeelslast is die onlosmakelijk met de in aanmerking komende personeelskosten is verbonden. De Commissie heeft voormelde bepalingen geschonden door de bedragen die overeenkomen met de op de lonen van het bij het project betrokken tijdelijk CNRS-personeel ingehouden VVA, uit te sluiten van de in aanmerking komende kosten;

kennelijk onjuiste beoordeling van de lonen bij ziekteverlof tegen de achtergrond van de contractueel bepaalde criteria voor inaanmerkingneming, doordat de Commissie, in strijd met artikel 11.19 van de Algemene voorwaarden van het contract EURO-THYMAIDE, bij de niet in aanmerking komende kosten de lonen heeft toegevoegd die worden betaald aan het bij het project betrokken CNRS-personeel bij ziekteverlof.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/56


Beroep ingesteld op 6 november 2009 — Centre national de la recherche scientifique/Commissie

(Zaak T-449/09)

2010/C 24/100

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Centre national de la recherche scientifique (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: N. Lenoir, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

het beroep ontvankelijk en gegrond verklaren;

de Commissie veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 97 399,55 EUR van de vermeende vordering dat door de Commissie krachtens het contract in haar debetnota nr. 3230906573 van 6 juli 2009 is opgeëist en dat heeft geleid tot de verrekening van 28 augustus 2009 (ref. BUDG/C3 D2009 10.5 — 1232), vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente volgens het op het contract toepasselijke Belgische recht;

de Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het onderhavige beroep verzoekt het Centre national de la recherche scientifique (CNRS) het Gerecht, de Commissie te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van 97 399,55 EUR van de vordering, zoals vermeld in debetnota nr. 3230906573 van 6 juli 2009, dat door verzoeker zou zijn verschuldigd op grond van het contract NEMAGENETAG betreffende een project van het 6de kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling en dat heeft geleid tot een verrekening op 28 augustus 2009, alsook tot terugbetaling van de vertragingsrente.

Verzoeker baseert zijn beroep op twee middelen:

niet-inachtneming van de criteria voor de definitie en de rechtvaardiging van de in aanmerking komende kosten waarin het contract NEMAGENETAG voorziet, en van het beginsel van goede trouw bij de uitvoering van overeenkomsten, waardoor het CNRS een beperkte en in bepaalde gevallen zelfs geen mogelijkheid had de goede uitvoering van het contract te bewijzen;

onjuiste beoordeling van de Voorziening bij Verlies van Arbeid (VVA) tegen de achtergrond van de in de artikelen II.19.1, II.19.2.c en II.20 van de Algemene voorwaarden van het contract NEMAGENETAG vastgestelde criteria, aangezien de VVA, in strijd met haar misleidende benaming, een met de werkloosheidsverzekering verbonden personeelslast is die onlosmakelijk met de in aanmerking komende personeelskosten is verbonden. De Commissie heeft voormelde bepalingen geschonden door de bedragen die overeenkomen met de op de lonen van het tijdelijk bij het project NEMAGENETAG betrokken CNRS-personeel ingehouden VVA, uit te sluiten van de in aanmerking komende kosten.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/56


Beroep ingesteld op 9 november 2009 — Wind/BHIM — Sanyang Industry (Wind)

(Zaak T-451/09)

2010/C 24/101

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Harry Wind (Selfkant, Duitsland) (vertegenwoordiger: J. Sroka, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Sanyang Industry Co. Ltd (Hsinchu, Taiwan)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 3 september 2009 in zaak R 1470/2008-4 vernietigen; en

verweerder verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk „Wind” voor waren en diensten van de klassen 11, 12 en 37

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoeker

Oppositiemerk of -teken: Duitse merkinschrijving voor het beeldmerk „Wind” voor diensten van klasse 37

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 van de Raad (thans artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 van de Raad) doordat de kamer van beroep heeft nagelaten te concluderen dat er sprake was van soortgelijkheid van de waren en diensten waarop de conflicterende merken betrekking hadden.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/57


Beroep ingesteld op 7 november 2009 — Jiménez Sarmiento/BHIM — Robin e.a. (Q)

(Zaak T-455/09)

2010/C 24/102

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Vicente J. Jiménez Sarmiento (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: P. Ma García-Cabrerizo del Santo, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep: Michel Robin (Lasne, België), Daniel Falzone (Waterloo, België), Maxime Monseur (Tamines, België)

Conclusies

verklaring, op basis van regel 70 van de verordening tot uitvoering van de verordening inzake het gemeenschapsmerk, dat de termijn van vier maanden voor de indiening van de toelichting van de motivering van het administratieve beroep dat aan de grondslag van het onderhavige verzoek ligt, is verstreken op 16 mei 2009, zodat, aangezien de 16e een zaterdag was, de indiening die heeft plaatsgevonden op 18 mei daaraanvolgend, rechtsgeldig is;

subsidiair, voor het geval dat het Gerecht de voorgaande vordering niet inwilligt, verklaring dat verzoeker een verschoonbare vergissing heeft gemaakt bij de berekening van die termijn;

na inwilliging van een van bovenstaande vorderingen, vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep van het BHIM van 7 september 2009 in zaak R 0312/2009-4, en daarbij verklaren dat de toelichting van de motivering van het aan de orde zijnde administratieve beroep binnen de gestelde termijn is ingediend en de kamer van beroep van het BHIM gelasten om de gegrondheid van dit beroep te onderzoeken.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Michel Robin, Daniel Falzone en Maximo Monseur

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk bestaande uit de schuine letter Q met een dikke streep eronder (aanvraagnr. 4 804 266), voor waren van de klassen 18, 25 en 28

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoeker

Oppositiemerk of -teken: Spaans beeldmerk bestaande uit het woordelement „quadrata” (aanvraagnr. 1 770 312), voor waren van klasse 25

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie wegens niet-ontvankelijkheid

Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep wegens niet-ontvankelijkheid

Aangevoerde middelen: onjuiste uitlegging en toepassing van regel 70 van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk, afwijking in de bestreden beslissing van een vaste praktijk van verweerder en bestaan van een excusabele fout van verzoeker.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/58


Beroep ingesteld op 16 november 2009 — CheapFlights International Ltd/BHIM

(Zaak T-460/09)

2010/C 24/103

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: CheapFlights International Ltd (Ballybofey, Ierland) (vertegenwoordigers: H. Hartwig, A. von Mühlendahl, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Cheapflights Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)

Conclusies

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (Merken, tekeningen en modellen) van 31 augustus 2009 in zaak R 1356/2007-4 vernietigen;

Af te wijzen het beroep dat door de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep is ingesteld tegen de beslissing van verweerders oppositieafdeling van 22 juni 2007 in oppositieprocedure B 806 531;

Verweerder te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen de door de verzoekende partij voor de kamer van beroep gemaakte kosten;

De andere partij in de procedure voor de kamer van beroep te verwijzen in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten van de verzoekende partij voor de kamer van beroep zo zij mocht besluiten in deze zaak interveniërende partij te worden.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk „Cheapflights” voor goederen en diensten van de klassen 9, 16, 35, 38, 39, 41, 42, 43 en 44

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: de verzoekende partij

Oppositiemerk of -teken: Ierse merkinschrijving voor het beeldteken „CheapFlights” voor diensten van de klassen 35, 36, 38, 39, 41, 42, 43 en 44; Ierse merkaanvraag voor het woordmerk „CHEAPFLIGHTS” voor diensten van de klassen 35, 39 en 43; Ierse merkinschrijving van het woordmerk „CHEAPFLIGHTS” voor diensten van de klassen 38, 41, 42 en 44; Ierse merkinschrijving van het beeldteken „CheapFlights.ie” voor diensten van de klassen 35, 39, 41, 42 en 43; internationale merkinschrijving van het beeldteken „CheapFlights” voor diensten van de klassen 35, 38, 39 en 42

Beslissing van de oppositieafdeling: Gedeeltelijke toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: Vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van de oppositie op alle onderdelen

Aangevoerde middelen: Schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 van de Raad, daar de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen gevaar voor verwarring tussen de betrokken merken bestond


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/58


Beroep ingesteld op 16 november2009 — CheapFlights International/BHIM — Cheapflights (Cheapflights)

(Zaak T-461/09)

2010/C 24/104

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: CheapFlights International Ltd (Ballybofey, Ierland) (vertegenwoordigers: H.Hartwig en A. von Mühlendahl, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: CheapFlights Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk)

Conclusies

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (Merken, tekeningen en modellen) van 31 augustus 2009 in zaak R 1607/2007-4 vernietigen;

Af te wijzen het beroep dat door de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep is ingesteld tegen de beslissing van verweerders oppositieafdeling van 10 augustus 2007 in oppositieprocedure B 849 150;

Verweerder te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen de door de verzoekende partij voor de kamer van beroep gemaakte kosten;

De andere partij in de procedure voor de kamer van beroep te verwijzen in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten van de verzoekende partij voor de kamer van beroep zo zij mocht besluiten in deze zaak interveniërende partij te worden.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: de andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Betrokken gemeenschapsmerk: het zwart-wit beeldmerk „Cheapflights” voor diensten van de klassen 38, 39, 41, 42, 43 en 44

