ISSN 1725-2474

Publicatieblad

van de Europese Unie

C 144E

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Mededelingen en bekendmakingen

48e jaargang
14 juni 2005


Nummer

Inhoud

Bladzijde

 

I   Mededelingen

 

Raad

2005/C 144E/1

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 19/2005 door de Raad vastgesteld op 17 februari 2005 volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen en verlaten

1

2005/C 144E/2

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 20/2005 door de Raad vastgesteld op 7 maart 2005 volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen

9

2005/C 144E/3

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 21/2005 door de Raad vastgesteld op 8 maart 2005 volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector

16

2005/C 144E/4

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 22/2005 door de Raad vastgesteld op 4 april 2005 volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende de tweeëntwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (ftalaten in speelgoed en kinderverzorgingsartikelen)

24

NL

 


I Mededelingen

Raad

14.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 144/1


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 19/2005

door de Raad vastgesteld op 17 februari 2005

met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2005 van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten

(2005/C 144 E/01)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 95 en 135,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een van de taken van de Gemeenschap is een harmonieuze, evenwichtige en duurzame ontwikkeling van de economische activiteiten binnen de gehele Gemeenschap te bevorderen door de totstandbrenging van een gemeenschappelijke markt en een economische en monetaire unie. Daartoe omvat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal gewaarborgd is.

(2)

Het feit dat opbrengsten van illegale activiteiten in het financiële stelsel doordringen en, na te zijn witgewassen, worden geïnvesteerd, is schadelijk voor een solide en duurzame economische ontwikkeling. Bij Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (3) is dan ook een communautair controlemechanisme met betrekking tot transacties via krediet- en financiële instellingen en bepaalde soorten beroepen ingesteld om witwassen te voorkomen. Omdat het risico bestaat dat de toepassing van dat mechanisme het vervoer van liquide middelen voor illegale doeleinden doet toenemen, moet Richtlijn 91/308/EEG worden aangevuld met een systeem voor de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten.

(3)

Momenteel zijn er slechts enkele lidstaten die dergelijke controlesystemen toepassen op grond van hun nationale wetgeving. De verschillen in wetgeving zijn nadelig voor de goede werking van de interne markt. De basiselementen moeten derhalve op communautair niveau worden geharmoniseerd om te zorgen voor een gelijkwaardig niveau van controle waar het betreft het vervoer van liquide middelen over de grenzen van de Gemeenschap. Die harmonisatie moet de mogelijkheden van de lidstaten onverlet laten om overeenkomstig de bestaande verdragsbepalingen nationale controles op het vervoer van liquide middelen binnen de Gemeenschap uit te voeren.

(4)

Er dient tevens rekening te worden gehouden met complementaire activiteiten in andere internationale fora, met name van de Financiële Actiegroep witwassen van geld (FATF), die in 1989 tijdens de G-7-top te Parijs is opgericht. In Speciale Aanbeveling IX van de FATF van 22 oktober 2004 worden de regeringen opgeroepen maatregelen te nemen met het oog op het traceren van fysieke geldbewegingen, waaronder een aangiftesysteem of een andere verplichting tot bekendmaking.

(5)

Liquide middelen vervoerd door een natuurlijke persoon die de Gemeenschap binnenkomt of verlaat, zouden derhalve onder een aangifteplicht moeten vallen. De douaneautoriteiten zouden dan gegevens over dit vervoer van liquide middelen kunnen vergaren en, zo nodig, aan andere autoriteiten mededelen. Zij zijn immers aanwezig aan de grenzen, waar controles het doeltreffendst zijn, en sommige douaneautoriteiten hebben op dit gebied reeds concrete ervaringen opgedaan. Er zou gebruik moeten worden gemaakt van Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (4). Deze wederzijdse bijstand moet zorgen voor een correcte toepassing van de controles van liquide middelen, en voor mededeling van gegevens die kunnen helpen om de doelstellingen van Richtlijn 91/308/EEG te verwezenlijken.

(6)

Met het oog op een preventieve en afschrikkende werking van de aangifteplicht moet eraan worden voldaan bij het binnenkomen of verlaten van de Gemeenschap. Om het optreden van de autoriteiten op belangrijk liquide-middelenvervoer gericht te laten zijn, behoort alleen vervoer van liquide middelen ter waarde van 10 000 EUR of meer onder deze aangifteplicht te vallen. Ook moet duidelijk worden bepaald dat de aangifteverplichting geldt voor de natuurlijke persoon die de liquide middelen vervoert, ongeacht of hij de eigenaar ervan is of niet.

(7)

Er moet een gemeenschappelijke standaard voor de te verstrekken gegevens worden gebruikt. Daardoor zullen de bevoegde autoriteiten gegevens vlotter kunnen uitwisselen.

(8)

Er dienen definities te worden vastgesteld voor de uniforme uitlegging van deze verordening.

(9)

De krachtens deze verordening door de bevoegde autoriteiten verzamelde gegevens moeten worden doorgegeven aan de in artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/308/EEG bedoelde autoriteiten.

(10)

Indien er aanwijzingen zijn dat de liquide middelen verband houden met een illegale activiteit ter zake van het vervoer van liquide middelen, zoals bedoeld in Richtlijn 91/308/EEG van de Raad, kunnen de in het kader van deze verordening door de bevoegde autoriteiten verzamelde gegevens worden doorgegeven aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en/of aan de Commissie. Ook moet worden voorzien in de mededeling van bepaalde gegevens als er aanwijzingen zijn dat liquide middelen worden vervoerd waarvan het bedrag onder de in deze verordening vastgestelde drempel blijft.

(11)

De bevoegde autoriteiten moeten over de nodige bevoegdheden voor de toepassing van effectieve controles op het vervoer van liquide middelen beschikken.

(12)

De bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten moeten worden aangevuld met de verplichting voor de lidstaten om in sancties te voorzien. Er moeten echter alleen sancties worden opgelegd indien wordt nagelaten overeenkomstig deze verordening aangifte te doen.

(13)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de transnationale schaal van witwasactiviteiten op de interne markt, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, moet de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(14)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

1.   Deze verordening strekt tot aanvulling van Richtlijn 91/308/EEG voor wat betreft langs financiële en kredietinstellingen en bepaalde beroepen verlopende transacties, en stelt daartoe geharmoniseerde regels in voor de controle, door de bevoegde autoriteiten, op liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten.

2.   Deze verordening geldt onverminderd de nationale maatregelen om het vervoer van liquide middelen binnen de Gemeenschap te controleren, mits deze maatregelen worden genomen overeenkomstig artikel 58 van het Verdrag.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„bevoegde autoriteiten”: de douaneautoriteiten van de lidstaten of andere autoriteiten die door de lidstaten met de toepassing van deze verordening zijn belast;

2.

„liquide middelen”:

a)

verhandelbare instrumenten aan toonder, met inbegrip van monetaire instrumenten aan toonder, zoals reischeques, verhandelbare instrumenten (waaronder cheques, promessen en betalingsopdrachten) die aan toonder gesteld zijn, geëndosseerd zijn zonder beperking, op naam van een fictieve begunstigde gesteld zijn, of anderszins een zodanige vorm hebben dat de aanspraak erop bij afgifte wordt overgedragen, en onvolledige instrumenten (waaronder cheques, promessen en betalingsopdrachten) die ondertekend zijn, maar niet op naam van een begunstigde gesteld zijn;

b)

contant geld (bankbiljetten en muntstukken die als betaalmiddel in omloop zijn).

Artikel 3

Aangifteplicht

1.   Iedere natuurlijke persoon die de Gemeenschap binnenkomt of verlaat, en liquide middelen ten bedrage van 10 000 EUR of meer vervoert, moet dat bedrag overeenkomstig deze verordening aangeven bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat via welke deze middelen de Gemeenschap binnenkomen of verlaten. Er is niet aan de aangifteplicht voldaan indien de verstrekte gegevens onjuist of onvolledig zijn.

2.   De in lid 1 bedoelde aangifte dient de nodige gegevens te bevatten omtrent:

a)

de aangever, met inbegrip van volledige naam, geboorteplaats en -datum en nationaliteit;

b)

de eigenaar van de liquide middelen;

c)

de beoogde ontvanger van de liquide middelen;

d)

bedrag en aard van de liquide middelen;

e)

herkomst en beoogd gebruik van de liquide middelen;

f)

de transportroute;

g)

het vervoermiddel.

3.   De gegevens worden schriftelijk, mondeling of elektronisch verstrekt, als bepaald door de lidstaat bedoeld in lid 1. De declarant heeft evenwel het recht de gegevens schriftelijk te verstrekken. Indien een schriftelijke aangifte is ingediend, wordt aan de aangever op diens verzoek een gewaarmerkt afschrift ter hand gesteld.

Artikel 4

Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten

1.   Teneinde de naleving van de in artikel 3 bedoelde aangifteplicht te controleren, zijn de bevoegde autoriteiten bevoegd om, overeenkomstig de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden, natuurlijke personen, hun bagage en hun vervoermiddelen te controleren,

2.   Indien niet voldaan is aan de aangifteplicht van artikel 3, mogen liquide middelen overeenkomstig de in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden bij een administratieve beslissing in bewaring worden genomen.

Artikel 5

Vastlegging en verwerking van gegevens

1.   De krachtens artikel 3 en/of artikel 4 verkregen gegevens worden vastgelegd en verwerkt door de bevoegde autoriteiten van de in artikel 3, lid 1, bedoelde lidstaat, en worden beschikbaar gesteld aan de in artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/308/EEG bedoelde autoriteiten van die lidstaat.

2.   Indien bij de controles bedoeld in artikel 4 blijkt dat een natuurlijke persoon die de Gemeenschap binnenkomt of verlaat, liquide middelen vervoert waarvan het bedrag onder de in artikel 3 vastgestelde drempel blijft, terwijl er aanwijzingen zijn van illegale activiteiten ter zake van het vervoer van liquide middelen, zoals bedoeld in Richtlijn 91/308/EEG, kunnen die gegevens, de volledige naam, de geboorteplaats- en datum en de nationaliteit van die persoon en gegevens over het gebruikte vervoermiddel ook worden vastgelegd en verwerkt door de bevoegde autoriteiten van de in artikel 3, lid 1, bedoelde lidstaat en beschikbaar worden gesteld aan de in artikel 6, lid 1, van Richtlijn 91/308/EEG bedoelde autoriteiten van die lidstaat.

Artikel 6

Uitwisseling van gegevens

1.   Indien er aanwijzingen zijn dat de liquide middelen verband houden met een illegale activiteit ter zake van het vervoer van liquide middelen, zoals bedoeld in Richtlijn 91/308/EEG, kunnen de gegevens die zijn verkregen door middel van de in artikel 3 bedoelde aangifte of de controles bedoeld in artikel 4 worden medegedeeld aan de bevoegde autoriteiten in andere lidstaten.

De bepalingen van Verordening (EG) nr. 515/97 zijn van overeenkomstige toepassing.

2.   Indien er aanwijzingen zijn dat de liquide middelen betrekking hebben op de opbrengst van fraude of andere onwettige activiteiten ten nadele van de financiële belangen van de Gemeenschap, worden deze gegevens ook aan de Commissie medegedeeld.

