|
ISSN 1725-2474 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 330 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
49e jaargang |
|
NL |
|
I Mededelingen
Paritaire Parlementaire Vergadering van de Partnerschapsovereenkomst tussen de ACS-landen (Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan) enerzijds en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten anderzijds
De twaalfde vergadering werd van 20 t/m 23 november 2006 te Bridgetown (Barbados) gehouden.
|
30.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 330/1 |
NOTULEN VAN DE ZITTING VAN MAANDAG 20 NOVEMBER 2006
(2006/C 330/01)
(De zitting wordt om 11.05 uur geopend.)
Officiële opening
De volgende sprekers richten zich tot de Vergadering:
Dame Billie A. Miller, „Senior Minister ”en minister van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel van Barbados, de heer René Radembino-Coniquet, covoorzitter van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, mevrouw Glenys Kinnock, covoorzitter van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, en de heer Owen S. Arthur, premier en minister van Financiën van Barbados, die de twaalfde vergadering geopend verklaart.
(De zitting wordt om 12.20 uur geschorst en om 15.10 uur voortgezet.)
VOORZITTER: de heer RADEMBINO-CONIQUET
covoorzitter
Zitting van de Paritaire Parlementaire Vergadering
De covoorzitter heet alle deelnemers welkom.
1. Samenstelling van de Paritaire Parlementaire Vergadering
De covoorzitter deelt mee dat de lijst met alle leden van de Paritaire Parlementaire Vergadering door de autoriteiten van de ACS-landen en de Voorzitter van het Europees Parlement is ingediend en bij de notulen zal worden gevoegd.
2. Accreditatie van niet-parlementaire vertegenwoordigers
De covoorzitter deelt mee dat de autoriteiten van de ACS-landen een lijst van niet-parlementaire vertegenwoordigers hebben ingediend. Conform artikel 17, lid 1, van de partnerschapsovereenkomst en artikel 1 van het Reglement van de Paritaire Parlementaire Vergadering stelt hij voor deze vertegenwoordigers te registreren en de lijst met namen als bijlage aan de notulen toe te voegen.
De Paritaire Parlementaire Vergadering stemt hiermee in.
3. Plaatsvervangers
De covoorzitter deelt de namen van de plaatsvervangers mee: Badia i Cuchet (voor Ferreira), Budreikaitė (voor Kułakowksi), Bushill-Matthews (voor Coelho), Evans (voor Dobolyi), Klass (voor Langendries), Lavarra (voor Arif), Myller (voor Rosati), Seeber (voor Schröder) en Zaleski (voor Wijkman).
4. Aanneming ontwerpagenda (ACS-EU/3932/06)
De covoorzitter deelt de volgende sluitingstermijnen mee:
|
— |
amendementen op ontwerpresoluties in de verslagen van de vaste commissies: maandag 20 november om 18.00 uur; |
|
— |
amendementen op ontwerpcompromisresoluties: dinsdag 21 november om 15.00 uur; |
|
— |
vragen over stemmethodes: dinsdag 23 november om 09.00 uur (schriftelijk). |
De ontwerpagenda wordt volgens onderhavige notulen goedgekeurd.
5. Goedkeuring van de notulen van de elfde bijeenkomst van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU (PB C 307 van 15.12.2006)
De notulen worden goedgekeurd.
6. Verklaring van de heer Louis Michel, lid van de Commissie in het bijzonder belast met ontwikkeling en humanitaire hulp
De heer Michel spreekt namens de Commissie en gaat in het bijzonder in op de programmering van het 10de EOF.
7. Door de Commissie genomen maatregelen naar aanleiding van de resoluties die zijn aangenomen tijdens de elfde bijeenkomst van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU in Wenen (Oostenrijk) van 19 t/m 22 juni 2006
De commissaris verwijst naar een document dat is rondgedeeld waarin de bijzonderheden worden gegeven van de maatregelen die de Commissie naar aanleiding van de in Wenen aangenomen resoluties heeft genomen.
8. Vragenuur met de Commissie
Er worden 22 vragen aan de Commissie voorgelegd.
De heer Michel beantwoordt de vragen schriftelijk en geeft mondeling antwoord op de onderstaande aanvullende vragen:
Vraag 1 van de heer Kaczmarek over de programmering van het 10de EOF;
Vraag 11 van de heer Agnoletto (voor mevrouw Morgantini) over de participatie van het maatschappelijk middenveld;
Vraag 22 van de heer Duguid (Barbados) over het vergroten van de begrotingssteun;
Vraag 6 van mevrouw Scheele over gezondheidszorg en maatschappelijke ontwikkeling;
Vraag 5 van de heer Cornillet over het namaken van geneesmiddelen;
Vraag 7 van mevrouw Aubert over het tekort aan gezondheidswerkers;
Vraag 8 van de heer Bowis over vaccins tegen malaria en tuberculose;
Vraag 2 van mevrouw Hall over illegale houtkap;
Vraag 13 van de heer Bushill-Matthews over het bestrijden van illegale immigratie uit Afrika;
Vraag 12 van de heer Agnoletto over het internationale handelsbeleid van de EU en over Afrikanen die naar Europa migreren;
Vraag 21 van de heer Schnellhardt (voor de heer Gahler) over Togo;
Vraag 15 van mevrouw Gomes over de berechting van gevangenen in Ethiopië;
Vraag 20 van de heer Schlyter over het storten van toxisch afval in Ivoorkust;
Vraag 19 van mevrouw Gomes (voor de heer Jardim Fernandes) over de cholera-epidemie in Angola;
Vraag 16 van de heer Van Hecke over Noord-Uganda.
De stellers van vraag 3 (mevrouw Goudin) en vraag 17 (mevrouw Carlotti) hebben geen aanvullende vragen.
De stellers van vraag 4, 9, 10, 14 en 18 zijn afwezig.
9. Debat met de Commissie
Sprekers: Deerpalsing (Mauritius), McAvan, Carlotti, Nyassa (Kameroen), Cornillet, Schmidt, Budreikaitė, Barry (Senegal), Van Hecke, Akpovi (Benin), Cavuilati (Fiji), Conteh (Sierra Leone), Sylla (Mali), Kinnock, Sebetela (Botswana), Aubert en Geingob (Namibië).
De heer Michel reageert op hetgeen tijdens het debat naar voren wordt gebracht.
10. Dringend onderwerp 1: De situatie in de regio Oost-Afrika van de ACS-groep
Sprekers: Gahler, Gomes, Darbo (Tsjaad), Van Hecke, Deng (Sudan), Aubert, Berend, Omar (Djibouti), Teshoma Toga (Ethiopië), Evans, Mugambe (Uganda), Kaczmarek en Mantovani.
De heer Michel reageert op de opmerkingen die zijn gemaakt en sluit het debat vervolgens af.
(De zitting wordt om 19.05 uur gesloten.)
René RADEMBINO-CONIQUET en
Glenys KINNOCK
Covoorzitters
Sir John KAPUTIN en
Dietmar NICKEL
Cosecretarissen-generaal
|
30.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 330/3 |
NOTULEN VAN DE ZITTING VAN DINSDAG 21 NOVEMBER 2006
(2006/C 330/02)
(De zitting wordt om 09.15 uur geopend.)
VOORZITTER: mevrouw KINNOCK
Covoorzitter
1. Plaatsvervangers
De covoorzitter deelt de namen van de plaatsvervangers mee: Badia i Cuchet (voor Ferreira), Budreikaitė (voor Kułakowksi), Bushill-Matthews (voor Coelho), Evans (voor Dobolyi), Hegyi (voor Van Lancker), Klass (voor Langendries), Lavarra (voor Arif), Morgantini (voor Wurtz), Myller (voor Rosati), Posdorf (voor Ribeiro e Castro), Seeber (voor Schröder) en Zaleski (voor Wijkman).
2. Debat over de situatie in de Democratische Republiek Congo (zonder resolutie)
Sprekers: Berend, Sylla (Mali), Evans, Akpovi (Benin) en Van Hecke.
VOORZITTER: de heer RADEMBINO-CONIQUET
Covoorzitter
Sprekers: Aubert, Nguema Owono (Equatoriaal-Guinea), Deva, Deng (Sudan), Gomes, Hall, de Sousa (Angola) en Zaleski.
De heer Michel, lid van de Commissie, reageert op hetgeen tijdens het debat naar voren is gebracht.
Besluit: er wordt besloten om president Kabila en de heer Bemba namens de Paritaire Parlementaire Vergadering een brief te schrijven waarin om eerbiediging van de verkiezingsresultaten wordt gevraagd.
VOORZITTER: mevrouw KINNOCK
Covoorzitter
3. Verslag van de heer L. Boyce Sebetela (Botswana) en de heer Hans-Peter Mayer namens de Commissie economische ontwikkeling, financiën en handel, over het effect van toerisme op de ontwikkeling van de ACS-landen (ACS-EU/3871/06/def.)
De heer Sebetela (Botswana) en de heer Mayer presenteren hun verslag.
De heer Lynch, minister van Toerisme en Internationaal Transport van Barbados, spreekt de Vergadering toe.
Sprekers: Berend, Jiménez (Dominicaanse Republiek), Cornillet, Deerpalsing (Mauritius), Schlyter, Conteh (Sierra Leone), Martens, Novak, Schnellhardt, McAvan, Seeber en Zaleski.
De heren Baum en Martens (Commissie) en de heer Lynch reageren op hetgeen tijdens het debat naar voren is gebracht.
De heer Sebetela (Botswana) en de heer Mayer sluiten het debat af.
De covoorzitter vraagt de vertegenwoordiger van Eritrea om zijn toespraak te houden over de situatie in de regio Oost-Afrika van de ACS-groep, omdat hij voor het debat van de voorafgaande dag abusievelijk niet op de sprekerslijst was geplaatst. Hij is helaas niet in de vergaderruimte aanwezig.
4. Verslag van de economische en sociale partners
De heer Dantin, voorzitter van de follow-upcommissie ACS-EU, geeft zijn presentatie.
(De zitting wordt om 11.45 uur geschorst en om 14.35 uur voortgezet.)
5. Toespraak van de heer Mark Malloch Brown, plaatsvervangend secretaris-generaal van de Verenigde Naties, over „het werk en de rol van de Verenigde Naties in de 21ste eeuw”
De heer Malloch Brown houdt zijn toespraak.
Sprekers: Kinnock, Martínez Martínez, Straker (Saint Vincent en de Grenadines), Deva, Agnoletto, Bowis, Gomes, Conteh (Sierra Leone), Evans, Sebetela (Botswana) Seeber en Deng (Sudan).
De heer Malloch Brown reageert op hetgeen tijdens het debat naar voren is gebracht.
(De zitting wordt om 15.37 uur gesloten.)
René RADEMBINO-CONIQUET en
Glenys KINNOCK
Covoorzitters
Sir John KAPUTIN en
Dietmar NICKEL
Cosecretarissen-generaal
|
30.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 330/4 |
NOTULEN VAN DE ZITTING VAN WOENSDAG 22 NOVEMBER 2006
(2006/C 330/03)
(De zitting wordt om 09.11 uur geopend.)
VOORZITTER: de heer RADEMBINO-CONIQUET
Covoorzitter
1. Plaatsvervangers
De covoorzitter deelt de namen van de plaatsvervangers mee: Badia i Cuchet (voor Ferreira), Budreikaitė (voor Kułakowksi), Bushill-Matthews (voor Coelho), Evans (voor Dobolyi), García-Margallo y Marfil (voor Herranz García), Hegyi (voor Van Lancker), Klass (voor Langendries), Lavarra (voor Arif), Mauro (voor López-Istúriz White), Morgantini (voor Wurtz), Myller (voor Rosati), Pomés Ruiz (voor Gaubert), Posdorf (voor Ribeiro e Castro), Seeber (voor Schröder) en Zaleski (voor Wijkman).
2. Goedkeuring van de notulen van maandag 20 november en van de ochtendzitting van dinsdag 21 november 2006
Spreker: Bushill-Matthews
De notulen worden goedgekeurd met een kleine wijzing van de indeling.
3. Verslag van mevrouw Paula Lehtomäki, minister van Buitenlandse handel en Ontwikkeling (Finland), fungerend voorzitter van de Raad van de Europese Unie
Mevrouw Lehtomäki legt namens de Raad van de EU een verklaring af.
4. Verklaring van de heer Onofre Rojas, staatssecretaris en nationale ordonnateur van het EOF (Dominicaanse Republiek), voor de heer Casimir Oye Mba, minister van Ontwikkelingsplanning en -programmering (Gabon), fungerend voorzitter van de ACS-Raad
De heer Rojas legt namens de ACS-Raad een verklaring af.
5. Vragenuur — de Raad
De ACS-Raad zijn drie vragen gesteld.
De heer Rojas beantwoordt de volgende vragen:
Vraag 1 van mevrouw Carlotti over regionale conferenties ACS-EU.
De stellers van vraag 2 en 3 zijn afwezig.
De Raad van de EU zijn zestien vragen gesteld.
Mevrouw Lehtomäki beantwoordt de volgende en aanvullende vragen:
Vraag 4 van de heer Lehideux over de hoeveelheid hulp die in 2007 is toegewezen aan de ACS-landen die nadelige gevolgen hebben ondervonden van de hervorming van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker;
Vraag 5 van mevrouw Gomes over straffeloosheid in Afrika;
Vraag 7 van de heer Van Hecke over Somalië;
Vraag 8 van de heer Gahler over het beleid inzake Zimbabwe en mensen in nood;
Vraag 9 van de heer Jardim Fernandes over de onafhankelijke speciale onderzoekscommissie voor Oost-Timor;
Vraag 11 van de heer Martínez Martínez (voor mevrouw Valenciano Martínez-Orozco) over de politieke dialoog betreffende illegale immigratie en de maatregelen die zijn getroffen;
Vraag 13 van de heer Bushill-Matthews over de bestrijding van illegale immigratie uit Afrika;
Vraag 19 van de heer Schmidt over clandestiene migratie;
Vraag 15 van de heer Cornillet over het namaken van geneesmiddelen;
Vraag 16 van de heer Bowis over problemen met betrekking tot gezondheidszorg en invaliditeit en landenstrategiedocumenten;
Vraag 17 van de heer Agnoletto over de Verklaring van Abuja betreffende overheidsuitgaven in de gezondheidssector en het EOF;
Vraag 18 van de heer Agnoletto (voor de heer Holm) over de antiterrorismediplomatie van de Europese Unie.
Ook de aanvullende vragen van de heer Bowis over vraag 16 en van de heer Agnoletto over vraag 17 worden door de heer Rojas namens de ACS-Raad beantwoordt.
De volgende vragen worden niet gevolgd door aanvullende vragen:
Vraag 10 van mevrouw Goudin over het visserijbeleid van de EU in derde landen;
Vraag 6 van mevrouw Carlotti over politieke gevangen in Eritrea;
Vraag 14 van de heer Lehideux (voor mevrouw Polfer) over Frontex en ontwikkeling.
De steller van vraag 12 is afwezig.
6. Debat met de Raad
Sprekers: Willmott, Naib (Eritrea), Akpovi (Benin), Jardim Fernandes, Milebou-Aubusson (Gabon), Tiheli (Lesotho), Mzembi (Zimbabwe), Gahler, Nguema Owono (Equatoriaal-Guinea), Geingob (Namibië), Gomes, Sylla (Mali), covoorzitter Kinnock, Mayer, Sebetela (Botswana), Lehtomäki (Raad van de EU) en Rojas (ACS-Raad).
7. Verslag van mevrouw Ana Gomes en de heer William Duguid (Barbados) namens de Commissie politieke zaken over handvuurwapens en lichte wapens en duurzame ontwikkeling (ACS-EU/3892/06/def.)
Mevrouw Gomes en de heer Duguid (Barbados) presenteren hun verslag.
Sprekers: Gahler, Sylla (Mali), Jöns, Nguema Owono (Equatoriaal-Guinea), Van Hecke, Deng (Sudan), Schmidt, Nduwimana (Burundi), Morgantini, Ali (Ethiopië), Korhola, Mayer en Baum (Commissie).
De heer Duguid (Barbados) en mevrouw Gomes sluiten het debat af.
(De zitting wordt om 13.10 uur geschorst en om 15.10 uur voortgezet.)
VOORZITTER: mevrouw KINNOCK
Covoorzitter
8. Dringend onderwerp 2: De evaluatie van de onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten
De covoorzitter deelt mee dat de geplande videoconferentie met commissaris Peter Mandelson in Brussel op grond van technische problemen niet kan worden gehouden. Zijn toespraak zal door een vertegenwoordiger van de Commissie worden voorgelezen, waarna deze onder de leden wordt rondgedeeld.
Spreker: Schlyter.
Dame Billie A. Miller, „Senior Minister ”en minister van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel (Barbados), legt haar verklaring af.
De heer Claude Martens (Commissie) leest de verklaring van commissaris Mandelson voor.
Sprekers: Sturdy, Deerpalsing (Mauritius), Carlotti, Mesfin Namatra (Ethiopië), Hall, Cavuilati (Fiji), François (Saint Lucia), Schlyter, Agnoletto, Mporogomyi (Tanzania), Martens, Conteh (Sierra Leone), Schmidt, Deva, Dombrovskis, Osei-Ameyaw (Ghana), Schnellhardt en Larue (Seychellen).
De heer Martens en Dame Billie A. Miller reageren op het debat.
9. Verslag van mevrouw Eija-Riitta Korhola en de heer Achille Tapsoba (Burkina Faso), namens de Commissie sociale zaken en milieu, over water in ontwikkelingslanden (ACS-EU/3916/06/def.)
Mevrouw Korhola en de heer (Burkina Faso) presenteren hun verslag.
VOORZITTER: de heer AKPOVI
Ondervoorzitter
Sprekers: Bowis, Lavarra (voor Arif), Jiménez (Dominicaanse Republiek), Hall en Conteh (Sierra Leone).
VOORZITTER: mevrouw KINNOCK
Covoorzitter
Sprekers: Aubert, Morgantini (voor Wurtz), Aylward, Bushill-Matthews (voor Coelho), McAvan, Klass (voor Langendries), Scheele, Abdourhamane (Niger), Novak, Roithová, Seeber (voor Schröder), Awdu (Kameroen), Veneto en Baum (Commissie).