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: de verzoekende partij

Oppositiemerk of -teken: Ierse merkinschrijving voor het beeldteken in kleur „CheapFlights” voor diensten van de klassen 35, 36, 38, 39, 41, 42, 43 en 44; Ierse merkaanvraag voor het woordmerk „CHEAPFLIGHTS” voor diensten van de klassen 35, 39 en 43; Ierse merkinschrijving van het woordmerk „CHEAPFLIGHTS” voor diensten van de klassen 38, 41, 42 en 44; Ierse merkinschrijving van het beeldteken „CheapFlights.ie” voor diensten van de klassen 35, 39, 41, 42 en 43; internationale merkinschrijving van het beeldteken „CheapFlights” voor diensten van de klassen 35, 38, 39 en 42

Beslissing van de oppositieafdeling: Toewijzing van de oppositie op alle onderdelen

Beslissing van de kamer van beroep: Vernietiging van de bestreden beslissing en afwijzing van de oppositie op alle onderdelen

Aangevoerde middelen: Schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 van de Raad, daar de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen gevaar voor verwarring tussen de betrokken merken bestond.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/59


Beroep ingesteld op 19 november 2009 — Jurašinović/Raad

(Zaak T-465/09)

2010/C 24/105

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Ivan Jurašinović (Angers, Frankrijk) (vertegenwoordiger: M. Jarry, advocaat)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

nietigverklaring van het besluit van 22 september 2009 waarbij verzoeker slechts gedeeltelijke toegang is verleend tot de volgende documenten: verslagen van de waarnemers van de Europese Unie die van 1 tot en met 31 augustus 1995 aanwezig waren in het gebied rond Knin in Kroatië;

veroordeling van de Raad van de EU — Secretariaat-Generaal tot de verlening van toegang in elektronische vorm tot alle opgevraagde documenten;

veroordeling van de Raad van de EU tot betaling aan verzoeker van een vergoeding van proceskosten ten bedrage van 2 000 EUR exclusief btw, zijnde 2 392 EUR inclusief btw, vermeerderd met rente tegen de rentevoet van de ECB op de dag van inschrijving van het verzoekschrift.

Middelen en voornaamste argumenten

Met het onderhavige beroep vordert verzoeker nietigverklaring van het besluit van 22 september 2009 waarbij hem de volledige toegang is geweigerd tot de verslagen van de waarnemers van de Europese Unie die van 1 tot en met 31 augustus 1995 aanwezig waren in het gebied rond Knin in Kroatië.

Ter onderbouwing van zijn beroep voert verzoeker drie middelen aan:

geen ondermijning van de bescherming van het openbare belang wat betreft de internationale betrekkingen in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1049/2001 (1), aangezien:

voor de betrokken documenten geen enkele specifieke bescherming kan gelden; en

zelfs indien wordt verondersteld dat voor de opgevraagde documenten een specifieke bescherming kan gelden, artikel 4, lid 7, van verordening nr. 1049/2001 bepaalt dat „[d]e uitzonderingen van de leden 1 tot en met 3 […] slechts van toepassing [zijn] gedurende de periode waarin bescherming op grond van de inhoud van het document gerechtvaardigd is”. De helft van de in artikel 4, lid 7, bedoelde maximumperiode voor bescherming is verlopen, hetgeen het verlenen van toegang tot de opgevraagde documenten rechtvaardigt;

tot slot de documenten waarvan de mededeling is gevraagd, geen gevoelige documenten in de zin van artikel 9 van verordening nr. 1049/2001 zijn;

geen ondermijning van de openbare veiligheid in de zin van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1049/2001, aangezien:

de omstandigheid dat derden zich in deze documenten „vertrouwelijk” hebben uitgelaten, irrelevant is omdat een instelling op basis van verordening nr. 1049/2001 niet kan weigeren om toegang tot het document te verlenen om hypothetische „derden” te beschermen;

het betoog van de Raad tot „bescherming” van de fysieke integriteit van waarnemers, getuigen en bronnen de wil om de particuliere belangen van deze personen te beschermen, kenmerkt en niets te maken heeft met de openbare veiligheid, en

de Raad steeds de mogelijkheid heeft, teneinde een evenwicht te vinden tussen de zorg voor discretie ten aanzien van bepaalde personen en het voldoen aan het belang van het publiek, om de toegang van het publiek tot de opgevraagde documenten te beperken door in die documenten de verwijzingen naar namen aan de hand waarvan „derden” kunnen worden geïdentificeerd, te schrappen.

bestaan van een eerdere openbaarmaking van de opgevraagde documenten.


(1)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/60


Beroep ingesteld op 23 november 2009 — Comercial Losan/BHIM — McDonald’s International Property (Mc. Baby)

(Zaak T-466/09)

2010/C 24/106

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: Comercial Losan, SLU (Zaragoza, Spanje) (vertegenwoordiger: A. Vela Ballesteros, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: McDonald’s International Property Co. Ltd (Delaware, Verenigde Staten)

Conclusies

toewijzing van het beroep tegen de beslissing van de kamer van beroep van 1 september 2009 — R 1706/2008-1 Mc Baby/Mc Kids in oppositieprocedure nr. B 1049362 (gemeenschapsmerkaanvraag 4 441 393), met toelating van de inschrijving van het aangevraagde gemeenschapsmerk, en verwijzing van de wederpartij in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „Mc. Baby” bevat (aanvraagnr. 4 741 393), voor waren en diensten van de klassen 25, 35 en 39

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: McDonald’s Internacional Property Company Ltd.

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsbeeldmerk dat het woordelement „McKids” bevat (merk nr. 3 207 354), voor waren van de klassen 16, 25 en 28; gemeenschapswoordmerk „McDONALD’S” (merk nr. 62 497), voor waren en diensten van de klassen 25, 28, 29, 30, 31, 32, 35, 41 en 42, en gemeenschapsbeeldmerk dat het woordelement „McDONALD’S” bevat (merk nr. 62 521), voor waren en diensten van de klassen 25, 28, 29, 30, 31, 32, 35, 41 en 42

Beslissing van de oppositieafdeling: gedeeltelijke toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: gedeeltelijke toewijzing van het beroep

Aangevoerde middelen: onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94, vervangen door verordening nr. 207/2009.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/60


Beroep ingesteld op 19 november 2009 — Stelzer/Commissie

(Zaak T-467/09)

2010/C 24/107

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Dierk Stelzer (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordiger: F. Weiland, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

de afwijzende beschikkingen van het directoraat-generaal Milieu van de Commissie van 6 augustus 2009 en van het secretariaat-generaal van de Commissie van 29 oktober 2009 (moet zijn: 29 september 2009) nietig verklaren;

verweerster verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoeker keert zich met name tegen de beschikking van de Commissie van 29 oktober 2009, waarbij zijn tweede verzoek om toegang tot het conformiteitsonderzoek inzake de omzetting van richtlijn 2003/35/EG (1) gedeeltelijk is afgewezen.

Tot staving van zijn vordering betoogt verzoeker dat de gronden die verweerster ter motivering van de weigering van toegang tot het gevraagde document aanvoert, te weten de bescherming van het doel van onderzoeken (artikel 4, lid 2, derde streepje, van verordening (EG) nr. 1049/2001 (2)) en de bescherming van het besluitvormingsproces (artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1049/2001) onjuist zijn. Voorts betoogt hij dat de ingevolge artikel 4, lid 6, van verordening nr. 1049/2001 verlangde gedeeltelijke toegang tot het gevraagde document ten onrechte is geweigerd. Bovendien gebiedt een hoger openbaar belang openbaarmaking van de betrokken studie. Ten slotte stelt verzoeker dat verweerster de motiveringsplicht heeft geschonden.


(1)  Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L156, blz. 17).

(2)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 3).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/61


Beroep ingesteld op 24 november 2009 — JSK International Architekten und Ingenieure/ECB

(Zaak T-468/09)

2010/C 24/108

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: JSK International Architekten und Ingenieure (Frankfurt am Main, Duitsland) (vertegenwoordigers: J. Steiff en K. Heuvels, advocaten)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank

Conclusies

het gunningsbesluit van de Europese Centrale Bank van 6 augustus 2009 en het besluit tot afwijzing van het beroep van de beroepsinstantie van de Europese Centrale Bank van 14 september 2009 ongeldig verklaren;

vaststellen dat de opdracht anders dan in het ingetrokken gunningsbesluit aan de verzoekende partij moet worden gegund, subsidiair dat de gunningsprocedure vanaf de uitnodiging tot inschrijving moet worden hernomen en met JSK rekening moet worden gehouden, meer subsidiair, de gunningsprocedure volledig moet worden overgedaan;

nog meer subsidiair — alleen voor het onwaarschijnlijke geval dat de verzoeken sub 1 en 2 worden afgewezen — de verzoekende partij schadevergoeding toekennen voor het bedrag van het positieve contractsbelang (de gederfde winst) — voorlopig op 900 000 EUR geraamd —, subsidiair voor het bedrag van het negatieve contractsbelang (kosten van het opstellen van de offerte), voorlopig op 80 000 EUR geraamd;

de verwerende partij verwijzen in de kosten van de procedure en in de buitengerechtelijke kosten die voor een doelmatige procesvoering moeten worden gemaakt (advocatenhonoraria en kosten);

aangezien dat haar tot op heden werd geweigerd, de verzoekende partij volledige inzage in het dossier verlenen.

