|
ISSN 1725-2474 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 57 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
50e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
III Voorbereidende handelingen |
|
|
|
Comité van de Regio's |
|
|
|
67e plenaire zitting op 6 en 7 december 2006 |
|
|
2007/C 057/01 |
||
|
2007/C 057/02 |
||
|
2007/C 057/03 |
||
|
2007/C 057/04 |
||
|
2007/C 057/05 |
||
|
2007/C 057/06 |
||
|
2007/C 057/07 |
||
|
2007/C 057/08 |
||
|
2007/C 057/09 |
||
|
NL |
|
III Voorbereidende handelingen
Comité van de Regio's
67e plenaire zitting op 6 en 7 december 2006
|
10.3.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 57/1 |
Advies van het Comité van de Regio's over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Naar een duurzame Europese wijnsector
(2007/C 57/01)
HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,
GEZIEN de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement „Naar een duurzame Europese wijnsector” (COM(2006) 319 final),
GEZIEN het werkdocument van de diensten van de Commissie, getiteld Samenvatting van de effectbeoordeling die als bijlage is toegevoegd aan de mededeling van de Commissie „Naar een duurzame Europese wijnsector” (SEC(2006) 780 final),
GEZIEN het besluit van de Commissie van 22 juni 2006 om het CvdR hierover te raadplegen overeenkomstig art. 265, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
GEZIEN het besluit van zijn bureau van 25 april 2006 om de commissie Duurzame ontwikkeling met het opstellen van het desbetreffende advies te belasten,
GEZIEN Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt,
GEZIEN de door de Commissie gefinancierde ex-postevaluatie van de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt,
GEZIEN de conclusies van het wijnseminar „Uitdagingen en kansen voor Europese wijnen” (Brussel, 16 februari 2006),
GEZIEN de conclusies van de hoorzitting die de commissie Landbouw en plattelandsontwikkeling van het Europees Parlement op 12 juli 2006 in Brussel heeft gehouden over het thema „Naar een duurzame Europese wijnsector”,
GEZIEN de conclusies van het vijfde Wereldwijnforum (La Rioja, 28-30 maart 2006),
GEZIEN de conclusies van het 29e congres van de Internationale Wijnorganisatie (OIV) en de 4e algemene vergadering van de OIV (La Rioja, 26-30 juni 2006),
GEZIEN de conclusies van de vergadering van de Vereniging van Europese wijnbouwregio's AREV (Brno, 20 juli 2006),
GEZIEN zijn ontwerpadvies (CdR 257/2006 rev. 1), dat door de commissie Duurzame ontwikkeling op 6 oktober 2006 is goedgekeurd (rapporteur: de heer Sanz Alonso (ES/EVP), minister-president van de autonome gemeenschap La Rioja),
heeft tijdens zijn op 6 en 7 december 2006 gehouden 67e zitting (vergadering van 6 december) onderstaand advies uitgebracht:
1. Standpunt van het Comité van de Regio's
1.1 Algemene opmerkingen
|
1.1.1 |
Het Comité van de Regio's (CvdR) merkt op dat de voorstellen van de Commissie niet specifiek naar de regionale en lokale verschillen verwijzen. |
|
1.1.2 |
Het CvdR staat achter het besluit van de Commissie om de wijnsector te hervormen. Dit is nodig omdat de consumptie daalt, productie en afzet structureel niet in evenwicht zijn en de concurrentie op de wereldmarkt sterk is toegenomen. |
|
1.1.3 |
Helaas wordt in het Commissievoorstel verzuimd om de rol te belichten die de wijnsector speelt bij de instandhouding van de landbouw, het cultuurlandschap, het platteland en de ruimtelijke ordening. Het voorstel is in hoofdzaak economisch gekleurd en ontbeert de gevoelige aanpak die de landbouw in het algemeen en de wijnbouw in het bijzonder vereist. |
|
1.1.4 |
Het CvdR is het ermee eens dat er een specifieke GMO voor de wijnsector blijft bestaan. |
|
1.1.5 |
In het Commissievoorstel ontbreekt het echter aan een maatschappelijke en sociaal-economische visie. |
|
1.1.6 |
Terecht vindt de Commissie dat de lidstaten over zoveel mogelijk flexibiliteit moeten beschikken zodat zij oplossingen naar voren kunnen brengen die passen bij de specifieke behoeften op hun grondgebied. |
|
1.1.7 |
Daarom steunt het CvdR haar voornemen om subsidiariteit te bevorderen en de lidstaten en hun regio's een grotere vinger in de pap te geven. |
|
1.1.8 |
Wel benadrukt het dat er horizontale criteria moeten worden vastgesteld voor EU-maatregelen die blijk geven van een brede visie op de Europese wijnbouwsector. |
|
1.1.9 |
Het CvdR kan zich niet vinden in het plan van de Commissie om het evenwicht te herstellen door 400 000 hectare te rooien. Het wijst erop dat de constateringen in het Commissiedocument over de betekenis van de Europese wijnbouwsector, de kwaliteit van onze wijnen en het belang van de sector voor de economie niet stroken met een aanpak waarbij de productie door middel van rooiing wordt teruggedrongen. Het ontbreekt aan meer opbouwende voorstellen; zo zouden er nieuwe markten kunnen worden aangeboord en zou de concurrentiestrijd kunnen worden aangegaan met wijnen uit de „nieuwe wereld”. |
|
1.1.10 |
PR- en voorlichtingsacties voor de burgers dienen te worden opgevoerd teneinde een matige consumptie van wijn te stimuleren. |
|
1.1.11 |
Bij de maatregelen om de wijnbouw te promoten moet worden benadrukt dat een matige consumptie van wijn een positief effect kan hebben op de gezondheid en dat de wijnbouw bijdraagt aan de ruimtelijke ordening en een gunstige uitwerking heeft op het milieu. |
|
1.1.12 |
Toepassing van de nieuwe GMO voor wijn mag er niet toe leiden dat er sociaal-economisch gezien een breuk in het Europese wijnbouwstelsel ontstaat. |
1.2 Problemen met de huidige GMO
|
1.2.1 |
In de huidige GMO wordt onvoldoende ingegaan op de ordening, structurering, ontwikkeling en concurrentiekracht van de Europese wijnsector tegen de achtergrond van de economische mondialisering. Het gaat hierbij om marktaspecten, de regulering van het productiepotentieel, wijnbereidingsprocedés, geografische aanduidingen, etikettering, gezondheid en communicatie. |
|
1.2.2 |
Het CvdR onderstreept de gegevens van de Commissie over de daling van de wijnconsumptie in Europa, over de toename van het huidige structurele productieoverschot en over het feit dat de invoer sneller stijgt dan de uitvoer. |
|
1.2.3 |
Het is het met de Commissie eens dat Europese wijnboeren concurrerender moeten worden op de wereldmarkt. |
|
1.2.4 |
Gezien het feit dat in sommige lidstaten de fysieke opbrengsten stijgen, deelt het CvdR de mening van de Commissie dat het productiepotentieel moet worden gereguleerd. |
|
1.2.5 |
De herstructurerings- en omschakelingsregeling heeft er in sommige gevallen toe geleid dat er in plaats van naar kwaliteit vooral gestreefd wordt naar een hogere productie. Hierover maakt het CvdR zich zorgen. |
|
1.2.6 |
Het constateert dat er in sommige lidstaten nog steeds illegale wijngaarden bestaan. Hierdoor wordt de onevenwichtigheid tussen vraag en aanbod verder vergroot en worden sommige producenten benadeeld ten opzichte van andere. |
|
1.2.7 |
Terecht merkt de Commissie op dat de marktondersteuningsmaatregelen in de vorm van crisisdistillatie onvoldoende zoden aan de dijk zetten waar het gaat om het veiligstellen van het inkomen van wijnbouwers. |
|
1.2.8 |
Het baart het CvdR zorgen dat een maatregel als crisisdistillatie, die conjunctureel van aard zou moeten zijn, wordt omgevormd tot een structurele maatregel, waarmee zij tot een van de voornaamste uitgavenposten in het huidige financieel memorandum wordt. Hierdoor blijft er minder geld over voor maatregelen om de kwaliteit en de afzet/consumptie te bevorderen. Ook zou de mogelijkheid van distillatie tot drinkalcohol en van distillatie van bijproducten moeten worden overwogen. Wel zij opgemerkt dat in het geval van distillatie van bijproducten het alcoholgehalte ten minste 15 % moet bedragen. |
|
1.2.9 |
Het is een goede zaak dat de steunregeling voor particuliere opslag blijft bestaan, omdat deze bijdraagt tot een doeltreffende regulering van de markt. Om deze regeling toegankelijker te maken zou zij flexibeler moeten worden vormgegeven. |
|
1.2.10 |
Het CvdR onderschrijft dat de OIV alle wijnbereidingsprocedés in kaart moet brengen. Deze zouden vastgesteld moeten worden op basis van wetenschappelijke en technische studies en uiteraard aan de voedselveiligheidsnormen moeten voldoen. |
|
1.2.11 |
Deze wijnbereidingsprocedés mogen de consument in geen geval op het verkeerde been zetten, hetgeen kan gebeuren als er een loopje wordt genomen met de huidige procedés die in de ogen van de consument voor kwaliteit staan. Dit is schadelijk voor Europese regio's die wijn produceren volgens traditionele methoden waarbij de kwaliteit van het eindproduct vooropstaat, of die — zoals in het Commissiedocument na het derde streepje van het hoofdstuk „Doelstellingen voor een nieuw wijnbeleid van de EU” wordt gesteld — „de beste tradities van de wijnproductie in de EU” behouden. |
|
1.2.12 |
Doordat de regelgeving op het gebied van de definities, bereidingsprocedés en indeling van wijnen te ingewikkeld is, ziet de consument door de bomen het bos niet meer. Het CvdR pleit dan ook voor vereenvoudiging. |
|
1.2.13 |
Een eenvoudigere etikettering kan gunstig zijn voor wijnen van mindere kwaliteit die geen andere onderscheidingsmogelijkheden hebben waarmee zij op de markten kunnen concurreren. Deze mogelijkheid om aanduidingen te gebruiken die tot dusverre gereserveerd waren voor vqprd's, mag echter niet ten koste gaan van meer succesvolle wijnen die geproduceerd worden volgens het traditionele Europese kwaliteitsmodel. |
|
1.2.14 |
Het CvdR deelt de bezorgdheid over de toename van het alcoholgebruik onder jongeren en wijst erop dat, hoewel het wijngebruik onder jongeren de laatste jaren sterk is afgenomen, eventuele voorlichting over het potentieel gezondheidsbevorderend effect van wijn moet worden aangevuld met een verwijzing naar het feit dat jongeren heel gemakkelijk de omgang van volwassenen met alcohol nadoen. Voorts moeten er speciaal voor jongeren aanbevolen grenzen voor alcoholgebruik worden aangegeven. |
1.3 Doelstellingen voor de Europese wijnbouwsector
|
1.3.1 |
De Commissie pleit terecht voor de instandhouding van een concurrerende en duurzame wijnbouwsector in Europa. |
|
1.3.2 |
Ook het CvdR vindt dat er een wijnregeling moet worden vastgesteld die gebaseerd is op duidelijke en eenvoudige bepalingen en die doeltreffende regels bevat om vraag en aanbod met elkaar in evenwicht te brengen. |
|
1.3.3 |
Het stemt in met het voornemen van de Commissie om een wijnregeling in te stellen die de beste tradities van de wijnproductie in de EU behoudt, de sociale structuur in plattelandsgebieden versterkt en rekening houdt met het milieu. Wel is het van mening dat sommige voorstellen uit het Commissiedocument haaks op deze goede bedoelingen staan, zoals het voorstel om voornamelijk in minder renderende zones wijngaarden te rooien. |
|
1.3.4 |
De hervorming van de GMO zou moeten berusten op de pijlers kwaliteit en communicatie, teneinde de afzetmarkten voor Europese wijnen te vergroten. |
1.4 Opties waarvoor de Commissie niet heeft gekozen
|
1.4.1 |
Terecht heeft de Commissie de volgende drie opties terzijde geschoven: handhaving van de status-quo, hervorming van de GMO voor wijn volgens het bij de hervorming van het GLB gehanteerde model, en deregulering van de wijnmarkt. |
1.5 Grondige hervorming van de GMO voor wijn
|
1.5.1 |
De uitdaging bestaat er inderdaad in om het regelgevingskader en de productiestructuur zo aan te passen dat er een duurzame en concurrerende Europese wijnbouwsector ontstaat die ook op lange termijn perspectieven biedt. |
|
1.5.2 |
Het CvdR onderschrijft dat geografische aanduidingen geen deel zouden moeten uitmaken van de maatregel tot liberalisering van de aanplantrechten die in variant A wordt voorgesteld. Het gaat ervan uit dat deze uitsluiting definitief voor dergelijke aanduidingen geldt, evenals voor de rest van de sector, aangezien liberalisering het Europese productiemodel nadeel zou berokkenen. |
|
1.5.3 |
Het CvdR ziet geen heil in de aanpak waarbij gepoogd wordt vraag en aanbod weer met elkaar in evenwicht te brengen door rooiing te stimuleren en vervolgens de aanplantrechten te liberaliseren. |
|
1.5.4 |
Het kritiseert deze weinig ambitieuze benadering, omdat hiermee beoogd wordt via bevordering van rooiing het gebrek aan evenwicht op de markt op te lossen, zonder dat zelfs maar gekeken wordt naar mogelijkheden om de afzet te verruimen. |
|
1.5.5 |
Het CvdR ziet niet in hoe de liberalisering van aanplantrechten rechtstreeks ten goede zou komen aan het concurrentievermogen van de sector doordat de productiekosten dan lager zouden uitvallen. Er wordt niet erkend dat de kosten van de aanplantrechten rechtstreeks verband houden met het al dan niet bestaan van goede afzetmogelijkheden voor de producten uit de desbetreffende streken, en zelf een middel vormen om in deze gebieden voor een evenwicht tussen vraag en aanbod te zorgen. |
|
1.5.6 |
Het is geen goed idee om bij de hervorming van de GMO voor wijn uit te gaan van het model dat is toegepast voor de hervorming van de GMO voor suiker. Dit zou immers betekenen dat een flink deel van de producenten het veld zou moeten ruimen om het voortbestaan van de productie te waarborgen, en zou er bovendien toe leiden dat er nog meer wijn in de EU wordt ingevoerd. |
|
1.5.7 |
Het mag niet zo zijn dat er ter verwezenlijking van een doelstelling van een GMO-hervorming, i.c. die voor wijn, 400 000 ha moet worden gerooid, temeer daar het bedrag dat hiervoor wordt gereserveerd ca. 40 % van het totaalbedrag van het financieel memorandum van de hervorming vertegenwoordigt en het beoogde effect van productievermindering zonder enige twijfel veel kleiner zal zijn dan wordt verwacht. |
|
1.5.8 |
Het CvdR is er tegen dat de maatregelen voor marktbeheer „vanaf de eerste dag” worden afgeschaft. Deze maatregelen zijn weliswaar zeker voor verbetering vatbaar, zowel wat de opzet als de toepassing ervan betreft, maar het is ongepast om ze af te schaffen zonder een overgangsperiode, waarmee de goede kanten van sommige van die maatregelen kunnen worden benut. Tijdens deze overgangsperiode zouden de voor marktmaatregelen bestemde bedragen beetje bij beetje verlaagd moeten worden; tegelijkertijd zou er meer moeten worden ingezet op kwaliteitsverbeterings-, promotie- en afzetmaatregelen. |
|
1.5.9 |
Het CvdR gaat akkoord met de invoering van een zgn. „nationaal totaalbedrag”, mits dit er niet op neerkomt dat het GLB weer op nationale leest wordt geschoeid. Het dringt erop aan dat er een uitgebreide en concrete omschrijving wordt gegeven van de maatregelen die met toestemming van de EU ten laste van dit nationale budget kunnen worden gefinancierd. Vanuit het oogpunt van subsidiariteit zouden deze fondsen beheerd moeten worden door de regio's. |
|
1.5.10 |
Het steunt het plan om bepaalde crisisbeheersmaatregelen door de lidstaten te laten uitvoeren. |
|
1.5.11 |
Terecht gelden er bepaalde gemeenschappelijke regels voor de toepassing van dergelijke maatregelen. Doel hiervan is te voorkomen dat sommige ervan, bijvoorbeeld marktondersteuningsmaatregelen, neerkomen op verholen steun en tot scheeftrekking van de concurrentie tussen de producenten uit de lidstaten leiden. |
|
1.5.12 |
Het CvdR verwerpt het plan van de Commissie om met het oog op plattelandsontwikkeling via zeer concrete economische maatregelen te stimuleren dat producenten hun landbouwactiviteiten stopzetten. Het zou liever zien dat de Commissie inzet op handhaving van de landbouwactiviteit als sleutelelement van plattelandsontwikkeling. Het verwijst voor het overige naar zijn advies en verklaring dienaangaande. |
|
1.5.13 |
Het Comité betreurt dat niet expliciet wordt verwezen naar de — dure — wijnbouw op steile hellingen, gezien de bijdrage van deze vorm van wijnbouw aan het milieu- en landschapsbehoud, aan plattelandstoerisme en aan duurzame plattelandsontwikkeling. |
|
1.5.14 |
Het is geen goed idee dat er voor de financiering van de wijnbouwsector middelen uit de eerste pijler worden overgeheveld naar de tweede pijler. Het CvdR bepleit dat het financieel memorandum voor de GMO in stand wordt gehouden. |
|
1.5.15 |
Het CvdR juicht toe dat de nadruk in de mededeling op het streven naar eenvoudigere, duidelijkere, transparantere en doeltreffendere regels ligt. |
|
1.5.16 |
Helaas echter geeft de Commissie voorrang aan een grondige herziening van het huidige regelgevingskader op kwaliteitsgebied om ervoor te zorgen dat het Europese kwaliteitsbeleid beter in de pas loopt met de internationale voorschriften. Het is weliswaar noodzakelijk dat de Europese regels op de mondiale worden afgestemd, maar dit mag geen doel op zich zijn dat op kwaliteitsgebied volstaat. |
|
1.5.17 |
Het CvdR kan zich wel vinden in het voornemen om het Europese concept van kwaliteitswijnen, dat gebaseerd is op geografische oorsprongsaanduidingen (vqprd's, d.w.z. in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen), ook elders ter wereld in te voeren. Dit concept moet versterkt, bevestigd, gepromoot en benut worden. |
|
1.5.18 |
Het CvdR prijst het voorstel om de beroepsorganisaties een grotere rol te geven zodat zij de kwaliteit van de in hun gebieden geproduceerde wijn kunnen controleren en beheren. Hiertoe zou het goed zijn om de meest geslaagde methoden op een rij te zetten, onder de aandacht te brengen en toe te passen. |
|
1.5.19 |
Het is inderdaad zaak om de controle-instrumenten en -systemen te versterken teneinde de consumenten de nodige garanties te kunnen geven. |
|
1.5.20 |
Het CvdR staat kritisch tegenover de herziening van bevoegdheden en met name de overheveling van bevoegdheden van Raad naar Commissie. Dit laatste is onnodig. |
|
1.5.21 |
Het gaat ermee akkoord dat de wijnbereidingsprocedés van de OIV erkend en onderzocht worden. Hierbij moet hoe dan ook worden uitgegaan van wetenschappelijke rapporten die geschraagd worden door de uitkomsten van in de EU uitgevoerde onderzoeksprojecten. |
|
1.5.22 |
Het CvdR dringt erop aan het maximumniveau voor verrijking van het alcoholgehalte met druivenmost op 2 % te laten staan. |
|
1.5.23 |
Het is er niet mee eens dat de wijnbereidingsprocedés van de OIV in de EU automatisch worden toegestaan, zelfs indien de wijnen bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar gebieden waar die procedés zijn goedgekeurd. Voor deze procedés moet de werkwijze gelden die in de vorige paragraaf is genoemd. |
|
1.5.24 |
Het CvdR vindt net als de Commissie dat er gezorgd moet worden voor een aanvaardbaar minimumniveau van milieuzorg bij de bereiding en rijping van wijnen. Er zij op gewezen dat er in dit verband ervaringen zijn opgedaan (gefinancierd uit hoofde van het LIFE-initiatief) die uitstekend van pas kunnen komen. |
|
1.5.25 |
Voorts stemt het in met het voorstel om de etiketteringsbepalingen te vereenvoudigen door een enkel regelgevingskader op te zetten dat voor alle wijncategorieën geldt. Wel herhaalt het dat de consument niet in verwarring mag worden gebracht. De etikettering moet simpel en verhelderend zijn en ten dienste van de consument staan. |
|
1.5.26 |
Volgens het CvdR kan het riskant zijn om het onderscheid in etiketteringsregels voor wijnen mèt en die voor wijnen zònder geografische aanduiding af te schaffen, temeer wanneer beoogd wordt om de vermelding van het oogstjaar en het druivenras op wijnen zonder geografische aanduiding te vergemakkelijken. |
|
1.5.27 |
Daarom is het Comité er tegen dat er op wijnen zonder geografische aanduiding informatie wordt vermeld over bijv. druivenras en oogstjaar. |
|
1.5.28 |
Het CvdR onderschrijft dat het stelsel van traditionele aanduidingen gehandhaafd en verbeterd moet worden. |
|
1.5.29 |
Ook is het ingenomen met het voorstel om het beleid inzake handelsmerken aan te passen en de taalvoorschriften in de wijnsector te wijzigen. |
|
1.5.30 |
Het CvdR benadrukt dat de middelen uit het financieel memorandum van de GMO voor wijn vooral ook besteed moeten worden voor kwaliteits-, afzet- en promotiemaatregelen. |
|
1.5.31 |
De consument moet inderdaad optimale garanties krijgen waar het gaat om informatie over en bescherming van de gezondheid. Dit zou zelfs positief kunnen uitwerken op de consumptie, gezien het feit dat een matig gebruik van wijn bij bepaalde categorieën consumenten een gunstig effect heeft op de gezondheid; voor anderen daarentegen, en bij overmatig gebruik, kan wijn schadelijk zijn. |
|
1.5.32 |
Het CvdR is het ermee eens dat de consumenten zo volledig en waarheidsgetrouw mogelijke informatie moeten krijgen over de oorsprong van het product d.m.v. adequate etiketterings- en traceerbaarheidsvoorschriften. |
|
1.5.33 |
Het stemt in met het voorstel om de consumenten voor te lichten over de milieuaspecten van de gebruikte productie- en behandelingsmethodes. |
|
1.5.34 |
Het CvdR juicht toe dat de Commissie voornemens is om een verantwoord afzetbevorderings- en voorlichtingsbeleid met kracht ter hand te nemen. Zo'n beleid mag echter niet beperkt blijven tot promotieprojecten buiten de EU. |
|
1.5.35 |
Zeer te spreken is het CvdR over het plan om binnen de EU voorlichtingscampagnes over een verantwoorde consumptie van wijn te voeren. Hierbij moet de nadruk worden gelegd op een matige consumptie van wijn en dus ook het verschil worden aangegeven met een overmatig gebruik en de daarmee gepaard gaande negatieve effecten. |
|
1.5.36 |
In het kader van haar gezondheids- en jongerenbeleid moet de Commissie de nodige middelen uittrekken voor initiatieven op het gebied van voorlichting over verantwoorde en matige consumptie van wijn; deze initiatieven zouden ook op lokaal niveau moeten worden ontplooid met medewerking van lokale en regionale overheden, scholen, universiteiten en verenigingen. |
|
1.5.37 |
Het CvdR is er voorstander van om op milieugebied minimumeisen aan de wijnsector te stellen inzake met name bodemerosie en -vervuiling, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en afvalbeheer. |
|
1.5.38 |
Wat de concessies van de EU tijdens de WTO-onderhandelingen betreft, mag de Europese wijnbouwsector niet als pasmunt gebruikt worden om gunstige bepalingen voor andere (al dan niet agrarische) sectoren uit de brand te slepen. |
|
1.5.39 |
Het CvdR is het ermee eens dat de Commissie de naleving van de regelgeving betreffende zgn. onregelmatige en illegale wijngaarden afdwingt en dat zij — als die regels niet worden nageleefd — passende maatregelen neemt in het kader van de procedure voor de goedkeuring van de rekeningen of zo nodig inbreukprocedures inleidt. |
|
1.5.40 |
Gezien de ambitie van de Commissie om de Europese wijnbouwsector concurrerender te maken, kan het CvdR zich er niet in vinden dat het huidige financieel memorandum als een uitgavenplafond wordt beschouwd voor de tenuitvoerlegging van de wetgevingsvoorstellen uit de toekomstige GMO. |
|
1.5.41 |
Het CvdR deelt het streven van de Commissie naar een verstandig gebruik van financiële middelen en naar goed beheer, maar herhaalt dat het financieel memorandum dient te worden aangepast aan de nieuwe behoeften die uit de hervorming voortvloeien. |
|
1.5.42 |
Het CvdR juicht toe dat de Commissie met deze hervorming besparingen wil realiseren. De hervorming zou in haar ogen „tot vereenvoudiging en een betere regelgeving moeten leiden, wat positieve gevolgen zou hebben aangezien de beheerskosten en de met statistisch toezicht gemoeide kosten zouden worden beperkt en de uitvoering en de controle zouden worden vergemakkelijkt, zodat ook het risico op fraude en op misbruik van overheidsmiddelen zou afnemen. Bovendien zou het beheer doelmatiger worden dankzij meer subsidiariteit voor de lidstaten bij de bepaling van het type van maatregelen dat zij nodig hebben om op hun specifieke situatie in te spelen”. Het CvdR wijst echter op de toename van de controletaken bij de etikettering van wijnen zonder geografische aanduiding, alsook op de overheveling (ter wille van de subsidiariteit) van tot dusverre door de Commissie verrichte controletaken naar de lidstaten, zodat het eindresultaat naar verwachting gelijk zal zijn. |
|
1.5.43 |
Het CvdR is er tegen om het verbod op wijnproductie met behulp van ingevoerde most op te heffen. Zulks om het gevaar van wijnvervalsing, handelsscheeftrekkingen en de toename van productieoverschotten tegen te gaan. Een en ander kan ook de kwaliteit schaden en het voor de consument moeilijk maken oorsprong, herkomst en identiteit van de wijn vast te stellen. |
|
1.5.44 |
Het CvdR pleit ervoor dat uitsluitend op grond van toegekende rechten nieuw mag worden aangeplant. Op die manier kan worden tegengegaan dat het wijnbouwpotentieel zich ontwikkelt op een manier die de markt negatief beïnvloedt. |
|
1.5.45 |
Bij de erkenning van door de internationale wijnorganisatie OIV toegelaten enologische praktijken moet ook aandacht worden besteed aan de bescherming van gevestigde Europese enologische tradities. |
|
1.5.46 |
Het Comité is geen voorstander van afschaffing van de vereiste inzake een natuurlijk minimumalcoholgehalte van wijnen. |
2. Aanbevelingen van het Comité van de Regio's
Algemene visie op de nieuwe GMO voor wijn
|
2.1 |