Mevrouw Korhola en de heer Tapsoba (Burkina Faso) sluiten het debat af.
(De zitting wordt om 18.20 uur gesloten.)
René RADEMBINO-CONIQUET en
Glenys KINNOCK
Covoorzitters
Sir John KAPUTIN en
Dietmar NICKEL
Cosecretarissen-generaal
|
30.12.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 330/6 |
NOTULEN VAN DE ZITTING VAN DONDERDAG 23 NOVEMBER 2006
(2006/C 330/04)
(De zitting wordt om 09.10 uur geopend.)
VOORZITTER: mevrouw KINNOCK
Covoorzitters
1. Plaatsvervangers
De covoorzitter deelt de namen van de plaatsvervangers mee: Budreikaitė (voor Kułakowksi), Bushill-Matthews (voor Coelho), García-Margallo y Marfil (voor Herranz García), Hegyi (voor Van Lancker), Klass (voor Langendries), Lavarra (voor Arif), Mauro (voor López-Istúriz White), Morgantini (voor Wurtz), Myller (voor Rosati), Pomés Ruiz (voor Gaubert), Posdorf (voor Ribeiro e Castro), Seeber (voor Schröder) en Zaleski (voor Wijkman).
2. Goedkeuring van de notulen van woensdag 22 november 2006
De notulen worden goedgekeurd.
3. Korte verslagen van de workshops
|
— |
De heer Bereaux (Trinidad en Tobago) over de samenwerking tussen de EU en de ACS-landen voor het vergroten van het concurrentievermogen van basisproducten uit die landen: het geval van rum en andere ACS-producten. |
|
— |
De heer Barry (Senegal) over het gebruik van milieubeheersystemen voor de bescherming van stroomgebieden en kustecosystemen. |
|
— |
Mevrouw Gomes over de behandeling van hiv/aids-patiënten: vaststellen van en voorzien in de kosten. |
4. Verklaring door de heer Pascal Lamy, directeur-generaal van de Wereldhandelsorganisatie
De heer Lamy, directeur-generaal van de Wereldhandelsorganisatie, kan zijn presentatie op grond van technische problemen niet houden. Zijn toespraak wordt rondgedeeld.
(De zitting wordt om 10.15 uur geschorst en om 10.30 uur hervat.)
VOORZITTER: mevrouw KINNOCK
Covoorzitter
5. Stemming over de wijzigingen in het Reglement
De beide Huizen stemmen afzonderlijk over de wijzigingen (artikel 34, lid 2, van het Reglement).
Het ACS-Huis stemt over alle amendementen gezamenlijk.
Het EU-Huis stemt eerst over amendement 1 en vervolgens over de amendementen 2 t/m 5 gezamenlijk.
De beide Huizen keuren alle amendementen goed.
6. Stemming over de ontwerpresoluties in de verslagen van de drie vaste commissies
|
— |
Verslag over het effect van toerisme op de ontwikkeling van de ACS-landen (ACS-EU 3871/06/def.) — Commissie economische ontwikkeling, financiën en handel. Corapporteurs: L. Boyce Sebetela (Botswana) en Hans-Peter Mayer. De amendementen 1 en 3 worden goedgekeurd. De resolutie, zoals gewijzigd, wordt zonder tegenstemmen en met één onthouding aangenomen. |
|
— |
Verslag over handvuurwapens en lichte wapens en duurzame ontwikkeling (ACS-EU 3892/06/def.) — Commissie politieke zaken. Corapporteurs: Ana Gomes en William Duguid (Barbados). De corapporteurs dienen een mondeling amendement in, dat wordt goedgekeurd. De resolutie, als gewijzigd, wordt zonder tegenstemmen en met twee onthoudingen aangenomen. |
|
— |
Verslag over water in ontwikkelingslanden (ACS-EU 3916/06/def.) — Commissie sociale zaken en milieu. Corapporteurs: Achille Tapsoba (Burkina Faso) en Eija-Riitta Korhola. De amendementen 3, 7 en 12 t/m14 (met een mondeling amendement op amendement 14) worden goedgekeurd. De resolutie, als gewijzigd, wordt zonder tegenstemmen en met vier onthoudingen aangenomen. |
7. Stemming over dringende ontwerpresoluties
|
— |
Dringende ontwerpresolutie over de evaluatie van de onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) (ACS-EU 3958/06/comp.). De amendementen 1 en 12, een mondeling amendement op punt 17, en amendement 17 worden goedgekeurd. De resolutie, als gewijzigd, wordt zonder tegenstemmen en met één onthouding aangenomen. |
|
— |
Dringende ontwerpresolutie over de situatie in de regio Oost-Afrika van de ACS-groep (ACS-EU 3960/06/comp.). De amendementen 1, 3, 7 en 8 op overweging S en T; de amendementen 9, 10, 16, 23 t/m 28, 30, 33 en 34 op punt 35 en 36; en amendement 38 worden goedgekeurd. |
Er wordt gevraagd om de beide Huizen elk afzonderlijk en bij geheime stemming over de resolutie als geheel, als gewijzigd, te laten stemmen.
Sprekers: Sithole (Zuid-Afrika) en Cornillet.
Kaczmarek, Mauro, Sithole (Zuid-Afrika) en Mporogomy (Tanzania) worden aangewezen als tellers.
De gewijzigde resolutie wordt verworpen (ACS-stemming: 11 vóór, 27 tegen en 2 onthoudingen; EU-stemming: 53 vóór, 1 tegen en 3 onthoudingen).
8. Diversen
De heer Gahler presenteert Wiesbaden als de stad waar de Paritaire Parlementaire Vergadering de volgende keer bijeen zal komen.
De covoorzitter geeft commentaar op het vertrek van Bryan Rose, werkzaam bij het EU-secretariaat, die de Paritaire Parlementaire Vergadering 29 jaar van dienst is geweest.
De covoorzitter bedankt de Barbadaanse autoriteiten voor al hun inspanningen bij het organiseren van de 12de bijeenkomst van de Paritaire Parlementaire Vergadering en de sociale evenementen daaromheen.
9. Datum en plaats van de dertiende bijeenkomst van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU
De dertiende zitting van de Paritaire Parlementaire Vergadering vindt van 23 t/m 28 juni 2007 in Wiesbaden (Duitsland) plaats.
(De zitting wordt om 11.52 uur gesloten.)
René RADEMBINO-CONIQUET en
Glenys KINNOCK
Covoorzitters
Sir John KAPUTIN en
Dietmar NICKEL
Cosecretarissen-generaal
BIJLAGE I
ALFABESTISCHE LIJST VAN DE LEDEN VAN DE PARITAIRE PARLEMENTAIRE VERGADERING
|
ACS-vertegenwoordigers |
EP-vertegenwoordigers |
|
RADEMBINO-CONIQUET (GABON) (covoorzitter) |
KINNOCK (covoorzitter) |
|
BENIN (ondervoorzitter) |
GAHLER (ondervoorzitter) |
|
KAMEROEN (ondervoorzitter) |
MANTOVANI (ondervoorzitter) |
|
EQUATORIAAL-GUINEA (ondervoorzitter) |
VERGES (ondervoorzitter) |
|
GHANA (ondervoorzitter) |
CARLOTTI (ondervoorzitter) |
|
JAMAICA (ondervoorzitter) |
MITCHELL (ondervoorzitter) |
|
KENYA (ondervoorzitter) |
JOAN I MARÍ (ondervoorzitter) |
|
NIUE (ondervoorzitter) |
LULLING (ondervoorzitter) |
|
SAINT VINCENT EN DE GRENADINES (ondervoorzitter) |
KAMIŃSKI (ondervoorzitter) |
|
SEYCHELLEN (ondervoorzitter) |
CORNILLET (ondervoorzitter) |
|
SOLOMONSEILANDEN (ondervoorzitter) |
MARTÍNEZ MARTÍNEZ (ondervoorzitter) |
|
SWAZILAND (ondervoorzitter) |
BOWIS (ondervoorzitter) |
|
ZAMBIA (ondervoorzitter) |
GOUDIN (ondervoorzitter) |
|
ANGOLA |
AGNOLETTO |
|
ANTIGUA EN BARBUDA |
ALLISTER |
|
BAHAMAS |
ARIF |
|
BARBADOS |
AUBERT |
|
BELIZE |
AYLWARD |
|
BOTSWANA |
BEREND |
|
BURKINA FASO |
BULLMAN |
|
BURUNDI |
BUSK |
|
KAAPVERDIË |
CALLANAN |
|
CENTRAAL-AFRIKAANSE REPUBLIEK |
COELHO |
|
TSJAAD |
DEVA |
|
COMOREN |
DILLEN |
|
CONGO (Republiek) |
DOBOLYI |
|
CONGO (Democratische Republiek) |
DOMBROVSKIS |
|
COOKEILANDEN |
EK |
|
IVOORKUST |
FERNANDES |
|
DJIBOUTI |
FERREIRA |
|
DOMINICA |
GAUBERT |
|
DOMINICAANSE REPUBLIEK |
GOMES |
|
ERITREA |
GRABOWSKA |
|
ETHIOPIË |
GRÖNER |
|
FIJI |
HERRANZ GARCÍA |
|
GAMBIA |
HAUG |
|
GRENADA |
HALL |
|
GUINEA |
HOLM |
|
GUINEE-BISSAU |
JÖNS |
|
GUYANA |
KACZMAREK |
|
HAÏTI |
KORHOLA |
|
KIRIBATI |
KUŁAKOWSKI |
|
LESOTHO |
KOZLIK |
|
LIBERIA |
LANGENDRIES |
|
MADAGASCAR |
LÓPEZ-ISTÚRIZ WHITE |
|
MALAWI |
LEHIDEUX |
|
MALI |
LOUIS |
|
MARSHALLEILANDEN (Republiek der) |
MARTENS |
|
MAURITANIË |
MAYER |
|
MAURITIUS |
McAVAN |
|
MICRONESIA (Federale Staten van) |
MORILLON |
|
MOZAMBIQUE |
NOVAK |
|
NAMIBIË |
PLEGUEZUELOS AGUILAR |
|
NAURU (Republiek) |
POLFER |
|
NIGER |
RIBEIRO E CASTRO |
|
NIGERIA |
ROITHOVÁ |
|
PALAU |
ROSATI |
|
PAPOEA-NIEUW-GUINEA |
SARTORI |
|
RWANDA |
SCHNELLHARDT |
|
SAINT KITTS EN NEVIS |
SCHRÖDER |
|
SAINT LUCIA |
STURDY |
|
SAMOA |
SCHEELE |
|
SÃO TOMÉ EN PRÍNCIPE |
SORNOSA MARTÍNEZ |
|
SENEGAL |
SCHLYTER |
|
SIERRA LEONE |
SCHMIDT |
|
SOMALIË |
SPERONI |
|
ZUID-AFRIKA |
VENETO |
|
SUDAN |
VALENCIANO MARTINEZ-ORO |
|
SURINAME |
VAN LANCKER |
|
TANZANIA |
VAN HECKE |
|
OOST-TIMOR |
de VILLIERS |
|
TOGO |
WIELAND |
|
TONGA |
WIJKMAN |
|
TRINIDAD EN TOBAGO |
WILLMOTT |
|
TUVALU |
WURTZ |
|
UGANDA |
ZÁBORSKÁ |
|
VANUATU |
ZANI |
|
ZIMBABWE |
ZĪLE |
COMMISSIE POLITIEKE ZAKEN
|
ACS-leden |
EP-leden |
|
NDUWIMANA (BURUNDI), covoorzitter |
CALLANAN, covoorzitter |
|
LUTUNDULA (CONGO, Democratische Republiek), ondervoorzitter |
JÖNS, ondervoorzitter |
|
DUGUID (BARBADOS), ondervoorzitter |
POLFER, ondervoorzitter |
|
ANGOLA |
CARLOTTI |
|
BELIZE |
COELHO |
|
BENIN |
DILLEN |
|
COOKEILANDEN |
DOBOLYI |
|
DJIBOUTI |
GAHLER |
|
EQUATORIAAL-GUINEA |
GAUBERT |
|
FIJI |
GOMES |
|
GRENADA |
GRABOWSKA |
|
GUINEA |
GRÖNER |
|
HAÏTI |
HERRANZ GARCÍA |
|
LIBERIA |
KACZMAREK |
|
MAURITANIË |
KAMINSKI |
|
NAMIBIË |
LÓPEZ ISTÚRIZ |
|
NIGERIA |
LOUIS |
|
NIUE |
MANTOVANI |
|
PAPOEA-NIEUW-GUINEA |
MARTÍNEZ MARTÍNEZ |
|
SAINT VINCENT EN DE GRENADINES |
MORILLON |
|
SUDAN |
SARTORI |
|
TOGO |
SCHMIDT |
|
TUVALU |
VAN HECKE |
|
UGANDA |
WIELAND |
|
ZIMBABWE |
WURTZ |
|
|
ZANI |
COMMISSIE ECONOMISCHE ONTWIKKELING, FINANCIËN EN HANDEL
|
ACS-leden |
EP-leden |
|
FRANCOIS (SAINT LUCIA), covoorzitter |
SCHLYTER, covoorzitter |
|
SEBETELA (BOTSWANA), ondervoorzitter |
DOMBROVSKIS, ondervoorzitter |
|
DARBO (TSJAAD), ondervoorzitter |
RIBEIRO E CASTRO, ondervoorzitter |
|
ANTIGUA EN BARBUDA |
AGNOLETTO |
|
KAMEROEN |
BEREND |
|
CONGO (Republiek) |
BULLMANN |
|
IVOORKUST |
BUSK |
|
ERITREA |
CORNILLET |
|
ETHIOPIË |
DEVA |
|
GABON |
FERREIRA |
|
GHANA |
JOAN I MARI |
|
GUYANA |
KINNOCK |
|
KENYA |
KOZLÍK |
|
MALI |
LANGENDRIES |
|
MAURITIUS |
LEHIDEUX |
|
MICRONESIA (Federale Staten) |
LULLING |
|
PALAU |
MAYER |
|
SAMOA |
McAVAN |
|
SENEGAL |
MITCHELL |
|
SIERRA LEONE |
PLEGUEZUELOS AGUILAR |
|
ZUID-AFRIKA |
ROSATI |
|
SWAZILAND |
SPERONI |
|
TANZANIA |
STURDY |
|
TONGA |
VAN LANCKER |
|
TRINIDAD EN TOBAGO |
de VILLIERS |
|
ZAMBIA |
ZĪLE |
COMMISSIE SOCIALE ZAKEN EN MILIEU
|
ACS-leden |
EP-leden |
|
OUMAROU (NIGER), covoorzitter |
SCHEELE, covoorzitter |
|
SANGA (SOLOMON ISLANDS), ondervoorzitter |
NOVAK, ondervoorzitter |
|
SITHOLE (MOZAMBIQUE), ondervoorzitter |
ARIF, ondervoorzitter |
|
BAHAMAS |
ALLISTER |
|
BURKINA FASO |
AUBERT |
|
KAAPVERDIË |
AYLWARD |
|
COMOREN |
BOWIS |
|
DOMINICA |
EK |
|
DOMINICAANSE REPUBLIEK |
FERNANDES |
|
GAMBIA |
GOUDIN |
|
GUINEE-BISSAU |
HALL |
|
JAMAICA |
HAUG |
|
KIRIBATI |
HOLM |
|
LESOTHO |
KORHOLA |
|
MADAGASCAR |
KUŁAKOWSKI |
|
MALAWI |
MARTENS |
|
MARSHALLEILANDEN (Republiek der) |
ROITHOVA |
|
NAURU |
SCHNELLHARDT |
|
RWANDA |
SCHRÖDER |
|
SAINT KITTS EN NEVIS |
SORNOSA MARTÍNEZ |
|
SÃO TOMÉ EN PRÍNCIPE |
VALENCIANO MARTÍNEZ-OROZCO |
|
SEYCHELLEN |
VENETO |
|
SOMALIË |
VERGES |
|
SURINAME |
WIJKMAN |
|
OOST-TIMOR |
WILLMOTT |
|
VANUATU |
ZÁBORSKÁ |
BIJLAGE II
PRESENTIELIJST VAN DE VERGADERING VAN 20 T/M 23 NOVEMBER IN BRIDGETOWN
|
RADEMBINO-CONIQUET (Gabon), covoorzitter |
KINNOCK, covoorzitter |
|
DE SOUSA (Angola) |
AGNOLETTO |
|
DUGUID (Barbados) |
ALLISTER |
|
AKPOVI (Benin) (ondervoorzitter) |
AUBERT |
|
SEBETELA (Botswana) |
AYLWARD |
|
TAPSOBA (Burkina Faso) |
|
|
NYASSA (Kameroen) (ondervoorzitter) |
|
|
KAGUER DARBO (Tsjaad) |
BOWIS (ondervoorzitter) |
|
BOUNKOULOU (Congo, Republiek) |
BUDREIKAITE (voor KULAKOWSKI) |
|
KAPUNG YAV (Congo, Democratische Republiek) (1) |
|
|
AMON-AGO (Ivoorkust) |
BUSHILL-MATTHEWS (voor COELHO) |
|
ABDI SAID (Djibouti) |
BUSK |
|
ANTEM (Equatoriaal-Guinea) |
CARLOTTI (ondervoorzitter) |
|
TOGA (Ethiopië) |
CALLANAN |
|
CAVUILATI (Fiji) (1) |
CORNILLET (ondervoorzitter) |
|
MILEBOU-AUBUSSON (Gabon) |
DEVA |
|
TOURAY (Gambia) |
DOMBROVSKIS |
|
OSEI-AMEYAN (Ghana) |
|
|
BERNARD CHERON (Haïti) |
|
|
BLACK (Jamaica) (1) |
|
|
KAMOTHO (Kenia) (ondervoorzitter) |
GAHLER (ondervoorzitter) |
|
TIHELI (Lesotho) (1) |
|
|
MATOLA (Malawi) |
|
|
IMBARCAOUANE (Mali) |
GOMES |
|
DEERPALSING (Mauritius) |
GOUDIN (ondervoorzitter) |
|
SITHOLE (Mozambique) |
GRABOWSKA |
|
GEINGOB (Namibië) |
HALL |
|
ABDOU (Niger) |
HAUG |
|
POLISI (Rwanda) |
|
|
HARRIS (Saint Kitts en Nevis) |
|
|
FRANCOIS (Saint Lucia) |
|
|
STRAKER (Saint Vincent en de Grenadines) (ondervoorzitter) |
JÖNS |
|
BARRY (Senegal) |
KACZMAREK |
|
LARUE (Seychellen) |
KAMINSKI |
|
CONTEH (Sierra Leone) |
KLASS (voor LANGENDRIES) |
|
MAGGA (Solomonseilanden) |
|
|
SITHOLE (Zuid-Afrika) |
KOZLÍK |
|
GARANG DENG (Sudan) |
LAVARRA (voor ARIF) |
|
RODGERS (Suriname) |
LEHIDEUX |
|
MPOROGOMYI (Tanzania) |
|
|
MUGAMBE (Uganda) |
LULLING (ondervoorzitter) |
|
KAMANGA (Zambia) (1) |
|
|
MZEMBI (Zimbabwe) |
MARTENS |
|
|
MARTÍNEZ MARTÍNEZ (ondervoorzitter) |
|
|
|
|
|
MAYER |
|
|
McAVAN |
|
|
|
|
|
MYLLER (voor ROSATI) |
|
|
NOVAK |
|
|
PLEGUEZUELOS AGUILAR |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
ROITHOVÁ |
|
|
SARTORI |
|
|
SCHEELE |
|
|
SCHLYTER |
|
|
SCHMIDT |
|
|
SCHNELLHARDT |
|
|
SEEBER (voor SCHRÖDER) |
|
|
SORNOSA MARTÍNEZ |
|
|
SPERONI 2 (3) |
|
|
STURDY |
|
|
VAN HECKE |
|
|
|
|
|
WILLMOT |
|
|
WIELAND |
|
|
ZALESKI (voor WIJKMAN) |
|
|
ZABORSKA |
|
|
Waarnemer:
Cuba: MARICHAL
Eveneens aanwezig:
|
ANGOLA VALENTE GALA JOSÉ ALBERTO |
BARBADOS HUMPHREY GODDARD |
BENIN BONIFACE |
|
BOTSWANA BATLHOKI MODISE |
BURKINA FASO LANKOANDE TAHO |
KAMEROEN AWUDU MBAYA DANATA BAH |
|
CONGO (Republiek) PANDET |
IVOORKUST MOLLE MOLLE |
EQUATORIAAL-GUINEA EVUNA |
|
ETHIOPIË BEDRI MOHAMED ALI KEBEDE ABERA NAMARRA |
GABON KOMBILA SANNI |
GHANA BAAH |
|
HAÏTI RAYMOND |
KENIA WAMBUA KIOKO POGHISIO |
MALI DIALLO Djimé SYLLA MAGASSOUBA |
|
MOZAMBIQUE ERNESTO MIGUEL |
NAMIBIË DE WAAL KEEJA |
NIGER YERIMA BAKO |
|
|
SAINT VINCENT EN DE GRENADINES THOMAS |
SOLOMONSEILANDEN MA'AHANUA |
|
ZUID-AFRIKA SOOKLAL GIBSON MAGAU |
SUDAN ALLOBA BEDRI JERVESE |
SURINAME ESAJAS HIWAT SITAL RETHIPAL |
|
UGANDA ACEMAH AMONGI DOMBO |
ZAMBIA MBEWE |
ZIMBABWE CHAMISA MUCHENGETI |
RAAD ACS-EU
|
ROJAS |
Staatssecretaris en nationale ordonnateur van het EOF (Dominicaanse Republiek) |
|
LEHTOMÄKI |
Bondsminister van Buitenlandse Zaken (Finland), fungerend voorzitter van de Raad van de EU |
COMMISSIE
|
MICHEL |
Commissaris voor Ontwikkeling en humanitaire hulp |
EUROPEES ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ (EESC)
|
DANTIN |
Lid |
|
KING |
Lid |
|
KIRIRO |
Lid |
TECHNISCH CENTRUM VOOR LANDBOUW- EN PLATTELANDSSAMENWERKING (CTA)
BOTO
ASSOCIATIE VAN LANDEN EN GEBIEDEN OVERZEE (OCTA)
STANBROOK
ACS-SECRETARIAAT
|
KAPUTIN |
Cosecretaris-generaal |
EU-SECRETARIAAT
|
NICKEL |
Cosecretaris-generaal |
(1) Land vertegenwoordigd door een ander persoon dan een parlementslid.
