|
ISSN 1725-2474 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
49e jaargang |
|
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
|
I Mededelingen |
|
|
|
Hof van Justitie |
|
|
|
HOF VAN JUSTITIE |
|
|
2006/C 131/1 |
||
|
2006/C 131/2 |
||
|
2006/C 131/3 |
||
|
2006/C 131/4 |
||
|
2006/C 131/5 |
||
|
2006/C 131/6 |
||
|
2006/C 131/7 |
||
|
2006/C 131/8 |
||
|
2006/C 131/9 |
||
|
2006/C 131/0 |
||
|
2006/C 131/1 |
||
|
2006/C 131/2 |
||
|
2006/C 131/3 |
||
|
2006/C 131/4 |
||
|
2006/C 131/5 |
||
|
2006/C 131/6 |
||
|
2006/C 131/7 |
||
|
2006/C 131/8 |
||
|
2006/C 131/9 |
||
|
2006/C 131/0 |
||
|
2006/C 131/1 |
||
|
2006/C 131/2 |
||
|
2006/C 131/3 |
||
|
2006/C 131/4 |
||
|
2006/C 131/5 |
||
|
2006/C 131/6 |
||
|
2006/C 131/7 |
||
|
2006/C 131/8 |
||
|
2006/C 131/9 |
||
|
2006/C 131/0 |
||
|
2006/C 131/1 |
||
|
2006/C 131/2 |
||
|
2006/C 131/3 |
||
|
2006/C 131/4 |
||
|
2006/C 131/5 |
||
|
2006/C 131/6 |
||
|
2006/C 131/7 |
||
|
2006/C 131/8 |
||
|
2006/C 131/9 |
||
|
2006/C 131/0 |
||
|
2006/C 131/1 |
||
|
2006/C 131/2 |
||
|
2006/C 131/3 |
||
|
2006/C 131/4 |
||
|
2006/C 131/5 |
||
|
2006/C 131/6 |
||
|
2006/C 131/7 |
||
|
2006/C 131/8 |
||
|
2006/C 131/9 |
||
|
2006/C 131/0 |
||
|
2006/C 131/1 |
||
|
2006/C 131/2 |
||
|
2006/C 131/3 |
||
|
2006/C 131/4 |
||
|
2006/C 131/5 |
||
|
2006/C 131/6 |
||
|
2006/C 131/7 |
||
|
2006/C 131/8 |
||
|
2006/C 131/9 |
||
|
2006/C 131/0 |
||
|
2006/C 131/1 |
||
|
2006/C 131/2 |
||
|
2006/C 131/3 |
||
|
2006/C 131/4 |
||
|
2006/C 131/5 |
||
|
2006/C 131/6 |
||
|
|
GERECHT VAN EERSTE AANLEG |
|
|
2006/C 131/7 |
||
|
2006/C 131/8 |
||
|
2006/C 131/9 |
||
|
2006/C 131/0 |
||
|
2006/C 131/1 |
||
|
2006/C 131/2 |
||
|
2006/C 131/3 |
||
|
2006/C 131/4 |
||
|
2006/C 131/5 |
||
|
2006/C 131/6 |
||
|
2006/C 131/7 |
Zaak T-20/06: Beroep ingesteld op 11 januari 2006 — Dimitrios Grammatikopoulos tegen BHIM |
|
|
2006/C 131/8 |
Zaak T-85/06: Beroep ingesteld op 8 maart 2006 — General Química e.a. tegen Commissie |
|
|
2006/C 131/9 |
Zaak T-89/06: Beroep ingesteld op 15 maart 2006 — Lebard tegen Commissie |
|
|
2006/C 131/0 |
Zaak T-93/06: Beroep ingesteld op 23 maart 2006 — Mülhens tegen BHIM |
|
|
2006/C 131/1 |
||
|
2006/C 131/2 |
Zaak T-97/06: Beroep ingesteld op 29 maart 2006 — Neoperl tegen BHIM |
|
|
2006/C 131/3 |
||
|
2006/C 131/4 |
Zaak T-104/06: Beroep ingesteld op 3 april 2006 — SPM tegen Commissie |
|
|
2006/C 131/5 |
||
|
2006/C 131/6 |
Zaak T-112/06: Beroep ingesteld op 7 april 2006 — Inter-IKEA tegen BHIM |
|
|
2006/C 131/7 |
Zaak T-113/06: Beroep ingesteld op 10 april 2006 — Fjord Seafood Norway e.a. tegen Raad |
|
|
2006/C 131/8 |
Zaak T-114/06: Beroep ingesteld op 14 april 2006 — GLOBE NV tegen Commissie |
|
|
2006/C 131/9 |
Zaak T-118/06: Beroep ingesteld op 12 april 2006 — Zuffa tegen BHIM |
|
|
2006/C 131/0 |
Zaak T-125/06: Beroep ingesteld op 3 mei 2006 — Centro Studi A. Manieri tegen Raad |
|
|
|
GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
2006/C 131/1 |
Zaak F-30/06: Beroep ingesteld op 13 maart 2006 — Hanot tegen Commissie |
|
|
2006/C 131/2 |
Zaak F-31/06: Beroep ingesteld op 13 maart 2006 — Perez-Minayo Barroso en Pino tegen Commissie |
|
|
2006/C 131/3 |
||
|
2006/C 131/4 |
Zaak F-33/06: Beroep ingesteld op 21 maart 2006 — Campoli tegen Commissie |
|
|
2006/C 131/5 |
Zaak F-36/06: Beroep ingesteld op 5 april 2006 — Martin Magone tegen Commissie |
|
|
2006/C 131/6 |
Zaak F-37/06: Beroep ingesteld op 10 april 2006 — Guido Strack tegen Commissie |
|
|
2006/C 131/7 |
Zaak F-39/06: Beroep ingesteld op 11 april 2006 — Chassagne tegen Commissie |
|
|
2006/C 131/8 |
Zaak F-41/06: Beroep ingesteld op 12 april 2006 — Luigi Marcuccio tegen Commissie |
|
|
2006/C 131/9 |
Zaak F-42/06: Beroep, ingesteld op 13 april 2006 — Sundholm/Commissie |
|
|
|
III Bekendmakingen |
|
|
2006/C 131/0 |
||
|
NL |
|
I Mededelingen
Hof van Justitie
HOF VAN JUSTITIE
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/1 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 februari 2006 (verzoek van het VAT and Duties Tribunal, London, om een prejudiciële beslissing) — Halifax plc, Leeds Permanent Development Services Ltd, County Wide Property Investments Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise
(Zaak C-255/02) (1)
(Zesde BTW-richtlijn - Artikelen 2, punt 1, 4, leden 1 en 2, 5, lid 1, en 6, lid 1 - Economische activiteit - Leveringen van goederen - Diensten - Misbruik - Transacties die worden verricht met uitsluitende bedoeling belastingvoordeel te verkrijgen)
(2006/C 131/01)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
VAT and Duties Tribunal, London
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeksters: Halifax plc, Leeds Permanent Development Services Ltd, County Wide Property Investments Ltd
Verweerder: Commissioners of Customs & Excise
Voorwerp van de zaak
Uitlegging van richtlijn 77/388/EEG: Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag — Transacties verricht met uitsluitende bedoeling om fiscaal voordeel te behalen — Transacties zonder zelfstandig economisch doel
Dictum
|
1) |
Handelingen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, zijn leveringen van goederen of dienstverrichtingen en een economische activiteit in de zin van de artikelen 2, punt 1, 4, leden 1 en 2, 5, lid 1, en 6, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, indien zij voldoen aan de objectieve criteria waarop genoemde begrippen zijn gebaseerd, zelfs wanneer zij zijn verricht met het uitsluitende doel een belastingvoordeel te verkrijgen, zonder ander economisch doel. |
|
2) |
De Zesde richtlijn moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen het recht van een belastingplichtige om de voorbelasting af te trekken indien de transacties waarop dit recht is gebaseerd een misbruik vormen. Om te kunnen vaststellen dat sprake is van misbruik, is ten eerste vereist dat de betrokken transacties, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden in de desbetreffende bepalingen van de Zesde richtlijn en de nationale wettelijke regeling tot omzetting daarvan, ertoe leiden dat in strijd met het doel van deze bepalingen een belastingvoordeel wordt toegekend. Ten tweede moet uit een geheel van objectieve factoren blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen. |
|
3) |
Wanneer een misbruik is vastgesteld, moeten de in het kader daarvan verrichte transacties zo worden geherdefinieerd dat de situatie wordt hersteld zoals zij zou zijn geweest zonder de transacties die dit misbruik vormen. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/2 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 februari 2006 (verzoek van de High Court of Justice (Chancery Division) om een prejudiciële beslissing) — BUPA Hospitals Ltd, Goldsborough Developments Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise
(Zaak C-419/02) (1)
(Zesde BTW-richtlijn - Artikel 10, lid 2 - Verschuldigd worden van BTW - Vooruitbetaling - Vooruitbetalingen voor toekomstige leveringen van farmaceutische producten en prothesen)
(2006/C 131/02)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
High Court of Justice (Chancery Division)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: BUPA Hospitals Ltd, Goldsborough Developments Ltd
Verweerders: Commissioners of Customs & Excise
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — High Court of Justice (Chancery Division) — Uitlegging van Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag — Begrip „levering van een goed” en „economische activiteiten” — Overeenkomsten tussen vennootschappen voor de levering van geneesmiddelen en protheses met als enig doel het verkrijgen van een fiscaal voordeel
Dictum
Vooruitbetalingen, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, van een forfaitair bedrag dat is betaald voor goederen die algemeen zijn omschreven op een lijst die te allen tijde met wederzijds goedvinden van de koper en de verkoper kan worden gewijzigd en aan de hand waarvan de koper de artikelen eventueel zal kunnen kiezen, op basis van een overeenkomst die hij te allen tijde eenzijdig kan opzeggen onder terugvordering van alle nog niet benutte vooruitbetalingen, vallen niet binnen de werkingssfeer van artikel 10, lid 2, tweede alinea, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/2 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 februari 2006 (verzoek van het Bundesfinanzhof om een prejudiciële beslissing) — Hans-Jürgen Ritter-Coulais, Monique Ritter-Coulais tegen Finanzamt Germersheim
(Zaak C-152/03) (1)
(Belastingwetgeving - Inkomstenbelasting - Artikel 48 EEG-Verdrag (nadien artikel 48 EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 39 EG) - Nationale regeling die inaanmerkingneming van negatieve inkomsten uit verhuur en verpachting van op grondgebied van andere lidstaat gelegen onroerende zaken beperkt)
(2006/C 131/03)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekers: Hans-Jürgen Ritter-Coulais, Monique Ritter-Coulais
Verweerder: Finanzamt Germersheim
Voorwerp van de zaak
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van de artikelen 43 EG en 56 EG — Nationale regeling inzake de inkomstenbelasting van natuurlijke personen waarbij de aftrekbaarheid van verliezen uit verhuur van onroerende goederen of de toepassing op deze verliezen van het negatieve progressievoorbehoud wordt beperkt tot verliezen betreffende op nationaal grondgebied gelegen goederen
Dictum
Artikel 48 EEG-Verdrag (nadien artikel 48 EG-Verdrag, thans, na wijziging, artikel 39 EG) moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als de in het hoofdgeding aan de orde zijnde, volgens welke natuurlijke personen die in een lidstaat inkomsten uit loondienst genieten en aldaar onbeperkt belastingplichtig zijn, er geen aanspraak op kunnen maken dat bij de bepaling van het belastingtarief voor genoemde inkomsten in deze staat rekening wordt gehouden met negatieve inkomsten uit verhuur die betrekking hebben op een woning in een andere lidstaat, die zij persoonlijk als zodanig gebruiken, terwijl positieve inkomsten uit verhuur van een dergelijke woning wel in aanmerking zouden worden genomen.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/3 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 februari 2006 (verzoek van het VAT and Duties Tribunal, Manchester, om een prejudiciële beslissing) — University of Huddersfield Higher Education Corporation tegen Commissioners of Customs & Excise
(Zaak C-223/03) (1)
(Zesde BTW-richtlijn - Artikelen 2, punt 1, 4, leden 1 en 2, 5, lid 1, en 6, lid 1 - Economische activiteit - Levering van goederen - Dienstverrichtingen - Handelingen die enkel tot doel hebben belastingvoordeel te verkrijgen)
(2006/C 131/04)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
VAT and Duties Tribunal, Manchester
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: University of Huddersfield Higher Education Corporation
Verweerster: Commissioners of Customs & Excise
Voorwerp van de zaak
Verzoek om een prejudiciële beslissing — VAT and Duties Tribunal, Manchester — Uitlegging van richtlijn 77/388/EEG: Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag — Begrip levering van goederen en diensten die zijn onderworpen aan belasting over de toegevoegde waarde — Begrip economische activiteit — Huurovereenkomst en overeenkomst tot overdracht van huur met als enig doel belastingvoordeel te behalen
Dictum
Handelingen zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, zijn leveringen van goederen of dienstverrichtingen en een economische activiteit in de zin van de artikelen 2, punt 1, 4, leden 1 en 2, 5, lid 1, en 6, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, indien zij voldoen aan de objectieve criteria waarop genoemde begrippen zijn gebaseerd, zelfs wanneer zij zijn verricht met het uitsluitende doel een belastingvoordeel te verkrijgen, zonder ander economisch doel.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/3 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 23 februari 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Republiek Finland
(Zaak C-232/03) (1)
(Niet-nakoming - Werknemers - Vrij verkeer - Gebruik van in buitenland ingeschreven voertuigen die werknemer ter beschikking zijn gesteld door in buitenland wonende werkgever)
(2006/C 131/05)
Procestaal: Fins
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: D. Martin en I. Koskinen, gemachtigden)
Verweerster: Republiek Finland (vertegenwoordigers: A. Guimaraes-Purokoski en T. Pynnä, gemachtigden)
Interveniënt aan de zijde van verweerster: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: K. Manji, gemachtigde, en P. Whipple, barrister)
Voorwerp
Niet-nakoming — Artikelen 10 EG en 39 EG — Voorwaarden waaraan in Finland wonende en in het buitenland tewerkgestelde werknemers moeten voldoen om voertuigen te gebruiken die in het buitenland zijn ingeschreven en die hun door de werkgever ter beschikking zijn gesteld
Dictum
|
1) |
Door te beletten dat in Finland wonende en in een andere lidstaat tewerkgestelde grensarbeiders gebruik maken van in deze andere lidstaat ingeschreven dienstvoertuigen die hun die door hun in die andere lidstaat gevestigde werkgevers ter beschikking zijn gesteld, op de uitsluitende grond dat de betrokken grensarbeiders wonen op het Finse grondgebied, waarheen de aan hun werkgevers toebehorende voertuigen worden gebracht, en door de betrokken grensarbeiders te beletten voor beroepsdoeleinden en particuliere doeleinden gebruik te maken van de in een andere lidstaat ingeschreven bedrijfsvoertuigen die hun door hun in die andere lidstaat gevestigde werkgevers ter beschikking zijn gesteld, terwijl die voertuigen niet zijn bestemd om permanent vooral in Finland te worden gebruikt en de facto ook niet aldus worden gebruikt, op de uitsluitende grond dat de betrokken grensarbeiders wonen op het Finse grondgebied, waarheen de aan hun werkgevers toebehorende voertuigen worden gebracht, is de Republiek Finland de krachtens artikel 39 EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
3) |
Elke partij draagt de eigen kosten. |
|
4) |
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland draagt de eigen kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/4 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 23 februari 2006 (verzoek van het Bundesfinanzhof om een prejudiciële beslissing) — CLT-UFA SA tegen Finanzamt Köln-West
(Zaak C-253/03) (1)
(Vrijheid van vestiging - Fiscale wetgeving - Belasting over winst van vennootschappen)
(2006/C 131/06)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: CLT-UFA SA
Verweerder: Finanzamt Köln-West
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van de artikelen 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) en 58 EG-Verdrag (thans artikel 48 EG) — Nationale wettelijke regeling inzake belasting op winsten van vennootschappen — Belasting van vaste inrichtingen — Hoger belastingtarief voor de winsten van filialen van buitenlandse naamloze vennootschappen dan voor de winsten van dochtervennootschappen die aan de buitenlandse moedervennootschappen worden uitgekeerd
Dictum
|
1) |
De artikelen 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) en 58 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 48 EG) staan in de weg aan een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, volgens welke de winst van een filiaal van een vennootschap waarvan de zetel zich in een andere lidstaat bevindt, tegen een hoger tarief wordt belast dan de winst van een dochteronderneming van een dergelijke vennootschap, indien deze dochteronderneming haar winst volledig aan haar moederonderneming uitkeert. |
|
2) |
Het staat aan de nationale rechter, over het belastingtarief dat moet worden toegepast op de winst van een filiaal als aan de orde in het hoofdgeding, te oordelen aan de hand van het belastingtarief dat van toepassing zou zijn op de winst die door een dochteronderneming aan haar moederonderneming wordt uitgekeerd. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/4 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 februari 2006 (verzoek van het Oberste Gerichtshof om een prejudiciële beslissing) — Silvia Hosse tegen Land Salzburg
(Zaak C-286/03) (1)
(Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Artikel 4, lid 2 ter - Bijzondere niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties - Oostenrijkse uitkering ter dekking van risico van hulpbehoevendheid - Kwalificatie van uitkering en toelaatbaarheid van woonplaatsvoorwaarde gelet op verordening nr. 1408/71 - Persoon die van verzekerde afgeleid recht heeft)
(2006/C 131/07)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberste Gerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Silvia Hosse
Verweerder: Land Salzburg
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberste Gerichtshof — Uitlegging van artikel 4, lid 2 ter, en artikel 19 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB L 28, blz. 1), alsmede van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97 — Wettelijke regeling van een Bundesland (Salzburg) die de toekenning van een verzorgingsuitkering voor een gehandicapt kind, dat deel uitmaakt van het gezin van een werknemer, afhankelijk stelt van de woonplaats — Begrip bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie — Uitlegging van artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2) — Sociaal voordeel
Dictum
|
1) |
Een verzorgingsuitkering als die van het Salzburger Pflegegeldgesetz is geen bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 4, lid 2 ter, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, maar een prestatie bij ziekte in de zin van artikel 4, lid 1, sub a, van deze verordening. |
|
2) |
Het gezinslid van een werknemer die in het Land Salzburg werkt en met zijn gezin in Duitsland woont, kan, wanneer het aan de overige toekenningsvoorwaarden voldoet, bij het bevoegde orgaan van de plaats waar de werknemer werkt, aanspraak maken op een verzorgingsuitkering als die van het Salzburger Pflegegeldgesetz, als uitkering bij ziekte als bedoeld in artikel 19 van verordening nr. 1408/71, mits het gezinslid geen recht heeft op een vergelijkbare uitkering uit hoofde van de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan het woont. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/5 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 9 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk Spanje
(Zaak C-323/03) (1)
(Niet-nakoming - Verordening (EEG) nr. 3577/92 - Cabotage in het zeevervoer - Toepasbaarheid op passagiersvervoerdiensten in Ría de Vigo - Concessie voor twintig jaar ten gunste van één exploitant - Verenigbaarheid - Mogelijkheid om openbaredienstcontracten te sluiten of openbaredienstverplichtingen op te leggen - Standstillclausule)
(2006/C 131/08)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: I. Martínez del Peral en K. Simonsson, gemachtigden)
Verweerder: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordigers: L. Fraguas Gadea en J. M. Rodríguez Cárcamo)
Voorwerp
Niet-nakoming — Schending van de artikelen 1, 4, 7 en 9 van verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer) (PB L 364, blz. 7) en van EG-Verdrag — Nationale regeling op grond waarvan voor zeevervoersdiensten in de Ría de Vigo gedurende twintig jaar aan één reder een concessie mag worden verleend en die voorziet in een restrictievere regeling waaronder openbaredienstverplichtingen gelden
Dictum
|
1) |
Door een wettelijke regeling te handhaven:
heeft het Koninkrijk Spanje de artikelen 1, 4 en 9 van verordening (EEG) nr. 3577/92 van de Raad van 7 december 1992 houdende toepassing van het beginsel van het vrij verrichten van diensten op het zeevervoer binnen de lidstaten (cabotage in het zeevervoer), geschonden en is het de krachtens deze verordening op hem rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
Het beroep wordt voor het overige verworpen. |
|
3) |
Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/5 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 23 februari 2006 (verzoeken van het Tribunale di Cagliari, sezione civile om een prejudiciële beslissing) — Giuseppe Atzeni e.a. (C-346/03), Marco Scalas, Renato Lilliu (C-529/03) tegen Regione autonoma della Sardegna
(Gevoegde zaken C-346/03 en C-529/03) (1)
(Steunmaatregelen van Staten - Beschikking 97/612/EG - Toekenning van leningen aan landbouwbedrijven - Artikel 92, leden 2, sub b, en 3, sub a en c, EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 87, leden 2, sub b, en 3, sub a en c, EG) - Ontvankelijkheid - Rechtsgrondslag - Gewettigd vertrouwen)
(2006/C 131/09)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale di Cagliari, sezione civile
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekers: Giuseppe Atzeni e.a., Marco Scalas, Renato Lilliu
Verweersters: Regione autonoma della Sardegna
Voorwerp van de zaak
Verzoeken van om een prejudiciële beslissing — Tribunale civile e penale di Cagliari — Geldigheid van beschikking 97/612/EG van de Commissie van 16 april 1997 waarbij door de regio Sardinië in de landbouwsector verleende steun onwettig is verklaard (PB L 248, blz. 27)
Dictum
Bij onderzoek van beschikking 97/612/EG van de Commissie van 16 april 1997 betreffende door de regio Sardinië (Italië) verleende steun in de landbouwsector is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van deze beschikking kunnen aantasten.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/6 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 9 maart 2006 (verzoek van het Oberlandesgericht Köln om een prejudiciële beslissing) — Siegfried Aulinger tegen Bundesrepublik Deutschland
(Zaak C-371/03) (1)
(Buitenlands beleid en veiligheidsbeleid - Gemeenschappelijke handelspolitiek - Embargo tegen de Republieken Servië en Montenegro - Verordening (EEG) nr. 1432/92 - Personenvervoer)
(2006/C 131/10)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Köln
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeker: Siegfried Aulinger
Verweerster: Bundesrepublik Deutschland
Voorwerp van de zaak
Verzoek om prejudiciële beslissing — Oberlandesgericht Köln — Uitlegging van artikel 1, sub d, van verordening (EEG) Nr. 1432/92 van de Raad van 1 juni 1992 houdende verbod op handel tussen Europese Economische Gemeenschap en Republieken Servië en Montenegro (PB L 151, blz. 4) — Al dan geen verbod van vervoer van personen naar of vanaf grenzen met Servië en Montenegro
Dictum
Artikel 1, sub d, van verordening (EEG) nr. 1432/92 van de Raad van 1 juni 1992 houdende een verbod op de handel tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republieken Servië en Montenegro, moet aldus worden uitgelegd, dat het vervoer van personen op commerciële basis naar respectievelijk uit de Republieken Servië en Montenegro in de vorm van gefragmenteerd vervoer verboden was.