Middelen en voornaamste argumenten

Blijkens de vorderingen van de verzoekende partij verzet zij zich enerzijds tegen de beslissing van de aanbestedingscommissie van de Europese Centrale Bank van 6 augustus 2009 tot afwijzing van de inschrijving van verzoekende partij in het kader van de aanbesteding van activiteiten van coördinatie van bouwwerkzaamheden en toezicht ter plaatse voor de nieuwe ECB-kantoren in Frankfort a.d. Main (T1009 uitvoerder), en anderzijds tegen het besluit van de beroepsinstantie van de Europese Centrale Bank van 14 september 2009 tot verwerping van het beroep van de verzoekende partij tegen voormelde beslissing. Subsidiair vordert de verzoekende partij schadevergoeding.

Tot staving van haar beroep betoogt de verzoekende partij ten eerste dat het gunningsbesluit wegens een belangenconflict gebreken vertoont. In dit kader wordt geklaagd dat het beginsel van behoorlijk bestuur in de zin van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie werd geschonden.

In de tweede plaats stelt de verzoekende partij dat het recht werd geschonden omdat geen rekening werd gehouden met haar inschrijving en betwist zij dat haar inschrijving werd uitgesloten omdat die ontoereikend en van mindere kwaliteit was.

Tot slot stelt de verzoekende partij dat procedureregels betreffende transparantie en rechtsbescherming, zoals het recht van toegang tot het dossier, werden geschonden.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/62


Beroep ingesteld op 23 november 2009 — Helleense Republiek/Commissie

(Zaak T-469/09)

2010/C 24/109

Procestaal: Grieks

Partijen

Verzoekende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: I. Chalkias, S. Papaïoannou)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

de bestreden beschikking van de Commissie in haar geheel nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

In haar beroep tegen beschikking C(2009)7044 def. van de Commissie van 24 september 2009„houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten in het kader van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL), afdeling Garantie, in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling, (ELFPO) hebben verricht” (PB L 257, blz. 28), voert de Helleense Republiek, wat de haar opgelegde financiële correcties betreft, de volgende twee middelen tot nietigverklaring aan.

Met het eerste middel tot nietigverklaring, betreffende de sector verwerking van groenten en fruit (tomaten), stelt verzoekster onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 28, lid 1, sub f, artikel 28, lid 2, artikel 31, leden 1 en 2, en artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 1535/2003 (1) en de richtsnoeren AGRI VI 5330/97, 17933/2000 en 63983/2002 inzake de financiële correcties, aangezien in deze sector alle essentiële controles in voldoende aantal hebben plaatsgevonden en er enkel leemten waren wat de aanvullende controles van ondergeschikt belang betreft.

Met het tweede middel tot nietigverklaring, betreffende de sector openbare opslag van rijst, stelt verzoekster dat de correctie is opgelegd zonder geldige rechtsgrondslag, aangezien de Commissie de artikelen 4 en 6 van verordening (EG) nr. 2148/96 (2) onjuist heeft uitgelegd en, subsidiair, het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden.


(1)  Verordening (ΕG) nr. 1535/2003 van de Commissie van 29 augustus 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad wat de steunregeling voor verwerkte producten op basis van groenten en fruit betreft (PB L 218, blz. 14).

(2)  Verordening (EG) nr. 2148/96 van de Commissie van 8 november 1996 tot vaststelling van de voorschriften voor de evaluatie van en de controle op de hoeveelheden landbouwproducten in de openbare interventievoorraden (PB L 288, blz. 6).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/62


Beroep ingesteld op 30 november 2009 — medi/BHIM (medi)

(Zaak T-470/09)

2010/C 24/110

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: medi GmbH & Co. KG (Bayreuth, Duitsland) (vertegenwoordigers: H. Lindner en D. Terheggen, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Conclusies

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 1 oktober 2009 in beroepsprocedure R 692/2008-4 vernietigen voor zover het beroep is afgewezen;

De afwijzing door het BHIM van de inschrijvingsaanvraag voor gemeenschapsmerk nr. 5 378 021 vernietigen;

De volledige bekendmaking van inschrijvingsaanvraag nr. 5 378 021 toestaan;

het Bureau verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Betrokken gemeenschapsmerk: het woordmerk „medi” voor waren en diensten van de klassen 1, 3, 5, 9, 10, 17, 35, 38, 39, 41, 42 et 44 (inschrijvingsaanvraag nr. 5 378 021)

Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag

Beslissing van de kamer van beroep: gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van de onderzoeker

Aangevoerde middelen: onjuiste toepassing van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009 (1), daar het betrokken merk het vereiste onderscheidend vermogen bezit


(1)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/63


Beroep ingesteld op 27 november 2009 — Oetker Nahrungsmittel/BHIM — Bonfait (Buonfatti)

(Zaak T-471/09)

2010/C 24/111

Taal van het verzoekschrift: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Dr. August Oetker Nahrungsmittel KG (Bielefeld, Duitsland) (vertegenwoordiger: F. Graf von Stosch, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bonfait BV

Conclusies

De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 2 oktober 2009 in beroepsprocedure R 340/2007-4 betreffende oppositie nr. B 871 121 vernietigen;

het Bureau verwijzen in de kosten van de procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekende partij

Betrokken gemeenschapsmerk: het woordmerk „Buonfatti” voor waren van de klassen 29 en 30 (aanvraagnummer 3 939 915)

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Bonfait BV

Oppositiemerk of -teken: inzonderheid het Beneluxwoordmerk „Bonfait” nr. 393 133 en het gemeenschapsbeeldmerk „Bonfait” nr. 648 816 voor waren van de klassen 29 en 30

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de beslissing van de oppositiekamer en weigering van de inschrijving

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 (1), daar van gevaar voor verwarring tussen de twee tegenover elkaar staande merken geen sprake is


(1)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/63


Beroep ingesteld op 30 november 2009 — SP/Commissie

(Zaak T-472/09)

2010/C 24/112

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: SP SpA (Brescia, Italië) (vertegenwoordiger: G. Belotti, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

Nietig of non-existent verklaren de beschikking van de Commissie in zaak COMP. 37 956 — Betonstaafstaal, nieuwe beschikking — C (2009) 7492, door de Commissie definitief vastgesteld op 30 september 2009.

Middelen en voornaamste argumenten

Bij beschikking van 17 september 2002 had de Commissie een in oktober 2000 ingeleide procedure afgesloten in het kader waarvan zij diverse onaangekondigde inspecties bij enkele Italiaanse staalondernemingen had uitgevoerd. Zij verweet deze ondernemingen, tussen 6 december 1989 en juli 2000 te hebben deelgenomen aan een onrechtmatige mededelingsregeling in de zin van artikel 65 EGKS-Verdrag. Deze beschikking werd door alle ondernemingen waartoe zij gericht was, waaronder de huidige verzoekster, aangevochten.

Dit beroep werd gegrond verklaard met de overweging dat de Commissie de bestreden beschikking had gegeven met als rechtsgrondslag artikel 65 EGKS-Verdrag, terwijl het EGKS-Verdrag vijf jaar eerder buiten werking was getreden.

Bij de met het onderhavige beroep bestreden beschikking heeft de Commissie haar bezwaren met betrekking tot de in de eerste beschikking aan de orde gestelde inbreuk herhaald en heeft zij de rechtsgrondslag voor de oplegging van de boete gewijzigd, maar artikel 65 EGKS-Verdrag opnieuw aangevoerd als rechtsgrondslag voor de inbreuk.

Tot staving van haar beroep voert verzoekster diverse argumenten aan, waaronder:

1)

Onvolledigheid van de beschikking en schending van wezenlijke vormvoorschriften, voorzover de beschikking is betekend zonder haar bijlagen en bovendien is vastgesteld door het College in onvolledige samenstelling.

2)

Onbevoegdheid van de Commissie om schending van artikel 65 EGKS-Verdrag in te roepen na de buitenwerkingtreding van dit Verdrag.

3)

Schending en onjuiste toepassing van artikel 23 van verordening EG nr.1/2003 (1), aangezien deze bepaling in de eerste plaats uitsluitend voor de bestraffing van inbreuken op het EG-Verdrag en niet van inbreuken op het EGKS-Verdrag bedoeld is, en in de tweede plaats alleen voor actieve ondernemingen die in het voorgaande jaar een omzet hebben behaald. Verzoekster, die zich in vereffening bevindt, had aangetoond dat zij in het jaar 2008 geen omzet heeft behaald.

