|
ISSN 1725-2474 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 88E |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
47e jaargang |
|
NL |
|
I Mededelingen
EUROPEES PARLEMENT
SCHRIFTELIJKE VRAGEN MET ANTWOORD (Eerste deel)
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/1 |
(2004/C 88 E/0001)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2236/02
van Gabriele Stauner (PPE-DE) aan de Commissie
(23 juli 2002)
Betreft: Door de Commissie aan audit-firma's verleende opdrachten
In het antwoord van mevrouw Schreyer op de schriftelijke vragen E-0372/02, P-0443/02, E-0450/02 (1) wordt vermeld dat de Commissie in de jaren 1999 t/m 2001 opdrachten voor een totaalbedrag van 77 miljoen euro heeft verleend aan de particuliere audit-firma's KPMG, Group Andersen, Deloitte & Touche, Ernst & Young en Price Waterhouse Coopers.
|
1. |
Kan de Commissie mij een volledige en gedetailleerde lijst van deze opdrachten doen toekomen en voor iedere opdracht aangeven:
|
|
2. |
Kan de Commissie verklaren waarom opdrachten in deze orde van grootte worden verleend aan particuliere firma's, hoewel de Commissie over eigen audit-diensten beschikt en bovendien onderworpen is aan een intensieve controle door de Europese Rekenkamer? |
Aanvullend antwoord van mevrouw Schreyer namens de Commissie
(26 april 2004)
|
1. |
Het contractbeheer valt onder de verantwoordelijkheid van de lokale contractbeheerders van een directoraat-generaal (DG). Deze gedecentraliseerde aanpak is de meest efficiënte vorm van beheer gebleken, aangezien beheerders ter plaatse het best zijn geïnformeerd over de voorwaarden en de context voor de uitvoering van een contract. Iedere dienst moet ervoor zorgen dat de juiste aanbestedingsprocedures in acht worden genomen. De door het geachte parlementslid gevraagde gegevens zijn momenteel niet beschikbaar, gezien de grote hoeveelheid gegevens die wordt verlangd en de tijd die nodig is voor het analyseren van de dossiers. De Commissie heeft echter besloten tot de oprichting van een centrale gegevensbank over contracten en contractanten (het zogeheten „Interactive Contracts Network Database”, afgekort ICON-DB). De werkzaamheden hiervoor verlopen voorspoedig. Er zullen dus op termijn sneller dan tot nu toe gecentraliseerde en geconsolideerde gegevens, uitgesplitst naar dienst van de Commissie, beschikbaar zijn. Het geachte parlementslid is mogelijkerwijs ook op de hoogte van de schaarste aan personele middelen in de Commissie. |
|
2. |
Met de inschakeling van management consultants verzekert men zich van de diensten van zeer deskundige specialisten die waarschijnlijk al vergelijkbare taken in andere publieke of particuliere organisaties hebben uitgevoerd. Door hun vakkennis kunnen zij nieuwe en andere perspectieven openen die voor bepaalde dossiers nuttig en noodzakelijk zijn. Evenals vele andere internationale en nationale overheidsinstellingen wint de Commissie af en toe advies in bij particuliere accountants- en consultancykantoren. De door het geachte parlementslid beoogde contracten bestrijken evenwel een groot aantal consultancyactiviteiten waarvan de auditwerkzaamheden slechts een deel uitmaken. Wanneer op dergelijke kantoren een beroep is gedaan om specifieke projecten of programma's door te lichten, zoals bij onderzoek, is dit niet gebeurd ter vervanging van de externe auditwerkzaamheden van de Rekenkamer, maar met de bedoeling de ordonnateur zekerheid te bieden inzake de juistheid van de door de begunstigden geclaimde uitgaven. |
(1) PB C 229 E van 26.9.2002, blz. 82.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/2 |
(2004/C 88 E/0002)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0043/03
van Gian Gobbo (NI) aan de Commissie
(14 januari 2003)
Betreft: Invoering van een minimumaccijns op wijn
Naar verluidt heeft de Commissie een voorstel ingediend tot instelling vanaf 2003 van een minimumaccijns op wijn van EUR 0,14 per liter, met ingang van 2007 te verhogen tot EUR 0,15 per liter.
Deze accijns zou een nog zwaardere fiscale en administratieve belasting met zich meebrengen voor een van de meest geavanceerde sectoren en concurrentiebestendige sectoren van de Europese landbouw op wereldniveau.
In veel EU-landen — waaronder Italië — wordt hoegenaamd geen accijns geheven op wijn, en de instelling daarvan heeft dan ook niets te maken met de harmonisatie van het belastingstelsel, maar komt gewoon neer op de invoering van een nieuwe belasting tout court.
Is de Commissie ook niet van mening dat de invoering van een accijns op wijn een nadelig effect zou kunnen hebben voor de landbouwproducenten?
Acht zij het ook niet opportuun de Europese wijnbouwsector te ondersteunen en te bevorderen, aangezien de oorsprong daarvan teruggaat tot in het diepste verleden van onze beschaving en daarmee is geworteld in het culturele en godsdienstige erfgoed van ons werelddeel?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(30 januari 2003)
Richtlijn 92/84/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 heeft betrekking op de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken (1). De richtlijn bepaalt dat de Raad de in de richtlijn vastgestelde accijnstarieven periodiek opnieuw beziet. Dit dient te geschieden op basis van een verslag van de Commissie.
De Commissie bereidt thans een dergelijk verslag voor, waarin rekening zal worden gehouden met alle relevante aspecten, in het bijzonder de goede werking van de interne markt, de mededinging tussen de verschillende categorieën alcoholhoudende dranken, de reële waarde van de accijnstarieven en de doelstellingen van het EG-Verdrag in het algemeen, zoals bepaald in artikel 8 van genoemde richtlijn. Hieronder valt ook de situatie van de producenten en de andere door het geachte parlementslid genoemde elementen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/3 |
(2004/C 88 E/0003)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0052/03
van Hanja Maij-Weggen (PPE-DE) aan de Commissie
(22 januari 2003)
Betreft: Mensenrechtensituatie in Vietnam
Is de Commissie op de hoogte van de vervolging van personen op basis van religie in Vietnam zoals bijvoorbeeld de omsingeling van de historische boeddistische Quang Minh Tempel te Long Dien A en de vervolging van Montagnard Protestanten in september en november 2002 in Vietnam?
Weet de Commissie dat verschillende politieke dissidenten zijn vastgezet in 2002, zoals de heer Le Chi Quang vanwege het bewaren en uitwisselen van artikelen die democratische gedachten naar voren brengen, dr. Pham Hong Son, voor o.a. het vertalen van een tekst over democratie naar het Vietnamees, de heer Nguyen Khac Toan, vanwege betrokkenheid bij een staking en de heer Nguyen Vu Binh vanwege oprichting van een politieke partij?
Is de Commissie bereid druk uit te oefenen op de Vietnamese regering teneinde de mensenrechtensituatie te verbeteren en de vrijheid van religie in het bijzonder?
Antwoord van Chris Patten namens de Commissie
(18 februari 2003)
De Commissie volgt de mensenrechtensituatie in Vietnam, waaronder de zaken van de personen die door het geachte parlementslid worden genoemd, nauwlettend. Daarvoor werkt zij samen met de diplomatieke missies van de lidstaten in Vietnam.
Het Commissiebeleid ten aanzien van Vietnam bestaat erin voortdurende vooruitgang op het gebied van de mensenrechten en de democratisering aan te moedigen en te ondersteunen, en uiting te geven aan bezorgdheid over schendingen of als een bepaalde situatie verslechtert. Deze dialoog wordt, samen met de lidstaten, gevoerd in het kader van de periodieke bijeenkomsten van de „Groep Politiek en Mensenrechten”, de bijeenkomsten van de trojka met de regering van Vietnam, alsmede in het kader van ad-hoc missies en EU-verklaringen.
Het EU-voorzitterschap, de Commissie en de lidstaten hebben herhaaldelijk bij de regering van Vietnam aangedrongen op de versterking van de eerbiediging van de politieke en religieuze en de economische en sociale vrijheden, alsmede op het creëren van een juridisch kader dat bevorderlijk is voor de ontwikkeling van een versterkte burgermaatschappij, waarvan Vietnam groot voordeel zou ondervinden. De Commissie en de lidstaten hebben dit in december 2002 opnieuw tot uitdrukking gebracht in hun gezamenlijke verklaring naar aanleiding van de bijeenkomst van de overleggroep in Hanoi.
De Vietnamese grondwet waarborgt de vrijheid van religie. De Vietnamese regering heeft zes religies officieel erkend: één boeddhistische organisatie, de centrale boeddhistische kerk van Vietnam, de katholieke kerk, twee organisaties van de protestantse kerk, de islam, het boeddhisme van Hoa Hao en het Cao Daïsme. Het enige bericht over de Quan Minh Tu-tempel, waarnaar vaak is verwezen, lijkt niet te zijn bevestigd door andere bronnen.
Er zijn helaas regelmatig berichten over het systematisch lastig vallen van met name christenen in Vietnam (vooral Montagnard-protestanten en Hmong-christenen), en deze berichten zijn sinds de opstand in de Centrale Hooglanden in februari 2001 toegenomen. De toegang tot de Centrale Hooglanden blijft beperkt en berichten kunnen niet systematisch ter plaatse op hun echtheid worden gecontroleerd. In 2002 hadden wel twee lokale EU-trojkamissies plaats naar de Centrale Hooglanden, waaraan ook de Commissie deelnam. De laatste was in november 2002.
Na de laatste EU-trojkamissie naar de Centrale Hooglanden in november 2002 heeft de Commissie, in nauw overleg met de lidstaten, voorstellen gedaan ter verlichting van enkele van de diepere oorzaken van het conflict tussen regering en arme etnische minderheden in dit gebied. De regering van Vietnam gaat ermee akkoord dat een identificatiemissie van de Commissie in de komende maanden een bezoek brengt aan het gebied.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/4 |
(2004/C 88 E/0004)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0084/03
van Carlos Bautista Ojeda (Verts/ALE) aan de Commissie
(23 januari 2003)
Betreft: EU-beleid/Marokko
Andalusië is een van de regio's van de Europese Unie met de hoogste werkloosheid. Is de Commissie er zich van bewust dat alle onderhandelingen die zij in de afgelopen jaren met Marokko heeft gevoerd over de meest uiteenlopende thema's als landbouw, visvangst, diplomatieke betrekkingen, immigratie of drugshandel, op de een of andere manier rechtstreekse gevolgen hebben voor Andalusië, op economisch of sociaal vlak, of voor het imago van deze regio in de rest van de wereld?
Acht de Commissie het niet noodzakelijk dat de EU in deze concrete gevallen de bevoegde instanties en de Andalusische regering over de onderhandelingen raadpleegt, of tenminste van hun mening op de hoogte is?
Kent de Commissie de politieke situatie in Andalusië? Weet zij dat er in Spanje voortdurende onenigheid heerst tussen de regeringen van de autonome gewesten en de federale regering? Beseft de Commissie wel dat veel van haar beslissingen de politieke kloof tussen beide overheden nog meer verdiepen en nu al een rechtstreekse negatieve invloed hebben op de ontwikkeling en de economie van Andalusië?
Ziet de Commissie niet dat veel van haar beslissingen een negatieve uitwerking hebben op de ontwikkeling van een van de regio's met de hoogste werkloosheidscijfers in de EU?
Ik zou het op prijs stellen indien u zich bij de beantwoording van deze vragen niet beroept op het ontbreken van bevoegdheden van de Europese Unie op dit vlak of aanvoert dat het de lidstaten zijn die bevoegd zijn voor de betrekkingen met hun regio's. De zeven en een halve miljoen inwoners van Andalusië, van Europa, zijn het beu om als wisselgeld te worden gebruikt in de onderhandelingen over landbouw en visserij die de EU met Marokko voert.
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(26 februari 2003)
De Commissie betreurt dat bij het geachte parlementslid een verkeerde indruk is gewekt, en wenst hem het volgende in overweging te geven:
|
— |
De Commissie voert de onderhandelingen over visserij en landbouw met eender welk derde land op basis van een mandaat dat de lidstaten haar via de Raad hebben gegeven. De lidstaten worden regelmatig op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen in de onderhandelingen en worden verondersteld de uiteindelijke resultaten te onderschrijven. In alle onderhandelingen in het verleden of die thans worden gevoerd, werden en worden de belangen van Andalusië adequaat vertegenwoordigd door het Koninkrijk Spanje. |
|
— |
In het kader van de bevoegdheden die in de Verdragen zijn vastgelegd, is één van de belangrijkste prioriteiten van de Commissie de bescherming van de belangen van alle burgers van de Unie, zowel de producenten als de consumenten. |
|
— |
Aangezien de Unie op het vlak van handel, investeringen en hulp de belangrijkste partner van Marokko is, zijn er de laatste jaren meer mogelijkheden voor investeringen en handel ontstaan dankzij de associatieovereenkomst die in maart 2000 in werking is getreden. |
|
— |
De uitstekende betrekkingen van de Unie met Marokko bestrijken een veel breder terrein, zodat de Unie onder andere ook het migratiethema kan bespreken, en in het bijzonder illegale migratie, voor Andalusië een belangrijk onderwerp. |
|
— |
Door zijn economische situatie is Andalusië één van de belangrijkste begunstigden van de Structuurfondsen van de Unie, waaronder de Interregfondsen; aangezien het een regio met buitengrenzen van de Unie is. |
De Commissie hoopt dat deze argumenten de mensen van Andalusië ervan overtuigen dat de Unie ten volle rekening houdt met hun belangen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/5 |
(2004/C 88 E/0005)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0086/03
van Roger Helmer (PPE-DE) aan de Commissie
(28 januari 2003)
Betreft: Kindermoord in Honduras
Kan de Commissie mededelen welke maatregelen zij eventueel kan nemen tegen het doden van kinderen in Honduras? Volgens verontrustende berichten zijn in december 2002 namelijk 64 Hondurese kinderen en jongeren onder de 23 jaar vermoord.
Kan zij mededelen welke hulp zij heeft aangeboden of kan aanbieden en welke praktische maatregelen zij neemt of zal nemen om een einde te maken aan het lukraak vermoorden van kinderen en jongeren in het hele land, daar de Hondurese regering ondanks haar beloften blijkbaar niet in staat is de kinderen van het land te beschermen?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/5 |
(2004/C 88 E/0006)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0097/03
van Phillip Whitehead (PSE) aan de Commissie
(28 januari 2003)
Betreft: De rechten van straatkinderen in Honduras en Guatemala
Ondanks internationale veroordeling van alle kanten, blijft de situatie bestaan dat het leven van straatkinderen in Honduras en Guatemala voortdurend bedreigd wordt. Sinds januari 1998 zijn er tenminste 1 450 jongeren in Honduras vermoord. Alleen al in oktober 2002 waren het er 47. Naar vijftien moordzaken, waarbij politiefunctionarissen betrokken waren, is een onderzoek ingesteld door het speciale onderzoeksteam dat in september door de Hondurese minister voor Openbare Veiligheid was opgericht. Voorzover mij bekend, is het echter in geen van deze vijftien gevallen tot een veroordeling gekomen.
Kan de Commissie beschrijven welke steun de EU aan de autoriteiten van Honduras en Guatemala en aan andere civiele actoren verleent om hen te helpen bij de reïntegratie van deze kinderen in de samenleving? Wat is er gedaan om de autoriteiten te helpen bij het voor de rechter brengen van de personen die verantwoordelijk zijn voor het vermoorden en kwellen van straatkinderen? Overweegt de Commissie om de autoriteiten in deze landen met klem te wijzen op het belang van voorlichtingscampagnes om verdraagzaamheid te propageren binnen de samenleving?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Patten namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-0086/03 en E-0097/03
(20 februari 2003)
De wijdverspreide criminaliteit in Honduras blijft ondanks de inspanningen van de regering van dat land, die geen middel ongemoeid laat om deze criminaliteit te bestrijden, onrustbarend. Deze criminaliteit weerspiegelt de verregaande armoede en het gebrek aan kansen voor de jongere generaties. De kinderen en jongeren die worden omgebracht zijn veelal het slachtoffer van conflicten tussen gangs. Er zouden echter naar verluidt ook veiligheidsbeambten betrokken zijn bij een aantal moorden op kinderen en jongeren. Zij handelen overigens niet op instructies van de overheid en het doden van straatkinderen maakt geen deel uit van het overheidsbeleid.
De Commissie steunt de relevante onafhankelijke instanties in Honduras die onderzoeken instellen naar veiligheidsbeambten die betrokken zouden zijn bij het doden van kinderen en jongeren en steunt het beleid dat erop gericht is de armoede terug te dringen en jongeren minder kwetsbaar te maken door hen beter onderwijs, betere gezondheidszorg en meer werkgelegenheid te bieden.
De Commissie heeft de resultaten van het verslag van de bijzondere rapporteur Jahangir van de Verenigde Naties op de voet gevolgd en deelt de conclusies hoewel zij niet van oordeel is dat prioriteit moet worden verleend aan de invoering van een speciale ombudsman voor kinderen zoals wordt bepleit in het verslag van de Verenigde Naties. Als alternatief zouden aan de Hondurese commissaris voor de mensenrechten, die momenteel verantwoordelijk is voor menselijke hulpbronnen en opleiding met het oog op een grotere efficiency, meer bevoegdheden op dit gebied kunnen worden verleend. Het in het leven roepen van een bijzondere ombudsman zou een beperking betekenen van de bevoegdheden van de Hondurese commissaris voor de mensenrechten terwijl het juist in een jonge democratie als Honduras zoveel moeite heeft gekost om deze te verwezenlijken.
De Commissie tracht via een reeks programma's de armoede terug te dringen met name voor kwetsbare groepen door de regering te helpen bij de uitvoering van haar strategisch programma voor de armoedebestrijding (PRSP). Afgezien van een groot aantal programma's dat beoogt de sociale infrastructuur te verbeteren (medische centra, scholen, woningen, water en waterzuivering) en milieu, wordt nu in nauwe samenwerking met de Inter-American Bank of Development gewerkt aan een speciaal programma om het secundair onderwijs te hervormen waarmee een bedrag is gemoeid van 28 miljoen euro.
De Commissie is zich bewust van de situatie van verwaarloosde kinderen in Guatemala, alsmede de toenemende golf van geweld en intimidatie in dit land. Overeenkomstig de resolutie inzake de mensenrechten in Guatemala die het Parlement in april 2002 goedkeurde tracht de Commissie gebruik te maken van de verschillende instrumenten waarover zij de beschikking heeft om iets aan deze situatie te doen.
De Commissie en de lidstaten onderhouden regelmatig contact met de Guatemalteekse regering en vertegenwoordigers van de burgermaatschappij over het belang van het bevorderen van het welzijn van alle Guatemalteekse inwoners op basis van de volledige tenuitvoerlegging van de vredesovereenkomsten die in 1996 werden ondertekend. In dit kader dringt de Commissie er bij de plaatselijke overheidsinstanties voortdurend op aan om schendingen van de mensenrechten of aanvallen tegen mensenrechtenactivisten tegen te gaan en te onderzoeken.
De Commissie heeft steun verleend aan concrete samenwerkingsacties ten behoeve van kinderen en hun families in sectoren zoals gezondheid, onderwijs, drugsbestrijding en gender-bevordering. De Commissie heeft tevens positieve resultaten bereikt met een aantal specifieke initiatieven ter ondersteuning van jongeren en straatkinderen die werden uitgevoerd door plaatselijke niet-gouvernementele organisaties.
In het kader van de samenwerking die in het leven werd geroepen door de vredesakkoorden moedigt de Commissie bovendien de Guatemalteekse autoriteiten, de nationale politiemacht en de rechterlijke macht aan geen maatregelen te nemen die indruisen tegen de rechtsorde. Dit programma zal de komende paar maanden worden aangevuld door middel van een specifiek initiatief dat erop gericht is het gerechtelijk stelsel te versterken.
Tot slot staat Guatemala centraal in Latijns-Amerika in het kader van het EU-initiatief voor mensenrechten en democratie (EIHRD) voor de periode 2002-2004.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/6 |
(2004/C 88 E/0007)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0238/03
van Marjo Matikainen-Kallström (PPE-DE) aan de Commissie
(4 februari 2003)
Betreft: Vervolgvraag over de situatie betreffende de noordelijke dimensie op de begroting van de Europese Unie
In zijn antwoord op vraag E-3670/01 (1) stelt commissaris Patten het volgende: „De Commissie is in het algemeen tegen het creëren van kleine thematische of gespecialiseerde kleine begrotingslijnen, die een doeltreffend beheer van de communautaire begroting belemmeren.”
Op grond hiervan zou ik de Commissie inzake een aantal punten om opheldering willen vragen. De noordelijke dimensie is volgens de Commissie dus thematisch van aard? Moet op grond van deze interpretatie ook het MEDA-programma als thematisch worden beschouwd? Vormen de noordelijke dimensie en MEDA geen gemeenschappelijke programma's van de EU?
Wat bedoelt de Commissie met „een doeltreffend beheer van de communautaire begroting”? Komt misbruik niet juist voor bij omvangrijke begrotingslijnen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(3 maart 2003)
De Noordelijke Dimensie is een belangrijk politiek initiatief, dat op de volledige steun van de Commissie kan rekenen. Al bij de aanzet tot dit initiatief door de Europese Raad van Feira (juni 2000) was het duidelijk dat de Noordelijke Dimensie zou worden gebaseerd op politieke dialoog en coördinatie van de communautaire instrumenten. De Noordelijke Dimensie kan dus niet worden vergeleken met andere, volledig verschillende kaders voor communautaire actie zoals het MEDA-programma.
De invoering van een begrotingslijn voor de Noordelijke Dimensie is niet in overeenstemming met de fundamentele kenmerken van het initiatief, dat gefinancierd wordt en zal blijven vanuit de bestaande communautaire programma's. Dit basisbeginsel is opnieuw bevestigd door de ministeriële vergadering van de Noordelijke Dimensie op 21 oktober 2002, en door de Raad Algemene Zaken van 22 oktober 2002. In de „Richtsnoeren voor een nieuw actieplan voor de Noordelijke Dimensie”, die door de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten en van de zeven partnerlanden (Russische Federatie, Estland, Litouwen, Letland, Polen, Noorwegen en IJsland) en vervolgens door de Raad zijn goedgekeurd, wordt van dit financieringsmechanisme niet afgeweken.
Sinds 2000 hebben initiatieven van de Noordelijke Dimensie aanzienlijke financiering ontvangen uit de Tacis-actieprogramma's voor Rusland, uit de Phare, ISPA en Sapard programma's voor de kandidaatlanden en uit Interreg in de betrokken lidstaten. Zo wordt bijvoorbeeld de begrotingslijn voor grensoverschrijdende samenwerking (B7-521) in hoofdzaak in het gebied van de Noordelijke Dimensie gebruikt; de post voor de Baltische Zee (B7-5211) is volledig gericht op het gebied van de Noordelijke Dimensie. Daarenboven heeft de Commissie actief deelgenomen aan de oprichting van innoverende financieringsmechanismen zoals het Milieupartnerschap voor de Noordelijke Dimensie, waaraan zij de laatste drie jaar EUR 50 miljoen heeft bijgedragen.
Het recente jaarlijkse voortgangsrapport 2002 over de uitvoering van het actieplan voor de Noordelijke Dimensie (2) geeft een goed overzicht van de activiteiten die binnen de Noordelijke Dimensie worden uitgevoerd. De Commissie is ervan overtuigd dat deze aanzienlijke steun, op zoveel verschillende vlakken, niet door één begrotingslijn voor de Noordelijke Dimensie kan worden gewaarborgd.
(1) PB C 301 E van 5.12.2002, blz. 19.
(2) SEC(2002)1296.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/7 |
(2004/C 88 E/0008)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0258/03
van Bob van den Bos (ELDR) aan de Commissie
(5 februari 2003)
Betreft: Uitbreiding en ontwikkelingssamenwerking
De uitbreiding van de Europese Unie kan de positie van de EU op het wereldtoneel versterken. Van de kandidaatlanden wordt bij hun toetreding verwacht dat zij deelnemen aan de ontwikkelingssamenwerkingsacties van de EU. Volgens het beleidsdocument van de TRIALOG (Ontwikkelingssamenwerking in de context van de uitbreiding, tweede uitgave) van november 2002 hebben de kandidaatlanden geen officiële richtlijnen ontvangen ten aanzien van ontwikkelingssamenwerking. Dit betekent dat hun rol in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de EG niet nader wordt uitgewerkt. Daar komt nog bij dat de meeste kandidaatlanden weinig of geen ervaring hebben met ontwikkelingshulp. Sommige van deze landen hebben zelfs geen nationaal ontwikkelingsbeleid of -systeem.
|
1. |
Welke concrete actie heeft de Commissie ondernomen om de kandidaatlanden voor te bereiden op deelname aan het ontwikkelingsbeleid van de EU? Welke stappen denkt zij in de toekomst te ondernemen? |
|
2. |
Welke criteria worden door de Commissie gehanteerd om de vorderingen te meten die de kandidaatlanden maken met betrekking tot ontwikkelingsvraagstukken? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(7 maart 2003)
Bij de voorbereidingen op het lidmaatschap werden de kandidaat-lidstaten uitvoerig voorgelicht over de rechtsorde van de Unie, met inbegrip van de ontwikkelingssamenwerking van de Unie. Afgezien van de screening hebben de toetredende landen deelgenomen aan een aantal zowel bilaterale als multilaterale bijeenkomsten, waar elementen van de ontwikkelingssamenwerking van de Unie werden uiteengezet. De Commissie heeft met name in juli 2002 een studiebijeenkomst georganiseerd waarin de verschillende aspecten van de ontwikkelingssamenwerking van de Unie werden belicht en waar de kandidaat-lidstaten ervaringen en knowhow konden uitwisselen met de bestaande lidstaten.
De afgelopen maanden is de Commissie begonnen de praktische implicaties van de uitbreiding voor het beleid van de Unie op het gebied van ontwikkeling en samenwerking op een meer systematische wijze aan te pakken. Het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor ontwikkelingssamenwerking bracht in december 2002 een bezoek aan Praag om de bevolking in de toetredende landen meer bewust te maken van de ontwikkelingsaspecten van de uitbreiding terwijl hij in april 2003 gaat deelnemen aan een Ministeriële Conferentie in Berlijn. De Directeur-generaal voor Ontwikkelingssamenwerking woonde verschillende studiebijeenkomsten bij die plaatsvonden in de toetredende landen (Slovenië, Polen, Tsjechië) en tot doel hadden het ontwikkelingsbeleid van de Unie toe te lichten. In maart 2003 is een bezoek aan Kopenhagen gepland om deel te nemen aan een studiebijeenkomst over Ontwikkelingssamenwerking en de uitbreiding. De Commissie neemt actief deel aan workshops en studiebijeenkomsten die specifiek zijn gewijd aan ontwikkelingsvraagstukken (Bonn, Wenen).
De Directeuren-generaal van de Unie voor Ontwikkelingssamenwerking hebben dit punt bovenaan de agenda gezet van hun informele bijeenkomsten en in februari 2003 werd een bijeenkomst volledig aan de uitbreiding gewijd.
In de periode tussen de afronding van de toetredingsonderhandelingen en de datum van toetreding zal de Commissie er nog meer op toezien dat de wetgeving en praktijken van de toetredende landen op één lijn worden gebracht met de normen van de Unie. De inspanningen van de toetredende landen om zich voor te bereiden op deelneming aan de ontwikkelingssamenwerking van de Unie worden in deze context geëvalueerd. De kandidaat-lidstaten dienen er in dit verband voor te zorgen dat zij over de bestuurlijke capaciteit beschikken om te kunnen deel nemen aan het vormgeven van ontwikkelingssamenwerking en financieel kunnen bijdragen aan het Europees Ontwikkelingsfonds.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/8 |
(2004/C 88 E/0009)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0278/03
van Gianfranco Dell'Alba (NI) aan de Commissie
(7 februari 2003)
Betreft: Onregelmatigheden bij de verkiezingen in Cambodja
Beseft de Commissie dat er zich bij de opstelling van de kiezerslijsten, die op het ogenblik aan de gang is in Cambodja, ernstige tekortkomingen en onregelmatigheden voordoen die, als ze niet op tijd hersteld worden, een vertekend beeld van de wil van het Cambodjaanse volk bij de parlementsverkiezingen van 27 juli 2003 zullen geven? Het gaat meer in het bijzonder om:
|
— |
discriminerende maatregelen en praktijken op gemeentelijk niveau, die ongeveer 1,5 miljoen burgers (van de 6,8 miljoen stemgerechtigden) verhinderen om zich te laten inschrijven, zodat ze op de dag van de verkiezingen van hun stemrecht beroofd worden; |
|
— |
die discriminerende maatregelen en praktijken zijn o.a.: problemen voor boeddhistische monniken om zich te laten inschrijven — overdreven eisen voor de bewijsvoering van verblijf en/of staatsburgerschap, waar veel burgers niet aan kunnen voldoen — in veel dorpen beperking van de inschrijvingstermijn tot drie à vijf dagen — eindeloze formaliteiten, onverschilligheid of administratieve plagerijen van de kant van de plaatselijke overheden, zodat de inschrijvingen vertraagd of verhinderd worden — beperkingen op de informatie- en vormingsprogramma's voor de kiezers, die bedoeld zijn om ze ertoe aan te zetten om zich te laten inschrijven. |
De regerende communistische partij heeft bovendien de hele verkiezingsmachine in gang gezet zonder enige vorm van overleg met het maatschappelijk middenveld en de oppositie die in het parlement vertegenwoordigd is.
De Europese Unie speelt een doorslaggevende rol in de financiële en technische bijstand voor de organisatie van de verkiezingen, en dergelijke discriminerende maatregelen en praktijken zijn volgens de internationale democratische normen niet aanvaardbaar.
|
1. |
Welke initiatieven heeft de Commissie daarom genomen of denkt ze te nemen om te zorgen dat heel het verkiezingsproces regelmatig verloopt en een eerlijke uitslag te zien geeft? |
|
2. |
Welke maatregelen treft de Commissie om een strategie te verijdelen die erop gericht is om de uitslag van de komende verkiezingen al op voorhand vast te leggen? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(4 maart 2003)
De Commissie volgt de voorbereidingen van de verkiezingen in Cambodja, met inbegrip van de registratie van de kiezers, op de voet en heeft een aantal initiatieven genomen om dit proces te steunen.
Ten eerste levert de Commissie momenteel technische bijstand aan het Nationaal Verkiezingscomité (NEC) voor de informatie- en vormingsprogramma's voor de kiezers en de public relations en communicatie van het comité. Het doel van deze bijstand bestaat eruit het verkiezingsproces transparanter te maken en de kiezers beter te informeren. De deskundigen hebben het NEC belangrijke ondersteuning kunnen bieden, niet het minst op het gebied van opleiding, advies inzake nieuwe regelingen en perscommuniqués.
Ten tweede heeft de Commissie, na een uitnodiging van de Koninklijke Regering van Cambodja aan het adres van internationale organisaties om vertegenwoordigers als waarnemer van de komende parlementsverkiezingen van 27 juli 2003 te sturen, besloten om voor deze verkiezingen een oriënterende missie (OM) met een aantal verkiezingsdeskundigen te sturen. Deze missie heeft tot taak feitelijke informatie te verzamelen voor het besluit of, en hoe, het verkiezingsproces moeten worden ondersteund, en inzonderheid of een EU-verkiezingswaarnemingsmissie wenselijk, haalbaar en nuttig is. De oriënterende missie heeft plaatsgevonden van 27 januari 2003 tot 4 februari 2003 en heeft de hoofden van missies van de EU in Phnom Penh en vertegenwoordigers van de staatsinstellingen, de verkiezingsautoriteiten, de Constitutionele Raad, de politieke partijen, het maatschappelijke middenveld, de media, de bilaterale ambassades en de internationale organisaties ontmoet. In antwoord op de kwesties die in de parlementaire vraag worden aangekaart, wenst de Commissie sommige bevindingen van de missie nader toe te lichten.
De OM heeft vernomen dat ongeveer één tot anderhalf miljoen burgers zich door discriminerende maatregelen en praktijken op gemeentelijk niveau niet kunnen laten registreren. Het moet evenwel worden benadrukt dat de nieuwe kieswet strenge voorwaarden invoert om te voorkomen dat niet-kiesgerechtigden zich laten registreren. De regelingen vinden echter niet overal dezelfde toepassing in de praktijk, wat leidt tot geruchten over politieke vertekening. De OM heeft evenwel geen duidelijke bewijzen ontvangen van een patroon van georchestreerde en ruimverspreide politieke afwijzingen, ofschoon er in bepaalde gemeenten duidelijk tekortkomingen konden worden vastgesteld.
Om deze situatie te verhelpen en zoveel mogelijk kiezers in de lijsten op te nemen, heeft het NEC op 11 februari 2003 aangekondigd dat de termijn voor de kiezersregistratie met twee tot vijf dagen zou worden verlengd in die gemeenten waar het aantal geregistreerde kiezers te laag lijkt in vergelijking met het verwachte aantal kiezers. Tegen 11 februari 2003 waren 900 000 extra kiezers in de lijsten opgenomen. Prioriteit moet worden gegeven aan de juistheid van de lijsten, zodat alle kiesgerechtigden in de lijsten worden opgenomen. Het totale aantal kiezers is echter niet precies gekend, aangezien het geschatte aantal van 6,5 tot 6,8 miljoen kiesgerechtigden gebaseerd is op demografische projecties van de volkstelling van 1998.
Tegen de wettelijke regeling op basis waarvan het NEC is samengesteld, is ruim protest gerezen, aangezien het noch een orgaan is waarin verschillende partijen zijn vertegenwoordigd, noch een volledig onafhankelijk orgaan. De OM heeft echter vastgesteld dat het NEC op centraal niveau verreikende maatregelen neemt om de transparantie van en het vertrouwen in zijn werk te verhogen, door maandelijkse rondetafelgesprekken en door raadpleging van de politieke partijen, de niet-gouvernementele organisaties, de vertegenwoordigers van de media en de donors over ontwerpregelingen en de verkiezingsvoorbereidingen. Het NEC moet waarborgen dat iedereen die het verkiezingsproces mee in goede banen moet leiden, zijn of haar taak op doeltreffende en transparante wijze uitvoert. De delegatie van de Commissie in Cambodja en de lidstaten die in Phnom Penh zijn vertegenwoordigd, nemen actief deel aan de raadplegingen van het NEC om te waarborgen dat de verkiezingen zo eerlijk en transparant mogelijk verlopen.
Thans wordt overwogen of na de oriënterende missie een EU-verkiezingswaarnemingsmissie zal worden gestuurd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/10 |
(2004/C 88 E/0010)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0325/03
van Marco Pannella (NI) aan de Commissie
(5 februari 2003)
Betreft: Steeds meer gevallen van schending van de mensenrechten van de bergvolkeren in Vietnam
Op 18 december heeft Amnesty International een verslag gepubliceerd met de titel „Socialist Republic of VietNam/Kingdom of Cambodia: No sanctuary: The plight of the Montagnard minority” en op 23 januari 2003 publiceerde „Human Rights Watch” haar Briefing Paper „New Assault on Rights in Vietnam's Central Highlands — Crackdown on Indigenous Montagnards Intensifies”.
De laatste weken zijn zonder bekende redenen de volgende personen gearresteerd:
|
— |
op 21 december Y-Cun Hdok, geboren in 1966 en H'Lem Nie, geboren in 1968 en op 23 december Y-Dhiam Buon Krong en Y-Nol Adrong, uit het dorp Buon Cue; |
|
— |
op 24 december Y-Blon Hdok, geboren in 1964, uit Buon Kla en Y-Trao Buon Ya, geboren in 1969, uit het dorp Buon Buor; |
|
— |
op 11 januari Rac en Hom, uit het dorp Plei Klan; |
|
— |
op 12 januari Hing a Plei Ko en Hnit, uit het dorp Plei Mor; |
|
— |
op 24 januari Y-Groh Adrong, geboren in 1960 en op 26 januari Y-Dham Buon Ya, geboren in 1960 uit het dorp Buon Hdok. |
Vietnam geeft geen gehoor aan de verzoeken van het VN-Mensenrechtencomité van 27 juli 2002.
|
— |
Op eerdere vragen waarin specifieke feiten aan de kaak werden gesteld heeft de Commissie altijd geantwoord dat zij nooit betrouwbare informatie heeft ontvangen op grond waarvan zij langs alle beschikbare kanalen een nader onderzoek zou kunnen instellen. |
|
— |
In haar antwoord op vraag E-2845/02 (1) schreef zij dat „de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen” ten grondslag ligt aan de in 1995 door de EU en Vietnam ondertekende samenwerkingsovereenkomst. |
Heeft de Commissie „langs alle beschikbare kanalen” informatie over de gelaakte feiten ingewonnen bij de Vietnamese regeringsinstanties waarmee zij voortdurend in contact staat uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst, of is zij voornemens dit te doen?
Is de Commissie gezien het feit dat de samenwerkingsovereenkomst niet is opgezegd, van mening dat Vietnam de mensenrechten en de democratische beginselen eerbiedigt? Welke feiten zouden haar ertoe bewegen om de samenwerkingsovereenkomst op te zeggen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(26 februari 2003)
De verwijzing naar de eerbiediging van de mensenrechten en democratische beginselen in artikel 1 van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Vietnam maakt het voor de Commissie mogelijk om met de regering van Vietnam een mensenrechtendialoog te voeren. Het Commissiebeleid ten aanzien van Vietnam bestaat eruit voortdurende vooruitgang op het gebied van de mensenrechten en de democratisering aan te moedigen en te ondersteunen, en uiting te geven aan bezorgdheid over misbruiken of als een situatie verslechtert. De Commissie werkt nauw samen met de lidstaten in het kader van de periodieke vergaderingen van de „Groep Politiek en Mensenrechten” van de Unie en neemt deel aan de bijeenkomsten van de trojka met de Vietnamese regering, aan ad-hoc missies en aan gezamenlijke EU-verklaringen. In deze context kunnen concrete zorgwekkende gevallen worden aangekaart.
De Commissie en de lidstaten hebben herhaaldelijk bij de regering van Vietnam aangedrongen op meer eerbied voor de politieke en religieuze vrijheden en verdere versterking van de economische en sociale vrijheden. Dit verzoek hebben zij recentelijk opnieuw tot uitdrukking gebracht in hun gezamenlijke verklaring naar aanleiding van de bijeenkomst van de overleggroep in Hanoi in december 2002.
De Vietnamese grondwet waarborgt de vrijheid van religie. De Vietnamese regering heeft zes religies officieel erkend: één boeddhistische organisatie, de centrale boeddhistische kerk van Vietnam, de katholieke kerk, twee organisaties van de protestantse kerk, de islam, het boeddhisme van Hoa Hoa en het Cao Daïsme. Artikel 70 van de Vietnamese grondwet bepaalt echter tevens, dat het „verboden is de vrijheid van religie te schenden of van die vrijheid gebruik van te maken om te handelen tegen de wet of het beleid van de staat”. Aangezien de regering van Vietnam religieuze bewegingen nog altijd als een potentiële haard van verzet en verdeeldheid beschouwt, beroept zij zich vaak op deze bepaling ter rechtvaardiging van de vele controles, beperkingen, verboden en sancties die deze vrijheid beperken.
Er zijn regelmatig berichten over het systematisch lastig vallen van christenen in Vietnam (vooral Montagnard- en Hmong-christenen) en deze berichten zijn sinds de opstand in de Centrale Hooglanden in februari 2001 toegenomen. Volgens verschillende berichten dwingt de politie regelmatig hooglanders hun christelijk geloof af te zweren en vallen er soms klappen of zelfs doden tijdens aanhoudingen, wat de autoriteiten ten stelligste ontkennen.
De toegang tot de Centrale Hooglanden blijft beperkt en berichten kunnen niet systematisch ter plaatse op hun echtheid worden gecontroleerd. In 2002 hebben wel twee lokale EU-trojkamissies naar de Centrale Hooglanden plaatsgevonden, waaraan ook de Commissie heeft deelgenomen. Na de laatste trojkamissie naar de Centrale Hooglanden in november 2002 heeft de Commissie, in nauw overleg met de lidstaten, de regering van Vietnam in het kader van het samenwerkingsprogramma steun aangeboden voor mogelijke activiteiten, waarbij onder andere etnische minderheden worden betrokken, om de armoede in de Centrale Hooglanden te bestrijden en zodoende enkele van de diepere oorzaken van de problemen in dit gebied aan te pakken. Eind januari 2003 heeft de regering van Vietnam ermee ingestemd dat een oriënterende missie van de Commissie het gebied tijdens de komende weken bezoekt.
De Commissie en de lidstaten zullen de situatie op het gebied van de mensenrechten in Vietnam nauwgezet blijven volgen. Te gelegener tijd zal een besluit over gepaste actie worden genomen.
(1) PB C 192 E van 14.8.2003, blz. 81.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/11 |
(2004/C 88 E/0011)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0356/03
van Bill Newton Dunn (ELDR) en Baroness Sarah Ludford (ELDR) aan de Commissie
(12 februari 2003)
Betreft: Schendingen van de rechten van de mens in Honduras
De Commissie zal wel op de hoogte zijn van de aanhoudende schendingen van de rechten van de mens in Honduras, meer bepaald het groot aantal moorden op straatkinderen.
|
1. |
Heeft de Commissie daar al tegen geprotesteerd bij de regering van Honduras? |
|
2. |
Heeft ze andere plannen om de schrikwekkende toestand te proberen te verbeteren? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(28 februari 2003)
De Commissie verwijst de geachte parlementsleden naar haar gemeenschappelijk antwoord op vragen E-0086/03 van Roger Helmer en E-0097/03 van Philip Whitehead over hetzelfde onderwerp (1).
(1) Zie blz. 5.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/12 |
(2004/C 88 E/0012)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0434/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(18 februari 2003)
Betreft: Sterilisatie van jonge vrouwen uit de Roma-bevolkingsgroep in Slowakije op grond van misleiding of zonder toestemming van de betrokkene
|
1. |
Is de Commissie bekend met de getuigenissen van de Slowaakse vrouwen Magda Kandráèová en Sonja Pokutová in het Nederlandse TV-programma Netwerk (TV 1, 4.2.2003, www.netwerk.tv) volgens welke bij jonge moeders uit de Roma-bevolkingsgroep na een complicatie bij het krijgen van een kind de baarmoeder wordt verwijderd of sterilisatie plaatsvindt, en dat dit gebeurt buiten hun medeweten of nadat zij tijdens de bevalling zijn overvallen door een snelle mededeling over de medische noodzaak van een ingreep die leidt tot het afdwingen van ondoordachte toestemming? |
|
2. |
Berusten de mededelingen van de directeur van het ziekenhuis in Spišska Nová Ves, volgens welke het de Roma-vrouwen zijn die wensen dat zij in het ziekenhuis worden gescheiden van andere Slowaakse vrouwen en dat de Slowaakse wet toestaat dat onmiddellijk na een tweede keizersnede de baarmoeder wordt verwijderd omdat dit goed zou zijn voor de betrokken vrouwen, op waarheid? |
|
3. |
Kent de Commissie de berichten, bevestigd door de mensenrechtenorganisatie Poradna, dat uit interviews met 230 Roma-vrouwen bleek dat 140 van hen op deze wijze waren misleid en dat dergelijke ongevraagde ingrepen in het bijzonder plaatsvinden bij jonge vrouwen die hun eerste of tweede kind hebben gekregen, en dat derhalve mag worden verondersteld dat het vooral gaat om een maatregel die de omvang van een door veel andere ingezetenen niet geliefde bevolkingsgroep zo klein mogelijk moet houden? |
|
4. |
Is hier sprake van voortzetting van praktijken die zijn ontwikkeld tijdens de dictatoriale perioden 1938-1945 en 1948-1989, welke ook zonder wettelijke ondersteuning nog voortleven in het bewustzijn van medici? |
|
5. |
Wat onderneemt de Commissie om te bevorderen dat de Slowaakse justitie schuldigen aan overtreding van de wet vervolgt, dat in Slowakije eventueel noodzakelijke wetswijzigingen plaatsvinden, dat gedwongen sterilisaties op de kortst mogelijke termijn worden beëindigd en dat dergelijke praktijken na toetreding van Slowakije tot de EU nooit meer zullen plaatsvinden? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(13 maart 2003)
De Commissie is bekend met de beschuldigingen dat Roma-vrouwen zonder hun toestemming of met afgedwongen toestemming zouden zijn gesteriliseerd door artsen in Oost-Slowakije. Die beschuldigingen zijn recentelijk gepubliceerd in een verslag van het Center for Reproductive Rights, een in New York gevestigde niet-gouvernementele organisatie, en later in andere media overgenomen. Het verslag stelt ook andere mensenrechtenschendingen aan de orde, zoals discriminatie bij de toegang tot gezondheidszorg en medische behandeling.
Gedwongen of niet-vrijwillige sterilisatie van vrouwen is strafbaar volgens de Slowaakse wet.
Het lid van de Commissie dat met de uitbreiding is belast, heeft over deze kwestie onmiddellijk een brief geschreven aan de Slowaakse premier Dzurinda, en daarbij onderstreept dat de aantijgingen zeer zorgwekkend zijn, en indien zij op waarheid zouden blijken te berusten, een ernstige schending van de mensenrechten zouden inhouden. Het Commissielid heeft de Slowaakse autoriteiten verzocht grondig onderzoek te verrichten, mogelijk discriminerende maatregelen te wijzigen en de Commissie over de voortgang op de hoogte te houden.
De Commissie is medegedeeld dat de Slowaakse vice-premier Csáky de bevoegde autoriteiten heeft gelast het noodzakelijke onderzoek te verrichten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/13 |
(2004/C 88 E/0013)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0569/03
van Freddy Blak (GUE/NGL) aan de Commissie
(28 februari 2003)
Betreft: Restitutie van registratiekosten bij uitvoer uit Denemarken
De Deense staat voerde in 2002 en regeling in voor de restitutie van registratiekosten van motorvoertuigen bij uitvoer.
In de desbetreffende bekendmaking van wet, nr. 977 van 2 december 2002, „Bekendmaking van de wet inzake de registratiekosten van motorvoertuigen e.d.”, staat in paragraaf 7b, lid 3 vermeld dat „van de registratiebedragen die overeenkomstig lid 2 zijn vastgesteld 15 procent van het bedrag wordt afgetrokken”.
In dezelfde bekendmaking staat echter in paragraaf 1 dat „er registratiekosten worden geheven voor motorvoertuigen die op grond van de wegenverkeerswetgeving moeten worden geregistreerd (…)”.
Dit betekent in de praktijk dat men bij de uitvoer van motorvoertuigen 8 5 procent van de registratiekosten gerestitueerd krijgt, terwijl bij een eventuele wederinvoer de volledige registratiekosten worden geheven, zodat er een verschil van 15 procent ontstaat.
Kan de Commissie mededelen of dit op een douaneheffing gelijkende systeem in overeenstemming is met de bepalingen inzake het vrije verkeer van goederen over de grenzen in de EU (bijvoorbeeld de artikelen 23 en 25 van het EG-verdrag)?
Aanvullend antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(6 augustus 2003)
In het kader van de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Parlement „Belasting van personenauto's in de Europese Unie — opties voor maatregelen op nationaal niveau en op het niveau van de Gemeenschap” van 9 september 2002 (1) drong de Commissie er bij de lidstaten op aan een systeem in te voeren waarbij de registratiebelasting terugbetaald wordt wanneer een tweedehands auto wordt verkocht in een andere lidstaat of uitgevoerd naar een derde land. In ditzelfde document werd ook voorgesteld dat het terug te betalen bedrag aan residuele registratiebelasting op dezelfde manier berekend moest worden als bij de invoer van tweedehands auto's uit andere lidstaten.
In juli 2002 voerde Denemarken wetgeving in met betrekking tot een terugbetaling systeem voor de registratiebelasting op voertuigen die het Deense grondgebied verlaten. In dit systeem wordt de terug te betalen registratiebelasting op precies dezelfde manier berekend als wanneer een auto voor de eerste keer in Denemarken wordt geregistreerd. In dit verband wordt de belasting op nieuwe voertuigen vastgesteld op basis van de detailhandelsprijs, met inbegrip van accijns, BTW en winstmarge, maar met uitzondering van de belasting zelf. Tweedehands voertuigen worden op dezelfde manier behandeld, waarbij de detailhandels-prijs geschat wordt door middel van een waardebepalingsprocedure waarbij de voertuigen vergeleken worden met gelijkaardige voertuigen op de Deense markt.
Wanneer een geregistreerd voertuig het Deense grondgebied verlaat, wordt 85 % van de aldus berekende registratiebelasting terugbetaald aan degene die de auto uitvoert. De vermindering van 15 % wordt toegepast om geen terugbetaling te verlenen op de handelswinst, die opgenomen geacht wordt te zijn in de prijs van het voertuigen inclusief belasting.
In zijn vraag wijst het geachte parlementslid erop dat de registratiebelasting van 85 %, die terugbetaald wordt wanneer een voertuig uit Denemarken uitgevoerd wordt, weer opgelegd wordt, zonder vermindering, als datzelfde voertuig weer ingevoerd (en opnieuw geregistreerd) zou worden op Deens grondgebied.
Wanneer een voertuig opnieuw ingevoerd wordt in Denemarken, wordt de registratiebelasting berekend aan de hand van een belastinggrondslag die voornamelijk afhangt van de waarde van de auto op het moment van herinvoer. In dit verband dient opgemerkt te worden dat in de praktijk het op het moment van herinvoer verschuldigde belastingbedrag niet gelijk zal zijn aan het bedrag dat betaald werd toen het voertuig voor de eerste maal in Denemarken geregistreerd werd, als gevolg van de waardedaling van het voertuig.
Het verschil tussen de aanvankelijk op het moment van uitvoer terugbetaalde belasting en de op het moment van herinvoer belasting zal daarom geen 15 % bedragen, aangezien het percentage op basis van een ander bedrag berekend wordt.
Dit gezegd zijnde, moet erop gewezen worden dat de registratiebelasting een binnenlandse belasting is en als zodanig niet valt onder de bepalingen van het EG-Verdrag inzake douanerechten en heffingen van gelijke werking (artikel 23 tot 25), maar onder de bepalingen inzake belastingen (artikel 90 tot 93).
Overeenkomstig artikel 91 van het EG-Verdrag is Denemarken niet verplicht binnenlandse belastingen op uitgevoerde goederen terug te betalen. Er staat alleen dat lidstaten niet meer mogen terugbetalen dan oorspronkelijk betaald werd.
Aangezien het Deense terugbetaling systeem pas recent in werking is getreden, moet in de toekomst nader bekeken worden hoe het in de praktijk toegepast wordt.
Naast de eerdergenoemde Mededeling is de Commissie van plan algemene regels voor te stellen met betrekking tot de berekening van de registratiebelasting op uit andere lidstaten ingevoerde tweedehands auto's. In een dergelijk voorstel zou uiteraard ook rekening gehouden worden met de regels voor terugbetalingsystemen in geval van uitvoer.
(1) COM(2002)431 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/14 |
(2004/C 88 E/0014)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0609/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(3 maart 2003)
Betreft: EU/Oost-Timor 1999-2003: ontwikkelingssamenwerking, mensenrechten, bijstand e.a.
Kan de Commissie met betrekking tot Oost-Timor en voor de jaren 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 mededelen:
|
— |
Welke programma's de Europese Unie in dit land ten uitvoer heeft gelegd of nog uitvoert? |
|
— |
Hoeveel kredieten hiervoor zijn uitgetrokken? |
|
— |
Hoe lang elk van deze programma's duurt? Welke resultaten met deze programma's zijn geboekt en welke evaluatie van het al dan niet slagen ervan is gemaakt? |
|
— |
Welke feiten zijn voor ieder programma vermeldenswaardig? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(12 mei 2003)
Voor de periode in kwestie heeft de Commissie vastleggingen gedaan of gepland voor de volgende programma's en activiteiten in Oost-Timor:
|
— |
1999-2002 (vastleggingen): Humanitaire hulp: 42,5 miljoen euro voor huisvesting, rehabilitatie, repatriëring en bescherming, water- en sanitaire voorzieningen en gezondheidszorg. De uitvoering geschiedt onder auspiciën van de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen (UNHCR), het Wereldvoedselprogramma (WVP), de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), het Kinderfonds van de Verenigde Naties (Unicef) en internationale niet-gouvernementele organisaties (NGO's). VN-overgangsbestuur voor Oost-Timor (UNTAET): 10 miljoen euro voor lopende uitgaven, voorzieningen ten behoeve van de overheidsdienst en capaciteitsopbouw van de nieuwe administratie. Trustfonds voor Oost-Timor (TFET): 56 miljoen euro voor economische en sociale wederopbouw via de Wereldbank en het speciaal daarvoor opgerichte fonds van de Aziatische Ontwikkelingsbank. Voedselhulp: 8,5 miljoen euro, gefinancierd in het kader van het Wereldvoedselprogramma. Steun voor het referendum van 1999 en de verkiezingen van 2001 en 2002: 1,5 miljoen euro, waarvan 1 miljoen euro ten behoeve van programma's voor de voorlichting van kiezers en burgers en 0,5 miljoen euro om de kosten te dekken van de verkiezingswaarnemingsmissies van de Unie. Details over de voornaamste bevindingen van de waarnemingsmissies zijn te vinden op de Europa-website: http://europa.eu.int/comm/external_relations/human_rights/eu_election_ass_observ/index.htm Programma voor de gezondheidszorg: 16,5 miljoen euro (2002). Project voor rehabilitatie en ontwikkeling van de gezondheidszorg, gefinancierd via de Wereldbank. Infrastructuur, farmaceutische producten en opleiding van gezondheidswerkers. De looptijd is 36 maanden. Capaciteitsopbouw in het kader van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP): 2,5 miljoen euro (2002). Medefinanciering van 17 posten binnen de overheidsadministratie, voornamelijk op de ministeries van Landbouw, Interne Administratie en Volksgezondheid. NGO-projecten: na een oproep tot het indienen van voorstellen in 2001 heeft de Gemeenschap in het kader van het Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR) een bedrag van 1,44 miljoen euro uitgetrokken voor twee NGO-projecten. Het ene project, met CARE-Oostenrijk, heeft betrekking op kinderrechten en -welzijn, het andere, met Avocats Sans Frontières, op conflictpreventie door steun voor de totstandbrenging van de rechtsstaat via het rechtsstelsel. |
|
— |
2003 (nog niet vastgelegd): De Commissie onderzoekt momenteel welke mogelijkheden er zijn om de toewijzing aan Oost-Timor vast te leggen van de middelen voor 2003, die door de begrotingsautoriteit zijn verhoogd tot 25,5 miljoen euro. Waarschijnlijk zullen deze middelen worden vastgelegd voor plattelandsontwikkeling via multilaterale agentschappen. |
|
— |
Algemeen: De activiteiten in het kader van humanitaire hulp en voedselhulp zijn afgerond, al lopen de activiteiten onder auspiciën van de UNHCR, waarvoor een afzonderlijk bedrag was uitgetrokken van 6,0 miljoen euro voor Oost-Timorese vluchtelingen in West-Timor, nog tot midden 2003. De Gemeenschap verleent nog steeds rehabilitatie- en consolidatiesteun aan het UNTAET en het TFET, zoals ook in het kader van het UNDP in 2002 steun werd verleend bij de capaciteitsopbouw, een programma met een looptijd van één jaar. De bijstand voor het langetermijnproject voor de gezondheidszorg loopt waarschijnlijk nog tot 2006. In 2001 werd de humanitaire hulp van de Gemeenschap aan Oost-Timor geëvalueerd. De conclusies waren positief over effectiviteit, efficiëntie, samenwerking en effect van deze hulp. De rest van de communautaire bijstand is in het kader van het TFET verleend. Deze bijstand is verleend op basis van de door de Wereldbank en de Aziatische Ontwikkelingsbank opgestelde rapporten, en gepresenteerd op de bijeenkomsten van de donorraad van het trustfonds voor Oost-Timor. De donors beschouwen de conclusies van deze rapporten over het algemeen als zeer positief en op basis van de rapporten zijn voor het trustfonds verdere middelen vastgelegd. Volgens de Commissie is het effect van haar bijstand aan Oost-Timor sinds 1999 zeer positief. Deze bijstand is verleend op basis van een systematische en logische aanpak en omvat vier soorten maatregelen: (a) humanitaire noodhulp, (b) steun voor de middellange termijn voor administratieve capaciteitsopbouw en rehabilitatie, (c) steun voor het democratische proces, en (d) ontwikkelingshulp voor de langere termijn. Deze maatregelen zijn onderling verbonden, doordat bijvoorbeeld humanitaire hulp in de gezondheidszorg heeft geleid tot de ontwikkeling van een langetermijnbeleid en financiering in die sector van ontwikkelingssamenwerking met communautaire middelen. Capaciteitsopbouw van het ministerie van Landbouw in het kader van het UNDP-project biedt in die sector eveneens het administratieve kader voor toekomstige communautaire steunmaatregelen en steunmaatregelen van andere donors voor de langere termijn. De communautaire bijstand heeft Oost-Timor geholpen op de weg naar zijn recent verworven onafhankelijkheid en bij de voorbereidingen op langetermijnontwikkeling. De communautaire bijstand is in die zin te beschouwen als een groot succes. Een overzicht van de communautaire bijstand aan Oost-Timor is te vinden op de Europa-website: http://europa.eu.int/comm/external_relations/east_timor/index.htm. Na de oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten in 2001 zijn voor Oost-Timor twee NGO-projecten geselecteerd, waarvan de details rechtstreeks worden toegezonden aan het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/16 |
(2004/C 88 E/0015)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0824/03
van Paul Rübig (PPE-DE) aan de Commissie
(18 maart 2003)
Betreft: Beperking op de overdracht van waardepapieren in Tsjechië
Bij het Zuid-Boheemse Energieverzorgingsbedrijf JEP oefenen de beleggers weliswaar voor een belangrijk deel van hun participatie alle aandeelhoudersrechten uit, maar zijn de aandelen eigendom van de gemeenten van Zuid-Bohemen. De reden daarvoor is dat de aandelen volgens de statuten van de JEP slechts beperkt overdraagbaar zijn (slechts tussen gemeenten en staatsfondsen). Beleggers kunnen slechts de rechten op verwerving van de aandelen, recht op dividend e.d. verwerven. Verzoeken van de algemene vergadering van aandeelhouders tot wijziging van de statuten met het oog op de opheffing van deze overdrachtbeperking werden door de Tsjechische staat (na de privatisering van RWE) steeds verworpen. Bij vrijwel alle andere Tsjechische aardgas- en elektriciteitsbedrijven (bij de elektriciteitsbedrijven was eveneens sprake van „gemeenteaandelen”) werden soortgelijke verzoeken door de staat ingewilligd.
De eigenaren van de aandelen van JEP (de gemeenten) zijn door de verkoopbeperkingen niet in staat om vrijelijk over hun aandelen te beschikken. Gaat het hierbij niet om een discriminatie van de aandeelhouders, die zodoende in tegenspraak is met de EU-normen?
Is deze nadelige positie van veel beleggers met de bepalingen inzake investeringsbescherming van het Europees Energiehandvest, dat ook door Tsjechië geratificeerd werd, alsmede met de geest van de liberalisatie van de energiemarkt, die onder meer de gelijke behandeling van de marktdeelnemers voorschrijft, verenigbaar?
Gelet op de dominante positie van RWE in de Tsjechische aardgasindustrie lijkt deze situatie contraproductief. Hoe beoordeelt de Commissie deze situatie op de voor Europa belangrijke Tsjechische aardgasmarkt?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(6 mei 2003)
In de situatie die het geachte parlementslid in zijn vraag beschrijft, is geen sprake van discriminatie op basis van nationaliteit van de aandeelhouders van het Zuid-Boheemse energiebedrijf JihoEeska Plynárenská (JCP). Blijkbaar behoren twee Duitse ondernemingen, RWE en EON, tot de grote aandeelhouders van JCP. Ook Tsjechische gemeenten blijken tot de grote aandeelhouders van deze onderneming te behoren en een controlerend aandeel (34 %) te bezitten. Blijkbaar zijn de JCP-aandelen van de gemeenten, in tegenstelling tot de JCP-aandelen van de andere investeerders, niet wettelijk verhandelbaar.
Aandelen die op een officiële effectenbeurs worden verhandeld, moeten krachtens de communautaire wetgeving vrij verhandelbaar zijn (artikel 46, lid 1, van Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd (1)). Krachtens lid 3 van dit artikel kan een goedkeuringsclausule evenwel worden toegestaan indien het gebruik daarvan geen verstoring van de markt kan meebrengen.
JCP is genoteerd op de Tsjechische effectenbeurs. Aangezien de aandelen van de Tsjechische gemeenten tot een andere categorie behoren en niet tot de officiële notering aan de Tsjechische effectenbeurs zijn toegelaten, is deze praktijk niet onverenigbaar met het communautaire recht. Alleen in het geval waarin aandelen zijn toegelaten waarvan de verkoopbeperkingen niet met een goedkeuringsclausule kunnen worden gelijkgesteld, moet een mogelijke inbreuk op de communautaire wetgeving worden onderzocht.
De Commissie heeft contact opgenomen met de Tsjechische autoriteiten om zich ervan te vergewissen dat het relevante acquis volledig wordt nageleefd.
Er moet op worden gewezen dat de Tsjechische Republiek in het kader van de toetredingsonderhandelingen tot eind 2004 een overgangsperiode voor de liberalisering van de gasmarkt heeft verkregen, en dat dit in het Toetredingsverdrag is vastgelegd.
De bepalingen van het Europees Verdrag inzake het Energiehandvest in verband met investeringen leggen alleen maar eisen op ten aanzien van investeerders van een andere verdragsluitende partij. Wat de bestaande investeringen betreft, geldt als vereiste dat aan dergelijke investeringen van investeerders van een andere verdragsluitende partij een behandeling moet worden toegekend die niet minder gunstig is dan die welke wordt toegekend aan de bestaande investeringen van investeerders van de betrokken verdragsluitende partij („nationale behandeling”). Voor het „verrichten van investeringen”, waarover het in casu lijkt te gaan, is er steeds het vereiste van „maximale inspanning” voor de toekenning van die „nationale behandeling”.
De opdracht voor de privatisering van de gassector is aan RWE toegekend na goedkeuring daarvan door de Tsjechische mededingingsautoriteit, die hiervoor verantwoordelijk is krachtens de huidige Europa-overeenkomst. Zoals gezegd in het periodiek verslag van 2002 (2), is de Commissie van oordeel dat het privatiseringsproces heeft bijgedragen tot de voorbereiding van de Tsjechische gassector op de concurrerende op de interne energiemarkt.
(2) COM(2002) 700 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/17 |
(2004/C 88 E/0016)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0904/03
van Jan Mulder (ELDR) aan de Commissie
(24 maart 2003)
Betreft: Gebruik van landbouwdiesel in grensstreken
Nederlandse landbouwers die hun land bewerken in Duitsland en zogenaamde rode diesel in de brandstoftank van hun landbouwvoertuigen hebben, krijgen te maken met boetes van de Duitse douane aangezien deze het gebruik van deze diesel met belastingvoordeel niet accepteren op het Duitse grondgebied.
Naar blijkt heeft een Duitse rechtbank over dit onderwerp prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie.
In antwoorden op vragen van leden van de Nederlandse Tweede Kamer (883, vergaderjaar 2002-2003) schrijft de staatssecretaris Van Eijck dat — nadat een bilaterale oplossing niet mogelijk is gebleken — de problematiek is besproken in het Accijnscomité en dat de Europese Commissie heeft toegezegd met een voorstel te zullen komen voor de oplossing van de uitvoeringsproblemen die zich in dit kader kunnen voordoen.
|
1. |
Wanneer kan een dergelijk voorstel worden verwacht? |
|
2. |
Deelt de Commissie de mening dat een landbouwer de speciale diesel die in de tank van een landbouwvoertuig aanwezig is bij binnenkomst in een andere lidstaat zonder problemen moet kunnen gebruiken? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(6 mei 2003)
|
1. |
De door het geachte parlementslid aan de orde gestelde kwestie wordt inderdaad momenteel in het Accijnscomité besproken. In zijn vergadering van 4 april 2003 konden alle lidstaten de volgende praktische oplossing aanvaarden, met uitzondering van Duitsland. De lidstaten die de normale accijns toepassen op brandstof die bijvoorbeeld door landbouwvoertuigen wordt gebruikt, moeten aanvaarden dat voertuigen uit een andere lidstaat op hun grondgebied brandstof kunnen gebruiken, die in die andere lidstaat tegen een verlaagd tarief of met vrijstelling van belasting wordt geleverd. De goedkeuring van de lidstaten heeft uitsluitend betrekking op de brandstof die de gemeenschappelijke merkstof bevat, en die zich al in het reservoir van het voertuig bevindt. Indien deze voertuigen moeten tanken in een lidstaat dat het normale tarief toepast, dan moeten zij brandstof tanken die tegen het normale tarief wordt belast. |
|
2. |
Het geachte parlementslid heeft gelijk; een Duitse rechtbank heeft de zaak doorverwezen naar het Europese Hof van Justitie voor een prejudiciële uitspraak (zaak 292/02). Het standpunt van de Commissie is in de hiervoor genoemde oplossing weergegeven en zij wacht nu de uitspraak af van het Europese Hof van Justitie. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/18 |
(2004/C 88 E/0017)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1139/03
van Joke Swiebel (PSE) aan de Commissie
(24 maart 2003)
Betreft: Vakantiegangers op doorreis in Bulgarije — afpersing
In de afgelopen jaren zijn Nederlandse ingezetenen op doorreis in Bulgarije naar Turkije tijdens de (zomer)vakantie met zeer grote regelmaat het slachtoffer geworden van afpersing en andere malafide praktijken door overheidsambtenaren. Op allerlei manieren worden bedragen afhandig gemaakt, onder andere onder het mom van boete, „tolgeld”, of „visum” aan de grens. Een dossier met verhalen, verzameld door de Nederlandse Stichting „Inspraakorgaan Turken in Nederland”, die deze praktijken bevestigen, zal aan u opgestuurd worden.
Onder het PHARE-programma 2002 heeft Bulgarije geld gekregen van de Unie om o.a. anti-corruptiemaatregelen te nemen en om beleid inzake douane en grenscontrole (verder) te ontwikkelen. Voor dit onderdeel is EUR 36 miljoen beschikbaar (1).
Over een aantal maanden is het weer zomervakantie en zullen vele mensen via Bulgarije en de Balkan naar Turkije willen reizen. Kan de Commissie mij op de hoogte stellen hoe de uitvoering van het PHARE-programma in Bulgarije verloopt, met name op het gebied van de bestrijding van corruptie door politieambtenaren en op het gebied van douane- en grenscontrolebeleid? Welke maatregelen heeft de Commissie genomen om het probleem van afpersing van vakantiegangers in Bulgarije onder de aandacht van de betrokken Bulgaarse instanties te brengen? En welke oplossing is gevonden om te voorkomen dat nog meer vakantiegangers in de toekomst slachtoffer worden van deze praktijken? Kan de Commissie bevestigen dat er juridische beschermingsmogelijkheden bestaan voor gedupeerde vakantiegangers? Zo niet, wat is de Commissie voornemens hieraan te doen?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(25 april 2003)
De in 1993 op de Europese Raad van Kopenhagen (21-22 juni 1993) overeengekomen criteria voor lidmaatschap omvatten het waarborgen van de rechtsstaat. De Commissie hecht dan ook groot belang aan de ontwikkeling van een effectieve en niet-discriminerende rechtshandhaving in Bulgarije, inclusief effectieve voorzieningen voor de behandeling van klachten over met corruptie verband houdende zaken. De Commissie kan geen onderzoek instellen naar individuele gevallen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, maar houdt wel toezicht op de eerbiediging door Bulgarije van zijn verbintenis tot handhaving van de rechtsstaat en brengt ook regelmatig verslag uit aan het Parlement en de lidstaten.
De Commissie stelt in het periodiek verslag 2002 (2) over Bulgarije uitdrukkelijk dat corruptie bij de politie wordt gezien als een probleem en dat gevallen van omkoping bij de verkeers- en grenspolitie ter sprake zijn gebracht door EU-burgers die gebruik maken van het Bulgaarse wegennet.
In aansluiting op het verzoek van de Commissie om verdere verbeteringen op de laatste bijeenkomst van het Associatiecomité EU-Bulgarije, zal over deze kwestie verder worden overlegd in het kader van de Europaovereenkomst. Tot de datum van toetreding zal voortdurend toezicht worden gehouden op de vooruitgang van Bulgarije op dit gebied.
Bulgarije is herhaaldelijk verzocht passende maatregelen te nemen om incidenten van het type dat in de klachten wordt genoemd te voorkomen en de Commissie op de hoogte te stellen van de resultaten van zijn acties. De Bulgaarse autoriteiten hebben hierop gereageerd door een aantal specifieke (preventieve en repressieve) maatregelen te nemen waarvan zij de Commissie in augustus 2002 in kennis hebben gesteld in een document met de titel: „Maatregelen van de Bulgaarse rechtshandhavingsinstanties voor een doeltreffender optreden tegen criminaliteit in het wegverkeer”. De Commissie blijft de situatie nauwlettend volgen, ook in het kader van de toetredingssteun (Phare) en via de toetredingsonderhandelingen.
Wat het Phare-programma 2002 betreft, zijn alle voorstellen voor projecten om een bijdrage te leveren aan de strijd tegen corruptie beschouwd als prioritair. Er zijn vier anticorruptieprojecten goedgekeurd, waarvan één exclusief de corruptie binnen de ordediensten behandelt. Aanvullende Phare-projecten worden momenteel uitgevoerd om de hervorming van de overheidsadministratie, de douaneadministratie en het gerechtelijk apparaat te ondersteunen. Al deze projecten worden in detail beschreven op (http://www.evropa.bg). Verdere projecten op de drie genoemde hervormingsgebieden zijn voorgesteld in het kader van het Phare-programma 2003, dat momenteel in beraad is bij de lidstaten.
(1) SEC(2002) 1400, blz. 13.
(2) COM(2002) 700 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/19 |
(2004/C 88 E/0018)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1142/03
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Bescherming van archeologische collecties in musea van Bagdad
Volgens berichten in de Griekse pers worden het Nationaal Archeologisch Museum van Irak en dat van Cairo als de twee belangrijkste archeologische musea van het Midden Oosten beschouwd. Het Nationaal Archeologisch Museum van Irak was na herstel van de schade als gevolg van de operatie „Desert Storm” van 1991, net twee jaar open geweest, toen het enkele dagen geleden wegens de dreiging van een nieuwe aanval alweer moest sluiten. In dat museum bevinden zich vondsten uit prehistorische tijd, met representatieve voorbeelden van de cultuur van de Sumeriërs, Akkadiërs, Babyloniërs, Assyriërs, Chaldeeërs enz
Toen de internationale gemeenschap getuige was van de vernietiging van cultuurschatten in Afghanistan, stelde ik de Commissie de vraag (P-0822/01) (1), hoe zij zou staan tegenover het idee om een speciaal EU-fonds in te stellen voor het opkopen van cultuurschatten die met vernietiging worden bedreigd, en of de EU de middelen heeft voor de bescherming van cultureel erfgoed in de wereld. Het antwoord luidde dat „In de communautaire begroting is geen ruimte voor de financiering van maatregelen die het cultureel erfgoed in de wereld moeten beschermen. Op dit moment is de Gemeenschap niet voornemens een speciaal fonds op te richten om culturele schatten die bedreigd worden met vernietiging aan te kopen.”
Hoe staat de Europese Commissie thans, nu er opnieuw vernietiging dreigt van cultuurschatten die tot het cultureel erfgoed van de wereld behoren, tegenover de oprichting van het eerder bedoelde fonds? Welke maatregelen denkt zij te nemen om de cultuurschatten van het Nationaal Archeologisch Museum van Irak te beschermen tegen vernietiging door de oorlog?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(6 mei 2003)
De Commissie maakt zich ernstig zorgen over het lijden van de Irakese bevolking ten gevolge van het conflict. Zij is ook bezorgd over de materiële schade aan infrastructuur en gebouwen, waaronder cultuurschatten. Na de plundering en vernietiging van een groot aantal archeologische schatten in de musea van Bagdad, Tikrit en Mossoel, hoopt de Commissie dat alle nodige maatregelen zullen worden genomen ter voorkoming van verdere vernietigingen.
Zoals de EU reeds heeft verklaard in de context van het conflict in Afghanistan, is zij niet voornemens een speciaal fonds op te richten voor de bescherming van cultuurschatten in derde landen tegen vernietiging. Slechts in het kader van de mogelijke EU-betrokkenheid bij de wederopbouw van Irak en in overeenstemming met de vastgestelde prioriteiten voor bijstandsverlening, kan na de evaluatie van behoeften en schade op dit gebied eventueel hulp worden verleend.
(1) PB C 261 E van 18.9.2001, blz. 202.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/20 |
(2004/C 88 E/0019)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1148/03
van Graham Watson (ELDR) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Seychellen
Herhaaldelijk wordt er kritiek geuit op het feit dat de uitvoerende macht en de regeringspartij het leven op de Seychellen in een wurggreep houden, de mensenrechten bedreigen, de oppositionele pers muilkorven en zich schuldig maken aan drugshandel en witwaspraktijken.
Welke maatregelen heeft de Commissie, gelet op de Overeenkomst van Cotonou en de door de EU geformuleerde doelstellingen op het gebied van mensenrechten en democratie, genomen om het democratiseringsproces en goed bestuur op de Seychellen te bevorderen?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/20 |
(2004/C 88 E/0020)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1150/03
van Graham Watson (ELDR) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Seychellen
Onlangs is Colin Thelermont na zijn ontsnapping uit de gevangenis wreed gemarteld en vervolgens geëxecuteerd. Een soortgelijk geval eindigde in januari 1999 met een standrechtelijke executie.
De Seychellen hebben zowel het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing als het Verdrag tegen de doodstraf (1.2.2002) geratificeerd. Welke maatregelen wil de Europese Unie tegen deze achtergrond nemen om ervoor te zorgen dat de autoriteiten van de Seychellen hun verantwoordelijkheden terzake onder ogen zien?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Nielson namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-1148/03 en E-1150/03
(6 mei 2003)
De betrekkingen van de Gemeenschap met landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen), zoals gedefinieerd in de Overeenkomst van Cotonou, zijn gebaseerd op de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.
De maatregelen om de democratisering en het bestuur op de Seychellen te verbeteren omvatten het verlenen van aanzienlijke steun voor de ontwikkeling en consolidering van niet-overheidsentiteiten door een programma voor de opbouw van de capaciteit van maatschappelijke organisaties (15 % van het 9e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), toegewezen in de vorm van fondsen die voor niet-overheidsactoren rechtstreeks toegankelijk zijn). Deze maatregel heeft tot doel de capaciteit van niet-overheidsactoren op te bouwen, teneinde deze in staat te stellen zich te ontwikkelen tot gewaardeerde en constructieve partners voor de ontwikkeling van de Seychellen.
De Commissie heeft bovendien de laatste jaren een aantal initiatieven genomen ter ondersteuning van het democratisch proces (bijvoorbeeld aanwezigheid van de delegatie bij verkiezingen, overleg met oppositieleiders in Brussel en ook op de Seychellen, enz).
Wat een eventueel optreden van de Unie in verband met de concrete beschuldigingen van foltering betreft, zal de Commissie contact opnemen met het lokale presidentschap op de Seychellen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/21 |
(2004/C 88 E/0021)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1282/03
van Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE) aan de Commissie
(4 april 2003)
Betreft: Rode diesel in landbouwvoertuigen
Nederlandse boeren en loonwerkers die zowel in Nederland als Duitsland agrarische werkzaamheden verrichten, ondervinden in Duitsland problemen indien zij rode diesel in de brandstoftank van hun landbouwvoertuigen hebben. De Duitse belastingdienst heeft hiervoor al meerdere malen aan Nederlandse loonwerkers een boete opgelegd.
Hoewel lidstaten in een aantal omschreven gevallen zelf kunnen besluiten of zij het gebruik van rode diesel toestaan, beoogt artikel 8 bis, lid 1 van Richtlijn 92/81/EEG (1) een dubbele belastingheffing te voorkomen. Dientengevolge mogen lidstaten geen accijns heffen over brandstof die in een andere lidstaat is getankt.
Deze problematiek is volgens mededeling van de Nederlandse staatssecretaris van Financiën besproken in het Accijnscomité van de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft toegezegd met een voorstel te komen voor de oplossing van genoemde problemen.
Kan de Commissie aangeven hoe ver het staat met de totstandkoming van het voorstel tot oplossing van genoemde problemen en wanneer zij denkt dit voorstel te kunnen presenteren?
Antwoord van de heer Bolkestein Namens de Commissie
(15 mei 2003)
Het geachte parlementslid wordt verwezen naar het antwoord van de Commissie op schriftelijke vraag E-0904/03 (2) van de heer J. Mulder.
(1) PB L 316 van 31.10.1992, blz. 12.
(2) Zie blz. 17.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/22 |
(2004/C 88 E/0022)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1295/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(7 april 2003)
Betreft: Politieke gevangenen in Cuba
Volgens de media arresteerde de Cubaanse politie op 20 maart 2003 de schrijver en journalist Raúl Rivero, op de derde opeenvolgende dag van arrestaties van oppositieleiders. Bij de arrestatie, in aanwezigheid van zijn bejaarde moeder, werd hem niet eens meegedeeld waarom hij in hechtenis werd genomen.
Hetzelfde overkwam de econoom Marta Beatriz Roque, voorzitter van de Vereniging van de Burgermaatschappij, de woordvoerder van de groepering „Todos Unidos”, Hector Palácios, de econoom Óscar Espinosa Chepe en circa 60 andere politieke actievoerders uit diverse steden.
Deze arrestaties zijn verricht op grond van de beschuldiging van de Cubaanse regering dat de gearresteerden zouden „samenzweren” met de regering van de Verenigde Staten.
Kan de Commissie antwoord geven op onderstaande vragen:
|
— |
Over welke informatie over deze gebeurtenissen beschikt zij? Hoe oordeelt zij over deze arrestaties? |
|
— |
Welke stappen heeft de onlangs ingestelde delegatie van de Europese Commissie ondernomen bij de autoriteiten van dit land? |
|
— |
In welke mate en in welke zin zijn deze gebeurtenissen van invloed op het beleid van de Commissie jegens het Cubaanse regime? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/22 |
(2004/C 88 E/0023)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1311/03
van Bill Newton Dunn (ELDR) aan de Commissie
(7 april 2003)
Betreft: Gevangenneming van dr. Oscar Ellis Biscet door de Cubaanse autoriteiten
Wellicht is de Commissie op de hoogte van de gevangenneming van dr. Oscar Ellis Biscet, een Cubaans mensenrechtenactivist, door de Cubaanse autoriteiten.
Heeft de Commissie
|
1. |
protest aangetekend bij de Cubaanse regering in verband met de gevangenneming van dr. Oscar Ellis Biscet? |
|
2. |
andere plannen om te waarborgen dat de Cubaanse autoriteiten de mensenrechten van hun burgers eerbiedigen? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/22 |
(2004/C 88 E/0024)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1347/03
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(10 april 2003)
Betreft: Schendingen van de rechten van de mens op Cuba
Volgens berichten is Dr. Oscar Elias Biscet, de Cubaanse strijder voor de rechten van de mens, in december vorig jaar aangehouden omdat hij een maand na zijn vrijlating uit de gevangenis een informele en vreedzame bijeenkomst voor de rechten van de mens bijgewoond heeft. Vermoedelijk zit hij in de gevangenis Combinado del Este in Havana, waar zijn zaak het nummer 244 (2002 en dossiernummer 2903007 gekregen heeft. De berichten zijn dat hij ook geen medische verzorging krijgt voor een ernstige aandoening aan zijn tandvlees, die hem al zijn tanden kan kosten.
Bezit de Commissie enige informatie over de gezondheidstoestand van Dr. Biscet, de plaats waar hij zich bevindt, en de omstandigheden van zijn aanhouding? Kan ze meer in het bijzonder bevestigen dat zijn politieke activiteiten niet gewelddadig van aard waren, en heeft ze zijn behandeling bij de autoriteiten van Havana ter sprake gebracht?
Ten laatste, is de Commissie het ermee eens dat aanhoudende berichten dat gevangenen geen goede medische verzorging krijgen, en in sommige gevallen zelfs niet de behandeling die hun leven kan redden, op het ogenblik de ernstigste vorm van schendingen van de rechten van de mens, in de vorm van onmenselijke behandeling, op Cuba vertegenwoordigen, en zo ja, heeft ze laten verstaan dat er in de Europese Unie niet weinig mensen van alle politieke gezindten zijn die groot belang hechten aan de eerbied voor de grondrechten van gevangenen? Heeft ze te verstaan gegeven dat verbeteringen in onze betrekkingen met Cuba, o.a. aansluiting bij de Overeenkomst van Cotonou, afhankelijk is van meer eerbied voor de rechten van de mens, in het bijzonder voor wat betreft de behandeling van gevangenen?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Nielson namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-1295/03, E-1311/03 en E-1347/03
(15 mei 2003)
De eerbiediging van de mensenrechten in Cuba blijft de Unie grote zorgen baren en de Commissie volgt deze zaak zeer nauwlettend.