(2) Aanwezig op 20 november 2006.
(3) Aanwezig op 21 november 2006.
(4) Aanwezig op 22 november 2006.
(5) Aanwezig op 23 november 2006.
BIJLAGE III
BIJLAGE BIJ DE VERGADERING VAN MAANDAG 20 NOVEMBER 2006
Accreditatie van niet-parlementaire vertegenwoordigers
DEMOCRATISCHE REPUBLIEK CONGO
De heer KAPUNG YAV
Zaakgelastigde a.i., ambassade van de Democratische Republiek Congo, Brussel
ZAMBIA
H. Exc. mevrouw Irene M. KAMANGA
Ambassadeur, ambassade van Zambia, Brussel
FIJI
Z. Exc. de heer Ratu Seremaia Tuinausori CAVUILATI
Ambassadeur van Fiji, ambassade van Fiji, Brussel
JAMAICA
Z. Exc. de heer Peter C. BLACK
Hoge commissaris van Jamaica bij the CARICOM
LESOTHO
H. Exc. mevrouw Mamoruti TIHELI
Ambassadeur van Lesotho, ambassade van Lesotho, Brussel
BIJLAGE IV
AANGENOMEN RESOLUTIES
|
— |
over het effect van toerisme op de ontwikkeling van de ACS-landen (ACS-EU 3871/06/def.) |
|
— |
over handvuurwapens en lichte wapens en duurzame ontwikkeling (ACS-EU 3892/06/def.) |
|
— |
over water in ontwikkelingslanden (ACS-EU 3916/06/def.) |
|
— |
over de evaluatie van de onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) (ACS-EU 3958/06/def.) |
RESOLUTIE (1)
over het effect van toerisme op de ontwikkeling van de ACS-landen
De Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU,
|
— |
van 20 tot en met 23 november 2006 in Bridgetown (Barbados) bijeen, |
|
— |
gelet op artikel 17, lid 1, van haar Reglement, |
|
— |
gelet op artikel 24 van de Partnerschapsovereenkomst ACS-EU, die op 23 juni 2000 in Cotonou werd ondertekend, |
|
— |
gezien de verklaring van Fiji, die op 20 oktober 2004 is goedgekeurd tijdens het zevende regionale seminar van de groepen van economisch en maatschappelijk belang uit de ACS-landen en de EU, onder auspiciën van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, |
|
— |
onder verwijzing naar de resolutie over toerisme en ontwikkeling in het kader van het beheer van en de controle op het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), goedgekeurd door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU in maart 2001 te Libreville (Gabon) (2), |
|
— |
onder verwijzing naar de resolutie over toerisme en ontwikkeling, goedgekeurd door de Paritaire Vergadering ACS-EU op 14 oktober 1999 door te Nassau (Bahamas) (3), |
|
— |
gezien de mondiale code voor ethiek in het toerisme, goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Wereldorganisatie voor Toerisme (WTO) in Santiago (Chili) op 1 oktober 1999 en ondersteund door de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, goedgekeurd op 21 december 2001 (4), |
|
— |
onder verwijzing naar de resolutie over de culturele dimensie van de ontwikkelingssamenwerking, vooral ten aanzien van het cultureel erfgoed en het toerisme, goedgekeurd door de Paritaire Vergadering ACS-EU te Straatsburg op 1 april 1995 (5), |
|
— |
onder verwijzing naar de resolutie van de Raad voor Ontwikkelingssamenwerking van 30 november 1998 te Brussel over duurzaam toerisme in ontwikkelingslanden, |
|
— |
onder verwijzing naar de resolutie van het Europees Parlement over toerisme en ontwikkeling die is aangenomen op 8 september 2005, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie economische ontwikkeling, financiën en handel (ACS-EU 3871/06/def.), |
Toerisme als factor in economische ontwikkeling en internationale handel
|
A. |
overwegende dat het toerisme onmiskenbaar een motor is voor de ontplooiing van ontwikkelingslanden op alle terreinen; voorts overwegende dat het toerisme in de internationale handel van steeds grotere betekenis wordt, ondanks het feit dat recente natuurrampen de toeristenstromen naar diverse regio's in de wereld hebben doen afnemen, |
|
B. |
overwegende dat in het kader van een georganiseerd toeristisch programma, of bij een individuele reis, steeds vaker meerdere toeristische bestemmingen in meerdere landen worden aangedaan, hetgeen bijdraagt aan het vergroten van de regionale samenwerking en het versterken van de banden tussen landen, |
|
C. |
overwegende dat het toerisme een fundamenteel onderdeel is van een samenhangend ontwikkelingsbeleid in ontwikkelingslanden; voorts overwegende dat verbanden tussen de toeristenindustrie en andere economische sectoren moeten worden gestimuleerd, in het bijzonder de verbanden met de landbouw en visserij, de voedingsmiddelen-, dranken- en andere be- en verwerkende industrieën, de ambachtelijke sector, het transport en de financiële dienstverlening, |
|
D. |
overwegende dat voor de ontplooiing van het toerisme in ontwikkelingslanden mogelijk infrastructuurprojecten op het gebied van vervoer, energie, nieuwe communicatietechnologieën, huisvesting, volksgezondheid en hygiëne nodig zijn, |
|
E. |
overwegende dat het van fundamenteel belang is dat dergelijke projecten zowel de lokale bevolking als de toeristenindustrie ten goede komen, |
|
F. |
overwegende dat de toeristenindustrie vaak heeft verzuimd om zich krachtig in de nationale economie te integreren; voorts overwegende dat de infrastructuur van de sector meestal in buitenlandse handen is en investeerders zoeken naar de grootst mogelijke financiële en belastingvoordelen, waarbij individuele landen elkaar beconcurreren in het bieden van die voordelen, |
|
G. |
overwegende dat het bedrag aan financiële middelen dat dankzij het toerisme van rijke naar arme landen stroomt twee keer zo hoog is als het bedrag aan buitenlandse ontwikkelingshulp aan die landen; voorts overwegende dat voor 46 van de 50 minst ontwikkelde landen het toerisme nu de belangrijkste deviezenbron is, |
|
H. |
overwegende dat in 41 van de 50 armste landen in de wereld het toerisme goed is voor 5 % van het BBP, of 10 % van de exportopbrengsten, |
|
I. |
overwegende dat het basisdocument van het in 2001 opgerichte Nieuw Partnerschap voor de ontwikkeling van Afrika (NEPAD) uitdrukkelijk wijst op het belang van het Afrikaans toerisme en een actieplan voor het toerisme bevat — dat in 2004 door de Afrikaanse Unie is goedgekeurd — waarin de betekenis van cultureel en ecotoerisme voor Afrika wordt erkend, |
|
J. |
overwegende dat lokale investeringen in de horeca moeten worden gestimuleerd, hetzij via beleid dat de oprichting van lokale particuliere ondernemingen en coöperaties mogelijk maakt die goederen en diensten produceren die voorheen werden geïmporteerd, of door middel van joint ventures tussen lokale en internationale ondernemingen, |
|
K. |
in overweging van de lopende onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO) die met ingang van 1 januari 2008 in de plaats komen van het eenzijdig preferentieel handelsstelsel dat het kader vormt van de handelsbetrekkingen tussen de ACS-landen en de EU, |
Toerisme als factor in milieubescherming en instandhouding van erfgoed en cultuur
|
L. |
overwegende dat duurzaam toerisme slechts kan worden ontwikkeld wanneer het de natuurlijke en culturele omstandigheden alsook de tradities van de lokale gemeenschappen waar deze industrie wordt ontwikkeld, eerbiedigt, |
|
M. |
overwegende dat toerisme niet mag worden beschouwd als vijand van het milieu maar juist als bondgenoot, omdat instandhouding van het milieu en het erfgoed een voorwaarde is voor een renderend toerisme, |
|
N. |
overwegende dat vormen van milieuvriendelijk toerisme, zoals ecotoerisme, plattelandstoerisme en „solidair toerisme”, speciale aandacht van de autoriteiten moeten krijgen, |
|
O. |
overwegende dat toerisme leeft van de instandhouding en valorisatie van het plaatselijk natuurlijk en cultureel, materieel en immaterieel erfgoed en historische gebouwen, |
|
P. |
overwegende dat de veiligheid van toeristen en van faciliteiten voor toeristen en toeristische locaties speciale aandacht moet krijgen van de autoriteiten, |
|
Q. |
overwegende dat kwetsbare gebieden pas voor investeringen uit de toeristenindustrie opengesteld dienen te worden nadat is beoordeeld of deze gebieden bestand zijn tegen het effect van toerismegerelateerde activiteiten, |
|
R. |
overwegende dat regeringen het recht hebben om na overleg met vertegenwoordigende organisaties uit de toeristensector strenge regels op te stellen voor het bezoek van zeer populaire locaties, |
|
S. |
overwegende dat het idee om het aantal toeristen op drukbezochte kleine eilandstaten en in zeer populaire berg- of kustgebieden aan beperkingen te onderwerpen, door de desbetreffende nationale overheden moet worden geïntegreerd en geaccepteerd, |
|
T. |
overwegende dat een ongeordende en ongecoördineerde ontwikkeling van de toeristenindustrie ertoe kan leiden dat de druk op schaarse water- en energievoorraden toeneemt, dat in natuurgebieden de druk op de wilde fauna en in zee levende organismen wordt vergroot, en dat ecologisch kwetsbare gebieden worden aangetast, |
|
U. |
overwegende dat het nodig kan zijn dat de EU regeringen helpt bij het opstellen, controleren en ten uitvoer leggen van wetgeving waarmee de toegang tot en het gebruik van ecologisch kwetsbare gebieden aan banden wordt gelegd, |
|
V. |
overwegende dat het noodzakelijk is dat energiepraktijken in overeenstemming worden gebracht met het transportbeleid, teneinde het milieu te beschermen en de doelstellingen van het Kyotoprotocol te halen, dat is gericht op duurzame ontwikkeling, |
Toerisme als factor in volksgezondheid en onderwijs, met inbegrip van de sociale gevolgen van het sekstoerisme
|
W. |
overwegende dat de aantrekkelijkheid van een land mede wordt bepaald door het niveau van de volksgezondheid in dat land, |
|
X. |
overwegende dat touroperators toeristen moeten informeren over het risico van ziekte en letsel dat aan een bepaalde bestemming of activiteit is verbonden, alsook over de normen en waarden in het land van bestemming, |
|
Y. |
overwegende dat toerisme noodzakelijkerwijs gevolgen heeft voor het niveau van de volksgezondheid in een land door de invoering van regels op het gebied van hygiëne, gezondheidsmaatregelen, vaccinatiecampagnes en de verspreiding van informatie over ziektepreventie, |
|
Z. |
overwegende dat een passend fiscaal beleid voor de toeristenindustrie de overheid de nodige inkomsten kan verschaffen om zowel de lokale bevolking als toeristen van betere gezondheidsfaciliteiten te voorzien, |
|
AA. |
overwegende dat het gedrag van reizigers kan leiden tot gezondheidsproblemen onder toeristen, waardoor de lokale gezondheidsdiensten overbelast kunnen raken, |
|
AB. |
overwegende dat HIV/aids, tuberculose en malaria nu wereldwijde plagen zijn, |
|
AC. |
overwegende dat het gevaar, voor zowel toeristen als de lokale bevolking, van de verspreiding van zeer besmettelijke ziekten, zoals diarree, infecties van de luchtwegen, koortsen met onbekende oorzaak en hepatitis, in het gezondheidsbeleid van ontwikkelingslanden niet mag worden genegeerd of gebagatelliseerd, |
|
AD. |
overwegende dat staatsburgers het nodige onderwijs en de vereiste opleiding moeten krijgen om op alle niveaus in het toerisme te kunnen werken, |
|
AE. |
overwegende dat toerisme zijn weerslag heeft op het onderwijs, omdat het de lokale bevolking de mogelijkheid biedt talen te leren en toegang verschaft tot nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, waardoor zij in staat wordt gesteld haar cultureel erfgoed te bevorderen, op basis van respect voor gewoonten en tradities, terwijl zij zich tegelijkertijd meer bewust wordt van, en aanpast aan, ontwikkelingen in de maatschappij en moderne gewoonten, |
|
AF. |
overwegende dat overheden desalniettemin de wezenlijke taak hebben om toe te zien op het behoud van lokale tradities waarbij de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van vrouwen en kinderen, worden geëerbiedigd, |
|
AG. |
overwegende dat het toerisme in sommige landen in verband wordt gebracht met mensenrechtenschendingen, zoals kinderarbeid, gedwongen prostitutie en seksuele uitbuiting, |
|
AH. |
overwegende dat sekstoerisme moet worden bestreden door middel van een permanente en gezamenlijke campagne van Europese en lokale autoriteiten, in samenwerking met niet-gouvernementele organisaties, |
|
AI. |
overwegende dat alleen gecoördineerde maatregelen, het verspreiden van informatie en het instellen van sancties op basis van respect voor de internationale wetgeving, werkelijk effect kunnen sorteren, |
|
AJ. |
overwegende dat ruime publiciteit over de sancties die op sekstoerisme staan, een afschrikkend effect heeft, dat misdrijven in verband met sekstoerisme moeten worden vervolgd, en dat vervolging zowel in het land van herkomst als in het land waar de misdrijven zijn gepleegd, moet kunnen plaatsvinden, |
|
AK. |
overwegende dat het beleid en de maatregelen die op dit terrein zijn ingevoerd door touroperators, reisorganisaties en luchtvaartmaatschappijen, zoals het uitdelen van brochures of het vertonen van video's op weg naar gevoelige bestemmingen, een positief effect hebben, |
|
AL. |
overwegende dat de lidstaten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) zijn opgeroepen maatregelen te nemen ter bescherming van de armste en meest kwetsbare bevolkingsgroepen tegen „transplantatietoerisme ”en de handel in organen en weefsels, |
Toerisme als factor in armoedevermindering
|
AM. |
overwegende dat het project „Duurzaam toerisme, instrument om armoede uit te roeien ”van de Wereldorganisatie voor Toerisme (WTO) bijdraagt aan de Millenniumontwikkelingsdoelstelling om de armoede te verminderen doordat toeristische projecten worden ontwikkeld en ondersteund in de minst ontwikkelde en andere ontwikkelingslanden, initiatieven van micro-ondernemingen op het gebied van toerisme worden ondersteund, werkgelegenheid wordt gecreëerd, de markttoegang wordt vergemakkelijkt en lokale capaciteiten worden ontwikkeld ten behoeve van diegenen die van minder dan één dollar per dag moeten rondkomen, |
|
AN. |
overwegende dat toerisme niet de oplossing is voor alle problemen, maar deel dient uit te maken van een breder, nationaal groeibeleid ten behoeve van de armen, |
|
AO. |
overwegende dat toerisme in sommige landen bij toeval is ontstaan, soms als de enige mogelijkheid voor economische ontwikkeling waar de traditionele exportsector zijn positie op de wereldmarkt niet heeft kunnen handhaven, |
|
AP. |
overwegende dat het toerisme een belangrijke werkgelegenheidsmotor is; voorts overwegende dat alle maatregelen voor het creëren van werkgelegenheid moeten voldoen aan de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), |
|
AQ. |