4)

Misbruik van bevoegdheid en procedurefouten, daar de Commissie de volgens de EGKS-voorschriften ingeleide procedure heeft voortgezet volgens een EG-procedure die daar geen grondslag voor bood.

5)

Partijdigheid van het bestuurlijk optreden en gebrek aan motivering, daar in de stukken vervatte argumenten voor het standpunt dat de beweerde mededingingsregeling niet bestond en/of geen gevolgen sorteerde niet in de beschouwing zijn betrokken en voorts elementen buiten beschouwing zijn gelaten waaruit bleek dat verzoekster in verschillende opzichten niet aan de mededingingsregeling heeft deelgenomen.

6)

Schending van verzoeksters recht van verweer, daar de beschikking niet is voorafgegaan door een nieuwe mededeling van de punten van bezwaar.

7)

Schending en onjuiste toepassing van het recht, daar de opgelegde boete ten onrechte is verhoogd, inzonderheid wegens de duur ervan en de afschrikkende werking.


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1, van 4.1.2003, blz. 1).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/64


Beroep ingesteld op 26 november 2009 — Matkompaniet/BHIM — DF World of Spices (KATOZ)

(Zaak T-473/09)

2010/C 24/113

Taal van het verzoekschrift: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Matkompaniet AB (Borås, Zweden) (vertegenwoordiger: J. Gulliksson, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: DF World of Spices GmbH (Dissen, Duitsland)

Conclusies

de beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 9 september 2009 in zaak R 1023/2008-2 vernietigen;

verweerder verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en van de eraan voorafgaande procedure.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster

Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „KATOZ” voor waren van de klassen 29 en 30

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep

Oppositiemerk of -teken: Duitse merkinschrijving voor het beeldmerk „KATTUS” voor waren van de klassen 29 en 30

Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de beslissing van de oppositieafdeling

Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad, aangezien de kamer van beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat er gevaar voor verwarring van de betrokken merken bestond.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/65


Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER)

(Zaak T-475/09)

2010/C 24/114

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: P. López Ronda, G. Macías Bonilla, H. L. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bricocenter Italia Srl [Rozzano Milanofiori (Milaan), Italië]

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 24 september 2009 in zaak R 500/2008-4 vernietigen;

verweerder (het BHIM) verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Bricocenter Italia S.r.l.

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „BRICOCENTER” bevat (aanvraagnr. 4 934 147) voor diensten van klasse 35

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsbeeldmerken met de woordelementen „CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 3 262 623) en „ATB CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 989 046) voor diensten van de klassen 35, 37 en 39

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de litigieuze beslissing en volledige afwijzing van de oppositie

Aangevoerde middelen: onjuiste toepassing en uitlegging van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/65


Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER)

(Zaak T-476/09)

2010/C 24/115

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: P. López Ronda, G. Macías Bonilla, H. L. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bricocenter Italia Srl [Rozzano Milanofiori (Milaan), Italië]

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 24 september 2009 in zaak R 1006/2008-4 vernietigen;

verweerder (het BHIM) verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Bricocenter Italia S.r.l.

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „BRICOCENTER” bevat (aanvraagnr. 4 934 212) voor diensten van klasse 35

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsbeeldmerken met de woordelementen „CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 3 262 623) en „ATB CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 989 046) voor diensten van de klassen 35, 37 en 39

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de litigieuze beslissing en volledige afwijzing van de oppositie

Aangevoerde middelen: onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/66


Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER)

(Zaak T-477/09)

2010/C 24/116

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: P. López Ronda, G. Macías Bonilla, H. L. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bricocenter Italia Srl [Rozzano Milanofiori (Milaan), Italië]

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 24 september 2009 in zaak R 1008/2008-4 vernietigen;

verweerder (het BHIM) verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Bricocenter S.r.l.

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „BRICOCENTER” bevat (aanvraagnr. 4 934 121) voor diensten van klasse 35

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsbeeldmerken met de woordelementen „CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 3 262 623) en „ATB CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 989 046) voor diensten van de klassen 35, 37 en 39

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de litigieuze beslissing en volledige afwijzing van de oppositie

Aangevoerde middelen: onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/66


Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER)

(Zaak T-478/09)

2010/C 24/117

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: P. López Ronda, G. Macías Bonilla, H. L. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bricocenter Italia Srl [Rozzano Milanofiori (Milaan), Italië]

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 24 september 2009 in zaak R 1009/2008-4 vernietigen;

verweerder (het BHIM) verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Bricocenter Italia S.r.l.

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „BRICOCENTER” bevat (aanvraagnr. 4 934 501) voor diensten van klasse 35

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsbeeldmerken met de woordelementen „CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 3 262 623) en „ATB CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 989 046) voor diensten van de klassen 35, 37 en 39

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de litigieuze beslissing en volledige afwijzing van de oppositie

Aangevoerde middelen: onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/67


Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER Garden)

(Zaak T-479/09)

2010/C 24/118

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: P. López Ronda, G. Macías Bonilla, H. L. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bricocenter Italia Srl [Rozzano Milanofiori (Milaan), Italië]

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 24 september 2009 in zaak R 1044/2008-4 vernietigen;

verweerder (het BHIM) verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Bricocenter Italia S.r.l.

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „BRICOCENTER Garden” bevat (aanvraagnr. 4 935 144) voor diensten van klasse 35

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsbeeldmerken met de woordelementen „CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 3 262 623) en „ATB CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 989 046) voor diensten van de klassen 35, 37 en 39

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de litigieuze beslissing en volledige afwijzing van de oppositie

Aangevoerde middelen: onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/67


Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICOCENTER)

(Zaak T-480/09)

2010/C 24/119

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: P. López Ronda, G. Macías Bonilla, H. L. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bricocenter Italia Srl (Rozzano Milanofiori (Milaan), Italië)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 28 september 2009 in zaak R 1045/2008-4 vernietigen;

verweerder (het BHIM) verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Bricocenter Italia S.r.l.

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „BRICOCENTER” bevat (aanvraagnr. 4 935 185) voor diensten van klasse 35

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsbeeldmerken met de woordelementen „CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 3 262 623) en „ATB CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 989 046) voor diensten van de klassen 35, 37 en 39

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de litigieuze beslissing en volledige afwijzing van de oppositie

Aangevoerde middelen: onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/68


Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (maxi BRICOCENTER)

(Zaak T-481/09)

2010/C 24/120

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: P. López Ronda, G. Macías Bonilla, H. L. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bricocenter Italia Srl [Rozzano Milanofiori (Milaan), Italië]

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 28 september 2009 in zaak R 1046/2008 4 vernietigen;

verweerder (het BHIM) verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Bricocenter Italia S.r.l.

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „maxi BRICOCENTER” bevat (aanvraagnr. 4 939 005) voor diensten van klasse 35

Houder van het oppositiemerk of teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsbeeldmerken met de woordelementen „CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 3 262 623) en „ATB CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 989 046) voor diensten van de klassen 35, 37 en 39

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de litigieuze beslissing en volledige afwijzing van de oppositie

Aangevoerde middelen: onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/68


Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (BRICO CENTER Cittá)

(Zaak T-482/09)

2010/C 24/121

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: P. López Ronda, G. Macías Bonilla, H. L. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bricocenter Italia Srl [Rozzano Milanofiori (Milaan), Italië]

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 28 september 2009 in zaak R 1047/2008-4 vernietigen;

verweerder (het BHIM) verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Bricocenter Italia S.r.l.

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „BRICOCENTER Cittá” bevat (aanvraagnr. 4 939 302) voor diensten van klasse 35

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsbeeldmerken met de woordelementen „CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 3 262 623) en „ATB CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 989 046) voor diensten van de klassen 35, 37 en 39

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de litigieuze beslissing en volledige afwijzing van de oppositie

Aangevoerde middelen: onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/69


Beroep ingesteld op 30 november 2009 — ATB Norte/BHIM — Bricocenter Italia (Affiliato BRICO CENTER)

(Zaak T-483/09)

2010/C 24/122

Taal van het verzoekschrift: Spaans

Partijen

Verzoekende partij: ATB Norte, SL (Burgos, Spanje) (vertegenwoordigers: P. López Ronda, G. Macías Bonilla, H. L. Curtis-Oliver en G. Marín Raigal, advocaten)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)

Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bricocenter Italia Srl (Rozzano Milanofiori (Milaan), Italië)

Conclusies

de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 28 september 2009 in zaak R 1048/2008-4 vernietigen;

verweerder (het BHIM) verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Bricocenter Italia S.r.l.

Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk dat het woordelement „Affiliato BRICOCENTER” bevat (aanvraagnr. 4 939 344) voor diensten van klasse 35

Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoekster

Oppositiemerk of -teken: gemeenschapsbeeldmerken met de woordelementen „CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 3 262 623) en „ATB CENTROS DE BRICOLAGE BRICOCENTRO” (nr. 989 046) voor diensten van de klassen 35, 37 en 39

Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie

Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de litigieuze beslissing en volledige afwijzing van de oppositie

Aangevoerde middelen: onjuiste uitlegging en toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 207/2009


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/69


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 27 november 2009 — Sellafield/Commissie

(Zaak T-121/06) (1)

2010/C 24/123

Procestaal: Engels

De president van de Zevende kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 154 van 1.7.2006.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/69


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 23 november 2009 — Brilliant Hotelsoftware/BHIM (BRILLIANT)

(Zaak T-337/07) (1)

2010/C 24/124

Procestaal: Duits

De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 269 van 10.11.2007.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/69


Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 30 november 2009 — RedEnvelope/BHIM — Red Letter Days (redENVELOPE)

(Gevoegde zaken T-415/07 en T-416/07) (1)

2010/C 24/125

Procestaal: Engels

De president van de Zesde kamer heeft de doorhaling van de gevoegde zaken gelast.


(1)  PB C 8 van 12.1.2008.


Gerecht voor ambtenarenzaken

30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/70


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 10 september 2009 — Behmer/Parlement

(Zaak F-47/07) (1)

(Bevordering - Bevorderingsronde 2005 - Besluit betreffende bevorderingsbeleid en loopbaanplanning - Procedure voor toekenning van bevorderingspunten van het Europees Parlement - Onwettigheid van instructies voor die procedure - Raadpleging van comité voor het Statuut - Vergelijking van verdiensten - Discriminatie van personeelsvertegenwoordigers)

2010/C 24/126

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Joachim Behmer (Brussel, België) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis, É. Marchal, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: C. Burgos en R. Ignătescu, gemachtigden)

Voorwerp

Enerzijds, nietigverklaring van het besluit van het TABG van het Parlement om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2005 niet tot de rang A*13 te bevorderen en, anderzijds, vaststelling van onwettigheid van het besluit van het Bureau van het Parlement betreffende het „bevorderingsbeleid en de loopbaanplanning” van 6 juli 2005 en van de „uitvoeringsmaatregelen betreffende de toekenning van merite- en bevorderingspunten” van 25 juli 2005

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 170 van 21.7.2007, blz. 43.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/70


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 29 september 2009 — O/Commissie

(Gevoegde zaken F-69/07 en F-60/08) (1)

(Openbare dienst - Arbeidscontractanten - Artikel 88 RAP - Vaste dienstverhouding - Artikel 100 RAP - Medisch voorbehoud - Artikel 39 EG - Vrij verkeer van werknemers)

2010/C 24/127

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: O (Brussel, België) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en É. Marchal, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: D. Martin en L. Lozano Palacios, gemachtigden)

Interveniënt: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk in zaak F-69/07 I. Šulce en M. Simm, gemachtigden, en in zaak F-60/08 I. Šulce en K. Zieleśkiewicz, gemachtigden, vervolgens, in beide voormelde zaken, K. Zieleśkiewicz en M. Bauer, gemachtigden)

Voorwerp

F-69/70: Nietigverklaring van de besluiten van de Commissie houdende vaststelling van verzoeksters arbeidsvoorwaarden als arbeidscontractant, voor zover daarin, enerzijds, het voorbehoud wordt gemaakt voorzien in artikel 100 van de RAP en in artikel 1 van bijlage VIII bij het Ambtenarenstatuut en, anderzijds, de duur van de overeenkomst wordt beperkt tot de periode van 16 september 2006 tot en met 15 september 2009

F-60/08: Nietigverklaring van het besluit van de Commissie om na advies van de invaliditeitscommissie het voorbehoud voorzien in artikel 100 RAP op verzoekster toe te passen

Dictum

1)

Het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 14 september 2006 wordt nietig verklaard, voor zover daarbij ten aanzien van de verzoekende partij een medisch voorbehoud wordt gemaakt.

2)

Het beroep in zaak F-69/07, O/Commissie, wordt voor het overige verworpen.

3)

Het beroep in zaak F-60/08, O/Commissie, wordt niet-ontvankelijk verklaard.

4)

In zaak F-69/07 wordt de Commissie van de Europese Gemeenschappen verwezen in haar eigen kosten alsmede in de helft van de kosten van de verzoekende partij.

5)

De verzoekende partij wordt veroordeeld tot de helft van haar kosten in zaak F-69/07 alsmede in haar kosten en in die van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in zaak F-60/08.

6)

De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten in de beide zaken.


(1)  F-69/07:PB C 235 van 6.10.2007, blz. 29.

F-60/08: PB C 223 van 30.8.2008, blz. 63.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/71


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 Zangerl-Posselt/Commissie

(Zaak F-83/07) (1)

(Openbare dienst - Algemeen vergelijkend onderzoek - Niet-toelating tot praktijk- en mondelinge examen - Vereiste diploma’s - Begrip hoger onderwijs - Discriminatie op grond van leeftijd)

2010/C 24/128

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Brigitte Zangerl-Posselt (Merzig, Duitsland) (vertegenwoordiger: S. Paulmann, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Currall en B. Eggers, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit van de jury van vergelijkend onderzoek van 18 juni 2007 voor de vorming van een aanwervingreserve van Duitstalige assistenten voor secretariaatswerkzaamheden (AST 1) om verzoekster niet toe te laten tot het praktijk- en mondelinge examen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Commissie van de Europese Gemeenschappen zal naast haar eigen kosten twee derde van de kosten van Zangerl-Posselt dragen.

3)

Zangerl-Posselt zal één derde van haar kosten dragen.


(1)  PB C 235 van 6.10.2007, blz. 32.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/71


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 24 september 2009 — Rebizant, Vlandas en Vocino/Commissie

(Zaak F-94/07) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Bevordering - Bevorderingsronde 2006 - Vermenigvuldigingsfactor - Artikel 6, lid 2, van Statuut - Artikel 9 van bijlage XIII bij het Statuut - Bevorderingsdrempel)

2010/C 24/129

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Jean Rebizant (Karlsruhe, Duitsland), Georges Vlandas (Brussel, België) en Vinceno Vocino (Varese, Italië) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en É. Marchal, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en G. Berscheid, gemachtigden)

Voorwerp

Enerzijds, nietigverklaring van het besluit om verzoekers in het kader van de bevorderingsronde 2006 niet tot de rang AD 13 te bevorderen en, anderzijds, vaststelling van onwettigheid van het besluit houdende vaststelling van de drempels voor bevordering voor ambtenaren die onder de begroting „Onderzoek” en de begroting „Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek” vallen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 283 van 24.11.2007, blz. 45.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/72


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 29 september 2009 Kerstens/Commissie

(Zaak F-102/07) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Bevordering - Bevorderingsrondes 2004, 2005 en 2006 - Toekenning van gratificatiepunten - Gratificatiepunten toegekend door directeuren-generaal - Gratificatiepunten ter erkenning van het werk verricht in het belang van de instelling - Non-discriminatiebeginsel - Motiveringsplicht)

2010/C 24/130

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Petrus Kerstens (Overijse, België) (vertegenwoordiger: C. Mourato, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: aanvankelijk K. Herrmann en M. Velardo, gemachtigden, vervolgens C. Berardis-Kayser en G. Berscheid, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van verschillende besluiten van de Commissie betreffende de toekenning aan verzoeker van gratificatiepunten van het directoraat-generaal en/of gratificatiepunten ter erkenning van aanvullende taken verricht in het belang van de instelling in het kader van de bevorderingsrondes 2004, 2005 en 2006

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 297 van 8.12.2007, blz. 49.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/72


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 29 september 2009 — Wenning/Europol

(Zaak F-114/07) (1)

(Openbare dienst - Personeel van Europol - Verlenging van overeenkomst van functionaris van Europol - Artikel 6 van Statuut voor de personeelsleden van Europol - Beoordelingsrapport)

2010/C 24/131

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Rainer Wenning ('s-Gravenhage, Nederland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. Vandersanden en C. Ronzi, advocaten, vervolgens L. Levi, advocaat)

Verwerende partij: Europese Politiedienst (Europol) (vertegenwoordigers: aanvankelijk B. Exterkate en D. El Khoury, gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur en R. Van der Hout, advocaten, vervolgens D. El Khoury en D. Neumann, gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur en R. Van der Hout, advocaten)

Voorwerp

Enerzijds, nietigverklaring van het besluit van Europol van 21 december 2006 houdende weigering om verzoekers overeenkomst te verlengen en hem te herplaatsen en, anderzijds, veroordeling van Europol tot verlenging van verzoekers overeenkomst voor een duur van 4 jaar vanaf 1 oktober 2007 alsmede vordering tot schadevergoeding

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 315 van 22.12.2007, blz. 47.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/72


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 10 september 2009 — Behmer/Parlement

(Zaak F-124/07) (1)

(Bevordering - Bevorderingsronde 2006 - Vergelijking van verdiensten)

2010/C 24/132

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Joachim Behmer (Brussel, België) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis, É. Marchal, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: C. Burgos en R. Ignătescu, gemachtigden)

Voorwerp

Enerzijds, nietigverklaring van het besluit van het TABG van het Parlement om verzoeker voor het jaar 2005 twee meritepunten toe te kennen en, anderzijds, van het besluit om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2006 niet tot de rang AD 13 te bevorderen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 22 van 26.1.2008, blz. 56.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/73


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 29 september 2009 — Hau/Parlement

(Zaak F-125/07) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Bevordering - Bevorderingsronde 2006 - Niet-plaatsing op lijst van bevorderde ambtenaren - Vergelijking van verdiensten - Referentiedrempel - Niet-inaanmerkingneming van de hoedanigheid van „overgeblevene”)

2010/C 24/133

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Armin Hau (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordiger: É. Boigelot, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: K. Zejdová en S. Seyr, gemachtigden)

Voorwerp

Enerzijds, nietigverklaring van het besluit van het TABG om verzoeker in het kader van bevorderingsronde 2006 niet tot de rang B*7 te bevorderen en, anderzijds, verzoek om het TABG te gelasten documenten inzake de vergelijking van de verdiensten voor deze bevordering over te leggen

Dictum

1)

Het op 21 november 2006 bekendgemaakte besluit van het Europees Parlement om Hau niet te plaatsen op de lijst van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronde 2006 van de rang B*6 tot de rang B*7 zijn bevorderd, wordt nietig verklaard.

