|
ISSN 1725-2474 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
52e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
IV Informatie |
|
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
|
Hof van Justitie |
|
|
2009/C 032/01 |
||
|
|
V Bekendmakingen |
|
|
|
GERECHTELIJKE PROCEDURES |
|
|
|
Hof van Justitie |
|
|
2009/C 032/02 |
||
|
2009/C 032/03 |
||
|
2009/C 032/04 |
||
|
2009/C 032/05 |
||
|
2009/C 032/06 |
||
|
2009/C 032/07 |
||
|
2009/C 032/08 |
||
|
2009/C 032/09 |
||
|
2009/C 032/10 |
||
|
2009/C 032/11 |
||
|
2009/C 032/12 |
||
|
2009/C 032/13 |
||
|
2009/C 032/14 |
||
|
2009/C 032/15 |
||
|
2009/C 032/16 |
||
|
2009/C 032/17 |
||
|
2009/C 032/18 |
||
|
2009/C 032/19 |
||
|
2009/C 032/20 |
||
|
2009/C 032/21 |
||
|
2009/C 032/22 |
||
|
2009/C 032/23 |
||
|
2009/C 032/24 |
||
|
2009/C 032/25 |
||
|
2009/C 032/26 |
||
|
2009/C 032/27 |
||
|
2009/C 032/28 |
||
|
2009/C 032/29 |
||
|
2009/C 032/30 |
||
|
2009/C 032/31 |
||
|
2009/C 032/32 |
||
|
2009/C 032/33 |
||
|
2009/C 032/34 |
||
|
2009/C 032/35 |
||
|
2009/C 032/36 |
||
|
2009/C 032/37 |
||
|
2009/C 032/38 |
||
|
2009/C 032/39 |
||
|
2009/C 032/40 |
||
|
2009/C 032/41 |
||
|
2009/C 032/42 |
||
|
|
Gerecht van eerste aanleg |
|
|
2009/C 032/43 |
||
|
2009/C 032/44 |
||
|
2009/C 032/45 |
||
|
2009/C 032/46 |
||
|
2009/C 032/47 |
||
|
2009/C 032/48 |
||
|
2009/C 032/49 |
||
|
2009/C 032/50 |
||
|
2009/C 032/51 |
||
|
2009/C 032/52 |
||
|
2009/C 032/53 |
||
|
2009/C 032/54 |
||
|
2009/C 032/55 |
||
|
2009/C 032/56 |
||
|
2009/C 032/57 |
||
|
2009/C 032/58 |
||
|
2009/C 032/59 |
||
|
2009/C 032/60 |
||
|
2009/C 032/61 |
||
|
2009/C 032/62 |
||
|
2009/C 032/63 |
||
|
2009/C 032/64 |
||
|
2009/C 032/65 |
||
|
2009/C 032/66 |
||
|
2009/C 032/67 |
||
|
2009/C 032/68 |
||
|
2009/C 032/69 |
||
|
2009/C 032/70 |
||
|
2009/C 032/71 |
||
|
2009/C 032/72 |
Zaak T-471/08: Beroep ingesteld op 23 oktober 2008 — Toland/Parlement |
|
|
2009/C 032/73 |
Zaak T-474/08: Beroep ingesteld op 31 oktober 2008 — Umbach/Commissie |
|
|
2009/C 032/74 |
||
|
2009/C 032/75 |
||
|
2009/C 032/76 |
||
|
2009/C 032/77 |
Zaak T-492/08: Beroep ingesteld op 18 november 2008 — Wessang/BHIM — Greinwald (star foods) |
|
|
2009/C 032/78 |
Zaak T-494/08: Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie |
|
|
2009/C 032/79 |
Zaak T-495/08: Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie |
|
|
2009/C 032/80 |
Zaak T-496/08: Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie |
|
|
2009/C 032/81 |
Zaak T-497/08: Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie |
|
|
2009/C 032/82 |
Zaak T-498/08: Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie |
|
|
2009/C 032/83 |
Zaak T-499/08: Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie |
|
|
2009/C 032/84 |
Zaak T-500/08: Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie |
|
|
2009/C 032/85 |
Zaak T-509/08: Beroep ingesteld op 7 november 2008 — Ryanair/Commissie |
|
|
2009/C 032/86 |
Zaak T-511/08: Beroep ingesteld op 27 november 2008 — Unity OSG FZE/Raad en EUPOL Afghanistan |
|
|
2009/C 032/87 |
||
|
2009/C 032/88 |
||
|
2009/C 032/89 |
Zaak T-527/08: Beroep ingesteld op 4 december 2008 — Commissie/TMT Pragma |
|
|
2009/C 032/90 |
Zaak T-529/08: Beroep ingesteld op 2 december 2008 — Diputación Foral de Álava/Commissie |
|
|
2009/C 032/91 |
Zaak T-530/08: Beroep ingesteld op 2 december 2008 — Diputación Foral de Guipúzcoa/Commissie |
|
|
2009/C 032/92 |
Zaak T-531/08: Beroep ingesteld op 2 december 2008 — Diputación Foral de Vizcaya/Commissie |
|
|
2009/C 032/93 |
||
|
2009/C 032/94 |
||
|
|
Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie |
|
|
2009/C 032/95 |
||
|
2009/C 032/96 |
||
|
2009/C 032/97 |
||
|
2009/C 032/98 |
||
|
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN EN ORGANEN VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/1 |
(2009/C 32/01)
Laatste publicatie van het Hof van Justitie in het Publicatieblad van de Europese Unie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in:
|
|
EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu |
V Bekendmakingen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/2 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 december 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Spanje
(Zaak C-380/06) (1)
(Niet-nakoming - Betalingsachterstand bij handelstransacties - Termijn - Richtlijn 2000/35/EG - Schending van artikel 3, leden 1, 2 en 4)
(2009/C 32/02)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: B. Schima en S. Pardo Quintillán, gemachtigden)
Verwerende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: F. Díez Moreno, gemachtigde)
Voorwerp
Niet-nakoming — Schending van artikel 3, leden 1, 2 en 4, van richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB L 200, blz. 35) — Termijn van 90 dagen voor betaling van bepaalde levensmiddelen en producten voor grootverbruik
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/2 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 11 december 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Marknadsdomstol — Zweden) — Kanal 5 Ltd, TV 4 AB/Föreningen Svenska Tonsättares Internationella Musikbyrå (STIM)
(Zaak C-52/07) (1)
(Auteursrecht - Auteursrechtenbureau met feitelijk monopolie - Heffing van royalty's voor uitzending van muziekwerken op televisie - Methode voor berekening van royalty's - Machtspositie - Misbruik)
(2009/C 32/03)
Procestaal: Zweeds
Verwijzende rechter
Marknadsdomstol
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Kanal 5 Ltd, TV 4 AB
Verwerende partij: Föreningen Svenska Tonsättares Internationella Musikbyrå (STIM)
Voorwerp
Verzoek om prejudiciële beslissing — Marknadsdomstol — Uitlegging van artikel 82 EG — Royalty's, door commerciële televisiezenders betaald aan bureau dat rechten van uitvoering van muziekwerken beheert — Berekening van royalty's op basis van percentage van inkomsten uit onder andere abonnementen en reclame
Dictum
|
1) |
Artikel 82 EG moet aldus worden uitgelegd dat een auteursrechtenbureau dat een machtspositie bezit op een wezenlijk deel van de gemeenschappelijke markt, geen misbruik maakt van deze machtspositie wanneer het als vergoeding voor de uitzending op televisie van auteursrechtelijk beschermde muziekwerken op commerciële televisiezenders een vergoedingsmodel toepast volgens hetwelk het bedrag van deze royalty's overeenkomt met een deel van de inkomsten van deze zenders, op voorwaarde dat dat deel in grote lijnen in verhouding staat tot de hoeveelheid auteursrechtelijk beschermde muziekwerken die werkelijk op televisie is of kan worden uitgezonden, en mits er geen andere methode is waarmee het gebruik van deze werken en het kijkcijfer nauwkeuriger kunnen worden geïdentificeerd en gekwantificeerd zonder evenwel de kosten van het beheer van de overeenkomsten en van het toezicht op het gebruik van deze werken onevenredig te verhogen. |
|
2) |
Artikel 82 EG moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een auteursrechtenbureau de royalty's die worden geheven als vergoeding voor de uitzending op televisie van auteursrechtelijk beschermde muziekwerken, op verschillende manieren berekent naargelang het commerciële of publieke televisiezenders betreft, het daarmee misbruik kan maken van zijn machtspositie in de zin van dat artikel indien het ten opzichte van deze televisiezenders ongelijke voorwaarden toepast bij gelijkwaardige prestaties en hun daarmee nadeel berokkent bij de mededinging, tenzij een dergelijke praktijk objectief kan worden gerechtvaardigd. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/3 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 11 december 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Italiaanse Republiek
(Zaak C-174/07) (1)
(Niet-nakoming - Artikel 10 EG - Richtlijn 2006/112/EG - Zesde btw-richtlijn - Verplichtingen in binnenlands verkeer - Controle van belastbare handelingen - Kwijtschelding)
(2009/C 32/04)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: E. Traversa en M. Afonso, gemachtigden)
Verwerende partij: Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: I. M. Braguglia, gemachtigde, en G. De Bellis, avvocato dello Stato)
Voorwerp
Niet-nakoming — Schending van de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1), per 1 januari 2007 vervangen door richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Verplichtingen in binnenlands verkeer — Nationale wet waarbij wordt afgezien van controle van in een reeks belastingtijdvakken verrichte belastbare handelingen
Dictum
|
1) |
Door bij artikel 2, lid 44, van wet nr. 350 van 24 december 2003 inzake de jaar- en meerjarenbegroting van de staat (begrotingswet 2004) [legge n. 350, disposizioni per la formazione del bilancio annuale e pluriennale dello Stato (legge finanziaria 2004)] de in de artikelen 8 en 9 van wet nr. 289 van 27 december 2002 inzake de jaar- en meerjarenbegroting van de staat (begrotingswet 2003) [legge n. 289, disposizioni per la formazione del bilancio annuale e pluriennale dello Stato (legge finanziaria 2003)] voorziene belastingkwijtschelding uit te breiden tot het jaar 2002 en door aldus algemeen en zonder onderscheid af te zien van de controle van de in het belastingtijdvak 2002 verrichte belastbare handelingen, is de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 2, lid 1, sub a, c, en d, en 193 tot en met 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, waardoor de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, per 1 januari 2007 zijn vervangen, en krachtens artikel 10 EG. |
|
2) |
De Italiaanse Republiek wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/3 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 december 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — A.T./Finanzamt Stuttgart-Körperschaften
(Zaak C-285/07) (1)
(Richtlijn 90/434/EEG - Grensoverschrijdende aandelenruil - Fiscale neutraliteit - Voorwaarden - Artikelen 43 EG en 56 EG - Wettelijke regeling van lidstaat op grond waarvan behoud van boekwaarde van aandelen die zijn ingebracht voor ontvangen nieuwe aandelen en daarmee fiscale neutraliteit van inbreng afhangen van voorwaarde dat deze waarde wordt overgenomen op fiscale balans van buitenlandse verwervende vennootschap - Verenigbaarheid)
(2009/C 32/05)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: A.T.
Verwerende partij: Finanzamt Stuttgart-Körperschaften
In tegenwoordigheid van: Bundesministerium der Finanzen
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van artikel 8, leden 1 en 2, van richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten (PB L 225, blz. 1) en van de artikelen 43 EG en 56 EG — Vennoot die deelbewijzen van het maatschappelijk kapitaal van de verwervende vennootschap krijgt in ruil voor deelbewijzen van de verworven vennootschap — Belasting van de vennoot van de verworven vennootschap — Fiscale wettelijke regeling van lidstaat waarbij de mogelijkheid voor de vennoot om de in ruil gekregen deelbewijzen tegen boekwaarde op te voeren (Buchwertansatz) afhangt van de voorwaarde dat de verwervende vennootschap de geruilde deelbewijzen ook tegen boekwaarde opvoert (doppelte Buchwertverknüpfung)
Dictum
Artikel 8, leden 1 en 2, van richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten, verzet zich tegen een regeling van een lidstaat volgens welke een aandelenruil voor de aandeelhouders van de verworven vennootschap leidt tot belastingheffing over de meerwaarde van de inbreng bestaande in het verschil tussen de oorspronkelijke aankoopkosten van de ingebrachte aandelen en hun marktwaarde, tenzij de verwervende vennootschap op haar eigen fiscale balans de historische boekwaarde van de ingebrachte aandelen overneemt.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/4 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 11 december 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Helleense Republiek
(Zaak C-293/07) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG - Behoud van de vogelstand - Speciale beschermingszones - Onvoldoende beschermingsmaatregelen)
(2009/C 32/06)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Konstantinidis, D. Recchia en M. Patakia, gemachtigden)
Verwerende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordiger: E. Skandalou, gemachtigde)
Voorwerp
Niet-nakoming — Schending van artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1), in samenhang met artikel 4, lid 4, van de richtlijn zoals gewijzigd door artikel 6, leden 2 tot en met 4, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7) — Gebrek aan bescherming van de speciale beschermingszones (SBZ's) — Bestaan van activiteiten die de integriteit van de SBZ's kunnen aantasten en negatieve gevolgen kunnen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van de SBZ's en de soorten waarvoor die zones zijn afgebakend
Dictum
|
1) |
Door niet alle maatregelen te treffen die nodig zijn voor de vaststelling en toepassing van een coherente, concrete en volledige juridische regeling waarmee het duurzame beheer en de doeltreffende bescherming van de aangewezen speciale beschermingszones kan worden verzekerd, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, is de Helleense Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 4, leden 1 en 2, van deze richtlijn juncto artikel 4, lid 4, eerste zin, ervan, in de versie die voortvloeit uit artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. |
|
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
3) |
De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/4 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 11 december 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Département du Loiret, Scott SA
(Zaak C-295/07 P) (1)
(Hogere voorziening - Staatssteun - Voorkeursprijs voor terrein - Beschikking van Commissie - Terugvordering van met gemeenschappelijke markt onverenigbare steun - Geactualiseerde waarde van steun - Samengestelde rentevoet - Ontoereikende motivering - Volledige nietigverklaring - Toelaatbaarheid)
(2009/C 32/07)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: J. Flett, gemachtigde)
Andere partijen in de procedure: Département du Loiret (vertegenwoordiger: A. Carnelutti, avocat), Scott SA (vertegenwoordigers: J. Lever, QC, J. Gardner en G. Peretz, Barristers, R. Griffith en M. Papadakis, Solicitors)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Eerste kamer) van 29 maart 2007, Département du Loiret/Commissie (T-369/00), waarbij het Gerecht beschikking 2002/14/EG van de Commissie van 12 juli 2000 betreffende door Frankrijk verleende staatssteun ten behoeve van Scott Paper SA/Kimberly-Clark (PB 2002, L 12, blz. 1), nietig heeft verklaard voor zover zij betrekking heeft op de steun in de vorm van een preferentiële prijs voor een in artikel 1 nader bepaald terrein — Methode van berekening van de rente over de onrechtmatig ontvangen bedragen: al dan niet samengestelde rentevoet — Motivering van de keuze van deze methode en omkering van de bewijslast — Tijdstip waarop moet worden beoordeeld of er een onrechtmatig voordeel is
Dictum
|
1) |
Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 29 maart 2007, Département du Loiret/Commissie (T-369/00) wordt vernietigd. |
|
2) |
De zaak wordt verwezen naar het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen. |
|
3) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/5 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 11 december 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Regensburg — Duitsland) — Strafzaak tegen Klaus Bourquain
(Zaak C-297/07) (1)
(Overeenkomst ter uitvoering van Schengen-akkoord - Artikel 54 - Beginsel „ne bis in idem’ - Werkingssfeer - Veroordeling bij verstek voor dezelfde feiten - Begrip „bij onherroepelijk vonnis berecht’ - Procesregels van nationaal recht - Begrip „straf die niet meer ten uitvoer gelegd kan worden’)
(2009/C 32/08)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landgericht Regensburg
Partij in de strafzaak
Klaus Bourquain
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Landgericht Regensburg — Uitlegging van artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 19) — Uitlegging van het beginsel ne bis in idem — Veroordeling bij verstek voor dezelfde feiten — Geen tenuitvoerlegging en veroordeling die later door algemene amnestiemaatregelen is gedekt
Dictum
Het beginsel ne bis in idem dat is neergelegd in artikel 54 van de op 19 juni 1990 te Schengen (Luxemburg) ondertekende Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, is van toepassing op een strafprocedure die in een overeenkomstsluitende staat is ingeleid wegens feiten waarvoor de verdachte in een andere overeenkomstsluitende staat reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht, ook wanneer de hem opgelegde straf volgens het recht van de staat waar hij is veroordeeld nooit onmiddellijk ten uitvoer kon worden gelegd wegens procedurele bijzonderheden zoals die aan de orde in de hoofdzaak.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/5 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 11 december 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Freistaat Sachsen
(Zaak C-334/07 P) (1)
(Hogere voorziening - Staatssteun - Voorgenomen steunregeling voor kleine en middelgrote ondernemingen - Verenigbaarheid met gemeenschappelijke markt - Criteria voor onderzoek van staatssteun - Toepassing ratione temporis - Voornemen aangemeld vóór inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 70/2001 - Beschikking van latere datum dan die inwerkingtreding - Gewettigd vertrouwen - Rechtszekerheid - Volledige aanmelding)
(2009/C 32/09)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: K. Gross, gemachtigde)
Andere partij in de procedure: Freistaat Sachsen (vertegenwoordiger: Th. Lübbig, Rechtsanwalt)
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer — uitgebreid) van 3 mei 2007 in zaak T-357/02, Freistaat Sachsen/Commissie, waarbij het Gerecht beschikking 2003/226/EG van de Commissie van 24 september 2002 betreffende een voorgenomen steunregeling van Duitsland „Richtsnoeren ter stimulering van kleine en middelgrote ondernemingen — Verbetering van de capaciteit van ondernemers in Saksen” — deelprogramma's 1 (begeleiding), 4 (deelname aan beurzen), 5 (samenwerking) en 7 (bevordering van vormgeving) (PB L 91, blz. 13) gedeeltelijk nietig heeft verklaard — Toepasselijkheid van verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen op vóór de inwerkingtreding van deze verordening bij de Commissie aangemelde steunprojecten
Dictum
|
1) |
Het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 3 mei 2007, Freistaat Sachsen/Commissie (T-357/02), wordt vernietigd. |
|
2) |
De zaak wordt verwezen naar het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen. |
|
3) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/6 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 11 december 2008 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal d'instance du VIIe arrondissement de Paris — Frankrijk) — Kip Europe SA, Kip (UK) Ltd, Caretrex Logistiek BV, Utax GmbH (C-362/07), Hewlett Packard International SARL (C-363/07)/Administration des douanes — Direction générale des douanes et droits indirects
(Gevoegde zaken C-362/07 en C-363/07) (1)
(Gemeenschappelijk douanetarief - Gecombineerde nomenclatuur - Tariefindeling - Multifunctionele apparaten - Apparaten die bestaan uit laserprint- en scanmodule, met kopieerfunctie - Post 8471 - Post 9009)
(2009/C 32/10)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Tribunal d'instance du VIIe arrondissement de Paris
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Kip Europe SA, Kip (UK) Ltd, Caretrex Logistiek BV, Utax GmbH (C-362/07), Hewlett Packard International SARL (C-363/07)
Verwerende partij: Administration des douanes — Direction générale des douanes et droits indirects
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunal d'instance du VIIe arrondissement de Paris — Uitlegging van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256, blz. 1), in de op de feiten van het hoofdgeding toepasselijke versie, en geldigheid van verordening (EG) nr. 400/2006 van de Commissie van 8 maart 2006 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (GN) (PB L 70, blz. 9) — Multifunctioneel apparaat dat is vervaardigd door samenvoeging van een laserprintmodule, een scanmodule en een computer — Indeling onder tariefpost 8471 60 40 (Automatische gegevensverwerkende machines) op grond van algemene regel 3, sub b, voor de interpretatie van de GN (de afdrukfunctie verleent het apparaat zijn „wezenlijke karakter”) of onder post 9009 12 00 (Fotokopieerapparaten) op grond van aantekening 5 E bij hoofdstuk 84 van de GN (toestel dat zelfstandig een eigen functie, andere dan gegevensverwerking, vervult, namelijk het kopiëren)
Dictum
|
1) |
Aantekening 5 E op hoofdstuk 84 van de gecombineerde nomenclatuur, die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1719/2005 van de Commissie van 27 oktober 2005, moet aldus worden uitgelegd, dat alleen apparaten die een automatische gegevensverwerkende machine bevatten of zijn aangesloten op een dergelijke machine en waarvan de functie niet onder de automatische gegevensverwerking valt „een eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking” vervullen. |