overwegende dat de vormen van toerisme die zich bekommeren om het garanderen van een billijke bezoldiging van lokale werknemers en ondernemers extra aandacht moeten krijgen van de autoriteiten, en in het bijzonder het eerlijke toerisme, |
|
AR. |
overwegende dat toerisme arbeidsintensief is, een hoge participatiegraad van vrouwen kent en niet noodzakelijkerwijs importintensief is; voorts overwegende dat de toegangsdrempels in de toeristische sector laag zijn en dat deze allerlei soorten grote en kleine ondernemingen omvat en mogelijkheden biedt voor lagere schakels in de handelsketen van de lokale economie, waardoor kansen ontstaan voor ongeschoolde en halfgeschoolde werknemers onder de arme bevolking, |
|
AS. |
overwegende dat overheden bedrijven er via stimuleringsmaatregelen toe zouden kunnen brengen om op een wijze te investeren en te werken die ten goede komt aan de armen, door hun beleid op het gebied van licenties, concessies, toelevering en marketing aan te passen, |
Toerisme als factor van economische ontwikkeling en internationale handel
|
1. |
verzoekt bij het opstellen van het ontwikkelingsbeleid van de EU en de ACS-staten op een systematische en coherente wijze rekening te houden met de gevolgen van toerisme en de beginselen van duurzaam toerisme en goed bestuur; |
|
2. |
is van mening dat, wil het toerisme duurzaam zijn, het de levens moet verbeteren van de plaatselijke bevolking, hun milieu en gezondheid moet beschermen en de plaatselijke economie moet steunen door ter plaatse voedsel, verwerkte en ambachtelijke producten, diensten en andere hulpbronnen aan te schaffen; roept voorts de regeringen van de ontwikkelingslanden op om de plaatselijke bevolking volledig te betrekken bij de toeristische activiteiten en erop toe te zien dat de economische, maatschappelijke en culturele baten eerlijk worden verdeeld; |
|
3. |
beveelt de Commissie aan de nadruk te leggen op duurzaam toerisme in het kader van haar samenwerkings- en ontwikkelingsbeleid en in de context van haar ontwikkelingslijnen en haar pogingen tot consolidering van ondernemingsstructuren, met name binnen haar betrekkingen met de ACS-landen; betreurt het dat in de huidige Strategie voor Afrika het toerisme op geen enkele wijze ter sprake komt; vraagt derhalve, om een effectieve uitwerking van haar aanbeveling mogelijk te maken, om een uitbreiding van het aantal medewerkers van de eenheid Toerisme van DG Onderneming alsook van de diensten van de secretariaten van de Afrikaanse Unie en de ACS die zich met toerisme bezighouden, en om gebruikmaking van hun expertise bij onderwerpen die direct of indirect verband houden met toerisme; |
|
4. |
verzoekt de ACS-regeringen om het beleid te beoordelen dat bedoeld is om „planning gain”-voordelen te garanderen voor de plaatselijke gemeenschappen waar toeristische projecten worden opgezet; |
|
5. |
hamert op de noodzaak om de winsten van het toerisme te herinvesteren in de plaatselijke ontwikkeling; vraagt de touroperators hun all-inreizen te herzien omdat ze geen spin-offvoordelen hebben voor de plaatselijke gemeenschap, en spoort hen aan zoveel mogelijk gebruik te maken van plaatselijk materiaal/personeel, ook voor managementfuncties; |
|
6. |
moedigt overheden aan om de oprichting en ontwikkeling van publiek-private partnerschappen in de toeristische sector te bevorderen, alsook de oprichting te vergemakkelijken van particuliere en coöperatieve bedrijven; |
|
7. |
bepleit, waar nodig, een verhoging van het aandeel van duurzame toeristische projecten die in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) worden gefinancierd; |
|
8. |
stelt voor de kwestie van duurzaam toerisme en de economische effecten ervan mee te nemen in de lopende onderhandelingen over de economische partnerschapsovereenkomsten (APE) en de belangen van ontwikkelingslanden met betrekking tot de Europese markt positief te benaderen wanneer kwesties in verband met toerisme door deze landen ter sprake worden gebracht bij de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS); |
|
9. |
merkt op dat in veel ontwikkelingslanden de toeristische sector in essentie een activiteit van de particuliere sector is en de Gemeenschap daarom naar een manier moet zoeken om ervoor te zorgen dat belanghebbende partijen en andere sociale partners volledig worden betrokken bij alle discussies over ontwikkelingsbeleid die gevolgen hebben voor deze sector; |
|
10. |
eist dat de regeringen van de betrokken landen en de touroperators uit de EU toezien op de naleving van de regels aangaande de rechten van de mens en de rechten van werknemers overeenkomstig de fundamentele arbeidsnormen zoals vastgesteld door de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), alsmede op de bescherming van de Europese toerist-consument en de naleving van de aanbevelingen betreffende touroperators; |
|
11. |
vraagt de regeringen van ontwikkelingslanden om transparante en naar behoren gereguleerde procedures in te voeren voor het verkrijgen van toegang tot de nationale markten, welke procedures in overeenstemming dienen te zijn met de aanbevelingen van de Wereldorganisatie voor Toerisme van de VN, als noodzakelijke voorwaarde voor elke buitenlandse investering; |
Toerisme als factor in milieubescherming en instandhouding van erfgoed en cultuur
|
12. |
roept op tot het vaststellen van beleid en regelgeving gericht op duurzaam toerisme, teneinde de natuurlijke hulpbronnen, het cultureel erfgoed en het traditionele gebruik van het land te beschermen en in stand te houden; |
|
13. |
moedigt de optimalisering aan van bestaande technische en wetenschappelijke middelen om verval of vernietiging van het architectonisch erfgoed en aantasting van het milieu te voorkomen; |
|
14. |
verzoekt om bij de EU-steun voor de toeristische sector ook rekening te houden met milieuaspecten, in het bijzonder afvalbeheer en de ontwikkeling van kustgebieden; |
|
15. |
roept ertoe op alle Europese investeringen in de toeristische sector in ontwikkelingslanden aan dezelfde regels te onderwerpen als die welke van toepassing zijn op de communautaire financiële steun aan investeringen binnen de Unie zelf, zodat investeringen die duidelijk een negatief effect hebben op het milieu, op de naleving van de mensenrechten en de fundamentele arbeidsnormen van de ILO, op de leefwijze van inheemse gemeenschappen, of op het historisch of cultureel erfgoed van het betreffende land, niet worden gesteund; |
|
16. |
bepleit communautaire technische bijstand voor landen die zich onder de druk van massatoerisme gedwongen zien maatregelen te nemen voor het behoud van hun toeristische locaties; verzoekt tevens om de uitwisseling van beste praktijken op dit terrein; |
|
17. |
onderstreept dat dringend communautaire steun moet worden verleend aan landen waarvan de toeristenindustrie ernstig te lijden heeft van de gevolgen van natuurrampen; verzoekt om speciale aandacht voor de situatie van de kleine eilandstaten; |
|
18. |
moedigt lokale overheden aan om in geval van een te snelle groei van het toerisme zo nodig maatregelen te nemen om de toestroom te beperken; |
|
19. |
verzoekt in het belang van een toegankelijk, beschermd en veilig toerisme om het nemen van maatregelen ter voorkoming van misdrijven tegen toeristen, zoals het invoeren van een gespecialiseerde opleiding voor de politie; |
|
20. |
verzoekt de Commissie om bij de ondersteuning van duurzame ontwikkeling het recht van een land of regio te erkennen om zelf langs democratische weg te bepalen welke regionale samenwerkingsprojecten bij de financiering prioriteit hebben; |
|
21. |
verzoekt de regeringen van de lidstaten en de Commissie om met steun van touroperators en ervaren reisorganisaties ethische normen in de toeristenindustrie te bevorderen door het invoeren van een Europees keurmerk voor „eerlijk toerisme”; |
|
22. |
verzoekt de EU regeringen te helpen bij het opstellen, controleren en ten uitvoer leggen van wetgeving waarmee de toegang tot en het gebruik van ecologisch kwetsbare land- en zeegebieden aan banden wordt gelegd; |
Toerisme als factor in volksgezondheid en onderwijs, met inbegrip van de sociale gevolgen van het sekstoerisme
|
23. |
is van mening dat inkomsten uit duurzaam toerisme kunnen bijdragen aan een verbetering van de levensstandaard en de volksgezondheid in ontwikkelingslanden alsook van de huisvesting en de communicatie-, energie- en technologie-infrastructuur; |
|
24. |
is van mening dat een gepast fiscaal beleid voor de toeristenindustrie de overheid de nodige inkomsten kan verschaffen om zowel de lokale bevolking als toeristen van betere gezondheidsfaciliteiten en andere infrastructuur te voorzien; |
|
25. |
onderstreept dat toerisme gevolgen heeft voor het niveau van de volksgezondheid en de lokale gezondheidszorg; erkent derhalve de noodzaak om op Europees niveau onderzoek te stimuleren dat is gericht op de bestrijding van malaria, tuberculose, seksueel overdraagbare aandoeningen (waaronder hiv/aids) en veronachtzaamde ziekten; |
|
26. |
verzoekt de Commissie nogmaals om te zorgen voor financiële steun voor de vaccinatie van kinderen, waarbij met name dringend behoefte is aan combinatievaccins tegen difterie, tetanus, kinkhoest, hepatitis B en meningitis veroorzaakt door Haemophilus influenzae type b; |
|
27. |
verzoekt touroperators en reisorganisaties om hun klanten voor te lichten over het risico van ziekte en verwondingen die op bepaalde reisbestemmingen of bij bepaalde reisbestemmingen of bij bepaalde toeristische activiteiten kunnen worden opgelopen en dat zij van informatie dienen te worden voorzien over de normen en waarden van de ontvangende samenleving; |
|
28. |
vraagt de EU om steun voor de oprichting in ACS-landen van vakscholen voor toerisme, talenscholen en scholen voor nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, die zijn gericht op het opleiden van personeel voor regionale en lokale toeristische activiteiten in een ontwikkelingsland of een groep van ontwikkelingslanden met dezelfde behoeften; |
|
29. |
verzoekt de EU en haar lidstaten om ontwikkelingslanden met mogelijkheden op het gebied van toerisme hun ervaringen en knowhow ter beschikking te stellen voor het ter plaatse opleiden van personeel; verzoekt de Commissie om steun voor projecten in ontwikkelingslanden waarvoor een dergelijke knowhow is vereist; |
|
30. |
verzoekt de regeringen van de betrokken landen om jaarlijks een lijst uit te wisselen van gevallen waarin op grond van een delict gerelateerd aan sekstoerisme (door mannen of vrouwen), misdrijven tegen de menselijkheid of terrorisme, een visum is geweigerd; |
|
31. |
verzoekt, ter bestrijding van kindersekstoerisme,
|
|
32. |
doet een oproep aan touroperators, reisorganisaties en luchtvaartmaatschappijen die al iets doen tegen sekstoerisme door hun klanten bewust te maken en te informeren over het risico van strafvervolging, om hiermee door te gaan, en doet een oproep aan touroperators, reisorganisaties en luchtvaartmaatschappij die dit nog niet doen, om ermee te beginnen; vraagt touroperators om de autoriteiten te helpen bij het vaststellen van verdachte criminele activiteiten; |
|
33. |
verzoekt alle staten om ervoor te zorgen dat de ethische normen inzake transplantatie worden nageleefd door maatregelen vast te stellen waarmee een einde wordt gemaakt aan „transplantatietoerisme”; |
Toerisme als factor in armoedebestrijding
|
34. |
roept alle landen op om bovengenoemde mondiale gedragscode voor de toeristenindustrie in hun nationale wetgeving op te nemen; |
|
35. |
roept op tot het bevorderen van duurzame lokaal beheerde toeristische initiatieven gericht op het verminderen van de armoede, in stand houden van de biodiversiteit en bevorderen van de mensenrechten; |
|
36. |
verzoekt de EU en haar lidstaten financiële steun te verlenen aan een initiatief van de Wereldorganisatie voor Toerisme van de VN dat is gericht op het beëindigen van de armoede door middel van duurzaam toerisme (ST-EP: „Sustainable Tourism-Eliminating Poverty”/„Duurzaam toerisme, instrument om armoede uit te roeien”), en andere initiatieven waarmee wordt beoogd de armoede in ontwikkelingslanden te verminderen; |
|
37. |
doet de aanbeveling om bij nationale beleidsplannen en toerismebeleid de blik op de armen te richten en kansen te creëren voor lokale gemeenschappen en hun georganiseerde economische activiteiten; |
|
38. |
verzoekt de regeringen van de lidstaten erop toe te zien dat de regels die van toepassing zijn op EU-ondernemingen ook volledig worden toegepast wanneer deze ondernemingen hun activiteiten naar ontwikkelingslanden verplaatsen of daar contracten uitvoeren, waarbij er vooral op moet worden gelet dat de rechten van lokale werknemers in acht worden genomen en sprake is van een duurzame toeleveringsketen, door in hoofdzaak nationale basisproducten te gebruiken; |
|
39. |
erkent dat toerisme een belangrijke rol speelt als alternatieve inkomstenbron voor traditionele boeren in kleine landen die als gevolg van nieuwe handelsovereenkomsten hun concurrentievermogen op de wereldmarkt zijn kwijtgeraakt; |
|
40. |
benadrukt dat het toerisme een belangrijke werkgelegenheidsmotor is; onderstreept derhalve dat alle maatregelen voor het creëren van werkgelegenheid moeten voldoen aan de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO); |
|
41. |
erkent dat toerisme arbeidsintensief vooral aan vrouwen werkgelegenheid biedt en niet noodzakelijkerwijs importintensief is; dat de toegangsdrempels in de toeristische sector niet hoog zijn en dat deze allerlei soorten grote en kleine ondernemingen omvat en mogelijkheden biedt voor lagere schakels in de handelsketen van de lokale economie, waardoor werkgelegenheid ontstaan voor ongeschoolde en halfgeschoolde werknemers onder de arme bevolking; |
|
42. |
is van mening dat overheden prikkels zouden kunnen bieden voor bedrijven om op een wijze te investeren en te werken die aan de armen ten goede komt, door hun beleid op het gebied van licenties, concessies, toelevering en markering bij te stellen; |
|
43. |
verzoekt zijn covoorzitters deze resolutie te doen toekomen aan de ACS-EU-Raad, de Europese Commissie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie. |
(1) Aangenomen door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU op 23 november 2006 in Bridgetown (Barbados).
(2) PB C 265 van 20.9.2001, blz. 39.
(3) PB C 59 van 1.3.2000, blz. 41.
(4) A/RES/56/212.