Het CvdR is voorstander van een Europees wijnbouwmodel dat op de pijlers kwaliteit, concurrentievermogen en markt berust. Door ruimere markttoegang en vergroting van de aanwezigheid van de Europese wijnen op de wereldmarkten moet het mogelijk worden om tot een duurzame Europese wijnbouwsector te komen. |
|
2.2 |
Het pleit voor een matige consumptie van wijn waarbij via promotiemaatregelen de aandacht wordt gevestigd op de gunstige effecten hiervan voor de gezondheid, op de culturele aspecten van wijn en op het Europese levensmiddelenproductiemodel, dat kwaliteit, traditie, de regionale dimensie en traditionele culturele praktijken hoog in het vaandel heeft staan. |
|
2.3 |
Op alle EU-beleidsterreinen die met de wijnbouwsector verband houden (landbouw, volksgezondheid, belastingen, begroting, handel) dient voor harmonisatie en samenhang te worden gezorgd. |
|
2.4 |
Om hier concreet werk van te maken zou in de regelgeving van de nieuwe GMO voor wijn en in het bijbehorende financieel memorandum in eerste instantie moeten worden uitgegaan van het streven naar kwaliteit, ruimere afzetmogelijkheden en betere voorlichting en promotie, alsmede naar instandhouding van de traditionele Europese wijnbouwbedrijven, de landbouw in landelijke gebieden, de ruimtelijke ordening en de onmisbare rol die de wijnbouw in bepaalde regio's speelt op het gebied van milieubescherming. |
|
2.5 |
De financiële middelen moeten bij voorrang sterk op deze doelstellingen zijn afgestemd, waarbij gekozen moet worden voor een horizontale invalshoek (Europees beleid). |
Specifieke aanbevelingen
|
2.6 |
Aangezien de wijnconsumptie in Europa daalt, productie en afzet er structureel niet in evenwicht zijn en de positie van Europa in de wereld er in de voorbije jaren relatief op achteruit is gegaan, is het absoluut noodzakelijk dat de wijnbouwsector wordt hervormd via een specifieke GMO voor deze sector. |
|
2.7 |
Nooit mag uit het oog worden verloren welke rol de wijnsector speelt bij de instandhouding van de landbouw, het platteland, het landschap, de cultuur en de ruimtelijke ordening. Evenmin mag worden voorbijgegaan aan de rol van de landbouwers bij de opbouw van Europa. De hervormingsvoorstellen mogen dan ook niet „te economisch” zijn gekleurd, temeer daar de Europese landbouwsector in het algemeen erg kwetsbaar is. Derhalve moet de Commissie in haar voorstellen ook de sociale en sociaal-economische aspecten in aanmerking blijven nemen. Het voorstel om op grote schaal wijngaarden te rooien en de sector vanaf 2013 vrij te maken, dat louter door economische en liberaliseringsoverwegingen lijkt te zijn ingegeven, druist overduidelijk in tegen de gewenste instandhouding van de landbouw en de ruimtelijke ordening, omdat het ertoe leidt dat de wijnbouw wordt opgegeven. |
|
2.8 |
Het CvdR zou graag zien dat de Commissie het stimuleren van de kwaliteit van wijnen die geproduceerd worden in benadeelde bergstreken en kansarme regio's sterker ondersteunt door middel van financiering via de nationale financieringskaders. |
|
2.9 |
Het is hoog tijd dat er maatregelen komen om de problemen in de Europese wijnsector op te lossen. Het CvdR stelt daarom voor dat alle voorstellen uit het definitieve hervormingsdocument met onmiddellijke ingang ten uitvoer worden gelegd. Sommige maatregelen (bijv. die op het vlak van promotie en afzet) moeten worden opgevoerd, terwijl andere (marktmaatregelen) moeten worden afgebouwd. Dit dient te gebeuren binnen de grenzen van het huidige financieel memorandum, of indien nodig via een verhoging van het budget. |
|
2.10 |
De voorgestelde regeling moet erop gericht zijn om de Europese wijnbouwproductie op middellange en lange termijn een belangrijkere plaats te geven op de wereldmarkten. |
|
2.11 |
Er mag niet worden geraakt aan de financiële middelen uit het huidige financieel memorandum. |
|
2.12 |
Er moet overleg plaatsvinden om te zorgen voor coördinatie en harmonisatie op de EU-beleidsterreinen die met de wijnbouwsector verband houden: landbouw, belastingen, handel, volksgezondheid en begroting. |
|
2.13 |
De wijnbereidingsprocedés mogen de consument in geen geval op het verkeerde been zetten, hetgeen kan gebeuren als er een loopje wordt genomen met de huidige procedés die in de ogen van de consument voor kwaliteit staan. Dit is schadelijk voor Europese regio's die wijn maken volgens traditionele methoden waarbij de kwaliteit van het eindproduct vooropstaat en de goede tradities van de wijnproductie in de EU worden behouden. |
|
2.14 |
Het CvdR gaat akkoord met de invoering van een zgn. „nationaal totaalbedrag”, mits dit er niet op neerkomt dat het GLB weer op nationale leest wordt geschoeid. Het dringt erop aan dat er een uitgebreide en concrete omschrijving wordt gegeven van de maatregelen die met toestemming van de EU ten laste van dit nationale budget kunnen worden gefinancierd. Vanuit het oogpunt van subsidiariteit zouden deze fondsen beheerd moeten worden door de regio's. |
|
2.15 |
Met het oog op internationale erkenning van het concept „geografische aanduiding” stelt het CvdR voor dat de Commissie — in het kader van de WTO-overeenkomst over de handelsaspecten van intellectuele eigendom (TRIPs) — een lans breekt voor wijnen met geografische aanduiding en beter in de verf zet waarin deze zich van andere onderscheiden. |
|
2.16 |
Etiketteringsregels moeten ten doel hebben om de consumenten duidelijk en beknopt te informeren, waarbij differentiëring voorop moet staan. Dit mag niet ten koste gaan van waarheidsgetrouwe garanties over de bereiding van wijnen die van hogere kwaliteit zijn dan andere. Dergelijke garanties moeten geschraagd worden door adequate controlesystemen. Met duidelijke etikettering moet uiteindelijk beoogd worden om de consumenten over het product voor te lichten, waarbij de gehanteerde termen hen in staat moeten stellen om bepaalde procedés duidelijk van andere te onderscheiden. |
|
2.17 |
De programma's voor de herstructurering en omschakeling van wijngaarden zouden in het kader van het nationale totaalbedrag moeten worden gehandhaafd. Hierbij zou vooral gekeken moeten worden naar de wijnbouwmodellen die het meest doeltreffend zijn vanuit het oogpunt van controle en om de doelstellingen van genoemde programma's te verwezenlijken. |
|
2.18 |
Het CvdR onderschrijft dat het Europese concept van kwaliteitswijnen, dat gebaseerd is op geografische oorsprongsaanduidingen (vqprd's, d.w.z. in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijnen), ook elders ter wereld moet worden ingevoerd. Dit concept moet versterkt, bevestigd, gepromoot en benut worden. |
|
2.19 |
De wijnbereidingsprocedés van de OIV mogen in de EU niet automatisch worden toegestaan zonder dat er op wetenschappelijke basis de nodige onderzoeken en experimenten zijn gedaan. |
|
2.20 |
De middelen uit het financieel memorandum van de GMO voor wijn moeten vooral gebruikt worden voor maatregelen op het gebied van kwaliteit, afzet en promotie. |
|
2.21 |
Als onderdeel van het promotiebeleid moeten er voorlichtingscampagnes gevoerd worden over een matige en verantwoorde consumptie van wijn, maar ook over het Europese model voor de productie van kwalitatief goede levensmiddelen, de kenmerken daarvan, de verbondenheid met het grondgebied, culturele en historische aspecten en volkstradities. Hiertoe moet gebruik worden gemaakt van een stelsel van economische steunmaatregelen binnen de GMO zelf, alsook van andere, huidige of toekomstige EU-instrumenten inzake promotie van levensmiddelen. |
|
2.22 |
Zeer te spreken is het CvdR over het plan om binnen de EU voorlichtingscampagnes over een verantwoorde en matige consumptie van wijn te voeren. Het hoopt dat er ook op lokaal niveau initiatieven in dit verband zullen worden ontplooid met medewerking van lokale overheden, scholen, universiteiten en verenigingen. |
Brussel, 6 december 2006.
De voorzitter
van het Comité van de Regio's
Michel DELEBARRE
|
10.3.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 57/7 |
Advies van het Comité van de Regio's over de „Mededeling: Het biodiversiteitsverlies tegen 2010 — en daarna — tot staan brengen”
(2007/C 57/02)
HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,
GEZIEN de mededeling: „Het biodiversiteitverlies tegen 2010 — en daarna — tot staan brengen. De ecosysteemdiensten in stand houden in het belang van de mens” en zijn bijlagen, vooral het actieplan (COM (2006) 216 final);
GEZIEN het besluit van de Europese Commissie van 2 december 2005 om het Comité overeenkomstig artikel 265, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap over dit vraagstuk te raadplegen;
GEZIEN het besluit van 25 april 2006 om de commissie „Duurzame Ontwikkeling” met de voorbereiding van een advies over deze kwestie te belasten;
GEZIEN Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand;
GEZIEN zijn advies van 12 februari 2003 over de mededeling: Naar een thematische strategie inzake bodembescherming — CdR 190/2002 final (1);
GEZIEN zijn advies van 17 november 2005 over De bijdrage van lokale en regionale overheden aan de bestrijding van klimaatveranderingen — CdR 215/2005 final;
GEZIEN zijn advies van 26 april 2006 over het Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (COM(2005) 505 final — 2005/0211 (COD)) en de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Thematische strategie inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu (COM(2005) 504 final) — CdR 46/2006 final;
GEZIEN zijn ontwerpadvies (CdR 159/2006 rev. 1) dat op 6 oktober 2006 door de commissie „Duurzame ontwikkeling” werd goedgekeurd (rapporteur: de heer Van Gelder, Commissaris van de Koningin in de Provincie Zeeland, NL/EVP).
heeft tijdens zijn 67e zitting van 6 en 7 december 2006 (vergadering van 6 december) het volgende advies uitgebracht:
Standpunten en aanbevelingen van het Comité van de Regio's
Het Comité van de Regio's:
1. Algemene opmerkingen
|
1.1 |
is ingenomen met deze Mededeling en het voorgestelde actieplan. Hierin is een nauwkeurige beschrijving van de actuele situatie gegeven en zijn de maatregelen genoemd die de 2010 doelstelling helpen realiseren. De analyse van de Commissie is juist, maar het Comité van de Regio's betreurt de vertraging van de publicatie; |
|
1.2 |
is van mening dat biodiversiteit in hoge mate de identiteit van de regio bepaald; benadrukt dat biodiversiteit een belangrijke basis is voor levenskwaliteit en gezondheid, alsook voor recreatie en toerisme en de productie van streekeigen producten en diensten; |
|
1.3 |
wijst erop dat met de komst van de tien nieuwe lidstaten van de Europese Unie het aantal waardevolle soorten en ecosystemen is toegenomen; |
|
1.4 |
is verheugd over de conclusies van de Raad van 23 en 24 maart 2006, waarin wordt opgeroepen om de doelstellingen voor 2010 te integreren in al het beleid bepaald in de Lissabon-agenda. Door plattelandsontwikkelingsplannen die in talrijke regio's uitgevoerd zijn, blijkt dat de spanning tussen economie en biodiversiteit op te lossen is; |
|
1.5 |
wijst erop dat in tegenstelling tot de intrinsieke waarde van biodiversiteit, die algemeen wordt erkend, de economische waarde wordt onderschat. Op lange termijn is biodiversiteit een conditio sine qua non voor gezondheid, een hoge levensstandaard en werkzekerheid; |
|
1.6 |
dringt erop aan om moderne samenwerkingsverbanden tussen alle betrokkenen op te zetten, om het besef van burgers (vooral kinderen), overheid en bedrijfsleven van het belang van biodiversiteit te vergroten, zodat men zich gezamenlijk gaat inspannen voor het behoud van biodiversiteit en duurzame ecosysteemdiensten; |
|
1.7 |
betreurt dat ondanks de politieke toezeggingen van alle lidstaten de 2010-doelstelling nog ver weg is en dringt aan om biodiversiteit hoog op de politieke agenda van alle bestuursniveaus te plaatsten; |
|
1.8 |
is verheugd dat er talloze voorbeelden op lokaal en regionaal niveau zijn waaruit blijkt dat biodiversiteitsverlies tot staan kan worden gebracht en habitats kunnen worden hersteld (zie bijlage — CdR 159/2006 bijlage); |
2. Biodiversiteit in de EU
|
2.1 |
betreurt dat er in de financiële vooruitzichten 2007-2013 onvoldoende EU-geld geoormerkt is voor de financiering van de 2010-doelstellingen, met name voor het Natura 2000-initiatief en plattelandsontwikkeling; pleit er daarom voor dat de lidstaten hun regio's en gemeenten de middelen geven om de biodiversiteit op hun grondgebied te beschermen en te herstellen, en bijvoorbeeld de Natura 2000-gebieden in stand te houden, en dringt aan om meer geld uit structuurfondsen en het cohesiefonds in te zetten voor projecten met positieve gevolgen voor de biodiversiteit; |
|
2.2 |
wijst erop dat voor een optimale realisering en behoud van het ecologisch netwerk, Natura 2000, het vinden van een goede balans tussen de topdown-benadering en de noodzakelijke flexibiliteit in de totstandkoming van dit netwerk van groot belang voor regio's is. Voor alle plaatsen uit dat netwerk moeten homogene beheerscriteria worden vastgelegd; |
|
2.3 |
benadrukt dat een nog fijnmaziger netwerk van groot belang is, ook voor het mariene milieu, voor duurzame ecosystemen, en is verheugd over de nadruk op dit fijnmazige netwerk in het licht van de gevolgen van klimaatverandering op habitat en soorten; voorts verzoekt het om instandhoudingsmaatregelen voor bufferzones en milieucorridors die garanderen dat de plaatsen uit het netwerk levensvatbaar blijven; |
|
2.4 |
stelt vast dat het door de EU gecreëerde beleidskader en de wetgeving in een aanzienlijke bescherming van de biodiversiteit voorzien,. Toch schiet in veel lidstaten de implementatie en monitoring tekort en wordt er bij de inrichting van nieuwe gebieden ter bescherming van de biodiversiteit te weinig rekening gehouden met de vereisten van duurzame ontwikkeling; |
|
2.5 |
beveelt aan om biodiversiteitsplannen op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau op elkaar af te stemmen; |
|
2.6 |
benadrukt dat, gelet op het feit dat veel maatregelen uit het actieprogramma alleen doeltreffend geïmplementeerd kunnen worden als de regionale en lokale autoriteiten daarop invloed kunnen uitoefenen en een stem in het kapittel krijgen, vertegenwoordigers van gemeenten en regio's actief betrokken dienen te worden bij nieuwe beleidsontwikkelingen op het gebied van biodiversiteit en de beschikking moeten krijgen over de hiertoe benodigde middelen; |
|
2.7 |
is zich bewust van de grote invloed die de landbouw heeft op de biodiversiteit in de EU: Afhankelijk van hoe land wordt beheerd, kan de landbouw enorm goed zijn voor de biodiversiteit en veilige havens bieden aan zeer veel verschillende soorten, ofwel de biodiversiteit ernstige schade toebrengen doordat habitats worden verwoest en het milieu wordt vervuild; merkt op dat het grootste deel van de EU-begroting nog steeds naar de landbouw gaat, en dat daarmee de EU een belangrijk instrument in handen heeft om het landgebruik door de agrarische sector te beïnvloeden, en het pleit ervoor om bij de herziening in 2008 van de financiële vooruitzichten 2007-2013 een aanzienlijk deel van de middelen te bestemmen voor duurzame landbouw en behoud van het landschap; |
|
2.8 |
pleit ervoor dat de Commissie en de lidstaten de impact van bestaande subsidies op de biodiversiteit moeten evalueren en prikkels moeten afschaffen die een averechts effect hebben op de biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Het toenemende gebruik van economische instrumenten voor de bescherming van de biodiversiteit moet worden aangemoedigd; |
|
2.9 |
acht het wenselijk om niet alleen in het kader van het milieubeleid aandacht te schenken aan biodiversiteit, maar dat het tevens een thema moet worden van ander Europees en nationaal beleid, met name van het vervoers-, energie-, industrie-, landbouw-, visserij-, regionaal, toerisme- en onderzoeksbeleid; |
|
2.10 |
is zich terdege bewust van het belang van zee en kustwateren als drager van bijna de helft van de Europese biodiversiteit en pleit voor een grotere bewustwording van het mariene biodiversiteitbeleid bij de overheden en betrokkenen; wijst hiervoor op het belang van de versnelde implementatie van de Habitats-richtlijn in het marine milieu, het stoppen van overbevissing zowel in Europese als niet-Europese wateren en de volledige integratie van biodiversiteit in het te ontwikkelen Europese maritieme beleid; |
|
2.11 |
merkt op dat de mogelijkheid om op Europees niveau maatregelen op het gebied van ruimtelijk beleid te nemen beperkt is, aangezien ruimtelijke ordening — hét beleidsterrein voor behoud en herstel van biodiversiteit — een bevoegdheid is van de lidstaten; dringt aan om op nationaal, regionaal en lokaal niveau het biodiversiteitaspect zwaar te laten meewegen in besluiten op het vlak van ruimtelijke ordening, vooral door middel van de Strategische milieubeoordeling; |
|
2.12 |
is ervan overtuigd dat bij de ontwikkeling en uitvoering van beleid om invasieve uitheemse soorten tegen te gaan, de huidige regelgeving efficiënter moet worden toegepast en geïmplementeerd, en roept op om de regio's hierbij beter te betrekken; |
|
2.13 |
is ingenomen met de plannen voor de ontwikkeling van een alomvattende EU-strategie invasieve uitheemse soorten, inclusief het opzetten van een vroegtijdig waarschuwingssysteem. Gezien de beperkingen op het vlak van financiële en personele middelen mogen er echter geen nieuwe administratieve lasten bijkomen; |
|
2.14 |
pleit voor het opstellen van basiswetgeving en van lijsten van uitheemse soorten, met maatregelen voor het invoeren, verhandelen en houden van deze soorten, zodat er op Europees niveau gecoördineerd en gezamenlijk kan worden opgetreden; spoort de Commissie tevens aan, de EU-wetgeving over milieu-effectbeoordelingen zodanig te herzien dat ook wordt nagegaan wat de effecten zijn van projecten waarbij sprake is van de invoering van of het werken met potentieel invasieve uitheemse soorten; |
|
2.15 |
wijst erop dat behoud van de biodiversiteit, en van planten- en dierensoorten in het bijzonder, niet vereist dat gebruik en benutting ervan worden verboden, maar goed geregeld en gecontroleerd worden en duurzaam zijn; |
|
2.16 |
beveelt aan om het voorzorgsbeginsel strikt toe te passen bij de toelating en introductie van gmo's; |
3. De EU en de biodiversiteit op wereldschaal
|
3.1 |
merkt op dat de besluiten die werden genomen tijdens de in maart 2006 in het Braziliaanse Curitiba gehouden 8e Conferentie van de Partijen bij de Conventie inzake Biologische Diversiteit een belangrijke stap voorwaarts vormen; wetende dat de 9e Conferentie begin 2008 in Bonn onder Duits voorzitterschap zal plaatsvinden, pleit het ervoor dat de EU en de lidstaten de gelegenheid benutten om de evaluatie van de Commissiemededeling over biodiversiteit te presenteren en om ook een bijeenkomst voor te bereiden waar de regionale en lokale overheden, ook via de relevante nationale verenigingen, intensiever bij worden betrokken; |
|
3.2 |
is verheugd over goede voorbeelden van regio's die bij het verlenen van ontwikkelingshulp hun ervaringen met biodiversiteitvraagstukken aan hun partnerregio's overbrengen en steun geven aan maatregelen van hun partnerregio's ter bevordering van de biodiversiteit (zie bijlage); |
|
3.3 |
merkt op dat de EU ook verantwoordelijkheid draagt voor het behoud van de biodiversiteit wereldwijd; is zich bewust van dit gegeven en beveelt aan om daarmee in het handels- en ontwikkelingsbeleid meer rekening te houden; |
4. Biodiversiteit en klimaatverandering
|
4.1 |
beseft dat beleid tot behoud van de biodiversiteit inderdaad alleen maar succesvol kan zijn als er wereldwijd ambitieuze beleidsmaatregelen worden genomen om de klimaatverandering een halt toe te roepen; acht het van belang dat de lidstaten die nog niet voldoen aan hun verplichtingen uit het Kyoto-protocol deze achterstand inhalen; acht het wenselijk dat er een ambitieus mondiaal verdrag ter bestrijding van de klimaatverandering wordt gesloten, waarbij alle belangrijke producerende landen en productiesectoren partij zijn; |
|
4.2 |
beveelt aan om regionaal onderzoek te laten doen naar effecten van klimaatverandering; |
|
4.3 |
voegt toe dat hoewel de beleidsontwikkeling van biobrandstof belangrijk kan zijn om klimaatverandering tegen te gaan, dit slechts effectief kan zijn als dit hand in hand gaat met maatregelen voor aanzienlijke reducties in totaal brandstofgebruik en wanneer enkel gebruik gemaakt wordt van grondstoffen, technieken en gewassen die de biodiversiteit nationaal en internationaal niet negatief beïnvloeden en dit niet tot gevolg heeft dat het landbouwareaal uitgebreid wordt in biologisch waardevolle ecosystemen; |
5. De kennisbasis
|
5.1 |
wijst er op dat de toegankelijkheid en het vergroten van de kennis over het behoud en duurzaam gebruik van biodiversiteit in Europa en wereldwijd essentieel zijn. Dit houdt ook de uitwisseling van voorbeelden in tussen de lidstaten en regio's (zie bijlage); daarom moet de interoperabiliteit tussen de op de verschillende niveaus beschikbare biodiversiteitsgegevens worden verbeterd, waarbij vooral rekening moet worden gehouden met de gegevens op regionaal en lokaal niveau en gebruikgemaakt moet worden van GIS-instrumenten (Geographical Information System) en Spatial Data Infrastructure (SDI); |
|
5.2 |
benadrukt dat de kennis van vooral het mariene milieu over biodiversiteit onvoldoende is en beveelt aan hier iets aan te doen: |
|
5.3 |
voegt toe dat, naast de door de Commissie genoemde wetenschappelijke kennis, er meer aandacht besteed moet worden aan de kennis en kunde van de inwoners van het gebied zelf en beveelt aan dat kennis van vrijwilligers gecombineerd wordt met de wetenschap; dringt erop aan kinderen hierbij te betrekken; |
|
5.4 |
beveelt aan, communicatiestrategieën uit te werken om op alle niveaus en terreinen de burgers ervan bewust te maken dat de biodiversiteit beschermd en behouden moet worden, en te bevorderen dat eenieder zich hiervoor verantwoordelijk voelt; in dit verband bepleit het ook dat wetenschappers en overheid informatie uitwisselen; |
6. De vier belangrijkste ondersteunende maatregelen
Zorgen voor een toereikende financiering
|
6.1 |
constateert dat er weinig geld beschikbaar lijkt te gaan komen voor biodiversiteit via LIFE+, het onderzoeksbudget en verder bestaat het risico dat lidstaten het biodiversiteitsbelang onvoldoende meenemen in het huidige structuurfonds; |
|
6.2 |
constateert hier een spanning tussen de aanzienlijke ambities van de Mededeling en de middelen om die ambities te realiseren; |
Versterking van de beleidsvorming op EU-niveau
|
6.3 |
onderschrijft de ideeën die gepresenteerd worden om in de Europese besluitvorming het accent sterker op de biodiversiteit te leggen; beveelt een niet-vrijblijvende integratie van biodiversiteit in andere beleidsterreinen aan; steunt het idee van het actieplan om naast lidstaten ook de regio's hierbij te betrekken; |
Opbouwen van partnerschappen
|
6.4 |
vertrouwt erop dat het aangaan van samenwerkingsverbanden binnen de EU wordt aangemoedigd. De regio's zijn uitstekend toegerust om die faciliterende rol op zich te nemen; wijst op de succesvolle samenwerking in EU programma's en hun resultaten (bijlage); |
|
6.5 |
onderstreept dat particuliere eigenaren van terreinen bij het behoud van de biodiversiteit moeten worden betrokken via instrumenten zoals samenwerkingsovereenkomsten; |
Bewustmaking en grotere deelname van het publiek
|
6.6 |
benadrukt het belang van een grotere betrokkenheid van burgers want, als de burger niet het belang van biodiversiteit en ecosysteemdiensten inziet, zullen projecten minder kans van slagen hebben, en beveelt aan om Europees en nationaal geld beschikbaar te stellen voor burgerinitiatieven; |
|
6.7 |
adviseert om in nauw verband met het Countdown 2010-initiatief en het Beautiful Europe-Initiatief een communicatiestrategie uit te werken voor lidstaten, ngo's en de regionale en lokale overheden teneinde de voor 2010 gestelde doelstellingen te promoten; |
7. Monitoring, evaluatie en herziening
|
7.1 |
steunt de samenwerking tussen de lidstaten en de particuliere sector en benadrukt dat burgers, vrijwilligers, over heel Europa sterk betrokken zijn bij het monitoren van biodiversiteit; |
|
7.2 |
pleit ervoor om lidstaten te motiveren de resultaten van hun beleid te presenteren op een manier die de burger herkent en aanspreekt, waarbij de regio's herkenbaar zijn; |
|
7.3 |
wijst erop dat regionale monitoring een basis zou moeten vormen voor nationale en internationale monitoring en evaluatie. Hiertoe moeten doeltreffende monitoringsystemen worden uitgewerkt waarbij wordt uitgegaan van indicatoren en periodieke verslagen; |
8. Visie
|
8.1 |
is verheugd over het voorstel voor een EU-brede visie over de toekomst van de Europese biodiversiteit en benadrukt het grote belang om de regio's daarbij te betrekken; |
|
8.2 |
wil pleiten voor een vernieuwende visie voor de benadering van biodiversiteit die verder loopt dan 2010 en waarin het accent wordt gelegd op de positieve bijdrage van ecosysteemdiensten gerelateerd aan de omgeving (het landschap). |
Brussel, 6 december 2006.