|
2) |
Wanneer de kopieerfunctie van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde apparaten ondergeschikt is aan de print- en de scanfunctie, moeten zij worden beschouwd als eenheden van automatische gegevensverwerkende machines in de zin van aantekening 5 B op hoofdstuk 84 van de gecombineerde nomenclatuur, die is opgenomen in bijlage I bij verordening nr. 2658/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1719/2005, welke eenheden op grond van aantekening 5 C op dit hoofdstuk, indien zij afzonderlijk worden aangeboden, moeten worden ingedeeld onder post 8471 van de gecombineerde nomenclatuur. In een dergelijk geval moet de relevante postonderverdeling worden vastgesteld op basis van aantekening 3 op afdeling XVI van de gecombineerde nomenclatuur. Wanneer de kopieerfunctie daarentegen even belangrijk is als de twee andere functies, moeten deze apparaten op basis van punt 3, sub b, van de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur worden ingedeeld onder de post die overeenstemt met de module waaraan deze apparaten hun wezenlijke karakter ontlenen. Indien geen dergelijke module kan worden aangewezen, moeten zij op grond van punt 3, sub c, van voornoemde algemene regels onder post 9009 worden ingedeeld. |
|
3) |
Bij het onderzoek van de vijfde vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van punt 4 van de bijlage bij verordening (EG) nr. 400/2006 van de Commissie van 8 maart 2006 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur kunnen aantasten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/7 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 11 december 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Vestre Landsret — Denemarken) — Danfoss A/S, AstraZeneca A/S/Skatteministeriet
(Zaak C-371/07) (1)
(Zesde btw-richtlijn - Artikel 6, lid 2 - Om niet verrichten van diensten door belastingplichtige voor andere dan bedrijfsdoeleinden - Recht op aftrek van btw - Artikel 17, lid 6, tweede alinea - Mogelijkheid voor lidstaten tot handhaving van uitsluitingen van recht op aftrek waarin hun nationale wetgeving ten tijde van inwerkingtreding van Zesde richtlijn voorzag)
(2009/C 32/11)
Procestaal: Deens
Verwijzende rechter
Vestre Landsret
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Danfoss A/S, AstraZeneca A/S
Verwerende partij: Skatteministeriet
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Vestre Landsret — Uitlegging van de artikelen 6, lid 2, en 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Recht van aftrek van voorbelasting op maaltijden in bedrijfskantines, om niet verstrekt aan zakenrelaties en personeel van onderneming — Bevoegdheid van lidstaten om ten tijde van de inwerkingtreding van de richtlijn bestaande wettelijke voorschriften inzake uitsluiting van aftrek te handhaven
Dictum
|
1) |
Artikel 17, lid 6, tweede alinea, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat na de inwerkingtreding van deze richtlijn toepassing maakt van een uitsluiting van het recht op aftrek van de voorbelasting op uitgaven in verband met maaltijden die door bedrijfskantines in het kader van zakelijke bijeenkomsten om niet worden verstrekt aan zakenrelaties en personeel, terwijl die uitsluiting ten tijde van die inwerkingtreding niet daadwerkelijk van toepassing was op die uitgaven wegens een administratieve praktijk op grond waarvan de door deze kantines verrichte diensten werden belast uitgaande van de kostprijs daarvan, berekend op basis van de productiekosten, dat wil zeggen de prijs van de grondstoffen en de loonkosten voor de bereiding en de verkoop van het voedsel en de drank alsmede voor het kantinebeheer, onder volledige aftrek van de voorbelasting. |
|
2) |
Artikel 6, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388) moet aldus worden uitgelegd dat het geen betrekking heeft op het om niet verstrekken van maaltijden in de bedrijfskantine aan zakenrelaties in het kader van bijeenkomsten die plaatsvinden binnen de onderneming, wanneer uit objectieve gegevens blijkt — wat door de verwijzende rechter moet worden geverifieerd — dat die maaltijden uitsluitend voor beroepsdoeleinden worden verstrekt. Voorts is deze bepaling in beginsel van toepassing op het verstrekken om niet van maaltijden door een onderneming aan haar personeel in haar bedrijfsruimten, tenzij — wat eveneens door de verwijzende rechter moet worden beoordeeld — de behoeften van de onderneming, zoals de noodzaak de continuïteit en het goede verloop van de zakelijke bijeenkomsten te garanderen, verlangen dat die maaltijden door de werkgever worden verstrekt. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/7 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 11 december 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Ancona — Italië) — MI.VER Srl, Daniele Antonelli/Provincia di Macerata
(Zaak C-387/07) (1)
(Afvalstoffen - Begrip „voorlopige opslag’ - Richtlijn 75/442/EEG - Beschikking 2000/532/EEG - Mogelijkheid afvalstoffen te vermengen die onder verschillende codes vallen - Begrip „gemengde verpakkingen’)
(2009/C 32/12)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale di Ancona
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: MI.VER Srl, Daniele Antonelli
Verwerende partij: Provincia di Macerata
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Tribunale di Ancona — Uitlegging van richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (PB L 194, blz. 39) en van beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442/EEG en beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689/EEG van de Raad (PB L 226, blz. 3) — Begrip „voorlopige opslag” — Bevoegdheid van de producent om onder verschillende codes van de Europese Afvalcatalogus van beschikking 2000/532/EG vallende afvalstoffen te mengen
Dictum
|
1) |
Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003 en beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a, van richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen, verzetten er zich niet tegen dat de producent van afvalstoffen afvalstoffen die onder verschillende codes van de bij beschikking 2000/532 gevoegde lijst vallen, bij voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie vermengt. De lidstaten zijn evenwel gehouden maatregelen te nemen om de producent van afvalstoffen te verplichten de afvalstoffen bij voorlopige opslag voorafgaande aan inzameling op de plaats van productie te sorteren en afzonderlijk op te slaan op basis van de codes van deze lijst, indien zij dergelijke maatregelen noodzakelijk achten om de doelstellingen van artikel 4, eerste alinea, van richtlijn 75/442, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1882/2003, te bereiken. |
|
2) |
Wanneer de nationale regeling de bij beschikking 2000/532 gevoegde afvalstoffenlijst overneemt, kan code 15 01 06 „gemengde verpakkingen” worden gebruikt voor afvalstoffen van verpakkingen uit verschillende materialen, die zijn samengevoegd. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/8 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 11 december 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden — Nederland) — Stichting Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing/Staatssecretaris van Financiën
(Zaak C-407/07) (1)
(Zesde btw-richtlijn - Artikel 13, A, lid 1, sub f - Vrijstellingen - Voorwaarden - Diensten verricht door zelfstandige groeperingen - Diensten verleend aan een of aan meerdere leden van groepering)
(2009/C 32/13)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Stichting Centraal Begeleidingsorgaan voor de Intercollegiale Toetsing
Verwerende partij: Staatssecretaris van Financiën
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Uitlegging van artikel 13, A, lid 1, sub f, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Diensten verricht door zelfstandige groeperingen van personen, die aan hun leden diensten verstrekken die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitoefening van een vrijgestelde activiteit
Dictum
Artikel 13, A, lid 1, sub f, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat, gesteld dat aan de overige bij die bepaling gestelde voorwaarden is voldaan, de dienstverrichtingen door een zelfstandige groepering ten behoeve van haar leden voor de in die bepaling voorziene vrijstelling in aanmerking komen, zelfs als deze diensten ten behoeve van één of enkele van die leden zijn verricht.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/9 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 11 december 2008 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione — Italië) — Agenzia per le Erogazioni in Agricoltura (AGEA)/Consorzio Agrario di Ravenna Soc. Coop. arl
(Zaak C-486/07) (1)
(Gemeenschappelijke ordening van markten - Granen - Maïs - Vaststelling van prijzen - Toepasselijke kortingen)
(2009/C 32/14)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte suprema di cassazione
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Agenzia per le Erogazioni in Agricoltura (AGEA)
Verwerende partij: Consorzio Agrario di Ravenna Soc. Coop. arl
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Corte suprema di cassazione (Italië) — Uitlegging van de artikelen 4 en 5 van verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen (PB L 181, blz. 21), van artikel 4 bis van verordening (EEG) nr. 689/92 van de Commissie van 19 maart 1992 tot vaststelling van de procedures en voorwaarden voor de overneming van granen door de interventiebureaus (PB L 74, blz. 18) en van artikel 13 van verordening (EEG) nr. 2131/93 van de Commissie van 28 juli 1993 tot vaststelling van de procedures en de voorwaarden voor de verkoop van graan door de interventiebureaus (PB L 191, blz. 76) — Kortingen wegens een vochtgehalte dat hoger is dan het voor de standaardkwaliteit geldende vochtgehalte — Toepasbaarheid op de verkoop van maïs
Dictum
Artikel 13, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2131/93 van de Commissie van 28 juli 1993 tot vaststelling van de procedures en de voorwaarden voor de verkoop van graan door de interventiebureaus, juncto artikel 4 bis van verordening (EEG) nr. 689/92 van de Commissie van 19 maart 1992 tot vaststelling van de procedures en voorwaarden voor de overneming van granen door de interventiebureaus, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2486/92 van de Commissie van 27 augustus 1992, dienen aldus te worden uitgelegd dat bij de verkoop per openbare inschrijving van maïs door de nationale interventiebureaus, de prijskortingen aan de hand van het vochtgehalte, waarin voor durumtarwe is voorzien in tabel II van bijlage II bij verordening nr. 689/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2486/92, niet van toepassing zijn.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/9 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 11 december 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Oostenrijk
(Zaak C-524/07) (1)
(Niet-nakoming - Artikelen 28 EG en 30 EG - Inschrijving van oude tweedehandsvoertuigen die voorheen in andere lidstaten waren geregistreerd - Technische vereisten inzake verontreinigende emissies en geluidsniveau - Volksgezondheid - Milieubescherming)
(2009/C 32/15)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: B. Schima, gemachtigde)
Verwerende partij: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordigers: E. Riedl en G. Eberhard, gemachtigden)
Voorwerp
Niet nakoming — Schending van artikelen 28 EG en 30 EG — Nationale regeling waarbij voor registratie van ingevoerde gebruikte voertuigen die voorheen in andere lidstaten waren geregistreerd, bepaalde technische vereisten worden gesteld, terwijl dergelijke vereisten niet gelden bij een nieuwe registratie van gebruikte voertuigen met dezelfde kenmerken die zich reeds op de nationale markt bevonden
Dictum
|
1) |
Door te eisen dat voertuigen die voorheen in andere lidstaten waren geregistreerd, en die welke wegens hun ouderdom geen communautaire goedkeuring hebben ondergaan, voor de eerste registratie in Oostenrijk zekere grenswaarden in acht nemen inzake vervuilende emissies en geluid, die strenger zijn dan die waaraan zij oorspronkelijk hadden moeten voldoen, met name de waarden die worden voorgeschreven bij richtlijn 93/59/EEG van de Raad van 28 juni 1993 tot wijziging van richtlijn 70/220/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen, en bij richtlijn 92/97/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot wijziging van richtlijn 70/157/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen, ofschoon voertuigen met dezelfde kenmerken die reeds in Oostenrijk in het verkeer zijn gebracht bij een nieuwe registratie in deze lidstaat van deze vereiste zijn vrijgesteld, is de Republiek Oostenrijk de krachtens artikel 28 EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
De Republiek Oostenrijk wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/10 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 11 december 2008 — Gateway, Inc./Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Fujitsu Siemens Computers GmbH
(Zaak C-57/08 P) (1)
(Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Verordening (EG) nr. 40/94 - Artikel 8, leden 1, sub b, en 5 - Oudere merken die woordteken „GATEWAY’ bevatten - Woordteken „ACTIVY Media Gateway’ - Tekens die niet overeenstemmen - Ontbreken van verwarringsgevaar - Inaanmerkingneming van algemene bekendheid van oudere merken bij globale beoordeling van conflicterende tekens)
(2009/C 32/16)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Gateway, Inc. (vertegenwoordiger: C. R. Jones, Solicitor)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde), Fujitsu Siemens Computers GmbH
Voorwerp
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 27 november 2007 in zaak T-434/05, Gateway, Inc./BHIM, waarbij het Gerecht heeft verworpen een beroep ingesteld door de houder van de communautaire en nationale woord- en beeldmerken die het woordelement „GATEWAY” bevatten voor waren van de klassen 9, 16, 35, 36, 37 en 38, en strekkende tot vernietiging van beslissing R 1068/2004-1 van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 14 september 2005 houdende verwerping van het door rekwirante ingestelde beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling tot afwijzing van de door rekwirante ingestelde oppositie tegen de aanvraag tot inschrijving van het woordmerk „ACTIVY Media Gateway” voor waren van de klassen 9, 35, 38 en 42
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Gateway, Inc. wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/10 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 11 december 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België
(Zaak C-239/08) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijn 2006/100/EG - Vrij verkeer van personen - Aanpassing van een aantal richtlijnen in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)
(2009/C 32/17)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: C. Huvelin, gemachtigde)
Verwerende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordiger: D. Haven, gemachtigde)
Voorwerp
Niet-nakoming — Verzuim om binnen de gestelde termijn de maatregelen te treffen of mee te delen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vrije verkeer van personen, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië (PB L 363, blz. 141)
Dictum
|
1) |
Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/100/EG van de Raad van 20 november 2006 tot aanpassing van een aantal richtlijnen op het gebied van het vrije verkeer van personen, in verband met de toetreding van de Republiek Bulgarije en Roemenië, is het Koninkrijk België de krachtens artikel 2 van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
Het Koninkrijk België wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/11 |
Arrest van het Hof (Zevende kamer) van 11 december 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Franse Republiek
(Zaak C-330/08) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijn 2004/35/EG - Milieuaansprakelijkheid - Voorkomen en herstellen van milieuschade - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)
(2009/C 32/18)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Rozet en U. Wölker, gemachtigden)
Verwerende partij: Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues en A. Adam, gemachtigden)
Voorwerp
Niet-nakoming — Verzuim om de bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (PB L 143, blz. 56)
Dictum
|
1) |
Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, is de Franse Republiek de krachtens artikel 19, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/11 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg (Duitsland) op 9 oktober 2008 — Kurt Wierer/Land Baden-Württemberg
(Zaak C-445/08)
(2009/C 32/19)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgerichtshof Baden-Württemberg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Kurt Wierer
Verwerende partij: Land Baden-Württemberg
Prejudiciële vragen
|
1) |
Verzetten de door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de arresten van 26 juni 2008 (Wiedemann, C-329/06 en C-343/06, en Zerche, C-334/06-C-336/06) geformuleerde beginselen zich ertegen dat de nationale voor de afgifte van rijbewijzen bevoegde instanties en rechterlijke instanties van het gastland zich bij het onderzoek of de afgiftestaat ten tijde van de uitreiking van het rijbewijs de verblijfsvoorwaarde van artikel 9 van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 (1) in acht heeft genomen, ten nadele van de houder van het rijbewijs baseren op de verklaringen en inlichtingen die hij tijdens de administratieve procedure of de procedure in rechte heeft verstrekt in het kader van een krachtens het nationale procesrecht op hem rustende medewerkingsplicht ter opheldering van de voor de beslissing relevante feiten? |
|
2) |
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: Verzetten de door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de arresten van 26 juni 2008 (Wiedemann, C-329/06 en C-343/06, en Zerche, C-334/06-C-336/06) geformuleerde beginselen zich ertegen dat de nationale voor de afgifte van rijbewijzen bevoegde instanties en rechterlijke instanties van het gastland bij het onderzoek of de afgiftestaat de verblijfsvoorwaarde van artikel 9 van richtlijn 91/439/EEG in acht heeft genomen, wanneer er concrete aanwijzingen bestaan dat daaraan ten tijde van de uitreiking niet was voldaan, uitsluitend in de afgiftestaat, bijvoorbeeld bij registratiediensten, verhuurders of werkgevers, verder onderzoek instellen en de daarbij vastgestelde feiten, voor zover het bewijskrachtige feiten betreft, alleen of tezamen met reeds door de afgiftestaat of de houder van het rijbewijs zelf verstrekte inlichtingen gebruiken? |
(1) PB L 237, blz. 1.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/12 |
Beroep ingesteld op 17 oktober 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Ierland
(Zaak C-455/08)
(2009/C 32/20)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Zavvos, M. Konstantinidis en D. Kukovec, gemachtigden)
Verwerende partij: Ierland
Conclusies:
|
— |
vaststellen dat Ierland, door artikel 49 van Statutory Instrument nr. 329/2006 — de Ierse maatregel voor omzetting van richtlijn 2004/18/EG (1) — en door artikel 51 van Statutory Instrument nr. 50/2007 — de Ierse maatregel voor omzetting van richtlijn 2004/17/EG (2) —, de regels inzake de kennisgeving aan de inschrijvers van gunningsbeslissingen van aanbestedende overheidsdiensten en de motivering ervan zodanig heeft vastgesteld, dat dit er in de praktijk toe kan leiden dat tegen het tijdstip waarop de inschrijvers volledig worden geïnformeerd over de gronden voor de afwijzing van hun inschrijving, de status quo-periode voor het sluiten van de overeenkomst reeds is verstreken; |
|
— |
vaststellen dat Ierland hierdoor de verplichtingen niet is nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 1, lid 1, en 2, lid 1, van richtlijn 89/665/EEG (3) en de artikelen 1, lid 1, en 2, lid 1, van richtlijn 92/13/EEG (4) zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arresten in de zaken C-81/98 (5) (Alcatel Austria e.a.) en C-212/02 (6) (Commissie/Oostenrijk); |
|
— |
Ierland verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Iers Statutory Instrument nr. 329/2006
Artikel 49 van het Ierse Statutory Instrument nr. 329/2006, de Ierse omzettingsmaatregel voor richtlijn 2004/18/EG, vereist dat inschrijvers zo snel als haalbaar en door middel van de snelste communicatiemiddelen in kennis worden gesteld van de gunningsbeslissing, nadat de aanbestedende dienst de beslissing heeft genomen. Gerekend vanaf de datum waarop de inschrijvers in kennis zijn gesteld van de gunningsbeslissing, beloopt de status quo-periode die vóór het sluiten van de overeenkomst in acht moet worden genomen, ten minste 14 dagen.