2)

Het Europees Parlement wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 79 van 29.3.2008, blz. 37.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/73


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 16 september 2009 Vinci/Europese Centrale Bank

(Zaak F-130/07) (1)

(Openbare dienst - Personeel van de ECB - Vermeende onrechtmatige verwerking van medische gegevens - Verplicht medisch onderzoek)

2010/C 24/134

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Fiorella Vinci (Schöneck, Duitsland) (vertegenwoordiger: B. Karthaus, advocaat)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank (vertegenwoordigers: F. Malfrère en F. Feyerbacher, gemachtigden, bijgestaan door H.-G. Kamann)

Voorwerp

Verzoek om vast te stellen dat de opname van documenten met medische gegevens onrechtmatig is en nietigverklaring van het besluit van de ECB houdende, enerzijds, weigering om de uit die documenten afkomstige persoonsgegevens te verwijderen en, anderzijds, onderwerping van verzoekster aan een medisch onderzoek alsmede vordering tot vergoeding van de immateriële schade die zou zijn geleden

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Elke partij zal haar eigen kosten dragen.


(1)  PB C 8 van 12.1.2008, blz. 32.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/73


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 29 september 2009 — Aparicio, Simon e.a./Commissie

(Gevoegde zaken F-20/08, F-34/08 en F-75/08) (1)

(Openbare dienst - Arbeidscontractanten - Aanwerving - Selectieprocedure CAST 27/Relex - Niet-opneming in databanken - Neutralisatie van vragen - Redeneervermogen met betrekking tot tekst en berekeningen - Gelijke behandeling)

2010/C 24/135

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partijen: Jorge Aparicio (Antiguo Cuscatlan, Salvador) en anderen (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en E. Marchal, advocaten) (zaak F-20/08)

en

Anne Simon, (Nouackhott, Mauritanië) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis, E. Marchal, advocaten) (zaak F-34/08)

en

Jorge Aparicio, (Antiguo Cuscatlan, Salvador) en anderen (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis, E. Marchal, advocaten) (zaak F-75/08)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Currall en B. Eggers, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van de besluiten van het Europees Bureau voor personeelsselectie om de naam van verzoekers niet op te nemen op de lijst van geslaagde kandidaten en in de databank van de aanwervingsprocedure CAST 27/Relex

Dictum

1)

De beroepen in de zaken F-20/08, F-34/08 en F-75/08 worden verworpen.

2)

Aparicio en de andere verzoekers wier namen in de bijlage zijn opgenomen onder de nummers 1 tot en met 18 worden in zaak F-20/08 verwezen in de kosten en in zaak F-75/08 in negentien zesenveertigste van de kosten. Simon wordt in zaak F-34/80 verwezen in de kosten en in zaak F-75/08 in één zesenveertigste van de kosten. De verzoekers wier namen in de bijlage zijn opgenomen onder de nummers 19 tot en met 40 en 42 tot en met 46 worden veroordeeld tot zesentwintig zesenveertigste van de kosten in zaak F-75/08.


(1)  F-20/08: PB C 92 van 12.4.2008, blz. 52.

F-34/08: PB C 116 van 9.5.2008, blz. 36.

F-75/08: PB C 285 van 8.11.2008, blz. 56.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/74


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 — De Nicola/Europese Investeringsbank

(Zaak F-55/08) (1)

(Openbare dienst - Personeel van de Europese Investeringsbank - Beoordeling - Bevordering - Ziektekostenverzekering - Tenlasteneming van ziektekosten - Psychisch geweld - Zorgplicht - Beroep tot schadevergoeding - Bevoegdheid van Gerecht - Ontvankelijkheid)

2010/C 24/136

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Carlo De Nicola (Strassen, Luxemburg) (vertegenwoordiger: L. Isola, advocaat)

Verwerende partij: Europese Investeringsbank (vertegenwoordigers: G. Nuvoli en F. Martin, gemachtigden, bijgestaan door A. Dal Ferro, advocaat)

Voorwerp

Enerzijds, gedeeltelijke nietigverklaring van een besluit van het comité van beroep betreffende verzoekers beoordeling over het jaar 2006 en, anderzijds, vaststelling dat verzoeker het slachtoffer is van psychisch geweld en veroordeling van de verwerende partij tot stopzetting daarvan en tot betaling van een vergoeding voor de materiële en immateriële schade

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Verzoeker wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 209 van 15.8.2008, blz. 73.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/74


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 19 november 2009 — N/Parlement

(Zaak F-71/08) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Beoordeling - Beoordelingsrapport - Vaststelling van doelstellingen - Kennelijk onjuiste beoordeling - Ontvankelijkheid - Geen bezwarende maatregel)

2010/C 24/137

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: N (Brussel, België) (vertegenwoordiger: É Boigelot, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: K. Zejdová, R. Ignătescu en S. Seyr, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van verzoekers beoordelingsrapport over de periode van 16 augustus 2006 tot en met 31 december 2006

Dictum

1)

Het besluit van de secretaris-generaal van het Europees Parlement van 12 september 2007 waarbij het definitieve beoordelingsrapport van N over de periode van 16 augustus 2006 tot en met 31 december 2006 is vastgesteld, wordt nietig verklaard.

2)

Het beroep wordt voor het overige verworpen.

3)

Het Europees Parlement wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 272 van 25.10.2008, blz. 51.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/75


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 Wenig/Commissie

(Zaak F-80/08) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Tuchtprocedure - Schorsing van ambtenaar - Inhouding op bezoldiging - Bewering van ernstige fout - Rechten van de verdediging - Bevoegdheid - Ontbreken van bekendmaking van delegatie van bevoegdheid - Onbevoegdheid van vaststeller van bestreden besluit)

2010/C 24/138

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Fritz Harald Wenig (Sint-Pieters-Woluwe, België) (vertegenwoordigers: G.-A. Dal, D. Voillemot, D. Bosquet en S. Woog, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Currall en D. Martin, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit van de Commissie om verzoeker te schorsen en een maandelijkse inhouding van 1 000 EUR op zijn salaris te gelasten

Dictum

1)

Het besluit van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 18 september 2008 waarbij zij Wenig krachtens de artikelen 23 en 24 van bijlage IX bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen voor onbepaalde tijd heeft geschorst en voor een periode van maximaal zes maanden een inhouding van 1 000 EUR per maand op zijn bezoldiging heeft gelast, wordt nietig verklaard.

2)

De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten van de hoofdzaak.

3)

Elke partij zal haar eigen kosten van de procedure in kort geding dragen.


(1)  PB C 313 van 6.12.2008, blz. 59.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/75


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 Voslamber/Commissie

(Zaak F-86/08) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Sociale zekerheid - Gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering - Echtgenoot van voormalig ambtenaar - Gebonden bevoegdheid - Artikel 13 van de regeling inzake ziektekostenverzekering)

2010/C 24/139

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Dietrich Voslamber (Fribourg, Duitsland) (vertegenwoordiger: L. Thielen, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: D. Martin en B. Eggers, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 9 juli 2008 houdende afwijzing van verzoekers verzoek om een primaire ziektekostenverzekering voor zijn echtgenote volgens het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De krachtens artikel 94, sub a, van het Reglement voor de procesvoering door de Commissie van de Europese Gemeenschappen ingediende vorderingen worden afgewezen.

3)

De Commissie van de Europese Gemeenschappen zal naast haar eigen kosten twee derde van de kosten van Voslamber dragen.

4)

Voslamber zal één derde van zijn eigen kosten dragen.


(1)  PB C 327 van 20.12.2008, blz. 43.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/76


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 10 november 2009 — N/Europees Parlement

(Zaak F-93/08) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Beoordeling - Beoordelingsrapport - Beroep tot nietigverklaring - Ontvankelijkheid - Motivering - Kennelijk onjuiste beoordeling - Definitie van te bereiken doelstellingen)

2010/C 24/140

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: N (Brussel, België) (vertegenwoordiger: É. Boigelot, advocaat)

Verwerende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: K. Zejdová, R. Ignătescu en S. Seyr, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van verzoekers beoordelingsrapport over de periode van 1/01/07 tot en met 30/04/07

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

N zal alle kosten dragen.