Onder „gefragmenteerd vervoer” moet worden verstaan het vervoer van personen naar respectievelijk uit het embargogebied bij wege van samenwerking tussen een in een lidstaat gevestigde onderneming en een in het embargogebied gevestigde onderneming, waarbij de eerste zorg draagt voor het vervoer naar en vanaf een plaats nabij de grens met het embargogebied en de laatste voor het vervoer vanaf die plaats naar het embargogebied en omgekeerd (met overstap door de reizigers).
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/6 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 23 februari 2006 (verzoek van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch om een prejudiciële beslissing) — Erven van M. E. A. van Hilten-van der Heijden tegen Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Buitenland te Heerlen
(Zaak C-513/03) (1)
(Kapitaalverkeer - Artikel 73 B, lid 1, EG-Verdrag (thans artikel 56, lid 1, EG) - Successiebelasting - Juridische fictie volgens welke onderdaan van lidstaat die binnen tien jaar na deze lidstaat te hebben verlaten overlijdt, wordt geacht daar op moment van overlijden te hebben gewoond - Derde staat)
(2006/C 131/11)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Gerechtshof te 's-Hertogenbosch
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekers: Erven van M. E. A. van Hilten-van der Heijden
Verweerder: Inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Buitenland te Heerlen
Voorwerp
Verzoek om prejudiciële beslissing — Gerechtshof te 's-Hertogenbosch –Uitlegging van artikelen 57, lid 1, EG, en 58, lid 3, EG en van als bijlage bij Slotakte van Maastricht gevoegde Verklaring (nr. 7) betreffende artikel 58 (voorheen artikel 73 D) van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap — Belastingbepaling van lidstaat terzake van successierechten volgens welke een onderdaan van deze lidstaat die in deze staat heeft gewoond en binnen tien jaren nadat hij het nationale grondgebied heeft verlaten, is overleden, voor de toepassing van genoemde rechten als ingezetene wordt aangemerkt — Onderdaan die ten tijde van overlijden in derde land woont
Dictum
Artikel 73 B EG-Verdrag (thans artikel 56 EG) moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde, krachtens welke de nalatenschap van een onderdaan van die lidstaat die is overleden binnen tien jaar nadat hij die lidstaat metterwoon heeft verlaten, wordt belast alsof die onderdaan in diezelfde staat was blijven wonen, maar onder aftrek van de door andere staten geheven successierechten.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/7 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 23 maart 2006 (verzoek van de High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Administrative Court), om een prejudiciële beslissing) — Unitymark Ltd, North Sea Fishermen's Organisation tegen Department for Environment, Food and Rural Affairs
(Zaak C-535/03) (1)
(Visserij - Kabeljauw - Beperking van visserij-inspanning - Open boomkorren - Evenredigheidsbeginsel en non-discriminatiebeginsel)
(2006/C 131/12)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Administrative Court)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Unitymark Ltd, North Sea Fishermen's Organisation, The Queen
Verweerder: Department for Environment, Food and Rural Affairs
Voorwerp van de zaak
Verzoek om een prejudiciële beslissing — High Court of Justice (England & Wales), Queen's Bench Division (Administrative Court) — Geldigheid van punten 4, sub b, en 6, sub a, van bijlage XVII bij verordening (EG) nr. 2341/2002 van de Raad van 20 december 2002 tot vaststelling, voor 2003, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften; geldigheid van artikel 1 van beschikking nr. 2003/185/EG van de Commissie van 14 maart 2003 tot toekenning aan sommige lidstaten van bijkomende buitengaats doorgebrachte dagen overeenkomstig bijlage XVII van verordening (EG) nr. 2341/2002 van de Raad — Verenigbaarheid met de artikelen 28, 29, 33 en 34 EG — Evenredigheids- en niet-discriminatiebeginselen — Fundamentele vrijheid om handel te drijven
Dictum
Bij de behandeling van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten en omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van
|
— |
de punten 4, sub b, en 6, sub a, van bijlage XVII bij verordening (EG) nr. 2341/2002 van de Raad van 20 december 2002 tot vaststelling, voor 2003, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Gemeenschap en, voor vaartuigen van de Gemeenschap, in andere wateren met vangstbeperkingen van toepassing zijn, en tot vaststelling van de bij de visserij in acht te nemen voorschriften; |
|
— |
de punten 4, sub b, en 6, sub a, van dezelfde bijlage, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 671/2003 van de Raad van 10 april 2003, |
|
— |
artikel 1 van beschikking 2003/185/EG van de Commissie van 14 maart 2003 tot toekenning aan sommige lidstaten van bijkomende buitengaats doorgebrachte dagen overeenkomstig bijlage XVII van verordening nr. 2341/2002. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/8 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 23 februari 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk Spanje
(Zaak C-546/03) (1)
(Niet-nakoming - Eigen middelen van Gemeenschappen - Douanewetboek - Procedures tot inning van rechten bij in- of uitvoer - Tardieve storting van uit deze rechten voortvloeiende eigen middelen en niet-betaling van vertragingsrente)
(2006/C 131/13)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Diaz-Llanos La Roche en G. Wilms, gemachtigden)
Verweerder: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: M. Muñoz Pérez, gemachtigde)
Interveniënten aan de zijde van verweerder: Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordiger: J. Molde, gemachtigde), Republiek Finland (vertegenwoordiger: A. Guimaraes-Purokoski, gemachtigde), Koninkrijk Zweden (vertegenwoordiger: K. Wistrand, gemachtigde)
Voorwerp
Niet-nakoming — Artikel 220 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), en artikel 5 van verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer (PB L 186, blz. 1) — Tardieve storting van deel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen in geval van navordering van douanerechten — Weigering van betaling van als gevolg van vertraging bij boeking op rekening van Commissie verschuldigde vertragingsrente
Dictum
|
1) |
is het Koninkrijk Spanje de krachtens het samenstel van deze bepalingen op hem rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten. |
|
3) |
Het Koninkrijk Denemarken, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden dragen de eigen kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/8 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 16 maart 2006 (verzoek van de Rechtbank Utrecht om een prejudiciële beslissing) — Poseidon Chartering BV tegen Marianne Zeeschip VOF, Albert Mooij, Sjoerdtje Sijswerda, Gerrit Schram
(Zaak C-3/04) (1)
(Richtlijn 86/653/EEG - Zelfstandige handelsagenten - Begrip handelsagent - Sluiting en verlenging van slechts één overeenkomst gedurende meerdere jaren)
(2006/C 131/14)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Utrecht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Poseidon Chartering BV
Verweerders: Marianne Zeeschip VOF, Albert Mooij, Sjoerdtje Sijswerda, Gerrit Schram
Voorwerp
Verzoek om prejudiciële beslissing — Rechtbank Utrecht — Uitlegging van artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB L 382, blz. 17) — Begrip handelsagent — Zelfstandige tussenpersoon die op commissiebasis voor een reder heeft onderhandeld over een tijdbevrachtingovereenkomst alsmede de jaarlijkse verlening daarvan
Dictum
Artikel 1, lid 2, van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een zelfstandige tussenpersoon belast is geweest met het sluiten van slechts één overeenkomst, die nadien gedurende meerdere jaren is verlengd, de in die bepaling gestelde voorwaarde van permanent belast-zijn vereist dat de principaal die tussenpersoon heeft belast met het bemiddelen bij de achtereenvolgende verlengingen van die overeenkomst.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/9 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 9 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
(Zaak C-65/04) (1)
(Niet-nakoming - EGA-Verdrag - Werkingssfeer - Richtlijn 89/618/Euratom - Bescherming van gezondheid - Ioniserende straling - Gebruik van kernenergie voor militaire doeleinden - Reparatie van kernonderzeeër)
(2006/C 131/15)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: L. Ström van Lier en J. Grunwald, gemachtigden)
Verweerder: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: C. Jackson en C. Gibbs, bijgestaan door D. Wyatt, QC, en S. Tromans, barrister)
Interveniënte: Franse Republiek (vertegenwoordigers: R. Abraham, G. de Bergues, E. Puisais en C. Jurgensen, gemachtigden)
Voorwerp van de zaak
Niet-nakoming — Schending van artikel 5, lid 3, van richtlijn 89/618/Euratom van de Raad van 27 november 1989 betreffende de informatie van de bevolking over de bij stralingsgevaar toepasselijke maatregelen ter bescherming van de gezondheid en over de alsdan te volgen gedragslijn (PB L 357, blz. 31)
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten. |
|
3) |
De Franse Republiek draagt haar eigen kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/9 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 23 februari 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Europees Parlement en Raad van de Europese Unie
(Zaak C-122/04) (1)
(Bevoegdheden van Commissie - Voorwaarden voor uitoefening van uitvoeringsbevoegdheden - Uitvoering van programma Forest Focus)
(2006/C 131/16)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: C.F. Durand en M. van Beek, gemachtigden)
Verweerders: Europees Parlement (vertegenwoordigers: K. Bradley en M. Gómez-Leal), Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: I. Díez Parra en M. Balta, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van verweerders: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: M. Muñoz Pérez, gemachtigde), Republiek Finland, (vertegenwoordiger: T. Pynnä, gemachtigde)
Voorwerp van de zaak
Nietigverklaring van artikel 17, lid 2, van verordening (EG) nr. 2152/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van bossen en milieu-interacties in de Gemeenschap (Forest Focus) (PB L 324, blz. 1), voorzover de vaststelling van de uitvoeringsmaatregelen van het programma Forest Focus daarbij wordt onderworpen aan de regelgevingsprocedure van artikel 5 van besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (PB L 184, blz. 23) — Beperking van de keuze van de Raad tussen procedures waarin besluit 1999/468/EG voorziet
Dictum
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
De Commissie van de Europese Gemeenschappen wordt verwezen in de kosten. |
|
3) |
Het Koninkrijk Spanje en de Republiek Finland dragen hun eigen kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/10 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 16 februari 2006 (verzoek van het Regeringsrätt om een prejudiciële beslissing) — Amy Rockler tegen Försäkringskassan, voorheen Riksförsäkringsverket
(Zaak C-137/04) (1)
(Vrij verkeer van werknemers - Ambtenaren en personeelsleden van Europese Gemeenschappen - Ouderschapstoelagen - Inaanmerkingneming van tijdvak van aansluiting bij gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van Europese Gemeenschappen)
(2006/C 131/17)
Procestaal: Zweeds
Verwijzende rechter
Regeringsrätt
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Amy Rockler
Verweerster: Försäkringskassan, voorheen Riksförsäkringsverket
Voorwerp van de zaak
Verzoek om prejudiciële beslissing — Regeringsrätt — Uitlegging van artikel 39 EG — Recht op ouderschapstoelage („föräldrapenning”) — Niet-inaanmerkingneming van tijdvak van aansluiting bij gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering overeenkomstig Statuut van ambtenaren van Europese gemeenschappen
Dictum
Artikel 48 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 39 EG) moet aldus worden uitgelegd dat in geval van toepassing van een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, rekening moet worden gehouden met het tijdvak waarin een werknemer onder het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de Europese Gemeenschappen viel.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/10 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 14 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Franse Republiek
(Zaak C-177/04) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijn 85/374/EEG - Aansprakelijkheid voor producten met gebreken - Arrest van Hof waarbij niet-nakoming is vastgesteld - Niet-uitvoering - Artikel 228 EG - Financiële sancties - Gedeeltelijke uitvoering van arrest in loop van geding)
(2006/C 131/18)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Valero Jordana en B. Stromsky, gemachtigden)
Verweerster: Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues en R. Loosli, gemachtigden)
Voorwerp van de zaak
Niet-nakoming — Niet-uitvoering van arrest Hof van 25 april 2002 in zaak C-52/00 inzake onjuiste omzetting van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken (PB L 210, blz. 29) — Uitblijven van wijziging van Franse code civil — Vordering om dwangsom op te leggen
Dictum
|
1) |
Door nog steeds de leverancier van het gebrekkige product onder dezelfde voorwaarden als de producent aansprakelijk te achten wanneer niet kan worden vastgesteld wie de producent is, hoewel de leverancier de gelaedeerde binnen een redelijke termijn heeft meegedeeld wie hem het product heeft geleverd, heeft de Franse Republiek niet de maatregelen genomen die nodig zijn voor de volledige uitvoering van het arrest van 25 april 2002, Commissie/Frankrijk (C-52/00), wat de omzetting betreft van artikel 3, lid 3, van richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, en is zij derhalve de krachtens artikel 228 EG op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
De Franse Republiek wordt veroordeeld om aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen op de rekening „Eigen middelen van de Europese Gemeenschap” een dwangsom te betalen van 31 650 EUR per dag vertraging bij het nemen van de maatregelen die nodig zijn voor de volledige en algehele uitvoering van het arrest Commissie/Frankrijk van 25 april 2002, vanaf de datum van uitspraak van het onderhavige arrest tot de volledige uitvoering van het arrest van 25 april 2002. |
|
3) |
De Franse Republiek wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/11 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 16 februari 2006 (verzoek van het Länsrätt i Stockholms län om een prejudiciële beslissing) — Ulf Öberg tegen Försäkringskassan, länskontoret Stockholm, voorheen Stockholms läns allmänna försäkringskassa
(Zaak C-185/04) (1)
(Vrij verkeer van werknemers - Ambtenaren en personeelsleden van de Europese Gemeenschappen - Ouderschapstoelagen - Inaanmerkingneming van tijdvak van aansluiting bij gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van Europese Gemeenschappen)
(2006/C 131/19)
Procestaal: Zweeds
Verwijzende rechter
Länsrätt i Stockholms län
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeker: Ulf Öberg
Verweerder: Försäkringskassan, länskontoret Stockholm, voorheen Stockholms läns allmänna försäkringskassa
Voorwerp van de zaak
Verzoek om prejudiciële beslissing — Länsrätten in Stockholms län — Uitlegging van de artikelen 12, 17, lid 2, 18 en 39 EG en artikel 7, leden 1 en 2, van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2) en van richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof (PB L 145, blz. 4) — Recht op ouderschapstoelage (föräldrapenning) — Niet-inachtneming van tijdvak van aansluiting bij gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering overeenkomstig het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen
Dictum
Artikel 39 EG moet aldus worden uitgelegd dat in geval van toepassing van een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, rekening moet worden gehouden met het tijdvak waarin een werknemer onder het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering van de Europese Gemeenschappen viel.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/11 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 23 februari 2006 (verzoek van het Hof van Beroep te Antwerpen om een prejudiciële beslissing) — Belgische Staat tegen Molenbergnatie NV
(Zaak C-201/04) (1)
(Communautair douanewetboek - Navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer - Verplichting om bedrag van verschuldigde rechten aan schuldenaar mee te delen onmiddellijk na boeking ervan en vóór verstrijken van termijn van drie jaar vanaf datum van ontstaan van schuld - Begrip „geëigende wijze”)
(2006/C 131/20)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hof van Beroep te Antwerpen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeker: Belgische Staat
Verweerster: Molenbergnatie NV
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hof van Beroep te Antwerpen — Uitlegging van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1) — Toepassing in de tijd — Invordering van een douaneschuld die is ontstaan vóór de toepasselijkheid van de verordening — Uitlegging van artikel 221 van het communautair douanewetboek — Verplichting tot mededeling aan de schuldenaar van het bedrag van de door hem verschuldigde rechten onmiddellijk na boeking ervan en binnen een termijn van maximaal drie jaar vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan
Dictum
|
1) |
Alleen de procedureregels van de artikelen 217 tot en met 232 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zijn van toepassing op de na 1 januari 1994 aangevatte invordering van een douaneschuld die vóór deze datum is ontstaan. |
|
2) |
Artikel 221, lid 1, van verordening nr. 2913/92 eist dat het bedrag aan rechten bij invoer of bij uitvoer wordt geboekt alvorens het aan de schuldenaar wordt medegedeeld. |
|
3) |
Bij het verstrijken van de in artikel 221, lid 3, van verordening nr. 2913/92 gestelde termijn verjaart de actie tot invordering van de douaneschuld, onverminderd de in dit artikel vastgestelde uitzondering, hetgeen gelijkstaat met de verjaring en dus met het tenietgaan van de schuld zelf. Gelet op deze aldus geformuleerde regel dient artikel 221, lid 3, anders dan de leden 1 en 2 van dit artikel, als een materiële bepaling te worden aangemerkt, en kan het derhalve niet worden toegepast op de invordering van een douaneschuld die vóór 1 januari 1994 is ontstaan. Wanneer de douaneschuld vóór 1 januari 1994 is ontstaan, kan zij alleen onder de op dat tijdstip geldende verjaringsregels vallen, ook al is de procedure tot invordering van de schuld na 1 januari 1994 aangevat. |
|
4) |
De lidstaten zijn niet verplicht, specifieke procedureregels vast te stellen betreffende de wijze waarop het bedrag van de rechten bij invoer of bij uitvoer aan de schuldenaar dient te worden meegedeeld, wanneer op deze mededeling interne procedureregels van algemene strekking kunnen worden toegepast die de schuldenaar passende informatie waarborgen en hem in staat stellen zijn rechten met kennis van zaken te verdedigen. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/12 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 23 februari 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk Spanje
(Zaak C-205/04) (1)
(Niet-nakoming - Vrij verkeer van werknemers - Betrekking in overheidsdienst - Niet-inaanmerkingneming van in andere lidstaten in overheidsdienst verworven anciënniteit en beroepservaring - Artikel 39 EG - Artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68)
(2006/C 131/21)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: G. Rozet, gemachtigde)
Verweerder: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: N. Díaz Abad, gemachtigde)
Voorwerp
Niet-nakoming — Artikel 39 EG en artikel 7 van verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB L 257, blz. 2) — Toegang tot Spaanse overheidsdienst — Verplichting tot erkenning uit economisch oogpunt van door gemeenschapsonderdanen in een andere lidstaat in overheidsdienst verrichte diensten.
Dictum
|
1) |
Door geen wettelijke bepalingen vast te stellen die in de Spaanse overheidsdienst expliciet voorzien in de erkenning, wat de geldelijke gevolgen betreft, van door gemeenschapsonderdanen eerder in een andere lidstaat in overheidsdienst vervulde diensttijdvakken, is het Koninkrijk Spanje de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens artikel 39 EG en artikel 7 van verordening (EEG) nr.1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. |
|
2) |
Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/13 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 23 maart 2006 — Mülhens GmbH & Co. KG tegen Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Zirh International Corp.