Artikel 7

Uitwisseling van gegevens met derde landen

In het kader van de wederzijdse administratieve bijstand kunnen de krachtens deze verordening verkregen gegevens door de lidstaten of de Commissie aan een derde land worden medegedeeld. Voor deze mededeling is de instemming vereist van de bevoegde autoriteiten die de gegevens krachtens artikel 3 en/of artikel 4 hebben verkregen; zij moet tevens in overeenstemming zijn met de desbetreffende nationale en communautaire bepalingen inzake de overdracht van persoonsgegevens aan derde landen. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van deze uitwisseling van gegevens indien dit voor de uitvoering van deze verordening van bijzonder belang is.

Artikel 8

Sancties

1.   Elke lidstaat stelt sancties vast die van toepassing zijn indien niet aan de in artikel 3 bedoelde aangifteplicht wordt voldaan. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

2.   De lidstaten delen de Commissie uiterlijk op ... (5) de bij niet-naleving van de in lid 3 aangifteverplichting toepasselijke sancties mede.

Artikel 9

Evaluatie

Vier jaar na de inwerkingtreding van deze verordening dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering ervan.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf ... (6).

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

...

Voor de Raad

De voorzitter

...


(1)  PB C 227 E van 24.9.2002, blz. 574.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 15 mei 2003 (PB C 67 E, van 17.3.2004, blz. 259), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 17 februari 2005, en standpunt van het Europees Parlement van … (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 166 van 28.6.1991, blz. 77. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2001/97/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 344 van 28.12.2001, blz. 76).

(4)  PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).

(5)  Achttien maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

(6)  Achttien maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

De Commissie heeft op 25 juni 2002 haar verslag over het toezicht op het grensoverschrijdende contantenverkeer aan de Raad toegezonden, vergezeld van een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorkoming van het witwassen van geld door douanesamenwerking, dat artikel 135 van het EG-Verdrag als rechtsgrond heeft (1)  (2).

Het Europees Parlement heeft op 15 mei 2003 in eerste lezing advies uitgebracht en 23 amendementen op het voorstel aangenomen (3).

De Commissie heeft op 3 juli 2003 een gewijzigd voorstel over bovengenoemd onderwerp bij de Raad ingediend (4).

De Raad heeft op 17 februari 2005 zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld overeenkomstig artikel 251, lid 2, van het Verdrag.

II.   DOELSTELLING

Het voorstel heeft ten doel natuurlijke personen te verplichten contantenverkeer boven een bepaald bedrag aan te geven aan de buitengrenzen van de Europese Unie. Voorts is het voorstel erop gericht de grenscontroles op contantenverkeer te versterken en de uitwisseling van informatie tussen de betrokken autoriteiten te verbeteren.

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

1.   Algemeen

Overeenkomstig het Commissievoorstel is het gemeenschappelijk standpunt van de Raad erop gericht geharmoniseerde grenscontroles op contantenverkeer in te voeren, zulks in aanvulling op Richtlijn 91/308/EEG (5), en ervoor te zorgen dat de interne markt naar behoren functioneert door de huidige discrepanties tussen de nationale wetgevingen weg te nemen.

2.   Gedetailleerde uiteenzetting van het standpunt van de Raad

Ten aanzien van de door het Europees Parlement aangenomen amendementen luidt het standpunt van de Raad als volgt:

a)   Rechtsgrond

Overeenkomstig het advies van het Europees Parlement (amendement 2) heeft de Raad artikel 95 als rechtsgrond aan het voorstel toegevoegd. De Raad is van mening dat de eerste doelstelling van de ontwerp-verordening niet de voorkoming van het witwassen van geld dient te zijn (hetgeen een andere rechtsgrond zou vergen), maar de invoering van geharmoniseerde grenscontroles op contantenverkeer, waarvoor artikel 95 van het Verdrag, dat betrekking heeft op de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten die de werking van de interne markt betreffen, de aangewezen rechtsgrond vormt.

b)   Omwerking tot richtlijn

De Raad kan de EP-amendementen die verband houden met een omwerking van het voorstel tot richtlijn (amendementen 1, 8, 9, 18, 20, 21, 22 en 23) niet accepteren, omdat de Raad van mening is dat een voldoende mate van harmonisering in relatief korte tijd alleen tot stand kan komen met behulp van een verordening, die algemeen van toepassing, verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks in elke lidstaat toepasselijk is.

c)   Aangifteplicht

In het gemeenschappelijk standpunt volgt de Raad het voorstel van de Commissie voor een systeem van aangifteplicht. De Raad is geen voorstander van het door het Europees Parlement voorgestelde idee om de lidstaten de keuze te laten tussen een aangiftesysteem of een aanmeldingssysteem (amendementen 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 12, 14, 18 en 19). Zo'n keuze tussen twee systemen zou indruisen tegen de uniforme toepassing van de voorgestelde maatregelen in de hele Gemeenschap. De Raad heeft echter wel enige flexibiliteit ingebouwd door de lidstaten de keuze te laten verplichte schriftelijke, mondelinge dan wel elektronische aangifte in te voeren. Derhalve stemt de Raad in met de schrapping van het aangifteformulier in de bijlage bij het voorstel, en met de toevoeging van een bepaling inzake de met de schriftelijke, mondelinge of elektronische aangifte te verschaffen gegevens (zie ook verderop, onder punt 3.b)).

d)   Aangiftedrempel

De Raad kiest voor een drempel van 10 000 EUR, wat lager is dan de drempel in het Commissievoorstel en in het advies van het Europees Parlement (amendementen 3 en 7). Deze lagere drempel reflecteert het feit dat de wetgeving in veel lidstaten momenteel aanzienlijk lagere drempels kent en dat het oorspronkelijk voorgestelde niveau (15 000 EUR) zou leiden tot een sterke afname van de controle-intensiteit in die lidstaten.

Op internationaal niveau gaat van de lagere drempel ook een duidelijke signaalwerking uit wat betreft de bereidheid van de Raad om maatregelen te nemen ter bewaking van het contantenverkeer, door invoering in de hele Gemeenschap van een strikt uniform maximumbedrag dat makkelijk te implementeren valt, en dat voor reizigers die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten duidelijk herkenbaar is.

e)   Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten

De Raad is het met het Europees Parlement eens (amendementen 10 en 17) dat de bepaling over de bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten in een ander verband moet worden geplaatst; derhalve heeft de Raad de bepaling verplaatst naar het artikel dat onmiddellijk volgt op de bepaling over de aangifteplicht. Ten aanzien van de inhoud van de betreffende bepaling is de Raad van mening dat bevoegdheden aan de nationale autoriteiten dienen te worden toegekend met inachtneming van de nationale wettelijke voorwaarden. Bovendien dienen de nationale autoriteiten ook de bevoegdheid te hebben om vervoermiddelen te controleren teneinde naleving van de aangifteplicht te controleren. De Raad heeft echter niet de in het voorstel opgenomen en in amendement 11 gesteunde maximumtermijn van drie dagen voor de inhouding van de liquide middelen gehandhaafd, omdat hij van mening is dat een dergelijke tijdsbeperking de autoriteiten onvoldoende flexibiliteit laat voor het uitvoeren van de controles en het daaropvolgende onderzoek ter bepaling of in voorkomend geval strafvervolging dient te worden ingesteld.

f)   Definitie van „liquide middelen”

De Task Force financiële maatregelen tegen het witwassen van geld (FATF) heeft op 22 oktober 2004 de Speciale aanbeveling nr. IX inzake geldkoeriers aangenomen. Deze aanbeveling, die op internationaal niveau overeengekomen is, bevat een definitie van „liquide middelen”, die de Raad in de onderhavige ontwerp-verordening heeft ingelast om te zorgen voor een zo groot mogelijke coherentie in de communautaire en de internationale regelgeving. Overeenkomstig het in amendement 13 geformuleerde verzoek, wordt in de tekst de definitie van liquide middelen uitgebreid tot meer soorten cheques dan oorspronkelijk was voorgesteld.

g)   Uitwisseling van gegevens

De Raad heeft de bepalingen inzake de uitwisseling van gegevens tussen de autoriteiten verduidelijkt en herordend (amendement 15):

In de eerste plaats wordt verduidelijkt dat uit verklaringen of controles verkregen gegevens moeten worden opgeslagen en verwerkt door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat en, binnen diezelfde lidstaat, ter beschikking moeten worden gesteld van de financiële inlichtingeneenheid (FIE); dit laatste punt is ook uitdrukkelijk opgenomen in de Speciale aanbeveling IX van de FATF. Wanneer personen de Gemeenschap binnenkomen of verlaten met minder dan 10 000 EUR, maar er aanwijzingen zijn voor onwettige activiteiten, dan kunnen bepaalde gegevens omtrent deze personen ook worden opgeslagen en verwerkt door de bevoegde autoriteiten binnen één lidstaat en ter beschikking worden gesteld van de FIE van die lidstaat.

In de tweede plaats mogen uit verklaringen of controles verkregen gegevens tussen lidstaten worden uitgewisseld. Voor zo'n uitwisseling van gegevens tussen lidstaten geldt mutatis mutandis Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997, betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften.

Ten slotte kunnen gegevens worden uitgewisseld met derde landen, in het kader van een overeenkomst voor wederzijdse administratieve bijstand. Het doorgeven van gegevens is echter onderworpen aan de goedkeuring van de autoriteit die de gegevens aanvankelijk heeft verzameld, alsook aan de bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens. De Commissie moet in kennis worden gesteld van dergelijke gegevensuitwisselingen wanneer deze bijzonder relevant zijn voor de uitvoering van de verordening.

h)   Gezamenlijke gegevensbank

Het idee om de verkregen informatie door te geven aan een door de lidstaten gezamenlijk beheerde gegevensbank bij de Europese Politiedienst (Europol) (amendement 16) is door de Raad niet geaccepteerd. De Raad is van mening dat zo'n bepaling niet door de rechtsgrond van de ontwerp-verordening wordt gedekt.

i)   Commissieverslag

De Raad aanvaardt in zijn gemeenschappelijke standpunt het idee van amendement 22, en heeft een bepaling toegevoegd waarin de Commissie wordt verzocht om vier jaar na de inwerkingtreding van de verordening verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad.

3.   Nieuwe elementen die door de Raad zijn ingevoerd

In aanvulling op de punten waarover het Europees Parlement advies heeft uitgebracht en die zoals hierboven beschreven in het gemeenschappelijk standpunt van de Raad zijn weergegeven, heeft de Raad de volgende nieuwe elementen in het voorstel opgenomen:

a)   Toepassingsgebied van de verordening

Intracommunautaire controles op liquide middelen kunnen worden gehandhaafd wanneer deze stroken met het Verdrag.