(1)  PB C 44 van 21.2.2009, blz. 75.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/76


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 17 november 2009 — Di Prospero/Commissie

(Zaak F-99/08) (1)

(Openbare dienst - Algemeen vergelijkend onderzoek - Gebied fraudebestrijding - Aankondiging van vergelijkende onderzoeken EPSO/AD/116/08 en EPSO/AD/117/08 - Onmogelijkheid voor kandidaten om zich gelijktijdig voor meerdere vergelijkende onderzoeken in te schrijven - Weigering van verzoeksters aanmelding voor vergelijkend onderzoek EPSO/AD/117/08)

2010/C 24/141

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Rita Di Prospero (Ukkel, België) (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en C. Bernard-Glanz, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en B. Eggers, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit van het EPSO om verzoekster niet toe te laten tot vergelijkend onderzoek EPSO/AD/117/08

Dictum

1)

Het besluit van het Europees Bureau voor Personeelsselectie (EPSO) om Di Prospero niet toe te staan zich aan te melden voor vergelijkend onderzoek EPSO/AD/117/08, wordt nietig verklaard.

2)

De Commissie van de Europese Gemeenschappen zal alle kosten dragen.


(1)  PB C 69 van 21.3.2009, blz. 54.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/76


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 25 november 2009 — Putterie-De-Beukelaer/Commissie

(Zaak F-1/09) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Bevordering - Attestprocedure - Beoordeling van mogelijkheden)

2010/C 24/142

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Putterie-De-Beukelaer (Brussel, België) (vertegenwoordiger: É. Boigelot, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en K. Herrmann, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit om verzoekster niet toe te laten tot de attestprocedure 2007

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Putterie-De-Beukelaer wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 55 van 7.3.2009, blz. 53.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/77


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 — Ridolfi/Commissie

(Zaak F-3/09) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - In een derde land tewerkgestelde ambtenaren - Verhoogde schooltoelage - Nieuwe tewerkstelling in zetel - Bijscholing - Periode van normale tewerkstelling - Artikelen 3 en 15 van bijlage X bij het Statuut)

2010/C 24/143

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Roberto Ridolfi (Brussel, België) (vertegenwoordiger: N. Lhoëst, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: D. Martin en B. Eggers, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit van het TABG houdende weigering aan verzoeker van bijscholing en het behoud van verhoogde schooltoelagen voor zijn twee oudste kinderen

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

Ridolfi wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 55 van 7.3.2009, blz. 53.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/77


Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 — de Britto Patrício-Dias/Commissie

(Zaak F-16/09) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Beoordeling - Loopbaanontwikkelingsrapport - Beoordelingsjaar 2007 - Schending van artikel 43 van Statuut - Motivering - Kennelijk onjuiste beoordeling - Beoordeling van prestaties over een deel van de referentieperiode)

2010/C 24/144

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Jorge de Britto Patrício-Dias (Brussel, België) (vertegenwoordiger: L. Massaux, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en G. Berscheid, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit houdende afwijzing van verzoekers klacht tegen het besluit betreffende zijn beoordeling over 2007

Dictum

1)

Het beroep wordt verworpen.

2)

De Britto Patrício-Dias wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 90 van 18.4.2009, blz. 41.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/77


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Derde kamer) van 18 november 2009 — Chassagne/Commissie

(Zaak F-11/05 RENV) (1)

(Openbare dienst - Verwijzing naar Gerecht na vernietiging - Afdoening zonder beslissing)

2010/C 24/145

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Olivier Chassagne (Brussel, België) (vertegenwoordiger: T. Bontinck, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. Berscheid en V. Joris, gemachtigden, bijgestaan door F. Longfils, advocaat, vervolgens J. Currall en G. Berscheid, gemachtigden, bijgestaan door J.-L. Fagnart, advocaat)

Voorwerp

Enerzijds, nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende weigering om op verzoeker, die uit een Frans overzees departement afkomstig is, gedurende de overgangsperiode de vóór 1 mei 2004 geldende bepalingen toe te passen betreffende de vergoeding van reiskosten voor ambtenaren wier standplaats en plaats van herkomst zich in Europa bevinden en, anderzijds, vordering tot schadevergoeding — Zaak T-253/06 P terugverwijzing na hogere voorziening

Dictum

1)

Er behoeft geen uitspraak te worden gedaan in zaak F-11/05 RENV, Chassagne/Commissie, die is doorgehaald in het register van het Gerecht.

2)

De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt tot de uitspraak van het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 19 september 2008. Elke partij zal haar eigen kosten dragen die na de uitspraak van dat arrest zijn gemaakt.


(1)  PB C 115 van 14.5.2005, blz. 36.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/78


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 10 november 2009 — Marcuccio/Commissie

(Zaak F-70/07) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Beroep tot schadevergoeding - Exceptie van parallel beroep - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

2010/C 24/146

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordiger: C. Cipressa, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en J. Currall, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende afwijzing van verzoekers verzoek om vergoeding van het deel van zijn kosten waartoe de Commissie is veroordeeld bij beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 6 maart 2006, T-176/04 — Vordering tot schadevergoeding — zaak T-176/04 DEP door het Gerecht van eerste aanleg terugverwezen bij beschikking van 6 juli 2009

Dictum

1)

De eerste, de tweede, de derde en de zesde vordering van het beroep van Marcuccio worden kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Elke partij draagt haar eigen kosten met betrekking tot de eerste, de tweede, de derde en de zesde vordering van het beroep van Marcuccio, daaronder begrepen die welke zijn gemaakt in het kader van de procedure in de zaak T-176/04 DEP.


(1)  PB C 223 van 22.9.2007, blz. 20.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/78


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 29 oktober 2009 Marcuccio/Commissie

(Zaak F-94/08) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Uitvoering van arrest - Vergoeding van kosten - Intentie van administratie om een inhouding te verrichten op invaliditeitsuitkering van de ambtenaar - Ontbreken van bezwarend besluit - Beroep tot schadevergoeding - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

2010/C 24/147

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Luigi Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Currall en C. Berardis-Kayser, gemachtigden, A. Dal Ferro, advocaat)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit van de Commissie om kosten te vorderen voor zaak T-241/03 alsmede verzoek om vergoeding van de schade die verzoeker daardoor heeft geleden

Dictum

1)

Het beroep van Marcuccio wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Marcuccio wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 6 van 10.1.2009. blz. 46.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/78


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 25 november 2009 — Soerensen Ferraresi/Commissie

(Zaak F-5/09) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Beroep tot schadevergoeding - Ontvankelijkheid - Klacht - Bezwarend besluit)

2010/C 24/148

Procestaal: Italiaans

Partijen

Verzoekende partij: Soerensen Ferraresi (Milaan, Italië) (vertegenwoordiger: C. Di Vuolo, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Currall en J. Baquero Cruz, gemachtigden)

Voorwerp

Ambtenaren — Verzoek om vergoeding van de schade die verzoekster heeft geleden als gevolg van het besluit van 1 februari 2003 om haar wegens invaliditeit te pensioneren

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Soerensen Ferraresi wordt verwezen in de kosten.


(1)  PB C 113 van 16.5.2009, blz. 45.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/79


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 — Meister/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)

(Zaak F-17/09) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Beroep tot nietigverklaring - Opnieuw ter sprake brengen van eerder verworven bevorderingspunten - Ontbreken van bezwarend besluit - Beroep tot schadevergoeding - Niet-berekende schade - Kennelijke niet-ontvankelijkheid)

2010/C 24/149

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Herbert Meister (Muchamiel, Spanje) (vertegenwoordiger: H.-J. Zimmermann, advocaat)

Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) (vertegenwoordigers: I. de Medrano Caballero, gemachtigde, bijgestaan door D. Waelbroeck, advocaat)

Voorwerp

Nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van verzoekers klacht betreffende de gebrekkigheid en onjuistheid van zijn beoordelingsrapport over 2008 en strekkende tot verkrijging van een vergoeding voor de materiële schade die zou zijn geleden

Dictum

1)

Het beroep van Meister wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

2)

Meister draagt zijn eigen kosten alsook die van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen).


(1)  PB C 113 van 16.5.2009, blz. 46.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/79


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 30 november 2009 — Lebedef/Commissie

(Zaak F-54/09) (1)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Vakantieverlof - Detachering in deeltijd met het oog op vakbondsvertegenwoordiging - Onregelmatige afwezigheid - Aftrek van vakantieverlof - Artikel 60 van Statuut - Beroep kennelijk ongegrond)

2010/C 24/150

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Giorgio Lebedef (Senningerberg, Luxemburg) (vertegenwoordiger: F. Frabetti, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Currall en G. Berscheid, gemachtigden)

Voorwerp

Nietigverklaring van een aantal besluiten om 39 dagen in aftrek te brengen op verzoekers vakantieverlof voor het jaar 2008

Dictum

1)

Het beroep wordt kennelijk rechtens ongegrond verklaard.