De voorzitter
van het Comité van de Regio's
M. DELEBARRE
(1) PB C 128 van 29.05.2003, blz. 43.
|
10.3.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 57/11 |
Advies van het Comité van de Regio's over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Verslag over de uitvoering van de nationale maatregelen betreffende de coëxistentie van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele en biologische landbouw
(2007/C 57/03)
HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,
GEZIEN de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Verslag over de uitvoering van de nationale maatregelen betreffende de coëxistentie van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele en biologische landbouw (COM(2006) 104 final),
GEZIEN het besluit van de Commissie van 2 december 2005 om het Comité van de Regio's overeenkomstig art. 265, eerste alinea, van het EG-Verdrag hierover te raadplegen,
GEZIEN het besluit van zijn bureau van 25 april 2006 om de commissie Duurzame ontwikkeling met de desbetreffende voorbereidende werkzaamheden te belasten,
GEZIEN Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (1),
GEZIEN Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (2),
GEZIEN Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van GGO's in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad (3),
GEZIEN de resolutie van het Europees Parlement over de coëxistentie van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele en biologische landbouw (2003/2098(INI)),
GEZIEN Aanbeveling 2003/556/EG van de Commissie van 23 juli 2003 over richtsnoeren voor de ontwikkeling van nationale strategieën en beste werkwijzen ter waarborging van de coëxistentie van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele en biologische landbouw,
GEZIEN het op 16 december 2004 goedgekeurde initiatiefadvies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Coëxistentie van genetisch gemodificeerde gewassen, conventionele en biogewassen” (4),
GEZIEN zijn ontwerpadvies (CdR 149/2006 rév. 2), dat door de commissie Duurzame ontwikkeling op 6 oktober 2006 is goedgekeurd (rapporteur: de heer MARRAZZO, voorzitter van de regioraad Lazio, IT/PSE);
1. Overwegende hetgeen volgt:
|
1.1 |
In de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement „Verslag over de uitvoering van de nationale maatregelen betreffende de coëxistentie van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele en biologische landbouw” (COM(2006) 104 final), hierna aangeduid als het „Verslag”, worden de milieu- en gezondheidsaspecten grotendeels gescheiden van de economische aspecten van de coëxistentie van genetisch gemodificeerde, conventionele en biologische landbouwteelten. |
|
1.2 |
De analyse van de risico's voor volksgezondheid en milieu is slechts een van meerdere fases van de procedure voor de verlening van toestemming voor een GGO, zoals voorgeschreven bij Richtlijn 2001/18/EG. Deze procedure bevat tevens specifieke coëxistentiemaatregelen, met de wettelijke verplichting om die maatregelen toe te passen. |
|
1.3 |
Met dit advies wil het Comité de behandeling van het coëxistentievraagstuk, dat tot dusverre uitsluitend vanuit economisch oogpunt werd benaderd, heroriënteren op de criteria die voortvloeien uit het voorzorgsbeginsel. Ook conventionele of biologische landbouw maken deel uit van het milieu en verdienen daarom volgens het voorzorgsbeginsel bescherming. Nu het Europese moratorium op de invoer van GGO's in 2004 is verlopen, zullen steeds meer GGO's tot het grondgebied van de Europese Unie worden toegelaten. Het is dan ook zaak, onomkeerbare gevolgen en speculaties te voorkómen. |
|
1.4 |
De correcte toepassing van de coëxistentiemethode van de landbouwsystemen vergt een harmonisatie van de milieu- en gezondheidsaspecten enerzijds en de economische aspecten anderzijds. De coëxistentie van de landbouwsystemen, waarbij iedere vorm van landbouw — conventioneel, biologisch of met gebruikmaking van GGO's — kan voortbestaan, is alleen mogelijk indien alle teeltmethoden worden beschermd. Alle vormen van conventionele, biologische of genetisch gemodificeerde landbouwteelt dienen — en dat dus niet alleen in economisch opzicht — op gelijke voet te worden behandeld, omdat het begrip „coëxistentie” anders een lege huls blijft. |
|
1.5 |
Op de conferentie van Wenen (4 t/m 6 april 2006) heeft de EU er de voorkeur aan gegeven geen standpunt over coëxistentie in te nemen, en de landbouwers de vrije keuze te laten tussen een traditionele of biologische landbouwteelt, dan wel te opteren voor GGO-methoden. Hiervoor werden twee argumenten aangedragen: in de eerste plaats de territoriale verscheidenheid van de lidstaten, in de tweede plaats de zeer uiteenlopende resultaten van het geringe aantal experimenten dat daarmee tot nu toe is gedaan. |
|
1.6 |
Het wordt dus aan de markt overgelaten om oplossingen aan te dragen, mede afhankelijk van de keuze van de consumenten, die vrij kunnen blijven kiezen of zij al dan niet met GGO's verkregen producten wensen te kopen. |
|
1.7 |
De bevoegde nationale autoriteiten hebben deelgenomen aan de technische ontmoeting van 19 juni 2006 en aan de vergadering van de krachtens Richtlijn 2001/18/EG bevoegde autoriteiten van 3 juli 2006. De volgende ontmoeting vindt plaats in januari 2007, en zal gaan over aardappelen, maïs BT11 e maïs 1570. |
|
1.8 |
Tijdens beide ontmoetingen is overeengekomen dat de problematiek i.v.m. volksgezondheid en milieu weer in de discussie moet worden gebracht: zeven van de acht lidstaten hebben het zwaartepunt opnieuw bij de spilfunctie van het voorzorgsbeginsel gelegd; voor maïs BT11 hebben acht van de negen lidstaten opmerkingen, waar de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna: EFSA) niets mee heeft gedaan; voor maïs 1570 hebben acht van de negen lidstaten er hun beklag over gedaan dat er niet genoeg wetenschappelijke gegevens over de milieugevolgen waren; voor de monitoringprogramma's heeft de EFSA in zeven van de negen gevallen geen rekening gehouden met de geuite kritiek. |
|
1.9 |
Alles welbeschouwd houdt de Europese wetgeving in wezen al in dat er voortdurend aandacht moet zijn voor de potentiële risico's voor volksgezondheid en milieu: het zou dan ook tegenstrijdig zijn om het vraagstuk van de coëxistentie van landbouwsystemen uitsluitend vanuit economische oogpunt te benaderen. |
|
1.10 |
Het voorzorgsbeginsel, zoals bepaald in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 178/2002, vormt de basis voor het verrichten van een risicoanalyse; het kan worden toegepast als er gevaar dreigt en als het wetenschappelijk niet mogelijk is de veiligheid op voorhand volledig aan te tonen (zie in dit verband het arrest van het Europees Hof van Justitie van 9 september 2003 in de zaak C-236/01). |
|
1.11 |
In de oorspronkelijke formulering gaat het voorzorgsbeginsel terug op het beginsel van duurzame ontwikkeling. |
|
1.12 |
Het beginsel van duurzame ontwikkeling kan worden gedefinieerd als de interactie tussen menselijke activiteiten en de algemene biofysische context: deze relatie moet zo worden beheerd dat zowel menselijke vooruitgang als bescherming van het algemene biofysische evenwicht mogelijk zijn en dat daartussen de juiste balans wordt behouden. |
|
1.13 |
Een summiere verwijzing naar de definities van de beginselen van voorzorg en van duurzame ontwikkeling is niet overbodig, aangezien in feite wordt aangenomen dat deze beginselen onlosmakelijk verbonden zijn met de correcte totstandbrenging van de coëxistentie van landbouwsystemen. |
|
1.14 |
Met de Verordening betreffende eenduidige identificatienummers (5), het besluit betreffende het bijhouden van registers (6) en de uitvoeringsverordening van Verordening (EG) nr. 1829/2003 zijn de voorwaarden geschapen voor de correcte empirische toepassing van het criterium van coëxistentie van landbouwsystemen, waarbij transparantie en traceerbaarheid verzekerd zijn. |
|
1.15 |
Deze wetgeving wordt aangevuld met de verplichting om op het etiket te vermelden dat producten en levensmiddelen ten gevolge van technisch onvermijdbare vermenging meer GGO's dan de toegelaten hoeveelheid kunnen bevatten, en dat deze traceerbaar moeten zijn. |
|
1.16 |
Er wordt dus zorgvuldig te werk gegaan: er dient een nauwkeurige risico-evaluatie en –monitoring plaats te vinden vooraleer producten die met GGO's zijn verkregen, worden onderzocht, geproduceerd en in de handel gebracht. |
|
1.17 |
Dat er een risico bestaat voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu, is nooit onder stoelen of banken gestoken en daarvan wordt zelfs stelselmatig in de consideransen bij alle desbetreffende communautaire wetsteksten melding gemaakt. |
|
1.18 |
Bij het verlenen van toestemming voor het in de handel brengen in de EU van nieuwe genetisch gemodificeerde producten moet rekening worden gehouden met het risico van accidentele genetische contaminatie in de landbouw en met de economische impact van vermenging van genetisch gemodificeerde en niet-genetisch gemodificeerde gewassen. |
|
1.19 |
Tot dusver heeft de EU toestemming gegeven voor de introductie in de lidstaten van een beperkt aantal GGO-variëteiten. |
|
1.20 |
Een en ander heeft in feite de geleidelijke introductie van genetisch gemodificeerde gewassen in Europa gelegitimeerd; dit heeft scherpe kritiek uitgelokt, omdat dergelijke teelten niet verenigbaar zijn met andere teelten en de onschadelijkheid van GGO's voor het milieu (dat als gedifferentieerd genetisch erfgoed wordt beschouwd) en voor de menselijke gezondheid niet is aangetoond. |
|
1.21 |
In de communautaire wetgeving wordt rekening gehouden met het risico van accidentele contaminatie: er wordt erkend dat de accidentele introductie van GGO's in biologische of traditionele gewassen „technisch onvermijdelijk” is; een „nultolerantie”-scenario wordt bijgevolg uitgesloten. |
|
1.22 |
Accidentele contaminatie brengt voor traditionele en biologische landbouwbedrijven extra kosten met zich mee, omdat passende maatregelen moeten worden genomen om die contaminatie te voorkomen. Tevens is dit schadelijk voor de biologische teelt, die immers is gebaseerd op de zuiverheid van de toegepaste teeltmethode en op het resultaat daarvan. |
|
1.23 |
Het beginsel dat het alle landbouwers vrij staat om economische initiatieven te ontplooien, moet worden gevrijwaard; dit betekent niet alleen dat zij vrij zijn om de economisch meest geschikte productiemethode te kiezen, maar ook dat het nodig is om de gekozen teelten gescheiden te houden, teneinde wederzijdse contaminatie te voorkomen. |
|
1.24 |
Tegelijkertijd moet evenwel ook het recht van de consumenten worden beschermd om zelf te bepalen welk product zij willen kopen; daartoe moet de integriteit van dat product worden verzekerd, niet alleen bij het in de handel brengen maar ook in de teeltfase, door te zorgen voor de traceerbaarheid van teelten en door contaminatie tussen de verschillende landbouwsystemen te voorkomen. |
|
1.25 |
In de EU mogen GGO's alleen worden geteeld of ingevoerd als daarvoor toestemming is gegeven; de gezondheids- en milieuaspecten zijn geregeld bij Richtlijn 2001/18/EG inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en bij Verordening (EG) nr. 1829/2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders. |
|
1.26 |
Artikel 26 bis van Richtlijn 2001/18/EG, dat werd ingelast bij wijzigingsverordening (EG) nr. 1829/2003, roept de lidstaten ertoe op passende nationale coëxistentiemaatregelen te nemen om de niet-doelbewuste aanwezigheid van GGO's in andere producten te voorkomen, zonder de lidstaten er echter toe te verplichten actie te ondernemen. |
|
1.27 |
In artikel 22 van Richtlijn 2001/18/EG is bepaald dat lidstaten het in de handel brengen van toegestane GGO's niet mogen verbieden, beperken of verhinderen. |
|
1.28 |
Met Aanbeveling 2003/556/EG van de Commissie van 23 juli 2003 zijn uiterst belangrijke richtsnoeren aangereikt. In de consideransen bij deze aanbeveling
|
|
1.29 |
Een „nultolerantie”-scenario is bijgevolg uitgesloten, want niet uitvoerbaar. Coëxistentie moet echter met de nodige omzichtigheid worden verwezenlijkt, naar het voorbeeld van de „beste praktijken”, teneinde „onomkeerbare gevolgen” te voorkomen. |
heeft tijdens zijn 67e zitting (vergadering van 6 december 2006) onderstaand advies uitgebracht.
2. Het standpunt van het Comité van de Regio's
2.1 Opmerkingen vooraf
Het Comité vestigt de aandacht op onderstaande problemen, die naar zijn mening eerst moeten worden opgelost alvorens kan worden overgegaan tot de correcte verwezenlijking van de coëxistentie van landbouwsystemen en de bescherming van de agrobiodiversiteit.
2.1.1 Onvoldoende controles:
|
a) |
Het huidige controlesysteem schiet duidelijk tekort. Het Comité wijst in dit verband op de resultaten van het oriënterend debat in de Raad op 9 maart 2006, toen de meeste lidstaten hebben aangedrongen op een verbetering van het systeem voor de door de EFSA te verrichten wetenschappelijke evaluaties in het kader van de procedures voor de toelating van GGO's. Zij betreurden het residuele karakter van het optreden van de EFSA en het feit dat bij de besluiten van de EFSA vaak geen rekening wordt gehouden met de wetenschappelijke evaluaties van de lidstaten. |
2.1.2 Het tekortschieten van de procedure voor risicobeoordeling:
|
a) |
De risicobeoordeling waarvan sprake is in Richtlijn 2001/18/EG wordt overgelaten aan degene die het GG-product in de handel wil brengen, waarbij de bevoegde instanties van de lidstaat en de EFSA niet meer doen dan nagaan of de gepresenteerde gegevens kloppen. |
|
b) |
De procedure voor wijziging of intrekking van de toelating van GGO's bij het ontstaan van risico's, moet worden vereenvoudigd en strikter worden toegepast: de bedoeling is te voorkomen dat in de tussentijd (na het ontstaan van de risico's en vóór de wijziging of intrekking van de toelating) wordt doorgegaan met het doelbewust in de handel brengen van GGO's of met het onder beperkingen toegestane gebruik van GGO's. |
|
c) |
Er moet een ander monitoringsysteem komen tijdens de fase waarin het product in de handel wordt gebracht, met een dubbele controleprocedure. De „vereenvoudigde” procedure waarvan in Richtlijn 2001/18/EG sprake is, moet zo min mogelijk worden toegepast. |
2.1.3 Het tekortschieten van de wetgeving inzake zaaizaad:
|
a) |
Een van de kernpunten van het debat is de vaststelling van een drempel voor zaaizaad. De coëxistentiemethode van de landbouwsystemen heeft geen kans van slagen indien het gebruikte zaaizaad niet zuiver is. |
|
b) |
Coëxistentie moet worden gezien als de methode waarmee het bestaan van iedere vorm van landbouw wordt gerespecteerd; de waarde van deze methode zou worden tenietgedaan als het gebruik van onzuivere zaden in de landbouwteelt wordt toegestaan. |
2.1.4 De tolerantiedrempel van 0,9 % voor conventionele en biologische landbouwsystemen is ontoereikend:
|
a) |
De tolerantiedrempel van 0.9 % voor vermenging doet afbreuk aan de zuiverheid van de biologische landbouwmethoden. |
|
b) |
Indien nultolerantie onhaalbaar blijkt, moet de drempelwaarde voor biologische landbouw streven naar nul; dit kan door de technisch onvermijdelijke aanwezigheid van GGO's terug te dringen m.b.v. maatregelen om accidentele vermenging te voorkomen. |
|
c) |
De tolerantiedrempel van 0,9 % voor de conventionele landbouw is te hoog, omdat een hoge mate van contaminatie in het milieu en in de voedselproductieketen snel bereikt is bij herhaaldelijke contaminatie over meerdere jaren. |
2.1.5 Het tekortschieten van de vrijwaringsclausule als enige methode om de schade in geval van gevaar voor volksgezondheid en milieu te beperken:
|
a) |
Artikel 23 van Richtlijn 2001/18/EG omvat een vrijwaringsclausule om niet direct te hoeven terugvallen op het voorzorgsbeginsel, gebaseerd op de overwegingen 4, 5, 6, 8, 16, 19, 20, 22 en 56 die aan deze Richtlijn voorafgaan. |
|
b) |
Te betreuren valt dat de procedure veel te ingewikkeld is. Middels decentralisatie of delegatie van bevoegdheden via nationale regelgeving, zouden subnationale overheden ook gebruik moeten kunnen maken van de vrijwaringsclausule waarop momenteel alleen de lidstaten zich kunnen beroepen. |
|
c) |
Overeenkomstig artikel 95, lid 5, van het EG-Verdrag zijn in beginsel verdere beschermende maatregelen toegestaan; het Comité betreurt de beperkende besluiten van de Commissie jegens maatregelen van lidstaten die zich op deze bepaling beroepen. |
2.2 Algemene opmerkingen over de Mededeling van de Commissie
|
2.2.1 |
Het Comité acht het belangrijk dat de lidstaten op het gebied van de coëxistentie van GG-gewassen met conventionele en biologische landbouw nauw samenwerken en bereid zijn om de resultaten van onderzoek op dat gebied uit te wisselen. |
|
2.2.2 |
Een absolute voorwaarde bij coëxistentiemaatregelen is dat daarmee hoe dan ook de verscheidenheid aan productietypen en landbouwmethoden onaangetast blijft en dat landbouwers en consumenten dus ook de vrijheid behouden om daaruit naar eigen goeddunken te kiezen. |
|
2.2.3 |
De betrokken partijen en het grote publiek moeten volledig en objectief over GGO's en coëxistentie worden voorgelicht. |
|
2.2.4 |
In de EU wordt momenteel maar heel weinig met GG-teelten geëxperimenteerd. |
|
2.2.5 |
Het voornemen van de Commissie om nadere informatie over de bestaande nationale regelingen inzake de wettelijke aansprakelijkheid en over het verband tussen die regelingen en de regels inzake coëxistentie in te winnen, valt toe te juichen. |
|
2.2.6 |
Opmerkelijk is verder dat ook de bevoegdheid om coëxistentiewetgeving uit te vaardigen, in vier lidstaten bij de regio's ligt en dat de lokale en/of regionale overheden in andere lidstaten verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de coëxistentiemaatregelen. |
|
2.2.7 |
Het Comité stemt in met het door het Europees Economisch en Sociaal Comité in zijn advies over coëxistentie ingenomen standpunt dat maatregelen om natuurgebieden (cf. Richtlijn 92/43/EEG inzake fauna, flora, habitat en Richtlijn 79/409/EEG inzake vogelbescherming) of andere ecologisch kwetsbare gebieden te beschermen, in een — nationaal of lokaal — regelgevend kader moeten worden vervat. |
|
2.2.8 |
In het Italiaanse Lazio heeft van overheidswege uitgevoerd onderzoek naar experimenten met GGO's uitgewezen dat transgenen in de grond kunnen blijven zitten, vooral onder bepaalde bodemkundige/klimaatomstandigheden, met dan ook nog de mogelijkheid dat ze via de grond in water terechtkomen. |
|
2.2.9 |
Een echt grondige en onafhankelijke beoordeling van de risico's die aan de teelt van een bepaald GGO zijn verbonden, is alleen mogelijk als die beoordeling lokaal wordt uitgevoerd en als daarvoor gericht onderzoek wordt gedaan. |
|
2.2.10 |
Opmerkelijk is dat tal van lokale en regionale overheden blijk hebben gegeven van hun verzet tegen de teelt van GG-gewassen door hun grondgebied tot GGO-vrije zone uit te roepen en door zich in netwerken te verenigen (bv. het netwerk van 40 GGO-vrije regio's en gemeenten). Sommige regionale overheden hebben ook geprobeerd hun status als GGO-vrije zone wettelijk te verankeren. Of een dergelijke maatregel toegestaan is, is momenteel het onderwerp van een juridisch geschil tussen de Commissie en de deelstaat Opper-Oostenrijk dat bij het Europese Hof van Justitie aanhangig is gemaakt. |
2.3 Al deugdelijk gebleken gewoonten en scheidingsmethoden
|
2.3.1 |
De Commissie verwijst in haar Mededeling naar „de beperkte praktische ervaring met GG-gewassen”. |
|
2.3.2 |
Stricto sensu is er dus geen sprake van „voortbouwen op bestaande” gewoonten en scheidingsmethoden waarvan kan worden uitgegaan voor een risicovrije coëxistentie. |
2.4 Het evenredigheidsbeginsel
|
2.4.1 |
In Aanbeveling 2003/556/EG van de Commissie wordt voor het eerst de parameter „evenredigheid” genoemd; volgens dat beginsel moeten coëxistentiemaatregelen beantwoorden aan de criteria van „efficiëntie”, „kosteneffectiviteit” en „proportionaliteit”. |
|
2.4.2 |
De bij verordening opgelegde tolerantiedrempels voor „technische onvermijdelijke” vermenging zijn echter alleen ingesteld als waarden waarboven etikettering verplicht wordt: niets wijst erop dat die tolerantiedrempels bedoeld zouden zijn als grenswaarden voor coëxistentie. |
2.5 De keuze van „een passende schaal”
|
2.5.1 |
De Commissie schrijft in haar Verslag over de „passende schaal” waarop coëxistentiemaatregelen moeten worden toegepast, dat de lidstaten hebben gekozen voor een minimale aanpak: hun maatregelen gelden niet voor hele regio's, maar beperken zich tot voorschriften voor naast elkaar liggende bedrijven. |
|
2.5.2 |
Kortom, maatregelen op grote schaal en voor de lange termijn zijn nog verre toekomstmuziek. |
|
2.5.3 |
Gelet op het huidig wetenschappelijk onderzoek en het bestaande wetskader vindt het Comité dat de „passende schaal” voor coëxistentiemaatregelen niet op het niveau van de bedrijven ligt, maar op dat van de regio of de lokale overheid. |
2.6 Aansprakelijkheidsregels
|
2.6.1 |
De Commissie stelt vast dat de tendens in veel lidstaten is om economische schade als gevolg van niet-doelbewuste vermenging van GGO's met niet-GG-producten onder de nationale wetgeving inzake wettelijke aansprakelijkheid te laten vallen. |
|
2.6.2 |
Het is echter geen verplichting voor de lidstaten om dit richtsnoer te volgen, omdat in de desbetreffende aanbeveling sprake is van een facultatieve mogelijkheid: er kunnen ook systemen voor administratieve of strafrechtelijke aansprakelijkheid in het leven worden geroepen. |
|
2.6.3 |
Het Comité herinnert eraan dat in Richtlijn 2001/18/EG is bepaald dat nationale wetgeving inzake milieu-aansprakelijkheid onverlet blijft. |
2.7 Monitoring en evaluatie
|
2.7.1 |
Het Comité merkt op dat de aanbeveling van de Commissie, waarin ervoor wordt gepleit om de beheersmaatregelen en gehanteerde instrumenten voortdurend te volgen en te evalueren, de verplichting om passende controle- en inspectiesystemen in te voeren de facto bij de lidstaten legt. |
|
2.7.2 |
Het Comité neemt er kennis van dat veel lidstaten, zoals de Commissie ook opmerkt, gezien de beperkte schaal van de teelt van GG-gewassen, nog niet over monitoring- en evaluatieprogramma's beschikken. |
|
2.7.3 |
Het wijst er bezorgd op dat in lidstaten waar het verschil tussen al dan niet gemodificeerd veevoeder in verschillende marktprijzen tot uiting komt en/of waar typische of oorsprongsbeschermde producten tot de nationale trots behoren of een meerwaarde uitmaken, het onderscheid tussen GGO- en niet-GGO-markten tot minder tevredenheid van de consument kan leiden en dus tot ontevredenheid over de prijzen, wat economisch nadelig kan zijn. |
2.8 Biologische productie
|
2.8.1 |
Het Comité stelt vast dat de drempelwaarden voor de accidentele aanwezigheid van GGO krachtens de vigerende EU-regelgeving voor GGO-houdende producten zonder onderscheid van toepassing zijn op traditionele en op biologische landbouwproducten. Het acht dit geen goede zaak. |
|
2.8.2 |
Het benadrukt dat er in de verordening inzake de biologische productiemethode impliciet van wordt uitgegaan dat het gebruik van GGO in de biologische teelt verboden is, en dat er bijgevolg tijdens het productieproces geen materialen mogen worden gebruikt (inclusief zaaizaad) die volgens het etiket GGO bevatten. |
|
2.8.3 |
Het voegt daaraan toe dat de Commissie nergens gewag maakt van biologische productie. |
|
2.8.4 |
Het wijst er nadrukkelijk op dat de drempelwaarde voor biologische productie zo dicht mogelijk bij de nultolerantie dient te liggen. |
2.9 Zuiverheid van zaaizaad
|
2.9.1 |
Het Comité merkt op dat zaaizaad een middel is voor de al dan niet vrijwillige verspreiding van biotechnologische innovatie in de landbouwteelt en in het milieu, en dus een fundamentele variabele is voor coëxistentie. |
|
2.9.2 |
Het herinnert aan het standpunt dat het Europees Parlement in zijn resolutie 2003/2098(INI) heeft ingenomen, nl. dat informatie over de aanwezigheid van GGO's in zaaizaad een voorwaarde is voor de ordentelijke uitvoering van Richtlijn 2001/18/EG, met name t.a.v. de monitoring van negatieve gevolgen van GGO's voor de gezondheid van de mens en voor het milieu, de traceerbaarheid en noodmaatregelen. |
2.10 Keuze van maatregelen
|
2.10.1 |
Volgens het Comité is het nodig optimale maatregelen te formuleren om coëxistentie mogelijk te maken met een uiterst gering of in ieder geval zo gering mogelijk risico. |
|
2.10.2 |
Het benadrukt dat „beste praktijken” omschreven kunnen worden als methoden voor gescheiden teelt waarbij coëxistentie in essentie gewaarborgd wordt. |
|
2.10.3 |
Wat de keuze en toepassing van de beste werkwijzen en maatregelen betreft, vindt het Comité net als de Commissie dat de beschikbare wetenschappelijke kennis en ervaring beperkt is en dat de maatregelen daarom restrictief en specifiek moeten zijn. |
|
2.10.4 |
Aangetekend moet worden dat de nauwkeurige vermelding door de Commissie van de in te voeren maatregelen — om te voorkomen dat het voorzorgsbeginsel bij de toepassing van de coëxistentie een lege huls wordt — doet vermoeden dat al deze details de verwezenlijking van coëxistentie in de weg kunnen staan of coëxistentie zo ingewikkeld en moeilijk zullen maken dat het economisch niet meer haalbaar is. |
|
2.10.5 |
Het Comité herinnert eraan dat het Europees Economisch en Sociaal Comité in zijn al eerder aangehaalde advies over coëxistentie heeft aanbevolen om GGO-teelt te verbieden als de traditionele productie van dezelfde of soortgelijke gewassen daardoor onmogelijk of bijzonder moeilijk wordt. |
|
2.10.6 |
Het sluit zich aan bij het EP-standpunt in zijn resolutie 2003/2098(INI) dat een vrijwillig of regionaal beperkt afzien van de teelt van GGO's de meest doeltreffende en goedkoopste maatregel voor de waarborging van coëxistentie kan zijn. |
|
2.10.7 |
De benadering van de Commissie is beperkend, in vergelijking met aanbeveling 2003/556/EG, met name indien bedacht wordt dat het wetenschappelijk onderzoek sinds 2003 maar weinig nieuwe resultaten heeft opgeleverd en dat het aantal bekende gevallen van coëxistentie gering is. Het is dus nodig om voor de middellange en lange termijn overtuigendere wetenschappelijke resultaten af te wachten, zeker nu de experimenten in veel lidstaten zijn stilgelegd. |
|
2.10.8 |
Het Comité is het er in deze context mee eens dat de Europese Commissie moet voorzien in specifieke instrumenten ter financiering van het onderzoek, teneinde de sociaal-economische gevolgen van GGO's op regionaal en lokaal niveau te kunnen evalueren. |
|
2.10.9 |
Belangrijk is dat de lokale en regionale overheden het meest aangewezen (want homogene) bestuursniveau zijn om de gevolgen van de invoering van GGO-teelt in ieder gebied te evalueren, om uit te maken welke coëxistentiemaatregelen verenigbaar zijn met het beginsel van duurzame ontwikkeling, om de lokale belangen met elkaar in overeenstemming te brengen en om de mogelijke oplossingen te beheren. |
2.11 Risicobeheer
|
2.11.1 |
Toegestane GG-producten kunnen alleen krachtens artikel 23 van Richtlijn 2001/18/EG of artikel 95, lid 4 of 5, van het EG-Verdrag worden verboden, maar moeten hoe dan ook voldoen aan de voorzorgsbeginselen die een veilige totstandbrenging van coëxistentie moeten waarborgen. |
|
2.11.2 |
Als na de verlening van toestemming voor een GGO milieu- of gezondheidsrisico's aan het licht komen, kan een procedure in gang worden gezet om die toestemming weer in te trekken of om de voorwaarden waaronder toestemming is gegeven, te wijzigen. Gelet op het voortschrijdende wetenschappelijk onderzoek is het mogelijk dat in de toekomst risicoprofielen worden opgesteld, die nu nog niet wetenschappelijk onderbouwd zijn. |
|
2.11.3 |
Het Comité vindt de in de vorige paragraaf genoemde procedure voor intrekking van de toestemming of wijziging van de voorwaarden daarvan erg lang en gecompliceerd en is van mening dat het huidige monitoringsysteem tekortschiet. Het wijst op de gevaren die verbonden zijn aan handhaving van een toestemming uit commerciële overwegingen of vanwege de kosten van intrekking of wijziging. |
|
2.11.4 |
Sommige landen waar al enkele jaren genetisch gemodificeerde planten worden verbouwd, vertonen de tendens hun standpunt te herzien om in gevaar gebrachte milieuomstandigheden en teelten weer in evenwicht te brengen, mede vanwege de aanwezigheid van parasieten die resistent zijn geworden voor genetische modificaties. |
3. Aanbevelingen van het Comité van de Regio's
|
3.1 |
Het is allereerst zaak dat oplossingen worden gevonden voor de in par. 2.1 uiteengezette essentiële problemen. De nieuwe procedures inzake de controles, de beoordeling van de risico's voor volksgezondheid en milieu, de zuiverheid van zaaizaad, de uitbreiding van de vrijwaringsclausule, de mogelijkheid om als resultaat van wetenschappelijk onderzoek op middellange en lange termijn „beste praktijken” toe te passen en de aanpassing van de tolerantiedrempels zijn eerste stappen op weg naar een correcte uitvoering van de coëxistentie van landbouwsystemen; zolang deze aanpassingsmaatregelen niet ten uitvoer zijn gelegd, blijven de bestaande verboden op bepaalde GG-producten, die de lidstaten in toepassing van het voorzorgsbeginsel hebben uitgevaardigd, van kracht. |
|
3.2 |
Het Comité steunt de idee dat de bescherming op nationaal en lokaal niveau van natuurgebieden en andere ecologisch kwetsbare gebieden wettelijk moet worden geregeld, zoals door het Europees Economisch en Sociaal Comité in zijn advies over coëxistentie (CESE 1656/2004) wordt bepleit. |
|
3.3 |
Het Europees Agentschap voor de voedselveiligheid en de voor coëxistentie bevoegde nationale instanties zouden nauwer moeten samenwerken. Het Comité vraagt de Commissie om in dat opzicht op de ingeslagen weg voort te gaan. |
|
3.4 |
De lokale en regionale overheden moeten actief deelnemen aan het overleg over coëxistentie. De Commissie zou de lokale en regionale dimensie op een meer stelselmatige en volledige wijze moeten laten meewegen in haar voor 2008 aangekondigde verslag over coëxistentie. |
|
3.5 |
Het Comité hoopt te worden betrokken bij de opstelling van communautaire voorschriften die bijdragen tot de oplossing van de essentiële vraagstukken die een voorwaarde zijn voor de coëxistentie. Zo kunnen de lidstaten autonome maar geharmoniseerde standpunten innemen, en kan worden voorkómen dat er onmiskenbare verschillen in wetgeving ontstaan en dat de kapitaalstromen hoofdzakelijk zijn gericht op investeringen in plaatsen waar de minst strenge wetgeving van kracht is. |
|
3.6 |
Het Comité dringt er bij de lidstaten op aan om voor de beheersmaatregelen en de goed te keuren beleidsinstrumenten adequate monitoring- en evaluatieprogramma's uit te werken. |
|
3.7 |
Voordat GGO's in een bepaald gebied worden geïntroduceerd, zou gericht onderzoek moeten worden gedaan. Bovendien zouden de Commissie en de lidstaten moeten aangeven welke programma's en middelen nodig zijn om maximale — technische en financiële — steun te verlenen aan wetenschappelijk onderzoek, ook op lokaal en regionaal niveau. |
|
3.8 |
In de nationale en regionale coëxistentiewetgeving zou uitdrukkelijk moeten worden verwezen naar het voorzorgsbeginsel. |
|
3.9 |
De Commissie moet bij het formuleren van wetsvoorstellen naar behoren rekening houden met:
|
|
3.10 |
Het Comité verzoekt de lidstaten en de regio's om het pad te effenen voor grensoverschrijdende samenwerking met aangrenzende gebieden, zodat ook in de grensregio's de doeltreffende werking van de coëxistentiemaatregelen kan worden gegarandeerd. |
|
3.11 |
Met het oog daarop raadt het de Commissie aan om een site op Internet te creëren met koppelingen naar de landelijke registers van de teelt van GG-gewassen. |
Brussel, 6 december 2006.