(Zaak C-206/04 P) (1)
(Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 - Verwarringsgevaar - Woordmerk ZIRH - Oppositie door houder van gemeenschapsmerk SIR)
(2006/C 131/22)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekster: Mülhens GmbH & Co. KG (vertegenwoordigers: T. Schulte-Beckhausen en C. Musiol, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: S. Laitinen en A. von Mühlendahl, gemachtigden),
Zirh International Corp. (vertegenwoordiger: L. Kouker, advocaat)
Voorwerp van de zaak
Hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 3 maart 2004, Mülhens/BHIM (T-355/02), houdende verwerping van het beroep tot vernietiging van de beslissing tot afwijzing van de door de houder van een ouder merk ingestelde oppositie tegen de inschrijving van een merk — Overeenstemming van de merken — Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 11, blz. 1)
Dictum
|
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
|
2) |
Mülhens GmbH & Co. KG wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/13 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 23 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Republiek Oostenrijk
(Zaak C-209/04) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijn 79/409/EEG - Behoud van vogelstand - Kwartelkoning - Specialebeschermingszone van Oostenrijks beschermd landschapsgebied Lauteracher Ried - Uitsluiting van gebieden Soren en Gleggen-Köblern - Richtlijn 92/43/EEG - Behoud van natuurlijke habitats - Wilde flora en fauna - Procedure betreffende bouwplan of -project - Procedure tot vaststelling van tracé van snelweg - Milieueffectbeoordelingsprocedure - Procedurele schendingen in verband met project tot bouw op Oostenrijks grondgebied van federale snelweg S 18 - Toepassing in tijd van richtlijn 92/43)
(2006/C 131/23)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. van Beek en B. Schima, gemachtigden)
Verweerster: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordigers: E. Riedl, J. Müller en K. Humer, gemachtigden)
Voorwerp
Niet-nakoming — Schending van artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 103, blz. 1) en van artikel 6, lid 4, juncto artikel 7 van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7) — Afbakening van de speciale beschermingszone „Lauteracher Ried” op basis van onjuiste wetenschappelijke criteria, waardoor ten onrechte zijn uitgesloten de deelgebieden „Soren” en „Gleggen-Köblern”, die belangrijk zijn voor de bescherming van de kwartelkoning (crex crex) en andere in weiden nestelende trekvogels — Toestemming voor geplande wegenbouw die negatieve gevolgen voor deze zone kan hebben, zonder dat verplichtingen voortvloeiend uit artikel 6, lid 4, van richtlijn 92/43/EEG in acht zijn genomen
Dictum
|
1) |
Door de gebieden Soren en Gleggen-Köblern niet op te nemen in het als specialebeschermingszone aangewezen nationale beschermd landschapsgebied Lauteracher Ried, ook al behoren zij volgens wetenschappelijke criteria samen met deze specialebeschermingszone tot de naar aantal en oppervlakte meest geschikte gebieden overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/49/EG van de Commissie van 29 juli 1997, is de Republiek Oostenrijk de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
3) |
De Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Republiek Oostenrijk dragen elk hun eigen kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/14 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 23 maart 2006 (verzoek van de Corte suprema di cassazione om een prejudiciële beslissing) — Ministero dell'Economia e delle Finanze, Agenzia delle Entrate tegen FCE Bank plc
(Zaak C-210/04) (1)
(Zesde BTW-richtlijn - Artikelen 2 en 9 - Vaste inrichting - Niet-ingezeten vennootschap - Rechtsverhouding - Overeenkomst over toerekening van kosten - OESO-Verdrag tot vermijding van dubbele belasting - Begrip „belastingplichtige” - Dienst onder bezwarende titel - Bestuurspraktijk)
(2006/C 131/24)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte suprema di cassazione
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekers: Ministero dell'Economia e delle Finanze, Agenzia delle Entrate
Verweerster: FCE Bank plc
Voorwerp van de zaak
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Corte suprema di cassazione — Uitlegging van de artikelen 2, punt 1, en 9, lid 1, van de Zesde BTW-richtlijn (77/388/EEG) — Als productie-eenheid georganiseerd filiaal van een vennootschap die haar zetel in een andere lidstaat heeft — Mogelijkheid om het filiaal als een zelfstandig rechtsobject te beschouwen en daarop het arm's length-criterium toe te passen zoals dat is geformuleerd in het OESO-modelverdrag tot het vermijden van dubbele belastingheffing
Dictum
De artikelen 2, punt 1, en 9, lid 1, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moeten aldus worden uitgelegd dat een in een andere lidstaat gevestigde vaste inrichting die geen eigen rechtspersoon is ten opzichte van de vennootschap waarvan zij deel uitmaakt, en waaraan de vennootschap diensten levert, niet als een belastingplichtige moet worden beschouwd op grond van de kosten die haar voor deze diensten in rekening worden gebracht.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/14 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 16 maart 2006 (verzoek van het Landesgericht Innsbruck om een prejudiciële beslissing) — Rosmarie Kapferer tegen Schlank & Schick GmbH
(Zaak C-234/04) (1)
(Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Uitlegging van artikel 15 - Bevoegdheid ter zake van door consumenten gesloten overeenkomsten - Prijstoezegging - Misleidende reclame - Rechterlijke beslissing over bevoegdheid - Kracht van gewijsde - Heropening in hoger beroep - Rechtszekerheid - Voorrang van gemeenschapsrecht - Artikel 10 EG)
(2006/C 131/25)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landesgericht Innsbruck
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Rosmarie Kapferer
Verweerster: Schlank & Schick GmbH
Voorwerp van de zaak
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Landesgericht Innsbruck — Uitlegging van artikel 10 EG — Verplichting van een in hoger beroep rechtsprekende instantie om definitieve rechterlijke beslissing in eerste aanleg over bevoegdheid opnieuw te onderzoeken in geval van schending van het gemeenschapsrecht — Uitlegging van artikel 15, lid 1, sub c, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12, blz. 1) — Nationale wettelijke regeling inzake consumentenbescherming volgens welke de ontvanger van misleidende reclame recht heeft op een prijs die deze beweerdelijk heeft gewonnen
Dictum
Het uit artikel 10 EG voortvloeiende samenwerkingsbeginsel gebiedt een nationale rechter niet, nationale procedureregels buiten toepassing te laten teneinde een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing te onderzoeken en te vernietigen wanneer deze in strijd met het gemeenschapsrecht blijkt te zijn.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/15 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 23 maart 2006 (verzoek van het Tribunale civile e penale di Cagliari om een prejudiciële beslissing) — Enirisorse SpA tegen Sotacarbo SpA
(Zaak C-237/04) (1)
(Staatssteun - Artikelen 87 EG en 88 EG - Begrip „steun” - Deelneming van openbaar bedrijf in kapitaal van particulier bedrijf - Recht van uittreding onder voorbehoud van voorafgaande afstand van alle rechten op vermogen van vennootschap)
(2006/C 131/26)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale civile e penale di Cagliari
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Enirisorse SpA
Verweerster: Sotacarbo SpA
Voorwerp
Verzoek om prejudiciële beslissing — Tribunale di Cagliari — Uitlegging van artikelen 87 EG en 88, lid 3, EG — Begrip staatssteun — Openbaar bedrijf dat deelneming in kapitaal van particulier bedrijf heeft genomen — Verenigbaarheid met artikelen 43 EG en 49 EG van nationale regeling waarin deze deelneming wordt toegestaan
Dictum
Een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, die de vennoten van een door de staat gecontroleerde vennootschap een van het gemeen recht afwijkende bevoegdheid toekent om uit deze vennootschap te treden op voorwaarde dat zij afzien van alle rechten op het vennootschapsvermogen, kan niet als staatssteun in de zin van artikel 87 EG worden aangemerkt.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/15 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 9 maart 2006 (verzoek van het Gerechtshof te Amsterdam om een prejudiciële beslissing) — Beemsterboer Coldstore Services BV tegen Inspecteur der Belastingdienst — Douanedistrict Arnhem
(Zaak C-293/04) (1)
(Navordering van rechten bij invoer of bij uitvoer - Artikel 220, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 - Toepassing ratione temporis - Systeem van administratieve samenwerking waarbij instanties van derde land zijn betrokken - Begrip „onjuist certificaat” - Bewijslast)
(2006/C 131/27)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Gerechtshof te Amsterdam
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Beemsterboer Coldstore Services BV
Verweerder: Inspecteur der Belastingdienst — Douanedistrict Arnhem
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Gerechtshof te Amsterdam — Uitlegging van artikel 220, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000 (PB L 311, blz. 17) — Navordering van rechten die voortvloeien uit vóór inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 2700/2000 ontstane douaneschuld voor importeur die certificaten van oorsprong EUR.1 heeft overgelegd, waaruit oorsprong van goederen blijkt die niet kon worden bevestigd bij controle achteraf
Dictum
|
1) |
Artikel 220, lid 2, sub b, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, is van toepassing op een douaneschuld die is ontstaan én is nagevorderd vóór de inwerkingtreding van deze verordening. |
|
2) |
Wanneer bij een controle achteraf de in een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 vermelde oorsprong van de goederen niet meer kan worden bevestigd, moet dat certificaat worden aangemerkt als een „onjuist certificaat” in de zin van artikel 220, lid 2, sub b, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000. |
|
3) |
Wie zich beroept op artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, moet de nodige bewijzen ter onderbouwing van zijn vordering overleggen. Zo moeten in beginsel de douaneautoriteiten die op grond van dat artikel 220, lid 2, sub b, derde alinea, initio, douanerechten willen navorderen, bewijzen dat de afgifte van de onjuiste certificaten te wijten is aan de onjuiste weergave van de feiten door de exporteur. Wanneer het voor de douaneautoriteiten wegens een uitsluitend aan de exporteur toe te rekenen nalatigheid echter onmogelijk is, te bewijzen dat het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is opgesteld op basis van een juiste dan wel onjuiste weergave van de feiten door deze laatste, moet de belastingschuldige bewijzen dat dit door de autoriteiten van het derde land afgegeven certificaat op een juiste weergave van de feiten was gebaseerd. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/16 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 16 februari 2006 (verzoek van de Juzgado de lo Social de Madrid om een prejudiciële beslissing) — Carmen Sarkatzis Herrero tegen Instituto Madrileño de la Salud (Imsalud)
(Zaak C-294/04) (1)
(Richtlijn 76/207/EEG - Gelijke behandeling van mannen en vrouwen - Zwangerschapsverlof - Toegang tot loopbaan van ambtenaar - Tijdelijk functionaris met zwangerschapsverlof die in vaste dienst treedt na te zijn geslaagd voor een vergelijkend examen - Berekening van diensttijd)
(2006/C 131/28)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Juzgado de lo Social de Madrid
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Carmen Sarkatzis Herrero
Verweerder: Instituto Madrileño de la Salud (Imsalud)
Voorwerp van de zaak
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Juzgado de lo Social de Madrid –Communautaire regeling inzake zwangerschapsverlof en gelijkheid van behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces — Rechten van de vrouw tijdens haar zwangerschapsverlof — Verwerving van de hoedanigheid van ambtenaar en de daaraan verbonden rechten — Tijdelijk ambtenaar met zwangerschapsverlof op het ogenblik dat zij in vaste dienst treedt
Dictum
Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, verzet zich tegen een nationale wetgeving die aan een vrouwelijke werknemer die met zwangerschapsverlof is voor wat betreft de toegangsvoorwaarden voor de loopbaan van ambtenaar niet dezelfde rechten toekent als die welke zijn toegekend aan andere geslaagden voor hetzelfde vergelijkende aanwervingsexamen, door de indiensttreding te verschuiven naar de datum waarop dit verlof eindigt zonder voor de berekening van de diensttijd van deze werknemer rekening te houden met de duur van dit verlof.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/17 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 16 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk Spanje
(Zaak C-332/04) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijn 85/337/EEG zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG - Milieu-effectbeoordeling van projecten - Samenhang tussen factoren die direct of indirect effecten kunnen ondervinden - Verplichting tot bekendmaking van effectverklaring - Beoordeling beperkt tot stadsontwikkelingsprojecten buiten stedelijke zones - Project voor bouw van vrijetijdscentrum te Paterna)
(2006/C 131/29)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Valero Jordana en F. Simonetti, gemachtigden)
Verweerder: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: M. Muñoz Pérez, gemachtigde)
Voorwerp
Niet-nakoming — Niet-volledige/onjuiste omzetting van de artikelen 3, 9, lid 1, en van punt 10, sub b, van bijlage II bij richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 175, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (PB L 73, blz. 5) — Niet-toepassing van de in artikel 3 van richtlijn 97/11/EG vastgestelde overgangsregeling — Verzuim om project voor bouw van vrijetijdscentrum te Paterna (Valencia) aan beoordeling te onderwerpen
Dictum
|
1) |
Door artikel 3 van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997, niet volledig om te zetten, door artikel 9, lid 1, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, niet om te zetten, door de in artikel 3 van richtlijn 97/11 vastgestelde overgangsregeling niet na te leven, door punt 10, sub b, van bijlage II junctis de artikelen 2, lid 1, en 4, lid 2, van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, niet correct om te zetten, en door het project voor de bouw van een vrijetijdscentrum te Paterna niet aan een effectbeoordeling te onderwerpen en aldus de artikelen 2, lid 1, 3, 4, lid 2, 8 en 9 van richtlijn 85/337, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11, niet toe te passen, is het Koninkrijk Spanje de krachtens deze richtlijnen op hem rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
Het Koninkrijk Spanje wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/17 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 9 maart 2006 (verzoek van de Audiencia Provincial de Barcelona om een prejudiciële beslissing) — Matratzen Concord AG tegen Hukla Germany SA
(Zaak C-421/04) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Artikel 3, lid 1, sub b en c, van richtlijn 89/104/EEG - Weigeringsgrond voor inschrijving - Artikelen 28 EG en 30 EG - Vrij verkeer van goederen - Maatregel van gelijke werking - Rechtvaardiging - Bescherming van industriële en commerciële eigendom - In lidstaat ingeschreven nationaal woordmerk - Merk bestaande uit een leenwoord uit een taal van een andere lidstaat waarin het lidstaat onderscheidend vermogen mist en/of beschrijvend is voor de waren waarvoor het merk is ingeschreven)
(2006/C 131/30)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Audiencia Provincial de Barcelona
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Matratzen Concord AG
Verweerster: Hukla Germany SA
Voorwerp van de zaak
Uitlegging van artikel 30 EG — Bescherming van industriële en commerciële eigendom — Verkapte beperking van de handel tussen lidstaten op grond van een nationaal woordmerk gevormd door een woord dat in de taal van een andere lidstaat beschrijvend is voor de betrokken waren („matratzen”)
Dictum
Artikel 3, lid 1, sub b en c, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, verzet zich niet ertegen dat een leenwoord uit een taal van een andere lidstaat, waarin het onderscheidend vermogen mist of beschrijvend is voor de waren of diensten waarvoor de inschrijving is aangevraagd, in een lidstaat als nationaal merk wordt ingeschreven, tenzij de betrokken kringen in de lidstaat waar de inschrijving is aangevraagd, in staat zijn om de betekenis van dat woord vast te stellen.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/18 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 9 maart 2006 (verzoek van Hof van Cassatie van België om een prejudiciële beslissing) — Strafzaak tegen Leopold Henri van Esbroeck
(Zaak C-436/04) (1)
(Overeenkomst ter uitvoering van Schengenakkoord - Artikelen 54 en 71 - Beginsel ne bis in idem - Toepassing ratione temporis - Begrip „dezelfde feiten” - Invoer en uitvoer van verdovende middelen waarvoor vervolging in verschillende overeenkomstsluitende staten is ingesteld)
(2006/C 131/31)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hof van Cassatie van België
Partij(en) in de strafzaak
Leopold Henri van Esbroeck
Voorwerp van de zaak
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hof van Cassatie van België — Uitlegging van artikelen 54 en 71 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengen-akkoord — Beginsel ne bis in idem — Persoon vervolgd in lidstaat voor illegale uitvoer van verdovende middelen terwijl deze persoon in Noorwegen vervolgd werd voor illegale invoer van verdovende middelen en aldaar definitief is berecht voordat het Schengen-akkoord voor dit land gold
Dictum
|
1) |
Het beginsel ne bis in idem, dat is neergelegd in artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, ondertekend te Schengen op 19 juni 1990, moet toepassing vinden op een in een overeenkomstsluitende staat ingeleide strafrechtelijke procedure wegens feiten waarvoor de betrokkene reeds in een andere overeenkomstsluitende staat is veroordeeld, zelfs al was deze overeenkomst in deze laatste staat nog niet van kracht op de datum van uitspraak van die veroordeling, voorzover de overeenkomst in de betrokken overeenkomstsluitende staten van kracht was op het tijdstip van de beoordeling van de toepassingsvoorwaarden inzake het beginsel ne bis in idem door de instantie waarbij de tweede procedure werd ingeleid. |
|
2) |
Artikel 54 van deze overeenkomst moet aldus worden uitgelegd dat
|
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/18 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 23 februari 2006 (verzoek van het Landesgericht Klagenfurt om een prejudiciële beslissing) — A-Punkt Schmuckhandels GmbH tegen Claudia Schmidt
(Zaak C-441/04) (1)
(Vrij verkeer van goederen - Artikelen 28 EG en 30 EG - Maatregelen van gelijke werking - Huis-aan-huisverkoop - Verkoop van zilveren sieraden - Verbod)
(2006/C 131/32)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landesgericht Klagenfurt
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: A-Punkt Schmuckhandels GmbH
Verweerster: Claudia Schmidt
Voorwerp van de zaak
Verzoek om prejudiciële beslissing — Landesgericht Klagenfurt — Uitlegging van artikelen 28 EG en 30 EG — Nationale wettelijke regeling waarbij huis-aan-huisverkoop van gouden, zilveren of platina sieraden wordt verboden
Dictum
Artikel 28 EG verzet zich niet tegen een nationale bepaling waarmee een lidstaat op zijn grondgebied de verkoop alsmede het vergaren van bestellingen van zilveren sieraden via huis-aan-huisverkoop verbiedt, wanneer een dergelijke bepaling van toepassing is op alle betrokken marktdeelnemers, mits zij zowel rechtens als feitelijk dezelfde invloed heeft op de verhandeling van nationale producten als op die van producten uit andere lidstaten. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of, gelet op de omstandigheden van het hoofdgeding, de toepassing van de nationale bepaling de toegang tot de markt voor producten uit andere lidstaten verhindert of sterker bemoeilijkt dan de toegang tot de markt voor nationale producten en, wanneer dit het geval is, om na te gaan of de betrokken maatregel wordt gerechtvaardigd door een doelstelling van algemeen belang in de zin die de rechtspraak van het Hof aan dit begrip geeft of door een van de in artikel 30 EG genoemde doelstellingen, en of die maatregel evenredig is aan deze doelstelling.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/19 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 23 februari 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
(Zaak C-455/04) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijn 2001/55/EG - Asielbeleid - Massale toestroom van ontheemden - Tijdelijke bescherming - Minimumnormen - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)
(2006/C 131/33)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: C. O'Reilly, gemachtigde)
Verweerder: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordiger: C. White)
Voorwerp
Niet-nakoming — Niet-omzetting binnen gestelde termijn van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PB L 212, blz. 12)
Dictum
|
1) |
Door niet binnen de gestelde termijn de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor omzetting in zijn nationaal recht van de bepalingen van richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, is het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/19 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 23 maart 2006 (verzoek van Corte suprema di cassazione om een prejudiciële beslissing) — Honyvem Informazioni Commerciali Srl tegen Mariella De Zotti
(Zaak C-465/04) (1)
(Zelfstandige handelsagenten - Richtlijn 86/653/EEG - Recht van handelsagent op vergoeding na beëindiging van overeenkomst)
(2006/C 131/34)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte suprema di cassazione
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Honyvem Informazioni Commerciali Srl
Verweerster: Mariella De Zotti
Voorwerp van de zaak
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Corte suprema di cassazione — Uitlegging van de artikelen 17 en 19 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (PB L 382, blz. 17) — Recht van handelsagent op vergoeding of schadevergoeding na beëindiging van contract
Dictum
|
1) |
Artikel 19 van richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten, moet aldus worden uitgelegd dat de uit de toepassing van artikel 17, lid 2, van deze richtlijn voortvloeiende vergoeding wegens beëindiging van de overeenkomst niet bij een collectieve overeenkomst kan worden vervangen door een vergoeding die wordt bepaald aan de hand van andere criteria dan die welke in laatstgenoemde bepaling zijn vastgesteld, tenzij is bewezen dat een dergelijke overeenkomst de handelsagent in elk geval een vergoeding garandeert die gelijk is aan of groter is dan de uit de toepassing van deze bepaling voortvloeiende vergoeding. |
|
2) |
Binnen het in artikel 17, lid 2, van de richtlijn gedefinieerde kader beschikken de lidstaten over een beoordelingsmarge die zij met name met inachtneming van het criterium van de billijkheid kunnen gebruiken. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/20 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 23 februari 2006 (verzoek van het Bundesfinanzhof om een prejudiciële beslissing) — Finanzamt Offenbach am Main-Land tegen Keller Holding GmbH
(Zaak C-471/04) (1)
(Vrijheid van vestiging - Vennootschapsbelasting - Recht voor moedermaatschappij op aftrek van kosten die betrekking hebben op haar deelnemingen - Niet-aftrekbaarheid van financieringskosten die in economisch verband staan met belastingvrije dividenden - Dividenden uitgekeerd door indirecte dochteronderneming gevestigd in andere lidstaat dan die van zetel van moedermaatschappij)
(2006/C 131/35)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeker: Finanzamt Offenbach am Main-Land
Verweerster: Keller Holding GmbH
Voorwerp van de zaak
Verzoek om prejudiciële beslissing — Bundesfinanzhof — Uitlegging van artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG), artikel 58 en artikel 73 B EG-Verdrag (thans artikel 48 EG en artikel 56 EG) — Vennootschapsbelasting — Niet-aftrekbaarheid van kosten in rechtstreeks economisch verband met vrijgestelde inkomsten — Kosten van participatie van in lidstaat gevestigde moedermaatschappij in in zelfde lidstaat gevestigde dochteronderneming, in verband met door kleindochteronderneming uitgekeerde dividenden die zijn vrijgesteld wegens vestiging van deze laatste in andere lidstaat
Dictum
Artikel 52 EG-Verdrag (thans, na wijziging, artikel 43 EG) en artikel 31 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 dienen aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regeling van een lidstaat volgens welke financieringskosten die door een in deze staat onbeperkt belastingplichtige moedermaatschappij worden gemaakt voor de verwerving van deelnemingen in een dochteronderneming, fiscaal niet aftrekbaar zijn wanneer deze kosten betrekking hebben op dividenden die zijn vrijgesteld van belasting op grond dat zij afkomstig zijn van een indirecte dochteronderneming die is gevestigd in een andere lidstaat of in een staat die partij is bij die overeenkomst, ofschoon dergelijke kosten aftrekbaar zijn wanneer zij betrekking hebben op dividenden die worden uitgekeerd door een indirecte dochteronderneming die is gevestigd in dezelfde lidstaat als die van de zetel van de moedermaatschappij en die in werkelijkheid eveneens zijn vrijgesteld van belasting.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/20 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 23 februari 2006 (verzoek van het VAT and Duties Tribunal, Manchester, om een prejudiciële beslissing) — Dollond & Aitchison Ltd tegen Commissioners of Customs & Excise
(Zaak C-491/04) (1)
(Communautair douanewetboek - Douanewaarde - Douanerechten bij invoer - Levering van goederen door op Jersey gevestigde vennootschap en verrichting van diensten in Verenigd Koninkrijk)
(2006/C 131/36)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
VAT and Duties Tribunal, Manchester
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Dollond & Aitchison Ltd
Verweerders: Commissioners of Customs & Excise
Voorwerp van de zaak
Verzoek om een prejudiciële beslissing — VAT and Duties Tribunal, Manchester — Uitlegging van de artikelen 29 en 30 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1) — Douanewaarde van ingevoerde goederen — Levering per post van contactlenzen door in derde gebied (eiland Jersey) gevestigde dochtervennootschap van in een lidstaat gevestigde vennootschap die onderzoeks-, consult- en nazorgdiensten inzake contactlenzen verricht
Dictum
|
1) |
Artikel 29 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, moet aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als die van het hoofdgeding het bedrag dat is betaald voor bepaalde diensten, zoals een onderzoek, een consult of nazorg op verzoek met betrekking tot contactlenzen, en het bedrag dat is betaald voor bepaalde goederen, zoals de betrokken contactlenzen, reinigingsvloeistoffen en lenshouders, samen de „transactiewaarde” als bedoeld in artikel 29 van het douanewetboek vormen en derhalve belastbaar zijn. |