RESOLUTIE (1)
over handvuurwapens en lichte wapens en duurzame ontwikkeling
De Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU,
|
— |
van 20 tot en met 23 november 2006 in Bridgetown (Barbados) bijeen, |
|
— |
gelet op artikel 17, lid 1, van haar Reglement, |
|
— |
gelet op de overeenkomst van Cotonou, in het bijzonder artikel 12 daarvan, |
|
— |
gezien de Millenniumtop, de verklaring van de Top en de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en onder verwijzing naar de resolutie van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU waarin wordt opgeroepen om gezamenlijk op te treden tegen de illegale handel in handvuurwapens, |
|
— |
gezien het actieprogramma van de Verenigde Naties ter voorkoming, bestrijding en uitroeiing van alle aspecten van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens (hierna: „het VN-Actieprogramma”), dat in juli 2001 is aangenomen, |
|
— |
gezien de eerste tweejaarlijkse vergaderingen van de VN-staten inzake de tenuitvoerlegging van het VN-Actieprogramma, die zijn gehouden in juli 2003, juli 2005 en juli 2006, |
|
— |
gezien de aanneming door de Algemene Vergadering van de VN in december 2005 van het internationaal instrument dat landen in staat stelt om op een snelle en betrouwbare wijze handvuurwapens en lichte wapens op te sporen en de herkomst ervan te bepalen (2), |
|
— |
gezien de inwerkingtreding op 6 juli 2005 van het protocol van 2001 tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie (3), |
|
— |
gelet op resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad, waarin wordt ingegaan op de gevolgen van oorlog voor vrouwen en de bijdrage van vrouwen aan conflictoplossing en duurzame vrede, |
|
— |
gezien de conclusies van de in juni 2005 in Gleneagles (Verenigd Koninkrijk) gehouden G8-top, met name de verdubbeling van hulp tegen 2010 wereldwijd 50 miljard USD extra plus 25 miljard US-dollar voor Afrika en de conclusies van de op 16 en 17 juli 2006 in Sint-Petersburg (Rusland) gehouden G8-top, |
|
— |
gezien het Statuut van Rome tot oprichting van het Internationaal Strafhof, |
|
— |
gezien de EU-Strategie voor Afrika, die op 12 oktober 2005 is aangenomen, |
|
— |
gezien de Europese consensus inzake ontwikkeling, die op 20 december 2005 is ondertekend, |
|
— |
gezien de resoluties van het Europees Parlement van respectievelijk 15 maart 2001 (4), 15 november 2001 (5), 19 juni 2003 (6) en 26 mei 2005 (7) over de bestrijding van de proliferatie en het misbruik van handvuurwapens en lichte wapens, en de resoluties van respectievelijk 17 november 2005 (8) over het zesde jaarverslag van de Raad uit hoofde van uitvoeringsbepaling nr. 8 van de Gedragscode van de Europese Unie betreffende wapenuitvoer, en 6 april 2006 (9) over de doeltreffendheid van hulp en de corruptie in ontwikkelingslanden, |
|
— |
gezien het EU-programma van 26 juni 1997 ter voorkoming en bestrijding van de illegale handel in conventionele wapens (10), Gemeenschappelijk Optreden 2002/589/GBVB van de Raad van 12 juli 2002 inzake de bijdrage van de Europese Unie aan de bestrijding van de destabiliserende accumulatie en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens (11), Gemeenschappelijk Standpunt 2003/468/GBVB van de Raad van 23 juni 2003 over het toezicht op de tussenhandel in wapens (12), en de EU-Strategie ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens en hun munitie, die door de Europese Raad van 15-16 december 2005 is aangenomen (13), |
|
— |
gezien de conclusies die de Raad tijdens zijn bijeenkomst van 3 oktober 2005 heeft aangenomen, waarin uitdrukking wordt gegeven aan de steun van de EU voor een internationaal wapenhandelsverdrag in het kader van de VN waarmee verbindende gemeenschappelijke normen voor de mondiale handel in conventionele wapens zouden worden vastgesteld (14), |
|
— |
gezien de Europese veiligheidsstrategie die op 12 december 2003 door de Europese Raad van Brussel is goedgekeurd, |
|
— |
gezien de Verklaring van Bamako betreffende een gemeenschappelijke standpunt van de Afrikaanse landen inzake de proliferatie en illegale verspreiding van en handel in handvuurwapens en lichte wapens, die tijdens de ministeriële vergadering van de OAE van 30 november en 1 december 2000 in Bamako (Mali) is aangenomen, |
|
— |
gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Afrikaanse landen inzake de toetsingsconferentie betreffende het VN-Actieprogramma, dat is aangenomen tijdens de tweede door de Afrikaanse Unie georganiseerde continentale conferentie van Afrikaanse regeringsdeskundigen en regionale economische gemeenschappen over de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens, gehouden te Windhoek (Namibië) van 14 t/m 16 december 2005, en gezien besluit nr. Ex.CL/DE.255 (viii) van de Afrikaanse Unie, dat in januari 2006 te Khartoum (Sudan) is aangenomen, |
|
— |
gezien het protocol van de Zuid-Afrikaanse gemeenschap voor ontwikkeling inzake vuurwapens, munitie en gerelateerde materialen, dat in 2001 is aangenomen en in juli 2005 van kracht is geworden, |
|
— |
gezien de Afrikaanse gouvernementele conferentie inzake de tenuitvoerlegging van het VN-Actieprogramma, getiteld „Behoeften en partnerschappen”, die in maart 2002 in Pretoria is gehouden, |
|
— |
gezien de Verklaring van Nairobi en het gecoördineerde actieplan van 2000 (waaronder begrepen de drie toetsingsconferenties op ministerieel niveau, respectievelijk in 2002, 2004 en 2005) en het Protocol van Nairobi van 2004 inzake de preventie, controle en vermindering van handvuurwapens en lichte wapens in het Grotemerengebied en de Hoorn van Afrika, dat op 5 mei 2006 in werking is getreden, |
|
— |
gezien het moratorium van 1998 van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) op de invoer, uitvoer en vervaardiging van handvuurwapens en lichte wapens in West-Afrika en de daaropvolgende verlengingen, |
|
— |
gezien het Inter-Amerikaans Verdrag van 1998 tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, munitie, explosieven en gerelateerde materialen, |
|
— |
onder verwijzing naar haar resolutie over de betekenis van regionale integratie voor het bevorderen van vrede en veiligheid, die op 22 juni 2006 in Wenen is aangenomen (15), |
|
— |
gezien resolutie A/RES/60/68 van de Algemene Vergadering betreffende het aanpakken van de negatieve gevolgen, uit humanitair en ontwikkelingsoogpunt, van de illegale vervaardiging, overdracht en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens en van de excessieve accumulatie daarvan, |
|
— |
gezien de petitie „Een miljoen gezichten”, een verzoekschrift voor een internationaal wapenhandelsverdrag dat wereldwijd door meer dan een miljoen mensen en 250 NGO's wordt ondersteund, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie politieke zaken, |
|
A. |
verheugd over de groeiende internationale steun voor een juridisch bindend internationaal wapenhandelsverdrag waarmee een verbod komt op overdrachten van wapens die mogelijk de mensenrechten en het internationaal humanitair recht ondergraven, de stabiliteit van landen of regio's in gevaar brengen of waarschijnlijk bijdragen aan het ontstaan of escaleren van een gewapend conflict, waaraan meer dan vijftig landen officieel hun steun hebben toegezegd, |
|
B. |
ingenomen met de algemene beginselen inzake wapenoverdrachten die door NGO's en juristen is ontwikkeld, die aangeven wat de verplichtingen van staten zijn met betrekking tot internationale overdrachten van wapens en munitie, |
|
C. |
eraan herinnerend dat onder de herziene Overeenkomst van Cotonou bij ernstige gevallen van corruptie overeenkomstig het bepaalde in artikel 96 en 97 van de partnerschapsovereenkomst in overleg kan worden getreden, en dat dit overleg in bijzondere gevallen aanleiding kan geven voor het nemen van speciale maatregelen, |
|
D. |
vastberaden om alle aspecten van het menselijk lijden te verminderen dat wordt veroorzaakt door de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens, rekening houdend met het feit dat tot de maatregelen die na afloop van conflicten en ten behoeve van vredesopbouw worden getroffen, ook nationale maatregelen voor het reguleren van handvuurwapens en lichte wapens moeten behoren, er verder aan herinnerend dat veiligheid of duurzame ontwikkeling zonder vrede niet mogelijk is, |
|
E. |
overwegende dat elk jaar naar schatting een half miljoen mensen door handvuurwapens wordt gedood, |
|
F. |
ingenomen met de verspreiding op 24 juli 2006 van de ontwerpresolutie van de VN getiteld „Doeltreffende controle op de invoer, uitvoer en overdracht van conventionele wapens”, waarin wordt opgeroepen tot de oprichting van een werkgroep van regeringsdeskundigen die uiterlijk in 2008 een onderzoek moet starten naar de haalbaarheid, het toepassingsgebied en de contouren van een alomvattend, juridisch bindend, instrument waarmee gemeenschappelijke internationale normen voor de invoer, uitvoer en overdracht van conventionele wapens worden vastgesteld, |
|
G. |
gezien de VN-toetsingsconferentie betreffende het VN-Actieprogramma, die tussen 26 juni en 7 juli 2006 werd gehouden (hierna: „Toetsingsconferentie inzake handvuurwapens”) en de noodzaak van een succesvolle follow-up van die conferentie, ondanks het feit dat geen overeenstemming werd bereikt over maatregelen om het Actieprogramma te versterken, |
|
H. |
erop wijzend dat in bovengenoemde ontwerpresolutie, die in oktober 2006 bij de Eerste Commissie van de Algemene Vergadering van de VN zal worden ingediend, staten op hun verplichtingen ten aanzien van het bevorderen en beschermen van de mensenrechten moeten worden gewezen, omdat bij niet-naleving van die verplichtingen het daaropvolgende wapenhandelsverdrag niet zal kunnen voorkomen dat aan de meest ernstige overtreders wapens worden geleverd, |
|
I. |
opnieuw zijn bezorgdheid kenbaar makend over de voortdurende illegale verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens, die de werkelijke massavernietigingswapens van de derde wereld zijn, onnodig menselijk lijden veroorzaken, gewapende conflicten verergeren en de instabiliteit vergroten, terrorisme bevorderen, duurzame ontwikkeling en de rechtsstaat ondergraven, en bijdragen aan ernstige schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht, |
|
J. |
ingenomen met de ontwerpresolutie van 24 juli 2006 die Argentinië, Australië, Costa Rica, Finland, Japan, Kenia en het Verenigd Koninkrijk hebben ingediend bij de Eerste Commissie van de Algemene Vergadering van de VN, waarin wordt verzocht om de oprichting van een groep van deskundigen voor het opstellen van een rapport over een juridisch bindend instrument waarmee gemeenschappelijke internationale normen voor de invoer, uitvoer en overdracht van conventionele wapens worden vastgesteld, met het dringende verzoek aan de commissie om het mandaat van de groep van deskundigen te versterken door ook expliciet te verwijzen naar mensenrechtenwetgeving, het tijdschema aan te halen en de dubbelzinnige formulering over een onderzoek naar de „haalbaarheid ”te vervangen door expliciete steun voor een bindend wapenhandelsverdrag, |
|
K. |
eraan herinnerend dat de landen van de G8 samen verantwoordelijk zijn voor ongeveer 85 % van de wapenhandel in de wereld en dat volgens een rapport dat op 29 augustus 2005 aan het Amerikaans Congres werd voorgelegd, overeenkomsten inzake de overdracht van conventionele wapens aan ontwikkelingslanden een waarde vertegenwoordigen van 62,7 % van de totale waarde van alle internationale overeenkomsten inzake wapenoverdrachten die tussen 1997 en 2004 zijn gesloten, en dat in 2004 wapenleveranties aan ontwikkelingslanden een waarde vertegenwoordigden van 64,6 % van de totale waarde van alle internationale wapenleveranties in de wereld, |
|
L. |
eraan herinnerend dat de landen van de G8 samen ieder jaar ongeveer 63 miljard EUR uitgeven aan ontwikkelingshulp en dat de EU en de Europese landen zelf goed zijn voor meer dan de helft van de totale officiële ontwikkelingshulp, |
|
M. |
stellend dat de uitvoer van handvuurwapens en lichte wapens door de ontwikkelde landen, alsook tussen ontwikkelde landen onderling, conflicten kan aanwakkeren en derhalve haaks staat op het beleid inzake ontwikkeling en technische bijstand van diezelfde landen, |
|
N. |
aangemoedigd door de steun die de staatshoofden en regeringsleiders op de Wereldtop van 2005 hebben uitgesproken voor de uitvoering van het VN-Actieprogramma en door hun erkenning van de negatieve gevolgen van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens voor ontwikkeling, vrede, veiligheid en mensenrechten, |
|
O. |
overwegende dat aandacht moet worden geschonken aan het verband tussen, enerzijds, de legale en illegale vervaardiging, overdracht en verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens en, anderzijds, corruptiepraktijken in zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden, |
|
P. |
vastberaden om het VN-Actieprogramma te versterken en regeringen te bewegen akkoord te gaan met het vaststellen van bindende voorschriften voor de controle op handvuurwapens en lichte wapens (waaronder begrepen de tussenhandel in en de overdrachten van deze wapens) via internationale, regionale en nationale wetgeving, |
|
Q. |
overtuigd dat de tijd rijp is voor internationale en regionale gemeenschappen om de proliferatie en het misbruik van handvuurwapens en lichte wapens aan te pakken door het vaststellen van bindende internationale regels die volledig in overeenstemming zijn met het internationaal recht, waaronder de mensenrechten en het internationaal humanitair recht, |
|
R. |
bezorgd over de uitsluiting van munitie en explosieven van het toepassingsgebied van het internationaal instrument dat landen in staat stelt om op een snelle en betrouwbare wijze handvuurwapens en lichte wapens op te sporen en de herkomst ervan te bepalen, alsook over het niet-bindende karakter van dit instrument, |
|
S. |
teleurgesteld dat de uitgebreide raadplegingen van de VN over de bestrijding van de illegale tussenhandel in handvuurwapens en lichte wapens zo traag verlopen en dat men zich niet wenst te verbinden tot het voeren van onderhandelingen over een juridisch bindend internationaal instrument inzake de tussenhandel in wapens, |
|
T. |
benadrukkend dat het VN-Actieprogramma van staten verlangt dat ze aanvragen voor exportvergunningen beoordelen volgens strenge nationale regelgeving en procedures die van toepassing zijn op alle handvuurwapens en lichte wapens en in overeenstemming met de bestaande verplichtingen van staten en het toepasselijke internationaal recht, waarbij met name moet worden gekeken of het risico bestaat dat de wapens in de illegale handel terechtkomen, |
|
U. |
verheugd met de lopende campagnes van organisaties in het maatschappelijk middenveld, in het bijzonder die waarbij wordt gelobbyd voor een wapenhandelsverdrag, die de Vergadering steunt, |
|
V. |
bevestigend dat de vermindering van de beschikbaarheid van, het aanbod van, en de vraag naar handvuurwapens en lichte wapens van essentieel belang zijn voor het welzijn van alle staten en hun burgers en dat dit over het algemeen gerealiseerd kan worden door middel van acties/initiatieven op nationaal, regionaal, continentaal en internationaal niveau, maar toch in het bijzonder door
|
|
W. |
verheugd met de EU-Strategie ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens en hun munitie, en de noodzaak bevestigend dat het optreden van de EU op het gebied van handvuurwapens en lichte wapens ook buiten haar grondgebied op een samenhangend, overkoepelend concept berust waarbij rekening wordt gehouden met de behoefte aan langdurige duurzame ontwikkeling, alsook met de noodzaak van internationale gouvernementele samenwerking binnen internationale organisaties en van het naleven van de verplichtingen die uit het internationaal recht voortvloeien, |
|
X. |
de lidstaten van de EU uitnodigend om prioriteit te geven aan strategieën en projecten voor de controle op en uitroeiing van handvuurwapens en lichte wapens, waaronder projecten waarbij samen met de lokale gemeenschappen en de overlevenden van wapengeweld, als volwaardige partners, de ontwapening, demobilisatie, repatriëring, rehabilitatie en re-integratie van oud-strijders ter hand wordt genomen, alsook om te zorgen voor voldoende financiële middelen uit hoofde van het 10e EOF voor dergelijke projecten, |
|
Y. |
overwegende dat de EU-lidstaten met een helder, efficiënt en geharmoniseerd gemeenschappelijk beleid inzake de controle op wapenexporten, verankerd in een juridisch bindende gedragscode betreffende wapenexporten, een essentiële bijdrage zouden leveren aan duurzame ontwikkeling in de ACS-staten, |
|
Z. |
er nogmaals op hamerend dat de preventie, bestrijding en uitroeiing van alle aspecten van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens een onmisbaar onderdeel is van het ondersteunen van de preventie en oplossing van conflicten en de duurzame wederopbouw na conflicten, alsook van het bevorderen van duurzame vrede en veiligheid en misdaadpreventie, en dat op die manier wordt bijgedragen aan het creëren van de voorwaarden voor duurzame menselijke en sociaal-economische ontwikkeling, |
|
AA. |
gelet op de speciale behoeften van overlevenden van wapengeweld, met name wat gezondheid, economische situatie en rehabilitatie betreft, alsook de specifieke behoeften van vrouwen, mannen, meisjes, jongens, ouderen en vluchtelingen, |
|
AB. |
haar grote bezorgdheid uitsprekend over de verwoestende gevolgen van handvuurwapens en lichte wapens voor kinderen, waarvan velen het slachtoffer zijn van een gewapend conflict of onder dwang kindsoldaat worden of anderszins betrokken raken bij georganiseerd wapengeweld, en verwijzend naar de bijzondere vergaderingen van de Algemene Vergadering van de VN over de problematiek van kinderen, alsook op de resoluties 1379, 1460, 1539 en 1612 van de VN-Veiligheidsraad, die bijdragen aan een veelomvattend kader voor de bescherming van kinderen in gewapende conflicten, |