De voorzitter
van het Comité van de Regio's
M. DELEBARRE
(1) PB L 268 van 18 oktober 2003.
(2) PB L 31 van 1 februari 2002.
(3) PB L 106 van 17 april 2001.
(4) CESE 1656/2004.
(5) Verordening (EG) nr. 65/2004 van de Commissie van 14 januari 2004 tot vaststelling van een systeem voor de ontwikkeling en toekenning van eenduidige identificatienummers voor genetisch gemodificeerde organismen, PB L 10 van 16 januari 2004.
(6) Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu en tot intrekking van Richtlijn 90/220/EEG van de Raad, PB L 106 van 17 april 2001.
|
10.3.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 57/18 |
Advies van het Comité van de Regio's over „Territoriale ontwikkeling en de rol van plattelandsgemeenten”
(2007/C 57/04)
HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,
gezien het besluit van zijn bureau van 25 april 2006 om de commissie Duurzame ontwikkeling (DEVE) te belasten met de opstelling van een initiatiefadvies over „Territoriale ontwikkeling en de rol van plattelandsgemeenten”, overeenkomstig artikel 265, vijfde alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
gezien het werkprogramma voor 2006 van de commissie Duurzame ontwikkeling (1), waarin gewezen wordt op de rol van plattelandsgemeenten die voor een evenwichtige territoriale ontwikkeling zorgen door bij te dragen aan economische diversificatie en door de bevolking de nodige diensten aan te bieden en waarin wordt opgeroepen speciale aandacht te besteden aan de relatie stad-platteland,
gezien de Europese landschapsconventie van de Raad van Europa (2),
gezien het verslag van het Europees Parlement van 22 mei 2003 over de multifunctionaliteit van de landbouw en de hervorming van het GLB (3),
gezien de conclusies van de Conferentie van Salzburg van november 2003,
gezien zijn advies van 23 februari 2005 over het Voorstel voor een verordening van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (4),
gezien Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO),
gezien het Besluit van de Raad van 20 februari 2006 inzake communautaire strategische richtsnoeren voor plattelandsontwikkeling (programmeringsperiode 2007-2013) (2006/144/EG),
gezien de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: „Overbrugging van de breedbandkloof” (5),
gezien het initiatiefadvies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 maart 2006 over „Toerisme en cultuur: twee motoren voor groei” (CESE 400/2006);
gezien de slotverklaring van het seminar over „Plattelandsontwikkeling en de Lissabonstrategie” (6), dat de commissie DEVE op 26 juni 2006 te Alexandroupolis heeft gehouden,
gezien het voorstel voor een beschikking van de Raad betreffende communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie (7),
gezien zijn op 6 oktober 2006 door de commissie Duurzame ontwikkeling (rapporteur: de heer SANTARELLA, burgemeester van de gemeente Candela (IT/UEN-AE)) goedgekeurde ontwerp van initiatiefadvies (CdR 259/2006 rev. 1),
overwegende hetgeen volgt:
|
A. |
In grote delen van de EU-lidstaten bepalen plattelandsgemeenten het landschapsbeeld. Na de laatste uitbreiding zijn er tal van gemeenten bijgekomen en hun aantal zal later nog toenemen bij de uitbreiding van de EU met Bulgarije en Roemenië. Daarom is het zaak het beleid voor plattelandsontwikkeling steeds meer aandacht te schenken, niet alleen op nationaal, maar ook op communautair niveau. |
|
B. |
De Europese instellingen nemen de afstemming van het communautaire beleid op de daadwerkelijke belangen van de burgers uiterst serieus. Tegen deze achtergrond is het wenselijk dat de EU meer rekening houdt met de belangen van de vele lokale overheden, ook van in demografisch en economisch opzicht bescheiden gemeenten. |
|
C. |
Het huidige economische tij wordt gekenmerkt door felle concurrentie, niet alleen tussen productiesystemen, maar ook tussen regio's; plattelandsgemeenten en hun inwoners behoren tot de kwetsbaarste groepen, die in de concurrentiestrijd het onderspit dreigen te delven. |
|
D. |
Rurale gemeenten vervullen een belangrijke taak bij de bescherming van het platteland door de ontvolking van het platteland en van geografisch benadeelde gebieden tegen te gaan en het risico van een hydrogeologische crisis terug te dringen. |
|
E. |
Plattelandsgemeenten kunnen er wezenlijk toe bijdragen om de hulpbronnen ter plaatse optimaal te benutten door het geheel van culturele waarden, lokale tradities en specifieke kenmerken te beschermen en te bevorderen en door op het vlak van productie en economie initiatieven te ontplooien die het lokale karakter versterken en tegelijkertijd de economische groei en de werkgelegenheid ten goede komen. |
|
F. |
Om de problemen in verband met de beperkte bestuursmiddelen in dunbevolkte gebieden aan te pakken, hebben plattelandsgemeenten organisatie-, beheers-, partnerschaps en samenwerkingsvormen tussen gemeenten bevordert. Het zou goed zijn om deze activiteiten, ook d.m.v. passende wetgeving en financiering, te steunen en onder de aandacht te brengen. |
|
G. |
Het begrip „Duurzame gemeente” (8) is tegenwoordig het centrale thema in een nieuwe discussie over de strategische doelstellingen om op het platteland, voor een evenwichtige en duurzame sociaal-economische ontwikkeling te zorgen. Dit concept kan vooral op het platteland volledig tot zijn recht komen. |
heeft tijdens zijn 67e zitting (vergadering van 6 december 2006) met algemene stemmen het volgende advies uitgebracht.
1. Standpunten van het Comité van de Regio's
1.1 Algemene opmerkingen
|
1.1.1 |
Het Comité stelt vast dat het moeilijk is de termen platteland en plattelandsgemeente te omschrijven en merkt op dat in elke lidstaat andere definities worden gehanteerd, waarbij vaak de enige overeenkomst het contrast met het stedelijke gebied is. Als objectief criterium worden ook wel beschouwd een bepaalde bevolkingsdichtheid of een specifiek percentage agrarisch-economische activiteit in een bepaald gebied. |
|
1.1.2 |
Het herinnert aan de definitie van landelijk gebied die al opgenomen is in een eerder CvdR-advies (9), dat op zijn beurt het Europees Handvest voor plattelandsgebieden aanhaalt: „Met de term plattelandsgebied wordt bedoeld een landinwaarts gelegen gedeelte of een landelijk gelegen kustgebied, met inbegrip van kleinere steden of dorpen, waarvan het grootste gedeelte wordt gebruikt voor: landbouw, bosbouw, aquacultuur en visserij.”„De agrarische en niet-agrarische delen van een plattelandsgebied vormen een geheel te onderscheiden van een stedelijk gebied, dat gekenmerkt wordt door een hoge bevolkingsdichtheid en door verticale en horizontale structuren”. |
|
1.1.3 |
Het Comité stelt vast dat de Europese Unie het door de OESO bepaalde criterium voor plattelandsgemeenten hanteert, namelijk gemeenten met minder dan 150 inwoners per km2. Gebieden rondom steden met een hogere bevolkingsdichtheid zouden evenwel buiten deze omschrijving vallen. |
|
1.1.4 |
Het Comité wijst erop dat in dit advies de term plattelandsgemeenten in de ruimste zin des woords wordt gebruikt, waaronder dus ook de gebieden rondom steden vallen waar hoofdzakelijk sprake is van een landbouweconomie. |
|
1.1.5 |
Het Comité merkt op dat landelijke gebieden volgens de Europese Commissie goed zijn voor circa 90 % van het grondgebied en 25 % van de bevolking van de EU. Verder werken er in de nieuwe lidstaten drie keer zo veel mensen in de landbouw als in de 15 oude lidstaten; in de kandidaat-lidstaten ligt dit percentage nog hoger. |
|
1.1.6 |
Het Comité tekent overigens aan dat in deze gebieden het inkomen per hoofd van de bevolking ongeveer een derde lager ligt dan het Europees gemiddelde en dat de dienstverlening minder ontwikkeld is. In dit verband wijst het erop dat veel plattelandsgemeenten te kampen hebben met een structureel hoge werkloosheid, een laag inkomen pro capita, sterke ontvolking en een gebrekkig ontwikkelde handels-, industrie- en toeristische sector. |
|
1.1.7 |
Het aandeel van plattelandsgemeenten in het BBP is bescheiden. De kracht van de plattelandseconomieën is veeleer gelegen in het behoud van de leefbaarheid, het vermogen om investeringen en toerisme aan te trekken en in het ontplooien van initiatieven voor bescherming en behoud van deze gebieden. Dit moet meer worden erkend |
|
1.1.8 |
Het Comité benadrukt dat de plattelandsgebieden in de EU met grote veranderingen geconfronteerd worden: de globalisering en bijbehorende gevolgen in verband met de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie zullen ongetwijfeld leiden tot een forse en verdergaande verlaging van subsidies voor landbouwproducten, waardoor het GLB in zijn huidige vorm niet langer voldoet. |
|
1.1.9 |
Voorts vreest het CvdR dat, in verband met de internationale concurrentie, investeerders hun middelen waarschijnlijk meer zullen bestemmen voor gebieden waar zij hogere winsten verwachten; dit houdt in dat hun voorkeur vooral uit zal gaan naar dichtbevolkte en stedelijke gebieden, wat ten koste gaat van de plattelandsgebieden. |
2. Problemen van plattelandsgemeenten
2.1 Algemeen welzijn
|
2.1.1 |
Het Comité meent dat investeren in plattelandsontwikkeling niet beperkt moet blijven tot onmiddellijke winst in economische zin, maar een in economische zin niet te schatten „welzijn” moet opleveren, bestaande in de exploitatie van historisch en cultureel erfgoed, behoud van het landschap, biodiversiteit en een bloeiende flora en fauna. |
|
2.1.2 |
Het CvdR is derhalve van mening dat de sociale structuur van plattelandscentra behouden moet blijven ter wille van het cultureel erfgoed en ten behoeve van de exploitatie en overdracht hiervan aan de jongere generaties. |
2.2 Werkgelegenheid
|
2.2.1 |
Om de leegloop een halt toe te roepen en het platteland zich te helpen ontplooien, is het van vitaal belang dat die vormen van ondernemerschap worden gestimuleerd die passen bij landelijke gebieden en die niet op lange termijn tot verstedelijking leiden. |
|
2.2.2 |
Om de vergrijzing van de beroepsbevolking en ontvolking van het platteland tegen te gaan, dienen er voor jongeren nieuwe mogelijkheden en arbeidsplaatsen te worden geschapen. Daarom moet er op beroepsgebied steun komen voor opleidingen, bijscholing en specialisatie ter plaatse, alsook voor diversificatie van activiteiten op basis van het lokale potentieel. |
2.3 Concurrentievermogen
|
2.3.1 |
Verbetering van het concurrentievermogen van plattelandsgebieden betekent volgens het Comité investeren in de modernisering en bevordering van de kwaliteit, waarbij bescherming van het milieu, architectonisch en cultureel erfgoed niet over het hoofd worden gezien, maar de stedelijke ontwikkeling aanvult. |
|
2.3.2 |
Voor de economische ontwikkeling van plattelandsgebieden moet er geïnvesteerd worden in O&O voor de toepassing van nieuwe technologieën en nieuwe processen. Tevens is het zaak om positieve ervaringen te bundelen. |
|
2.3.3 |
Om ook in landelijke gebieden de doelstellingen van de Lissabonstrategie te helpen verwezenlijken, acht het Comité het volgende noodzakelijk: bevordering van innovatie in kleine en middelgrote ondernemingen en investeringen in apparatuur, machines en opleidingen. Dit leidt tot modernisering van de gehele productieketen en multiplicatoreffecten. |
|
2.3.4 |
Het CvdR meent dat het bovendien nuttig is om verder te gaan met de mogelijkheden die het programma-Leader biedt, namelijk samenwerking tussen overheid en particuliere sector om de lokale ontwikkeling in plattelandsgebieden te stimuleren. |
|
2.3.5 |
Plattelandsgemeenten zouden steun moeten verlenen voor vormen van lokaal ondernemerschap die de plattelandsontwikkeling ten goede komen en niet op lange termijn tot verstedelijking leiden. |
2.4 Diversificatie van de landbouw
|
2.4.1 |
Het is zinvol te werken aan een breed gefundeerde lokale economie. |
|
2.4.2 |
Hiertoe is het nodig dat landbouwers worden aangemoedigd om beheersystemen in te voeren waarmee ze beter op markttendensen kunnen inspelen, ondernemerschap te bevorderen en agrarische bedrijven dynamischer te maken door nieuwe commerciële strategieën uit te werken die de uitwisseling van goede praktijken bevorderen en door maatregelen op het gebied van beroepsondersteuning en benchmarking te promoten. |
|
2.4.3 |
Het is van essentieel belang dat landbouwbedrijven gemakkelijker toegang krijgen tot kredieten, ook via speciale fondsen voor wisselbouw. |
2.5 Levensmiddelenkwaliteit
|
2.5.1 |
De kwaliteit van levensmiddelen is volgens het Comité een belangrijke factor voor het scheppen van werkgelegenheid, gezien de groeikansen voor hoogwaardige, al dan niet verwerkte landbouwproducten. |
|
2.5.2 |
Om de agro-alimentaire sector de vruchten te laten plukken van de mogelijkheden die de nieuwe technologie biedt, moet de informatie over de kwaliteit van producten worden verbeterd, moet er geïnvesteerd worden in kwaliteitslabels, in biologische landbouw en in milieu- en diervriendelijke productiemethoden. |
|
2.5.3 |
Het Comité erkent dat de biologische landbouw één van de meest dynamische sectoren van de communautaire landbouw is; er komen steeds meer bedrijven bij die zich aansluiten bij plannen waarbij landbouwgrond bestemd wordt voor de biologische productiemethode. Bijgevolg dient dit type landbouw te worden gestimuleerd. |
|
2.5.4 |
Naar het oordeel van het CvdR moet de verbouw van traditionele gewassen worden beschermd en bevorderd en moeten de bronnen van inkomsten worden versterkt door bij de productie en verkoop de specifieke kenmerken van hoogwaardige typische streekproducten optimaal in de verf te zetten. |
|
2.5.5 |
Het Comité benadrukt dat plattelandsgemeenten een belangrijke rol kunnen vervullen bij het promoten van streekproducten door initiatieven en evenementen op te zetten die gericht zijn op de kwaliteit van de producten en de verspreiding ervan op markten, om te beginnen op lokale en regionale markten. |
2.6 Informatie- en communicatietechnologie
|
2.6.1 |
Volgens het Comité moeten de nieuwe technologieën ten dienste staan van de ontwikkeling van plattelandsgebieden. |
|
2.6.2 |
Het tekent aan dat zowel overheden als bedrijven in plattelandsgemeenschappen deze technologieën tot op heden nog maar weinig gebruiken. |
|
2.6.3 |
Particuliere ondernemers staan niet te trappelen om in geavanceerde technologie in plattelandsgebieden te investeren. Door de geringe bevolkingsdichtheid immers leveren investeringen op korte en middellange termijn weinig op. |
|
2.6.4 |
Het CvdR meent dat er daarom sturend communautair beleid moet komen, alsook nationaal en regionaal beleid ter ondersteuning van de verspreiding van moderne communicatiemiddelen en technologie die de meest afgelegen gebieden dichter bij de rest van het economische systeem kunnen brengen. |
|
2.6.5 |
Bijgevolg zijn investeringen voor de uitbreiding van breedbanddekking onontbeerlijk. De plattelandsbevolking moet verder kunnen beschikken over computerapparatuur en de vereiste opleidingen om deze optimaal te gebruiken. Het Comité meent dat met computertechnologie de plattelandsgebieden beter in de markt gezet kunnen worden, dat nieuwe ondernemersactiviteiten tot bloei kunnen komen en dat de afstandsverkoop van landbouwproducten kan worden gestimuleerd. |
2.7 Hernieuwbare energie
|
2.7.1 |
Het Comité beseft dat het behoud van natuurlijke hulpbronnen, alsmede het correcte (her)gebruik ervan belangrijke troeven in zich bergen voor de ontwikkeling van plattelandsgebieden. |
|
2.7.2 |
In dit verband zijn water, wind en biomassa strategische hulpbronnen. Vele overheden die rechtstreeks of als partner belast zijn met het beheer en de distributie van energiehulpbronnen kunnen de gelegenheid te baat nemen om systemen voor energievoorziening in te voeren die een alternatief bieden voor fossiele brandstoffen. |
|
2.7.3 |
Door ter plaatse aanwezige energievoorraden te benutten zouden de lokale gemeenschappen immers minder afhankelijk van derden worden en meer zekerheid krijgen over hun energievoorziening. |
|
2.7.4 |
Het Comité vindt dat deze mogelijkheden absoluut serieus moeten worden genomen. Zij kunnen immers leiden tot innovatieve groei in de zin van milieubehoud, (her)gebruik van landbouwafval en het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen. |
|
2.7.5 |
Uit recent onderzoek komt naar voren dat, naast de inmiddels klassieke alternatieve brandstoffen (afkomstig uit de rechtstreekse teelt van gewassen als koolzaad en maïs), ook de productie van brandstof die afkomstig is van land- en bosbouwafval, en van andere energiegewassen, winstgevend kan zijn. De economische en sociale voordelen voor de sector zijn maximaal indien de activiteiten in verband met verzameling, verwerking en gebruik plaatselijk worden uitgevoerd. |
2.8 Bescherming van landschap en streek
|
2.8.1 |
Het CvdR wijst op het Europees Handvest voor het landschap en herhaalt dat het landschap op het platteland een fundamenteel onderdeel is van het erfgoed van de Europese Unie. |
|
2.8.2 |
Het herinnert eraan dat met de Europese landschapsconventie beoogt wordt om het behoud, het beheer en de inrichting van landschappen te bevorderen en in Europa op dit gebied meer samen te werken ter wille van een duurzame ontwikkeling gebaseerd op een evenwicht tussen maatschappelijke behoeften, economie en milieu. |
|
2.8.3 |
Het Comité benadrukt dat het landschap niet alleen deel uitmaakt van de lokale cultuur, maar ook een belangrijke economische hulpbron is die bijdraagt aan de werkgelegenheid, doordat de natuurlijke en culturele rijkdommen kunnen worden aangegrepen voor activiteiten die duurzaam toerisme aantrekken. |
|
2.8.4 |
Het CvdR wijst er opnieuw op dat de lokale gemeenschappen tot taak hebben het gebied te beschermen, onder meer tegen het risico van een hydrogeologische catastrofe; daartoe is het zaak dat de beheerders van het gebied doordrongen zijn van de risico's en alert optreden. |
|
2.8.5 |
Er worden steeds meer initiatieven ontplooid waarbij de exploitatie van landschap en streek centraal staat en die de gehele sector agro- en plattelandstoerisme ten goede komen, hetgeen benadrukt is in het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité, „Toerisme en cultuur: twee motoren voor groei”. In dit verband kunnen gemeenten hun streek promoten door duurzaam toerisme te stimuleren als hulpbron die de regionale economie op milieuvriendelijke wijze kan versterken. |
|
2.8.6 |
Door middel van stimulerende maatregelen moet het herstel van in onbruik geraakte gebouwen worden aangemoedigd. De ontvolking heeft er in de laatste decennia toe geleid dat kleine gemeenten zijn teruggelopen. Om bewoners aan te trekken en de dorpen weer leefbaar te maken, is grootschalige renovatie van woningen en historische gebouwen geboden. |
2.9 Diensten van algemeen belang op lokaal niveau
|
2.9.1 |
Het CvdR stelt vast dat het in sommige delen van Europa met de afnemende bevolking moeilijk is om in plattelandsgemeenten een aanvaardbaar dienstenaanbod te handhaven. Netwerkinfrastructuur, met name voor de watervoorziening, maar ook voor afvalverwerking en -recyclage en openbaar vervoer zijn gebaseerd op een minimumaantal gebruikers. In geval van ontvolking ligt het voor de hand dat de vraag zal dalen en de kosten voor de gebruikers zullen stijgen. Om het platteland als ruimte voor wonen en werken te handhaven, moet er gewerkt worden aan praktische oplossingen op grond van het subsidiariteitsbeginsel. |
|
2.9.2 |
Publiek-private partnerschappen tussen lokale overheden en economische actoren zijn een optie om de infrastructuur en de verbinding met energie- en informatienetwerken te ontwikkelen, waarmee de levenskwaliteit in plattelandsgemeenschappen wordt verbeterd. |
|
2.9.3 |
Het CvdR meent dat de lokale aanwezigheid van een toereikend niveau van openbare maatschappelijke dienstverlening nieuwe gezinnen ertoe kan aanzetten om op het platteland te gaan wonen, ook al werken zij in de stad; dit ter bestrijding van de leegloop van het platteland, die gepaard gaat met een gestage daling van essentiële voorzieningen, zoals scholen, postkantoren en ziekenhuizen. |
|
2.9.4 |
Gewezen moet worden op de fundamentele rol die het onderwijs vervult; hoogwaardig menselijk kapitaal, dat als potentieel op het platteland wordt ondergewaardeerd, is een voorwaarde voor ontwikkeling. Daarom dienen de scholen voor voortgezet onderwijs te worden gehandhaafd en dienen onderwijsinstellingen toegankelijk te worden gemaakt. |
|
2.9.5 |
Het is ook van essentieel belang dat de voorzieningen voor kleine kinderen worden uitgebreid: het tekort aan structuren voor kinderopvang op het platteland kan een belemmering zijn voor vrouwen om te gaan werken en van invloed zijn op de gebrekkige ontwikkeling van de arbeidsmarkt op het platteland. |
|
2.9.6 |
Het plaatselijke openbaar vervoer is van strategische betekenis: steden op het platteland met een efficiënt openbaar vervoer van en naar de aangrenzende stedelijke gebieden dragen ook bij aan de bestrijding van de leegloop van het platteland en kunnen wellicht het tegenovergestelde bewerkstelligen. |
|
2.9.7 |
Het Comité vindt dat diensten voor ouderen van doorslaggevend belang zijn om ervoor te zorgen dat gepensioneerden op het platteland komen wonen, waar zij een leefbaarder en gezonder klimaat kunnen aantreffen; bovendien zouden de inkomsten van deze gebieden dan stijgen. De aanwezigheid van ouderen in plattelandsgemeenten moet volgens het CvdR ondersteund worden met de ontwikkeling van infrastructuur als: gezondheids-, ontmoetings- en ontspanningscentra, en ondersteunende diensten. |