|
2) |
De beginselen die in het arrest van 25 februari 1999, CPP (C-349/96), zijn geformuleerd, kunnen als zodanig niet worden gebruikt om te bepalen welke elementen van de transactie in aanmerking moeten worden genomen voor de toepassing van artikel 29 van het douanewetboek. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/21 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 9 maart 2006 (verzoek van het Landesarbeitsgericht Düsseldorf om een prejudiciële beslissing) — Hans Werhof tegen Freeway Traffic Systems GmbH & Co. KG
(Zaak C-499/04) (1)
(Overgang van ondernemingen - Richtlijn 77/187/EEG - Behoud van rechten van werknemers - Op vervreemder en werknemer ten tijde van overgang toepasselijke collectieve overeenkomst)
(2006/C 131/37)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landesarbeitsgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeker: Hans Werhof
Verweerster: Freeway Traffic Systems GmbH & Co. KG
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Landesarbeitsgericht Düsseldorf — Uitlegging van artikel 3, lid 1, van richtlijn 98/50/EG van Raad van 29 juni 1998 tot wijziging van richtlijn 77/187/EEG inzake onderlinge aanpassing van wetgevingen van lidstaten betreffende behoud van rechten van werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van vestigingen (PB L 201, blz. 88) — Verplichtingen van verkrijger inzake behoud van gunstiger bezoldigingsvoorwaarden die voortvloeien uit collectieve overeenkomst die op moment van overdracht op vervreemder en werknemer toepasselijk was
Dictum
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 77/187/EEG van de Raad van 14 februari 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet ertegen verzet dat wanneer een arbeidsovereenkomst verwijst naar een collectieve overeenkomst die de vervreemder bindt, de verkrijger die geen partij is bij een dergelijke overeenkomst niet gebonden is aan collectieve overeenkomsten die tot stand komen na die welke van kracht was op het moment van de overgang van de onderneming.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/21 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 16 februari 2006 (verzoek van het Finanzgericht Düsseldorf om een prejudiciële beslissing) — Proxxon GmbH tegen Oberfinanzdirektion Köln
(Zaak C-500/04) (1)
(Tariefindeling - Moersleutels (handgereedschap) en uitwisselbare doppen van dopsleutels)
(2006/C 131/38)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Proxxon GmbH
Verweerster: Oberfinanzdirektion Köln
Voorwerp
Verzoek om prejudiciële beslissing — Finanzgericht Düsseldorf — Uitlegging van gecombineerde nomenclatuur, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1789/2003 van de Commissie van 11 september 2003 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 281, blz. 1) — „Moersleutels (handgereedschap), dynamometrische moersleutels en inbussleutels daaronder begrepen; uitwisselbare doppen van dopsleutels, ook indien met handvat” in zin van post 8204 — schroefbits met vierkantaandrijving voor sleufkopschroeven, kruiskopschroeven, TX-schroeven (binnentorx) en binnenzeskantschroeven
Dictum
|
1) |
Post 8204 van de gecombineerde nomenclatuur die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2388/2000 van de Commissie van 13 oktober 2000, moet aldus worden uitgelegd dat hieronder niet vallen afzonderlijk ingevoerde schroefbits met vierkantaandrijving voor sleufkopschroeven, kruiskopschroeven, TX-schroeven (binnentorx) en binnenzeskantschroeven zoals in de verwijzingsbeslissing omschreven. |
|
2) |
Post 8204 van de gecombineerde nomenclatuur moet aldus worden uitgelegd dat hieronder ook vallen afzonderlijk ingevoerde delen van het vierkantaandrijvingssysteem zoals in de verwijzingsbeslissing omschreven, die bij gebruik niet rechtstreeks met het bevestigingselement in aanraking komen. |
|
3) |
Post 8204 van de gecombineerde nomenclatuur moet aldus worden uitgelegd dat hieronder ook vallen afzonderlijk ingevoerde dynamometrische moersleutels van het vierkantaandrijvingssysteem van de in de verwijzingsbeslissing omschreven soort. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/22 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 16 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Helleense Republiek
(Zaak C-518/04) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijn 92/43/EEG - Instandhouding van natuurlijke habitats en wilde flora en fauna - Bescherming van soorten)
(2006/C 131/39)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Konstantinidis en M. van Beek, gemachtigden)
Verweerster: Helleense Republiek (vertegenwoordiger: E. Skandalou, gemachtigde)
Voorwerp
Niet-nakoming — Schending van artikel 12, lid 1, sub b, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206, blz. 7) — Bescherming van adder Vipera schweizeri op eiland Milos — Verzuim om nodige maatregelen te treffen waarbij verbod wordt ingesteld op verstoren van deze soort tijdens perioden van voortplanting, alsmede op vernieling of beschadiging van voortplantingsplaatsen
Dictum
|
1) |
Door niet binnen de gestelde termijn de nodige maatregelen te treffen voor de invoering en toepassing van een doeltreffend systeem van strikte bescherming van de adder Vipera schweizeri op het eiland Milos waarbij een verbod wordt ingesteld op het opzettelijk verstoren van deze soort, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen en overwintering, alsmede op het vernielen of de beschadiging van de voortplantings- of rustplaatsen van deze soort, is de Helleense Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 12, lid 1, sub b en d, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. |
|
2) |
De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/23 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 16 februari 2006 (verzoek van de Corte d'appello di Cagliari om een prejudiciële beslissing) — Gaetano Verdoliva tegen J. M. Van der Hoeven BV, Banco di Sardegna, San Paolo IMI SpA
(Zaak C-3/05) (1)
(Executieverdrag - Beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging van in andere verdragsluitende staat gegeven beslissing - Betekening die niet of niet regelmatig heeft plaatsgevonden - Kennisneming - Verzettermijn)
(2006/C 131/40)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte d'appello di Cagliari
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeker: Gaetano Verdoliva
Verweersters: J. M. Van der Hoeven BV, Banco di Sardegna, San Paolo IMI SpA
In tegenwoordigheid van: Pubblico Ministero
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Corte d'appello di Cagliari — Uitlegging van artikel 36 van het Executieverdrag — Tenuitvoerlegging van beslissingen — Onregelmatige betekening van beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging — Begrip kennisneming van processtukken
Dictum
Artikel 36 van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Verdrag van 25 oktober 1982 inzake de toetreding van de Helleense Republiek en het Verdrag van 26 mei 1989 inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, moet aldus worden uitgelegd dat het vereist dat de beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging regelmatig wordt betekend volgens de procesregels van de verdragsluitende staat waarin om de tenuitvoerlegging wordt verzocht, en dat derhalve, ingeval de betekening van de beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging niet of niet regelmatig heeft plaatsgevonden, de eenvoudige kennisneming van deze beslissing door de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, niet volstaat om de termijn van artikel 36 van het Executieverdrag te doen aanvangen.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/23 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 23 februari 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-43/05) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijn 2000/78/EG - Gelijke behandeling in arbeid en beroep - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)
(2006/C 131/41)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: V. Kreuschitz, D. Martin en H. Kreppel, gemachtigden)
Verweerster: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordiger: U. Forsthoff, gemachtigde)
Voorwerp
Niet-nakoming — Niet-uitvoering binnen gestelde termijn van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16)
Dictum
|
1) |
Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, met betrekking discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap en seksuele geaardheid, is de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/24 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 23 februari 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Ierland
(Zaak C-46/05) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijn 2000/79/EG - Arbeidsvoorwaarden - Organisatie van arbeidstijd - Mobiel personeel in burgerluchtvaart - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)
(2006/C 131/42)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: N. Yerrell, gemachtigde)
Verweerder: Ierland (vertegenwoordiger: O'Hagan, gemachtigde)
Voorwerp
Niet-nakoming — Niet-uitvoering binnen gestelde termijn van richtlijn 2000/79/EG van de Raad van 27 november 2000 inzake de inwerkingstelling van de Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart gesloten door de Association of European Airlines (AEA), de European Transport Workers' Association (ETF), de European Cockpit Association (ECA), de European Regions Airline Association (ERA) en de International Air Carrier Association (IACA) (PB L 302, blz. 57)
Dictum
|
1) |
Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor het volgen van richtlijn 2000/79/EG van de Raad van 27 november 2000 inzake de inwerkingstelling van de Europese Overeenkomst betreffende de organisatie van de arbeidstijd van mobiel personeel in de burgerluchtvaart gesloten door de Association of European Airlines (AEA), de European Transport Workers' Association (ETF), de European Cockpit Association (ECA), de European Regions Airline Association (ERA) en de International Air Carrier Association (IACA), is Ierland de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
Ierland wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/24 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 23 februari 2006 (verzoek van het Bundesgerichtshof) om een prejudiciële beslissing) — Siemens AG tegen VIPA Gesellschaft für Visualisierung und Prozeßautomatisierung mbH
(Zaak C-59/05) (1)
(Harmonisatie van wetgevingen - Richtlijnen 84/450/EEG en 97/55/EG - Vergelijkende reclame - Misbruik van bekendheid van onderscheidend kenmerk van concurrent)
(2006/C 131/43)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Siemens AG
Verweerster: VIPA Gesellschaft für Visualisierung und Prozeßautomatisierung mbH
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesgerichtshof — Uitlegging van artikel 3 bis, lid 1, sub g, van richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame (PB L 250, blz. 17), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 (PB L 290, blz. 18) — Vergelijkende reclame — Producten die worden verkocht onder referenties die hoofdzakelijk uit de bestelnummers van de producten van een concurrent bestaan
Dictum
Artikel 3 bis, lid 1, sub g, van richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997, moet aldus worden uitgelegd dat een concurrerende leverancier die in zijn catalogi gebruikmaakt van het kernelement van een in vakkringen bekend onderscheidend kenmerk van een fabrikant, in omstandigheden als die in het hoofdgeding geen oneerlijk voordeel trekt uit de bekendheid van dit onderscheidend kenmerk.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/25 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 16 maart 2006 (verzoek van het Bundesverwaltungsgericht om een prejudiciële beslissing) — Emsland-Stärke GmbH tegen Landwirtschaftskammer Hannover
(Zaak C-94/05) (1)
(Gemeenschappelijk landbouwbeleid - Verordening (EG) nr. 97/95 - Aan aardappelmeelbedrijven betaalde premies - Toekenningsvoorwaarden - Sancties - Evenredigheid - Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 - Bescherming van financiële belangen van Europese Gemeenschappen)
(2006/C 131/44)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Emsland-Stärke GmbH
Verweersters: Landwirtschaftskammer Hannover
Voorwerp van de zaak
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Bundesverwaltungsgericht — Uitlegging van artikel 13, lid 4, van verordening (EG) nr. 97/95 van de Commissie van 17 januari 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad wat betreft de minimumprijs en het compensatiebedrag die aan de aardappeltelers moeten worden betaald, en van verordening (EG) nr. 1868/94 van de Raad tot vaststelling van een contingenteringsregeling voor de productie van aardappelzetmeel (PB L 16, blz. 3), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1125/96 van de Commissie van 24 juni 1996 (PB L 150, blz. 1) — Voorwaarden voor toekenning van premies — Teeltcontract, niet gesloten tussen aardappelmeelbedrijf en producent, maar tussen aardappelmeelbedrijf en handelaar die de aardappelen direct of indirect betrekt van aardappeltelers
Dictum
|
1) |
De sanctie waarin is voorzien bij artikel 13, lid 4, van verordening (EG) nr. 97/95 van de Commissie van 17 januari 1995 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad wat betreft de minimumprijs en het compensatiebedrag die aan de aardappeltelers moeten worden betaald, en van verordening (EG) nr. 1868/94 van de Raad tot vaststelling van een contingenteringsregeling voor de productie van aardappelzetmeel, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1125/96 van de Commissie van 24 juni 1996, is van toepassing op een aardappelmeelbedrijf dat zijn aardappelen koopt van een handelaar die de aardappelen rechtstreeks of indirect van telers betrekt, zonder dat het aan dit bedrijf toegewezen contingent moet zijn overschreden, en ook wanneer het tussen dit bedrijf en de betrokken handelaar gesloten koop- en leveringscontract door de partijen bij het contract als een „teeltcontract” is aangeduid en als zodanig door de bevoegde nationale instantie overeenkomstig artikel 4, lid 2, van deze verordening is erkend, maar niet als zodanig kan worden aangemerkt in de zin van artikel 1, sub d en e, van deze verordening. |
|
2) |
Bij onderzoek van het eerste onderdeel van de tweede vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 13, lid 4, van verordening nr. 97/95, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1125/96, uit het oogpunt van de rechtszekerheid kunnen aantasten. |
|
3) |
Bij onderzoek van het tweede onderdeel van de tweede vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 13, lid 4, van verordening nr. 97/95, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1125/96, uit het oogpunt van het evenredigheidsbeginsel zoals neergelegd in artikel 2, leden 1 en 3, van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen. |
|
4) |
De omstandigheid dat de bevoegde nationale instantie ermee bekend was dat een aardappelmeelbedrijf aardappelen had gekocht van een handelaar die deze rechtstreeks of indirect van telers betrok, kan geen gevolgen hebben voor de kwalificatie van een onregelmatigheid als „uit nalatigheid begane” onregelmatigheid in de zin van artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2988/95, en bijgevolg evenmin voor de toepassing op dit aardappelmeelbedrijf van de sanctie van artikel 13, lid 4, van verordening nr. 97/95, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1125/96. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/25 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 9 maart 2006 (verzoek van de Conseil d'État om een prejudiciële beslissing) — Ministre de l'Économie, des Finances et de l'Industrie tegen Gillan Beach Ltd
(Zaak C-114/05) (1)
(BTW - Plaats van belastbare handelingen - Fiscaal aanknopingspunt - Diensten verricht in kader van watersportbeurzen)
(2006/C 131/45)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Conseil d'État
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeker: Ministre de l'Économie, des Finances et de l'Industrie
Verweerster: Gillan Beach Ltd
Voorwerp van de zaak
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Franse Conseil d'État — Uitlegging van artikel 9, lid 2, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Vaststelling van plaats van belastbaarheid — Diensten verricht in het kader van watersportbeurzen
Dictum
Artikel 9, lid 2, sub c, eerste streepje, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, dient aldus te worden uitgelegd dat een totaalpakket van diensten dat een organisator aan de exposanten op een beurs of tentoonstelling verstrekt, valt onder de in deze bepaling genoemde categorie diensten.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/26 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 23 februari 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Republiek Oostenrijk
(Zaak C-133/05) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijn 2000/78/EG - Gelijke behandeling in arbeid en beroep - Niet-uitvoering binnen gestelde termijn)
(2006/C 131/46)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: D. Martin, gemachtigde)
Verweerster: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordiger: C. Pesendorfer, gemachtigde)
Voorwerp
Niet-nakoming — Niet-uitvoering binnen gestelde termijn van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16)
Dictum
|
1) |
Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn voor het volgen, op het nationale niveau, van de bepalingen betreffende discriminatie op grond van handicap van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, en op het niveau van de Länder, met uitzondering van de Länder Wien en Niederösterreich, van alle bepalingen van deze richtlijn, is de Republiek Oostenrijk de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
De Republiek Oostenrijk wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/26 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 9 maart 2006 (verzoek van het College van Beroep voor het bedrijfsleven om een prejudiciële beslissing) — Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie, Stichting Natuur en Milieu tegen College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen
(Zaak C-174/05) (1)
(Toelating voor op markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen - Richtlijn 91/414/EEG - Artikel 8 - Werkzame stof „aldicarb” - Geldigheid van artikel 2, eerste alinea, punt 3, van beschikking 2003/199/EG)
(2006/C 131/47)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeksters: Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie, Stichting Natuur en Milieu
Verweerder: College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen
In tegenwoordigheid van: Bayer CropScience BV
Voorwerp
Verzoek om prejudiciële beslissing — College van Beroep voor het bedrijfsleven — Geldigheid van artikel 2, eerste alinea, punt 3, van beschikking 2003/199/EG van de Raad van 18 maart 2003 betreffende de niet-opneming van aldicarb in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten (PB L 76, blz. 21)
Dictum
Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 2, eerste alinea, punt 3, van beschikking 2003/199/EG van de Raad van 18 maart 2003 betreffende de niet-opneming van aldicarb in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG en de intrekking van de toelating voor gewasbeschermingsmiddelen die deze werkzame stof bevatten.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/27 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 9 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Groothertogdom Luxemburg
(Zaak C-310/05) (1)
(Niet-nakoming - Richtlijn 2001/95/EG - Algemene productveiligheid - Niet-omzetting binnen gestelde termijn)
(2006/C 131/48)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M.-J. Jonczy en A. Aresu, gemachtigden)
Verweerder: Groothertogdom Luxemburg (vertegenwoordiger: S. Schreiner, gemachtigde)
Voorwerp
Niet-nakoming — Verzuim om binnen gestelde termijn bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PB L 11, blz. 4)
Dictum
|
1) |
Door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid, is het Groothertogdom Luxemburg de krachtens artikel 21, lid 1, van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet nagekomen. |
|
2) |
Het Groothertogdom Luxemburg wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/27 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Bayerisches Landessozialgericht op 3 februari 2006 — Grete Schlepps tegen Deutsche Rentenversicherung Oberbayern
(Zaak C-60/06)
(2006/C 131/49)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bayerisches Landessozialgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Grete Schlepps
Verweerster: Deutsche Rentenversicherung Oberbayern
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet punt 35, Duitsland-Oostenrijk, sub e-i, van de delen A en B van bijlage III bij verordening nr. 1408/71 (1) aldus worden uitgelegd, dat naast het recht op een uitkering op 1 januari 1994 ook een woonplaats in Oostenrijk een voorwaarde is? |
|
2) |
Zo ja, zijn deze bepalingen en bijlage VI, C. Duitsland, punt 1, bij verordening nr. 1408/71 verenigbaar met Europees recht van hogere orde, met name met het in artikel 39 juncto artikel 42 EG voorgeschreven vrije verkeer? |
(1) PB L 149, blz. 2.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/28 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Tribunale ordinario di Novara op 10 februari 2006 — Carp Snc di L. Moleri en V. Corsi, Associazione Nazionale Artigiani Legno e Arredamenti tegen Ecorad Srl
(Zaak C-80/06)
(2006/C 131/50)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale ordinario di Novara
Partijen in het hoofdgeding
Verzoeksters: Carp Snc di L. Moleri en V. Corsi, Associazione Nazionale Artigiani Legno e Arredamenti
Verweerster: Ecorad Srl
Prejudiciële vragen
|
„1) |
Moeten de artikelen 2 en 3 van, alsmede bijlagen II en III bij beschikking 1999/93/EG (1) aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat deuren die van paniekknoppen moeten worden voorzien, kunnen worden gebouwd door ondernemers (slotenmakers) die niet voldoen aan de vereisten van het systeem van conformiteitverklaring nr. 1? |
|
2) |
Zijn, in het geval van een bevestigende beantwoording van de eerste vraag, de voorschriften van de artikelen 2 en 3 van, alsmede van de bijlagen II en III bij beschikking 1999/93/EG, ongeacht of door het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) technische normen zijn vastgesteld, rechtens bindend vanaf de datum van de inwerkingtreding van die beschikking voor wat betreft het soort procedure van conformiteitverklaring dat in acht moet worden genomen door vervaardigers (slotenmakers) van deuren die van paniekknoppen moeten worden voorzien? |
|
3) |
Moeten de artikelen 2 en 3 van, alsmede bijlagen II en III bij beschikking 1999/93/EG als ongeldig worden beschouwd wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel, voorzover zij alle producenten verplichten om de procedure van conformiteitverklaring nr. 1 in acht te nemen om aan deuren voorzien van paniekknoppen het EG merkteken te kunnen verlenen (waardoor aan het CEN het mandaat wordt verleend om de betrokken technische normen vast te stellen)?” |
(1) Van 25 januari 1999 betreffende de procedure voor de conformiteitsverklaring van voor de bouw bestemde producten overeenkomstig artikel 20, lid 2, van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad voor deuren, ramen, luiken, blinden, poorten en bijbehorend hang- en sluitwerk, PB L 29, blz. 51.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/28 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Tribunal Superior de Justicia de Madrid op 20 februari 2006 — Navicon, S.A. tegen Administration del Estado
(Zaak C-97/06)
(2006/C 131/51)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Tribunal Superior de Justicia de Madrid
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Navicon, S.A.
Verweerder: Administration del Estado
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moet de uitdrukking bevrachting in de in artikel 15, lid 5, van de Zesde richtlijn (1) bedoelde vrijstelling aldus worden uitgelegd dat zij enkel de bevrachting van de totale laadruimte van een schip (totaalbevrachting) omvat of valt ook een bevrachting voor een deel of een percentage van de laadruimte van een schip (deelbevrachting) daaronder? |
|
2) |
Verzet de Zesde richtlijn zich tegen een nationale wet op grond waarvan enkel voor de totaalbevrachting vrijstelling kan worden verleend? |
(1) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1).
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/29 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Arbeitsgericht Berlin op 28 februari 2006 — Annette Radke tegen Achterberg Service GmbH & Co. KG
(Zaak C-115/06)
(2006/C 131/52)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Arbeitsgericht Berlin
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Annette Radke
Verweerster: Achterberg Service GmbH & Co. KG
Prejudiciële vragen
|
1. |
|
|
2. |
|
(1) PB L 225, blz. 16.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/29 |
Beroep ingesteld op 28 februari 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek
(Zaak C-119/06)
(2006/C 131/53)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: X. Lewis als gemachtigde, en M. Mollica, avvocato)
Verweerster: Italiaanse Republiek
Conclusies van verzoekster
|
— |
vast te stellen dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens richtlijn 92/50/EEG (1) van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, en in het bijzonder de artikelen 11, 15 en 17 ervan, doordat de regio Toscana en de Toscaanse Aziende Sanitarie (openbare gezondheidsdienst) op 11 oktober 1999 met de Confederazione delle Misericordie d'Italia, het Toscaans regionaal comité van ANPAS en de Toscaanse afdeling van CRI (Italiaanse Rode Kruis) de regionale kaderovereenkomst voor het verrichten van medische transportdiensten hebben gesloten, deze kaderovereenkomst vervolgens door middel van de intentieverklaring van 28 maart 2003 hebben verlengd, en ten slotte in april 2004, op grond van regionaal besluit nr. 379 van 19 april 2004, met de hiervoor genoemde instellingen een nieuwe regionale kaderovereenkomst hebben gesloten, waarbij dezen voor de periode van januari 2004 tot december 2008 met het beheer van de betrokken diensten werden belast. |
|
— |
de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie betoogt dat de hiervoor bedoelde overeenkomsten tot toewijzing van de betrokken diensten overheidsopdrachten voor dienstverlening zijn, die rechtstreeks en zonder enige vorm van mededinging werden geplaatst, zodat inbreuk is gemaakt op het gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten.
(1) PB L 209 van 24.07.1992, blz. 1.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/30 |
Beroep ingesteld op 10 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Republiek Malta
(Zaak C-136/06)
(2006/C 131/54)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Konstantinidis en D. Lawunmi, gemachtigden)
Verweerster: Republiek Malta
Conclusies van verzoekster
|
— |
vast te stellen dat de Republiek Malta, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (1) en richtlijn 2003/108/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 december 2003 tot wijziging van richtlijn 2002/96/EG betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (2), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
de Republiek Malta te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 13 augustus 2004 verstreken.
(1) PB L 37 van 13.2.2003, blz. 24.