Voorts heeft de Raad heeft de geografische reikwijdte van de verordening aangepast omdat hij van mening is dat, omwille van de transparantie voor reizigers en ter vergemakkelijking van de uitvoering van de verordening door de bevoegde autoriteiten, de controle op contantenverkeer moet plaatsvinden wanneer een natuurlijk persoon het grondgebied van de Gemeenschap binnenkomt of verlaat. Door deze oplossing zou tevens een parallelle geografische toepassing van Richtlijn 91/308/EEG en de onderhavige ontwerp-verordening gewaarborgd zijn.

b)   Aangifteformulier

Het door de Commissie voorgestelde uniforme aangifteformulier is door de Raad niet geaccepteerd. De Raad geeft er de voorkeur aan om de gegevens te specificeren die in de verklaring moeten worden verschaft. Hiermee wordt beoogd de administratieve rompslomp bij het verzamelen van de gegevens van reizigers voor de bevoegde autoriteiten tot het absolute minimum te beperken, en er tegelijk voor te zorgen dat een minimum aan informatie over het contantenverkeer wordt ingewonnen die vervolgens met andere autoriteiten kan worden uitgewisseld.

c)   Kopie van een schriftelijke verklaring

De Raad heeft een bepaling toegevoegd volgens welke een aangever die een schriftelijke verklaring aflegt, op verzoek recht heeft op een gewaarmerkt afschrift van deze verklaring.

d)   Sancties

De Raad heeft de sanctiebepaling vereenvoudigd door deze op één lijn te brengen met soortgelijke bepalingen in vergelijkbare rechtsinstrumenten (6). De lidstaten dienen daarom doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties in te stellen op inbreuken op de verplichting tot aangifte van contantenverkeer bij het passeren van de communautaire buitengrenzen. De Raad heeft amendement 19 over de verlenging van de termijn voor mededeling van de toepasselijke sancties aan de Commissie geaccepteerd en hij heeft een termijn van 18 maanden na de inwerkingtreding van de verordening vastgesteld.

IV.   CONCLUSIE

De doelstelling van de voorgestelde verordening, namelijk invoering van geharmoniseerde grenscontroles op contantenverkeer en versterking van de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten, wordt door het gemeenschappelijk standpunt van de Raad gesteund. Omdat het risico bestaat dat de stringentere controles op de financiële sector in aanvulling op Richtlijn 91/308/EEG zullen leiden tot een toename van illegale geldtransacties, benadrukt de Gemeenschap haar engagement in de strijd tegen het probleem van onwettig contantenverkeer door de invoering van een verplichting voor natuurlijke personen om contantenverkeer boven de 10 000 EUR aan te geven aan de buitengrenzen van de Gemeenschap. Om mogelijke negatieve gevolgen voor de werking van de interne markt te vermijden worden deze maatregelen als verordening op geharmoniseerde wijze in heel de Gemeenschap toegepast.


(1)  PB C 227 E van 24.9.2002, blz. 574.

(2)  COM(2002) 328 final.

(3)  PB C 67 E van 17.3.2004, blz. 259.

(4)  Doc. 11151/03 UD 67 EF 35 Ecofin 203 Crimorg 51 Codec 948.

(5)  Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld.

(6)  Zie bijvoorbeeld artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten.


14.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 144/9


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 20/2005

door de Raad vastgesteld op 7 maart 2005

met het oog op de aanneming van Richtlijn 2005/…/EG van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen

(2005/C 144 E/02)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor de totstandbrenging van de interne markt is het nodig beperkingen voor het vrije verkeer en concurrentieverstoringen op te heffen, en tegelijkertijd een gunstig klimaat te scheppen voor innovatie en investeringen. In deze context is de bescherming van uitvindingen door octrooien een essentieel element voor het succes van de interne markt. Doeltreffende, transparante en geharmoniseerde bescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen in alle lidstaten is van wezenlijk belang om de investeringen op dit gebied in stand te houden en aan te moedigen.

(2)

In de bestuursrechtelijke praktijken en de jurisprudentie van de onderscheiden lidstaten bestaan er verschillen in de bescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen. Deze verschillen kunnen handelsbelemmeringen veroorzaken en aldus de goede werking van de interne markt verhinderen.

(3)

De genoemde verschillen kunnen groter worden wanneer de lidstaten nieuwe en onderling afwijkende bestuurlijke praktijken goedkeuren of wanneer de uitleggingen van de bestaande wetgeving in de nationale rechtspraak per lidstaat uiteenlopen.

(4)

De gestage toename van de verspreiding en het gebruik van computerprogramma's op alle gebieden van de technologie en van de wereldwijde verspreiding ervan via het internet is een kritieke factor voor technologische innovatie. Daarom moet voor de ontwikkelaars en de gebruikers van computerprogramma's in de Gemeenschap een optimale omgeving worden gecreëerd.

(5)

Om die reden moeten de rechtsregels betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen worden geharmoniseerd, zodat de daaruit voortvloeiende rechtszekerheid en het niveau van de eisen voor octrooieerbaarheid innoverende ondernemingen in staat stellen optimaal profijt te trekken van hun uitvindingsproces en een stimulans vormen voor investeringen en innovatie. De rechtszekerheid zal ook worden gewaarborgd doordat de nationale rechter bij twijfel over de interpretatie van deze richtlijn om een uitspraak van het Hof van Justitie kan, en in hoogste aanleg moet, verzoeken.

(6)

De Gemeenschap en haar lidstaten zijn gebonden door de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS-overeenkomst), aangenomen bij Besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (3). Artikel 27, lid 1, van de TRIPS-overeenkomst bepaalt dat een octrooi kan worden verleend voor uitvindingen, producten dan wel werkwijzen, op alle gebieden van de technologie, mits zij nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en industrieel kunnen worden toegepast. Bovendien kan volgens dat artikel octrooi worden verleend en kunnen octrooirechten worden genoten zonder onderscheid op grond van het gebied van de technologie. Deze beginselen moeten op overeenkomstige wijze gelden voor in computers geïmplementeerde uitvindingen.

(7)

Uit hoofde van het op 5 oktober 1973 te München ondertekende Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien (Europees Octrooiverdrag) en de octrooiwetten van de lidstaten worden computerprogramma's alsmede ontdekkingen, natuurwetenschappelijke theorieën, wiskundige methoden, esthetische vormgevingen, stelsels, regels en methoden voor het verrichten van geestelijke arbeid, voor het spelen of voor de bedrijfsvoering, en de presentatie van gegevens uitdrukkelijk niet als uitvindingen beschouwd en bijgevolg van octrooieerbaarheid uitgesloten. Deze uitzondering is echter alleen van toepassing en gerechtvaardigd, voorzover een octrooiaanvraag of octrooi betrekking heeft op deze onderwerpen of werkzaamheden als zodanig, omdat de genoemde onderwerpen en werkzaamheden als zodanig niet tot een gebied van de technologie behoren.

(8)

Doel van deze richtlijn is uiteenlopende interpretaties van de bepalingen van het Europees Octrooiverdrag over de grenzen van de octrooieerbaarheid te voorkomen. De daaruit voortvloeiende rechtszekerheid moet een gunstig klimaat voor investeringen en innovatie op het gebied van programmatuur helpen bevorderen.

(9)

Dankzij octrooibescherming kunnen innovatoren profijt trekken van hun creativiteit. Octrooirechten bieden bescherming voor innovatie in het belang van de maatschappij in haar geheel, maar mogen niet worden gebruikt op een wijze die de concurrentie verstoort.

(10)

Overeenkomstig Richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's (4) wordt de uitdrukkingswijze, in welke vorm dan ook, van een oorspronkelijk computerprogramma auteursrechtelijk beschermd als werk van letterkunde. De ideeën en beginselen die aan enig element van een computerprogramma ten grondslag liggen, worden echter niet auteursrechtelijk beschermd.

(11)

Opdat een uitvinding als octrooieerbaar kan worden beschouwd, moet zij een technisch karakter hebben, en aldus behoren tot een gebied van de technologie.

(12)

De algemene regel is dat uitvindingen, om op uitvinderswerkzaamheid te berusten, een technische bijdrage tot de stand van de techniek moeten leveren.

(13)

Bijgevolg zal, hoewel een in computers geïmplementeerde uitvinding tot een gebied van de technologie behoort, een uitvinding die geen technische bijdrage tot de stand van de techniek levert, zoals een uitvinding waarvan de specifieke bijdrage geen technisch karakter heeft, niet op uitvinderswerkzaamheid berusten en bijgevolg niet octrooieerbaar zijn.

(14)

Het louter toepassen van een anderszins niet-octrooieerbare methode op een apparaat zoals een computer is, op zich, niet voldoende om van een technische bijdrage te kunnen spreken. Een in de computer geïmplementeerde bedrijfs-, gegevensverwerkings- of andere methode waarvan de enige bijdrage aan de stand van de techniek van niet-technische aard is, kan derhalve geen octrooieerbare uitvinding vormen.

(15)

Indien de bijdrage aan de stand van de techniek uitsluitend betrekking heeft op een niet-octrooieerbaar onderwerp, kan er geen sprake zijn van een octrooieerbare uitvinding, ongeacht de manier waarop het onderwerp in de conclusies wordt voorgesteld. Het vereiste van een technische bijdrage kan bijvoorbeeld niet omzeild worden door in de octrooiaanvraag louter de technische middelen te specificeren.

(16)

Voorts is een algoritme inherent niet-technisch en kan deze daarom geen technische uitvinding vormen. Een methode waarbij een algoritme wordt gebruikt kan evenwel octrooieerbaar zijn wanneer die methode wordt gebruikt om een technisch probleem op te lossen. Elk octrooi dat voor een dergelijke methode wordt verleend, kan echter niet het algoritme zelf of het gebruik ervan in een context die niet onder het octrooi valt, monopoliseren.

(17)

De omvang van de exclusieve rechten die een octrooi verleent, wordt bepaald door de octrooiconclusies zoals geïnterpreteerd door rekening te houden met de beschrijving en eventuele tekeningen. Voor in computers geïmplementeerde uitvindingen dient het octrooi ten minste te worden geclaimd hetzij voor een product, zoals een geprogrammeerd apparaat, hetzij voor een werkwijze die door een dergelijk apparaat wordt uitgevoerd. Bijgevolg vormt het gebruik van individuele software-elementen in een context die niet de realisatie inhoudt van een op geldige wijze geclaimd product of werkwijze, geen inbreuk op een octrooi.

(18)

De rechtsbescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen vergt geen afzonderlijk rechtsinstrument ter vervanging van de regels van het nationale octrooirecht. De regels van het nationale octrooirecht blijven de essentiële basis voor de rechtsbescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen. Deze richtlijn verduidelijkt slechts de huidige juridische situatie, ten behoeve van de rechtszekerheid, transparantie en duidelijkheid van de wetgeving en om het verschuiven naar octrooieerbaarheid van niet-octrooieerbare methoden, zoals voor de hand liggende of niet-technische procedures en methoden voor de bedrijfsvoering, te voorkomen.

(19)

Deze richtlijn moet worden beperkt tot het vaststellen van bepaalde beginselen met betrekking tot de octrooieerbaarheid van dergelijke uitvindingen. Deze beginselen dienen er met name voor te zorgen dat uitvindingen die tot een gebied van de technologie behoren en een technische bijdrage leveren, voor bescherming in aanmerking komen, en omgekeerd dat uitvindingen die geen technische bijdrage leveren, daar niet voor in aanmerking komen.