|
2.9.8 |
Alles dient in het werk gesteld te worden om cultuur in plattelandsgemeenten te ontwikkelen en toegankelijk te maken. |
2.10 Nieuwe governance op het platteland
|
2.10.1 |
De ontwikkeling van lokaal bestuur op het platteland verdient serieus aandacht. |
|
2.10.2 |
Het Comité stelt vast dat er zich in de laatste decennia in vele lidstaten uiteenlopende organisatievormen ter versterking van het lokale bestuur hebben ontwikkeld; doorgaans zijn zij kleinschalig van opzet en van bescheiden demografische omvang, met name via diverse vormen van intercommunale verenigingen. Het Comité meent dat dit verschijnsel, dat vooral plaatsvindt op het niveau van administratieve decentralisatie, nauwgezet gevolgd dient te worden, in samenwerking met nationale verenigingen van lokale overheden. |
|
2.10.3 |
Door dit verschijnsel zijn er allerlei bestuurs- en beheersstructuren ontstaan voor samenwerking tussen gemeenten. Hieronder vallen verenigingen van gemeenten, verbonden, consortia en andere samenwerkingsvormen waarbij activiteiten in netwerken worden gebundeld. |
|
2.10.4 |
Het Comité benadrukt dat deze werkwijze soms hoogwaardige basisvoorzieningen kan waarborgen: met de nieuwe verenigingen worden immers de voorwaarden geschapen om middelen en voorheen afzonderlijke en zo zuinig mogelijk beheerde diensten te optimaliseren. |
|
2.10.5 |
Het CvdR merkt op dat er in bijna alle lidstaten al nieuwe verbanden zijn opgericht, hetzij openbare, hetzij samen met particuliere organen voor het gezamenlijk beheer van diensten van algemeen belang, bijv. op het gebied van energie- en watervoorziening, vervoer, afvalverwerking, onderwijs, beheer van sociale structuren en ziekenhuizen, milieubescherming, beheer van sportvoorzieningen en ruimtelijke ordening. Het is ook van mening dat deze vormen van samenwerking tussen gemeenten meer moeten worden gestimuleerd, ook aan de hand van communautaire programma's en initiatieven voor benchmarking. |
|
2.10.6 |
Het Comité stelt verder vast dat er organisaties worden opgericht op basis van bundeling van middelen, solidariteit en samenwerking tussen gemeenten in het kader van dynamisch bestuur van lagere overheden. Het moedigt deze vormen van samenwerking (tussen gemeenten) aan, ook aan de hand van communautaire programma's en initiatieven voor benchmarking. |
3. Aanbevelingen van het Comité van de Regio's
|
3.1 |
Het CvdR acht de oprichting van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) een zeer goede zaak voor de toekomstige ontwikkeling van plattelandsgebieden en met name gemeenten, ook al zijn de toegekende middelen ver bij de verwachtingen achtergebleven, maar beschouwt dit fonds niet als de sluitsteen van het EU-beleid voor plattelandsontwikkeling. Om tot concrete en duurzame resultaten te komen zou de Commissie de strategie voor plattelandsontwikkeling en het ELFPO moeten combineren met de investeringen in onderzoek, cultuur en milieu ten behoeve van het platteland die al ondersteund worden via andere structuurfondsen en andere communautaire beleidsgebieden. Er zou meer nadruk moeten worden gelegd op het ESF, onderwijs en werkgelegenheid. |
|
3.2 |
Het zou zinvol zijn als de acties van het cohesiebeleid de acties van ELFPO aanvullen, met name wat betreft de derde pijler, ten aanzien van de levenskwaliteit en economische diversificatie, en de Leader-pijler. De Commissie heeft immers al bepaald dat de lidstaten en de regio's zorgen voor de samenhang tussen de acties van de structuurfondsen en die van de drie ELFPO-pijlers. Elke vorm van financiering, hetzij communautair, nationaal of regionaal, dient voor de plattelandsgemeenten, die over weinig middelen en personeel beschikken, een economisch instrument te zijn dat kan bijdragen aan het behoud en ontwikkeling van deze gemeenschappen. |
|
3.3 |
Het CvdR zou graag zien dat twee DG's van de Commissie, te weten DG Regionaal beleid en DG Landbouw, nauwer gaan samenwerken om het resultaat van financiële acties van de Unie voor de ontwikkeling van plattelandscentra en -gebieden te optimaliseren. Zoals hiervoor al uiteen is gezet, biedt het ELFPO alléén geen soelaas voor alle problemen van de plattelandsgebieden; er moet dus worden uitgegaan van acties van diverse fondsen. |
|
3.4 |
De financiële steunverlening aan het platteland dient verder in het algemeen te worden vereenvoudigd. |
|
3.5 |
De Commissie zou de representatieve verenigingen van gemeenten moeten erkennen als gesprekspartners die kunnen bijdragen aan de uitwerking van nieuwe prioriteiten, de verspreiding van kennis van de programma's van het ELFPO en de structuurfondsen, en de uitvoering ervan op het platteland, ook in afgelegen en dunbevolkte gebieden. |
|
3.6 |
Het Comité hoopt dat het advies bijdraagt aan de uitwerking van een strategie om van de Europese plattelandsgemeenten moderne „duurzame gemeenschappen” te maken. Deze gemeenten zouden zo, in Europees verband, de juiste zichtbaarheid krijgen, alsook erkenning voor hun rol en steun voor hun groei. Met deze benadering kunnen de belangrijkste regionale milieuvoorzieningen worden versterkt en kan er welvaart worden geschapen door werkgelegenheid en ondernemerschap op het platteland te bevorderen. Tevens zou hiermee het geheel van culturele waarden, tradities en lokale gewoonten kunnen worden versterkt en zou het aldus mogelijk blijven om er een gezondere leefwijze op na te houden. |
|
3.7 |
De Europese Unie, die haar acties baseert op het beginsel van territoriale en sociale samenhang, dient aandacht te schenken aan de problemen waarmee kleine gemeenschappen te kampen hebben om hun burgers alsook aan de komende generaties geschikte inkomstenbronnen en een passend dienstenniveau te bieden, zodat zij niet wegtrekken. |
|
3.8 |
Ook tussen plattelandsgemeenten onderling bestaan er aanzienlijke verschillen in welvaart; het CvdR acht het nodig dat de financiële ondersteuning een maximale meerwaarde oplevert ter verbetering van de levensomstandigheden van de burgers op het platteland. |
|
3.9 |
Ten behoeve van een decentralere uitvoering van de Lissabonstrategie moet er meer rekening worden gehouden met de behoeften van plattelandsgebieden, met het oog op een beleid dat, bij de uitstippeling van programma's, een beter evenwicht tracht te vinden tussen stedelijke gebieden en het platteland (10). |
|
3.10 |
Het platteland in Europa staat onder enorme druk van de gebieden rondom steden; er dient een evenwicht te komen tussen duurzame landbouw en de dynamische economie in de steden. |
|
3.11 |
Het Comité is voorstander van instrumenten en van structuren voor overleg en samenwerking tussen kleine gemeenten en regionale hoofdsteden om gemeenschappelijke oplossingen te vinden voor de betrekkingen tussen de gebieden, vooral wanneer er grote stadsagglomeraties bij betrokken zijn, door tegelijkertijd de netwerken van kleine steden te versterken, die het platteland structuur verlenen. |
|
3.12 |
Het is verder zaak de verbindingen tussen stedelijke centra en de omliggende gebieden te verbeteren ter ontlasting van de grote centra, om de keuze te bieden om zich buiten die centra te vestigen en om de afzet van producten uit plattelandsgebieden te bevorderen. |
|
3.13 |
Het CvdR herhaalt dat de betrokkenen op het platteland breed moeten overleggen over de uitwerking, invoering, controle en evaluatie van de programma's. In dit verband dient de rol van de plaatselijke overheden te worden versterkt om het structurele beleid te kunnen beïnvloeden, aangezien zij in een bevoorrechte positie verkeren om de problemen en verwachtingen in hun streek in kaart te brengen en te evalueren. |
|
3.14 |
De plattelandsgemeenten dienen actief deel te nemen aan door de lidstaten of regio's opgezette lokale partnerschappen om bij te dragen aan de nationale strategische plannen en de nationale programma's voor plattelandsontwikkeling. Daarom is een benadering „van onderaf” geboden, die alle actoren bij de uitstippeling van deze plannen een stevige vinger in de pap geeft. |
|
3.15 |
Hopelijk komen er steeds meer uitwisselingen en jumelages tussen plattelandsgebieden in Europa; deze initiatieven zijn belangrijke kansen om nieuwe kennis op te doen, goede praktijken en ervaringen uit te wisselen en een grotere culturele integratie te verwezenlijken. Cultuurtoerisme in plattelandsgebieden dient absoluut te worden bevorderd door de plaatselijke bevolking te steunen bij het ontwikkelen van hun capaciteiten om de toerismesector uit te bouwen en door in de hele Europese Unie informatie te verspreiden over unieke toeristische attracties. |
|
3.16 |
Veel communautaire samenwerkingsprogramma's zijn nog steeds hoofdzakelijk op stedelijke gebieden gericht. Het CvdR hoopt dat de regio's en lokale overheden de oprichting van meer partnerschappen op het platteland zullen steunen zodat een groter aantal vernieuwende ervaringen op het gebied van samenwerking ook beschikbaar komt voor het platteland. |
|
3.17 |
Het Comité zou graag zien dat plattelandsgemeenten plaatsen worden die meer openstaan voor experimenten met innovatief energiebeleid, gericht op hernieuwbare energiebronnen. Financierings- en andere maatregelen zouden hun kunnen helpen om te investeren in hernieuwbare energiebronnen, zoals met name zonnepanelen, biomassa en windenergie, om zelfvoorziening op energiegebied te verwezenlijken en om het inkomenspeil van de plaatselijke bevolking op te trekken. |
|
3.18 |
Het Comité wil dat de Commissie met een programma komt voor de uitwisseling van innovatieve goede praktijken op economisch gebied tussen de plattelandsgemeenten in de EU. |
|
3.19 |
Het zou een goede zaak zijn als het communautaire beleid kleine en ambachtelijke ondernemers geen onhaalbare voorschriften oplegt ten aanzien van typische streekproducten. |
|
3.20 |
Het Comité roept de Europese Unie op om steun te verlenen aan de oprichting en ontwikkeling van zeer kleine ondernemingen die werk maken van traditionele producten en om gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemingen en de integratie van jongeren te bevorderen. |
|
3.21 |
2008 wordt volgens het CvdR een cruciaal jaar in verband met de te nemen besluiten over het GLB, met name die betreffende de overheveling van middelen van de eerste naar de tweede pijler. Het roept daarom de Commissie, de Raad en het Europees Parlement op om terdege rekening te houden met de behoeften van het platteland bij de uitwerking van hun toekomstige voorstellen. |
|
3.22 |
Het verzoekt de Commissie de landelijke gebieden te steunen aan de hand van adequaat beleid en inspanningen die groei en duurzaamheid combineren en die het platteland in staat stellen om een eigen ontwikkelingssysteem op te bouwen, zodat het niet uitsluitend in het kielzog van stedelijke gebieden vaart. |
|
3.23 |
Met de toekomst van plattelandsgebieden dient terdege rekening te worden gehouden in de lopende overwegingen voor de opstelling van de territoriale agenda van de Unie, met name aan de hand van een operationele reflectie over het partnerschap platteland — stad, die aandacht schenkt aan de rol van kleine steden als evenwichtspool. |
Brussel, 6 december 2006.
De voorzitter
van het Comité van de Regio's
M. DELEBARRE
(1) CdR 54/2006.
(2) Florence, 20.10.2000, CETS nr. 176.
(3) PE 322.192 A5-0189/2003.
(4) CdR 255/2004.
(5) COM(2006) 129 final.
(6) CdR 209/2006.
(7) COM(2006) 386 final.
(8) Akkoord van Bristol inzake „Duurzame gemeenten”, Bristol, 12.12.2005.
(9) CdR 389/96 fin.
(10) CdR 11/2006, blz. 4.
|
10.3.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 57/25 |
Advies van het Comité van de Regio's over de volgende Mededelingen van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement:
|
|
Uitvoering van het Haags programma: koersbepaling |
|
|
Evaluatie van het EU-beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht |
|
|
Verslag over de uitvoering van het Haags programma — 2005 |
(2007/C 57/05)
HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,
GEZIEN de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 28 juni 2006 getiteld „Uitvoering van het Haags programma: koersbepaling” (COM(2006) 331 final),
GEZIEN de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 28 juni 2006 getiteld „Evaluatie van het EU-beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht” (COM(2006) 332 final),
GEZIEN de Mededeling van het Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 28 juni 2006 getiteld „Verslag over de uitvoering van het Haags programma — 2005” (COM(2006) 333 final),
GEZIEN het besluit van de Europese Commissie van 28 juni 2006 om het Comité overeenkomstig artikel 265, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap over deze materie te raadplegen,
GEZIEN het besluit van zijn bureau van 25 april 2006 om de commissie Constitutionele aangelegenheden, Europese governance en ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te belasten met de voorbereiding van een advies over deze Mededelingen,
GEZIEN de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld „Het Haags programma: tien prioriteiten voor de komende vijf jaar — Het partnerschap voor Europese vernieuwing op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht” (COM(2005) 184 final),
GEZIEN zijn advies van 16 februari 2006 over een samenhangend geheel van voorstellen en maatregelen op het terrein van vrijheid, veiligheid en recht (CdR 122/2005) (1),
GEZIEN zijn ontwerpadvies (CdR 234/2006) dat door de commissie Constitutionele aangelegenheden, Europese governance en ruimte van vrijheid, veiligheid en recht op 17 oktober 2006 werd goedgekeurd (rapporteur: de heer Opstelten, burgemeester van Rotterdam),
|
1. |
OVERWEGENDE dat de mate waarin het Europese beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht de komende jaren succesvol zal zijn, doorslaggevend zal zijn voor het oordeel van de Europese burger over de meerwaarde van de Europese Unie; |
|
2. |
OVERWEGENDE dat regionale en lokale overheden verantwoordelijkheden hebben op het terrein van orde en veiligheid, en de effectiviteit en efficiency van het beleid van de Europese Unie daarom in sterke mate mede wordt bepaald door hun betrokkenheid; |
|
3. |
OVERWEGENDE dat het beleid inzake vrijheid, veiligheid en recht een 'stap naar volwassenheid' heeft gemaakt die bij uitstek de gelegenheid biedt om de samenhang met de rol van regionale en lokale overheden te verbeteren; |
heeft tijdens zijn op 6 en 7 december 2006 gehouden 67e zitting (vergadering van 6 december ) onderstaand advies uitgebracht.
1. Standpunten van het Comité van de Regio's
Het Comité van de Regio's,
|
1.1 |
is van oordeel dat op het beleidsterrein van vrijheid, veiligheid en recht regionale en lokale overheden een belangrijke rol spelen en heeft in een eerder advies (CdR 122/2005) concrete aanbevelingen gedaan om de effectiviteit en efficiency van dit Europese beleid te vergroten door bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie ervan meer aandacht te schenken aan de ervaringen van de regionale en lokale overheden; |
|
1.2 |
heeft veel waardering voor de inzet van de Commissie op het beleidsterrein van vrijheid, veiligheid en recht, aangezien uit de voorliggende Mededelingen ambitie en durf blijken om deze doelstellingen ook te bereiken, en spreekt zijn zorg uit over de grote verschillen in de implementatie van de maatregelen van het Haags programma in de lidstaten; |
|
1.3 |
heeft, gegeven de complexiteit van het beleidsterrein en de tijdsdruk waaronder de genoemde Mededelingen tot stand moesten komen, begrip voor het feit dat het niet eenvoudig is een meer rechtstreekse betrokkenheid van de regionale en lokale overheden tot stand te brengen, maar acht het desondanks teleurstellend dat de intentie van de Commissie om op korte termijn een werkwijze te ontwikkelen die recht doet aan de aanbevelingen van het Comité niet kan worden teruggevonden in de genoemde Mededelingen; |
|
1.4 |
gaat ervan uit dat een dergelijke werkwijze alsnog kan en zal worden ontwikkeld, onder meer op basis van de discussie die de Commissie aankondigt in de conclusies van Mededeling COM(2006) 331 final; |
|
1.5 |
onderschrijft de keuze van de beleidsgebieden, die gedurende de looptijd van het Haags programma nadere aandacht behoeven en heeft waardering voor de inzet van de Commissie om met gebruikmaking van juridische constructies op grond van bestaande Europese verdragen de besluitvorming zoveel mogelijk te stroomlijnen en te versnellen; |
|
1.6 |
betreurt het vooralsnog ontbreken van voldoende draagvlak om op korte termijn daadwerkelijk tot een betere aanpak te komen; |
|
1.7 |
onderschrijft de noodzaak van verbetering van monitoring- en evaluatiemechanismen en stelt vast dat de voorstellen van de Commissie aansluiten bij zijn aanbevelingen, hetgeen een stap in de goede richting is naar een meer systematische, gestructureerde en geïntegreerde aanpak, waarmee de inzichtelijkheid, herkenbaarheid en uitvoerbaarheid van het beleid kan worden vergroot. Door voort te bouwen op de kennis en ervaringen van nationale, regionale en lokale overheden kan een samenhangende en toegespitste set van indicatoren worden ontwikkeld die waardevolle informatie oplevert en onnodige dubbelingen voorkomt; |
|
1.8 |
wil zich inzetten voor een nauwe betrokkenheid van de regionale en lokale overheden bij de opzet en uitvoering van de evaluaties en ondersteunt het voorstel om met het oog op de kwaliteit en effectiviteit van evaluatieverslagen ook bij de EU-instellingen een contactpunt aan te wijzen voor de dialoog met de Commissie; |
|
1.9 |
onderstreept het belang van diepgaande strategische beleidsevaluaties op een aantal onderdelen van het beleid en verwacht dat daarbij meer aandacht zal kunnen zijn voor de gevolgen voor de uitvoeringspraktijk op regionaal en lokaal niveau. |
2. Aanbevelingen van het Comité van de Regio's
Het Comité van de Regio's,
|
2.1 |
pleit voor heldere afspraken ten aanzien van de samenwerking tussen de Europese instellingen en de regionale en lokale overheden op het terrein van vrijheid, veiligheid en recht; |
|
2.2 |
roept op om op korte termijn zichtbaar te maken op welke wijze zijn eerdere voorstellen in de uitwerking van de voorliggende Mededelingen worden meegenomen; |
|
2.3 |
beveelt dringend aan dat de Europese Commissie, de Europese Raad en het Europees Parlement op korte termijn praktische haalbare en werkbare oplossingen zoeken voor de gesignaleerde tekortkomingen bij de omzetting van de instrumenten uit titel VI van het EU-Verdrag op nationaal niveau; |
|
2.4 |
dringt conform zijn eerdere advies aan op een meer rechtstreekse betrokkenheid van de regionale en lokale overheden bij de totstandkoming van het jaarlijkse scorebord, bijvoorbeeld door hoorzittingen met deskundigenteams. Er zou niet alleen interesse moeten zijn in de papieren werkelijkheid van de uitvoering, maar vooral ook in de gevolgen voor de praktijk, hetgeen nauw samenhangt met de ontwikkeling van monitoring- en evaluatiemechanismen; |
|
2.5 |
stelt vast dat uit de evaluaties duidelijk blijkt dat er bij de bestrijding van illegale immigratie nauwelijks vooruitgang is geboekt. De EU zou daarom met de nodige vastberadenheid een gemeenschappelijk immigratiebeleid moeten ontwikkelen om het ingewikkelde vraagstuk van illegale immigranten aan te pakken; |
|
2.6 |
pleit ervoor om de gemeenschappelijke basisbeginselen voor een coherent Europees integratiekader op korte termijn nader uit te werken in een praktisch toepasbare 'instrumentenkist' voor regionale en lokale overheden ter stimulering en professionalisering van het integratieproces op het regionale en lokale niveau; |
|
2.7 |
stelt conform zijn eerdere advies voor om te bevorderen dat ook op het lokale niveau het integratieproces op transparante wijze deel uitmaakt van de diverse onderdelen van het overheidsbeleid; |
|
2.8 |
dringt aan op een inbreng van regionale en lokale overheden in de totstandkoming van een wetgevingsvoorstel over het opzetten van een waarschuwings- en informatienetwerk op het gebied van kritieke infrastructuur; |
|
2.9 |
adviseert de Commissie om bij de discussie over de wijze waarop (meer) recht kan worden gedaan aan verwachtingen van burgers over het EU-beleid op het terrein van vrijheid, veiligheid en recht, alsmede over de vergroting van de effectiviteit van het beleid, ook ruimte te geven voor rechtstreekse discussie met regionale en lokale overheden, ngo's, bedrijfsleven, enz.; |
|
2.10 |
beveelt de Commissie aan om veel aandacht te besteden aan het voorkomen van het op bureaucratische wijze vormgeven van de voorgestelde monitoring- en evaluatiemechanismen en aan het op de uitvoeringspraktijk afstemmen daarvan.; |
|
2.11 |
pleit ervoor om bij de uitvoering van de voornemens op het terrein van informatievoorziening ten behoeve van alle „stakeholders” de kennis en ervaring van de regionale en lokale overheden een belangrijke rol te laten spelen; |
|
2.12 |
vraagt de Commissie om ook bij de uitvoering van de voorstellen ten aanzien van de nationale rapportagemechanismen de eerdere aanbevelingen van het Comité in acht te nemen. In de nationale rapportages zou als regel ook expliciet moeten worden gemaakt op welke wijze de regionale en lokale overheden bij de uitvoering van het beleid zijn betrokken. Een simpele vaststelling, dat met enige regelmaat overleg wordt gevoerd, is onvoldoende. |
Brussel, 6 december 2006.