De Commissie heeft de Cubaanse autoriteiten herhaaldelijk gewezen op de mensenrechtensituatie in het algemeen en willekeurige opsluiting, intimidatie van politieke tegenstanders en opsluiting op politieke gronden in het bijzonder.
De Commissie volgt, met name via haar delegatie in Havana, de zaak met betrekking tot de recente opsluiting en veroordeling van 75 dissidenten en onafhankelijke journalisten in Cuba, waaronder Oscar Elias Biscet González, Raul Rivero, Marta Beatriz Roque, Hector Palácios en Oscar Espinosa Chepe.
De laatste ontwikkelingen betekenen een verdere verslechtering van de mensenrechtensituatie, die de betrekkingen tussen de Unie en Cuba alleen maar ernstig kunnen beïnvloeden.
Op 26 maart 2003 heeft de Commissie samen met de lidstaten dergelijke arrestaties in een verklaring scherp veroordeeld, hetgeen werd gevolgd door een demarche van de Unie in Havana om bij de Cubaanse autoriteiten aan te dringen op de onmiddellijke vrijlating van de gevangenen. Verder zijn er de laatste dagen in Europese hoofdsteden diverse bilaterale demarches ondernomen bij Cubaanse ambassadeurs.
Op 14 april 2003 heeft de Unie een tweede verklaring afgegeven, waarin de grootschalige arrestaties van dissidenten, oneerlijke processen en willekeurige en buitensporige straffen opnieuw werden veroordeeld. In de verklaring wordt eveneens aangedrongen op de onmiddellijke vrijlating van alle politieke gevangenen. Op deze verklaring volgt een nieuwe demarche van de Unie in Havana.
De Unie heeft met deze acties de Cubaanse autoriteiten te kennen gegeven dat opsluiting op politieke gronden onaanvaardbaar is, en zij dringt aan op de vrijlating van gevangenen die worden vastgehouden omwille van hun mening of politieke activiteiten. In deze context zullen wij zeker de aandacht van de Cubaanse autoriteiten vestigen op de zaken van de heer Biscet, mevrouw Roque en de heren Rivero, Palácios en Chepe, en deze kwestie nauwlettend volgen en voortdurend politieke druk uitoefenen op de Cubaanse autoriteiten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/23 |
(2004/C 88 E/0025)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1312/03
van Bill Newton Dunn (ELDR) aan de Commissie
(7 april 2003)
Betreft: Situatie van mevrouw Siham Qandah, een christelijke Jordaanse
De Commissie is wellicht op de hoogte van de situatie van mevrouw Siham Qandah, een christelijke Jordaanse wier echtgenoot in 1994 overleed terwijl hij in dienst was van het Jordaanse leger. Na zijn dood beweerden de Jordaanse autoriteiten dat hij zich tot de islam had bekeerd en namen zij haar vervolgens zijn kinderen af, om ervoor te zorgen dat deze als moslims zouden worden opgevoed.
Heeft de Commissie
|
1. |
protest aangetekend bij de Jordaanse regering met betrekking tot de situatie van mevrouw Siham Qandah? |
|
2. |
andere plannen om ervoor te zorgen dat de Jordaanse autoriteiten de mensenrechten van de christelijke minderheid in hun land eerbiedigen? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(15 mei 2003)
De situatie waarin mevrouw Qandah verkeert, hangt samen met de ruimere problematiek in verband met de verenigbaarheid van de toepassing van de sharia met de internationale mensenrechtenverdragen die door Jordanië zijn ondertekend, maar nog niet volledig omgezet in nationale wetgeving. De toepassing van de sharia in Jordanië, een land waar de islam de staatsgodsdienst is, zou volgens de Commissie veel leed kunnen veroorzaken voor gemengde families, wier leden zowel christen als moslim zijn, en gevolgen kunnen hebben die onverenigbaar zijn met deze verdragen.
De Commissie volgt het specifieke geval van mevrouw Siham Qandah nauwlettend. De Commissie kan het geachte parlementslid verzekeren dat zij de kwestie van de bescherming van de mensenrechten, met name van vrouwen en kinderen, als een zaak van het hoogste belang beschouwt en diverse malen bij de Jordaanse autoriteiten ter sprake heeft gebracht. Zij zal bij de toekomstige contacten het belang daarvan blijven benadrukken.
Jordanië heeft het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten ondertekend. Tijdens zijn recente bezoek aan Jordanië heeft het Commissielid voor buitenlandse betrekkingen Jordanië erop gewezen dat het zijn verplichtingen ten aanzien van internationale mensenrechtenovereenkomsten, in het bijzonder overeenkomsten die de rechten van vrouwen en kinderen afdwingen, effectief moet nakomen. Ondertussen heeft de Jordaanse regering het Centrum voor de Bescherming van de Mensenrechten opgericht om klachten inzake gevallen van mensenrechtenschendingen te behandelen. Dit initiatief is door de Gemeenschap ondersteund. De Commissie hecht groot belang aan het werk van dit centrum, dat een voorname instelling moet worden voor de bescherming van de mensenrechten in Jordanië.
In het kader van de associatieovereenkomst tussen de Unie en Jordanië, die op 1 mei 2002 van kracht is geworden, stellen de Unie en Jordanië op het hoogste niveau een permanente politieke dialoog in. Deze dialoog omvat kwesties in verband met de mensenrechten en ook het toezicht op de toepassing van de internationale verdragen die door beide partijen zijn goedgekeurd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/24 |
(2004/C 88 E/0026)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1334/03
van Luigi Cocilovo (PPE-DE) aan de Commissie
(9 april 2003)
Betreft: BTW op de boekenprijs
De Commissie zal wel bekend zijn met het feit dat boekhandels die in het buitenland Italiaanse boeken verkopen, te maken krijgen met een dubbele BTW-aanslag: de Italiaanse (4 % ), die al verwerkt is in de vaste prijs, en de BTW in het land waar het boek wordt verkocht (3 % bijvoorbeeld in Luxemburg, 6 % in België).
Is deze situatie verenigbaar met de regels van het communautair recht? Welke verordening of richtlijn is op dit specifieke terrein van toepassing? Hoe kan worden tegengegaan dat er dubbel BTW moet worden betaald?
Vindt de Commissie ook niet dat alle belemmeringen moeten worden weggenomen die een rem zetten op het bevorderen van het lezen?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(15 mei 2003)
Bij een intracommunautaire levering van goederen moet de BTW in principe in rekening worden gebracht en worden voldaan in het land van bestemming. Als evenwel de regeling voor verkoop op afstand van toepassing is en het jaarlijkse plafond van 35 000 EUR of 100 000 EUR niet werd overschreden, wordt de BTW in rekening gebracht en voldaan in het land van oorsprong. In ieder geval moet de BTW slechts eenmaal in rekening worden gebracht en worden voldaan.
Uit de vraag van het geachte parlementslid kan niet worden afgeleid of de BTW die in rekening wordt gebracht op de prijs van Italiaanse boeken voordat zij naar andere lidstaten worden uitgevoerd, ook werkelijk door de belastingplichtige personen aan de Italiaanse staat wordt betaald.
Indien de belastingplichtigen de BTW aan de Italiaanse staat betalen, worden de goederen in kwestie dubbel belast, wat in strijd is met de zesde BTW-richtlijn (1). In dat geval zou de Italiaanse staat zijn wetgeving zodanig moeten wijzigen dat de goederen zijn grondgebied verlaten met vrijstelling van de Italiaanse BTW.
Indien de belastingplichtigen de Italiaanse BTW niet aan de Italiaanse staat betalen, ofschoon deze deel uitmaakt van de exportprijs van de goederen, is er geen sprake van dubbele belasting. In dat geval zou de zaak vanuit een niet-fiscaal perspectief moeten worden bekeken.
Indien het geachte parlementslid over aanvullende of nieuwe informatie beschikt waaruit blijkt dat er sprake is van een inbreuk op het Gemeenschapsrecht, zou de Commissie deze graag ontvangen.
(1) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145 van 13.6.1977).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/25 |
(2004/C 88 E/0027)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1339/03
van Maurizio Turco (NI) en Marco Cappato (NI) aan de Commissie
(9 april 2003)
Betreft: Vervolging van homoseksuelen in de gebieden onder Palestijns bestuur en uitwijzing van homoseksuele Palestijnen door Israël
Volgens de Israëlische vereniging van homoseksuelen, lesbischen, bi- en transseksuelen Aguda, en het dagblad Haaretz van 6 maart 11. zijn er twee homoseksuele Palestijnen voor de rechter gebracht wegens illegaal verblijf in Israël en vervolgens uitgewezen naar de gebieden onder Palestijns bestuur. Op 16 maart is er een andere homoseksuele Palestijn veroordeeld wegens hetzelfde vergrijp, en na het uitzitten van zijn straf wordt hij uitgewezen naar de Gaza-strook. Volgens informatie van Aguda staan homoseksuelen in de Palestijnse gebieden bloot aan vervolging, aanhouding, mishandeling en foltering, soms met de dood tot gevolg, en veel van hun lopen gevaar om terechtgesteld te worden. Tot een maand geleden werden de betrokkenen door de Israëlische autoriteiten niet gearresteerd en/of uitgewezen, maar de beleidsvoering is dan veranderd en de jongeren in kwestie zijn aangehouden en voor de rechter gebracht, en worden sindsdien automatisch uitgeleverd aan de Palestijnse autoriteit. Internationale verenigingen voor de rechten van de mens doen hun best om de uitwijzingen te voorkomen, vooral door beroep te doen op de Israëlische minister van Binnenlandse Zaken, Avraham Poraz, om gebruik te maken van de bevoegdheid die de Israëlische wet hun geeft om de uitwijzingen tegen te houden door tijdelijke verblijfsvisa af te geven, maar Poraz antwoordt afwijzend.
Kan de Commissie de informatie bevestigen? Houdt ze zich met de zaak bezig? Denkt ze tussenbeide te komen bij de Israëlische autoriteiten, en meer in het bijzonder de minister van Binnenlandse Zaken, om de ongerustheid van de Europese Unie uit te drukken over het feit dat de uitwijzingen het leven van homoseksuele Palestijnen in gevaar kunnen brengen? Denkt ze tussenbeide te komen bij de Palestijnse autoriteit om te zorgen dat de grondrechten geëerbiedigd worden en dat er een einde komt aan de vervolging van homoseksuelen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(6 mei 2003)
De Commissie is op de hoogte van de door het geachte parlementslid genoemde persberichten over vervolging van homoseksuelen, en ook van informele meldingen van schending van de mensenrechten in de Palestijnse gebieden.
De Commissie is bezorgd over deze berichten van mensenrechtenschendingen en heeft er in overleg met de internationale donoren bij de Palestijnse autoriteit op aangedrongen democratische hervormingen door te voeren, de rechtsstaat te waarborgen en de fundamentele mensenrechten te eerbiedigen.
De Unie neemt actief deel aan het Kwartet en de Internationale Task Force voor hervormingen in de Palestijnse gebieden, die in juli 2002 is opgericht om toezicht te houden op de implementatie van Palestijnse civiele hervormingen en deze te ondersteunen, en leiding te geven aan de internationale donorgemeenschap bij de steun voor de Palestijnse hervormingsagenda. De Task Force bestaat uit de Verenigde Staten, de Unie, de Russische Federatie, de Verenigde Naties, Noorwegen, Japan, Canada, de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds. De Task Force volgt de vorderingen op belangrijke gebieden, zoals het maatschappelijk middenveld, het overheidsbestuur en de rechtsstaat, en doet aanbevelingen voor verdere maatregelen die door de Palestijnse autoriteit dienen te worden genomen.
De Commissie zal in het kader van de bilaterale betrekkingen van de Unie met de Palestijnse autoriteit, en ook in overleg met de andere internationale donoren, de vorderingen bij de hervormingen blijven volgen.
De kwestie van de mensenrechten in Israël wordt regelmatig door de Gemeenschap ter sprake gebracht in haar officiële contacten met de Israëlische autoriteiten en ook tijdens de ontmoetingen tussen de Unie en de Associatieraad of het Associatiecomité EU — Israël.
Specifieke gevallen worden aandachtig door de Commissie gevolgd, met name via haar delegaties ter plekke.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/26 |
(2004/C 88 E/0028)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1345/03
van Mario Borghezio (NI) aan de Commissie
(3 april 2003)
Betreft: Gewenste sancties van de EU tegen de samenwerking van Europese banken met het regime van Bagdad
Uit persberichten zijn onlangs details naar voren gekomen over het financiële netwerk van het regime van Bagdad, dat connecties heeft met talrijke Europese banken, met name Franse en Duitse banken, maar ook met de alom aanwezige Italiaanse bank BNL.
In het aan de deskundigen van de Verenigde Naties voorgelegde Iraakse dossier „Full final and complete declaration” is nl. verklaard dat o.a. de volgende banken samenwerken met de Iraakse centrale bank (deze banken hebben de kosten op zich genomen van de door de Iraakse centrale bank uitgegeven kredietbrieven voor de aankoop van verdachte stoffen): Duitse banken: Dresdner, Deutsche Bank, Commerz Bank, Vereins- und West Bank, UBAE, Berliner Handels- und Frankfurter Bank, DG Bank, Westdeutsche Landesbank en Bayerische Landesbank; Franse banken: Banque de France, Société génerale, Crédit Lyonnais, BNP, Crédit Commercial de France en UBAF.
Vindt de Commissie het niet buitengewoon ernstig dat vooraanstaande banken van het Europese bankwezen samen met andere banken van het Westen ongegeneerd financiële steun hebben verleend aan de omvangrijke activiteiten die het Iraakse regime ook tijdens de jaren van het embargo heeft ontplooid om chemische wapens en massavernietigingswapens te kopen?
Welke spoedmaatregelen denkt de Commissie te treffen om de steun van genoemde banken aan de criminele activiteiten van het regime van Bagdad te bestraffen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(6 mei 2003)
De Commissie is niet op de hoogte van het bestaan van financiële banden tussen het Iraakse regime en de door het geachte parlementslid genoemde vooraanstaande Europese banken, en evenmin van de vermeende aankoop van verboden materialen door Irak.
Bij resolutie 661 (1990) van de VN-Veiligheidsraad hebben de VN beperkingen opgelegd met betrekking tot overschrijvingen naar Irak, maar deze beperkingen zijn geïmplementeerd door middel van nationale in plaats van communautaire wetgeving.
De Commissie is bijgevolg niet bevoegd op te treden tegen lidstaten die deze beperkingen niet naleven, of passende maatregelen te nemen tegen organisaties (bijvoorbeeld banken, bedrijven) die de nationale wetten overtreden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/27 |
(2004/C 88 E/0029)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1382/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(15 april 2003)
Betreft: Gevolgen van Kopenhagen-criteria voor bestrijding van opposities, inperking van vrije meningsuiting, verbod op organisaties en vergroting van het aantal gevangenen
|
1. |
Herinnert de Commissie zich dat in de conclusies van het voorzitterschap van de in juni 1993 in Kopenhagen gehouden bijeenkomst van de Europese Raad onder nr. 7-iii de „Kopenhagen-criteria” zijn opgenomen, welke onder meer als politiek criterium inhouden dat nieuwe lidstaten van de Europese Unie moeten beschikken over stabiele instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en de bescherming van minderheden waarborgen? |
|
2. |
Is het de bedoeling dat lidstaten ook na hun toetreding duurzaam aan deze criteria blijven voldoen? Op welke wijze wordt door u bewaakt dat dit inderdaad het geval is? |
|
3. |
Is het met de Kopenhagen-criteria verenigbaar als in een of meer lidstaten of gedeelten daarvan een vorm van stabiliteit wordt gehandhaafd door het uiten van een politieke mening te vervolgen, de uitgave van legale oppositiekranten onmogelijk te maken, politieke en andere organisaties te verbieden, nieuwe organisaties die opkomen voor een soortgelijke doelstelling als eerder verboden organisaties bij voorbaat als onwettig te beschouwen, op legale wijze door organisaties verkregen geld in beslag te nemen, demonstraties tegen dergelijke maatregelen onmogelijk te maken of het aantal personen dat op deze gronden gevangen wordt gehouden sterk te laten groeien? |
|
4. |
Acht u het mogelijk dat een lidstaat van de EU ophoudt te voldoen aan de Kopenhagen-criteria? Wat zijn in dat geval de gevolgen voor voortzetting van het lidmaatschap van de EU? |
|
5. |
Hoe draagt u ertoe bij dat wordt voorkómen dat een of meer oude of nieuwe lidstaten van de EU terugvallen naar een wijze van bestuur, censuur en strafrecht die kenmerken vertoont van de situatie zoals die thans helaas nog bestaat in kandidaat-lidstaat Turkije, met zijn grote aantallen onnodige gevangenen en een verbod op bewegingen, publicaties en openbaar gebruik van historisch aanwezige volkstalen? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(11 juni 2003)
|
1. |
De criteria van Kopenhagen, die in de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Kopenhagen van juni 1993 werden geformuleerd, vormen de basis voor de beoordeling van de Commissie over de voortgang van elk kandidaat-land in de richting van toetreding, aanvankelijk in haar adviezen van 1997, en vervolgens in haar periodieke verslagen over elk land. |
|
2. |
Ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam in mei 1999 zijn de in Kopenhagen geformuleerde criteria als een grondwettelijk beginsel vastgelegd in het Verdrag betreffende de Europese Unie. Artikel 6, lid 1 van het geconsolideerde Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt: „De Unie is gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben.” De eerbiediging van deze beginselen maakt deel uit van de verplichtingen van de lidstaten. De eerbiediging van deze beginselen wordt gewaarborgd via de politieke procedure die met het oog hierop is vastgelegd in artikel 7. Deze procedure kan in gang worden gezet op initiatief van de Commissie, het Europees Parlement of de lidstaten, en voorziet in preventiemechanismen en sancties ten aanzien van de verantwoordelijke lidstaat. |
|
3. |
De vrijheid van gedachte, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, en de vrijheid van vergadering en vereniging, die door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (waarnaar in artikel 6, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt verwezen) worden beschermd en in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden toegepast, en die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend, zijn grondrechten. De eerbiediging van deze grondrechten maakt deel uit van de politieke criteria van Kopenhagen. Meer in het algemeen vormen grondrechten volgens de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie een deel van de rechtsorde van de EG. Indien een lidstaat deze beginselen niet eerbiedigt bij de uitvoering van rechten en plichten volgens het Verdrag, kan de Commissie op basis van artikel 226 EG tegen deze lidstaat een inbreukprocedure instellen. |
|
4. |
Ingeval een lidstaat de beginselen van artikel 6, lid 1, niet langer eerbiedigt, zal de Commissie haar taak overeenkomstig artikel 6, lid 2, op zich nemen. Overeenkomstig artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is het de Raad die moet beslissen welke maatregelen worden genomen tegen de betreffende lidstaat. Een van de gevolgen zou schorsing van de stemrechten in de Raad van de regeringsvertegenwoordiger van die lidstaat kunnen zijn. Deze maatregelen kunnen niet leiden tot de uitsluiting van deze lidstaat, aangezien het institutionele systeem van de Unie niet in een dergelijke maatregel voorziet. |
|
5. |
Het antwoord op deze laatste vraag volgt uit de antwoorden die aan het geachte parlementslid zijn gegeven op de vragen 2 en 4. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/28 |
(2004/C 88 E/0030)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1384/03
van Gian Gobbo (NI) aan de Commissie
(8 april 2003)
Betreft: Turkse bezetting van het Iraakse Koerdistan
Bij het begin van de oorlog in Irak heeft Turkije aangekondigd een strook van 20 km binnen het Iraakse Koerdistan militair te willen bezetten. Dit gebied heeft een semi-autonome status. De NAVO is akkoord gegaan met dit besluit. Deze militaire bezetting — waarvoor humanitaire redenen zijn aangevoerd — wordt afgewezen door de Koerdische bevolking en haar politieke vertegenwoordigers, die hun tegenstand herhaaldelijk en duidelijk tot uiting hebben gebracht en gewapend verzet hebben aangekondigd.
Wat denkt de Commissie van deze zoveelste krachtmeting van Turkije?
Zou de aanwezigheid van Turkse troepen in het Iraakse Koerdistan niet de voorbode kunnen zijn van annexatie?
Is de Commissie niet van mening dat dit gedrag van Ankara onverenigbaar is met de status van kandidaatland voor de toetreding tot de Europese Unie?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(21 mei 2003)
De Europese Raad heeft verklaard dat de Unie de territoriale integriteit van Irak en de eerbiediging van de rechten van alle Irakezen met inbegrip van die van de minderheden in het land ondersteunt. Voorts heeft de Raad een beroep gedaan op alle landen van de regio zich te onthouden van acties die tot verdere onstabiliteit zouden kunnen leiden. Eventuele unilaterale Turkse interventie in Irak zou in dit verband dan ook moeten worden beoordeeld in de context van de aspiraties van Turkije om toe te treden tot de EU.
De Commissie is zich ervan bewust dat Turkije heeft bevestigd de territoriale integriteit van Irak te eerbiedigen en beseft dat het Turkse parlement toestemming heeft verleend voor de mogelijke inzet van troepen in Noord-Irak om zich te kunnen verdedigen tegen aanvallen op haar grondgebied, de toestroom van vluchtelingen en terroristische activiteiten van de PKK-KADEK. Op 10 april kwamen de minister van buitenlandse zaken van de Verenigde Staten Colin Powell en zijn Turkse tegenhanger Abdullah Gul overeen dat de Verenigde Staten er voor zouden zorgen dat Iraakse Koerden Kirkuk niet in handen zouden krijgen terwijl Turkije een kleine groep waarnemers naar het gebied mag sturen om te helpen conflicten te voorkomen. Deze regeling werd voorgesteld om bij te dragen tot de algemene stabiliteit van de situatie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/29 |
(2004/C 88 E/0031)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1414/03
van Graham Watson (ELDR) aan de Commissie
(23 april 2003)
Betreft: Toelating van Birmaanse vluchtelingen in Thailand
Welke stappen doet de Europese Commissie om de Thaise autoriteiten ertoe te bewegen vluchtelingen uit Birma te blijven opnemen en hen niet de toegang tot Thailand te weigeren of hen gedwongen te repatriëren?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(22 mei 2003)
De Thaise autoriteiten verlenen in kampen bij de Thais-Birmese grens reeds een aantal jaren onderdak aan ongeveer 130 000 vluchtelingen uit Birma/Myanmar, voornamelijk leden van etnische minderheden.
De Gemeenschap verleent via Europese niet-gouvernementele organisaties (NGO's) aanzienlijke financiële steun voor het onderhoud van deze vluchtelingenkampen. Haar bijstand bestaat vooral uit de levering van voedsel en elementaire goederen, maar omvat ook medische hulp en opleiding. De laatste jaren heeft de Gemeenschap jaarlijks ongeveer 7 à 7,5 miljoen euro toegewezen voor deze activiteiten.
In haar hoedanigheid van belangrijkste donor van de internationale gemeenschap voert de Commissie met de Thaise autoriteiten een open dialoog over alle kwesties met betrekking tot de opvang en behandeling van vluchtelingen in Thailand.
In het algemeen verwacht de Commissie dat Thailand bij de behandeling van vluchtelingen uit Birma/Myanmar zijn verbintenissen nakomt om zich te houden aan de internationale humanitaire normen. Dit omvat toelating van Birmese vluchtelingen tot het Thaise grondgebied, volledige samenwerking met de Hoge Commissaris van de VN voor de vluchtelingen (UNHCR), en repatriëring van vluchtelingen, dit laatste uitsluitend op vrijwillige basis en afhankelijk van de verbetering van de situatie in Birma/Myanmar.
De Commissie heeft de Thaise overheid in het verleden en recentelijk opnieuw op de hoogte gebracht van haar bezorgdheid over de berichten dat geweigerd wordt nieuwe Birmese vluchtelingen te registreren en over de berichten inzake gedwongen repatriëring.
De delegatie van de Commissie in Thailand zal de situatie, in overleg met de vertegenwoordigers van de lidstaten, blijven volgen en indien nodig eventuele verdere maatregelen aanbevelen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/30 |
(2004/C 88 E/0032)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1417/03
van Bob van den Bos (ELDR), Margrietus van den Berg (PSE), Maria Martens (PPE-DE) en Joost Lagendijk (Verts/ALE) aan de Commissie
(23 april 2003)
Betreft: Situatie religieuze minderheden in Gujarat, India
India wordt sinds enkele jaren geconfronteerd met een opkomend hindoefundamentalisme dat zich uit in een toenemend geweld tegen religieuze minderheden.
Voorjaar 2002 vond in de Indiase deelstaat Gujarat een massamoord plaats op circa tweeduizend moslims. Zowel Amnesty International als Human Rights Watch lieten recent weten dat de schuldigen niet worden gestraft en dat er nauwelijks hulp aan de slachtoffers wordt geboden door de Indiase regering. Ook stelt Human Rights Watch dat de massamoord al van tevoren was gepland, uitgevoerd werd met „grootschalige overheidsdeelname en steun” en dat momenteel sprake is van „gettovorming” van de moslimgemeenschap. Enkele organisaties van hindoe-extremisten maken regelmatig opmerkingen dat „Gujarat” zich zou kunnen herhalen.
Verder vindt geweld tegen christenen plaats en baart de „anti-bekeringswet” die op 26 maart 2003 werd aangenomen, grote zorgen voor de vrijheid en veiligheid van deze en andere religieuze minderheden.
|
1. |
Is de Commissie bereid bilaterale ontwikkelingshulp aan Gujarat op te schorten totdat duidelijk is dat de schuldigen aan de massamoord worden gestraft, de slachtoffers worden gerehabiliteerd en een einde wordt gemaakt aan het marginaliseren van de minderheden van christenen en moslims en, in samenhang daarmee, uitvoering wordt gegeven aan de aanbevelingen van de Indiase National Human Rights Commission, Amnesty International en Human Rights Watch? Zo nee, waarom niet? |
|
2. |
Op welke wijze en wanneer heeft de Commissie een vervolg gegeven en/of gaat zij in dialoog met de Indiase regering een vervolg geven aan de ernstige bezorgdheid die de Europese Unie vorig jaar april en mei heeft uitgesproken over de situatie in Gujarat? |
|
3. |
Welke aanbevelingen kan de Commissie geven aan in de Europese Unie geregistreerde bedrijven die in Gujarat actief zijn, teneinde te voorkomen dat zij in de huidige situatie bijdragen aan discriminatie van religieuze en andere minderheden? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(15 mei 2003)
De Commissie is op de hoogte van de spanningen tussen de verschillende gemeenschappen in Gujarat en heeft begrip voor de bezorgdheid van de geachte parlementsleden. De Commissie is het er volledig mee eens dat de daders van de misdrijven in Gujarat moeten worden berecht, de slachtoffers opvang moeten krijgen, en de rechten van de religieuze minderheden moeten worden beschermd.
De Unie eerbiedigt en bevordert de beginselen die zijn vervat in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek India bepaalt onder andere dat de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen een essentieel onderdeel van deze overeenkomst is.
De ontwikkelingssamenwerking tussen de Gemeenschap en India wordt derhalve overeenkomstig deze beginselen uitgevoerd, en het ontwikkelingsprogramma van de Gemeenschap in Gujarat vormt hierop geen uitzondering.
Het grootste deel van de bilaterale ontwikkelingshulp van de Gemeenschap aan Gujarat wordt verstrekt via niet-gouvernementele organisaties (NGO's). Van de 93 miljoen euro die de Commissie naar aanleiding van de aardbeving van 2001 Gujarat heeft toegezegd is slechts 40 miljoen euro via de regering van Gujarat overgemaakt. Dit bedrag is uitdrukkelijk bestemd voor de wederopbouw van ziekenhuizen die door de aardbeving waren beschadigd, en de Commissie volgt de uitvoering van dit programma op de voet.
Op verschillende manieren heeft de Unie gereageerd op de ernstige situatie in Gujarat, onder andere door via het Bureau voor Humanitaire Hulp (ECHO) noodhulp te verlenen voor de slachtoffers.
Verder heeft de Unie ermee ingestemd om alle kwesties in verband met democratie en mensenrechten in India aan te kaarten in het kader van de regelmatige constructieve dialoog met de Indiase regering.
Wat de derde vraag betreft, de Commissie is niet bevoegd om aan particuliere bedrijven expliciete aanbevelingen te doen in verband met hun optreden in derde landen. Wel moedigt de Commissie bedrijven aan om te handelen in overeenstemming met de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in verband met maatschappelijk verantwoord ondernemen. Deze richtlijnen verwijzen naar de noodzaak de mensenrechten van werknemers te eerbiedigen en te beschermen, en discriminatie van minderheidsgroepen te voorkomen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/31 |
(2004/C 88 E/0033)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1467/03
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(29 april 2003)
Betreft: Vermoorden van straatkinderen in Guatemala en Honduras
Naar wordt bericht, zouden er in Guatemala en Honduras „straatkinderen” zijn vermoord. Deze berichten worden door de betrokken regeringen ten stelligste ontkend. Beschikt de Commissie zelf over bevestiging van de juistheid van deze berichten uit onafhankelijke bron en heeft zij deze zaak opgenomen met de betrokken regeringen? Is het de Commissie bekend of aan alle dakloze kinderen onder de zestien huisvesting en onderdak wordt geboden en welke alternatieven er beschikbaar zijn voor de straatkinderen in deze landen? Tot slot, heeft de Commissie er bij de regeringen in de regio op aangedrongen, dat alle kinderen die de wet overtreden overeenkomstig het recht worden gestraft en dat waar nodig hulp wordt geboden om de kans dat zij in het criminele circuit terechtkomen te verminderen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(22 mei 2003)
De Commissie verwijst het geachte parlementslid naar het gecombineerde antwoord op de schriftelijke vragen E-0356/03 van de heer Newton Dunn en mevrouwLudford (1), E-0086/03 van de heer Helmer (2) en E-0097/03 van de heer Whitehead (2) over hetzelfde onderwerp.
Wat Guatemala betreft wenst de Commissie er de volgende elementen aan toe te voegen.
|
— |
Het is de Commissie bekend dat de Verificatiemissie van de Verenigde Naties in Guatemala (Minugua), en zowel lokale als internationale mensenrechtenorganisaties, de afgelopen maanden hebben bericht over de algemene verslechtering van de situatie van de mensenrechten, waarbij melding werd gemaakt van verschillende aanslagen en moorden op straatkinderen. De Inter-Amerikaanse Mensenrechtencommissie met name heeft er uitdrukkelijk op gewezen dat de Guatemalteekse staat zich niet houdt aan een reeks aanbevelingen die gedaan zijn, om te waarborgen dat de schending van de mensenrechten door overheidsfunctionarissen, alsook aanslagen op straatkinderen, wordt voorkomen. Evenals in Honduras zijn er geen bewijzen dat de staat een institutioneel beleid voert dat erop gericht is de mensenrechten te schenden. |
|
— |
De Commissie zal er bij de Guatemalteekse autoriteiten op blijven aandringen om extra inspanningen te leveren om ervoor te zorgen dat de rechtsstaat wordt gerespecteerd. In overeenstemming met de resolutie van april 2003 van het Europees Parlement over de mensenrechten in Guatemala is het belangrijkste doel dat de Commissie zich stelt voor de bijeenkomst van de Raadgevende Groep voor Guatemala, die voor begin mei 2003 in Guatemala City is gepland, om lokale autoriteiten en maatschappelijke organisaties aan te moedigen om de uitvoering van de in 1996 ondertekende vredesovereenkomsten te versnellen, teneinde de mensenrechten te bevorderen en het rechtsstelsel te versterken. |
(1) Zie blz. 11.
(2) Zie blz. 5.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/32 |
(2004/C 88 E/0034)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1469/03
van Paulo Casaca (PSE) aan de Commissie
(30 april 2003)
Betreft: Golf van arrestaties in Cuba
Klaarblijkelijk als een reactie op het bezoek van een lid van de Europese Commissie bij de opening van een vertegenwoordiging op Cuba en het publieke pleidooi van deze commissaris voor opneming van Cuba in de overeenkomst van Cotonou, heeft de dictatuur van Fidel Castro een golf van arrestaties tegen de dissidenten ontketend.
In de loop van het debat van de achtste van deze maand in het Europees Parlement, hoorden wij met verbijstering dat de Commissie, in plaats van de opening van een delegatie op Cuba te annuleren, uitdrukkelijk te protesteren tegen de opsluiting van dissidenten, de opneming van het land in de overeenkomst van Cotonou te bevriezen of in ieder geval haar vertegenwoordiger in Cuba voor overleg terug te roepen, aankondigde dat zij haar beleid van constructieve dialoog zou voortzetten.
Beseft de Commissie dat zij met haar zogenaamd beleid van constructieve dialoog net als in Iran de radicalisering van de dictatoriale regimes in de wereld aanmoedigt?
Is de Commissie zich ervan bewust dat haar houding volledig haaks staat op de democratische beginselen en doelstellingen van de Europese instellingen?
Wat is de Commissie voornemens te doen om haar opstelling te veranderen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(5 juni 2003)
Om een vreedzaam verlopend overgangsproces te bevorderen voert de Unie sinds 1996, overeenkomstig het gemeenschappelijke standpunt, een beleid van constructieve dialoog met Cuba. Het gemeenschappelijk standpunt veroordeelt het gebruik van dwangmaatregelen die de economische moeilijkheden van het Cubaanse volk zouden kunnen verergeren. Het geeft de voorkeur aan een constructieve dialoog met de Cubaanse autoriteiten en de civiele samenleving om eerbiediging van de mensenrechten en reële vooruitgang in de richting van een pluralistische democratie te bevorderen. De Commissie is er stellig van overtuigd dat een beleid van constructieve dialoog meer kans op succes heeft dan een beleid van isolatie en embargo's.
De recente massale arrestaties van dissidenten, de oneerlijke processen en de willekeurige en buitensporige straffen die zijn opgelegd, en de terechtstelling van drie Cubanen die waren beschuldigd van het kapen van een Cubaanse veerboot hebben echter geleid tot een prompte, duidelijke en consequente reactie van de Unie. De maatregelen die in dit verband zijn genomen, hebben dan ook de volledige en actieve steun van de Commissie.
De Commissie heeft deze arrestaties samen met de lidstaten scherp veroordeeld in een op 26 maart 2003 bekendgemaakte verklaring. Deze werd gevolgd door een demarche van de Unie bij de Cubaanse autoriteiten in Havana, waarin werd aangedrongen op de onmiddellijke vrijlating van de arrestanten. Na de verklaring van de Raad van 14 april 2003 vond op 18 april 2003 een tweede demarche van de Unie in Havana plaats.
De Unie heeft haar ernstige bezorgdheid ook geuit in haar verklaring over de mensenrechten in de wereld op de vergadering in Genève van de VN-mensenrechtencommissie in april 2003. In die verklaring wordt opgeroepen tot de onmiddellijke vrijlating van de arrestanten die de Unie als politieke gevangenen beschouwt.
Recentelijk zijn verdere maatregelen overeengekomen, zoals een nieuwe evaluatie van de mensenrechtensituatie in Cuba in het kader van het gemeenschappelijk standpunt, een beperking van de bilaterale contacten op hoog niveau, het niet bijwonen van de 1-meiviering op Cuba en uitnodiging van Cubaanse dissidenten voor de viering van nationale feestdagen.
De Commissie heeft bovendien op 30 april 2003 besloten de beoordeling van het verzoek van Cuba om toetreding tot de overeenkomst van Cotonou uit te stellen. Zij geeft daarmee aan dat de ontwikkelingen van de laatste tijd niet bevorderlijk zijn voor het intensiveren van de samenwerking tussen de Unie en Cuba. In reactie op dit besluit hebben de Cubaanse autoriteiten op 16 mei 2003 hun verzoek om toetreding tot de overeenkomst van Cotonou ingetrokken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/33 |
(2004/C 88 E/0035)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1471/03
van Herman Schmid (GUE/NGL) aan de Commissie
(30 april 2003)
Betreft: Gevangenen in Guantanamo Bay
De gevangenen in Guantanamo Bay op Cuba verkeren in een rechtsvacuüm. Hun is het fundamentele recht op verdediging voor de rechtbank ontnomen. De Amerikaanse regering weigert hen als krijgsgevangenen te beschouwen, een status die hen het recht zou geven op immuniteit tegen vervolging wegens tal van daden die in oorlogstijd zijn gepleegd. De Amerikaanse regering beweert dat de gevangenen „onwettige strijders” zijn en plaatst hen daardoor in een juridisch vacuüm.
Mensenrechtenorganisaties en enkele landen hebben de VS bekritiseerd, omdat zij de gevangenen de toegang tot de burgerrechter weigeren.
Welke maatregelen neemt de Europese Unie om te waarborgen dat haar burgers die in Guantanamo Bay gevangen zitten het recht krijgen om voor een rechtbank te worden verdedigd?
Accepteert de Commissie, in het licht van de Conventie van Genève, de nieuwe status van de gevangenen als „onwettige strijders”?
Erkent de EU situaties waarin het gebruik van onwettige methoden, zoals het gevangen houden van personen voor onbepaalde tijd, gerechtvaardigd is als onderdeel van de strijd tegen het terrorisme?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(22 mei 2003)
Wat concrete maatregelen ter bescherming van de wettelijke rechten van in Guantanamo Bay gevangen gehouden EU-burgers betreft, merkt de Commissie op dat de verantwoordelijkheid voor dit soort maatregelen berust bij de betrokken lidstaat.
Wat de status, behandeling en detentieduur van gevangenen betreft, heeft de Unie (met name in de VN-mensenrechtencommissie (UNCHR) en het Derde Comité van de Algemene Vergadering van de VN) voortdurend benadrukt dat de strijd tegen het terrorisme dient te worden gevoerd met volledige eerbiediging van de rechtsstaat, de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en het humanitair recht. In 2003 heeft de EU verder op de 59e zitting van de mensenrechtencommissie in haar verklaring over „De mensenrechten in de wereld” beklemtoond dat antiterroristische maatregelen „altijd en overal” in overeenstemming dienen te zijn met het onvoorwaardelijke verbod op alle vormen van foltering en wrede, onmenselijke of onterende behandeling. Het ondubbelzinnige karakter van het standpunt van de Unie toont aan dat zij bij de strijd tegen het terrorisme in geen geval schendingen van de eerbiediging van de mensenrechten aanvaardt.
Op de 59e zitting van de mensenrechtencommissie heeft de Unie ook de Mexicaanse resolutie gesteund over de bescherming van de mensenrechten bij de strijd tegen het terrorisme. Daarin staat dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten de eerbiediging van de mensenrechten bij de strijd tegen het terrorisme dient te onderzoeken, en aanbevelingen en advies dient te verstrekken inzake de verplichtingen van staten in dit verband.
De trojkadialoog EU-VS over de mensenrechten, die tweemaal per jaar plaatsvindt, biedt gelegenheid tot overleg over mensenrechtenvraagstukken en, zoals wordt vermeld in het jaarverslag van de Europese Unie over de mensenrechten voor 2002, de Unie heeft deze gelegenheid aangegrepen om de kwestie van de behandeling van gevangenen in Guantanamo ter sprake te brengen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/34 |
(2004/C 88 E/0036)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1484/03
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(2 mei 2003)
Betreft: Graduatie van sector V (invoer) van het stelsel van algemene preferenties (SAP) met betrekking tot werkgelegenheidsalternatieven voor de illegale drugsproductie in Colombia
Colombia geniet al enige tijd handelspreferenties uit hoofde van sector V (goederen) van het stelsel van algemene preferenties (SAP), het zgn. „drugsregime” dat in het leven werd geroepen om Colombia te helpen bij de bestrijding van de illegale drugsproductie door het land meer mogelijkheden te bieden voor de productie van andere producten zoals snijbloemen. Hoewel de cijfers van Eurostat aantonen dat het marktaandeel van Colombia in gedaald van 20,15 % in 1997 tot 15,41 % in 2001, schijnt de Commissie een „graduatie” te willen aanbrengen in sector V (invoer), waardoor deze preferenties zouden komen te vervallen.
Kan de Commissie de redenen daarvoor uiteenzetten en mededelen of zij al dan niet van mening is dat er een conflict bestaat tussen de bevordering van haar „drugsregime” uit hoofde van het SAP enerzijds en de toepassing van haar beleid tot graduatie van sector V anderzijds? Tot slot, welke andere vormen van bijstand kan de Commissie Colombia bieden om de autoriteiten rechtstreeks te helpen bij hun inspanningen het kweken van alternatieve gewassen in dat land aan te moedigen?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(27 mei 2003)
Het schema van algemene preferenties (SAP) beoogt de economische ontwikkeling van de begunstigde landen te bevorderen door hun uitvoer naar de Unie te verhogen. Doel is de aanzet te geven tot nieuwe uitvoer uit de begunstigde landen. Dit betekent dat de preferentiële behandeling moet worden stopgezet zodra dit doel is bereikt. Het SAP is een prikkel die moet worden weggenomen zodra hij overbodig is geworden; op die manier richt het schema zich op de landen en sectoren die er het meest behoefte aan hebben.
Colombiaanse snijbloemen (sector V van het SAP) hebben op eigen kracht een zeer sterke concurrentiepositie verworven op de internationale markten. Een graduatie van de sector zal de uitvoer van bloemen uit Colombia niet beletten; factoren zoals kwaliteit, prijsniveau enz. wegen immers zwaarder door in hun succes dan het douanerecht dat door Europese importeurs na graduatie zal moeten worden betaald. Het SAP moet Colombia daarom nu helpen te diversifiëren en zich te concentreren op andere producten waarvoor op exportgebied nog enige vooruitgang kan worden geboekt.
De SAP-regeling inzake verdovende middelen werd van 1992 tot 2002 onverkort toegepast, zonder enige graduatie. Graduatie is echter een belangrijke factor in de objectieve en niet-discriminerende toepassing van de regeling inzake verdovende middelen in overeenstemming met de verplichtingen van de Gemeenschap in het kader van de WTO-overeenkomsten (Wereldhandelsorganisatie). Toevallig gaat in dit specifieke geval (Colombia) meer dan 8 5 % van de uitvoer van snijbloemen (het belangrijkste onderdeel van sector V) naar de Verenigde Staten.
De preferentiële toegang tot de communautaire markt waarvan Colombia gebruik heeft gemaakt via de zogenaamde regeling inzake verdovende middelen, vormt nagenoeg de beste behandeling die aan een ontwikkelingsland op handelsgebied kan worden verleend. Een verklaring voor het afgenomen marktaandeel van Colombia in de Gemeenschap waarnaar in de vraag wordt verwezen, moet daarom worden gezocht in een breder kader van economische concurrentie.
De Commissie meent dat er geen tegenspraak bestaat, integendeel zelfs, tussen de bevordering van de SAP-regeling inzake verdovende middelen en de toepassing van het graduatiemechanisme.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/35 |
(2004/C 88 E/0037)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1492/03
van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Commissie
(2 mei 2003)
Betreft: Koffieonderhandelingen
Kan de Commissie mededelen welke vooruitgang wordt geboekt tijdens de onderhandelingen die momenteel gaande zijn tussen de Europese Unie en de Europese Koffiefederatie over het opzetten van een onafhankelijk stelsel voor de controle op de kwaliteit van koffie die de Europese Unie binnen komt?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(5 juni 2003)
Zoals het geachte parlementslid bekend is heeft de Commissie zich in elk stadium van de onderhandelingen geschaard achter goedkeuring van Resolutie nr. 407 inzake minimumnormen voor exportkoffie van de Internationale Koffieraad (ICO).
Om bovenstaande Resolutie naar behoren te kunnen uitvoeren moet elk lid alles in het werk stellen om de doelstellingen van het programma te steunen en samen te werken op het gebied van data communicatie, met name wat betreft invoer die niet voldoet aan de overeengekomen normen. Om te zorgen voor allesomvattende en transparante informatie zijn de Commissie en de Europese Koffie Federatie (ECF) overeengekomen dat de EFC de Commissie elk kwartaal gegevens verstrekt over invoer die niet in overeenstemming is met Resolutie 407. De Commissie zal deze informatie doorzenden naar de ICO in Londen.
De Commissie heeft de ECF er herhaaldelijk op gewezen dat gegevens moeten worden verstrekt, heeft de secretaris generaal van de EFC herinnerd aan de verplichtingen van de federatie en de rol die de privé-sector in dit verband op zich moet nemen.
De Commissie moet met spijt vaststellen dat haar sedert het eind van het eerste kwartaal na de tenuitvoerlegging van de Resolutie nog geen informatie werd verstrekt.
De Commissie is in voortdurend contact met de EFC en hoopt nog dat de koffie-industrie snel een bevredigende oplossing kan vinden. Mocht in deze situatie geen verandering komen dan kan de Commissie het geachte parlementslid de verzekering geven dat haar diensten stappen zullen ondernemen in het kader van de ICO om een meer bindend stelsel in te voeren om te komen tot transparantie en een degelijke uitvoering van ICO Resolutie nr. 407.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/35 |
(2004/C 88 E/0038)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1497/03
van Glyn Ford (PSE) aan de Commissie
(5 mei 2003)
Betreft: Vernietiging van EU-eigendommen in Palestina
Hoe staat het met de financiële infrastructuur van de EU in Palestina die is vernietigd of beschadigd door de voortdurende strijd in de regio?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(23 juni 2003)
Op verzoek van het voorzitterschap van de Unie heeft de Commissie een voorlopige lijst opgesteld van door de EU (Commissie en lidstaten) gefinancierde projecten die door de Israëlische strijdkrachten zijn vernietigd of beschadigd. De lijst van vernietigde projecten wordt regelmatig bijgewerkt door het bureau van de Commissie in Jeruzalem, in overleg met de vertegenwoordigingen van de lidstaten in Jeruzalem en Ramallah. Deze taak wordt bemoeilijkt door de situatie ter plaatse. Op 14 december 2002 is de lijst voor het laatst bijgewerkt, en werd de totale schade geraamd op 24 014 000 EUR. Ongeveer één vierde van dit totaalbedrag is gefinancierd door de Gemeenschap en de rest door de lidstaten.
De raming beperkt zich tot de kosten voor het vervangen van fysieke infrastructuur (bouw en uitrusting), en er is geen rekening gehouden met onrechtstreekse verliezen als vertraging bij of opschorting van projecten. Verder wordt een aantal door de EU gefinancierde projecten die als gevolg van Israëlische militaire acties niet naar behoren kunnen functioneren niet in de lijst vermeld. Zo is de toegang tot het Europees ziekenhuis in Gaza bijvoorbeeld belemmerd en zijn er vertragingen bij infrastructuurprojecten (omdat er geen toegang tot grondstoffen is).
Deze kwestie is herhaaldelijk ter sprake gebracht bij de Israëlische autoriteiten, met name door het voorzitterschap van de Unie in januari 2002, en ook op de bijeenkomst van de Associatieraad met Israël van 21 oktober 2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/36 |
(2004/C 88 E/0039)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1559/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(7 mei 2003)
Betreft: Toestand in Somalië
Kan de Commissie meedelen wat zij denkt van de huidige politieke situatie in Somalië?
Kan de Commissie de meest recente gegevens verstrekken over haar steun aan en de handel met Somalië?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(1 juli 2003)
Het proces van nationale verzoening dat in Mbagathi, Kenia, onder auspiciën van de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit (IGAD) en met de steun van de Unie en van de internationale gemeenschap plaatsvindt, komt in een cruciale fase. Het is mogelijk dat de besprekingen binnenkort resulteren in de goedkeuring van een ontwerphandvest en de opstelling van een actieplan voor een interimperiode na de conferentie, waarin o.a. nationale regeringsstructuren moeten worden opgezet. Aangezien het land evenwel de voorbije twaalf jaar uiteengevallen is in een lappendeken van streken onder leiding van diverse clans, blijft de politieke toekomst van Somalië onzeker.
Mogelijke oplossingen voor Somalië zullen afhangen van een combinatie van elementen:
|
— |
de capaciteit van de Somalische betrokkenen, inclusief de verdeelde Hawye- en Darodclans, die tegenstrijdige politieke strekkingen als de Nationale Overgangsregering (TNG) en de Somalische Raad voor herstel en verzoening (SRRC) aanhangen, om hun talrijke geschilpunten bij te leggen; |
|
— |
de verbintenis van de leiders van de regio's om hun politieke invloed in Somalië aan te wenden voor vrede en verzoening; |
|
— |
adequaat toezicht van de internationale gemeenschap op de toepassing van de huidige overeenkomst betreffende het staken van de vijandelijkheden, en op de inachtneming van de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties tot instelling van een wapenembargo voor Somalië. Voorts is overeengekomen dat als de Somaliërs tot een oplossing komen, de internationale gemeenschap onmiddellijk financiële, technische en politieke steun zal bieden. |
De Unie heeft herhaaldelijk haar steun toegezegd aan het IGAD-vredesinitiatief voor Somalië en heeft zich er meer dan eens toe verbonden bij te dragen tot de ontwikkeling van dit land. De politieke lijn die de EU voor Somalië volgt, is bepaald in de conclusies van de Raad Algemene Zaken van juli 2002.
De meest opvallende afwezige op de conferentie van Mbagathi is Somaliland, dat zich in 1991 eenzijdig onafhankelijk heeft verklaard en erin geslaagd is eigen instellingen op te richten en relatieve stabiliteit in het gebied te creëren.
Ondanks de moeilijke situatie is de Gemeenschap steeds met Somalië blijven samenwerken. In december 2001 heeft de Gezamenlijke Raad Europese Unie — Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan (EU-ACS) besloten dit land voor de periode 2002-2007 bijzondere steun uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) toe te kennen ten bedrage van 199 miljoen euro. Naast dit bedrag kan Somalië rekenen op de jaarlijkse bijdragen uit de begroting van de Commissie, met name op humanitaire steun (6 miljoen euro in 2003).
Op basis van het besluit van de EU-ACS-Raad heeft de Commissie in juni 2002 een eerste programma (50 miljoen euro) goedgekeurd, dat nu wordt uitgevoerd. Momenteel wordt ook een nieuw herstelprogramma geëvealueerd (voor een bedrag van naar raming 75-100 miljoen euro), dat tegen eind 2003 ter goedkeuring aan de Commissie zou moeten worden voorgelegd.
De huidige communautaire samenwerking in Somalië is omschreven in het document „Strategy for the Implementation of Special Aid to Somalië” (april 2002) (1). Gezien de Somalische context zijn flexibiliteit, strikte neutraliteit en lokale contacten de sleutelelementen voor de communautaire bijstandsverlening geweest. De programma's van de Gemeenschap zijn gebaseerd op de aanpak van het „vredesdividend” en impliceren een multisectoraal optreden waarbij het hele spectrum van humanitaire hulp over rehabilitatiesteun tot ontwikkelingshulp zijn plaats krijgt. Gelet op de aanpak van het „vredesdividend” en de voorrang die aan lokale contacten wordt gegeven, wordt de bijstandsverlening van de Gemeenschap grotendeels uitgevoerd door Europese niet-gouvernementele organisaties (NGO's) en door de bureaus van de Verenigde Naties (VN).
Gezien de huidige omstandigheden wordt tussen Somalië en de Unie praktisch geen handel gedreven.
(1) http://europa.eu.int/comm/development/body/csp_rsp/csp_en.cfm
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/37 |
(2004/C 88 E/0040)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1630/03
van Nelly Maes (Verts/ALE) aan de Commissie
(8 mei 2003)
Betreft: Gedwongen sterilisaties van Roma Vrouwen
Verwijzend naar de vragen E-0575/03 (1) en E-0434/03 (2) van Nelly Maes en Erik Meijer over de gedwongen sterilisaties van Roma vrouwen in Slovakije verwonder ik mij over de gegeven antwoorden.
In het antwoord aan Dhr Meijer schrijft de Commissie: „Het lid van de Commissie dat met de uitbreiding is belast, heeft over deze kwestie onmiddellijk een brief geschreven aan de Slowaakse premier Dzurinda, en daarbij onderstreept dat de aantijgingen zeer zorgwekkend zijn, en indien zij op waarheid zouden blijken te berusten, een ernstige schending van de mensenrechten zouden inhouden.”
In het antwoord aan Nelly Maes voegt de Commissie aan dezelfde zin nog toe: „(…) op voorwaarde dat de openbare autoriteiten deze praktijken hebben gesteund of geduld of geen passende wettelijke maatregelen in dit verband hebben genomen”.
Uit de antwoorden kan geconcludeerd worden dat er maar sprake kan zijn van een ernstige schending van de mensenrechten als de overheid op de hoogte was en niet voldoende alert reageerde.
Rapporten van het ERRC tonen voldoende aan dat de overheid op de hoogte was van het probleem. Het probleem bestond al van voor de oprichting van de Slovaakse staat en is blijven bestaan en heeft ook blijvend in de belangstelling gestaan.
Erkent de Commissie derhalve dat de mensenrechten in Slovakije ernstig geschonden worden en, zo ja, welke gevolgen verbindt zij aan deze schendingen?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(5 juni 2003)
In haar antwoorden op eerdere schriftelijke vragen met betrekking tot de behandeling van de Roma, met name de vragen E-0434/03 van de heer Meijer en E-0575/03 van het geachte parlementslid heeft de Commissie haar bezorgdheid geuit over beschuldigingen dat Roma vrouwen zonder hun toestemming of met afgedwongen toestemming zouden worden gesteriliseerd door artsen in Oost-Slowakije.
De Commissie had hierin specifiek naar de openbare autoriteiten verwezen niet, zoals het geachte parlementslid concludeert, als indicatie dat „er maar sprake kan zijn van een ernstige schending van de mensenrechten als de overheid op de hoogte was” maar om aan te geven dat een staat op grond van het intern staatsrecht verantwoordelijk kan worden gehouden voor schendingen van de mensenrechten, indien de schendingen in kwestie aan hem kunnen worden toegeschreven. Dit was de strekking van de verwijzing in haar antwoord op schiftelijke vraag E-0575/03. Krachtens het internationaal recht houdt de verantwoordelijkheid van de staat in dat deze over wetgeving dient te beschikken om gedwongen of niet-vrijwillige sterilisatie te bestraffen en dient te zorgen voor objectieve strafrechtelijke procedures.
De Commissie heeft er bij de Slowaakse autoriteiten op aangedrongen de nodige strafrechtelijke onderzoeken uit te voeren en eventuele discriminerende maatregelen te wijzigen. De strafrechtelijke onderzoeken zijn nog lopende en hebben tot dusverre de hierboven vermelde beschuldigingen nog niet bevestigd, die indien zij op waarheid berusten, strafbaar zouden zijn op grond van het Slowaaks strafrecht. De Commissie heeft niet het recht zich te mengen in lopend onderzoek van een soevereine staat en vooruit te lopen op de resultaten hiervan. Zij zal deze ernstige kwestie echter op de voet blijven volgen.
Tot slot wil de Commissie het geachte parlementslid meedelen dat zij, na diepgaande besprekingen met de niet-gouvernementele organisaties die bij de verslaggeving over deze kwestie zijn betrokken, overweegt een specifiek project op te zetten voor de gezondheidszorg van Roma in het kader van haar Nationale Phare Programma voor 2003 om verbetering te brengen in de situatie van de Roma-minderheid in deze belangrijke sector.
(1) PB C 33 E van 6.2.2004, blz. 55.
(2) Zie blz. 12.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/38 |
(2004/C 88 E/0041)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1665/03
van Luigi Vinci (GUE/NGL) aan de Commissie
(19 mei 2003)
Betreft: Onderwijs in de Koerdische taal in Turkije
Het Turkse parlement heeft ongeveer tien maanden geleden nieuwe bepalingen goedgekeurd die, zo werd gezegd, het mogelijk moesten maken om particuliere scholen op te richten waar onderwijs kon worden gegeven in de Koerdische taal.
Deze regels bevatten evenwel de volgende bepalingen:
|
— |
Particuliere scholen waar nu al vreemde talen worden onderwezen, mogen niet ook nog Koerdisch op het programma zetten d.w.z. voor onderwijs in het Koerdisch moeten er ad hoc-scholen worden opgericht; |
|
— |
alleen docenten die in het bezit zijn van een officiële lesbevoegdheid in het Koerdisch mogen lesgeven in deze taal: tot een jaar geleden bestond er in Turkije geen officiële opleiding hiervoor, dus waren er ook geen scholen die de leerkrachten konden opleiden! |
|
— |
Voor het onderwijs in het Koerdisch mag geen beroep worden gedaan op buitenlandse docenten. |
Concluderend: nergens in Turkije is men erin geslaagd een school te openen waar Koerdische les wordt gegeven.
Bovendien bevatten deze regels de bepaling dat de toegang tot cursussen in het Koerdisch alleen wordt verleend aan personen die door een diploma van de lagere school het Turks inmiddels beheersen. In concreto betekent dit: personen van minstens vijftien jaar oud; dat is dus lang niet iedereen gezien het lage alfabetiseringspercentage in Zuidoost-Turkije.
Het zal duidelijk zijn dat hier op een brutale cynische wijze een loopje wordt genomen met de Turkse Koerden, de Europese Unie en haar verzoeken aan Turkije zich beschaafd te gedragen.
Kan de Commissie deze feiten evalueren en is zij niet ook van mening dat de Turkse regering krachtig aan het verstand moet worden gebracht dat deze feiten volstrekt haaks staan op de mogelijkheid dat Turkije lid wordt van de Europese Unie?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(19 juni 2003)
De Commissie is op de hoogte van de situatie met betrekking tot de bepalingen voor het onderwijs van talen en dialecten (andere dan Turks) die traditioneel worden gebruikt door Turkse burgers, als vervat in de verordening van het ministerie van Onderwijs van 20 september 2002.
De Commissie heeft in haar periodieke dialoog met de Turkse autoriteiten haar bezorgdheid geuit over de beperkte mogelijkheden voor het onderwijs van andere talen en dialecten dan Turks. De Commissie is van mening dat de wettelijke voorschriften het onderwijs van andere talen dan Turks kunnen belemmeren.
In het recentelijk goedgekeurde herziene partnerschap voor toetreding met Turkije wordt Turkije verzocht culturele diversiteit en culturele rechten te waarborgen voor alle burgers, ongeacht hun afkomst. Dit houdt in dat gezorgd dient te worden voor effectieve toegang tot onderwijs en radio- en televisie-uitzendingen in andere talen dan Turks door de implementatie van bestaande maatregelen en de opheffing van de resterende restricties die de toegang daartoe hinderen.
Als kandidaat-lidstaat van de Unie tracht Turkije te voldoen aan de politieke criteria van Kopenhagen, waaronder de eerbiediging en de bescherming van minderheden. In dit verband zal de Commissie toezicht blijven houden op de situatie van niet-Turks taalonderwijs in Turkije, met onder meer een evaluatie van de regelgeving waardoor dergelijk onderwijs wordt toegelaten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/39 |
(2004/C 88 E/0042)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1678/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(19 mei 2003)
Betreft: Kindsoldaten in Angola
Volgens recente persberichten worden minderjarigen die hebben meegevochten in de Angolese burgeroorlog, door de regering van dit land vrijgesteld van de verplichte militaire dienst.
De NGO „Human Rights Watch” heeft enkele dagen geleden bekendgemaakt dat zich ongeveer 11 000 minderjarigen in deze situatie bevinden.
De Wereldbank heeft 30 miljoen dollar uitgetrokken ter ondersteuning van projecten ten behoeve van deze kindsoldaten.
|
— |
Beschikt de Commissie over gegevens over het aantal (bij benadering) minderjarigen dat wellicht in legers heeft meegevochten tijdens de burgeroorlogsjaren in Angola? |
|
— |
Hoe ziet de Commissie de huidige situatie van deze minderjarigen in de context van de demobilisatie van de troepen, gezinshereniging en terugkeer van de bevolking, en in het licht van de internationaal gesteunde maatregelen die zijn genomen door de Angolese instellingen? |
|
— |
Is de Commissie bereid om zich nu reeds te buigen over het specifieke geval van de terugkeer, de opvang en de opleiding van kindsoldaten, zowel in het algemeen als in de gevallen waarin de kindsoldaten zijn verweesd of invalide zijn geworden? |
|
— |
Welke maatregelen heeft de Commissie genomen of is zij van plan te nemen op dit terrein? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(11 juli 2003)
Tijdens het conflict in Angola hebben beide partijen kindsoldaten ingezet. Hoewel er geen exacte cijfers beschikbaar zijn, variëren de schattingen van 6 000 (regeringscijfers) tot 11 000 (Human Rights Watch).
De Commissie is van mening dat de bijstand ten behoeve van voormalige kindsoldaten na afloop van het conflict één van de vele grote uitdagingen is die moeten worden aangepakt. De regering moet, daarbij gesteund door de internationale gemeenschap, meer doen op dit gebied. Er is al een aantal initiatieven genomen. Zo hebben de Angolese regering, het Kinderfonds van de Verenigde Naties (Unicef) en de maatschappelijke partnerorganisaties begin maart 2003 op een rondetafelconferentie over de „bescherming van de kinderrechten tijdens het proces van reïntegratie”, georganiseerd door het ministerie van Bijstand en sociale reïntegratie, opnieuw hun beleidskader bevestigd ter ondersteuning van kindsoldaten en alleenstaande minderjarigen.
Verder is één van de doelstellingen van het Angolese demobilisatie- en reïntegratieprogramma (ADRP) het verlenen van passende bijstand aan speciale doelgroepen, zoals voormalige kindsoldaten en gehandicapte voormalige strijdenden. Ongeveer 31 miljoen dollar wordt uitgetrokken voor de ondersteuning van deze speciale doelgroepen. De Commissie neemt deel aan het ADRP met een bijdrage van 20 miljoen euro voor het trustfonds van meerdere donoren in het kader van het meerlandenprogramma voor demobilisatie en reïntegratie (MDRP). De Commissie verricht momenteel onderzoek naar de mogelijkheden voor nog een rechtstreekse bijdrage aan het ADRP.
In het algemeen verbetert de situatie met betrekking tot demobilisatie, gezinshereniging en terugkeer van de bevolking zich. Hierbij doen zich wel enige problemen voor. De regering zal zich, gesteund door de internationale gemeenschap, aanzienlijk moeten blijven inspannen om dit proces tot een succesvol einde te brengen, hetgeen nog steeds ver verwijderd lijkt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/40 |
(2004/C 88 E/0043)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1693/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(21 mei 2003)
Betreft: Ondershandse toewijzing van opdrachten voor wederopbouw en beheer in Irak door het Amerikaanse leger aan Amerikaanse bedrijven
|
1. |
Houdt de Commissie zich bezig met het kritisch volgen van de wijze waarop omvangrijke contracten, die zijn bedoeld ter voorbereiding van de wederopbouw in Irak en ook voor het herstructureren van de economie in dat land, door het Amerikaanse leger via het „US Army Corps of Engineers” of via „USAid” worden toegekend aan Amerikaanse bedrijven? |
|
2. |
Valt het de Commissie op dat deze contracten worden toegekend op een ongebruikelijke manier, d.w.z. zonder parlementaire controle op de criteria en de procedure, zonder inschakeling van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken en zonder mogelijkheid tot inschrijving door niet-Amerikaanse bedrijven, terwijl bedrijven die de verkiezingscampagne van de Amerikaanse president hebben ondersteund en waar politiek gelijkgezinden de leiding in handen hebben sterk in het voordeel lijken te zijn? |
|
3. |
Is het de Commissie bekend of het contract voor het blussen van branden in oliebronnen dat is afgesloten met KBR, dochteronderneming van het Amerikaanse bedrijf Halliburton dat tot 2000 werd geleid door de huidige Amerikaanse vice-president, ook inhoudt dat dit bedrijf het recht verwerft op „het runnen van de infrastructuur en de distributie van de producten”, zodat het oliebronnen kan beheren en olie verhandelen? Tot wanneer loopt dit contract en kan worden verwacht dat het na die termijn wordt verlengd? |
|
4. |
Eisen de VS Europese medefinanciering voor de inschakeling van Europese bedrijven? Wordt, voorzover het Amerikaanse leger bij uitzondering bedrijven uit EU-lidstaten inschakelt, onderscheid gemaakt tussen bedrijven uit lidstaten die de Amerikaanse interventie in Irak ondersteunden en bedrijven uit lidstaten die van oordeel waren dat alleen de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zou kunnen besluiten tot een eventuele interventie? |
|
5. |
Wat heeft de Commissie tot nu toe ondernomen om een gelijkwaardige rol van niet-Amerikaanse bedrijven te bewerkstelligen bij de wederopbouw en modernisering van Irak? |
Bron: weekblad „Vrij Nederland” van 3 mei 2003 en dagblad „Metro”8 mei 2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/41 |
(2004/C 88 E/0044)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1694/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(21 mei 2003)
Betreft: Voortgaande en duurzame overname van de Iraakse economie en de voorraden aardolie door Amerikaanse bedrijven
|
1. |
Leidt de Amerikaanse wijze van vastlegging van contracten in Irak ertoe dat Amerikaanse bedrijven, zoals Halliburton, Stevedoring Services, Bechtel, Parsons, Fluor, Louis Berger Group en Washington Group International na een voorlopig contract van een jaar een verlenging voor onbepaalde tijd kunnen krijgen, dat recht geeft op permanent beheer van de Iraakse infrastructuur? |
|
2. |
Worden pogingen gedaan om voor Irak het Amerikaanse CDMA-gsm-systeem voor mobiele telefonie in te voeren, waardoor dit duurzaam zal afwijken van wat in Europa gebruikelijk is en afhankelijk blijft van Amerikaanse producenten? |
|
3. |
Acht de Commissie het reëel dat de totale kosten van de wederopbouw van Irak, die worden geschat tussen 25 miljard en ruim 100 miljard dollar, en de bestaande Irakese schuldenlast van 383 miljard dollar kunnen worden gedekt uit een hervatting van de olie-export? Wordt de te geringe omvang van deze inkomsten en de voorlopig beperkte capaciteit van productie en export gebruikt als rechtvaardiging voor snelle verkoop van de in de bodem aanwezige voorraden ruwe olie aan Amerikaanse oliebedrijven, zoals Chevron, waardoor inkomsten uit de oliewinning in de toekomst niet meer beschikbaar kunnen komen voor de financiering van taken van de Iraakse overheid? |
|
4. |
Leidt deze gang van zaken ertoe dat in een snel tempo voldongen feiten worden geschapen met betrekking van het toekomstig beheer van de aardoliebronnen en de olie-industrie, die later niet meer opengebroken kunnen worden? |
|
5. |
Vindt de Commissie dat deze aanpak om de economie van Irak sterk te verbinden met delen van de Amerikaanse economie past in de tegenwoordig heersende visie op vrije concurrentie en transparante internationale handelsrelaties of beschouwt zij deze als daarmee strijdig? |
|
6. |
Keert de Europese Unie zich tegen deze gang van zaken, die strijdig is met het zelfbeschikkingsrecht van de Iraakse bevolking, kan leiden tot verarming en instabiliteit in Irak en de VS blijvende voordelen oplevert ten opzichte van andere delen van de wereld? |
Gecombineerd Antwoord
van de heer Patten namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-1693/03 en E-1694/03
(7 juli 2003)
De Commissie heeft de aanbestedingspraktijken van de Verenigde Staten in Irak gevolgd en deze onderzocht in het licht van de internationale verplichtingen van de VS. De Commissie merkt op dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in Resolutie 1483 benadrukt dat het Ontwikkelingsfonds voor Irak op transparante wijze aangewend moet worden om tegemoet te komen aan de humanitaire behoeften en de behoeften op het gebied van wederopbouw van het Iraakse volk. De resolutie benadrukt eveneens het recht van het Iraakse volk zijn eigen natuurlijke hulpbronnen te controleren. De Commissie verwacht dat de Autoriteit die de verplichtingen en de bevoegdheden van de bezettende macht overeenkomstig Resolutie 1483 van de Veiligheidsraad uitoefent, het land zal besturen in het belang en in het voordeel van de Iraakse bevolking. De Commissie zal de gebeurtenissen op dit terrein blijven volgen teneinde de toepassing van de principes van transparantie en vrije internationale handel, waaraan de EU zoveel waarde hecht, te kunnen verdedigen.
De Commissie heeft de regering van de Verenigde Staten gemeld dat de EU verwacht dat de Verenigde Staten zich houden aan de relevante internationale regels, zoals de overeenkomst inzake overheidsopdrachten (Government Procurement Agreement, GPA) van de Wereldhandelsorganisatie, waarin opgenomen de principes van transparantie, niet-discriminatie, nationale behandeling en procedurele garanties.
De Commissie heeft enkele van de belangrijkste toegekende contracten op individuele basis onderzocht, met name de eerste acht contracten die het Agentschap voor internationale ontwikkeling van de Verenigde Staten (United States Agency for International Development, USAID) heeft toegekend via de „less than full and open competition”-procedure, en heeft tot dusver geen schending van de GPA-overeenkomst vastgesteld. Nota werd genomen van het onderzoek van de inspecteur-generaal van USAID en diens correspondentie met het Amerikaanse congres, waarbij het gebruik van de beperkte aanbestedingsprocedures werd goedgekeurd, vanwege de beperkte tijd en de dringende noodzaak om deze contracten uit te voeren.
Vanwege het grote aantal aanbestedingen is het voor de Commissie uiterst moeilijk voor alle aanbestedingsprocedures die door de autoriteiten van de Verenigde Staten voor de wederopbouw van Irak worden gelanceerd te onderzoeken of zij overeenstemmen met de GPA-regels. Het groot aantal dagelijkse aanbestedingen en de onvoldoende informatie die beschikbaar is voor niet-deelnemers aan de aanbestedingen, maken het voor de Commissie onmogelijk een dergelijke alomvattende analyse uit te voeren. De aanvankelijke informatie die beschikbaar is via een aankondiging van een aanbesteding is zeer beperkt, en meer gedetailleerde informatie (het aanbestedingsdossier) is alleen beschikbaar op verzoek door een gegadigde. De Commissie moet grotendeels gebruikmaken van de door lidstaten of door individuele bedrijven verstrekte informatie om een volledig onderzoek van de individuele gevallen uit te voeren. Ondanks enkele vage verwijzingen in de pers over door leveranciers in de Gemeenschap ingediende klachten, is er geen formele klacht ingediend bij de Commissie. Zodra een klacht wordt ontvangen zal de Commissie deze de nodige prioriteit geven om tijdig en accuraat te kunnen reageren. De Commissie zal deze zaak hoe dan ook nauwlettend blijven volgen.
Ook wordt opgemerkt dat de Commissie van de overheid van de Verenigde Staten geen verzoek heeft ontvangen voor medefinanciering in ruil voor de betrokkenheid van Europese bedrijven.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/42 |
(2004/C 88 E/0045)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1695/03
van Mario Mantovani (PPE-DE) en Antonio Tajani (PPE-DE) aan de Commissie
(21 mei 2003)
Betreft: Humanitaire noodhulp in Irak: de dramatische situatie van kinderen, gehandicapten en bejaarden in de ziekenhuizen
Is de Commissie in staat nauwkeurige gegevens te verstrekken, mede na het bezoek van Commissaris Nielson aan Bagdad, over de op zijn zachtst gezegd dramatische situatie waarin met name kinderen, gehandicapten en bejaarden, de eerste onschuldige slachtoffers van het voormalige Iraakse regime, in de Iraakse ziekenhuizen verkeren?
Kan de Commissie gedetailleerde inlichtingen verstrekken over de mogelijkheid om patiënten in bijzonder urgente gevallen te evacueren, ook naar landen van de Europese Unie, opdat zij zo snel mogelijk adequaat behandeld kunnen worden? Welke landen zouden dergelijke urgente gevallen kunnen opnemen?
Is de Commissie bekend of — afgezien van de middelen en de humanitaire noodhulp die door de Europese Unie onmiddellijk ter beschikking zijn gesteld — in de beraadslagingen tussen de verschillende lidstaten van de EU die dezer dagen worden gevoerd, reeds beslissingen zijn genomen over een dergelijk evacuatieplan? Zo ja, hoe wil men te werk gaan? Zo nee, welke andere oplossingen zijn dan mogelijk?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(3 juli 2003)
De nog steeds chaotische situatie in Irak maakt het moeilijk juiste cijfers te verkrijgen over de situatie van kinderen, gehandicapten en bejaarden in Iraakse ziekenhuizen.
Volgens een recent verslag van Unicef zijn de grootste gevaren voor de Iraakse kinderen evenwel het niet-ontplofte oorlogsmateriaal (UXO), zoals helaas is gebleken uit één van de laatste incidenten in Basra, waar zes kinderen de dood hebben gevonden terwijl ze met munitie aan het spelen waren, en de slechte kwaliteit van het drinkwater.
De kwaliteit van het drinkwater gaat erop achteruit door besmetting met rioolwater als gevolg van beschadigingen aan het waterleidingstelsel en het gebrek aan brandstof om water te koken. Deze combinatie van factoren heeft ernstige gevolgen voor de gezondheid en voeding van de kinderen. In Basra is het aantal gevallen van diarree verdubbeld ten opzichte van dat van een jaar geleden. Blijkens een studie van Unicef is het percentage van de gevallen van ondervoeding gestegen, aangezien 7,7 % van de onderzochte kinderen van jonger dan vijf jaar aan acute ondervoeding lijdt tegenover 4 % een jaar geleden.
Via het Bureau voor Humanitaire Hulp heeft de Commissie tot nu toe humanitaire hulp goedgekeurd ten belope van 32,5 miljoen euro in totaal om het lijden van de Iraakse bevolking en inzonderheid de kinderen te verzachten.
De goedgekeurde hulp omvat noodhulpgoederen, zoals voedsel voor ziekenhuizen, hygiëneproducten, steun voor humanitaire vluchten, maar de belangrijkste doelstelling is steun voor het herstel van de gezondheidszorg, de watertoevoer en de afvalwaterzuivering, die ernstig geleden hebben onder de bombardementen en plunderingen (details zie bijlage).
Het laatste pakket humanitaire noodhulp van 10 miljoen euro dat werd goedgekeurd, is gericht op de verwijdering van niet-ontploft oorlogsmateriaal (ontmijning) en bewustmaking van de gevaren van mijnen en heeft als specifieke doelstelling de onmiddellijke dreiging van landmijnen en UXO voor de burgerbevolking en het humanitaire personeel weg te nemen en ervoor te zorgen en erop toe te zien dat humanitaire bijstand de kwetsbare bevolkingsgroepen in Irak bereikt.
Na de Europese Raad van Athene van 17 april 2003 waarop de voorzitter van de Commissie en de regeringsleiders van de Unie een consensus hebben bereikt over de bereidheid van de lidstaten om zwaargewonde kinderen naar Europa over te vliegen, heeft ECHO contact gehad met de lidstaten die zich daartoe bereid hadden getoond teneinde de mogelijke uitvoering van een dergelijke maatregel te onderzoeken.
Een van de elementen van het besluit betreffende humanitaire hulp van 22 april 2003 is „steun voor medische en chirurgische noodhulp. Dit kan betekenen dat wanneer nog geen adequate medische behandeling in Irak voorhanden is, gewonde of zieke personen, inzonderheid kinderen, worden overgebracht naar de buurlanden of desgevallend Europa”.
Op 30 april 2003 heeft ECHO een vergadering belegd met de lidstaten die zich tijdens het Comité voor humanitaire hulp van 24 april 2003 bereid hadden getoond om de luchtoperatie verder te bespreken. Op deze vergadering heeft ECHO uitgelegd dat Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp (1) ECHO belet operaties te financieren die buiten het crisisgebied worden uitgevoerd. Evenmin kan ECHO de lidstaten vervangen bij het verkrijgen van de nodige vergunningen, aangezien de betrokken lidstaten zelf de verantwoordelijkheid moeten opnemen voor het vervullen van deze verplichtingen.
Dientengevolge kan ECHO op twee vlakken een rol spelen:
|
— |
coördinatie van deze hele operatie door het hoofdkantoor van ECHO en zijn kantoor in Bagdad dat beschikbaar kan worden gesteld om de operatie ter plaatse te vergemakkelijken; |
|
— |
financiële steun voor het deel van de operatie dat in Irak wordt uitgevoerd (voorbereidende behandeling in het land, geneesmidden en andere medische materialen die nodig zijn, vervoer van patiënten naar het vliegtuig, reistoelagen voor kinderen en hun ouders om hun reis naar Europa voor te bereiden, …). |
Nadien is de Commissie ervan in kennis gesteld dat 10 kinderen op 15 mei 2003 naar Oostenrijk zijn overgebracht en dat enkele Duitse en Franse niet-gouvernementele organisaties de mogelijkheid onderzoeken gewonde of ernstig zieke kinderen medisch te evacueren.
ECHO bespreekt momenteel met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) de modaliteiten van ECHO-steun in het land, dat wil zeggen vooraleer de kinderen en hun begeleidende ouder het land verlaten. Het zal waarschijnlijk gaan om steun in de vorm van geneesmiddelen, ziekenhuiskosten om de kinderen op hun vertrek voor te bereiden, kosten van de ambulance tot de luchthaven, reistoelagen voor de kinderen en hun begeleidende ouder voor passende kleding en andere reisbenodigdheden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/44 |
(2004/C 88 E/0046)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1732/03
van Freddy Blak (GUE/NGL) aan de Commissie
(23 mei 2003)
Betreft: Discriminerende Deense accijnzen op bier
In Denemarken moet bij de import van bier accijns worden betaald over het extractgehalte van het bier, ofwel het percentage Plato, dat een indicatie is van de voedingsstoffen die in het bier aanwezig zijn. Een hoog extractgehalte geeft een hoger alcoholpercentage, maar hier is echter geen sprake van een vaste samenhang, wat voor problemen zorgt omdat over biersoorten met een identiek alcoholgehalte thans in een aantal gevallen verschillende accijnzen worden geheven. Dit systeem begunstigt Deense biersoorten omdat blijkbaar alleen Deense brouwerijen bier kunnen produceren met een alcoholgehalte van 4,6 procent (accijnsklasse 1) op basis van de toegevoegde hoeveelheid suiker en gist (extractgehalte/percentage Plato). Bovendien is het Deense accijnsstelsel ingedeeld in categorieën die nauwkeurig op de Deense bierbrouwtraditie zijn afgestemd. Dit komt erop neer dat uitsluitend Deens pilsner bier in de laagste accijnsklasse valt, namelijk accijnsklasse 1. Al het andere (buitenlandse) bier valt automatisch in een hogere accijnsklasse, omdat men in het buitenland andere hoeveelheden suiker/gist in het brouwproces gebruikt. Daarom ziet men dat dit bier met hetzelfde alcoholgehalte of zelfs met een nog lager alcoholgehalte wordt ingedeeld in accijnsklasse 2 of hoger, hetgeen neerkomt op een rechtstreekse discriminatie. Het zou daarom billijker zijn de accijns te berekenen op grond van het absolute alcoholgehalte en niet het extractgehalte/percentage Plato. Een dergelijke berekeningswijze zou bovendien vanuit gezondheidsoog-punt passender zijn.
Is de Commissie voornemens dit probleem bij de Deense regering aan de orde te stellen?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(23 juli 2003)
Uit hoofde van artikel 3 van Richtlijn 92/83/EEC (1) mogen de lidstaten kiezen of zij accijns op bier heffen op grond van de graden Plato of op grond van het effectief alcoholvolumegehalte. Voorts mogen de lidstaten die de accijns op bier heffen op grond van het aantal hectoliter/graden Plato, bier indelen in categorieën die zich ieder ten hoogste over vier hectoliters/graden Plato uitstrekken, en op alle bier dat in een bepaalde categorie valt, hetzelfde accijnstarief per hectoliter toepassen.
Uit hoofde van deze bepaling mogen de lidstaten de heffing van accijns op bier vereenvoudigen door deze te berekenen op grond van het aantal hectoliter/graden Plato. Niet alleen Denemarken, maar ook twee andere lidstaten maken gebruik van deze mogelijkheid om bier in te delen in categorieën graden Plato en alle drie gebruiken ze 11 graden Plato als scheidingslijn tussen twee categorieën. Opgemerkt moet worden dat de tarieven die elk van deze lidstaten toepast op de verschillende categorieën gemiddeld neerkomt op een evenredige heffing per graad Plato van bieren die in verschillende categorieën vallen. Bovendien zijn op bieren die in Denemarken worden geproduceerd, dezelfde accijnstarieven van toepassing (uitgedrukt per hectoliter voor elke categorie van graden Plato) als op bieren die in Denemarken worden ingevoerd.
Voorts is in het geharmoniseerde stelsel van belasting op alcohol — dat gebaseerd is op de verschillende stelsels die al voor 1992 in de lidstaten werden toegepast — de heffing op grond van het alcoholvolumegehalte van een alcoholische drank in feite de uitzondering, die enkel op sterke dranken van toepassing is en, bij wijze van alternatief, op bier. Alle andere producten (wijn, tussenproducten, cider, enz.) worden enkel belast op grond van hun volume.