|
AC. |
eraan herinnerend dat de kosten van militaire uitgaven en schulden volgens het „Human Development Report ”van 2003 van het UNDP, twee van de belangrijkste hinderpalen vormen voor het bereiken van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, en dat exportkredietinstellingen een belangrijke rol spelen bij de stijging van de militaire uitgaven en de schulden van ontwikkelingslanden, |
|
1. |
roept de staten op om een algemeen pakket van beginselen inzake wapenoverdrachten vast te stellen, die op zijn minst moeten garanderen dat
|
|
2. |
dringt er bij de internationale gemeenschap op aan om onverwijld in het kader van de VN onderhandelingen te beginnen over een internationaal wapenhandelsverdrag, met als doel het vaststellen van een juridisch bindend instrument ingevolge waarvan in alle producerende landen minder handvuurwapens en lichte wapens vervaardigd moeten worden en waarin wapenoverdrachten worden geregeld volgens de algemene beginselen die hierboven, onder punt 1, worden genoemd; |
|
3. |
benadrukt dat bestaande verplichtingen die voortvloeien uit internationaal recht met betrekking tot wapenoverdrachten, in het bijzonder wanneer dit mensenrechten en humanitair recht betreft, moeten worden gecodificeerd; |
|
4. |
verzoekt alle partijen die het VN-Vuurwapenprotocol hebben ondertekend, dit protocol te ratificeren en onmiddellijk in de nationale wetgeving op te nemen; |
|
5. |
verzoekt met nadruk de staten die partij zijn bij het VN-Actieprogramma, het Vuurwapenprotocol en andere vergelijkbare internationale en regionale instrumenten en initiatieven, om programma's te ontwikkelen voor het geven van technische bijstand aan derde staten of regionale organisaties die de wapenhandel via wetgeving willen reguleren; |
|
6. |
verzoekt met nadruk de staten die partij zijn bij het VN-Actieprogramma en andere toepasselijke internationale instrumenten om ten behoeve van toetsingsconferenties of -processen een enkel mechanisme van verslaglegging vast te stellen, dat zou moeten worden ontwikkeld en gecoördineerd door de Afdeling Ontwapening van de VN (UNDDA) in overleg met de staten die partij zijn; |
Op regionaal niveau
|
7. |
verzoekt om de oprichting of benoeming, naargelang van toepassing, van een contactpunt/contactpersoon in subregionale en regionale organisaties, dat/die moet fungeren als verbindingsorgaan/verbindingspersoon bij kwesties in verband met de tenuitvoerlegging van het VN-Actieprogramma; |
|
8. |
spoort aan tot onderhandelingen om te komen tot juridisch bindende instrumenten gericht op het voorkómen, bestrijden en uitroeien van alle aspecten van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens, en verzoekt de staten deze vervolgens te ratificeren en in hun geheel toe te passen; |
Op nationaal niveau
|
9. |
dringt er bij de staten op aan om schendingen van wapenembargo's (met inbegrip van financiële of logistieke steun) in hun nationale wetgeving als een misdrijf te kwalificeren; |
|
10. |
dringt er bij alle staten op aan om bij de strijdkrachten en wetshandhavingsdiensten en in het strafrechtsysteem verbeteringen aan te brengen met betrekking tot werking, transparantie en verantwoordingsplicht jegens democratisch gekozen instellingen, teneinde op die manier bij te dragen aan een veilige leefomgeving waarin burgers het niet meer nodig vinden om zich te bewapenen; |
|
11. |
beveelt aan dat nationale wetgeving wordt ingevoerd die de overzeese acties van particuliere militaire en veiligheidsdiensten regelt en dat actief wordt toegezien op de handhaving hiervan, en dat dergelijke wetgeving bij ontstentenis alsnog wordt ontwikkeld en ingevoerd, teneinde de regelgeving en verantwoordingsplicht binnen deze steeds groter wordende veiligheidssector te verbeteren; |
|
12. |
dringt er bij alle staten op aan om in hun nationale wetgeving de Gedragscode voor wetshandhavers op te nemen (16) en de Grondbeginselen inzake het gebruik van geweld en vuurwapens door wetshandhavers (17); |
|
13. |
raadt de regeringen ten zeerste aan het bezit en gebruik van alle automatische en halfautomatische geweren en mitrailleurs te verbieden; |
|
14. |
dringt er bij de staten op aan om nationale wetgeving te ontwikkelen die voorziet in antecedentenonderzoek en vergunningverlening bij de aanschaf van handvuurwapens en lichte wapens en automatische en halfautomatische mitrailleurs, en om te verhinderen dat personen die eerder zijn veroordeeld voor een geweldsdelict, in het bijzonder huiselijk geweld, of zijn veroordeeld voor wapenhandel of overtreding van wapenwetgeving, een wapen kunnen aanschaffen; |
|
15. |
onderstreept dat ervoor moet worden gezorgd dat nationale initiatieven duurzaam zijn, onder meer door het ontwikkelen van behoeften- en middelenanalyses, het bevorderen van relevante partnerschappen met de burgermaatschappij, en te aanvaarden dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de uitvoering van acties bij de staten ligt; |
|
16. |
roept alle actoren op de bestaande nationale contactpunten/coördinerende diensten en hun banden met internationale en bilaterale donors te versterken; |
|
17. |
beschouwt, overeenkomstig de aanbevelingen van de Verklaring van Bamako en het VN-Actieprogramma, als prioriteiten:
|
|
18. |
dringt er bij alle staten op aan het VN-Actieprogramma uit te voeren, voor zover ze dat nog niet doen; |
|
19. |
dringt er bij alle staten op aan het beheer van de wapenvoorraden aan regelgeving te onderwerpen en maatregelen te nemen ter voorkoming van diefstal of verdwijning; |
|
20. |
doet een dringende oproep aan alle staten, in het bijzonder de ACS-staten en de EU-lidstaten, om informatie uit te wisselen over de tussenhandel in wapens; |
|
21. |
doet een dringende oproep aan alle staten om zo snel mogelijk de noodzakelijke wetgeving en andere maatregelen vast te stellen waardoor de illegale vervaardiging van, de illegale handel in en het illegale bezit en gebruik van handvuurwapens en lichte wapens, munitie en gerelateerd materiaal, volgens het nationaal recht strafbaar zijn; |
|
22. |
dringt er bij alle staten op aan zich opnieuw te verbinden tot het beschermen van kinderen voor de gevolgen van de proliferatie en het misbruik van handvuurwapens en lichte wapens, alsook voor uitbuiting als kindsoldaat in oorlogstijd; |
|
23. |
dringt er bij alle staten op aan hun verantwoordelijkheid te nemen met betrekking tot het bepaalde in resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad, door een einde te maken aan de straffeloosheid en personen die zich schuldig hebben gemaakt aan genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven, waaronder begrepen seksueel geweld tegen vrouwen en meisjes, te vervolgen, en benadrukt in dit verband dat deze misdrijven, voor zover mogelijk, van amnestiebepalingen moeten worden uitgesloten; |
|
24. |
dringt er bij alle staten op aan om bij de aanpak van alle aspecten van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens ook rekening te houden met gendervraagstukken en de specifieke behoeften van vrouwen, teneinde het VN-Actieprogramma en resolutie 1325 (2000) van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, effectief uit te voeren; |
Slotoverwegingen en prioritaire acties
|
25. |
bevestigt haar vastberadenheid tot het uitvoeren en uitbreiden van het VN-Actieprogramma, waarvan de integriteit bewaard moet worden en dat geen onderwerp van onderhandeling mag zijn; |
|
26. |
doet de aanbeveling dat ondanks het teleurstellende resultaat van de toetsingsconferentie inzake het VN-Actieprogramma toch jaarlijks een voortgangsrapport wordt gepubliceerd over de uitvoering van het programma; |
|
27. |
doet de aanbeveling dat na de toetsingsconferentie inzake het VN-Actieprogramma, de belanghebbende staten in 2006 algemene beginselen voor wapenoverdrachten ontwikkelen en/of dat dit een parallel en aanvullend proces wordt binnen het systeem van de VN dat moet leiden tot een internationaal instrument, waarbij de Vergadering erkent dat dit proces zal plaatshebben buiten de parameters van het VN-Actieprogramma en parallel daaraan; |
|
28. |
is verheugd dat de Ontwapeningscommissie van de Algemene Vergadering van de VN op 26 oktober 2006 een resolutie heeft aangenomen gericht op het vaststellen van een alomvattend, juridisch bindend instrument waarmee internationale normen voor de handel in conventionele wapens worden vastgesteld, en verzoekt de ACS-staten en EU-lidstaten deze resolutie in de Algemene Vergadering te steunen; |
|
29. |
betreurt ten zeerste dat bij de VN-toetsingsconferentie van juli 2006 geen overeenstemming is bereikt over een gemeenschappelijk standpunt, en met name dat men het niet eens kon worden over de beginselen van een toekomstig wapenhandelsverdrag en geen follow-upmechanisme werd ingesteld; |
|
30. |
verzoekt multilaterale en regionale financiële instellingen in voorkomend geval maatregelen te treffen voor het vaststellen van programma's betreffende handvuurwapens en lichte wapens in het kader van wederopbouw- en herstelinspanningen in postconflictgebieden en bij de consolidatie van bestuurskwesties, de versterking van wetgeving en het vergroten van de operationele capaciteit van wetshandhavingsdiensten met betrekking tot handvuurwapens en lichte wapens; |
|
31. |
vraagt deze financiële instellingen tevens om het bevorderen van programma's voor sociaal-economische ontwikkeling, waarbij het publiek bewust wordt gemaakt van de problemen en gevolgen van alle aspecten van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens; |
|
32. |
moedigt, in voorkomend geval, regionale steun aan voor nationale ontwapenings-, demobilisatie- en re-integratieprogramma's, met name in postconflictsituaties en in het bijzonder wanneer het de invoering, naleving, tenuitvoerlegging of versterking van relevante wet- en regelgeving en bestuursprocedures betreft; |
|
33. |
vraagt de regio's om het bevorderen van een efficiënt beheer en een doeltreffende beveiliging van wapenvoorraden, met name via maatregelen voor fysieke beveiliging; |
|
34. |
moedigt de regio's aan om, in voorkomend geval en op vrijwillige basis, maatregelen te ontwikkelen om de transparantie te vergroten, om zo bij te dragen aan het voorkómen, bestrijden en uitroeien van alle aspecten van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens; |
|
35. |
doet een dringende oproep aan alle EU-lidstaten en ACS-staten en aan de relevante internationale en regionale organisaties die daartoe in staat zijn, om ernstig te overwegen bijstand te verlenen, waaronder begrepen technische en financiële bijstand, voor de uitvoering van de maatregelen die in het VN-Actieprogramma zijn vervat; |
|
36. |
doet een dringende oproep aan alle staten en internationale en regionale organisaties om zowel op regerings- als parlementair niveau met elkaar samen te werken en samenwerkingsverbanden te ontwikkelen en versterken voor het delen van middelen en het uitwisselen van informatie over alle aspecten van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens; |
|
37. |
doet een dringende oproep aan alle EU-lidstaten en ACS-staten en aan internationale en regionale organisaties om ter bevordering van de uitvoering van het VN-Actieprogramma dringend te overwegen om de betrokken staten op verzoek bijstand te verlenen bij capaciteitsopbouw op terreinen als de ontwikkeling van passende wet- en regelgeving, wetshandhaving, opsporing en markering, beheer en beveiliging van wapenvoorraden, en de vernietiging van handvuurwapens en lichte wapens, alsmede bij de verzameling en uitwisseling van informatie, waarbij benadrukt wordt dat elk van de lidstaten ervoor verantwoordelijk is dat de nationale initiatieven die worden ondernomen om gevolg te geven aan de verbintenissen die in het kader van het VN-Actieprogramma zijn aangegaan, duurzaam zijn; |
|
38. |
roept alle staten op een openbare databank op te richten met door de lidstaten en internationale, regionale en andere relevante organisaties op vrijwillige basis verstrekte informatie over de behoeften van de getroffen landen, de lessen die uit de uitvoering van het VN-Actieprogramma zijn getrokken, en elke andere informatie die ertoe kan bijdragen dat acties beter worden gecoördineerd en middelen beter aansluiten bij behoeften; |
|
39. |
herinnert aan de richtsnoeren van de OESO-Commissie voor Ontwikkelingshulp en andere stappen die de ontwikkelingspartners hebben genomen om het gebruik van officiële ontwikkelingshulp (ODA) bij de uitvoering van het VN-Actieprogramma mogelijk te maken; spoort alle staten, diensten en instellingen aan voluit van deze ontwikkeling te profiteren; vraagt om deze richtsnoeren verder te herzien om het gebruik van ODA ter ondersteuning van de uitvoering van het VN-Actieprogramma te bevorderen en de negatieve gevolgen van de proliferatie en het misbruik van handvuurwapens en lichte wapens te bestrijden; |
|
40. |
roept het VN-secretariaat op leiderschap te tonen en de uitvoering van het VN-Actieprogramma te coördineren; |
|
41. |
verzoekt de Raad ACS-EU zich ertoe te verbinden de samenwerking tussen de EU en de ACS bij de uitvoering van het VN-Actieprogramma te versterken en om de twee jaar regionale conferenties over „behoeften en partnerschappen ”te organiseren, waarbij in elke regio de uitvoering van het programma wordt geëvalueerd, vergelijkbaar met de „African Needs and Partnerships Conference ”van 2002; |
|
42. |
verzoekt om kwesties met betrekking tot handvuurwapens en lichte wapens in de relevante processen en documenten van de EU en de ACS te integreren, met name in alle beleidsplannen en acties met betrekking tot vrede en veiligheid van de respectieve regionale en nationale organen, aangezien dit voor de hervorming van de veiligheidssector en het ontwapenings-, demobilisatie en re-integratieproces noodzakelijk is; |
|
43. |
verzoekt om prioriteit te geven aan parlementaire acties en parlementair werk met betrekking tot goed bestuur, omdat een strategie voor het aanpakken van handvuurwapens en lichte wapens en regionale conflicten zonder goed bestuur zal falen; |
|
44. |
verzoekt de EU-lidstaten en de ACS-staten, de delegaties van de Commissie, en de fungerende voorzitterschappen van respectievelijk de Europese en de Afrikaanse Unie, om de beginselen en aanbevelingen zoals die in deze resolutie zijn neergelegd, te verdedigen; |
|
45. |
verzoekt de Commissie en de Raad in dit verband dringend een einde te maken aan hun rechtszaak over de bevoegdheidsvraag met betrekking tot programma's inzake lichte wapens, en indien zij er samen niet uit kunnen komen het Parlement te verzoeken om te bemiddelen en een bindende uitspraak te geven; |
|
46. |
verzoekt de lidstaten de verbintenissen na te komen die ze bij het gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 2003 over het toezicht op de tussenhandel in wapens zijn aangegaan; verzoekt tevens om de tweejaarlijkse herziening van de Strategie te publiceren en een lijst op te nemen van de lidstaten die hun verbintenissen op dit terrein niet zijn nagekomen; |
|
47. |
roept op om de gedragscode van de Europese Unie betreffende wapenuitvoer van 1998 juridisch bindend te maken; verzoekt de EU haar ACS-partners te informeren over de jaarlijkse verslagen over de gedragscode, alsook over de vooruitgang die is gemaakt met de invoering ervan; |
|
48. |
verzoekt de Raad en de Commissie in het bijzonder om het mogelijk te maken om uit hoofde van de verordeningen tot vaststelling van respectievelijk het instrument voor pretoetredingssteun, het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument en het instrument voor ontwikkelingssamenwerking, voldoende middelen uit te trekken voor het uitvoeren van acties betreffende handvuurwapens en lichte wapens; |
|
49. |
doet een oproep aan de EU-lidstaten om onderzoek te doen naar de uiterst problematische gevolgen van de kredieten die door hun exportkredietinstellingen worden verleend ten behoeve van vrede, veiligheid en ontwikkeling in derde landen en verzoekt alle lidstaten gedetailleerde informatie bekend te maken over kredieten voor wapenexporten, die thans worden geraamd op ongeveer 20 %, en in enkele lidstaten zelfs 50 % of meer, van alle exportkredieten; vraagt de lidstaten in het bijzonder zich ertoe te verbinden om voortaan af te zien van het verlenen van kredieten voor wapenexporten; |
|
50. |
verzoekt haar covoorzitters deze resolutie te doen toekomen aan de ACS-EU Raad, de Europese Commissie, de parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, het Parlementair Forum inzake handvuurwapens en lichte wapens, de Vergadering van de Interparlementaire Unie, het Amerikaans Congres en het pan-Afrikaans parlement. |
(1) Aangenomen door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU op 23 november 2006 in Bridgetown (Barbados).
(2) Besluit A/60/463 (L.55) van 8 december 2005.
(3) Dit protocol, dat bekend staat als het „Vuurwapenprotocol van de VN”, is in mei 2001 door de Algemene Vergadering aangenomen bij resolutie 55/255.
(4) PB C 343, 5.12.2001, blz. 311.
(5) PB C 140 E, 13.6.2002, blz. 587.
(6) PB C 69 E, 19.3.2004, blz. 136.
(7) PB C 117E, 18.5.2006, blz. 230.
(8) PB C 280E, 18.11.2006, blz. 443.
(9) PB C 293E, 2.12.2006, blz. 316.
(10) Aangenomen door de Raad op 26 juni 1997.
(11) PB L 191, 19.7.2002, blz. 1.
(12) PB L 156, 25.6.2003, blz. 79.
(13) Raad van de Europese Unie, 5319/06, 13 januari 2006.
(14) Raad van de Europese Unie, zitting 2678 te Luxemburg op 3 oktober 2005.
(16) Gedragscode voor wetshandhavers, door de Algemene Vergadering aangenomen bij resolutie 34/169 van 17 december 1979.
(17) Grondbeginselen inzake het gebruik van geweld en vuurwapens door wetshandhavers, aangenomen tijdens het achtste congres van de Verenigde Naties inzake de voorkoming van misdaad en de behandeling van misdadigers, dat van 27 augustus tot 7 september 1990 in Havana (Cuba) werd gehouden.