De voorzitter
van het Comité van de Regio's
M. DELEBARRE
(1) PB C 192 van 16 augustus 2006.
|
10.3.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 57/27 |
Advies van het Comité van de Regio's over de Mededeling van de Commissie: De groei- en banenstrategie en de hervorming van het Europees cohesiebeleid — Vierde voortgangsverslag over cohesie
(2007/C 57/06)
HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,
GEZIEN de Mededeling van de Commissie: De groei- en banenstrategie en de hervorming van het Europees cohesiebeleid — Vierde voortgangsverslag over cohesie, COM(2006) 281, SEC(2006) 726;
GEZIEN het besluit van de Europese Commissie van 17 mei 2005 om het Comité over dit onderwerp te raadplegen overeenkomstig artikel 265, eerste alinea, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
GEZIEN het besluit van zijn voorzitter van 23 juni 2006 om de commissie Territoriale samenhang te belasten met het opstellen van een advies terzake;
GEZIEN zijn advies over het Derde verslag over de economische en sociale samenhang (CdR 120/2004 fin);
GEZIEN de Conclusies van de op 6 en 7 december 2005 te Bristol gehouden informele Ministersbijeenkomst over duurzame gemeenschappen;
GEZIEN zijn advies over de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement: Bouwen aan onze gemeenschappelijke toekomst — Beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013, COM(2004) 101 final (CdR 162/2004 fin) (1);
GEZIEN zijn advies over het Voorstel voor een verordening van de Raad houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, COM(2004) 492 final — 2004/0163 (AVC) (CdR 232/2004 fin) (2);
GEZIEN zijn advies over de Mededeling van de Commissie: Cohesiebeleid ter ondersteuning van groei en werkgelegenheid — Communautaire strategische richtsnoeren 2007-2013, COM(2005) 299 final (CdR 140/2005 fin);
GEZIEN zijn advies over de Mededeling van de Commissie: Derde voortgangsverslag over cohesie — Naar een nieuw partnerschap voor groei, werkgelegenheid en cohesie, COM(2005) 192 final (CdR 141/2005 fin);
GEZIEN het op 19 oktober 2006 door zijn commissie Territoriale samenhang goedgekeurde ontwerpadvies (CdR 249/2006) (rapporteur: de heer Williams (UEN-EA/UK, lid van de regioraad van Anglesey);
OVERWEGENDE DAT regionaal beleid overeenkomstig artikel 158 van het Verdrag tot doel heeft de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de regio's te verkleinen;
heeft tijdens zijn 67e zitting van 6 en 7 december 2006 (vergadering van 6 december) het onderstaande advies goedgekeurd:
1. Economische en sociale ongelijkheden in de uitgebreide EU
Het Comité van de Regio's
|
1.1 |
stelt vast dat, hoewel de groeipercentages in de EU in 2005 lager zijn uitgevallen, de convergentieprogramma's voor de betrokken regio's zinvol zijn geweest wat betreft hefboomeffecten en additionaliteit; |
|
1.2 |
sluit zich derhalve aan bij het standpunt van de Commissie dat uit het huidige ongelijkheidsniveau binnen de EU blijkt dat er een regionaal beleid op Europees niveau moet komen dat groei bevordert en ongelijkheden binnen de Europese Unie verkleint; |
|
1.3 |
wijst erop dat het cohesiebeleid van cruciaal belang is voor alle EU-regio's, aangezien bij de meerjarenprogrammering van de structuurfondsen sterk wordt gehecht aan handhaving van de geplande niveaus van de overheidsinvesteringen gedurende perioden van economische recessie in de lidstaten en EU-middelen bovendien zorgen voor een stabiel planningsproces, externe prikkels en hefboomeffecten, elementen die van essentieel belang zijn voor een duurzame regionale ontwikkeling; |
|
1.4 |
is ermee ingenomen dat het op grond van de definitieve verordeningen mogelijk wordt om uitgaven in het kader van de structuurfondsen uit particuliere middelen te cofinancieren, zodat kan worden voorkomen dat de begrotingen van regio's en gemeenten zwaarder onder druk komen te staan. |
2. Recente ontwikkelingen in het cohesiebeleid van de EU
Het Comité van de Regio's
|
2.1 |
is ingenomen met de prestaties van de Europese Commissie wat de uitvoering van de begroting van 2005 betreft; |
|
2.2 |
steunt de meer strategische aanpak die de Europese Commissie in haar Communautaire strategische richtsnoeren voorstelt; |
|
2.3 |
benadrukt dat het in de algemene verordening omschreven partnerschapsbeginsel moet dienen als leidraad bij het opstellen van de nationale strategische referentiekaders en de operationele programma's omdat het partnerschapsbeginsel van wezenlijk belang is voor de doeltreffendheid en het welslagen van het cohesiebeleid; |
|
2.4 |
wijst er nogmaals op dat zowel regio's als gemeenten moeten worden betrokken bij het opstellen van de nationale strategische referentiekaders en de operationele programma's en dat dit proces zich moet voltrekken volgens de beproefde beginselen van multilevel governance op het gebied van het cohesiebeleid, met deelname van lokale en regionale overheden alsook sociaal-economische actoren; |
|
2.5 |
is van mening dat, om de aanzienlijke verschillen tussen de groeipercentages van de regio's te kunnen wegwerken, meer aandacht moet worden geschonken aan de nieuwe doelstelling „Europese territoriale samenwerking” omdat het uitwisselen van voorbeelden van een succesvolle aanpak tussen goed presterende regio's en regio's met lagere groeicijfers een meerwaarde biedt voor het cohesiebeleid als geheel; |
|
2.6 |
twijfelt nog steeds aan de haalbaarheid van de doelstelling van 24 miljoen nieuwe banen — nieuwe banen die de EU nodig heeft om in 2010 het te Lissabon vastgestelde werkgelegenheidsstreefcijfer van 70 % te bereiken — tenzij de lidstaten zich grote inspanningen getroosten om de werkgelegenheid te vergroten; |
|
2.7 |
erkent dat het cohesiebeleid moet zorgen voor méér groei en werkgelegenheid door middel van „oormerking”. Het CvdR verwelkomt de uitgebreide definitieve lijst op basis waarvan méér elementaire maatregelen kunnen worden genomen die van belang zijn voor lokale en regionale overheden die in de eerste plaats streven naar verkleining van de regionale ongelijkheden (bijv. maatregelen op het gebied van vervoer, telecommunicatie en sociale integratie); |
|
2.8 |
wijst erop dat de „oormerking”-procedure verregaande veranderingen zal meebrengen in alle EU-15-regio's waar oormerking verplicht is, reden waarom bij het toepassen van deze procedure rekening moet worden gehouden met de specifieke behoeften en omstandigheden in de diverse EU-regio's; |
|
2.9 |
is van oordeel dat bij de uitwerking van door de structuurfondsen ondersteunde groei- en banenstrategieën een grotere inbreng van lokale en regionale overheden nodig is. Het welslagen van de voorbereiding van de nationale hervormingsprogramma's en de nieuwe generatie cohesiebeleidsprogramma's voor de periode 2007-2013 hangt in sterke mate af van de kwaliteit van de coördinatie tussen de lidstaten enerzijds en de lokale en regionale bestuurslagen anderzijds; |
|
2.10 |
wijst met nadruk op het in het jaarlijkse voortgangsverslag inzake de Lissabon-doelstellingen geuite voornemen om betere en systematische instrumenten te ontwikkelen voor de coördinatie tussen hen die verantwoordelijk zijn voor de nationale hervormingsprogramma's en hen die de cohesiebeleidsprogramma's voor de periode 2007-2013 opstellen; |
|
2.11 |
beklemtoont de grote bijdrage die lokale en regionale overheden met hun onderwijs- en opleidingsinitiatieven kunnen leveren aan het Lissabonproces aangezien het, om de economische ontwikkeling te bevorderen, belangrijk is dat het competentieniveau wordt verhoogd; |
|
2.12 |
is zich bewust van de voordelen die de onderlinge afstemming van Europese regionale steun enerzijds en nationale steun anderzijds met zich kan meebrengen in de vorm van hefboomeffecten en een grotere efficiëntie, maar roept de Europese Commissie op om er — niettegenstaande de nieuwe definitie van het additionaliteitsbeginsel — op toe te zien dat de structuurfondsen op lokaal en regionaal niveau duidelijk zichtbaar blijven; |
|
2.13 |
verwelkomt het door de Europese Commissie en de EIB genomen initiatief ter bevordering van innovatie en duurzaamheid in het regionaal beleid, welk initiatief voorziet in meer innovatieve vormen van financiële engineering in de regio's, zoals de steunregelingen JESSICA (Joint European Support for Sustainable Investment in City Areas) en JEREMIE (steun aan kleine en middelgrote bedrijven die actief zijn op het gebied van financiële engineering); |
|
2.14 |
dringt erop aan dat de regionale en lokale overheden samen met de Europese Commissie de behoefte aan extra capaciteitsopbouw op lokaal en regionaal niveau in kaart brengen en zich hierop richten, daarbij rekening houdend met de voortgang die onder eerdere programma's is geboekt; |
|
2.15 |
wijst op de cruciale interactie tussen stedelijke en plattelandsgebieden in de gehele Europese Unie, en betreurt dat er nog steeds geen sprake is van synergie en van een duidelijke afbakening tussen de structurele programma's, de plattelandsontwikkelingsprogramma's en de visserijprogramma's voor de periode 2007-2013; |
|
2.16 |
verheugt zich als vertegenwoordigend orgaan van de lokale en regionale overheden op een vruchtbare dialoog met de Europese Commissie over het in het voorjaar van 2007 te verwachten Vierde cohesieverslag. |
Brussel, 6 december 2006.
De voorzitter
van het Comité van de Regio's
M. DELEBARRE
(1) PB C 164 van 5 juli 2005, blz. 4.
(2) PB C 231 van 20 september 2005, blz. 1.
|
10.3.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 57/29 |
Advies van het Comité van de Regio's over de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's Een routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010
(2007/C 57/07)
HET COMITÉ VAN DE REGIO'S,
gezien de Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's Een routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2006-2010, COM(2006) 92 final;
gezien het besluit van de Europese Commissie van 1 maart 2006 om het Comité overeenkomstig art. 265, eerste alinea, van het EG-Verdrag over dit onderwerp te raadplegen;
gezien het besluit van zijn bureau van 13 juni 2006 om zijn commissie Economisch en sociaal beleid met het opstellen van een advies over dit onderwerp te belasten;
gezien zijn advies over „Vrouwen en armoede in de Europese Unie” (CdR 151/2005 fin);
gezien zijn advies „Meer en betere banen door de modernisering van de sociale bescherming — een omvattende strategie om werk lonend te maken” (CdR 94/2004 fin);
gezien zijn advies over het „Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot uitvoering van het beginsel van gelijke behandeling van vrouwen en mannen bij de toegang tot en de levering van goederen en diensten” (CdR 19/2004);
gezien zijn advies over „Het opstellen van een handvest van grondrechten van de Europese Unie” (CdR 327/1999 fin);
gelet op de wens van de Europese Commissie om de gendergelijkheid te bevorderen op grond van een routekaart voor gendergelijkheid, en de wens van het CvdR om een praktische invulling te geven aan de waarden en doelstellingen van deze routekaart, en gelet op het feit dat 2007 is uitgeroepen tot Europees Jaar van gelijke kansen voor iedereen;
gezien het door de commissie Economisch en sociaal beleid op 20 oktober 2006 goedgekeurde ontwerpadvies (CdR 138/2006 rev. 2) (rapporteur: mevrouw Abela Baldacchino, loco-burgemeester van Qrendi (Malta), MT/PSE);
heeft tijdens zijn op 6 en 7 december 2006 gehouden 67e zitting (vergadering van 6 december) onderstaand advies met algemene stemmen goedgekeurd.
1. Standpunten van het Comité van de Regio's
Prioriteiten van het Comité van de Regio's
|
1.1 |
Het Comité van de Regio's beschouwt het thema gendergelijkheid als een van zijn topprioriteiten voor 2006. De routekaart voor gendergelijkheid raakt aan het hart van het Europees sociaal model. Bevordering van gelijke kansen en bestrijding van alle vormen van geweld behoren tot de belangrijkste beleidsprioriteiten van het Comité van de Regio's. |
|
1.2 |
Nu is het moment gekomen concrete voorstellen te doen om aan te geven hoe gendergelijkheid kan worden bereikt en hoe met name de situatie van vrouwen in de lidstaten kan worden verbeterd, speciaal tegen de achtergrond van het Jaar van gelijke kansen voor iedereen (2007). In het Europees Pact voor de gelijkheid van mannen en vrouwen, waar de regeringen van verschillende lidstaten zich bij hebben aangesloten, wordt reeds een aantal streefcijfers en doelstellingen vastgesteld, maar er is nu dringend behoefte aan concrete voorstellen voor de tenuitvoerlegging van dit beleid. De daaruit voortvloeiende maatregelen moeten wel een naar aard en werking duurzaam karakter hebben, net zo goed als de toepassing van de routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen een langere looptijd heeft (2006/2010). |
Doelstellingen van het Comité van de Regio's
|
1.3 |
Gendergelijkheid moet universeel worden nagestreefd als een wenselijke doelstelling voor burgers die gebruik maken van de diensten van lokale en regionale overheden en als een centraal beleidspunt voor bestuurders en politici van alle overtuigingen. De lokale en regionale overheden spelen hierbij een sleutelrol, omdat zij het dichtst bij de burgers staan en weten wat er onder hen leeft. Zij moeten dan ook helpen het goede voorbeeld te geven voor wat betreft de bestrijding van discriminatie, met name in hun hoedanigheid van belangrijke werkgevers in de EU en als verleners van diensten die rechtstreeks van invloed zijn op de gendergelijkheid (zie hieronder). |
|
1.4 |
De lokale en regionale overheden zouden bijgevolg als katalysator moeten fungeren, en voor de nodige steun en faciliteiten moeten zorgen. Hun voornaamste doelstelling is het streven naar evenwicht tussen vrouwen en mannen. Zij moeten dan ook de noodzakelijke middelen verschaffen waarmee een ieder die dat nodig heeft zijn positie in de samenleving kan versterken en toegang tot de arbeidsmarkt kan krijgen. |
|
1.5 |
Om een en ander mogelijk te maken moet het CvdR ervoor zorgen dat er politiek engagement bestaat voor:
Het Comité van de Regio's en de daarin vertegenwoordigde lokale en regionale overheden zijn bereid om met concrete acties hun steentje bij te dragen tot de verwezenlijking van deze doelstellingen. Daartoe moeten er voorstellen worden gedaan met het oog op het Jaar van gelijke kansen voor iedereen (2007), maar de daaruit voortvloeiende maatregelen moeten een naar aard en werking duurzaam karakter hebben, net zo goed als de toepassing van de routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen een langere looptijd heeft (2006/2010). |
Algemene opmerkingen over de zes prioriteiten van de routekaart
|
1.6 |
Het CvdR is ingenomen met het initiatief van de Europese Commissie om een nieuwe routekaart voor gendergelijkheid te publiceren, die volgt op een reeks documenten waarin de algemene doelstellingen van het Europese gendergelijkheidsbeleid uiteen zijn gezet. Het CvdR heeft in een eerder advies (1) al gewezen op de noodzaak van een samenhangende en allesomvattende strategie om ongelijkheid tussen de seksen in de hele Europese Unie te bestrijden. Gendergelijkheid is een grondrecht en een gemeenschappelijke waarde; dit staat buiten discussie, hieraan kan niet worden getornd. Het vraagt echter wel om concrete beleidsmaatregelen op alle bestuursniveaus. |
|
1.7 |
De Europese instellingen zijn het erover eens dat het succes van het Europese project afhangt van de vraag of de EU en haar instellingen tegemoet kunnen komen aan de verwachtingen van de burgers. Het succes van de routekaart hangt derhalve grotendeels af van het vermogen van de EU-instellingen om de expertise en middelen van de regionale en lokale overheden te benutten. Op lokaal en regionaal niveau zijn er tal van succesvolle voorbeelden van gelijke behandeling die navolging verdienen. Dit aspect komt in de huidige routekaart niet goed uit de verf. |
Betere governance voor gendergelijkheid
|
1.8 |
Het CvdR stemt in met het voorstel in de routekaart om het Europese Genderinstituut te steunen. Het kijkt uit naar het debat over het exacte mandaat van dit nieuwe instituut en de wijze waarop het de algemene beleidsdoelstellingen in concrete maatregelen dient om te zetten. Het CvdR benadrukt het belang van betrouwbare en vergelijkbare wetenschappelijke gegevens inzake gendergelijkheid op de verschillende bestuursniveaus, en gelooft dat het Europese Genderinstituut een belangrijke functie zal vervullen door netwerken voor de verzameling en uitwisseling van deze gegevens op te zetten. Het denkt tevens dat dit instituut een belangrijke rol kan spelen bij de monitoring van maatregelen en praktijken op het gebied van gendereducatie in alle EU-lidstaten, en aanbevelingen en suggesties kan doen voor verbeteringen. |
|
1.9 |
Het CvdR hamert erop dat hierbij sterk de nadruk wordt gelegd op de betrokkenheid van de regionale en lokale bestuursniveaus. Het monitoren van de ontwikkelingen op de niveaus die het dichtst bij de burgers staan en de uitwisseling van beste praktijken zijn van kapitaal belang om de impact van het instituut te maximaliseren. Vandaar dat het Europese Genderinstituut zal moeten zoeken naar manieren om zijn activiteiten te decentraliseren, en hiervoor de nodige middelen moet krijgen. |
|
1.10 |
Het gendergelijkheidsbeleid van de EU kan tevens worden verbeterd door iets te doen aan de governance van de EU-instellingen die op dit gebied werkzaam zijn. Het gaat dan met name om verbetering van de coördinatie tussen de verschillende diensten van de Commissie, ten einde de gendermainstreaming tussen beleidsterreinen te versterken. Hiervoor is het tevens zaak dat de cursussen en opleidingen voor ambtenaren, onderwijzers en cursusleiders op alle niveaus worden verbeterd, om hen meer attent te maken op gendergelijkheidskwesties. Er zou ook aandacht moeten worden besteed aan het taalgebruik in alle documenten, zeker wanneer wordt verwezen naar vrouwen als minderheden: het taalgebruik moet nog meer een weerspiegeling zijn van een genderneutrale houding. |
Decentralisatie van de doelstellingen van de routekaart
|
1.11 |
Overwogen moet worden, de rangorde van de door de Commissie aangewezen prioriteiten te herzien. Een doeltreffende routekaart zou zowel de nadruk moeten leggen op economische gelijkheid als op sociale of maatschappelijke gelijkheid, om een einde te maken aan de schandalige ongelijkheid die de besluitvorming en het politieke leven in het algemeen nog altijd teistert. In Europa groeit alom het besef dat gendergelijkheid van vitaal belang is voor het Europese economische welzijn, behalve dat het een belangrijke op zich zelf staande doelstelling is. Hoewel Europa kan bogen op een levensstandaard die de rest van de wereld tot voorbeeld strekt, is het bijvoorbeeld niet minder waar dat de economische welvaart niet overal in de EU heeft geleid tot gendergelijkheid of meer welvaart voor vrouwen. Het is dan ook zaak duidelijk te stellen dat economische welvaart niet automatisch resulteert in gendergelijkheid. De kortste weg moet worden gevolgd en de juiste hiertoe benodigde middelen moeten worden ingezet als Europa de eindbestemming van gendergelijkheid wenst te bereiken. |
|
1.12 |
De regionale en lokale overheden, die het dichtst bij de burgers staan en verantwoordelijk zijn voor de meeste sociale, onderwijskundige en economische aspecten van hun dagelijks bestaan, zijn in staat de waarden en structuren van de routekaart toe te passen in de praktijk. Dit wordt ook erkend door de Europese Commissie, die het Europees Handvest voor gelijkheid van vrouwen en mannen heeft bekrachtigd dat door de REGR in het kader van het vijfde communautaire actieprogramma is opgesteld. De waarden van de routekaart moeten een integrerend onderdeel worden van het op regionaal en lokaal niveau uitgevoerde beleid. Het tegengaan van genderstereotypen in onderwijs, opleiding en cultuur en de versterking van de governance ten behoeve van de gendergelijkheid kunnen, evenals de monitoring van het proces, het beste op dit niveau plaatsvinden. |
|
1.13 |
In de instellingen op het niveau van de EU, de lidstaten en de regionale en lokale overheden bestaat de tendens om genderkwesties louter in statistieke termen te bespreken. Hoewel betrouwbare en vergelijkbare statistieken nuttig en noodzakelijk zijn om inzicht te krijgen in de huidige situatie, bestaat het gevaar dat statistieken worden gebruikt ter rechtvaardiging van niet veel meer dan een „symbolisch” beleid. Daarom is een accurate interpretatie van statistieken van groot belang, teneinde deze in concrete maatregelen om te zetten. Opsplitsing van de statistieken naar geslacht zou het mogelijk moeten maken om de gegevens beter te evalueren en na te gaan wat de impact is — of het ontbreken daarvan — van het genderbeleid dat wordt gevoerd in de verschillende EU-lidstaten en op het niveau van de regionale en lokale overheden. |
Het scheppen van de voorwaarden om werk en gezin te kunnen combineren
|
1.14 |
Het ziet er tevens naar uit dat nieuwe fondsen en andere initiatieven het meest doeltreffend op regionaal en lokaal niveau kunnen worden ingezet om de waarden en structuren die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de routekaart tot stand te brengen. De ontwikkeling van sociale-gemeenschapsplannen kan een instrument zijn om de regionale en lokale overheden te helpen de behoeften van de lokale gemeenschap in kaart te brengen, en om na gedegen onderzoek in de behoeften van de meest kansarme groepen te voorzien. |
|
1.15 |
Het moge duidelijk zijn dat de verwezenlijking van de Lissabondoelstellingen de inzet van beide seksen vergt, dus zeker ook van vrouwen. Dit omvat tevens hun participatie op de arbeidsmarkt, een grotere betrokkenheid van mannen bij het gezin en de mogelijkheid voor vrouwen én mannen om werk en gezin te combineren, wat van doorslaggevend belang is voor de toekomstige demografische ontwikkeling in de EU. |
|
1.16 |
Cruciaal in dit verband zijn efficiënte maatregelen om mannen ertoe aan te zetten hun aandeel in de gezinstaken op zich te nemen, alsook meer en betere kinderopvangfaciliteiten, die toegankelijk en betaalbaar moeten zijn voor iedereen die deze nodig heeft. Veel lidstaten moeten hun inspanningen nog opvoeren om de doelstellingen van Barcelona 2002 te verwezenlijken; zij zouden hiervoor nauw moeten samenwerken met hun lokale en regionale overheden. |
|
1.17 |
De verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen valt of staat met de opstelling van een concreet beleid, waarvoor voldoende middelen moeten worden uitgetrokken, waarin ieder lid van de gemeenschap wordt gerespecteerd en waar iedereen beter van wordt. Daarnaast zouden nieuwe initiatieven moeten worden aangemoedigd en gefinancierd, die stereotiepe rolpatronen van mannen of vrouwen op het werk, in het privéleven en in de politiek doorbreken. |
|
1.18 |
Het CvdR beschouwt het als een fundamentele taak om ervoor te zorgen dat er concrete kansen bestaan om gendergelijkheid te realiseren. Het al dan niet bestaan van kansen zal uiteindelijk de doorslag geven. De markt is niet alleen gericht op winst en prijzen, maar ook op de kwaliteit van de dienstverlening. Gendergelijkheid kan uitsluitend worden bereikt wanneer essentiële diensten — d.w.z. diensten van hoge kwaliteit — beschikbaar zijn voor alle burgers. De sociale agenda van de EU zou zich hiervan rekenschap moeten geven. |
Totstandkoming van een gedegen rechtskader dat goed wordt nageleefd
|
1.19 |
De EU-wetgeving inzake gelijke beloning dateert al van tientallen jaren geleden. Desondanks verdienen vrouwen nog steeds minder dan mannen (2). De EU-instellingen moeten een vastberaden politieke bereidheid tonen om de reeds bestaande wetgeving/richtlijnen te doen naleven, als het moet zelfs door gerechtelijke stappen te nemen tegen lidstaten die deze wetgeving blijven negeren. Gendergelijkheid moet een echte prioriteit worden van alle lidstaten. Dit zou tevens het standpunt van de EU in internationale fora verstevigen. |
|
1.20 |
Hetzelfde geldt voor de dringende noodzaak om de maatregelen tegen mensenhandel op te voeren. De regionale en lokale overheden moeten worden geholpen de plaag van de mensenhandel en het economisch misbruik van illegale immigranten te bestrijden. Mensenhandel is uitgegroeid tot een enorm probleem dat zo snel mogelijk moet worden aangepakt. Ook is het zaak erop toe te zien dat de waardigheid en de rechten van immigranten in gesloten centra, m.n. van vrouwen en kinderen, worden gerespecteerd. Het CvdR wil zijn leden ertoe aanzetten nauwer samen te werken bij het bestrijden van dergelijke misstanden. Daardoor zal ook op EU-niveau efficiënter kunnen worden samengewerkt in de strijd tegen dit soort zware misdaden die extreem lijden teweegbrengen en die een aanslag zijn op de menselijke waardigheid. Bovendien zal op die manier een stevige basis worden gelegd voor de internationale samenwerking op alle bestuursniveaus, die moet worden aangemoedigd. |
|
1.21 |
Bij seksegebonden geweld gaat het meestal om geweld van mannen tegen vrouwen. Dit is een ernstig maatschappelijk probleem en een gevaar voor het welzijn, de gezondheid en het leven van vrouwen en kinderen. Het is een schending van het fundamentele recht op een eigen leven, veiligheid, vrijheid, waardigheid en lichamelijk en geestelijke integriteit. De beste preventie is voorlichting en actieve beïnvloeding van normen en gedrag. Als we actief werken aan gelijke behandeling kunnen we een samenleving creëren waarin meisjes en jongens dezelfde mogelijkheden en rechten hebben en waar meisjes en vrouwen niet door mannen worden mishandeld. Lokale en regionale overheden, die dicht bij de burger staan, hebben wat dit betreft niet alleen een zware verantwoordelijkheid, maar beschikken ook over ruime ervaring, goede voorbeelden en programma's ten aanzien van zowel slachtoffers als daders. |
Gendergelijkheid bij de besluitvorming
|
1.22 |
Om een echte gendergelijkheid te realiseren zal het probleem van de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de politieke en economische besluitvorming moeten worden aangepakt. Hierbij is een centrale rol weggelegd voor de lokale en regionale overheden, omdat de gelijke deelname van mannen en vrouwen aan de politiek en het economische leven van onderaf moet worden opgebouwd. Het CvdR stelt in dit verband voor dat op de verschillende bestuursniveaus wordt gekeken naar de mogelijkheid om quota's in te voeren. Quota's alleen zijn echter niet voldoende om de ongelijkheid en discriminatie op te lossen, maar zij kunnen onderdeel zijn van een bredere en geïntegreerde strategie om de bestaande structuren die vrouwen nu nog belemmeren deel te nemen aan het besluitvormingsproces, af te breken. |
|
1.23 |
Aangezien het komende jaar in het teken zal staan van „gelijke kansen voor iedereen” moet het CvdR de lidstaten wijzen op hun plicht om te zorgen voor de gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de nationale delegaties in het CvdR. |
|
1.24 |
De fracties in het CvdR worden aangemoedigd actief deel te nemen aan de discussie over gendergelijkheid. Als onderdeel van het themajaar zou het CvdR zelf een strategie moeten uitstippelen waarin het aangeeft hoe het met de nationale delegaties en fracties zal samenwerken om de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen binnen het CvdR aan te pakken. |
|
1.25 |
Het CvdR zou zich er via zijn commissies voor moeten inspannen dat de toekomstige adviezen zoveel mogelijk gebaseerd zijn op de evenredige input van vrouwen en mannen, en ernaar moeten streven dat alle werkzaamheden van het Comité op basis van gelijkheid worden uitgevoerd. |
Verandering van de culturele normen — Gelijkheid op een sekseneutrale wijze
|
1.26 |
De lokale en regionale overheden — zowel binnen als buiten de Unie — verschillen qua grootte en wetgeving, maar niet qua taken en beginselen. Met hun kennis van de lokale en regionale behoeften zijn zij in staat veranderingen op gang te brengen. Omdat zij spilposities innemen kunnen zij er bovendien voor zorgen dat de dienstverlening bijdraagt tot het welzijn van de gemeenschap. |
|
1.27 |
Hierbij is het een grote uitdaging om met alle burgers een open discussie aan te gaan over concrete maatregelen op het gebied van gendergelijkheid. |
|
1.28 |
De lokale en regionale overheden zouden moeten proberen de gelijkheid tussen vrouwen en mannen te bevorderen via projecten die zij zelf of met behulp van EU-middelen financieren en die bedoeld zijn voor lagere scholen. Zij zouden zelfs ervaringen en beste praktijken met andere landen kunnen uitwisselen. |
|
1.29 |
De overheden op alle bestuursniveaus hebben de middelen in huis om de gangbare mentaliteit en dus ook de culturele normen te veranderen. Dit kan worden bereikt door de strategieën te baseren op sociale-gemeenschapsplannen waarmee wordt getracht de gemeenschap te bereiken via onderwijzers, werkgevers en werknemers, nationale en internationale instanties en bovenal de media, voor een doeltreffender verwezenlijking van gendergelijkheid. Concreet betekent dit voor de lokale, regionale maar ook nationale en EU-instellingen dat het thema gendergelijkheid een integrerend deel moet uitmaken van hun communicatie met de burgers. Dit vraagt weer om een gedegen opleiding van de verantwoordelijke personen in de instellingen, maar ook van de mediavertegenwoordigers, om hen bewust te maken van gendergelijkheidsvraagstukken. In het kader van de discussie over de toekomst van Europa en het Plan D van de Commissie voor democratie, dialoog en debat, waaraan het CvdR een vierde „D” wenst toe te voegen voor decentralisatie, zouden gendervraagstukken moeten worden opgenomen als cruciaal element om Europa dichter bij de burgers te brengen. |
2. Aanbevelingen van het Comité van de Regio's
|
2.1 |
Naast een analyse van de onderwijskundige, economische en sociale factoren zou de EU nauw moeten samenwerken met de media. Ook zou zij gedragscodes moeten vaststellen die de verworven vrijheden en creativiteit van de media in tact laten, maar die de obstakels die de prioriteiten van de routekaart in de weg staan, wegnemen. De media kunnen helpen de waarden van de routekaart te verspreiden, maar diepgewortelde en gevestigde belangen kunnen de media heimelijk dwarsbomen. De verwezenlijking van de doelstellingen van de routekaart kan dus een ultieme test zijn voor het vermogen van de EU om een Europese samenleving tot stand te brengen die de mooie woorden over gendergelijkheid in daden weet om te zetten. |
|
2.2 |
Om een doeltreffende en zinvolle democratie tot stand te brengen moet ervoor worden gezorgd dat de burgers op volwaardige wijze kunnen deelnemen aan de besluitvorming over kwesties die hun dagelijks leven aangaan. Zolang er geen sprake is van gendergelijkheid in het besluitvormingsproces zal ook de democratie in de EU niet volledig realiseerbaar zijn. Het CvdR en de EU-instellingen moeten de hervorming van de democratische processen in de lidstaten bespoedigen, door ethische normen voor te stellen voor de politieke governance in de steeds meer geglobaliseerde wereld waarin wij leven. Gendergelijkheid is een van deze ethische normen. |
|
2.3 |
Huiselijk geweld, m.n. van mannen tegen vrouwen, moet ook op EU-niveau worden aangepakt. Nauwere samenwerking tussen de lidstaten zal er immers toe leiden dat wie beschuldigd is van huiselijk geweld gemakkelijker kan worden vervolgd, ook al verblijft de persoon in kwestie inmiddels in een ander land. |
|
2.4 |
Gendergelijkheid kan moeilijker te verwezenlijken zijn zolang vrouwen niet in de gelegenheid zijn hun rechtmatige plaats in de besluitvormingsstructuren op te eisen. Een succesvolle routekaart zou vrouwen meer kansen op de arbeidsmarkt geven en hun economische onafhankelijkheid bevorderen. |
|
2.5 |
In hun hoedanigheid van belangrijke werkgevers zouden de regionale en lokale overheden het goede voorbeeld moeten geven door hoge normen op het gebied van gendergelijkheid na te streven. Zo kunnen zij in veel gevallen ervoor zorgen dat mannen en vrouwen evenredig vertegenwoordigd zijn in sollicitatiecommissies. Dit wordt vaak over het hoofd gezien. |
|
2.6 |
Een andere stap in dezelfde richting zou zijn dat het CvdR zichzelf presenteert als rolmodel voor lokale, regionale, nationale en Europese instellingen, door zich er in aanwervingsprocedures van te vergewissen dat sollicitanten een goed begrip hebben van genderkwesties, en door zijn personeel hiervan bewust te maken door middel van cursussen en opleidingen. |
|
2.7 |
Aangezien het aantal mannelijke en vrouwelijke leden van het CvdR niet in evenwicht is, kan het niet bepaald als goed praktijkvoorbeeld worden beschouwd voor het lokaal en regionaal bestuur in Europa. Het „Europees Jaar van gelijke kansen voor iedereen” (2007) zou door het CvdR moeten worden aangegrepen om samen te werken met de nationale delegaties en fracties, ten einde een strategie voor gendergelijkheid uit te stippelen. Deze strategie zou dan in 2007 moeten worden gepubliceerd. |
|
2.8 |
Andere gebieden waarop de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen een negatieve impact heeft op de verwezenlijking van de doelstellingen, in de zin dat zij de volledige en gelijkwaardige participatie van vrouwen vertragen of belemmeren, moeten streng worden aangepakt. Opvallende voorbeelden zijn te vinden in tal van onderdelen van het sociaal beleid, waaronder gezondheidszorg, onderwijs, sociale zekerheid en volkshuisvesting, waarin onvoldoende aandacht bestaat voor genderspecifieke verschillen. |
|
2.9 |
Om meer gezinsvriendelijke maatregelen te treffen waarmee vrouwen en mannen gelijke toegang wordt geboden tot betaalde arbeid en diensten, zouden de lokale en regionale overheden ernaar kunnen streven partnerschappen te sluiten met particuliere en openbare bedrijven voor de bevordering van kinderopvangfaciliteiten, waarvoor middelen zouden kunnen worden geput uit de structuurfondsen en/of het nieuwe Progress-programma. Het CvdR zou in dit verband het goede voorbeeld moeten geven, zowel wat zijn politieke structuur als personeelsleden betreft. Het moet een voortrekkersrol gaan spelen op het vlak van kinderopvang: in zijn gebouwen zijn immers voortdurend personeelsleden, allerhande organisaties en politici aanwezig. |
|
2.10 |
Vandaar dat zeer veel aandacht moet worden geschonken aan het potentieel van de lokale en regionale overheden, omdat zij zich in een betere positie bevinden dan wie dan ook om de routekaart ten uitvoer te leggen, terwijl zij altijd oog houden voor de culturele en sociaal-economische context waarin e.e.a. moet worden geïmplementeerd. Dit advies vertegenwoordigt het standpunt dat de doelstellingen van de routekaart niet kunnen slagen indien de gendergelijkheid niet van onderaf wordt bewerkstelligd met de volledige participatie van de burgers op regionaal en lokaal niveau. Voor alle lokale en regionale besturen is het Europees Handvest van de REGR voor gelijkheid van vrouwen en mannen in dit verband een bijzonder nuttig referentiewerk, dat de concrete link legt tussen de doelstellingen van de routekaart en de lokale bevoegdheden. Niet alleen zouden de regionale en lokale overheden rechtstreeks betrokken moeten zijn via een decentrale routekaart, maar ook zouden het CvdR en zijn leden gendergelijkheid moeten promoten, ondersteunen en verdedigen. |
|
2.11 |
Het CvdR zou elk jaar, mits de begrotingsautoriteit ermee instemt, een forum moeten houden over gelijke behandeling waar lokale en regionale overheden alsmede publieke, particuliere en ideële partijen methoden, kennis en ervaringen kunnen uitwisselen. Om op een ruime deelname te kunnen rekenen moeten de kosten van dit forum laag worden gehouden. |
Brussel, 6 december 2006.