In verband met de bewering van het geachte parlementslid dat het passender zou zijn om de belasting te berekenen op grond van het alcoholvolumegehalte, wenst de Commissie erop te wijzen tot nu toe noch de lidstaten, noch de brouwerij sector, zich hebben uitgesproken voor een wijziging van het bestaande stelsel van belasting op bier in de Unie.
De Commissie ziet dan ook geen aanleiding om deze kwestie bij de Deense regering aan de orde te stellen.
(1) Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken, PB L 316 van 31.10.1992.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/45 |
(2004/C 88 E/0047)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1833/03
van Anna Karamanou (PSE) aan de Commissie
(2 juni 2003)
Betreft: Irak — Niet-geniimde mijnen en plunderingen groot gevaar voor burgerbevolking
Human Rights Watch meldt dat het aantal burgerslachtoffers in Irak met name na afloop van de recente oorlog zeer sterk is gestegen. De voornaamste oorzaak hiervan zijn de grote hoeveelheden niet-geëxplodeerde munitie — landmijnen, handgranaten en andere explosieven — die in bewoonde gebieden zijn achtergebleven. Dit verschijnsel wordt hoofdzakelijk toegeschreven aan de plotselinge ineenstorting van de bevel- en controlestructuren van het Iraakse leger en de daarop volgende ongeordende vlucht van militairen, met achterlating van hun uitrusting. Onder de slachtoffers zijn veel kinderen, die met de explosieven spelen en daarbij ernstig gewond raken. Tegelijkertijd gaan de plunderingen voort, alsook de acties van sluipschutters, naar verluidt aanhangers van de Baath-partij, die het land willen destabiliseren. Er vallen grote aantallen onschuldige slachtoffers onder de bevolking en ontelbare belangrijke documenten van overheidsdiensten gaan verloren. Volgens Amnesty International zijn Britse militairen betrokken bij de massale vernietiging van documenten van de elektriciteitsmaatschappij van Bassora.
Op hetzelfde moment weigeren de Amerikaanse troepen die in Irak de controle uitoefenen, in te gaan op de verzoeken om de mijnen te ruimen en op grotere schaal te surveilleren. Hetzelfde geldt voor de verzoeken van internationale mensenrechtenorganisaties om een minimumniveau van politietoezicht te garanderen.
Wat is de Commissie van plan te gaan doen teneinde te bewerkstelligen dat de bezettings- en toezichtseenheden in Irak zich aan de internationale overeenkomsten houden en de Iraakse bevolking tegen de bovenvermelde gevaren beschermen, aangezien deze gevaren niet alleen hun gezondheid en hun leven, maar ook de organisatie van hun eigen land bedreigen.
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 juli 2003)
De Commissie deelt de bezorgdheid van het geachte parlementslid over de veiligheidssituatie in Irak, en over de voorturende plunderingen en aanvallen door criminelen of aanhangers van de Baath-partij. De huidige situatie vormt een ernstige bedreiging voor de inspanningen om het land te stabiliseren en belemmeren humanitaire hulpverleners bij het verstrekken van de vereiste hulp aan de bevolking.
De Commissie hoopt dat de coalitietroepen die de autoriteiten vertegenwoordigen in Irak de nodige maatregelen zullen treffen om de veiligheid te waarborgen en de burgerbevolking te beschermen tegen elke vorm van bedreiging. De conclusies van de Europese Raad in benadrukken overigens de noodzaak om de burgerbevolking veiligheid te verschaffen omdat dit een eerste vereiste is voor duurzame wederopbouw.
De Commissie is ook op de hoogte van de probleem van de slachtoffers die elke dag vallen als gevolg van niet-geruimde mijnen die na het conflict zijn blijven liggen. De Commissie heeft onlangs besloten een financiële bijdrage te verlenen van EUR 10 miljoen ten behoeve van mijnruimingswerkzaamheden die worden uitgevoerd door internationale niet-gouvernementele organisaties en worden gecoördineerd door UNMAS. Met deze bijdrage zal informatie kunnen worden verzameld en verspreid over mogelijke locaties met een hoge concentratie van niet-ontplofte landmijnen en bommen, kan ter plaatse de capaciteit worden ontwikkeld door middel van formele opleiding en zal de bevolking voorlichting worden gegeven over het gevaar van mijnen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/45 |
(2004/C 88 E/0048)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1840/03
van Michael Cashman (PSE) aan de Commissie
(26 mei 2003)
Betreft: Steun na de oorlog in Irak
Kan de Commissie, gezien het aantal schendingen van de mensenrechten in Egypte, mededelen welke overwegingen een rol hebben gespeeld in het besluitvormingsproces inzake de versnelde toekenning van een bedrag van 175 miljoen euro aan financiële bijstand aan Egypte?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(18 juni 2003)
Het bedrag van 175 miljoen euro, dat de Commissie voornemens is aan Egypte uit te betalen in de vorm van begrotingssteun, komt neer op een versnelling van de uitbetalingen in het kader van bestaande programma's die worden gefinancierd uit de Meda-begroting.
Dit besluit is bedoeld als een noodmaatregel om de negatieve economische gevolgen van de oorlog in Irak voor de Egyptische economie te verzachten. De onmiddellijke economische gevolgen van de oorlog in Irak zijn voor Egypte aanzienlijk, vooral wat verloren inkomsten uit het toerisme en misgelopen directe buitenlandse investeringen betreft.
Wat de reputatie van Egypte inzake de mensenrechten betreft, heeft de Commissie niet geaarzeld bij de Egyptische autoriteiten zorgwekkende kwesties ter sprake te brengen indien zij zulks nodig achtte. De associatieovereenkomst, die momenteel ter ratificatie wordt voorgelegd, zal een aanvullend en nuttig forum bieden om dergelijke kwesties te bespreken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/46 |
(2004/C 88 E/0049)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1844/03
van Bill Miller (PSE) aan de Commissie
(3 juni 2003)
Betreft: Behandeling van homoseksuelen, lesbiennes en transseksuelen in Polen
De Poolse regering zou pogingen in het werk hebben gesteld om ontheffingen van het acquis te verkrijgen zodat zij ethische kwesties kan regelen.
Is dit vraagstuk aan de orde gekomen en welk antwoord is daarop gegeven?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(10 juli 2003)
Het is waar dat de Poolse regering erin is geslaagd een verklaring over de „openbare zedelijkheid” in het toetredingsverdrag te laten opnemen. Dit stelt Polen echter niet vrij van zijn taken en verplichtingen in het kader van de EG-Verdragen. Integendeel, de huidige lidstaten hebben in een algemene gezamenlijke verklaring beklemtoond dat de aan de toetredingsverdragen gehechte verklaringen niet kunnen worden uitgelegd of toegepast op een wijze die strijdig is met de verplichtingen van de lidstaten die voortvloeien uit de toetredingsverdragen. De Commissie heeft deze verklaring volledig onderschreven.
Gelet op het voorgaande moet het acquis communautaire op dit gebied, dus ook inzake werkgelegenheid, gelijke behandeling en non-discriminatie, uiterlijk op de datum van toetreding volledig door Polen worden toegepast. Meer bepaald heeft de Commissie er met betrekking tot de omzetting van Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (1) en de Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (2) voortdurend bij de Poolse autoriteiten (en bij die van alle andere toetredingslanden) op aangedrongen dat discriminatie op welke grond ook uitdrukkelijk moet worden verboden en dat in de wetgeving te dien aanzien uitdrukkelijk moet worden verwezen naar ras of etnische afstamming, het hebben van een handicap, leeftijd en seksuele geaardheid. De Poolse regering is met andere woorden kenbaar gemaakt dat deze verklaring over „openbare zedelijkheid” niet mag worden uitgelegd als een vrijbrief om zich te onttrekken aan een of meer verplichtingen van deze richtlijnen. Tijdens een recent bezoek aan Polen van de Directeur-generaal voor werkgelegenheid en sociale zaken van de Commissie is door haar voorts benadrukt dat discriminatie op grond van seksuele geaardheid niet valt onder de huidige ontwerp-wetgeving inzake de toegang tot arbeid, beroepskeuzevoorlichting en opleiding en dat dit aanpassing behoeft teneinde aan de richtlijnen te voldoen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/47 |
(2004/C 88 E/0050)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1848/03
van Luigi Vinci (GUE/NGL) aan de Commissie
(3 juni 2003)
Betreft: Gerechtelijk onderzoek tegen de voorzitter van de vereniging voor de mensenrechten van Diyarbakir
Op 18 mei jl. werd mij gemeld dat het tribunaal voor de staatsveiligheid een gerechtelijk onderzoek had geopend tegen Selahattin Demirtab, advocaat, en voorzitter van de vereniging voor de mensenrechten van Diyarbakir, op verdenking van steun aan de KADEK-partij (ex PKK).
De procureur van de republiek van Diyarbakir had eerder op deze aanklacht afwijzend gereageerd en voorgesteld de zaak bij gebrek aan bewijs te seponeren. Het tribunaal voor de staatsveiligheid wil de procedure echter voortzetten.
Ik had op 27 april jl. een gesprek met Selahattin Demirtab, twee dagen na de tweede zitting van het nieuwe proces dat nu dient tegen Leyla Zana en drie andere Koerdische afgevaardigden die sinds 1995 in de gevangenis verblijven. Selahattin Demirtab heeft mij een verschrikkelijk beeld geschetst van de situatie in het zuid-oosten van Turkije, dat nog steeds gebukt gaat onder het terreurbewind van de Turkse veiligheidstroepen; hij waarschuwde voor het gevaar van een nieuwe opstand van de Koerdische bevolking. Hij verzocht mij er bij de Europese Unie voor te pleiten dat zij er bij Turkije op zou aandringen nauwgezet de criteria van Kopenhagen na te leven om een nieuwe oorlog in het zuid-oosten van het land te vermijden.
Net als uit de talloze vorige episodes van de voorbije weken blijkt ook uit deze laatste dat een groot deel van de Turkse magistratuur elke poging van de huidige Turkse regering om het land te democratiseren actief boycot.
Hoe wil de Europese Commissie ervoor zorgen dat de Turkse regering het machtsmisbruik van een deel van de magistratuur ten nadele van de mensenrechtenorganisaties voor eens en altijd de kop indrukt? Vindt de Commissie niet dat Turkije geen enkele kans maakt om tot de Europese Unie toe te treden als het geen werk maakt van een effectief democratiseringsproces?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(14 juli 2003)
De Commissie is op de hoogte van de situatie van de voorzitter van de mensenrechtenorganisatie Diyarbakir, de heer Selahattin Demirtab, die op grond van artikel 169 van het Turkse strafrecht beschuldigd wordt van „steun aan een illegale organisatie”. De Commissie heeft vernomen dat de procureur van het tribunaal voor de staatsveiligheid afziet van verdere behandeling van deze zaak, en dat derhalve vooralsnog geen proces wordt aangespannen tegen de heer Demirtab.
De Commissie is zich ook bewust van de meer algemene problemen met betrekking tot de uitvoering van hervormingen op het gebied van de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de rechterlijke macht. In het recent goedgekeurde herziene Partnerschap voor de toetreding met Turkije (1) werd uiteengezet welke punten in dit verband voorrang moeten krijgen, onder andere met betrekking tot de situatie van mensen die vervolgd worden of veroordeeld zijn omdat zij op niet-gewelddadige wijze gebruikmaakten van de vrijheid van meningsuiting en de uitvoering van hervormingen op het gebied van de vrijheid van vereniging en vreedzame samenkomst.
Wat de rechterlijke macht betreft, wordt Turkije gevraagd deze onafhankelijker en doelmatige te maken en verder ervoor te zorgen dat wettelijke bepalingen met betrekking tot mensenrechten en fundamentele vrijheden consequent geïnterpreteerd worden, in overeenstemming met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens; maatregelen te nemen om te voldoen aan de verplichting dat alle justitiële instellingen rekening moeten houden met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens; de werking van de tribunalen voor de staatsveiligheid in overeenstemming te brengen met Europese normen; en voorbereidingen te treffen voor de oprichting van lagere hoven van beroep. Meer in het algemeen wordt Turkije verzocht de jure en de facto te garanderen dat iedereen zonder discriminatie zijn mensenrechten en fundamentele vrijheden kan genieten.
Wat de specifieke situatie in het zuidoosten betreft, wordt Turkije gevraagd zich meer in te spannen om een brede aanpak te ontwikkelen voor het bestrijden van verschillen tussen regio's, en met name de situatie in het zuidoosten te verbeteren door alle burgers meer economische, maatschappelijke en culturele kansen te bieden. In dit verband moet de terugkeer van binnenlandse ontheemden naar hun plaats van herkomst ondersteund en versneld worden.
Als kandidaat-lidstaat van de EU streeft Turkije ernaar te voldoen aan de politieke criteria van Kopenhagen, die onder andere betrekking hebben op hervormingen van de rechterlijke macht, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging. De Commissie zal blijven toezien op de situatie op dit terrein en andere onderdelen van de democratiseringsproces in Turkije. De Commissie zal de mensenrechtensituatie in Turkije evalueren in haar volgende periodieke verslag.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/48 |
(2004/C 88 E/0051)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1858/03
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(3 juni 2003)
Betreft: EU-steun voor revalidatie van gemartelden
De toenemende nadruk die de EU vanaf 2002 legt op de voorkoming van marteling in de gehele wereld heeft, hoezeer deze acties ook zijn toe te juichen, geleid tot een feitelijke vermindering van 45 % van de EU-steun aan de revalidatie van personen die martelingen hebben overleefd. Het in Dublin gevestigde Centre for the Care of Survivors of Torture (CCST) wijst erop dat 30 revalidatiecentra in Midden- en Oost-Europa, Afrika en Latijns-Amerika thans geen EU-steun ontvangen en met sluiting worden bedreigd.
Is de Commissie bereid ervoor te zorgen dat er een nieuwe toewijzing van fondsen van de begroting voor 2003 geschiedt zodat deze centra open kunnen blijven en zal zij ervoor zorgen dat de fondsen voor de revalidatie van slachtoffers van martelingen in de begroting voor 2004 qua omvang op zijn minst opnieuw op het niveau van 2002 worden teruggebracht (uiteraard niet ten koste van de nieuwe maatregelen ter voorkoming van marteling)?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(10 juli 2003)
De Commissie heeft besloten tot een meer strategische aanpak van de financiering in het kader van het Europees Initiatief voor democratie en mensenrechten (EIDHR); in de Mededeling van de Commissie over mensenrechten en democratisering van mei 2001 (1) werden daartoe vier thema's als prioriteit aangemerkt voor toekomstige steun in het kader van het EIDHR, waaronder de bestrijding van marteling. Conform de noodzaak de beperkte middelen gerichter aan te wenden werd in de mededeling verder benadrukt dat de Unie moet proberen zich zo veel mogelijk te richten op het voorkomen van marteling in plaats van op het ondersteunen van revalidatiecentra. In het ter zake doende programmeringsdocument voor het Europees initiatief voor democratie en mensenrechten (EIDHR) voor de periode 2002-2004 is bepaald dat bij de aanwending van de begrotingsmiddelen op de lange termijn voorrang zal worden gegeven aan de preventie van marteling.
De verminderde beschikbaarheid van begrotingsmiddelen voor revalidatiecentra is vergezeld gegaan van maatregelen om deze centra geleidelijk minder afhankelijk te maken van financiering van de Gemeenschap door hen te stimuleren fondsen uit andere bronnen aan te trekken. In de oproep tot het indienen van voorstellen van 2001 werd bijvoorbeeld het maximumpercentage dat voor steun aan revalidatieprojecten kon worden uitgekeerd, verminderd tot 60 % voor centra in de Unie en tot 80 % voor projecten buiten de Unie. In de oproep van 2002 werden deze percentages verder verlaagd tot respectievelijk 50 % en 75 %. Een andere factor van belang is het gewicht dat bij de beoordeling wordt toegekend aan duurzaamheids-aspecten. In 2001 en 2002 kwam „institutionele versterking”, waaronder de ontwikkeling van het vermogen om financiële middelen aan te trekken, voorts uitdrukkelijk in aanmerking voor financiering.
De oproep tot het indienen van voorstellen van 2002 was ontworpen om dit proces voort te zetten. Het voor deze ronde beschikbare bedrag van 25 miljoen euro was bestemd voor de financiering van projecten ter preventie van marteling en voor revalidatiecentra, waarbij het de bedoeling was de middelen in een verhouding van 1/3 en 2/3 tussen deze twee actieterreinen te verdelen. Alle ingediende projecten zijn beoordeeld door twee deskundigen; een deskundige met ervaring in projectbeheer en een deskundige met een psychiatrische/psychologische achtergrond. De projecten werden gerangschikt in volgorde van de behaalde score en geselecteerd met het oog op een evenwichtige geografische spreiding van de voorgestelde activiteiten.
De kwaliteit van projecten die werden ingediend door de revalidatiecentra in de Europese Unie (begrotingslijn B5-813) was dusdanig dat het nagestreefde evenwicht kon worden gehandhaafd. De projecten die werden ingediend door centra buiten de Unie scoorden evenwel slechter (en bleven soms onder de minimale drempel), waardoor het niet mogelijk was voldoende revalidatieprojecten te selecteren om tot een verdeling 2/3-1/3 te komen. Circa 4,5 miljoen euro werd toegekend aan centra buiten de Unie (voor de periode 2002-2003), waarvan 8 miljoen euro voor projecten ter preventie van marteling. Ongeveer 4 miljoen euro werd toegekend aan revalidatiecentra in de Unie en 2 miljoen euro aan projecten met aspecten inzake de ondersteuning van slachteroffers van marteling.
De mogelijke sluiting van centra wegens het niet verkrijgen van steun van de Gemeenschap moet worden bezien in het licht van de beleidskeuze om bij de aanwending van de middelen voorrang te geven aan preventie boven revalidatie en de hiervoor beschreven flankerende maatregelen bij deze beleidswijziging. Steun aan centra kan alleen worden verleend volgens concurrerende regels die zijn ontworpen om ervoor te zorgen dat de belastingbetaler in de Unie waarde voor zijn geld krijgt doordat alleen de beste voorstellen worden gefinancierd en aan minimale kwaliteitseisen is voldaan.
Het is niet mogelijk alsnog begrotingsmiddelen van de begroting 2003 toe te wijzen aan revalidatiecentra. Dit zou leiden tot de vermindering van begrotingsmiddelen voor andere belangrijke prioriteiten op het gebied van de mensenrechten in het kader van het EIDHR, zou strijdig zijn met de programmering van het EIDHR en niet stroken met de regels van de herziene Financiële verordening (2). Wel is in 2003 een verdere oproep tot het indienen van voorstellen voor centra in de Unie voorzien, waarvoor 5,5 miljoen euro is uitgetrokken. De Commissie bestudeert momenteel de wijze waarop deze aangelegenheid in het kader van de begroting 2004 moet worden aangepakt.
(1) COM(2001)252 def.
(2) Verordening (EC, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, PB L 248 van 16.9.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/49 |
(2004/C 88 E/0052)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1897/03
van Nelly Maes (Verts/ALE) aan de Commissie
(6 juni 2003)
Betreft: Voedselhulp Zimbabwe
In de resolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2003 (1) over de situatie inzake de rechten van de mens in Zimbabwe staat onder paragraaf 5 het volgende:
|
|
veroordeelt het gebruik van de voedselhulp als politiek wapen tegen aanhangers van de oppositie; verzoekt de regering van Zimbabwe voedseldistributie te waarborgen voor de bevolking ongeacht hun politieke voorkeur en doet een beroep op de internationale gemeenschap, met inbegrip van de VN, om te komen tot een meer interventionistische benadering voor de voedseldistributie en bescherming te bieden voor een veilige en eerlijke verdeling van voedsel onder degenen die dit nodig hebben, en samen te werken met de buurlanden van Zimbabwe, die geconfronteerd worden met vluchtelingenproblemen. |
Nog steeds bereiken ons berichten over Europese voedselhulp die niet terechtkomt, o.a. nog vorige week in Straatsburg tijdens een gedachtewisseling met de rooms-katholieke aartsbisschop Pius Ncube uit Bulawayo (Zimbabwe).
Welke concrete acties heeft de Commissie hieromtrent ondernomen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(15 juli 2003)
De Dienst voor Samenwerking EuropeAid van de Commissie (AIDCO) is bevoegd voor het beheer van kredieten uit de voedselhulpbegroting voor Zimbabwe. Als reactie op de noodoproepen van de VN is voor 2002 en 2003 in totaal 63,8 miljoen euro vastgelegd uit de begrotingslijn voedselzekerheid van de Commissie. Zo konden overeenkomsten worden gesloten met uitvoeringspartners (Wereldvoedselprogramma (WFP) en EuronAid) om voor de begunstigde doelgroepen meer dan 130 000 ton voedsel aan te kopen, te leveren en te verdelen. De distributie blijft verlopen via het WFP en niet-gouvernementele organisaties (NGO's). Regering en overheidsinstanties zijn daarbij niet betrokken. Sinds begin 2002 is al deze voedselhulp in het land geleverd en tegen eind juni 2003 is deze naar verwachting volledig verdeeld. Op het hoogtepunt van het distributieproces hebben in de periode februari-mei 2003 meer dan vijf miljoen begunstigden voedselhulp ontvangen.
In overleg met haar partners en de VN-structuur blijft de Commissie het distributieproces en de toewijzing van internationale hulp nauwlettend volgen. Hierbij doen zich geen problemen voor. De internationale gemeenschap in Zimbabwe heeft alle gerapporteerde gevallen van politisering actief gevolgd en alle berichten over misbruik van voedselhulp onderzocht. Bij de vaststelling van de begunstigde doelgroepen worden de kwetsbare bevolkingsgroepen overeenkomstig erkende criteria en in overleg met de lokale gemeenschap vastgesteld. Het Bureau voor humanitaire hulp van de Commissie (ECHO) heeft 5 miljoen euro toegewezen voor het WFP, vooral ter verbetering van de gecombineerde capaciteit van het WFP en zijn partners om de voedselhulp op een volledig transparante, goed gecontroleerde en gedocumenteerde wijze te verdelen. Het verheugt de Commissie dat het selectie-, distributie- en monitoringproces wordt voortgezet om ervoor te zorgen dat alleen de meest behoeftige bevolkingsgroepen hulp ontvangen. De Commissie dringt er verder bij al haar partners in Zimbabwe op aan dat de door de meeste lidstaten goedgekeurde richtlijnen voor de distributie van humanitaire hulp strikt worden nageleefd.
Via het bureau van de VN blijft de internationale gemeenschap niet alleen in Zimbabwe, maar in geheel zuidelijk Afrika een interventionistische benadering nastreven bij de aanpak van de humanitaire crisis. Algemeen wordt erkend dat dankzij deze interventie in de periode na juli 2002 een humanitaire ramp is afgewend. Het gezamenlijke regionale verzoek om steun van de VN (CAP) voor 2002 en 2003 is goed opgevolgd en heeft een belangrijke invloed gehad. Binnenkort wordt voor de periode tot juli 2004 een nieuw CAP georganiseerd. Het CAP voor 2003 en 2004 is multisectoraal en zal zich met name richten op de meest kwetsbare maatschappelijke sectoren en vooral op de sectoren die zijn getroffen door de HIV/aidsepidemie.
De aankoop en distributie van voedsel zal vooral bij het CAP voor specifieke doelgroepen in Zimbabwe opnieuw een belangrijke rol spelen. Alle voedselhulp voor begunstigde doelgroepen in Zimbabwe zal opnieuw via het WFP en onze EuronAid-partners worden verleend en door internationale en lokale NGO's op districtniveau worden verdeeld. De regering en de overheidsinstanties zullen geen rol spelen bij de distributie van de in het kader van het CAP toegezegde voedselhulp.
(1) P5-TA (2003)0066.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/50 |
(2004/C 88 E/0053)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1923/03
van Helena Torres Marques (PSE) aan de Commissie
(3 juni 2003)
Betreft: EU-middelen ten behoeve van de toeristensector in het Caribisch gebied (follow-up op het antwoord van de heer Nielson namens de Commissie op vraag P-0743/03).
Het antwoord van de Commissie van 26 maart 2003 (op vraag P-0743/03 (1)) was tamelijk vaag en teleurstellend.
Twee uitlatingen maakten een onmiddellijke reactie noodzakelijk:
|
— |
De doelstelling van vermindering van armoede gaat niet op voor de meeste Caribische eilanden die economisch het niveau van sommige Europese landen bereiken. |
|
— |
De uitlating dat het Caribisch gebied een bijzondere toeristische bestemming vormt, waardoor het niet beschouwd zou kunnen worden als een rechtstreekse concurrent voor de meeste Europese markten, bewijst een totaal onbegrip voor de toeristische sector. De hele alinea waaruit deze zin werd gelicht, is trouwens in tegenspraak met de erkenning van de Raad in zijn resolutie van 21 mei 2002 over de toekomst van het toerisme in Europa (2), namelijk dat de leidende positie die Europa inneemt als toeristische bestemming langzaam verzwakt. |
Kan de Commissie beide bovengenoemde uitlatingen opnieuw beoordelen en verklaren hoe zij enerzijds haar bezorgdheid kan uiten over de achteruitgang van het concurrentievermogen in de toeristische sector in Europa en anderzijds steun verleent aan concurrerende bestemmingen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(8 juli 2003)
De Commissie bevestigt opnieuw dat ondersteuning van de ontwikkeling van het toerisme voor haar een middel is ter ontwikkeling van de economie en ter bestrijding van de armoede. Zij verwijst in dit verband naar de Overeenkomst van Cotonou, waarin de rol van het toerisme duidelijk is omschreven: „In het kader van de samenwerkingsprogramma's en -projecten worden de inspanningen van de ACS-staten ondersteund die gericht zijn op de totstandbrenging en verbetering van het juridische en institutionele kader en de hulpbronnen voor de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van duurzame beleidslijnen en programma's op het gebied van toerisme, alsmede, onder andere, de verbetering van de concurrentiepositie van deze sector, met name van het MKB, de ondersteuning en bevordering van investeringen, productontwikkeling, inclusief de ontwikkeling van de inheemse culturen in de ACS-staten, en versterking van de onderlinge banden tussen het toerisme en andere sectoren van de economie” (artikel 24). Dit zijn de gebieden waarop de Commissie de inspanningen van de ACS-landen (Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan) ondersteunt.
Voor het Caribisch gebied bedraagt het gemiddelde bruto binnenlands product (BBP) per hoofd ongeveer 4 500 EUR en zijn er twee landen die tot de categorie minstontwikkelde landen behoren. Er is ernstige armoede in landen als Haïti, Guyana, de Dominicaanse Republiek en Jamaica, die meer dan 85 % van de regionale bevolking vertegenwoordigen. De ontwikkelingslanden met middelhoge inkomens vertegenwoordigen daarentegen slechts 3,5 % van de regionale bevolking. De Caribische economieën zijn verder zeer afhankelijk van het toerisme, dat rechtstreeks en onrechtstreeks goed is voor ongeveer 900 000 arbeidsplaatsen. Hun inkomsten uit het toerisme zijn zeer onstabiel en hun economieën zeer fragiel.
De Commissie is van mening dat effectieve steun aan de ontwikkeling van het toerisme in de ACS-landen, en in dit geval het Caribisch gebied, kan bijdragen tot de sociaal-economische ontwikkeling van deze regio's en aldus tot een meer omvattende en samenhangende wereldeconomie. Haar huidige beleid voor de ontwikkeling van het toerisme in het Caribisch gebied is op deze doelstelling gericht.
De beperkte middelen die door de Commissie ter beschikking zijn gesteld voor de ontwikkeling van het toerisme in het Caribisch gebied, dat momenteel slechts goed is voor 3 % van het totaal aantal toeristen en nog steeds een nichemarkt is, lijken geen afbreuk te doen aan de perspectieven van Europese bestemmingen. Deze perspectieven moeten worden versterkt door adequate inspanningen van zowel de particuliere als de openbare sector en gericht zijn op vernieuwing, de verbetering van de kwaliteit en de differentiatie van de aangeboden producten en op de doelmatige afzet van de producten, en zeker niet door een loutere bescherming van de sector en een beperking van onze steun aan ontwikkelingslanden.
(1) PB C 33 E van 6.2.2004, blz. 76.
(2) PB C 135 van 6.6.2002, blz. 1.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/51 |
(2004/C 88 E/0054)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1928/03
van Maria Carrilho (PSE) aan de Commissie
(13 juni 2003)
Betreft: Hulp aan ontwortelde bevolkingsgroepen in Azië en Latijns-Amerika: hernieuwing Verordening (EG) nr. 2130/2001 van 29.10.2001
Iedereen is zich ervan bewust dat absoluut moet worden voorkomen dat de hulpverlening aan de ontwortelde bevolkingsgroepen in Azië en Latijns-Amerika stilvalt.
Aangezien de Commissie zich in 2001, toen na de terreuraanslagen van 11 september alle donateurs hun bijdragen hadden teruggeschroefd, onderscheidde met een positief signaal door het krediet voor deze begrotingslijn op te trekken en aangezien Verordening (EG) nr. 2130/2001 (1) van 29 oktober 2001 op 31 december 2004 afloopt, wilde ik de Commissie vragen of zij plannen heeft om een hernieuwing van deze verordening voor te stellen, en zo ja, wanneer?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(4 juli 2003)
In juli 2002 heeft de Commissie een voorstel goedgekeurd voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de samenwerking van de Gemeenschap met de landen van Azië en Latijns-Amerika (2). Dit voorstel is ingediend bij het Parlement en de Raad en wordt momenteel besproken.
Met het oog op de vermindering van het aantal rechtsgronden, omvat de voorgestelde verordening ook de communautaire bijstand aan ontwortelde bevolkingsgroepen en zal, als het voorstel wordt goedgekeurd, Verordening (EG) nr. 2130/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 29 oktober 2001 betreffende acties op het gebied van de hulp aan ontwortelde bevolkingsgroepen in ontwikkelingslanden in Latijns-Amerika en in Azië worden ingetrokken.
Indien de goedkeuring van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de samenwerking van de Gemeenschap met de landen van Azië en Latijns-Amerika wordt uitgesteld, bestaat het risico dat de nieuwe verordening niet in werking treedt voor 31 december 2004. In dat geval zal de Commissie een voorstel indienen om de geldigheidsduur van Verordening (EG) nr. 2130/2001 te verlengen. Dit voorstel voor de verlenging van de huidige verordening zal voldoende vroeg worden ingediend, teneinde de continuïteit te waarborgen van de steunverlening aan ontwortelde bevolkingsgroepen.
(1) PB L 287 van 31.10.2001, blz. 3.
(2) PB C 331 E van 31.12.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/52 |
(2004/C 88 E/0055)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1949/03
van Christa Randzio-Plath (PSE) aan de Commissie
(13 juni 2003)
Betreft: Alcoholmonopolie TEKEL
Op dit ogenblik bestaan er grote moeilijkheden bij de invoer van bier en alcoholica in Turkije omdat Turkije — ondanks hetgeen op de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 over de uitvoering van de laatste fase van de douane-unie besloten werd — het alcoholmonopolie TEKEL nog steeds niet heeft afgeschaft. Weliswaar zijn de alcoholwetten een jaar geleden gewijzigd, maar enerzijds is, voorzover mij bekend, de uitvoeringsverordening voor de importsector nog niet goedgekeurd, en anderzijds zou dit ook niet voldoende zijn omdat volgens de huidige plannen de van TEKEL onafhankelijke invoer pas vanaf een bepaalde minimumhoeveelheid mogelijk zal zijn.
|
1. |
Wat is de huidige stand van de onderhandelingen van de Europese Unie met Turkije over een rechtmatige omzetting van de douane-overeenkomst ten aanzien van de invoer van alcoholische dranken, en met name welke houding neemt de Turkse regering in tegenover het verzoek van de Commissie uit het najaar van 2001 om spoedig een praktijkregeling te treffen in verband met de voor de handel in alcoholische dranken voortvloeiende verplichtingen op grond van de overeenkomst betreffende de douane-unie? |
|
2. |
Moet het huidige ontwerp van de uitvoeringsverordening voor de invoersector volgens de Commissie worden beschouwd als een toereikende omzetting van de wettelijke voorschriften betreffende de liberalisering van de markt voor alcohol en alcoholische dranken in het licht van het doel van openstelling van de Turkse markt voor alcoholische dranken? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(25 juli 2003)
De Commissie bevestigt de verklaring van het geachte parlementslid dat Turkije geen einde heeft gemaakt aan het TEKEL-monopolie. Overeenkomstig Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije (1), is Turkije slechts verplicht het monopolie aan te passen, als dat nodig is om ervoor te zorgen dat er geen sprake is van discriminatie tussen de lidstaten en Turkije ten aanzien van de omstandigheden waarin de goederen worden verworven en op de markt gebracht.
In 2001 heeft Turkije de primaire wetgeving (Wet nr. 4250) geamendeerd met een nieuwe alcoholwet (Wet nr. 4619), die nieuwe drempels omvat voor onafhankelijke prijsstelling en distributie. Vervolgens was er de zeer belangrijke ontwikkeling van de instelling van een Marktautoriteit voor Tabak en Alcoholische Dranken (TABA) bij wet nr. 4733 in januari 2002. Bij die wet werd de regelgevende bevoegdheid van TEKEL overgedragen aan TABA, een onafhankelijke autoriteit. Als gevolg daarvan kreeg TABA de verantwoordelijkheid voor de secundaire wetgeving tot uitvoering van de alcoholwet van 2001. Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, werd op 6 juni 2003 een daartoe strekkend decreet gepubliceerd.
Op de bijeenkomst van de Associatieraad EG-Turkije in april 2003 kwamen de Commissie en Turkije overeen een gezamenlijk actieplan te creëren voor de douane-unie, met de bedoeling enkele resterende problemen aan te pakken, waaronder de markttoegang voor alcoholische dranken. Het door de diensten van de Commissie opgestelde actieplan is begin juli doorgezonden naar Turkije.
Hoewel de Turkse regering stappen heeft gezet met betrekking tot alcoholische dranken om haar verplichtingen krachtens de douane-unie na te komen, koestert de Commissie nog steeds twijfel over de verenigbaarheid van de primaire wetgeving (Wet nr. 4250, als gewijzigd bij Wet nr. 4619) met die verbintenissen.
De situatie dient opnieuw te worden onderzocht, zodra de Commissie de mogelijkheid heeft gekregen de impact van de onlangs goedgekeurde secundaire wetgeving (d.w.z. het uitvoeringsbesluit) van TABA op de invoermarkt te evalueren.
(1) Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie, PB L 35 van 13.2.1996.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/53 |
(2004/C 88 E/0056)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1954/03
van Jannis Sakellariou (PSE) aan de Commissie
(13 juni 2003)
Betreft: Mensenrechtensituatie van de Yeziden in Georgië
Is de Commissie op de hoogte van de moeilijke situatie waarin de Yeziden in Georgië verkeren? Hoe schat de Commissie deze situatie in?
Welke politieke inspanningen worden er verricht om de situatie van de Yeziden duurzaam te verbeteren?
Welke technische en financiële mogelijkheden heeft de Commissie om deze minderheid in Georgië te ondersteunen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(18 juli 2003)
De Commissie heeft vernomen dat de Yeziden, een etnische minderheid van niet-islamitische Koerden in Georgië, net als vele andere etnische minderheden in Georgië, moeilijkheden ondervinden. De Yeziden vormen een kleine minderheid in Georgië en hebben geen sterke politieke organisatie die hun een stem kan geven in de Georgische besluitvorming. Hoewel de Yeziden in tegenstelling tot andere etnische minderheden in Georgië geen concreet doelwit vormen van discriminatie, hebben zij soms te lijden onder tekortkomingen op het gebied van rechtshandhaving en rechtsorde.
De Commissie verleent momenteel politieke en technische bijstand aan Georgië ter versterking van het bestuur en ter bevordering van de mensenrechten en het maatschappelijk middenveld. In het nieuwe indicatief programma voor Georgië wordt samenwerking voorgesteld ter ondersteuning van institutionele, juridische en administratieve hervormingen en bij de aanpak van de sociale gevolgen van de overgang naar een markteconomie en de verlening van bijstand ten behoeve van sociale wederopbouw. Daarnaast blijft de Commissie druk uitoefenen op de Georgische regering om haar verplichtingen in het kader van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens na te komen wat de eerbiediging van de rechten van minderheden betreft, en om het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden te ratificeren. Momenteel cofinanciert de Commissie samen met de Raad van Europa een project ter bevordering van de ratificatie en effectieve tenuitvoerlegging van het Kaderverdrag, waarbij overheidsactoren en ook niet-overheidsactoren betrokken zijn.
Het Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR) is een financieringsmechanisme waarmee wereldwijd projecten van niet-gouvernementele organisaties worden ondersteund. Georgië is één van de 31 „concentratielanden” in het kader van dit programma. Eén van de vier thematische gebieden van het EIDHR is de steun ter bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en discriminatie van minderheden en inheemse volkeren. De lopende activiteiten in Georgië in het kader van het EIDHR omvatten onder meer een recent project, uitgevoerd door World Vision Deutschland e.V., ter bestrijding van de etnicisering van conflicten tussen Georgische burgers in de Georgische regio's Samskhe-Javakheti en Kvemo Kartli, waar veel Yeziden wonen. Daarnaast staat de delegatie van de Commissie in Georgië op het punt een nieuwe oproep te doen tot het indienen van voorstellen voor microprojecten in het kader van het EIDHR voor projecten die worden geïmplementeerd door niet-gouvernementele Georgische organisaties. Eén van de prioritaire thema's die in dat verband naar verwachting zal worden opgenomen is de „steun voor maatregelen ter bestrijding van racisme en vreemdelingenhaat en ter bescherming van religieuze en etnische minderheden”. Naar verwacht wordt de oproep begin juli 2003 gepubliceerd en is de uiterste termijn voor het indienen van voorstellen september 2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/54 |
(2004/C 88 E/0057)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1984/03
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(16 juni 2003)
Betreft: Turkse schendingen van het Grieks luchtruim
De voorschriften inzake de luchtvaart en het Grieks luchtruim worden voortdurend geschonden door Turkse gevechtsvliegtuigen, die vaak met volledige uitrusting vliegen. Dit leidt tot onderschepping door Griekse gevechtsvliegtuigen en schijngevechten in de lucht boven de Egeïsche Zee. Deze gebeurtenissen doen zich dagelijks voor en betekenen een enorm gevaar voor de vrede in dit gebied. Zij vormen een bedreiging van een lidstaat en zeer zeker een schending van het beginsel inzake goed nabuurschap waartoe Turkije zich zou hebben verbonden. Het hoofd van de Turkse strijdmachten, generaal Chimi Ozkioek, heeft verklaard (26.5.2003) dat de Turkse gevechtsvliegtuigen het Grieks luchtruim vrij zullen gebruiken en dat er van schending geen sprake is omdat het om een internationaal luchtruim gaat.
Heeft de Commissie stappen ondernomen bij de Turkse autoriteiten om ervoor te zorgen dat een eind wordt gemaakt aan deze provocaties, die enorme gevaren behelzen voor een lidstaat van de Europese Unie? Welke stappen denkt de Commissie verder nog te nemen om Turkije ervan te overtuigen de beginselen inzake goed nabuurschap in de betrekkingen met Griekenland en de andere buurlanden toe te passen, waartoe het zich verplicht heeft?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/54 |
(2004/C 88 E/0058)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2050/03
van Konstantinos Hatzidakis (PPE-DE) aan de Commissie
(20 juni 2003)
Betreft: Hinderen van een Grieks luchtvaarttoestel door Turkse oorlogsvliegtuigen
Op maandag 9 juni hebben Turkse oorlogsvliegtuigen een luchtvaarttoestel van Olympic Airways gehinderd dat vlucht 321 Athene-Istanboel uitvoerde. De moeilijkheden deden zich voor in het internationale luchtruim maar binnen het vluchtinformatiegebied van Griekenland (FIR Athene).
|
1. |
Wat denkt de Commissie over deze acties en hoe kunnen zij een invloed hebben op de Europese perspectieven van Turkije? |
|
2. |
Welke initiatieven zal de Commissie nemen om ervoor te zorgen dat in de toekomst geen dergelijke acties meer worden gevoerd die de veiligheid van de passagiers in gevaar brengen? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/55 |
(2004/C 88 E/0059)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2083/03
van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE) aan de Commissie
(24 juni 2003)
Betreft: Schendingen Griekse luchtruim door Turkse vliegtuigen/Veiligheid bewoners eilanden Egeïsche Zee
Tijdens mijn recente bezoek aan de perifere eilanden Samos en Ikaria heb ik vastgesteld hoe groot de ongerustheid onder de bewoners is in verband met de voortdurende provocerende schendingen van het luchtruim boven de Egeïsche Zee door Turkse gevechtsvliegtuigen, en in verband met de gevolgen van deze schendingen voor hun leven, hun veiligheid en het toerisme in het gebied.
Met name na het recentste incident, waarbij een vliegtuig van Olympic Airways op het traject Athene-Konstantinopel door twee Turkse F-16 gevechtsvliegtuigen werd gehinderd, neemt de ongerustheid verder toe.
Hoe beoordeelt de Commissie dit Turkse gedrag, en welke maatregelen is de Commissie van plan te gaan nemen teneinde een eind aan deze schendingen van het Griekse luchtruim door Turkse vliegtuigen te maken?
Welke maatregelen is de Commissie van plan te gaan nemen om de veiligheid van Europese burgers, inwoners van de eilanden in de Egeïsche Zee en mensen die er tijdelijk verblijven, alsook de vrede in het hele gebied, te waarborgen?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Verheugen namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-1984/03, E-2050/03 en E-2083/03
(7 augustus 2003)
Turkije heeft zich er als kandidaatland toe verbonden aan de toetredingscriteria te voldoen.
Wat de specifieke, door het geachte parlementslid aan de orde gestelde kwestie betreft, herinnert de Commissie aan het principe van de vreedzame regeling van grensgeschillen en andere daarmee samenhangende zaken, zoals bepaald is bij punt 4 van de Conclusies van de Europese Raad van december 1999 in Helsinki.
Dit beginsel behoort tot de specifieke prioriteiten van het herziene Partnerschap voor Toetreding met Turkije, dat op 19 mei 2003 is goedgekeurd (1).
De Commissie volgt aandachtig de door Turkije in deze en in andere sectoren geboekte vooruitgang en zal een uitvoerige beoordeling ervan opnemen in haar Periodiek Verslag dat op 5 november 2003 wordt gepubliceerd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/55 |
(2004/C 88 E/0060)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1985/03
van Anna Karamanou (PSE) aan de Commissie
(16 juni 2003)
Betreft: Schandaal met illegale sterilisaties in Slowakije
Uit aanklachten van twee niet-gouvernementele organisaties blijkt dat in de afgelopen 14 jaar tenminste 110 vrouwen van de Roma-gemeenschap in Oost-Slowakije tegen hun wil zijn gesteriliseerd. Bovendien hebben de vrouwen misleidende informatie ontvangen over vraagstukken in verband met hun reproductieve gezondheid en zijn ze gediscrimineerd bij de toegang tot medische verzorging en hun persoonlijk medisch dossier.
Is de Commissie van plan druk uit te oefenen op de Slowaakse regering om ervoor te zorgen dat een diepgaand onderzoek wordt ingesteld naar deze aanklachten, de verantwoordelijken voor deze onmenselijke misdaad worden gestraft, in heel het land de gezondheid en de reproductieve rechten van de vrouw en de mensenrechten van de minderheden worden beschermd, en Slowakije zijn verplichtingen als nieuwe lidstaat van de EU nakomt?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(31 juli 2003)
De Commissie is op de hoogte van de aanklachten die begin 2003 werden bekendgemaakt in een verslag van het Centrum voor reproductieve rechten dat Roma vrouwen tegen hun wil zijn gesteriliseerd door artsen in Oost-Slowakije. In dat verslag werden tevens andere schendingen van de mensenrechten naar buiten gebracht zoals discriminatie bij de toegang tot medische verzorging en behandeling.
Zoals reeds vermeld in haar antwoorden op de vragen E-0434/03 van de heer Meijer (1), E-0575/03 van mevrouw Maes (2) en P-1630/03 van mevrouw Maes (3), heeft de Commissie deze kwestie onmiddellijk aan de orde gesteld in een brief aan premier Dzurinda van Slowakije waarin zij onderstreepte dat het hier om ernstige aanklachten gaat die, indien bewezen, een grove schending van de mensenrechten zouden vormen wanneer de overheid dergelijke praktijken hebben gesteund of hebben toegestaan of in dit verband hebben nagelaten passende gerechtelijke stappen te ondernemen. Voorts heeft de Commissie de Slowaakse autoriteiten gevraagd op doortastende wijze de vereiste strafrechterlijke onderzoeken uit te voeren, mogelijke discriminerende maatregelen op te heffen en de Commissie op de hoogte te houden van de vorderingen.
In zijn antwoord deelde de Slowaakse Premier de Commissie mee dat de bevoegde autoriteiten het strafrechterlijk onderzoek waren gestart met een speciaal onderzoeksteam. Voorts kreeg de Roma adviseur bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, zelf een Roma, de opdracht als raadgever op te treden bij dit team en werden ook het ministerie van Volksgezondheid en de Slowaakse Gynaecologische Vereniging nauw betrokken bij het onderzoek. De Raad van Europa heeft overigens recent een fact-finding missie uitgevoerd in Oost-Slowakije om de sterilisatiekwestie nader te kunnen onderzoeken.
De Commissie zal de vorderingen en resultaten van de onderzoeken op de voet blijven volgen en eventueel verdere maatregelen overwegen.
(1) Zie blz. 12.
(2) PB C 33 E van 6.2.2004, blz. 55.
(3) Zie blz. 37.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/56 |
(2004/C 88 E/0061)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2004/03
van Salvador Garriga Polledo (PPE-DE) aan de Commissie
(16 juni 2003)
Betreft: Wereldbank voor Geneesmiddelen voor arme landen
Er gaan steeds meer stemmen op voor de oprichting van een wereldbank voor geneesmiddelen, bestemd voor die ontwikkelingslanden die door hun armoede zelfs niet kunnen beschikken over de meest essentiële geneesmiddelen die elk ontwikkeld land als vanzelfsprekend beschouwt.
De voorstanders van een dergelijke wereldbank voor geneesmiddelen veroordelen het standpunt van de rijkere landen als een teleurstellend gebrek aan menselijke solidariteit: deze landen worden zo opgeslorpt door hun zucht naar economische groei en rijkdom dat ze niet inzien dat een groot deel van de mensheid die niet over de nodige medicijnen beschikt en daaronder lijdt, dringend behoefte heeft aan medische hulp.
Hoe staat de Commissie tegenover de wens van een groot deel van de wereldbevolking om het plan voor een wereldbank voor geneesmiddelen te verwezenlijken? Zou zij bereid zijn om dit initiatief te leiden, ten minste in naam van de huidige en nieuwe lidstaten van de Unie?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(8 augustus 2003)
De Commissie is (en was altijd) een voorstander van de verbetering van de toegang tot farmaceutische producten tegen betaalbare prijzen, met name in de strijd tegen het humane immunodeficiëntievirus en verworven immunodeficiëntiesyndroom (HIV/AIDS), malaria en tuberculose. In 2001 heeft de Commissie een Actieprogramma aangenomen getiteld „Versnelde actie ter bestrijding van HIV/AIDS, malaria en tuberculose in het kader van de armoedebestrijding”. Dit programma is zodanig opgezet dat daarmee het effect van de bestaande maatregelen kan worden vergroot, de voornaamste farmaceutische producten betaalbaarder worden, en er onderzoek wordt verricht naar specifieke, mondiale collectieve voorzieningen om die ziekten op nationaal, regionaal en mondiaal niveau te bestrijden. Voor dit programma is meer dan 1 miljard euro uitgetrokken.
Het Actieprogramma biedt ook nu nog, twee jaar na de goedkeuring ervan, een breed, vooruitziend en samenhangend EU-beleidskader, dat een betekenisvolle bijdrage levert aan de bestrijding van de drie genoemde overdraagbare ziekten op nationaal, regionaal en mondiaal niveau. De Commissie gaat door met het uitstippelen van een lange termijnstrategie in het kader van de Verklaring van Doha betreffende de handelsgerelateerde aspecten van de intellectuele eigendomsrechten (TRIPS) en de Volksgezondheid. Zij zal blijven streven naar de invoering van een stelsel van gedifferentieerde prijsbepaling, overdracht van technologische kennis en lokale productie, om blijvende toegang tot geneesmiddelen tegen betaalbare prijzen te bevorderen. Deze aanpak wordt aangevuld door investeringen in de ontwikkeling van betere preventieve, diagnostische en therapeutische producten, door de verhoging van de financieringen in het kader van het Zesde Kaderprogramma-onderzoek. Bovendien heeft de Unie de oprichting van een mondiaal gezondheidsfonds krachtig gesteund, dat bedoeld is voor het financieren van specifieke projecten, waarbij de Unie een bijdrage levert van maximaal 55 % van de voor dit Fonds toegewezen EUR 4,5 miljard.
Gezien het bovenstaande gelooft de Commissie niet dat de oprichting van nieuwe instellingen op dit gebied een toegevoegde waarde biedt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/57 |
(2004/C 88 E/0062)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2019/03
van Bart Staes (Verts/ALE) aan de Commissie
(17 juni 2003)
Betreft: Anti-dumpingrecht invoer rijwielen uit China
In het voorjaar van 1993 maakte de Europese Commissie bekend dat zij een anti-dumpingrecht zou instellen op de invoer van „rijwielen van oorsprong uit China. Het recht is vastgesteld op 34,4 % van de netto-prijs, franco grens Gemeenschap, voor inklaring.” (IP/93/182 dd. 11.3.1993). Deze maatregel loopt nog tot juli 2005.
Welk positief of negatief effect heeft deze maatregel (gehad) op de Europese fietsindustrie?
Is de Commissie voornemens om deze anti-dumpingheffing te verlengen?
Zo ja, kan zij daarover meer concrete gegevens verschaffen?
Zo neen, waarom niet?
Welke gevolgen denkt de Commissie dat de niet-verlenging van deze maatregel zal hebben voor de Europese fietsindustrie?
Op welke manier zal de Europese Commissie met deze gevolgen omgaan?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(15 juli 2003)
De procedure was ingeleid naar aanleiding van een verzoek van de European Bicycle Manufacturers Association (EBMA) en de Raad had bij Verordening (EEG) nr. 2474/93 van de Raad van 8 september 1993 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer in de Gemeenschap van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht (1) definitieve maatregelen vastgesteld. Het recht werd vastgesteld op 30,6 %. Dit recht werd na een herzieningsprocedure in verband met het vervallen van maatregelen bevestigd bij Verordening (EG) nr. 1524/2000 van de Raad van 10 juli 2000 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China (2). Op verzoek van vier producenten die hebben verzocht om behandeling als marktgericht bedrijf werd vervolgens een tussentijds onderzoek geopend. Dit herzieningsonderzoek werd beëindigd bij Verordening (EG) nr. 2131/2001 van de Raad van 29 oktober 2001 (3) zonder dat de maatregelen werden gewijzigd omdat de aanvragers hun verzoek hadden ingetrokken. De maatregelen komen in juni 2005 te vervallen behalve wanneer voor die datum een volledig tussentijds of herziening sonderzoek in verband met het vervallen van maatregelen wordt ingeleid waarin de noodzaak om de maatregelen voort te zetten wordt bevestigd.
Overeenkomstig artikel 11, lid 2 van de basis antidumpingverordening (4), kunnen de producenten in de Gemeenschap, uiterlijk drie maanden vóór het verstrijken van de rechten een verzoek tot een nieuw onderzoek indienen. Overeenkomstig artikel 5, lid 5 van deze verordening basis antidumping kan de Commissie geen commentaar geven op verzoeken of klachten met betrekking tot de inleiding van een onderzoek alvorens een besluit is genomen om al dan niet daadwerkelijk een onderzoek in te leiden. Indien een dergelijk onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen wordt ingeleid, wordt gewoonlijk een bericht van inleiding bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie kort voor de datum waarop de maatregel komt te vervallen, d.w.z. in dit geval 10 juli 2005. Dit zou ook het geval zijn wanneer maatregelen komen te vervallen, d.w.z. rond de datum waarop de maatregelen komen te vervallen wordt een bericht bekendgemaakt in het Publicatieblad waarin dit wordt aangekondigd. Tot op heden is wat de hier bovenvermelde maatregelen betreft nog geen bericht bekendgemaakt.
Verdere ontwikkelingen bij deze procedure kunnen worden gevolgd op het volgende internetadres: (http://europa.eu.int/comm/trade/policy/dumping/stats.htm).
Informatie over de gevolgen van maatregelen voor de bedrijfstak van de Gemeenschap wordt, los van een onderzoek, niet systematisch verzameld. Omdat er nu geen onderzoek loopt, beschikt de Commissie op dit moment niet over informatie. In het laatste herziening sonderzoek heeft de EBMA echter betoogd dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot voortzetting of herhaling van dumping en schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.
(4) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, PB L 56 van 6.3.1996.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/58 |
(2004/C 88 E/0063)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2022/03
van Lennart Sacrédeus (PPE-DE) aan de Commissie
(17 juni 2003)
Betreft: Arrestatie van Nobelprijsdrager Aung San Suu Kyi
Op 30 mei 2003 werd de belangrijkste voorvechter voor mensenrechten en democratie in Birma, de nobelprijsdrager Aung San Suu Kyi in de buurt van Monywa in Birma gearresteerd. De militaire junta van het land verklaarde dat Aung San Suu Kuyi en negentien andere leden van zijn partij (National League for Democracy — NLD) na botsingen tussen zijn aanhangers en regeringsgetrouwe demonstranten in het noorden van Birma in „beschermende hechtenis” zijn genomen.
Meer dan honderd studenten, sympathisanten van de NLD en boeddhistische monniken werden in de nacht van 31 mei 2003 gearresteerd, en ook enige parlementsleden werden opgepakt. Zeven vooraanstaande vertegenwoordigers van de NLD werden onder huisarrest geplaatst en meer dan 50 lokale afdelingen van de NLD werden tot sluiting gedwongen. De arrestaties gelden als de grootste nederlaag voor de democratie in Birma sinds vele jaren.
Welke feitelijke druk hebben de Commissie en de EU uitgeoefend om de junta in Birma ertoe te bewegen de Nobelprijsdrager Aung San Suu Kyi en de andere arrestanten en de parlementsleden onverwijld vrij te laten? Hoe kan de EU kracht zetten achter haar eis aan de militaire junta de geweldsspiraal te doorbreken en de weg te openen voor een snelle overgang naar democratie?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(7 juli 2003)
De Commissie en de lidstaten hebben herhaaldelijk aangedrongen op de onmiddellijke vrijlating van Daw Aung San Suu Kyi en de gearresteerde NLD-functionarissen en -aanhangers en de heropening van NLD-kantoren in het hele land en ook van alle universiteiten in Birma/Myanmar.
Op 16 juni 2003 heeft de Unie verder besloten zonder uitstel de verscherpte sancties uit te voeren die zich met name op de militaire leiders en hun aanhangers richten. Oorspronkelijk zouden deze sancties op of voor 29 oktober 2003 van kracht moeten worden, zoals overeengekomen in het Gemeenschappelijk Standpunt 2003/297/GBVB van 28 april 2003 betreffende Birma/Myanmar (1).
De Unie heeft bovendien de dialoog met haar gesprekspartners in Azië over de situatie in Birma/Myanmar versterkt, teneinde hen aan te moedigen hun invloed op de Birmaanse regering aan te wenden om Daw Aung San Suu Kyi vrij te krijgen en vooruitgang te ondersteunen op het gebied van goed bestuur en economische hervormingen. Op 17 juni 2003 heeft de Associatie van Zuidoost-Aziatische landen (ASEAN) een tot dusver ongekende oproep gericht tot Birma/Myanmar voor „een vreedzame overgang naar de democratie”.
De sterke internationale reactie op de detentie van Daw Aung San Suu Kyi is bemoedigend, en de Commissie hoopt oprecht dat deze geconsolideerde druk de Birmaanse regering zal beïnvloeden Daw Aung San Suu Kyi en al haar aanhangers vrij te laten en zich eindelijk bereid te tonen om zich in te zetten voor nationale verzoening en een terugkeer naar de democratie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/59 |
(2004/C 88 E/0064)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2024/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(17 juni 2003)
Betreft: Schendingen van de vrijheid van eredienst in Turkmenistan
De vrijheid van eredienst wordt in Turkmenistan voortdurend en stelmatig ernstig geschonden;
Op 31 mei vond de zoveelste gewelddadige aanslag plaats tegen de protestantse kerk van Turkmenistan; vijf leden van de kerk van de stad Abadam, namelijk Nuri Berdiev, Nabat Niyazova, Guzelya Syraeva, Lyudmila Galkina en Akgulya Niyazova, werden door de plaatselijke politie in hun woning opgepakt, naar het commissariaat overgebracht en daar langdurig ondervraagd. De politie heeft bovendien hun boeken in beslag genomen en hen ermee bedreigd hun appartement in beslag te nemen als ze nog langer op die plaats bijeenkwamen voor hun eredienst;
De aanval in Abadam is slechts de laatste van een lange reeks gevallen van repressie en intimidatie door de overheid van Turkmenistan ten aanzien van katholieke en protestantse congregaties en van de getuigen van Jehova, waarvan geen enkele de toestemming heeft gekregen om zich bij de bestuurlijke overheid te laten registreren en waarvan de activiteiten als illegaal worden beschouwd.
Bovendien heeft het bureau van de vertegenwoordiging van de OVSE in de Turkmeense hoofdstad geweigerd commentaar te geven op de berichten over de invallen en schendingen van de vrijheid van eredienst in Turkmenistan en heeft Dieter Matthei, ambtenaar van de OVSE in Ashgabad, verklaard dat hij over geen enkele informatie over de aanvallen op protestanten beschikte en voor elke informatie over de eerbiediging van de vrijheid van eredienst in Turkmenistan naar het Centrale bureau van het OVSE in Wenen verwezen.
Kan de Commissie, in het licht van het voorgaande, mededelen of zij op de hoogte is van de aanhoudende en stelselmatige ernstige schendingen van de vrijheid van eredienst in Turkmenistan en van het gehekelde feit?
Welke initiatieven wil de Commissie nemen of vragen om pressie uit te oefenen op de autoriteiten van Turkmenistan, opdat de vrijheid van eredienst in dat land zou worden gevrijwaard?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 juli 2003)
De Commissie is zeer bezorgd over de moeilijkheden die religieuze groeperingen die zich in Turkmenistan wensen te vestigen ondervinden.
Hoewel de Turkmeense grondwet de vrijheid van godsdienst waarborgt, vereist de wet tot uitvoering van de grondwet dat alle religieuze groeperingen zich officieel laten registreren, waarvoor 500 handtekeningen nodig zijn van burgers van meer dan 18 jaar oud. De wet beperkt feitelijk alle andere religieuze activiteiten dan de soennitische islam en de Russische orthodoxe kerk.
Momenteel is er geen formeel bilateraal kader voor overleg tussen de EU-instellingen en de Turkmeense autoriteiten over deze kwesties, aangezien onze handels- en samenwerkingsovereenkomst geen mensenrechtenkwesties omvat.
De Commissie werkt bij de bevordering van de mensenrechten in Turkmenistan echter actief samen met het Bureau voor democratische instellingen en mensenrechten van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/60 |
(2004/C 88 E/0065)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2028/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(18 juni 2003)
Betreft: Het op een fraudegevoelige en onnodig vertragende wijze inzamelen van paspoorten van EU-burgers door de Griekse douane aan de grens met Macedonië
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat in treinen vanuit Griekenland naar Skopje (Macedonië) en Belgrado (Servië) de paspoorten van de ingezetenen van andere lidstaten van de EU kort na vertrek uit Thessaloniki worden opgeëist en ingezameld door een niet als ambtenaar van de Griekse staat herkenbare persoon, met de mededeling dat het paspoort later bij de politie kan worden opgehaald? |
|
2. |
Is het de Commissie tevens bekend dat op de politiepost in het Griekse grensstation Idomeni, waar de paspoorten teruggehaald blijken te kunnen worden, geen enkele zichtbare handeling met die paspoorten wordt verricht, maar zij pas na een wachttijd worden teruggegeven? |
|
3. |
Is de Commissie het met mij eens dat voortgezette handhaving van deze aan die grens ook reeds in het verre verleden toegepaste methode het risico oplevert van inzameling van paspoorten door daartoe onbevoegde personen, van verlies van een of meer paspoorten uit de grote verzameling in handen van een daartoe wel bevoegde functionaris en van diefstal van in de trein onbewaakt achtergebleven reisbagage? |
|
4. |
Is het burgers van de EU-lidstaten eigenlijk wel toegestaan om hun paspoort af te geven aan een daartoe niet als bevoegd herkenbaar persoon, of behoren zij dit te weigeren? |
|
5. |
Welk doel heeft deze procedure anders dan het door verplicht uitstappen en wachten werven van klanten voor de in het station van Idomeni gevestigde belastingvrije winkel of het belemmeren van het verkeer met een buurstaat waarvan men de naam ongewenst vindt? |
|
6. |
Op welke wijze kan vanuit de EU worden bewerkstelligd dat de wijze van paspoortcontrole, in het bijzonder voor EU-burgers, aan deze grens wordt versneld en genormaliseerd? Wat draagt de Commissie bij aan het bevorderen van zo'n oplossing? |
Aanvullend antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(20 april 2004)
In het kader van het onderzoek van de feiten die door het geachte parlementslid in zijn schriftelijke vraag aan de orde worden gesteld, heeft de Commissie op 30 september 2003 contact opgenomen met de Griekse autoriteiten om hen op de hoogte te brengen van de aangegeven feiten en heeft zij de Griekse autoriteiten verzocht precieze informatie te verstrekken over de wijze waarop in de grenspost Idomeni de controles worden uitgevoerd in de trein die vanuit Griekenland naar Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië (FYROM) rijdt. Omdat een antwoord uitbleef, heeft de Commissie op 7 januari 2004 een rappel naar de Griekse autoriteiten verzonden.
In de antwoorden van 16 en 28 januari 2004 betwisten de Griekse autoriteiten de aangegeven feiten en merken ze op dat de controles in de grenspost Idomeni en in de trein verlopen volgens de voorschriften uit het Gemeenschappelijk Handboek. In het bijzonder wijzen de Griekse autoriteiten erop dat de controles in de trein gedurende de rit plaatsvinden, dat alle grensoverschrijdingsdocumenten worden gecontroleerd en dat de stempels worden aangebracht volgens de regels (met name voor de onderdanen van de EG bepaalt het Gemeenschappelijk Handboek in punt 2.1.1. dat geen inreisstempel moet worden aangebracht).
Volgens de informatie die wordt verstrekt in beide treinen die dagelijks dit traject afleggen, worden de controles in de trein uitgevoerd door politieofficieren in uniform die de reizigers individueel controleren en die de grensoverschrijdingsdocumenten inzamelen. Naast deze controles die worden uitgevoerd door politieofficieren in uniform is een andere politieofficier in burger, die tot dezelfde dienst behoort, belast met algemene controle- en toezichtstaken in de trein. De legitimatiekaart van deze officier is bevestigd op de linker buitenzak van zijn hemd.
Wat de aangegeven feiten betreft, merken de Griekse autoriteiten op dat geen melding is gemaakt van een uitdrukkelijk verzoek aan een persoon in burger die controles uitvoert om zijn identiteit kenbaar te maken.
Wat de voorwaarden voor het inzamelen van grensoverschrijdingsdocumenten betreft, verwijzen de Griekse autoriteiten naar de versoepelingen van de controles aan de buitengrenzen in het Gemeenschappelijk Handboek voor personen in slaap- of ligplaatsrijtuigen. Voor deze personen bepaalt het Gemeenschappelijk Handboek namelijk (punt 3.2.4.) dat de grensoverschrijdingsdocumenten worden gecontroleerd door de conducteur voorzover hij deze volgens de voor hem geldende voorschriften heeft ingezameld en voor controle ter beschikking houdt.
Voorts beklemtonen de Griekse autoriteiten dat de controle in het algemeen niet langer duurt dan dertig seconden voor de onderdanen van de EG en één minuut voor de onderdanen van derde landen, waarbij niet wordt ontkend dat enige vertraging kan optreden, in het bijzonder tijdens de zomermaanden als gevolg van de belangrijke toename van het spoorverkeer.
Op basis van de door de Griekse autoriteiten verstrekte toelichting over de wijze waarop in de trein wordt gecontroleerd en aangezien geen andere specifieke bijzonderheden omtrent de reisarrangementen werden medegedeeld, heeft de Commissie niet kunnen vaststellen dat in het door het geachte parlementslid beschreven geval de voorschriften van het acquis met betrekking tot de controles aan de buitengrenzen door de Griekse autoriteiten slecht worden toegepast.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/61 |
(2004/C 88 E/0066)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2055/03
van Bartho Pronk (PPE-DE) aan de Commissie
(20 juni 2003)
Betreft: Vakbondsrechten voor politiemensen in Letland
|
1. |
Is het waar dat er in Letland geen vrijheid van organisatie bestaat voor politiemensen? |
|
2. |
Is deze situatie niet strijdig met ILO-verdragen, het Sociaal Handvest van de Raad van Europa en het Handvest van de Grondrechten van de EU? |
|
3. |
Heeft de Commissie deze situatie met de regering van Letland besproken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat was de uitkomst van deze bespreking? |
|
4. |
Waarom is er in de jaarlijkse voortgangsverslagen van de Commissie geen aandacht besteed aan deze kwestie? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(12 augustus 2003)
De Letlandse Politiewet die in 1991 werd aangenomen verbiedt inderdaad politiebeambten vakbonden op te richten.
De Conventie voor de bescherming van mensenrechten en fundamentele rechten voorziet met name in artikel 11, lid 2, laatste zin, in wettelijke beperkingen op het recht van vereniging voor de politie. Bovendien maken ook bepaalde artikelen van het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) dergelijke beperkingen mogelijk.
Het Sociaal Handvest van de Raad van Europa dat door Letland in 2002 werd geratificeerd staat de verdragsluitende partijen eveneens toe bij nationale wet of regelgeving te bepalen in welke mate het recht om organisaties op te richten van toepassing is op de politie.
Het Handvest van Fundamentele Rechten van de Europese Unie kent een dergelijke beperking niet, maar is niet juridisch bindend. Zelfs als het dat wel was, zou het niet van toepassing zijn voor gebieden die geen verband houden met communautaire bevoegdheden.
Binnen de grenzen van haar mandaat blijft de Commissie gedurende het gehele toetredingsproces deze kwestie volgen, evenals andere sociale kwesties op het gebied van mensenrechten en fundamentele rechten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/62 |
(2004/C 88 E/0067)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2058/03
van Nelly Maes (Verts/ALE) aan de Commissie
(20 juni 2003)
Betreft: ACP bananen
In verordening (EG) nr. 1609/1999 (1) werd een levering overeengekomen van een tijdelijke technische en financiële bijstand ten behoeve van de traditionele ACS-leveranciers van bananen, teneinde hen de gelegenheid te geven zich aan te passen aan de marktomstandigheden in de bananensector of de diversificatie van de activiteit van producenten met onvoldoende concurrentiekracht te bevorderen.
Er worden thans echter vragen gesteld over de methode die gebruikt wordt om de bijstand te berekenen en over de transparantie van die methode die schijnt te werken volgens twee maten en gewichten.
Ook al heeft de Commissie in vergaderingen met OCAB reeds toegegeven dat het gebruik van de Eurostat-statistieken leidt tot foutieve toepassing van de verordening, ze heeft schijnbaar nog geen enkele stappen tot rechtzetting ondernomen.
Wat is de Commissie van plan te ondernemen voor een correcte toepassing van de verordening nr. 1609/1999?
(1) PB L 190 van 23.7.1999, blz. 14.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/62 |
(2004/C 88 E/0068)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2091/03
van Paulo Casaca (PSE) aan de Commissie
(24 juni 2003)
Betreft: Regels voor de berekening van steun voor tropische producten uit de ACS-landen
Ik heb van de centrale organisatie voor de producenten/exporteurs van ananas en bananen in Ivoorkust een kopie ontvangen van een aan de Europese Commissie verzonden brief (gedateerd 28 mei 2003). Net als voor de meeste ACS-landen die deze producten uitvoeren is de teelt en de uitvoer van ananas en bananen voor Ivoorkust heel belangrijk. Het is dus essentieel dat de Europese instellingen duidelijke, objectieve en rechtvaardige regels opstellen met betrekking tot de invoer uit deze landen. Ik ben ondervoorzitter van de Commissie begrotingscontrole en de inhoud van bovengenoemde brief heeft mij uiterst bezorgd gestemd.
Zou de Europese Commissie een verslag kunnen opstellen waarin precies wordt aangegeven wat de situatie is met betrekking tot de steun voor, en de heffing van douanerechten over deze tropische vruchten? Dat verslag moet ook aangeven op welke punten het systeem niet voldoet en wat daaraan gedaan kan worden.
Kan de Commissie mij verzekeren dat dit verslag op tijd gereed is om in het kader van de kwijting voor 2002 in het Parlement besproken te worden?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Nielson namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-2058/03 en E-2091/03
(31 juli 2003)
In Verordening (EG) nr. 1609/1999 van de Commissie worden gedetailleerde regels vastgesteld voor de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 856/1999 van de Raad tot vaststelling van een bijzondere kaderregeling voor bijstand (SFA) ten behoeve van de traditionele ACS-leveranciers van bananen, alsook de methode die gebruikt moet worden voor de jaarlijkse berekening van de afzonderlijke bedragen. Naar aanleiding van de brief van OCAB, waarnaar in beide vragen wordt verwezen, heeft de Commissie op 20 juni 2003 een ontmoeting gehad met vertegenwoordigers van OCAB en de daarin ter sprake gebrachte kwesties uitvoerig besproken. Zoals bij eerdere contacten al is gebeurd, heeft de Commissie daarbij opnieuw de achtergrond van de SFA en de opzet ervan toegelicht. In overeenstemming met de vigerende bepalingen van die regeling hebben de leveranciers met een minder goede concurrentiepositie (bv. de Caribische producenten) tot dusverre meer steun ontvangen en hebben degenen met een betere concurrentiepositie (zoals Ivoorkust) lagere toewijzingen ontvangen. Zowel in verordeningen van de Raad als van de Commissie is bepaald dat de opzet ervan vanaf 2004 wordt aangepast. Er zal een verminderingscoëfficiënt op alle begunstigden toegepast moeten worden, maar de vermindering zal geringer zijn voor de ACS-landen waarvan het concurrentievermogen is toegenomen en evenredig zijn met die toename. Tijdens die bijeenkomst heeft OCAB zelf verklaard dat de Commissie de in de Commissie-verordening beschreven methode naar haar oordeel altijd correct en eerlijk heeft toegepast. Verder werd OCAB duidelijk gemaakt dat de Commissie nooit heeft gemeend of gesuggereerd dat het gebruik van Eurostatgegevens tot een onjuiste toepassing van de Commissieverordening leidt. De Commissie heeft daarentegen juist de aandacht van haar partners erop gevestigd dat het noodzakelijk is om over objectieve, vergelijkbare en tijdig beschikbare gegevens te beschikken om ieder jaar de afzonderlijke toewijzingen te kunnen berekenen. Op het moment dat de SFA werd ingesteld constateerde men dat alleen de Eurostatprijzen met betrekking tot kosten, verzekering en vracht (cif) aan al die criteria tegelijk voldeden. Tot dusverre kon er door OCAB of door andere betrokken partijen geen enkel deugdelijk alternatief worden voorgesteld.
Ten aanzien van het verzoek om een verslag over de situatie van zowel de steunregeling als de douanerechten wijst de Commissie erop dat haar tweejaarlijks verslag aan de Raad en het Parlement (1) over de werking van de verordening van de Raad tot instelling van de SFA thans door het Parlement wordt onderzocht. De Commissie zal bovendien, uiterlijk op 31 december 2004, het Parlement en de Raad een verslag voorleggen over de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen, zoals gevraagd wordt in artikel 32 van Verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad van 13 februari 1993 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector bananen (2). In dit verslag zal met name de evolutie van de handelsstromen van ACS-bananen worden onderzocht als het aandeel daarvan in de communautaire markt. De Commissie heeft nota genomen van de vragen van OCAB met betrekking tot bepaalde specifieke statistische gegevens en buigt zich momenteel, met steun van zowel Eurostat als de voor gegevensverzameling bevoegde autoriteiten van de lidstaten, over deze kwestie.
Op grond van de bovenstaande overwegingen ziet de Commissie geen enkele reden om de geldende wetgeving te wijzigen. Benadrukt moet worden dat de huidige bepalingen de traditionele ACS-leveranciers, inclusief Ivoorkust, aanzienlijke financiële bijstand hebben verleend gedurende een moeilijke periode van overgang voor deze industrietak.
Ofschoon de opmerkingen van OCAB uitsluitend bananen betroffen wordt het geachte parlementslid voor de volledigheid gewezen op het feit dat specifieke financiële bijstand voor ananas thans alleen aan Martinique en de Azoren wordt verstrekt in het kader van de wetgeving die op de ultraperifere regio's van de Gemeenschap van toepassing is. Bij het beheer van deze steun hebben er zich tot dusverre geen belangrijke problemen voorgedaan.
(1) COM(2000)763 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/64 |
(2004/C 88 E/0069)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2066/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(20 juni 2003)
Betreft: Toepassing door Italië van de BTW-richtlijn inzake leveringen binnen de Gemeenschap
Bij de omzetting van de BTW-richtlijn inzake leveringen binnen de Gemeenschap heeft de Italiaanse regering de volgende formaliteiten vastgesteld:
|
a) |
een bepaald type factuur voor gebruik tussen EU-landen om in een andere lidstaat aangeschafte beroepsbenodigdheden te kunnen aftrekken van de belastingen, |
|
b) |
een specifieke jaaraangifte. |
Deze procedure moet ook worden gevolgd als de goederen of diensten niet worden gekocht om die in de eigen lidstaat weer te verkopen, maar alleen voor rechtstreeks gebruik voor de beoefening van hun eigen beroep.
|
— |
Veel winkels in het buitenland en verscheidene internetwinkels — bijvoorbeeld Amazon — hebben echter geen speciaal formulier voor gebruik tussen EU-landen en weigeren ook dit af te geven, zodat de koper zijn aankoop niet kan aftrekken van de belasting. |
|
— |
Bovendien is de vereiste jaaraangifte zo gecompliceerd dat een belastingconsulent er ongeveer 100 EUR voor vraagt. |
Kan de Commissie daarom de volgende vragen beantwoorden:
|
— |
Is zij niet van mening dat de EU-voorschriften (die voorzien in een bepaald type factuur, dat veel winkels helemaal niet kennen en/of dat zij weigeren af te geven) en de Italiaanse regelgeving (voor wat betreft de kostbare jaaraangifte) strijdig zijn met het beginsel van de interne markt? |
|
— |
Denkt zij dat stappen gezet kunnen worden om dergelijke procedures te vereenvoudigen? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(16 juli 2003)
Volgens artikel 22 van de Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (1), moet iedere belastingplichtige een factuur of een ander als factuur dienst doend document opstellen voor goederen en diensten die hij heeft geleverd aan een andere belastingplichtige persoon of een niet-belastingplichtige rechtspersoon.
Voor de levering van goederen binnen de Gemeenschap betekent dit dat uitsluitend de lidstaat waar de leverancier is gevestigd, bevoegd is om eisen te stellen inzake de op te stellen factuur. De lidstaat van bestemming kan geen andere eisen stellen om personen in staat te stellen de BTW af te trekken van in een andere lidstaat gekochte goederen of diensten.
Het geachte parlementslid beweert dat de Italiaanse overheid slechts een bepaalde soort „intra-EU”-factuur aanvaardt waarmee belastingplichtigen de BTW op in andere lidstaten gekochte goederen en diensten kunnen aftrekken.
Indien dit het geval is, zal de Commissie onderzoeken of Italië in strijd handelt met de beginselen van de Zesde BTW-Richtlijn en inbreuk maakt op het Gemeenschapsrecht.
Er wordt op gewezen dat de Raad op 20 december 2001 Richtlijn 2001/115/EG heeft goedgekeurd tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG om de voorwaarden voor het opstellen van facturen in verband met de belasting over de toegevoegde waarde te vereenvoudigen, te moderniseren en te harmoniseren (2). Deze richtlijn, die op 1 januari 2004 in werking treedt, zal een einde maken aan de huidige verschillen in eisen die lidstaten aan facturen stellen.
Het geachte parlementslid is van oordeel dat de jaaraangifte in Italië zeer ingewikkeld is.
Volgens artikel 22 van de Zesde BTW-Richtlijn kunnen de meeste voorschriften inzake aangiften, verzamellijsten en verzamelaangiften door de lidstaten worden vastgesteld.
Mits bepaalde minimumeisen in acht worden genomen, kunnen de lidstaten de inhoud van deze aangiften en de wijze waarop zij worden gedaan vrij vaststellen.
De Commissie is zich er evenwel van bewust dat bedrijven, en met name die bedrijven die in verschillende lidstaten BTW-plichtig zijn, ernstige moeilijkheden kunnen ondervinden door de complexiteit en diversiteit van de BTW-verplichtingen in de verschillende lidstaten.
Zij heeft daarom een diepgaande studie opgesteld over deze kwestie met het doel in 2004 voorstellen in dit verband op te stellen. Deze studie is openbaar en kan worden geraadpleegd op de website van de Commissie (onder „Uw stem in Europa”) (3).
(1) PB L 145 van 13.6.1977. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2002/92/EG van de Raad van 3 december 2002, PB L 331 van 7.12.2002.
(3) http://europa.eu.int/yourvoice/index_en.htm
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/65 |
(2004/C 88 E/0070)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2078/03
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(17 juni 2003)
Betreft: Melkquota in Portugal
Tijdens een recente bijeenkomst met melkproducenten in Noord-Portugal werd ik geconfronteerd met een onrechtvaardigheid jegens de Portugese landbouwers die eind maart jl. hun melkquotum hebben overschreden.
Op deze producenten werden kortingen toegepast, terwijl met Italië net een regeling is getroffen waardoor het probleem van de Italiaanse landbouwers die zich in een soortgelijke situatie bevinden werden opgelost.
Kan de Commissie mij derhalve mededelen welke specifieke voorwaarden het Italiaanse akkoord behelzen en welke maatregelen gepland zijn of zullen worden genomen om deze onrechtvaardigheid waarvan de Portugese landbouwers het slachtoffer worden, recht te trekken?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(7 juli 2003)
De vraag lijkt betrekking te hebben op een besluit dat de Raad op eigen initiatief heeft genomen volgens de speciale procedure van artikel 88, lid 2, derde alinea, van het EG-Verdrag, en valt dus buiten de bevoegdheid van de Commissie. Daarom dient de vraag tot de Raad te worden gericht.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/65 |
(2004/C 88 E/0071)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2086/03
van Glenys Kinnock (PSE) aan de Commissie
(24 juni 2003)
Betreft: Situatie van christenen in Egypte
Is de Commissie op de hoogte van de vervolgingen waaraan de christelijke minderheid in Egypte is blootgesteld? Zo zijn er met name berichten over mensen die van de islam op het christendom zijn overgegaan, maar vervolgens het land niet meer kunnen verlaten omdat de autoriteiten weigeren deze geloofsverandering in hun paspoort op te nemen.
Neemt de Commissie enigerlei stappen om te bewerkstelligen dat Egyptische christenen vrijheid van uitoefening van godsdienst genieten?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(9 juli 2003)
De Commissie is op de hoogte van de problemen van de omvangrijke Egyptische christengemeenschap. De Commissie is herhaaldelijk bijeengekomen met leden van de Koptische hiërarchie om deze problemen te bespreken, en is ook op de hoogte van de gewelddadige incidenten tegen christenen.
Wat bekeringen tot het christendom en bewegingsvrijheid betreft, de Commissie volgt deze kwestie via haar delegatie in Kairo. Haar voorlopige conclusie is dat informatie over de godsdienst niet in het paspoort wordt vermeld, maar soms wel op de identiteitskaart staat.
In het kader van het proces van Barcelona is de Egyptische regering gehecht aan de fundamentele beginselen inzake mensenrechten en democratie. Dit komt tot uitdrukking in de tekst van de associatieovereenkomst, waarvoor het ratificatieproces nu aan de gang is. Kwesties met betrekking tot de mensenrechten, waaronder de vrijheid van godsdienst, worden behandeld in het kader van de politieke dialoog tussen de Unie en Egypte, waaraan de Commissie actief deelneemt. De mensenrechten zijn besproken op de ministeriële bijeenkomst van de Unie en Egypte van 16 en 17 juni 2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/66 |
(2004/C 88 E/0072)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2089/03
van José Gil-Robles Gil-Delgado (PPE-DE) aan de Commissie
(24 juni 2003)
Betreft: Vaststelling van de begrotingslijn voor niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten tegen foltering
Sinds 1993 steunt het Europees Parlement overal ter wereld de slachtoffers van foltering. Er zijn hiertoe twee begrotingslijnen in het leven geroepen, een voor derde landen (B7-70) en een voor de Europese Unie (B5-813). Dankzij de steun van de Europese Unie zijn in de meeste landen in de wereld hulpprogramma's opgezet voor slachtoffers van foltering, ontheemden of asielzoekers, en zijn deze programma's voortdurend verder ontwikkeld.