(20)

De concurrentiepositie van het bedrijfsleven van de Gemeenschap ten opzichte van zijn voornaamste handelspartners zal verbeteren indien de bestaande verschillen in de rechtsbescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen worden weggewerkt en de juridische situatie duidelijk is. Gelet op de huidige trend bij de traditionele verwerkende industrie om haar werkzaamheden naar lagelonenlanden buiten de Gemeenschap te verplaatsen, spreekt het belang van de bescherming van intellectuele eigendom en met name van octrooibescherming voor zich.

(21)

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag, met name indien een dominante leverancier het gebruik weigert toe te staan van een geoctrooieerde techniek die uitsluitend nodig is voor de conversie van de in twee verschillende computersystemen of netwerken gebruikte conventies, zodat communicatie en gegevensuitwisseling tussen die systemen of netwerken onderling mogelijk worden.

(22)

De rechten die zijn toegekend via octrooien die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn voor uitvindingen zijn verleend, laten handelingen onverlet die zijn toegestaan op grond van de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 91/250/EEG, met name de daarin opgenomen bepalingen betreffende decompilatie en interoperabiliteit. In het bijzonder is voor handelingen waarvoor op grond van de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 91/250/EEG geen toestemming van de rechthebbende is vereist in verband met diens auteursrechten in of ten aanzien van een computerprogramma en waarvoor een dergelijke toestemming zonder die artikelen wel zou zijn vereist, geen toestemming van de rechthebbende nodig in verband met de octrooirechten die deze in of ten aanzien van het computerprogramma bezit.

(23)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de harmonisatie van de nationale voorschriften betreffende in computers geïmplementeerde uitvindingen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

Deze richtlijn stelt regels vast voor de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

a)

„in computers geïmplementeerde uitvinding”: een uitvinding voor de werking waarvan het gebruik van een computer, computernetwerk of een ander programmeerbaar apparaat nodig is, en die één of meer kenmerken heeft die geheel of gedeeltelijk door middel van een computerprogramma of computerprogramma's worden gerealiseerd;

b)

„technische bijdrage”: een bijdrage tot de stand van de techniek op een gebied van de technologie die nieuw is en voor een deskundige niet voor de hand ligt. De technische bijdrage wordt beoordeeld door het bepalen van het verschil tussen de stand van de techniek en de reikwijdte van de in haar geheel beschouwde octrooiconclusie, die technische kenmerken moet omvatten, ongeacht of deze vergezeld gaan van niet-technische kenmerken.

Artikel 3

Voorwaarden voor octrooieerbaarheid

Om octrooieerbaar te zijn, moet een in computers geïmplementeerde uitvinding industrieel toepasbaar zijn, nieuw zijn en op uitvinderswerkzaamheid berusten. Om op uitvinderswerkzaamheid te berusten, moet een in computers geïmplementeerde uitvinding een technische bijdrage leveren.

Artikel 4

Uitsluiting van octrooieerbaarheid

1.   Een computerprogramma als zodanig kan geen octrooieerbare uitvinding vormen.

2.   Een in computers geïmplementeerde uitvinding wordt niet geacht een technische bijdrage te leveren louter omdat daarbij gebruik wordt gemaakt van een computer, een netwerk of andere programmeerbare apparatuur. Bijgevolg zijn uitvindingen waarbij gebruik wordt gemaakt van computerprogramma's, uitgedrukt in broncode, objectcode of enige andere vorm, en waarmee methoden voor de bedrijfsvoering, mathematische of andere methoden worden toegepast en die geen andere technische effecten teweegbrengen dan de normale fysieke interactie tussen een programma en de computer, een netwerk of andere programmeerbare apparatuur waarop het draait, niet octrooieerbaar.

Artikel 5

Vorm van de conclusies

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat een in computers geïmplementeerde uitvinding kan worden geclaimd als product, dat wil zeggen als een geprogrammeerde computer, een geprogrammeerd computernetwerk of een ander geprogrammeerd apparaat, of als een werkwijze die door zo een computer, computernetwerk of apparaat door middel van het toepassen van software wordt benut.

2.   Een conclusie betreffende een computerprogramma, hetzij op zichzelf hetzij op een drager, is slechts toegestaan indien dat programma, wanneer het is ingevoerd en wordt toegepast in een computer, een programmeerbaar computernetwerk of een ander programmeerbaar apparaat, een product of werkwijze activeert dat/die in dezelfde octrooiaanvrage overeenkomstig lid 1 is geclaimd.

Artikel 6

Verband met Richtlijn 91/250/EEG

De rechten die zijn toegekend via octrooien die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn voor uitvindingen zijn verleend, laten handelingen onverlet die zijn toegestaan op grond van de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 91/250/EEG, met name de daarin opgenomen bepalingen betreffende decompilatie en interoperabiliteit.

Artikel 7

Monitoring

De Commissie gaat na wat het effect is van in computers geïmplementeerde uitvindingen op innovatie en mededinging, zowel in Europa als internationaal, op het Europese bedrijfsleven, in het bijzonder het midden- en kleinbedrijf, op de open-sourcegemeenschap, en op de elektronische handel.

Artikel 8

Verslag over de gevolgen van de richtlijn

De Commissie brengt aan het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op … (5) verslag uit over:

a)

het effect van octrooien voor in computers geïmplementeerde uitvindingen op de in artikel 7 genoemde factoren;

b)

de vraag of de regels betreffende de duur van de octrooibescherming en het bepalen van de octrooieerbaarheidseisen, meer bepaald nieuwheid, uitvinderswerkzaamheid en de passende reikwijdte van de conclusies, adequaat zijn en of het, gelet op de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, wenselijk en juridisch mogelijk is die regels te wijzigen;

c)

de vraag of zich met betrekking tot lidstaten waar niet, voorafgaand aan de verlening van een octrooi, wordt nagegaan of aan de eisen inzake nieuwheid en uitvinderswerkzaamheid wordt voldaan, problemen hebben voorgedaan, en zo ja, of maatregelen wenselijk zijn om deze problemen op te lossen;

d)

de vraag of zich problemen hebben voorgedaan inzake de relatie tussen de octrooibescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen en de door Richtlijn 91/250/EEG verleende auteursrechtelijke bescherming van computerprogramma's, en of er misbruik van het octrooisysteem voor wat betreft in computers geïmplementeerde uitvindingen heeft plaatsgevonden;

e)

de manier waarop met de voorschriften van deze richtlijn in de praktijk rekening is gehouden door het Europees Octrooibureau en in zijn onderzoeksrichtsnoeren;

f)

de aspecten die eventueel de noodzaak doen rijzen een diplomatieke conferentie voor te bereiden ter herziening van het Europees Octrooiverdrag;

g)

het effect van octrooien voor in computers geïmplementeerde uitvindingen op de ontwikkeling en het in de handel brengen van compatibele computerprogramma's en computersystemen.

Artikel 9

Gevolgenevaluatie

In het licht van het toezicht overeenkomstig artikel 7 en het verslag dat moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 8, evalueert de Commissie de gevolgen van deze richtlijn en dient zij, voorzover noodzakelijk, bij het Europees Parlement en de Raad wijzigingsvoorstellen in.

Artikel 10

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ... (6) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 11

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgend op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 12

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 61 van 14.3.2003, blz. 154.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 24 september 2003 (PB C 77 E van 26.3.2004, blz. 230), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 7 maart 2005 en standpunt van het Europees Parlement van … (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 336 van 23.12.1994, blz. 1.

(4)  PB L 122 van 17.5.1991, blz. 42. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 93/98/EEG (PB L 290 van 24.11.1993, blz. 9).

(5)  5 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

(6)  2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

1.

Op 20 februari 2002 heeft de Commissie een voorstel ingediend voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen (1), dat gebaseerd is op artikel 95 van het EG-Verdrag.

2.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 19 september 2002 advies uitgebracht (2).

3.

Het Europees Parlement heeft op 24 september 2003 advies in eerste lezing uitgebracht (3).

4.

De Commissie heeft geen gewijzigd voorstel ingediend.

5.

De Raad heeft op 7 maart 2005 zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld overeenkomstig artikel 251 van het EG-Verdrag.

II.   DOELSTELLING

6.

Met de voorgestelde richtlijn wordt gestreefd de nationale octrooiwetgevingen te harmoniseren voor wat betreft de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen, en de voorwaarden voor deze octrooieerbaarheid transparanter te maken.

III.   GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

Overwegingen

7.

De Raad heeft een aantal overwegingen in het Commissievoorstel gewijzigd of samengevoegd en enkele bijkomende overwegingen goedgekeurd. Aldus heeft de Raad de amendementen 1, 2, 88, 3, 34, 115, 85, 7, 8, 9, 86, 11, 12 en 13 van het Europees Parlement volledig of gedeeltelijk of na herformulering overgenomen. De verwijzingen naar de belangrijkste wijzigingen in de overwegingen staan hierna onder de desbetreffende artikelen.

Artikelen

Artikel 1 (Toepassingsgebied)

8.

Artikel 1 werd aanvaard in de versie van het Commissievoorstel. Ook het Europees Parlement heeft geen wijzigingen in dit artikel voorgesteld.

Artikel 2 (Definities)

9.

Wat punt a) betreft, heeft de Raad de amendementen 36, 42 en 117 van het Europees Parlement gedeeltelijk gevolgd en de woorden „op het eerste gezicht nieuwe” uit de definitie van „in computers geïmplementeerde uitvinding” geschrapt. Deze zijn namelijk overbodig en er zou verwarring kunnen ontstaan door associatie met de nieuwheidstest, die van toepassing is in de fase van bestudering van de octrooieerbaarheid van een uitvinding.

10.

Wat punt b) betreft heeft de Raad:

„technisch gebied” vervangen door „gebied van de technologie”, hetgeen de algemeen gebruikte term is in internationale overeenkomsten inzake octrooirecht, zoals de TRIP's-overeenkomst;

de woorden „nieuw is en” ingevoegd, om de criteria voor „technische bijdrage” te verduidelijken;

een tweede zin toegevoegd, die in feite de licht gewijzigde bepaling van artikel 4, lid 3, van het Commissievoorstel is, om te verduidelijken dat, zelfs indien niet-technische kenmerken in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling van de technische bijdrage van een bepaalde, in computers geïmplementeerde uitvinding, een octrooiaanvraag ook technische kenmerken moet omvatten. Deze gedachte strookt met een deel van de amendementen 16, 100, 57, 99, 110 en 70 van het Europees Parlement.

Artikel 3 van het Commissievoorstel (In computers geïmplementeerde uitvindingen als een gebied van de technologie)

11.

Dit artikel legde aan de lidstaten de verplichting op ervoor te zorgen dat in computers geïmplementeerde uitvindingen in hun nationale wetgeving als behorende tot een gebied van de technologie worden beschouwd. In overeenstemming met amendement 15 van het Europees Parlement heeft de Raad besloten artikel 3 te schrappen aangezien een algemene verplichting van deze aard moeilijk in nationale wetgeving omgezet zou kunnen worden. Daarentegen heeft de Raad besloten in overweging 13 de desbetreffende verklaring vervat in overweging 11 van het Commissievoorstel, te versterken.

Artikel 3 (Artikel 4 van het Commissievoorstel) (Voorwaarden voor octrooieerbaarheid)

12.