Volgens Iers recht hoeft de aanbestedende dienst de redenen voor afwijzing van een inschrijving echter enkel aan te geven wanneer hij een daartoe strekkend verzoek ontvangt. De aanbestedende dienst moet de redenen „zo spoedig mogelijk en in elk geval binnen 15 dagen” geven. Volgens de Commissie betekent dit dat de status quo-periode reeds kan zijn verstreken tegen het tijdstip waarop een afgewezen inschrijver volledig over de gronden voor de afwijzing van zijn inschrijving wordt geïnformeerd.
Teneinde te voldoen aan de vereisten die voortvloeien uit de rechtspraak van het Hof van Justitie in zijn arresten Alcatel Austria e.a. en Commissie/Oostenrijk, moet worden gewaarborg dat de redenen voor de gunningsbeslissing tijdig worden meegedeeld, zodat er doeltreffend beroep tegen kan worden ingesteld gedurende de status quo-periode. De Commissie stelt dat de Ierse regels niet in overeenstemming zijn met dit vereiste, aangezien zij niet waarborgen dat inschrijvers tijdig en ruim vóór het verstrijken van de status quo-periode in kennis worden gesteld van de redenen voor de afwijzing van hun inschrijving. Dit ondermijnt het recht van de inschrijvers op doeltreffende beroepsmogelijkheden in rechte zoals deze worden vereist door richtlijn 89/665/EEG.
Iers Statutory Instrument nr. 50/2007
Ingevolge artikel 51 van Statutory Instrument nr. 50/2007, de Ierse omzettingsmaatregel voor richtlijn 2004/17/EG, moeten aanbestedende diensten, wanneer zij inschrijvers in kennis stellen van de gunningsbeslissing, aan de afgewezen inschrijvers de „voornaamste reden of redenen aangeven waarom de inschrijving niet verkozen is”. De „kenmerken en de relatieve voordelen van de verkozen inschrijving” zullen door de aanbestedende dienst „zo snel als haalbaar, en in elk geval binnen 15 dagen” na een daartoe strekkend verzoek aan de afgewezen inschrijvers worden meegedeeld. De status- quo-periode beloopt 14 dagen vanaf de kennisgeving van de gunningsbeslissing. Volgens de Commissie betekent dit dat de status quo-periode reeds kan zijn verstreken tegen het tijdstip waarop een afgewezen inschrijver volledig over de gronden voor afwijzing van zijn inschrijving wordt geïnformeerd.
De Commissie stelt dat de Ierse wetgeving met betrekking tot gunningsprocedures die onder de richtlijnen 2004/17/EG en 92/13/EEG vallen, de regels inzake de kennisgeving aan inschrijvers vastlegt op een wijze die het recht van afgewezen inschrijvers op doeltreffende beroepswegen in rechte beperkt en die niet in overeenstemming is met de geldende beroepsprocedurerichtlijnen, te weten de richtlijnen 89/665/EEG en 92/13/EEG, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie.
(1) Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134, blz. 114).
(2) Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PB L 134, blz. 1).
(3) Richtlijn 89/665/EEG van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB L 395, blz. 33).
(4) Richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 76, blz. 14).
(5) Arrest van 28 oktober 1999, Alcatel Austria e.a. (C-81/98, Jurispr. blz. I-7671).
(6) Arrest van 24 juni 2004, Commissie/Oostenrijk (C-212/02).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/13 |
Beroep ingesteld op 4 november 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België
(Zaak C-474/08)
(2009/C 32/21)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Patakia en B. Schima, gemachtigden)
Verwerende partij: Koninkrijk België
Conclusies
|
— |
vaststellen dat het Koninkrijk België, door niet te bepalen dat gevallen van weigering van toegang tot het distributie- of transportnet kunnen worden voorgelegd aan de regelgevende instantie, die binnen twee maanden bij wege van bindende beslissing uitspraak zal doen, overeenkomstig artikel 23, lid 5, van richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van richtlijn 96/92/EG (1), door bepaalde, voor de berekening van de tarieven doorslaggevende elementen uit te sluiten van de in artikel 23, lid 2, van richtlijn 2003/54/EG vastgelegde bevoegdheden van de regelgevende instantie, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
het Koninkrijk België verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie stelt in de eerste plaats dat de omzetting in Belgisch recht van artikel 23, lid 5, van richtlijn 2003/54/EG niet heeft plaatsgevonden. De relevante bepalingen van de Belgische wet op de organisatie van de elektriciteitsmarkt zijn immers zó algemeen gesteld dat aan de hand daarvan niet met zekerheid kan worden vastgesteld of er al dan geen individueel beroepsrecht bestaat tegen beslissingen tot weigering van toegang tot het distributie- of transportnet voor elektriciteit. Deze bepalingen leggen in het bijzonder geen specifiek procedureel kader vast en geen termijn voor het antwoord van de regelgevende instantie, in casu de nationale Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit (CRE).
In de tweede plaats verwijt verzoekster verweerder schending van 23, lid 2, van richtlijn 2003/54/EG, voor zover hij de Koning, dat wil zeggen een andere instantie dan de CRE, de bevoegdheid verleent om bijzondere regels vast te stellen betreffende de afschrijvingen en de winstmarge met betrekking tot investeringen van nationaal en Europees belang. Deze procedure is niet verenigbaar met bovenbedoeld artikel, aangezien de regelgevende instantie in beide gevallen geen enkele invloed lijkt te hebben op de methoden voor het berekenen of vastleggen van de transport- en distributietarieven.
(1) PB L 176, blz. 37.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/13 |
Beroep ingesteld op 5 november 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk België
(Zaak C-475/08)
(2009/C 32/22)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Patakia en B. Schima, gemachtigden)
Verwerende partij: Koninkrijk België
Conclusies
|
— |
vaststellen dat het Koninkrijk België, door geen systeembeheerders aan te wijzen, zoals wel is vereist op grond van artikel 7 van richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van richtlijn 98/30/EG (1), door in strijd met artikel 18 van richtlijn 2003/55/EG, juncto artikel 25, lid 2, daarvan, niet alleen te voorzien in een gereguleerde toegang, maar ook in een toegang via onderhandelingen van derden tot het systeem, door artikel 22, lid 3, sub d en e, en lid 4, van richtlijn 2003/55/EG niet in nationaal recht om te zetten, de krachtens die richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
het Koninkrijk België verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie baseert haar beroep op drie grieven.
Om te beginnen verwijt zij verweerder geen transmissiesysteembeheerders en systeembeheerders voor gasopslag en terminals voor vloeibaar aardgas te hebben aangewezen, zoals wordt bepaald in de artikelen 7 en 11 van richtlijn 2003/55/EG.
Vervolgens heeft verweerder een rechtsonzekerheid gecreëerd jegens nieuwkomers, aangezien hij de indruk wekt dat de toegang via onderhandelingen tot het systeem een alternatief is voor de gereguleerde toegang. Uit de artikelen 18 en 25, lid 2, van richtlijn 2003/55/EG blijkt evenwel duidelijk dat de gereguleerde toegang de enige mogelijkheid van toegang van derden tot het systeem is en dat het enkel aan de regelgevende instantie is om althans de methoden voor het berekenen of vastleggen van de tarieven, alvorens die in werking treden, vast te stellen of goed te keuren.
Ten slotte heeft verweerder met de ontheffing van de richtlijn voor grote nieuwe aardgasinstallaties artikel 22, lid 3, sub d, van de richtlijn, wat betreft de verplichting tot bekendmaking van het besluit, en artikel 22, lid 3, sub e, van die richtlijn, betreffende de verplichting tot overleg met andere lidstaten of regelgevende instanties die zijn betrokken bij de interconnectie van die infrastructuur, niet juist omgezet. Bovendien heeft verweerder in zijn nationale wettelijke regeling niet de verplichting vastgelegd om het besluit inzake een dergelijke ontheffing alsmede alle relevante informatie daaromtrent onverwijld ter kennis van de Commissie te brengen, zoals wordt bepaald in artikel 22, lid 4, van de richtlijn.
(1) PB L 176, blz. 57.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/14 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (Civil Division) (England and Wales) (Verenigd Koninkrijk) op 7 november 2008 — Maria Teixeria/London Borough of Lambeth, Secretary of State for the Home Department
(Zaak C-480/08)
(2009/C 32/23)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Court of Appeal (Civil Division)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Maria Teixeria
Verwerende partij: London Borough of Lambeth, Secretary of State for the Home Department
Prejudiciële vragen
Onder omstandigheden waarin (i) een burger van de Europese Unie naar het Verenigd Koninkrijk is gekomen, (ii) deze burger van de Unie gedurende bepaalde perioden in het Verenigd Koninkrijk werkzaam was, (iii) de burger van de Unie ophield arbeid te verrichten maar niet uit het Verenigd Koninkrijk is vertrokken, (iv) de burger van de Unie haar status als werknemer niet behouden heeft, geen verblijfsrecht heeft volgens artikel 7 van richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad en geen duurzaam verblijfsrecht volgens artikel 16 daarvan, (v) het kind van de burger van de Unie onderwijs is gaan volgen op een tijdstip waarop deze burger geen werknemer was, maar het kind onderwijs in het Verenigd Koninkrijk bleef volgen gedurende de perioden waarin deze burger daar wel werkte, (vi) de burger van de Unie de daadwerkelijke verzorger is van het kind, (vii) de burger van de Unie en haar kind niet over toereikende middelen van bestaan beschikken:
|
1) |
heeft de burger van de Unie dan alleen een verblijfsrecht in het Verenigd Koninkrijk indien zij voldoet aan de voorwaarden van richtlijn 2004/38 (1) van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, |
of
|
2) |
|
|
3) |
Indien het antwoord op de eerste vraag bevestigend is, maakt het dan verschil of, zoals in het onderhavige geval, het kind onderwijs is gaan volgen vóór de datum waarop richtlijn 2004/38 door de lidstaten moest zijn uitgevoerd, maar de moeder het kind niet daadwerkelijk verzorgde en geen beroep deed op deze daadwerkelijke verzorging ter fundering van haar verblijfsrecht tot maart 2007, dat wil zeggen na de datum waarop de richtlijn moest zijn uitgevoerd? |
(1) Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (Voor de EER relevante tekst) (PB L 158, blz. 77).
(2) Verordening (EEG) nr. 1612/68, van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/15 |
Beroep ingesteld op 10 november 2008 — Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-482/08)
(2009/C 32/24)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: V. Jackson, gemachtigde, T. Ward, barrister)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
|
— |
nietig verklaren besluit 2008/633/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 over de toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door aangewezen autoriteiten van de lidstaten en door Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten (1); |
|
— |
vaststellen dat na nietigverklaring van het besluit inzake de toegang van de politie tot het VIS de bepalingen daarvan van kracht blijven, behalve voor zover zij tot gevolg hebben dat het Verenigd Koninkrijk van deelneming aan de toepassing van het besluit inzake de toegang van de politie tot het VIS wordt uitgesloten; |
|
— |
Raad van de Europese Unie verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het Verenigd Koninkrijk is het recht ontzegd om deel te nemen aan de vaststelling van het besluit inzake de toegang van de politie tot het VIS op grond dat naar de mening van de Raad de maatregel een ontwikkeling is van de bepalingen van het Schengen-acquis — namelijk het gemeenschappelijk visumbeleid —, waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt. Bijgevolg stelt de Raad zich op het standpunt dat het besluit niet bindend is voor noch van toepassing is op het Verenigd Koninkrijk.
Het Verenigd Koninkrijk stelt dat de Raad ten onrechte heeft geconcludeerd dat het besluit een ontwikkeling is van de bepalingen van het Schengen-acquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt. Het besluit inzake de toegang van de politie tot het VIS is geen ontwikkeling van het gemeenschappelijk visumbeleid, maar eerder een maatregel op het gebied van politiesamenwerking. Noch het doel noch de inhoud van het besluit inzake de toegang van de politie tot het VIS hebben betrekking op het gemeenschappelijk visumbeleid. Bij dit besluit gaat het echter volledig om het delen van door de visa-autoriteiten ingevoerde informatie met de aangewezen wetshandhavingsautoriteiten en Europol met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten. Dit komt tot uiting in de door de Raad gekozen rechtsgrondslag, namelijk de artikelen 30, lid 1, sub b, EU en 34, lid 2, sub c, EU.
Derhalve wordt nietigverklaring gevorderd van het besluit inzake de toegang van de politie tot het VIS op grond dat de uitsluiting van het Verenigd Koninkrijk van de vaststelling daarvan schending van wezenlijke vormvoorschriften en/of schending van het Verdrag in de zin van artikel 35, lid 6, EU oplevert.
(1) PB L 218, blz. 129.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/15 |
Hogere voorziening ingesteld op 11 november 2008 door Claudia Gualtieri tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 10 september 2008 in zaak T-284/06, Gualtieri/Commissie
(Zaak C-485/08 P)
(2009/C 32/25)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Claudia Gualtieri (vertegenwoordigers: P. Gualtieri en M. Gualtieri, advocaten)
Andere partij bij de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
elk ander verzoek, exceptie en middel afwijzen; |
|
— |
de meest opportune beslissingen nemen en vaststellingen doen; |
|
— |
de middelen aanvaarden die met betrekking tot de verschillende behandelde vragen zijn uiteengezet alsmede de daarmee verband houdende vorderingen die in deze zaak in elk geval volledig worden herhaald; |
|
— |
als rechtsbeginsel formuleren dat de betrekking tussen de gedetacheerde nationale deskundigen (GND) en de Commissie van de Europese Gemeenschappen een ondergeschikte arbeidsverhouding is, welke vergelijkbaar is met die van tijdelijke functionarissen en dat de aan hen betaalde vergoedingen het karakter van een bezoldiging hebben; |
|
— |
verklaren dat volgens het gemeenschapsrecht voor gelijkwaardige arbeidsprestaties dezelfde bezoldiging moet worden betaald en dat de betaling aan gehuwde personen van eventuele andere vergoedingen dan aan niet-gehuwde of met een partner samenlevende personen worden betaald, leidt tot discriminatie van het lid van het wettelijk gezin; |
|
— |
subsidiair, verklaren dat rekwirante met ingang van de datum van haar feitelijke scheiding of de neerlegging van het echtscheidingsconvenant bij de rechtbank te Brussel recht heeft op alle in artikel 17 van het GND-besluit voorziene vergoedingen; |
|
— |
dientengevolge, het bestreden arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 10 september 2008, dat de volgende dag is betekend, volledig of ten dele vernietigen, en de in eerste aanleg en in de hogere voorziening ingediende verzoeken en vorderingen volledig of ten dele toewijzen dan wel de zaak terugverwijzen naar het Gerecht van eerste aanleg voor een beslissing ten gronde; |
|
— |
de Commissie van de Europese Gemeenschappen verwijzen in alle kosten van de beide procedures of, subsidiair, in die van de procedure in eerste aanleg. |
Middelen en voornaamste argumenten
Om te beginnen blijkt zonder meer uit alle bepalingen die het rechtsstatuut van de GND regelen dat de betrekking van een nationaal deskundige met zijn administratie van oorsprong gedurende de gehele detachering wordt opgeschort en dat de gedetacheerde nationale deskundige gedurende die periode volledig is opgenomen in de organisatie van de Commissie, in het uitsluitende belang waarvan hij zijn werk moet verrichten, met als gevolg dat zijn rechtspositie gelijk (zelfs identiek) is aan die van functionarissen (althans tijdelijke functionarissen) die op hun beurt, wat de arbeidsvoorwaarden en de andere aspecten betreffende de bezoldiging betreft, gelijk zijn aan de ambtenaren.
Om die reden en op grond van de bepalingen van artikel 141, lid 2, EG (volgens hetwelk het begrip beloning eveneens alle overige voordelen in geld of in natura omvat die de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking direct of indirect van de werkgever ontvangt), welk artikel hoger van rang is dan artikel 17 van het GND-besluit, en van het Statuut van de ambtenaren en van de andere personeelsleden van de Europese Unie (artikel 62, lid 3: „[de] bezoldiging omvat een basissalaris, gezinstoelagen en toelagen van andere aard”), hebben de aan de GND betaalde vergoedingen, evenals de vergelijkbare vergoedingen waarop de ambtenaren en de andere functionarissen recht hebben, het karakter van een bezoldiging.
Er bestaat dus een algemeen al dan niet gemeenschapsrechtelijk beginsel dat voor gelijke arbeid dezelfde vergoedingen moeten worden betaald, zoals blijkt uit de bepalingen van artikel 14 EVRM, uit richtlijn 2000/43/EG (1) van 29 juni 2000, richtlijn 2000/78/EG (2) van 27 november 2000, de artikelen 3, lid 2, 136, 137, sub i, en 141, lid 1, EG.
De door het Gerecht van eerste aanleg gevolgde uitlegging leidt er echter toe dat twee werknemers die hetzelfde werk verrichten verschillend worden beloond indien de echtgenoot van een van hen op het moment van detachering reeds in Brussel woont, hetgeen een ernstige discriminatie van leden van het wettelijk gezin inhoudt, ondanks de grote bescherming die het gezin in de nationale en internationale wetgeving geniet en de tendens in de wetgeving van de verschillende lidstaten, het Ambtenarenstatuut (artikel 1, leden 1 en 2, sub c, van bijlage VII) en de rechtspraak van het Europese Hof ter bescherming van de rechten van de mens om het feitelijk samenwonen gelijk te stellen met het gezin.
Bovendien had de volledige betaling van de vergoedingen tenminste moeten plaatsvinden vanaf de datum van beëindiging van de samenleving, aangezien in de rechtsvoorschriften geen aanwijzing wordt gevonden voor de zogenoemde noodzaak om te verwijzen naar het moment waarop de betrekking ontstond, zonder rekening te houden met latere wijzigingen in die betrekking.
Wat de exceptie van onwettigheid van artikel 20 van het GND-besluit betreft, stelt rekwirante onder verwijzing naar artikel 241 EG dat de gronden feitelijk en rechtens waarop die exceptie was gebaseerd van meet af aan gedetailleerd en begrijpelijk zijn uiteengezet, zodat de verwerende partij geen bezwaar had gemaakt, en dat duidelijk was dat de verwijzing naar artikel 241 EG in elk geval strekte tot verkrijging van een uitspraak over de betrokken vragen, en dit zelfs in het onwaarschijnlijke geval dat het beroep te laat is ingesteld.
Voorts ziet rekwirante af van het middel ontleend aan schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen en vraagt zij om herziening van de beslissing over de kosten van het geding, die op grond van de artikelen 87 en 88 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht van eerste aanleg volledig hadden moeten worden vergoed. Ook merkt zij op dat het feit dat het Gerecht over het geding ten gronde heeft beslist de erkenning vormt dat het beroep ontvankelijk is, hetgeen in dit stadium niet meer in geding kan worden gebracht.