De Commissie heeft besloten haar inspanningen in de strijd tegen folteringpraktijken op te voeren en dit streven wordt door het Europees Parlement van harte gesteund. Wij beseffen echter dat dit initiatief voorlopig nog geen onmiddellijk effect heeft op de situatie van bestaande slachtoffers, aangezien geen nieuwe kredieten zijn uitgetrokken voor dit initiatief, hetgeen tot gevolg heeft dat een aantal centra die volledig op deze financiële steunverlening hadden gerekend, de deuren hebben moeten sluiten.
Wat is het reële effect van deze beleidswijziging van de Commissie? Zijn hulpverlening en preventie twee gescheiden strategieën? Wat is de reikwijdte van dit besluit? Zijn de kredieten die de Europese Unie heeft uitgetrokken voldoende voor preventie en steunverlening of zou hiervoor meer geld moeten worden uitgetrokken? Welke voorzieningen zijn voor deze kredieten getroffen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(28 juli 2003)
De Commissie heeft besloten een meer strategische aanpak te hanteren ten aanzien van de financiering uit hoofde van het Europees initiatief voor democratie en mensenrechten (EIDHR) en in de Mededeling van de Commissie over mensenrechten en democratisering van mei 2001 (1) werden vier thematische prioriteiten vastgesteld voor toekomstige EIDHR-steun, waaronder de preventie van foltering en de hulpverlening aan de slachtoffers van foltering. Overeenkomstig de noodzaak om de beperkte middelen doelgerichter in te zetten, werd in de Mededeling ook benadrukt dat de Europese Unie zich zo veel mogelijk moet richten op de preventie van foltering. In het hieruit voortvloeiende programmeringsdocument voor EIDHR voor 2002-2004 is bepaald dat bij de aanwending van de begrotingsmiddelen op de langere termijn voorrang zal worden gegeven aan het voorkomen van foltering.
De beperking van de middelen van hulpverleningscentra ging gepaard met maatregelen om de bestaande afhankelijkheid van communautaire financiering geleidelijk af te bouwen door centra te stimuleren middelen uit andere bronnen aan te trekken. In 2001 werd in de oproep tot het indienen van voorstellen het maximale steunpercentage voor projecten binnen de EU tot 60 % beperkt (80 % voor projecten buiten de EU). Deze percentages werden in 2002 verder verlaagd tot respectievelijk 50 % en 75 %. Ook de mate waarin aandacht besteed wordt aan duurzaamheidsvraagstukken is een belangrijke factor. Daarnaast kwam in 2001 en 2002 het onderdeel „institutionele opbouw” nadrukkelijk in aanmerking voor financiering.
De bedoeling was om dit proces voort te zetten in de oproep tot het indienen van voorstellen in 2002. Voor deze ronde was EUR 25 miljoen beschikbaar voor de financiering van projecten op het gebied van de preventie van foltering en hulpverleningscentra, waarbij het de bedoeling was hieraan respectievelijk eenderde en tweederde deel te besteden. Alle ingediende projectvoorstellen werden beoordeeld door twee deskundigen, die beiden ervaring hadden in vraagstukken op het gebied van foltering. De projecten werden gerangschikt op de toegekende score en bij de selectie werd erop toegezien dat de voorgestelde activiteiten geografisch gelijkelijk verdeeld waren.
De kwaliteit van de door hulpverleningscentra binnen de EU ingediende voorstellen (begrotingslijn Β5-813) leidde tot een resultaat conform de verwachte verdeling. De projecten van centra buiten de EU kregen echter tamelijk lage scores (soms lager dan het vereiste minimum), waardoor niet voldoende centra geselecteerd konden worden om tot de geplande verdeling van 2/3-1/3 te komen. Aan centra buiten de EU werd ongeveer EUR 4,5 miljoen toegekend (voor de periode 2002-2003), terwijl aan projecten ter voorkoming van foltering ongeveer EUR 8 miljoen werd toegekend. Ongeveer EUR 4 miljoen werd toegekend aan hulpverleningscentra binnen de EU, en nog eens EUR 2 miljoen aan projecten waarvan steun aan slachtoffers van foltering deel uitmaakte.
De eventuele sluiting van centra als gevolg van het feit dat zij niet in staat waren de communautaire financiering veilig te stellen, moet gezien worden in het licht van het hierboven beschreven beleid om van hulpverlening over te schakelen op preventie, en de hierboven beschreven maatregelen zijn het gevolg van deze beleidsverandering. Steun aan centra moet verleend worden volgens concurrerentieregels die zijn ontworpen om ervoor te zorgen dat de belastingbetaler in de EU waarde voor zijn geld krijgt doordat alleen de beste voorstellen, die aan minimale kwaliteitseisen voldoen, worden gefinancierd.
In 2003 zal een nieuwe oproep tot het indienen van voorstellen voor hulpverleningscentra binnen de EU gedaan worden, waarvoor een bedrag van EUR 11,5 miljoen beschikbaar is uit hoofde van begrotingslijn Β5-813 (voor de begroting van 2003 en 2004, onder voorbehoud van goedkeuring van de begroting voor 2004).
De Commissie overweegt momenteel de programmering van het EIDHR voor 2004 en daarna en heeft op 14 juli 2003 een speciaal congres voor niet-gouvernementele organisaties georganiseerd om te peilen wat hun mening is ten aanzien de thematische prioriteiten, waaronder foltering.
(1) COM(2001)252 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/67 |
(2004/C 88 E/0073)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2104/03
van Bob van den Bos (ELDR) aan de Commissie
(18 juni 2003)
Betreft: Burmese Rohingya-vluchtelingen
Naast de twee officiële vluchtelingenkampen in Bangladesh waar ongeveer 22 000 Rohingya-vluchtelingen worden opgevangen, verblijven er nog eens 4 000 illegale vluchtelingen in het nieuwe niet-erkende „Teknaf Makeshift camp”. Dit kamp dreigt binnenkort bij de aanvang van de moesson te overstromen.
Is de Commissie op de hoogte van de situatie van de Rohingya-vluchtelingen in het „Teknaf Makeshift camp”?
Heeft de Commissie met de regering van Bangladesh contact gehad over het bieden van (nood)hulp aan de Rohingya's? Zo niet, gaat zij dit doen?
Heeft de Commissie contact met de UNHCR over de situatie van deze vluchtelingen en de mogelijkheden om hulp te bieden?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/68 |
(2004/C 88 E/0074)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2155/03
van Hanja Maij-Weggen (PPE-DE) aan de Commissie
(24 juni 2003)
Betreft: Positie Rohingya's in Bangladesh
Is de Commissie op de hoogte van de achtergestelde positie van de Rohingya's in Arakan/Burma, die niet als burgers worden erkend en die grove mensenrechtenschendingen ondergaan, en van het wegtrekken van zo'n 121 000 Rohingya's naar Bangladesh, alwaar 21 000 van hen onder dwang van de Bengalese autoriteiten verblijven in 2 officieel erkende vluchtelingenkampen en minimaal 100 000 Rohingya's verblijven als illegale immigranten?
Is de Commissie op de hoogte van het nieuwe onofficiële „makeshift camp” in Teknaf opgericht na „Operation Clean Heart” van het Bengalese leger, waar 4 000 illegale immigranten gedwongen wonen onder mensonwaardige omstandigheden, waar hulp niet wordt toegestaan door de Bengalese autoriteiten en dat vanaf juli zal worden bedreigd door de moesson, waardoor het kamp zal wegspoelen en een humanitaire ramp zal ontstaan?
Is de Commissie bereid druk uit te oefenenen op de Bengalese autoriteiten om (nood)hulp aan de Rohingya's in het „Teknaf makeshift camp” toe te laten en zodoende een humanitaire ramp te voorkomen?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Patten namens de Commissie
op de schritftelijke vragen P-2104/03 en P-2155/03
(23 juli 2003)
De Commissie heeft de situatie van de Rohingya-vluchtelingen in Bangladesh sinds het begin van de crisis nauwlettend gevolgd. De Commissie heeft steun verleend aan twee officiële vluchtelingenkampen vanaf hun oprichting via de Hoge Commissaris voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) en doet dit nog steeds. Met het oog op de aanhoudend instabiele maatschappelijke en politieke situatie in Myanmar heeft de Commissie de regering van Bangladesh en de UNHCR gevraagd de zorg voor en opvang van de 22 000 Rohingya's in de twee officiële kampen tot 2004 te verlengen.
Begin 2003 werd de Commissie door een Nederlandse niet-gouvernementele organisatie op de hoogte gesteld van het bestaan van een niet-officieel kamp in Teknaf, dat was opgericht in aansluiting op de operatie Clean Heart. Met het oog op de precaire levensomstandigheden in dit kamp en in de officiële Rohingya-vluchtelingenkampen was de delegatie van de Commissie in Dhaka van plan de situatie aan het begin van de lente van 2003 ter plaatse te evalueren. Dit kon echter niet doorgaan als gevolg van reisbeperkingen voor diplomaten tijdens de oorlog in Irak. Nu de reisbeperkingen zijn opgeheven wordt alsnog een bezoek aan de kampen gepland.
De Commissie heeft zeer onlangs uitvoerige besprekingen met de regering gevoerd over de situatie van de Rohingya-vluchtelingen, tijdens de gespecialiseerde subgroep mensenrechten en bestuur in Dhaka in mei 2003. In die context heeft de Commissie ook uiting gegeven aan haar bezorgdheid over de omstandigheden in de vluchtelingenkampen. Hoewel de regering van Bangladesh integratie van vluchtelingen duidelijk uitsluit, werd overeenstemming bereikt over voortzetting van de steun aan de twee officiële vluchtelingenkampen, in samenwerking met UNHCR.
De Commissie deelt de bezorgdheid van het Parlement over de humanitaire situatie in het niet-officiële kamp van Teknaf. Helaas zijn de mogelijkheden voor steun van donororganisaties en van de Commissie beperkt als gevolg van de juridische status van de kampbevolking. Aangezien de bewoners geen legale vluchtelingenstatus hebben en door de regering dan ook geacht worden illegaal in het land te verblijven, kan geen steun worden verleend, behalve op verzoek van de regering.
De EG-delegatie die nauwe en regelmatige contacten heeft met de UNHCR over de Rohingya-vluchtelingen, heeft onlangs de UNHCR gevraagd naar de huidige omstandigheden in het niet-officiële kamp en naar de mogelijkheid om steun te verlenen. Aangezien de regering geen UNHCR-steun heeft ingeroepen, kunnen op dit moment geen maatregelen worden verwacht. Het is onwaarschijnlijk dat de regering steun zal vragen, omdat dit volgens haar een precedent zou scheppen en Rohingya's zou aanmoedigen de grens over te steken. De EG-delegatie zal de situatie nauwlettend volgen en overleg met UNHCR en humanitaire hulporganisaties blijven voeren, en deze kwestie verder bespreken met het ministerie voor Rampbeheer en Hulpverlening.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/69 |
(2004/C 88 E/0075)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2116/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(25 juni 2003)
Betreft: De situatie in Sudan
Is de Commissie op de hoogte van de berichten dat in Sudan de jihad werd uitgeroepen tegen de christengemeenschappen en dat de Sudanese regering verantwoordelijk is voor de willekeurige aanhouding (en in sommige gevallen zelfs foltering) van journalisten, studenten en anderen die op de regering kritiek uitoefenen?
Hoe zal de Commissie optreden tegen deze onaanvaardbare situatie in Sudan?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(15 juli 2003)
De Commissie is er niet van op de hoogte dat in Soedan recentelijk de jihad is uitgeroepen tegen de christengemeenschappen.
De Commissie wijst op de vorderingen die zijn gemaakt in het kader van de lopende vredesbesprekingen onder auspiciën van de Intergouvernementele Autoriteit voor Ontwikkeling (IGÁD). Zo was er met name de ondertekening van het protocol van Machakos (juli 2002), waarbij de Soedanese regering en de Soedanese Volksbevrijdingsbeweging (SPLM) overeenstemming hebben bereikt over de eerbiediging van alle godsdiensten en de vrijheid om deze te beoefenen.
De Unie blijft toezicht houden op de mensenrechtensituatie, de rechtsorde en de democratisering in Soedan. Wat de recente vervolgingen van journalisten en studenten betreft, is de Commissie ervan op de hoogte dat één van de journalisten gevangen is gezet. Op de bijeenkomst van april 2003 in het kader van de politieke dialoog tussen de Unie en Soedan heeft de Unie bij de Soedanese regering een demarche ondernomen. Daarop is de journalist vrijgelaten en de krant opnieuw verschenen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/69 |
(2004/C 88 E/0076)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2130/03
van Markus Ferber (PPE-DE) aan de Commissie
(26 juni 2003)
Betreft: Ondersteuning van NGO's door de Commissie
|
1. |
Ontvangen Attac Deutschland e.V. en/of Weed e.V. financiële steun van de Europese Unie? |
|
2. |
Zo ja, hoeveel en gedurende welke periode? |
|
3. |
Op grond van welke begrotingslijn of welk programma wordt deze steun verleend? |
|
4. |
En, als er reeds bedragen zijn uitbetaald, wordt gecontroleerd of zij correct worden aangewend? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(14 juli 2003)
Twee contracten werden toegekend aan WEED e.V. op grond van begrotingslijn B7-6000 in het kader van de cofinanciering van projecten van niet-gouvernementele organisaties (NGO's) gericht op een grotere bewustmaking van de Europese publieke opinie met betrekking tot ontwikkelingsaangelegenheden, te weten:
|
— |
1997/014-332: benaming: Weltmarktregulation und Nord-Sud Beziehungen
|
|
— |
2001/010-327: benaming: Making the financial markets work for development (in consortium met Informationsstelle Lateinamerika e.V.)
|
Met betrekking tot de door EuropeAid beheerde begrotingslijnen werd geen enkel contract toegekend aan SHARE e.V. of to ATTAC e.V.
Op alle contracten zijn de voor subsidies geldende controle- en toezichtprocedures van EuropeAid van toepassing die werden vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van de opeenvolgende Verordeningen van de Commissie betreffende de regels voor de tenuitvoerlegging van het financieel kaderreglement.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/70 |
(2004/C 88 E/0077)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2162/03
van Herbert Bösch (PSE) aan de Commissie
(30 juni 2003)
Betreft: Begrotingslijn B7-7010: geen oproep tot het indienen van voorstellen in 2003 en gevolgen voor de mensenrechten van gehandicapten
In de ontwikkelingsdoelstellingen voor het millennium verklaart de Europese Unie dat ze zich wil inzetten om de armoede terug te dringen. Dat is een doelstelling die niet bereikt kan worden zonder aan de behoeften van gehandicapten te denken, en toch komen gehandicapten nog altijd niet genoeg aan bod in de ontwikkelingslanden die door de Europese Unie gefinancierd wordt.
In de begroting 2003 is begrotingslijn B7-7010 geamendeerd zodat beleidsvoering voor gehandicapten in aansluiting op de intentienota van de Europese Commissie over gehandicapten in de ontwikkelingssamenwerking, uit die lijn gefinancierd kan worden. Maar in 2003 wordt er geen oproep tot het indienen van voorstellen volgens die begrotingslijn gedaan. De Europese Commissie denkt een selectie te maken uit projecten die vroeger ingediend zijn en daar dan middelen voor beschikbaar te stellen.
Bestaat er dan een mogelijkheid dat de Europese Commissie bij de selectie van vroeger ingediende voorstellen bijzondere aandacht aan de gehandicapten schenkt?
Hoe denkt de Europese Commissie een beleidsvoering te financieren die op te vatten is als vervolg op haar intentienota over de gehandicapten in de ontwikkelingssamenwerking als er geen nieuwe projecten ingediend kunnen worden?
Is de Europese Commissie voornemens om de prioritaire beleidsvoering van het programmeringsdocument bij het Europees initiatief voor democratie en rechten van de mens aan te passen, zodat het in overeenstemming met de recente amendementen voor het gehandicaptenbeleid op begrotingslijn B7-7010 is?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 september 2003)
De mededeling van de Commissie van mei 2001 (1) had betrekking op de noodzaak de in het kader van het Europees initiatief voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR) beschikbare beperkte middelen meer gericht aan te wenden. Met het oog daarop werd besloten de toekomstige financieringen te concentreren op vier thematische prioriteiten, te weten steun voor de democratisering, behoorlijk bestuur en de rechtsstaat; bestrijding van folterpraktijken en straffeloosheid, en bevordering van de internationale rechtspleging; strijd tegen de doodstraf en bestrijding van racisme, xenofobie en discriminatie van minderheden en autochtone bevolkingsgroepen. Deze prioriteiten werden in aanmerking genomen in het voor 2002-2004 goedgekeurde EIDHR-programmeringsdocument en in de daarna gepubliceerde oproepen tot het indienen van voorstellen. In 2002 werden vijf oproepen tot het indienen van voorstellen gepubliceerd die alle betrekking hadden op de twee begrotingsjaren 2002 en 2003. Op het ogenblik waarop zij werden gepubliceerd, werd niet vermeld dat de voorstellen betrekking konden hebben op problemen in verband met gehandicapten, omdat over gehandicapten ook niets in het EIDHR-programmeringsdocument was opgenomen. Het is op grond van de communautaire regels niet toegestaan de voorstellen te wijzigen nadat de teksten zijn gepubliceerd. De Commissie is niet in staat middelen voor reeds geselecteerde projecten een andere bestemming te geven.
De Commissie denkt na over de toekomstige oriëntatie voor het EIDHR na de huidige programmeringsperiode 2002-2004 en heeft op 14 juli 2003 een speciale studiebijeenkomst georganiseerd voor overleg daarover met vertegenwoordigers van niet-gouvernementele organisaties, parlementsleden en ambtenaren van de lidstaten. Aangezien bovengenoemde mededeling de leidraad blijft, zullen de besprekingen zich concentreren op het op meer doeltreffende wijze programmeren van de thematische prioriteiten.
De „richtsnoeren inzake gehandicapten en ontwikkelingssamenwerking voor EU-delegaties en -diensten” van de Commissie, die een leidraad vormen voor het doeltreffend omgaan met problemen voor gehandicapten in het kader van de ontwikkelingssamenwerking, werden in alle diensten rondgedeeld. In die nota wordt de nadruk gelegd op het belang van integratie van de gehandicaptenproblematiek in de beleidsdialoog en de nationale programmering. Dit is het geval voor de richtsnoeren voor de herziening halverwege de looptijd voor de Staten van Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS) welke op dit ogenblik worden uitgewerkt en waarin het onderzoek wordt opgenomen van de mate waarin in nationale programma's de behoeften van gehandicapten in aanmerking worden genomen.
De Commissie hecht, ten slotte, veel belang aan de gehandicaptenproblematiek. Dat blijkt uit de wetgeving die zij heeft ingevoerd en haar positief standpunt ten opzichte van de commissie ad hoc voor een verdrag betreffende de bescherming en bevordering van de rechten van gehandicapten.
(1) COM(2001)252 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/71 |
(2004/C 88 E/0078)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2184/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(30 juni 2003)
Betreft: Nog meer schendingen van de godsdienstvrijheid in Turkmenistan
De autoriteiten van Turkmenistan hebben alle niet-Russische en niet-moslim gemeenschappen geweigerd zich te laten registreren. Alle niet-geregistreerde godsdienstige activiteiten worden als illegaal beschouwd en worden in ieder geval gecontroleerd door de zesde afdeling van het nationale veiligheidscomité (KNB, ex KGB);
Eind mei 2003 zijn de autoriteiten van Turkmenistan opgetreden op twee bijeenkomsten van Hare Krishna. Tijdens een bliksemactie in een dorp bij Mari zijn officieren naar de ceremonie gegaan om de volgelingen te filmen, terwijl in de hoofdstad Ashgabad een operationele groep van de afdeling van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, aangevoerd door kolonel Byashim Taganov, zonder mandaat het huis is binnengevallen van een volgelinge, Gaurabhakta Devi Dasi, en daar iconen heeft verwijderd en godsdienstig materiaal in beslag heeft genomen. De vrouw is samen met twee andere gelovigen gearresteerd. Van deze drie personen hebben twee een boete gekregen en zijn bedreigd met deportatie uit de hoofdstad, terwijl de derde persoon is afgetuigd en bedreigd is met een strafproces. Kolonel Taganov ontkent bij dit voorval betrokken te zijn;
Op 31 mei 2003 heeft Guzelya Syraeva bij een inval in een privé-woning door de plaatselijke autoriteiten een boete gekregen, omdat zij betrapt was op een bijeenkomst met andere leden van een niet-geregistreerde protestantse gemeenschap. Vervolgens is Syraeva door de autoriteiten onder druk gezet om haar baan als kleuterverzorgster in een crèche van Abadan op te geven. Deze autoriteiten hebben de directrice van de crèche, Tazegyul Nurieva, met ontslag gedreigd indien zij Syraeva niet zou ontslaan. Deze twee vrouwen zijn ook onder druk gezet door het Ministerie van Onderwijs;
Op 13 juni 2003 is de politie binnengevallen in een privé-woning waar baptisten aan het bidden waren. Alle aanwezigen zijn urenlang ondervraagd. Het hoofd van de politie, Alaverdy Khudoberdiev, heeft het optreden verdedigd onder aanvoering van het argument dat de activiteiten van niet-geregistreerde organisaties illegaal zijn; in werkelijkheid zijn activiteiten van niet-geregistreerde godsdienstige organisaties volgens de godsdienstwet van Turkmenistan niet verboden. Dieter Matthei, beleidsambtenaar bij de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), heeft gewag gemaakt van de moeilijkheden die worden ondervonden bij het opvragen van de rapporten over deze invallen bij de plaatselijke autoriteiten.
Kan de Commissie gezien het bovenstaande mededelen:
|
— |
of zij op de hoogte is van de ernstige en voortdurende schendingen van de godsdienstvrijheid in Turkmenistan en de aan de kaak gestelde feiten? |
|
— |
welke initiatieven zij denkt te nemen of te verlangen om druk uit te oefenen op de autoriteiten van Turkmenistan, opdat de godsdienstvrijheid in dit land gewaarborgd wordt? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(29 juli 2003)
De Commissie is zich zeer wel bewust van de bijzonder moeilijke omstandigheden voor religieuze minderheden in Turkmenistan.
Zij is zeer bezorgd over het gebrek aan bereidheid bij de Turkmeense overheid om de toestand van religieuze minderheidsgroeperingen te verbeteren. Turkmenistan komt zijn beloften aangaande de vrijheid van godsdienst, gewaarborgd in de Turkmeense grondwet en aanvaard door de regering in haar internationale overeenkomsten in het bestek van de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa, niet na.
De Commissie zal deze aangelegenheid bij elke bilaterale ontmoeting steeds opnieuw aan de orde stellen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/72 |
(2004/C 88 E/0079)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2198/03
van Niall Andrews (UEN) aan de Commissie
(26 juni 2003)
Betreft: Mensenrechten in Mexico
Is het de Commissie bekend dat de mensenrechtenschendingen in Mexico voortgaan, zoals Amnesty International onlangs meldde?
Hierbij is ondermeer sprake van:
|
— |
het vervolgen, intimideren en vermoorden van personen die zich inzetten voor de mensenrechten; |
|
— |
de arrestatie en het „doen verdwijnen” van politieke tegenstanders, personen die zich inzetten voor de rechten van de inheemse bevolking en leden van inheemse gemeenschappen; |
|
— |
het vermoorden van ruim 200 vrouwen in Ciudad Juárez sinds 1993 en het onvermogen van de Mexicaanse autoriteiten om een grondig onderzoek in te stellen naar deze zaak. |
Is het de Commissie bekend dat Mexico weliswaar herhaaldelijk de toezegging heeft gedaan dat het de mensenrechten zal respecteren en zich zal inspannen om zijn reputatie op dit gebied te verbeteren en dat het de Inter-Amerikaanse Conventie inzake Gewelddadige Verdwijningen van Personen heeft ondertekent, maar dat het land niettemin blijft weigeren om onderzoeken in te stellen naar „verdwijningen” die vóór de ratificatie van dit verdrag hebben plaats gevonden?
Is het de Commissie verder bekend dat gevallen waarbij militairen betrokken zijn alleen voor geheime militaire tribunalen kunnen worden behandeld, waardoor de geloofwaardigheid van de onderzoekingen wordt ondermijnd?
Aangezien de EU mensenrechten en democratie als „essentiële elementen” beschouwt in haar betrekkingen met derde landen, zou ik de Commissie — ook gezien de steeds nauwere handelsbetrekkingen tussen de EU en Mexico — willen vragen: welke maatregelen denkt zij te nemen om ervoor te zorgen dat de Mexicaanse regering haar toezeggingen en verplichtingen met betrekking tot de mensenrechten volledig nakomt?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(10 juli 2003)
De inzet van de Commissie ter bevordering van mensenrechten is een vitaal onderdeel van alle bilaterale overeenkomsten. De bescherming en garantie van de mensenrechten is geïnstitutionaliseerd in de „democratische clausule” die een centrale plaats inneemt in de betrekkingen tussen de Unie en Mexico die worden geregeld bij de overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking (Algemene overeenkomst) die op 1 oktober 2000 in werking trad en op 3 pijlers is gebaseerd: politiek, samenwerking en handel.
Het bij de Overenkomst ingestelde institutionele kader wordt momenteel gevormd door het forum waar een open en productieve politieke dialoog plaatsvindt op alle niveaus: presidentieel, ministerieel en op het niveau van hoge ambtenaren. Zo kan de Unie standpunten uitwisselen over de ontwikkeling van de mensenrechten bij beide partijen, naast andere bilaterale en multilaterale kwesties. De Commissie vindt deze regeling bevredigend en streeft in dit stadium niet naar aanvullende matregelen op dit terrein.
In september 2002 heeft Mexico de Inter-American Convention on Forced Disappearance of Persons geratificeerd. Hoewel de Commissie tevreden is over de ratificatie van dit verdrag, heeft zij geen directe bevoegdheid op het gebied van de handhaving, aangezien het verdrag werd opgesteld door de organisatie van Amerikaanse staten. De Commissie gebruikt echter de bestaande mechanismen om standpunten uit te wisselen en om waar nodig de partners aan te moedigen de overeenkomsten en verdragen op het gebied van mensenrechten op alle niveaus te respecteren en ten uitvoer te leggen. De Commissie acht het echter bemoedigend dat president Fox pogingen onderneemt de mensenrechtenkwesties bovenaan de politieke agenda te plaatsen en degenen die verantwoordelijk zijn voor misdaden tegen de gerechtigheid in het verleden te berechten. De Commissie erkent dat het gerechtelijk apparaat bepaalde tekortkomingen kent, en zij zal ernaar streven waar mogelijk hervormingen te steunen die een geloofwaardiger, transparanter en beter functionerend gerechtelijk apparaat tot stand kunnen brengen. Op dit terrein zal een samen-werkingsprocject van de Unie voor hervorming van het gerechtelijk apparaat in Mexico in de tweede helft van 2003 van start gaan.
Hoewel de Commissie zich bewust is van een zekere mate van straffeloosheid en van het aanhouden van bepaalde schendingen van de mensenrechten, wordt gehoopt dat een intensievere politieke dialoog en een gerichtere samenwerking op dit terrein ervoor zal zorgen dat Mexico's huidige hervormingsinspanningen met succes worden bekroond.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/73 |
(2004/C 88 E/0080)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2223/03
van Paulo Casaca (PSE) aan de Commissie
(2 juli 2003)
Betreft: Geheime akkoorden van de Europese Unie met derde landen over kernenergie
Volgens de „European Voice” van 12 juni 2003 heeft de Raad vorige week een geheim akkoord met China over kernenergie goedgekeurd. Volgens hetzelfde blad verbiedt het akkoord het gebruik van nucleaire technologie voor de fabricatie van massavernietigingswapens.
Kan de Europese Commissie laten weten of ze van het bestaan van het akkoord op de hoogte is?
Kan ze het akkoord openbaar maken of de redenen opgeven waarom ze dat niet doet?
Kan ze uitleggen hoe het mogelijk is om de waarborg te geven dat een akkoord van dergelijke aard geen gevolgen heeft voor de verspreiding van massavernietigingswapens?
Kan ze bewijzen dat er geen gelijkaardig akkoord afgesloten is met Iran?
Kan ze inzage geven in de notulen van haar bijeenkomsten met de waardigheidsbekleders van het Iraans regime in het kader van de zogenaamde constructieve dialoog over energiegebruik?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(7 augustus 2003)
Er is geen geheime overeenkomst over kernenergie met China of met Iran.
De Raad heeft op 11 juni 2003 onderhandelingsrichtsnoeren vastgesteld voor een toekomstige overeenkomst tussen Euratom en China. Deze overeenkomst zal gericht zijn op onderzoek met als hoofddoelstelling het bevorderen van de toegang van Chinese onderzoeksinstellingen tot het 6e Euratom-kaderprogramma, analoog aan de toegang die zij hebben tot het algemene 6e kaderprogramma. De Chinezen hebben altijd aangegeven dat zij alleen in een onderzoeksovereenkomst zijn geïnteresseerd en dit standpunt wordt gedeeld door de lidstaten die de richtsnoeren unaniem goedkeurden.
Er is geen overeenkomst tussen Euratom en Iran en er zijn geen ontwerp-onderhandelingsrichtsnoeren voor een dergelijke overeenkomst. De Commissie wijst er desalniettemin op dat Iran partij is bij het non-proliferatieverdrag en dat er een volwaardige overeenkomst inzake veiligheidscontrole is gesloten tussen Iran en de IAEA, die op 15 mei 1974 in werking is getreden. Op dit moment is er geen aanvullend protocol over een uitbreiding van de veiligheidscontrole tussen Iran en de IAEA.
De Commissie onderhandelt over een overeenkomst voor Handel en Samenwerking met Iran, en koppelt daaraan onderhandelingen over een overeenkomst over politieke dialoog en terrorismebestrijding. Deze onderhandelingen zouden kunnen leiden tot de eerste contractuele overeenkomst tussen de EU en de Islamitische Republiek, en zou het pad kunnen effenen voor nauwere economische en politieke banden. De EU-benadering van de betrekkingen met Iran krijgt gestalte in een alomvattende dialoog over bilaterale, regionale en mondiale kwesties, waaronder mensenrechten, terrorisme en non-proliferatie.
Sinds 1999 heeft de Commissie niet-nucleaire energiekwesties besproken in een werkgroep op hoog niveau. Gedetailleerde informatie over de meest recente vergadering van de energiewerkgroep EU-Iran (oktober 2002) is beschikbaar op de web-site van de Commissie (1).
(1) http://europa.eu.int/comm/energy_transport/en/enlarg_2_en.html
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/74 |
(2004/C 88 E/0081)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2229/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(2 juli 2003)
Betreft: Inkomsten uit olie, Angola, transparantie
Volgens een perscommuniqué van de NGO Global Witness van 20 juli laatstleden heeft de vice-premier van de Angolese regering, Aguinaldo Jaime, in het openbaar belangrijke beloften gedaan over de toekomstige transparantie van de inkomsten uit de olie-exploitatie aan de Angolese kusten.
De desbetreffende passus uit het perscommuniqué van Global Witness luidt als volgt: „In het verleden gebeurden verrichtingen buiten de begroting, zodat die begroting ongeloofwaardig was”, verklaarde de Angolese vice-premier Aguinaldo Jaime tijdens een toespraak op een conferentie van de olie-industrie in Londen. „Voor het eerst in de Angolese geschiedenis zullen alle inkomsten in de begroting worden opgenomen, wat voor de donorgemeenschap het teken zal zijn dat de Angolese regering de begroting op een volstrekt transparante wijze wil beheren.” Jaime voegde daaraan toe dat die cijfers alle olie-inkomsten zullen omvatten.
Kan de Commissie mededelen of ze op de hoogte is van die verklaringen van vice-premier Aguinaldo Jaime?
Heeft de Commissie weet van andere verklaringen van de Angolese regering in die zin?
Beschikt de Commissie, gelet op de standpunten die de Raad en de Commissie en ook andere internationale organen in deze kwestie in dezelfde zin al hebben ingenomen over betrouwbare informatie dat die beloften van de Angolese regering op dit ogenblik worden nageleefd dan wel dat dit spoedig zal gebeuren? Welk effect meent de Commissie dat een positieve ontwikkeling van dit belangrijke politieke en financiële dossier kan hebben op de aangekondigde, maar telkens opnieuw uitgestelde donorconferentie met het oog op de ondersteuning van de wederopbouw van het land?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(9 september 2003)
De verklaring van de Angolese vice-premier Aguinaldo Jaime is de Commissie bekend en zij verheugt zich over de verbintenis van de Regering inzake het tot stand brengen van meer budgettaire transparantie. De kabinetswijziging in december 2002, waarbij een nieuw economisch team in de Regering werd opgenomen, deed de verwachting ontstaan dat het economisch en financieel management transparanter zou worden. De ervaringen uit het verleden zijn evenwel niet positief en het staat nog te bezien of wel echte verbeteringen zullen tot stand komen.
De internationale gemeenschap met inbegrip van de Commissie blijft de Regering ertoe aansporen een transparant budgettair beheer te voeren, vooral met betrekking tot de opbrengsten van aardolie en diamant, en verleent hiervoor steun. Het lid van de Commissie belast met ontwikkeling en samenwerking heeft aldus, tijdens zijn bezoek aan Angola in januari 2003, in de bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de Regering en met President dos Santos uitdrukkelijk gewezen op de behoefte aan een transparant beheer van de opbrengsten van 's lands zeer grote natuurlijke rijkdommen in het belang van alle Angolezen. Hij heeft verder onderstreept dat een dergelijke maatregel er eveneens zou toe bijdragen tot de stabiliteit en voorspelbaarheid te komen die voorwaarden vormen voor het aantrekken van de buitenlandse investeringen die dringend nodig zijn
Een programma om de Regering te helpen bij het beheren van de overheidsuitgaven en het verbeteren van het beheer van de aardolie- en belastingopbrengsten, maakt deel uit van de Transitional Support Strategy (TSS) van de Wereldbank voor het naoorlogse Angola. De strategie inzake samenwerking tussen de EG en Angola voor 2002-2007, die tijdens het bezoek van het lid van de Commissie belast met ontwikkeling en samenwerking in januari werd ondertekend, omvat een component gericht op de verbetering van het financieel beheer.
De Commissie en de internationale gemeenschap hebben herhaaldelijk erop gewezen dat een verbetering van de relatie van Angola met het Internationaal Monetair Fonds (IMF), die vooruitgang op het gebied van transparantie en verantwoordingsplicht impliceert, van essentieel belang is voor het succes van de donorconferentie over de wederopbouw van Angola, en dat een tweede vitaal element een geloofwaardige strategie inzake armoedevermindering zou zijn. Indien Angola inderdaad in staat is de verbintenis van de vice-premier na te komen, zal dit gunstige gevolgen hebben voor de relatie van het land met het IMF en aldus het houden van de conferentie vergemakkelijken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/75 |
(2004/C 88 E/0082)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2244/03
van Elspeth Attwooll (ELDR) aan de Commissie
(7 juli 2003)
Betreft: Richtlijn inzake het behoud van de vogelstand op Malta
Is de Commissie ervan overtuigd dat Malta, afgezien van de overgangsregeling in verband met het vangen van vinken, in staat zal zijn de richtlijn inzake het behoud van de vogelstand 79/409/EEG (1) na te leven vanaf de datum van toetreding tot de EU? Zo niet, welke maatregelen overweegt zij?
Antwoord van heer Verheugen namens de Commissie
(4 augustus 2003)
De Commissie zal blijven toezien op de vooruitgang die Malta en de andere kandidaat-lidstaten tot de toetreding per 1 mei 2004 op wetgevingsgebied zullen boeken. Een evaluatie daarvan zal te lezen zijn in het uitgebreid verslag terzake dat in november 2003 zal worden gepubliceerd.
Wanneer Malta lid van de Unie zal worden, zal de Commissie nagaan of Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand op juiste wijze is omgezet, zoals zij de omzetting voor alle lidstaten nagaat. Ingeval Malta zich niet aan de richtlijn zou houden, dan zal de Commissie zich beraden over de maatregelen die op grond van de bepalingen van het EG-Verdrag moeten worden genomen.
(1) PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/76 |
(2004/C 88 E/0083)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2303/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(8 juli 2003)
Betreft: Cuba — Delegatie Europese Commissie- mensenrechten
De EU heeft besloten:
|
a) |
er bij de Cubaanse autoriteiten op aan te dringen alle politieke gevangenen vrij te laten; |
|
b) |
bilaterale ontmoetingen op hoog niveau met Cubaanse hoogwaardigheidsbekleders te beperken; |
|
c) |
de deelname van de lidstaten aan culturele evenementen te beperken; |
|
d) |
Cubaanse dissidenten uit te nodigen om aan de viering van hun nationale feestdagen deel te nemen; |
|
e) |
het gemeenschappelijk standpunt van de EU ten opzichte van Cuba te herzien. |
Kan de Commissie in het licht van het voorafgaande mededelen:
|
— |
Of degenen die deel uitmaken van de delegatie van de Europese Commissie volledig bij de Cubaanse autoriteiten geaccrediteerd zijn? |
|
— |
Op welke wijze de delegatie van de Europese Commissie in Cuba de besluiten van de EU met betrekking tot Cuba in acht neemt? Heeft de delegatie van de Europese Commissie bijvoorbeeld Cubaanse dissidenten uitgenodigd om aan haar activiteiten deel te nemen, zoals ook de ambassades van de lidstaten is aangeraden? |
|
— |
Welke stappen heeft de delegatie van de Europese Commissie bij de Cubaanse regering ondernomen of is zij van plan te ondernemen om haar in kennis te stellen van de besluiten van de lidstaten en haar bezorgdheid om en afkeer van de totalitaire methodes die in Cuba worden gebruikt? |
|
— |
Welke aspecten van het gemeenschappelijk standpunt van de EU met betrekking tot Cuba moeten volgens de Commissie worden herzien? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(31 juli 2003)
De delegatie van de Commissie in Cuba wordt geleid door een zaakgelastigde a.i, onder de verantwoordelijkheid van het Delegatiehoofd in de Dominicaanse Republiek, die ook geaccrediteerd moet worden als hoofd van de delegatie in Cuba. De Cubaanse regering heeft op 14 april 2003 ingestemd met zijn benoeming. Er is nog geen datum vastgesteld waarop het hoofd van de delegatie zijn geloofsbrieven zal aanbieden.
De delegatie van de Commissie in Cuba is actief betrokken bij de toepassing van de maatregelen tegen Cuba die de Unie heeft goedgekeurd. De delegatie heeft inderdaad dissidenten uitgenodigd voor de receptie ter ere van de dag van Europa op 9 mei 2003. Ook heeft zij de afgelopen maanden deelgenomen aan de twee „trojka's” in Havana om de Cubaanse regering te informeren over de beslissingen van de Unie en om aan te dringen op vrijlating van gevangengenomen dissidenten.
De herziening van het gemeenschappelijk standpunt van de Unie met betrekking tot Cuba is onlangs afgerond.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/76 |
(2004/C 88 E/0084)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2304/03
van Emma Bonino (NI) aan de Commissie
(14 juli 2003)
Betreft: Opening van een delegatie van de Europese Commissie in Jemen
Een drietal jaar geleden heeft de voorzitter van de Europese Commissie ter gelegenheid van een bezoek van de President van Jemen aan Brussel beloofd op korte termijn een volwaardige delegatie van de Commissie in Sanaa te openen. Iedereen kent het strategisch belang van dat land in de regio. Ondanks die formele belofte wordt de Commissie er nog steeds vertegenwoordigd door het hoofd van de delegatie in Amman.
De rechtsstaat en de beginselen van de democratie krijgen in Jemen geleidelijk voet aan de grond, zoals blijkt uit het regelmatig verloop van de jongste verkiezingen, en het besef groeit dat deze waarden en beginselen vanuit Jemen in de gehele regio kunnen worden versterkt.
Meent de Commissie niet dat het moment gekomen is om de belofte in verband met het openen van een delegatie van de Commissie in Sanaa na te komen?
Gelooft de Commissie niet dat dit voor de Jemenitische autoriteiten een aansporing zou betekenen om voort te gaan op de weg naar de versterking van de democratie en de rechtsstaat?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 september 2003)
De Commissie is zich bewust van de opmerkelijke vooruitgang die Jemen heeft geboekt bij de consolidering van rechtsorde en democratische beginselen en is ervan overtuigd dat een versterking van de betrekkingen tussen de Commissie en Jemen dit democratiseringsproces verder zou aanmoedigen.
De Commissie overweegt van haar bestaande kantoor in Jemen een sub-regionale delegatie te maken die onder verantwoordelijkheid valt van de delegatie in Amman. Dit voorstel wordt momenteel onderzocht in de context van de algemene ontwikkeling van de Buitenlandse Dienst. De Commissie is voornemens te gelegenertijd hierover een Mededeling bekend te maken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/77 |
(2004/C 88 E/0085)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2308/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(14 juli 2003)
Betreft: Afrika — olie — armoede
Uit een onderzoek van de „Catholic Relief Services”, een Noord-Amerikaanse NGO, blijkt dat de nieuwe investeringen die momenteel in de oliesector in Afrika worden gerealiseerd het armoedeprobleem in die landen, die afhankelijk zijn van de olie-inkomsten, niet zal oplossen, ofschoon de Afrikaanse productie naar verwachting in de komende tien jaar zal verdubbelen.
Deze bevindingen zijn ronduit choquant.
Volgens de pers werd deze studie op 17 juni jl. via het internet gepubliceerd, uitgerekend de dag waarop de Britse premier in Londen bedrijfsleiders uit de oliesector op het hart drukte meer transparantie te betrachten in hun handel met het Afrikaanse continent.
|
— |
Is de Commissie op de hoogte van deze studie of beschikt zij over andere betrouwbare gegevens hieromtrent? |
|
— |
Beschikt de Commissie over informatie met betrekking tot de invloed die de oliemaatschappijen in Afrika uitoefenen en de transparantie van hun contracten met de Afrikaanse landen die olierijkdommen bezitten? |
|
— |
Welke maatregelen heeft de Commissie genomen of is zij van plan te nemen om ervoor te zorgen dat de oliemaatschappijen die op het grondgebied van de Unie gevestigd of werkzaam zijn en die olievelden in Afrika exploiteren op een transparantere manier te werk gaan? Wat kan zij doen om het toezicht op het beheer en de verdeling van de olierijkdom te verbeteren? Welke maatregelen heeft zij genomen of is zij van plan te nemen ten aanzien van de Afrikaanse landen in het kader van de bestaande samenwerkingsovereenkomsten? |
|
— |
Is de Commissie bereid om oliemaatschappijen die weigeren hun commerciële en industriële relaties met Afrikaanse landen transparant te maken, op een of andere manier te verbieden vanaf het Europese grondgebied te opereren, of dit in ieder geval te beperken? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(10 september 2003)
De door het geachte parlementslid vermelde studie van Catholic Relief Services over het niet verdwijnen van de armoede in de olieproducerende Afrikaanse landen naar aanleiding van de nieuwe investeringen in de oliesector aldaar, is de Commissie niet bekend. De conclusies van het op de website van Catholic Relief Services gepubliceerde verslag bevestigen evenwel een bestaande trend. Er bestaat in feite een sterk verband tussen afhankelijkheid van olie en delfstoffen enerzijds en ongewoon slechte levensomstandigheden voor de armen anderzijds. Ontwikkeling van de oliesector lijkt steeds meer concentratie van rijkdom bij politieke en militaire elites tot gevolg te hebben, waaruit verder ondermijning van de democratie en verslechtering van de situatie op het gebied van de mensenrechten kan voortvloeien. Wanneer staten afhankelijk worden van de uitvoer van olie en delfstoffen, hebben zij het moeilijk om hun economie te diversifiëren en sectoren die de arme bevolking meer directe voordelen opleveren, zoals landbouw en de be- en verwerkende industrie, te bevorderen. De afhankelijkheid van olie en delfstoffen wordt ten slotte een hinderpaal voor economische activiteiten die gunstig zijn voor de arme bevolking.
De Commissie beschikt niet over een gedetailleerd overzicht van de activiteiten van oliemaatschappijen in Afrika. Met een aantal proactieve multinationale ondernemingen uit de sectoren olie en mijnbouw zijn er evenwel verschillende directe contacten geweest in het kader van de strategie van de Commissie met betrekking tot sociale verantwoordelijkheidszin in het bedrijfsleven.
De Voorzitter van de Commissie, de heer Prodi, heeft in 2002 een brief geschreven ter ondersteuning van een in juni 2002 op gang gebrachte campagne om multinationale ondernemingen ertoe aan te sporen de door hen aan regeringen in arme landen betaalde bedragen bekend te maken. Deze „Publish What You Pay”-campagne die wordt aangevoerd door de heer Soros en ondersteund door meer dan 30 lobbygroepen, waaronder Amnesty International, Friends of the Earth en Save the Children. Het onlangs opgerichte European Multi-Stakeholder Forum zal op zijn volgende rondetafelbijeenkomst op 29 en 30 september 2003 de campagne en de beste praktijken voor ondernemingen bespreken. Het Parlement maakt deel uit van het Forum als waarnemer. Het bevorderen van sociale verantwoordelijkheidszin in het bedrijfsleven werd eveneens in het rapport van Catholic Relief Services aangewezen als de meest efficiënte aanpak voor de problemen die zich voordoen als gevolg van de activiteiten in de sectoren olie en mijnbouw in Afrika.
Het is niet mogelijk de activiteiten van oliemaatschappijen die de bedragen welke zij uitbetalen niet willen bekendmaken, aan banden te leggen of te verhinderen. Het is niettemin nodig dat het sociale verantwoordelijkheidsbesef in het bedrijfsleven alsook het optreden van de burgermaatschappij op nationaal niveau als een soort waakhond ten opzichte van genoemde maatschappijen worden aangemoedigd. Overigens zegt de Commissie haar volledige steun toe voor het Verdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake de bestrijding van omkoping, op grond waarvan de omkoping van buitenlandse overheidsambtenaren in het kader van internationale zakelijke transacties strafbaar is.
Ten slotte zij erop gewezen dat de Commissie, in het kader van haar geregelde politieke contacten met verschillende partnerlanden, aangelegenheden met betrekking tot inkomsten uit olie en delfstoffen bespreekt en daarbij pleit voor de duidelijke en transparante integratie van deze inkomsten in de nationale begrotingen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/78 |
(2004/C 88 E/0086)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2321/03
van Freddy Blak (GUE/NGL) aan de Commissie
(14 juli 2003)
Betreft: Aantal ambtenaren van de Commissie dat zich met externe betrekkingen bezighoudt
Kan de Commissie een lijst verstrekken van het aantal Commissie-ambtenaren in DG-aidco, ECHO en DG-dev, met een splitsing per programma en per land, zowel in het hoofdkwartier als in de begunstigde landen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(13 oktober 2003)
De tabel (bijlage 1) die rechtstreeks naar het geachte parlementslid wordt gestuurd geeft voor elk operationeel directoraat van de dienst voor samenwerking EuropeAid een overzicht van het aantal ambtenaren dat zich bezig houdt met elk programma. Hulpfunctionarissen zijn hierin niet opgenomen. Alle cijfers hebben betrekking op de situatie van eind juni 2003 tenzij anders vermeld.
Een tweede tabel met de gevraagde informatie van het Bureau voor Humanitaire Hulp (ECHO) (bijlage 2), een derde met betrekking tot de delegaties (bijlage 3) en een vierde met betrekking tot het directoraat-generaal Ontwikkeling (Bijlage 4) worden rechtstreeks naar het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement gestuurd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/79 |
(2004/C 88 E/0087)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2345/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) en Alexander de Roo (Verts/ALE) aan de Commissie
(16 juli 2003)
Betreft: Bescherming van ongerept natuur- en cultuurlandschap met potenties voor eco-toerisme in het berggebied van de Poolse provincie Dolnoslaœkie (Neder-Silezië)
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat in het berggebied Karkonosze en Góri Izerskie in de zuidwestelijke Poolse provincie Neder-Silezië (województwo Dolnoslaœkie) het fraaie natuurlijke landschap, de monumentale dorpen en de resten van bewoning door vroeger daar levende volkeren tot nu toe niet zijn aangetast door oorlogen, industrialisatie of agrarische moderniseringen, waardoor het aanleiding was voor een internationale reizende tentoonstelling „The Jelenia góra (Hirschberg) valley of castles and gardens, our joint European heritage” en binnen Europa een unieke potentie heeft voor eco-, agro-, cultuur- en gezondheidstoerisme? |
|
2. |
Is het de Commissie bekend dat in dit gebied lokale Poolse boeren tien jaar geleden het initiatief namen tot het European Centre for Eco and Agro Tourism (ECEAT), dat inmiddels is uitgegroeid tot een internationale organisatie met afdelingen in vijftien landen en met 2 000 aangesloten accommodaties voor duurzaam toerisme? |
|
3. |
Is het de Commissie bekend dat rondom de stad Jelenia Góra en het nationale park (park narodow) Karkonoski dat sinds 1959 beschermd is, de landschappen Doliny Bobru en Rudawski Park sinds 1989 de status hebben van beschermd landschap (parki krajobrazowe) en dat het omringende landschap grotendeels de status heeft van beschermde landschapszone (obszary krajobrazu chronionego oraz otuliny parków krajobrazowych), hoewel de verkeerszone tussen Jelenia Góra en Zgorzelec aan de Duitse grens daar buiten valt? |
|
4. |
Is het de Commissie bekend dat drie internationale conferenties, georganiseerd door het Poolse centrum voor het behoud van historische landschappen en met steun van het International Committee for historic gardens and cultural landscapes (ICOMOS-IFLA), de Poolse regering hebben aanbevolen om dit gebied te plaatsen op de werelderfgoedlijst van Unesco? |
|
5. |
Is dit gebied inmiddels door de Poolse regering aangemeld in het kader van Natura 2000? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/79 |
(2004/C 88 E/0088)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2346/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) en Alexander de Roo (Verts/ALE) aan de Commissie
(16 juli 2003)
Betreft: Verwoesting van ongerept natuur- en cultuurlandschap en vernietiging eco-toerisme door groei van dagmijnbouw in de Poolse provincie Dolnoslaœkie (Neder-Silezië)
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat kort voor de Poolse toetreding tot de EU mijnbouwmaatschappijen haast maken met aankoop van grond en verwerving van langlopende concessies voor grootschalige dagbouw (d.w.z. mijnbouw in de open lucht) in de gedeeltelijk beschermde berggebieden Góri Izerskie en Karkonosze (Reuzengebergte) aan de zuidrand van de Poolse provincie Neder-Silezië (województwo Dolnoslaœkie)? |
|
2. |
Is het de Commissie bekend dat sinds 1999 de Zweedse onderneming NCC in Klopotnica (gemeente Mirsk) het landschap alsmede de aantrekkelijkheid ervan voor mensen verwoest door afgravingen, brede toegangswegen, lawaai van explosies en stofwolken, en dat dit ertoe leidt dat toeristen hier nu wegblijven en de streek verarmt? |
|
3. |
Heeft de Commissie inmiddels vernomen dat uitbreidingsplannen worden ontworpen om een oude niet meer functionerende mijn bij het aan kastelen, paleizen en historische tuinen rijke Karpniki (gemeente Mysłakowice) in het beschermde „Rudawski Janowice Park” 20 tot 30 keer zo groot te maken en dat het bedrijf Pol-Skal tevens plannen ontwikkelt voor grootschalige dagbouw van 80 ha voor leuco-granietwinning tussen Mala Kamienica en Chromiec (gemeente Stara Kamienica) die bij uitvoering dit landschap sterk zouden aantasten en verwoesten, en dat deze plannen bij de plaatselijke bevolking op steeds sterkere protesten kunnen rekenen? |
|
4. |
Zijn de EU of de Europese Investeringsbank op enigerlei wijze betrokken bij de voorbereiding, financiering of uitvoering van deze mijnbouwprojecten? Vindt een milieueffectrapportage plaats? |
|
5. |
Wat kan en wil de Commissie doen om ertoe bij te dragen dat de verdere ontwikkeling van natuur-en landschapsbescherming en duurzame vormen van toerisme en agrarische bedrijvigheid in het bergland van Neder-Silezië wordt voortgezet en eventueel ondersteund met EU-fondsen, en wordt voorkomen dat hier in de toekomst na verwoesting door dagmijnbouw een onbruikbaar en onherbergzaam maanlandschap achterblijft? |
Gecombineerd Antwoord
van de heer Verheugen namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-2345/03 en E-2346/03
(10 september 2003)
De Commissie neemt nota van de door de geachte parlementsleden gemelde feiten omtrent mijnbouw-activiteiten in Polen. De Commissie neemt er eveneens nota van dat een reizende internationale tentoonstelling in de Jelenia Góra-vallei werd gehouden en dat drie internationale conferenties hebben aanbevolen de regio rond Jelenia Gória, Doliny Bobru en Rudawaski Park op de World Heritage List van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (Unesco) te plaatsen. Wat betreft de beschermde gebieden is de Commissie op de hoogte van het nationale systeem van aangewezen gebieden in Polen.
Wat de mijnbouw in Polen betreft, is de Commissie niet op de hoogte van de door de geachte parlementsleden genoemde specifieke projecten. Ervaring in de Unie heeft de Commissie echter geleerd dat mijnbouwactiviteiten de facto niet onverenigbaar zijn met goede milieubescherming. Talrijke mijnbouw-operaties vinden plaats in beschermde natuurgebieden en een goede planning door de mijnbouwindustrie kan zelfs bijdragen aan het ontwikkelen van nieuwe recreatiegebieden. De Commissie kan echter bevestigen dat toetredende landen met een belangrijke mijnbouwsector, zoals Polen, nog steeds inspanningen moeten leveren om het kader waarin deze activiteiten plaatsvinden te verbeteren. Daarom staat de Commissie de autoriteiten en de industrie bij door hen via de uitwisseling van beste praktijken de nodige steun te verlenen.
In het algemeen zijn de toetredende landen regelmatig herinnerd aan de conclusies van de Raad van 24 september 1998 betreffende toetredingsstrategieën voor het milieu, waarin werd gesteld dat bij alle nieuwe investeringen moet worden voldaan aan de milieuwetgeving van de EU.
Wat betreft de relevante wetgeving van de Unie, moeten mijnbouwactiviteiten voldoen aan de eisen betreffende de milieu-effectbeoordeling van Richtlijn 85/337/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG (1). Het beheer van afval van de ontginning en verwerking van delfstoffen moet voldoen aan de algemene verplichtingen van de Afvalstoffen-kaderrichtlijn 75/442/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG (2). Bij boven- of ondergrondse storting van dergelijk afval moet met name worden voldaan aan de operationele en technische eisen van Richtlijn 1999/31/EG (3) betreffende het storten van afvalstoffen.
Met het oog op een verbetering van de milieunormen in dit gebied heeft de Commissie bovendien onlangs een voorstel voor een richtlijn betreffende afvalbeheer in de mijnbouwindustrie vastgesteld (4). In dit voorstel worden de taken beschreven die de mijnbouwindustrie moet uitvoeren en wordt de rol van de bevoegde autoriteit die toezicht houdt op de mijnbouwoperatie vóór en na sluiting gedefinieerd. Ook wordt een financiële garantie geëist voor herstel van een mijnbouwlocatie bij insolventie. Op basis van het principe dat de vervuiler betaalt, zijn deze bepalingen erop gericht te voorkomen dat operatoren zonder scrupules de maatschappij opzadelen met een onnodige last, bijvoorbeeld bij een faillissement.
Overeenkomstig de in de toetredingsonderhandelingen aangegane verbintenissen moet de Poolse regering bijzondere beschermingsgebieden aanwijzen in het kader van de Vogelrichtlijn (5), en de nationale lijst indienen van locaties van communautair belang in het kader van de habitat-richtlijn (6), uiterlijk op de datum van toetreding. De Poolse regering heeft op basis van wetenschappelijk onderzoek een lijst van kandidaat-locaties opgesteld, en deze voorstellen worden besproken met lokale overheden en belanghebbenden. Tot nu toe is geen officiële mededeling over de lijst gedaan.
In het Phare-programma is geen financiering verstrekt voor mijnbouwprojecten in Polen. Ere is enige financiering is verstrekt voor de herstructurering van de kolen- en staalindustrie, met het oog op het creëren van alternatieve werkgelegenheid.
De Europese Investeringsbank heeft geen projecten gefinancierd die betrekking hebben op de voorbereiding, financiering of tenuitvoerlegging van mijnbouwprojecten, noch is de bank betrokken bij besprekingen betreffende deze mijnbouwprojecten.
Zoals de geachte parlementsleden bekend is, wordt ecotoerisme in de Europese context beschouwd als een vorm van toerisme die in het geheel niet beperkt is tot beschermde gebieden, maar voornamelijk gericht is op het minimaliseren van de negatieve effecten van het toerisme op cultuur en milieu. Daarom moet ecotoerisme in Europa worden beschouwd als een vorm van toerisme die de strengste normen van milieubescherming respecteert.
In dit kader heeft de Commissie een internet-gids opgesteld over „steun van de Unie voor toerisme-bedrijven en toeristische bestemmingen” die te vinden is op het volgende adres: http://europa.eu.int/comm/enterprise/services/tourism/tourism-publications/documents/internet_ guide_en.pdf. Deze internet-gids bevat zeer gedetailleerde informatie over diverse programma's, plannen, middelen, initiatieven en activiteiten van de Unie die van belang zijn voor de toerismesector, evenals links naar de startpagina's van de relevante programma's.
Doel van deze nieuwe internet-gids is het beschikbaar stellen aan de actoren in de toerismesector en andere geïnteresseerden van een zeer gedetailleerd en gestructureerd overzicht van de mogelijkheden die de Gemeenschap biedt om duurzaam toerisme — en dus ecotoerisme — te bevorderen. In deze internet-gids zijn de programma's van de Gemeenschap ingedeeld naar specifieke terreinen: bijvoorbeeld opleiding en steun voor werkgelegenheid, steun en samenwerking voor bedrijven, samenwerking tussen regio's, culturele gebeurtenissen ter ondersteuning van het toerisme, of onderzoek en technologische ontwikkeling. De relevantie van het programma voor het toerisme wordt geïllustreerd met passende voorbeelden van activiteiten die in het kader van de programma's zijn uitgevoerd.
Deze gids beschrijft ook programmabeschrijvingen, doelgroepen, vereisten, begrotingstoewijzingen en subsidies in kort bestek, en bevat links naar de startpagina's van de programma's, zodat het voor de begunstigden van een bepaald project eenvoudiger uitdrukking te geven aan hun wensen en bezorgdheden, in aan de hand van de doelstellingen van de verschillende financieringsregelingen van de Gemeenschap.
Polen, als toetredend land, en na het Toetredingsverdrag te hebben ondertekend, moet zich aanpassen aan bovengenoemde richtlijnen en deze ten uitvoer leggen, en tevens voldoen aan de eisen betreffende natuurbescherming en het aanwijzen van locaties op de datum van toetreding, voorzover geen overgangsregelingen zijn toegekend. Na de toetreding zal Polen de agromilieumaatregelen moeten toepassen krachtens het door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) gefinancierd programma voor plattelandsontwikkeling.
De Commissie zal de situatie nauwlettend blijven volgen en zal in haar uitgebreide monitoring-verslag een uitvoerige evaluatie publiceren van de staat van de tenuitvoerlegging van de eisen op milieugebied in Polen, en zo nodig kwesties bij de bevoegde Poolse autoriteiten aankaarten.
(1) Richtlijn 97/11/EG van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, PB L 73 van 14.3.1997.
(2) Richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 tot wijziging van Richtlijn 75/442/EEG betreffende afval, PB L 78 van 26.3.1991.
(3) Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen, PB L 182 van 16.7.1999.
(4) COM(2003)319 def.
(5) Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, PB L 103 van 25.4.1979.
(6) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitat en de wilde flora en fauna, PB L 206 van 22.7.1992.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/82 |
(2004/C 88 E/0089)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2354/03
van Mary Honeyball (PSE) aan de Commissie
(16 juli 2003)
Betreft: Plaatselijke overheden in ACS-landen
Kan de Commissie details geven van de steun die de afgelopen twaalf maanden is verleend aan plaatselijke overheden in ACS-landen ten behoeve van de ontwikkeling en capaciteitsopbouw van plaatselijke overheidsinstellingen, naar aanleiding van de erkenning van plaatselijke overheden als overheidsactor in artikel 6 van het Akkoord van Cotonou?
Hebben de diensten van de Commissie, met name AIDCO, financiële of andere interne procedures gestart om te waarborgen dat plaatselijke overheden, als overheidsactor, op doeltreffende wijze toegang hebben tot middelen uit de nationale en regionale indicatieve programma's, en zijn er specifieke voorbeelden van plaatselijke overheden die reeds gebruik hebben gemaakt van die middelen?
Heeft de Commissie plannen voor ontmoetingen met vertegenwoordigers van het ACP Local Government Platform, met inbegrip van het Commonwealth Local Government Forum?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(11 september 2003)
De Commissie wenst erop te wijzen dat zij het in werking treden van de Overeenkomst van Cotonou niet heeft afgewacht om blijk te geven van haar besef dat de plaatselijke autoriteiten een partner zijn voor de ontwikkeling van de ACS-landen, en derhalve hun capaciteit op te bouwen en hun pogingen om deel te nemen aan het politiek, sociaal en economisch leven van het land te ondersteunen.
De Commissie financiert op dit ogenblik in het kader van het 8e EOF projecten ter ondersteuning van de decentralisatie naar kleine gebieden of van gedecentraliseerde samenwerking met plaatselijke autoriteiten en verkozen vertegenwoordigers in verschillende Afrikaanse landen, met name Benin, Kameroen, Ivoorkust, Guinee Conakry, Mali, Mauritanië, Niger, Uganda en Senegal. Zij ondersteunt eveneens projecten op dit gebied in Zuid-Afrika. Voor deze projecten wordt in totaal 151 miljoen euro uit het Europees Ontwikkelingsfonds besteed en 102 miljoen euro voor Zuid-Afrika. Het meest recente project is het programma ter ondersteuning van de organisatie van leefgemeenschappen in Benin (Prodecom) voor een bedrag van 8,85 miljoen euro.
Bovendien werd in verschillende nationale indicatieve programma's in het kader van het 9e EOF voorzien in steun voor decentralisatie en voor plaatselijke autoriteiten in Benin, Kaapverdië, Djibouti, Ethiopië, Ghana, Guinee Conakry, Mali, Niger, Uganda en Sierra Leone. De reeds vastgelegde projecten hebben betrekking op een totaalbedrag van 93 miljoen euro. Op dezelfde wijze voorziet het indicatief programma (2003-2006) voor Zuid-Afrika in opbouw van de capaciteit van de plaatselijke autoriteiten in het kader van plaatselijke ontwikkelingsprojecten.
In overeenstemming met de procedures die op het Europees Ontwikkelingsfonds van toepassing zijn, kunnen de samenwerkingsprojecten slechts uit de middelen voor nationale of regionale indicatieve programma's worden gefinancierd op basis van een verzoek van de regionale of nationale ordonnateur. Overigens blijft het hoofd van de delegatie van de Commissie in de ACS-partnerlanden de belangrijkste gesprekspartner met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het partnerschap, met inbegrip van de bevordering en vergemakkelijking van de dialoog tussen de verschillende soorten actoren (in het bijzonder de plaatselijke autoriteiten), en met betrekking tot het financieel beheer. De projecten die de Commissie financiert ter ondersteuning van decentralisatie en van plaatselijke autoriteiten hebben tot gevolg dat de betrokken gemeenschappen onmiddellijk voordeel halen uit de daaraan bestede steun, omdat zij voorzien in mechanismen voor de opbouw van hun institutionele, technische en financiële capaciteit. De op dit ogenblik aan de gang zijnde projecten ter ondersteuning van decentralisatie en van plaatselijke autoriteiten voorzien aldus alle in opleiding en technische steun voor de plaatselijke autoriteiten en verkozen vertegenwoordigers, de opzet van investeringsfondsen voor gemeentelijke infrastructuur en nutsvoorzieningen, of de terbeschikkingstelling van kredietfaciliteiten voor het verbeteren van de gemeentelijke diensten. Gelijksoortige procedures worden toegepast voor Zuid-Afrika.
De Commissie heeft met grote aandacht het georganiseerd en opgezet worden van het Platform van plaatselijke besturen van de ACS-landen gevolgd en heeft deelgenomen aan de door dit Platform op 14 maart 2002 georganiseerde studiebijeenkomst voor het gezamenlijk overlopen van de mogelijkheden tot samenwerking met de plaatselijke autoriteiten in de ACS-landen.
De diensten van het Bureau voor samenwerking EuropeAid hebben tweemaal een vertegenwoordiger van het Commonwealth Local Government Forum (CLGF) ontmoet. Tijdens de daarbij gevoerde gesprekken heeft de Commissie de vertegenwoordiger van het CLGF een overzicht verstrekt van de maatregelen van de Commissie op het gebied van de capaciteitsopbouw ten behoeve van de plaatselijke autoriteiten in de ACS-landen. Verder werden daarbij ook de budgettaire financieringsmethoden van toepassing op het Europees Ontwikkelingsfonds en op Zuid-Afrika, alsook de begrotingslijnen betreffende de gedecentraliseerde samenwerking toegelicht. In dit verband zij evenwel opgemerkt dat de Commissie het CLGF niet beschouwt als een noodzakelijke gesprekspartner met betrekking tot haar maatregelen ter ondersteuning van de lokale besturen in de ACS-landen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/83 |
(2004/C 88 E/0090)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2363/03
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(17 juli 2003)
Betreft: Onderzoek door een Turks schip in de Griekse territoriale wateren in de Egeïsche Zee
In Griekse persberichten van vandaag (8.7.2003) lezen we dat de Piri Reis, een Turks schip voor oceanografisch onderzoek, tussen 4 en 19 juli in de Egeïsche Zee onderzoek zal uitvoeren en wel in de Griekse territoriale wateren van de Egeïsche Zee. De kranten berichten dat de Griekse marine een bericht heeft onderschept van de zender van de kustwacht van Ismir in verband met het „oceanografisch onderzoek van het schip”. Volgens het „onderzoeksprogramma” zal de Piri Reis (die eigendom is van de universiteit van Ismir) onderzoek verrichten op een afstand van 5 zeemijl van het eilandje Kalogeri in de Cycladen evenals op 25 andere plaatsen in de Griekse territoriale wateren.
Turkije (een kandidaat voor toetreding tot de EU) heeft in het verleden al eens ditzelfde schip naar de Egeïsche Zee gestuurd om onderzoek te verrichten in de Griekse (en dus ook communautaire) territoriale wateren, wat geleid heeft tot spanningen in de Grieks-Turkse betrekkingen.
Is de Commissie op de hoogte van het voornemen van de Turkse autoriteiten? Krijgt de universiteit van Ismir, die eigenaar is van het schip, steun uit enigerlei communautair initiatief (direct of indirect, via een lening of met andere communautaire middelen)? Welke initiatieven kan de Commissie onmiddellijk ondernemen zodat Turkije geen onderzoek verricht in de territoriale wateren van een lidstaat van de EU?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(11 september 2003)
Het is de Commissie niet bekend wat de bedoeling van de Turkse autoriteiten is met de activiteiten van het Turkse schip voor oceanografisch onderzoek. Verder heeft de Universiteit van Izmir geen subsidie van de Unie ontvangen.
Ten aanzien van de Grieks-Turkse betrekkingen in het algemeen wijst de Commissie op het beginsel van de vreedzame regeling van grensgeschillen, dat in de conclusies van de Raad van Helsinki in december 1999 is aangehaald.
In het herziene Partnerschap voor de toetreding met Turkije, dat op 19 mei 2003 is goedgekeurd, is bepaald dat het voor Turkije een prioriteit is om „overeenkomstig punt 4 van de conclusies van Helsinki, in de context van de politieke dialoog, alles in het werk te stellen om de nog onopgeloste grensgeschillen en andere daarmee verbonden problemen tot een oplossing te brengen.”
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/84 |
(2004/C 88 E/0091)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2392/03
van Anna Karamanou (PSE) aan de Commissie
(21 juli 2003)
Betreft: Steniging van Cemse Allak in Turkije
Volgens tal van berichten in de internationale pers is de 35-jarige Cemse Allak in het Koerdische dorp Yayiim in Turkije door haar familie gestenigd toen zij zwanger was geraakt na te zijn verkracht door een getrouwde man. De vrouw stierf zeven maanden na de steniging in het ziekenhuis, alleen en aan haar lot overgelaten, terwijl de man ter plekke is gedood door familieleden van haar, die „het recht in eigen hand hebben genomen”.
Deze afschuwelijke gebeurtenis is opnieuw een voorbeeld van de tragische gevolgen van discriminatie op grond van geslacht die voortvloeit uit godsdienstig fanatisme en onverdraagzaamheid. De stelselmatige schending van de mensenrechten van vrouwen door het opleggen van gewelddadige, vernederende straffen die vaak de dood tot gevolg hebben, noopt tot onmiddellijke maatregelen. In het hedendaagse Turkije, dat betrokken is bij onderhandelingen over toetreding tot de EU, moet politiek worden opgetreden tegen misdaden die worden gepleegd „voor de eer”, zodat hieraan een einde wordt gemaakt.
Zal de Commissie druk op de Turkse regering uitoefenen om te bereiken dat er strenge wetgeving wordt goedgekeurd tegen dergelijke misdaden en eigenrichting en dat de verantwoordelijken voor de rechter worden gebracht, en is zij voornemens zich in te zetten voor de bescherming van de mensenrechten van vrouwen, zodat er een einde komt aan de vernederende behandeling van vrouwen en het voortdurende geweld en de discriminatie waaronder zij te lijden hebben?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(4 september 2003)
De berichten in de internationale pers betreffende de door het geachte parlementslid vermelde gebeurtenissen zijn de Commissie bekend.
Als kandidaat-lidstaat heeft Turkije zich ertoe verbonden aan de politieke criteria van Kopenhagen te beantwoorden. Deze criteria omvatten het beginsel van de gelijkheid van mannen en vrouwen evenals economische, sociale en culturele rechten. Dit werd verder verduidelijkt als prioriteit in het kader van het herziene Toetredingspartnerschap voor Turkije dat „in de wet en in de praktijk het recht dient te worden gegarandeerd op volledige uitoefening van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, door alle individuen, zonder discriminatie en ongeacht hun taal, ras, huidskleur, geslacht, politieke overtuiging, levensbeschouwing of religie, overeenkomstig de desbetreffende internationale en Europese instrumenten”.
Reeds in het in 2002 bekendgemaakte periodiek verslag (1) heeft de Commissie de aandacht gevestigd op het probleem van de „moorden voor de eer” en uitdrukkelijk vermeld dat in Turkije moorden voor de eer in aanmerking komen voor strafvermindering en dat de straf nog meer kan worden verminderd indien de beschuldigde minderjarig is.
Het door het Turkse Parlement op 19 juni 2003 aangenomen zesde pakket politieke hervormingen omvat een aantal maatregelen met betrekking tot het probleem van de „moorden voor de eer”. Met name werd artikel 453 van het strafwetboek gewijzigd om de straf voor het doden van buitenechtelijk geboren zuigelingen te vergroten van vier à acht jaar tot zes à tien jaar. Artikel 462, waarin voor moorden voor de eer werd voorzien in strafvermindering, werd ingetrokken.
De Commissie blijft de situatie, vooral wat de tenuitvoerlegging van deze nieuwe voorschriften betreft, op de voet volgen.
(1) COM(2002) 700 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/85 |
(2004/C 88 E/0092)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2402/03
van Mario Borghezio (NI) aan de Commissie
(21 juli 2003)
Betreft: Boekverbrandingen en de aanstelling door de overheid van 15 000 imams in Turkije
Onlangs zijn in Turkije op last van de rechterlijke macht westerse boeken in het openbaar verbrand, omdat zij niet „islamitisch correct” waren bevonden. Hierbij komt nog eens het recente bericht dat de Turkse regering heeft besloten om op kosten van de staat 15 000 imams in dienst te nemen ter verdere verbreiding van de islam.
Is de Commissie van oordeel dat beide voorvallen deel uitmaken van het „scenario” dat het „nieuwe Turkije” volgt op weg naar de toetreding tot de EU en haar waarden?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(8 september 2003)
De Commissie is niet op de hoogte van de door het geachte parlementslid genoemde aangelegenheid met betrekking tot openbare boekverbrandingen op last van de rechterlijke macht.
Met betrekking tot de aanstelling van extra imams is de Commissie op de hoogte van een voorstel van het Bureau voor Religieuze Zaken (Diyanet) met het oog op het vervullen van openstaande vacatures voor moslimgeestelijken in Turkije. Voor zover de Commissie bekend heeft de regering niet met dit voorstel ingestemd.
Als kandidaat-lidstaat heeft Turkije zich ertoe verbonden te voldoen aan de politieke criteria van Kopenhagen. Deze criteria impliceren vrijheid van godsdienst voor alle religieuze groepen. De Commissie verricht een diepgaande analyse van de situatie op het gebied van de godsdienstvrijheid in het jaarlijks door haar gepubliceerde Periodiek Verslag en zal de ontwikkelingen op de voet blijven volgen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/85 |
(2004/C 88 E/0093)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2442/03
van Jürgen Zimmerling (PPE-DE) aan de Commissie
(22 juli 2003)
Betreft: Leverantie van hulpgoederen aan Madagaskar
In het kader van de overschakeling op NAVO-normen moeten de nationale legers van de uitbreidingsstaten apparatuur en voorwerpen, bijvoorbeeld tenten of veldkeukens, uit bedrijf nemen en vervangen door nieuwe.
Het oude materiaal heeft echter nog een relatief hoge waarde, is goed onderhouden en kan dus als hulp voor de derde wereld worden gebruikt omdat het uitstekend geschikt is voor niet-militaire doeleinden.
De heer Marc Ravalomanana, president van Madagaskar, heeft onlangs verzocht na te gaan of de Europese Unie uit haar fonds voor humanitaire hulp de transportkosten voor deze voorwerpen zou kunnen financieren (zie zijn schrijven alsmede een lijst van de benodigde materialen). De aanleiding voor dit verzoek is de jongste natuurramp in Madagaskar, waar dringend behoefte bestaat aan deze apparatuur en voorwerpen. Wat vindt de Commissie van dit verzoek?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(4 september 2003)
Het is de Commissie bekend dat Madagaskar geregeld te lijden heeft van natuurrampen en dat het met name in mei 2003 ernstig werd getroffen door de tropische wervelstorm Manou. De Commissie heeft snel gereageerd met hulp voor de slachtoffers van de cycloon door gebruik te maken van de huidige begrotingsfaciliteiten, zoals die betreffende voedselzekerheid, vervoer, en het systeem voor de stabilisering van de exportopbrengsten (STABEX).
Met betrekking tot eventuele hulp voor Madagaskar in de vorm van een financiering van het vervoer van door de nationale legers van de toetredende landen afgedankt materieel, heeft de Commissie van President Ravalomanana nog geen schrijven ontvangen. Wat evenwel de mogelijkheid betreft om de begroting voor humanitaire hulp te gebruiken voor de financiering van dergelijk vervoer, zij eraan herinnerd dat de voorwaarden betreffende de tenuitvoerlegging van deze begroting duidelijk werden vastgelegd in Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 (1). Dit is de rechtsgrond voor de activiteiten van het Bureau voor Humanitaire Hulp van de Europese Commissie (ECHO).
In de praktijk betekent dit dat ECHO een dergelijk transport alleen zou kunnen financieren naar aanleiding van een bepaalde ramp en slechts via de bekende partners, zodat een directe overmaking van middelen aan de Regering is uitgesloten.
Zoals het geachte parlementslid weet, worden de middelen voor humanitaire acties verstrekt op basis van verzoeken ingediend door erkende humanitaire actoren, zoals Organisaties van de Verenigde Naties, de verschillende organen van de Rode-Kruisbeweging en gespecialiseerde humanitaire niet-gouvernementele organisaties (NGO's). Deze actoren zijn ECHO-partners, evalueren de behoeften van de slachtoffers op een onpartijdige en neutrale manier, en dienen voorstellen in waarbij zij duidelijk uitgaan van een strategie gericht op een optimale impact en duurzaamheid van de geplande maatregelen. Humanitaire maatregelen beperken zich niet tot het vervoer van goederen en materieel naar een crisisregio, maar omvatten eveneens coördinatie met plaatselijke instanties en de tenuitvoerlegging van een complexe scala van activiteiten.
In dit verband dient aandacht te worden besteed aan een efficiënte aanwending van de middelen voor de tenuitvoerlegging van de overwogen activiteiten met het oog op de verwezenlijking van het doel van de maatregel.
ECHO heeft tot dusver van zijn humanitaire partners nog geen verzoek ontvangen betreffende de overbrenging van buiten gebruik gesteld militair materieel naar Madagaskar.
In ieder geval dient de staat waarin bedoeld materieel zich bevindt, alsook de geschiktheid ervan in het kader van humanitaire hulpacties zorgvuldig te worden nagegaan. De met de tenuitvoerlegging belaste partners van ECHO's zullen zich met deze beoordeling moeten belasten en ze uitvoeren met inachtneming van de waargenomen behoeften en belangen van de ontvangers van de hulp.
Indien ECHO een desbetreffend verzoek zou ontvangen, zal dat verzoek worden bestudeerd met inachtneming van het in het Financieel Reglement vastgelegde beginsel inzake gezond financieel beheer.
(1) Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp, PB L 163 van 2.7.1996.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/87 |
(2004/C 88 E/0094)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2490/03
van Bob van den Bos (ELDR) en Bashir Khanbhai (PPE-DE) aan de Commissie
(25 juli 2003)
Betreft: Voedselhulp voor Ethiopië
Op het ogenblik zijn er in Ethiopië meer dan 12,5 miljoen mensen die voedselhulp nodig hebben. In antwoord op de humanitaire crisis heeft de Europese Commissie het onderdeel voedselhulp opgetrokken tot 115 miljoen euro, maar spijtig genoeg is de toestand in Ethiopië nog altijd aan het verslechteren en is er nog meer hulp nodig.
Aan wat wordt de EU-bijdrage voor voedselhulp besteed?
Welk soort voedsel, en van welke oorsprong wordt er naar Ethiopië gestuurd?
Wat is het oordeel van de Europese Commissie over de noodzaak en de doelmatigheid van de voedselhulp voor de Ethiopische bevolking?
Is de Europese Commissie van plan om het onderdeel voedselhulp nog verder uit te breiden?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(25 september 2003)
De respons van de Commissie op de crisis in Ethiopië was aanzienlijk.
De bijdragen van de lidstaten (EUR 101 miljoen) en van de Commissie (EUR 114,3 miljoen) dienen hoofdzakelijk om de aankoop van graan te financieren. Het aandeel van de Commissie wordt hetzij rechtstreeks aan de overheid van Ethiopië geleverd (EUR 81 miljoen) hetzij via subsidies aan het Wereldvoedselprogramma (EUR 10 miljoen), niet-gouvernementele organisaties (ngo's) (EUR 13 miljoen) en het International Comité van het Rode Kruis (EUR 5 miljoen). De overige EUR 5,3 miljoen is de bijdrage van ECHO. De Commissie verleent tevens financiële steun aan andere acties die verband houden met de droogte zoals ngo-projecten op het gebied van gezondheid, voeding, water en sanitaire voorzieningen (EUR 22,8 miljoen). De voedselhulp bestaat in hoofdzaak uit graan maar ook uit voedingsmengsels voor bijvoeding. De Commissie tracht levensmiddelen systematisch ter plaatse of in de regio aan te kopen, omdat er zelfs in crisisjaren gebieden zijn met voedseloverschotten waar voedsel kan worden aangekocht. Op deze wijze kan tevens worden voorkomen dat de prijzen in het land en in de regio buitensporig dalen waardoor de landbouwbevolking wordt ontmoedigd om het komende jaar weer te produceren. In 2003 heeft de Commissie 62 250 ton ter plaatse aangekocht en 48 000 ton in de regio (Soedan). Het overige deel werd ingevoerd, met name uit Europa.
De Commissie geeft gehoor aan oproepen van de regering en organisaties van de Verenigde Naties (VN) die gebaseerd zijn op de beoordeling van de gewassen en de humanitaire noden. De Commissie beschikt in het land over technische bijstand om de Delegatie te helpen bij de beoordeling van de plaatselijke situatie en toezicht te houden op de tenuitvoerlegging. Uit plaatselijke beoordeling van de doelmatigheid van de operatie blijkt dat de voedselverstrekking en -verdeling bevredigend verloopt.
De Commissie heeft toegezegd in 2003 ongeveer 400 000 ton voedsel te verstrekken aan Ethiopië. Binnenkort zal zij een besluit nemen over de levering van nog eens 40 000 ton. In dit stadium is de Commissie niet voornemens haar bijdrage aan de voedselhulp aan Ethiopië verder te verhogen omdat de regering heeft verklaard dat de toezeggingen die haar werden gedaan al meer bedragen dan haar laatste oproep.