De Raad heeft de eerste twee alinea's van artikel 4 van het Commissievoorstel samengevoegd tot één enkele alinea en daarbij enkele kleine redactiewijzigingen aangebracht teneinde de tekst te verduidelijken. De nieuwe tekst sluit woordelijk aan bij de formulering van artikel 4, lid 1, zoals voorgesteld in amendement 16 van het Europees Parlement.

13.

Zoals reeds vermeld is lid 3 van artikel 4 van het Commissievoorstel opgenomen in de definitie van „technische bijdrage” onder artikel 2, onder b), aangezien men van oordeel was dat dit bij de definities thuishoort en niet in een artikel met de titel „Voorwaarden voor octrooieerbaarheid”.

Artikel 4 (Uitsluiting van octrooieerbaarheid)

14.

Om misverstanden te voorkomen heeft de Raad in lid 1 van dit artikel een duidelijke verklaring opgenomen met de strekking dat een computerprogramma als zodanig geen octrooieerbare uitvinding kan vormen.

15.

Lid 2, dat met amendement 17 van het Europees Parlement correspondeert, beoogt de duidelijke afbakening van hetgeen uit hoofde van de onderhavige richtlijn octrooieerbaar kan zijn en moet gelezen worden in samenhang met de overwegingen 14 tot en met 16, die met de amendementen 85, 7 en 8, van het Europees Parlement corresponderen. De Raad heeft evenwel de termen „uitgedrukt in broncode, objectcode of enige andere vorm” ingevoegd om beter te verduidelijken wat bedoeld wordt met „uitvindingen waarbij gebruik wordt gemaakt van computerprogramma's”.

Artikel 5 (Vorm van de conclusies)

16.

Lid 1 is in de versie van het Commissievoorstel aanvaard.

17.

Lid 2 is toegevoegd om te verduidelijken dat een octrooi in bepaalde omstandigheden en onder strikte voorwaarden een conclusie betreffende een computerprogramma, hetzij op zichzelf hetzij op een drager, kan bestrijken. De Raad is van oordeel dat de richtlijn hierdoor in overeenstemming zou worden gebracht met de normale courante praktijk bij het Europees Octrooibureau en in de lidstaten.

Artikel 6 (Verband met Richtlijn 91/250/EEG)

18.

De Raad heeft amendement 19 van het Europees Parlement overgenomen omdat hij van oordeel is dat dit duidelijker is dan de tekst van het Commissievoorstel. Hij heeft verwijzingen naar bepalingen betreffende topografieën van halfgeleiderproducten of merken verwijderd aangezien deze in dit verband als niet relevant werden beschouwd.

19.

De Raad heeft amendement 76 van het Europees Parlement niet overgenomen omdat dit onvoldoende vastomlijnd werd geacht en in strijd zou zijn met de TRIPS-overeenkomst. De Raad vond dat het interoperabiliteitsvraagstuk reeds voldoende wordt gedekt door artikel 6 alsook door de toepassing van algemene mededingingsregels. Dit wordt duidelijk uiteengezet in de overwegingen 21 en 22 van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad.

Artikel 7 (Monitoring)

20.

De Raad heeft amendement 71 van het Europees Parlement overgenomen.

Artikel 8 (Rapport over de gevolgen van de richtlijn)

21.

De Raad heeft de tekst van het Commissievoorstel gehandhaafd en de volgende bijkomende elementen ingevoegd:

punt b): de woorden „de octrooitermijn” zijn toegevoegd, op voorstel van het Europees Parlement in amendement 92; voorts heeft de Raad naar aanleiding van amendement 25 van het Europees Parlement een verwijzing naar de internationale verplichtingen van de Gemeenschap opgenomen;

punt d): de Raad heeft amendement 23 van het Europees Parlement overgenomen;

punt e): de Raad heeft amendement 26 van het Europees Parlement overgenomen;

punt f): de Raad heeft amendement 25 van het Europees Parlement overgenomen, maar de verwijzing naar het Gemeenschapsoctrooi geschrapt omdat een dergelijke verwijzing in deze context niet relevant zou zijn;

punt g): de Raad heeft amendement 89 van het Europees Parlement naar de inhoud overgenomen, maar gekozen voor een duidelijker formulering.

Artikel 9 van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (Evaluatie van de gevolgen)

22.

De Raad heeft amendement 27 van het Europees Parlement overgenomen.

Artikel 10 (Artikel 9 van het Commissievoorstel) (Uitvoering)

23.

In tegenstelling tot het Europees Parlement, dat de voorkeur gaf aan een uitvoeringsperiode van achttien maanden (amendement 28), heeft de Raad gekozen voor een uitvoeringsperiode van 24 maanden.

Artikelen 11 (Inwerkingtreding) en 12 (Adressaten) (Artikelen 10 en 11 van het Commissievoorstel)

24.

De Raad heeft de tekst van het Commissievoorstel overgenomen.

IV.   NIET-AANVAARDE AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT

25.

Na uitvoerige bespreking heeft de Raad de volgende amendementen van het Europees Parlement niet kunnen overnemen: 88 (eerste zin), 31, 32, 112, 95, 84, 114, 125, 75, 36, 42, 117, 107, 69, 55/rev., 97, 108, 38, 44, 118, 45, 16, 100, 57, 99, 110, 70 (gedeeltelijk), 60, 102, 111, 72, 103, 119, 104, 120, 76, 24, 81, 93, 94 en 28.

26.

De Raad vond dat enkele van deze amendementen overbodig (amendementen 88 (eerste zin), 31, 75, 94), onduidelijk en potentieel verwarrend waren (amendementen 36, 42, 117, 72, 104, 120), geen direct verband hielden met de betreffende vraagstukken (amendementen 95, 24, 81), de gevestigde praktijk niet weergaven (amendementen 32, 112, 16, 100, 57, 99, 110, 70, 102, 111), of in strijd zouden zijn met de internationale verplichtingen van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten uit hoofde van de TRIPS-overeenkomst en met de algemene beginselen van de octrooiwetgeving (84, 114, 125, 107, 69, 55/rev., 97, 108, 38, 44, 118, 45, 60, 103, 119, 76, 93).

V.   CONCLUSIES

27.

De Raad heeft in zijn gemeenschappelijk standpunt een aanzienlijk aantal van de door het Europees Parlement voorgestelde amendementen overgenomen. In het gehele gemeenschappelijk standpunt heeft de Raad gestreefd naar een redelijk en werkbaar evenwicht tussen de belangen van de octrooihouders en die van andere betrokken partijen. De Commissie heeft het totale evenwicht van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad erkend en het als een bevredigend compromispakket aanvaard.


(1)  PB C 151 E van 25.6.2002, blz. 129.

(2)  PB C 61 van 14.3.2003, blz. 154.

(3)  PB C 77 E van 26.3.2004, blz. 230.


14.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 144/16


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 21/2005

door de Raad vastgesteld op 8 maart 2005

met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. …/2005 van het Europees Parlement en de Raad van … betreffende de opstelling van niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector

(2005/C 144 E/03)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 285, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het Actieplan betreffende de statistische vereisten ten behoeve van de Economische en Monetaire Unie (EMU), dat de Raad-Ecofin in september 2000 heeft onderschreven, wordt bepaald dat een beperkte hoeveelheid driemaandelijkse sectorrekeningen dringend noodzakelijk is en dat deze binnen 90 dagen na het eind van het betrokken kwartaal beschikbaar moeten zijn.

(2)

In het gezamenlijk verslag van de Raad-Ecofin en de Commissie aan de Europese Raad over statistieken en indicatoren voor de eurozone, dat de Raad-Ecofin op 18 februari 2003 heeft goedgekeurd, wordt er de nadruk op gelegd dat de op diverse gebieden te nemen prioritaire maatregelen, waaronder de nationale kwartaalrekeningen per institutionele sector, uiterlijk in 2005 hun beslag moeten krijgen.

(3)

Voor de analyse van cyclische bewegingen in de economie van de Europese Unie en voor de uitvoering van het monetaire beleid in de EMU zijn macro-economische statistieken over het economische gedrag van de onderscheiden institutionele sectoren en over hun onderlinge betrekkingen nodig, die bij gegevens voor de gehele economie verborgen blijven. Daarom zijn er kwartaalrekeningen per institutionele sector nodig, voor de gehele Europese Unie en voor de eurozone.

(4)

De productie van deze rekeningen maakt deel uit van de algemene doelstelling een systeem van jaar- en kwartaalrekeningen voor de Europese Unie en de eurozone op te stellen. Het systeem omvat de belangrijkste macro-economische aggregaten en de financiële en niet-financiële rekeningen per institutionele sector. Hiermee wordt samenhang beoogd tussen al deze rekeningen en, wat de rekeningen van het buitenland betreft, tussen de betalingsbalansgegevens en de gegevens van de nationale rekeningen.

(5)

Voor de opstelling van Europese rekeningen per institutionele sector overeenkomstig de beginselen van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap zoals vermeld in Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad (3) moeten de lidstaten driemaandelijkse nationale rekeningen per institutionele sector verstrekken. De Europese rekeningen moeten evenwel de economie van Europa als geheel weerspiegelen en kunnen afwijken van de eenvoudige aggregatie van de rekeningen van de lidstaten. Met name moet in de rekeningen van het betrokken gebied (de Europese Unie of de eurozone, al naar gelang) rekening worden gehouden met de transacties van de instellingen en organen van de Europese Unie.

(6)

De productie van specifieke communautaire statistieken wordt geregeld in Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad van 17 februari 1997 betreffende de communautaire statistiek (4).

(7)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de opstelling van niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector voor de Europese Unie en de eurozone, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de omvang en de gevolgen van de maatregel, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen nemen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag. In overeenstemming met het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te bereiken. Met name hoeven lidstaten die een zeer kleine bijdrage aan de Europese totalen leveren, geen uitvoerig detail van de gegevens te verstrekken.

(8)

De voor de uitvoering van deze verordening noodzakelijke maatregelen worden vastgesteld in overeenstemming met Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (5).

(9)

Het bij Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad (6) ingestelde Comité statistisch programma en het bij Besluit 91/115/EEG van de Raad (7) ingestelde Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek zijn geraadpleegd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel

Het doel van deze verordening is de verschaffing van een gemeenschappelijk kader voor de bijdragen van de lidstaten aan de opstelling van Europese niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector.

Artikel 2

Indiening van niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector

1.   De lidstaten verstrekken de Commissie niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector, zoals gespecificeerd in de bijlage, voorlopig met uitzondering van de posten P.1, P.2, D.42, D.43, D.44, D.45 en B.4G.

2.   Een tijdschema voor de indiening van respectievelijk de posten P.1, P.2, D.42, D 43, D 44, D.45 en B.4G en een eventueel besluit om een indeling van de in de bijlage opgenomen transacties naar partnersector te verlangen, worden goedgekeurd volgens de in artikel 8, lid 2, bedoelde procedure. Een dergelijk besluit wordt pas genomen nadat de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag heeft uitgebracht over de uitvoering van deze verordening, overeenkomstig artikel 9.