Zij concludeert derhalve dat het het Hof behaagt, na de rechtsbeginselen te hebben geformuleerd dat de GND en de Commissie gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst die vergelijkbaar is met die van de tijdelijke functionarissen en dat de aan die GND betaalde vergoedingen het karakter van een bezoldiging hebben, te verklaren dat op grond van het gemeenschapsrecht voor gelijke arbeidsprestaties dezelfde bezoldiging moet worden betaald en dat in elk geval de betaling aan gehuwden van eventuele andere vergoedingen dan die welke aan niet-gehuwde of met een partner samenwonende personen worden betaald, leidt tot discriminatie van het lid van het wettelijke gezin, of, subsidiair, dat rekwirante met ingang van de datum van haar feitelijke scheiding of de neerlegging van het echtscheidingsconvenant bij de rechtbank te Brussel volledig recht heeft op de in artikel 17 van het GND-besluit bedoelde vergoedingen.
(1) Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180, blz. 22).
(2) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, p. 16).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/17 |
Hogere voorziening ingesteld op 17 november 2008 door Prana Haus GmbH tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Achtste kamer) van 17 september 2008 in zaak T-226/07, Prana Haus GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-494/08 P)
(2009/C 32/26)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Prana Haus GmbH (vertegenwoordiger: N. Hebeis, Rechtsanwalt)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
|
— |
het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (Achtste kamer) van 17 september 2008 in zaak T-226/07 [Prana Haus GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)] vernietigen. |
|
— |
het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het geding heeft betrekking op de vraag of het begrip „PRANAHAUS” als merk kan worden beschermd voor de waren „allerlei bespeelde beeld- en geluidsdragers; drukwerken” en voor „detailhandel […] in producten voor dagelijks gebruik […]”. Het Gerecht van eerste aanleg was van oordeel dat „PRANAHAUS” een aanduiding is die bovengenoemde waren en diensten rechtstreeks en concreet aanduidt.
In hogere voorziening voert rekwirante schending van de absolute weigeringsgrond inzake beschrijvende aanduidingen aan overeenkomstig artikel 7, lid 1, sub c, van verordening nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk.
Volgens rekwirante heeft het Gerecht het rechtsbegrip „tot aanduiding” in artikel 7, lid 1, sub c, te ruim uitgelegd, in strijd met de bewoordingen van de bepaling en de rechtspraak van het Hof van Justitie. Verder is het onderzoek, of de aanduiding „PRANAHAUS” met bovengenoemde waren of diensten een voldoende rechtstreeks en concreet verband heeft waardoor het relevante publiek hierin „onmiddellijk en zonder verder nadenken” een „aanduiding” van deze waren of diensten ziet in de zin van artikel 7, lid 1, sub c, onjuist verricht. Het Gerecht is daarbij voorbijgegaan aan het feit dat meerdere ingewikkelde denkstappen nodig zijn om in het begrip „PRANAHAUS” ook zelfs maar een verborgen betekenis te zien. In dit verband heeft het Gerecht evenmin rekening gehouden met feiten die relevant waren voor de beslissing, en aldus de feitelijke grondslag verdraaid. Het Gerecht heeft bovendien nagelaten te motiveren in welke mate het begrip „PRANAHAUS” beschrijvend is voor de concrete waren en diensten. Tevens heeft het Gerecht in strijd met de rechtspraak van het Hof van Justitie aangenomen dat het noodzakelijk is dat de aanduiding „PRANAHAUS” beschikbaar blijft voor concurrenten.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/17 |
Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
(Zaak C-495/08)
(2009/C 32/27)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: P. Oliver en J.-B. Laignelot, gemachtigden)
Verwerende partij: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
Conclusies
|
1. |
vaststellen dat het Verenigd Koninkrijk, door niet te bepalen dat individuele beslissingen om geen milieueffectbeoordeling te verrichten als bedoeld in artikel 4, lid 2, van richtlijn 85/337/EEG (1), zoals gewijzigd, voldoende gemotiveerd moeten zijn, en door de aanvragen voor een herziening van de delfstoffenplanning die vóór 15 november 2000 in Wales zijn ingediend, niet te onderwerpen aan de vereisten van deze richtlijn, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. |
|
2. |
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Volgens de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk is een motivering slechts vereist wanneer een milieueffectbeoordeling (MEB) noodzakelijk wordt geacht. Indien de relevante voor ruimtelijke ordening bevoegde instantie of de Secretary of State om welke reden ook tot de conclusie komen dat geen MEB noodzakelijk is, vereist de regeling niet dat die conclusie wordt gemotiveerd. De Commissie betoogt dat individuele beslissingen van de lidstaten om geen MEB te verrichten als bedoeld in artikel 4, leden 2 tot en met 4, van de richtlijn, voldoende moeten worden gemotiveerd.
Voorts heeft het Verenigd Koninkrijk geen wetgeving vastgesteld in Wales die aanvragen voor een herziening van de delfstoffenplanning (Review of Mineral Planning; ROMP) aan de vereisten van de richtlijn zou onderwerpen.
(1) Richtlijn van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/18 |
Beroep ingesteld op 20 november 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Malta
(Zaak C-508/08)
(2009/C 32/28)
Procestaal: Maltees
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Aquilina en K. Simonsson, gemachtigden)
Verwerende partij: Republiek Malta
Conclusies
|
— |
vaststellen dat de Republiek Malta, door op 16 april 2004 zonder voorafgaande aanbesteding een exclusief openbare-dienstcontract te sluiten met „Gozo Channel Company Ltd” (GCCL), de verplichtingen niet is nagekomen die in het bijzonder krachtens de artikelen 1 en 4 van verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) (1) op haar rusten; |
|
— |
de Republiek Malta verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Om een openbare-dienstcontract voor cabotagediensten tussen Malta en Gozo te kunnen sluiten, moeten de Maltese autoriteiten aantonen dat een dergelijk contract noodzakelijk is om de openbaredienstverplichtingen te kunnen opleggen die zij nodig achten voor een passende dienst op voormelde route, en dat het contract geschikt is in het kader van de doelstellingen ervan.
Hoewel de Commissie het belang van een bevredigende dienst op de route tussen Malta en Gozo zonder aarzeling erkent, stelt zij dat de Maltese autoriteiten dit bewijs geenszins hebben geleverd; zij hebben zelfs niet eens geprobeerd aan te tonen of een of meer particuliere marktdeelnemers deze dienst op dezelfde voorwaarden op zuiver commerciële basis konden verrichten. Bovendien hebben zij niet aangetoond dat de aan GCCL verleende exclusiviteit geschikt en adequaat is om dit doel te bereiken.
De sluiting van dit contract zonder voorafgaande openbare aanbesteding op gemeenschapsniveau zodat alle gemeenschapsreders gelijke toegang hebben, is bovendien in strijd met de vereisten van verordening nr. 3577/92.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/18 |
Beroep ingesteld op 21 november 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Groothertogdom Luxemburg
(Zaak C-509/08)
(2009/C 32/29)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Sénéchal en I. Hadjiyiannis, gemachtigden)
Verwerende partij: het Groothertogdom Luxemburg
Conclusies
|
— |
vaststellen dat het Groothertogdom Luxemburg, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2004/108/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 15 december 2004, betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit en tot intrekking van richtlijn 89/336/EEG (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
het Groothertogdom Luxemburg verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van richtlijn 2004/108/EG in nationaal recht is op 20 oktober 2007 verstreken. Op het tijdstip waarop het onderhavige beroep werd ingesteld had verweerster evenwel nog niet alle maatregelen getroffen die noodzakelijk zijn om de richtlijn om te zetten in nationaal recht, of had zij deze hoe dan ook niet meegedeeld aan de Commissie.
(1) PB L 390, blz. 24.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/19 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 25 november 2008 — Verbraucherzentrale Nordrhein-Westfalen e.V./Handelsgesellschaft Heinrich Heine GmbH
(Zaak C-511/08)
(2009/C 32/30)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Verbraucherzentrale Nordrhein-Westfalen eV
Verwerende partij: Handelsgesellschaft Heinrich Heine GmbH
Prejudiciële vraag
Moet artikel 6, lid 1, tweede zin, en lid 2, van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (1) aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling volgens welke de kosten voor het toezenden van de goederen ook dan aan de consument kunnen worden aangerekend wanneer deze de overeenkomst heeft herroepen?
(1) PB L 144, blz. 19.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/19 |
Hogere voorziening ingesteld op 26 november 2008 door Luigi Marcuccio tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 9 september 2008 in zaak T-143/08, Marcuccio/Commissie
(Zaak C-513/08 P)
(2009/C 32/31)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirant: Luigi Marcuccio (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)
Andere partij bij de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
1. In elk geval:
en voorts: |
|
— |
2/A primair: (2/A.l) het litigieuze besluit nietig verklaren; (2/A.2) voor zover nodig, punt 58 nietig verklaren; (2/A.3) voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht nietig verklaren; (2/A.4) de verwerende partij veroordelen tot betaling aan rekwirant van het bedrag van 324,09 EUR (zegge driehonderd vierentwintig euro en negen cent) dan wel van elk hoger of lager bedrag dat het Hof gerechtvaardigd en billijk acht; (2/A.5) voor zover nodig, de verwerende partij veroordelen tot betaling aan rekwirant, overeenkomstig de op de onderhavige zaak toepasselijke bepalingen, van het deel van de kosten van het medisch onderzoek van 28 september 2005 dat hem nog verschuldigd is en nog niet is vergoed; (2/A.6) de verwerende partij veroordelen tot betaling aan rekwirant van vertragingsrente over de in de punten 2/A.4 en 2/A.5 van deze hogere voorziening genoemde bedragen, waarbij het tijdstip van de aanvang en het einde van deze rente wordt bepaald op grond van de inhoud van het dossier in deze zaak; (2/A.7) de verwerende partij verwijzen in alle kosten van de procedure; dan wel, |
|
— |
2/B. subsidiair, de zaak terugverwijzen naar het Gerecht voor een nieuwe uitspraak. |
Middelen en voornaamste argumenten
|
1. |
Vervalsing en verdraaiing van de feiten alsmede van rekwirants stellingen in zijn schriftelijke opmerkingen, mede als gevolg van een inhoudelijke onjuistheid van de vaststellingen van het Gerecht (met name de punten 36, 38, 39 en 41 van de bestreden beschikking). |
|
2. |
Verkeerde uitlegging en toepassing van het begrip voor beroep vatbare handeling, mede wegens verwarring, ondoelmatigheid, onlogica, schending van artikel 231 EG-Verdrag en miskenning van de rechtspraak betreffende de gevolgen van de nietigverklaring door de gemeenschapsrechter van een besluit van een gemeenschapsorgaan, schending van het beginsel van het gezag van gewijsde, schending van het beginsel van scheiding der machten (met name de punten 39 en 41 van de bestreden beschikking). |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/20 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen (België) op 26 november 2008 — Atenor Group SA/Belgische Staat — FOD Financiën
(Zaak C-514/08)
(2009/C 32/32)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Rechtbank van eerste aanleg te Namen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Atenor Group SA
Verwerende partij: Belgische Staat — FOD Financiën
Prejudiciële vraag
Verzet artikel 4, eerste streepje, van richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (1), zich tegen een nationale regelgeving die de aftrekbaarheid van als definitief belaste inkomsten ontvangen dividenden beperkt tot de bij de moedermaatschappij belastbare winst?
(1) PB L 225, blz. 6.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/20 |
Beroep ingesteld op 25 november 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Republiek Polen
(Zaak C-516/08)
(2009/C 32/33)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Kaduczak en P. Dejmek, gemachtigden)
Verwerende partij: Republiek Polen
Conclusies
|
— |
vaststellen dat de Republiek Polen, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/70/EG van de Commissie van 1 augustus 2006 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de definitie van politiek prominente personen en wat betreft de technische criteria voor vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures en voor vrijstellingen op grond van occasionele of zeer beperkte financiële activiteiten (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
de Republiek Polen verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van richtlijn 2006/70/EG in nationaal recht is op 15 december 2007 verstreken.
(1) PB L 214 van 4.8.2006, blz. 29.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/20 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal de grande instance de Paris (Frankrijk) op 27 november 2008 — Fundació Gala-Salvador Dalí, Visual Entidad de Gestión de Artistas Plásticos/Société des Auteurs dans les arts graphiques et plastiques, Juan-Leonardo Bonet Domenech, Eulalia-María Bas Dalí, María Del Carmen Domenech Biosca, Antonio Domenech Biosca, Ana-María Busquets Bonet, Mónica Busquets Bonet
(Zaak C-518/08)
(2009/C 32/34)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Tribunal de grande instance de Paris
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Fundació Gala-Salvador Dalí, Visual Entidad de Gestión de Artistas Plásticos
Verwerende partijen: Société des Auteurs dans les arts graphiques et plastiques, Juan-Leonardo Bonet Domenech, Eulalia-María Bas Dalí, María Del Carmen Domenech Biosca, Antonio Domenech Biosca, Ana-María Busquets Bonet, Mónica Busquets Bonet
Prejudiciële vragen
|
1) |
Kan Frankrijk na de vaststelling van richtlijn [2001/84/EG] van 27 september 2001 (1) een volgrecht in stand houden voor erfgenamen met uitsluiting van legatarissen en rechtsopvolgers? |
|
2) |
Staan de overgangsbepalingen van artikel 8, leden 2 en 3, van richtlijn [2001/84/EG] van 27 september 2001 Frankrijk toe om een afwijkende regeling te hebben? |
(1) Richtlijn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelijk kunstwerk (PB L 272, blz. 32).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/21 |
Beroep ingesteld op 27 november 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Ierland
(Zaak C-521/08)
(2009/C 32/35)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: H. Støvlbæk en A. A. Gilly, gemachtigden)
Verwerende partij: Ierland
Conclusies
|
— |
vaststellen dat Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens de richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
Ierland verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 20 oktober 2007 verstreken.
(1) PB L 255, blz. 22.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/21 |
Hogere voorziening ingesteld op 28 november 2008 door Luigi Marcuccio tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 9 september 2008 in zaak T-144/08, Marcuccio/Commissie
(Zaak C-528/08 P)
(2009/C 32/36)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirant: Luigi Marcuccio (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)
Andere partij bij de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
1. In elk geval:
en voorts: |
|
— |
2/A primair: (2/A.l) het litigieuze besluit nietig verklaren; (2/A.2) voor zover nodig, de vergoedingsafrekening van 18 juli 2005 nietig verklaren (hierna: „vergoedingsafrekening van 18 juli 2005”); (2/A.3) voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van de klacht nietig verklaren; (2/A.4) de verwerende partij veroordelen tot betaling aan rekwirant, als aanvulling van de vergoeding tot 100 %, dat wil zeggen met het oog op 100 % vergoeding van de betrokken medische kosten, dan wel ter vergoeding van de schade die uit het onrechtmatig gedrag van de verwerende partij is voortgevloeid, van het bedrag van 89,56 EUR (zegge negenentachtig euro en zesenvijftig cent) dan welk van elk hoger of lager bedrag dat het Hof gerechtvaardigd en billijk acht; (2/A.5) de verwerende partij veroordelen tot betaling aan rekwirant van vertragingsrente over de in 2.A.4 genoemde bedragen, waarbij het tijdstip van de aanvang en het einde van de rente wordt bepaald op grond van de inhoud van het dossier in deze zaak; (2/A.6) de verwerende partij verwijzen in alle kosten; dan wel |
|
— |
2/B. subsidiair, de zaak voor een beslissing terugverwijzen naar het Gerecht. |
Middelen en voornaamste argumenten
|
1. |
Vervalsing en verdraaiing van de feiten alsmede van rekwirants stellingen in zijn schriftelijke opmerkingen, mede als gevolg van een inhoudelijke onjuistheid van de vaststellingen van het Gerecht (met name de punten 29, 31, 34 en 38 van de bestreden beschikking). |
|
2. |
Verkeerde uitlegging en toepassing van het begrip voor beroep vatbare handeling, mede wegens verwarring, ondoelmatigheid, onlogica, schending van artikel 231 EG-Verdrag en miskenning van de rechtspraak betreffende de gevolgen van de nietigverklaring door de gemeenschapsrechter van een besluit van een gemeenschapsorgaan, schending van het beginsel van het gezag van gewijsde, schending van het beginsel van scheiding der machten (met name de punten 32 en 34 van de bestreden beschikking). |
|
3. |
Onjuiste uitlegging en toepassing van de artikelen 90 en 91 van het Statuut en van het begrip besluit van een gemeenschapsorgaan. |
|
4. |
Schending van het beginsel van de bij de wet aangewezen rechter en dermate ernstige procedurefouten dat met name rekwirants rechten van verdediging en zijn recht op een eerlijke procedure zijn geschonden. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/22 |
Beroep ingesteld op 2 december 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Ierland
(Zaak C-532/08)
(2009/C 32/37)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: P. Dejmek en A.A. Gilly, gemachtigden)
Verwerende partij: Ierland
Conclusies
|
— |
vast te stellen dat Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2005/60/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
Ierland te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 15 december 2007 verstreken.
(1) PB L 309, blz. 15.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/22 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per la Sicilia (Italië) op 3 december 2008 — Maria Catena Rita Pignataro/Ufficio Centrale Circoscrizionale c/o Tribunale di Catania e.a.
(Zaak C-535/08)
(2009/C 32/38)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale Amministrativo Regionale per la Sicilia
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Maria Catena Rita Pignataro
Verwerende partij: Ufficio Centrale Circoscrizionale c/o Tribunale di Catania e.a.
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moeten de artikelen 6 EU, artikel 3 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden, ten uitvoer gelegd bij wet nr. 848 van 1955, artikel 2 van het vierde protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden, en artikel 25 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten, ten uitvoer gelegd bij wet nr. 881 van 1977, aldus worden uitgelegd dat daarmee niet verenigbaar zijn de nationale bepalingen neergelegd in de artikelen 1 quater, 14 bis, punt 13, sub c, 15, lid 3, sub d, 16 bis, punt 7, sub a, en 17 ter, punt 4, sub b en c, van Legge Regionale nr. 29 van 1951, die onderdanen die geen ingezetene van Sicilië zijn uitsluiten van het passieve kiesrecht voor de verkiezingen van de leden van de Assemblea Regionale Siciliana? |
|
2) |
Moeten de artikelen 17 EG en 18 EG (ex artikel 8 A EG-Verdrag) aldus worden uitgelegd dat daarmee niet verenigbaar is de regionale wetgeving vermeld in de eerste vraag? |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/22 |
Beroep ingesteld op 9 december 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Zweden
(Zaak C-546/08)
(2009/C 32/39)
Procestaal: Zweeds
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: P. Dejmek en M. Sundén, gemachtigden)
Verwerende partij: Koninkrijk Zweden
Conclusies
|
— |
vaststellen dat het Koninkrijk Zweden, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 (1) tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
het Koninkrijk Zweden verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 15 december 2007 verstreken.