Hoewel de donorrespons naar aanleiding van de Ethiopische oproep over het algemeen bevredigend was en de voedseldistributie volgens plan is verlopen, blijkt uit voedingsonderzoeken dat in tal van gebieden van het land nog steeds sprake is van algemene acute ondervoeding.
Het spreekt vanzelf dat voedselhulp niet het antwoord is voor de problemen van Ethiopië. Voedselzekerheid — een doelbewust beleid om de situatie aan de basis te veranderen, is nodig. In haar dialoog met de regering stuurt de Commissie dan ook aan op een koersverandering in deze richting.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/88 |
(2004/C 88 E/0095)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2504/03
van Esko Seppänen (GUE/NGL) aan de Commissie
(29 juli 2003)
Betreft: Dubbele belastingheffing voor gerepatrieerden
In april 2001 vestigde commissaris Bolkestein de aandacht op de dubbele belastingheffing voor gepensioneerden, waarbij hij als voorbeeld wees op de discriminatie ten gevolge van de verschillende belastingpraktijken voor gepensioneerden in Finland en Zweden. Heeft de Commissie actie ondernomen om deze misstanden recht te zetten en welke resultaten zijn er met betrekking tot deze kwestie sinds 2001 bereikt?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(16 september 2003)
In haar mededeling over de belasting op pensioenen van april 2001 (1) heeft de Commissie het uit de weg ruimen van obstakels met betrekking tot grensoverschrijdende bedrijfspensioenregelingen als prioriteit aangewezen. Over de Finse en Zweedse regels inzake de belasting op pensioenen zijn sindsdien verschillende prejudiciële uitspraken gedaan door het Hof van Justitie (2). De Commissie zal nauwlettend toezien op de wijzigingen die Finland en Zweden op grond van deze uitspraken aanbrengen in hun belastingwetgeving.
In dit verband moet ook vermeld worden dat de Commissie besloten heeft Denemarken naar het Hof van Justitie te verwijzen en inbreukprocedures in te leiden tegen zeven andere lidstaten (3). Twee van deze zeven lidstaten hebben de Commissie al meegedeeld dat zij stappen zullen ondernemen om hun wetgeving aan te passen.
(2) De zaak Danner C-136/00, arrest van 3.10.2000 en de zaak Skandia/Ramstedt C-422/01, arrest van 26.6.2003.
(3) Zie IP/03/179 en IP/03/965.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/88 |
(2004/C 88 E/0096)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2512/03
van Koenraad Dillen (NI) aan de Commissie
(29 juli 2003)
Betreft: Steun aan slachtoffers van de crisis in de Palestijnse gebieden
Op dinsdag 8 juli 2003 heeft de Commissie een humanitaire bijdrage van 10 miljoen euro goedgekeurd voor de Palestijnse slachtoffers van de crisis in het Midden-Oosten en voor de Palestijnse vluchtelingen in Libanon. Deze financiële steun brengt de globale steun van de Commissie aan de Palestijnen sedert het begin van de Tweede Intifada op 100 miljoen euro. Het geld dient voor sanitaire voorzieningen, infrastructuur, educatie enz.
Op basis van welk bilateraal (multilateraal?) overleg komt dergelijke steun tot stand? Hoe wordt deze financiële steun concreet uitbetaald? Via welke banken, Palestijnse overheidsinstellingen, ngo's?
Op welke manier zal de Commissie toezicht houden op de correcte besteding van deze gelden?
Welke garanties werden er aan de Commissie geboden dat deze financiële steun niet voor oneigenlijke doelen gebruikt wordt? Ik denk daarbij aan antisemitische en anti-Israëlische propaganda of steun aan terroristische organisaties.
Kan de Commissie een overzicht geven wat tot op de dag van vandaag concreet gerealiseerd werd met alle humanitaire bijdragen aan de Palestijnen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(9 september 2003)
Het financieringsbesluit voor een bedrag van 10 miljoen euro waarnaar het geachte parlementslid verwijst, werd door de Commissie vastgesteld op 1 juli 2003 in het kader van begrotingslijn B7-210 betreffende humanitaire hulp, beheerd door het Bureau voor Humanitaire Hulp van de Europese Commissie (ECHO).
Het besluit stelt middelen ter beschikking van de slachtoffers van de aanhoudende crisis in de Palestijnse Gebieden, en de Palestijnse bevolkingsgroepen in Libanon; deze middelen zijn geconcentreerd op de volgende sectoren: het verstrekken van voedsel en andere zaken; gezondheidszorg en psychosociale steun; verbetering van de faciliteiten voor water en sanitair; inkomenssteun voor huishoudens en bescherming.
Financieringsbesluiten die door de Commissie worden vastgesteld krachtens begrotingslijn Β7-210 zijn bedoeld voor humanitaire hulp die wordt uitgevoerd door niet-gouvernementele organisaties (NGO's) in de Unie, Agentschappen van de Verenigde Naties en de Rode-Kruis-familie.
Om een uitvoeringspartner van ECHO te kunnen zijn, moeten de NGO's in de Unie een kader-partnerschapsovereenkomst hebben ondertekend, die alleen kan worden gesloten na een screeningprocedure die ruime garanties biedt in termen van humanitaire roeping, technische competentie, administratieve capaciteit, financiële verantwoording en solvabiliteit. Voor een partnerschapsovereenkomst wordt gesloten, wordt gekeken of de humanitaire organisaties voldoen aan alle criteria voor communautaire financiering die zijn opgenomen in Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp (1) (artikel 7). Bovendien worden door de externe auditdienst van ECHO regelmatig audits uitgevoerd van de partnerorganisaties in het kader van een jaarlijks auditprogramma.
Financieringsbesluiten die door de Commissie krachtens begrotingslijn B7-210 worden vastgesteld worden genomen op basis van het hieronder beschreven proces.
De identificatie van de prioriteiten is het resultaat van een doorlopende beoordeling van de behoeften door ECHO, zowel in het hoofdkwartier (ook via periodieke missies), en door het team van deskundigen in de regio. Deze evaluatie is gebaseerd op het systematisch volgen van de ontwikkelingen in de humanitaire situatie ter plaatse, met inbegrip van de tenuitvoerlegging van lopende, door ECHO gefinancierde operaties, en op overleg met alle relevante spelers via bestaande coördinatiemechanismen, waarbij lidstaten, VN-agentschappen, NGO's en de Rode-Kruis-famielies zijn betrokken. Humanitaire-hulpoperaties die door ECHO worden gefinancierd zijn complementair aan meer structurele maatregelen voor de langere termijn die door andere communautaire instrumenten worden gefinancierd.
Om de humanitaire behoeften van de door de huidige crisis in het Midden-Oosten getroffen Palestijnen beter te kunnen beoordelen maakt ECHO gebruik van zowel gedetacheerd als lokaal personeel in twee bureaus in Jeruzalem en Amman.
Uiteraard spelen door ECHO gefinancierde operaties uitsluitend in op puur humanitaire behoeften, spelen politieke overwegingen geen rol, en zijn de te behalen resultaten eenvoudig te identificeren.
Er worden geen ECHO-middelen via banken of andere mechanismen verstrekt aan nationale autoriteiten en/of internationaal erkende administratieve eenheden.
Tegen de hierboven beschreven achtergrond, met betrekking tot de specifieke situatie in de bezette Palestijnse Gebieden, is het risico dat die krachtens begrotingslijn B7-210 ter beschikking gestelde middelen voor andere doeleinden dan voor het verstrekken van humanitaire hulp worden gebruikt, op zijn zachtst gezegd uiterst gering. In de praktijk heeft zich tot dusver geen enkel twijfelachtig geval voorgedaan.
Sinds het begin van de tweede Intifada in september 2000 hebben honderdduizenden van de meest kwetsbare Palestijnen geprofiteerd van tientallen door ECHO gefinancierde maatregelen. Deze operaties hebben de voedselzekerheid voor bijzonder kwetsbare groepen als kinderen en borstvoedende vrouwen vergroot, en hebben ook gezorgd voor veilig drinkwater. De hygiënische omstandigheden zijn verbeterd, vooral in de vluchtelingenkampen, onder andere door het verbeteren van de uiterst gebrekkige opvang. Er is bescherming geboden en ook psychologische steun, evenals toegang tot eerste-lijns gezondheidszorg en spoedeisende medische behandelingen. Activiteiten met het oog op zelfvoorziening en werkgelegenheid zijn bevorderd. Om de lokale economie te stimuleren is waar mogelijk prioriteit gegeven aan lokaal geproduceerde, verwerkte of verpakte producten, zoals olijfolie.
In 2001 is over deze activiteiten een externe evaluatie uitgevoerd: de resultaten hiervan waren in het algemeen positief; de aanbevelingen voor een grotere effectiviteit en duurzaamheid van door ECHO gefinancierde projecten in dit gebied zijn meegenomen bij de verstrekking van verdere humanitaire hulp in 2002 en 2003. Het evaluatierapport kan op verzoek aan het geachte parlementslid ter beschikking worden gesteld.
Een nieuwe externe evaluatie is gepland voor de eerste helft van 2004.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/90 |
(2004/C 88 E/0097)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2514/03
van Dorette Corbey (PSE) aan de Commissie
(21 juli 2003)
Betreft: Geneesmiddelen: specifieke uitzondering op octrooirechten
In haar gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG (1) tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik verklaart de Commissie dat zij niet akkoord gaat met amendement 196, waarbij een specifieke uitzondering op octrooirechten wordt geïntroduceerd die de productie mogelijk maakt van voor uitvoer naar derde landen bedoelde geneesmiddelen, op verzoek van de autoriteiten van het derde land in kwestie, wanneer hiervoor een octrooi geldt.
|
1. |
Kan de Commissie verduidelijken op welke punten de tekst van het amendement niet aan voldoet aan de strikte voorwaarden met betrekking tot uitzonderingen op het octrooirecht die door de TRIPs zijn vastgesteld en om welke voorwaarden het hierbij precies gaat? |
|
2. |
Hoe dient de tekst te worden aangepast om aan deze voorwaarden te voldoen en aan te sluiten bij de geest waarin dit amendement is voorgesteld? |
|
3. |
Kan de Commissie verduidelijken waarom een dergelijke bepaling niet op zijn plaats is in deze wettelijke voorschriften en in welke voorschriften deze kwestie volgens de Commissie aan de orde zou moeten worden gesteld? |
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(14 augustus 2003)
In artikel 30 van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (Trade-Related aspects of Intellectual Property Rights, TRIPs) is bepaald dat WTO-leden „kunnen voorzien in beperkte uitzonderingen op de door een octrooi verleende uitsluitende rechten, mits deze uitzonderingen niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van het octrooi en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de houder van het octrooi schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden.”
Dit betekent dat WTO-leden ervoor moeten zorgen dat aan de volgende drie voorwaarden voldaan is wanneer zij uitzonderingen op octrooirechten willen invoeren:
|
1) |
de uitzondering moet beperkt zijn; |
|
2) |
zij mag niet op onredelijke wijze strijdig zijn met de normale exploitatie van het octrooi; |
|
3) |
en niet op onredelijke wijze de legitieme belangen van de houder van het octrooi schaden, rekening houdend met de legitieme belangen van derden. |
Deze bepaling is doorgaans bedoeld om „onderzoeksvrijstellingen” mogelijk te maken (zodat een geoctrooieerde uitvinding vrijelijk gebruikt kan worden voor onderzoeksdoeleinden), evenals zogenaamde „Bolar-uitzonderingen” (zodat kleine hoeveelheden geoctrooieerde geneesmiddelen vrijelijk geproduceerd kunnen worden om deze te doen toekomen aan overheden ter verkrijging van vergunningen) of „agrarische privileges” (zodat bepaalde categorieën boeren vrijelijk beschermd propagatiemateriaal kunnen gebruiken binnen hun eigen bedrijf — zie ook artikel 11 van Richtlijn 98/44/EG van het Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen (2)). Deze lijst is niet uitputtend.
Artikel 30 is in het kader van de WTO-procedures voor geschillenbeslechting onderzocht door een panel in de zaak „Canada — Octrooibescherming van farmaceutische producten” (WT/DS114/R van 17 maart 2000). Het panel kwam tot de conclusie dat de Canadese „regulatory review exemption” (Bolar-bepaling) voldoet aan de drie voorwaarden van artikel 30 van de TRIPs-overeenkomst, maar dit geldt niet voor de zogenaamde „stockpile exemption” (die inhoudt dat bedrijven geneesmiddelen mogen produceren en opslaan gedurende de octrooitermijn met het doel ze onmiddellijk na afloop van het octrooi te verkopen). Het panel concludeerde met name dat de exclusieve rechten van de octrooihouder aanzienlijk beperkt werden doordat er geen beperking gesteld was aan de hoeveelheid geneesmiddelen die tijdens de geldigheid van het octrooi geproduceerd mogen worden. Het panel was daarom van mening dat dit niet als een „beperkte uitzondering” in de zin van artikel 30 van de TRIPs-overeenkomst beschouwd kan worden. Hoewel dit verslag van het panel niet beoordeeld werd door de Beroepsinstantie en geen bindende precedentwaarde heeft, is het een nuttig hulpmiddel voor de interpretatie van artikel 30 van de TRIPs-overeenkomst.
De Commissie is van mening dat ontwerp-amendement 196 van het voorstel van het Parlement tot wijziging van de communautaire wetgeving inzake geneesmiddelen voor menselijk gebruik geen garantie biedt dat de voorgestelde uitzondering wel aan de genoemde criteria voldoet. Het voorstel omvat bijvoorbeeld geen mechanisme om ervoor te zorgen dat de uitzondering inderdaad alleen zou gelden voor de productie van geneesmiddelen voor landen die zelf niet de capaciteit hebben om deze te produceren. Ook worden in het voorstel geen voorwaarden gesteld waardoor gegarandeerd is dat deze producten inderdaad alleen naar deze landen geëxporteerd worden en niet op andere markten terechtkomen.
De lopende werkzaamheden binnen de Wereldhandelsorganisatie om de problemen van landen zonder productiecapaciteit in de farmaceutische sector aan te pakken (zie paragraaf 6 van de WTO-Dohaverklaring inzake de TRIPs-overeenkomst en volksgezondheid) zijn gebaseerd op artikel 31 van de TRIPs-overeenkomst; daarom is de Commissie van mening dat het niet gepast is op het niveau van de Europese Unie een mechanisme in te voeren dat gebaseerd is op een ander artikel van de TRIPs-overeenkomst. In het ontwerp-besluit van 30 december 2002 tot uitvoering van paragraaf 6 van de WTO-Dohaverklaring over de TRIPs-overeenkomst en volksgezondheid (de zogenaamde „Perez Motta-tekst”) wordt namelijk een systeem ingesteld dat uitgaat van het verlenen van verplichte uitvoervergunningen (overeenkomstig artikel 31 van de TRIPs-overeenkomst), en niet de invoering van een algemene uitzondering op basis van artikel 30 van de TRIPs-overeenkomst. Dit ontwerp-besluit werd ondersteund door alle WTO-leden, met uitzondering van de Verenigde Staten, en de Commissie doet haar best om ervoor te zorgen dat dit besluit officieel kan worden goedgekeurd door alle WTO-leden tijdens de ministeriële conferentie in Cancun (september 2003).
Ten slotte is de Commissie van mening dat voor elk mechanisme dat betrekking heeft op het verband tussen het uitoefenen van een octrooirecht en de uitvoer van geneesmiddelen naar bepaalde categorieën derde landen een gedeeltelijke harmonisering van het octrooirecht binnen de Europese Unie noodzakelijk zou zijn; in dit verband zou een dergelijk mechanisme niet op zijn plaats zijn in de huidige richtlijn, die betrekking heeft op het op de markt brengen van geneesmiddelen binnen de Europese Unie.
(1) PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/91 |
(2004/C 88 E/0098)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2531/03
van Gabriele Stauner (PPE-DE) aan de Commissie
(29 juli 2003)
Betreft: Profiteurs en rovers in Kosovo
In de „Frankfurter Allgemeine Zeitung” van 14 juli 2003 oefent Agron Bajrami onder de kop „Profiteurs en rovers in Kosovo” kritiek op het persbeleid van de VN aldaar. De heer Bajrami is adjunct-hoofdredacteur van „Koha Ditoure”, het grootste dagblad in Kosovo. Volgens hem steunt het VN-bestuur „Radio Television Kosovo” in absoluut ongepaste omvang om zich zo van een welwillende berichtgeving te verzekeren. De heer Bajrami maakt onder meer het verwijt dat de salarissen van de directie van „Radio Television Kosovo” enkele malen hoger liggen dan die van ministers.
Kan de Commissie deze verwijten bevestigen?
Kan de Commissie meedelen hoeveel „Radio Television Kosovo” aan financiële steun uit de communautaire begroting ontvangt?
In de „Zeit” van 10 juli 2003 wordt melding gemaakt van de schandalige toestanden bij de gecombineerde elektriciteitscentrales van de energieleverancier KEK. Meer dan EUR 400 miljoen is sinds 1999 naar de in verval geraakte centrales gevloeid. Reparatiebedrijven, waaronder ook enkele Duitse, hebben broddelwerk geleverd en oude, versleten onderdelen gebruikt. Voor de aanvoer van olie uit Macedonië is de volle prijs betaald, ook al kwamen de olietankschepen halfleeg aan.
Kan de Commissie meedelen hoeveel de energieleverancier KEK aan middelen uit de communautaire begroting ontvangt?
Kan de Commissie meedelen welke stappen zij neemt om een einde te maken aan de gemelde gevallen van misbruik?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(2 oktober 2003)
Kosovo telt drie nationale televisieomroepen, één openbare (RTK) en twee particuliere (KTV en TV21). „Koha Ditore”, wiens eigenaars ook eigenaar zijn van KTV, toonde veel belangstelling voor het debat over de status van RTK als openbare en onafhankelijke omroep.
De door de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa geleide derde pijler van de Tijdelijke Missie van de Verenigde Naties voor Kosovo (MINUK) heeft Radio en Televisie Kosovo (RTK) opgericht als een onafhankelijke openbare zender voor de ontwikkeling en bevordering van de democratie. RTK mocht voor zijn onafhankelijke berichtgeving prijzen in ontvangst nemen, hetgeen door de hoge kijkcijfers van RTK (naar raming 60-70 % van de kijkers in Kosovo en bijna 100 % van de in het buitenland verblijvende Kosovaren) schijnt te worden bevestigd.
MINUK heeft de aandacht van de Commissie op de volgende feiten gevestigd in verband met de hoogte van de salarissen. De wetgeving inzake salarissen die in Kosovo voor rijksambtenaren geldt, is niet van toepassing op het leidinggevend personeel van RTK. De status van het leidinggevend personeel van RTK is vastgesteld bij de verordening waarbij RTK werd opgericht (Verordening 2001/13 — 15 juni 2001 betreffende de oprichting van Radio en Televisie Kosovo). De salarissen voor het leidinggevend personeel van RTK worden geacht in overeenstemming te zijn met de marktvoorwaarden, de vereiste kwalificaties en de verantwoordelijkheid. Zij moeten ook de redactionele onafhankelijkheid van RTK waarborgen, hetgeen belangrijk is in de post-conflictsituatie waarin Kosovo zich bevindt. De salariskosten worden in ieder geval niet gedekt door EG-steun.
Een aantal lidstaten en internationale donoren, waaronder de Commissie via het Europees Bureau voor Wederopbouw, hebben de oprichting van RTK gesteund zodat de omroep als een openbare, onafhankelijke en professionele zender kon worden opgezet. RTK is het enige televisiestation dat programma's voor minderheden uitzendt.
In het kader van het CARDS-jaarprogramma voor Kosovo voor 2002 werd EUR 1,5 miljoen aan RTK toegewezen voor bijstand door adviesbureaus, de productie van programma's, opleiding, publieksonderzoek, operationele kosten (geen salariskosten), de aankoop van uitrusting en onafhankelijke financiële audits.
De Commissie kan bevestigen dat de toestand die de internationale gemeenschap in Kosovo aantrof bij de beëindiging van het conflict in 1999, dat volgde op een decennium van verwaarlozing en onderinvestering, uiterst kritiek was daar centrales van de openbare electriciteitsmaatschappij KEK bijna op instorten stonden.
De elektriciteitscentrales A en Β in Kosovo zijn zeer oud (respectievelijk circa 40 en 20 jaar) en waren in 1999 grotendeels niet meer operationeel. De kolenmijnen waren ernstig verwaarloosd en sterk overgeëxploiteerd. De werking van de netten voor de hoogspanningsleidingen en de elektriciteitsvoorziening was verstoord door bottlenecks omdat de aanpassing van het hoogspanningsnet geen gelijke tred had gehouden met de industriële ontwikkeling en de bevolkingsgroei. De stadsverwarmingssystemen waren dringend aan herstel toe en werkten op lage capaciteit.
Ondanks de aanzienlijke investeringen van de Commissie en de internationale gemeenschap in de elektriciteitssector en KEK is de situatie van deze Kosovaarse elektriciteitsmaatschappij nog steeds kritiek en moet deze nog zeer veel moeilijkheden overkomen.
De steun van de Commissie aan KEK via het Europees Bureau voor de Wederopbouw bedraagt momenteel ongeveer EUR 350 miljoen. Van dit bedrag werd ongeveer EUR 80 miljoen besteed aan de invoer van elektriciteit, EUR 35 miljoen aan de noodzakelijke technische bijstand, EUR 20 à 30 miljoen aan het herstel van de schade (vooral aan hoogspanningsleidingen) die door de NAVO-bombardementen tijdens het conflict was ontstaan en EUR 40 miljoen aan herstellingen aan Kosovo Β na de blikseminslag en brand van juli 2002.
Gezien de omvang van de financiële steun van de Gemeenschap aan de electriciteitssector, volgt de Commissie de tenuitvoerlegging van de steun op de voet, in nauwe samenwerking met het Europees Bureau voor de Wederopbouw en de door de Unie geleide pijler van de Missie van de VN in Kosovo.
Het is de Commissie niet bekend dat het Europees Bureau voor de Wederopbouw bij zijn herstelwerkzaamheden ondermaats werk zou hebben geleverd of materialen van slechte kwaliteit zou hebben gebruikt. Het Europees Bureau voor de Wederopbouw heeft bevestigd dat alle werkzaamheden nauwgezet werden gecontroleerd door onafhankelijke technische deskundigen overeenkomstig internationale normen en dat uitsluitend nieuwe materialen werden gebruikt. Het Bureau heeft ook geen aanwijzingen dat beweringen over halflege tankschepen op waarheid berusten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/93 |
(2004/C 88 E/0099)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2542/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(30 juli 2003)
Betreft: Schending van godsdienstvrijheid in Rusland
Gezien de volgende feiten:
|
— |
Op 15 mei 2000 hebben de autoriteiten in Kostroma geweigerd aan de „Family of God” en een tweede pinkstergemeente toestemming te verlenen om hun geloof te belijden, omdat zij worden beschuldigd van het beoefenen van hypnose. |
|
— |
In november 2000 heeft het regionale parket van Kostroma verzocht twee kerken te sluiten, maar het is er niet in geslaagd te bewijzen, zoals de Russische godsdienstwet van 1997 verlangt, dat psychische en fysieke schade aan de burgers is berokkend ten gevolge van hypnose. Volgens de godsdienstwet van 1997 moet immers de door hypnose veroorzaakte schade en niet alleen de hypnose als zodanig, worden aangetoond alvorens een religieuze organisatie kan worden gesloten. |
|
— |
Afgelopen zomer is een visum geweigerd aan vijf Amerikaanse burgers die met de christelijk-evangelische kerk van Kostroma werken en aan een Amerikaans burger die in de stad met de christelijke humanitaire organisatie „Children's Hope Chest” werkt. Dominee Bill Norton, die regelmatig de kerk van „Family of God” in Kostroma bezoekt, is tot drie keer toe een inreisvisum geweigerd. |
|
— |
Afgelopen juni heeft het parket van Kostroma, dichtbij Moskou, gelast de kerk van de pinkstergemeente „Family of God” te controleren. |
Kan de Commissie, gezien de uitstekende samenwerkingsbetrekkingen tussen de Europese Unie en Rusland, mededelen of zij van de uiteengezette feiten op de hoogte is?
Welke initiatieven in het kader van de samenwerking sbetrekkingen kunnen volgens haar een serieus en doeltreffend middel vormen om Rusland ertoe te bewegen de vrijheid van godsdienst te eerbiedigen, zoals die in de grondwet en de federale godsdienstwet is verankerd?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(15 september 2003)
Het is de Commissie bekend dat in Rusland andere kerken dan de Russische orthodoxe kerk soms in een moeilijke positie verkeren.
In het kader van de politieke dialoog tussen de EU en Rusland herhaalt de Commissie regelmatig dat Rusland de mensenrechten volledig dient te garanderen en zij zal tegenover de Russische autoriteiten blijven benadrukken dat de ontwikkelingen op het gebied van de godsdienstvrijheid niet in overeenstemming zijn met internationale en Europese mensenrechtenconventies, die Rusland geratificeerd heeft, waarin de vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing genoemd wordt.
Er zij op gewezen dat de Commissie de eerbiediging van de mensenrechten actief stimuleert via het Europese initiatief voor democratie en mensenrechten. Daarnaast geldt voor de aan Rusland verleende steun uit hoofde van het Tacis-programma als expliciete voorwaarde dat de democratische beginselen en de mensenrechten geëerbiedigd moeten worden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/94 |
(2004/C 88 E/0100)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2551/03
van Avril Doyle (PPE-DE) aan de Commissie
(4 augustus 2003)
Betreft: Onvermogen van de EU om overzeese hulp uit te betalen
Volgens recente berichten is er de afgelopen tien jaar bij de EU een stuwmeer ontstaan van 20 miljard euro aan niet-uitgegeven hulpfondsen, ondanks de aanhoudend grote investeringsbehoeften in de ontwikkelingslanden. Kan de Commissie mededelen waarom de beschikbare middelen niet werden uitgegeven aan waardevolle projecten door het Europees Ontwikkelingsfonds?
Kan de Commissie verder mededelen welke maatregelen er worden genomen om deze situatie te verhelpen en te komen tot een doeltreffender en efficiëntere verdeling van de financiële middelen aan de uitvoerende partners?
Antwoord van de heer Nielson Namens de Commissie
(28 oktober 2003)
Niet-uitgegeven hulpfondsen (EOF)
Eind 2002 is totaal EUR 32,4 miljoen beschikbaar gesteld door de huidige (6e, 7e en 8e) Europese Ontwikkelingsfondsen (EOF). Van dit bedrag was EUR 29,9 miljard vastgelegd, hetgeen inhoudt dat officieel besloten was om specifieke projecten uit te voeren. Feitelijk was dus EUR 2,5 miljard wel toegewezen, maar niet vastgelegd.
Volgens de Overeenkomst van Cotonou is de Unie verplicht actief te zijn in alle ondertekenende landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Zuidzee (ACS), waaronder landen waar andere donoren wellicht niet wensen te werken. Een groot deel van de middelen die in het kader van de Overeenkomst beschikbaar gesteld is, is op nationale basis aan elke ACS-staat toegekend. Het is echter mogelijk dat de samenwerking met enkele landen teruggebracht of opgeschort moet worden vanwege politieke (het niet respecteren van de „essentiële onderdelen” van de Overeenkomst van Cotonou, mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat) of praktische redenen (burgeroorlog, veiligheidssituatie e.d.), waardoor vastleggingen voor specifieke projecten moeilijk of niet kunnen worden goedgekeurd. Van het bovengenoemde bedrag van EUR 2,5 miljard is EUR 1,7 miljard momenteel bestemd voor landen waar een crisis heerst of heeft geheerst. Deze middelen blijven bestemd voor het desbetreffende land. Het gebruik ervan is afhankelijk van de vraag of de crisis die het gebruik van de middelen belemmerde, opgelost wordt.
Als de beslissing om een project te financieren eenmaal genomen is, moeten contracten worden gesloten en worden de middelen uitbetaald naarmate de werkzaamheden vorderen en voldaan wordt aan de voorwaarden. Van de EUR 29,9 miljard die eind 2002 was vastgelegd, is EUR 21,6 miljard uitbetaald. Het grootste deel van de overgebleven EUR 8,3 miljard zal uitbetaald worden als projecten zijn afgerond. Het problematische element van deze EUR 8,3 miljard aan niet-uitbetaalde vastleggingen zijn de „slapende” vastleggingen: projecten waarbij de Commissie de afgelopen 2 jaar geen financiële mutaties (contracten of betalingen) heeft gezien, en middelen die niet uitbetaald worden ondanks dat de desbetreffende projecten goedgekeurd (vastgelegd) waren voor 1997 („oude” vastleggingen). De Commissie schat dat dit probleem voor EUR 1,4 miljard van het EOF speelt, een relatief klein deel van het totale bedrag dat uit het EOF aan de ACS-landen is toegekend (6e, 7e en 8e EOF). Desondanks voert de Commissie natuurlijk een uitermate actief beleid om dit cijfer te reduceren.
Al deze cijfers zijn bekendgemaakt aan het Parlement en komen in grote lijnen overeen met de cijfers die gelden voor de programma's ALA en Meda. In deze context dient opgemerkt te worden dat alle meerjarige programma's van nature een ingebouwde „vertraging” hebben tussen de vastlegging en de uiteindelijke uitbetaling.
Alle donoren hebben grote hoeveelheden „niet-betaalde” vastleggingen, aangezien alle donoren projecten en programma's moeten goedkeuren en contracten worden gesloten en betalingen kunnen plaatsvinden. Voor de Commissie geldt dat dit bedrag groter wordt aan het begin van een nieuwe EOF-cyclus (dus in 2003 voor het 9e EOF) wanneer een groot aantal nieuwe programma's worden goedgekeurd en hiervoor middelen worden vastgelegd. De niet-uitbetaalde vastleggingen van de Commissie liggen dicht bij het gemiddelde in de lidstaten. Bij de beoordeling van de prestaties van de Commissie dient ook rekening te worden gehouden met de bijzonder restrictieve begroting van de Unie.
Ondernomen actie
De in 2000 gestarte hervorming van de buitenlandse hulp heeft verstrekkende gevolgen gehad, namelijk de opzet van EuropeAid en het ambitieuze programma om de verantwoordelijkheid van programma's over te dragen aan delegaties van de Commissie. De collegiale toetsing door de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) concludeerde in juni 2002:
|
|
De EG heeft sinds januari 2001 aanzienlijke vooruitgang geboekt met de organisatorische en bestuurlijke hervorming van haar systeem voor ontwikkelings- humanitaire hulp. Opmerkelijk zijn met name de verbeteringen op het gebied van de verantwoordingsplichtigheid op alle niveaus, de invoering van de nationale strategiedocumenten, de snelle en efficiënte verlening van humanitaire hulp, de verduidelijking van het verband tussen hulp en ontwikkeling, verbeterde evaluatiesystemen en vooruitgang in het besluitvormingsproces met lidstaten en de deconcentratie van autoriteit naar lokale kantoren. |
Deconcentratie
De „deconcentratie” van projectmanagement wordt vandaag de dag toegepast in 45 delegaties. Het betreft hier over het algemeen de programma's op nationaal niveau in Europa, het Middellandse-Zeegebied, Azië en Latijns Amerika. De aandacht wordt nu gericht op de overige 30 delegaties van de derde golf dit jaar, 2003, met name afkomstig uit de ACS-regio.
In deze context zou moeten worden opgemerkt dat ambtenaren van de Commissie gemiddeld een bepaalde hoeveelheid steunmiddelen onder handen hebben die wordt gemeten in een veelvoud van EUR 10 miljoen per jaar. Hun collega's in een lidstaat hebben gemiddeld een bedrag onder handen dat drie tot zeven keer lager ligt.
Vrijmaken (annuleren) van „oude en slapende” EOF-vastleggingen
In 2002 is de totale hoeveelheid van oude en slapende EOF-vastleggingen van vóór 1997 met EUR 310 miljoen teruggebracht en volgens schattingen zal er in 2003 nog een reductie van EUR 470 miljoen plaatsvinden. De achterstallige oude en slapende vastleggingen van vóór 1995 zijn met 76 % teruggebracht.
Ontkoppeling van hulp
De Commissie heeft een ambitieus voorstel gedaan inzake de belangrijke kwestie van het ontkoppelen van hulp van nationale (commerciële) belangen. De Commissie denkt dat het ontkoppelen van hulp de administratieve druk op de partnerlanden zal verminderen, waardoor er sneller en efficiënter hulp geboden kan worden.
Budgettering van het EOF
Het EOF zou geheel moeten worden opgenomen in de algemene begroting van de Gemeenschap en onder Parlementair toezicht moeten staan. Dit zou een enkel juridisch kader bieden voor het beheer en de ontwikkelingsfondsen en de efficiëntie aanzienlijk verbeteren. Hierdoor zouden ambtenaren van de Commissie hun aandacht meer kunnen richten op het tot stand brengen van samenwerking en overleg met partnerlanden, hetgeen noodzakelijk is voor een efficiënte tenuitvoerlegging. Ook zouden zij minder tijd kwijt zijn aan complexe procedures. Op 8 oktober 2003 (1) is een Mededeling van de Commissie aan het Parlement en de Raad goedgekeurd waarin de grondgedachte van deze aanpak uiteengezet is.
Organisatorische hervorming
Vanwege het naderende einde van het mandaat van de Commissie, de conclusies van de Europese Conventie en de voortdurende werkzaamheden van de IGC zou een nieuwe hervormingsfase van de externe steun momenteel niet opportuun zijn. Het is echter de plicht van de huidige Commissie, in het licht van haar ervaring en de oriëntaties van de Conventie, om te analyseren hoe haar externe betrekkingen als geheel zo efficiënt mogelijk georganiseerd kunnen worden. Deze analyse kan door de volgende Commissie worden benut.
Flexibiliteit
De ontwikkelingshulp van de Gemeenschap wordt beheerd volgens een complex systeem van „comitologie”, financiële regelgeving en thematische begrotingslijnen, die een enorme hoeveelheid van de schaarse personele middelen van de Commissie in beslag neemt en die de besluitvormingsprocedures aanzienlijk verlengt. Elk financieel voorstel zal binnenkort in 21 talen vertaald moeten worden. Dit alles biedt nog enige ruimte voor meer hervormingen bij de Commissie, de lidstaten en het Parlement.
(1) COM(2003) 590 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/96 |
(2004/C 88 E/0101)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2552/03
van Jules Maaten (ELDR) aan de Commissie
(4 augustus 2003)
Betreft: De zaak-Vinh Binh Trinh in Vietnam
Naar aanleiding van het antwoord van de Commissie op mijn vraag E-1223/01 (1) betreffende het lot van de Vietnamese Nederlander B.V. Trinh, die als bootvluchteling in Nederland een succesvolle onderneming is begonnen, vervolgens in zijn geboorteland een onderneming opzette maar na valse beschuldigingen werd veroordeeld en zich zijn ondernemingen ontnomen zag, stel ik de volgende aanvullende vragen.
|
1. |
Is het de Europese Commissie inmiddels bekend dat er sprake is van corruptie van de kant van de provinciale autoriteiten in de provincie Vung Tan en dat degene die valse aangifte tegen Trinh had gedaan, deze valsheid heeft bekend en dat de Centrale Organisatie van het Ministerie van Binnenlandse zaken te Hanoi de zaak opnieuw in onderzoek heeft genomen? |
|
2. |
Is de Europese Commissie bereid bij de autoriteiten in Vietnam krachtig aan te dringen op eerherstel voor de heer Trinh? |
|
3. |
Is het de Europese Commissie bekend of ook soortgelijke corruptiegevallen aan het licht zijn gekomen ten aanzien van investeerders uit de Europese Unie, en of de Vietnamese autoriteiten ook in die gevallen bereid zijn om op te treden? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 september 2003)
Sinds de schriftelijke vraag E-1223/01 van het geachte parlementslid volgt de Commissie het geval van de heer Trinh via haar delegatie in Hanoi op de voet. Volgens haar meest recente informatie is de politieman die de heer Trinh had gearresteerd, nu zelf wegens corruptie gearresteerd. Bovendien heeft de belangrijkste getuige tegen de heer Trinh zijn getuigenverklaring ingetrokken. De Commissie heeft echter nog geen bevestiging dat de Vietnamese autoriteiten de zaak heropend hebben.
De Commissie weet niet of het geval van de heer Trinh of andere gevallen negatieve gevolgen hebben gehad voor Europese investeringen in Vietnam. Corruptie en gebrek aan transparantie behoren in het hervormingsproces van Vietnam nog steeds tot de dringendste problemen. De regering van Vietnam heeft resolute maatregelen tegen de corruptie genomen in het kader van programma's betreffende openbaar bestuur en juridische hervorming, die op dit moment worden uitgevoerd en waarvoor de lidstaten en de Commissie hun steun hebben aangeboden. Bevordering van goed bestuur, goede praktijken met betrekking tot de administratieve procedures en een behoorlijk werkend gerechtelijk apparaat zijn volgens het nationaal strategiedocument 2002-2006 prioriteiten voor de communautaire samenwerking met Vietnam.
De Nederlandse autoriteiten zijn in dit geval in eerste instantie bevoegd om een bemiddelende rol te spelen. Het beleid van de Commissie ten opzichte van Vietnam is erop gericht blijvende vooruitgang op het gebied van mensenrechten, democratisering en goed bestuur aan te moedigen en te ondersteunen, en om haar bezorgdheid uit te spreken wanneer er zich misstanden voordoen of als een bepaalde situatie verslechtert. De Commissie werkt nauw met de lidstaten samen wat betreft het toezicht op de ontwikkelingen in het land en is betrokken bij alle stappen die de Unie bij de regering van Vietnam onderneemt in mensenrechtenaangelegenheden. De Commissie zal met de diplomatieke missies van de lidstaten in Vietnam het geval van de heer Trinh aandachtig blijven volgen.
(1) PB C 350 E van 11.12.2001, blz. 95.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/97 |
(2004/C 88 E/0102)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2558/03
van Robert Evans (PSE) aan de Commissie
(4 augustus 2003)
Betreft: Mensenrechten in Peru
Is de Commissie op de hoogte van de arrestatie van Walter Cubas Baltazar in Peru? Bezorgde kiezers hebben contact met mij opgenomen naar aanleiding van berichten over marteling van de heer Walter Cubas Baltazar tijdens zijn detentie.
Kan de Commissie mijn kiezers garanderen dat zij berichten over schendingen van de mensenrechten natrekt en dat zij gebruik maakt van haar officiële kanalen met het land om de aandacht te vestigen op gevallen die aanleiding geven tot bezorgdheid?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(12 september 2003)
De Commissie is op de hoogte van de arrestatie en de detentie van de heer Walter Cubas Balthazar in Peru. De gebeurtenissen met betrekking tot de arrestatie worden nauwlettend gevolgd door de Delegatie van de Commissie in Lima.
In overeenstemming met het werkdocument betreffende de tenuitvoerlegging van de Richtsnoeren voor het EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering van december 2002, hebben de hoofden van de EU-missie in Lima onlangs verslag uitgebracht over de situatie met betrekking tot foltering in dit land en volgen zij de vorderingen van Peru bij de volledig uitbanning van folterpraktijken.
Vraagstukken met betrekking tot de mensenrechten vormen een vast onderdeel van de agenda voor de politieke dialoog tussen de Unie en Peru, die plaatsheeft op het niveau van de Andesgemeenschap (CAN). De Unie ondersteunt in het bijzonder de werkzaamheden van de nationale waarheids- en verzoeningscommissie (Comisión de la Verdad y Reconciliación Nacional) die onder meer tot taak heeft de ernstige schendingen van de mensenrechten in de periode 1980-2000 te onderzoeken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/98 |
(2004/C 88 E/0103)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2563/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(4 augustus 2003)
Betreft: Zijn de schendingen door het Soedanese dictatoriale regime wel verenigbaar met de overeenkomst die de Europese Unie met Soedan heeft gesloten?
Gezien de volgende feiten:
|
— |
Volgens het persbureau MISNA hebben bij botsingen tussen rebellen en de regering van Khartoem de afgelopen weken Antonov-toestellen van de Soedanese luchtmacht 25 dorpen bestookt in het noordwesten van de westelijke deelstaat Darfur, waarbij zij niet nader omschreven „gifgassen” hebben gebruikt. Er zouden 300 doden en meer dan 200 gewonden te betreuren zijn. |
|
— |
De regering van president-generaal Omar Hassan Al Bashir heeft tot dusver niet gereageerd op de beschuldiging dat hij de burgerbevolking van Darfur wil treffen (het volksbevrijdingsleger van Soedan (Sla-m) is met deze beschuldiging gekomen). |
|
— |
De vredesbesprekingen tussen de regering van Soedan en de Sla-m zijn voor de zoveelste keer in het slop geraakt. Het begin van de besprekingen dat voor deze week op het programma stond, is uitgesteld tot 3 augustus. |
|
— |
Op 11 juli jl. heeft de regeringsdelegatie geweigerd om verder te onderhandelen op basis van de kaderovereenkomst die is opgesteld door de bemiddelaars van de Igad (Intergouvernementele ontwikkelingsautoriteit), het regionaal orgaan van de landen van de Hoorn van Afrika dat zich bezighoudt met de onderhandelingen, nadat de delegatie van de Sla-m zich uitdrukkelijk tevreden had verklaard over dit document. |
|
— |
Sinds in juli vorig jaar een voorlopig protocol is gesloten tussen de partijen, is een verder follow-up uitgebleven. Het lijkt wel of de regering van Khartoem absoluut niet van plan is om hoe dan ook de controle uit handen te geven of zelfs maar te delen over de aardoliegebieden in het zuiden en de inkomsten hieruit alsook over de nieuwe strijdkrachten die een instrument zijn waarmee het regime van dictator Al-Bashir al jaren lang Soedan in de ellende stort. |
Kan de Commissie meedelen of zij:
|
— |
in het licht van deze feiten voornemens is om de overeenkomst die op 10 december jl. met de regering in Khartoem is gesloten, op te zeggen zolang de Soedanese regering ongebreideld haar militair arsenaal blijft inzetten en geen blijk geeft van ook maar enige intentie om de Overeenkomst van Machakos van juli jl. in praktijk te brengen? |
|
— |
van mening is dat het dictatoriale regime van Al-Bashir dat zich schuldig maakt aan een echte genocide ten opzichte van de niet-islamitische bevolking, wel kan instaan voor vrede, welzijn en veiligheid in Soedan? |
|
— |
een unitaire actie van de Europese Unie mogelijk acht op alle multilaterale fora, te beginnen met de Verenigde Naties, op de internationale druk op te voeren op de regering van Khartoem zodat de bloeddorstige dictator kan worden geïsoleerd? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(25 september 2003)
De Commissie houdt, samen met de lidstaten, nauwlettend toezicht op zowel de eerbiediging van de mensenrechten als de evolutie van de vijandelijkheden in Soedan. Sedert maart 1990 heeft de Commissie haar ontwikkelingssamenwerking met dit land geschorst.
In overeenstemming met de conclusies van de Raad van 17 juni 2002 heeft de Commissie bevestigd dat ontwikkelingssamenwerking alleen kan worden hervat wanneer een vredesakkoord voor het burgerconflict in Soedan wordt ondertekend.
Op 10 december 2002 werd geen overeenkomst geparafeerd met de Soedanese regering. Op die datum bevond een Trojka van de Unie zich in Khartoem en werd de normalisering van de betrekkingen tussen de Unie en Soedan gekoppeld aan de ondertekening van een vredesakkoord. De Unie is van oordeel dat de voortzetting van het burgerconflict en de schendingen van de mensenrechten de voornaamste obstakels vormen voor de sociale en economische ontwikkeling in Soedan.
De Commissie meent dat alleen een regering die tot stand is gekomen via een uitgebreid en rechtvaardig vredesproces „kan zorgen voor vrede, welvaart en veiligheid in Soedan”.
De Commissie heeft altijd deelgenomen aan initiatieven van de Unie voor Soedan in internationale fora, met name de Commissie Mensenrechten van de Verenigde Naties en zal dit beleid voortzetten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/99 |
(2004/C 88 E/0104)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2574/03
van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Commissie
(6 augustus 2003)
Betreft: Schending internationale richtlijnen door Nederlands bedrijf in DRC
|
1. |
Heeft de Commissie de berichtgeving over de betrokkenheid van het Nederlandse bedrijf Chemie Pharmacie Holland (CPH) bij het conflict in de Democratische Republiek Congo gevolgd? |
|
2. |
Is het waar dat CPH honderdduizenden euro's heeft betaald aan de Rassemblement Congolais pour la Démocratie (RCD) Goma? Zo ja, sinds wanneer is de Commissie hiervan op de hoogte en wat is haar standpunt in deze? |
|
3. |
Indien de aantijgingen op waarheid blijken te berusten, is de Commissie dan bereid maatregelen, zoals onder andere bepleit door het VN-expertpanel, tegen CPH en eventueel andere bedrijven te nemen? Zo nee, waarom niet? |
|
4. |
Is de Commissie bereid in VN-verband te pleiten voor een moratorium op de handel in coltan, totdat er mogelijkheden van contact met een overgangsregering zijn om daar strikte afspraken over te maken? Zo nee, waarom niet? |
|
5. |
Is de Commissie, verwijzend naar het Kimberley-proces ten aanzien van de diamanthandel, bereid onderzoek te doen naar de certificeringsmogelijkheden voor coltan en andere grondstoffen op zodanige wijze dat het onmogelijk wordt conflicten te financieren via grondstoffenhandel? Hoe staat de Commissie tegenover de aanbeveling van het VN-expertpanel om een blijvend orgaan ter monitoring van conflictgrondstoffen op te richten? |
|
6. |
Is de Commissie, gezien de betrokkenheid van Rwanda, ondertekenaar van het Cotonou-verdrag, bij de handel in coltan uit de DRC, bereid er bij de Rwandese overheid op aan te dringen om een commissie in te stellen die, analoog aan de Oegandese Porter-commissie, de betrokkenheid van Rwanda en Rwandese staatsburgers bij de plundering van grondstoffen in de DRC onderzoekt? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(29 september 2003)
|
1. t/m 3. |
De Commissie volgt in de mate van het mogelijke individuele gevallen in verband met het „Rapport over de illegale exploitatie van natuurlijke rijkdommen in de Democratische Republiek Congo (DRC)”. De follow-up valt evenwel onder de verantwoordelijkheid van de afzonderlijke landen. Commentaar op gevallen die door nationale autoriteiten worden onderzocht, is niet passend zolang het onderzoek aan de gang is. De Commissie neemt er nota van dat er in het Rapport van het Panel van de Verenigde Naties (VN) sprake is van een aantal ondernemingen die in de DRC werken en die de Richtsnoeren voor multinationale ondernemingen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) niet hebben onderschreven. De OESO-richtsnoeren omvatten vrijwillige principes en normen voor verantwoordelijk optreden van bedrijven op gebieden als mensenrechten, bekendmaking van informatie en corruptiebestrijding. De Commissie ondersteunt de richtsnoeren die inzake de verantwoordelijkheid van bedrijven een belangrijk instrument met wereldwijd bereik vormen. Nationale contactpunten in alle aangesloten landen zien toe op de richtsnoeren en onderzoeken gevallen van beweerde niet-naleving. De Commissie is van oordeel dat van gedragingen waarvan wordt beweerd dat ze niet in overeenstemming zijn met de OESO-richtsnoeren melding moet worden gemaakt bij het desbetreffende nationale contactpunt, dat vervolgens een onderzoek zal instellen. |
|
4. en 5. |
De Commissie heeft het voorstel voor een moratorium op de handel in coltan besproken met het Panel (waarvan het eindrapport in oktober 2003 gereed zal zijn). Het Panel is van oordeel dat een moratorium niet uitvoerbaar is en dat een vergelijking met het Kimberley-proces niet opgaat. Het panel zal een dergelijk moratorium dus niet voorstellen. De overgangsregering in de DRC heeft nog geen volledige en daadwerkelijke controle over het enorme grondgebied. De troepen van de VN-waarnemingsmissie in Congo (MONUC) zijn momenteel aanwezig in grote delen van Oost-Congo en dankzij het staakt-het-vuren dat met de strijdende milities is getekend, is het slechts een kwestie van tijd vooraleer daadwerkelijke controle een feit zal zijn. De Commissie is van oordeel dat reeds in een vroeger stadium van het conflict een permanent orgaan opgericht had moeten zijn. Thans moet de overgangsregering passende maatregelen nemen om de exploitatie van grondstoffen in het land te reguleren. |
|
6. |
De Commissie wenst erop te wijzen dat ofschoon het Panel verschillende personen en organen in Oeganda noemt, er in het rapport van het Panel over Rwanda slechts één naam — weliswaar van een hoge militair — wordt genoemd. De situatie is dus niet dezelfde. De Commissie heeft vernomen dat deze kwestie zal worden besproken in het rapport van het Panel aan de Veiligheidsraad dat tegen oktober 2003 voltooid zal zijn. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/100 |
(2004/C 88 E/0105)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2579/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(6 augustus 2003)
Betreft: Beslaglegging op eurobiljetten en beroving van gezinnen van Turkse herkomst uit EU-lidstaten tijdens hun jaarlijkse doorreis door Bulgarije
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat zich reeds gedurende tientallen jaren elke zomer een grote stroom gezinnen van Turkse afkomst uit Duitsland, België, Nederland, Denemarken, Oostenrijk en andere EU-lidstaten voor vakantie en familiebezoek begeeft naar het land van oorsprong, waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van auto of trein? |
|
2. |
Heeft de Commissie vernomen dat het daarvoor onvermijdelijke trajectgedeelte door Bulgarije steeds meer moeilijkheden oproept, doordat de gezinnen van Turkse herkomst worden gehinderd door heffingen van 100 EUR door criminele bendes voor een „verplichte anti-sars-inenting”, door dieven die als politieagenten verkleed zijn, door gewapende berovingen en door torenhoge boetes voor vermeende snelheidsovertredingen? |
|
3. |
Is het de Commissie bekend dat personen in het transitverkeer worden verrast doordat de Bulgaarse politie of douane de doorvoer van grote bedragen aan euro's (hoger dan de tegenwaarde van 5 000 bulgaarse leva) niet toestaat, en op grond daarvan soms per gezin duizenden euro's contant geld in beslag neemt? |
|
4. |
Wat onderneemt de Commissie om ingezetenen van de EU-lidstaten te beschermen tegen deze vormen van beroving en afpersing in een aangrenzende staat, die hoopt in 2007 lid te kunnen worden van de EU? |
|
5. |
Welke garanties kan de Commissie bieden dat deze gang van zaken zich bij volgende pieken in het transitverkeer in 2004 en latere jaren niet meer zal herhalen? |
|
6. |
Worden deze problemen betrokken bij de onderhandelingen met Bulgarije over een toekomstig lidmaatschap van de EU? |
Bron: De Nederlandse krant „Rotterdams Dagblad” van 18 juli 2003.
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(15 september 2003)
Na een groot aantal klachten van Europese burgers alsmede eerdere parlementaire vragen over dit onderwerp (H-0793/01 van de heer Ceyhun tijdens het vragenuur in het Parlement op 1 november 2001 (1), P-0437/02 van de heer Ceyhun (2), E-3790/02 van de heer Maaten (3) en P-1139/03 van mevrouw Swiebel (4)), is het de Commissie bekend dat veel gezinnen van Turkse oorsprong regelmatig via Bulgarije reizen en problemen kunnen ondervinden met criminaliteit langs de snelweg en corrupt gedrag van politieagenten en douanepersoneel. In het periodieke verslag over 2002 (5) verklaart de Commissie duidelijk dat de corruptie van de politie een probleem vormt en dat onderdanen van de EU die in en door Bulgarije reizen melding hebben gemaakt van gevallen van omkoping door de verkeers- en grenspolitie. Tijdens de laatste vergadering van het EU-Bulgarije-Associatiecomité benadrukte de Commissie dat de Bulgaarse overheid dit probleem moet aanpakken. De Commissie heeft een samenvatting van individuele klachten en een verslag van de „Stichting Inspraakorgaan Turken in Nederland” officieel toegezonden. Het probleem is ook besproken in het kader van de onderhandelingen over toetreding.
De Bulgaarse regering heeft hierop gereageerd door een nationale strategie tegen corruptie goed te keuren. Wat de corruptie bij de politie en onechte politieagenten betreft, heeft de regering maatregelen genomen om de criminaliteit langs de snelwegen te bestrijden en onwettelijk handelen door politieagenten te voorkomen. Wat corruptie binnen de douane betreft, legt de regering sancties op, waaronder ontslag, om de nieuwe gedragscode te doen naleven.
Aangezien het garanderen van de rechtsstaat deel uitmaakt van de criteria voor lidmaatschap zoals vastgelegd tijdens de Europese Raad in Kopenhagen in 1993 (21 en 22 juni 1993), hecht de Commissie grote waarde aan de totstandkoming van doeltreffende, niet-discriminerende wetshandhaving in Bulgarije. De Commissie zal tot het moment van toetreding blijven toezien op de voortgang van Bulgarije op dit terrein en hierover verslag uitbrengen aan het Parlement en de lidstaten.
Er zij ook op gewezen dat corruptiebestrijding als een van de prioriteiten genoemd wordt voor Phare-steun aan Bulgarije en dat in 2002 vier anticorruptieprojecten werden goedgekeurd, waarvan een uitsluitend betrekking heeft op corruptie binnen het politiekorps.
Wat betreft de in- en uitvoerregelingen voor valuta moet opgemerkt worden dat Bulgarije inmiddels in grotere mate voldoet aan het acquis communautaire en de Europese normen door middel van de wijzigingen van de Bulgaarse deviezenwet in juni 2003. De verplichting tot aangifte van contante bedragen van meer dan 5 000 lev of de tegenwaarde in buitenlandse deviezen verving eerdere, restrictievere bepalingen zoals de regel dat toestemming gevraagd moest worden voor de uitvoer van contante bedragen van meer dan 20 000 lev. Op dit moment moet een persoon die een contant bedrag van meer dan 25 000 lev uitvoert aangifte doen van dit bedrag en daarnaast aantonen dat hij geen schulden heeft aan de Bulgaarse staat. Dergelijk bewijs is niet verplicht voor buitenlandse ingezetenen die geld uitvoeren dat eerder ingevoerd en aangegeven werd.
(1) Schriftelijk antwoord, 13.11.2001.
(2) PB C 277 E van 14.11.2002.
(3) PB C 70 E van 20.3.2004, blz. 24.
(4) Zie blz. 18.
(5) COM(2002) 700 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/102 |
(2004/C 88 E/0106)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2585/03
van Konstantinos Hatzidakis (PPE-DE) aan de Commissie
(8 augustus 2003)
Betreft: Belastingheffing op Low Proofs
Kan de Commissie, gezien de sterk gestegen consumptie van nieuwe alcoholhoudende dranken, de zogenaamde Ready-To-Drink, zeggen of de volgende uitleg van het Gemeenschapsrecht juist is: wordt het Gemeenschapsrecht geschonden indien een regering uit volksgezondheidsoverwegingen besluit om de accijns uitsluitend te verhogen op RTD op basis van gedestilleerd en niet op traditionele gedestilleerde dranken? Deze over het algemeen zoete dranken worden immers vooral genuttigd door jongeren, wat een groot probleem voor de volksgezondheid vormt.
Is het antwoord van de Commissie anders als de opbrengst van deze accijns niet direct naar de algemene staatsbegroting gaat, maar een specifiek doel dient (dat wil zeggen als de heffing ten goede komt aan een specifiek orgaan op het gebied van de volksgezondheid)?
Vormt de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak betreffende de specifieke heffing op gedestilleerd ten bate van de Franse sociale zekerheid (arrest van 24 februari 2000, zaak C-434/97) (1), met toepassing van de mogelijkheid die wordt geboden door artikel 3, lid 3 van richtlijn 92/12, geen basis waarop lidstaten zich kunnen beroepen om traditionele gedestilleerde dranken en RTD op basis van gedestilleerd verschillend te belasten (zie paragraaf 19 van het arrest)?
Vindt de Commissie niet dat deze categorie dranken, die door haar zoete karakter vooral jongeren aanspreekt, specifiek gedefinieerd zou moeten worden, tenminste in fiscale zin? Deze vraag is des te klemmender daar producenten van RTD niet aarzelen om het alcoholgehalte van deze dranken te veranderen om een fiscaal concurrentievoordeel te behalen (de „malternatives” in de Verenigde Staten bijvoorbeeld).
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(19 september 2003)
In één lidstaat werd reeds een belasting ingevoerd die in sommige opzichten vergelijkbaar is met de door het geachte parlementslid beschreven heffing. Dit leidde tot een aantal van klachten omdat een dergelijke belasting in strijd zou zijn met zowel artikel 90 van het EG-Verdrag als artikel 3, lid 2, van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (2).
In haar onderzoek naar deze klachten buigt de Commissie zich ook over de door het geachte parlementslid genoemde juridische kwesties. De Commissie heeft dit onderzoek nog niet afgerond.
De Commissie is niet voornemens de door het geachte parlementslid beschreven dranken specifiek voor belastingdoeleinden te definiëren.
Wat de niet-fiscale aspecten betreft, wijst de Commissie het geachte parlementslid op Aanbeveling 2001/458/EG van de Raad van 5 juni 2001 betreffende alcoholgebruik door jongeren, in het bijzonder kinderen en adolescenten (3), waarin dit thema wordt behandeld vanuit het oogpunt van de volksgezondheid.
(1) PB C 52 van 24.2.2000, blz. 2.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/103 |
(2004/C 88 E/0107)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2588/03
van Marco Pannella (Nl) aan de Commissie
(8 augustus 2003)
Betreft: Executie van Faramaz Mohammadi, 19 jaar oud, actief in de studentenbeweging aan de Universiteit van Tabriz in Iran
Op 22 juli schijnt in een krant in Azerbajdzjan, de Xalq Qazeti, het bericht verschenen te zijn dat:
|
— |
enkele dagen eerder „het Revolutionaire Hof van Tabriz het doodvonnis had uitgesproken over een studentenactiviste, Faramaz Mohammadi”, |
|
— |
Faramaz Mohammadi, een 19-jarige staatsburger van Azerbajdzjan en studente aan de Universiteit van Tabriz, „was een vooraanstaand figuur in de studentenbeweging”, |
|
— |
na de terechtstelling „is haar stoffelijk overschot naar Ardabil gebracht”, |
|
— |
Mohammadi was een van de organisatoren van de studentenbeweging aan de Universiteit van Tabriz en had „radicale uitspraken gedaan tegen het Perzische regime en het bewind van de mullahs in Iran”, |
|
— |
„hoewel het Hof het doodvonnis een maand geleden had uitgesproken, is het vonnis twee dagen geleden voltrokken”. |
Is de Commissie op de hoogte van de beschreven feiten en zo ja, welke initiatieven heeft zij genomen of zal zij nemen? Is zij niet van mening dat alle betrekkingen met Iran verbroken moeten worden, totdat de mensenrechten daar opnieuw worden geëerbiedigd en de doodstraf is opgeschort?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(23 september 2003)
Zoals uiteengezet in de Richtlijnen voor het EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake de doodstraf, heeft de EU zich systematisch verzet tegen de doodstraf en dit onderwerp talloze malen ter sprake gebracht bij de Iraanse regering. In april 2003, tijdens de laatste bijeenkomst van de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties, heeft de EU ook benadrukt dat zij zich ernstige zorgen maakt over executies in Iran. Daarnaast omvatte de mensenrechtendialoog die de EU in 2002 met Iran is begonnen gemeenschappelijke inspanningen om een breed scala aan mensenrechtenkwesties aan te pakken, waaronder de toepassing van de doodstraf. In de eerste evaluatie van deze dialoog van 18 maart 2003 benadrukte de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen dat grote bezorgdheid bleef bestaan over de voortdurende ernstige schending van de mensenrechten in Iran, waaronder de tenuitvoerlegging van doodvonnissen ondanks internationaal erkende waarborgen.
De EU zal de mensenrechtendialoog met Iran blijven aangrijpen om haar bezorgdheid te uiten ten aanzien van de toepassing van de doodstraf en daarnaast een aantal individuele gevallen bespreken.
De Commissie is van mening dat een beleid van constructieve betrokkenheid ten aanzien van Iran eerder zal bijdragen aan de verbetering van de eerbiediging en bescherming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden dan het schorsen van alle betrekkingen. Er zij op gewezen dat toen de EU in 2002 besloot de onderhandelingen te openen over een handels- en samenwerkingsovereenkomst met Iran, met een bijbehorende politieke overeenkomst, duidelijk gesteld werd dat tegenover de versterking van de economische en handelsbetrekkingen tussen de EU en Iran vergelijkbare vooruitgang moet staan op alle andere terreinen van de betrekkingen met Iran. De EU verwachtte met name vooruitgang op vier belangrijke terreinen waarover bezorgdheid bestaat: mensenrechten, non-proliferatie, terrorismebestrijding en het vredesproces in het Midden-Oosten. De mensenrechtensituatie in Iran is zeker een van de factoren die zal bepalen hoe de betrekkingen tussen de EU en Iran zich in de toekomst ontwikkelen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/104 |
(2004/C 88 E/0108)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2593/03
van Graham Watson (ELDR) aan de Commissie
(14 augustus 2003)
Betreft: Vervolging van christenen in Pakistan
Weet de Commissie dat christenen in Pakistan worden vervolgd? Hoe heeft zij protest aangetekend of gaat zij dit alsnog doen bij de regering van Pakistan?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(22 augustus 2003)
De Commissie blijft ernstig bezorgd over een aantal mensenrechtenkwesties in Pakistan en neemt actief deel aan gezamenlijke inspanningen van de Unie om deze kwesties aan te kaarten. De EU heeft verschillende gelegenheden aangegrepen om de situatie van religieuze minderheden met de Pakistaanse autoriteiten te bespreken. Ook tijdens de politieke dialoog tussen Pakistan en de Unie worden mensenrechtenkwesties aangekaart, onder andere tijdens de recente ontmoeting in Islamabad van 7 juni 2003.
De EU heeft herhaaldelijk gevraagd om meer bescherming van christelijke en andere minderheden in Pakistan. Het is de Commissie bekend dat tijdens de laatste twee jaar een aantal incidenten met de christelijke gemeenschap hebben plaatsgevonden, zoals een aanval op het kantoor van een niet-gouvernementele organisatie in Karachi, de moord op christelijke gelovigen in kerken in Bhawalpur en Islamabad en wreedheden tegen christelijke instellingen in Murree en Taxila. De Commissie is tevens op de hoogte van verschillende incidenten van sektarisch geweld tegen andere minderheden zoals Ahmadis en Shias. De EU zal er bij de Pakistaanse autoriteiten op aandringen dat de daders van deze misdrijven berecht worden en dat adequate maatregelen worden genomen om te voorkomen dat dergelijke incidenten zich opnieuw voordoen.
Voorts heeft de EU al herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de wetten tegen godslastering, die in onevenredig grote mate op religieuze minderheden worden toegepast (ofschoon in absolute cijfers een duidelijke meerderheid van de personen die op grond van deze wet in beschuldiging worden gesteld, moslim is). Zolang de wetten tegen godslastering van kracht blijven, zal de Commissie er bij de Pakistaanse regering op blijven aandringen dat alle mogelijke maatregelen worden genomen om misbruiken te voorkomen zodat de personen die van godslastering worden beschuldigd, beschermd worden, en dat de institutionele en wettelijke waarborgen versterkt worden.
De EU verheugde zich over de toespraak van president Musharraf van 12 januari 2002 waarin hij alle vormen van sektarisme en religieuze haat veroordeelde en pleitte voor een gematigde en tolerante islam. Ofschoon er geen wettelijke beperkingen bestaan ten aanzien van de religieuze praktijken van minderheden, blijven grote delen van de bevolking onwetend. Daarom geeft de Commissie in haar ontwikkelingssamenwerking voorrang aan een betere toegang tot seculier onderwijs in het kader van het onderwijsbeleid van het land. Op de middellange termijn moet beter onderwijs leiden tot een tolerante houding tegenover minderheden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/104 |
(2004/C 88 E/0109)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2594/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(14 augustus 2003)
Betreft: Vervolging van christenen
Een van de kiezers uit mijn kiesdistrict heeft mij geattendeerd op de almaar voortdurende vervolging van christenen in de wereld met voorbeelden uit Laos en Cambodja waar vijf christelijke gezinnen die, ook nadat zij opdracht hadden gekregen om uit hun provincie te vertrekken, nog steeds gebruuskeerd worden met dreigementen en intimidatie die ervoor moeten zorgen dat zij hun geloofsovertuiging opgeven.
Wat doet de Commissie in haar betrekkingen met niet-EU-landen aan het bevorderen en in praktijk brengen van godsdienstige tolerantie?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(17 september 2003)
De Commissie hecht in haar dialoog met derde landen groot belang aan het recht op vrijheid van godsdienst, overtuiging en meningsuiting. De vrijheid van gedachte, geweten, godsdienst en overtuiging is één van de fundamentele mensenrecht en als zodanig vastgelegd in een aantal internationale instrumenten, waaronder de Universele Verklaring van de rechten van de mens (artikel 18), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 18) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (artikel 9). Het Handvest van de grondrechten van de EU, dat de leidraad vormt voor het externe optreden van de Commissie op dit gebied, bepaalt verder duidelijk dat iedereen recht heeft op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (artikel 10) en dat de culturele, religieuze en linguïstische diversiteit moet worden geëerbiedigd.
De Unie heeft herhaaldelijk bevestigd dat de mensenrechten en de democratisering een integraal deel moeten vormen van de politieke dialoog met derde landen. De vrijheid van godsdienst als fundamenteel mensenrecht en de rechten van religieuze minderheden worden dan ook aan de orde gesteld in het kader van de bilaterale politieke dialoog van de Unie, en, indien nodig, via demarches en openbare verklaringen, alsmede via het optreden van de Unie in fora als de VN-mensenrechtencommissie of de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de VN.
Wat de situatie in Laos betreft is de Commissie op de hoogte van de berichten dat de godsdienstvrijheid in Laos beperkt blijft en dat leden van christelijke groepen vervolgd en/of aangehouden worden op grond van hun religieuze overtuiging.
Dat gebeurt ondanks het feit dat de grondwet bepaalt dat „iedereen het recht en de vrijheid heeft al dan niet in religie te geloven”. De tolerantiegraad tegenover religieuze praktijken verschilt naargelang van de streek. Volgens enkele berichten ondervinden godsdienstige groepen die nieuwe plaatsen voor erediensten willen oprichten in bepaalde provincies moeilijkheden. In andere delen van het land kunnen zowel katholieke als protestantse gelovigen hun godsdienst openlijk belijden.
De Commissie volgt deze en andere zaken in Laos die te maken hebben met de mensenrechten nauwlettend, en geeft regelmatig uiting aan haar bezorgdheid tijdens bilaterale bijeenkomsten tussen de Gemeenschap en Laos. De Commissie neemt ook actief deel aan alle demarches van de Unie om haar bezorgdheid aan de Laotiaanse overheid kenbaar te maken.
Wat Cambodja betreft zijn er minder berichten over religieuze groeperingen of personen die moeilijkheden zouden ondervinden. In het laatste verslag van de Speciale Vertegenwoordiger van de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor de mensenrechten in Cambodja wordt religieuze vrijheid niet als een belangrijk punt van zorg in dit land beschouwd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/105 |
(2004/C 88 E/0110)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2604/03
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(20 augustus 2003)
Betreft: Bescherming van de opgravingen in het antieke Salamina op Cyprus
Volgens B. Karayioryis van de Archeologische Dienst van Cyprus, die vóór de Turkse inval op Cyprus samen met de Franse Archeologische Dienst in het antieke Salamina op Cyprus opgravingen heeft verricht, doet de Turkse professor S. Ozgiurel zonder toestemming van de archeologen die daar als laatste werkzaam waren opgravingen in het antieke Salamina. Kan de Commissie, tegen de achtergrond van het feit dat het internationaal gebruikelijk is dat toestemming wordt gevraagd van de archeologen die als laatste voor jou op een bepaalde plaats werkzaam zijn geweest én het feit dat Turkije het Verdrag van Den Haag heeft ondertekend, waarvan artikel 5 „alle archeologische werkzaamheden in door buitenlandse troepen bezet gebied zonder de toestemming van de wettelijke regering van het land uitdrukkelijk verbiedt”, meedelen welke stappen zij van plan is te gaan ondernemen teneinde de Turkscypriotische autoriteiten te bewegen een eind aan deze illegale opgravingen te maken?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(15 september 2003)
In het algemeen berust de verantwoordelijkheid op het gebied van cultuur bij de lidstaten. De Commissie heeft slechts beperkte bevoegdheid op dit terrein.
Wat betreft de opgravingen in het antieke Salamina, neemt de Commissie de opmerkingen van het geachte parlementslid voor kennisgeving aan. Er bestaat geen juridische grondslag op basis waarvan de Commissie in dit geval actie kan ondernemen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/106 |
(2004/C 88 E/0111)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2613/03
van Maurizio Turco (Nl), Marco Pannella (Nl), Marco Cappato (NI) en Gianfranco Dell'Alba (NI) aan de Commissie
(28 augustus 2003)
Betreft: De „Crimen Sollicitationis”-instructie van de Hoogste Congregatie van het Heilig Officie van de Heilige Stoel om door geestelijken begane seksuele misdrijven in de doofpot te houden
De Amerikaanse zender CBS heeft op 6 augustus 2003 een document gepubliceerd dat sedert 1962 geheim was gehouden. Het gaat om een document van de Hoogste Heilige Congregatie van het Heilig Officie (tegenwoordig de Congregatie voor de geloofsleer, oorspronkelijk de Heilige Congregatie van de Romeinse en Universele Inquisitie).
Dit document, de Crimen Sollicitationis-instructie, was bestemd voor alle patriarchen, aartsbisschoppen, bisschoppen en hulpbisschoppen, ook die van de Oosters rite, over hoe men in deze zaken te werk moest gaan. Het document is gedateerd 16 maart 1962.
Het is bedoeld om zorgvuldig te worden bewaard in het geheim archief van de Curie en biedt gedetailleerde instructies die moeten worden gevolgd bij seksuele misdrijven die geestelijken hebben begaan aan gelovigen.
Uit dit document blijkt dat de Heilige Stoel heeft opgedragen aan de kerkelijke autoriteiten om alle gevallen van seksueel misbruik buiten de publiciteit en buiten justitie te houden op straffe van excommunicatie.
In de door Johannes Paulus II ondertekende apostolische brief d.d. 30 april 2001„Motu Proprio Datae Quibus Normae De Gravioribus Delictis” en in het herderlijk schrijven „De Delictis Gravioribus” van de Congregatie voor de geloofsleer, ondertekend door kardinaal Ratzinger op 18 mei 2001, staat te lezen dat de „Crimen Sollicitationis” althans in recente gevallen wordt bevestigd, terwijl de afgelopen decennia de zaken alleen maar erger zijn geworden en een ware plaag voor de Rooms-katholieke kerk, met alle schandalen vandien.
Uit allerlei hoeken is er kritiek op de weigering samen te werken met justitie en politie, wat duidt op obstructie van de rechtsgang.
Gezien de institutionele en diplomatieke banden die de Europese Unie met de Heilige Stoel onderhoudt, luidt de vraag:
|
— |
Welke initiatieven (onderzoek, preventie, sancties, diplomatieke druk) denkt zij te nemen gezien het feit dat de in dit document vervatte instructies strijdig zijn met het beleid van de Unie en de lidstaten ten aanzien van de mensenrechten en fundamentele vrijheden en bestrijding van seksueel misbruik, met name tegen kinderen en vrouwen? |
|
— |
Denkt zij de Heilige Stoel zover te krijgen dat deze instructies worden ingetrokken omdat zij duidelijk en expliciet bedoeld zijn om een morele, maatschappelijke en politieke plaag te verdoezelen voor de samenleving en in het bijzonder voor justitie? |
|
— |
Is zij voornemens een onderzoek in te stellen naar de betrekkingen tussen de lidstaten en het Vaticaan om na te gaan of de juridische betrekkingen die aan deze betrekkingen ten grondslag liggen en die privileges verlenen aan de geestelijkheid ten aanzien van de regels van de lidstaten, niet in strijd zijn met de internationale en Europese voorschriften voor de fundamentele rechten en vrijheden? |
|
— |
Is zij ook niet van mening dat het dringend nodig is artikel 51 van de Europese ontwerpgrondwet te herzien opdat het Europese en nationale recht gevrijwaard blijft van schaduwgebieden en straffeloosheid voor de geestelijkheid? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(22 oktober 2003)
De Unie zet zich in voor het bevorderen van de mensenrechten in de wereld. In deze context heeft zij de noodzaak om seksueel misbruik van kinderen te bestrijden, nadrukkelijk onderstreept, onder meer in de recente verklaring over de rechten van het kind die zij heeft afgelegd voor de Commissie voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties (VN). Bovendien heeft de Unie het actieplan van de Buitengewone zitting van de Verenigde Naties over de rechten van het kind (mei 2002), waarbij de bescherming van het kind tegen misbruik en uitbuiting de hoofddoelstelling vormde, sterk gesteund. De Heilige Stoel is permanent waarnemer bij de Commissie voor de rechten van de mens.
Het standpunt van de Unie in dezen is dus duidelijk en is in internationale fora gepresenteerd. De Commissie is echter niet bevoegd om de door de geachte parlementsleden bepleite stappen te ondernemen, noch om zich in de diplomatieke betrekkingen van de lidstaten te mengen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/107 |
(2004/C 88 E/0112)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2615/03
van Philip Claeys (Nl) aan de Commissie
(28 augustus 2003)
Betreft: Nieuwe verantwoordelijkheden voor Commissaris Verheugen
Europees Commissaris Gunther Verheugen krijgt er een nieuwe bevoegdheid bij. Hij zal zich ook bezighouden met de nieuwe buurlanden van de EU, met name Rusland, Oekraïne, Israël en Marokko. Deze bevoegdheid was eerder uitgeoefend door Commissaris voor buitenlandse betrekkingen Chris Patten.
Waarom werd de bewuste bevoegdheid verplaatst van Commissaris Patten naar Commissaris Verheugen?
Ligt het in de bedoeling van de Commissie om de relaties met andere buurlanden eveneens onder te brengen onder de noemer „uitbreiding” in plaats van externe relaties?
Vreest de Commissie niet dat het onderbrengen van de relaties met hoger genoemde landen bij Commissaris Verheugen, algemeen bekend als verantwoordelijk voor de uitbreiding van de EU, verkeerde verwachtingen kan teweegbrengen bij de betrokkenen landen? De indruk kan immers ontstaan dat ook zij in aanmerking zouden komen voor toetreding tot de Europese Unie. In welke termen werden de betrokken landen op de hoogte gebracht van de nieuwe verantwoordelijkheden van Commissaris Verheugen?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(23 september 2003)
Na afloop van de toetredingsonderhandelingen met de tien Toetredingslanden in Kopenhagen in december 2002 heeft de Commissie het ambitieuze plan opgevat om de politieke en economische relaties met de oostelijke en zuidelijke buurlanden van de uitgebreide Unie te verbeteren (1). Dit werd zowel door de Raad van de EU als door de Europese Raad in Thessaloniki in juni 2003 toegejuicht. Op 9 juli 2003 besloot de Commissie interne maatregelen te nemen in verband met haar werkzaamheden op dit gebied. De betrekkingen met alle buurlanden van de uitgebreide Unie blijven de verantwoordelijkheid van het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor Buitenlandse Betrekkingen. Het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor Uitbreiding zal de werkzaamheden van de Commissie in verband met „Europa in Ruimere Zin” leiden en de task force bestaande uit ambtenaren van de Directoraten-generaal voor Buitenlandse Betrekkingen en Uitbreiding politiek begeleiden. De Unie zal hierdoor kunnen bijdragen aan de creatie van een gebied van gedeelde welvaart en stabiliteit rond de uitgebreide Unie, hierbij, waar nodig, gebruik makend van de ervaring die de Commissie heeft opgedaan bij de voorbereiding van de toetredingslanden op hun toetreding. De Commissie is van oordeel dat al deze buurlanden, als tegenprestatie voor concrete vooruitgang in de vorm van gedeelde waarden en effectieve politieke, economische en institutionele hervormingen, een aandeel in de interne markt van de Unie en andere geavanceerde vormen van samenwerking op belangrijke gebieden van wederzijds belang in het vooruitzicht moeten worden gesteld.
De betrokken landen werden langs diplomatieke weg op de hoogte gebracht.
(1) COM(2003)104 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/108 |
(2004/C 88 E/0113)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2664/03
van Terence Wynn (PSE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Industrieproducten uit derde landen
Het antwoord op schriftelijke vraag E-1795/03 (1) gaat aan het voornaamste punt voorbij. Laat ik een voorbeeld geven: als in China een industrieel gieterijproduct wordt gemaakt voor uitvoer naar de EU dan hoeft de Chinese fabrikant zich niet te houden aan dezelfde wetgeving op het gebied van gezondheid, veiligheid en milieu als de fabrikanten in de EU. De arbeiders kunnen er werken onder omstandigheden die in de EU niet aanvaardbaar zijn en ook de uitstoot in de atmosfeer zou evenmin toelaatbaar zijn. Toch worden deze producten in de EU verkocht en kunnen EU-producten niet concurreren vanwege de vereisten van de EU-wetgeving.
Laat ik daarom vraag E-1795/03 herhalen:
|
|
Waarom staat de Commissie de invoer toe in de EU van industrieproducten uit derde landen die niet voldoen aan de minimumnormen op het gebied van gezondheid, veiligheid en milieu waaraan bedrijven in de EU wel moeten voldoen? Is de Commissie niet van mening dat het directe gevolg van het toelaten van dergelijke producten in de EU het verlies van banen in de Europese industrie is? |
Antwoord van de heer Lamy Namens de Commissie
(7 november 2003)
Het oorspronkelijke antwoord op schriftelijke vraag E-1795/03 van het geachte parlementslid verwees naar de pogingen om een aanpak volgens de Europese regelgeving in derde landen te stimuleren.
Het is van belang onderscheid te maken tussen enerzijds verplichte productvoorschriften gebaseerd op legitieme beleidsdoelstellingen, zoals de bescherming van het milieu of gezondheid en veiligheid van gebruikers, die zowel worden toegepast op in de Unie als in derde landen vervaardigde producten en anderzijds de methoden die worden gebruikt bij de productie in derde landen.
De Gemeenschap kan legitieme productvoorschriften vaststellen, mits deze overeenkomen met haar internationale verplichtingen. Met andere woorden, de Gemeenschap kan haar veiligheids- en milieuwetgeving niet opleggen aan landen die buiten haar jurisdictie vallen, net zoals deze landen hun eigen wetgeving niet aan de Gemeenschap kunnen opleggen. Dit is niet alleen een fundamenteel soevereiniteitsbeginsel en geheel in overeenstemming met de beginselen 2, 11 en 12 van de Verklaring van Rio van 1992 inzake milieu en ontwikkeling, maar ook een van de basisbeginselen van de WTO-regels.
De Gemeenschap probeert echter de toepassing van hogere normen in ontwikkelingslanden te stimuleren, bijvoorbeeld:
|
— |
ontwikkelingslanden die hogere sociale of milieunormen hanteren kunnen preferentiële toegang tot de EG-markt krijgen door middel van het systeem van algemene preferenties; |
|
— |
ontwikkelde landen overleggen met ondernemingen om hen aan te moedigen zich in ontwikkelingslanden op het terrein van sociale en milieu-aangelegenheden verantwoordelijker te gedragen (de OESO heeft bijvoorbeeld richtsnoeren voor sociaal verantwoordelijk gedrag van ondernemingen opgesteld); |
|
— |
Het beleid van de Commissie ten aanzien van ontwikkelingshulp steunt ontwikkelingslanden die nieuwe en striktere normen wensen te ontwikkelen en in te voeren. |
|
— |
De Unie zoekt samen met haar WTO-partners naar wegen om handel en milieu beter aan elkaar te koppelen. |
In deze context dient opgemerkt te worden dat onderzoek uitwijst dat milieunormen gewoonlijk stijgen als het ontwikkelingsniveau stijgt. Daarom is stimulering van economische ontwikkeling en groei het beste dat de Unie kan doen om haar partners aan te moedigen om hogere normen te hanteren. Het belemmeren van import uit ontwikkelingslanden zou daarom juist het tegengestelde effect hebben. De kans om aan de armoede te ontkomen zou hun ontnomen worden en de ontwikkeling van de regelgeving zou nog meer worden vertraagd.
De Commissie is zich bewust van het argument dat deze import zou kunnen leiden tot banenverlies bij Europese fabrikanten. Dit is een oud argument dat grotendeels onjuist is gebleken.