(2) PB L 345 van 31.12.2003, blz. 106.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/30 |
Beroep ingesteld op 10 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Ierland
(Zaak C-137/06)
(2006/C 131/55)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: A. Alcover San Pedro en D. Lawunmi, gemachtigden)
Verweerder: Ierland
Conclusies van verzoekster
|
— |
vast te stellen dat Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens artikel 14 van deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
Ierland te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 18 juli 2004 verstreken.
(1) PB L 189, blz. 12.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/30 |
Beroep ingesteld op 10 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
(Zaak C-138/06)
(2006/C 131/56)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: A. Alcover San Pedro en D. Lawunmi, gemachtigden)
Verweerder: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
Conclusies van verzoekster
|
— |
vast te stellen dat het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 18 juli 2004 verstreken.
(1) PB L 189, blz. 12.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/31 |
Beroep ingesteld op 21 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Republiek Finland
(Zaak C-152/06)
(2006/C 131/57)
Procestaal: Zweeds
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Konstantinidis en K. Nyberg, gemachtigden)
Verweerster: Republiek Finland
Conclusies van verzoekster
|
— |
vast te stellen dat de Republiek Finland, door met betrekking tot de autonome regio Åland niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2002/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
de Republiek Finland te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 13 augustus 2004 verstreken.
(1) PB L 37, blz. 19.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/31 |
Beroep ingesteld op 21 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Republiek Finland
(Zaak C-153/06)
(2006/C 131/58)
Procestaal: Zweeds
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Konstantinidis en K. Nyberg, gemachtigden)
Verweerster: Republiek Finland
Conclusies van verzoekster
|
— |
vast te stellen dat de Republiek Finland, door met betrekking tot de autonome regio Åland niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
de Republiek Finland te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 13 augustus 2004 verstreken.
(1) PB L 37, blz. 24.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/32 |
Beroep ingesteld op 21 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Republiek Finland
(Zaak C-154/06)
(2006/C 131/59)
Procestaal: Zweeds
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: M. Konstantinidis en K. Nyberg, gemachtigden)
Verweerster: Republiek Finland
Conclusies van verzoekster
|
— |
vast te stellen dat de Republiek Finland, door met betrekking tot de autonome regio Åland niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2003/108/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 december 2003 (1) tot wijziging van richtlijn 2002/96/EG betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
de Republiek Finland te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 13 augustus 2004 verstreken.
(1) PB L 345, blz. 106.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/32 |
Beroep ingesteld op 23 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk Zweden
(Zaak C-156/06)
(2006/C 131/60)
Procestaal: Zweeds
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: D. Maidani en K. Simonsson, gemachtigden)
Verweerder: Koninkrijk Zweden
Conclusies van verzoekster
|
— |
vast te stellen dat het Koninkrijk Zweden, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat (1) en tot wijziging van de richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad, althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
het Koninkrijk Zweden te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 11 augustus 2004 verstreken.
(1) PB L 35, blz. 1.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/32 |
Beroep ingesteld op 23 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek
(Zaak C-157/06)
(2006/C 131/61)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: X. Lewis en D. Recchia als gemachtigden)
Verweerster: Italiaanse Republiek
Conclusies van verzoekster
|
— |
vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door het decreet van 11 juli 2003, Prot. 558/A/04/03/RR van de minister van Binnenlandse Zaken uit te vaardigen, waarbij een afwijking van de communautaire regeling inzake overheidsopdrachten voor leveringen wordt toegestaan voor de aanschaf van lichte helikopters voor de Italiaanse politie en de brandweer, zonder dat is voldaan aan de voorwaarden die een dergelijke afwijking kunnen rechtvaardigen, niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen krachtens de artikelen 2, lid 1, sub b, 6 en 9 van richtlijn 93/36/EEG (1), |
|
— |
de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft op 23 maart 2006 beroep ingesteld tot vaststelling dat de Italiaanse Republiek de verplichtingen heeft geschonden die op haar rusten krachtens richtlijn 93/36/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen, en in het bijzonder artikel 2,lid 1, sub b, juncto de artikelen 6 en 9 daarvan, door het decreet van 11 juli 2003 van de minister van Binnenlandse Zaken uit te vaardigen, waarbij een afwijking van de communautaire regeling inzake overheidsopdrachten voor leveringen wordt toegestaan voor de aanschaf van lichte helikopters voor de Italiaanse politie en de brandweer, zonder dat is voldaan aan de voorwaarden die een dergelijke afwijking kunnen rechtvaardigen.
Gedurende het onderzoek van andere inbreukprocedures is de Commissie ter ore gekomen dat het bovengenoemde decreet van de minister van Binnenlandse Zaken bestaat. De Commissie meent dat dit decreet in strijd is met bovengenoemde richtlijn inzake overheidsopdrachten voor leveringen voorzover aan geen van de voorwaarden is voldaan op grond waarvan richtlijn 93/36/EEG ingevolge artikel 2, lid 1, sub b, daarvan buiten toepassing mag worden gelaten — dat wil zeggen in het geval van leveringen die geheim zijn verklaard of waarvan de uitvoering overeenkomstig de in de betrokken lidstaat geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met bijzondere veiligheidsmaatregelen gepaard moet gaan of wanneer de bescherming van de wezenlijke veiligheidsbelangen van de lidstaat zulks vereist.
(1) PB L 199 van 9.8.1993, blz. 1.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/33 |
Beroep ingesteld op 23 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Republiek Finland
(Zaak C-159/06)
(2006/C 131/62)
Procestaal: Zweeds
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: U. Wölker, F. Simonetti en K. Nyberg, gemachtigden)
Verweerster: Republiek Finland
Conclusies van verzoekster
|
— |
vast te stellen dat de Republiek Finland, door met betrekking tot de autonome regio Åland niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
de Republiek Finland te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 21 juli 2004 verstreken.
(1) PB L 197, blz. 30.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/33 |
Beroep ingesteld op 24 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek
(Zaak C-160/06)
(2006/C 131/63)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: E. Montaguti en G. Zavvos, gemachtigden)
Verweerster: Italiaanse Republiek
Conclusies van verzoekster
|
— |
vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door niet de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen die nodig zijn om te voldoen aan richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, banken en andere financiële instellingen, en verzekeringsondernemingen (1), althans door deze bepalingen niet aan de Commissie mee te delen, de krachtens deze richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen; |
|
— |
de Italiaanse Republiek te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht is op 1 januari 2005 verstreken.
(1) PB L 178 van 17.7.2003, blz. 16.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/34 |
Hogere voorziening ingesteld op 29 maart 2006 door Ermioni Komninou, Grigorios Ntokos, Donatos Pappas, Vasileios Pappas, Aristeidis Pappas, Eleftheria Pappa, Lamprini Pappa, Eirini Pappa, Alexandra Ntokou, Fotios Dimitriou, Zoï Dimitriou, Petros Bolosis, Despina Bolosi, Konstantinos Bolosis en Thomas Bolosis tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Vijfde kamer) van 13 januari 2006 in zaak T-42/04, Komninou e.a./Commissie
(Zaak C-167/06 P)
(2006/C 131/64)
Procestaal: Grieks
Partijen
Rekwiranten: Ermioni Komninou, Grigorios Ntokos, Donatos Pappas, Vasileios Pappas, Aristeidis Pappas, Eleftheria Pappa, Lamprini Pappa, Eirini Pappa, Alexandra Ntokou, Fotios Dimitriou, Zoï Dimitriou, Petros Bolosis, Despina Bolosi, Konstantinos Bolosis en Thomas Bolosis (vertegenwoordiger: G. Dellis, advocaat)
Andere partij in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van rekwiranten
|
— |
De onderhavige hogere voorziening ontvankelijk te verklaren; |
|
— |
de bestreden beschikking van het Gerecht van 13 januari 2006 in zaak T-42/04 te vernietigen; |
|
— |
uitspraak te doen op het beroep van rekwiranten van 10 februari 2004, het ontvankelijk te verklaren en de Europese Commissie te veroordelen om aan elk van de rekwiranten te betalen de som van 200 000 EUR, vermeerderd met de wettelijke rente op de voet van 8 % vanaf het arrest van het Hof en tot de volledige betaling; |
|
— |
de wederpartij te verwijzen in alle kosten die rekwiranten in eerste aanleg en in hogere voorziening hebben gemaakt en, subsidiair, voor het geval de onderhavige hogere voorziening zou worden afgewezen, de wederpartij in de kosten te verwijzen althans iedere partij de eigen kosten te doen dragen. |
Middelen en voornaamste argumenten
De hogere voorziening in zaak C-167/06, die is ingesteld door 15 rekwiranten, wonende te Parga (departement Preveza, Griekenland), is gericht tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 13 januari 2006 in zaak T-42/04. Bij die beschikking heeft het Gerecht een beroep tot schadevergoeding, op 10 februari 2004 ingesteld tegen de Commissie van de Europese Gemeenschappen, kennelijk ongegrond verklaard.
Het bij het Gerecht van eerste aanleg ingestelde beroep van 10 februari was gericht tegen de Commissie en strekte tot vergoeding van de morele schade die rekwiranten hadden geleden door de houding van de Commissie na hun klacht van 7 juli 1995 betreffende een schending, door de Griekse autoriteiten, van het Europese milieurecht en meer bepaald de artikelen 3 en 5 van richtlijn 85/337/EEG, in verband met het ontwerp en de bouw van een biologisch zuiveringsstation op de plaats „Varka”.
Zij hebben gesteld dat de gehele en voortdurende houding van de Commissie te hunnen opzichte een duidelijk geval van slecht beheer oplevert. Met name heeft de Commissie:
|
1. |
in een aanvangsfase ten eerste hen niet tijdig op de hoogte gehouden van de voortgang van hun klacht, gegevens achtergehouden en hen bedrogen omtrent de voortgang van hun zaak; ten tweede hun klacht verworpen met een motivering die duidelijk in strijd is met de bepalingen van het communautaire milieurecht en de rechtspraak van het Hof, en ten derde geen acht geslagen op de elementaire regels van onpartijdigheid bij het behandelen van hun zaken door haar ambtenaren; |
|
2. |
vervolgens, nadat de voormelde gegevens waren bevestigd door een besluit van de Europese ombudsman, niet de elementaire maatregelen getroffen om de voornoemde vormen van slecht beheer te verhelpen. Integendeel: zij bleef trainerend en dubbelzinnig in haar benadering van rekwiranten: enerzijds weigerde zij haar fouten jegens hen te erkennen, anderzijds weigerde zij (zowel bij het instellen van het beroep tot schadevergoeding als vandaag) de klacht van rekwiranten ten gronde te onderzoeken en een eenvormige en juiste uitlegging van het gemeenschapsrecht te verzekeren. |
Rekwiranten hebben met name aangevoerd dat, los van de vraag of het standpunt van de Commissie over de niet-toepassing van de bepalingen van richtlijn 85/337/EEG onjuist is of niet, de Commissie met haar voormelde houding kennelijk tekort is geschoten in haar elementaire verplichtingen jegens hen als Europese burgers en geadministreerden, en meer bepaald niet heeft voldaan aan de beginselen van goed bestuur, onpartijdigheid, rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, en in feite ook het aan de Europese burgers gewaarborgde petitierecht heeft geschonden.
In zijn bestreden beschikking heeft het Gerecht van eerste aanleg, zonder de ontvankelijkheid van het beroep tot schadevergoeding te onderzoeken, artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering toegepast en geoordeeld dat: a) het beroep elke rechtsgrondslag miste en b) het niet nodig was de procedure voor het Gerecht te vervolgen, met name door het neerleggen van verdere memories en het organiseren van een mondelinge behandeling. Het heeft dus het beroep in zijn geheel verworpen en rekwiranten niet alleen in hun eigen kosten, maar ook in die van de Commissie verwezen. De beschikking is aan de raadsman van rekwiranten meegedeeld bij aangetekende brief van 25 januari 2006.
Tegen de voormelde beschikking, die zij juridisch onjuist achten in de zin van artikel 225, tweede alinea, EG en artikel 58 van het Statuut van het Hof van Justitie, stellen rekwiranten ontvankelijk, binnen de termijnen en met een duidelijk procesbelang de in die artikelen en artikel 56 van datzelfde Statuut bedoelde hogere voorziening in. In hun verzoekschrift proberen rekwiranten de in de bestreden beschikking begane rechtsdwalingen te bewijzen.
Die dwalingen hebben betrekking op:
|
i. |
het feit dat het Gerecht geen enkel onderzoek heeft gewijd aan de middelen en argumenten van rekwiranten betreffende de schending van het petitierecht, zoals het is erkend als deel uitmakend van het Europese burgerschap; |
|
ii. |
het feit dat het Gerecht in elk geval de inhoud heeft verdraaid van het besluit van de Europese ombudsman van 18 juli 2002, dat het belangrijkste bewijselement voor het beroep van rekwiranten vormde, of in ieder geval dit element juridisch onjuist heeft gekwalificeerd, |
|
iii. |
het feit dat het Gerecht de beginselen van goed bestuur, onpartijdigheid en gewettigd vertrouwen niet correct heeft uitgelegd en toegepast, dat het in bepaalde gevallen de inhoud van de bewijselementen heeft gewijzigd en dat het, in ieder geval, de in het verzoekschrift vermelde feiten die de schending van die beginselen betreffen, juridisch onjuist heeft gekwalificeerd; |
|
iv. |
het feit dat het Gerecht heeft verzuimd het beroep tot schadevergoeding te onderzoeken, of het in ieder geval niet correct heeft onderzocht, voorzover het de litigieuze houding van de Commissie als een geheel van afzonderlijke feiten en niet globaal heeft benaderd, ondanks het feit dat de schending van de aangehaalde gemeenschapsbepalingen en de door rekwiranten geleden schade hoofdzakelijk voortvloeien uit de globale houding van de Commissie gedurende acht jaar. |
Meer in het algemeen zijn rekwiranten van mening dat het Gerecht heeft verzuimd de juiste conclusies te trekken uit de fundamentele regel, dat de Commissie verantwoordelijk is voor het juiste en rechtmatige verloop van de procedures, en dat zij in geval van fouten de financiële gevolgen van het wanbeheer zal moeten dragen. Bovendien kan de niet-inachtneming van de fundamentele regels betreffende de houding van de administratie leiden tot morele schade, waarvan de Europese burger herstel en vergoeding kan vorderen.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/35 |
Beroep ingesteld op 31 maart 2006 — Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk Spanje
(Zaak C-172/06)
(2006/C 131/65)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordiger: S. Pardo Quintillán, gemachtigde)
Verweerder: Koninkrijk Spanje
Conclusies van verzoekster
|
— |
te verklaren dat het Koninkrijk Spanje, door de verlening van staatssteun aan marktdeelnemers die in Spanje zonnepanelen in de handel willen brengen die in een andere lidstaat zijn vervaardigd en aldaar rechtmatig in de handel zijn gebracht of die zijn vervaardigd in een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat deze zonnepanelen over een gelijkvormigheidsattest beschikken dat voldoet aan de nationale wettelijke vereisten, en dat zij daartoe in een speciaal aangewezen nationaal laboratorium opnieuw de proeven ondergaan die reeds in het land van herkomst zijn verricht, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens de artikelen 28 EG en 30 EG en de artikelen 11 en 13 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte; |
|
— |
het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
De Spaanse regeling betreffende de voorwaarden waaronder zonnepanelen die afkomstig zijn van een andere lidstaat of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, staatssteun kunnen genieten, is in strijd met het fundamentele beginsel van vrij verkeer van goederen; zij vindt geen rechtvaardiging in een van de in artikel 30 EG genoemde redenen van algemeen belang en evenmin in een van de door het Hof van Justitie erkende dwingende vereisten.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/35 |
Hogere voorziening ingesteld op 5 april 2006 door Stadtwerke Schwäbisch Hall GmbH, Stadtwerke Tübingen GmbH en Stadtwerke Uelzen GmbH tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg (Vierde kamer) van 26 januari 2006 in zaak T-92/02, Stadtwerke Schwäbisch Hall GmbH, Stadtwerke Tübingen GmbH en Stadtwerke Uelzen GmbH tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen, ondersteund door E.ON Kernkraft GmbH, RWE Power AG, EnBW Energie Baden-Württemberg AG en Hamburgische Electricitäts-Werke AG
(Zaak C-176/06 P)
(2006/C 131/66)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirantes: Stadtwerke Schwäbisch Hall GmbH, Stadtwerke Tübingen GmbH, Stadtwerke Uelzen GmbH (vertegenwoordigers: D. Fouquet en P. Becker, Rechtsanwälte)
Andere partijen in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen, E.ON Kernkraft GmbH, RWE Power AG, EnBW Energie Baden-Württemberg AG, Hamburgische Electricitäts-Werke AG
Conclusies van rekwirantes
|
— |
het arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 26 januari 2006 in zaak T-92/02, Stadtwerke Schwäbisch Hall GmbH e.a./ Commissie van de Europese Gemeenschappen (1), te vernietigen; |
|
— |
voorzover de zaak in staat van wijzen is, beschikking C(2001) 3967 def. van de Commissie van 11 december 2001 nietig te verklaren, voorzover de Commissie daarin vaststelt dat de financiële reserves voor de verwijdering van radioactief afval en de stillegging van kerncentrales in de Bondsrepubliek Duitsland geen steunmaatregelen zijn in de zin van artikel 87, lid 1, EG; |
|
— |
voorzover de zaak niet in staat van wijzen is, de zaak voor een nieuwe behandeling te verwijzen naar de Eerste kamer (uitgebreid) van het Gerecht van eerste aanleg, met behoud van de door de wet aangewezen rechter van rekwirantes in de procedure in eerste aanleg; |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure in eerste aanleg; |
|
— |
geïntimeerde in hogere voorziening te verwijzen in de kosten van de procedure in hogere voorziening. |
Subsidiair:
|
— |
de vordering van interveniëntes dat hun kosten gemaakt in de procedure voor het Gerecht van eerste aanleg door rekwirantes worden gedragen, af te wijzen. |
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirantes richten zich met de onderhavige hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van eerste aanleg waarbij dit de vaststelling van de Commissie dat het belastinguitstel voor de financiële reserves voor de verwijdering van radioactief afval en de stillegging van kerncentrales in de Bondsrepubliek Duitsland niet als steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 87, lid 1, EG kan worden aangemerkt, rechtmatig heeft geacht. In hogere voorziening stellen zij schending van het procesrecht en van het materiële gemeenschapsrecht.
Het Gerecht van eerste aanleg heeft ondanks de kennelijke juridische moeilijkheden en het grote belang, zonder dat er sprake was van bijzondere omstandigheden, de zaak van de Eerste kamer (uitgebreid) naar de uit drie rechters bestaande Vierde kamer verwezen. Deze verwijzing van de zaak, waarvoor geen aanleiding bestond en die niet gerechtvaardigd was, na een procedureduur van meerdere jaren naar een kleinere kamer schendt rekwirantes' recht van toegang tot de wettelijke rechter.
Het Gerecht van eerste aanleg heeft geen onderscheid gemaakt tussen de vereisten voor het bestaan van een steunmaatregel van de staat en de vereisten voor de inleiding van de formele hoofdonderzoeksprocedure. Aangezien er in casu bij het onderzoek of de voorgenomen steunmaatregel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, ernstige moeilijkheden feitelijk en rechtens bestonden met betrekking tot het voorhanden zijn van een overheidsgarantie, de voldoende concretisering van de verplichtingen tot stillegging en verwijdering, alsmede met betrekking tot de concrete bedragen van de financiële reserves, de belastingvoordelen en de totale kosten van de stillegging, had de Commissie zich niet mogen beperken tot de inleidende fase van het onderzoek. Zij had integendeel in casu de formele fase van de onderzoeksprocedure moeten inleiden.
Het Gerecht heeft ook de kwestie van de selectiviteit van de Duitse regeling inzake financiële reserves op zich niet juist beoordeeld. Het is eraan voorbijgegaan dat de fiscale vrijstelling van de financiële reserves in de nucleaire sector een uitzondering op de algemene fiscale regeling vormt. Deze uitzondering is echter alleen geoorloofd wanneer de toekomstige verplichtingen voldoende concreet zijn bepaald. In casu is dit evenwel niet het geval: de criteria inzake het tijdstip van stillegging, de stilleggingsverplichtingen alsmede de rechtsgevolgen van niet-inachtneming van de bepalingen waren in het geheel niet afdoende bepaald. Maar ook wanneer de jure geen selectiviteit van de steunmaatregelen kan worden vastgesteld, kan een maatregel in strijd zijn met de steunvoorschriften, wanneer zij zich ertoe leent bepaalde ondernemingen te bevoordelen. De liberaliseringsrichtlijn voor de interne markt voor elektriciteit verlangt van de lidstaten dat zij de discriminaties en verstoringen van de mededinging actief opheffen. Het Gerecht heeft in dit verband echter niet vastgesteld dat de Bondsregering verplicht zou zijn geweest, de Duitse praktijk van financiële reserves te wijzigen, die door de selectieve ondersteuning van afzonderlijke economische sectoren een rechtstreekse schending van de richtlijn en het beginsel van het „effet utile” vormt.
Rekwirantes stellen ten slotte dat zij bij het bestreden arrest ten onrechte worden verwezen in de kosten van interveniëntes. Aangezien interveniëntes pas in een zeer laat stadium van de procedure zijn tussengekomen, toen alle essentiële memories reeds waren ingediend, kan hun ondersteuning van verweerster slechts zeer marginaal zijn geweest. Dit rechtvaardigt niet dat de verzoekende partijen alle kosten dragen.
(1) PB C 74, blz. 15.