RESOLUTIE (1)
inzake water in ontwikkelingslanden
De Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU,
|
— |
van 20 tot 23 november in Bridgetown (Barbados) bijeen, |
|
— |
gelet op de artikelen 177, 178, 179, 180, 181 en 181 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, |
|
— |
gelet op de Partnerschapsovereenkomst ACS-EU, ondertekend te Cotonou (Benin) op 23 juni 2000, en in het bijzonder op artikel 32, waarin de noodzaak wordt erkend om het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen van de ACS-staten te ontwikkelen, |
|
— |
gezien de resultaten van het Vierde Wereld Water Forum dat van 16 tot 22 maart 2006 in Mexico gehouden is, |
|
— |
gezien de Agenda 21 die in 1992 in Rio de Janeiro is vastgesteld op de conferentie van de VN over milieu en ontwikkeling en vooral gezien paragraaf 18 daarvan, |
|
— |
gezien de Milleniumverklaring en de Millenium Ontwikkelingsdoelen van het Millenniumproject (MOD) en het eindrapport over water en sanitaire voorzieningen (2005) van de Millennium Project Task Force Water en afvalwaterzuivering van de VN, getiteld „Health, dignity and development: what will it take? ”(„Gezondheid, waardigheid en ontwikkeling: hoe er te komen?”), |
|
— |
gezien de politieke verklaring aangenomen tijdens de Wereldtop over duurzame ontwikkeling in Johannesburg van 26 augustus tot 4 september 2002, waarin prioriteitsonderwerpen in vijf kerndomeinen zijn vastgesteld om de totstandkoming van de Millenium Ontwikkelingsdoelen van de VN te waarborgen: water en sanitaire voorzieningen, energie, gezondheid, landbouw en biodiversiteit, |
|
— |
gezien de Wereldtop voor sociale ontwikkeling te Kopenhagen (1995) en de door deze top opgestelde verklaring over watervoorziening en sanitaire voorzieningen in het kader van armoedebestrijding, |
|
— |
gezien de Internationale Zoetwaterconferentie te Bonn (2001), |
|
— |
gezien de te Mar del Plata gehouden Waterconferentie van de VN en haar actieplan over de waardering en het gebruik van waterbronnen (1977), |
|
— |
gezien de internationale overlegronde te New Delhi (1990) over veilige watervoorziening en de verwezenlijking van adequate middelen voor afvalverwijdering, |
|
— |
gezien het kaderdocument aangenomen tijdens de 37e top van de Organisatie voor Afrikaanse Eenheid (OAE) waarin wordt verklaard dat het 9e van de 10 doelen van het Nieuw Partnerschap voor de ontwikkeling van Afrika (NEPAD) als volgt luidt: „infrastructuur opbouwen en verbeteren, ook in de domeinen Informatie- en Communicatietechnologie (ICT), energie, transport, water, sanitaire voorzieningen”, |
|
— |
onder verwijzing naar de resolutie van het Europese Parlement van 4 september 2003 over waterbeheersing in ontwikkelingslanden en prioriteiten voor ontwikkelingssamenwerking van de EU (P5_TA(2003)0377), |
|
— |
gezien het Waterinitiatief van de EU (EUWI) dat ter gelegenheid van de Wereldtop over duurzame ontwikkeling in 2002 in Johannesburg (WSSD) is gelanceerd, |
|
— |
gezien de in 2004 opgerichte ACS-EU-waterfaciliteit, |
|
— |
gezien het verslag over waterfinanciering gepresenteerd tijdens het Derde Wereld Water Forum te Kyoto in maart 2003, |
|
— |
gezien het wereldrapport „Water, a shared responsibility”(„Water, een gedeelde verantwoordelijkheid”) van de VN over de waardering van waterbronnen, gepresenteerd op 9 maart 2006, |
|
— |
gezien het verslag van de Commissie van sociale zaken en milieu over water in ontwikkelingslanden (ACS/EU 3916/06/def.), |
|
A. |
overwegende dat 1,1 miljard mensen geen veilig drinkwater hebben en 2,6 miljard niet over adequate sanitaire voorzieningen beschikken (WHO/UNICEF Joint Monitoring Programme (JMP) 2004) (2), |
|
B. |
overwegende dat de bevolkingsgroei betekent dat voor 2015 1,1 miljard mensen van drinkwater en 2,6 miljard van sanitaire voorzieningen moeten worden voorzien, waarvan respectievelijk 400 en 410 miljoen mensen in Afrika; overwegende dat de behoefte aan drinkwater gestaag zal stijgen doordat de wereldbevolking in 2050 uit meer dan 9 miljard mensen zal bestaan, |
|
C. |
overwegende dat het belang van water voor de sociaal-economische ontwikkeling afdoende aangetoond is aangezien water een belangrijk deel uitmaakt van de winstgevende activiteiten en een overheersende rol speelt in de landbouw, de visserij, de gezondheidszorg, de industrie, voor energie en bij de bescherming van ecosystemen en biodiversiteit en voor alle vormen van consumptie voor het welzijn van de bevolking, |
|
D. |
overwegende dat toegang tot drinkwater erkend is als één van de fundamentele mensenrechten, versterkt door de internationale sociale, economische en culturele verdragen en dat water, onmisbaar voor behoud van het leven en het menselijke welzijn, niet alleen als verkoopproduct maar ook als sociaal goed beschouwd moet worden, |
|
E. |
overwegende dat water en sanitaire voorzieningen transversale sleutelonderwerpen zijn van de MOD en dat het van wezenlijk belang is deze op juiste wijze aan te pakken om de MOD te kunnen bereiken, |
|
F. |
overwegende dat geen enkele strategie ter vermindering van de armoede voorbij kan gaan aan de menselijke levensbehoefte aan water, noch aan de noodzakelijke garantie van een rechtvaardig en duurzaam beheer van deze onmisbare hulpbron, in het belang van de samenleving als geheel, |
|
G. |
overwegende dat bevordering van een duurzame en milieuvriendelijke afvalwaterzuivering de garantie geeft voor veilig water en de mogelijkheid biedt tot verrijking in de landbouw voor de voedselproductie; overwegende dat de MOD water beschouwen als cruciale milieufactor, |
|
H. |
overwegende dat een slechte toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen de oorzaak is van vele ziektes; dat infecties door gebrek aan hygiëne en de sanitaire risico's legio zijn in Afrika en voornamelijk te wijten zijn aan de besmetting van waterbronnen, aan slecht watergebruik of aan bepaalde onhygiënische gebruiken, |
|
I. |
overwegende dat de waterbronnen in de wereld ongelijk verdeeld zijn: 60 % van het zoetwater bevindt zich in negen landen (Brazilië, de Russische Federatie, Canada, Indonesië, China, Colombia, de Verenigde Staten, Peru en India) en dat landen met weinig zoetwater voornamelijk eilanden, kleine landen en dorre landen zijn (waaronder Israël, Libië, Mauretanië, Kaapverdië, Djibouti en Koeweit), |
|
J. |
overwegende dat drie op de vier landen, onderling vaak politiek, cultureel en economisch verschillend, zich aan dezelfde internationale rivieren bevinden en dat wanneer er geen overeenstemming is voor een redelijk en evenwichtig gebruik, water, als bron van leven, een potentiële bron van spanningen en meningsverschillen wordt die kunnen uitaarden in conflicten, |
|
K. |
overwegende dat in Afrikaanse en Aziatische landen de beschikbaarheid van water onderhevig is aan grote seizoenswisselingen en beïnvloed wordt door cyclische perioden van droogte en overstromingen, en dat sommige kuststaten en eilanden zich geconfronteerd zien met zoutwaterproblemen die het grondwater binnendringen, |
|
L. |
overwegende dat droogte vaak te wijten is aan slecht grondgebruik, overbeweiding, ontbossing en de uitvoering van grote, irrigatieprojecten die niet duurzaam zijn, |
|
M. |
overwegende dat de huidige dynamiek op het gebied van de bevolkingsgroei, de toenemende verstedelijking, de klimaatverandering, het milieu en de economische structuur een grote uitdaging vormen voor het waterbeheer in ontwikkelingslanden, vooral die in de Sahel, |
|
N. |
overwegende dat intensieve en productieve landbouw ongeveer 70 % van het zoetwater verbruikt voor irrigatie met 40 % verlies en dat verbetering van irrigatietechnieken in de akkerbouw een besparing van grote hoeveelheden water op zou moeten leveren en een groei van de landbouwproductie ter compensatie van de geringe hoeveelheid regenwater, die anders niet zou volstaan voor de totale voedselbehoefte, |
|
O. |
overwegende dat de komende 10 jaar een toename met 50 % van de huidige voor de voedselproductie vereiste hoeveelheid water noodzakelijk is om de millenniumdoelstelling van een halvering van het aantal ondervoede mensen te kunnen bereiken, |
|
P. |
overwegende dat de bevolking van talrijke Afrikaanse plattelandsgebieden noch de beschikking heeft over waterputten, noch over een aansluiting van de woningen op een netwerk, noch over een drinkwaterbron, noch over een regenwaterreservoir, |
|
Q. |
overwegende dat de ontwikkeling en de bevordering van passende technologieën voor sanitaire voorzieningen, de uitvoering van strategieën die een beroep doen op endogene financiële middelen en de participatie van lokale gemeenschappen het mogelijk maken om op lokaal niveau het gebruik van duurzame sanitaire voorzieningen in de loop van het komend decennium uit te breiden, |
|
R. |
overwegende dat het feit dat de financiële middelen ontoereikend zijn om de vernieuwing van de infrastructuren, het onderhoud en het beheer van de bestaande voorzieningen te waarborgen, vanwege de hoge kosten van de diensten onvermijdelijk leidt tot verval van de waterdiensten en de uitsluiting van de arme bevolking, vooral in de voorstedelijke zones, |
|
S. |
overwegende dat voor een redelijk waterbeheer de participatie van de lokale bevolking en vooral die van vrouwen, die een belangrijke rol spelen in het waterbeheer op nationaal, regionaal en lokaal niveau nodig is, evenals een passende tariefbepaling die iedereen toegang geeft tot water voor de essentiële behoeftes, maar ook een efficiënt watergebruik garandeert door de gebruiker verantwoordelijk te maken, |
|
T. |
overwegende dat het regeringen in ontwikkelingslanden niet lukt om tarieven voor water op te leggen die in overeenstemming zijn met de leveringskosten, |
|
U. |
overwegende dat de ontoereikendheid van technische, financiële en menselijke middelen aan de oorsprong ligt van het slechte beheer van waterbronnen en waterdiensten, |
|
V. |
overwegende dat het privatiseringsbeleid van het waterbeheer en de liberalisering van de overheidsdiensten de toename van buitenlandse schulden van de zuidelijke landen hebben versneld, waar de beschikbare middelen eerder voor de terugbetaling van schulden moeten worden uitgetrokken in plaats van voor duurzame ontwikkeling en toegang tot drinkwater, onderwijs, gezondheid, huisvesting en energie, |
|
W. |
overwegende dat de betrokkenheid van de particuliere sector bij water- en sanitaire voorzieningen in de ontwikkelingslanden nog steeds gering is, |
|
X. |
overwegende dat de betrokkenheid van de particuliere sector bij de levering van waterdiensten nog steeds een controversieel punt is omdat universele beschikbaarheid van water voor iedereen zou moeten worden gezien als een recht, maar tevens overwegende dat de particuliere sector daaraan in bepaalde gevallen een bijdrage kan leveren in termen van financiering en beheer en daarbij nieuwe technologie en deskundigheid kan inbrengen, |
|
Y. |
overwegende dat er in het merendeel van de ontwikkelingslanden echt de wil bestaat rekening te houden met kwesties op het gebied van water, hygiëne en sanitaire voorzieningen in het ontwikkelingsbeleid en de ontwikkelingsstrategieën (decentralisatie, armoedebestrijding, geïntegreerd waterbeheer enz.) evenals in het kader van initiatieven ten gunste van de financiering van water en sanitaire voorzieningen (EU, NEPAD, Afrikaanse ontwikkelingsbank (AfDB), Afrikaanse Ministerraad voor water (AMCOW) enz.), |
|
Z. |
overwegende dat er, om de MOD te bereiken, op Europees niveau initiatieven voor water zijn genomen, met name EUWI, met als doel een verbetering van de toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen te stimuleren voor de achtergestelde bevolking van de ACS-landen door op actieve wijze de kwestie van het financieringstekort te behandelen, |
|
AA. |
overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten per jaar circa 1,4 miljard euro beschikbaar stellen voor water en hygiëne in ontwikkelingslanden, waarmee de EU in deze sector de grootste hulpverstrekker ter wereld is, en overwegende dat deze financiering gebruikt moet worden om de openbare sector te versterken die de toegang tot water moet garanderen, |
|
AB. |
overwegende dat EUWI zich richt op een sterkere internationale mobilisatie voor het realiseren van de millenniumdoelstellingen en de doelstellingen van de Wereldtop over duurzame ontwikkeling op het gebied van water en hygiëne door middel van strategische regionale partnerschappen tussen alle betrokkenen: regeringen, het maatschappelijk middenveld, lokale overheden en de particuliere sector, |
|
1. |
herhaalt dat de toegang tot water voor een ieder zonder onderscheid een recht is en is van oordeel dat er in het beleid en de strategieën op het gebied van ontwikkeling en armoedebestrijding rekening gehouden dient te worden met de menselijke levensbehoefte aan water, vooral voor de meest achtergestelde bevolking, en met de noodzaak tot waarborging van een gelijkwaardig en duurzaam waterbeheer, in het belang van de samenleving als geheel; |
|
2. |
vraagt aan de ACS-landen om een landbouwbeleid en landbouwstrategieën in te voeren die irrigatietechnieken bevorderen waardoor grote hoeveelheden water bespaard kunnen worden, en om het waterbeheer als een prioriteit te zien waardoor een duurzame voedselzekerheid opgebouwd kan worden; |
|
3. |
dringt er bij de ACS staten op aan nieuwe manieren van waterproductie en consumptie in te voeren die gebaseerd zijn op een duurzaam geïntegreerd waterbeheer, hierbij rekening houdend met de sociaal-economische dimensie van water en door voorrang te geven aan ecologische landbouw die gebaseerd is op het vrijmaken van endogene financiële middelen, op passende technologieën en op de participatie van alle betrokkenen; |
|
4. |
verzoekt de EU speciale aandacht te besteden aan de ACS-landen die zwaar getroffen worden door watertekorten en daarmee gepaard gaande droogten en hongersnoden, door meer financiële middelen toe te kennen; |
|
5. |
erkent dat de privatisering van water in de ontwikkelingslanden een zeer gevoelige en controversiële kwestie blijft die overeenkomstig dient te worden behandeld; roept ertoe op bij het privatiseringsbeleid van het waterbeheer en de liberalisering van de overheidsdiensten in de ACS-landen steeds te letten op sociale verantwoordelijkheid en aan dit beleid de voorwaarde te stellen dat het een betaalbare en omvangrijkere watervoorziening en waterzuivering, met name voor de armste bevolkingsgroepen, waarborgt en op het beginsel is gebaseerd dat universeel, non-discriminatoir gebruik van water als recht dient te worden beschouwd; |
|
6. |
roept ertoe op de druk die internationaal wordt uitgeoefend op de ontwikkelingslanden in onderhandelingen, die op bilateraal en multilateraal niveau en via internationale financiële instellingen worden gevoerd, weg te nemen om hun waterindustrie te liberaliseren, wat tot een ondermijning van hun openbare diensten op dit gebied zou leiden; |
|
7. |
herinnert eraan dat water en hygiëne wel sectoroverschrijdende kwesties zijn, maar dat ze nog niet goed zijn geïntegreerd in de ontwikkelingsmaatregelen van andere gerelateerde sectoren zoals landbouw, industrie, gezondheidszorg, onderwijs, bosbouw en milieu; |
|
8. |
constateert dat de waterreserves ten gevolge van de klimaatverandering achteruitgaan; herinnert eraan dat duurzaam beheer van aquatische ecosystemen van wezenlijk belang is voor het voorkomen en matigen van de negatieve invloed van klimaatverandering; |
|
9. |
herinnert eraan dat bewustmaking op het gebied van duurzame beheerpraktijken essentieel is om de watervoorziening voor de komende generaties veilig te stellen, de voedselveiligheid te vergroten en het gedrag van de bevolking waar het gaat om hygiëne te verbeteren; |
|
10. |
roept op tot een geïntegreerd beheer van waterbronnen waarin rekening wordt gehouden met al het rechtmatig gebruik en de rechtmatige vraag, en waarbij de nadruk wordt gelegd op de integratie van grond en watergebruik, stroomopwaarts en stroomafwaarts gelegen gebieden, beheer van kustgebieden en grondwaterbeheer; |
|
11. |
erkent dat gender en cultuur een rol spelen bij de ontwikkeling van de watervoorziening en hygiëne en herinnert eraan dat alle benaderingen en oplossingen moeten worden aangepast aan de lokale cultuur en gendergerelateerde rolpatronen; |
|
12. |
herinnert eraan dat de vooruitgang op het gebied van duurzame toegang tot en duurzaam beheer van de watervoorraden in ontwikkelingslanden afhangt van een sterke lokale politieke betrokkenheid, transparantie en de eigen inbreng van de bewoners van die landen; |
|
13. |
herinnert aan het belang van de bevordering van een verantwoordelijk waterbeleid bij de gebruikers, waarvoor een omslag nodig is van een aanbodgestuurde naar een vraaggestuurde aanpak van waterbeheer; |
|
14. |
is van oordeel dat de overheid de controle over het waterbeheer moet hebben en ervoor moet zorgen dat allen toegang hebben tot water en dat de tarieven daarvoor transparant blijven voor het publiek; |
|
15. |
is van oordeel dat de gemobiliseerde financiële middelen in het kader van het schuldverlichtingsinitiatief voor arme landen met een zware schuldenlast (HIPC) bij zouden moeten dragen aan de financiering van de vitale sectoren water, waterzuivering, onderwijs en gezondheid; |
|
16. |
moedigt de EU en de ACS-landen aan om vernieuwende financieringsmiddelen in te zetten zoals de oprichting van lokale, nationale, regionale en continentale hulpfondsen voor waterbeleid en voor de huidige financieringsmiddelen van de overheid en de particuliere sector; |
|
17. |
vraagt aan de EU zijn initiatieven voor duurzame toegang tot water ten gunste van de ACS-staten voort te zetten zodat waterbeheersing een strategische prioriteit van het grootste belang wordt waardoor deze staten de structurele kwetsbaarheid van de zwakste landen kunnen reduceren; |
|
18. |
roept op tot een versterking van het potentieel in het EU-ACS-samenwerkingsproces op het gebied van water en hygiëne; roept de ACS-staten ertoe op in hun ontwikkelingsstrategieën en -plannen grotere prioriteit te verlenen aan water en waterzuivering en verzoekt om een gecoördineerd optreden van de EU via mechanismen als EUWI, de ACS-EU-waterfaciliteit en de programma's voor ontwikkelingshulp van de Commissie en de lidstaten; |
|
19. |
verzoekt de EU steun te verlenen aan onderzoek naar waterafname en de achteruitgang van de waterspiegel in het stromingsgebied van rivieren, die tot het ontstaan van moerassen, de verdamping van 50 % van de watervoorraad en een tekort aan jodium voor het visbestand kan leiden, wat een te lage jodiumopname door de bevolking, met name bij kinderen, tot gevolg kan hebben; |
|
20. |
roept de Commissie op een beoordeling en een evaluatie uit te voeren van de ACS-EU-waterfaciliteit en de door deze faciliteit gefinancierde projecten, teneinde te bepalen of in het kader van het 10e EOF specifieke financiële middelen moeten worden uitgetrokken voor verdere initiatieven op dit gebied; |
|
21. |
erkent dat de financiële middelen substantieel verhoogd dienen te worden om de vernieuwing van de infrastructuur en het onderhoud en beheer van de water- en waterzuiveringsvoorzieningen te waarborgen teneinde de diensten te verbeteren en ervoor te zorgen dat de waterdiensten beschikbaar komen voor een groter deel van de bevolking voor wie de kosten van de watervoorziening te hoog zijn; |
|
22. |
herinnert eraan dat het tot de belangrijkste doelstellingen van EUWI behoort om politieke betrokkenheid op het gebied van water en waterzuivering te versterken en de effectiviteit van het waterbeheer te verhogen via een dialoog met alle betrokkenen, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld, de overheid en de particuliere sector, en door de bevordering van een vraaggestuurde benadering en de coördinatie van de respons van de verschillende donoren; |
|
23. |
roept op tot versterking van het overheidsapparaat en uitbreiding van de capaciteit teneinde het waterbeheer te verbeteren en corruptie te bestrijden door middel van juridische en beleidsmatige hervormingen, ontwikkeling van het menselijk potentieel, opleiding en netwerkvorming; |
|
24. |
verzoekt de ACS-landen met hetzelfde stroomgebied het coördineringsbeleid, de interventiestrategieën en de waterbeheerstrategieën te verbeteren, met name door de oprichting en/of de versterking van de capaciteiten van regionale organisaties die belast zijn met waterbeleid, teneinde geschillen over watergebruik te beslechten en het ontstaan te bevorderen van cultuur van gemeenschappelijk bezit evenals van een groter verantwoordelijkheidsgevoel met betrekking tot het beheer van dat gemeenschappelijk bezit; verzoekt de regeringen van de EU-landen en de internationale gemeenschap om de ACS-landen te steunen bij hun inspanningen; |
|
25. |
roept op tot een uitgebreide dialoog tussen de diverse watergebruikers op lokaal, nationaal en grensoverschrijdend niveau, met het oog op de ontwikkeling van een doeltreffende sectoroverschrijdende planning, het instellen van een adequaat beheer van de reservoirs, de creatie van een database van bilaterale waterprojecten, het bevorderen van wederzijdse banden en samenwerking voor de lange termijn tussen instellingen voor hoger onderwijs, het uitwisselen van lokale kennis en het behoud van ecosystemen; |
|
26. |
verzoekt haar beide voorzitters deze resolutie te doen toekomen aan de ACS-EU-Raad, de Commissie, de secretaris-generaal van de VN, de Afrikaanse Unie en alle waterbeheerorganisaties. |
(1) Op 23 november 2006 te Bridgetown (Barbados) door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU aangenomen.