De Commissie is van mening dat de volgende elementen in ogenschouw zouden moeten worden genomen bij de beoordeling van dit argument:
|
— |
Het is een hypothetische bewering, voortbouwend op de hypothese dat de Gemeenschap haar WTO-verplichting en zou kunnen verzaken en afzien van de voordelen van multilaterale handelsovereenkomsten. Het hypothetische „verlies” dient te worden afgezet tegen de minder hypothetische banengroei dankzij de liberalisering van de handel; |
|
— |
Liberalisatie van de handel stelt landen in staat zich te specialiseren in sectoren waar zij het meest concurrerend zijn, waardoor alle partijen kunnen profiteren van de toegenomen productiviteit; |
|
— |
De economie van de Unie is op natuurlijke wijze geëvolueerd van een economie gebaseerd op arbeidsintensieve productie, waar ontwikkelingslanden zich nu in specialiseren, tot de huidige economische structuur gebaseerd op diensten. Daarom is de bedreiging van invoer uit lagelonenlanden voor Europese arbeiders in feite zeer beperkt; |
|
— |
Het sociaal en milieubewustzijn van Europese concurrenten brengt met zich mee dat producenten in de Gemeenschap kunnen profiteren van de wereldwijde markt voor producten die voldoen aan hoge normen. Door bijvoorbeeld uiterst kritische consumenten te bedienen is de Europese industrie zeer concurrerend geworden op het vlak van milieuvriendelijke goederen en technologieën die het milieu helpen beschermen; |
(1) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 725.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/109 |
(2004/C 88 E/0114)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2703/03
van Luigi Vinci (GUE/NGL) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Proces tegen de socioloog Mehemet Bercet en de directrice van de vluchtelingenorganisatie Goc-Der van Istanboel, Sefika Gurbuz, wegens aansporing tot rassenhaat in Turkije
Als gevolg van de gedwongen verhuizing van honderdduizenden Koerden van Zuidoost-Turkije naar de rand van de belangrijkste steden en in het bijzonder van Istanboel heeft de socioloog Mehemet Bercet, die zelf Koerd is, met de vluchtelingenorganisatie Goc-Der van Istanboel een onderzoek opgezet naar de tragische levensomstandigheden en de pesterijen waarvan die mensen, die hun dorpen moeten ontvluchten en hun gronden, werk en woning moeten achterlaten, het slachtoffer zijn. De resultaten van dat onderzoek werden op 17 april 2002 in Istanboel tijdens een persconferentie gepresenteerd door de directrice van de vluchtelingenorganisatie Goc-Der van Istanboel, Sefika Gurbuz. Omdat ze de resultaten van het onderzoek had toegelicht, werd Sefika Gurbuz aangeklaagd wegens separatisme op basis van artikel 312-2 van het Turkse Gerechtelijk Wetboek. Als hoofdauteur van de studie werd de socioloog Mehemet Bercet beschuldigd van aansporing tot rassenhaat. Beiden werden verwezen naar het Veiligheidshof, waarvan de eerste zitting op 25 november 2002 werd gehouden en waar tijdens de volgende zitting van 12 maart 2003 officieel voor beide beschuldigden drie jaar opsluiting werd gevraagd.
Kan de Commissie mededelen hoe zij die feiten beoordeelt en meent ze niet dat ze er de Turkse regering met klem op moet wijzen dat die beschuldigingen en de aanklacht tegen Gurbuz en Bercet volkomen haaks staan op de mogelijkheid van toetreding van Turkije tot de Europese Unie?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(1 oktober 2003)
De Commissie is niet op de hoogte van de zaak die het geachte parlementslid noemt.
Wat betreft de vrijheid van meningsuiting, heeft Turkije in de afgelopen twee jaar een reeks hervormingen aangenomen, waardoor diverse artikelen van het Turkse Wetboek van Strafrecht gewijzigd zijn. Met name de redenen om de vrijheid van meningsuiting te beperken in artikel 312 zijn gewijzigd met het oog op aanpassing aan de Europese normen.
Volgens officiële gegevens lijkt het merendeel van de zaken tegen personen op grond van de vrijheid van meningsuiting het afgelopen jaar te zijn geëindigd in vrijspraak.
Rechtszaken tegen personen komen echter nog steeds voor, hetgeen vaak een weerspiegeling is van een enge interpretatie van de desbetreffende bepalingen van het Wetboek van Strafrecht.
De Commissie heeft herhaaldelijk tegenover de Turkse autoriteiten benadrukt dat de hervormingen voor alle burgers, ongeacht hun herkomst, in praktijk moeten worden gebracht.
De Commissie zal de situatie in de context van de politieke criteria van Kopenhagen in het oog blijven houden en gedetailleerd beoordelen in haar periodieke verslag dat in november 2003 gepubliceerd zal worden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/110 |
(2004/C 88 E/0115)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2725/03
van Jules Maaten (ELDR) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Corruptie bij de Bulgaarse grens
Op 12 december 2002 heeft vraagsteller de Europese Commissie opheldering gevraagd over de berichten dat Bulgaarse grensbewakers toeristen onnodig geld laten betalen voor doorgang bij de grens (schriftelijke vraag E-3790/02 (1)). De heer Verheugen heeft toen meegedeeld dat „passende maatregelen genomen zouden worden teneinde de in de klachten beschreven incidenten te voorkomen”.
Uit onderzoek van de ANWB — de grootste Nederlandse belangenorganisatie op het gebied van toerisme, recreatie en verkeer — blijkt dat de situatie niet verbeterd is. Toeristen moeten zich nu zelfs bij de grens laten inenten tegen SARS. Dit terwijl er niet eens een vaccin tegen SARS bestaat!
|
1. |
Is de Commissie bekend met deze gang van zaken? |
|
2. |
Vindt de Commissie deze inentingen een gevaar voor de volksgezondheid? |
|
3. |
Heeft de Commissie maatregelen genomen tegen deze praktijken? |
|
4. |
Is de Commissie van mening dat het toezicht van de Commissie op de corrupte praktijken van de Bulgaarse grensautoriteiten voldoende is? |
|
5. |
Wat is de Commissie concreet van plan om een einde te maken aan deze illegale praktijken? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(23 oktober 2003)
De klachten dat aan Bulgaarse grensovergangen een vergoeding van 100 EUR wordt geëist in verband met SARS (Severe Acute Respiratory Syndrome), zijn de Commissie ter kennis gebracht. Zij heeft Bulgarije om uitleg over de situatie verzocht en de volgende informatie daaromtrent ontvangen.
Er zijn aan de Bulgaarse grensovergangen van overheidswege geen vergoedingen of boetes geïntroduceerd in verband met SARS. Naar aanleiding van de klachten werd er aan alle grensovergangen en in de Bulgaarse ambassades in Turkije, Duitsland en Oostenrijk een informatiecampagne opgezet in het Duits, Engels en Turks waarin duidelijk werd gemaakt dat er van overheidswege geen vergoedingen of boetes worden geïnd in verband met SARS. Ook de Turkse ambassades in Duitsland en Oostenrijk en de belangrijkste Turkse touroperators in deze landen werden op de hoogte gebracht.
Voorts heeft het Bulgaarse ministerie van Binnenlandse Zaken zijn diensten en lokale afdelingen opgedragen inlichtingen in te winnen en gegevens te verzamelen over deze vermeende praktijken. Naar gelang van de uitkomst van dit onderzoek zal een strafrechtelijke procedure worden ingeleid. Het onderzoek wordt bemoeilijkt door het feit dat de Bulgaarse autoriteiten geen officiële klachten hebben ontvangen die informatie geven over tijd en plaats van deze praktijken of de personen die zich eraan schuldig maken.
Het geachte parlementslid zal ongetwijfeld begrijpen dat de Commissie in dit soort zaken geen officiële onderzoeksbevoegdheid heeft. Via een aantal mechanismen en informatiebronnen ziet zij echter wel toe op de naleving van de beginselen van de rechtsstaat door Bulgarije. Zodra de Bulgaarse autoriteiten nadere informatie hebben verstrekt, zal deze aan het geachte parlementslid worden toegezonden.
(1) PB C 70 E van 20.3.2004, blz. 24.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/111 |
(2004/C 88 E/0116)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2742/03
van Richard Corbett (PSE) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Slowakije
Is het de Commissie bekend dat Slowakije EU-burgers, die slechts in het bezit zijn van een identiteitsbewijs, de toegang tot zijn grondgebied weigert, ook als het gaat om kinderen die reizen onder begeleiding van hun ouders die in het bezit zijn van een paspoort?
Is de Commissie het ermee eens dat deze houding Slowakije enige maanden voor zijn toetreding tot de Unie in een slecht daglicht stelt, in het bijzonder daar andere aangrenzende landen (zoals Hongarije, Kroatië, Bosnië en zelfs Servië-Montenegro) of die nu wel of niet tot de EU toetreden, er geen probleem mee hebben de door EU-lidstaten uitgegeven identiteitskaarten als geldig identiteitsbewijs te accepteren.
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(22 oktober 2003)
De burgers van de Unie mogen zich gewoon op vertoon van een geldig paspoort of een geldige identiteitskaart vrij verplaatsen op het hele grondgebied van de Unie. Toetredende landen als Slowakije zijn echter tot het tijdstip van hun toetreding, net als andere landen die niet tot de Unie behoren, niet verplicht om burgers van de Unie gewoon op vertoon van een identiteitskaart tot hun grondgebied toe te laten.
Voor de huidige lidstaten bestaat er evenmin een verplichting om burgers van toetredende landen gewoon op vertoon van een identiteitskaart tot hun grondgebied toe te laten.
Het is het geachte parlementslid misschien bekend dat, bijvoorbeeld, in het Verenigd Koninkrijk momenteel een visumplicht geldt ten aanzien van burgers van de Slowaakse Republiek.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/112 |
(2004/C 88 E/0117)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2743/03
van Richard Corbett (PSE) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Slowakije
Is de Commissie het er mee eens dat grenswachten en douaneambtenaren waar mogelijk in staat zouden moeten zijn de taal van het buurland te spreken waarvan zij de grens bewaken? Is het de Commissie bekend dat Slowaakse grenswachten op de grens met Oostenrijk weigeren Duits of een andere taal dan Slowaaks of Russisch te spreken?
Zal Commissie in het kader van de op handen zijnde toetreding van Slowakije tot de EU, het land, en natuurlijk ook alle andere lidstaten, aansporen om er voor te zorgen dat ten minste een aantal grenswachten in staat zijn zich uit te drukken in de talen die aan de desbetreffende grens zinvol kunnen zijn.
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(8 oktober 2003)
De Commissie is inderdaad van mening dat douanebeambten zowel in de Unie als in de kandidaat-lidstaten zoveel mogelijk in staat moeten zijn te communiceren in de taal van het land waaraan zij grenzen en waar zij aan de grens toezicht houden. De Commissie heeft de douaneautoriteiten van de kandidaat-lidstaten de raad gegeven hun douanebeambten een taaiopleiding te laten volgen. De bestuurlijke en organisatorische aspecten van de douanediensten vallen echter niet onder de bevoegdheid van de Commissie, maar geheel en al onder de nationale bevoegdheid van de bestaande en toekomstige lidstaten.
Wat het door het geachte parlementslid genoemde geval betreft is de Commissie niet op de hoogte van bijzondere problemen, noch wat betreft de douanebeambten noch wat betreft de grensbewakers. De samenwerking tussen de Slowaakse en Oostenrijkse autoriteiten aan de grens wordt als bevredigend beschouwd. Voorts wordt erop gewezen dat er vanaf de dag van toetreding in 2004 geen douanecontroles meer zullen zijn tussen de bestaande en de toekomstige lidstaten en dat de douanekantoren aan de toekomstige „interne” grens op die datum moeten zijn verdwenen. Er zullen derhalve geen douanebeambten meer aanwezig zijn op de Slowaaks/Oostenrijkse grens en Slowakije zal dan slechts een deel van de toekomstige buitengrens van de Unie met Oekraïne beheren.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/112 |
(2004/C 88 E/0118)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2744/03
van Richard Corbett (PSE) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Slowakije
Kan de Commissie bevestigen dat de autoriteiten van Bratislava de stad Kosice geen toestemming geven voor de aanleg van een autosnelweg die aansluit op het Hongaarse autowegennet (en daardoor ook op het Oostenrijkse en andere wegennetten) totdat de autosnelweg gereed is die via het noorden van Slowakije de stad Kosice met Bratislava verbindt?
Is het misschien zo dat de autoriteiten van Bratislava bewust een goede verbinding tussen het zuiden van Slowakije, en dus ook de Hongaars sprekende minderheid die daar woont, en Hongarije trachten te verhinderen? Is de Commissie van mening dat een dergelijke houding strookt met de doelstelling van een Europa zonder binnengrenzen, die in het EU-lidmaatschap besloten ligt.
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(16 oktober 2003)
De Commissie heeft nota genomen van de opmerkingen van het geachte parlementslid over het besluit van de Slowaakse regering inzake de aanleg van een autosnelweg die Kosice met Bratislava verbindt. Zij kan alleen maar bevestigen dat de hier bovenvermelde snelweg alsmede de weg tussen Kosice en de Hongaarse grens deel uitmaken van het Trans-Europese vervoersnetwerk (TEN-T) en dat Slowakije en de Unie overeenstemming hebben bereikt over de prioriteit die derhalve aan deze wegen zal worden verleend. In dit kader is het de taak van de nationale autoriteiten hun eigen prioriteiten te bepalen en voorstellen in te dienen voor financiering van deze projecten door de Commissie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/113 |
(2004/C 88 E/0119)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2759/03
van Fernando Fernández Martín (PPE-DE) aan de Commissie
(16 september 2003)
Betreft: Methode ter berekening van de financiële bijstand aan traditionele ACS- leveranciers van bananen
In het kader van de maatregelen voor technische en financiële steun aan ACS-leveranciers van bananen worden de jaarlijkse cijfers voor financiële steun aan elk land door de Commissie vastgesteld aan de hand van een berekeningsmethode die rekening houdt met het vastgestelde verschil in concurrentievermogen tussen ontvangende ACS-landen en andere derde landen die bananen leveren, en met het belang dat de bananenteelt in de economie van het betrokken land heeft (Verordening van de Commissie nr. 1609/1999 (1)).
De Commissie meet het concurrentievermogen van de hand van het verschil tussen de gemiddelde cif-prijs (kosten, verzekering, vracht) van bananen uit een derde land en de gemiddelde prijs van bananen van elk ACS-land aan de grenzen van de Europese Unie. Deze cijfers worden door Eurostat erkend. De gegevens worden ontleend aan de douaneverklaringen van importeurs in de lidstaten. Helaas blijkt dat de cijfers niet beantwoorden aan een uniforme definitie, met ernstige fouten als gevolg.
Zelfs bananen uit een zelfde plaats van oorsprong hebben in elke lidstaat een sterk verschillende cif-waarde, terwijl in andere lidstaten alle bananen dezelfde cif-waarde hebben. Door dit gebrek aan harmonisatie hanteert de Commissie een inadequaat instrument om het concurrentievermogen van de bananen leverende ACS-landen te meten, waardoor grote bedragen aan door de Raad en het Parlement gewenste steun teloor gaan.
Kan de Europese Commissie toelichten wat het vastgestelde verband is tussen de marktwaarde van bananen en het concurrentievermogen? Zou het concurrentievermogen van de bananen geen doeltreffender maatstaf zijn als de kosten van de productie van bananen in aanmerking werden genomen? Kan Commissie verzekeren dat zij het concurrentievermogen van bananen uit ACS-landen zal meten aan de hand van de reële cif-prijs (kosten, verzekering, vracht) en niet vastgesteld op grond van de marktprijs, en overweegt zij alles in het werk te stellen om de vastgestelde onbillijkheid weg te nemen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(21 oktober 2003)
Zoals de geachte Afgevaardigde terecht opmerkt, worden de individuele hoeveelheden die jaarlijks aan elke traditionele bananenleverancier uit Staten in Afrika, het Caraïbische gebied en het gebied van de Stille Oceaan (ACS) worden toegewezen, berekend overeenkomstig de criteria van Verordening (EG) nr. 1609/1999 van de Commissie (2). Met name de cif-prijs (kosten, verzekering en vracht) uit de statistieken van Eurostat wordt gebruikt als referentiepunt voor de meting van het verschil in concurrentievermogen tussen de leveranciers uit de ACS-landen en die uit derde landen. Die cijfers worden, indien voorhanden, verzameld door de douaneautoriteiten van elke lidstaat, overeenkomstig de in de aangifte voor het vrije verkeer aangegeven waarden. Aangezien voor bananen geen ad-valoremrechten gelden, worden de waarden aangegeven voor statistische en BTW-doeleinden en zijn zij gebaseerd op de douanewaarde, overeenkomstig het bepaalde in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1917/2000 van de Commissie (3). De mogelijke variaties in de statistische waarden die in verschillende lidstaten worden genoteerd, zijn hoogstwaarschijnlijk het gevolg van variaties van de betrokken gegevens waarover de administraties beschikken bij gebrek aan cif-prijzen voor de goederen. Bij het in het vrije verkeer brengen van de goederen is de werkelijke prijs namelijk niet altijd beschikbaar. Weliswaar moeten de inspanningen om uiteindelijk tot volledige harmonisatie te komen worden voortgezet, maar de verschillende praktijken zijn in overeenstemming met de geldende bepalingen.
Aangezien de Commissie de criteria uniform en eerlijk toepast, verwerpt zij de kritiek dat „grote bedragen aan steun teloor gaan”.
Wat de mogelijke metingen van het concurrentievermogen van bananen betreft, zijn er wellicht betere referentiepunten te vinden dan de cif-prijzen. De geachte Afgevaardigde noemt de productiekosten als het meest geschikte instrument. Ten tijde van de opstelling van de verordening van de Commissie zijn er echter geen andere gegevens gevonden die tegelijk aan alle criteria, namelijk beschikbaarheid, betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid, voldeden, en dat geldt tot op de dag van vandaag.
(1) PB L 190 van 23.7.1999, blz. 14.
(2) Verordening (EG) nr. 1609/1999 van de Commissie van 22 juli 1999 tot vaststelling van gedetailleerde bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 856/1999 van de Raad tot instelling van een bijzondere kaderregeling voor bijstand ten behoeve van de traditionele ACS- leveranciers van bananen, PB L 190 van 23.7.1999.
(3) Verordening (EG) nr. 1917/2000 van de Commissie van 7 september 2000 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad wat de statistiek van de buitenlandse handel betreft, PB L 229 van 9.9.2000.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/114 |
(2004/C 88 E/0120)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2775/03
van Jules Maaten (ELDR) aan de Commissie
(16 september 2003)
Betreft: Onrechtmatige gevangenhouding EU-onderdaan in Thailand
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat de Nederlander Machiei Kuijt, nadat hij door het Thaise gerechtshof is vrijgesproken van de beschuldiging betrokken te zijn bij drugssmokkel, nog steeds wordt vastgehouden? |
|
2. |
Deelt de Commissie de mening dat het strijdig is met het gelijkheidsbeginsel dat een Italiaanse medeverdachte van de heer Kuijt, die eveneens werd vrijgesproken, wel in afwachting van hoger beroep Thailand mocht verlaten? Deelt de Commissie eveneens de mening dat het een slechte zaak is dat twee EU-burgers door een bevriende mogendheid ongelijk worden behandeld? |
|
3. |
Deelt de Commissie de mening dat de Thaise autoriteiten, door de heer Kuijt vrijlating op borg te weigeren, de verplichtingen van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij Thailand sinds 1997 partij is, niet nakomt? |
|
4. |
Is de Commissie van plan bovengenoemde zaken aan de orde te stellen bij de vertegenwoordiger van Thailand bij de EU? |
|
5. |
Is de Commissie bereid eventueel sancties te overwegen om de Thaise autoriteiten ervan te overtuigen dat verder detentie van de heer Kuijt in afwachting van hoger beroep in strijd is met de international verdragen? En zo ja, welke? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 oktober 2003)
De Commissie volgt de zaak van de heer Machiei Kuijt in Thailand via haar delegatie in Bangkok.
De Commissie meent dat de bevoegdheid om stappen te ondernemen in het geval van de heer Kuijt in eerste instantie bij de Nederlandse autoriteiten ligt.
De Commissie mengt zich niet in consulaire kwesties en neemt hierover geen standpunt in behalve in de context van een eerder met de lidstaten overeengekomen démarche van de Unie.
De Commissie zou het geachte parlementslid dan ook willen voorstellen deze zaak in de eerste plaats aan de orde te stellen bij de Nederlandse regering.
De Commissie zal deze zaak samen met de diplomatieke missies van de lidstaten in Thailand blijven volgen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/115 |
(2004/C 88 E/0121)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2784/03
van Cristiana Muscardini (UEN), Antonio Mussa (UEN) en Adriana Poli Bortone (UEN) aan de Commissie
(17 september 2003)
Betreft: Verkiezingen in Albanië
In Albanië worden op 10 oktober 2003 parlementsverkiezingen gehouden. Om de verkiezingen inzichtelijker te maken en een hervorming daarvan te bestuderen heeft de OESO uitdrukkelijk de wens uitgesproken dat het nationale kiescomité de politieke situatie van het land weerspiegelt en is samengesteld uit gelijke aantallen leden van de meerderheid en van de oppositie (3 + 3).
Kan de Commissie de volgende vragen beantwoorden:
|
1. |
Weet zij dat dit kiescomité nu bestaat uit vijf leden van de huidige socialistische meerderheid en slechts twee leden van de democratische oppositie? |
|
2. |
Is zij niet van mening dat de huidige samenstelling van dit comité onbillijk is en ernstige verdenking van partijdigheid doet rijzen? |
|
3. |
Moet er geen observatiepost in het leven worden geroepen die toeziet op het verloop van de verkiezingen op 10 oktober? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(27 oktober 2003)
Op 12 oktober 2003 hebben er in Albanië plaatselijke verkiezingen plaatsgevonden.
De Commissie heeft nauwlettend toegezien op de voorbereiding en het verloop van deze verkiezingen. Volgens de voorlopige conclusies van de Internationale Verkiezingswaarnemingsmissie betekenen deze verkiezingen verdere vooruitgang wat het naleven van de normen van de OESO en de Raad van Europa en andere internationale normen voor democratische verkiezingen betreft. Op een aantal gebieden zijn er evenwel nog tekortkomingen vastgesteld die moeten worden verholpen, met name met betrekking tot de kiezerslijsten, die problematisch blijven, en een aantal organisatorische vraagstukken.
De Commissie is op de hoogte van de klachten van de oppositie over de samenstelling van en het politieke evenwicht binnen de centrale kiescommissie. Niettemin wijst de de Internationale Verkiezingswaarnemingsmissie er in haar voorlopige conclusies erop dat, ondanks heftige strijd over een beweerd gebrek aan politiek evenwicht, de centrale kiescommissie de verkiezingen over het algemeen op een professionele, doorzichtige en onpartijdige manier heeft geleid.
De de Internationale Verkiezingswaarnemingsmissie, de Commissie en andere betrokkenen in het veld zullen blijven toezien op het vervolg van de verkiezingen en bijzondere aandacht schenken aan de voltooiing van het tellen, het opstellen van de lijsten van verkozenen, de publicatie van de uitkomsten en de behandeling van klachten en beroepsprocedures. Bovendien zal de Commissie Albanië ertoe aansporen de bij deze verkiezingen vastgestelde tekortkomingen nog ruim voor de volgende parlementsverkiezingen te verhelpen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/116 |
(2004/C 88 E/0122)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2804/03
van Elisabeth Jeggle (PPE-DE) aan de Commissie
(19 september 2003)
Betreft: AsiaUrbs. Contractnummer Ala/95-21-b7-3010/39
De stad Schelklingen, partner van de Europese Commissie in het bovengenoemde ontwikkelingshulpproject met de Filipijnse stad Cagaya de Oro, kan niet langer beschikken over de oorspronkelijk geplande accountant voor het project. Hij zou kosteloos gewerkt hebben omdat het de toezichtsautoriteit van de stad Schelklingen betrof.
De stad Schelklingen moet nu een nieuwe accountant zoeken resp. opdracht geven. De kosten hiervoor belopen volgens eerste schattingen ca. 15 000 EUR per accountantsonderzoek. Voor de drie contractueel bepaalde accountantsonderzoeken zou dit neerkomen op 45 000 EUR. Omdat dit geld niet was begroot, anderzijds niet uit de gemeentekas kan komen, moet het nu bespaard worden op de projecten zelf.
Naar aanleiding hiervan de volgende vragen:
|
1. |
Kan de Commissie de stad Schelklingen een gunstig, onbureaucratisch voorstel doen, hoe de drie accountantsonderzoeken kunnen worden verricht zonder dat ten koste gaat van het project? |
|
2. |
Kan de Commissie de ontstane accountantskosten achteraf toekennen? |
|
3. |
Staat de Commissie toe dat de nodige middelen voor de accountantsonderzoeken uit de projecten worden gefinancierd? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(23 oktober 2003)
|
1. |
Volgens de procedures van de Commissie die voor dit subsidiecontract gelden, moeten de projectrekeningen jaarlijks worden gecontroleerd. Het desbetreffende accountantskantoor moet onafhankelijk zijn, en mag niet een interne dienst van de stad betreffen. De stad Schelklingen wordt verzocht de Commissie op de hoogte te brengen van de voorgestelde verandering (inclusief naam, adres en rechtspositie van substituut), alvorens het nieuwe accountantskantoor aan te trekken. |
|
2. |
Voor een verhoging van het in het contract vastgestelde budget voor accountantsonderzoek moet er aan de Commissie een verzoek tot wijziging van het budget toegezonden worden, dat zij moet goedkeuren voordat er wijzigingen in aangebracht kunnen worden. De wijziging kan neerkomen op een herschikking van de middelen die bijvoorbeeld van onvoorziene kosten naar de kosten voor accountantsonderzoek gaan. In de „Algemene voorwaarden” is bepaald onder welke voorwaarden een budget herschikt mag worden. |
|
3. |
Ja, al kan er, zoals hiervoor is verklaard, een verandering van het budget nodig zijn. De begunstigde moet bij de Commissie een gedetailleerd verzoek tot wijziging van de begroting indienen. In dit wijzigingsverzoek moeten de gewijzigde posten voor de kosten van het accountantsonderzoek vermeld worden. Bovendien moet met cijfers aangegeven worden welke posten verlaagd worden om de herschikking van de middelen mogelijk te maken. De wijzigingen mogen er niet toe leiden dat het in het subsidiecontract vastgelegde eindresultaat van het project gevaar loopt. De begunstigde wordt verzocht contact op te nemen met de bevoegde Commissiediensten indien hij verdere hulp in deze aangelegenheid nodig heeft. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/117 |
(2004/C 88 E/0123)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2815/03
van Glyn Ford (PSE) aan de Commissie
(19 september 2003)
Betreft: Arrestatie en opsluiting van dominee Rinaldy Damanik in centraal Sulawesi, Indonesië
Ik heb verscheidene bezorgde brieven ontvangen inzake de arrestatie van dominee Rinaldy Damanik, een voorman van de protestant-christelijke gemeenschap in centraal Sulawesi, Indonesië. Beschikt de Commissie over enige aanvullende informatie omtrent zijn huidige situatie en zijn er plannen om de zaak te onderzoeken?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(15 oktober 2003)
De Commissie volgt met aandacht de zaak van dominee Rinaldy Damanik, die is beschuldigd van illegaal wapenbezit. Volgens het Verband van protestantse kerken in Jakarta (PGI) is de zaak tegen de dominee opgezet spel. Aangezien beroep is aangetekend tegen het vonnis van drie jaar wegens illegaal wapenbezit, en aangezien de zaak nog hangende is, zijn de mogelijkheden om te protesteren uiterst beperkt.
De delegatie van de Commissie in Jakarta volgt de zaak op de voet. Zij heeft contact opgenomen met de advocaat van de dominee, de heer Johnson Panjaitan, voor nieuwe informatie over het verzoek van de dominee om te worden vrijgelaten of tijdens de beroepsprocedure onder huisarrest te worden geplaatst. De autoriteiten hebben nog niet op dat verzoek gereageerd, ondanks het feit dat de rechtsgrond voor de detentie van de dominee is vervallen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/117 |
(2004/C 88 E/0124)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2854/03
van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE) aan de Commissie
(18 september 2003)
Betreft: MEDA-programma en vrouwen
In de plenaire vergadering van februari 2003 heeft Commissaris Christopher Patten op mijn vraag over de uitvoering van het Eerste Regionaal Programma voor de deelname van de vrouwen aan het economisch en maatschappelijk leven en de economische en maatschappelijke ontwikkeling, verklaard dat dit programma in 2004 zou starten na afronding van de fase van onderzoek en voorbereiding in april-mei 2003.
Kan de Commissie mij zeggen waarom er vertragingen zijn in dit tijdschema? In welke fase zit de uitwerking van dit programma, aangezien er tot nu toe geen uitnodiging tot inschrijving is gepubliceerd? Zullen deze uitnodigingen onverwijld worden gepubliceerd zodat het programma zoals voorzien in 2004 van start kan gaan?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(5 november 2003)
De identificatie/formuleringsfase waarin wordt bepaald welke samenwerkingsgebieden priorititeit krijgen bij de tenuitvoerlegging van dit belangrijke regionale programma dat beoogt vrouwen meer te betrekken bij de economische ontwikkeling van de MEDA regio ging in december 2002 van start en werd afgerond in augustus 2003.
De volgende stap is de presentatie van het programma aan het MED-comité. Nadat een besluit is genomen (verwacht wordt het eerste kwartaal van 2004) zal een oproep tot het indienen van voorstellen worden bekendgemaakt.
De informatie zal worden verstrekt op de EuropeAid Web site: http://europa.eu.int/comm/europeaid/tender/indexen.htm
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/118 |
(2004/C 88 E/0125)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2884/03
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(29 september 2003)
Betreft: Vervolging van christenen in Egypte
Is de Commissie op de hoogte van de recente aanhouding op de luchthaven van Caïro van twee Egyptische christenen, Malak Cuiriguis Fahmay en zijn echtgenote Sarah Mikhail Lahzy (vroeger Naglaa Hussein Ibrahim genaamd), een bekeerlinge tot de christelijke godsdienst? Laatstgenoemde werd aangehouden omdat ze haar identiteitskaart zou hebben vervalst om uiting te geven aan haar nieuwe identiteit als christen. De Egyptische instanties willen namelijk beletten dat islamieten die zich tot het christendom bekeren, hun naam en godsdienst wijzigen op officiële identiteitspapieren. Beschouwt de Commissie een dergelijke beleidsmaatregel als een fundamentele schending van de mensenrechten, en zo ja, heeft de Commissie de Egyptische regering hierover aangesproken, en heeft zij daarbij eveneens de aanhoudingen op de luchthaven en de behandeling van de beschuldigden aangekaart?
Is de Commissie ook op de hoogte van de bezorgdheid van de koptische gemeenschap in Egypte over de systematische intimidatie van haar leden en over het feit dat regering noch politie de nodige bescherming kunnen bieden aan deze gemeenschap, wat blijkt uit het tragische voorbeeld van de moord op 21 christenen in El-Kosheh in januari 2000? Zo ja, heeft de Commissie al met de Egyptische regering gesproken over de veiligheid van de koptische gemeenschap in Egypte?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(21 oktober 2003)
In eerdere antwoorden op de schriftelijke vragen E-2086/03 van mevrouw Kinnock (1) en E-2557/03 van de heer Evans (2) heeft de Commissie bevestigd op de hoogte te zijn van de problemen waarmee de Egyptische christelijke gemeenschap te kampen heeft, en in het bijzonder van de problemen van Malak Cuirguis Fahmay en zijn echtgenote Sarah Mikhail Lhazy, die ervan werden beschuldigd de identiteitspapieren van laatstgenoemde te hebben vervalst om uiting te geven aan haar nieuwe geloof. De Commissie heeft begrepen dat het Strafhof van Noord-Cairo hun zaak eind oktober 2003 zal onderzoeken.
De Commissie heeft samen met de ambassades van de lidstaten in Cairo diverse malen protest aangetekend bij de Egyptische regering over mensenrechtenaangelegenheden waarbij de Egyptische koptische gemeenschap betrokken is. Het geachte parlementslid kan ervan verzekerd zijn dat de Commissie hun zaak verder zal blijven volgen en te gelegener tijd een en ander bij de Egyptische autoriteiten aan de orde zal stellen.
(1) Zie blz. 65.
(2) PB C 51 E van 26.2.2004, blz. 257.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/118 |
(2004/C 88 E/0126)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2889/03
van Samuli Pohjamo (ELDR) en Mikko Pesälä (ELDR) aan de Commissie
(29 september 2003)
Betreft: Vaststelling van een minimum invoerprijs en invoerheffingen voor Noorse zalm en regenboogforel
De kweek van zalm en regenboogforel in Noorwegen, die de laatste jaren op ongecontroleerde wijze is gegroeid, heeft geleid tot een aanzienlijke overproductie, problemen met de winstgevendheid en een golf van faillissementen van Noorse viskwekerijen. Het dumpen van in netten gekweekte zalm op de EU-markt voor de helft van de productiekosten is goedkoper dan het betalen van de kosten voor het opruimen van de overproductie in Noorwegen. Tevens vormen de zalmen die regelmatig uit Noorse viskwekerijen ontsnappen een bedreiging voor onder meer de waardevolle wilde zalmstand in de rivier de Tenojoki.
De EU staat op dit moment machteloos tegenover de toevloed aan ingevoerde zalm, omdat de minimum invoerprijs voor zalm is afgeschaft en omdat een minimumprijs voor regenboogforel nog slechts in de ontwerpfase verkeert.
De productiekosten van zalm in Noorwegen bedragen 3,25 EUR/kg. Uit de jongste cijfers blijkt dat de prijzen in Finland duidelijk lager waren: eind juli van dit jaar bedroeg de invoerprijs van Noorse zalm 1,98 EUR/kg en van regenboogforel 2,70 EUR/kg.
Eind juli van dit jaar was in Finland 6,4 miljoen kilo Noorse zalm en 4,4 miljoen kilo regenboogforel ingevoerd. Vergeleken met vorig jaar betekende dit voor zalm een stijging van 42 % en voor regenboogforel van 144 %. In Finland wordt per jaar 15 miljoen kilo regenboogforel geproduceerd. Jaarlijks wordt door Finse vissers in totaal 1 miljoen kilo zalm uit de Oostzee en de Tenojoki gevangen.
De prijs van ingevoerde zalm, die duidelijk lager ligt dan de productiekosten, leidt de Finse productie van regenboogforel in snel tempo naar de afgrond. Bovendien dwingt de ingevoerde zalm tot de vaststelling van onrealistische prijzen voor wilde zalm en maakt het daarmee Finse vissers bijna onmogelijk hun beroep uit te oefenen.
Is de Commissie voornemens opnieuw een minimuminvoerprijs voor Noorse zalm in te voeren en voor regenboogforel een minimuminvoerprijs vast te stellen die even hoog of hoger is dan de productiekosten? Is zij bovendien voornemens voor regenboogforel een heffing vast te stellen op de invoer naar de Europese Unie?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(4 november 2003)
Daar de vraag van de geachte parlementsleden twee verschillende antidumping/antisubsidieprocedures betreft, zal de Commissie voor elke procedure apart antwoord geven.
Gekweekte Atlantische zalm:
|
— |
Wat betreft gekweekte Atlantische zalm uit Noorwegen is de Commissie nauwlettend toezicht blijven houden op de EG-markt, ondanks het feit dat de antidumping- en antisubsidiemaatregelen voor dit product in mei 2003 zijn afgeschaft. De Commissie is zich ervan bewust dat de situatie sinds de beëindiging van de maatregelen verslechterd is. Volgens de meest recente officiële cijfers lopen de prijzen van Noorse gekweekte Atlantische zalm bij uitvoer naar de Gemeenschap echter weer op. Het valt echter te bezien of deze stijgende lijn ook zal doorzetten. |
|
— |
Wat betreft de hernieuwde instelling van een minimumprijs voor Noorse zalm, zoals de geachte parlementsleden voorstellen, moet worden opgemerkt dat beëindiging van de antidumping- en antisubsidiemaatregelen betekent dat er op korte termijn geen procedureel kader voor een dergelijke actie bestaat. De WTO-leden zijn tot een „understanding” gekomen dat een nieuwe antidumpingprocedure eerst één jaar na beëindiging van de voorafgaande maatregelen kan worden ingeleid. Een klacht inzake dumping zou ook een passende onderbouwing vereisen en onder andere moeten laten zien dat de omstandigheden op basis waarvan de maatregelen werden beëindigd zijn veranderd en dat er bewijsmateriaal is inzake schadeveroorzakende dumping. |
|
— |
Daarnaast moet worden herinnerd aan het feit dat de Commissie toezicht- en vrijwaringsmaatregelen kan nemen in het kader van Verordening (EG) nr. 3285/94 van de Raad van 22 december 1994 betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling (1), als de invoer van een product 1) plotseling significant toeneemt en 2) ernstige schade toebrengt of dreigt toe te brengen aan producenten in de Gemeenschap. De Commissie is op de hoogte van de besprekingen over dit onderwerp in bepaalde lidstaten. |
|
— |
De kwestie van gekweekte Atlantische zalm die ontsnapt uit de kwekerijen en in de natuur terechtkomt valt niet onder de normale commerciële aspecten van de antidumpingprocedures. De zorgen over de rivier de Teno zijn echter bekend bij de Commissie. De Commissie heeft twee jaar geleden een bijdrage geleverd aan bilaterale besprekingen tussen Finland en Noorwegen over dit onderwerp. Daarnaast heeft de organisatie voor de instandhouding van de zalm in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan (NASCO), waar zowel de Unie als Noorwegen deel van uitmaken, sinds 1994 een aantal resoluties over dit onderwerp aangenomen. Deze omvatten onder andere richtsnoeren voor het houden van gekweekte zalm, goedgekeurd in juni 2001. Noorwegen heeft in maart 2003 aan de NASCO verslag gedaan van zijn aanpak van de implementatie van deze resoluties en verklaart dat het richtsnoeren voor het houden van gekweekte zalm opstelt en dat deze in het jaar 2003 besproken zouden worden. Ook werd verslag gedaan van de eerste fase van de nieuwe regelingen, waarin beschermde zones voor Atlantische zalm werden vastgelegd. In de regeling die het Noorse parlement op 25 februari 2003 heeft aangenomen wordt de rivier de Teno genoemd als een van de 37 rivieren waar de zalm en zijn habitat prioriteit krijgen boven alle activiteiten die daar schade aan zouden kunnen toebrengen. |
Grote regenboogforel:
|
— |
Uit de voorlopige resultaten van het antidumpingonderzoek van de Commissie blijkt dat grote regenboogforel uit Noorwegen tegen schadeveroorzakende dumpingprijzen in de Gemeenschap wordt ingevoerd en dat het in het belang van de Gemeenschap is maatregelen te nemen. |
|
— |
Dienovereenkomstig heeft de Commissie op dit terrein al maatregelen getroffen door een voorlopig antidumpingrecht van 21,4 % in te stellen bij Verordening (EG) nr. 1628/2003 van 17 september 2003 tot instelling van voorlopige antidumpingrechten op grote regenboogforellen uit Noorwegen en de Faeröer (2), die in werking trad op 19 september 2003. |
|
— |
Deze zaak zal verder onderzocht worden en de geachte parlementsleden kunnen erop vertrouwen dat, indien schadeveroorzakende dumping wordt geconstateerd en er geen dwingende redenen zijn om geen actie te ondernemen, de Commissie definitieve maatregelen zal voorstellen aan de Raad. In dat geval zullen definitieve antidumpingrechten moeten worden ingesteld overeenkomstig recente jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie (3). |
(1) PB L 349 van 31.12.1994, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2474/2000 van 9 november 2000 ter vaststelling, overeenkomstig artikel 1(7) van Verordening (EEG) nr. 3030/93, van de lijst van textiel- en kledingproducten die op 1 januari 2002 in de GATT 1994 geïntegreerd dienen te worden en tot wijziging van Bijlage X bij Verordening (EEG) nr. 3030/93 en Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 3285/94, PB L 286 van 11.11.2000.
(3) Zaak C-76/01 P, Vonnis van het Hof van 30 september 2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/120 |
(2004/C 88 E/0127)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2919/03
van Marco Cappato (Nl) en Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(2 oktober 2003)
Betreft: Het geval van de Italiaan Maurizio Trotta, die in Roemenië in hechtenis zit
Maurizio Trotta, Italiaans onderdaan en inwoner van Reggio Emilia, is op 2 augustus 2002 in Roemenië gearresteerd op beschuldiging van internationale drugshandel, omdat hij 11 gram hasjiesj in zijn bezit had, die in zijn huurwoning in Craiova zijn gevonden.
Maurizio Trotta, die sedert zijn arrestatie in de gevangenis van Craiova zit, is tijdens een proces in eerste aanleg tot twee jaar gevangenis veroordeeld, aangezien de aanklacht van internationale drugshandel waarop maximaal 25 jaar gevangenisstraf staat, is ingetrokken.
Na zijn veroordeling tot twee jaar zou Maurizio Trotta wegens goed gedrag in december 2003 in vrijheid moeten worden gesteld, maar omdat het openbaar ministerie tegen de uitspraak in beroep is gegaan, is het proces opnieuw van start gegaan. Het is dan ook volkomen onzeker wanneer het tot een vonnis komt en in de tussentijd blijft Maurizio Trotta in hechtenis.
Inmiddels geeft de familie Trotta veel geld uit voor het op en neer reizen naar Roemenië en voor het honorarium van de Italiaanse advocaat Liborio Catagliotti en diverse Roemeense advocaten, die tijdens het proces steeds werden vervangen.
Tevens hebben wij vernomen dat tijdens deze hele affaire, waarvan de afloop nog lang niet duidelijk is, noch qua tijdsduur noch qua vonnis, personen van de situatie trachten te profiteren door in strijd met de wet hoge geldbedragen te eisen.
Kan de Commissie, na bij de Roemeense autoriteiten de nodige inlichtingen te hebben ingewonnen, mededelen of in deze zaak, in het licht van de communautaire verdragen, geen sprake is van schendingen van de mensenrechten?
Kan de Commissie mededelen hoe de Roemeense autoriteiten eventueel reageren en welke initiatieven eventueel kunnen worden ontplooid?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(14 november 2003)
De Commissie is niet bij machte om individuele, bij de nationale rechtbanken aanhangige zaken te beoordelen. Dergelijke gevallen vallen onder de uitsluitende bevoegdheid van de rechterlijke macht en de Commissie kan en mag niet in dergelijke activiteiten tussenbeide komen. Zij wijst erop dat wanneer iemand, in een staat die het Europese Verdrag voor de rechten van de mens heeft geratificeerd, van mening is dat zijn humanitaire rechten zijn geschonden, bijvoorbeeld wat artikel 6 betreft (recht op een eerlijk proces), hij, nadat alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput, een beroep kan instellen bij het Europees Hof voor de rechten van de mens.
De Commissie heeft onlangs bij het Roemeense ministerie van justitie informatie ingewonnen met betrekking tot het door de geachte parlementsleden aan de orde gestelde geval. Uit deze informatie blijkt dat Maurizio Trotta na te zijn gearresteerd op 2 augustus 2002 in voorlopige hechtenis is genomen. Hij werd op 26 augustus 2002 formeel beschuldigd door het Openbaar Ministerie bij Rechtbank van Dolj en er werd op grond van de invoer van drugs in het land, de handel in drugs en het illegale bezit van drugs vervolging tegen hem ingesteld. Van de eerste twee beschuldigingen werd hij op 9 juli 2003 door de rechtbank vrijgesproken, maar wel schuldig geacht aan het onrechtmatig bezit van drugs en tot twee jaar gevangenis veroordeeld. Naar aanleiding van het beroep door het Openbaar Ministerie werd het vonnis van de heer Trotta op 25 september 2003 door het Hof van Beroep in Craiova op vijf jaar gebracht, waarbij hem de invoer van drugs in het land, handel in drugs en onrechtmatig bezit van drugs ten laste werd gelegd.
Ingevolge de desbetreffende Roemeense wetgeving op het gebied van drugs, met name Wet 143 betreffende de illegale handel en het illegale gebruik van drugs die op 26 juli 2000 werd goedgekeurd en door de Wetten 169/2002 en 39/2003, gewijzigd is, worden cannabisplanten (Cannabis sativa), cannabisbladeren (marijuana), cannabishars (hasjies) en cannabisolie in appendix 3 ingedeeld onder „gevaarlijke” drugs. In artikel 3, lid 1, is bepaald dat op het in Roemenië binnenbrengen van „gevaarlijke” drugs 10 à 20 jaar gevangenisstraf staat, volgens artikel 2, lid 1, staat op de handel in „gevaarlijke” drugs 3 à 15 jaar en volgens artikel 4 2 à 5 jaar gevangenisstraf voor het onrechtmatig bezitten van alle drugs.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/121 |
(2004/C 88 E/0128)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2922/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(2 oktober 2003)
Betreft: Handelssancties tegen Birma
Na de arrestatie van Aung San Suu Kyi en enkele van haar aanhangers eerder dit jaar, wordt met harde hand opgetreden tegen de democratische beweging van het Birmese volk. De Birmese militaire junta mishandelt en doodt democratische activisten en hun aanhangers ondanks het verzoek van de EU om Aung San Suu Kyi vrij te laten. Naar verluidt komen de militaire leiders ook regelmatig de EU binnen zonder visum, ondanks de sancties die door de EU worden opgelegd.
Meent de Commissie niet dat het sanctiebeleid van de EU ten aanzien van Birma, gezien de voortdurende onverschilligheid van de junta, niet efficiënt genoeg aan de militaire leiders te kennen geeft dat dergelijke vervolgingen in een beschaafde wereld niet worden geduld en dat het voortzetten van de handelssancties, zoals de VS heeft gedaan de voorbije vijf jaar, moet worden overwogen? Zo niet, waarom niet?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(27 oktober 2003)
De Commissie heeft bij verscheidene gelegenheid haar ernstige bezorgdheid uitgesproken over de mensenrechtensituatie in Birma en de voortdurende intimidatie van de democratische krachten in dat land.
In antwoord op de verslechterende politieke toestand in Birma heeft de Unie in april 2003 (1) besloten haar gemeenschappelijk standpunt inzake Birma te verharden. Voorts werd besloten de tenuitvoerlegging van bijkomende sancties tegen de militaire leiders en hun meest directe aanhangers naderbij te brengen na de aanvallen op Daw Aung San Suu Kyi en haar aanhangers, eind mei 2003.
De Commissie is momenteel bezig met een evaluatie van de gevolgen van de huidige EU-sancties tegen het Birmese bewind en onderzoekt de mogelijkheden van aanvullende maatregelen indien de toestand niet verbetert. Bij haar onderzoek van het toepassingsgebied van strengere sancties door de Unie, zal de Commissie nauwlettend toezien op de mogelijke gevolgen van specifieke sancties, zoals de economische sancties van de Verenigde Staten, voor de bevolking van Birma. Beslissingen aangaande verdere sancties zullen door de Raad worden genomen nadat zij zich verzekerd heeft van de steun van alle lidstaten en de Commissie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/122 |
(2004/C 88 E/0129)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2934/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(6 oktober 2003)
Betreft: Cuba — Spaans Cultureel Centrum
Volgens de pers is het Spaans Cultureel Centrum in Havana in Cubaanse overheidshanden overgegaan, negentig dagen nadat de autoriteiten van dit land de bilaterale overeenkomst inzake deze instelling hadden opgezegd.
Deze gebeurtenis wordt opgevat als een represaille van de kant van de Cubaanse autoriteiten voor de maatregelen die de Europese Unie op 5 juni jl. tegen Cuba heeft getroffen.
Kan de Commissie in het licht van het voorafgaande mededelen:
|
— |
Over welke informatie zij in deze beschikt? |
|
— |
Welke stappen de delegatie van de Europese Commissie bij de Cubaanse autoriteiten heeft ondernomen teneinde te voorkomen dat het Spaans Cultureel Centrum genationaliseerd wordt? |
|
— |
Hoe zij de recente standpunten van Cuba kwalificeert? |
|
— |
Welke maatregelen zij van zins is te nemen om de situatie van het Spaans Cultureel Centrum terug te draaien en gelijksoortige gebeurtenissen in de toekomst te voorkomen? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(17 november 2003)
Spanje heeft de andere lidstaten en de Commissie in kennis gesteld van de beslissing van de Cubaanse autoriteiten om de bilaterale overeenkomst betreffende het Spaans Cultureel Centrum in Havana op te zeggen. Deze beslissing werd bekendgemaakt in een publieke verklaring van de Cubaanse Minister van Buitenlandse Zaken op 11 juni 2003, na de verklaring van de Unie van 5 juni 2003 betreffende Cuba.
Het komt toe aan Spanje te onderzoeken welke stappen het wenst te ondernemen, met inbegrip van de mogelijkheid om een juridische procedure op grond van deze unilaterale breuk van de overeenkomst te starten.
In de conclusies die de Europese Raad op 19 en 20 juni 2003 in Thessaloniki over Cuba heeft aangenomen, wordt verwezen naar de maatregelen die de Unie op 5 juni 2003 heeft aangekondigd en wordt gesteld dat het gedrag van de Cubaanse autoriteiten ten aanzien van de Unie en haar lidstaten onaanvaardbaar is. Dat gedrag werd eveneens betreurd en volledig verworpen in de conclusies van de Raad over de reëvaluatie van het gemeenschappelijk standpunt betreffende Cuba in juli 2003.
In het licht van deze gebeurtenis zijn de lidstaten en de Commissie overeengekomen zeer nauw samen te werken bij de tenuitvoerlegging van alle maatregelen die op 5 juni 2003 zijn vastgesteld en bekendgemaakt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/123 |
(2004/C 88 E/0130)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2953/03
van Maurizio Turco (NI) en Marco Cappato (NI) aan de Commissie
(8 oktober 2003)
Betreft: Veroordeling tot de dood door steniging
Jibrin Babaji, een Nigeriaans staatsburger van 20 jaar, is veroordeeld tot de dood door steniging op beschuldiging van seksuele betrekkingen met drie minderjarige jongens. De veroordeling is uitgesproken op dinsdag 23 september 2003 door een islamitische rechtbank van de deelstaat Bauchi op basis van het strafrecht van de Sharia.
Beschikt de Commissie over nadere informatie dienaangaande? Wat is zij, in het kader van het Europees beleid ter bevordering van een moratorium voor de doodstraf op wereldschaal, van plan om te voorkomen dat de doodstraf in dit geval wordt uitgevoerd?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(21 november 2003)
De Commissie volgt de beroepsprocedures tegen doodvonnissen van de sharia-rechtbanken op de voet. Het is een goed teken dat in een aantal recente gevallen die veel media-aandacht hebben gekregen, de veroordeelden in beroep werden vrijgesproken (Amina Lawal in Katsina en Safiya Husseini in Sokoto). De Commissie is op de hoogte van het geval van Jibril Babaji en wacht momenteel op meer gedetailleerde informatie van de hoofden van missie in Abuja.
De Commissie is volledig gekant tegen de doodstraf. In de landen waar de doodstraf nog bestaat, pleit de Unie voor een geleidelijke beperking, en waar mogelijk voor de invoering van een moratorium. In Nigeria heeft de trojka op 12 februari 2002 een demarche in verband met de toepassing van de doodstraf gedaan.
De Commissie moedigt voorts regeringen aan de internationale normen op het gebied van de mensenrechten na te leven en de burgerlijke vrijheden zonder discriminatie in acht te nemen. De Commissie streeft ernaar dat er een einde wordt gesteld aan de praktijk van openbare en bijzonder wreedaardige executies die in sommige landen bestaat.
In verschillende conclusies van de Raad in verband met Nigeria wordt politieke dialoog aangemerkt als een constructief mechanisme om mensenrechtenkwesties en het thema van de doodstraf aan te kaarten. De Commissie zal zich voorts laten leiden door de Overeenkomst van Cotonou, waarvan de eerbiediging van de mensenrechten een essentieel element vormt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/123 |
(2004/C 88 E/0131)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2955/03
van Maurizio Turco (NI) en Marco Cappato (NI) aan de Commissie
(8 oktober 2003)
Betreft: Zoveelste geval van vervolging van homoseksuelen in Egypte
Het Europees Parlement heeft herhaaldelijk zijn diepe afkeer uitgesproken voor de vervolgingscampagne tegen de homoseksuelen in Egypte en heeft bij Raad en Commissie aangedrongen op concrete en progressieve maatregelen ten aanzien van de Egyptische autoriteiten. Op 28 augustus 2003 zou de politie van Cairo 62 vermoedelijke homoseksuele mannen bij een razzia op de brug van Qsr el Nil hebben omsingeld, beschimpt en gearresteerd. Na drie dagen te zijn opgesloten zijn ze onder beschuldiging gesteld op grond van zedeloosheid. Zij werden gedwongen een schuldigverklaring te ondertekenen en hun verblijfplaats te vermelden, waarna zij weer werden vrijgelaten. De zaak dient in november en december 2003.
Is de Commissie op de hoogte van die arrestaties. Is zij van plan concrete en progressieve maatregelen te nemen ten aanzien van Egypte, zoals het Parlement herhaaldelijk heeft gevraagd, wegens de al jaren aanslepende ernstige vervolgingen tegen homoseksuelen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(5 november 2003)
De Commissie heeft zorgvuldig toezicht gehouden op mogelijke gevallen van vervolging van homoseksuelen in Egypte. Gevolg gevend aan het verzoek van het Parlement in zijn resolutie van 10 april 2003 heeft zij haar bezorgdheid geuit bij de Egyptische autoriteiten over de zogenaamde Queen Boat-zaak maar ook over de hiermee samenhangende kwestie van politie-intimidatie op verschillende gelegenheden
Recentelijk hebben zich een aantal heuglijke ontwikkelingen voorgedaan, met name de invrijheidsstelling van negenentwintig beklaagden en de overdracht van de procedure van de veiligheidsrechtbanken naar het normale rechtsstelsel. De Commissie kan de geachte parlementsleden echter de verzekering geven dat onze delegatie in Cairo samen met de ambassades van de Lidstaten niet alleen deze zaak maar ook die van de 62 mannen die op 28 augustus werden gearresteerd zal blijven volgen. Zij zal deze kwesties blijven aankaarten bij de Egyptische autoriteiten telkens wanneer zich daartoe de gelegenheid voordoet.
De instellingen van de Associatie-Overeenkomst Unie-Egypte (die door verschillende Lidstaten nog moet worden geratificeerd) zal een nuttig aanvullend forum bieden voor de bespreking van tal van uiteenlopende vraagstukken op het gebied van de mensenrechten.
Voorts heeft de Commissie, zoals het geachte parlementslid bekend, op 22 mei 2003 een Mededeling uitgebracht om een nieuwe impuls te geven aan de maatregelen van de Unie inzake mensenrechten en democratisering met de mediterrane partners waarin zij beoogt op constructieve wijze samen te werken om concrete vooruitgang te kunnen boeken op het gebied van de mensenrechten. Deze mededeling wordt momenteel door de Raad en het Parlement bestudeerd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/124 |
(2004/C 88 E/0132)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2988/03
van Bart Staes (Verts/ALE) en Jan Dhaene (Verts/ALE) aan de Commissie
(9 oktober 2003)
Betreft: Actieplan „Forest Law Enforcement, Governance and Trade”
Op 21 mei 2003 lanceerde de Commissie het FLEGT-actieprogramma. Verscheidene NGO's die met deze problematiek begaan zijn, en verschillende lidstaten die het voortouw hebben genomen in de wereldwijde strijd tegen illegale houtkap, zien dit document als een belangrijke stap voorwaarts en als een aanknopingspunt voor verder wetgevend werk.
Na het verschijnen van het document (1) werd het echter stil en ondernam volgens ons de Europese Commissie geen verdere acties voor de implementatie van dit actieprogramma.
Welke doelstellingen wil de Commissie in welk tijdskader realiseren om het FLEGT-actieprogramma te implementeren? Wat zijn in dit tijdskader de sleutelactiviteiten tot juni 2004?
Welk DG zal verantwoordelijk zijn voor de implementatie van dit programma, en welke zijn de hiervoor beschikbare middelen?
Plant de Commissie verder wetgevend werk rond de FLEGT-problematiek?
Ook in de toetredingslanden is illegale houtkap een probleem van enig gewicht. Plant de Commissie specifieke acties om deze problematiek in deze landen op te lossen, zowel voor als na de toetreding?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(5 december 2003)
De Commissie heeft zich ingezet voor een spoedige follow-up van het EU-actieplan voor wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Forest Law Enforcement, Governance and Trade, FLEGT). Tijdens de Landbouwraad van 13 oktober 2003 zijn Conclusies van de Raad over dit onderwerp goedgekeurd. De Commissie is nog in afwachting van een reactie van het Parlement.
Er is een breed overleg met de belanghebbenden in gang gezet, waaronder een gedetailleerde dialoog met de lidstaten, niet-gouvernementele organisaties en de Europese houtindustrie. Ook is er contact gelegd met potentiële partnerlanden in belangrijke houtproducerende regio's in de wereld, met bemoedigend resultaat. Met name de gesprekken met Indonesië zijn in een vergevorderd stadium.
Om de samenwerking met Afrika te vergemakkelijken, heeft de Commissie onlangs ook een subsidie van EUR500 000 verstrekt aan de Afrikaanse ministeriële conferentie voor wetshandhaving en governance in de bosbouw (Africa Ministerial Conference for Forest Law Enforcement and Governance — AFLEG). Tijdens deze conferentie hebben ruim 30 Afrikaanse landen verklaard zich in te zetten voor de bestrijding van illegale houtkap.
Wat betreft de specifieke kwesties die in de vraag aan de orde gesteld werden:
|
1. |
De implementatie zal worden geleid door de directoraten-generaal voor Ontwikkelingsbeleid en Milieubeheer, in nauwe samenwerking met de directoraten-generaal voor Buitenlandse betrekkingen, Handel, EuropeAid, Belastingen en Douane-unie, Ondernemingen en Interne Markt. De ondersteunende middelen zullen in eerste instantie beschikbaar worden gesteld uit de begrotingspost voor tropische bossen. Ook zijn er middelen beschikbaar uit bepaalde nationale en regionale strategieën. De Commissie zal voorstellen „governance in de bosbouw” op te nemen in nationale strategiedocumenten tijdens de herziening halverwege de looptijd in landen waar dit onderwerp prioriteit heeft. |
|
2. |
De Commissie is voornemens in 2004 een voorstel voor een Richtlijn in te dienen om het actieplan te implementeren. Deze Richtlijn zou de basis kunnen vormen voor het stelsel van vrijwillige partnerschappen om de illegale houtexport te controleren. Er is overleg met de houtproducerende landen gestart, en dit zal worden voortgezet teneinde partnerschapsovereenkomsten te sluiten die vereist zijn om de implementatie te ondersteunen. Momenteel bestaan er geen verdere plannen tot wetgeving in verband met de problematiek die in het FLEGT-actieplan wordt aangepakt. In de nabije toekomst zal echter een onderzoek naar mogelijke extra wetgeving worden gedaan en de problematiek zal in het licht van de resultaten hiervan nogmaals worden geëvalueerd. |
|
3. |
Het actieplan heeft geen betrekking op de toetredende landen. De Commissie is niet voornemens specifieke maatregelen tegen illegale houtkap te nemen voordat de toetredende landen lid van de Unie zijn. Zij geeft er de voorkeur aan een strategie te ontwikkelen die gebaseerd is op hun toekomstige deelname binnen de gemeenschappelijke markt van de EU. De Commissie zal deelnemen aan de werkzaamheden van de ministeriële conferenties voor de bescherming van de bossen in Europa (MCPFE) over dit onderwerp. Zo zal zij in 2004 een onderzoek naar de omvang van het probleem in Europa uitvoeren. |
(1) COM(2003)251 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/125 |
(2004/C 88 E/0133)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2995/03
van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE) aan de Commissie
(14 oktober 2003)
Betreft: Vernietiging waardevolle relikwieën van de Agia Sofia
Onlangs heeft de nieuwe directeur van het Museum van de Agia Sofia, Seratzetin Sachin, het Turkse directoraat-generaal Musea en Cultuurschatten op de hoogte gesteld van het feit dat 550 kostbare ikonen en relikwieën van onschatbare waarde (evangeliën en liturgische gewaden) ten gevolg van aantasting door vocht in de opslagruimten van de kerk Agia Sofia als verloren moeten worden beschouwd. De kostbare relikwieën waren afkomstig uit een groot aantal orthodoxe kerken in Turkije die opgehouden hebben als zodanig te fungeren.
Sinds 1985 is de Agia Sofia onderdeel van het internationaal cultureel erfgoed. In het meest recente nationale Turkse programma voor de toepassing van het acquis communautaire staat dat oecumenische cultuurschatten bescherming genieten krachtens wet 3386 van 17 juni 1987, teneinde ze in ongeschonden staat te bewaren voor en door te geven aan toekomstige generaties. Kan de Commissie tegen de achtergrond van het bovenstaande aangeven of hij voornemens is een concreet standpunt met betrekking tot dit onderwerp in te nemen?
Wordt in het kader van de pretoetredinsgprogramma's voor Turkije en/of in het kader van de Medaprogramma's subsidie voor de cultuursector toegekend, en meer in het bijzonder voor de instandhouding van cultuurschatten, zoals die van de Agia Sofia?
Is de Commissie van mening dat de hierboven geschetste ernstige ontwikkeling op het vlak van cultuur en morele waarden een stap achteruit betekent voor wat betreft de toepassing van het acquis communautaire, en op welke wijze denkt de Commissie hierop te reageren?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(12 november 2003)
Zoals al vermeld in het recente antwoord van de Commissie op schriftelijke vraag E-2962/03 van de heer Alavanos (1), voorziet het financieel steunprogramma van de Gemeenschap voor Turkije niet in bijstand voor het conserveren of restaureren van religieuze of culturele werken zoals die welke in de Agia Sofia zijn opgeslagen. Het programma is in de eerste plaats opgezet om steun te verlenen voor de aanpassing van Turkije aan de normen van de Unie op politiek, economisch en wetgevend gebied. De projectvoorstellen worden uitgewerkt door de Turkse regering en dienen te worden goedgekeurd door de Commissie; deze goedkeuring wordt alleen gegeven voor projecten die ertoe bijdragen dat wordt voldaan aan de prioriteiten van het partnerschap voor toetreding als goedgekeurd door de Raad van Ministers van 15 mei 2003.
Bovendien volgt de Commissie van nabij de vooruitgang die Turkije boekt bij de overname van het desbetreffende acquis op het gebied van cultuur.
(1) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 771.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/126 |
(2004/C 88 E/0134)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3013/03
van Marco Cappato (Nl) aan de Commissie
(14 oktober 2003)
Betreft: De zaak van de Tunesische journaliste Néziha Rejiba
Op 25 september 2003 heeft de Tunesische douane een dagvaarding doen toekomen aan de Tunesische journaliste Néziha Rejiba om zich te verantwoorden voor het feit dat zij 170 EUR in contanten aan een jonge Tunesiër zou hebben gegeven, een handeling waarop een straf staat van maximum vijf jaar opsluiting en een boete. De journaliste heeft echter de wet niet overtreden, die voorziet in een periode van een week om vreemde valuta om te wisselen in Tunesische dinar.
Néziha Rejiba, die via internet artikelen heeft gepubliceerd waarin zij de schendingen van de mensenrechten door de Tunesische overheid aan de kaak stelt, schrijft voor het on-linemagazine Kalima (www.kalima.com) dat in Tunesië sinds zijn eerste editie in oktober 2000 gecensureerd wordt. De afgelopen drie jaar is Néziha Rejiba het slachtoffer geweest van fysiek geweld en voortdurende plagerijen voor de politie, haar huis wordt voortdurend in de gaten gehouden en haar telefoon wordt afgeluisterd of, zoals momenteel, afgesloten.
Heeft de Commissie de ambassadeur van Tunesië al formeel om uitleg gevraagd omtrent de situatie? Welk antwoord heeft zij ontvangen?
Welke maatregelen is de Commissie bereid te nemen om de Tunesische regering ertoe aan te zetten dat zij Néziha Rejiba het recht op vrije meningsuiting en het recht op een eerlijk proces waarborgt?
Welke maatregelen is de Commissie van plan te nemen met het oog op de zitting van de wereldtop over de informatiemaatschappij van november 2005 in Tunis om ervoor te zorgen dat een eind wordt gemaakt aan de voortdurende en systematische schending van het recht van de Tunesische bevolking op vrije meningsuiting?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(17 december 2003)
De Commissie is op de hoogte van de berichten over Mevrouw Rejiba waarnaar het geachte parlementslid verwijst.
De Commissie volgt de situatie in verband met de mensenrechten in Tunesië op de voet. De Commissie heeft schendingen van de beginselen van vrijheid en democratie, van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat altijd veroordeeld, daar de Unie is gegrondvest op deze beginselen die de lidstaten gemeen hebben, zoals vermeld in artikel 6 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie.
Met name de vrijheid van meningsuiting wordt door de Commissie beschouwd als van fundamenteel belang voor de ontwikkeling van de democratie en van een participatieve maatschappij op alle gebieden. In het kader van de begrotingslijn voor MEDA tracht de Commissie, in samenwerking met een Europees centrum voor journalistiek, de vrije meningsuiting in Tunesië te bevorderen door middel van een programma ter ondersteuning van de media dat de opleiding van journalisten beoogt. Om Tunesië te steunen bij zijn inspanningen om de rechtsstaat te versterken is de Commissie ook voornemens een programma op te zetten om het rechtswezen in Tunesië te moderniseren dat vergelijkbaar is met de programma's die reeds werden opgezet in Algerije en de Palestijnse Gebieden.
Wat de Wereldtop over de Informatiemaatschappij betreft verwijst de Commissie naar haar antwoorden op de schriftelijke vragen nr. E-2554/03 (1) en nr. E-2931/03 (2) van het geachte parlementslid.
(1) PB C 65 E van 13.3.2004, blz. 175.
(2) PB C 70 E van 20.3.2004, blz. 165.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/127 |
(2004/C 88 E/0135)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3025/03
van Konstantinos Hatzidakis (PPE-DE) aan de Commissie
(17 oktober 2003)
Betreft: Schendingen van mensenrechten van de Grieken via het nationaal Turks kadaster op het eiland Imvros
De toepassing van de wet inzake het nationaal Turks kadaster op het eiland Imvros berooft op vernuftige wijze de Grieken van dit eiland en hun erfgenamen van hun bezittingen, en dit ten gunste van de Turkse staat.
Door de toepassing van de wet inzake het Turks kadaster verliezen de eigenaars land dat al meer dan twintig jaar niet bebouwd is of huizen die al meer dan twintig jaar niet bewoond zijn, en worden illegaal gebouwde huizen aan de Turkse staat overgegeven. Wie de Turkse nationaliteit verloren is — omdat hij voor zijn 21e geen legerdienst heeft verricht — heeft geen enkel recht op eigendom of erfenis. Eigenaars kunnen niet langer aanspraak maken op hun eigendommen die zonder schadevergoeding onteigend zijn en die op illegale wijze in het bezit blijven van de Turkse kolonisten, zonder dat het project waarvoor de onteigening gebeurde, is doorgegaan.
Het is duidelijk dat een en ander gericht is tegen de Griekse eigenaars en hun erfgenamen, die elk eigendomsrecht verliezen, hetgeen in strijd is met de communautaire wetgeving.
Wat denkt de Commissie over deze kwestie, overwegende dat Turkije een land is dat kandidaat is voor toetreding tot de EU en dat in 2004 een besluit zal worden genomen over deze kandidatuur?
Denkt zij stappen te ondernemen bij de Turkse overheid voor het herstel van de orde en de eer?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(14 november 2003)
De Commissie is zich bewust van de bezorgdheid die er bestaat over de situatie van de Griekse minderheid op het Egeïsche eiland Imbros, waarvan het geachte parlementslid melding maakt, en zij heeft onlangs informatie ontvangen met betrekking tot de schending van eigendomsrechten op het eiland.
De Commissie zal deze zaak onderzoeken in het kader van haar toezicht op de naleving door Turkije van de politieke criteria van Kopenhagen, die de eerbiediging van de mensenrechten en de bescherming van minderheden omvatten. Zij zal in haar volgende periodieke verslag dat op 5 november 2003 wordt gepubliceerd, een algemene beoordeling geven van de moeilijkheden waarmee de minderheden in Turkije worden geconfronteerd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/128 |
(2004/C 88 E/0136)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3032/03
van Jonas Sjöstedt (GUE/NGL) aan de Commissie
(17 oktober 2003)
Betreft: Turkije en schendingen van de rechten van minderheden
Nog steeds vinden in Turkije schendingen van de mensenrechten plaats, ondanks het feit dat het land bepaalde nationale wetten heeft aangepast aan de EU-normen. Een voorbeeld van de aanhoudende schendingen van de rechten van minderheden in Turkije is het decreet dat het Turkse Ministerie van Onderwijs op 14 april 2003 aan alle scholen in het land heeft doen toekomen. Voorgeschreven wordt dat er opstellen moeten worden geschreven en lezingen worden gehouden waarin de volkerenmoord in 1914 en de jaren daarna op de Armeniërs en de Assyriërs-Syriërs werd ontkend. In de plaats daarvan moeten de Armeense en Assyrisch-Syrische groeperingen worden aangeklaagd als verraders van het Ottomaanse rijk. Assyrisch-Syrische en Armeense kinderen ondervinden dagelijks discriminatie, met name doordat zij worden gedwongen deel te nemen aan dergelijke lezingen, waar hun etnische en godsdienstige identiteit worden beledigd.
De Turkse mensenrechtenorganisatie IHD heeft scherp gereageerd op het decreet en is onlangs samen met mensenrechtenadvocaten een campagne begonnen die de Turkse regering ertoe moet bewegen het decreet in te trekken en een einde te maken aan de mensenrechtenschendingen. Het decreet van het Ministerie van Onderwijs van 14 april 2003 staat absoluut haaks op hetgeen van Turkije wordt gevraagd, onder meer door de Europese Conventie.
Welke maatregelen denkt de Commissie te treffen om de Turkse regering ertoe te bewegen het decreet in te trekken en een einde te maken aan de schendingen van de rechten van deze etnische en godsdienstige minderheden?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(24 november 2003)
De Commissie is op de hoogte van het rondschrijven van het Turkse ministerie van onderwijs van 14 april 2003 met betrekking tot de eisen aan scholen om opstelwedstrijden en spreekbeurten te organiseren waarin „de Armeense, Grieks-Pontische en Assyrische beweringen” worden ontkend.
De Commissie heeft deze aangelegenheid in de loop van haar geregelde dialoog bij de Turkse autoriteiten te berde gebracht. De kwestie is in het Periodiek Verslag van de Commissie van 5 november 2003 vermeld (1).
Meer algemeen gesproken geldt dat de Commissie op hoogte is van de moeilijkheden die minderheden overal in Turkije ondervinden en dat zij de behandeling van die minderheden nauwlettend blijft volgen.
(1) COM(2003)676 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/129 |
(2004/C 88 E/0137)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3045/03
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(17 oktober 2003)
Betreft: Kinderarbeid
Het is prijzenswaardig dat commissaris Neilson in zijn antwoord op mijn mondelinge vraag H-0405/03 (1) heeft toegezegd te overwegen om financiële steun te verlenen aan het Internationaal Programma voor de afschaffing van kinderarbeid van de IAO en na te denken over het voorstel om kinderarbeid op te nemen in de voorlopige lijst van gemeenschappelijke doelstellingen/prioriteiten van de Commissie en de IAO in het kader van het voorgestelde strategische partnerschap van de EG en de IAO.
Kan de Commissie toelichten welke vooruitgang tot op heden is geboekt en hoe zij voldoende financiële middelen beschikbaar wil stellen om een concrete follow-up op dit gebied te verwezenlijken?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(21 november 2003)
De Commissie is bezig voor eind 2003 een strategisch partnerschap met de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) op het gebied van ontwikkelingssamenwerking af te ronden. Een strategische benadering voor het uit de wereld helpen van kinderarbeid door middel van het bevorderen van basisonderwijs is aangemerkt als de eerste prioriteit om in het bestek van het partnerschap verder uit te werken.
Genoemde strategie ziet deelname aan onderwijs in de context van bestrijding van kinderarbeid. Dit is vooral relevant met betrekking tot de inspanningen van de Commissie in het kader van de agenda Onderwijs voor iedereen. De hoofddoelstelling van het EG-beleid inzake onderwijs en opleiding, waarbij onderwijs voor iedereen overeenkomstig de millennium-ontwikkelingsdoeleinden wordt bereikt, is niet haalbaar zonder de problematiek van werkende kinderen in de schoolgaande leeftijd aan te pakken.
Hierbij dient men de oorzaken van het verschijnsel te achterhalen, de kloof te doorgronden die er bestaat tussen de formele rechten van kinderen en de werkelijkheid waarin zij elke dag moeten leven. Deze kloof te dichten vraagt gerichte acties op het juiste moment, zoals behoeftige gezinnen te helpen en deze via gemeenschapsnetwerken op plaatselijk niveau steun te verlenen.
De strategie inzake kinderarbeid en onderwijs heeft in deze proeffase als regionale dimensie vooral Afrika, het Caraïbische gebied en de Stille Oceaan-landen, waarbij de Commissie voornemens is gelden vrij te maken van het Europees Ontwikkelingsfonds voor Intra-ACS-samenwerking.
De operationele partner hierbij is het Internationaal programma voor de uitbanning van kinderarbeid (IPEC) van de ILO. Deze strategische actie komt bovenop het bestaande ILO/IPEC-programma. De financiering zal zich richten op maatregelen die geen deel uitmaken van de normale activiteiten van de ILO/IPEC. Allereerst kan de financiering door de Commissie, nu dat IPEC-aandacht in brede zin vooral op Azië en Latijns-Amerika gericht is, gerichte acties juist naar de ACS-landen versterken. Opgebouwde ervaring en beste praktijken uit Azië en Latijns-Amerika zullen worden aangewend om gerichte actie in ACS-landen te bevorderen om het mogelijk te maken dat meer kinderen die nu gedwongen werk verrichten hun basisonderwijs kunnen gaan krijgen en afmaken. Vervolgens zal deze financiering gerichte onderwijsinitiatieven ondersteunen.
(1) Mondeling antwoord, 1.7.2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/130 |
(2004/C 88 E/0138)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3133/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(23 oktober 2003)
Betreft: Angola — Falcone
De Angolese regering heeft de heer Pierre Falcone, een vermeend wapenhandelaar die momenteel door de Franse justitie wordt vervolgd, tot minister benoemd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van Angola bij de Unesco. Deze benoeming heeft tot kritiek geleid van de Angolese oppositiepartijen, de internationale pers en ook de Unesco heeft bezwaar tegen deze benoeming gemaakt.
Deze benoeming verdient vooral onze aandacht omdat hierdoor op internationaal niveau nog meer onbegrip wordt gekweekt voor de behoefte aan buitenlandse hulp van Angola na een zeer lange burgeroorlog en het herstel van de definitieve vrede. Deze benoeming kan bovendien de samenwerking met de Europese Unie verstoren of ertoe leiden dat de voorbereiding en de organisatie van de langverwachte en inmiddels wegens de gebrekkige omstandigheden vaak uitgestelde Conferentie van donorlanden weer op de lange baan worden geschoven, hetgeen een streep door de rekening betekent voor het Angolese volk en een snelle wederopbouw van het land.
Kan de Commissie in het licht van het voorafgaande mededelen:
|
— |
wat haar mening over deze benoeming is? of zij hierop reeds commentaar heeft geleverd of commentaar te leveren heeft? |
|
— |
of zij van mening is dat deze benoeming de geloofwaardigheid van de Angolese autoriteiten in het buitenland aantast? Of de benoeming de communautaire programma's ten behoeve van Angola op enigerlei wijze in het geding heeft gebracht of tot nieuwe problemen kan leiden of reeds tot problemen heeft geleid bij de voorbereiding van de Conferentie van donorlanden? |
|
— |
of zij reeds maatregelen heeft getroffen of denkt te treffen om de Angolese regering van haar standpunt en bezorgdheid over deze zaak, zo zij die al heeft, in kennis te stellen? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(21 november 2003)
De benoeming van de heer Pierre Falcone tot minister bij de permanente diplomatieke vertegenwoordiging van Angola bij de Unesco is een zaak die in eerste instantie op het juiste diplomatieke niveau beoordeeld zou moeten worden. Een dergelijk, op zichzelf staand geval dient te worden gezien in de bredere context van de lange weg die Angola te gaan heeft van een land in burgeroorlog naar een transparante, participatieve en verantwoordelijke democratie. Deze benoeming zou de geloofwaardigheid van Angola in de buitenwereld inderdaad kunnen schaden.
Het optreden van de Europese Gemeenschap in Angola maakt deel uit van een langetermijnstrategie en wordt in principe niet gewijzigd ten gevolge van op zichzelf staande actuele ontwikkelingen. De Commissie is van mening dat dit incident, alhoewel laakbaar, de voorbereidingen van de Conferentie van donorlanden waarschijnlijk niet negatief zal beïnvloeden, zolang er vooruitgang geboekt wordt tijdens de gesprekken met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) inzake het sluiten van een overeenkomst en de presentatie van een geloofwaardige armoedebestrijdingsstrategie. De internationale gemeenschap acht deze twee elementen van doorslaggevend belang voor een succesvolle uitkomst van de Conferentie van donorlanden.
Het is noch de taak, noch de intentie van de Commissie om zich tijdens haar contacten met de Angolese overheid uit te spreken over een dergelijke specifieke kwestie. Echter, in de context van een politieke dialoog met Angola uit hoofde van artikel 8 van de overeenkomst van Cotonou mag verwacht worden dat kwesties van transparantie en behoorlijk bestuur, en zodoende de bredere context van de zaak waar het geachte parlementslid naar verwijst, worden besproken. Ook in de op 13 oktober 2003 goedgekeurde conclusies van de Raad wordt benadrukt dat de Unie bereid is Angola bij te staan in zijn strijd tegen corruptie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/131 |
(2004/C 88 E/0139)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3143/03
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(23 oktober 2003)
Betreft: Prijzen van personenauto's in Griekenland en een verbod van dieselmotoren in Athene en Thessaloniki
De Griekse regering heeft zich onlangs (enkele maanden voor de nationale verkiezingen) uitgelaten over verlaging van de belasting op nieuwe personenauto's.
Als gevolg van deze uitlatingen verwacht men een prijsverlaging van vooral auto's met een grote cilinderinhoud (meer dan 2000 cc), die desondanks duurder zullen blijven dan gelijksoortige auto's in andere landen van de EU.
Voor de categorie personenauto's met een cilinderinhoud van 1800 tot 2000 cc (waaronder auto's met een hoge actieve en passieve veiligheid), zal de prijsvermindering naar verhouding veel kleiner uitvallen, met als gevolg dat die auto's veel te duur blijven voor de Griekse consument, die overigens ook nog in de Unie het laagst wordt betaald; het jaarinkomen per hoofd van de bevolking bedraagt knap 69 % van het communautair gemiddelde (gegevens van EUROSTAT voor 2002).
In discussies binnen de Commissie milieubeheer van het Europees Parlement is er herhaaldelijk op gewezen dat de moderne dieselmotoren een zeer lage schadelijke uitstoot hebben terwijl hun vermogen (door de algemeen toegepaste turbotechniek) vergelijkbaar is met dat van benzinemotoren. Het is bekend dat de uitstoot van een defecte katalysator (gebruikt in motoren voor loodvrije benzine) bijzonder gevaarlijk is voor de menselijke gezondheid. In Athene en in Thessaloniki is het rijden met dieselmotoren echter verboden. Het gevolg van een ander is dat gevaarlijke afvalstoffen in de atmosfeer vrijkomen (vooral in Athene waar meer dan 2 miljoen motorvoertuigen rondrijden), terwijl de Griekse consument veel zwaarder wordt belast, enerzijds omdat loodvrije benzine zoals bekend duurder is dan diesel en anderzijds omdat benzinemotoren meer verbruiken dan dieselmotoren.
Op welke wijze kan de Commissie de Griekse autoriteiten bewegen tot verlaging van de belasting (en daarmee van de dealerprijs) op personenauto's in de categorie van 1800-2000 cc, die voor de Griekse consument (vanwege de kosten) het meest interessant is? Is het logisch en ecologisch gezien, consequent om het rijden in auto's met moderne dieselmotoren in de twee grootste Griekse steden te verbieden? Welke actie heeft de Commissie tot dusver ondernomen m.b.t. deze twee kwesties en hoe luidde het antwoord van de Griekse autoriteiten?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(17 december 2003)
De Commissie kan het geachte parlementslid meedelen dat er op communautair niveau, met uitzondering van de gemeenschappelijke regels voor jaarlijkse belastingen en heffingen op zware vrachtauto's, weinig wetgeving — of harmonisatie van nationale belastingbepalingen — bestaat die door de lidstaten wordt toegepast op het gebied van personenautobelastingen. De individuele lidstaten stellen derhalve de nationale bepalingen voor de belasting van zulke auto's vast, met inachtneming van de algemene beginselen van het EG-Verdrag. Deze bepalingen mogen met name in het handelsverkeer tussen de lidstaten geen aanleiding geven tot formaliteiten in verband met het overschrijden van een grens en zij moeten het non-discriminatiebeginsel respecteren.