3.   De in lid 1 bedoelde kwartaalgegevens worden uiterlijk 90 kalenderdagen na het eind van het kwartaal waarop de gegevens betrekking hebben aan de Commissie geleverd. Gedurende een overgangsperiode van drie jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze verordening, worden de in lid 1 bedoelde kwartaalgegevens uiterlijk 95 kalenderdagen na het eind van het kwartaal waarop de gegevens betrekking hebben aan de Commissie geleverd. Tezelfdertijd worden eventuele herziene gegevens voor eerdere kwartalen verstrekt.

4.   De in lid 3 genoemde indieningstermijn kan volgens de procedure van artikel 8, lid 2, met maximaal vijf dagen worden aangepast.

5.   De eerste indiening van kwartaalgegevens heeft betrekking op de gegevens van het derde kwartaal van 2005. De lidstaten leveren deze gegevens niet later dan 3 januari 2006. Bij deze eerste indiening worden ook retrospectieve gegevens voor de tijdvakken vanaf het eerste kwartaal van 1999 verstrekt.

Artikel 3

Rapportageverplichtingen

1.   Alle lidstaten verstrekken de in de bijlage beschreven gegevens voor de sectoren Buitenland (S.2) en Overheid (S.13). Indien het bruto binnenlands product van een lidstaat tegen lopende prijzen gewoonlijk meer dan 1 % van het overeenkomstige communautaire totaal uitmaakt, verstrekt deze lidstaat de in de bijlage beschreven gegevens voor alle institutionele sectoren.

2.   De Commissie bepaalt het aandeel in procenten dat het bruto binnenlands product van een lidstaat tegen lopende prijzen gewoonlijk uitmaakt in het totaal bruto binnenlands product van de Gemeenschap, zoals bedoeld in lid 1; zij baseert zich daarbij op het rekenkundig gemiddelde van de door de lidstaten ingediende jaargegevens over de laatste drie jaren.

3.   Het aandeel van 1 % in het communautaire totaal, genoemd in lid 1, kan worden bijgesteld volgens de in artikel 8, lid 2, bedoelde procedure.

4.   De Commissie kan afwijkingen van deze verordening toestaan indien er belangrijke aanpassingen in de nationale statistische systemen nodig zijn. Deze afwijkingen mogen niet langer dan drie jaar gelden, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening of van de uitvoeringsmaatregelen die zijn aangenomen volgens de in artikel 8, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 4

Definities en normen

De normen, definities, classificaties en registratieregels voor de ten behoeve van deze verordening verstrekte gegevens zijn die welke zijn neergelegd in Verordening (EG) nr. 2223/96 (hierna „de ESR-verordening” genoemd).

Artikel 5

Gegevensbronnen en consistentie-vereisten

1.   De lidstaten verzamelen de in deze verordening vereiste informatie met behulp van alle bronnen die zij relevant achten. Zij geven hierbij prioriteit aan rechtstreekse informatie zoals administratieve bronnen of enquêtes bij de ondernemingen en huishoudens.

Wanneer dergelijke rechtstreekse informatie niet kan worden verzameld, met name voor de retrospectieve gegevens die ingevolge artikel 2, lid 5, worden verlangd, kunnen zo goed mogelijke schattingen worden verstrekt.

2.   De door de lidstaten ten behoeve van deze verordening verstrekte gegevens zijn in overeenstemming met de niet-financiële kwartaalrekeningen van de overheid en de belangrijkste kwartaalaggregaten van de gehele economie, die in het kader van het gegevensindieningsprogramma van de ESR-verordening aan de Commissie worden verstrekt.

3.   De ten behoeve van deze verordening door de lidstaten verstrekte kwartaalgegevens worden in overeenstemming gebracht met de overeenkomstige jaargegevens die in het kader van het gegevensindieningsprogramma van de ESR-verordening worden verstrekt.

Artikel 6

Kwaliteitsnormen en verslagen

1.   De lidstaten nemen alle maatregelen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de verstrekte gegevens in de loop van de tijd verbetert om in overeenstemming te zijn met de volgens de in artikel 8, lid 2, bedoelde procedure om gemeenschappelijke kwaliteitsnormen vast te stellen.

2.   De lidstaten leveren de Commissie uiterlijk een jaar na de eerste indiening van gegevens een actuele beschrijving van de gebruikte bronnen, methoden en statistische behandelingen.

3.   De lidstaten brengen de Commissie uiterlijk drie maanden na de inwerkingtreding van belangrijke methodologische of andere wijzigingen die van invloed zijn op de verstrekte gegevens, op de hoogte van deze wijzigingen.

Artikel 7

Uitvoeringsmaatregelen

De uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld volgens de in artikel 8, lid 2, bedoelde procedure. Tot deze maatregelen behoren:

a)

het vaststellen van het tijdschema voor de indiening van de posten P.1, P.2, D.42, D.43, D.44, D.45 en B.4G overeenkomstig artikel 2, lid 2;

b)

het verlangen van een indeling van de in de bijlage vermelde transacties naar partnersector overeenkomstig artikel 2, lid 2;

c)

het herzien van het tijdschema voor de indiening van kwartaalgegevens overeenkomstig artikel 2, lid 4;

d)

het aanpassen van het aandeel (1 %) in het communautaire totaal om vast te stellen of gegevens voor alle institutionele sectoren moeten worden verstrekt overeenkomstig artikel 3, lid 3;

e)

het vaststellen van kwaliteitsnormen voor de gegevens overeenkomstig artikel 6, lid 1.

Artikel 8

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité statistisch programma.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 9

Verslag over de uitvoering

Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering van deze verordening.

Dit verslag omvat met name:

a)

informatie over de kwaliteit van de geproduceerde statistieken;

b)

een beoordeling van de baten van de geproduceerde statistieken voor de Gemeenschap, de lidstaten en de verstrekkers en gebruikers van statistische informatie, in relatie tot de kosten ervan;

c)

een overzicht van de gebieden waarop in het licht van de behaalde resultaten verbeteringen mogelijk zijn en wijzigingen noodzakelijk worden geacht.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

....

Voor de Raad

De voorzitter

....


(1)  PB C 42 van 18.2.2004, blz. 23.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 30 maart 2004 (PB C 103 E, van 29.4.2004, blz. 141), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 8 maart 2005, en Standpunt van het Europees Parlement van ... (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1267/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 180 van 18.7.2003, blz. 1).

(4)  PB L 52 van 22.2.1997, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(5)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(6)  PB L 181 van 28.6.1989, blz. 47.

(7)  PB L 59 van 6.3.1991, blz. 19.


BIJLAGE

Indiening van de gegevens

 

Bestedingen

Middelen

S1

S1N

S11

S12

S13

S14_S15

S2

S1

S1N

S11

S12

S13

S14_S15

S2

Totale economie

Totale economie, niet gespecificeerd

Niet-financiële vennootschappen

Financiële instellingen

Overheid

Huishoudens en IZW's t.b.v. huishoudens

Buitenland

Totale economie

Totale economie, niet gespecificeerd

Niet-financiële vennootschappen

Financiële instellingen

Overheid

Huishoudens en IZW's t.b.v. huishoudens

Buitenland

P.1

Output

 

 

 

 

 

 

 

X

 

X

X

X

X

 

P.2

Intermediair verbruik

X

 

X

X

X

X

 

 

 

 

 

 

 

 

P.3

Consumptieve bestedingen

X

 

 

 

X

X

 

 

 

 

 

 

 

 

P.31

Individuele consumptieve bestedingen

X

 

 

 

X

X

 

 

 

 

 

 

 

 

P.32

Collectieve consumptieve bestedingen

X

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

 

 

P.5

Investeringen (bruto)

X

 

X

X

X

X

 

 

 

 

 

 

 

 

P.51

Investeringen in vaste activa (bruto)

X

 

X

X

X

X

 

 

 

 

 

 

 

 

P.5N

Veranderingen in voorraden en saldo aan- en verkopen van kostbaarheden

X

 

X

X

X

X

 

 

 

 

 

 

 

 

P.6

Uitvoer van goederen en diensten

 

 

 

 

 

 

X

 

 

 

 

 

 

 

P.7

Invoer van goederen en diensten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

X

D.1

Beloning van werknemers

X

 

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

X

X

D.2

Belastingen op productie en invoer

X

X

X

X

X

X

 

X

 

 

 

X

 

X

D.21

Productgebonden belastingen

X

X

 

 

 

 

 

X

 

 

 

X

 

X

D.29

Niet-productgebonden belastingen op productie

X

 

X

X

X

X

 

X

 

 

 

X

 

X

D.3

Subsidies

X

 

 

 

X

 

X

X

X

X

X

X

X

 

D.31

Productgebonden subsidies

X

 

 

 

X

 

X

X

X

 

 

 

 

 

D.39

Niet-productgebonden subsidies

X

 

 

 

X

 

X

X

 

X

X

X

X

 

D.21-D.31

Belastingen — subsidies (productgebonden)

 

 

 

 

 

 

 

X

X

 

 

 

 

 

D.4

Inkomen uit vermogen

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.41

Rente

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.4N

Inkomen uit vermogen m.u.v. rente

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.42

Winstuitkeringen

X

 

X

X

 

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.43

Ingehouden winsten op DBI

X

 

X

X

 

 

X

X

 

X

X

X

X

X

D.44

Inkomen uit vermogen toegerekend aan polishouders

X

 

X

X

 

 

X

X

 

X

X

X

X

X

D.45

Inkomen uit grond en minerale reserves

X

 

X

X

X

X

 

X

 

X

X

X

X

 

D.5

Belastingen op inkomen, vermogen enz.

X

 

X

X

X

X

X

X

 

 

 

X

 

X

D.6

Sociale premies en uitkeringen

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.61

Sociale premies

X

 

 

 

 

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.62

Sociale uitkeringen (excl. sociale overdrachten in natura)

X

 

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

X

X

D.63

Sociale overdrachten in natura

X

 

 

 

X

X

 

X

 

 

 

 

X

 

D.7

Overige inkomensoverdrachten

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.71

Schadeverzekeringspremies (netto)

X

 

X

X

X

X

X

X

 

 

X

X

 

X

D.72

Schadeverzekeringsuitkeringen

X

 

 

X

 

 

X

X

 

X

X

X

X

X

D.7N

Overige inkomensoverdrachten n.e.g.

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.8

Correctie voor mutaties in voorziening pensioenverzekering

X

 

X

X

X

X

X

X

 

 

 

 

X

X

D.9

Kapitaaloverdrachten

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

D.91

Vermogensheffingen

X

 

X

X

 

X

X

X

 

 

 

X

 

 

D.9N

Investeringsbijdragen en overige kapitaaloverdrachten

X

 

X

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

K.1

Verbruik van vaste activa

X

 

X

X

X

X

 

X

 

X

X

X

X

 

K.2

Saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde niet-financiële activa

X

 

X

X

X

X

X

 

 

 

 

 

 

 


 

Saldi

S1

S1N

S11

S12

S13

S14_S15

S2

Totale economie

Totale economie, niet gespecificeerd

Niet-financiële vennootschappen

Financiële instellingen

Overheid

Huishoudens en IZW's t.b.v. huishoudens

Buitenland

B.1G

Toegevoegde waarde (bruto)

X

X

X

X

X

X

 

B.1N

Toegevoegde waarde (netto)

X

X

X

X

X

X

 

B.2G

Exploitatieoverschot (bruto)

X

 

X

X

X

X

 

B.3G

Gemengd inkomen (bruto)

X

 

 

 

 

X

 

B.4G

Inkomen uit bedrijfsuitoefening (bruto)

X

 

X

X

 

X

 

B.5G

Saldo primaire inkomens (bruto)

X

 

X

X

X

X

 

B.6G

Beschikbaar inkomen (bruto)

X

 

X

X

X

X

 

B.7G

Alternatief beschikbaar inkomen (bruto)

X

 

 

 

X

X

 

B.8G

Besparingen (bruto)

X

 

X

X

X

X

 

B.9

Vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (-)

X

 

X

X

X

X

X

B.11

Saldo goederen- en dienstentransacties van het buitenland

 

 

 

 

 

 

X

B.12

Saldo lopende transacties van het buitenland

 

 

 

 

 

 

X


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

1.