2)

Lebedef zal alle kosten dragen.


(1)  PB C 167 van 18.7.2009, blz. 28.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/79


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 29 september 2009 — Labate/Commissie

(Zaak F-64/09)

(Openbare dienst - Ambtenaren - Sociale zekerheid - Verzekering tegen ongevallen en beroepsziekten - Beroepsziekte - Beroep wegens nalaten - Onbevoegdheid van Gerecht - Verwijzing naar Gerecht van eerste aanleg)

2010/C 24/151

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Kay Labate (Tarquinia, Italië) (vertegenwoordiger: I. Forrester, advocaat)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Voorwerp

Verzoek om vast te stellen dat het nietsdoen van de Commissie, die zich niet heeft uitgesproken over verzoeksters verzoek om te erkennen dat de ziekte waaraan haar echtgenoot is overleden door het beroep is veroorzaakt, onrechtmatig is

Dictum

1)

Het beroep in de zaak F-64/09, Labate/Commissie, wordt naar het Gerecht van eerste aanleg verwezen.

2)

De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/80


Beroep ingesteld op 15 oktober 2009 — Kalmár/Europol

(Zaak F-83/09)

2010/C 24/152

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Andreas Kalmár (’s-Gravenhage, Nederland) (vertegenwoordiger: D. Coppens, advocaat)

Verwerende partij: Europol

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van de besluiten van Europol van 4 en 24 februari 2009 betreffende verzoekers ontslag met ingang van 4 mei 2009 respectievelijk zijn schorsing. Voorts, verzoek om verzoeker opnieuw tewerk te stellen en om de materiële en immateriële schade te vergoeden

Conclusies van de verzoekende partij

de oorspronkelijke besluiten van Europol van 4 en 24 februari 2009 alsmede het op de klacht gegeven besluit van 18 juli 2009 nietig verklaren en Europol gelasten om Kalmár toe te staan zijn werkzaamheden te hervatten;

Europol veroordelen tot betaling van het salaris berekend vanaf de datum waarop de overeenkomst op onregelmatige wijze is beëindigd tot de datum waarop de overeenkomst rechtsgeldig zal aflopen;

Europol veroordelen tot betaling van een vergoeding van 25 000 EUR voor de immateriële schade;

Europol verwijzen in de kosten.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/80


Beroep ingesteld op 21 oktober 2009 — Dekker/Europol

(Zaak F-87/09)

2010/C 24/153

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Abraham Dekker (Dordrecht, Nederland) (vertegenwoordigers: D. Dane en P. de Casparis, advocaten)

Verwerende partij: Europol

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van het besluit van Europol van 15 april 2009 houdende weigering om het aan verzoeker toegekende bedrag aan invaliditeitspensioen (onder verrekening van zijn overige inkomsten) te willen garanderen tot een netto-inkomen van 90 % van het laatstverdiende basissalaris en in te staan voor de negatieve wijzigingen van zijn totale netto-inkomen als gevolg van een wijziging van belastingheffing

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van 15 april 2009 waarbij de verwerende partij verzoeker ervan op de hoogte heeft gesteld dat zij niet verplicht is om een netto-inkomen van 90 % van het laatste basissalaris van de functionaris te garanderen en dat het niet haar plicht is om de financiële schade te vergoeden voor zover de aanslag van de Nederlandse belastingdienst wordt gehandhaafd;

nietigverklaring van het besluit van 23 juli 2009 betreffende de klacht, waarbij verzoekers grieven tegen het besluit van 15 april 2009 ongegrond zijn verklaard;

verwijzing van Europol in de kosten.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/80


Beroep ingesteld op 23 oktober 2009 — Z/Hof van Justitie

(Zaak F-88/09)

2010/C 24/154

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Z (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordigers: L. Levi en M. Vandenbussche, advocaten)

Verwerende partij: Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

Voorwerp en beschrijving van het geding

Enerzijds, nietigverklaring van het besluit om de verzoekende partij in het belang van de dienst over te plaatsen naar een andere directie en, anderzijds, veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een vergoeding voor de immateriële schade

Conclusies van de verzoekende partij

nietigverklaring van het besluit van het TABG van 18 december 2008 om de verzoekende partij met ingang van 1 januari 2009 over te plaatsen naar de directie bibliotheek;

voor zover nodig, nietigverklaring van het op 13 juli 2009 ontvangen besluit van 9 juli 2009 tot afwijzing van de klacht;

veroordeling van de verwerende partij tot betaling van een vergoeding van 50 000 EUR voor de immateriële schade;

verwijzing van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de kosten van de procedure.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/81


Beroep ingesteld op 13 november 2009 — Skareby/Commissie

(Zaak F-95/09)

2010/C 24/155

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Carina Skareby (Leuven, België) (vertegenwoordigers: S. Rodrigues, C. Bernard-Glanz, advocaten)

Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Voorwerp en beschrijving van het geding

Beroep tegen het besluit van de Commissie houdende afwijzing van verzoeksters verzoek om een administratief onderzoek in te stellen naar het psychisch geweld waarvan zij het slachtoffer zou zijn

Conclusies van de verzoekende partij

het beroep ontvankelijk verklaren;

het besluit van de Commissie van 4 maart 2009 en, voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht nietig verklaren;

de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/81


Beroep ingesteld op 16 november 2009 — Taillard/Parlement

(Zaak F-97/09)

2010/C 24/156

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Christine Taillard (Thionville, Frankrijk) (vertegenwoordigers: N. Camboine en C. Lelievre, advocaten)

Verwerende partij: Europees Parlement

Voorwerp en beschrijving van het geding

Enerzijds, nietigverklaring van het besluit waarbij het Europees Parlement een medisch attest volgens hetwelk verzoekster arbeidsongeschikt was niet-ontvankelijk heeft verklaard en van het daarop volgende besluit om verlofdagen in te houden. Anderzijds, vergoeding van de door verzoekster geleden schade

Conclusies van de verzoekende partij

het onderhavige beroep ontvankelijk verklaren;

het besluit van het Europees Parlement van 15 januari 2009 waarbij een medisch attest inzake arbeidsongeschiktheid niet ontvankelijk wordt verklaard en het daarop volgende besluit om verlofdagen in te houden alsmede, voor zover nodig, het bevestigende besluit van 14 augustus 2009 nietig verklaren;

vaststellen dat het Europees Parlement aansprakelijk is voor de door verzoekster geleden schade en haar derhalve schadevergoeding toekennen voor het bedrag van 12 000 EUR of elk ander zelfs hoger en door het Gerecht te bepalen bedrag;

het Parlement verwijzen in de kosten.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/82


Beroep ingesteld op 20 november 2009 — Whitehead/Europese Centrale Bank

(Zaak F-98/09)

2010/C 24/157

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Sarah Whitehead (Frankfurt am Main, Duitsland) (vertegenwoordigers: L. Levi, M. Vandenbussche, advocaten)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank

Voorwerp en beschrijving van het geding

Beroep tegen het op 15 januari 2009 ontvangen besluit van 8 januari 2009 om verzoekster met het oog op de Annual Salary and Bonus Review (ASBR) voor 2008 een salarisverhoging van 2 punten te geven alsmede tegen de salarisafrekening van 15 januari 2009 waarbij uitvoering wordt gegeven aan dat besluit

Conclusies van de verzoekende partij

het besluit van de Europese Centrale Bank van 8 januari 2009 betreffende verzoeksters ASBR 2008, dat haar op 13 of 14 januari 2009 (gedurende haar afwezigheid) is betekend, nietig verklaren;

verzoeksters salarisafrekening van 15 januari 2009 waarbij uitvoering wordt gegeven aan dat besluit, nietig verklaren;

derhalve, betaling gelasten van het bedrag van haar salaris dat overeenkomt met het verschil tussen de betwiste ASBR 2008 en de ASBR die haar had moeten worden verleend, vanaf 15 januari 2009 tot aan de volledige betaling, vermeerderd met vertragingsrente tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank gedurende de betrokken periode voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met 3 punten;

voor het geval de organisatie van een nieuwe ASBR 2008 procedure bijzondere problemen oplevert, de toekenning gelasten van 3 salarispunten ter compensatie van de materiële schade;

in elk geval, de vergoeding gelasten van de immateriële schade welke ex aequo et bono op 10 000 EUR wordt geraamd;

de Europese Centrale Bank verwijzen in de kosten van de procedure.


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/82


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 17 september 2009 — Callewaert/Commissie

(Zaak F-28/05) (1)

2010/C 24/158

Procestaal: Frans

De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 193 van 6.8.2005, blz. 29 (zaak aanvankelijk ingeschreven bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen onder nummer T-192/05 en bij beschikking van 15.12.2005 verwezen naar het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie).


30.1.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 24/82


Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 30 november 2009 Moschonaki/Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (ESVLA)

(Zaak F-10/09) (1)

2010/C 24/159

Procestaal: Frans

De president van de Eerste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.


(1)  PB C 82 van 4.4.2009, blz. 37.