De voorzitter
van het Comité van de Regio's
M. DELEBARRE
(1) CdR 151/2005 fin; advies over „Vrouwen en armoede in de Europese Unie”.
(2) Z. Gurmai, „Roadmap has no fast lane” (Routekaart zonder snelweg), verklaring van de PSE, 2006.
|
10.3.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 57/34 |
Advies van het Comité van de Regio's over de Mededeling van de Commissie Uitvoering van het Lissabon-programma van de Gemeenschap: Sociale diensten van algemeen belang in de Europese Unie
(2007/C 57/08)
Het Comité van de Regio's,
GEZIEN de Mededeling van de Commissie „Uitvoering van het communautaire Lissabon-programma — Sociale diensten van algemeen belang in de Europese Unie”, COM(2006) 177 final;
GEZIEN het besluit van de Commissie van 26 april 2006 om, overeenkomstig artikel 265, lid 1, van het EG-Verdrag, het Comité van de Regio's hierover te raadplegen;
GEZIEN het besluit van zijn bureau van 13 juni 2006 om de commissie Economisch en sociaal beleid met de voorbereiding van het desbetreffende advies te belasten;
GEZIEN artikel 16 van het EG-Verdrag betreffende de diensten van algemeen economisch belang, alsook de artikelen 2, 5, 73, 81, 86, 87, 88 en 295 EG;
GEZIEN artikel 36 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie betreffende de toegang tot diensten van algemeen economisch belang;
GEZIEN artikel III-122 van het Verdrag tot vaststelling van een grondwet voor Europa, dat de staatshoofden en regeringsleiders op 29 oktober 2004 te Rome hebben ondertekend;
GEZIEN zijn advies over het „Groenboek over diensten van algemeen belang” (CdR 149/2003 fin) (1);
GEZIEN zijn advies over de Mededeling van de Commissie over diensten van algemeen belang in Europa (CdR 470/2000 fin) (2);
GEZIEN zijn advies over het „Ontwerpbesluit van de Commissie betreffende de toepassing van de bepalingen van artikel 86 van het EG-Verdrag inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor overheidsdiensten, alsmede betreffende een ontwerprichtlijn tot wijziging van Richtlijn 80/723/EEG van de Commissie betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven en een ontwerp voor de communautaire inpassing van staatssteun in de vorm van compensatie voor overheidsdiensten” (CdR 155/2004 fin) (3);
GEZIEN zijn advies over het „Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende diensten op de interne markt” (CdR 154/2004 fin) (4);
GEZIEN zijn advies over het Groenboek van de Europese Commissie over publiek-private samenwerking en het Gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten en concessieovereenkomsten (CdR 239/2004 fin) (5);
GEZIEN zijn advies over het Witboek van de Commissie over diensten van algemeen belang (CdR 327/2004 fin) (6);
GEZIEN zijn ontwerpadvies (CdR 181/2006 rev. 1) dat op 20 oktober 2006 door de commissie Economisch en sociaal beleid werd goedgekeurd (rapporteur: de heer Destans, voorzitter van de Algemene raad van het Franse departement Eure, FR/PSE);
OVERWEGENDE
|
1. |
dat ondanks verschillen tussen de lidstaten, de sociale diensten van algemeen belang (SDAB) een essentieel onderdeel van het Europees sociaal model vormen (7); |
|
2. |
dat er daarom op communautair niveau een stabiel en transparant rechtskader voor de ontwikkeling van SDAB moet worden uitgewerkt, waarbij rigoureus rekening wordt gehouden met het subsidiariteitsbeginsel en in het bijzonder met de bevoegdheden van de lokale en regionale overheden betreffende de definiëring van de opdrachten, het beheer en de financiering van deze diensten; |
|
3. |
dat in dit verband nogmaals moet worden gewezen op de vrijheid van de lokale overheden om de opdrachten te definiëren en de vrijheid van de lidstaten bij de organisatie van SDAB, vooral omdat de lokale overheden, vanuit hun verantwoordelijkheid voor de bevordering van solidariteit in hun gebieden, in de meeste gevallen verantwoordelijk zijn voor het beheer van deze diensten; |
|
4. |
dat niet uit het oog mag worden verloren dat SDAB een integraal onderdeel zijn van de diensten van algemeen belang (DAB), en bijgevolg van fundamenteel belang zijn voor de solidariteit en de bescherming van het sociale weefsel in de hele Europese Unie; |
|
5. |
dat een verband moet worden gelegd met artikel 16 van het EG-Verdrag, waarin de rol van diensten van algemeen economisch belang (DAEB) bij het „bevorderen van sociale en territoriale samenhang” wordt benadrukt, en dat bijgevolg voor alle burgers het recht op toegang tot SDAB moet worden erkend en gewaarborgd, aangezien in artikel 36 van het Handvest van grondrechten van de Europese Unie de toegang tot DAEB als een grondrecht wordt aangemerkt; |
|
6. |
dat SDAB daarenboven, net als de andere DAEB, doeltreffende instrumenten zijn voor de tenuitvoerlegging van de Lissabonstrategie, in het bijzonder voor de bevordering van de groei en het concurrentievermogen van de Europese regio's; |
|
7. |
dat in dit verband een duidelijker onderscheid moet worden gemaakt tussen economische en niet-economische diensten van algemeen belang, zodat ook de kenmerken van SDAB duidelijker kunnen worden omschreven; |
|
8. |
dat het door dit onderscheid vooral duidelijk moet worden wat de juridische consequenties van beide begrippen zijn. Ook moet hierdoor de lokale actoren niet alleen een optimale financiële en rechtszekerheid worden geboden t.a.v. de toepassing van het Gemeenschapsrecht op SDAB, maar ook een zekere speelruimte. Zo krijgt de EU de gelegenheid om dat wat lokale actoren voor SDAB doen, extra kracht bij te zetten; |
|
9. |
dat de Commissie daarom het op SDAB toepasselijke positief recht dient te onderbouwen om zo SDAB overzichtelijker te maken en te voorkomen dat er op dit gebied onzekerheid over het vigerende Gemeenschapsrecht bestaat; |
|
10. |
dat er, ten slotte, op moet worden toegezien dat de standpunten die de EU over de regelgeving inzake SDAB inneemt en de standpunten die zij nu of later goedkeurt in het kader van de onderhandelingen van de Wereldhandelsorganisatie, met name met betrekking tot het onderdeel „sociale diensten en gezondheidsdiensten” van de Algemene overeenkomst inzake handel in diensten (GATS), de nodige samenhang vertonen; |
heeft tijdens zijn 67e zitting op 6 en 7 december 2006 (vergadering van 6 december) onderstaand advies uitgebracht.
1. Standpunten van het Comité van de Regio's
|
1.1 |
Het Comité van de Regio's verheugt zich over het initiatief van de Commissie, dat aansluit bij de tenuitvoerlegging van het Witboek over diensten van algemeen belang, waarin „een systematische aanpak” wordt aangekondigd „om de specifieke kenmerken van sociale diensten en gezondheidsdiensten van algemeen belang in kaart te brengen en het kader te verduidelijken waarin zij worden aangeboden”; |
|
1.2 |
Het is een goede zaak dat dit specifiek initiatief gesitueerd wordt in het kader van de tenuitvoerlegging van de Lissabonstrategie en de sociale agenda, aangezien zowel SDAB als DAEB niet alleen de solidariteit en het concurrentievermogen van de Europese economie verhogen, maar tegelijkertijd ook mogelijkheden voor arbeidsplaatsen op lokaal niveau scheppen en pijlers van het Europees sociaal model, de nationale socialezekerheidsstelsels en integratiebevorderende maatregelen zijn; |
|
1.3 |
In de Mededeling wordt terecht opgemerkt dat sociale diensten ook DAB zijn. Deze diensten zijn immers van existentiële en vitale waarde: zij hebben tot doel sociale bescherming te bieden en solidariteit te bevorderen, of ze nu rechtstreeks door de lokale en regionale overheden, dan wel door specifiek daarmee belaste actoren worden verleend. Zij zijn dus onderworpen aan de regelgeving van de lidstaten, aangezien zij de hen opgedragen sociale beleidsdoelstellingen moeten nastreven. De eis, zoals bepaald in artt. 16 en 86, lid 2, van het EG-Verdrag, dat zij hun taak naar behoren moeten vervullen, moet a priori op deze diensten van toepassing zijn. |
|
1.4 |
SDAB moeten niet als aanvullende dienstverlening aan de bevolking worden beschouwd: zij kunnen heel goed dienen als instrumenten om alle burgers toegang te verlenen tot kwalitatief hoogstaande sociale diensten. |
|
1.5 |
SDAB moeten de lidstaten helpen bij de verwezenlijking van de sociale beleidsdoelstellingen in de domeinen waarvoor zij bevoegd zijn. Het gaat hierbij m.n. om het bieden van sociale bescherming, het verlenen van fundamentele sociale diensten op het vlak van gezondheid, huisvesting, zorg voor ouderen en gehandicapten, onderwijs, opleiding en werkgelegenheid, en het bevorderen van de solidariteit ten behoeve van kwetsbare en hulpbehoevende mensen die niet zonder sociale voorzieningen kunnen. |
|
1.6 |
SDAB dragen actief bij tot de praktische uitoefening van de mensenrechten en het respect voor de menselijke waardigheid, zoals gedefinieerd in het Handvest van de grondrechten van de EU en voortgekomen uit de gemeenschappelijke constitutionele traditie van de lidstaten en uit internationale overeenkomsten (o.a. het door de Raad van Europa gereviseerde Sociaal handvest en de Universele verklaring van de rechten van de mens). |
|
1.7 |
SDAB helpen bij de uitvoering van de taken van de Europese Gemeenschap, zoals die in de artt. 2 en 3 van het EG-Verdrag zijn omschreven, m.n. bevordering van een hoog niveau van sociale bescherming, verbetering van de bestaanskwaliteit, totstandbrenging van een hoge mate van bescherming van de gezondheid en versterking van de economische en sociale samenhang. |
|
1.8 |
De EU heeft er alle belang bij dat er een stabiel economisch en juridisch kader bestaat waarin SDAB zich kunnen ontwikkelen en moderniseren en dat SDAB door de bevoegde lokale en regionale overheden worden gereguleerd. |
|
1.9 |
Het Comité schaart zich achter het voornemen van de Commissie om de specifieke kenmerken van SDAB te identificeren en om te onderzoeken welke maatregelen er nodig zijn om deze diensten te moderniseren, zodat zij kunnen beantwoorden aan de huidige en toekomstige sociale behoeften ten gevolge van de vergrijzing, alsook aan de eisen inzake cohesie en sociale integratie op lokaal en regionaal niveau. |
|
1.10 |
De Commissie geeft een juiste analyse van de specifieke kenmerken van deze diensten: deze diensten zijn op de persoon toegesneden en de werking ervan is gebaseerd op het solidariteitsbeginsel. Deze specifieke kenmerken mogen niet uit het oog worden verloren wanneer de toepasselijkheid van de Gemeenschapsvoorschriften op het gebied van de interne markt en de mededinging ter sprake komt, aangezien hun impact op het handelsverkeer in de EU gering is, terwijl hun ontwikkeling de EU ten goede komt. |
|
1.11 |
Er dient een oplossing te worden gevonden voor de rechtsonzekerheid betreffende de toepasselijkheid van het Gemeenschapsrecht op de werkwijzen van SDAB. Bij gebrek aan rechtszekerheid terzake, worden SDAB overmatig aan de algemene regels van de mededinging en de interne markt onderworpen. Dit kan onwenselijk zijn gezien de specifieke taakstelling die de lokale en regionale overheden aan die diensten verbinden. Die rechtsonzekerheid is duidelijk geworden tijdens de discussies over de vraag of SDAB al dan niet moesten worden opgenomen in de ontwerp-richtlijn betreffende diensten op de interne markt; uiteindelijk zijn zij uitgesloten van het toepassingsgebied van die richtlijn. |
|
1.12 |
Het Comité is ermee ingenomen dat wordt verwezen naar het subsidiariteitsbeginsel, volgens hetwelke de lidstaten en de lokale en regionale overheden de exclusieve bevoegdheid hebben om voor SDAB reikwijdte, organisatiebeginselen, financieringsmogelijkheden en regelgeving te formuleren. |
|
1.13 |
SDAB moeten in beginsel door de meest geschikte dienstverlener worden verstrekt. De markt kan er niet uit zichzelf voor zorgen dat deze diensten universeel, toegankelijk en kwalitatief hoogstaand zijn en dat zij worden aangepast aan de lokale behoeften. Hiertoe moeten de overheden, en meer bepaald de lokale en regionale overheden die het dichtst bij de burgers staan, structureel ingrijpen, m.n. door het aanbod en de prijsstelling te beïnvloeden. |
|
1.14 |
Vanwege de existentiële aard van de te vervullen behoeften (huisvesting, gezondheid, werkgelegenheid), de asymmetrische verdeling van informatie tussen dienstverlener en begunstigde, en de kwetsbaarheid van een groot deel van laatstgenoemden, is een afwijking van de „normale” leverancier-klant-relatie noodzakelijk en gerechtvaardigd. |
|
1.15 |
Het is niet de bedoeling de fundamentele vrijheden van de interne markt tegenover de verwezenlijking van de grondrechten van de EU of de noodzaak van diensten van algemeen belang te plaatsen, maar juist om ze met elkaar te verzoenen. Hiervoor is een communautair kader nodig, dat is afgestemd op de specifieke kenmerken van deze diensten en op de bijzondere taken waarmee publieke en private actoren worden belast, waarbij wordt meegenomen dat deze lokaal verleende diensten over het algemeen een geringe impact hebben op het intracommunautair handelsverkeer. Die bereidheid om een en ander met elkaar te verzoenen is niet alleen nodig op de interne markt, maar ook in het extern beleid van de EU, met name met betrekking tot het onderdeel „sociale diensten en gezondheidsdiensten” van de Algemene overeenkomst inzake handel in diensten (GATS). |
|
1.16 |
De regelgeving betreffende deze diensten moet een exclusieve bevoegdheid van de lidstaten, en meer bepaald van de bevoegde overheden binnen de lidstaten, blijven. Er is behoefte aan meer duidelijkheid over de toepasselijkheid van het Gemeenschapsrecht op SDAB, naargelang de wijze waarop deze diensten in de praktijk verleend worden. Meer bepaald moeten de volgende thema's worden uitgediept:
Dit alles met dien verstande dat de toepassing van de Verdragsregels de vervulling van de opdrachten van de SDAB niet in de weg mag staan. |
|
1.17 |
Het Comité benadrukt dat de lidstaten en hun lokale en regionale overheden met betrekking tot de beginselen en procedures voor het beheer van SDAB de algemene beginselen van het EG-Verdrag (zoals gelijke behandeling, vrij verkeer, vrije concurrentie en transparantie) moeten respecteren. |
|
1.18 |
Naleving van het subsidiariteitsbeginsel mag de Commissie niet beletten om de verantwoordelijkheid die ze met de lidstaten deelt, op zich te nemen, nl. erop toe te zien dat de werking van SDAB in overeenstemming is met art. 16 van het Verdrag. |
|
1.19 |
Hoewel de Commissie heeft aangegeven dat ze voor gezondheidsdiensten een apart initiatief zal nemen, betreurt het Comité dat de reikwijdte van die diensten in deze Mededeling niet is toegelicht. Het Comité dringt er daarom nu al met klem op aan dat er in de toekomst voor de begrippen „sociale dienst” en „gezondheidsdienst” duidelijke en goed van elkaar te onderscheiden definities worden vastgelegd. |
|
1.20 |
Het is jammer dat de Commissie zich heeft beperkt tot het opstellen van een lijst met „organisatiekenmerken” van SDAB en niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om de betrokken concepten beter te omschrijven, vooral met het oog op de achterliggende politieke oriëntatie van die dienstverlening in de lidstaten. |
|
1.21 |
Deze lijst van organisatiekenmerken kan hoe dan ook niet als volledig of afgesloten worden beschouwd, in het licht van de vrijheid die alle lidstaten en hun lokale overheden hebben om zelf hun SDAB te definiëren en te organiseren. |
|
1.22 |
De Commissie eist terecht dat de SDAB worden gemoderniseerd en kwalitatief hoogstaand zijn. De aanhoudende decentralisatie van deze diensten naar het regionale en lokale niveau past goed in dit streven. Vooral met het oog op de kwaliteit daarvan moet er in de toekomst ook voor worden gezorgd dat de verlener van sociale diensten zich houdt aan de kwaliteits- en wettelijke basisvereisten van de lidstaat waar die dienst wordt verleend. |
|
1.23 |
Het Comité pleit, net als de Commissie, voor een follow-up van de situatie van SDAB in de EU en zou graag aan dit proces deelnemen. |
|
1.24 |
Het is een goede zaak dat de Commissie een verband legt tussen SDAB en de bestudering van de nationale actieplannen voor sociale integratie, aangezien deze doelstelling een lokale dimensie heeft (8). Niettemin zou de Commissie duidelijker kunnen zijn over de manier waarop ze de open coördinatiemethode voor de follow-up van deze Mededeling wil gebruiken, met name door aan te geven wat ze van de verschillende betrokkenen bij deze procedure verwacht. |
|
1.25 |
Het Comité steunt de Commissie in haar voornemen om „te kijken naar de noodzaak en de juridische haalbaarheid van een voorstel voor wetgeving” betreffende SDAB. Dit stemt overeen met het meer algemene standpunt van het Comité waarin het pleit voor „een voorstel voor een kaderwet (…), waardoor het mogelijk wordt een aantal gemeenschappelijke positieve beginselen vast te leggen” voor alle DAEB (9). Hierbij moet er echter op worden toegezien dat deze twee initiatieven complementair en coherent zijn. |
2. Aanbevelingen van het Comité van de Regio's
Het Comité van de Regio's:
|
2.1 |
nodigt de Commissie uit om zo snel mogelijk duidelijkheid te scheppen rond de aard van de wetgevingsvoorstellen betreffende SDAB en om de belangrijke follow-up en overlegprocedure, alsook de voorgestelde tweejaarlijkse rapportage ten uitvoer te leggen; |
|
2.2 |
moedigt de Commissie aan om werk te maken van haar voornemen om na afloop van de open consultatie, zich over de noodzaak en juridische haalbaarheid van een voorstel voor wetgeving betreffende SDAB te buigen; |
|
2.3 |
vraagt de Commissie (10) opnieuw om een voorstel voor een wettelijke regeling in te dienen, waarin voor alle DAEB een aantal gemeenschappelijke positieve beginselen kunnen worden vastgelegd en waarmee de aanzet kan worden gegeven voor andere aanvullende wetgevingsvoorstellen, met name voorstellen betreffende SDAB die op de specifieke kenmerken daarvan zijn afgestemd. Doel hiervan is de rechtszekerheid voor lokale en regionale overheden en dienstverleners te vergroten; |
|
2.4 |
verzoekt de Commissie om over te gaan tot een preciezere en stringentere indeling (in categorieën) en definities (van concepten) van de beoogde SDAB. Het vraagt hierbij om rekening te houden met de eisen waaraan volgens de lidstaten m.b.t. het „algemeen belang” van die diensten moet zijn voldaan en om die eisen als volwaardig onderdeel op te nemen in de definitie van deze diensten; |
|
2.5 |
vraagt daarom aan de Commissie om de lijst van concepten, opdrachten en organisatiekenmerken van SDAB niet af te sluiten, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en van de vrijheid van de lidstaten om zelf de beginselen, taken, financieringswijzen en organisatiekenmerken van die diensten te bepalen; |
|
2.6 |
stelt voor dat het Comité deelneemt aan de permanente follow-up en evaluatie van SDAB (met name door te controleren of het universele recht op toegang tot deze diensten wordt gerespecteerd, of de aangeboden diensten financieel duurzaam zijn en of de behaalde resultaten overeenstemmen met de beoogde doelstellingen); |
|
2.7 |
steunt het voornemen van de Commissie om medio 2007 het eerste tweejaarlijkse rapport over SDAB te publiceren. In dit rapport zullen de resultaten worden voorgelegd van de studie over de werking van de sector, het sociaal-economisch belang ervan en de gevolgen van de toepassing van het Gemeenschapsrecht; |
|
2.8 |
acht van belang dat de strekking van de Mededeling coherent is met het externe beleid van de EU met betrekking tot het onderdeel „sociale diensten en gezondheidsdiensten” van de Algemene overeenkomst inzake handel in diensten (GATS). |
Brussel, 6 december 2006.