De Commissie is zich bewust van de grote verschillen in registratiebelasting tussen de lidstaten die nog altijd een dergelijke belasting toepassen. In haar mededeling over „Belasting van personenauto's in de Europese Unie” (1) van september 2002 stelde de Commissie voor dat de lidstaten in een overgangsperiode van vijf tot tien jaar de registratiebelasting zouden afschaffen of fors verlagen. De mededeling bevatte ook beleidsmaatregelen om een directer verband te leggen tussen het belastingniveau en de uitstoot van koolstofdioxide (CO2) door nieuwe personenauto's. Het Parlement heeft op zijn plenaire vergadering van 5 en 6 november 2003 een gunstig advies over deze mededeling uitgebracht.
De Commissie wijst erop dat ieder initiatief dat zij in het licht van de resultaten van de discussie in de Raad en het Parlement zou nemen om de belasting van personenauto's nauwer op elkaar af te stemmen, unaniem moet worden goedgekeurd door de lidstaten in de Raad.
Wat het verbod van dieselauto's in de twee grootste Griekse steden betreft, herinnert de Commissie eraan dat bij de milieu-effectbeoordeling van dieselauto's een onderscheid moet worden gemaakt tussen de luchtverontreinigings- en de klimaatveranderingsproblematiek. In vergelijking met benzineauto's laten moderne dieselauto's toe de CO2-uitstoot te verlagen, wat een cruciaal onderdeel is van de strijd tegen de klimaatverandering. Anderzijds echter is de uitstoot van dieselauto's aanzienlijk hoger wat betreft verontreinigende stoffen die de luchtkwaliteit aantasten, zoals zwevende deeltjes en stikstofoxiden. De concentratie van dergelijke verontreinigende stoffen is geregeld bij Richtlijn 1999/30/EG van de Raad van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (2), waarin grenswaarden en overschrijdingsmarges zijn vastgesteld. Uit de rapporten die de Commissie ingevolge de kaderrichtlijn luchtkwaliteit ontvangt, blijkt dat de grenswaarden en de overschrijdingsmarges in de regio Attica nog steeds worden overschreden; het is derhalve noodzakelijk maatregelen tegen specifieke bronnen van verontreiniging te nemen of te handhaven, mits deze verenigbaar zijn met het EG-Verdrag.
Voor nadere gegevens over luchtverontreiniging in Griekenland wordt het geachte parlementslid verwezen naar het antwoord van de Commissie op schriftelijke vraag E-3217/03 van de heer Antonios Trakatellis (3).
(1) COM(2002)431 def.
(3) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 791.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/132 |
(2004/C 88 E/0140)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3159/03
van Dirk Sterckx (ELDR) aan de Commissie
(24 oktober 2003)
Betreft: Ongelijke behandeling van professionele verhuisdiensten bij de import in de EU van verhuisboedels uit niet-lidstaten door een verschillende interpretatie van Verordening (EEG) nr. 918/83
Wanneer verhuisgoederen van buiten de Europese Unie via het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Zweden in een andere lidstaat worden ingevoerd, dan worden deze goederen door hun respectievelijke douaneinstanties ter plaatse vrijgesteld van invoerrechten en BTW voor het volledige grondgebied van de Europese Unie.
Een aantal lidstaten zoals België daarentegen, verstrekken voormalige inwoners van derde landen bij binnenkomst in de EU een T-formulier voor extern communautair douanevervoer waardoor hun verhuisgoederen enkel zijn vrijgesteld van invoerrechten en BTW tot aan de grens van de eindbestemming, waar zij moeten worden ingeklaard. Op die manier wordt de beslissing omtrent de vrijstelling van invoerrechten en BTW genomen door de douane-instanties van de lidstaat van eindbestemming.
Het spreekt voor zich dat professionele verhuisdiensten, gevestigd in lidstaten die de procedure met het T-formulier toepassen, hierdoor worden benadeeld in vergelijking met hun concurrenten in het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Zweden. Immers, meer en meer van hun cliënteel stapt omwille van de soepelere regeling over naar Engelse, Nederlandse of Zweedse verhuisdiensten.
|
1. |
Laat artikel 128 van Verordening (EEG) nr. 918/83 (1) toe dat de lidstaat van binnenkomst (verschillend van die van eindbestemming) meteen een vrijstelling van invoerrechten en BTW verleent voor het volledige grondgebied van de Europese Unie? |
|
2. |
Zo ja, moet België dan zijn procedure met gebruik van het T-formulier herzien ten voordele van een procedure van onmiddellijke vrijstelling van invoerrechten en BTW om in overeenstemming te zijn met Verordening (EEG) nr. 918/83? |
|
3. |
Zo nee, is een procedure van onmiddellijke vrijstelling van invoerrechten en BTW zoals toegepast door bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk dan niet strijdig met Verordening (EEG) nr. 918/83? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(11 december 2003)
|
1. |
Wanneer douanekantoren in de lidstaten verhuisgoederen uit een derde land vrijgesteld van de rechten van het Gemeenschappelijk Douanetarief (GDT-rechten) en van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW), in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen passen zij wetgeving toe van tweeërlei oorsprong. De vrijstelling van de GDT-rechten is gebaseerd op de artikelen 2 tot 10 van Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad (2); de vrijstelling van de BTW is gebaseerd op nationale belastingwetgeving waarbij artikel 14 van Richtlijn 77/388/EEG van de Raad (3) en de artikelen 2 tot 10 van Richtlijn 83/181/EEG van de Raad (4) worden toegepast. In haar antwoord op schriftelijke vraag E-0243/02 van mevrouw Peijs (5) vestigde de Commissie de aandacht op de beginselen die ten grondslag liggen aan de douaneafhandeling van deze verhuisgoederen en gaf zij te verstaan dat artikel 128 van Verordening (EEG) nr. 918/83 op deze invoer niet van toepassing is. Artikel 128 is slechts van toepassing op goederen waarvan door de geadresseerde, d.w.z. de aangever, op specifieke wijze gebruik moet worden gemaakt zodat hij een specifieke vrijstelling van rechten kan genieten. De beperkingen van artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 918/83 in verband met verhuisgoederen houden evenwel alleen in dat de aangever eigenaar moet blijven van de verhuisgoederen gedurende een periode van twaalf maanden. Tijdens deze periode kan de aangever deze goederen voor om het even welk particulier gebruik aanwenden. Hij kan deze goederen bijvoorbeeld gebruiken om zijn nieuwe woning te meubelen of hij kan ze opslaan bij de verhuisonderneming. Rekening houdend met deze omstandigheden is de Commissie van oordeel dat artikel 7, lid 1, er niet toe verplicht van de verhuisgoederen op specifieke wijze gebruik te maken zoals in artikel 128 wordt geëist. De Commissie interpreteert deze beperkingen als een verbod om deze goederen te verkopen; deze beperkingen zijn vergelijkbaar met de beperkingen van artikel 29 (zendingen die door een particulier uit een derde land worden verzonden naar een andere particulier) of artikel 45 (goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers) van Verordening (EEG) nr. 918/83. Aangezien de wettelijke bepalingen van de artikelen 2 tot 10 van Richtlijn 83/181/EEG van de Raad en de tekst van dezelfde artikelen van Verordening (EEG) nr. 918/83 bijna eensluidend zijn zou de BTW-wetgeving van de lidstaten vergelijkbaar moeten zijn met de douanewetgeving van de Gemeenschap wanneer het verhuisgoederen betreft. De nationale douane- en belastingautoriteiten mogen zelf oordelen op welke wijze zij wensen te waarborgen dat de beperkingen van artikel 7, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 918/83 en de vergelijkbare bepalingen in de nationale BTW-wetgeving door de aangever worden nageleefd. De methode om deze naleving te controleren, zou evenwel voor de aangever geen extra kosten mogen meebrengen en zou niet te sterk mogen afwijken van de methoden die in de voorbeelden die in de vorige paragraaf zijn genoemd, werden toegepast. |
|
2. en 3. |
Zoals reeds werd medegedeeld in het antwoord op schriftelijke vraag E-0243/02 mag het verzoek om de goederen vrij van douanerechten en BTW in het vrije verkeer brengen, van, of namens, de natuurlijke persoon die zijn normale verblijfplaats van een derde land naar het douanegebied van de Gemeenschap overbrengt bij eender welk door de geadresseerde gekozen douanekantoor worden ingediend. Zoals evenwel hierboven werd uiteengezet, beschikken de lidstaten over een zekere discretionaire bevoegdheid in verband met de voor te leggen bewijzen. Deze discretionaire bevoegdheid werd de lidstaten verleend wegens de grote verschillen die er bestaan tussen de nationale rechtsvoorschriften met betrekking tot de administratieve procedures en voorwaarden die gelden voor personen die zich in een bepaald land willen vestigen. De douane-instanties in de lidstaten mogen deze discretionaire bevoegdheden evenwel niet misbruiken om personen die zich in het land van de betrokken douaneinstantie vestigen een andere douanebehandeling te geven dan personen die zich in een andere lidstaat van de Gemeenschap vestigen. Aangezien de plaats waar het verzoek wordt ingediend gewoonlijk moet worden bepaald door de persoon die zijn verblijfplaats naar het douanegebied van de Gemeenschap overbrengt en deze zich hierbij baseert op verschillende elementen waaronder de in de verschillende lidstaten geldende procedures en voorwaarden zijn beide procedures mogelijk: de goederen in het vrije verkeer brengen op de plaats van binnenkomst in de Gemeenschap of in eender welke andere lidstaat. In laatstgenoemd geval is een T-formulier noodzakelijk voor het vervoer naar de plek waar de goederen in het vrije verkeer zullen worden gebracht. Mocht het geacht Parlementslid of enig andere persoon over bewijzen beschikken waaruit blijkt dat bepaalde wettelijke bepalingen voor verhuisgoederen van Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad of Richtlijn (EEG) 83/181 van de Raad door deze autoriteiten werden overtreden mag hij/zij hetzij een formele klacht terzake bij de Commissie indienen of gebruikmaken van de normale wettelijke procedures in de wetgeving van de lidstaten teneinde de belangen van deze persoon te verdedigen. |
(1) PB L 105 van 23.4.1983, blz. 1.
(2) Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen.
(3) Zesde Richtlijn van de Raad nr. 77/388/EEG van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde — uniforme grondslag, PB L 145 van 13.6.1977.
(4) Richtlijn 83/181/EEG van de Raad van 28 maart 1983 houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, sub d) van Richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen, PB L 105 van 23.4.1983.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/134 |
(2004/C 88 E/0141)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3163/03
van Bill Miller (PSE) aan de Commissie
(24 oktober 2003)
Betreft: Regionaal beleid in Hongarije
Welk regionaal beleid is in Hongarije ten uitvoer gelegd? Op welke manier zijn de pre-toetredingsprogramma's/subsidies in Hongarije gebruikt/verdeeld (d.w.z. aantal/soort — particulier, overheid, bedrijfsleven — aanvragers/ontvangers per programma; verdeling over districten; welslagen/kosten/plaats van belangrijke projectren; gebruik van ISPA/PHARE/SAPARD-kredieten; opneming van EU-projecten in de programma's voor de ontwikkeling van het platteland van de Hongaarse regering zelf; lange-termijndoelen van de EU voor het Hongaarse regionaal beleid na de toetreding?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(19 november 2003)
In Hongarije is het belang dat wordt toegekend aan regionale ontwikkeling af te lezen aan de wet voor regionale ontwikkeling en ruimtelijke ordening van 1996. Voortvloeiende uit deze wet zijn er raden voor regionale ontwikkeling ingesteld die thans werkzaam zijn. Strategieën voor regionale ontwikkeling zijn onderscheidelijk in het preliminair nationaal ontwikkelingsplan (2000-2002) en vervolgens in het nationaal ontwikkelingsplan (2003-2006) vastgesteld.
De Europese Commissie heeft de inspanningen van Hongarije om de toekomstige deelneming van het land in het regionaal beleid van de Unie en daarmee voor het toekomstig beheer en gebruik van de Structuur-en Cohesiefondsen, ondersteund, via de pretoetredingsfondsen (Phare, Ispa en Sapard).
Phare heeft sedert 1998 brede steun voor institutionele opbouw verschaft (EUR 12,5 miljoen over verschillende begrotingsjaren), teneinde institutionele structuren tot stand te brengen en te versterken, in de toekomst een gezond en efficiënt beheer van de Structuur- en Cohesiefondsen van de Unie te hebben en om het proces van programmering steun te verlenen. Eveneens wordt steun geleverd om Hongarije te helpen bij de instelling van een adequaat kanaal voor projecten (van EUR 15 miljoen). Door Phare bekostigde activiteiten zullen in 2004 doorlopen om Hongarije met de eerste fase van de Structuurfondsoperaties te helpen.
Phare-kredieten hebben ook steun geboden bij investeringsactiviteiten. Wat dit betreft is voor de periode 2002-2003 een speciaal „subprogramma” ontworpen, vooral gericht op het bieden van bijstand die beter spoort met de benadering van doelstelling 1 voor de Structuurfondsen. Dit programma, berustend op het preliminair nationaal ontwikkelingsplan (pNDP) en gezamenlijk door Phare en de Hongaarse regering gefinancierd (met onderscheidenlijk EUR 84 miljoen en EUR 66,23 miljoen) is toegespitst op drie maatregelen, gericht op ondersteuning van herintegratie op de arbeidsmarkt van langdurig werklozen (en vooral de Roma), de invoering van informatietechnologie op lagere scholen en het bevorderen van plaatselijke ontwikkeling.
Al bij al heeft Phare krachtig bijgedragen aan de voorbereiding van Hongarije op de toetreding, zowel in algemeen alsook specifiek met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de Structuurfondsen. Instellingen zijn er versterkt, personeel is er opgeleid, proefprojecten zijn opgestart en het gehele land werd voor het eerst in een gemeenschappelijke oefening van programmering en tenuitvoerlegging betrokken, via het subprogramma voor economische en sociale cohesie 2002-2003.
Voor meer inlichtingen over de Phare-programma's 1998-2003 zijn er bijzonderheden over specifieke toekenningen voor subprogramma's beschikbaar op de volgende website: http://europa.eu.int/comm/enlargement/financialassistance.htm.
Wat ISPA (het instrument voor structuurbeleid voorafgaande aan de toetreding) betreft zij gezegd dat Hongarije ook van ISPA in 2000 EUR 88,3 miljoen, in 2001 EUR 90,8 miljoen, in 2002 EUR 94,2 miljoen heeft ontvangen en in 2003 EUR 94,5 miljoen zal ontvangen. De steun is grofweg gelijkelijk verdeeld tussen projecten voor het milieu en voor vervoer. In de eerste drie jaren van de werking ervan is 100 % van de ISPA-toekenning vastgelegd. De Hongaarse regering heeft bovendien beleidsdocumenten voor transport en milieu uitgewerkt.
Bijzonderheden over specifieke ISPA-projecten zijn beschikbaar op de volgende website: http://europa.eu.int/comm/regional_policy/funds/ispa/ispa_fr.htm
Het Hongaarse programma van SAPARD (specifiek toetredingsprogramma voor landbouw- en plattelandsontwikkeling) werd door de Commissie in oktober 2000 goedgekeurd. Het voorziet in de verbetering van het concurrentievermogen van de landbouwsector en de verwerkende industrie, met een nadruk op milieubescherming, en tracht het vermogen van plattelandsgebieden tot aanpassing te vergroten. De gemiddelde jaarlijkse openbare uitgaven zullen in de periode 2000-2003 EUR 50,5 miljoen belopen, waarvan EUR 38,7 miljoen door de Gemeenschap zal worden bijgedragen. Eind september 2003 zullen er 541 SAPARD-projecten zijn goedgekeurd, waarbij in totaal ongeveer EUR 40 miljoen zal zijn vastgelegd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/135 |
(2004/C 88 E/0142)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3185/03
van Geoffrey Van Orden (PPE-DE) aan de Commissie
(27 oktober 2003)
Betreft: Beperkingen op belastingvrije aankopen op de Canarische Eilanden
Waarom is het de Canarische Eilanden toegestaan EU-burgers strengere beperkingen op te leggen met betrekking tot de in- en uitvoer van belastingvrije producten (duty-free) dan andere regio's van de EU?
Indien het een afwijking van de normale EU-normen betreft, wanneer zal er een einde komen aan deze afwijking?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(17 december 2003)
Bepaalde gebieden, waartoe ook de Canarische Eilanden behoren maken, hoofdzakelijk om historische en geografische redenen, geen deel uit van het fiscale gebied van de Gemeenschap (1). Om die reden mogen de Canarische Eilanden bij de invoer en uitvoer van goederen door reizigers die uit de Unie komen andere beperkingen opleggen dan in de Gemeenschap het geval is.
Het speciale statuut dat de Canarische Eilanden werd toegekend is niet beperkt in de tijd. Er kan evenwel een einde aan worden gemaakt hetzij op initiatief van de Commissie (2) door middel van de nodige voorstellen, hetzij, wat de accijnzen betreft, door een kennisgeving van Spanje (3).
(1) Zie artikel 3, lid 3, van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag; PB L 145 van 13.6.1977 en artikel 2 van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, PB L 76 van 23.3.1992.
(2) Zie artikel 3, lid 5, van de Zesde BTW-Richtlijn.
(3) Zie artikel 2, lid 2, van Richtlijn 92/12/EEG.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/136 |
(2004/C 88 E/0143)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3223/03
van Anna Karamanou (PSE) aan de Commissie
(31 oktober 2003)
Betreft: Kinderen ter dood veroordeelt op de Filippijnen
In een recent verslag van Amnestie International wordt onthuld dat op de Filippijnen kinderen in gevangenissen zijn gedetineerd die ter dood zijn veroordeeld en wachten op hun executie. Niet alleen volgens het Verdrag inzake de rechten van het kind, waarbij ook de Filippijnen partijen zijn, maar ook volgens het eigen nationale recht kunnen mindere jarige daders — indien zij het misdrijf voor hun achttiende jaar hebben begaan — niet ter dood worden veroordeeld en evenmin worden terechtgesteld. Het is dus duidelijk dat de Filippijnse staat met deze praktijk zowel het nationale als het internationale recht schendt.
Welke actie denkt de Commissie te ondernemen om druk uit te oefenen op de regering van de Filippijnen, zodat deze zich ook in de praktijk zal houden aan de door het nationale en internationale recht gestelde beperkingen op straffen voor mindere jarige daders?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(3 december 2003)
De Commissie deelt de door het geachte parlementslid tot uitdrukking gebrachte bezorgdheid over het vermeende ter dood veroordelen van kinderen op de Filippijnen.
De Commissie bevestigt dat de Filippijnen de Internationale Conventie voor de rechten van het kind mede heeft ondertekend en dat, in de toepassing van deze conventie, artikel 47 van het wetboek van strafrecht van de Filippijnen stelt dat de doorstraf niet mag worden opgelegd als de overtreder op het moment waarop de misdaad wordt begaan, jonger is dan achttien jaar.
Uit onderzoek blijkt dat de leeftijd van de verdachte niet automatisch in het dossier van een zaak is opgenomen als deze voor de rechter komt. Rechters vragen niet consequent naar de leeftijd van een verdachte en alleen als de verdediging het aan de orde stelt wordt er in de uitspraak van het hof met de leeftijd rekening gehouden. Dit is met name een probleem voor degenen die zich geen particuliere juridische vertegenwoordiging kunnen veroorloven. Het probleem wordt nog gecompliceerder door het feit dat sommige veroordeelden geen geboortebewijs hebben, waardoor het moeilijk te bewijzen is dat zij minderjarig zijn.
Er zijn momenteel op de Filippijnen zeventien mensen die ter dood zijn veroordeeld die naar verluidt minderjarig waren op het moment waarop de misdaad waarvoor zij zijn veroordeeld, werd gepleegd. De stichting Philippine Jesuit Prison Service heeft deze kwestie onder de aandacht gebracht van de Hoge Raad van de Filippijnen. De Hoge Raad heeft een regionaal hof nu opdracht gegeven de werkelijke leeftijd van deze mensen te verifiëren.
De Commissie heeft via haar delegatie in Manilla en samen met de vertegenwoordigingen van de lidstaten op de Filippijnen de ontwikkelingen met betrekking tot de doodstraf op de voet gevolgd en heeft tegen de regering bij diverse gelegenheden bij politieke stappen van de ministeriële trojka haar bezorgdheid geuit.
Bovendien is de kwestie van de doodstraf een constant element in het samenwerkingsbeleid van de Commissie met de Filippijnen. In het kader van het Europees initiatief voor de democratie en de bescherming van de mensenrechten (EIDHR) geeft de Commissie steun aan plaatselijke niet-gouvernementele organisaties (NGO's) en instellingen die zich actief inspannen voor de afschaffing van de doodstraf.
De fondsen die sinds november 2000 voor dit doel beschikbaar zijn gesteld bedragen in totaal EUR 805 798 en worden besteed aan acties zoals het verlenen van gratis juridische hulp aan onvermogende terdoodveroordeelden, de opleiding van advocaten en rechters, DNA-tests na de veroordeling (gericht op het vinden van bewijs dat kan helpen bij het herzien van onterechte veroordelingen), onderzoek en lobbyactiviteiten.
Zoals wordt aangetoond door de kwestie van de ter door veroordeelde minderjarigen heeft het rechtssysteem op de Filippijnen een aantal tekortkomingen. De Commissie heeft dit aangewezen als een van haar prioritaire gebieden voor steun aan het land en gaat een „good governance”-programma financieren dat zich richt op de verbetering van de toegankelijkheid van justitie voor de armen.
Een wetsvoorstel tot afschaffing van de doodstraf op de Filippijnen is ingediend bij zowel het parlement als de senaat en is, na in mei 2003 op commissieniveau te zijn afgerond, klaar om te worden besproken in beide kamers van het congres. Maar hoewel de groeperingen die lobbyen voor de afschaffing van de doodstraf voldoende steun lijken te hebben vergaard om het wetsvoorstel in beide kamers te doen bekrachtigen, neemt de waarschijnlijkheid dat dit gebeurt af naarmate de verkiezingen in mei 2004 naderen, omdat de doodstraf op de Filippijnen nog steeds een controversiële kwestie is.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/137 |
(2004/C 88 E/0144)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3244/03
van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Commissie
(3 november 2003)
Betreft: Policy Coherence for Development — netwerk
Op initiatief van Nederland is onlangs een Policy Coherence for Development — netwerk opgericht dat als doel heeft het bevorderen van informatie-uitwisseling tussen de EU-lidstaten over coherentiedossiers.
|
1. |
Kan de Commissie aangeven hoe dit netwerk werkt? |
|
2. |
Wat zijn de eerste resultaten van de informatie-uitwisseling? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(11 december 2003)
Tijdens de bijeenkomst op 2 en 3 oktober 2003 van Directeurs-generaal voor Ontwikkelingssamenwerking van de Unie heeft de Nederlandse directeur-generaal een voorstel ingediend om op hoog niveau een informeel netwerk over coherentie te creëren, dat capaciteitsopbouw en coördinatie zou bevorderen en concrete doelstellingen voor werkzaamheden betreffende coherentie zou vaststellen. De deelnemers zouden elkaar informeren over beleidsinitiatieven met implicaties voor ontwikkelingssamenwerking en elkaar waarschuwen voor bestaande incoherenties.
Het hoofddoel van het netwerk zou zijn de coördinatie tussen de lidstaten te verbeteren. Wat essentiële kwesties van beleidscoherentie betreft, zouden de lidstaten diepgaander met elkaar communiceren en coördineren: informatie over hangende besluiten uitwisselen, analyses van ontwikkelingsaspecten delen, standpunten uitwerken en waar mogelijk strategieën coördineren. Er werd aangevoerd dat die uitwisselingen ertoe zullen bijdragen dat bij de besluitvorming op het niveau van de Unie daadwerkelijk met de dimensie ontwikkeling rekening zal worden gehouden.
Het voorstel werd zeer gunstig onthaald.
De Commissie zal aan dit netwerk deelnemen als één van de leden ervan.
In dit stadium bevindt het netwerk zich nog in zijn initiële fase. De lidstaten wijzen coördinatoren aan voor informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de lidstaten en met de Commissie betreffende coherentiekwesties. Er wordt gewerkt aan de opstelling van een lijst van prioriteiten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/137 |
(2004/C 88 E/0145)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3252/03
van Baroness Sarah Ludford (ELDR) aan de Commissie
(3 november 2003)
Betreft: Internationaal tribunaal voor misdrijven in voormalig Joegoslavië (ICTY)
De Raad Externe Betrekkingen van 13 oktober, diep bezorgd over het feit dat enkele westerse Balkanlanden nog steeds niet bereid zijn om voldoende mee te werken met het internationaal tribunaal voor misdrijven in voormalig Joegoslavië, herhaalt de nood aan het intensiever streven om Radovan Karadzic, Generaal Mladic en Generaal Gotovina voor het ICTY te brengen.
In haar Gemeenschappelijk Standpunt 2003/280/GBVB (1) van 16 april 2003 heeft de Raad maatregelen aangenomen om het binnenkomen in of de doorreis over het grondgebied van de lidstaten te ontzeggen aan personen die het mandaat van het ICTY hinderen. Dit had vooral in Bosnië en Herzegovina (BiH) een positief effect.
Welke stappen onderneemt de Commissie om de lijst van personen in bijlage van het Gemeenschappelijk Standpunt te verruimen met zij die voortvluchtige personen helpen zich aan berechtiging te onttrekken?
Zullen zij die Karadzic, Mladic en Gotovina onderbrengen, wiens respectievelijke netwerken in Kroatië, Servië en Montenegro door het ICTY als gewichtig zijn beschreven, nu worden onderworpen aan het reisverbod?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(26 november 2003)
Met Gemeenschappelijk Standpunt 2003/280/GBVB van 16 april 2003 heeft de Raad maatregelen genomen om het binnenkomen in of de doorreis over het grondgebied van de lidstaten te ontzeggen aan personen die zich bezighouden met activiteiten die anderen helpen zich te onttrekken aan de justitie voor misdaden waarvoor het Internationaal Oorlogstribunaal (ICTY) hen heeft aangeklaagd.
Bij de aanneming van dit gemeenschappelijk standpunt is de Raad overeengekomen dat waar nodig wijzigingen in de lijst van personen die in de bijlage zijn genoemd, kunnen worden goedgekeurd. Zo heeft de Raad op 27 juni 2003 overeenkomstig Besluit 2003/484/GBVB van de Raad (2), na aanbevelingen van het bureau van de hoge vertegenwoordiger voor Bosnië en Herzegovina en na overleg met het Internationaal Oorlogstribunaal nieuwe namen toegevoegd.
De Commissie en de lidstaten blijven in contact met het Oorlogstribunaal en de hoge vertegenwoordiger voor Bosnië en Herzegovina en houden de lijst onder toezicht. Wanneer nieuwe bewijzen betreffende andere personen aan het licht komen, kunnen passende maatregelen worden ondernomen.
(1) PB L 101 van 23.4.2003, blz. 22.
(2) PB L 162 van 1.7.2003, gewijzigd bij PB L 178 van 17.7.2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/138 |
(2004/C 88 E/0146)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3263/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(4 november 2003)
Betreft: De bevoegdheid van het gewest Wallonië om wapenexport toe te staan en inzet van deze wapens voor onderdrukking van de bevolking van Nepal
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat de financiering van 5 500 door de staat Nepal bij de Belgische wapenfabriek FN Herstal aangekochte machinegeweren ten koste is gegaan van armoedebestrijding, onderwijs, gezondheidszorg en het organiseren van verkiezingen en dat deze wapens ruim een jaar na het plaatsen van de bestelling alle inzetbaar zijn? |
|
2. |
Is het de Commissie tevens bekend dat sinds het leveren van deze wapens de koninklijke regering en het leger de in het eerste halfjaar van 2003 gestarte dialoog met de oppositie hebben beëindigd en dat de wapens in het westen van Nepal massaal worden ingezet voor het doden van ongewapende burgers die ervan verdacht worden dat zij zich mogelijk zouden kunnen aansluiten bij het verzet tegen de in dit land traditioneel heersende ongelijkwaardigheid van mensen? |
|
3. |
Acht de Commissie het leveren van dergelijke wapens aan een conflictgebied zoals Nepal voor deze doeleinden verenigbaar met de gedragscode van de EU inzake export van wapens? |
|
4. |
Zijn alleen lidstaten van de EU aan deze gedragscode gebonden of ook de afzonderlijke deelstaten daarbinnen, zoals het gewest Wallonië waaraan de bevoegdheid tot het exporteren van wapens is overgedragen door de federale regering van België en dat hierover primair oordeelt op grond van de werkgelegenheid die de wapenproductie oplevert? |
|
5. |
Hoe wordt herhaling van deze betreurenswaardige gang voorkomen, zodat er niet nog meer wapens voor binnenlandse uitroeiingscampagnes en standrechtelijke executies in Nepal of in andere soortgelijke streken terecht kunnen komen? |
Bron: De Belgische krant „De Morgen” van 17.10.2003.
Antwoord van de heer Patten Namens de Commissie
(4 december 2003)
De Commissie is volledig op de hoogte van het lopende conflict in Nepal. Zij betreurt de opschorting van de vredesbesprekingen op 27 augustus 2003 en de daaropvolgende toename van geweld en het verlies van mensenlevens ten zeerste.
De wapenhandel valt momenteel onder het Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid (GBVB) waar de Commissie volledig bij betrokken is. In juni 1998 heeft de Unie in het kader van het GBVB de gedragscode inzake export van wapens goedgekeurd, op basis van criteria die de lidstaten beloofd hebben na te komen.
Alhoewel de Commissie de zorgen van het geachte parlementslid deelt, kan zij enkel bevestigen dat zij noch de bevoegdheid, noch de middelen heeft om de wapenexport te controleren. De volledige verantwoordelijkheid voor wapenexportvergunningen is een interne zaak van de lidstaten. Zij dienen deze te organiseren op een manier die zij gepast achten voor het nakomen van de verplichtingen die zij in het kader de gedragscode op zich hebben genomen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/139 |
(2004/C 88 E/0147)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3292/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(7 november 2003)
Betreft: Sharia-wetgeving
Het Centre for Legal Aid Assistance and Settlement (CLAAS), een interconfessionele organisatie in mijn kiesdistrict, wijst mij erop dat veel Christenen in Pakistan in hun dagelijkse leven bij voortduring worden bedreigd en geïntimideerd. Na de invoering van de Sharia-wetgeving eerder dit jaar door de provinciale vergadering van de noord-westelijke grensprovincie van Pakistan kunnen het Christenen en andere godsdienstminderheden niet langer vrijelijk hun geloof belijden en worden ze met geweld tot de Islam bekeerd. Ze worden voor hun geloofsovertuiging vervolgd en onder deze strenge islamitische wetgeving genieten ze niet langer bepaalde mensenrechten. Er bestaat toenemende angst dat de Muttahidda Majilis-e-Amal-alliantie van islamitische partijen (de MMA) de federale regering zal overtuigen de Sharia-wetgeving te bekrachtigen en in het hele land in te voeren.
Kan de Commissie op deze situatie reageren en haar standpunt geven over de opvatting dat niet-moslims van de toepassing van de Sharia-wetgeving zouden moeten worden vrijgesteld?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(4 december 2003)
De Commissie maakt zich zorgen over de situatie van christenen en andere religieuze minderheden in Pakistan en heeft dit bij verschillende gelegenheden via EU-diplomatieke contacten in Islamabad bij de Pakistaanse autoriteiten onder de aandacht gebracht. De delegatie van de Commissie en ambassades van lidstaten blijven deze problemen bij de regering van Pakistan ter sprake brengen.
De Sharia-wetgeving is op 19 juni 2003 in de provincie North-West Frontier Province (NWFP) van kracht geworden. Maar de verschillende commissies die zijn opgericht om de bestaande wetgeving te herzien om deze te kunnen aanpassen aan Islamitische geboden hebben nog niets ondernomen. Bovendien heeft de gouverneur van de provincie NWFP een aantal zorgen geuit over het concept van het Hasba-wetsvoorstel dat is ontworpen om de Sharia uit te voeren door een ombudsman met politiebevoegdheden aan te stellen. Deze zorgen zijn aan de Islamic Ideology Council (IIC) toegezonden die een niet-bindende mening moet geven. In deze omstandigheden is het verre van duidelijk of het parlement van de provincie NWFP het Hasba-wetsvoorstel wel zal goedkeuren. De in de provincie NWFP goedgekeurde Sharia-wetgeving is overigens bijna een exacte kopie van het Sharia-wetsvoorstel dat in 1991 landelijk werd aangenomen, maar dat nooit is ingevoerd.
De Commissie is via haar delegatie in Pakistan in regelmatig contact met verschillende plaatselijke en internationale niet-gouvernementele organisaties (NGO's) die zijn betrokken bij werkzaamheden voor religieuze minderheden en is sinds de goedkeuring van de Sharia in de provincie NWFP altijd attent geweest op mogelijke gevallen van geweld of discriminatie jegens religieuze minderheden. Tot dusverre is er geen melding gedaan van aanwijzingen dat dit soort gevallen toeneemt. Maar de minderheden beweren dat zij nu extra psychologische druk voelen en onzeker zijn over hun toekomst.
Er lijkt geen ondubbelzinnig antwoord te zijn op de vraag of niet-moslims moeten worden uitgesloten van de Sharia-wetgeving. Hoewel artikel 227, lid 1 van de Pakistaanse grondwet bepaalt dat alle bestaande wetten in overeenstemming moeten worden gebracht met de geboden van de Islam zoals deze zijn beschreven in de Heilige Koran en de Soenna, bevat de grondwet ook een aantal bepalingen die de minderheden beschermen. Artikel 20 van de grondwet staat de vrijheid van het belijden van geloof en van het beheren van religieuze instellingen toe. Artikel 36 vereist dat de staat de rechten van minderheden beschermt en artikel 227, lid 3 verbiedt alle wetten van invloed te zijn op de persoonlijke wetten van niet-moslims of op hun status als burger.
Op basis hiervan schijnt het sommige Islam-deskundigen toe dat de Sharia-wetgeving de in de grondwet erkende, hierboven genoemde rechten van minderheden dient te respecteren en dat sommige van de verplichtingen van moslims niet van toepassing zouden zijn op religieuze minderheden. Maar het concept van het Hasba-wetsvoorstel maakt een dergelijk onderscheid tussen de minderheden en de moslimmeerderheid niet: de bepalingen van het Hasba-wetsvoorstel zouden niet alleen aan moslims, maar ook aan minderheden worden opgelegd.
Ofschoon de kwestie van de toepassing van de Sharia-wetgeving dan misschien nog ter discussie staat, zal de Commissie bij de Pakistaanse autoriteiten blijven benadrukken dat de bescherming van christenen en andere minderheden noodzakelijk is en dat sektarisch geweld dient te worden voorkomen. Bovendien blijft de Commissie zich via enkele van haar samenwerkingsactiviteiten ook richten op de verbetering van de mensenrechtenproblematiek, waaronder begrepen de problemen die verband houden met het niet-discrimineren van minderheden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/140 |
(2004/C 88 E/0148)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3303/03
van Luigi Vinci (GUE/NGL) aan de Commissie
(3 november 2003)
Betreft: Turkije en het jongste rapport van de Turkse vereniging voor de mensenrechten IHD
De Turkse vereniging voor de mensenrechten IHD verklaart in haar jongste rapport, aan de hand van een uitvoerige documentatie, dat in de laatste zes maanden het aantal schendingen van de mensenrechten door de verschillende organen van de staat in Turkije even groot is geweest als in het hele vorige jaar.
Hoe denkt de Europese Commissie over deze verklaring van de IHD? Is deze verklaring naar haar mening correct of niet? Zijn de door de IHD in dit verslag gedocumenteerde gevallen, en meer in het algemeen de gevallen die zijn gedocumenteerd in andere recente rapporten van de IHD en van andere verenigingen voor de mensenrechten in Turkije, in hun totaliteit bij de Commissie bekend?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(26 november 2003)
De Commissie is op de hoogte van het verslag van de Turkse Vereniging voor de Mensenrechten. De Commissie ontvangt regelmatig rapporten die door deze vereniging zijn opgesteld samen met een aantal andere niet-gouvernementele organisaties die actief zijn op het gebied van de mensenrechten. Deze rapporten vormen een nuttige informatiebron voor de beoordeling van de mensenrechtensituatie in Turkije.
In haar periodiek verslag dat op 5 november 2003 is gepubliceerd (1), geeft de Commissie een uitvoerige beoordeling van het hervormingsproces dat in Turkije aan de gang is en van het effect van de maatregelen die zijn genomen op de mensenrechtensituatie.
(1) COM(2003)676 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/141 |
(2004/C 88 E/0149)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3375/03
van Antonios Trakatellis (PPE-DE) aan de Commissie
(10 november 2003)
Betreft: Kernenergie: ontmanteling van centrales en integratie van de kostprijs
De bevordering van kernenergie is een prioriteit, zowel in de Europese Unie met de tien nieuwe lidstaten, als in de landen die kandidaat zijn voor de toetreding. Op grond van een evaluatie heeft de Commissie de sluiting van bepaalde centrales geëist (Kozlodoy 1-4, Ignalina 1 en 2 en Bohunice 1 en 2) die niet tegen een redelijke kostprijs kunnen worden aangepast aan de internationaal aanvaarde veiligheidsniveaus. De Commissie heeft anderzijds ook geëist dat de veiligheid van de andere reactoren in de kandidaatlanden wordt verbeterd om tot een niveau van veiligheid te komen dat vergelijkbaar is met het huidige niveau dat nu in de Unie voor equivalente centrales geldt. Bulgaarse functionarissen hebben echter onlangs verklaard dat zij opnieuw willen onderhandelen over de sluiting van centrale 3 en 4 van Kozloduy, wat uiteraard aanleiding geeft tot onrust.
Hoe zal de Commissie ervoor zorgen dat de staten hun verplichtingen nakomen die zij zelf zijn aangegaan in memoranda welke door de Commissie en desbetreffende landen (bijvoorbeeld Bulgarije) zijn ondertekend? Hoe zal zij ervoor zorgen dat uitvoering wordt gegeven aan de partnerschapsovereenkomsten met de EU inzake de sluiting en ontmanteling van gevaarlijke centrales die niet tegen een redelijke kostprijs kunnen worden aangepast aan de internationaal aanvaarde veiligheidsniveaus?
Welke acties zijn of worden ondernomen en welke kredieten en leningen zijn of worden verstrekt voor de ontmanteling van gevaarlijke centrales die niet tegen een redelijke kostprijs kunnen worden aangepast aan de internationaal aanvaarde veiligheidsniveaus? Welke maatregelen zijn genomen zodat geen financiering wordt verstrekt voor projecten of acties in landen die de door hen aangegane internationale verplichtingen niet naleven of schenden?
Welke maatregelen denkt de Commissie te nemen voor de integratie van de externe kosten van kernenergie, die voortvloeien uit de uitgaven voor ontmanteling of modernisering met verbeterde veiligheid, zodat de mededinging op de markt van de elektrische energie in de Unie niet in het gedrang komt?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(8 december 2003)
Bulgarije heeft zich in het kader van de voorlopige afronding van het hoofdstuk energie van de toetredingsonderhandelingen op 18 november 2002 verplicht tot het sluiten van reactors 1 en 2 van de kerncentrale van Kozloduy eind 2002. Bulgarije heeft zich ook verplicht tot het sluiten van reactors 3 en 4 in 2006. In de context van het zogenaamde „peer review”-mechanisme onder auspiciën van de Europese Raad heeft de EU opdracht gegeven tot uitvoering van een missie van deskundigen naar Bulgarije, zoals is overeengekomen in de toetredingsonderhandelingen. Deze missie heeft plaatsgevonden van 17 tot 19 november 2003 en de resultaten zullen worden beoordeeld door de Raad.
De aangegane verplichtingen tot sluiting van de kerncentrale van Ignalina in Litouwen en van kerncentrale VI in Bohunice, Slowakije zijn opgenomen in protocollen bij het toetredingsverdrag. De Commissie zal het voorstel doen de verplichtingen tot het sluiten van de kerncentrale in Kozloduy op soortgelijke wijze en op het juiste moment op te nemen in het toetredingsverdrag voor Bulgarije.
De Commissie verwacht dat de landen hun sluitingsverplichtingen volledig zullen naleven als onderdeel van de toekomstige primaire wetgeving van de EU en zal deze naleving op de voet blijven volgen.
Ter ondersteuning van de ontmanteling en om in te spelen op de gevolgen van de sluiting en ontmanteling heeft de Gemeenschap via financieringsbesluiten tot en met 2003 de volgende bedragen ter beschikking gesteld:
|
— |
Slowakije: 90 miljoen euro |
|
— |
Litouwen: 210 miljoen euro |
|
— |
Bulgarije: 158,75 miljoen euro |
Wat de periode na de toetreding betreft ontvangt Litouwen van 2004 tot 2006 extra financiële bijstand voor ontmanteling tot een bedrag van EUR 285 miljoen. De EU heeft zich bovendien verplicht om ook na 2006 voldoende extra communautaire steun te blijven leveren aan de ontmanteling van de centrale in Litouwen.
Wat Slowakije betreft bedraagt de financiële bijstand voor 2004 tot 2006 EUR 90 miljoen. De EU onderkent dat het proces van ontmanteling ook na 2006 nog zal moeten doorgaan en dat deze inspanning voor Slowakije een aanzienlijke financiële last vormt. Met deze situatie zal bij de besluitvorming over de continuering van communautaire steun op dit gebied na 2006 rekening worden gehouden.
Wat Bulgarije betreft zou de reeds geprogrammeerde EUR 158,75 miljoen kunnen worden verhoogd tot EUR 200 miljoen, op voorwaarde dat de begrotingsautoriteit dit goedkeurt. Bovendien heeft de Europese Unie bij gelegenheid van de voorlopige afronding van het hoofdstuk energie, waarin Bulgarije zich verplicht tot de sluiting van reactors 3 en 4 in 2006, aangegeven bereid te zijn meer steun in overweging te nemen. Een Euratom-lening van EUR 212,5 miljoen voor de modernisering van reactors 5 en 6 maakt deel uit van het bijstandspakket.
Het overgrote deel van de verleende steun wordt via speciale fondsen voor ontmanteling geleid, welke fondsen worden beheerd door de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) en waaraan ook andere donoren bijdragen.
De regels van de drie internationale steunfondsen voor ontmanteling bevatten expliciete bepalingen ten aanzien van de voorwaardelijkheid van deze programma's in verband met de aangegane sluitingsverplichtingen.
In de Europese Unie reserveren de exploitanten van kerncentrales voorzieningen om toekomstige kosten van ontmanteling en het beheer van het bijbehorende radioactieve afval te kunnen dekken. Deze voorzieningen worden doorgaans geworven door één procent in te houden van de prijs van de verkochte energie. Kosten van ontmanteling zijn dan ook opgenomen in de kosten van het opwekken van de geproduceerde elektriciteit. De aanpassingen aan de centrales die het gevolg zijn van veiligheidseisen worden over het algemeen behandeld als investeringen en zijn als zodanig onderhevig aan de financiële regelgeving van elk land.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/142 |
(2004/C 88 E/0150)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3382/03
van Cristiana Muscardini (UEN) aan de Commissie
(17 november 2003)
Betreft: Ontvoering van een vrijwilliger van Artsen zonder Grenzen
Op 12 augustus 2003 werd Arjan Erkel, vrijwilliger van Artsen zonder Grenzen en hoofd van de missie in de Kaukasus, door drie gewapende mannen ontvoerd in Machatsjkala, hoofdstad van Dagestan. Sedertdien heeft Artsen zonder Grenzen niets meer van hem vernomen en evenmin losgeld- of andere eisen ontvangen. Dokter Erkel is de vierde vrijwilliger van Artsen zonder Grenzen die sedert 1996 in het noorden van de Kaukasus is ontvoerd. In deze regio zijn sedert 1995 56 vrijwilligers van humanitaire organisaties ontvoerd. Sinds 1994, jaar waarin het eerste conflict begon, zijn circa 200 000 mensen om het leven gekomen (ongeveer 20 % van de bevolking) en zijn nog eens 300 000 mensen weggevlucht, hetzij naar kampen op Tsjetsjeens grondgebied, hetzij naar kampen in Ingoesjetië. Uit deze zoveelste ontvoering van een vrijwilliger van een humanitaire organisatie blijkt hoe onzeker de arbeidomstandigheden zijn en aan welke risico's degenen zijn blootgesteld die de burgerbevolking soelaas willen bieden in regio's waar geweld aan de orde van de dag is en humanitaire acties niet worden gerespecteerd.
|
1. |
Welke initiatieven kan de Commissie, in het licht van deze rampzalige en treurige situatie, nemen om dokter Erkel te helpen? |
|
2. |
Welke stappen denkt zij te nemen om het werk van de onafhankelijke humanitaire organisaties in veilige omstandigheden mogelijk te maken, om te zorgen dat zij toegang hebben tot de burgerbevolking in de regio's aan de grens met Tsjetsjenië waar vluchtelingen verblijven en om te ijveren voor de hervatting van de onderhandelingen? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(17 december 2003)
De Commissie is ernstig bezorgd over het welzijn van de heer Erkel die medewerkte aan een project dat gefinancierd werd door het Bureau voor Humanitaire Hulp van de Europese Gemeenschap (ECHO) toen hij in Dagestan werd ontvoerd. De Commissie heeft bij talrijke gelegenheden — onder meer naar aanleiding van de Top/EU/Rusland in Rome op 6 november 2003 — Rusland om hulp verzocht om de heer Erkel zo spoedig mogelijk vrij te krijgen.
De Commissie is — via ECHO — de belangrijkste donor van humanitaire hulp in de noordelijke Kaukasus. Zij is zich bewust van de zeer slechte omstandigheden op het gebied van veiligheid waarin de hulpverleners moeten werken, met name in Tsjetsjenië zelf. De Commissie heeft de Russische autoriteiten herhaaldelijk verzocht het ter beschikking stellen van humanitaire hulp te vergemakkelijken door hulpverleners de toegang tot Tsjetjenië te vergemakkelijken, niet gouvernementele organisaties (NGO's) toegang te verschaffen tot de very high frequency-communicatie (VHF-communicatie) van de Verenigde Naties, door de veiligheid van de hulpverleners garanderen en door ECHO toe te staan een bureau te openen in Nazran, Ingoesjetië. De Commissie betreurt het dat Rusland tot dusverre geen concrete maatregelen heeft genomen. In tegendeel, het systeem om toegang te verkrijgen tot Tsjetsjenië s nog ondoorzichtiger geworden dan voordien en de onveiligheid blijft zeer groot.
De Commissie zal verder bijeenkomsten met het oog op politieke dialoog aangrijpen om de Russische autoriteiten aan te sporen om de toegang tot en de veiligheid in de noordelijke Kaukasus te verbeteren.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/143 |
(2004/C 88 E/0151)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3399/03
van Olle Schmidt (ELDR) aan de Commissie
(17 november 2003)
Betreft: Azerbeidzjan
In Azerbeidzjan zijn onlangs presidentsverkiezingen gehouden die werden gevolgd door opstootjes en politieke onrust. Ilham Alijev, de nieuwe president en zoon van de vorige president, is reeds hard opgetreden tegen iedere vorm van oppositie. Azerbeidzjan is een land met grote zorgen, massa's vluchtelingen, een vernietigd milieu en conflicten met zijn buren. Tegelijkertijd zijn er omvangrijke rijkdommen te halen in de vorm van aardolie, waardoor de regio alom in de belangstelling staat, o.m. in de VS en de Europese Unie. Deze economische belangstelling mag echter niet tot gevolg hebben dat wij van onze kant een oogje dichtknijpen voor de binnenlandse wantoestanden in Azerbeidzjan. In het land bestaat een grote behoefte aan hervormingen en opbouw, hetgeen volstrekt mogelijk is als de verwachte olieinkomsten kunnen worden ingezet. Wat er nu gebeurt wijst er echter veeleer op dat het land het domein wordt van de Alijev-kliek, op wier agenda ontwikkeling in de richting van democratie en verbeterde levensomstandigheden niet bovenaan genoteerd staan.
Kan de Commissie derhalve mededelen welke maatregelen zijn genomen om te waarborgen dat de democratische ontwikkeling in Azerbeidzjan gelijke tred houdt met de economische samenwerking? Worden door de EU voorwaarden gesteld in verband met investeringen e.d.; dienen deze bij voorbeeld te worden gekoppeld aan vooruitgang in de richting van democratie, mensenrechten, de situatie van vluchtelingen en gebruik van de olie-inkomsten van het land ten gunste van het gehele volk?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(17 december 2003)
De Commissie verleent met haar programma's voor technische bijstand en andere hulpprogramma's sinds 1992 steun aan Azerbeidzjan bij de overgang naar een democratische samenleving gebaseerd op een vrijemarkteconomie. Op dit moment is het voornaamste doel van deze bijstandsprogramma's armoedevermindering en hervorming van de overheidsinstellingen. De regering van Azerbeidzjan is onlangs gestart met de tenuitvoerlegging van het staatsprogramma voor armoedevermindering en economische ontwikkeling (Spred). Dit programma is door de internationale financiële instellingen en de bredere donorgemeenschap goed ontvangen. Het biedt een kader voor donorbijstand in Azerbeidzjan. Alleen als de fundamentele en onderliggende problemen worden aangepakt, kan vooruitgang worden geboekt op de weg naar de democratie en een vrijemarkteconomie.
De Commissie voert met de lidstaten een zeer actieve dialoog over een breed scala van vraagstukken, waaronder de vooruitgang op het gebied van de democratie, de mensenrechten en het gebruik van de olieopbrengsten op een zodanige manier dat de hele bevolking daarvan profiteert. De Commissie is met haar programma voor herstel van door de oorlog getroffen gebieden één van de grootste donors die bijstand verleent aan vluchtelingen en ontheemden in Azerbeidzjan.
De regering van Azerbeidzjan doet sinds kort een beroep op haar oliefonds om vluchtelingen te steunen die zich in de verschillende regio's van Azerbeidzjan hebben gevestigd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/144 |
(2004/C 88 E/0152)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3402/03
van Anna Karamanou (PSE) aan de Commissie
(11 november 2003)
Betreft: „Kruisamputatie” bij een zestienjarige in Soedan
Volgens recente berichten van Amnesty International heeft een Soedanese rechtbank een zestienjarige jongeman die ervan wordt verdacht een gewapende overval te hebben gepleegd, als straf een kruisamputatie (amputatie van de linkerhand en de rechtervoet) opgelegd. Mocht dit vonnis rechtskracht krijgen, dan zal het onverwijld worden uitgevoerd.
Amputatie als straf komt in feite neer op foltering en is dan ook een zeer ernstige schending van de mensenrechten, te meer daar Soedan talrijke verdragen tot bescherming van de mensenrechten en ter veroordeling van foltering heeft geratificeerd. Dit soort straffen zijn niet ongewoon in een land waar ook bepalingen uit het islamitisch recht (sharia) in het rechtsstelsel en het strafrecht voorkomen.
Welke maatregelen is de Commissie voornemens te treffen om druk uit te oefenen op de Soedanese regering om te bewerkstelligen dat de tenuitvoerlegging van voornoemd vonnis wordt opgeschort en folterpraktijken worden afgeschaft teneinde naleving door Soedan van door dat land ondertekende verdragen tot bescherming van de mensenrechten te waarborgen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(10 december 2003)
Over de toepassing van lijfstraffen werd herhaaldelijk contact opgenomen met de Soedanese Regering in het kader van de politieke dialoog EU-Soedan waarvan mensenrechten één van de belangrijkste componenten is. De regering in Khartoem reageerde meestal ontwijkend en wees erop dat Sharia in Soedan de rechtsgrond is en blijft. Dit werd, ten minste voor het noordelijk en centrale gedeelte van het land, ook bevestigd in het Machakos-Protocol van 2 juli 2002, een belangrijke mijlpaal in het vredesproces dat door de Unie algemeen wordt gesteund.
De Commissie zal haar delegatie in Khartoem vragen om nadere inlichtingen in te winnen over de omstandigheden van de zaak waarnaar door Amnesty International wordt verwezen en deze zaak onder de aandacht brengen van de Troika van de Unie zodat ze tijdens de komende missie op hoog niveau naar Khartoem in december 2003 besproken kan worden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/144 |
(2004/C 88 E/0153)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3435/03
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(20 november 2003)
Betreft: Bulgaarse provocatie aan het adres van een EU-lidstaat
Volgens Griekse krantenberichten is in Bulgarije een postzegel in omloop gebracht waarop een deel van de Athosberg (namelijk het Zografosklooster) staat afgebeeld als deel van het Bulgaars grondgebied. Ondanks de protesten van Griekse zijde weigert de Bulgaarse overheid de zegel in te trekken met het argument dat de postzegel is uitgegeven in juni 2001 onder de regering-Kostov, en dat het uit de omloop halen van de zegel reacties zou uitlokken bij de oppositie.
Is deze provocerende houding van Bulgarije aan het adres van een EU-lidstaat in overeenstemming met het gedrag dat een kandidaatland van de EU zou moeten tonen? Is de Commissie voornemens in te grijpen om de circulatie van deze postzegel tegen te gaan en opdat dit land zou inzien dat dergelijke praktijken niet stroken met het kandidaatschap van de EU, en zo ja, hoe?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(12 januari 2004)
Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, zouden de postzegels waarnaar het geachte parlementslid verwijst, het Zografosklooster afbeelden, een klooster dat in Griekenland is gelegen en een orde huisvest die Bulgaars spreekt.
De Unie heeft echter geen bevoegdheid op het gebied van postzegels. De Commissie kan dan ook geen maatregelen nemen om te voorkomen dat de betrokken postzegel in omloop wordt gebracht.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/145 |
(2004/C 88 E/0154)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3443/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(20 november 2003)
Betreft: Palestijnse Autoriteit — verduistering van middelen
Volgens de pers is in het programma „Sixty minutes” van de Noord-Amerikaanse omroep CBS aan het licht gekomen dat Yasser Arafat 800 miljoen dollar op zijn persoonlijke bankrekeningen heeft staan. Dit geld zou afkomstig zijn uit de kas van de Nationale Palestijnse Autoriteit waarvan hij de president is.
Volgens dezelfde bron heeft CBS bevestigd dat de Palestijnse Autoriteit maandelijks 100 000 dollar op de persoonlijke bankrekening van de vrouw van Arafat, die momenteel in Parijs woont, stort en dat de bedragen die door Arafat zijn verduisterd afkomstig zijn uit steunfondsen die regelmatig door de internationale gemeenschap worden geschonken om het Palestijnse volk te helpen.
Kan de Commissie gezien het voorafgaande mededelen over welke informatie zij beschikt met betrekking tot deze vermeende verduistering van middelen? Weet zij of heeft zij getracht erachter te komen of hiermee ook communautaire middelen gemoeid zijn?
Heeft zij bij de Nationale Palestijnse Autoriteit stappen ondernomen, of denkt zij deze te nemen, om haar versie van de feiten te horen en haar erop te wijzen dat de financiën en de begroting strikt beheerd moeten worden?
Tot welke gevolgen kunnen deze onthullingen leiden in het kader van de huidige en toekomstige toekenning van financiële steun aan de Nationale Palestijnse Autoriteit? Welke criteria op het gebied van financiële transparantie moet volgens de Commissie aangescherpt worden en als voorwaarde gesteld worden voor de toekomstige toekenning van eventuele steun?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(15 januari 2004)
De door het geachte parlementslid vermelde beweringen in het recente programma van CBS zijn de Commissie bekend. Deze beweringen hebben betrekking op commerciële activiteiten, investeringen en extrabudgettaire inkomsten, die werden gespecificeerd in een verslag van 15 september 2003 van het Internationaal Monetair Fonds (IMF). Bedoelde activiteiten hadden plaats in de periode 1995-2000 en het gaat volgens het IMF om een totaal bedrag van ongeveer 898 miljoen USD. Er zijn geen middelen van de Unie mee gemoeid.
De Commissie is eveneens op de hoogte van de beweringen betreffende de betalingen van de heer Arafat op de persoonlijke rekening van zijn vrouw. Het Ministerie van Financiën van de Palestijnse Autoriteit (PA) heeft aan de Commissie meegedeeld dat bedoelde betalingen ten bedrage van tienduizenden (niet miljoenen) dollar zijn gedaan uit de aan de President toegewezen begrotingsmiddelen.
De Commissie heeft de PA formeel de verplichting opgelegd de in het verslag van het IMF bedoelde middelen betreffende Palestijnse commerciële activiteiten, investeringen en extrabudgettaire inkomsten te consolideren in het Palestijns Investeringsfonds waarover het Ministerie van Financiën de volledige controle heeft. Salam Fayaad, de Minister van Financiën van de PA heeft daaraan uitvoering gegeven. De internationale firma Standard and Poor's houdt zich op dit ogenblik bezig met de audit van bedoelde middelen en de recentste resultaten van deze audit zijn op het Internet bekendgemaakt. Het is een rechtstreeks resultaat van de aan de steun van de Commissie verbonden voorwaarden dat aan genoemd gebruik van extrabudgettaire rekeningen een einde werd gemaakt.
In overeenstemming met de aan de financiële steun van de Commissie verbonden voorwaarden dient de PA uitvoerig verslag uit te brengen over haar begrotingsverrichtingen en uitgaven. De desbetreffende gegevens, gespecificeerd als salariskosten, bestuursuitgaven en transfers, worden op maandbasis bekendgemaakt en voor parlementair toezicht ter beschikking gesteld van de Palestijnse Wetgevende Raad.
De Commissie zal aan de huidige en toekomstige steun aan de Palestijnse Autoriteit hervormingsvoor-waarden blijven koppelen waarbij de PA zich moet verbinden tot aanhoudende verbetering van het systeem van de financiële controle, een degelijk financieel beheer en volledige verantwoordingsplichtigheid.
De Commissie vult deze voorwaardelijke steun overigens aan met speciaal afgestemde programma's inzake institutionele opbouw, ter uitbreiding van de administratieve capaciteit van de PA. Een voorbeeld hiervan is het uitgebreide opleidingsprogramma voor personeel van het Ministerie van Financiën betreffende moderne interne controlemethoden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/146 |
(2004/C 88 E/0155)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3449/03
van Peter Skinner (PSE) aan de Commissie
(20 november 2003)
Betreft: Smokes Direct, Spanje
Smokes Direct, een bedrijf dat in de Spaanse stad Malaga werkzaam is, verkoopt sigaretten waarover geen bijkomende douanerechten of BTW behoeven te worden betaald. Een inwoner van mijn kiesdistrict heeft een klacht ingediend toen de bij dit bedrijf gekochte sigaretten aan de grensovergang door de Britse douaneautoriteiten in beslag werden genomen wegens het niet betalen van douanerechten. Smokes Direct prijst zichzelf aan als een bedrijf dat als tussenpersoon kan optreden voor de klant, bij de aankoop en de levering van sigaretten aan een derde partij die op geen enkele manier bij de betaling is betrokken, waardoor geen bijkomende rechten behoeven te worden betaald. De sigaretten worden als een schenking tussen de derde partij en de klant beschouwd, en Smokes Direct handelt als tussenpersoon voor de koper bij het leveren van deze „schenking”.
Ik heb de inwoner van mijn kiesdistrict op richtlijn 92/12/EEG (1) gewezen, maar het blijft onduidelijk of Smokes Direct, een organisatie met winstoogmerk, al dan niet mag beweren dat het als tussenpersoon en niet als verkoper mag optreden en wat onder dergelijke omstandigheden de technische kenmerken van een „schenking” precies zijn. Is de Commissie bereid om de activiteiten van dit bedrijf te onderzoeken en te bevestigen of deze praktijk al dan niet wettelijk is toegestaan?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(18 december 2003)
De Commissie kan het geachte parlementslid meedelen dat de kwestie van het intracommunautaire verkeer van sigaretten en andere accijnsgoederen die aan de geharmoniseerde EU-voorschriften zijn onderworpen, is geregeld bij Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop.
Bij transacties zoals die van Smokes Direct is er sprake van afstandsverkoop, wat onder artikel 10 van de richtlijn valt. Kort samengevat bepaalt dit artikel dat wanneer een particulier accijnsgoederen koopt die direct of indirect door de verkoper of voor diens rekening worden verzonden of vervoerd, accijns wordt geheven in de lidstaat van bestemming, d.w.z. de lidstaat waarnaar de goederen worden verzonden. De accijns wordt verschuldigd door de verkoper op het tijdstip van de levering, en deze mag om teruggaaf van de accijns verzoeken die eerder in de lidstaat van verzending werd betaald. De EU-jurisprudentie (zaak C-296/95 (2)) regelt de positie van „vertegenwoordigers” bij transacties van deze aard en doet geen afbreuk aan bovengenoemd standpunt.
Aangezien de lidstaat van bestemming binnen de interne markt slechts over een beperkte speelruimte beschikt om de naleving van deze bepalingen af te dwingen, ligt de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat verkopers de in artikel 10 vastgestelde eisen in acht nemen, grotendeels bij de lidstaat waar de verkoper is gevestigd, zoals bepaald in lid 3 van dit artikel.
De verkoop van tabaksproducten, met name via het internet, aan particulieren in andere lidstaten door bedrijven die ten onrechte beweren dat geen accijns is verschuldigd in de lidstaat van bestemming, is een groeiend probleem in de Unie; het Bureau voor fraudebestrijding van de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten verrichten onderzoek naar deze praktijk, teneinde maatregelen te ontwikkelen om dit soort fraude te bestrijden.
Wat schenkingen betreft, meent de Commissie dat er geen betaling van accijns is verschuldigd in de lidstaat van bestemming mits het om een schenking gaat van een particulier in een lidstaat aan een particulier in een andere lidstaat die is bestemd voor persoonlijk gebruik, incidenteel van aard is en niet is onderworpen aan enige vorm van betaling. De transacties van Smokes Direct voldoen niet aan deze eisen en kunnen derhalve niet als schenkingen worden beschouwd.
Tot slot wil de Commissie erop wijzen dat zij binnenkort een voorstel voor een herziening van de artikelen 7 tot en met 10 van Richtlijn 92/12/EEG zal voorleggen, waarin onder meer de door het geachte parlementslid aan de orde gestelde kwesties zullen worden verduidelijkt.
(1) PB L 76 van 23.3.1992, blz. 1.
(2) Arrest van het Hof van 2 april 1998 — Jurisprudentie 1998 bladzijde I-01605.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/147 |
(2004/C 88 E/0156)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3462/03
van Helmuth Markov (GUE/NGL) aan de Commissie
(21 november 2003)
Betreft: Beperking laadgewicht aan de grensovergang Guben/Gubinek — EU-middelen
Op initiatief van het district Spree-Neiße (Bondsrepubliek Duitsland/deelstaat Brandenburg) wordt beoogd de grensovergang Guben/Gubinek alleen toegankelijk te maken voor voertuigen met een toegestaan totaalgewicht va maximaal 20 ton. Deze beperking van het goederenvervoer is eenzijdig — van Duitsland naar Polen — gepland. De plaatselijke economie zal door deze beperking geconfronteerd worden met velerlei problemen. De grensovergang Guben/Gubinek bij Schlagsdorf is ook met middelen van de Europese Unie aangelegd. Wat betreft de uitvoerzijde, zou een deel van deze investeringen van de EU in de praktijk waardeloos worden. Bovendien is deze eenzijdige beperking in strijd met de zin van de verleende EU-middelen, dat wil zeggen bevordering van het goederenvervoer tussen de toetredingskandidaten en de EU.
Kan de Commissie met het oog op de door de EU beschikbaar gestelde middelen voor de aanleg van de grensovergang de volgende vragen beantwoorden:
|
— |
Wat vindt de Commissie van deze beperking van het goederenvervoer op de grensovergang Guben/Gubinek met het oog op de EU-middelen die voor de aanleg van deze grensovergang zijn gebruikt? |
|
— |
Kan en zo ja, zal de Commissie maatregelen nemen tegen deze beperking? |
|
— |
Hoe kunnen of zullen deze maatregelen eruit zien? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(9 januari 2004)
De grenspost Gubinek, die alleen voor goederenverkeer bestemd is en gelegen is naast de uitsluitend voor personenverkeer bestemde grenspost Gubin, is in het kader van het Phare-programma gecofinancierd. De gecofinancierde werkzaamheden werden afgerond in 1998.
Het is inderdaad zo dat het goederenverkeer aan de Duitse zijde richting Polen donderdags en vrijdags is beperkt tot voertuigen van minder dan 20 ton. Dit besluit is genomen omdat aan de Duitse zijde nog geen alternatieve route rond de stad bestaat zodat momenteel alle zware goederenverkeer door de stad moet. De inwoners van de Duitse stad hebben hun beklag gedaan bij de bevoegde Duitse autoriteiten en hebben gevraagd verkeersbeperkingen in te voeren. De Duitse en de Poolse autoriteiten hebben over deze beperkingen een overeenkomst gesloten.
De werkzaamheden voor de aanleg van de alternatieve route aan Duitse zijde zijn al begonnen en zouden volgend jaar moeten zijn voltooid. De beperkingen zijn dus slechts tijdelijk. Aan Poolse zijde bestaat al een alternatieve route zodat daar geen problemen worden verwacht. Volgens de Commissie is er dan ook geen sprake van een verkeerde besteding van de geïnvesteerde middelen.
Wat nu de beperkingen betreft zij opgemerkt dat het aspect verkeersbeperkende bepalingen niet onder de huidige communautaire wetgeving valt. Aangezien de tijdelijke beperking een eenmalig gebeuren is waarvoor deugdelijke verkeersveiligheids- en milieubeschermingscriteria gelden, hoeft er volgens de Commissie geen actie te worden ondernomen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/148 |
(2004/C 88 E/0157)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3478/03
van Baroness Sarah Ludford (ELDR) aan de Commissie
(24 november 2003)
Betreft: Invoer van Colombiaanse bloemen in het algemeen preferentiesysteem
Waarom wordt er voorgesteld om de Colombiaanse invoer van sector V (o.a. snijbloemen) in het algemeen preferentiestelsel opnieuw in te schalen zodat er geen preferentiële douanerechten meer voor gelden?
Het aandeel van Colombiaanse bloemen op de markt van de Europese Unie is van 20,15 % in 1997 teruggelopen tot 15,41 % in 2001, terwijl de invoer van de concurrenten Israël en Kenia niet van categorie verandert; wat is de verantwoording?
Zal intrekking van het preferentieel tarief voor bloemen door de Europese Unie niet tot gevolg hebben dat er nog meer Colombianen voor hun levensonderhoud opnieuw afhankelijk worden van de handel in verdovende middelen, aangezien de rechtvaardiging van de regeling verdovende middelen in het algemeen preferentiestelsel nog altijd onveranderd blijft bestaan?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(20 januari 2004)
Eind 2002 was de Commissie van plan bepaalde sectoren voor begunstigde landen te gradueren overeenkomstig artikel 12 van Verordening nr. 2501/2001 van de Raad inzake een schema van algemene tariefpreferenties (SAP). De Commissie moet op grond van deze bepaling jaarlijks een besluit nemen over de aanpassing van de producten die onder het SAP vallen. Doel hiervan is het SAP efficiënter en eerlijker toe te passen door het te richten op de landen en sectoren die de voordelen ervan het meest nodig hebben. Desondanks is dit geen politieke beslissing, zij is enkel gebaseerd op economische criteria. Voordat de Commissie haar besluit kan nemen, moet zij toestemming krijgen van de lidstaten (gekwalificeerde meerderheid) overeenkomstig de procedures van de Unie (comitologie).
Het SAP is gericht op positieve stimulering. Het dringt bij de begunstigde landen aan op economische diversiteit als middel voor ontwikkeling. Als een begunstigd land te veel leunt op één sector van zijn export, dan kan dat nadelige gevolgen hebben voor de ontwikkeling en dit is een reden voor graduatie. In het geval van Colombia lag niet het marktaandeel van de Unie ten grond aan het besluit snijbloemen te gradueren, maar het feit dat deze sector een te groot deel uitmaakt van de Colombiaanse export.
Om in te spelen op specifieke problemen die zouden kunnen optreden, zal de hernieuwde instelling van invoerheffingen bij wijze van uitzondering in twee stappen geschieden (1 november 2003, 1 mei 2003) om de handel niet te verstoren.
Verder heeft de Raad in december 2003 een amendement op de SAP-verordening goedgekeurd waardoor begunstigde landen die minder dan 1 % van het SAP uitmaken niet langer gegradueerd worden. Colombia zal vanaf 2005 in aanmerking komen voor deze nieuwe bepaling, waardoor er geen sectoren meer gegradueerd zullen worden en sector V vanaf 1 januari 2005 weer in aanmerking zou komen voor SAP-tariefpreferentie.
Wat betreft de import van bloemen uit Kenia zij eraan herinnerd dat dit land voor snijbloemen vrije toegang tot de communautaire markt heeft uit hoofde van de Overeenkomst van Cotonou, en geen gebruik maakt van het schema van algemene tariefpreferenties.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/149 |
(2004/C 88 E/0158)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3484/03
van Bartho Pronk (PPE-DE) aan de Commissie
(24 november 2003)
Betreft: Vervolg op vraag E-2055/03 inzake de Letlandse Politiewet die politieambtenaren verbiedt vakbonden op te richten
In antwoord op mijn vraag E-2055/03 (1) over vakbondsrechten van Politiemensen in Letland zegt de Commissie dat ook bepaalde artikelen van het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) dergelijke beperkingen mogelijk maken.
|
1. |
Is dit antwoord niet onvolledig omdat niet is aangegeven in welke IAO-Verdragen de uitzonderingen zijn opgenomen en op welke artikelen deze berusten? |
|
2. |
Kan de Commissie bevestigen dat Conventie 87 volgens de vaste interpretatie van de Commissie van deskundigen geen uitzondering bevat die bijvoorbeeld de Letse politie van de vrijheid van vakbeweging kan uitzonderen? |
|
3. |
Indien nee, waarop grondt de Commissie haar interpretatie dat er wel een uitzondering in Conventie 87 aanwezig is? |
|
4. |
Kan de Commissie er nu met meer kracht bij de Letse autoriteiten op aandringen dit verbod op organisatie op te heffen zodat Letland ten volle voldoet aan de fundamentele vakbondsrechten? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(12 januari 2004)
De Commissie wenst de volgende informatie toe te voegen aan het antwoord op schriftelijke vraag E-2055/03 van het geachte parlementslid:
|
— |
Artikel 9, lid 1, van Conventie 87 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO/ILO) en artikel 5, lid 1 van Conventie 98 van de IAO/ILO bevatten de volgende uitzondering: In hoeverre de garanties die deze Conventie biedt van toepassing zijn op de strijdkrachten en de politie wordt bepaald door nationale wet- of regelgeving. Artikel 5 van het Europees Sociaal Handvest bevat een identieke bepaling. |
|
— |
De Commissie is zich ervan bewust dat er verschillende juridische interpretaties van de bovengenoemde uitzonderingen mogelijk zijn en dat een aantal lidstaten, te weten Italië en Griekenland, politievakbonden totaal verboden lijken te hebben. |
|
— |
Binnen de grenzen van haar mandaat, dat in dit geval nogal beperkt is, zal de Commissie dit onderwerp blijven volgen. Zij heeft zich al ingezet voor stimulering van een dialoog over vakbondsrechten van politiemensen in Letland. |
(1) Zie blz. 61.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/150 |
(2004/C 88 E/0159)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3485/03
van Torben Lund (PSE) aan de Commissie
(17 november 2003)
Betreft: EER, Noorwegen en belasting van werknemers uit de Europese Unie
Zoals bekend is Noorwegen geen lid van de EU, maar het land neemt deel aan de interne markt waar het beginsel van vrij verkeer van werknemers en gelijke behandeling van alle burgers van toepassing is. Desniettemin heeft de Noorse regering besloten dat o.m. EU-burgers die in Noorwegen werken per 1 januari 2003 belasting moeten betalen over reizen tussen hun woonplaats en de plaats waar zij het land verlaten (in dit geval een helikopterterminal/boorplatform). Noorse burgers die in Noorwegen werken worden in dit verband niet belast.
Buitenlanders genieten een aftrek van 15 % over het lage belastingtarief omdat zij niet in dezelfde mate als Noren gebruik maken van culturele en openbare maatschappelijke faciliteiten. Daarentegen komen renten over leningen enz. niet voor aftrek in aanmerking.
Kan de Commissie in dit verband mededelen tot op welke hoogte Noorwegen het recht heeft uiteenlopende belastingvoorschriften aan te nemen voor EU-burgers en Noren die beide in Noorwegen werken, voorts of de voorschriften inzake de belasting op reizen stroken met de overeenkomsten tussen Noorwegen en de EU en of werknemers uit de EU hierdoor worden gediscrimineerd, en tenslotte welke maatregelen zij overweegt ingeval Noorwegen inderdaad discriminerende voorschriften heeft ingevoerd?
Antwoord van de Bolkestein namens de Commissie
(19 december 2003)
De Commissie heeft nog niet eerder vernomen van het probleem dat het geachte parlementslid naar voren brengt. Aangezien zij niet beschikt over de van toepassing zijnde wettelijke voorschriften kan zij alleen verwijzen naar het feit dat een onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen in belastingzaken een heel gewoon basisonderscheid is, dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 14 februari 1995 (zaak C-279/93 — Schumacker) heeft aanvaard als zijnde in beginsel niet strijdig met het Gemeenschapsrecht. Indien niet-ingezetenen zich evenwel in een vergelijkbare situatie bevinden als ingezetenen, mogen zij niet zwaarder worden belast dan deze laatstgenoemden.
Aangezien de Toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) er in het bijzonder mee is belast toezicht uit te oefenen op de toepassing door de staten van de EER/EVA, van de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, zal de Commissie dit vraagstuk aan de genoemde Toezichthoudende Autoriteit voorleggen en deze verzoeken het nodige erop te laten volgen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/150 |
(2004/C 88 E/0160)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3565/03
van Herbert Bösch (PSE) aan de Commissie
(2 december 2003)
Betreft: Voorbereiding op de toetreding in de grensregio's van de Europese Unie
In het kader van de uitbreiding stelt de Europese Unie in het kader van het programma „Voorbereidende maatregelen betreffende de gevolgen van de uitbreiding in de grensregio's van de Unie” middelen ter beschikking.
Voor het jaar 2004 werd onder andere een oproep tot het indienen van voorstellen voor „Kwalificatieinitiatieven voor kwetsbare groepen van de beroepsbevolking in de aan de kandidaatlanden grenzende EU-regio's” gepubliceerd (1). Doel van het project is onder meer door de uitbreiding bedreigde werknemers door kwalificerings- en opleidingsmaatregelen te stimuleren om zo hun geografische beroepsmobiliteit te verbeteren. In dit programma wordt bepaald dat sociale partners, onderwijsinstellingen, beroepsopleidingscentra en universiteiten in een EU-lidstaat een subsidie kunnen aanvragen.
Waarom kunnen weliswaar de sociale partners als geheel maar niet afzonderlijke organisaties van werknemers in het kader van dit programma subsidie aanvragen?
Is voor het jaar 2005 een aanbesteding voor kwalificatieinitiatieven voor kwetsbare groepen in de grensregio's voorzien? Zo ja, worden dan de organisaties die voor subsidie in aanmerking komen uitgebreid met organisaties van werknemers? Zo nee, waarom niet?
Welke andere projecten staan naar aanleiding van de uitvoering van het programma „Voorbereidende maatregelen betreffende de gevolgen van de uitbreiding in de grensregio's van de Unie” op stapel, waaraan werknemersorganisaties kunnen deelnemen?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(5 februari 2004)
Voor de door het geachte parlementslid genoemde oproep tot het indienen van voorstellen konden aanvragen worden ingediend door „sociale partners, onderwijsinstellingen, beroepsopleidingscentra en universiteiten”. Onder „sociale partners” vallen zowel werkgevers- als werknemersorganisaties. Derhalve komen ook afzonderlijke werknemersorganisaties in aanmerking voor steun. De aanvragen worden momenteel beoordeeld. Ten minste twee hiervan werden ingediend door vakbonden.
In de EU-begroting zijn er op dit gebied geen verdere maatregelen gepland uit de begrotingsmiddelen voor 2004; in 2005 zullen derhalve geen oproepen tot het indienen van voorstellen worden uitgeschreven.
Als onderdeel van het programma „Voorbereidende maatregelen betreffende de gevolgen van de uitbreiding in de grensregio's van de EU” werden de volgende oproepen tot het indienen van voorstellen uitgeschreven, waaraan de vakbonden als partner konden participeren:
|
— |
ELARG/1/140503/SME/B53003: „Regionale partnerschapsactiviteiten voor micro-ondernemingen in EU-regio's langs de grenzen met de kandidaat-landen, met de nadruk op ondersteunende diensten” (2). |
|
— |
ELARG/3/140503/ADM/B53003: „Grensoverschrijdende initiatieven voor lokale en regionale autoriteiten in de aan de kandidaat-landen grenzende EU-regio's” (2). |
De naar aanleiding van deze oproepen ontvangen voorstellen worden momenteel door de bevoegde comités beoordeeld. De aanvragers zullen, zodra het beoordelingsproces is voltooid, in de komende weken op de hoogte worden gebracht van de resultaten.
(1) PB C 206 van 2.9.2003, blz. 25.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/151 |
(2004/C 88 E/0161)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3589/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(5 december 2003)
Betreft: Syrië — Amerikaanse sancties
De Amerikaanse senaat keurde onlangs met overgrote meerderheid (398 voor en 4 tegen) de „Syria accountability and Lebanese Sovereignty Act” goed, een wet die een kader creëert voor sancties tegen Syrië. In oktober jl. was een dergelijke wet ook al in de Kamer van Afgevaardigden aangenomen.
De wet kent de Amerikaanse president de bevoegdheid toe om Syrië allerlei economische en diplomatieke sancties op te leggen. Doel is Damascus te straffen voor zijn vermeende banden met terreurgroepen en het bewapeningsprogramma dat het land aan het uitvoeren zou zijn.
Er zij aan herinnerd dat de Verenigde Staten Syrië ervan beschuldigen massavernietigingswapens te ontwikkelen, een schuilplaats te bieden aan terroristische groeperingen als Hezbollah, Hamas en Islamic Jihad en toe te staan dat zijn grondgebied wordt gebruikt door extremisten die een bedreiging vormen voor de coalitietroepen in het buurland Irak.
Kan de Commissie mij meedelen:
|
— |
of zij over informatie beschikt betreffende de Amerikaanse beschuldigingen van steun aan het terrorisme en vervaardiging van niet-conventionele wapens? Kan de Commissie bevestigen dat het Syrische grondgebied vaak door terroristische organisaties als basis wordt gebruikt? |
|
— |
welke maatregelen zij heeft genomen of van plan is te nemen met het oog op het begeleiden van Syrische activiteiten op het grondgebied van de Europese Unie? |
|
— |
hoe zij het Syrische regime bestempelt en hoe zij het huidige beleid van de EU ten aanzien van Syrië kan omschrijven en synthetiseren? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 januari 2004)
Naast informatie uit de vrij toegankelijke bronnen heeft de Commissie geen gegevens over Syrische productie van massavernietigingswapens of het gebruik van het Syrische grondgebied voor terroristische activiteiten.
Bepaalde groeperingen die door de Unie als terroristische organisaties zijn bestempeld (met name Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad) lijken onder andere Syrië te gebruiken voor hun activiteiten. Syrië heeft onlangs een aantal maatregelen genomen om de openbare activiteiten van deze organisaties een halt toe te roepen. De Commissie is van mening dat deze maatregelen onvoldoende zijn en heeft er bij Syrië op aangedrongen om de steun aan deze organisaties, die deze terroristische daden vergoelijken of actief laten voortduren, te beëindigen. Naast het feit dat deze daden op zichzelf onacceptabel zijn, ondermijnen zij de Palestijnse autoriteit en daardoor vormen zij een obstakel voor hervatting van het vredesproces in het Midden-Oosten.
Het Europese beleid ten aanzien van Syrië is er een van constructieve betrokkenheid. De Commissie is bezorgd over de democratie en respect voor de mensenrechten in Syrië. Zij gelooft echter niet dat het isoleren van Syrië positief zal bijdragen aan de regionale situatie, noch aan verbetering van de politieke en mensenrechtensituatie in het land.
In plaats daarvan probeert de EU Syrië een aanvang te laten maken met economische en politieke hervormingen in het kader van het proces van Barcelona en meer specifiek door middel van een associatieovereenkomst.
Deze overeenkomst zal de Unie een solide platform bieden voor steun aan de Syrische pogingen om politieke en economische hervormingen door te voeren. De bepalingen inzake respect voor de mensenrechten, non-proliferatie van massavernietigingswapens en de strijd tegen terrorisme zullen het de Unie mogelijk maken om deze kwesties samen met Syrië aan te pakken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/152 |
(2004/C 88 E/0162)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3609/03
van Giovanni Pittella (PSE), Marco Cappato (NI), Giovanni Fava (PSE), Glyn Ford (PSE), Sérgio Marques (PPE-DE) en Emilio Menéndez del Valle (PSE) aan de Commissie
(5 december 2003)
Betreft: Sturen van EU-waarnemers naar Venezuela
De sociale, politieke en economische gebeurtenissen van de afgelopen drie jaar in Venezuela hebben negatieve gevolgen gehad voor de burgers en de democratische instellingen van het land, baren ook de internationale gemeenschap steeds grotere zorgen en brengen het democratisch bestel, de rechtsstaat en de eerbiediging van de fundamentele mensen- en burgerrechten in groot gevaar.