(1) PB L 309, blz. 15.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/23 |
Beroep ingesteld op 9 december 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Zweden
(Zaak C-547/08)
(2009/C 32/40)
Procestaal: Zweeds
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: P. Dejmek en M. Sundén, gemachtigden)
Verwerende partij: Koninkrijk Zweden
Conclusies
|
— |
vaststellen dat het Koninkrijk Zweden, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2006/70/EG (1) van de Commissie van 1 augustus 2006 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen van richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de definitie van politiek prominente personen en wat betreft de technische criteria voor vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures en voor vrijstellingen op grond van occasionele of zeer beperkte financiële activiteiten, althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
het Koninkrijk Zweden verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 15 december 2007 verstreken.
(1) PB L 214, blz. 29.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/23 |
Beroep ingesteld op 9 december 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Zweden
(Zaak C-548/08)
(2009/C 32/41)
Procestaal: Zweeds
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: H. Støvlbæk en U. Jonsson, gemachtigden)
Verwerende partij: Koninkrijk Zweden
Conclusies
|
— |
vaststellen dat het Koninkrijk Zweden, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
het Koninkrijk Zweden verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 20 oktober 2007 verstreken.
(1) PB L 255, blz. 22.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/23 |
Beroep ingesteld op 16 december 2008 — Commissie van de Europese Gemeenschappen/Koninkrijk Zweden
(Zaak C-555/08)
(2009/C 32/42)
Procestaal: Zweeds
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: P. Dejmek en K. Nyberg, gemachtigden)
Verwerende partij: Koninkrijk Zweden
Conclusies
|
— |
vaststellen dat het Koninkrijk Zweden, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2005/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen (1), wat betreft financiële ondernemingen die een overheidsvergunning behoeven, in het bijzonder banken en verzekeringsmaatschappijen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
het Koninkrijk Zweden verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 15 december 2007 verstreken.
(1) PB L 310, blz. 1.
Gerecht van eerste aanleg
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/24 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 december 2008 — Nardone/Commissie
(Zaak T-57/99) (1)
(„Openbare dienst - Ambtenaren - Beroep tot schadevergoeding - Beroepsziekte - Blootstelling aan asbest en aan andere stoffen’)
(2009/C 32/43)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Albert Nardone (Piétrain, België) (vertegenwoordigers: aanvankelijk G. Vandersanden en L. Levi, vervolgens L. Levi, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Currall, gemachtigde, bijgestaan door J.L. Fagnart, advocaat)
Voorwerp
Vordering tot vergoeding van de schade die verzoeker zou hebben geleden door het verwijtbaar gedrag van de Commissie, die hem heeft blootgesteld aan een stoffige en met asbest besmette omgeving
Dictum
|
1) |
De Commissie wordt veroordeeld tot betaling aan Nardone van een vergoeding van 66 000 EUR. |
|
2) |
Het beroep wordt voor het overige verworpen. |
|
3) |
Elke partij zal de eigen kosten dragen. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/24 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 december 2008 — Kronoply en Kronotex/Commissie
(Zaak T-388/02) (1)
(„Staatssteun - Besluit van Commissie om geen bezwaar te maken - Beroep tot nietigverklaring - Beroepstermijn - Bekendmaking van beknopte mededeling - Geen merkbare aantasting van de mededingingspositie - Niet-ontvankelijkheid - Hoedanigheid van belanghebbende - Ontvankelijkheid - Niet inleiden van formele onderzoeksprocedure - Geen ernstige moeilijkheden’)
(2009/C 32/44)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Kronoply GmbH & Co. KG (Heiligengrabe, Duitsland); en Kronotex GmbH & Co. KG (Heiligengrabe) (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Nierer, vervolgens R. Nierer en L. Gordalla, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: V. Kreuschitz en M. Niejahr, vervolgens V. Kreuschitz, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Zellstoff Stendal GmbH (Arneburg, Duitsland) (vertegenwoordigers: T. Müller-Ibold en K. U. Karl, vervolgens T. Müller-Ibold, advocaten); Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: W. D. Plessing en M. Lumma, gemachtigden); en Land Sachsen-Anhalt (Duitsland) (vertegenwoordigers: C. von Donat en G. Quardt, advocaten)
Voorwerp
Nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 19 juni 2002 om geen bezwaar te maken met betrekking tot de steun die door de Duitse autoriteiten is toegekend aan Zellstoff Stendal voor de bouw van een pulpfabriek.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Kronoply GmbH & Co. KG en Kronotex GmbH & Co. KG dragen hun eigen kosten, alsmede die van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, Zellstoff Stendal GmbH en het Land Sachsen-Anhalt. |
|
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland zal haar eigen kosten dragen. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/25 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 17 december 2008 — Ryanair/Commissie
(Zaak T-196/04) (1)
(„Staatssteun - Overeenkomsten tussen Waals Gewest en Brussels South Charleroi Airport enerzijds en luchtvaartmaatschappij Ryanair anderzijds - Bestaan van economisch voordeel - Toepassing van criterium van particuliere investeerder in markteconomie’)
(2009/C 32/45)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ryanair (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Gleeson, A. Collins, SC, V. Power en D. McCann, solicitors, vervolgens Power en McCann, solicitors, J. Swift, QC, J. Holmes, barrister, en G. Berrisch, avocat)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: N. Kahn, gemachtigde)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Association of European Airlines (AEA) (vertegenwoordigers: S. Völcker, F. Louis en J. Heithecker, avocats)
Voorwerp
Nietigverklaring van beschikking 2004/393/EG van de Commissie van 12 februari 2004 betreffende de voordelen die het Waalse Gewest en Brussels South Charleroi Airport aan de luchtvaartmaatschappij Ryanair hebben verleend bij haar vestiging in Charleroi (PB L 137, blz. 1)
Dictum
|
1) |
Beschikking 2004/393/EG van de Commissie van 12 februari 2004 betreffende de voordelen die het Waals Gewest en Brussels South Charleroi Airport hebben verleend aan de luchtvaartmaatschappij Ryanair bij haar vestiging in Charleroi, wordt nietig verklaard. |
|
2) |
De Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van Ryanair Ltd. |
|
3) |
De Association of European Airlines (AEA) draagt haar eigen kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/25 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 17 december 2008 — HEG en Graphite India/Raad
(Zaak T-462/04) (1)
(Gemeenschappelijke handelspolitiek - Antidumpingrechten - Compenserende rechten - Invoer van grafietelektrodesystemen uit India - Rechten van verdediging - Gelijke behandeling - Vaststelling van schade - Causaal verband)
(2009/C 32/46)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: HEG Ltd (New Delhi, India) en Graphite India Ltd (Kolkata, India) (vertegenwoordigers: aanvankelijk K. Adamantopoulos, advocaat, en J. Branton, solicitor, vervolgens J. Branton)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J.-P. Hix, gemachtigde, bijgestaan door G. Berrisch, advocaat)
Interveniënte aan de zijde van verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: T. Scharf en K. Talabér-Ritz, gemachtigden)
Voorwerp
Nietigverklaring van verordening (EG) nr. 1628/2004 van de Raad van 13 september 2004 tot instelling van een definitief compenserend recht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op grafietelektrodesystemen uit India (PB L 295, blz. 4) en van verordening (EG) nr. 1629/2004 van de Raad van 13 september 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op grafietelektrodesystemen uit India (PB L 295, blz. 10).
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
HEG Ltd en Graphite India Ltd zullen hun eigen kosten alsmede die van de Raad dragen. |
|
3) |
De Commissie zal haar eigen kosten dragen. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/26 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 december 2008 — JTEKT/BHIM (IFS)
(Zaak T-462/05) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk IFS - Absolute weigeringsgronden - Geen beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 40/94’)
(2009/C 32/47)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: JTEKT Corp., voorheen Toyoda Koki Kabushiki Kaisha (Aichi-ken, Japan) (vertegenwoordigers: aanvankelijk J. Wachinger en M. Zöbisch, vervolgens M. De Zorti, M. Koch en T. Grimm, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 14 september 2005 (zaak R 1157/2004-1) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken IFS als gemeenschapsmerk
Dictum
|
1) |
De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 14 september 2005 (zaak R 1157/2004-1) wordt vernietigd. |
|
2) |
Het BHIM zal zijn eigen kosten dragen alsmede die van JTEKT Corp. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/26 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 11 december 2008 — Tomorrow Focus/BHIM — Information Builders (Tomorrow Focus)
(Zaak T-90/06) (1)
(Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Tomorrow Focus - Ouder gemeenschapsbeeldmerk FOCUS - Gevaar voor verwarring - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94)
(2009/C 32/48)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Tomorrow Focus AG (München, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk U. Gürtler, vervolgens J. Berlinger, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: G. Schneider, vervolgens G. Schneider en S. Schäffner, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Information Builders (Netherlands) BV (Amstelveen, Nederland)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 17 januari 2006 (zaak R 116/2005-1) betreffende een oppositieprocedure tussen Information Builders (Netherlands) BV en Tomorrow Focus AG.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen |
|
2) |
Tomorrow Focus AG wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/27 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 16 december 2008 — Budějovický Budvar/BHIM — Anheuser-Busch (BUD)
(Gevoegde zaken T-225/06, T-255/06, T-257/06 en T-309/06) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvragen voor gemeenschapswoord- en beeldmerk BUD - Benamingen „bud’ - Relatieve weigeringsgronden - Artikel 8, lid 4, van verordening (EG) nr. 40/94’)
(2009/C 32/49)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Budějovický Budvar, národní podnik (Česke Budějovice, Tsjechische Republiek) (vertegenwoordigers: F. Fajgenbaum en C. Petsch, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Anheuser-Busch, Inc. (Saint Louis, Missouri, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: aanvankelijk V. von Bomhard, A. Renck, B. Goebel en A. Pohlmann, vervolgens von Bomhard, Renck en Goebel, advocaten)
Voorwerp
Beroepen tegen de beslissingen van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 14 juni (zaak R 234/2005-2), 28 juni (zaken R 241/2005-2 en R 802/2004-2) en 1 september 2006 (zaak R 305/2005-2) inzake oppositieprocedures tussen Budějovický Budvar národní podnik en Anheuser-Busch, Inc.
Dictum
|
1) |
De zaken T-225/06, T-255/06, T-257/06 en T-309/06 worden gevoegd voor het arrest. |
|
2) |
De beslissingen van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 14 juni (zaak R 234/2005-2), 28 juni (zaken R 241/2005-2 en R 802/2004-2) en 1 september 2006 (zaak R 305/2005-2) inzake oppositieprocedures tussen Budějovický Budvar, národní podnik en Anheuser-Busch, Inc., worden vernietigd. |
|
3) |
Het BHIM wordt, behalve in zijn eigen kosten, verwezen in twee derde van de kosten van Budějovický Budvar, národní podnik. |
|
4) |
Anheuser-Busch wordt, behalve in haar eigen kosten, verwezen in een derde van de kosten van Budějovický Budvar, národní podnik. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/27 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 december 2008 — Giorgio Beverly Hills/BHIM — WHG (GIORGIO BEVERLY HILLS)
(Zaak T-228/06) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk GIORGIO BEVERLY HILLS - Ouder nationaal woordmerk GIORGIO - Relatieve weigeringsgrond - Ontbreken van verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94’)
(2009/C 32/50)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Giorgio Beverly Hills, Inc (Cincinnati, Ohio, Verenigde Staten van Amerika) (vertegenwoordigers: aanvankelijk M. Schaeffer, vervolgens K. Sandberg, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: S. Laitinen en G. Schneider, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: WHG Westdeutsche Handelsgesellschaft mbH (Hagen, Duitsland) (vertegenwoordiger: H. Prange, advocaat)
Voorwerp
Hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 21 juni 2006 (gevoegde zaken R 107/2005-2 en R 187/2005-2) inzake een oppositieprocedure tussen WHG Westdeutsche Handelsgesellschaft mbH en Giorgio Beverly Hills, Inc.
Dictum
|
1) |
De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 21 juni 2006 (gevoegde zaken R 107/2005-2 en R 187/2005-2) wordt vernietigd, voor zover hierbij het beroep in zaak R 187/2005-2 werd verworpen. |
|
2) |
Het BHIM draagt zijn eigen kosten, alsook de in de loop van de procedure voor het Gerecht door Giorgio Beverly Hills, Inc gemaakte kosten. |
|
3) |
WHG Westdeutsche Handelsgesellschaft mbH draagt haar eigen kosten, alsook de voor de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM door Giorgio Beverly Hills gemaakte kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/28 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 16 december 2008 — Torres/BHIM — Navisa Industrial Vinícola Española (MANSO DE VELASCO)
(Zaak T-259/06) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk MANSO DE VELASCO - Ouder nationaal woordmerk VELASCO - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94’)
(2009/C 32/51)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Miguel Torres, SA (Vilafranca del Penedés, Spanje) (vertegenwoordigers: E. Armijo Chávarri en A. Castán Pérez-Gómez, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Laporta Insa, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Navisa Industrial Vinícola Española, SA (Montilla, Spanje)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 29 juni 2006 (zaak R 865/2005-1) inzake een oppositieprocedure tussen Navisa Industrial Vinícola Española, SA en Miguel Torres, SA
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Miguel Torres, SA wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/28 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 11 december 2008 — Griekenland/Commissie
(Zaak T-339/06) (1)
(„Landbouw - Gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt - Steun aan herstructurering en omschakeling van wijngaarden - Verordening (EG) nr. 1493/1999 - Vaststelling van definitieve financiële toewijzingen aan lidstaten - Beschikking 2006/669/EG - Dwingende termijn van artikel 16, lid 1, van verordening (EG) nr. 1227/2000 - Beginselen van loyale samenwerking, goede trouw en behoorlijk bestuur, van evenredigheid en van nuttige werking’)
(2009/C 32/52)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: I. Chalkias en S. Papaioannou, gemachtigden)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: H. Tserepa-Lacombe, M. Konstantinidis en F. Jimeno Fernández, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tot nietigverklaring van beschikking 2006/669/EG van de Commissie van 4 oktober 2006 tot vaststelling, voor het begrotingsjaar 2006, van de definitieve financiële toewijzingen per lidstaat, voor een bepaald aantal hectaren, voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden overeenkomstig verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad (PB L 275, blz. 62)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/29 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 december 2008 — Bateaux Mouches/BHIM — Castanet (BATEAUX MOUCHES)
(Zaak T-365/06) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Gemeenschapswoordmerk BATEAUX MOUCHES - Absolute weigeringsgronden - Ontbreken van onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, sub b, en artikel 51, lid 1, van verordening (EG) nr. 40/94 - Ontbreken van onderscheidend vermogen verkregen door gebruik - Artikel 7, lid 3, en artikel 51, lid 2, van verordening nr. 40/94’)
(2009/C 32/53)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Compagnie des bateaux mouches SA (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordiger: D. de Leusse, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Jean-Noël Castanet (München, Duitsland) (vertegenwoordiger: J. Sulzer, advocaat)
Voorwerp
Beroep ingesteld tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 7 september 2006 (zaak R 1172/2005-1) inzake een nietigheidsprocedure tussen Jean-Noël Castanet en Compagnie des bateaux mouches SA.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Compagnie des bateaux mouches SA wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/29 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 december 2008 — Vitro Corporativo/BHIM — VKR Holding (Vitro)
(Zaak T-412/06) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Vitro - Ouder gemeenschapswoordmerk VITRAL - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94’)
(2009/C 32/54)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Vitro Corporativo, SA de CV (Garza García, Nuevo Léon, Mexico) (vertegenwoordiger: J. Botella Reyna, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Laporta Insa, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: VKR Holding A/S (Søborg, Denemarken)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 13 oktober 2006 (zaak R 1364/2005-2) inzake een oppositieprocedure tussen VKR Holding A/S en Vitro Corporativo, SA de CV
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Vitro Corporativo, SA de CV wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/30 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 16 december 2008 — Deichmann Schuhe/BHIM — Design for Woman (DEITECH)
(Zaak T-86/07) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk DEITECH - Vroegere nationale en internationale beeldmerken DEI-tex - Relatieve weigeringsgrond - Normaal gebruik van vroeger merk - Artikel 43, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 40/94’)
(2009/C 32/55)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Heinrich Deichmann-Schuhe GmbH & Co. KG (Essen, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk O. Rauscher, vervolgens O. Rauscher en A. Schulz, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: R. Pethke, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Design for Woman SA (Bogota, Colombia)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 22 januari 2007 (zaak R 791/2006-2) inzake een oppositieprocedure tussen Heinrich Deichmann-Schuhe GmbH & Co. KG en Design for Woman SA
Dictum
|
1) |
De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 22 januari 2007 (zaak R 791/2006-2) wordt gedeeltelijk vernietigd voor zover hierin wordt gesteld dat het normaal gebruik van de vroegere merken niet werd aangetoond wat betreft „schoenen” van klasse 25, waarnaar wordt verwezen in de aanvraag voor gemeenschapsmerk. |
|
2) |
Het beroep wordt voor het overige verworpen. |
|
3) |
Het BHIM wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/30 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 december 2008 — Dada/BHIM — Dada (DADA)
(Zaak T-101/07) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk DADA - Ouder nationaal woordmerk DADA - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 - Normaal gebruik van ouder merk - Artikel 43, leden 2 en 3, van verordening nr. 40/94’)
(2009/C 32/56)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Dada SpA (Firenze, Italië) (vertegenwoordigers: D. Caneva en G. Locurto, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Sempio, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Dada Srl (Udine, Italië) (vertegenwoordigers: M. Cartella en M. Fazzini, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 12 januari 2007 (zaak R 1342/2005-1) inzake een oppositieprocedure tussen Dada Srl en Dada SpA
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Dada SpA wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/31 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 9 december 2008 — Colgate-Palmolive/BHIM — CMS Hasche Sigle (VISIBLE WHITE)
(Zaak T-136/07) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Nietigheidsprocedure - Gemeenschapswoordmerk VISIBLE WHITE - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 40/94’)
(2009/C 32/57)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Colgate-Palmolive Co. (New York, New York, Verenigde Staten van Amerika) (vertegenwoordigers: M. Zintler, H. Harmeling en K.U. Plath, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: CMS Hasche Sigle (Keulen, Duitsland)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 15 februari 2007 (zaak R 165/2005-4) inzake een nietigheidsprocedure tussen CMS Hasche Sigle en Colgate-Palmolive Co.