De voorzitter
van het Comité van de Regio's
Michel DELEBARRE
(7) Ontwerpverslag van het Europees Parlement van 13.7.2006 betreffende het toekomstige Europees sociaal model, met name de par. 23 en 24.
(8) CvdR-advies van 22.4.2004 over het „Gezamenlijk verslag inzake sociale integratie, met een samenvatting van de resultaten van de bestudering van de Nationale Actieplannen voor sociale integratie” (ECOS-027), m.n. de parr. 2.5 en 2.6.
(9) CvdR-advies van 23.2.2005 betreffende het Witboek over de diensten van algemeen belang (ECOS-040), m.n.par. 1.18.
(10) CvdR-advies van 23.2.2005 betreffende het Witboek over de diensten van algemeen belang (ECOS-040), m.n. par. 1.18.
|
10.3.2007 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 57/39 |
Resolutie van het Comité van de Regio's over het wetgevings- en werkprogramma van de Europese Commissie en de prioriteiten van het Comité van de Regio's voor 2007
(2007/C 57/09)
Het Comité van de Regio's,
GEZIEN het Wetgevings- en werkprogramma van de Europese Commissie voor 2007 (COM(2006) 629 final),
GEZIEN de strategische doelstellingen 2005-2009 (COM(2005) 12 final),
GEZIEN de resolutie van het Comité van de Regio's over zijn prioriteiten voor de periode 2006-2008 (CdR 11/2006 final),
GEZIEN de Commissiemededeling „De bijdrage van de Commissie voor de periode van bezinning en daarna: Plan D voor Democratie, Dialoog en Debat” (COM(2005) 494 final),
GEZIEN de Commissiemededeling „Een agenda voor de burger — Concrete resultaten voor Europa” (COM(2006) 211 final),
GEZIEN het protocol betreffende de samenwerking tussen de Europese Commissie en het Comité van de Regio's (R/CdR 197/2005 pt. 11)
heeft tijdens zijn op 6 en 7 december 2006 gehouden 67e zitting (vergadering van 7 december) onderstaande resolutie aangenomen.
Het Comité van de Regio's (CvdR) juicht toe dat Roemenië en Bulgarije op 1 januari 2007 tot de EU toetreden, omdat dit een verdere stap betekent op weg naar een stabiel en welvarend Europa.
1. Voortzetting van het grondwettelijk proces
|
1.1 |
Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Verdragen van Rome, dat het CvdR op 22 en 23 maart 2007 in de Italiaanse hoofdstad zal vieren, wijst het CvdR erop dat het zaak is om het grondwettelijk proces nieuw leven in te blazen. |
|
1.2 |
Naar het oordeel van het CvdR zou niet getornd mogen worden aan hetgeen er bereikt is met het grondwettelijk verdrag dat op 29 oktober 2004 door de staatshoofden en regeringsleiders is ondertekend, in het bijzonder wat de territoriale dimensie van de Europese Unie betreft. |
|
1.3 |
Het CvdR herhaalt zijn wens om samen met het Europees Parlement, de Europese Commissie, de nationale parlementen en het Duitse voorzitterschap betrokken te worden bij de verklaring van Berlijn in maart 2007 om zich zo te kunnen voegen in het koor van hen die zich opnieuw sterk willen maken voor een uitgebreid, duurzaam, open en concurrerend Europa. |
|
1.4 |
Het CvdR is zich ervan bewust dat er in deze cruciale fase veel op het spel staat en dat ook de lokale en regionale overheden in dezen hun verantwoordelijkheden hebben. Het werkt mee aan de tenuitvoerlegging van Plan D voor Democratie, Dialoog en Debat, met name aan zijn gedecentraliseerde onderdeel, teneinde te stimuleren dat er met de burgers in de Europese steden en regio's rechtstreeks en open van gedachten wordt gewisseld over de toekomst van Europa. Het benadrukt de verbintenissen die het CvdR en de Europese Commissie onderling zullen aangaan inzake het voeren van een gedecentraliseerd communicatiebeleid. |
|
1.5 |
Om vooruitgang te boeken in de discussie en de burgers te laten zien welke voordelen de voorgestelde grondwet biedt, dient te worden geanalyseerd wat het niet hebben van een grondwet kost. Het CvdR is bereid aan deze analyse bij te dragen door de kosten vanuit lokale en regionale invalshoek in kaart te brengen. |
2. Europees bestuur
|
2.1 |
Het CvdR is ingenomen met de nieuwe strategie van de Europese Commissie voor de Europese burgers. Uitgaande van het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel wordt met deze strategie beoogd de communautaire methode te versterken door een „Europa van projecten en resultaten” te bevorderen, met name om een open en efficiënte interne markt tot stand te brengen, de solidariteit te vergroten, de strategie voor duurzame ontwikkeling ten uitvoer te leggen en de veiligheid te consolideren. |
|
2.2 |
De Commissie dient haar rol als motor van de Europese eenwording en als hoedster van de EU-verdragen recht te doen. Een samenhangende beleidsvisie voor de lange termijn die tot politieke daden leidt is een absolute voorwaarde voor „betere wetgeving” en „betere regelgeving”. |
|
2.3 |
Het is een goede zaak dat de Commissie zich ertoe verbindt regelmatig met jongeren te overleggen. De EU dient jonge mensen aan te sporen deel te nemen aan de vormgeving van het Europa van morgen. Het CvdR blijft prioriteit verlenen aan het streven om een „Europa van de burgers” te doen helpen ontstaan en om de maatschappelijke integratie van jongeren te bevorderen. |
|
2.4 |
Het CvdR vraagt om steun voor de invoering van Europese territoriale pacten, waarmee uit hoofde van het partnerschapsbeginsel en via structurele samenwerking tussen de verschillende bestuursniveaus gezorgd kan worden voor meer territoriale samenhang en voor een flexibeler vormgeving van beleidsmaatregelen die een grote impact hebben op de situatie in de steden en regio's. In dit licht verzoekt het CvdR de Commissie zich ervoor in te zetten het testen van dit instrument te hervatten. |
|
2.5 |
Het CvdR pleit voor versterking van zijn eigen rol in alle fasen van het communautaire besluitvormingsproces en met name wanneer het erom gaat te evalueren wat voor gevolgen belangrijke EU-beleidsmaatregelen op het terrein hebben. Overigens wijst het erop dat de decentrale overheden doorslaggevend kunnen bijdragen tot een geslaagde omzetting en tenuitvoerlegging van wetgevingshandelingen, mits zij naar behoren bij het opstellen daarvan worden betrokken. |
|
2.6 |
De Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS), onderwerp van een recente verordening, is een innovatief rechtsinstrument dat kansen biedt om de territoriale samenwerking uit te bouwen. Het CvdR wil graag meehelpen om deze verordening in de praktijk ten uitvoer te leggen door concrete initiatieven op te zetten, met name in het kader van zijn samenwerkingsovereenkomst met de Commissie. |
|
2.7 |
Er moet voortdurend in de gaten worden gehouden of kandidaat-lidstaten en pre-kandidaat-lidstaten zich goed aan de EU-normen en -beginselen houden. Veel aandacht dient te worden geschonken aan echte decentralisering, inachtneming van de culturele en taalverscheidenheid en totstandbrenging van een modern overheidsbestuur. |
3. Herziening van het begrotingskader
|
3.1 |
Het CvdR bevestigt dat het wil meewerken aan de herziening van het begrotingskader van de EU. Binnen het CvdR-bureau is er inmiddels een werkgroep opgericht die zich hiermee bezighoudt. |
4. Welvaart
|
4.1 |
Via de herziene Lissabonstrategie voor groei en werkgelegenheid moet er permanent worden gewerkt aan modernisering van de Europese economie en het Europees sociaal model. |
|
4.2 |
Gezien de resultaten van het monitoringplatform voor de Lissabonstrategie (door het CvdR in 2006 opgericht) dienen alle betrokken niveaus er duidelijker blijk van te geven dat zij de Lissabondoelstellingen ook als hùn zaak beschouwen en zich voor de verwezenlijking ervan in te zetten. De lokale en regionale overheden moeten een grotere stem in het kapittel krijgen. |
|
4.3 |
Daarom dringt het CvdR er bij de lidstaten en de Commissie op aan, de lokale en regionale overheden meer bij de Lissabonstrategie te betrekken. Deze kan namelijk alleen maar slagen als alle belanghebbenden een volwaardige rol in het desbetreffende besluitvormings-, tenuitvoerleggings- en monitoringproces krijgen. Het verzoekt de Europese Raad, de Commissie en de lidstaten deel te nemen aan zijn Decentrale Dialoog 2007, die in het teken staat van de bijdragen van steden en regio's tot een succesvolle uitvoering van de strategie voor groei en werkgelegenheid. |
|
4.4 |
Het CvdR benadrukt nog eens dat regionaal en lokaal verankerde diensten van algemeen belang een belangrijke rol spelen bij het halen van de Lissabondoelstellingen. |
|
4.5 |
Aan de hand van de resultaten van het monitoringplatform wijst het CvdR op het grote belang van het cohesiebeleid voor de financiering van aan de Lissabonstrategie gerelateerde activiteiten op lokaal en regionaal niveau. Uit de studie die is opgesteld in samenhang met het verkennend advies „Hefboomeffect van het Europese cohesiebeleid in het kader van de structuurfondsen”, dat zal worden goedgekeurd tijdens de zitting van februari 2007, blijkt dat het cohesiebeleid dankzij zijn specifieke kenmerken (partnerschap, additionaliteit, strategische planning en meerjarenfinanciering) in verscheidene opzichten een aanzienlijk hefboomeffect teweeg heeft gebracht op lokaal en regionaal niveau. Bovendien vergroot het de zichtbaarheid van de EU en versterkt het het gevoel van de burgers „erbij te horen” doordat het een concrete bijdrage levert aan het verbeteren van de kwaliteit van het bestaan. |
|
4.6 |
Het CvdR is ingenomen met het geplande initiatief „Regio's voor economische verandering”, dat de gelegenheid kan bieden om ervaringen tussen regio's uit te wisselen, een brug te vormen tussen decentrale samenwerking en mainstream programma's voor regionale samenwerking, en de werkzaamheden van Commissie, lidstaten en steden en regio's nauwer op elkaar te laten aansluiten. Het verzoekt de Commissie om de lokale en regionale overheden actief te betrekken bij het kiezen van de speerpunten van dit initiatief. Het gaat ervan uit dat het bij de ontwikkeling van dit initiatief een volwaardige rol zal krijgen. |
|
4.7 |
Het CvdR stemt in met de voorstellen van de Commissie om een balans op te maken van de Europese samenleving en de interne markt te evalueren. Het zal hier middels een verkennend advies aan bijdragen. Het CvdR onderschrijft dat de belemmeringen voor de door de interne markt geboden mogelijkheden uit de weg moeten worden geruimd, zodat de burgers ook inderdaad van de voordelen ervan kunnen profiteren. Tegelijkertijd onderstreept het wel dat solidariteit en sociale en territoriale samenhang centraal moeten blijven staan in de Europese besluitvorming. |
|
4.8 |
Het is een goede zaak dat de Commissie verdere stappen wil zetten om de Europese onderzoeksruimte te verbeteren. Het Europese onderzoeks- en innovatiepotentieel hangt af van de capaciteit en de specialisatie van de afzonderlijke Europese regio's. Het CvdR zal de oprichting van het Europees Technologie-instituut nauwgezet blijven volgen en daarbij aandacht vragen voor de cruciale rol die lokale en regionale overheden bij clustervorming spelen door de samenwerking tussen universiteiten en (met name kleine en middelgrote) bedrijven te bevorderen. Er zij nogmaals op gewezen dat Europa innovatie pas succesvol ter hand kan nemen als er een Gemeenschapsoctrooi wordt ingevoerd. |
|
4.9 |
Onderwijs, opleiding en levenslang leren zijn van essentieel belang om de met de mondialisering gepaard gaande uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. Daartoe is het vooral nodig om te zorgen voor een goed opgeleide beroepsbevolking die in staat is te voldoen aan de voortdurend veranderende eisen op de arbeidsmarkt in de kennismaatschappij. Erkend moet worden dat de lokale en regionale overheden op dit terrein wezenlijke bevoegdheden hebben. |
|
4.10 |
Europa heeft behoefte aan een sterke ondernemingscultuur. Het CvdR zal lokale en regionale overheden blijven aanmoedigen om op scholen ondernemerschap te stimuleren als een interessante carrièrekeuze die bijdraagt aan de welvaart in Europa. Het spoort de Commissie aan om haar specifieke programma voor jonge ondernemers te hervatten. |
|
4.11 |
Het CvdR wijst nog eens op het belang van het promoten van informatie- en communicatietechnologieën ter ondersteuning van een regionaal en sociaal billijke informatiemaatschappij waar alle burgers aan deelnemen en waar zij de vaardigheden kunnen opdoen die zij nodig hebben om in de kennissamenleving te kunnen leven en werken. Het CvdR zal ervoor blijven ijveren dat de regionale en lokale dimensie ook in het kader van het initiatief i2010 wordt benadrukt. |
|
4.12 |
Wat de uitwerking van een toekomstig maritiem beleid van de EU betreft, stelt de Commissie terecht voor om door te gaan met de ontwikkeling van een geïntegreerde aanpak waarin rekening wordt gehouden met alle beleidsterreinen die van invloed zijn op het maritieme milieu, inclusief maatregelen om de duurzaamheid van de Europese visserijsector te garanderen, en met name met de mededeling over het havenbeleid van de EU. Bij de uitwerking en toepassing van dit geïntegreerde beleid zou het CvdR graag worden betrokken. |
|
4.13 |
Het CvdR onderstreept het belang van de tussentijdse evaluatie van het vervoerbeleid van de EU, is van plan aandacht te schenken aan de beloften die de EU al heeft gedaan op dit gebied om ervoor te zorgen dat zij deze volledig nakomt, en zou graag deelnemen aan het debat over de door de Commissie voorgestelde initiatieven voor de periode 2007-2013 op het gebied van stadsvervoer, havenbeleid, luchtvervoer en trans-Europese vervoersnetwerken. |
|
4.14 |
Nu al moet grondig worden nagedacht over een gemeenschappelijk landbouwbeleid waarin kwaliteit vooropstaat en over de rol van een krachtiger plattelandsontwikkelingsbeleid voor de periode na 2013. Het CvdR zou graag zien dat er meteen al bij het begin van de nieuwe programmeringsperiode in 2007 een overlegprocedure in gang wordt gezet die op duurzame ontwikkeling, concurrentievermogen en innovatie is gericht en waarbij de decentrale overheden worden betrokken. |
|
4.15 |
Om de beschikbare financieringsmiddelen optimaal te benutten, is het van essentieel belang dat er op regionaal en lokaal niveau voldoende coördinatie plaatsvindt tussen regionaal beleid en plattelandsontwikkelingsbeleid. Daarom is het belangrijk dat de decentrale overheden in alle stadia van het opstellen en uitvoeren van plattelandsontwikkelingsprogramma's een rol spelen. |
|
4.16 |
Het CvdR spoort de Commissie aan, een open debat op gang te brengen over het naast elkaar bestaan van de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen en de conventionele en biologische landbouw. Met inachtneming van de keuzes en bevoegdheden van de decentrale overheden zou de Commissie ook moeten toewerken naar transparante oplossingen die voor een evenwicht zorgen tussen landbouwers- en consumentenbelangen, respect voor het milieu, bescherming van de gezondheid en bevordering van onderzoek en concurrentievermogen. |
5. Solidariteit
|
5.1 |
In de komende jaren zal de vergrijzing een van de belangrijkste uitdagingen voor de EU zijn. Het CvdR beklemtoont dat hiermee op alle beleidsterreinen rekening moet worden gehouden. De regio's vereisen in dezen een gediversifieerde benadering. Duidelijk is immers dat er tussen hen aanzienlijke verschillen in leeftijdsopbouw bestaan. |
|
5.2 |
Het CvdR is ingenomen met het plan van de Commissie om een Europees kader te scheppen voor economische migranten, waarbij bijzondere aandacht aan hooggekwalificeerde migranten wordt besteed. Dit is een van de manieren om te reageren op de toenemende demografische druk, zonder dat hierbij de ontwikkeling van derde landen in gevaar mag worden gebracht. |
|
5.3 |
Het CvdR vindt het tijd dat de Commissie met een mededeling komt die gemeenschappelijke beginselen bevat aan de hand waarvan het begrip flexicurity gedefinieerd en toegelicht kan worden. Het gaat er daarbij vooral om hoe flexicurity flexibiliteit van de arbeidsmarkten en ontwikkeling van vaardigheden kan verenigen met een stevige sociale bescherming, en tegelijkertijd oog kan houden voor de specifieke eigenschappen van de verschillende lidstaten en regio's. |
|
5.4 |
Het CvdR is verheugd over het „Europees Jaar van gelijke kansen 2007” en over het voornemen van de Commissie om de balans op te maken van de sociale situatie in de EU, met speciale nadruk op toegankelijkheid en mogelijkheden. Doel hiervan is tot een nieuwe consensus te komen over de maatschappelijke uitdagingen waarvoor Europa zich gesteld ziet. Het CvdR herhaalt dat er werk moet worden gemaakt van de bestrijding van discriminatie op grond van leeftijd, geslacht, etnische achtergrond, handicap, seksuele geaardheid, religie en levensbeschouwing. |
|
5.5 |
Het CvdR kijkt uit naar het Vierde verslag over de economische en sociale samenhang. Dit gaat over de geboekte vooruitgang op weg naar meer economische, sociale en territoriale samenhang en over de mate waarin Europese en nationale beleidsmaatregelen, de structuurfondsen, het Cohesiefonds, andere financieringsinstrumenten en de Europese Investeringsbank tot de cohesie hebben bijgedragen. Het CvdR onderstreept dat het cohesiebeleid een belangrijke plaats heeft in de komende tussentijdse evaluatie van de Gemeenschapsbegroting. |
6. Energie en klimaatverandering
|
6.1 |
Het CvdR verwacht dat de strategische herziening van het Europese energiebeleid een nieuwe impuls zal geven aan de uitwerking van een gemeenschappelijke benadering van aspecten als concurrentievermogen, energievoorzieningszekerheid en klimaatverandering. Zo'n benadering moet gebaseerd zijn op innovatie, gebruik van nieuwe technologie, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, zodat de EU minder afhankelijk wordt van de invoer van energie uit derde landen en van de voltooiing van de interne markt voor gas en elektriciteit. In dit licht verzoekt het CvdR de Commissie meer te overleggen met de regionale en lokale overheden, die volop betrokken zijn bij de uitvoering van projecten om het gebruik van hernieuwbare energie te stimuleren en efficiënter met energie om te gaan. |
|
6.2 |
Het CvdR herhaalt zijn steun voor de inzet van de Commissie om de kwestie van de klimaatverandering aan te pakken en acht het absoluut noodzakelijk dat zij tijdens de internationale onderhandelingen over de periode na 2012 aandringt op ambitieuze doelstellingen voor zowel de landen die de meeste broeikasgassen uitstoten als de voornaamste sectoren die voor de klimaatverandering verantwoordelijk zijn. Het CvdR zal in de loop van 2007 met ideeën komen voor de doelstellingen betreffende de periode na 2012. |
|
6.3 |
Sinds kort benadrukt de Commissie terecht dat aanpassingen aan de klimaatverandering noodzakelijk zijn, daar sommige effecten van de klimaatverandering niet meer zijn tegen te houden. Het CvdR onderstreept dat het beleid van de EU vanuit de invalshoek van deze veranderingen tegen het licht moet worden gehouden. Hierbij moet prioriteit krijgen dat het onderzoek naar de economische, sociale en milieueffecten van de klimaatverandering in de verschillende regio's wordt opgevoerd en dat de burgers over deze gevolgen en de kosten ervan geïnformeerd worden. De Commissie wordt verzocht de uitwisseling van best practices op dit vlak te bevorderen, zodat de lokale en regionale overheden zich aan de nieuwe omstandigheden kunnen aanpassen op een manier die op hun specifieke situatie is afgestemd. |
7. Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht
|
7.1 |
Het CvdR pleit voor een gemeenschappelijk Europees immigratie- en asielbeleid met de volgende vijf speerpunten: meer samenwerking tussen EU-lidstaten en derde landen; veiligere buitengrenzen; bestrijding van mensenhandel; ontwikkeling van een samenhangend en doeltreffend beleid ter bescherming van minderjarigen; terugkeerbeleid en maatschappelijke inburgering van migranten. In dit beleid moet rekening worden gehouden met de verantwoordelijkheden van de decentrale overheden bij de tenuitvoerlegging van de prioriteiten van het Haagse Programma, met name inzake het integratiebeleid dat gevoerd wordt om de arbeidsmarkt, onderwijs en opleiding, maatschappelijke dienstverlening en gezondheidszorg voor immigranten toegankelijker te maken, hen meer te laten deelnemen aan het maatschappelijke, culturele en politieke leven, en het voor hen gemakkelijker te maken om de officiële taal of talen van het gastland te leren. |
|
7.2 |
Het CvdR heeft waardering voor het nieuwe initiatief van de Commissie om jaarlijks een conferentie te organiseren over het thema steden en integratie. De eerste heeft in oktober 2006 in Rotterdam plaatsgevonden. Het CvdR verbindt zich ertoe om ook bij de toekomstige conferenties een belangrijke rol te spelen, om te beginnen bij de conferentie die voor 2007 in Milaan is gepland. |
|
7.3 |
Om tot systematische en gestructureerde institutionele samenwerking te komen, zou het CvdR graag betrokken willen worden bij het immigratiebeleidsoverleg dat de Commissie begin 2007 zal opstarten, alsook bij de nieuwe methode voor het evalueren van de tenuitvoerlegging van het Haagse Programma die de Commissie in juni 2006 heeft gepresenteerd. |
|
7.4 |
Het CvdR juicht het initiatief van de Commissie toe om in 2007 een handboek over immigratie en integratie uit te brengen. Het wijst erop dat het CvdR via zijn leden een rijke bron van informatie en best practices op dat gebied is. Het dringt er dan ook bij de Commissie op aan het CvdR zo nauw mogelijk bij de voorbereiding van dat handboek te betrekken. |
|
7.5 |
Het CvdR wijst erop dat verschillende regio's en steden in bijzonder sterke mate te maken krijgen met de instroom van migranten, en over onvoldoende middelen beschikken om de massa's migranten adequate humanitaire hulp te verstrekken. Het dringt er daarom op aan dat Frontex een steeds grotere rol toebedeeld krijgt bij de coördinatie van de bijstand aan de betrokken regio's. |
|
7.6 |
Er moet een juist evenwicht worden gevonden tussen de behoefte aan veiligheid in een gemondialiseerde wereld en de individuele grondrechten en vrijheden. |
8. Uitbreiding van de EU
|
8.1 |
De Commissie wordt aangemoedigd om samen met de andere instellingen, waaronder het CvdR, onderzoek te doen naar de opnamecapaciteit van de EU. Het CvdR juicht toe dat er momenteel een maatschappelijke discussie over toekomstige uitbreidingen plaatsvindt. |
|
8.2 |
Het CvdR steunt het proces dat moet leiden tot de toetreding van Kroatië, Turkije en de Westelijke Balkanlanden tot de EU en verbindt zich ertoe om de dialoog tussen de regionale en lokale overheden uit de EU-landen en de (potentiële) kandidaat-lidstaten verder te ontwikkelen. Ongeacht Turkijes toekomstige status binnen de EU is het in het belang van Europa om Turkije tot hervormingen te blijven aansporen. Het CvdR wil met de Turkse lokale en regionale overheden rechtstreeks contact blijven houden teneinde bij de eerst mogelijke gelegenheid een gemengd raadgevend comité op te richten. |
9. Een krachtige stem in de wereld
|
9.1 |
Het CvdR wil meehelpen om de democratie in de „nabuurschapslanden” en op de Westelijke Balkan te versterken door deel te nemen aan waarnemingsmissies bij regionale en lokale verkiezingen en door hiertoe op communautair en Europees niveau passende vormen van interinstitutionele samenwerking te ontwikkelen. |
|
9.2 |
Het houdt een krachtig pleidooi voor de regionale Euromed-conferentie „Barcelona + 10” en wijst op het belang van institutioneel overleg tussen decentrale overheden uit de EU en uit derde landen in het Middellandse Zeegebied. Hierdoor kan de uitwisseling van best practices op het vlak van regionale partnerschapsbanden, decentrale samenwerking en het decentraliseringsproces en goed bestuur in de Euromedzone worden bevorderd. In dit verband bepleit het CvdR dat er voor het overleg tussen de decentrale overheden uit de EU en de derde landen in het Middellandse Zeegebied een apart forum wordt opgericht. |
|
9.3 |
Het CvdR benadrukt dat het zaak is om op lokaal en regionaal niveau constructieve betrekkingen te stimuleren met de nabuurschapslanden, vooral met die aan de oostgrens van de EU. |
|
9.4 |
De ontwikkeling en versterking van de betrekkingen moet leiden tot strategische partnerschapsbanden met Rusland en het nieuwe beleidskader voor de noordelijke dimensie. |
|
9.5 |
Het CvdR onderstreept dat goed bestuur belangrijk is om werk te kunnen maken van de nieuwe Europese consensus inzake het ontwikkelingsbeleid. Het is van mening dat de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel in het kader van decentrale samenwerking een sleutelelement van goed bestuur en van het Europese ontwikkelingsbeleid vormt. |
|
10. |
Het CvdR draagt hierbij zijn voorzitter op om deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, met name Duitsland en Portugal, die in 2007 het Raadsvoorzitterschap zullen bekleden. |
Brussel, 7 december 2006.
De voorzitter
van het Comité van Regio's
M. DELEBARRE