GERECHT VAN EERSTE AANLEG
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/37 |
Toevoeging van de rechters aan de kamers
(2006/C 131/67)
Tijdens zijn voltallige vergadering van 8 mei 2006 heeft het Gerecht, nadat E. Moavero Milanesi zijn ambt als rechter heeft aanvaard, besloten het besluit van de voltallige vergadering van 7 juli 2005 betreffende de toevoeging van de rechters aan de kamers te wijzigen als volgt:
Voor de periode van 8 mei 2006 tot en met 30 september 2006 worden toegevoegd:
|
|
aan de Vierde kamer – uitgebreid, zetelend met vijf rechters: H. Legal, kamerpresident, P. Lindh, I. Wiszniewska-Białecka, V. Vadapalas en E. Moavero Milanesi, rechters |
|
|
aan de Vierde kamer, zetelend met drie rechters: H. Legal, kamerpresident
|
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/37 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 5 april 2006 — Degussa tegen Commissie
(Zaak T-279/02) (1)
(„Mededinging - Artikel 81 EG - Mededingingsregelingen - Methioninemarkt - Eén enkele voortdurende inbreuk - Geldboete - Richtsnoeren voor berekening van geldboeten - Zwaarte en duur van inbreuk - Medewerking tijdens administratieve procedure - Artikel 15, lid 2, van verordening nr. 17/62 - Vermoeden van onschuld”)
(2006/C 131/68)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekster: Degussa AG (Düsseldorf, Duitsland) (vertegenwoordigers: R. Bechtold, M. Karl en C. Steinle, advocaten)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: A. Bouquet en W. Mölls, gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Freund, advocaat)
Interveniënt aan de zijde van verweerster: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: E. Karlsson en S. Marquardt, gemachtigden)
Voorwerp van de zaak
Primair, een verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2003/674/EG van de Commissie van 2 juli 2002 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak C.37.519 — Methionine) (PB 2003, L 255, blz. 1), en, subsidiair, een verzoek om verlaging van de bij die beschikking aan verzoekster opgelegde geldboete
Dictum van het arrest
|
1) |
Het bedrag van de geldboete die aan verzoekster is opgelegd bij artikel 3 van beschikking 2003/674/EG van de Commissie van 2 juli 2002 inzake een procedure op grond van artikel 81 van het EG-Verdrag en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak C.37.519 — Methionine), wordt verminderd tot 91 125 000 euro. |
|
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
|
3) |
Verzoekster zal haar eigen kosten en 75 % van de kosten van de Commissie dragen. |
|
4) |
De Commissie zal 25 % van haar eigen kosten dragen. |
|
5) |
De Raad zal zijn eigen kosten dragen. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/37 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 25 april 2006 — Deutsche Bahn tegen Commissie
(Zaak T-351/02) (1)
(„Staatssteun - Klacht van concurrent - Richtlijn 92/81/EEG - Accijns op minerale oliën - Minerale oliën voor gebruik als brandstof voor luchtvaart - Vrijstelling van accijns - Brief van Commissie aan klager - Beroep tot nietigverklaring - Ontvankelijkheid - Voor beroep vatbare handeling - Verordening (EG) nr. 659/1999 - Begrip steun - Toerekenbaarheid aan staat - Gelijke behandeling”)
(2006/C 131/69)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekster: Deutsche Bahn (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Schütte, M. Reysen en W. Kirchhoff, vervolgens door Schütte en Reysen, advocaten)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: V. Kreutschitz en J. Flett, gemachtigden)
Interveniënt aan de zijde van verweerster: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: A.-M. Colaert, F. Florindo Gijón en C. Saile, gemachtigden)
Voorwerp van de zaak
Verzoek om nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 12 september 2002 houdende afwijzing van verzoeksters klacht van 5 juli 2002.
Dictum van het arrest
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Verzoekster wordt verwezen in de kosten. |
|
3) |
De Raad draagt zijn eigen kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/38 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 6 april 2006 — Schmitz-Gotha Fahrzeugwerke tegen Commissie
(Zaak T-17/03) (1)
(„Staatssteun - Kaderregeling voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden - Noodzaak van steun”)
(2006/C 131/70)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekster: Schmitz-Gotha Fahrzeugwerke GmbH (Gotha, Duitsland) (vertegenwoordiger: M. Matzat, advocaat)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: V. Kreuschitz en V. Di Bucci, gemachtigden)
Voorwerp van de zaak
Verzoek tot nietigverklaring van beschikking 2003/194/EG van de Commissie van 30 oktober 2002 betreffende de steunmaatregel die Duitsland heeft toegekend ten gunste van Schmitz-Gotha Fahrzeugwerke GmbH (PB 2003, L 77, blz. 41)
Dictum van het arrest
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Verzoekster wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/38 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 6 april 2006 — Camós Grau tegen Commissie
(Zaak T-309/03) (1)
(„Onderzoek van Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) betreffende beheer en financiering van Instituto de Relaciones Europeas Latino Americanas (IRELA) - Eventueel belangenconflict bij een onderzoeker - Verwijdering uit team - Invloed op verloop van onderzoek en inhoud van onderzoeksrapport - Eindrapport over onderzoek - Beroep tot nietigverklaring - Ontvankelijkheid - Beroep tot schadevergoeding - Ontvankelijkheid”)
(2006/C 131/71)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoeker: M. Camós Grau (Brussel, België) (vertegenwoordiger: M.-A. Lucas, advocaat)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: J.-F. Pasquier en C. Ladeburger, gemachtigden)
Voorwerp van de zaak
Enerzijds verzoek tot nietigverklaring van het eindrapport van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) betreffende het Instituto de Relaciones Europeas Latino Americanas (IRELA), en anderzijds verzoek om vergoeding van de beweerdelijk als gevolg van dit rapport geleden immateriële schade en schade aan de beroepsloopbaan
Dictum van het arrest
|
1) |
De Commissie wordt veroordeeld tot betaling van 10 000 EUR aan Manel Camós Grau. |
|
2) |
Het bedrag wordt voor het overige verworpen. |
|
3) |
De Commissie wordt verwezen in de kosten van het geding. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/39 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 5 april 2006 — Saiwa tegen BHIM
(Zaak T-344/03) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Aanvraag tot inschrijving van beeldmerk dat woordelement „SELEZIONE ORO Barilla” bevat - Oppositie - Oudere woordmerken ORO en ORO SAIWA - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 - Afwijzing van oppositie”)
(2006/C 131/72)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekster: Saiwa SpA (Genua, Italië) (vertegenwoordigers: G. Sena, P. Tarchini, J.-P. Karsenty en M. Karsenty-Ricard, advocaten)
Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: M. Capostagno en O. Montalto, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Barilla Alimentare SpA (Parma, Italië) (vertegenwoordigers: A. Vanzetti en S. Bergia, advocaten)
Voorwerp van de zaak
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 18 juli 2003 (R 480/2002-4) inzake een oppositieprocedure tussen de vennootschappen Saiwa SpA en Barilla Alimentare SpA
Dictum van het arrest
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Verzoekster wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/39 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 5 april 2006 — Madaus tegen BHIM
(Zaak T-202/04) (1)
(„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Ouder internationaal woordmerk ECHINACIN - Gemeenschapsmerkaanvraag voor woord ECHINAID - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94”)
(2006/C 131/73)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekster: Madaus AG (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordiger: I. Valdelomar Serrano, advocaat)
Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Novais Gonçalves, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Optima Healthcare Ltd (Cardiff, Verenigd Koninkrijk)
Voorwerp van de zaak
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 30 maart 2004 (zaak R 714/2002-2) inzake een oppositieprocedure tussen Madaus AG en Optima Healthcare Ltd
Dictum van het arrest
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Verzoekster wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/40 |
Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 5 april 2006 — Kachakil Amar tegen BHIM
(Zaak T-388/04) (1)
(Gemeenschapsmerk - Beeldmerk in vorm van streep in lengte, uitlopend op driehoek - Weigering van inschrijving - Ontbreken van onderscheidend vermogen - Verkrijging van onderscheidend vermogen door gebruik)
(2006/C 131/74)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoeker: Habib Kachakil Amar (Valencia, Spanje) (vertegenwoordiger: J.C. Heder, advocaat)
Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: O. Mondéjar, gemachtigde)
Voorwerp van de zaak
Beroep tegen de weigering van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 20 juli 2004 (R 175/2004-1) om het beeldmerk „Streep in de lengte, uitlopend op een driehoek” als gemeenschapsmerk in te schrijven
Dictum van het arrest
|
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
|
2) |
Verzoeker wordt verwezen in de kosten. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/40 |
Beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 30 maart 2006 — Korkmas e.a. tegen Commissie
(Zaak T-2/04) (1)
(„Ontvankelijkheid - Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handeling - Stilzwijgende weigering van Commissie, voorstel bij de Raad in te dienen - Beroep wegens nalaten - Voor beroep vatbaar verzuim - Verzuim voorstel bij Raad in te dienen - Discretionaire bevoegdheid - Bevel”)
(2006/C 131/75)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekers: Cemender Korkmaz (Flers, Frankrijk), Corner House Research (Sturminster Newton, Dorset, Verenigd Koninkrijk) en The Kurdish Human Rights Project (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. Moser, barrister, en A. Stock, advocaat, vervolgens P. Moser en H. Miller, solicitor)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen (vertegenwoordigers: G. Boudot en M. Wilderspin, gemachtigden)
Voorwerp van de zaak
Primair, een verzoek om nietigverklaring van het periodieke verslag van de Commissie van 5 november 2003 inzake de vorderingen op het gebied van de toetreding van Turkije, voorzover dit een beschikking van de Commissie bevat houdende weigering een aanbeveling tot de Raad te richten op het gebied van steunverlening aan Turkije vóór toetreding, subsidiair, een verzoek tot vaststelling van nalaten dienaangaande en, hoe dan ook, een verzoek om tot verweerster een bevel te richten.
Dictum van de beschikking
|
1) |
Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard. |
|
2) |
Cemender Korkmaz, Corner House Research en The Kurdish Human Rights Project worden in de kosten verwezen. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/40 |
Beschikking van de president van het Gerecht van eerste aanleg van 4 april 2006 — Tesoka tegen ESVLA
(Zaak T-398/05 R)
(„Kort geding - Afdoening zonder beslissing”)
(2006/C 131/76)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekster: Sabrina Tesoka (Overijse, België) (vertegenwoordiger: J.-L. Fagnart, advocaat)
Verweerster: Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (ESVLA) (vertegenwoordiger: C. Callanan, advocaat)
Voorwerp van de zaak
Verzoek om voorlopige maatregelen, in wezen inhoudende dat de ESVLA wordt gelast verzoekster een voorlopige vergoeding te betalen en verzoekster de documenten te doen toekomen die zij nodig heeft om in haar land van verblijf werkloosheidsvergoedingen te kunnen ontvangen
Dictum van de beschikking
|
1) |
Op het verzoek in kort geding behoeft niet te worden beslist. |
|
2) |
In het kader van het kort geding zal verweerster haar eigen kosten dragen, alsmede de helft van de kosten van verzoekster. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/41 |
Beroep ingesteld op 11 januari 2006 — Dimitrios Grammatikopoulos tegen BHIM
(Zaak T-20/06)
(2006/C 131/77)
Taal van het verzoekschrift: Grieks
Partijen
Verzoeker: Dimitrios Grammatikopoulos (vertegenwoordiger: Konstantinos Taoulas, advocaat)
Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: National Academy of Recording Arts and Sciences (Santa Monica, Verenigde Staten)
Conclusies van verzoeker
|
— |
Beslissing R1062/2000-4 van de Vierde kamer van beroep van het BHIM van 18 augustus 2005 te vernietigen en de inschrijving van het woordmerk GRAMMY zoals in de aanvraag omschreven, subsidiair, zoals gewijzigd in het verzoekschrift, als gemeenschapsmerk toe te staan. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: verzoeker
Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk GRAMMY voor waren van de klassen 25 en 28 — aanvraagnr. 19 315.
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: National Academy of Recording Arts and Sciences.
Oppositiemerk of -teken: nationaal merk GRAMMY voor waren van de klassen 9, 35, 41 en 42.
Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de oppositie.
Beslissing van de kamer van beroep: toewijzing van het beroep. Afwijzing van de inschrijvingsaanvraag.
Aangevoerde middelen: schending van artikel 8, lid 5, en artikel 43, lid 3, van richtlijn (EG) nr. 40/94 van Raad. Volgens verzoeker is het bewijs van een normaal commercieel gebruik van het oppositiemerk niet geleverd en heeft de kamer van beroep ten onrechte aangenomen dat het een bekend merk betreft.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/41 |
Beroep ingesteld op 8 maart 2006 — General Química e.a. tegen Commissie
(Zaak T-85/06)
(2006/C 131/78)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoeksters: General Química SA (Lantarón, Álava, Spanje), Repsol Química SA en Repsol YPF SA (Madrid) (vertegenwoordigers: J. M. Jiménez Laiglesia en J. Jiménez Laiglesia, advocaten)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoeksters
|
— |
nietigverklaring van de artikelen 1, sub g en h, en 2, sub d, van de bestreden beschikking voorzover Repsol Química en Repsol YPF daarin hoofdelijk aansprakelijk worden gehouden voor een inbreuk op artikel 81, lid 1, EG; subsidiair, nietigverklaring van de vaststelling dat Repsol YPF hoofdelijk aansprakelijk is; |
|
— |
nietigverklaring van artikel 2, sub d, van de bestreden beschikking voorzover het de geldboete op 3, 38 miljoen EUR vaststelt; subsidiair, passende verlaging van de opgelegde geldboete; |
|
— |
verwijzing van de Europese Commissie in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep is gericht tegen beschikking C(2005) 5592 def. van de Commissie van 21 december 2005 in zaak COMP/F/38.443 — Chemische producten voor rubberverwerking. In de bestreden beschikking heeft de Commissie vastgesteld dat verzoeksters, tezamen met andere ondernemingen, inbreuk hadden gemaakt op artikel 81, lid 1, EG, en artikel 53 EER-Overeenkomst door gedurende de periode 1999-2000 in de sector chemische producten voor de verwerking van rubber in de EER deel te nemen aan een samenstel van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, namelijk het vaststellen van prijzen en het uitwisselen van vertrouwelijke informatie. Voor deze inbreuken heeft de Commissie verzoeksters hoofdelijk veroordeeld tot een geldboete.
Tot staving van hun vorderingen stellen verzoeksters:
|
— |
onjuiste beoordeling door de Commissie, voorzover zij vaststelt dat Repsol YPF, Repsol Química en General Química hoofdelijk aansprakelijk zijn, en subsidiair, onjuiste beoordeling en ontoereikende motivering van de vaststelling dat Repsol YPF hoofdelijk aansprakelijk is; |
|
— |
onjuiste beoordeling, ontoereikende motivering en schending van de beginselen van evenredigheid en gelijke behandeling bij de berekening van de geldboete; |
|
— |
onjuiste beoordeling en gebrekkige motivering bij de toepassing van de mededeling van de Commissie betreffende immuniteit tegen geldboeten en vermindering van geldboeten in kartelzaken (1). |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/42 |
Beroep ingesteld op 15 maart 2006 — Lebard tegen Commissie
(Zaak T-89/06)
(2006/C 131/79)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoeker: Daniel Lebard (Brussel, België) (vertegenwoordiger: M. de Guillenschmidt, advocaat)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoeker
|
— |
het in de tot Lebard gerichte brief van 16 januari 2006 vervatte besluit om namens de Commissie het verzoek tot intrekking van besluit IV/M.1517 af te wijzen, nietig te verklaren; |
|
— |
derhalve het besluit van de Commissie tot sluiting van het dossier van de concentraties Rhodia/Albright & Wilson en Hoechst/Rhône-Poulenc, voorzover die concentraties onderling verbonden zijn, nietig te verklaren; |
|
— |
bijgevolg ook besluit IV/M.1378 van 2004 nietig te verklaren; |
|
— |
de Commissie te veroordelen om aan Lebard een schadevergoeding van één euro te betalen, het arrest van het Gerecht waarbij zij wordt veroordeeld op haar kosten in door verzoeker gekozen kranten te doen publiceren, en haar te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Bij besluit nr. IV/M.1517 van 13 juli 1999 keurde de Commissie een concentratie goed waarbij Rhodia SA de algehele controle zou overnemen van de vennootschap Albright & Wilson, waarvan verzoeker van 28 juli 1999 tot en met 14 oktober 1999 voorzitter was. Bij besluit nr. IV/M.1378 van 9 augustus 1999 keurde de Commissie ook de concentratie goed tussen Hoechst en Rhône-Poulenc; deze laatste bezat 67,35 % van Rhodia. Rhône-Poulenc is met betrekking tot Rhodia een aantal verbintenissen aangegaan (afstoten van participaties van Rhône-Poulenc in Rhodia, handhaving van een onafhankelijk bestuur van de twee ondernemingen), die aan besluit nr. IV/M.1378 zijn gehecht, teneinde ervoor te zorgen dat de concentraties geen mededingingsverstoring tot gevolg zouden hebben. Verzoeker heeft de Commissie verschillende brieven gezonden waarin hij haar meedeelde dat de in het kader van zaak IV/M.1378 aangegane verbintenissen niet werden nagekomen, en heeft verzocht om intrekking van besluit nr. IV/M.1517. Bij brief van 7 oktober 2005 deelde de Commissie hem mee dat zij niet voornemens was enig initiatief te nemen op grond van de haar door verzoeker ter kennis gebrachte feiten, en dat zij had beslist het dossier te sluiten. In antwoord op een brief van verzoeker zond het kabinet van de voorzitter van de Commissie hem op 16 januari 2006 een brief waarin het eerder in de brief van 7 oktober 2005 ingenomen standpunt werd herhaald, namelijk afwijzing van het verzoek tot intrekking van het besluit van de Commissie in zaak IV/M.1517. Met dit beroep wordt opgekomen tegen een gesteld besluit in de brief van de Commissie van 16 januari 2006.
Tot staving van zijn beroep voert verzoeker verschillende middelen aan.
Wat de ontvankelijkheid betreft, stelt hij in de eerste plaats dat hij rechtstreeks procesbelang heeft als geadresseerde van de bestreden brief, die hem individueel en rechtstreeks schade berokkent. Hij stelt eveneens dat de brief van 16 januari 2006, die in dit beroep aan de orde is, niet kan worden beschouwd als een loutere bevestiging van de brief van 7 oktober 2005, omdat intussen een nieuw element bekend is geworden dat de omstandigheden en voorwaarden van de vaststelling van de eerdere handeling wezenlijk kon veranderen in de zin van de communautaire rechtspraak. Verzoeker alludeert daarmee op een brief van mevrouw Kroes van 12 januari 2006 aan de leden van het Europees Parlement betreffende de betrokken concentraties.
In de tweede plaats voert verzoeker middelen aan tot staving van zijn vordering ten gronde. Met het eerste, ontleend aan schending van de materiële en procedurele regels inzake mededinging, verwijt hij de Commissie dat zij het dossier niet opnieuw onderzoekt en haar bevoegdheid om haar eerdere besluit in te trekken niet uitoefent. Met zijn tweede middel stelt verzoeker misbruik van bevoegdheid, nu de Commissie geen strikt toezicht heeft gehouden tijdens de verwezenlijking van de eerder goedgekeurde concentraties.
Ten slotte voert verzoeker een middel aan dat is ontleend aan de rechtsbescherming die zijns inziens verschuldigd is aan de partijen bij een concentratie en met name aan de bestuurders van een bij een concentratie betrokken onderneming.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/43 |
Beroep ingesteld op 23 maart 2006 — Mülhens tegen BHIM
(Zaak T-93/06)
(2006/C 131/80)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekster: Mülhens GmbH & Co. KG (Köln, Duitsland) (vertegenwoordiger: T. Schulte-Beckhausen, advocaat)
Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: S.A. Spa Monopole, Compagnie fermière de Spa (Spa, België)
Conclusies van verzoekster
|
— |
de beslissing van de tweede kamer van beroep van verweerder van 11 januari 2006 (zaak nr. 2746/2004) te vernietigen; |
|
— |
verweerder te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het gemeenschapsmerk: Mülhens GmbH & Co. KG
Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „MINERAL SPA” voor waren van klasse 3 (zepen, parfumerieën, etherische oliën, cosmetische middelen, haarlotions, tandreinigingsmiddelen)
Houder van het oppositiemerk of -teken in de oppositieprocedure: S.A. Spa Monopole, Compagnie fermière de Spa
Oppositiemerk of -teken: verscheidene merken met het woord „SPA” en, inzonderheid, het Benelux-woordmerk „SPA” voor waren van klasse 32
Beslissing van de oppositieafdeling: afwijzing van de aanvraag tot inschrijving van het merk
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: onjuiste toepassing van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 40/94
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/43 |
Beroep ingesteld op 21 maart 2006 — Federación de Cooperativas Agrarias de la Comunidad Valenciana tegen Communautair Bureau voor Plantenrassen (CBP)
(Zaak T-95/06)
(2006/C 131/81)
Taal van het verzoekschrift: Spaans
Partijen
Verzoekster: Federación de Cooperativas Agrarias de la Comunidad Valenciana (Valencia, Spanje) (vertegenwoordigers: S. Roig Girbes, R. Ortega Bueno en M. Delgado Echevarría, advocaten)
Verweerder: Communautair Bureau voor Plantenrassen (CBP)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: SARL Nador Cott Protection (Saint Raphaël, Frankrijk)
Conclusies van verzoekster
|
— |
de beslissing van de kamer van beroep van het Communautair Bureau voor Plantenrassen van 8 november 2005 nietig te verklaren; |
|
— |
het Communautair Bureau voor Plantenrassen te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Aanvrager van het communautaire kwekersrecht: Jean de Maistre, sinds afstand is gedaan van het betrokken ras SARL Nador Cott Protection (aanvraag nr. 1995/0726)
Ras waarvoor het kwekersrecht is aangevraagd: Nadorcott
Beslissing van het CBP: verlening van het communautaire kwekersrecht (beslissing nr. 14111)
Partij die beroep bij de kamer van beroep heeft ingesteld: verzoekster
Beslissing van de kamer van beroep: niet-ontvankelijkheid van het beroep (zaak A 001/2005)
Aangevoerde middelen: schending van verordening (EG) nr. 1239/95 (1) en van het beginsel van behoorlijk bestuur door niet-toepassing van artikel 49 van deze verordening; onterechte verwerping van het beroep wegens ontbreken van bevoegdheid om beroep in te stellen.
(1) Verordening (EG) nr. 1239/95 van de Commissie van 31 mei 1995 houdende voorschriften ter uitvoering van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad, betreffende de procedures voor het Communautair Bureau voor Plantenrassen (PB L 121, blz. 37).
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/44 |
Beroep ingesteld op 29 maart 2006 — Neoperl tegen BHIM
(Zaak T-97/06)
(2006/C 131/82)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekster: Neoperl GmbH (Müllheim, Duitsland) (vertegenwoordiger: H. Börjes-Pestalozza, advocaat)
Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies van verzoekster
|
— |
de bestreden beslissing R 0612/2005-4 te vernietigen en het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt te gelasten, gemeenschapsmerkaanvraag nr. 3 636 206 te publiceren ter fine van inschrijving van het aangevraagde merk. |
Middelen en voornaamste argumenten
Betrokken gemeenschapsmerk: driedimensionaal merk „sanitairslang” voor waren van de klassen 11 en 17 — aanvraag nr. 3 636 206
Beslissing van de onderzoeker: afwijzing van de aanvraag
Beslissing van de kamer van beroep: verwerping van het beroep
Aangevoerde middelen: Het aangevraagde merk bezit het vereiste onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 (1).