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Colgate-Palmolive Co. wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/31 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 december 2008 — MIP Metro/BHIM — Metronia (METRONIA)
(Zaak T-290/07) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk METRONIA - Ouder nationaal beeldmerk METRO - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94’)
(2009/C 32/58)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: MIP Metro Group Intellectual Property GmbH & Co. KG (Düsseldorf, Duitsland) (vertegenwoordiger: J.-C. Plate, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Metronia, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: J. Riera Blanco, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 29 mei 2007 (zaak R 1315/2006-2) inzake een oppositieprocedure tussen MIP Metro Group Intellectual Property GmbH & Co. KG en Metronia, SA
Dictum
|
1) |
De beslissing van de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 29 mei 2007 (zaak R 1315/2006-2) wordt vernietigd. |
|
2) |
Het BHIM zal zijn eigen kosten dragen alsmede die van MIP Metro Group Intellectual Property GmbH & Co. KG. |
|
3) |
Metronia, SA zal haar eigen kosten dragen. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/32 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 10 december 2008 — Vitro Corporativo/BHIM — VKR Holding (Vitro)
(Zaak T-295/07) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk Vitro - Ouder gemeenschapswoordmerk VITRAL - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94’)
(2009/C 32/59)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Vitro Corporativo, SA de CV (Garza García, Nuevo Léon, Mexico) (vertegenwoordiger: J. Botella Reyna, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Laporta Insa, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: VKR Holding A/S (Søborg, Denemarken)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 31 mei 2007 (zaak R 1640/2006-2) inzake een oppositieprocedure tussen VKR Holding A/S en Vitro Corporativo, SA de CV
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Vitro Corporativo, SA de CV wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/32 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 16 december 2008 — Mergel e.a./BHIM (Patentconsult)
(Zaak T-335/07) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Patentconsult - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 40/94’)
(2009/C 32/60)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Volker Mergel (Wiesbaden, Duitsland); Klaus Kampfenkel (Hofheim, Duitsland); Burkart Bill (Darmstadt, Duitsland); en Andreas Herden (Wiesbaden, Duitsland) (vertegenwoordiger: G. Friderichs, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: S. Schäffner en G. Schneider, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 25 juni 2007 (zaak R 299/2007-4) inzake de inschrijving van het woordteken „Patentconsult” als gemeenschapsmerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Volker Mergel, Klaus Kampfenkel, Burkart Bill en Andreas Herden worden verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/32 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 17 december 2008 — Somm/BHIM (Zonwerend afdak)
(Zaak T-351/07) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor driedimensionaal gemeenschapsmerk - Zonwerend afdak - Absolute weigeringsgronden - Ontbreken van onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 - Ontbreken van onderscheidend vermogen verkregen door gebruik - Artikel 7, lid 3, van verordening nr. 40/94’)
(2009/C 32/61)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Somm Srl (San Mauro Torinese, Italië) (vertegenwoordiger: M. Ferro, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: O. Montalto en P. Bullock, gemachtigden)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 28 juni 2007 (zaak R 1653/2006-1) inzake een aanvraag tot inschrijving van een driedimensionaal teken in de vorm van een zonwerend afdak als gemeenschapsmerk
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Somm Srl wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/33 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 16 december 2008 — Focus Magazin Verlag/BHIM — Editorial Planeta (FOCUS Radio)
(Zaak T-357/07) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk FOCUS Radio - Vroegere nationale woordmerken FOCUS MILENIUM - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94’)
(2009/C 32/62)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Focus Magazin Verlag GmbH (München, Duitsland) (vertegenwoordigers: B. Müller, R. Schweizer en T. Schwarz, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Botis, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Editorial Planeta, SA (Barcelona, Spanje)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 30 juli 2007 (zaak R 269/2005-4) inzake een oppositieprocedure tussen Editorial Planeta, SA, en Focus Magazin Verlag GmbH
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Focus Magazin Verlag GmbH wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/33 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 17 december 2008 — Commissie/Cooperação e Desenvolvimento Regional
(Zaak T-174/08) (1)
(„Arbitragebeding - Contract inzake financiële bijstand in kader van specifiek programma op gebied van telematische toepassingen van algemeen belang - Project Encata - Terugbetaling van voorschotten - Vertragingsrente - Verstekprocedure’)
(2009/C 32/63)
Procestaal: Portugees
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: M. Afonso, gemachtigde)
Verwerende partij: Cooperação e Desenvolvimento Regional, SA (Setúbal, Portugal)
Voorwerp
Beroep krachtens artikel 238 EG strekkende tot veroordeling van verweerster tot terugbetaling van een deel van het voorschot dat de Europese Gemeenschap heeft betaald in het kader van overeenkomst nr. SU 1001 (SU) ENCATA, vermeerderd met vertragingsrente
Dictum
|
1) |
Cooperação e Desenvolvimento Regional, SA wordt veroordeeld tot terugbetaling aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen van een bedrag van 63 349,27 EUR, vermeerderd met vertragingsrente:
|
|
2) |
Cooperação e Desenvolvimento Regional wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/34 |
Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 3 november 2008 — Pelle en Konrad/Raad en Commissie
(Gevoegde zaken T-8/95 en T-9/95) (1)
(„Niet-contractuele aansprakelijkheid - Melk - Extra heffing - Referentiehoeveelheid - Verordening (EEG) nr. 2187/93 - Vergoeding van producenten - Interlocutoir arrest - Afdoening zonder beslissing’)
(2009/C 32/64)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Wilhelm Pelle (Kluse-Ahlen, Duitsland) en Ernst-Reinhard Konrad (Löllbach, Duitsland) (vertegenwoordigers: B. Meisterernst, M. Düsing, D. Manstetten, F. Schulze en W. Haneklaus, advocaten)
Verwerende partijen: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Brautigam en A.-M. Colaert, vervolgens A.-M. Colaert, gemachtigden) en Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Booß en M. Niejahr, vervolgens M. Niejahr en T. van Rijn, gemachtigden, aanvankelijk bijgestaan door H.-J. Rabe en G. Berrisch, vervolgens door H.-J. Rabe en M. Núñez-Müller, advocaten)
Voorwerp
Beroepen krachtens artikel 178 EG-Verdrag (thans artikel 235 EG) en artikel 215, tweede alinea, EG-Verdrag (thans artikel 288, tweede alinea, EG) strekkende tot vergoeding van de schade die verzoekers stellen te hebben geleden ten gevolge van de toepassing van verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelproducten (PB L 90, blz. 13), zoals aangevuld bij verordening (EEG) nr. 1371/84 van de Commissie van 16 mei 1984 tot vaststelling van de nadere voorschriften voor de toepassing van de bij artikel 5 quater van verordening nr. 804/68 ingestelde extra heffing (PB L 132, blz. 11)
Dictum
|
1) |
Op de onderhavige beroepen behoeft niet te worden beslist. |
|
2) |
Elke partij zal de eigen kosten dragen. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/34 |
Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 26 november 2008 — Makhteshim-Agan Holding e.a./Commissie
(Zaak T-393/06) (1)
(„Beroep tot nietigverklaring - Beroep wegens nalaten - Richtlijn 91/414/EEG - Gewasbeschermingsmiddelen - Werkzame stof azinphos-methyl - Opneming in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG - Geen nieuw voorstel van Commissie na verzet van Raad - Artikel 5, lid 6, van besluit 1999/468/EEG - Handeling waartegen geen beroep kan worden ingesteld - Geen uitnodiging om te handelen - Niet-ontvankelijkheid’)
(2009/C 32/65)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Makhteshim-Agan Holding BV (Amsterdam, Nederland); Makhteshim-Agan Italia Srl (Bergamo, Italië); en Magan Italia Srl (Bergamo) (vertegenwoordigers: K. Van Maldegem en C. Mereu, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: L. Parpala en B. Doherty, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van verzoekende partijen: European Crop Protection Association (ECPA) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: D. Waelbroeck en N. Rampal, advocaten)
Voorwerp
Beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie om geen voorstel te doen voor opneming van de werkzame stof azinphos-methyl in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230, blz. 1), welke beschikking besloten zou liggen in een brief van 12 oktober 2006, of, subsidiair, tot vaststelling van een verzuim van de Commissie doordat zij op onwettige wijze heeft nagelaten een dergelijk voorstel in te dienen
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Makhteshim-Agan Holding BV, Makhteshim-Agan Italia Srl en Magan Italia Srl worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Commissie. |
|
3) |
European Crop Protection Association zal haar eigen kosten dragen. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/35 |
Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 25 november 2008 — Fastweb/Commissie
(Zaak T-188/07) (1)
(„Staatssteun - Subsidies voor aanschaf van digitale decoders - Telecommunicatie - Beschikking van Commissie waarbij steun onverenigbaar met gemeenschappelijke markt wordt verklaard - Beschikking, door lidstaat tijdens procedure vastgesteld, dat steun niet wordt teruggevorderd van onderneming die tegen beschikking van Commissie is opgekomen in kader van beroep tot nietigverklaring - Verdwijnen van procesbelang - Afdoening zonder beslissing’)
(2009/C 32/66)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Fastweb SpA (Milaan, Italië) (vertegenwoordigers: M. Merola en T. Ubaldi, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: B. Martenczuk, G. Conte en E. Righini, gemachtigden)
Interveniëntes aan de zijde van de verwerende partij: Sky Italia Srl (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: F. González Díaz en D. Gerard, advocaten), en Centro Europa 7 Srl (Rome) (vertegenwoordigers: R. Mastroianni, F. Ferraro en M. Condinanzi, advocaten)
Voorwerp
Beroep tot nietigverklaring van beschikking 2007/374/EG van de Commissie van 24 januari 2007 betreffende de staatssteun C 52/2005 (ex NN 88/2005, ex CP 101/2004) die Italië ten uitvoer heeft gelegd met de subsidie voor de aanschaf van digitale decoders (PB L 147, blz. 1)
Dictum
|
1) |
Op het onderhavige beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
|
2) |
Elke partij zal de eigen kosten dragen. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/35 |
Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 8 oktober 2008 — Koinotita Grammatikou/Commissie
(Zaak T-13/08) (1)
(„Beroep tot nietigverklaring - Cohesiefonds - Niet rechtstreeks geraakt - Niet-ontvankelijkheid’)
(2009/C 32/67)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Koinotita Grammatikou (Griekenland) (vertegenwoordigers: M. Chaïntarlis en A. Papakonstantinou, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: D. Triantafyllou en L. Flynn, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van besluit C (2004) 5509 van de Commissie van 21 december 2004 betreffende de verlening van steun uit het Cohesiefonds voor de verwezenlijking van het project „Inrichting van een stortplaats in de geïntegreerde installatie voor het beheer van afvalstoffen van Noordoost-Attica op de plaats „Mavro Vouno Grammatiko””
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Koinotita Grammatikou wordt verwezen in de kosten. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/35 |
Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg in kort geding van 19 november 2008 — AEPI/Commissie
(Zaak T-392/08 R)
(„Kort geding - Beschikking van Commissie waarbij staking wordt gelast van onderling afgestemde feitelijke gedraging op gebied van collectief beheer van auteursrechten - Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging - Geen spoedeisendheid’)
(2009/C 32/68)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: AEPI Elliniki Etaireia pros Prostasian tis Pnevmatikis Idioktisias AE (Athene, Griekenland) (vertegenwoordigers: P. Xanthopoulos en T. Asprogerakas Grivas, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: T. Christoforou en F. Castillo de la Torre, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 3 van beschikking C(2008) 3435 def. van de Commissie van 16 juli 2008 met betrekking tot een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak COMP/C2/38.698 — CISAC)
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/36 |
Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 14 november 2008 — GEMA/Commissie
(Zaak T-410/08 R)
(„Kort geding - Beschikking van Commissie waarbij beëindiging wordt gelast van onderling afgestemde feitelijke gedraging op gebied van collectief beheer van auteursrechten - Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging - Geen spoedeisendheid’)
(2009/C 32/69)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Gesellschaft für musikalische Aufführungs- und mechanische Vervielfältigungsrechte (GEMA) (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: R. Bechtold en I. Brinker, advocaten, bijgestaan door J. Schwarze, professor)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: F. Castillo de la Torre, O. Weber en A. Antoniadis, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging van de gecombineerde bepalingen van artikel 3 en van artikel 4, leden 2 en 3, van beschikking C(2008) 3435 def. van de Commissie van 16 juli 2008 in een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst (zaak COMP/C2/38.698 — CISAC), voor zover zij de verzoekende partij betreffen.
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/36 |
Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 5 december 2008 — KODA/Commissie
(Zaak T-425/08 R)
(„Kort geding - Beschikking van Commissie waarbij stopzetting van onderling afgestemde feitelijke gedragingen op gebied van collectief beheer van auteursrechten wordt gelast - Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging - Ontbreken van spoedeisendheid’)
(2009/C 32/70)
Procestaal: Deens
Partijen
Verzoekende partij: KODA (Kopenhagen, Denemarken) (vertegenwoordigers: K. Dyekjær en J. Borum, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: F. Castillo de la Torre en N. Rasmussen, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van artikel 4, leden 2 en 3, van beschikking C(2008) 3435 def. van de Commissie van 16 juli 2008 betreffende een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (zaak COMP/C2/38.698 — CISAC).
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/36 |
Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 20 november 2008 — SIAE/Commissie
(Zaak T-433/08 R)
(„Kort geding - Beschikking van Commissie waarbij beëindiging wordt gelast van onderling afgestemde feitelijke gedraging op gebied van collectief beheer van auteursrechten - Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging - Geen spoedeisendheid’)
(2009/C 32/71)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Società Italiana degli Autori ed Editori (SIAE) (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: M. Siragusa, M. Mandel, L. Vullo en S. Valentino, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: V. Di Bucci et F. Castillo de la Torre, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om opschorting van tenuitvoerlegging van artikel 4, lid 2, van beschikking C(2008) 3435 def. van de Commissie van 16 juli 2008 in een procedure op grond van artikel 81 EG en artikel 53 EER-Overeenkomst (zaak COMP/C2/38.698 — CISAC).
Dictum
|
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
|
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/37 |
Beroep ingesteld op 23 oktober 2008 — Toland/Parlement
(Zaak T-471/08)
(2009/C 32/72)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ciarán Toland (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: A. Burke, Solicitor, E. Regan, SC)
Verwerende partij: Europees Parlement
Conclusies
|
— |
besluit A(2008) 10636 van 11 augustus 2008 van de ondervoorzitter van het Bureau van het Europees Parlement, Dianna Wallis, gericht aan verzoekster, nietig verklaren voor zover haar daarbij toegang wordt geweigerd tot internecontroleverslag nr. 06/02 van 9 januari 2008 van de dienst Interne Audit van het Europees Parlement, getiteld „Audit van de toelage voor parlementaire medewerkers”; |
|
— |
het Europees Parlement gelasten verzoekster toegang te geven tot internecontroleverslag nr. 06/02 van 9 januari 2008 van de dienst Interne Audit van het Europees Parlement, getiteld „Audit van de toelage voor parlementaire medewerkers”; |
|
— |
het Europees Parlement verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Op 11 juni 2008 verzocht verzoekster het Europees Parlement om toegang tot het jaarverslag van 2006 van de dienst Interne Audit van het Europees Parlement, daaronder begrepen de 16 controleverslagen waarnaar in paragraaf 24 van de resolutie van het Europees Parlement van 22 april 2008 werd verwezen. Bij brief van 23 juni 2008 werd verzoekster gedeeltelijke toegang verleend tot een van de rapporten, internecontroleverslag 07/01. Zij heeft daarop krachtens artikel 7, lid 2, van verordening (EG) nr. 1049/2001 (1) een confirmatief verzoek ingediend om volledige toegang te krijgen tot de 16 controleverslagen. Bij brief van 11 augustus 2008, waarvan verzoekster op 20 augustus 2008 kennis heeft genomen, heeft de ondervoorzitter van het Europees Parlement op dit verzoek geantwoord en toegang verleend tot 13 van de gevraagde internecontroleverslagen, gedeeltelijke toegang 2 van de andere verslagen verleend en toegang tot een daarvan geweigerd.
Met haar beroep krachtens artikel 230 EG, en overeenkomstig verordening (EG) nr. 1049/2001, vordert verzoekster gedeeltelijke nietigverklaring van besluit A(2008) 10636 van 11 augustus 2008, voor zover haar verzoek om toegang tot verslag nr. 06/02 van de dienst Interne Audit, getiteld „Audit van de toelage voor parlementaire medewerkers”, daarbij is afgewezen.
Verzoekster betoogt dat het bestreden besluit blijk geeft van kennelijk onjuiste beoordelingen rechtens en feitelijk, onevenredig is en niet met redenen is omkleed, voor zover:
|
(a) |
daarin geen juridisch houdbare gronden voor de weigering van de toegang zijn aangevoerd; |
|
(b) |
daarin een bevoegdheid wordt toegeëigend die gelet op de wettelijke bepalingen niet bestond; |
|
(c) |
daarin geen rechtmatige gronden zijn aangevoerd voor weigering van toegang als bedoeld in artikel 4, lid 2, derde streepje, of artikel 4, lid 3, van verordening (EG) nr. 1049/2001; |
|
(d) |
daarin niet is ingegaan op de vraag of er een dwingende reden van openbaar belang was die zwaarder woog dan de redenen voor weigering; |
|
(e) |
de ondervoorzitter niet van oordeel was dat de belangen van de democratie, openheid en transparantie dwingende redenen van openbaar belang zijn die zwaarder wegen dan de redenen voor weigering; |
|
(f) |
daarin werd erkend dat dit internecontroleverslag aanbevelingen bevatte voor de uitvoering van actieprogramma's binnen het bestuursrechtelijke en het wetgevingsproces dan wel niet werd erkend dat de belangen van de democratie, openheid en transparantie in het bestuursrechtelijke en het wetgevingsproces kwesties van deelneming van de burgers zijn die een hoger algemeen belang bij openbaarmaking funderen. |
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/37 |
Beroep ingesteld op 31 oktober 2008 — Umbach/Commissie
(Zaak T-474/08)
(2009/C 32/73)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Dieter C. Umbach (vertegenwoordiger: M. Stephani, advocaat)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
nietig verklaren de beschikking van de Commissie van 2 september 2008 [SG.E.3/MV/psi D(2008) 6991] |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeker komt op tegen de beschikking van de Commissie houdende weigering van volledige en onbeperkte toegang tot documenten die verband houden met een Tacis-programma en een Tacis-overeenkomst waarbij verzoeker partij was. Hij stelt dat de toegang tot de betrokken documenten van doorslaggevend belang is voor zijn verweer in het kader van de door de Commissie als gevolg van de beëindiging van de Tacis-overeenkomst tegen hem ingestelde vordering tot terugbetaling van het verstrekte geldbedrag.
Hij baseert zijn beroep om te beginnen op schending van algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder op schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces, aangezien hij als betrokkene de mogelijkheid moet hebben volledige en ongehinderde toegang te verkrijgen tot documenten die noodzakelijk zijn voor zijn verweer en om later zijnerzijds rechten tegenover de Commissie te doen gelden.
Bovendien vloeit recht op volledige en ongehinderde toegang tot de stukken ook voort uit verordening (EG) nr. 1049/2001 (1), aangezien de Commissie in het bijzonder de haar in het kader van de artikelen 4 en 9 van de verordening toegekende discretionaire bevoegdheid onrechtmatig heeft uitgeoefend.
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/38 |
Beroep ingesteld op 11 november 2008 — Atlas Transport/BHIM — Hartmann (ATLAS TRANSPORT)
(Zaak T-482/08)
(2009/C 32/74)
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Atlas Transport GmbH (Düsseldorf, Duitsland) (vertegenwoordigers: U. Hildebrandt, K. Schmidt-Hern en B. Weichhaus, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: A. Hartmann (Leer, Duitsland)
Conclusies
|
— |
de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) van 9 september 2008 (beroepsprocedure R 1858/2007-4) vernietigen, en |
|
— |
verweerder verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan vervallenverklaring is gevorderd: woordmerk „Atlas Transport” voor transport (goederentransport) van klasse 39 (gemeenschapsmerk nr. 545 681)
Houder van het gemeenschapsmerk: verzoekster
Partij die vervallenverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: A. Hartmann
Beslissing van de nietigheidsafdeling: afwijzing van de vordering
Beslissing van de kamer van beroep: toewijzing van de vordering tot vervallenverklaring
Aangevoerde middelen: schending van artikel 15 van verordening (EG) nr. 40/94 (1) en van de regels 22 en 40 van verordening (EG) nr. 2868/95 (2) door de toepassing van een onjuist criterium op het bewijs van het rechtshandhavende gebruik en door een onjuiste beoordeling van de overgelegde bewijzen; onjuiste toepassing van de beginselen van procesrecht bestaande in het recht om te worden gehoord overeenkomstig artikel 73, tweede zin, van verordening nr. 40/94, de motiveringsplicht overeenkomstig artikel 73, eerste zin, van verordening nr. 40/94 en de beoordelingsvrijheid.