De Commissie heeft op 17 december 2003 een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van niet-financiële kwartaalrekeningen per institutionele sector ingediend (1), gebaseerd op artikel 285 van het EG-Verdrag.

2.

De Europese Centrale Bank heeft op 4 februari 2004 advies uitgebracht (2).

3.

Het Europees Parlement heeft op 31 maart 2004 advies in eerste lezing uitgebracht (3).

4.

De Commissie heeft geen gewijzigd voorstel ingediend.

5.

De Raad heeft op 8 maart 2005 zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld overeenkomstig artikel 251 van het EG-Verdrag.

II.   DOELSTELLING

6.

Met dit verordeningsvoorstel wordt beoogd een gemeenschappelijk kader te scheppen voor de bijdragen van de lidstaten aan de opstelling van Europese kwartaalrekeningen per institutionele sector.

III.   GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT

Overwegingen

7.

De Raad heeft overweging 5 gewijzigd, door de woorden „die op het betrokken Europese gebied zijn gevestigd” te schrappen en aldus het enige amendement van het Europees Parlement volledig over te nemen. Deze overweging is gewijzigd om duidelijk te maken dat de werkingssfeer van deze verordening de „Europese Unie of eurozone, al naargelang het geval” omvat, in plaats van „het Europese gebied”.

Artikelen

Artikel 1 (Doel)

8.

Artikel 1 is in de versie van het Commissievoorstel aanvaard en het Europees Parlement heeft geen wijzigingen voorgesteld.

Artikel 2 (Indiening van niet-financiële kwartaalstatistieken per institutionele sector)

9.

Lid 1 is in de versie van het Commissievoorstel aanvaard.

10.

Aan lid 2 heeft de Raad de volgende zin toegevoegd: „Een dergelijk besluit wordt pas genomen nadat de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag heeft uitgebracht over de uitvoering van deze verordening, overeenkomstig artikel 9.”. Door deze wijziging heeft de Raad vastgesteld dat de indiening van andere gegevens betreffende een verdere indeling van transacties niet plaatsvindt voordat de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (maximaal binnen 5 jaar) verslag heeft uitgebracht over de uitvoering van deze verordening.

11.

In lid 3 heeft de Raad een nieuwe zin ingevoegd: „Gedurende een overgangsperiode van drie jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze verordening, worden de in lid 1 bedoelde kwartaalgegevens uiterlijk 95 kalenderdagen na het eind van het desbetreffende kwartaal aan de Commissie geleverd.”. Hierdoor wordt een overgangsperiode van drie jaar ingesteld waarin de lidstaten de in lid 1 bedoelde kwartaalgegevens binnen 95 dagen, in plaats van de oorspronkelijk door de Commissie voorgestelde 90 dagen, aan de Commissie moeten leveren.

12.

Lid 4 is in de versie van het Commissievoorstel aanvaard.

13.

In lid 5 heeft de Raad „eerste kwartaal” vervangen door „derde kwartaal” en „30 juni 2005” door „3 januari 2006”, waardoor de periode waarop de eerste indiening van kwartaalgegevens betrekking heeft wordt opgeschoven met twee kwartalen en de datum waarop deze gegevens door de lidstaten moeten worden ingediend met een half jaar wordt uitgesteld.

Artikel 3 (Rapportageverplichtingen), artikel 4 (Definities en normen), artikel 5 (Gegevensbronnen en consistente vereisten), artikel 6 (Kwaliteitsnormen en verslagen), artikel 7 (Uitvoeringsmaatregelen), artikel 8 (Comité), artikel 9 (Verslag over de uitvoering) en artikel 10 (Inwerkingtreding)

14.

Deze artikelen zijn in de versie van het Commissievoorstel aanvaard en het Europees Parlement heeft geen wijzigingen voorgesteld.

IV.   NIET-AANVAARDE AMENDEMENTEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT

15.

Het enige door het Europees Parlement in zijn eerste lezing voorgestelde amendement is aanvaard.

V.   CONCLUSIES

16.

De Raad heeft in zijn gemeenschappelijk standpunt het door het Europees Parlement voorgestelde amendement overgenomen. De Raad is van oordeel dat de in zijn gemeenschappelijk standpunt opgenomen wijzigingen volledig stroken met de doelstellingen van de verordening. De Commissie heeft het algemene evenwicht van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad erkend, en heeft het als een bevredigend compromispakket aanvaard.


(1)  COM(2003) 0789 def.

(2)  PB C 42 van 18.2.2004, blz. 23.

(3)  PB C 103 E, van 29.4.2004, blz. 141.


14.6.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

CE 144/24


GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT (EG) Nr. 22/2005

door de Raad vastgesteld op 4 april 2005

met het oog op de aanneming van Richtlijn (EG) nr. …/2005 van het Europees Parlement en de Raad van … houdende de tweeëntwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (ftalaten in speelgoed en kinderverzorgingsartikelen)

(2005/C 144 E/04)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens artikel 14 van het Verdrag dient een ruimte zonder binnengrenzen tot stand te worden gebracht, waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal wordt gewaarborgd.

(2)

Werkzaamheden met betrekking tot de interne markt moeten de kwaliteit van het bestaan, de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de consumenten verbeteren. Deze richtlijn is in overeenstemming met de eis dat een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en van de consument moet worden gewaarborgd bij de vaststelling en implementatie van alle communautaire beleidsmaatregelen en activiteiten.

(3)

De aanwezigheid van bepaalde ftalaten in speelgoed- en kinderverzorgingsartikelen van week gemaakt materiaal of met onderdelen van week gemaakt materiaal, dient te worden verboden aangezien de aanwezigheid van bepaalde ftalaten risico's, of potentiële risico's inhoudt, of kan inhouden voor de gezondheid van jonge kinderen.

(4)

Het Wetenschappelijk Comité inzake toxiciteit, ecotoxiciteit en het milieu (WCTEM) heeft, na door de Commissie te zijn geraadpleegd, adviezen uitgebracht over de aan deze ftalaten verbonden gezondheidsrisico's.

(5)

Bij Aanbeveling 98/485/EG van de Commissie van 1 juli 1998 betreffende kinderverzorgings- en speelgoedartikelen die bestemd zijn om door kinderen onder de leeftijd van drie jaar in de mond te worden gestopt en vervaardigd zijn van zacht PVC dat bepaalde ftalaten bevat (4), wordt de lidstaten verzocht maatregelen vast te stellen ter waarborging van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van kinderen tegen deze producten.

(6)

Ingevolge Beschikking 1999/815/EG van de Commissie van 7 december 1999 (5), aangenomen in het kader van Richtlijn 92/59/EEG van de Raad van 29 juni 1992 inzake algemene productveiligheid (6), geldt sinds 1999 op EU-niveau een tijdelijk verbod op het gebruik van zes ftalaten in kinderverzorgings- en speelgoedartikelen die bestemd zijn om door kinderen onder de leeftijd van drie jaar in de mond te worden gestopt. Deze beschikking wordt op gezette tijden hernieuwd.

(7)

De reeds door bepaalde lidstaten ingevoerde beperkingen op het op de markt brengen van kinderverzorgings- en speelgoedartikelen vanwege hun ftalaatgehalte, zijn rechtstreeks van invloed op de voltooiing en werking van de interne markt. Het is derhalve noodzakelijk de wetgevingen van de lidstaten op dit gebied onderling aan te passen en wijzigingen aan te brengen in bijlage I van Richtlijn 76/769/EEG van de Raad (7).

(8)

Teneinde met name voor kinderen een hoog niveau van gezondheidsbescherming te garanderen, dient het voorzorgsbeginsel te worden toegepast wanneer op grond van de wetenschappelijke evaluatie het risico niet met voldoende zekerheid kan worden bepaald.

(9)

Als organismen in ontwikkeling zijn kinderen bijzonder kwetsbaar voor reproductietoxicologische stoffen. Daarom moet de blootstelling van kinderen aan alle in de praktijk vermijdbare bronnen van emissies van deze stoffen, met name door artikelen die zij in de mond kunnen steken, zoveel mogelijk worden beperkt.

(10)

Tijdens de risicobeoordelingen en/of in het kader van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (8), zijn DEHP, DBP en BBP onderkend als reproductietoxicologische stoffen en dan ook ingedeeld als reproductietoxicologisch, categorie 2.

(11)

Wetenschappelijke informatie over DINP, DIDP en DNOP is niet beschikbaar of tegenstrijdig, maar de mogelijkheid dat deze stoffen een potentieel risico inhouden indien zij worden gebruikt in speelgoed- en kinderverzorgingsartikelen, die per definitie voor kinderen worden geproduceerd, kan niet worden uitgesloten.

(12)

De onzekere aspecten van de evaluatie van de blootstelling aan deze ftalaten, zoals de vraag hoe lang de artikelen in de mond worden gehouden, alsmede de blootstelling aan andere emissies vanuit andere bronnen, vereisen dat voorzorgsoverwegingen meewegen. Er dienen dan ook beperkingen te worden ingevoerd betreffende het gebruik van deze ftalaten voor speelgoed- en kinderverzorgingsartikelen, alsmede betreffende het op de markt brengen van deze artikelen. Omwille van de evenredigheid dienen de beperkingen voor DINP, DIDP en DNOP evenwel minder streng te zijn dan de voor DEHP, DBP en BBP voorgestelde beperkingen.

(13)

Zoals aangegeven in de mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel, zullen de op dit beginsel gebaseerde maatregelen worden getoetst aan nieuwe wetenschappelijke gegevens.

(14)

De Commissie ziet toe op het gebruik van ftalaten en andere stoffen als weekmakers in speelgoed- en kinderverzorgingsartikelen. Zij werkt daarbij samen met de autoriteiten in de lidstaten, die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de markt en de wetshandhaving voor speelgoed- en kinderverzorgingsartikelen en pleegt overleg met de bevoegde producenten- en importeursorganisaties.

(15)

Voor de toepassing van Richtlijn 76/769/EEG moet de term „kinderverzorgingsartikel” worden gedefinieerd.

(16)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord inzake beter wetgeven (9) moet de Raad „de lidstaten ertoe aansporen voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die voorzover mogelijk, het verband weergeven tussen de richtlijnen en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken”.