(1) Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1994 inzake het gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1).
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/44 |
Beroep ingesteld op 28 maart 2006 — Fédération nationale du Crédit agricole tegen Commissie
(Zaak T-98/06)
(2006/C 131/83)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekster: Fédération nationale du Crédit agricole (Parijs, Frankrijk) (vertegenwoordigers: N. Lenoir en P.-A. Jeanneney, advocaten)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoekster
|
— |
nietig te verklaren de beschikking van de Commissie van 21 december 2005 in zaak N 531/2005 Frankrijk — Maatregelen in verband met het oprichten en functioneren van Banque Postale; |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Op 26 januari 2005 hebben de Franse autoriteiten de Commissie medegedeeld dat zij hadden besloten de bank- en verzekeringsactiviteiten van La Poste onder te brengen bij een dochteronderneming (Banque Postale) die aanvankelijk voor 100 % in handen is van La Poste. Op 21 juli 2005 heeft verzoekster in het onderhavige beroep bij de Commissie een formele klacht ingediend op grond van artikel 20, lid 2, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (thans artikel 88 EG) (1), waarin zij aanvoerde dat de aan Banque Postale toegekende staatssteun onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt en zij de Commissie verzocht om een formele onderzoeksprocedure in te leiden.
Bij beschikking van 21 december 2005 heeft de Commissie vastgesteld dat de onderbrenging van de financiële diensten van La Poste in een dochteronderneming geen economisch voordeel verschaft aan Banque Postale en dat de maatregelen in verband met het oprichten en functioneren ervan geen staatssteun vormt in de zin van artikel 87, lid 1, EG. Dit is de bestreden beschikking.
Tot staving van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan, waarvan het eerste is ontleend aan schending van de formele wettigheid, namelijk schending van verordening nr. 695/1999, aangezien de Commissie zou hebben besloten een aantal maatregelen later te onderzoeken, en schending van artikel 88, lid 2, EG, aangezien zij zou hebben geweigerd de formele onderzoeksprocedure in te leiden.
Met haar tweede middel voert verzoekster aan dat de Commissie, met haar vaststelling dat de maatregelen in verband met het oprichten en functioneren van Banque Postale geen staatssteun vormden, onder meer de in de klacht aan het licht gebrachte economische voordelen onjuist heeft beoordeeld, zodat zij inbreuk heeft gemaakt op de artikelen 87 EG en 88 EG.
Met haar derde middel verwijt verzoekster de Commissie dat de bestreden beschikking is aangetast door vormgebreken, aangezien daarin niet is gemotiveerd waarom zij de wezenlijke grieven in verzoeksters klacht niet heeft behandeld, de motieven tegenstrijdig zijn en een aantal specifieke punten van de beschikking ontoereikend zijn gemotiveerd.
Met haar vierde middel voert verzoekster aan dat de Commissie de artikelen 43 EG, 82 EG en 86 EG, zou hebben geschonden, aangezien zij in haar beschikking de inbreuken op de vrijheid van vestiging en op de vrije mededinging, welke het resultaat zijn van de maatregelen in verband met het uit het Livret A voortvloeiende voorwerp van de staatssteun, niet zou hebben beoordeeld.
(1) PB L 83, blz. 1.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/45 |
Beroep ingesteld op 3 april 2006 — SPM tegen Commissie
(Zaak T-104/06)
(2006/C 131/84)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekster: Société des plantations de Mbanga (SPM) (Douala, Kameroen) (vertegenwoordiger: B.-L. Doré, advocaat)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoekster
|
— |
haar vorderingen ontvankelijk te verklaren; |
|
— |
verordening (EG) nr. 219/2006 van de Commissie van 8 februari 2006 betreffende de opening en de wijze van beheer van het tariefcontingent voor de invoer van bananen van GN-code 0803 00 19van oorsprong uit ACS-landen voor de periode van 1 maart tot en met 31 december 2006, nietig te verklaren; |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
In het kader van de wijziging van de specifieke regeling met betrekking tot contingenten voor het handelsverkeer met derde landen die deel uitmaken van de maatregelen tot ordening van de markten in de sector bananen, is de Commissie bij verordening nr. 1964/2005 van de Raad van de Europese Unie van 29 november 2005 (1) onder meer de bevoegdheid verleend om de uitvoeringsbepalingen voor die verordening en overgangsbepalingen voor het beheer van het tariefcontingent voor bananen uit ACS-landen vast te stellen. In het kader daarvan heeft de Commissie in verordening nr. 2015/2005 van 9 december 2005 (2) voor de maanden januari en februari 2006 de oorspronkelijk bij verordening nr. 896/2001 ingevoerde oude regeling voor de toewijzing van invoercertificaten op basis van historische gegevens (3) gehandhaafd. Daar dit per definitie een overgangsregeling was, heeft de Commissie op 8 februari 2006 verordening nr. 219/2006 betreffende de opening en de wijze van beheer van het tariefcontingent voor de invoer van bananen van GN-code 0803 00 19 van oorsprong uit ACS-landen voor de periode van 1 maart tot en met 31 december 2006 (4) vastgesteld. In die verordening heeft de Commissie een methode voor het beheer van het tariefcontingent ingevoerd waarbij het contingent wordt opgebruikt met inachtneming van de chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de aangiften voor het vrije verkeer („wie het eerst komt, het eerst maalt”), en als overgangsmaatregel een deel van het tariefcontingent gereserveerd voor de marktdeelnemers die reeds ACS-bananen aan de Gemeenschap hebben geleverd in het kader van de voordien geldende invoerregeling. Met dit beroep wordt de nietigverklaring van die verordening gevorderd.
In dit beroep stelt verzoekster dat de bestreden verordening op verschillende punten onwettig is, nu volgens haar uit de bepalingen ervan volgt dat hoewel 60 % van het tariefcontingent wordt beheerd volgens de nieuwe methode, 40 % nog wordt beheerd via de toewijzing van certificaten op basis van historische gegevens. Tot staving van haar beroep voert verzoekster dezelfde middelen en argumenten aan als in zaak T-447/05 (5).
(1) Verordening (EG) nr. 1964/2005 van de Raad van 29 november 2005 inzake de invoertarieven voor bananen (PB L 316, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 2015/2005 van de Commissie van 9 december 2005 met betrekking tot de invoer, in de maanden januari en februari 2006, van bananen van oorsprong uit ACS-landen in het kader van het bij verordening (EG) nr. 1964/2005 van de Raad inzake de invoertarieven voor bananen geopende tariefcontingent (PB L 324, blz. 5).
(3) Verzoekster vordert nietigverklaring van die verordening in zaak T-447/05.
(4) PB L 38, blz. 22.
(5) Zie mededeling in PB 2006, C 74, blz. 24.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/46 |
Beroep ingesteld op 12 april 2006 — Vodafone España, SA en Vodafone group plc tegen Commissie
(Zaak T-109/06)
(2006/C 131/85)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoeksters: Vodafone España, SA (Madrid, Spanje) en Vodafone group plc (Newbury, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: J. Flynn, QC, E. McKnight en K. Fountoukakos-Kyriakakos, solicitors)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoeksters
|
— |
nietig te verklaren de beschikking van de Commissie, vervat in haar brief van 30 januari 2006 aan de Spaanse CMT; en |
|
— |
verweersters te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeksters vorderen nietigverklaring van een overeenkomstig artikel 7 van richtlijn 2002/21/EG inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (1) (hierna: „kaderrichtlijn”) vastgestelde beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vervat in een brief van 30 januari 2006 aan de Spaanse Comisión del Mercado de las Telecomunicaciones (hierna: „CMT”).
Met de bestreden beschikking heeft de Commissie aan het eind van de eerste fase van onderzoek, voorzien in artikel 7 van de kaderrichtlijn, en zonder een nader tweemaandelijks onderzoek krachtens artikel 7, lid 4 (hierna: „tweede fase van onderzoek”) in te leiden, een door de CMT aan de Commissie meegedeelde ontwerpmaatregel goedgekeurd waarmee de CMT voorlopig heeft besloten om:
|
i) |
uit te spreken dat Vodafone en twee andere ondernemingen (Telefonica en Amena) gezamenlijk een aanmerkelijke marktmacht hadden, door een collectieve machtpositie in te nemen op de groothandelsmarkt voor toegang en gespreksopbouw op openbare mobiele telefoonnetwerken in Spanje; en |
|
ii) |
de drie ondernemingen te verplichten in te gaan op redelijke verzoeken om toegang tot hun netwerken en redelijke voorwaarden te bieden voor de levering van toegangsdiensten. |
Verzoeksters betogen dat de bestreden beschikking artikel 7 van de kaderrichtlijn schendt aangezien de Commissie een tweede fase van onderzoek had moeten inleiden omdat zij
|
i) |
zich had moeten realiseren dat de CMT op basis van het bewijsmateriaal en de in de voorgestelde maatregel vervatte redenering niet kon rechtvaardigen dat er sprake was van aanmerkelijke marktmacht; |
|
ii) |
ernstig had moeten betwijfelen of de CMT, gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie en van het Gerecht van eerste aanleg, het begrip „aanmerkelijke marktmacht” juist had toegepast; en |
|
iii) |
ernstig had moeten betwijfelen of de CMT al het relevante bewijsmateriaal had geverifieerd en onderzocht. |
Voorts voeren verzoeksters aan dat de bestreden beschikking leidt tot ongelijke behandeling van ondernemingen die zich in vergelijkbare situaties bevinden en belemmeringen in het leven roept voor de interne markt, aangezien de beschikking niet strookt met andere krachtens artikel 7 van de kaderrichtlijn gegeven beschikkingen.
Ten slotte betogen verzoeksters dat de Commissie afbreuk heeft gedaan aan hun procedurele rechten, door geen tweede fase van onderzoek in te leiden en hen de mogelijkheid te ontnemen om tijdens de eerste fase van onderzoek commentaar te leveren op aanvullende informatie die de Commissie had verkregen van de CMT.
(1) Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (kaderrichtlijn) (PB L 108, blz. 33).
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/46 |
Beroep ingesteld op 7 april 2006 — Inter-IKEA tegen BHIM
(Zaak T-112/06)
(2006/C 131/86)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekster: Inter-IKEA Systems BV (Delft, Nederland) (vertegenwoordigers: J. Gulliksson en J. Olsson, advocaten)
Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Walter Waibel
Conclusies van verzoekster
|
— |
de bestreden beslissing te vernietigen, en |
|
— |
het BHIM te verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure en van de procedure tot nietigverklaring voor het BHIM. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ingeschreven gemeenschapsmerk waarvan nietigverklaring is gevorderd: beeldmerk „idea” voor waren en diensten van de klassen 16, 20 en 42 (als gemeenschapsmerk ingeschreven onder nr. 283 952)
Houder van het gemeenschapsmerk: Walter Waibel
Partij die nietigverklaring van het gemeenschapsmerk vordert: Inter-IKEA Systems B.V.
Merkrecht van de partij die nietigverklaring vordert: verscheidene communautaire en nationale beeld- en woordmerken voor waren en diensten van de klassen 16, 20 en 42
Beslissing van de nietigheidsafdeling: nietigheid van het merk „idea”
Beslissing van de kamer van beroep: afwijzing van de vordering tot nietigverklaring
Aangevoerde middelen: schending van de artikelen 52, lid 1, sub a, en 8, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 van de Raad
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/47 |
Beroep ingesteld op 10 april 2006 — Fjord Seafood Norway e.a. tegen Raad
(Zaak T-113/06)
(2006/C 131/87)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoeksters: Fjord Seafood Norway AS (Oslo, Noorwegen), Fjord Seafood Scotland Farming Ltd (Isle of Lewis, Verenigd Koninkrijk), Alsaker Fjordbruk AS (Onarheim, Noorwegen) (vertegenwoordigers: J. Juuhl-Langseth en P. Dyrberg, advocaten)
Verweerder: Raad van de Europese Unie
Conclusies van verzoeksters
|
— |
verordening nr. 85/2006 van de Raad nietig te verklaren, voorzover zij betrekking heeft op Fjord Seafood Norway AS; |
|
— |
de Raad te verwijzen in verzoeksters' kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeksters exporteren gekweekte zalm van Noorwegen naar de Gemeenschap dan wel produceren deze in de Gemeenschap. Bij de bestreden verordening worden antidumpingrechten ingesteld op gekweekte zalm uit Noorwegen.
Tot staving van hun beroep voeren verzoeksters in de eerste plaats aan dat de bestreden verordening het begrip bedrijfstak van de Gemeenschap onjuist definieert en toepast. Verzoeksters betogen dat de bestreden verordening de schadelijdende bedrijfstak van de Gemeenschap zo heeft gedefinieerd dat deze minder dan 5 % van de totale productie in de Gemeenschap omvatte, in het bijzonder op grond dat andere producenten in de Gemeenschap eigendom zijn van of verbonden zijn aan Noorse belangen. Zij stellen dat de bestreden verordening bijgevolg inbreuk heeft gemaakt op de EER-overeenkomst, inzonderheid op het beginsel van de vrijheid van vestiging, het vrije verkeer van kapitaal en de non-discriminatie op grond van nationaliteit, op de basisverordening (1), en op artikel 253 EG.
Verzoeksters brengen voorts tegen de bestreden verordening in, dat daarin de bedrijfstak van de Gemeenschap zo is gedefinieerd dat deze enkel producenten van gekweekte zalm omvat. Zij stellen dat de definitie ook de verwerkende industrie had moeten omvatten, aangezien de betrokken zalm ook wordt verwerkt en bij de opgelegde rechten met de verwerkingskosten rekening is gehouden.
Verzoeksters betogen voorts dat de bestreden verordening de dumping en de schade onjuist heeft beoordeeld, door zich te baseren op gegevens die betrekking hebben op de 25 EU-lidstaten, hoewel de EU tijdens het grootste deel van de onderzochte periode uit 15 lidstaten bestond. Het gedrag van Noorse exporteurs, vóór 1 mei 2004, op de markten van de tien nieuwe lidstaten, die geen gekweekte zalmindustrie hebben, kan niet worden gezien als een dumping die de bedrijfstak van de gemeenschap schade toebrengt.
Voorts betogen verzoeksters dat de steekproeven die bij de klagers en de Noorse exporteurs zijn uitgevoerd, niet representatief zijn, dat in de bestreden verordening niet is aangetoond dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de invoer uit Noorwegen en de schade, en dat daarin niet is onderzocht of schade als gevolg van invoer uit de Verenigde Staten en Canada niet aan invoer uit Noorwegen is toegeschreven. Zij stellen eveneens dat de bestreden verordening ten onrechte het verlies van marktaandeel door de bedrijfstak van de Gemeenschap automatisch met schade heeft gelijkgesteld, dat de bij de berekening van de rechten toegepaste wisselkoersen onjuist waren, dat de grondslag voor de invoerprijzen voor filets onjuist is, en dat er in dat verband onvoldoende transparantie was. Ten slotte betogen zij dat de productiekosten van verzoekster Fjord Seafood Norway onjuist zijn vastgesteld.
(1) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 56, blz. 1).
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/48 |
Beroep ingesteld op 14 april 2006 — GLOBE NV tegen Commissie
(Zaak T-114/06)
(2006/C 131/88)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekster: GLOBE NV (Zandhoven, België) (vertegenwoordiger: A. Abate, advocaat)
Verweersters: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoekster
|
— |
nietig te verklaren de beschikking van de Commissie, vervat in de brief van 2 maart 2006 van de Procurement Co-ordinator (inkoopcoördinator), Directie D 3 van het samenwerkingsbureau EuropeAid, betreffende het project EuropeAid/122078/C/S/Multi, getiteld „Supply of a Pipeline Network Information System to the Central Asia Gas companies (Kazakhstan, Kyrgystan, Turkmenistan, Uzbekistan)” [„Levering van een pijpleidingnetwerk-informatiesysteem aan de gasbedrijven in Centraal-Azië (Kazachstan, Kirgizië, Turkmenistan, Oezbekistan)”]; |
|
— |
de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie in verband met de vaststelling van bovengenoemde beschikking vast te stellen; |
|
— |
de Commissie te veroordelen tot vergoeding van de aan verzoekster berokkende schade, waarvan het bedrag wordt geraamd op 492 024,00 EUR, vermeerderd met vertragingsrente vanaf de dag van bekendmaking van het arrest; |
|
— |
de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster heeft deelgenomen aan de aanbestedingsprocedure voor het project EuropeAid/122078/C/S/Multi, getiteld „Invitation to tender for Supply of a Pipeline Network Information System to the Central Asia Gas companies (Kazakhstan, Kyrgystan, Turkmenistan, Uzbekistan)” [„Inschrijving voor levering van een pijpleidingnetwerk-informatiesysteem aan de gasbedrijven in Centraal-Azië (Kazachstan, Kirgizië, Turkmenistan, Oezbekistan)”], in het kader van het programma TACIS 2002 (1). Bij brief van 2 maart 2006 heeft de Commissie verzoekster meegedeeld dat haar offerte niet was aanvaard omdat haar aanbod niet het laagste was, en dat de opdracht was gegund aan een concurrerende onderneming. Met het onderhavige beroep vordert verzoekster nietigverklaring van de in deze brief vervatte beschikking alsmede vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de vaststelling van de bestreden beschikking.
Verzoekster komt tegen deze beschikking op onder aanvoering van meerdere middelen.
In de eerste plaats betoogt zij dat de Commissie met de vaststelling van de bestreden beschikking aanzienlijke beoordelingsfouten heeft gemaakt en de aanwijzingen voor de inschrijvers heeft geschonden, waardoor de toewijzing van de opdracht aan de inschrijver aan wie de opdracht is gegund als nietig dient te worden beschouwd. In dit middel stelt verzoeker dat de door de Commissie aanvaarde offerte niet voldeed aan de technische specificaties van het bestek. Voorts verwijt zij de Commissie de termijn voor indiening van de offertes te hebben verlengd, en de concurrent van verzoekster na opening van de inschrijvingen te hebben verzocht zijn offerte te verbeteren in het licht van het corrigendum bij het aanbestedingsdossier, waardoor de inschrijver aan wie de opdracht uiteindelijk is gegund zijn offerte aldus kon wijzigen dat deze de laagste was. Ook beroept verzoekster zich op schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen, doordat haar offerte, die ten tijde van de opening van de inschrijvingen de laagste was, uiteindelijk is afgewezen.
In de tweede plaats stelt verzoekster dat de Commissie, door haar, alvorens de bestreden beschikking te geven, niet in kennis te stellen van de gronden waarop zij tijdens de openbare zitting waarop de offertes werden geopend de volgorde ervan wenste om te keren, verzoekster de mogelijkheid heeft ontnomen haar standpunt uiteen te zetten en bijgevolg haar rechten van verdediging heeft geschonden.
Het derde middel waarop verzoekster zich beroept is ontleend aan een gestelde schending door de Commissie van de plicht tot motivering, aangezien deze volgens verzoekster ontoereikend en tegenstrijdig is.
Met haar vierde middel beroept verzoekster zich op schending van het beginsel van goede rechtsbedeling, omdat, volgens haar, de Commissie nalatigheid kan worden verweten aangezien deze te laat de resultaten heeft meegedeeld van de selectie van offertes, en te laat heeft geantwoord op de verschillende brieven van verzoekster.
(1) Programma als bedoeld in verordening (EG, Euratom) nr. 99/2000 van de Raad van 29 december 1999 betreffende bijstand aan de partnerstaten in Oost-Europa en Centraal-Azië (PB 2000, L 12, blz. 1).
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/48 |
Beroep ingesteld op 12 april 2006 — Zuffa tegen BHIM
(Zaak T-118/06)
(2006/C 131/89)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekster: Zuffa, LLC (Las Vegas, VSA) (vertegenwoordigers: S. Malynicz, barrister, en M. Blair, solicitor)
Verweerder: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies van verzoekster
|
— |
te vernietigen, de beslissing van de eerste kamer van beroep van 30 januari 2006 in zaak R 931/2005-1 houdende verwerping van het beroep op grond van de artikelen 7, lid 1, sub b en c, van verordening nr. 40/94; |
|
— |
het Bureau te verwijzen in zijn eigen kosten en in die van verzoekster. |
Middelen en voornaamste argumenten
Betrokken gemeenschapsmerk: woordmerk „ULTIMATE FIGHTING CHAMPIONSHIP” voor waren en diensten van de klassen 9, 16, 25, 28 en 41 — aanvraag nr. 2 789 568
Beslissing van de onderzoeker: weigering van inschrijving voor alle waren en diensten waarvoor inschrijving was aangevraagd
Beslissing van de kamer van beroep: vernietiging van de beslissing van de onderzoeker, afwijzing van de aanvraag op grond van de artikelen 7, lid 1, sub b en c, van verordening nr. 40/94 van de Raad en terugwijzing van de zaak naar de onderzoeker voor verder onderzoek als bedoeld in artikel 7, lid 3, van verordening nr. 40/94
Aangevoerde middelen: De kamer van beroep heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting door de woorden ULTIMATE FIGHTING gelijk te stellen met de naam van een bepaalde sportdiscipline en door te oordelen dat deze woorden een duidelijke en ondubbelzinnige betekenis hebben. Bijgevolg heeft de kamer van beroep ten onrechte geoordeeld dat het aangevraagde merk beschrijvend is en geen onderscheidend vermogen bezit.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/49 |
Beroep ingesteld op 3 mei 2006 — Centro Studi A. Manieri tegen Raad
(Zaak T-125/06)
(2006/C 131/90)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoeker: Centro Studi A. Manieri (Rome, Italië) (vertegenwoordigers: C. Forte, M. Forte en G. Forte, advocaten)
Verweerder: Raad van de Europese Unie
Conclusies van verzoeker
|
— |
nietigverklaring van het besluit van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie van 16 januari 2006 waarbij wordt afgezien van de niet-openbare aanbestedingsprocedure UCA-459/03 voor het volledige beheer van een crèche, en gelijktijdig de opdracht voor het beheer van die diensten wordt opgedragen aan het bureau infrastructuur en logistiek Brussel (OIB) van de Europese Commissie; |
|
— |
verzoekers schade ex aequo et bono vast te stellen; |
|
— |
verweerder te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep is gericht tegen het besluit van het secretariaat-generaal van verweerder waarbij wordt afgezien van de aanbestedingsprocedure die in de herfst van 2003 was gestart met aankondiging 2003/209-187862 voor een niet-openbare procedure voor het volledige beheer van een crèche. Dit besluit zou zijn genomen omdat een voorstel van het bureau infrastructuur en logistiek Brussel (OIB) van de Commissie betreffende het beheer van de crèche in kwestie in aanmerking is genomen. Dit voorstel werd geoordeeld veel voordeliger te zijn dan het voorstel van verzoeker, vooral wat de aan het personeel gegarandeerde contractsvoorwaarden, de schaalvoordelen en de optimalisering van de beschikbare middelen betreft.