(1) Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het gemeenschapsmerk (PB 1995, L 303, blz. 1).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/38 |
Beroep ingesteld op 11 november 2008 — Longevity Health Products/BHIM — Merck (Kids Vits)
(Zaak T-484/08)
(2009/C 32/75)
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Longevity Health Products, Inc. (Nassau, Bahamas) (vertegenwoordiger: J. Korab, Rechtsanwalt)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Merck KGaA (Darmstadt, Duitsland)
Conclusies
|
— |
het beroep van Longevity Health Products, Inc. ontvankelijk verklaren, |
|
— |
de beslissing van de vierde kamer van beroep van 28 augustus 2008 vernietigen en de door Merck KGaA ingestelde vordering tot nietigverklaring van gemeenschapsmerkaanvraag CTM 003979143 afwijzen en |
|
— |
het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster
Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „Kids Vits” voor waren en diensten van de klassen 3, 5 en 35 (gemeenschapsmerk nr. 3 979 143)
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: Merck KGaA
Oppositiemerk of -teken: woordmerk „VIDS4KIDS” voor waren van klasse 5 (merk nr. 3 128 196)
Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (1), aangezien er geen gevaar voor verwarring van de conflicterende merken bestaat.
(1) Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/39 |
Hogere voorziening ingesteld op 17 november 2008 door Philippe Bui Van tegen het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 11 september 2008 in zaak F-51/07, Bui Van/Commissie
(Zaak T-491/08 P)
(2009/C 32/76)
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirant: Philippe Bui Van (Hettange-Grande, Frankrijk) (vertegenwoordiger: P. Nelissen Grade, advocaat)
Andere partij bij de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond verklaren; |
|
— |
het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie van 11 september 2008 (Tweede kamer) in zaak F-51/07 vernietigen; |
|
— |
het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag (TABG) van 5 maart 2007 houdende afwijzing van rekwirants klacht nietig verklaren; |
|
— |
het besluit van de directeur-generaal van het GCO van 4 oktober 2006 nietig verklaren, voor zover rekwirant daarbij wordt ingedeeld in de rang AST 3, salaristrap 2, terwijl hij aanvankelijk was ingedeeld in de rang AST 4, salaristrap 2; |
|
— |
het besluit van 28 juni 2006 houdende aanstelling van rekwirant in de rang AST 4, salaristrap 2, bevestigen; |
|
— |
het TABG wijzen op de gevolgen van de nietigverklaring van de litigieuze besluiten en, met name, de indeling in de rang AST 4, salaristrap 2, alsmede de terugwerkende kracht van de aanstelling in de rang AST 4, salaristrap 2, vanaf de indiensttreding; |
|
— |
de verwerende partij verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met deze hogere voorziening vordert rekwirant vernietiging van het arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 11 september 2008 in de zaak Bui Van/Commissie, F-51/07, waarbij dat Gerecht de verwerende partij heeft veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 1 500 EUR en het beroep, strekkende tot nietigverklaring van het besluit om rekwirant in te delen in de rang AST 3, terwijl hij aanvankelijk was ingedeeld in de rang AST 4, voor het overige heeft verworpen.
Tot staving van zijn hogere voorziening voert rekwirant drie middelen aan.
In de eerste plaats moet het bestreden arrest worden vernietigd, voor zover daarin wordt geoordeeld dat ofschoon de Commissie rekwirants rechten van verdediging heeft geschonden, het feit dat laatstgenoemde niet is gehoord geen gevolg heeft voor de regelmatigheid van het litigieuze besluit van de Commissie.
In de tweede plaats en in verband met het middel dat rekwirant in eerste aanleg had ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling en schending van de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van gewettigd vertrouwen, heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken ten onrechte het administratieve besluit van 4 oktober 2006 bevestigd waarbij rekwirant van de rang AST 4 tot de rang AST 3 is gedegradeerd, op grond van het onjuiste oordeel dat rekwirants gewettigd vertrouwen in de handeling waarbij hij in de rang AST 4 was aangesteld niet gerechtvaardigd was, omdat hij op grond van een voetnoot in de aankondiging van vergelijkend onderzoek had moeten weten dat zijn aanstelling in de rang AST 4 onregelmatig was en dat het nieuwe Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dat volgens de aankondiging van vergelijkend onderzoek van toepassing was, hem kon worden tegengeworpen. Rekwirant stelt dat die voetnoot geen wijziging kon brengen in de statutaire bepalingen die op het moment van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek van kracht waren.
In de derde plaats heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken ten onrechte geoordeeld dat er geen sprake was van schending van het beginsel van gelijke behandeling, terwijl het TABG, ofschoon het rekwirant heeft gedegradeerd tot de rang AST 3, een gunstig gevolg heeft gegeven aan de klachten van drie andere ambtenaren die zich in wezen in dezelfde situatie als rekwirant bevonden.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/40 |
Beroep ingesteld op 18 november 2008 — Wessang/BHIM — Greinwald (star foods)
(Zaak T-492/08)
(2009/C 32/77)
Taal van het verzoekschrift: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Nicolas Wessang (Zimmerbach, Frankrijk) (vertegenwoordiger: A. Grolée, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Greinwald GmbH (Kempten, Duitsland)
Conclusies
|
— |
de beslissing van de kamer van beroep van het BHIM van 17 september 2008 vernietigen; |
|
— |
de oppositie toewijzen die N. WESSANG op 26 september 2005 heeft ingesteld tegen de aanvraag tot inschrijving van het merk STAR FOODS met grafische vormgeving (aanvraagnr. 004105615); |
|
— |
deze inschrijvingsaanvraag nr. 004105615 volledig afwijzen; |
|
— |
Greinwald GmbH verwijzen in alle kosten van N. WESSANG in de oppositieprocedure, de beroepsprocedure en de onderhavige procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Greinwald GmbH
Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk „star foods” voor waren van de klassen 29, 30 en 32 — aanvraagnr. 4 105 615
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: verzoeker
Oppositiemerk of -teken: gemeenschapswoord- en beeldmerken „STAR SNACKS” voor waren van de klassen 29, 30 en 31
Beslissing van de oppositieafdeling: toewijzing van de oppositie
Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de beslissing van de oppositieafdeling en afwijzing van de oppositie
Aangevoerde middelen: volgens verzoeker bestaat er gevaar voor verwarring van de twee conflicterende merken doordat zij zowel op visueel vlak als op fonetisch of begripsmatig vlak zeer sterk overeenstemmen en betrekking hebben op soortgelijke of dezelfde waren
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/40 |
Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie
(Zaak T-494/08)
(2009/C 32/78)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ryanair Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: E. Vahida, I. Metaxas-Maragkidis, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
overeenkomstig de artikelen 230 EG en 231 EG vaststellen dat de stilzwijgende beschikking van de Commissie waarbij verzoekster toegang wordt geweigerd tot de documenten ten aanzien waarvan zij bij verzoek van 25 juni 2008 om toegang had verzocht, nietig is en dat de beschikking van de Commissie van 9 oktober 2008 waarbij toegang tot diezelfde documenten wordt geweigerd, non-existent is; |
|
— |
subsidiair, overeenkomstig de artikelen 230 EG en 231 EG vaststellen dat de beschikking van de Commissie van 9 oktober 2008 waarbij verzoekster toegang wordt geweigerd tot de documenten ten aanzien waarvan zij bij verzoek van 25 juni 2008 om toegang had verzocht, nietig is; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van verzoekster; |
|
— |
alle andere maatregelen nemen die het Gerecht gepast acht. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep vordert verzoekster nietigverklaring van de stilzwijgende beschikking houdende afwijzing van haar verzoek krachtens verordening nr. 1049/2001 (1) om toegang tot documenten betreffende een staatssteunprocedure inzake de steun die zou zijn verleend middels een overeenkomst met de exploitant van de luchthaven Aarhus. Op genoemde beschikking volgde de expliciete beschikking van 9 oktober 2008. Verzoekster vordert in de onderhavige zaak subsidiair nietigverklaring van de expliciete beschikking.
Tot staving van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.
In de eerste plaats betoogt zij dat de weigering van de Commissie inbreuk maakt op artikel 4 van verordening nr. 1049/2001. Zij stelt ten eerste dat de Commissie een globaal onderzoek heeft verricht in plaats van de in het verzoek om toegang genoemde documenten individueel te onderzoeken. In het bijzonder stelt verzoekster dat de Commissie niet rechtens genoegzaam is nagegaan of het specifieke, reële en voorzienbare risico zich voordoet dat afbreuk wordt gedaan aan de beschermde belangen die zijn genoemd in artikel 4, leden 2 en 3 van die verordening. Bovendien betoogt verzoekster dat de Commissie heeft verzuimd rechtens genoegzaam na te gaan of een gedeeltelijke openbaarmaking van de documenten de bescherming van juridisch advies, het doel van onderzoeken of het besluitvormingsproces van de Commissie zou hebben geschaad, zodat zij artikel 4, lid 6, van de verordening heeft geschonden. Tevens heeft zij het evenredigheidsbeginsel verkeerd toegepast. Ten slotte stelt verzoekster dat de Commissie heeft verzuimd overwegingen van openbaar belang te beoordelen in verband met het recht van verweer, transparantie en openheid, waarop verzoekster zich baseert.
In de tweede plaats betoogt verzoekster dat de impliciete weigering van de Commissie om toegang te geven en haar beschikking van 9 oktober 2008 inbreuk maken op de verplichting van artikel 253 EG en artikel 8 van verordening nr. 1049/2001 om een beschikking met redenen te omkleden.
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/41 |
Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie
(Zaak T-495/08)
(2009/C 32/79)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ryanair Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: E. Vahida, I. Metaxas-Maragkidis, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
overeenkomstig de artikelen 230 EG en 231 EG vaststellen dat de stilzwijgende beschikking van de Commissie waarbij verzoekster toegang wordt geweigerd tot de documenten ten aanzien waarvan zij bij verzoek van 25 juni 2008 om toegang had verzocht, nietig is en dat de beschikking van de Commissie van 8 oktober 2008 waarbij toegang tot diezelfde documenten wordt geweigerd, non-existent is; |
|
— |
subsidiair, overeenkomstig de artikelen 230 EG en 231 EG vaststellen dat de beschikking van de Commissie van 8 oktober waarbij verzoekster toegang wordt geweigerd tot de documenten ten aanzien waarvan zij bij verzoek van 25 juni 2008 om toegang had verzocht, nietig is; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van verzoekster; |
|
— |
alle andere maatregelen nemen die het Gerecht gepast acht. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep vordert verzoekster nietigverklaring van de stilzwijgende beschikking houdende afwijzing van haar verzoek krachtens verordening nr. 1049/2001 (1) om toegang tot documenten betreffende staatssteunprocedures inzake de staatssteun die zou zijn verleend middels een overeenkomst met de exploitant van de luchthaven Alghero. Op genoemde beschikking volgde de expliciete beschikking van 8 oktober 2008. Verzoekster vordert in de onderhavige zaak subsidiair nietigverklaring van de expliciete beschikking.
De middelen en voornaamste argumenten die door verzoekster worden aangevoerd, zijn dezelfde als die in zaak T-494/08, Ryanair/Commissie.
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/41 |
Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie
(Zaak T-496/08)
(2009/C 32/80)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ryanair Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: E. Vahida, I. Metaxas-Maragkidis, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
overeenkomstig de artikelen 230 EG en 231 EG vaststellen dat de stilzwijgende beschikking van de Commissie waarbij verzoekster toegang wordt geweigerd tot de documenten ten aanzien waarvan zij bij verzoek van 25 juni 2008 om toegang had verzocht, nietig is; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van verzoekster; |
|
— |
alle andere maatregelen nemen die het Gerecht gepast acht. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep vordert verzoekster nietigverklaring van de stilzwijgende beschikking houdende afwijzing van haar verzoek krachtens verordening nr. 1049/2001 (1) om toegang tot documenten betreffende een staatssteunprocedure inzake de steun die zou zijn verleend middels een overeenkomst met de exploitant van de luchthaven Berlin-Schönfled.
De middelen en voornaamste argumenten die door verzoekster worden aangevoerd, zijn vergelijkbaar met die in zaak T-494/08, Ryanair/Commissie.
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/42 |
Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie
(Zaak T-497/08)
(2009/C 32/81)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ryanair Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: E. Vahida, I. Metaxas-Maragkidis, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
overeenkomstig de artikelen 230 EG en 231 EG vaststellen dat de stilzwijgende beschikking van de Commissie waarbij verzoekster toegang wordt geweigerd tot de documenten ten aanzien waarvan zij bij verzoek van 25 juni 2008 om toegang had verzocht, nietig is; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van verzoekster; |
|
— |
alle andere maatregelen nemen die het Gerecht gepast acht. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep vordert verzoekster nietigverklaring van de stilzwijgende beschikking houdende afwijzing van haar verzoek krachtens verordening nr. 1049/2001 (1) om toegang tot documenten betreffende een staatssteunprocedure inzake de steun die zou zijn verleend middels een overeenkomst met de exploitant van de luchthaven Frankfurt Hahn.
De middelen en voornaamste argumenten die door verzoekster worden aangevoerd, zijn vergelijkbaar met die in zaak T-494/08, Ryanair/Commissie.
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/42 |
Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie
(Zaak T-498/08)
(2009/C 32/82)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ryanair Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: E. Vahida, I. Metaxas-Maragkidis, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
overeenkomstig de artikelen 230 EG en 231 EG vaststellen dat de stilzwijgende beschikking van de Commissie waarbij verzoekster toegang wordt geweigerd tot de documenten ten aanzien waarvan zij bij verzoek van 25 juni 2008 om toegang had verzocht, nietig is; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van verzoekster; |
|
— |
alle andere maatregelen nemen die het Gerecht gepast acht. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep vordert verzoekster nietigverklaring van de stilzwijgende beschikking houdende afwijzing van haar verzoek krachtens verordening nr. 1049/2001 (1) om toegang tot documenten betreffende een staatssteunprocedure inzake de steun die zou zijn verleend middels een overeenkomst met de exploitant van de luchthaven Lübeck Blankensee.
De middelen en voornaamste argumenten die door verzoekster worden aangevoerd, zijn vergelijkbaar met die in zaak T-494/08, Ryanair/Commissie.
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/43 |
Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie
(Zaak T-499/08)
(2009/C 32/83)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ryanair Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: E. Vahida, I. Metaxas-Maragkidis, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
overeenkomstig de artikelen 230 EG en 231 EG vaststellen dat de stilzwijgende beschikking van de Commissie waarbij verzoekster toegang wordt geweigerd tot de documenten ten aanzien waarvan zij bij verzoek van 25 juni 2008 om toegang had verzocht, nietig is en dat de beschikking van de Commissie van 23 oktober 2008 waarbij toegang tot diezelfde documenten wordt geweigerd, non-existent is; |
|
— |
subsidiair, overeenkomstig de artikelen 230 EG en 231 EG vaststellen dat de beschikking van de Commissie van 23 oktober 2008 waarbij verzoekster toegang wordt geweigerd tot de documenten ten aanzien waarvan zij bij verzoek van 25 juni 2008 om toegang had verzocht, nietig is; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van verzoekster; |
|
— |
alle andere maatregelen nemen die het Gerecht gepast acht. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep vordert verzoekster nietigverklaring van de stilzwijgende beschikking houdende afwijzing van haar verzoek krachtens verordening nr. 1049/2001 (1) om toegang tot documenten betreffende staatssteunprocedures inzake de staatssteun die zou zijn verleend middels een overeenkomst met de exploitant van de luchthaven Pau. Op genoemde beschikking volgde de expliciete beschikking van 23 oktober 2008. Verzoekster vordert in de onderhavige zaak subsidiair nietigverklaring van de expliciete beschikking.
De middelen en voornaamste argumenten die door verzoekster worden aangevoerd, zijn dezelfde als die in zaak T-494/08, Ryanair/Commissie.
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/43 |
Beroep ingesteld op 14 november 2008 — Ryanair/Commissie
(Zaak T-500/08)
(2009/C 32/84)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ryanair Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: E. Vahida, I. Metaxas-Maragkidis, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
overeenkomstig de artikelen 230 EG en 231 EG vaststellen dat de stilzwijgende beschikking van de Commissie waarbij verzoekster toegang wordt geweigerd tot de documenten ten aanzien waarvan zij bij verzoek van 25 juni 2008 om toegang had verzocht, nietig is en dat de beschikking van de Commissie van 31 oktober 2008 waarbij toegang tot diezelfde documenten wordt geweigerd, non-existent is; |
|
— |
subsidiair, overeenkomstig de artikelen 230 EG en 231 EG vaststellen dat de beschikking van de Commissie van 31 oktober 2008 waarbij verzoekster toegang wordt geweigerd tot de documenten ten aanzien waarvan zij bij verzoek van 25 juni 2008 om toegang had verzocht, nietig is; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van verzoekster; |
|
— |
alle andere maatregelen nemen die het Gerecht gepast acht. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep vordert verzoekster nietigverklaring van de stilzwijgende beschikking houdende afwijzing van haar verzoek krachtens verordening nr. 1049/2001 (1) om toegang tot documenten betreffende een staatssteunprocedure inzake de steun die zou zijn verleend middels een overeenkomst met de exploitant van de luchthaven Tampere-Pirkkala. Op genoemde beschikking volgde de expliciete beschikking van 31 oktober 2008. Verzoekster vordert in de onderhavige zaak subsidiair nietigverklaring van de expliciete beschikking.
De middelen en voornaamste argumenten die door verzoekster worden aangevoerd, zijn dezelfde als die in zaak T-494/08, Ryanair/Commissie.
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/44 |
Beroep ingesteld op 7 november 2008 — Ryanair/Commissie
(Zaak T-509/08)
(2009/C 32/85)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ryanair Ltd (Dublin, Ierland) (vertegenwoordigers: E. Vahida, I. Metaxas-Maragkidis, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
overeenkomstig de artikelen 230 EG en 231 EG vaststellen dat de stilzwijgende beschikking van de Commissie waarbij verzoekster toegang wordt geweigerd tot de documenten ten aanzien waarvan zij bij verzoek van 20 juni 2008 om toegang had verzocht, nietig is en dat de beschikking van de Commissie van 26 september 2008 waarbij toegang tot diezelfde documenten wordt geweigerd, non-existent is; |
|
— |
subsidiair, overeenkomstig de artikelen 230 EG en 231 EG vaststellen dat de beschikking van de Commissie van 26 september 2008 waarbij verzoekster toegang wordt geweigerd tot de documenten ten aanzien waarvan zij bij verzoek van 20 juni 2008 om toegang had verzocht, nietig is; |
|
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van verzoekster; |
|
— |
alle andere maatregelen nemen die het Gerecht gepast acht. |
Middelen en voornaamste argumenten
Met het onderhavige beroep vordert verzoekster nietigverklaring van de stilzwijgende beschikking houdende afwijzing van haar verzoek krachtens verordening nr. 1049/2001 (1) om toegang tot documenten betreffende een staatssteunprocedure inzake de steun die zou zijn verleend middels een overeenkomst met de exploitant van de luchthaven Bratislava. Op genoemde beschikking volgde de expliciete beschikking van 26 september 2008. Verzoekster vordert in de onderhavige zaak subsidiair nietigverklaring van de expliciete beschikking.