(17)

De Commissie zal het gebruik van de in bijlage I bij Richtlijn 76/769/EEG genoemde ftalaten in andere producten aan een onderzoek onderwerpen wanneer de risicobeoordeling krachtens Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad van 23 maart 1993 (10) is voltooid.

(18)

Deze richtlijn 76/769/EEG is van toepassing onverminderd de communautaire wetgeving tot vaststelling van minimumvoorschriften voor de bescherming van werknemers, zoals vervat in Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (11) en in daarop gebaseerde afzonderlijke richtlijnen, met name Richtlijn 90/394/EEG van de Raad van 28 juni 1990 (12) betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk en Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk (13),

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 76/769/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1)

De volgende alinea wordt toegevoegd aan artikel 1, lid 3:

„c)

kinderverzorgingsartikel: elk product dat bestemd is om de slaap de ontspanning en de voeding van, alsmede het zuigen door kinderen te vergemakkelijken”.

2)

Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

De Europese Commissie zal de maatregelen opgenomen in Richtlijn 76/769/EEG zoals gewijzigd bij deze richtlijn uiterlijk ... (14) opnieuw evalueren in het licht van nieuwe wetenschappelijke informatie over de in bijlage bij deze richtlijn omschreven stoffen en vervangmiddelen daarvan. De maatregelen zullen, indien gerechtvaardigd, dienovereenkomstig worden gewijzigd.

Artikel 3

1.   De lidstaten dragen uiterlijk ... (15) zorg voor de vaststelling en bekendmaking van de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de tekst van deze bepalingen.

Zij passen deze bepalingen toe vanaf ... (16).

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Voor de Raad

De voorzitter


(1)  PB C 116 E van 26.4.2000, blz. 14.

(2)  PB C 117 van 26.4.2000, blz. 59.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 6 juli 2000. (PB C 121 van 23.4.2001, blz. 410), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 4 april 2005, en standpunt van het Europees Parlement van …. (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  PB L 217 van 5.8.1998, blz. 35.

(5)  PB L 315 van 9.12.1999, blz. 46. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2004/781/EG (PB L 344 van 20.11.2004, blz. 35).

(6)  PB L 228 van 11.8.1992, blz. 24. Richtlijn vervangen door Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4).

(7)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 201. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/98/EG van de Commissie (PB L 305 van 1.10.2004, blz. 63).

(8)  PB 196 van 16.8.1967. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/73/EG van de Commissie (PB L 152 van 30.4.2004, blz. 1).

(9)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(10)  PB L 84 van 5.4.1993. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(11)  PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(12)  PB L 196 van 26.7.1990, blz. 1. Richtlijn ingetrokken bij Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 50).

(13)  PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11.

(14)  Vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

(15)  Zes maanden na de datum van inwerkintreding van deze richtlijn.

(16)  Twaalf maanden na de datum van inwerkintreding van deze richtlijn.


BIJLAGE

De volgende punten worden toegevoegd aan bijlage I van Richtlijn 76/769/EEG:

„[XX.]

De volgende ftalaten (of andere CAS- en EINECS-nrs. die betrekking hebben op de stof):

bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP)

CAS-nr. 117-81-7

EINECS-nr. 204-211-0

dibutylftalaat (DBP)

CAS-nr. 84-74-2

EINECS-nr. 201-557-4

benzylbutylftalaat (BBP)

CAS-nr. 85-68-7

EINECS-nr. 201-622-7

Mogen niet worden gebruikt als stoffen of als bestanddelen van preparaten in concentraties van meer dan 0,1 % massaprocent van het week gemaakte materiaal in speelgoed- en kinderverzorgingsartikelen.

Dergelijke speelgoed en kinderverzorgingsartikelen die deze ftalaten bevatten in een hogere concentratie dan de hierboven genoemde grens, worden niet op de markt gebracht.

[XX.a.]

De volgende ftalaten (of andere CAS- en EINECS-nrs. die betrekking hebben op de stof):

di-”isononyl„ftalaat (DINP)

CAS-nr. 28553-12-0 en 68515-48-0

EINECS-nr. 249-079-5 en 271-090-9

di-”isodecyl„ftalaat (DIDP)

CAS-nr. 26761-40-0 en 68515-49-1

EINECS-nr. 247-977-1 en 271-091-4

di-n-octylftalaat (DNOP)

CAS-nr. 117-84-0

EINECS-nr. 204-214-7

Mogen niet worden gebruikt als stoffen of als bestanddelen van preparaten in concentraties van meer dan 0,1 % massaprocent van het week gemaakte materiaal in speelgoed- en kinderverzorgingsartikelen die bestemd zijn voor kinderen jonger dan drie jaar en door hen in de mond kunnen worden gestopt.

Dergelijke speelgoed en kinderverzorgingsartikelen die deze ftalaten bevatten in een hogere concentratie dan de hierboven genoemde grens, worden niet op de markt gebracht.”.


MOTIVERING VAN DE RAAD

I.   INLEIDING

De Commissie heeft haar voorstel betreffende de tweeëntwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG (1), dat is gebaseerd op artikel 95 van het EG-Verdrag, op 24 november 1999 bij de Raad en het Europees Parlement ingediend.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 15 februari 2000 advies (2) uitgebracht.

Het Europees Parlement heeft op 6 juli 2000 zijn eerste lezing afgerond en op 6 juli 2000 advies (3) uitgebracht.

Op 4 april 2005 heeft de Raad zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld, zoals weergegeven in document 5467/05.

II.   DOELSTELLING

De ontwerp-richtlijn heeft betrekking op het op de markt brengen en het gebruik van speelgoed en kinderverzorgingsartikelen die ftalaten bevatten. Oorspronkelijk werd voorzien in een verbod op zes verschillende ftalaten in speelgoed en kinderverzorgingsartikelen die PVC bevatten en bestemd zijn om in de mond te worden gestopt door kinderen die jonger zijn dan drie jaar.

Het Europees Parlement heeft in eerste lezing een resolutie over ftalaten en de veiligheid van speelgoed aangenomen, waarin een aantal wijzigingen van het Commissievoorstel worden voorgesteld. De belangrijkste zijn:

wanneer het gaat om speelgoed dat ftalaten bevat en bestemd is voor kinderen tussen drie en zes jaar, maar dat door jongere kinderen in de mond kan worden gestopt, moet op de verpakking en het speelgoed zelf een waarschuwing worden aangebracht;

het verbod moet gelden voor alle ftalaten en niet alleen voor de zes die in het Commissievoorstel worden genoemd;

het verbod moet worden uitgebreid tot alle speelgoed en niet alleen gelden voor speelgoed dat bestemd is voor kinderen jonger dan drie jaar en speelgoed dat is ontworpen om in de mond te worden gestopt. Speelgoed dat door kinderen in de mond kan worden gestopt, mag geen concentraties van meer dan 0,1 % bevatten in plaats van 1 %, zoals bepaald in het Commissievoorstel;

er mogen geen geurcomponenten worden toegevoegd aan speelgoed dat ftalaten bevat en dat door kinderen in de mond kan worden gestopt.

De Raad heeft het dossier op 25 mei 2000 besproken maar kon geen overeenstemming over een gemeenschappelijk standpunt bereiken.

Intussen zijn de resultaten van nieuwe risicobeoordelingen beschikbaar geworden en is het wenselijk gebleken een aantal van de oorspronkelijke bepalingen aan te scherpen, in overeenstemming met hetgeen het Europees Parlement had geconcludeerd. Op 24 september 2004 heeft de Raad met eenparigheid van stemmen een politiek akkoord bereikt over de ontwerp-richtlijn houdende de tweeëntwintigste wijziging van Richtlijn 76/769/EEG in de versie van bijlage I bij document 12469/04.

III.   ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK STANDPUNT DAT IN DOCUMENT 5467/05 IS VERVAT

1.   Algemeen

Hoewel niet alle amendementen van het Europees Parlement zijn overgenomen, breidt het gemeenschappelijk standpunt het toepassingsgebied van het verbod aanzienlijk uit door de kenmerking te vervangen door een algeheel verbod en zorgt het voor rechtszekerheid door een duidelijke definitie te geven van de voorwerpen waarop het verbod betrekking heeft (een definitie van kinderverzorgingsartikel, identiek aan die van de speelgoedbeschikking (4), is toegevoegd).

De amendementen 1, 3, 4, 6 en 8 werden in beginsel aanvaard, al waren zij anders geformuleerd.

De amendementen 18, 2, 5, 11, 24, 7, 17/rev., 16 en 9 werden onaanvaardbaar geacht.

2.   Nieuwe elementen in het gemeenschappelijk standpunt in vergelijking met het Commissievoorstel

In de overwegingen 3, 4 en 7 zijn kleine redactionele wijzigingen, meestal van juridische aard, aangebracht. De overwegingen 6 en 9 tot en met 15 zijn toegevoegd om aan te geven dat reeds een tijdelijk verbod van kracht is en het verband tussen de te verbieden ftalaten, het voorzorgsbeginsel en de risicobeoordelingsprocedures te verduidelijken.

De definitie van „kinderverzorgingsartikel” is toegevoegd aan het nieuwe artikel 1, lid 1.

Artikel 2 is geherformuleerd om aan de Commissie de verplichting op te leggen deze maatregelen uiterlijk vier jaar nadat zij van kracht zijn geworden, opnieuw te evalueren.

Artikel 3 is geherformuleerd teneinde te voldoen aan de richtsnoeren voor het opstellen van wetgevingsteksten en de lidstaten de verplichting op te leggen de Commissie kennis te geven van de omzettingsbepalingen.

In de bijlage wordt het toepassingsgebied van het verbod verduidelijkt door het met betrekking tot DEHP, DBP en BBP uit te breiden tot alle speelgoed en kinderverzorgingsartikelen; wat DINP, DIDP en DNOP betreft, zal het verbod gelden voor speelgoed en kinderverzorgingsartikelen die bestemd zijn voor kinderen jonger dan drie jaar en die door hen in de mond gestopt kunnen worden. In beide gevallen is verduidelijkt dat de concentratiegrens van 0,1 % van de massa betrekking heeft op de massa van het week gemaakte materiaal, zodat deze grens bij voorwerpen die zowel week gemaakt materiaal als andere componenten bevatten, volledig van toepassing blijft op alleen het week gemaakte gedeelte.

IV.   CONCLUSIE

De Raad wenst met zijn gemeenschappelijk standpunt voortgang te maken in dezelfde richting als het Europees Parlement, namelijk een aanzienlijke uitbreiding van het toepassingsgebied van het verbod en vervanging van de kenmerking door een algeheel verbod. De Raad is van oordeel dat een en ander in grote mate zal bijdragen aan de instelling van een permanent verbod, dat voortdurend zou worden geëvalueerd. Deze evaluaties zullen tot een uitbreiding van het verbod leiden indien nieuwe wetenschappelijke kennis wordt ontwikkeld nadat het verbod van kracht is geworden.


(1)  PB C 116 E, van 26.4.2000, blz. 14.

(2)  PB C 117 van 26.4.2000, blz. 17.

(3)  PB C 121 van 24.4.2001, blz. 410.

(4)  Beschikking 1999/815/EG van de Commissie (PB L 315 van 9.12.1999, blz. 46).