Tot staving van zijn stellingen betoogt verzoeker:
|
— |
schending van het transparantiebeginsel en van het beginsel van gelijke behandeling omdat de bestreden handeling, houdende het besluit om de dienst waarover de procedure ging intern uit te voeren, is vastgesteld zonder bekendmaking of mededinging; |
|
— |
schending van artikel 86, lid 1, EG voorzover onaanvaardbaar is een stelsel waarin de lidstaten verplicht worden een nationaal systeem waarin de gunning van concessies voor openbare diensten zonder aanbestedingsprocedure niet te handhaven, om vervolgens de gemeenschapsinstellingen toe te staan dit wel te doen; |
|
— |
onjuiste toepassing van de bepalingen die als rechtsgrondslag voor het bestreden besluit zijn aangevoerd: afdeling 4 van het bestek en artikel 10 van het financieel reglement, aangezien het afzien van de aanbesteding waarop de Raad zich beroept niet tot doel had de procedure opnieuw te starten; |
|
— |
schending van de motiveringsplicht en onjuiste beoordeling van de feiten, wat de juistheid van de criteria betreft waarop de keuze voor het voorstel van het OIB is gebaseerd; |
|
— |
schending van de artikelen 43 en 49 EG. Op dit punt wordt gesteld dat indien het OIB geen dienst van de Raad is, deze daarover geen enkele controle heeft. Daaruit volgt dat in casu geen beroep kan worden gedaan op de rechtspraak volgens welke de toepassing van de regeling inzake overheidsopdrachten enkel is uitgesloten indien de concessieverlenende overheidsinstantie op de concessiehouder toezicht uitoefent zoals op haar eigen diensten én deze concessiehouder bovendien het merendeel van zijn werkzaamheden verricht ten behoeve van de instantie die hem beheerst. |
GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/50 |
Beroep ingesteld op 13 maart 2006 — Hanot tegen Commissie
(Zaak F-30/06)
(2006/C 131/91)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekster: Cécile Hanot (Luxemburg, Luxemburg) (vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis, E. Marchal, advocaten)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoekster
|
— |
vaststelling dat de artikelen 5, lid 2, en 12 van bijlage XIII bij het Statuut onwettig zijn; |
|
— |
nietigverklaring van het besluit waarbij verzoekster in een ambt van assistent is aangesteld, voorzover zij daarbij krachtens artikel 5, lid 2, van bijlage XIII bij het Statuut in de rang B*3, salaristrap 5, is ingedeeld; |
|
— |
nietigverklaring van het besluit om alle door verzoekster reeds verkregen punten in te trekken; |
|
— |
nietigverklaring van het besluit om een vermenigvuldigingsfactor toe te passen voor de berekening van verzoeksters bezoldiging; |
|
— |
verwijzing van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster is geslaagd voor het intern vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie COM/PB/04, waarvan de kennisgeving is bekendgemaakt vóór de datum van inwerkingtreding van het nieuwe Statuut. Na die datum is zij door verweerster aangesteld in de hogere categorie, maar met behoud van dezelfde rang, salaristrap en vermenigvuldigingsfactor. Haar bevorderingspunten zijn evenwel op nul gesteld.
In haar beroep stelt verzoekster om te beginnen dat de bestreden besluiten zijn genomen met miskenning van het wettigheidkader dat wordt gevormd door de kennisgeving van het vergelijkend onderzoek waarvoor zij is geslaagd, alsmede dat zij in strijd zijn met de artikelen 5, 29 en 31 van het Statuut, het beginsel van het recht op ontwikkeling van loopbaan en het evenredigheidsbeginsel.
Voorts stelt zij dat die besluiten eveneens in strijd zijn met het beginsel van gelijke behandeling en het non-discriminatiebeginsel. Om te beginnen worden geslaagden voor hetzelfde vergelijkende onderzoek of vergelijkende onderzoeken van hetzelfde niveau verschillend ingedeeld naar gelang de aanwerving vóór of na de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut heeft plaatsgevonden. Voorts worden ambtenaren die niet voor het vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie zijn geslaagd bevoordeeld, aangezien zij hun bevorderingspunten hebben behouden, terwijl de door verzoekster reeds verkregen punten op nul zijn gesteld.
Ten slotte stelt verzoekster dat de bestreden besluiten in strijd zijn met het beginsel van bescherming van gewettigd vertrouwen, aangezien zij mocht verwachten, te worden aangesteld in de in de kennisgeving van vergelijkend onderzoek aangegeven rang.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/50 |
Beroep ingesteld op 13 maart 2006 — Perez-Minayo Barroso en Pino tegen Commissie
(Zaak F-31/06)
(2006/C 131/92)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekers: Isabelle Perez-Minayo Barroso (Brussel, België) en Marco Pino (Brussel, België) (vertegenwoordiger: S. Orlandi, advocaat)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoekers
|
— |
Vast te stellen dat de artikelen 5 en 12 van bijlage XIII bij het Statuut onrechtmatig zijn; |
|
— |
Nietig te verklaren de individuele besluiten tot aanstelling van verzoekers als administrateur, voorzover zij daarbij zijn ingedeeld op basis van artikel 5, lid 2, van bijlage XIII bij het Statuut; |
|
— |
Nietig te verklaren de individuele besluiten waarbij de door verzoekers in hun oude categorie verzamelde punten, welke hun „rugzak” vormden, zijn komen te vervallen; |
|
— |
Nietig te verklaren de individuele besluiten tot toepassing van een vermenigvuldigingsfactor kleiner dan 1 ter vaststelling van de bezoldiging van verzoekers; |
|
— |
De Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekers zijn geslaagd voor een intern vergelijkend onderzoek voor overgang van categorie COM/PA/04, waarvan de aankondiging is bekendgemaakt vóór de datum van inwerkingtreding van het nieuwe Statuut. Na deze datum zijn zij door verweerster aangesteld in de hogere categorie, echter met behoud van dezelfde rang, salaristrap en vermenigvuldigingsfactor. Hun bevorderingspunten zijn daarentegen op nul gesteld.
In hun beroep betogen verzoekers allereerst dat de bestreden besluiten het wettelijke kader schenden dat wordt gevormd door de aankondiging van het vergelijkend onderzoek tot hetwelk zij zijn toegelaten, alsmede de artikelen 5, 29, en 31 van het Statuut, het recht op ontwikkeling van de loopbaan en het evenredigheidsbeginsel.
Verzoekers betogen voorts dat deze besluiten tevens inbreuk maken op het beginsel van gelijke behandeling en het non-discriminatiebeginsel. In de eerste plaats zijn de geslaagden voor hetzelfde vergelijkende onderzoek of voor vergelijkende onderzoeken van hetzelfde niveau ingedeeld op andere niveaus, al naar gelang zij zijn aangeworven vóór of na de inwerkingtreding van het nieuwe Statuut. In de tweede plaats worden verzoekers benadeeld ten opzichte van ambtenaren die tot administrateur zijn benoemd in het kader van de certificatieprocedure, gelet op het feit dat deze laatsten hun bevorderingspunten behouden terwijl de „rugzak” van verzoekers op nul is gesteld.
Tot slot schenden volgens verzoekers de bestreden besluiten het vertrouwensbeginsel voorzover zij mochten verwachten te worden aangesteld in de in de aankondiging van het vergelijkende onderzoek aangegeven rangen.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/51 |
Beroep ingesteld op 17 maart 2006 — De la Cruz en anderen tegen Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk
(Zaak F-32/06)
(2006/C 131/93)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekers: Maria del Carmen De la Cruz (Galdakao, Spanje) en anderen (vertegenwoordigers: G. Vandersanden en L. Levi, advocaten)
Verweerder: Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk
Conclusies van verzoekers
|
— |
Nietig te verklaren verzoekers' indeling in de arbeidsovereenkomst van 28 april 2005, welke met ingang van 1 mei 2005 zou gelden, in functiegroep II en derhalve met ingang van 1 mei 2005 te herstellen alle rechten van verzoekers zoals deze voortvloeien uit een rechtmatige en reguliere arbeidsbetrekking, te weten in functiegroep III. |
|
— |
Verzoekers toe te kennen: i. schadevergoeding in de vorm van een rechtmatige en reguliere betaling met inbegrip van alle afgeleide financiële rechten (daaronder begrepen pensioen). Het maandelijkse verschil in basissalaris tussen indeling in functiegroep II en indeling in functiegroep III wordt voor De la Cruz, Estrataetxe, Grados en Moral begroot op 536,89 EUR en voor Sánchez op 474,57 EUR; ii. de vertragingsrente over de hiervoor genoemde schade vanaf 1 mei 2005 tot het moment van volledige betaling daarvan; iii. vergoeding van de schade aan hun loopbaan; iv. 1 EUR aan iedere verzoeker ter vergoeding van hun immateriële schade. |
|
— |
Verweerder te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekers werden aangeworven als arbeidscontractanten op grond van artikel 3a van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen (RAP) en ingedeeld in functiegroep II. Verzoekers betogen in hun beroep dat zij in functiegroep III hadden moeten worden ingedeeld aangezien zij een aantal van hun taken met een kennelijke mate van verantwoordelijkheid en onafhankelijkheid uitoefenen.
Met hun eerste middel beroepen verzoekers zich hoofdzakelijk op schending van artikel 80 van de RAP, artikel 2 van de bijlage bij de RAP, de Algemene uitvoeringsbepaling inzake de procedure voor aanwerving en het gebruik van arbeidscontractanten bij de Commissie, het beginsel van goed bestuur en een kennelijke beoordelingsfout.
Met hun tweede middel betogen verzoekers dat bij hun indeling geen rekening is gehouden met hun taken en verantwoordelijkheden en de situatie van hun collega's die in andere agentschappen en instellingen werken. Zij voeren derhalve schending aan van het beginsel van gelijke behandeling en het non-discriminatiebeginsel alsook van het beginsel van gelijkwaardigheid van posten en rangen.
Met hun derde middel betogen verzoekers dat het personeelscomité niet op de juiste wijze is geraadpleegd over de ontwerp-functieomschrijvingen en de ontwerprichtlijnen van het Agentschap voor de indeling van arbeidscontractanten.
Tot slot voeren verzoekers schending aan van de plicht tot inachtneming van de belangen van functionarissen, zoals neergelegd in artikel 24 van het Statuut.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/52 |
Beroep ingesteld op 21 maart 2006 — Campoli tegen Commissie
(Zaak F-33/06)
(2006/C 131/94)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoeker: Franco Campoli (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: S. Rodrigues en A. Jaume, advocaten)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoeker
|
— |
nietig te verklaren, enerzijds, het in de door verzoeker op 10 augustus 2005 ingediende klacht gelaakte besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag (TABG) waarbij per 1 mei 2004 de op verzoekers pensioen toepasselijke aanpassingscoëfficiënt, de kostwinnerstoelage en de vaste toelage voor schoolgaande kinderen zijn gewijzigd, en anderzijds, verzoekers salarisafrekeningen voorzover zij vanaf maart 2005 zijn vastgesteld met toepassing van laatstgenoemd besluit; |
|
— |
het TABG te wijzen op de gevolgen van de nietigverklaring van de bestreden besluiten, met name op de toepassing met terugwerkende kracht tot 1 mei 2004 van de aanpassingscoëfficiënt, de kostwinnerstoelage en de vaste toelage voor schoolgaande kinderen die vóór 1 mei 2004 van toepassing waren; |
|
— |
de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker een aantal middelen aan die nagenoeg dezelfde zijn als die welke hij heeft aangevoerd in het door hem ingestelde beroep in zaak T-135/05 (1).
(1) PB C 132 van 28.5.2005, blz. 33.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/52 |
Beroep ingesteld op 5 april 2006 — Martin Magone tegen Commissie
(Zaak F-36/06)
(2006/C 131/95)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoeker: Alejandro Martin Magone (Brussel, België) (vertegenwoordiger: E. Boigelot, advocaat)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoeker
|
— |
nietig te verklaren het besluit van 7 juni 2005 van de Directeur-Generaal van ECHO in zijn hoedanigheid van beoordelaar in beroep, dat bezwarend is voorzover daarbij wordt bevestigd en definitief goedgekeurd verzoekers loopbaanontwikkelingsrapport (LOR) over de periode van 1 januari 2004 tot 15 september 2004; |
|
— |
genoemd LOR nietig te verklaren; |
|
— |
nietig te verklaren het op 5 januari 2006 ontvangen besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag (TABG) van 22 december 2005 houdende afwijzing van de op 6 september 2005 op grond van artikel 90, lid 2, van het Ambtenarenstatuut ingediende klacht strekkende tot nietigverklaring van het bestreden besluit; |
|
— |
te doen verklaren voor recht dat verzoeker het slachtoffer is van stalking in psychisch en professioneel opzicht; |
|
— |
vergoeding toe te kennen voor immateriële en materiële schade en schade aan de loopbaan, welke ex aequo et bono wordt beraamd op 29 000 EUR, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering van eis in de loop van het geding; |
|
— |
de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van zijn beroep voert verzoeker een middel aan dat is ontleend aan schending van de artikelen 12 bis, 25, tweede alinea, 26 en 43 van het Statuut alsmede van de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de toepassing van artikel 43, zoals vastgesteld door de Commissie op 3 maart 2004, schending van het besluit van de Commissie van 28 april 2004 terzake van de handhaving van het niveau van de dienstverrichtingen, de administratieve gids en de richtsnoeren dienaangaande, alsmede misbruik van bevoegdheid en schending van algemene rechtsbeginselen zoals het recht van verweer, het beginsel van goed bestuur, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en de beginselen die het TABG verplichten een besluit alleen vast te stellen op basis van rechtens toelaatbare gronden, dat wil zeggen relevante gronden die niet berusten op kennelijke beoordelingsfouten, feitelijk of rechtens.
Verzoeker betoogt voorts dat het TABG, door de litigieuze beoordeling voor het beoordelingsjaar 2004 vast te stellen in de gewraakte omstandigheden, kennelijk de bepalingen van het Statuut en de hiervóór vermelde beginselen niet correct heeft toegepast en uitgelegd. Zijn besluit berust dus zowel feitelijk als rechtens op onjuiste gronden. Verzoeker bevindt zich derhalve in een administratief discriminerende situatie, die niet beantwoordt aan zijn legitieme verwachtingen en belangen en stalking in moreel en professioneel opzicht inhoudt.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/53 |
Beroep ingesteld op 10 april 2006 — Guido Strack tegen Commissie
(Zaak F-37/06)
(2006/C 131/96)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoeker: Guido Strack (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordigers: G. Bouneou en F. Frabetti, avocats)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoeker
|
— |
nietig te verklaren het stilzwijgend genomen besluit van verweerster van 7 juli 2005 tot afwijzing van het verzoek van verzoeker om zijn ziekte te erkennen als een beroepsziekte; |
|
— |
verweerder te veroordelen om aan verzoeker een schadevergoeding van 2 000 EUR te betalen wegens de als gevolg van het afwijzende besluit van 7 juli 2005 geleden materiële schade; |
|
— |
verweerder te veroordelen om aan verzoeker een schadevergoeding van 5 000 EUR te betalen wegens de als gevolg van het afwijzende besluit van 7 juli 2005 geleden immateriële schade; |
|
— |
de Commissie van de Europese Gemeenschappen te verwijzen in de kosten van de procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Tot staving van het beroep tot nietigverklaring voert verzoeker drie middelen aan, in de eerste plaats schending van artikel 90 van het Statuut, in de tweede plaats schending van het verbod van willekeur, van de motiveringsplicht en van het verbod van misbruik van bevoegdheid, en in de derde plaats schending van de zorgplicht.
Tot staving van het beroep tot schadevergoeding betoogt verzoeker dat hij door het stilzwijgend genomen besluit tot afwijzing van zijn verzoek maandenlang heeft verkeerd in een situatie van onzekerheid en ongerustheid, die heeft geleid tot materiële en immateriële schade.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/53 |
Beroep ingesteld op 11 april 2006 — Chassagne tegen Commissie
(Zaak F-39/06)
(2006/C 131/97)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoeker: Olivier Chassagne (Brussel, België) (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en Y. Minatchy, advocaten)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoeker
|
— |
vaststelling dat artikel 8 van bijlage VII bij het nieuwe Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen onwettig is en derhalve niet van toepassing op verzoeker; |
|
— |
toekenning aan verzoeker van het symbolische bedrag van 1 EUR ter vergoeding van de geleden immateriële schade en van het bedrag van 16 473 EUR ter vergoeding van de geleden materiële schade. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeker, ambtenaar van de Commissie, is afkomstig van het eiland Réunion, een Frans overzees departement. Hij heeft het onderhavige beroep ingesteld na de afwijzing van een klacht die hij had ingediend tegen de salarisafrekening van de maand juli 2005, waarin de vergoeding van zijn jaarlijkse reiskosten is opgenomen.
Tot staving van zijn beroep voert hij de onwettigheid aan van artikel 8 van bijlage VII bij het Statuut, in de vóór 1 mei 2004 geldende versie. Deze bepaling is in die zin in strijd met het gemeenschapsrecht, dat zij tot meerdere verschillen in behandeling verband houdende met de plaats van herkomst van ambtenaren leidt, alsmede tot onder meer met de artikelen 12 EG en 299 EG strijdige discriminatie van ambtenaren die uit Franse overzeese departementen afkomstig zijn, en meer in het algemeen op grond van nationaliteit, het behoren tot een linguïstische minderheid, etnische afkomst of ras.
Verzoeker stelt voorts dat die bepaling ook in strijd is met andere algemene gemeenschapsrechtelijke beginselen, zoals de motiveringsplicht en de beginselen van evenredigheid, transparantie en behoorlijk bestuur, alsmede met de beginselen van gewettigd vertrouwen en rechtszekerheid.
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/54 |
Beroep ingesteld op 12 april 2006 — Luigi Marcuccio tegen Commissie
(Zaak F-41/06)
(2006/C 131/98)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoeker: Luigi Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordiger: L. Garofalo, hoogleraar en advocaat)
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoeker
|
— |
nietig te verklaren de beschikking van de Commissie van 30 mei 2005, waarbij verzoeker is gepensioneerd en hem een overeenkomstig artikel 78, derde alinea, van het Statuut vastgestelde invaliditeitsuitkering is verleend; |
|
— |
nietig te verklaren de beschikking van de Commissie van 16 december 2005, die op 20 januari 2006 is meegedeeld, en waarbij verzoekers klacht tegen de beschikking van 30 mei 2005 is afgewezen; |
|
— |
nietig te verklaren een hele reeks van met voornoemde beschikkingen samenhangende handelingen; |
|
— |
de Commissie te veroordelen tot vergoeding aan verzoeker van de geleden materiële, morele en wezenlijke schade, vermeerderd met de wettelijke interessen; |
|
— |
verweerster te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeker betwist de beschikking waarbij hij wegens blijvende invaliditeit wordt gepensioneerd, alsmede een aantal met die beschikking samenhangende handelingen.
Hij stelt dat de bestreden beschikkingen onrechtmatig zijn op grond van het volgende:
|
— |
algeheel ontbreken van motivering ook wegens tautologie, tegenstrijdigheid en incoherentie; |
|
— |
schending van het recht van verweer en van artikel 9 van bijlage II bij het Statuut; |
|
— |
procedurefouten, schending van de wet en van wezenlijke voorschriften; |
|
— |
schending van de zorgplicht en van het beginsel van behoorlijk bestuur; |
|
— |
misbruik van bevoegdheid en schending van het beginsel „neminem laedere”. |
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/54 |
Beroep, ingesteld op 13 april 2006 — Sundholm/Commissie
(Zaak F-42/06)
(2006/C 131/99)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekster: Ana Sundholm (Brussel, België) [vertegenwoordigers: S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en E. Marchal, advocaten]
Verweerster: Commissie van de Europese Gemeenschappen
Conclusies van verzoekster
|
— |
onwettig te verklaren artikel 12 van het besluit van de Commissie van 3 maart 2004 houdende de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 43 van het Statuut (Algemene uitvoeringsbepalingen); |
|
— |
nietig te verklaren het besluit houdende vaststelling van het rapport betreffende de voortgang van verzoeksters loopbaan (beoordelingsrapport) over de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004; |
|
— |
verweerster te veroordelen tot betaling, in dit stadium van de procedure, van 1 EUR ter vergoeding van immateriële schade; |
|
— |
verweerster te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter onderbouwing van haar beroep voert verzoekster om te beginnen aan dat de wijzigingen van de Algemene uitvoeringsbepalingen inbreuk maken op het rechtszekerheidsbeginsel en op het recht van de ambtenaren op de ontwikkeling van een loopbaan, doordat de regels inzake de beoordeling van de verdiensten zijn gewijzigd tijdens de beoordelingsperiode.
Verder stelt verzoekster schending van de Algemene uitvoeringsbepalingen en niet-nakoming van de motiveringsplicht. Inzonderheid zijn, in weerwil van de wijziging van verzoeksters taken en van het ontbreken van een precieze en definitieve vaststelling van beoordelingsdoelstellingen en -criteria, de commentaren van haar beoordelingsrapport 2003 in haar beoordelingsrapport 2004 woordelijk overgenomen, zonder inachtneming van de in de Algemene uitvoeringsbepalingen genoemde voorwaarden voor een verlenging.
Ten slotte betoogt verzoekster dat het bestreden besluit dat op een kennelijke beoordelingsfout berust en dat de toegekende punten zich niet verdragen met de commentaren.
III Bekendmakingen
|
3.6.2006 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 131/55 |
(2006/C 131/100)
Laatste publicatie van het Hof van Justitie in het Publicatieblad van de Europese Unie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in:
|
|
EUR-Lex:http://europa.eu.int/eur-lex |
|
|
CELEX:http://europa.eu.int/celex |