De middelen en voornaamste argumenten die door verzoekster worden aangevoerd, zijn dezelfde als die in zaak T-494/08, Ryanair/Commissie.
(1) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/44 |
Beroep ingesteld op 27 november 2008 — Unity OSG FZE/Raad en EUPOL Afghanistan
(Zaak T-511/08)
(2009/C 32/86)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Unity OSG FZE (Dubai, Verenigde Arabische Emiraten) (vertegenwoordigers: C. Bryant en J. McEwen, advocaten)
Verwerende partijen: Raad en politiemissie van de Europese Unie voor Afghanistan („EUPOL Afghanistan”)
Conclusies
|
— |
nietig verklaren het aan verzoekster bij brief van 23 november 2008 meegedeelde besluit van de politiemissie van de Europese Unie voor Afghanistan („EUPOL Afghanistan”) i) om verzoeksters offerte met betrekking tot het contract voor bewakings- en beveiligingsdiensten in Afghanistan af te wijzen, en ii) de opdracht te gunnen aan een andere inschrijver; |
|
— |
verweerder overeenkomstig artikel 87 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Op 19 december 2007 heeft verzoekster een contract gesloten met de politiemissie van de Europese Unie voor Afghanistan (1) („EUPOL Afghanistan”) voor het verrichten van veiligheidsdiensten. In september 2008 heeft EUPOL Afghanistan een bericht voor het plaatsen van een overheidsopdracht betreffende het verrichten van bewakings- en beveiligingsdiensten bekendgemaakt dat op de website van de Europese Commissie betreffende het programma „EuropAid” en overeenkomstig de bepalingen van Titel V, hoofdstuk I, van Financieel Reglement nr. 1605/2002 (2) („Financieel Reglement”) en de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement in verordening nr. 2342/2002 van de Commissie (3) is gepubliceerd (4).
Verzoekster vordert om de volgende redenen nietigverklaring van het besluit van EUPOL Afghanistan van 23 november 2008, waarbij haar werd meegedeeld dat haar offerte niet was gekozen en dat de opdracht aan Armor Group zou worden gegund:
In de eerste plaats voert verzoekster aan dat verweerder de beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie als bedoeld in artikel 89, lid 1, van het Financieel Reglement heeft geschonden.
In de tweede plaats stelt verzoekster schending van de voorwaarden voor contacten tussen de aanbestedende dienst en de inschrijvers tijdens de procedure voor het plaatsen van een opdracht als vastgesteld in artikel 99 van het Financieel Reglement en in de artikelen 130, lid 2, sub d, 148 van de uitvoeringsvoorschriften.
In de derde plaats stelt verzoekster schending van de voorwaarde van artikel 121 van de uitvoeringsvoorschriften dat een kennisgeving van aanbesteding eerst in het Publicatieblad van de Europese Unie moet worden gepubliceerd voordat deze elders wordt bekendgemaakt. Volgens verzoekster is deze voorwaarde geschonden omdat de opdracht eerst op de website van EuropAid is gepubliceerd in plaats van in het Publicatieblad.
In de vierde plaats stelt verzoekster schending van de voorwaarde dat de in artikel 142, lid 1, van de uitvoeringsvoorschriften vastgestelde minimumtermijnen in de versnelde niet-openbare procedure in acht moeten worden genomen.
In de vijfde plaats betoogt verzoekster dat verweerder niet heeft voldaan aan het vereiste van artikel 158, sub a, van de uitvoeringsvoorschriften van een standstill-periode tussen het besluit om het contract te gunnen en de ondertekening daarvan. Bovendien voert verzoekster aan dat verweerder het besluit niet naar behoren heeft gemotiveerd, zoals in artikel 253 EG wordt vereist.
(1) Ingesteld op 30 mei 2007 krachtens Gemeenschappelijk Optreden 2007/369/GBVB van de Raad van 30 mei 2007 inzake de totstandbrenging van de politiemissie van de Europese Unie in Afghanistan (PB 2007, L 139, blz. 33).
(2) Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 248, blz. 1).
(3) Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (PB 2002, L 357, blz. 1).
(4) Het bericht is gepubliceerd in het supplement bij het Publicatieblad van 7 oktober 2008, 2008/S 194-255613.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/45 |
Beroep ingesteld op 28 november 2008 — Agatha Ruiz de la Prada de Sentmenat/BHIM — Mary Quant (AGATHA RUIZ DE LA PRADA)
(Zaak T-522/08)
(2009/C 32/87)
Taal van het verzoekschrift: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Agatha Ruiz de la Prada de Sentmenat (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: R. Bercovitz Álvarez, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Mary Quant Ltd (Birmingham, Verenigd Koninkrijk)
Conclusies
|
— |
de punten 1 en 3 van de bestreden beslissing vernietigen en vervangen door een nieuwe beslissing waarbij de inschrijving van het gemeenschapsmerk nr. 3.291.234 wordt toegestaan voor alle aangevraagde waren van klasse 3 van de Overeenkomst van Nice (onder meer „zepen, parfumerieën, etherische oliën, cosmetische middelen, haarlotions”) en MARY QUANT Cosmetics Japan Ltd wordt verwezen in de kosten van de oppositieprocedure, en |
|
— |
verweerder en eventuele interveniënten verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster
Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk bestaande in de afbeelding van een roze bloem met gele kern op een lichtgroene achtergrond met de vermelding AGATHA RUIZ DE LA PRADA (aanvraagnr. 3.291.234) voor waren van de klassen 3, 4, 5, 8, 9, 11, 12, 14, 16, 18, 19, 20, 21, 24, 25, 27 en 28
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: MARY QUANT Cosmetics Japan Ltd
Oppositiemerk of -teken: beeldmerk bestaande in de afbeelding van een zwarte bloem met een zwarte kern die is omgeven door een witte rand: Britse merken voor waren van de klassen 9, 14, 16, 18, 20, 21, 24, 25 en 26, en gemeenschapsmerk voor waren van de klassen 9, 14, 16, 18, 20, 24, 25 en 26
Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie
Beslissing van de kamer van beroep: gedeeltelijke toewijzing van het beroep
Aangevoerde middelen: onjuiste toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/46 |
Beroep ingesteld op 1 december 2008 — Agatha Ruiz de la Prada de Sentmenat/BHIM — Mary Quant Cosmetics Japan (AGATHA RUIZ DE LA PRADA)
(Zaak T-523/08)
(2009/C 32/88)
Taal van het verzoekschrift: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Agatha Ruiz de la Prada de Sentmenat (Madrid, Spanje) (vertegenwoordiger: R. Bercovitz Álvarez, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Mary Quant Cosmetics Japan Ltd (Tokyo, Japan)
Conclusies
|
— |
de punten 1 en 3 van de bestreden beslissing vernietigen en vervangen door een nieuwe beslissing waarbij de inschrijving van het gemeenschapsmerk nr. 3.291.234 wordt toegestaan voor alle aangevraagde waren van klasse 3 van de Overeenkomst van Nice (onder meer „zepen, parfumerieën, etherische oliën, cosmetische middelen, haarlotions”) en MARY QUANT Cosmetics Japan Ltd wordt verwezen in de kosten van de oppositieprocedure, en |
|
— |
verweerder en eventuele interveniënten verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoekster
Betrokken gemeenschapsmerk: beeldmerk bestaande in de afbeelding van een roze bloem met gele kern op een lichtgroene achtergrond met de vermelding AGATHA RUIZ DE LA PRADA (aanvraagnr. 3.291.234) voor waren van onder meer de klassen 3, 5, 14 en 21
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: MARY QUANT Cosmetics Japan Ltd
Oppositiemerk of -teken: beeldmerk bestaande in de afbeelding van een zwarte bloem met een zwarte kern die is omgeven door een witte rand: Britse merken voor waren van de klassen 3 en 5, en gemeenschapsmerk voor waren van de klassen 3 en 21
Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie
Beslissing van de kamer van beroep: gedeeltelijke toewijzing van het beroep
Aangevoerde middelen: onjuiste toepassing van artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 inzake het gemeenschapsmerk
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/46 |
Beroep ingesteld op 4 december 2008 — Commissie/TMT Pragma
(Zaak T-527/08)
(2009/C 32/89)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Moretto, advocaat, A. M. Rouchaud-Joët en F. Mirza, gemachtigden)
Verwerende partij: TMT Pragma Srl (Rome, Italië)
Conclusies
|
— |
de verwerende partij veroordelen tot terugbetaling aan de Commissie van 30 700,23 EUR, verschuldigd als hoofdsom, vermeerderd met de moratoire interessen op de voet van de Spaanse wettelijke rente, vanaf 29 augustus 2004 en tot volledige terugbetaling van het verschuldigde; |
|
— |
de verwerende partij verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep heeft tot voorwerp de vordering, de verwerende partij te veroordelen tot terugbetaling van 30 700,23 EUR, vermeerderd met de moratoire interessen, welk bedrag een deel vormt van de bijdrage die de verzoekende partij heeft betaald ter uitvoering van overeenkomst nr. UR-96-SC.1105, voorgeschreven in het kader van het IVe kaderprogramma voor onderzoek en technische ontwikkeling. De overeenkomst, die is gesloten met andere Europese onderzoekscentra, voorzag in de verwezenlijking van een project, „integrated urban transport concepts and market orientated urban transport systems/on demand urban transport systems — INTRAMUROS”.
Ter ondersteuning van haar stellingen betoogt de verzoekende partij dat uit de in juni 2000 verrichte boekhoudkundige controle naar voren is gekomen dat enkele personeelskosten, reis- en verblijfkosten alsmede kosten in verband met consumptie- en informaticagoederen niet gerechtvaardigd waren en derhalve niet aan het project konden worden toegerekend.
Met een debetnota van 14 juli 2004 heeft de Commissie de verwerende partij verzocht om terugbetaling van het betrokken bedrag, vermeerderd met de eventuele moratoire interessen ingeval van uitblijven van betaling.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/47 |
Beroep ingesteld op 2 december 2008 — Diputación Foral de Álava/Commissie
(Zaak T-529/08)
(2009/C 32/90)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Territorio Histórico de Álava — Diputación Foral de Álava (vertegenwoordigers: I. Sáenz-Cortabarría Fernández en M. Morales Isasi, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
nietigverklaring van de brief van het Directoraat-generaal Mededinging van de Europese Commissie D/53778 [COMP/H4/NM/ed D(2008) 247] van 2 oktober 2008, voor zover daarin wordt verlangd dat de volgens de beschikkingen 2002/820/EG en 2002/892/EG van 11 juli 2001 (inbreukdossier 2007/2215) te betalen rente wordt berekend op samengestelde basis; |
|
— |
verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het beroep is gericht tegen het besluit van verweerster, dat bij de tenuitvoerlegging van de beschikkingen van 11 juli 2001 inzake de steunregeling die Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Álava in de vorm van een belastingkrediet van 45 % van de investeringen ten uitvoer heeft gelegd (beschikking 2002/820/EG) en betreffende de door Spanje ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Álava (beschikking 2002/892/EG) (1) de rente moet worden berekend op samengestelde basis.
Volgens verzoekster brengt dit besluit de facto een kennelijke wijziging aan in de beschikkingen van 11 juli 2001, wat een kennelijk misbruik van bevoegdheid en schending van het beginsel van goed bestuur oplevert. Van de toepassing van samengestelde rente is in het gemeenschapsrecht voor het eerst sprake in artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 140, blz. 1). Deze bepaling is naar tijd niet toepasselijk op de beschikkingen van 11 juli 2001.
Deze wijziging van de feitelijke inhoud van die beschikkingen met betrekking tot de wijze van renteberekening is voorts in strijd met het beginsel van gelijke behandeling, aangezien de voor de tenuitvoerlegging van de beschikkingen van 11 juli 2001 bevoegde autoriteiten en de betrokken ondernemingen daardoor in een andere positie worden gebracht dan de betrokken autoriteiten van de lidstaten (en de ondernemingen) bij terugvorderingsbeschikkingen van juli 2001 of van eerdere datum, waar geen betaling van samengestelde rente was verlangd bij de terugvordering van steun.
Ten slotte past de Commissie met haar eis van samengestelde renteberekening een sanctie toe die het gemeenschapsrecht niet kent.
(1) Tegen beide beschikkingen is beroep aanhangig bij het Gerecht van eerste aanleg (T-227/01, Diputación Foral de Álava y Gobierno Vasco/Commissie, en T-230/01 Diputación Foral y Gobierno Vasco/Commissie).
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/47 |
Beroep ingesteld op 2 december 2008 — Diputación Foral de Guipúzcoa/Commissie
(Zaak T-530/08)
(2009/C 32/91)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Territorio Histórico de Guipúzcoa — Diputación Foral de Guipúzcoa (vertegenwoordigers: I. Sáenz-Cortabarría Fernández en M. Morales Isasi, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
nietigverklaring van de brief van het Directoraat-generaal Mededinging van de Europese Commissie D/53778 [COMP/H4/NM/ed D(2008) 247] van 2 oktober 2008, voor zover daarin wordt verlangd dat de volgens de beschikkingen 2002/894/EG en 2002/540/EG van 11 juli 2001 (inbreukdossier 2007/2215) te betalen rente wordt berekend op samengestelde basis; |
|
— |
verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
De middelen en voornaamste argumenten zijn gelijk aan die in zaak T-529/08, Diputación Foral de Álava/Commissie.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/48 |
Beroep ingesteld op 2 december 2008 — Diputación Foral de Vizcaya/Commissie
(Zaak T-531/08)
(2009/C 32/92)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Territorio Histórico de Vizcaya — Diputación Foral de Vizcaya (vertegenwoordigers: I. Sáenz-Cortabarría Fernández en M. Morales Isasi, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies
|
— |
nietigverklaring van de brief van het Directoraat-generaal Mededinging van de Europese Commissie D/53778 [COMP/H4/NM/ed D(2008) 247] van 2 oktober 2008, voor zover daarin wordt verlangd dat de volgens de beschikkingen 2003/27/EG en 2002/806/EG van 11 juli 2001 (inbreukdossier 2007/2215) te betalen rente wordt berekend op samengestelde basis; |
|
— |
verwijzing van de Commissie in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
De middelen en voornaamste argumenten zijn gelijk aan die in zaak T-529/08, Diputación Foral de Álava/Commissie.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/48 |
Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 10 december 2008 — Stichting IEA Secretariaat Nederland e.a./Commissie
(Zaak T-56/08) (1)
(2009/C 32/93)
Procestaal: Engels
De president van de Zesde kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/48 |
Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 2 december 2008 — British Sky Broadcasting Group/BHIM — Vortex (SKY)
(Zaak T-66/08) (1)
(2009/C 32/94)
Procestaal: Engels
De president van de zevende kamer van het Gerecht van eerste aanleg heeft de doorhaling van de zaak gelast.
Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/49 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 11 december 2008 — Schell/Commissie
(Zaak F-83/06) (1)
(Openbare dienst - Ambtenaren - Bevordering - Gratificatiepunten - Algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het Statuut)
(2009/C 32/95)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Arno Schell (Brussel, België) (vertegenwoordiger: F. Frabetti, advocaat)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Berscheid en M. Velardo, gemachtigden)
Voorwerp
Ambtenaren — Primair, nietigverklaring van de lijsten van ambtenaren die in het kader van de bevorderingsronden 2004 en 2005 zijn bevorderd, voor zover verzoekers naam daarop niet voorkomt, en, subsidiair, nietigverklaring van de toewijzing van bevorderingspunten in die bevorderingsronden, voor zover deze verzoeker betreft
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Elke partij zal de eigen kosten dragen. |
(1) PB C 237 van 30.9.2006, blz. 18.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/49 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 11 december 2008 — Bouis e.a./Commissie
(Zaak F-113/06) (1)
(Openbare dienst - Ambtenaren - Bevordering langs zogenoemde tweede weg - Bevorderingsronde 2005 - Toekenning van gratificatiepunten - Overgangsbepalingen - Uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het Statuut - Gelijke behandeling - Ontvankelijkheid)
(2009/C 32/96)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Didier Bouis (Overijse, België) e.a. (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en É. Marchal, advocaten)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: V. Joris en D. Martin, gemachtigden)
Voorwerp
Ambtenaren — In de eerste plaats, nietigverklaring van het besluit van de Commissie om verzoekers noch op de lijst van verdienstelijke ambtenaren noch op de lijst van de in het kader van de bevorderingsronde 2005 tot de rang A*13 bevorderde ambtenaren te plaatsen; in de tweede plaats nietigverklaring van de besluiten om verzoekers voorlopige gratificatiepunten toe te kennen, voor zover het daarbij gaat om niet meer dan één punt per jaar diensttijd in rang; in de derde plaats nietigverklaring van de besluiten om hun geen andere gratificatiepunten toe te kennen
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Elke partij zal de eigen kosten dragen. |
(1) PB C 281 van 18.11.2006, blz. 49.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/50 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 11 december 2008 — Buckingham e.a./Commissie
(Zaak F-116/06) (1)
(Openbare dienst - Ambtenaren - Bevordering langs zogenoemde tweede weg - Bevorderingsronde 2005 - Toekenning van gratificatiepunten - Overgangsbepalingen - Uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het Statuut - Gelijke behandeling - Ontvankelijkheid)
(2009/C 32/97)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Anne Buckingham (Brussel, België) e. a. (vertegenwoordiger: N. Lhoest, advocaat)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en Katarzyna Herrmann, gemachtigden)
Voorwerp
Ambtenaren — Nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 23 november 2005, verschenen in Mededelingen van de administratie nr. 85 2005, voor zover daarbij aan verzoekers, ambtenaren van de rang A*12, geen enkel gratificatiepunt wordt toegekend ter erkenning van het werk dat zij in 2004 in het belang van de instelling hebben verricht
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Elke partij zal de eigen kosten dragen. |
(1) PB C 294 van 2.12.2006, blz. 66.
|
7.2.2009 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 32/50 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 11 december 2008 — Reali/Commissie
(Zaak F-136/06) (1)
(Openbare dienst - Arbeidscontractanten - Aanwerving - Indeling in rang - Beroepservaring - Diploma - Gelijkwaardigheid)
(2009/C 32/98)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Enzo Reali (Florence, Italië) (vertegenwoordiger: S. A. Pappas, advocaat)
Verwerende partij: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J. Currall en M. Velardo, gemachtigden)
Voorwerp
Openbare dienst — Nietigverklaring van het besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag (TABG) van 30 augustus 2006 houdende afwijzing van de klacht die verzoeker, een arbeidscontractant, heeft ingediend teneinde van de rang 14 te worden heringedeeld in de rang 16 van functiegroep IV, op grond van de waarde die bij de berekening van zijn beroepservaring aan zijn diploma van „Laurea in Scienze agrarie” moet worden toegekend
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Elke partij zal de eigen kosten dragen. |
(1) PB C 20 van 27.1.2007, blz. 38.