(2) http://www.wssinfo.org.
RESOLUTIE (1)
over de evaluatie van de onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's)
De Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU,
|
— |
van 20 t/m 23 november in Bridgetown (Barbados) bijeen, |
|
— |
gelet op artikel 17, lid 2, van zijn Reglement, |
|
— |
onder verwijzing naar haar te Kaapstad (Zuid-Afrika) aangenomen resolutie van 21 maart 2002 (2), |
|
— |
gelet op artikel 37, lid 1 van de Overeenkomst van Cotonou, waarin wordt bepaald dat de EPO-onderhandelingen dienen plaats te vinden „in de voorbereidingsperiode, die uiterlijk op 31 december 2007 afloopt”, |
|
— |
gezien de op 14 april 2006 te Nairobi (Kenia) aangenomen verklaring van de ministers van Handel van de lidstaten van de Afrikaanse Unie, |
|
— |
onder verwijzing naar de resolutie van het Europees Parlement van 23 maart 2006 over de invloed van de economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) op de ontwikkeling (3), |
|
— |
gelet op de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT), met name artikel XXIV hiervan, |
|
— |
gezien de besluiten, resoluties en verklaringen die de Raad van ACS-Ministers tijdens zijn van 28 t/m 31 mei 2006 te Port Moresby gehouden 83e zitting heeft aangenomen, met name Besluit nr. 2 over economische partnerschapsovereenkomsten, |
|
A. |
overwegende dat het noodzakelijk is de EPO-onderhandelingen kritisch te evalueren, |
|
B. |
opmerkende dat de onderhandelingen over de EPO's in de meeste regio's vrijwel geheel zijn vastgelopen vanwege meningsverschillen over de vraag wat er moet worden verstaan onder de „ontwikkelingsdimensie”, die een centraal aspect van de discussies over EPO's dient te vormen, |
|
C. |
overwegende dat tot dusver van Europese zijde geen vaste en specifieke toezeggingen zijn gedaan over de financiering van de ontwikkelingsdimensie, |
|
D. |
overwegende dat de Overeenkomst van Cotonou bepalingen bevat met betrekking tot steun ten behoeve van economische ontwikkeling en regionale samenwerking in de ACS-landen, met name in de artikelen 21, 22, 25, 29, 30, 33 en 35, |
|
E. |
overwegende dat in verschillende staten, en in de burgermaatschappij en de particuliere sector aldaar, bezorgdheid heerst naar aanleiding van de conclusies van de op nationaal en regionaal niveau uitgevoerde effectbeoordelingen, |
|
F. |
overwegende dat de EPO's in de eerste plaats ten doel moeten hebben een bijdrage te leveren aan de duurzame sociale en economische ontwikkeling van de ACS-landen door ervoor te zorgen dat een grotere toegevoegde waarde wordt verleend aan goederen en diensten die in de ACS-landen voor de nationale, regionale en internationale markten worden geproduceerd en geleverd, |
|
G. |
overwegende dat de landbouwsector voor de meeste ACS-landen de motor van de ontwikkeling is, doordat hij een significante bijdrage tot het nationale BBP levert en voor velen de belangrijkste bron van werkgelegenheid en inkomsten vormt, |
|
H. |
overwegende dat EPO's dienen te waarborgen dat de vruchten van toenemende handel en economische groei ten goede komen aan de armoedebestrijding, teneinde aan de verplichtingen van Cotonou te kunnen voldoen, |
|
I. |
overwegende dat het onderwijs- en opleidingsniveau van de bevolking een fundamentele factor voor het concurrentievermogen is en in sommige ACS-regio's door de om zich heen grijpende HIV/AIDS crisis wordt ondermijnd, |
|
J. |
overwegende dat de schepping van een echte regionale markt, binnen het raamwerk van een douane-unie, een essentiële grondslag vormt voor de tenuitvoerlegging van de EPO's, |
|
K. |
overwegende dat de met de EPO's beoogde toename van de interregionale handel wordt belemmerd door de zwakke interregionale infrastructuur en een breed spectrum aan non-tarifaire handelsbarrières, |
|
L. |
erkennende het recht van de Europese Unie om aan hoge fytosanitaire en andere gezondheidsnormen vast te houden en derhalve oproepende tot grotere steunverlening aan de ACS-landen om deze in staat te stellen aan dergelijke regelgeving te voldoen, opdat zij hun producten naar de Europese Unie kunnen exporteren, |
|
M. |
overwegende dat van een wederzijdse vrije handel tussen de ontwikkelde landen van de Europese Unie en de ACS-ontwikkelingslanden een ernstig risico uitgaat zolang de ACS-landen niet concurrerender worden, |
|
N. |
overwegende dat de inhoud van de EPO's geen weerspiegeling vormt van bestaande regionale economische integratieovereenkomsten, |
|
O. |
overwegende dat de ACS-landen een oplossing moeten vinden voor de met het gelijktijdig lidmaatschap van verschillende regionale groepen verbonden problemen en een duurzaam kader voor regionale harmonisatie moeten scheppen opdat de EPO's succesvol en werkbaar worden, |
|
P. |
overwegende dat het oorspronkelijk in de bedoeling lag dat de door de WTO in 2001 in Doha verleende vrijstelling voor preferentiële handelsrelaties tussen de EU en de ACS-landen nog drie jaar na de (voor 2004 geplande) afsluiting van de gelijktijdig gestarte onderhandelingen van de Doha-ronde van kracht zou blijven (tot 2007), |
|
Q. |
overwegende dat het dringende probleem van de beschikbaarheid en tijdige uitbetaling van financiële middelen een groot struikelblok blijft, |
|
R. |
overwegende dat het parallelle verloop van de EPO-onderhandelingen en de onderhandelingscyclus van de WTO door de opschorting van de Doha-ronde is onderbroken, wat gerechtvaardigde twijfels doet rijzen over de verplichtingen die in het kader van de EPO-onderhandelingen dienen te worden aangegaan, |
|
S. |
met begrip voor het feit dat de ACS-landen huiverig zijn om, bilateraal of anderszins, te onderhandelen over kwesties waarover de gesprekken op multilateraal niveau zijn afgebroken, |
|
T. |
erkennende dat een positief resultaat van de onderhandelingen ertoe kan bijdragen om tot een nieuwe definitie te komen van de inhoud van een multilaterale ontwikkelingsronde; voorts erkennende dat de EPO's een aanvulling dienen te vormen op een overeenstemming over de Doha-ronde, en niet een alternatief hiervoor, |
|
U. |
gezien de invoering van EPO-aanpassingsmechanismen die ertoe dienen de daling van de overheidsinkomsten die uit de door de EPO's ingeleide handelsliberalisering en structurele aanpassing resulteert, op te vangen en steun te verlenen aan de economische ontwikkeling en de regionale samenwerking in de ACS-landen, |
|
V. |
overwegende dat artikel 2 van de Overeenkomst van Cotonou in een differentiële behandeling voorziet, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende ontwikkelingsniveau's van de ACS-landen, |
|
W. |
overwegende dat de EPO's de vermindering van de bestaande ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op economisch en sociaal gebied dienen te bevorderen, |
|
X. |
opmerkende dat, wat de Europese zijde betreft, de implicaties van de EPO's in dit stadium van de onderhandelingen nog niet duidelijk zijn vastgesteld, |
|
Y. |
overwegende dat de EPO's er in ieder geval toe zullen leiden dat de ACS-landen meer middelen nodig hebben om een beter regionaal integratiebeleid en economische hervormingen te kunnen uitvoeren, |
|
Z. |
overwegende dat parlementsleden, als vertegenwoordigers van het volk en zijn instellingen, op de hoogte dienen te worden gehouden van het complete verloop van de onderhandelingen, |
|
AA. |
overwegende dat de ACS-Raad in Port Moresby ertoe heeft opgeroepen de „volledige en omvattende ”toetsing die overeenkomstig van artikel 37, lid 4 van de Overeenkomst van Cotonou vereist is, te verrichten „op basis van een brede dialoog, onder raadpleging van alle belanghebbenden met inbegrip van niet-gouvernementele actoren en parlementsleden”, en overwegende dat zij, aangezien er geen tekenen zijn dat dit staat te gebeuren, een tweede resolutie van de PPV over EPO's toejuicht, |
|
AB. |
overwegende dat de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EU en subsidies voor belangrijke exportproducten van de ontwikkelingslanden van grote invloed zijn op de uitvoer van landbouwproducten uit de ACS-landen naar de Europese markten, |
|
1. |
begrijpt dat de EPO-onderhandelingen voortvloeien uit de noodzaak om de handelsrelaties tussen de ACS-landen en de EU compatibel te maken met de WTO-regels, maar roept de Commissie op om ervoor te waken dat de kwestie van de compatibiliteit niet de bovenhand krijgt ten opzichte van de algemene doelstelling van duurzame ontwikkeling; roept ertoe op het tempo, het tijdschema en de werkingssfeer van de liberaliseringsprogramma's af te stemmen op de regionale harmonisatieprogramma's van de ACS-landen, teneinde de kans op schadelijke schokeffecten tot een minimum te beperken; |
|
2. |
roept de Commissie op niet alleen oog te hebben voor compatibiliteit met de WTO-regels, maar er, in samenwerking met de ontwikkelingslanden, ook naar te streven de WTO-regels te verbeteren zodat ze beter op ontwikkeling zijn afgestemd; |
|
3. |
herinnert eraan dat EPO's overeenkomstig de Overeenkomst van Cotonou voornamelijk dienen te zijn gericht op economische groei en armoedebestrijding, met name in de MOL's; |
|
4. |
roept ertoe op om in de onderhandelingen voorrang te verlenen aan de ondersteuning van de structurele transformatie van de economieën der ACS-landen, om zo een „duurzame economische en sociale ontwikkeling ”te bevorderen; is van oordeel dat de EPO's qua opzet en in de onderhandelingen dienen te worden behandeld als ontwikkelingsovereenkomsten in plaats van als handelsovereenkomsten; |
|
5. |
erkent dat, zowel voor de liberalisering van diensten als voor die van de mededinging of openbare aanbestedingen, solide regelgevingskaders nodig zijn voordat enige liberalisering plaatsvindt, en verzoekt de Commissie om als onderdeel van elke wijziging van de bestaande voorschriften onafhankelijke regelgevers te ondersteunen en te controleren; |
|
6. |
roept de onderhandelaars op om samen te werken aan de ontwikkeling van een strategie ter verhoging van het concurrentievermogen van de landbouw van de ACS-staten die verder gaat dan alleen markttoegang en ook aandacht besteedt aan ontwikkelingskwesties ten behoeve van de landbouw van die staten, zoals een uitbreiding van kwaliteitsprogramma's op het gebied van sanitaire en fytosanitaire maatregelen in alle ACS-landen; |
|
7. |
roept ertoe op de concurrentiepositie van de productiecapaciteiten in de ACS-landen te versterken alsvorens de douanerechten op te heffen; |
|
8. |
roept de Commissie en de ACS-regio's op de EPO's te funderen op de volgende beginselen: asymmetrie ten gunste van de ACS-regio's, steun voor regionale integratie in de ACS-landen en de totstandbrenging van een goed doortimmerd en voorspelbaar kader ter bevordering van handel met en investeringen in de ACS-regio's; |
|
9. |
geeft uiting aan zijn bezorgdheid over de huidige EU-voorstellen voor vrijhandel met de ACS-landen in het kader van de EPO's van Cotonou, die zullen leiden tot liberalisering van de handel, met inbegrip van de handel in landbouwproducten, en meent dat dit beleid de ontwikkeling van de ACS-landen in de weg kan staan, met name wat betreft de voedselveiligheid en de ontwikkeling van lokale industrieën; |
|
10. |
roept ertoe op de EPO's te baseren op het beginsel dat eerst regionale markten opgebouwd en geconsolideerd worden voordat de markten voor de EU opengesteld worden; |
|
11. |
verzoekt de EU effectievere instrumenten te ontwikkelen voor de ondersteuning van productaanpassing in de ACS-landen om zodoende de diversificatie van de productie te stimuleren en een stijging van de toegevoegde waarde te bevorderen; |
|
12. |
herhaalt haar verzoek aan de Europese Unie om steun te verlenen met betrekking tot de financiering van de fiscale en economische aanpassingskosten en investeringen die aan de opheffing van de knelpunten aan aanbodzijde verbonden zijn; |
|
13. |
verwelkomt de recente toezeggingen van extra „hulp voor handel”-middelen die specifiek gericht zullen zijn op EPO-steun en roept de Commissie en de lidstaten ertoe op om de ACS-landen in antwoord op hun verzoeken om extra middelen voor de EPO's een uitvoerige toelichting te geven over de regelingen en tijdschema's voor de uitbetaling van de toegezegde fondsen; |
|
14. |
verzoekt de Commissie naar wegen te zoeken om de bureaucratische last die de eisen van het EOF met zich meebrengen te verminderen en verzoekt de ACS-landen van kostencalculaties voorziene, gedetailleerde voorstellen in te dienen over welke aanvullende EPO-fondsen nodig zijn en voor welk doel; |
|
15. |
roept ertoe op indien nodig boven op de bestaande toezeggingen van het Europees Ontwikkelingsfonds aanvullende gelden vrij te maken; |
|
16. |
roept de EU op een juist verloop van de stapsgewijze ontwikkeling van het ACS-beleid op handelgerelateerde gebieden in de ACS-landen te ondersteunen, uitmondend in interregionale overeenkomsten op handelsgerelateerde gebieden, ter waarborging van coherentie; |
|
17. |
verzoekt de Commissie geen onnodige druk uit te oefenen en — indien de onderhandelingen niet voor 1 januari 2008 worden afgerond — stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat de bestaande export van ACS-landen naar de EU niet wordt verstoord totdat een definitieve regeling is gevonden; |
|
18. |
dringt er bij de Commissie en de ACS-staten op aan de herziening van de EPO's aan te grijpen als gelegenheid om een open discussie te voeren over de hindernissen die de afronding van de onderhandelingen in de weg staan, en om gedetailleerde voorstellen in te dienen om deze hindernissen te overwinnen; |
|
19. |
herinnert eraan dat de Overeenkomst van Cotonou bepaalt dat een land of regio die geen EPO/FTA wenst af te sluiten, niet slechter af mag zijn in termen van markttoegang; roept de Commissie op alle alternatieve mogelijkheden te onderzoeken, waaronder ook betere oorsprongsregels, met inbegrip van nietwederzijdse regelingen, in overeenstemming met artikel 37, lid 6 van de Overeenkomst van Cotonou; |
|
20. |
verzoekt de EU af te zien van voorstellen die tot een verstoring van de regionale processen in de ACS-gebieden zouden kunnen leiden; |
|
21. |
roept derhalve op tot een echt publiek debat in de ACS-landen en de EU-landen tussen het maatschappelijk middenveld, overheids- en parlementaire instellingen; roept tevens op tot de invoering van passende voorlichtings- en raadplegingsmechanismen; |
|
22. |
erkent dat parlementaire controle met betrekking tot toezicht op, en medewerking aan, de tenuitvoerlegging van de EPO's de uitdrukkelijke doelstellingen van goed bestuur en transparantie zal helpen verwezenlijken en dat de Paritaire Parlementaire Vergadering het aangewezen orgaan is om formeel, omvattend en officieel toe te zien op het effect en de tenuitvoerlegging van de EPO's; roept op tot de instelling van een controlegroep binnen de PPV; |
|
23. |
roept de Commissie op het standpunt van regio's te respecteren die de Singapore-kwesties niet bij de EPO-onderhandelingen wensen te betrekken, en brengt in herinnering dat bilaterale onderhandelingen over de handel in diensten het recht van landen om de openbare diensten naar eigen inzicht te reguleren dienen te respecteren; |
|
24. |
verzoekt de EU zich ertoe te verplichten in de EPO's geen bepalingen over intellectuele eigendomsrechten op te nemen die een aanvullende barrière vormen voor de toegang tot essentiële geneesmiddelen en verzoekt haar steun te verlenen aan de ACS-landen opdat deze in staat worden gesteld tot een doeltreffende tenuitvoerlegging van de Verklaring van Doha van 2001, d.w.z. tot een doeltreffend gebruik van de flexibiliteit binnen TRIPS; |
|
25. |
benadrukt het belang van openbare diensten voor ontwikkeling en democratie en verzoekt de Commissie derhalve met voorzichtigheid op te treden indien zij de liberalisering van diensten overweegt op gebieden zoals watervoorziening, gezondheidszorg, onderwijs, vervoer en energie; |
|
26. |
verzoekt haar beide voorzitters deze resolutie te doen toekomen aan de ACS-EU- Raad en de Europese Commissie. |
(1) Op 23 november 2006 te Bridgetown (Barbados) door de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU aangenomen.