De Europese Unie heeft, in navolging van haar optreden in andere regio's van de wereld, de plicht de dialoog te bevorderen ten einde tot een vreedzame en via onderhandeling tot stand gekomen oplossing van de huidige crisis in Venezuela te komen.
Gezien het mogelijk op handen zijnde referendum dat volgens de Venezolaanse grondwet en indien voldoende burgers zich hiervoor uitspreken, reeds in de komende maanden zou kunnen plaatsvinden, is een snelle standpuntbepaling noodzakelijk.
Is de Commissie, gezien het voorafgaande, voornemens — in overleg met de OAS (Organisatie van Amerikaanse Staten), de Venezolaanse regering en de oppositie —, reeds vanaf het moment waarop voldoende handtekeningen zijn ingezameld, te weten rond eind november, deskundige verkiezingswaarnemers naar het land te sturen om in de aan het referendum voorafgaande periode en tijdens het referendum zelf toe te zien op het correcte en regelmatige verloop van alle fasen ervan?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(15 januari 2004)
De Unie heeft in een aantal verklaringen benadrukt dat er voor de politieke crisis in Venezuela een vreedzame, democratische en grondwettelijke oplossing door middel van verkiezingen moet komen. De Commissie heeft bovendien financiële en technische bijstand aangeboden voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomst die op 29 mei 2003 tussen de regering en de oppositie tot stand is gekomen. De Commissie heeft in dit verband een project goedgekeurd ter ondersteuning van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) in haar inspanningen om de overeenkomst uit te voeren. Deze omvatten steun voor een oplossing door middel van verkiezingen, onderzoek naar de gebeurtenissen van april 2002 en ontwapening van de burgerbevolking. Het budget bedraagt 600 000 EUR. De Commissie werkt er samen met de OAS aan dat het project tijdig wordt uitgevoerd.
De Commissie volgt verder van nabij de ontwikkelingen in verband met de mogelijke organisatie van referenda en is bereid steun te overwegen, waaronder het zenden van waarnemers. Een referendum om hoge verkozen staatsfunctionarissen terug te roepen kan alleen plaatsvinden wanneer het door de Venezolaanse grondwet vereiste aantal handtekeningen is verzameld. Zowel de regering als de oppositie hebben handtekeningen opgehaald om respectievelijk afgevaardigden en president Chávez af te zetten. De regering stelt dat zij voldoende handtekeningen heeft om een aantal afgevaardigden uit hun ambt te ontzetten. Volgens de oppositie heeft ook zij voldoende handtekeningen verzameld om de procedure op gang te brengen voor een referendum om president Chávez af te zetten. De verzamelde handtekeningen moeten voor verdere verificatie aan de Nationale Kiesraad worden voorgelegd.
Volgens de standaardprocedure voor het sturen van verkiezingswaarnemers wordt besloten of de Unie een waarnemersmissie zendt aan de hand van de aanbevelingen die door een verkenningsmissie van de Unie zijn opgesteld. Deze beoordeelt of het sturen van waarnemers wenselijk, nuttig en haalbaar is. Zoals altijd wordt door de Unie alleen een waarnemersmissie uitgezonden wanneer zij daartoe tevoren door de autoriteiten van het betrokken land is uitgenodigd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/153 |
(2004/C 88 E/0163)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3623/03
van Ioannis Marinos (PPE-DE) aan de Commissie
(5 december 2003)
Betreft: Discriminatie Griekse bewoners Turkse eilanden Imvros en Ténedos
Op de eilanden Imvros en Ténedos leeft reeds 3 000 jaar een autochtone Griekse bevolking. Deze eilanden werden in 1923 krachtens het Verdrag van Lausanne aan Turkije overgedragen. Artikel 14 van dit verdrag bepaalt dat de eilanden moeten beschikken over „een speciale bestuurlijke structuur, bestaande uit plaatselijke vertegenwoordigers, met volledige garanties voor de autochtone/niet-moslimbevolking ten aanzien van hun zelfbestuur en de bescherming van hun leven en bezittingen”. In andere bepalingen is vastgelegd dat de handhaving van de orde wordt gewaarborgd door „eenheden die afkomstig zijn uit de autochtone bevolking, die zullen worden samengesteld door het plaatselijk zelfbestuur zoals bovenstaand bedoeld, en die onder het bevel van dit plaatselijk zelfbestuur staan”.
Volgens de officiële Turkse volkstelling van 1927 woonden er destijds op Imvros 7 000 Grieken en een te verwaarlozen aantal Turken, terwijl de verhouding Grieken-Turken op Ténedos 2.500-1 247 was. Op dit moment wonen er op Imvros nog 250 Grieken, tegenover 9 000 Turkse kolonisten. Op Ténedos leven nog slechts 30 Grieken. Het Turkse bestuur heeft ook de duizenden jaren oude, officiële namen van de eilanden gewijzigd in GOKCE ADA, respectievelijk BOZCA ADA. Het beleid van vervolgingen is na 1955 geïntensiveerd, in 1964 voortgezet en bereikte zijn hoogtepunt in 1974, het jaar waarin Turkse troepen Cyprus binnenvielen.
Het bepaalde in artikel 14 van het Verdrag van Lausanne is door de Turkse staat nooit nageleefd. Ook aan het onderwijs in het Grieks is een eind gekomen met de onteigening door de Turkse staat van de zes Griekse lagere scholen, de middelbare school en de vier crèches (die in totaal 1 300 leerlingen hadden en gebouwd waren met geld van de Griekse gemeenschappen op de twee eilanden). De 300 christelijke kerken en de vier kloosters was hetzelfde lot beschoren. Dit soort methoden worden alleen gehanteerd in landen met een streng regime van „apartheid”. De verjaging van de Grieken van Imvros en Ténedos werd voltooid met de inbeslagneming van hun bezittingen; kenmerkend is dat degenen die gedwongen werden de eilanden te verlaten de Turkse nationaliteit is afgenomen en aldus hun vermogen verloren en dit zelfs niet aan hun nakomelingen konden nalaten. Er zij op gewezen dat bijvoorbeeld in het dorp Agridia op Imvros (tot voor kort het enige nog overgebleven volledig Griekse dorp, zowel wat inwoners, als wat bezittingen betreft) een inventarisatie door het Turkse kadaster heeft plaatsgevonden en uit de resultaten die na 23 juni 2003 werden gepubliceerd, valt op te maken dat 77,18 % van het totale areaal dat in het bezit van de inwoners was aan de Turkse overheid is vervallen, en dat slechts 22,82 % nog in privéhanden is.
Hoe verhoudt het bovenstaande zich tot een land dat kandidaat is voor toetreding en beweert zich te conformeren aan hetgeen in de Unie gangbaar is? Zal de EU verlangen dat het recht op het hebben van bezittingen voor alle niet-moslims in Turkije onverwijld en volledig wordt hersteld, vóór de datum van vaststelling van het begin van de officiële pretoetredingsonderhandelingen met Turkije?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(5 februari 2004)
De Commissie is op de hoogte van de mogelijke schending van de mensenrechten tegen de oorspronkelijke Griekse minderheid op de Egeïsche Eilanden Imvros en Tenedos, waarnaar het geachte parlementslid verwijst.
De Commissie heeft de kwestie van de rechten van minderheden in Turkije geëvalueerd in haar periodiek verslag 2003 (1). Voorts verwijst zij het geachte parlementslid naar het antwoord dat zij heeft gegeven op schriftelijke vraag nr. E-3025/03 van de heer Hatzidakis (2).
(1) COM(2003)676 def.
(2) Zie blz. 127.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/154 |
(2004/C 88 E/0164)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3635/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(5 december 2003)
Betreft: Kaapverdië — bijzondere status bij de Europese Unie
Op 24 november sloot de Kaapverdische premier een werkbezoek aan Portugal af, na officiële etappes in andere EU-lidstaten zoals Luxemburg, Nederland en Frankrijk. Doel van zijn reis was de autoriteiten van deze landen ervan te overtuigen Kaapverdië een bijzondere status in de Europese Unie toe te kennen.
Volgens de media zou de Portugese premier aan het eind van zijn onderhoud met José Maria Neves hebben verklaard dat Kaapverdië een bijzondere roeping heeft als laspunt tussen het Afrikaanse en het Europese continent en dat het land, door zijn politieke ontwikkeling — Kaapverdië is een voorbeeld van democratie — zijn cultuur, zijn diepgaande menselijke banden met enkele Europese landen, met name Portugal, en door zijn positie gerust als euro-afrikaans beschouwd kan worden.
De Kaapverdische premier rechtvaardigt zijn verzoek om een bijzondere status door de „Atlantische roeping”, de aanwezigheid van Kaapverdië in Europa via de emigratie en het nabuurschap met Europa via de eilanden van Macaronesië, een geografisch gebied met Madeira, de Azoren en de Canarische Eilanden.
|
— |
Is de Commissie op de hoogte van dit Kaapverdische initiatief? |
|
— |
Wat is het standpunt van de Commissie dienaangaande? |
|
— |
Welke middelen en maatregelen zou de Commissie Kaapverdië kunnen aanbevelen opdat het verzoek van het land aanvaard kan worden? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commission
(19 januari 2004)
De Commissie is door de Kaapverdische autoriteiten nooit formeel op de hoogte gesteld van dit initiatief. Het is de Commissie bekend dat de Kaapverdische autoriteiten in de loop van een aantal recente bezoeken aan de hoofdsteden van sommige lidstaten deze kwesties aan de orde hebben gebracht. De Commissie is zich er ook van bewust dat de Portugese autoriteiten open staan voor het verzoek om een werkgroep op te richten om de verschillende aspecten van deze kwestie te onderzoeken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/155 |
(2004/C 88 E/0165)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3695/03
van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Commissie
(3 december 2003)
Betreft: TV van CSP in Azië en Latijns-Amerika
Het is de bedoeling dat de Strategiedocumenten per land en per regio een samenhangend kader bieden voor op Aziatische en Latijnsamerikaanse landen gerichte samenwerkingsactiviteiten van de Gemeenschap. In het Tussentijds Verslag (TV) van de Strategiedocumenten per land (CSP) wordt de geldigheid beoordeeld van de in de strategiedocumenten gestelde prioriteiten. In de richtsnoeren voor de opstelling van de programma's wordt raadpleging van belanghebbenden genoemd als deel van de procedure. Het is duidelijk dat de programmering aan geloofwaardigheid en wettigheid inboet als er geen raadpleging van belanghebbenden heeft plaatsgevonden. Volgens enkele NGO's zijn kennelijk de meeste, zo niet alle CSP in Azië en Latijnsamerikaanse landen door ambtenaren in Brussel van achter hun bureau geschreven. Hierdoor worden de waarde en geldigheid van de CSP ernstig ondermijnd.
Momenteel doet zich een nieuwe probleem voor met betrekking tot het proces van herziening van de CSP in het TV. Het is duidelijk dat de geldigheid van het TV voortkomt uit het volgen van heldere doelen, richtsnoeren en indicatoren voor het meten van prestaties, en een naar behoren gedefinieerde procedure. Deze richtsnoeren zijn opgesteld voor ACS-landen, maar om onbekende redenen worden zij niet van toepassing geacht op andere ontwikkelingslanden. Belangrijker is dat TV in andere ontwikkelingslanden worden uitgevoerd zonder richtsnoeren, gegevens of doorzichtige procedure. De Commissie heeft eveneens te kennen gegeven tijdens deze procedure geen behoefte te hebben of waarde te hechten aan raadpleging van belanghebbenden, met inbegrip van het maatschappelijk middenveld. Dit is een merkwaardig standpunt.
|
1. |
Is de Commissie voornemens de voor TV in ACS-landen opgestelde richtsnoeren toe te passen op TV in andere ontwikkelingslanden? |
|
2. |
Zo niet, welke richtsnoeren zijn dan ontwikkeld voor de TV in andere ontwikkelingslanden, en waarom zijn deze anders dan die welke gelden voor de ACS-landen — gezien het feit dat de doelen van de TV voor alle ontwikkelingslanden gelijk zijn? |
|
3. |
Welke voorlichtingsbeleid past de Commissie toe inzake de TV-procedure? |
|
4. |
Volgens welk schema voert de Commissie in de periode 2000-2005 CSP en TV uit in Azië en Latijnsamerikaanse landen? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(14 januari 2004)
Het is belangrijk erop te wijzen dat de delegaties van de Commissie in Azië en Latijns-Amerika (ALA) de opdracht hebben gekregen de regering en het maatschappelijk middenveld te consulteren bij het opstellen van de nationale strategiedocumenten (CSP). Ofschoon er verschillen kunnen bestaan tussen de respectieve aandelen van de hoofdzetel en de delegaties, kan zeker niet worden beweerd voor welke regio dan ook dat de CSP's „door ambtenaren in Brussel van achter hun bureau” zijn geschreven.
Overeenkomstig de richtsnoeren voor de tussentijdse evaluatie dient de Commissie het maatschappelijk middenveld of de niet-gouvernementele actoren te betrekken bij de programmering en de uitvoering, zodat de betrokkenen geconsulteerd worden. Deze raadplegingen zijn een essentiële voorwaarde voor de evaluatie.
Om de coherentie en de voortdurende hoge kwaliteit van het CSP-proces te handhaven, wordt aanvaard dat bepaalde basisbeginselen van toepassing zouden moeten zijn op de tussentijdse evaluatie van de CSP's in alle regio's.
Op 7 oktober 2003 hebben de directeur-generaal van de Directoraat-generaal Ontwikkeling en die van het Directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen een document goedgekeurd dat was voorbereid door de kwaliteitsondersteuningsgroep met vertegenwoordigers uit verschillende diensten, met als titel „Kader voor de evaluatie van herziene strategie- en programmeringsdocumenten”, en dat gebaseerd is op de richtsnoeren in de conclusies van de Raad in verband met de tussentijdse evaluatie van de CSP's (1). Het stelt de basisbeginselen vast die van toepassing zijn op de tussentijdse evaluatie.
Zowel voor de Aziatische als de Latijns-Amerikaanse regio's vindt een tussentijdse evaluatie plaats van de nationale strategieën en programma's. Gelet op deze evaluatie wordt een aantal strategieën en programma's herzien. Voorts moet erop worden gewezen dat ingevolge de omvang van de programmering veel vroeger een aanvang moest worden gemaakt met de tussentijdse evaluatie voor Azië en Latijns-Amerika dan met die voor de landen van Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen). Ten slotte moest de evaluatie volledig in overeenstemming met de ALA-Verordening gebeuren, die van toepassing is op de samenwerking van de Gemeenschap met deze regio's.
De tussentijdse evaluatie zal zich op vier punten toespitsen:
|
— |
De voornaamste politieke, economische en sociale ontwikkelingen in het land, zodat de strategie actueel is. |
|
— |
De nieuwe beleidsdoelstellingen en -engagementen van de Gemeenschap/Unie, zodat daarmee rekening wordt gehouden en deze worden uitgevoerd. |
|
— |
Resultaten, prestaties en lessen die kunnen getrokken, in de mate waarin deze reeds kunnen worden beoordeeld. |
|
— |
Kwaliteitsverbeteringen waar nodig, zodat de voortdurende verbetering van de kwaliteit van de strategiedocumenten wordt gewaarborgd, vooral dan door correctie van sommige zwakheden van de CSP's van de eerste generatie. |
De herziene documenten zullen overeenkomstig de bestaande richtsnoeren en procedures worden voorgelegd aan de relevante beheerscomités en de kwaliteitsondersteuningsgroep met vertegenwoordigers uit verschillende diensten. Voor de ALA-regio zal dit plaatsvinden in de loop van de komende maanden.
(1) 18 maart 2003: Gemeenschappelijk kader voor strategiedocumenten per land — Conclusies van de Raad, punt dat zonder debat werd aanvaard, Document 6377/03.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/156 |
(2004/C 88 E/0166)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3819/03
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(12 december 2003)
Betreft: Verkeer van privéwagens in Griekenland met communautaire nummerborden
Het vrij verkeer van personen in de EU is een verworven goed en op grond daarvan kan eender welke communautaire onderdaan een verblijfplaats kiezen in eender welk land van de Unie, zich inschrijven in de desbetreffende registers en, indien hij dat wil, een privéwagen kopen met de nummerborden van de lidstaat waar hij zijn verblijfplaats heeft gekozen. Vele Grieken hebben op deze manier privéwagens met communautaire nummerborden gekocht, welke in Griekenland in het verkeer zijn gebracht. De Griekse overheid treedt hiertegen echter hard op. Zij staan immers niet toe dat deze wagens langer dan zes maanden in Griekenland rondrijden en wanneer zij vaststellen dat deze termijn van zes maanden verlopen is nemen zij zelfs het voertuig in beslag en leggen zij zeer zware boetes op, ook al zijn de eigenaars van deze voertuigen wettige inwoners (of zelfs onderdanen) van een ander EU-land.
Zijn de hoger genoemde maatregelen van de Griekse overheid in overeenstemming met de communautaire wetgeving? In welk ander land van de Unie worden voertuigen die met communautaire nummerborden rijden in beslag genomen en worden huizenhoge boetes opgelegd aan de eigenaars van de voertuigen? Is de Commissie voornemens maatregelen te nemen en zo ja hoe, om een eind te maken aan deze situatie die een gevolg is van het verwrongen Griekse belastingsysteem dat een buitensporige belasting legt op auto's van meer dan 1 800 cc, die zeer duur zijn in Griekenland (het land met het laagste inkomen per hoofd in de EU, meer bepaald amper 67 % van het communautair gemiddelde volgens de laatste cijfers van Eurostat), waardoor de Grieken verplicht zijn wagens te kopen met buitenlandse nummerplaten?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(13 februari 2004)
Het vrij verkeer van burgers van de Unie (EU) is een fundamenteel recht dat in artikel 18 van het EG-Verdrag wordt erkend. Volgens dit artikel heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag, en de bepalingen ter uitvoering daarvan, zijn vastgesteld. Doorgaans registreert een burger van de EU zijn — wettelijk gekochte — auto in de lidstaat waarin hij verblijft en zo kan het gebeuren dat de lidstaat waarin hij verblijft niet de lidstaat is waarvan hij de nationaliteit bezit (bijvoorbeeld een Griekse onderdaan die wettelijk verblijft in Duitsland, en in dit land een auto koopt en inschrijft).
Wat de specifieke belastingwetgeving van de Gemeenschap betreft waarvan in de schriftelijke vraag sprake is wordt erop gewezen dat op 28 maart 1983 Richtlijn 83/182/EEG van de Raad werd goedgekeurd betreffende de belastingvrijstelling bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (1). Volgens de overwegingen is het doel van deze richtlijn belemmeringen voor het vrije verkeer van personen en voor de vorming van een Europese interne markt die het gevolg zijn van de verschillende belastingregelingen die in de lidstaten bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen worden toegepast uit de weg te ruimen.
Volgens de richtlijn wordt vrijstelling van de belasting bij inschrijving alsmede van de motorrijtuigenbelasting verleend voor een al dan niet onderbroken duur van niet meer dan zes maanden per tijdvak van twaalf maanden onder de volgende voorwaarden:
|
— |
het vervoermiddel werd verkregen met toepassing van de algemene belastingregeling, geldende voor de binnenlandse markt van een lidstaat; |
|
— |
de particulier die dit vervoermiddel invoert heeft zijn gewone verblijfplaats in een andere lidstaat dan die van de tijdelijke invoer en bezigt dit vervoermiddel voor persoonlijk gebruik; |
|
— |
het vervoermiddel wordt niet overgedragen noch verhuurd in de lidstaat van tijdelijke invoer, noch uitgeleend aan een ingezetene van deze lidstaat. |
De Commissie is er zich van bewust dat de toepassing van deze richtlijn in Griekenland steeds zeer problematisch is geweest. In drie arresten van het Hof van Justitie (2) wordt deze kwestie behandeld.
Volgens de gegevens waarover de Commissie beschikt zijn de belangrijkste problemen de volgende:
|
— |
de vaststelling van de „gewone verblijfplaats” wanneer het Griekse onderdanen betreft; |
|
— |
de uiterst strenge straffen bij overtreding van de voorschriften van Richtlijn 83/182/EEG. In dit opzicht merkte het Hof van Justitie in zijn arrest in zaak C-262/99 op dat een sanctie „niet zo onevenredig mag zijn aan de ernst van de overtreding, dat zij tot een belemmering van de in het Verdrag neergelegde vrijheden wordt” en oordeelde het dat een boete terzake „slechts verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel voorzover die regeling op grond van eisen van bestraffing en preventie, en gelet op de ernst van de overtreding, noodzakelijk is” en ook dat „wanneer moeilijk te bepalen is welke de toepasselijke regeling is, bij de vaststelling van de daadwerkelijk aan de overtreder opgelegde sanctie rekening moet worden gehouden met diens goede trouw”. Bovendien kan de inbeslagneming van de auto in gevallen waarin Richtlijn 83/182/EEG geacht wordt te zijn overtreden (wat aanleiding kan zijn tot een beschuldiging van smokkel hetgeen in Griekenland, ten minste volgens de gegevens waarover de Commissie beschikt, tot gevolg kan hebben dat de auto door de autoriteiten wordt verkocht en dus nooit aan zijn vorige eigenaar wordt teruggegeven, zelfs niet in gevallen waarin het bevoegde Hof van Justitie uiteindelijk beslist dat de EU-onderdaan onschuldig is) tot verdere problemen leiden na de goedkeuring van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (3). |
Naar aanleiding van een aantal klachten van Griekse onderdanen heeft de Commissie een inbreukprocedure ingeleid en besloten Griekenland voor het Hof van Justitie te dagen. Bovendien wordt erop gewezen dat de Commissie in 1998 een voorstel voor een richtlijn van de Raad (4) heeft ingediend die in het algemeen ten doel heeft de fiscale behandeling van voertuigen meer in overeenstemming te brengen met het concept en de beginselen van de interne markt.
De Commissie heeft in september 2002 een mededeling voorgelegd over de belasting van personenauto's in de Europese Unie (5) waarin zij onder meer onderzoekt op welke wijze de huidige belemmeringen bij het vrije verkeer van personenauto's in de interne markt kunnen worden geëlimineerd. Op basis van de beginselen die in de mededeling worden uiteengezet zal de Commissie in 2004 een nieuw voorstel voor Gemeenschapswetgeving indienen.
(2) Arrest van 2 augustus 1993 in zaak C-9/92, Commissie versus Helleense Republiek; arrest van 29 mei 1997 in zaak C-389/95, Siegrief Klattner versus Helleense Republiek; arrest van 12 juli 2001 in zaak C-262/99, Paraskevas Louloudakis versus Helleense Republiek.
(3) Met name in artikel 17 van het Handvest wordt het recht op eigendom als een fundamenteel recht van de EU-onderdaan erkend.
(5) Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Belasting van personenauto's in de Europese Unie — Opties voor maatregelen op nationaal niveau en op het niveau van de Gemeenschap — van 6 september 2002, COM(2002)431 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/158 |
(2004/C 88 E/0167)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3824/03
van Cristiana Muscardini (UEN) aan de Commissie
(12 december 2003)
Betreft: Het merk van oorsprong voor invoer
Namaak en piraterij zijn verschijnselen die enorme schade toebrengen aan de bedrijven in de Unie. Monetair dumpen blijft een instrument dat sommige staten hanteren om hun waren afgezet te krijgen in de landen van de Unie. Een van de in Italië meest door frauduleuze invoer getroffen productiesectoren is de schoenindustrie. Voor een correct handelsverkeer zou meer controle nodig zijn en er zouden regels moeten worden opgesteld die herkenning van het product mogelijk maken. Ook moet de Unie het besluit nemen een merk in te voeren voor haar producten: bijvoorbeeld EU, al naar gelang het land van herkomst van het product.
De vraag aan de Commissie luidt:
|
— |
waarom wordt een merk van herkomst niet verplicht gesteld voor producten uit landen buiten de Europese Unie? |
|
— |
waarom beschouwt zij gelijkheid van douanetarieven niet als een correct wederkerigheidselement in het internationaal handelsverkeer? |
|
— |
waarom stelt zij een merk van oorsprong niet verplicht voor de producten uit de EU zodat de consument juist wordt geïnformeerd? |
|
— |
welke initiatieven denkt zij te nemen om een rem te zetten op en aan banden te leggen de vloedgolf aan frauduleuze import waar belangrijke productiesectoren in verschillende lidstaten onder gebukt gaan? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/159 |
(2004/C 88 E/0168)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3902/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(17 december 2003)
Betreft: Merk Made in Europe voor goederen uit de lidstaten
De Italiaanse onderminister van Productieve Activiteiten Adolfo Urso heeft ter gelegenheid van de EuroMed-top van Palermo van 7 juli 2003 een voorstel geformuleerd waarmee hij de grote belangstelling van de ministers van de vijftien lidstaten heeft gewekt: het aanbrengen van een merk met de vermelding van Europese herkomst „Made in Europe” op EU-producten om namaak en oneerlijke concurrentie tegen te gaan.
Het ziet er immers naar uit dat de Europese producten op de wereldmarkt op passende wijze dienen te worden beschermd en beveiligd omdat de internationale handel sterk verandert en de Aziatische concurrentie een grote druk uitoefent.
De Aziatische landen dienen de herkomst van hun goederen immers niet te certificeren op basis van verplichte wederkerigheid met de EU-landen, waar het door de mededingingsregels verboden is in de meeste productiesectoren een nationaal etiket aan te brengen; het gevolg daarvan is dat Aziatische producten in Europa worden afgezet zonder dat de consument met kennis van zaken kan kiezen uit welk land hij goederen koopt.
Andere landen, als Japan en de Verenigde Staten, beschermen hun producten dan weer door daarop een etiket „Made in USA” of „Made in Japan” aan te brengen en aldus informatie te verstrekken waarachter ook andere informatie schuilgaat, onder meer over de kwaliteit van het product en de zorg waarmee het is vervaardigd.
Het Italiaanse voorstel strekt ertoe die leemte op het gebied van bescherming aan te vullen door naast de benaming van de lidstaat van herkomst ook het algemene merk „Made in Europe” op de producten aan te brengen.
Kan de Commissie, in het licht van het feit dat in de conclusies van de EuroMed-top wordt aangegeven welke stappen in die richting dienen te worden ondernomen, ook in het vooruitzicht van de volgende WTO-ronde, die integraal aan dat onderwerp zal worden gewijd, de volgende vragen beantwoorden:
|
1. |
Welke ontwikkelingen hebben na voormelde EuroMed-top plaatsgevonden? |
|
2. |
Welke initiatieven worden in Europees verband gepland, welke initiatieven zijn in uitvoering of zijn reeds afgerond in verband met het Europese merk? |
|
3. |
Hoe staan de Commissie en de andere instellingen tegenover het Italiaanse voorstel? |
|
4. |
Kan de Commissie alle informatie over de kwestie van het Europese merk van herkomst beschikbaar stellen? |
Gecombineerd Antwoord
van de heer Lamy namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-3824/03 en E-3902/03
(6 februari 2004)
De omvang die de namaak en commerciële piraterij thans hebben bereikt, en de schadelijke gevolgen ervan voor de EU-producenten baren de Commissie grote zorgen. De Gemeenschap heeft de bescherming van rechthebbenden tegen namaak tot een prioriteit gemaakt en een reeks belangrijke nieuwe maatregelen aangenomen, waaronder Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 inzake het optreden van de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en inzake de maatregelen ten aanzien van goederen waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk maken op dergelijke rechten (1), en een voorstel voor een richtlijn betreffende de maatregelen en procedures om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen (2). Voorts werd een aantal praktische maatregelen genomen om de douanecontrole op dit gebied te verbeteren, in de eerste plaats in het kader van het programma-Douane 2007 (3), wat ertoe heeft bijgedragen dat de douane in 2002 aan de EU-buitengrens nagenoeg 85 miljoen nagemaakte of door piraterij verkregen goederen in beslag heeft genomen, en in de eerste helft van 2003 50 miljoen stuks.
Oneerlijke invoer kan ook verband houden met dumpingpraktijken van buitenlandse producenten. Dumping geeft exporteurs uit derde landen een oneerlijk concurrentievoordeel waardoor producenten in de Gemeenschap aanzienlijke schade kunnen lijden. In Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (4) zijn de de antidumpingmechanismen vastgesteld die de douanediensten van de Gemeenschap kunnen toepassen om een eerlijk verloop van het internationale handelsverkeer te garanderen. Momenteel zijn in de Gemeenschap meer dan 200 antidumpingmaatregelen van kracht.
Wat de ontwikkelingen en het wederkerigheidsbeginsel in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) betreft, dient erop te worden gewezen dat de EU in de onderhandelingsgroep inzake markttoegang van de Doha-ontwikkelingsagenda voor een smalle gemeenschappelijke bandbreedte van rechten pleit die door alle leden wordt toegepast, met name voor textiel en schoeisel.
Wat oorsprongsvermelding betreft, passen sommige handelspartners van de Gemeenschap (Verenigde Staten, Japan) een systeem van verplichte oorsprongsvermelding voor ingevoerde goederen en vrijwillige oorsprongsvermelding voor binnenlandse goederen toe. Tot dusver bestaat er in de Gemeenschap geen regeling betreffende oorsprongsvermelding, maar de belangstelling voor de mogelijkheid op dat gebied een EG-verordening vast te stellen, blijkt wel steeds groter te worden, met name in de textielsector, zoals werd aangegeven in de recente mededeling van de Commissie over de toekomst van de textiel- en kledingsector in de Europese Unie na de uitbreiding (5), waarin de voordelen van een communautaire regeling van oorsprongsvermelding voor deze sector worden uiteengezet.
De Commissie beraadt zich momenteel over de potentiële voor- en nadelen van de invoering van een dergelijk systeem rekening houdende met het belang van alle betrokken partijen. In dat verband hebben de Commissiediensten een werkdocument over „de invoering van een EU-oorsprongslabel” (6) gepubliceerd. Hierin worden de pro's en contra's van de vermelding „made in the EU” op een rij gezet en de verschillende opties aangegeven, namelijk 1) vrijwillige oorsprongsvermelding voor zowel ingevoerde als binnenlandse goederen, 2) verplichte oorsprongsvermelding voor ingevoerde goederen en vrijwillige vermelding voor binnenlandse goederen, of 3) verplichte oorsprongsvermelding voor zowel ingevoerde als binnenlandse goederen. De Commissie zal de consumenten en bedrijven begin 2004 raadplegen en verzoekt de lidstaten hetzelfde te doen.
(2) COM(2003)46 def.
(3) Beschikking nr. 253/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2003 (PB L 36 van 12.2.2003 en PB L 95 van 11.4.2003).
(5) COM(2003)649 def.
(6) on line beschikbaar op de website van de Commissie bij DG Trade via: http://trade-info.cec.eu.int/doclib/html/11555 7.htm
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/160 |
(2004/C 88 E/0169)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3958/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(5 januari 2004)
Betreft: Rusland — Parlementsverkiezingen
Volgens de media maken de internationale waarnemers bij de recente Russische parlementsverkiezingen, met name de 600 die waren uitgestuurd door de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Raad van Europa, zich zorgen om de verkiezingsuitslagen en de methodes die tijdens de campagne zijn aangewend. Het vrije karakter van de stembusgang wordt niet in twijfel getrokken maar er worden vraagtekens geplaatst bij de juistheid van de resultaten.
Uit de voorlopige resultaten bleek al onmiddellijk dat de pro-Kremlinpartij „Verenigd Rusland”, bondgenoot van President Vladimir Poetin, als grote overwinnaar uit de bus zou komen.
„Verenigd Rusland” kreeg ongeveer 37 % van de stemmen voor de Duma (Lagerhuis). De PLD van Vladimir Jirinovski boekte ongeveer 12 % van de stemmen, gevolgd door de ultranationalistische patriottische partij enkele maanden geleden opgericht onder het beschermheerschap van het Kremlin — die bij zijn eerste deelneming aan een verkiezing goed was voor 9 %.
David Atkinson, aanvoerder van de waarnemers van de parlementaire assemblee van de Raad van Europa, verklaarde aan de journalisten dat gedurende de hele campagne de openbare financiën, m.a.w. het geld van de belastingbetaler, en de openbare televisie ten dienste stonden van bepaalde politieke partijen, hetgeen de waarnemers deed besluiten dat de verkiezingen „wel vrij maar zeker niet rechtvaardig” zijn verlopen.
Bruce Georges, voorzitter van de OVSE, gaf toe dat er een onrechtvaardig klimaat jegens de andere partijen en de andere kandidaten was geschapen en dat de stembusgang niet beantwoordde aan de internationale normen. Hij verklaarde voorts dat bij de jongste verkiezingen het enorme voordeel van de beschikbaarheid en de toegang tot de diverse aan de staat toebehorende middelen, gebouwen en uitrustingen de verkiezingsuitslag op een flagrante manier heeft beïnvloed, hetgeen de democratie in Rusland rake klappen heeft toegebracht.
Kan de Commissie mij antwoorden op de volgende vragen:
|
— |
Zijn de verkiezingen in Rusland volgens de Commissie correct en vrij verlopen? |
|
— |
Welke stappen heeft zij bij de Russische autoriteiten ondernomen of is zij van plan te ondernemen gelet op de bezorgde reacties van de waarnemers en de oppositiepartijen? |
|
— |
Welke impact kan deze kritiek volgens de Commissie hebben op de pogingen van Moskou om zijn internationale geloofwaardigheid op te krikken? |
|
— |
Welke impact kan dit alles hebben op de betrekkingen tussen de EU en Rusland? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(9 februari 2004)
De Commissie heeft nota genomen van de eerste bevindingen van de internationale verkiezings-waarnemingsmissie volgens welke de verkiezingen voor de Doema van 7 december 2003 niet in overeenstemming waren met veel van de verbintenissen voor democratische verkiezingen die Rusland bij de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Raad van Europa is aangegaan. De eerste bevindingen wijzen erop dat belangrijke waarborgen door de Russische autoriteiten niet zijn toegepast.
De Commissie is bezorgd over deze bevindingen. Eerbiediging van de democratische beginselen en van de rechten van de mens, alsmede persvrijheid, vormen de basis voor de betrekkingen tussen de EU en Rusland. De Commissie heeft derhalve gebruik gemaakt van de politieke dialoog met de Russische autoriteiten om laatstgenoemden te verzoeken deze tekortkomingen te verhelpen en bij de presidentsverkiezingen in maart 2004 de verbintenissen om verkiezingen te houden die aan de internationale normen beantwoorden, na te komen.
De Commissie wijst erop dat het belangrijk is dat Rusland zowel zijn politieke als economische hervormingen voortzet. Zij hoopt dat de nieuwe Doema zich bereid zal tonen om op constructieve wijze dergelijke hervormingen te realiseren, hetgeen op zijn beurt positieve gevolgen zal hebben voor de betrekkingen tussen de EU en Rusland.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/161 |
(2004/C 88 E/0170)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3965/03
van Mario Borghezio (NI) aan de Commissie
(5 januari 2004)
Betreft: Maatregelen tegen China wegens illegaal gebruik van het CE-keurmerk
De Volksrepubliek China vermeldt op diverse producten de aanduiding „China Export” en gebruikt daarvoor de afkorting „CE”. Het gebruik van het logo van het CE-keurmerk op een groot aantal Chinese producten is echter een duidelijke illegale vervalsing van het logo van de Europese Gemeenschap op de wereldmarkt en een vervalsing die zeer schadelijk is voor Europese producenten en voor de Europese arbeidsmarkt. Welke spoedmaatregelen is de Commissie in verband hiermee voornemens te nemen tegen de Volksrepubliek China?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(9 februari 2004)
De Commissie is ervan op de hoogte dat misbruik wordt gemaakt van het CE-keurmerk, onder meer via de „China Export”-regeling, evenals van de bredere context van de problemen met het toezicht op de naleving van intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot producten uit China. De Commissie heeft onderzoek verricht naar de naleving van intellectuele eigendomsrechten en daarbij is China naar voren gekomen als het land dat in de wereld momenteel het grootste probleem vormt op dit terrein. De resultaten van het onderzoek zijn na te lezen op (http://europa.eu.int/comm/trade/issues/sectoral/intell_property/sur-vey_en.htm).
Het gebruik van de letters „CE” (conformité européenne) komt overeen met het markeringsvoorschrift dat van toepassing is op producten waarvoor bepaalde Europese richtlijnen op het gebied van gezondheid, veiligheid en milieu gelden (1). Het CE-keurmerk is verplicht voor producten waarop het van toepassing is, dat wil zeggen dat een producent deze markering moet aanbrengen om het product op de Europese markt te mogen verkopen. Het CE-keurmerk geeft aan dat het product in overeenstemming is met de geldende Europese verplichtingen waaraan de producent zich moet houden en dat de desbetreffende conformiteit-beoordelingsprocedures doorlopen zijn.
Het CE-keurmerk is geen handelsmerk en daarom kan er geen klacht ingediend worden bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Nationale regelgevende instanties en instanties op het gebied van gezondheid en veiligheid kunnen ingrijpen bij misbruik van een dergelijk keurmerk door inbeslagneming en vergelijkbare maatregelen. Op grond van de wetgeving ter bescherming van de consument kunnen de douaneautoriteiten goederen met een misleidend CE-keurmerk in beslag nemen, zelfs voordat ze zijn vrijgegeven.
Gezien het toenemende belang dat de industrie en de consument hechten aan keurmerken overlegt de Commissie momenteel met belanghebbenden over de invoering van een oorsprong slabel.
(1) Voor de volgende typen producten is het CE-label verplicht:
|
— |
speelgoed |
|
— |
machines |
|
— |
elektrische apparaten (Laagspanningsrichtlijn) |
|
— |
elektronische apparaten (Richtlijn inzake elektromagnetische compatibiliteit) |
|
— |
persoonlijke beschermingsmiddelen |
|
— |
drukapparatuur |
|
— |
medische hulpmiddelen |
|
— |
medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek |
|
— |
actieve implanteerbare medische hulpmiddelen |
|
— |
eindapparatuur voor radio- en telecommunicatie |
|
— |
drukvaten van eenvoudige vorm |
|
— |
gastoestellen |
|
— |
liften |
|
— |
pleziervaartuigen |
|
— |
apparatuur en beschermingssystemen voor gebruik bij ontploffingsgevaar |
|
— |
niet-automatische weegwerktuigen |
|
— |
kabelbanen |
|
— |
bouwproducten |
|
— |
explosieven voor civiel gebruik |
|
— |
nieuwe warmwaterinstallaties. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/162 |
(2004/C 88 E/0171)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3975/03
van Paulo Casaca (PSE) aan de Commissie
(5 januari 2004)
Betreft: Gelijke behandeling van ambtenaren in de delegatie van de Commissie in Brazilië
Ik heb een klacht ontvangen van de plaatselijke personeel in de delegatie van de Commissie in Brazilië dat hun salarissen sinds september 1999 met meer dan 40 % zijn verlaagd.
Kan de Commissie deze salarisverlaging bevestigen? Kan zij nadere uitleg geven over deze procedure? Kan de Commissie waarborgen dat de behandeling van het plaatselijk personeel in de delegatie van de Commissie in Brazilië voldoet aan de beginselen van het Europees Handvest van de grondrechten?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(13 februari 2004)
De salarissen van de plaatselijke functionarissen in de delegaties van de Commissie worden jaarlijks herzien, in overeenstemming met de kaderregeling houdende vaststelling van de arbeidsvoorwaarden van de plaatselijke functionarissen van de Commissie in derde landen. Doelstelling van de jaarlijkse salarisherzieningen is de bezoldiging op een niveau te houden dat concurrerend is met dat van vergelijkbare werkgevers op de plaatselijke arbeidsmarkt.
Vanwege de ontstellende economische omstandigheden in Brazilië in de jaren negentig was er toen besloten loonschalen in ecu vast te stellen, met maandelijkse betaling van de salarissen in plaatselijke valuta. In 1999 werd duidelijk dat de referentieschaal in ecu de salarissen van de plaatselijke functionarissen op kunstmatige wijze ver boven de lonen van de vergelijkbare werkgevers had doen uitgaan. Het was daarom gerechtvaardigd terug te keren tot salarissen die in plaatselijke valuta waren uitgedrukt. De plaatselijke functionarissen, reeds in dienst in de delegatie, hebben een aanhangsel op hun arbeidsovereenkomst ondertekend waarin zij de omzetting van hun salarissen van ecu in de plaatselijke valuta aanvaard hebben, tegen een overeengekomen wisselkoers.
Vervolgens werden de salarissen van die plaatselijke functionarissen die in 1999 reeds in dienst waren „bevroren” totdat hun bezoldigingen weer op de hoogte van die van de plaatselijke markt zouden zijn. Deze aanpassing werd verwezenlijkt met behulp van een vaste en jaarlijks herziene loonschaal, in overeenstemming met de overeenkomst met de personeelsvertegenwoordigers van de vakbonden, aan de hand van de kaderregeling. De Commissie kan derhalve niet bevestigen dat de salarissen van de plaatselijke personeelsleden die het aanhangsel hebben ondertekend, zijn verlaagd, aangezien de nominale waarde ervan sedert 1999 vastligt. Genoemde salarissen zijn momenteel nog steeds duidelijk hoger dan die bij de vergelijkbare werkgevers ter plaatse.
De Commisie behandelt alle plaatselijke functionarissen in haar delegaties waar ook ter wereld met inachtneming van de beginselen van het Europees Handvest van de Grondrechten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/163 |
(2004/C 88 E/0172)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3989/03
van Theresa Villiers (PPE-DE) aan de Commissie
(7 januari 2004)
Betreft: EU-regels inzake verkopen en service
|
1. |
Kan de Commissie bevestigen dat één van de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector (1) is eigenaren van auto's in staat te stellen gebruik te maken van onafhankelijke garages, zonder dat ze daarmee een inbreuk plegen op de garantievoorwaarden van de producent? |
|
2. |
Beschikt de Commissie over bewijzen waaruit blijkt dat autodistributeurs kortere garanties op nieuwe auto's geven? |
|
3. |
Kan de Commissie bevestigen dat het de distributeur geheel vrij staat om na het verstrijken van de oorspronkelijke garantieperiode al dan niet aanvullende garantieperiodes te geven? |
|
4. |
Is het krachtens de nieuwe verordening mogelijk dat voor aanvullende garantieperiodes een clausule geldt die bepaalt dat onderhoud uitsluitend mag worden verricht door agenten die door de distributeur zijn erkend, op straffe van het vervallen van de garantie? |
|
5. |
Beschikt de Commissie over bewijzen waaruit blijkt dat eenzelfde praktijk ook bestaat met betrekking tot gebruikte auto's? Is de Commissie van mening dat de huidige praktijk, waarbij de koper van een gebruikte auto een aanvullende garantie moet kopen die in de regel de verplichting bevat om alleen gebruik te maken van bepaalde onderhoudsagenten, in overeenstemming is met de hierboven vermelde verordening? |
|
6. |
Heeft de Commissie plannen om te onderzoeken of deze praktijken daadwerkelijk voorkomen? |
|
7. |
Welke stappen gaat de Commissie tegen distributeurs en/of lidstaten ondernemen indien deze praktijken inderdaad blijken voor te komen? |
|
8. |
Hoe denkt de Commissie de impact van de verordening te gaan evalueren? |
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(11 februari 2004)
|
1. |
De Commissie gelooft dat onafhankelijke reparateurs consumenten een goed alternatief bieden voor erkende dealers. Een van de bedoelingen van Verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector is juist ervoor te zorgen dat onafhankelijke reparateurs zo'n alternatief kunnen blijven bieden, en dat de markt niet voor hen wordt afgeschermd. Volgens de nieuwe regels is het in de normale garantieperiode of in de verlengde garantieperiode waarvoor aan de automobielproducent moet worden betaald, gebruikelijk en aanvaardbaar dat de producent kan eisen dat de werkzaamheden welke onder die garantie vallen, enkel mogen worden uitgevoerd door reparatiewerkplaatsen die door de producent zijn goedgekeurd of erkend. Dergelijke werkzaamheden „onder garantie” betreffen normaalgesproken defecten aan het nieuwe voertuig, en niet het gewone onderhoud of defecten die niet onder de garantie vallen. Indien producenten systematisch onafhankelijke reparateurs uitsluiten van dergelijke niet onder de garantie vallende werkzaamheden aan voertuigen tijdens de garantieperiode van de automobielproducent, kan een en ander marktafschermend werken (2). |
|
2. t/m 4. |
Er kan best een onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende soorten garantie- en servicepakketten waarmee auto-eigenaren te maken krijgen. De garanties van automobielproducenten, waarvan in punt 1 sprake was, maken deel uit van de distributieovereenkomst tussen dealers en producenten, en zullen dus waarschijnlijk onder de toepassing van artikel 81 van het EG-Verdrag vallen — en zodoende ook onder Verordening (EG) nr. 1400/2002. De Commissie beschikt niet over bewijzen dat automobielproducenten over het algemeen de garantieperiodes die zij voor nieuwe auto's aanbieden, inkorten. De afgelopen paar jaar stelde de Commissie juist een tendens vast om de producentengaranties te verlengen. Garanties van dealers worden gefinancierd en verstrekt door de dealer, en zijn de uitkomst van een contract tussen de dealer en de consument. Zij maken dus niet deel uit van de verticale distributieovereenkomst tussen de producent en de dealer. Dit soort garanties valt in de regel niet onder artikel 81 of onder Verordening (EG) nr. 1400/2002. Zoals uit het hierna nog te vermelden verslag van het Office of Fair Trading duidelijk blijkt, worden dergelijke „dealergaranties” vaak in hoofdzaak gefinancierd door de producent — en niet door de dealer. Voor de toepassing van het communautaire mededingingsrecht moet dit soort garanties dan ook worden beschouwd ais garanties van producenten. Consumenten kunnen ook ervoor opteren om na het aflopen van de producentengarantie de bescherming te verlengen door een extra garantie te kopen bij de producent of een derde. Zij kunnen ook een servicepakket kopen. Betalen consumenten de producent voor een verlengde garantie, dan geldt de redenering van punt 1. |
|
5. |
Het geachte parlementslid dient voor ogen te houden dat de verkoop van tweedehandsauto's niet onder de toepassing van Verordening (EG) nr. 1400/2002 valt (3). Dit soort producten valt namelijk onder de algemene groepsvrijstellingsverordening die de Commissie voor verticale beperkingen verleent — Verordening (EG) nr. 2790/1999 (4). |
|
6. en 7. |
Het spreekt voor zich dat de Commissie deze kwestie bijzonder ernstig neemt en alle klachten naar behoren zal onderzoeken die er zouden op wijzen dat de garantieregelingen van producenten niet in overeenstemming zijn met de letter en de geest van Verordening (EG) nr. 1400/2002. Momenteel is de Commissie evenwel van oordeel dat het ongepast zou zijn te speculeren welke specifieke maatregelen in een hypothetisch geval nodig zijn, omdat dat juist afhankelijk is van de precieze feiten in de zaak. De Commissie zou hier ook haar waardering willen uitspreken voor het belangrijke werk dat het Office of Fair Trading (OFT) in het Verenigd Koninkrijk onlangs in dit verband heeft verricht (5). |
|
8. |
De Commissie wil de aandacht van het geachte parlementslid vestigen op de inspanningen die tijdens de overgangsperiode zijn geleverd om duidelijk te maken hoe de verordening op garantieregelingen van toepassing is, en met name de aanwijzingen die alle betrokkenen kunnen vinden in een verklarende brochure (6) en in een reeks van vaak gestelde vragen (7). Nu de overgangsperiode is afgelopen, en de verordening ingeburgerd geraakt, zal de Commissie zich meer gaan concentreren op toezicht en handhaving. Overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1400/2002 zal de Commissie ook een beoordeling uitvoeren van de werking van de verordening. |
(1) PB L 203 van 1.8.2002, blz. 30.
(2) Zie het antwoord op vraag 38 in de verklarende brochure van de Commissie voor meer toelichting op dit punt.
(3) Zie artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1400/2002.
(4) Verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, PB L 336 van 29.12.1999.
(5) OFT-verslag „New car warranties — Report of the market study” (december 2003).
(6) Zie met name deel 5.1.2 van de brochure.
(7) Zie de antwoorden op vragen 1 en 2. Zowel de brochure als de vaak gestelde vragen zijn te vinden op de website van de Commissie, onder http://europa.eu.int/comm/competition/car_sector/distribution/
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/165 |
(2004/C 88 E/0173)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4004/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(7 januari 2004)
Betreft: Kinderen met een handicap in Rusland
Een aantal van mijn kiezers heeft zijn ongerustheid geuit over de behandeling van kinderen met een handicap in Rusland.
Is de Commissie op de hoogte van een gebrek aan voorzieningen voor zowel lichamelijk als geestelijk gehandicapte kinderen in Rusland?
Kan de Commissie aangeven of zij stappen heeft ondernomen om Rusland aan te sporen dit onderwerp aan te pakken en de situatie te verbeteren en zo ja, welke?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(9 februari 2004)
De Commissie spant zich al een aantal jaren via Tacis in om de behandeling van gehandicapte kinderen in Rusland te verbeteren. Een voorbeeld hiervan is het project voor „partnerschap in gezondheidszorg, onderwijs en sociale bijstand” dat is uitgevoerd als onderdeel van het Tacis-actieprogramma 1999 voor Rusland, in samenwerking met het ministerie van Onderwijs. Dit project is gericht op het vroegtijdig opsporen van handicaps en op betere behandeling van kinderen in een aantal regio's van Rusland.
Gewerkt wordt aan nog een aantal projecten, die samen met Russische instellingen, waaronder het ministerie van Arbeid en Sociale Ontwikkeling, zullen worden uitgevoerd.
Deze projecten zijn gericht op onder meer:
|
— |
verbetering van de bestaande wetgeving; |
|
— |
ontwikkeling van vormen van samenwerking tussen verschillende departementen/instanties en organisaties die zich met gehandicapte kinderen bezighouden; |
|
— |
ontwikkeling van programma's om sociale uitsluiting van kinderen met handicaps tegen te gaan en hun gezinsleden steun te bieden; |
|
— |
betere opleiding van sociaal werkers, medische verzorgers en leerkrachten; |
|
— |
betere voorlichting over de rechten van gehandicapte kinderen en hun gezinsleden, de problemen waarmee zij te kampen hebben en hun bijdrage als gewaarde leden van de samenleving. |
De Commissie heeft tevens, via haar programma voor de civiele samenleving, steun verleend aan een aantal niet-gouvernementele organisaties, liefdadigheidsinstellingen, ouderverenigingen en religieuze organisaties in een streven naar beter begrip voor en betere behandeling van gehandicapte kinderen. De Commissie is alleszins van plan haar werkzaamheden op dit belangrijke terrein voort te zetten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/166 |
(2004/C 88 E/0174)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0012/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(16 januari 2004)
Betreft: Top EU-India — nauwere betrekkingen
Op 29 november 2003 heeft in New Deli de 4de Top van de Europese Unie en India plaatsgevonden. Op deze top werd de versteviging van de bilaterale betrekkingen geanalyseerd en gesproken over de middelen om deze betrekkingen aan te halen.
Volgens het strategisch document van de Commissie van 10 september 2002 over India, is een van de prioriteiten de bevordering „van het wederzijds cultureel begrip” (blz. 23), hetgeen kan worden bereikt via een culturele interactie van beide partijen. Dit rechtvaardigt dat het Cross Cultural programma EU-India weer nieuw leven wordt ingeblazen.
Met het oog op de etnische, sociale en culturele diversiteit van India zal er speciale aandacht moeten worden besteed aan de uiteenlopende culturele banden die de bevolking van dit subcontinent met de EU-lidstaten onderhoudt en die een daadwerkelijke meerwaarde vormen in het kader van het wederzijds begrip dat de Unie wil aankweken. Dit vormt een potentiële factor voor de toenadering tot dit land en de sociale, technische en economische samenwerking.
Er zij in dit verband met name gewezen op de speciale banden tussen Portugal en Goa, Damão, Diu, Dadrá en Nagar-Aveli die gedurende een 450 jaar lange geschiedenis zijn opgebouwd en die in het belang van de nagestreefde intensivering van de betrekkingen tussen de Europese Unie en India nauwer aangehaald moeten worden.
Kan de Commissie in het licht van het voorafgaande het volgende mededelen:
|
— |
Welke maatregelen zij heeft getroffen of denkt zij te treffen om het onderwijs in de Portugese taal te intensiveren omdat het Portugees in India de derde Europese voertaal is? |
|
— |
Welke initiatieven denkt zij de Indiase autoriteiten voor te stellen om deze betrekkingen te versterken en soepeler te laten verlopen, wetende dat deze betrekkingen door de tijd weliswaar zijn bestendigd maar door de afstand worden bemoeilijkt? |
|
— |
Op welke wijze denkt de Commissie de Indiase autoriteiten ertoe aan te sporen om de culturele en historische banden met de Unie aan te halen? |
|
— |
Is de Commissie bereid nieuwe steun aan culturele projecten van de regeringen van de lidstaten, universiteiten, ONG's, kerken, enz. toe te kennen die met name streven naar de opwaardering, verspreiding, restauratie, herstel en behoud van dit gemeenschappelijke culturele en historisch erfgoed en hiervoor ook de steun van de Indiase regering te zoeken? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(10 februari 2004)
De vierde Topbijeenkomst van de Europese Unie en India, die op 29 november 2003 plaatsvond, was een belangrijke gebeurtenis voor de verbetering van de betrekkingen tussen beide partners. Deze relatie kreeg een belangrijke impuls met de eerste Topbijeenkomst in Lissabon in juni 2000 onder Portugees voorzitterschap.
Dialoog en samenwerking worden steeds verder verdiept, zowel met betrekking tot politieke en economische kwesties als tot ontwikkeling en maatschappelijke organisatie.
De culturele dimensie kreeg hierbij meer aandacht en de Commissie, die op dit gebied reeds actief is, blijft zoeken naar wegen en middelen om dit belangrijke aspect van de betrekkingen tussen de EU en India verder te versterken.
Het Economic-Cross-Cultural programma waarop het geachte parlementslid doelt, werd nieuw leven ingeblazen door een oproep tot het indienen van voorstellen in juli 2003 op het gebied van media en communicatie, universiteit en studies en networking voor ondernemers. Dit leverde uiteindelijk 26 projecten op die nu worden ondertekend.
Momenteel wordt gewerkt aan het ontwerp van een beurzenprogramma tussen de EU en India. Het is de bedoeling postdoctoraalstudenten uit India aan te trekken voor Europese — waaronder mogelijk Portugese — universiteiten, om de betrekkingen tussen de EU en India te verdiepen en meer begrip te kweken.
Verder biedt de EU-India Small Projects faciliteit de mogelijkheid om culturele activiteiten te financieren. Een van de negen projecten die gefinancierd werden in het kader van de laatste oproep tot het indienen van voorstellen beoogt een uitbreiding van culturele uitwisseling door middel van de vertaling van Europese en Indiase literatuur.
De Commissie was actief betrokken bij de organisatie van een intensieve culturele week rond de Top van Delhi: de lidstaten hadden een groot aantal Europese culturele activiteiten georganiseerd die veel aandacht trokken bij het Indiase publiek.
De Commissie is het volledig eens met het geachte parlementslid dat culturele uitwisselingen een uiterst belangrijk element vormen van de betrekkingen tussen de EU en India. Zij zal bij haar voortdurende inspanningen om met India een strategisch partnerschap op te richten dan ook rekening houden met het belang van culturele banden, zowel rond Topbijeenkomsten als bij het verbeteren van de normale betrekkingen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/167 |
(2004/C 88 E/0175)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0049/04
van Camilo Nogueira Román (Verts/ALE) aan de Commissie
(20 januari 2004)
Betreft: EU-noodhulp aan Iran na de verschrikkelijke aardbeving in Barn
Welke contacten zijn er geweest tussen de EU en de Iraanse regering na de verschrikkelijke aardbeving in Barn? Waaruit bestond de noodhulp die de EU naar Iran heeft gestuurd? Op welke manier gaat de EU ervoor zorgen dat in de getroffen steden en dorpen het gewone leven zoveel mogelijk terugkomt? Is de Commissie bereid om bij dergelijke rampen in de nodige middelen te voorzien, naar gelang van de draagkracht van de Europese economie, om de getroffen bevolking te helpen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(5 maart 2004)
De EU zoekt al jarenlang naar wegen om te komen tot bredere politieke en economische betrekkingen met Iran. Daartoe is de EU in december 2002 met Iran in onderhandeling getreden over een handels- en samenwerkingsovereenkomst alsmede over een overeenkomst inzake politieke dialoog en de strijd tegen terrorisme. Vrijwel tegelijkertijd werd een dialoog over de mensenrechten gestart. Sinds 1999 bestaan er werkgroepen voor handel en investeringen en voor energie. De EU blijft de wijze waarop zij Iran benadert baseren op het algemene concept van de brede dialoog, dat in 1998 is ingevoerd.
Na de tragische aardbeving op 26 december 2003 heeft de Commissie, middels haar Bureau voor humanitaire hulp (ECHO), op 27 december 2003 onmiddellijk gereageerd door 2,3 miljoen euro toe te kennen voor de meest dringende humanitaire hulp. Deze middelen zijn via het Rode Kruis en internationale niet-gouvernementele organisaties (NGO's) verdeeld. Al op 26 december 2003 heeft het bewakings- en informatiecentrum voor civiele bescherming van de EU, dat is opgezet door de Commissie, gezorgd voor transport en coördinatie van de ter beschikking gestelde reddingsteams uit de verschillende lidstaten, de Europese Economische Ruimte (EER), kandidaat-lidstaten en toetredende landen.
Op 18 februari 2004 heeft de Commissie door goedkeuring van een vervolgbesluit 6,3 miljoen euro toegekend voor verdere humanitaire hulp. Net als voorheen zullen de middelen via het Rode Kruis internationale NGO's verdeeld worden, alsmede via de agentschappen van de Verenigde Naties. De hulp is gericht op de sectoren gezondheidszorg, water en sanitaire voorzieningen en psychosociale hulp, met speciale aandacht voor de meest kwetsbare groepen, met name kinderen.
Het Commissielid dat belast is met ontwikkeling en samenwerking heeft Iran op 18 en 19 februari 2004 bezocht. Hij heeft overlegd met de regering, de Iraanse Halve Maan en de organisaties van de Verenigde Naties in Teheran. Ook heeft hij Barn bezocht, waar hij ontmoetingen had met organisaties die in het veld werkzaam zijn.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/168 |
(2004/C 88 E/0176)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0072/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(20 januari 2004)
Betreft: Verdenking van handel in menselijke organen — Mozambique
Eind 2003 zou, naar verluidt, in een regio in het noorden van Mozambique een crimineel netwerk actief geweest zijn, dat zou hebben gehandeld met menselijke organen, die daartoe uit vermoorde personen (vooral kinderen, maar ook volwassenen) zouden zijn uitgenomen. Volgens deze geruchten zouden elke week vlak bij een klooster in de regio Nampula verminkte lichamen gevonden zijn. Er zouden ook talloze personen zijn verdwenen. De eventuele handel zou wellicht via Zuid-Afrika afgewikkeld zijn, aangezien een Zuid-Afrikaans burger als mogelijk betrokkene wordt genoemd. De bevolking zou in paniek zijn. Zij vreest dat dit net misschien wel op hoog, politiek of economisch niveau wordt geduld.
Deze mogelijk buitengewoon ernstige feiten werden eerst via religieuze bronnen bekend, die, daar deze vreesden voor het leven van gelovigen ter plaatse — er zijn moorddreigingen tegen missionarissen bekend, die bezorgd over deze misdrijven en ontsteld over de mogelijke handel zijn -, de genoemde meldingen met uiterste voorzichtigheid behandelden en tevens hebben geprobeerd meer bewijs te vergaren. Er zijn echter hierover reeds publiekelijke beschuldigingen geuit door een Braziliaanse vrouwelijke missionaris, die eind 2003 aan een Braziliaanse televisiezender ter hand werden gesteld. Vervolgens was deze kwestie ook het voorwerp van berichten die in Portugal op 24.12.2003 en 2.1.2004 in het dagblad „Público” werden gepubliceerd. In laatstgenoemde meldingen werd ook verklaard dat het Openbaar Ministerie van Mozambique reeds kennis zou hebben van de beschuldigingen en de feiten zou onderzoeken.
Het Europees Parlement heeft zich onlangs in grote lijnen met deze kwestie beziggehouden, toen op initiatief van Griekenland het voorstel voor een kaderbesluit ter voorkoming en bestrijding van de handel met menselijke organen en weefsels werd behandeld — zie de notulen van de Plenaire Vergadering van 23.10.2003 en het verslag ter zake van Robert J.E. Evans (A5-0326/2003).
Kan de Commissie derhalve het volgende mededelen:
|
— |
Beschikt zij over informatie betreffende deze kwestie in Mozambique? |
|
— |
Op welke wijze kan zij eventueel de autoriteiten van Mozambique bij het onderzoek naar deze beschuldigingen en de internationale bestrijding van de handel in menselijke organen en overige misdrijven steunen, die wellicht op dit moment worden begaan? |
|
— |
Welke garanties bestaan er dat geen enkele lidstaat van de Europese Unie einddoel kan zijn van menselijke organen, die op criminele wijze zijn verkregen en illegaal zijn verhandeld? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/169 |
(2004/C 88 E/0177)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0143/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(26 januari 2004)
Betreft: Orgaansmokkel — Mozambique
Ik had al eerder de gelegenheid om over dit onderwerp een vraag te stellen aan de Commissie en de Raad. Inmiddels hebben zich nieuwe ontwikkelingen voorgedaan: zo heeft de procureur-generaal van Mozambique, Dr. Joaquim Madeira, ten overstaan van de media toegegeven dat er wel degelijk een smokkel in menselijke organen plaatsvindt. De procureur-generaal van de republiek verklaarde enkele dagen geleden op de Portugese radio RDP-Africa dat klacht was ingediend door de voorzitter van de Liga voor de rechten van de mens nadat de Braziliaanse missiezuster Elilda dos Santos melding had gemaakt van acht mogelijke gevallen waarin bij kinderen van Nampula organen waren weggehaald. Een rechercheteam van het Openbaar Ministerie onderzoekt momenteel de zaak in de provincies Manica, Maputo en Nampula en naar verluidt zijn al enkele getuigen gehoord. Er zijn ook gevallen van dit bijzonder zorgwekkende verschijnsel gemeld in andere Afrikaanse landen.
Op 14 januari jl. wijdde de Portugese openbare televisiezender RTP1 een lange reportage aan de gebeurtenissen in Mozambique, waarin de aanklachten werden bevestigd en werd gewezen op de flagrante tegenstrijdigheden tussen de lokale politie, die de orgaansmokkel ontkent, en het Openbaar Ministerie dat de feiten en de processen bevestigt.
Tijdens een ander interview voor de Mozambikaanse televisiezender TVM heeft de procureur-generaal een oproep gedaan aan de maatschappij om de rangen te sluiten in de strijd tegen deze misdaad. Inmiddels zijn in de Centraal-Mozambikaanse provincie Nampula drie personen gearresteerd op beschuldiging van orgaansmokkel en is een buitenlands echtpaar beschuldigd van poging tot ontvoering van minderjarigen met de bedoeling er organen van weg te nemen maar in Nampula in voorwaardelijke vrijheid gesteld. De Braziliaanse non die de eerste aanklachten heeft ingediend en die verblijft in een klooster in Nampula waar arme kinderen en weeskinderen worden opgevangen, meent dat er genoeg signalen zijn opgevangen dat de laatste maanden meer kinderen zijn omgekomen bij het operatief wegnemen van organen.
In de lijn van mijn eerdere vraag E-0072/04 wens ik de Commissie de volgende vragen te stellen:
|
— |
Heeft de Commissie hieromtrent al contacten gehad met de Mozambikaanse autoriteiten? Heeft zij al acties ondernomen voor steunverlening, bijstand of politiële samenwerking? |
|
— |
Beschikt zij over informatie omtrent het bestaan van een illegale handel in menselijke organen vanuit andere Afrikaanse landen? |
|
— |
Is zij bereid om, ter bestrijding van deze macabere smokkel, aan Mozambique en andere landen die erom vragen niet alleen noodhulp te bieden maar ook informatie en opleiding te verstrekken, zowel aan de autoriteiten als aan representatieve groepen uit het maatschappelijke middenveld die met dit afschuwelijk soort misdaden af te rekenen hebben? |
Gecombineerd Antwoord
van de heer Nielson namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-0072/04 en E-0143/04
(19 maart 2004)
De Commissie deelt de bezorgdheid van het geachte parlementslid over deze afschuwelijke handel in menselijke organen, een misdaad waarvan in Mozambique met name kinderen het slachtoffer zijn.
De Commissie is volledig op de hoogte gebracht van de ernst van de situatie door haar delegatie in Maputo en heeft in verband hiermee reeds contact opgenomen met de procureur-generaal van de Republiek. De procureur heeft bevestigd dat in Nampula een geval werd gerapporteerd, hetgeen ook reeds werd vermeld in de vraag van het geachte parlementslid; er zal, niet alleen in deze regio maar ook in andere regio's van het land, een grondig onderzoek volgen. Tot dusverre heeft de procureur-generaal nog niet aangegeven dat er behoefte is aan bijkomende hulp van de Commissie of van een andere donor.
Het missiehoofd van de EU en de delegatie van de EG voeren besprekingen over de kwestie en zullen ze in het kader van de politieke dialoog tussen de EU en Mozambique ter sprake brengen.
Mozambique krijgt steun voor zijn gerechtelijk apparaat (strategische planning, toegankelijkheid van het gerecht, mensenrechten, hervorming van de gevangenissen, juridische opleidingen, burgerlijke rechtbank van Maputo, politie van Mozambique) van de EU (Denemarken, Ierland, Portugal, Spanje, Italië en Nederland), Noorwegen, het ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en het Amerikaans Bureau voor Internationale Ontwikkeling (USAID).
Steun aan deze sector is gepland in het kader van het Nationaal Strategiedocument EG-Mozambique en momenteel wordt een programma van 10.0 miljoen euro door de Commissie goedgekeurd. De strategie van dit programma bestaat erin de activiteiten die door andere donoren worden gefinancierd aan te vullen en — uitgaande van het feit dat problemen die betrekking hebben op het strafrecht een systemische aanpak vereisen — alle actoren, als schakels in de „strafrechtketen” bij het programma te betrekken: de gerechtelijke politie, het Bureau van de procureur-generaal, de gerechtshoven en rechtbanken, het gevangeniswezen, de advocatuur alsmede de civiele samenleving die een belangrijke rol moet spelen op het gebied van misdaadpreventie (door gemeenschapsactiviteiten) en bescherming van de mensenrechten. Het tweede kritische gedeelte, de decentralisatie, heeft ten doel geografische verschillen uit het systeem te halen en de toegang tot de rechter te vergemakkelijken met name op districtsniveau en op lokaal niveau. De strategie is gebaseerd op een benadering waarbij rechten en dienstverlening voorop staan. Het programma zelf spitst zich toe op beleidsdoelstellingen waarvoor verschillende, onafhankelijke instellingen samen dienen te werken. De activiteiten in het kader van het programma omvatten institutionele ondersteuning, onderzoek naar alternatieven voor gevangenisstraffen, media- en bewustmakingscampagnes, onderzoek en inspectie, opleiding, en de oprichting van specifieke steunfondsen voor mensenrechten, rehabilitatie en de levering van uitrusting.
Wat de situatie in de EU betreft, is een groot aantal maatregelen genomen om de samenwerking tussen de politiediensten en douaneautoriteiten van de lidstaten te verbeteren en de buitengrenzen te versterken. Met name in verband met de handel in menselijke organen heeft Griekenland in februari 2003 een voorstel voor een kaderbesluit inzake de preventie en de controle van de handel in menselijke organen en weefsels ter goedkeuring aan de Raad voorgelegd. Het doel van het voorstel is vast te stellen welke handelwijzen in alle lidstaten strafbaar moeten zijn en welke minimumstraffen in dergelijke gevallen moeten worden toegepast. De Commissie heeft het voorstel principieel gunstig onthaald. De Commissie heeft het Griekse initiatief gesteund door uit te nodigen tot het indienen van aanvragen voor de financiering van andere projecten op dit gebied in het kader van haar AGIS-programma betreffende politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.
Bovendien is het mandaat van Europol sedert 1 januari 2002 uitgebreid tot de illegale handel in menselijke organen en weefsels. Europol verzamelt momenteel gegevens van de lidstaten met betrekking tot de situatie in de EU.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/170 |
(2004/C 88 E/0178)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0154/04
van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Commissie
(29 januari 2004)
Betreft: Kleptocratentax
Het bedrijfsleven zegt zware tijden mee te maken. Er wordt gesaneerd, er vallen ontslagen en er worden verliezen gedraaid. En allemaal buiten hun schuld om, menen de bestuurders, want het gaat simpelweg slecht met de economie en dan wordt er minder verdiend. Pijnlijke maatregelen horen er dan eenmaal bij. Dat voelen we met z'n allen en dus moeten we ook met z'n allen de broekriem aanhalen en de last samen dragen. Iedereen moet wat inleveren en dan komen we er samen wel uit. Wie goed kijkt naar de salarissen van de CEO's in Nederland, komt tot de conclusie dat zij nog steeds enorme salarissen verdienen door optieregelingen, vertrekregelingen, bonussen en leningen. Dit „aanhalen” geldt blijkbaar niet voor hen.
Aangezien voorstellen van het kabinet-Balkenende en de Commissie-Tabaksblat deze hoge bedragen niet voldoende kunnen inperken, heeft de Nederlandse vakbondsbeweging FNV andere maatregelen voorgesteld. De vakcentrale wil dat de overheid in Nederland via inkomensbelasting topinkomens gaat „afromen”. Dat betekent dat er boven een bepaald bedrag, bijvoorbeeld 500 000 EUR, een zwaarder belastingtarief in werking treedt dan het huidige tarief van 52 %. Wellicht zouden de daaruit voortvloeiende extra gelden gebruikt kunnen worden voor financiële hulp aan gedupeerden van het saneringsbeleid van de betrokken heren.
|
1. |
Is de Commissie van mening dat Europese CEO's exorbitant hoge salarissen verdienen wanneer men dit afzet tegen de slechte prestaties van hun bedrijf en de gedwongen ontslagen die daar het gevolg van zijn? |
|
2. |
Ziet de Commissie een zogenaamde „kleptocratentax” als goede maatregel tegen de huidige ontwikkeling en is ze bereid ten aanzien van een dergelijke aanpak in meerdere Europese lidstaten enige coördinatie te bevorderen? |
|
3. |
Ziet de Commissie ook een rol voor zichzelf weggelegd in dit proces? Welke maatregelen zou de Commissie kunnen nemen? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(12 maart 2004)
|
1. |
De Commissie is van mening dat de structuur en de hoogte van de beloning van bestuurders een aangelegenheid is waarover in eerste instantie de bedrijven en hun aandeelhouders zelf moeten beslissen. Zij is echter ook van mening dat aandeelhouders de relatie tussen de prestatie van een bedrijf en de hoogte van de beloning van de bestuurders volledig zouden moeten kunnen beoordelen, en dat zij besluiten zouden moeten kunnen nemen over de bestanddelen van deze beloning die samenhangen met de aandelenkoers. Een adequate informatieregeling en adequate bestuurscontrole zijn in dit verband noodzakelijk. |
|
2. |
Zoals de Commissie reeds stelde in haar mededeling van mei 2001 inzake een allesomvattende strategie voor het toekomstige fiscale beleid van de EU (1), zijn er vele fiscale terreinen waarvoor harmonisatie noch noodzakelijk, noch gewenst is, omdat de kenmerken van de belastingstelsels van de lidstaten en de voorkeuren van de lidstaten op gebieden als openbare uitgaven sterk uiteenlopen. De inkomstenbelasting is zo'n terrein dat volgens de Commissie aan de lidstaten moet worden overgelaten, ook wanneer de Europese Unie verder integreert. Coördinatie van inkomstenbelasting in EU-verband is slechts nodig om grensoverschrijdende discriminatie en belemmeringen voor de uitoefening van de vier vrijheden te voorkomen, alsmede in sommige gevallen om dubbele belastingheffing of onbedoeld achterwege blijven van belastingheffing in grensoverschrijdende situaties te voorkomen en om grensoverschrijdende belastingontduiking aan te pakken. |
|
3. |
De Commissie heeft in haar mededeling inzake modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de Europese Unie van 21 mei 2003 (2), de intentie uitgesproken om een aanbeveling goed te keuren ter bevordering van de instelling van passende regelgeving voor de beloning van bestuurders. Een dergelijke regeling moet vier kernelementen omvatten: informatie in de jaarrekening over het beloningsbeleid, gedetailleerde informatie in de jaarrekening over de salarissen van individuele bestuurders, voorafgaande goedkeuring door de aandeelhoudersvergadering van aandelen- en aandelenoptieplannen waaraan bestuurders deelnemen, en passende verantwoording in de jaarrekening van de kosten van dergelijke plannen voor de onderneming. De Commissie is voornemens de aanbeveling in 2004 goed te keuren. |
(2) COM(2003)284 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/171 |
(2004/C 88 E/0179)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0187/04
van Brice Hortefeux (PPE-DE) aan de Commissie
(29 januari 2004)
Betreft: Controle van bedrijfsboekhoudingen
Tegen de achtergrond van het laatste schandaal dat een tekort van 7 miljard euro verduisterd door Parmalat aan het licht bracht, wordt de kwestie van controle van bedrijfsboekhoudingen weer actueel.
Belastingsparadijzen, verborgen economische verliezen, valse documenten en valse balansen: een bundeling van alle ingrediënten die voeding hebben gegeven aan de vorige financiële schandalen. Zelfs als het nog veel te vroeg is om conclusies te trekken uit deze zeer ingewikkelde zaak, is het toch nuttig en noodzakelijk om te beginnen met het analyseren van de gevolgen betreffende het Europese beleid inzake de financiële diensten.
Overweegt de Commissie de wettelijke accountantscontroles te verscherpen met ondersteunende maatregelen en meer strikte controles bij de accountantskantoren door hen tot verantwoording te verplichten van alle aspecten van de geconsolideerde rekeningen?
Zal het juridische vacuüm, dat gecreëerd wordt wanneer twee accountantskantoren elk verantwoordelijk zijn voor een deel van de rekeningen, opgevuld worden? Zo ja, op welke manier?
Wordt er nagedacht over een verbod voor accountants om deel te nemen aan elke vorm van beleidsbeslissingen?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(11 maart 2004)
De Commissie is het ermee eens dat het nog te vroeg is om definitieve conclusies te trekken uit het bedrijfsfaillissement van Parmalat, dat inderdaad erg ingewikkeld is. In haar mededelingen van 21 mei 2003„Modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de Europese Unie” en „Versterking van de wettelijke accountantscontrole in de EU” een reeks maatregelen voorgesteld die specifiek betrekking hebben op een aantal problemen die in het Parmalat-schandaal werden vastgesteld. Als reactie op dit faillissement is de Commissie voornemens een aantal voorstellen uit deze actieplannen te bespoedigen.
Met betrekking tot de wettelijke accountantscontrole is de Commissie van plan in haar voorstel voor een gemoderniseerde richtlijn een specifieke bepaling op te nemen waarin het basisbeginsel wordt bevestigd dat een met de wettelijke controle belaste accountant op generlei wijze betrokken mag zijn bij bestuurs-beslissingen. Ook zal een specifieke regel worden ingevoerd die bepaalt dat de groepsaccount de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de accountantsverklaring betreffende de geconsolideerde jaarrekening.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/172 |
(2004/C 88 E/0180)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0214/04
van Giles Chichester (PPE-DE) aan de Commissie
(30 januari 2004)
Betreft: Bijzonderheden van de EU-financiering van de Palestijnse Autoriteit
Enkele burgers uit mijn kiesdistrict hebben mij schriftelijk laten weten verontrust te zijn over de met veel ruchtbaarheid omgeven twijfels ten aanzien van het gebruik dat de Palestijnse Autoriteit (PA) maakt van kredieten van de Europese Unie. Tot op dit moment is er ter ondersteuning of ontkrachting van de beweringen geen gedetailleerde informatie beschikbaar en is er geen verantwoording afgelegd over de kredieten die de EU aan de PA ter beschikking stelt.
Kan de Commissie, gezien de berichten over misbruik van door de EU aan de PA ter beschikking gestelde fondsen en gezien de vertrouwelijkheid waarmee de werkgroep van het Europees Parlement deze zaak onderzoekt, mededelen (a) welke bedrag de EU de afgelopen drie jaar aan de PA ter beschikking heeft gesteld; (b) gedetailleerd mededelen voor welk doel deze begroting bestemd is (overeenkomstig de aanvraag door de PA) en (c) met welke bedragen voor 2003-2004 rekening wordt gehouden?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(10 maart 2004)
De Europese Gemeenschap verleende de afgelopen drie jaar voor de volgende bedragen (op basis van vastleggingen) steun aan de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, inclusief humanitaire hulp, voedselhulp en steun voor niet-gouvernementele organisaties (NGO's), exclusief bilaterale hulp van de lidstaten. Voor het jaar 2000: EUR 225,86 miljoen, voor 2001: EUR 149,39 miljoen en voor 2002: EUR 326,31 miljoen. Dit omvat ook de humanitaire hulp voor Palestijnse vluchtelingen in Jordanië, Libanon en Syrië.
Met de financiële steun van de EU is de afgelopen jaren gestreefd naar een evenwicht tussen noodhulp op korte termijn en meer strategische, op de toekomst gericht ontwikkelingshulp ter voorbereiding op een toekomstige democratische Palestijnse staat.
De steun van de Europese Gemeenschap (met uitzondering van bilaterale hulp van de lidstaten) aan de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, inclusief humanitaire hulp, voedselhulp en steun voor niet-gouvernementele organisaties (NGO's), bedroeg in 2003 in totaal EUR 225,86 miljoen. Dit omvat ook de humanitaire hulp voor Palestijnse vluchtelingen in Jordanië, Libanon en Syrië. De programmering voor het jaar 2004 is nog niet afgerond, maar de omvang van de steun zal vergelijkbaar zijn met de afgelopen jaren.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/173 |
(2004/C 88 E/0181)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0270/04
van Brice Hortefeux (PPE-DE) aan de Commissie
(5 februari 2004)
Betreft: Toezicht op de regelgeving op het grensoverschrijdend betalingsverkeer
Verordening (EG) nr. 2560/2001 op de grensoverschrijdende betalingen in euro (1), die door het Europees Parlement aangenomen en op 31 december 2001 van kracht geworden is, heeft de kosten van grensoverschrijdende betalingen op de interne markt aanzienlijk helpen drukken. Daarnaast heeft ze de banken aangemoedigd om hun betalingsinfrastructuur op EU-niveau te moderniseren. Ze vormt daarmee een belangrijke stap in de richting van een eenheidsgebied voor de betalingen op de binnenmarkt die niet in baar geld verlopen, dat ondanks de invoering van de euro nog niet bestond.
Maar een onderzoek in Frankrijk (dat genoemd is op 20 januari 11. op de hoorzitting van de Economische en Monetaire Commissie over het eenheidsgebied voor het betalingsverkeer) brengt aan het licht dat de 25 banken die aan het onderzoek deelgenomen hebben, 180 verschillende bedragen als kosten aanrekenen. Het is dan ook voor de verbruiker bijzonder moeilijk om zijn weg te vinden in zo'n administratieve doolhof, te meer omdat 24 % van de geïnterviewde personen verklaren dat ze verkeerde inlichtingen gekregen hebben. Bovendien zijn er nog de kostenverhogingen en de onrechtmatige invoering van nieuwe bankkosten om het van kracht worden van de verordening te compenseren.
Als ze dat allemaal vaststelt, welke maatregelen denkt de Commissie dan te nemen om te verhinderen dat de voordelen die van de verordening verwacht mogen worden, tenietgedaan worden door tegenmaatregelen van de bankinstellingen?
Denkt de Commissie na over een wetgeving die de banken eindelijk verplicht om bruikbare inlichtingen te verstrekken die voor de verbruikers gemakkelijk te begrijpen zijn?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(11 maart 2004)
Krachtens Verordening (EG) nr. 2560/2001, die sinds 1 juli 2002 van toepassing is op betalingen per bankkaart en opnemingen aan geldautomaten en sinds 1 juli 2003 op overmakingen, moeten de kosten die worden aangerekend voor een grensoverschrijdende betalingsverrichting in euro dezelfde zijn als voor een binnenlandse betaling.
Op basis van de gegevens waarover ze op dit ogenblik beschikt, is de Commissie van oordeel dat de verordening in het algemeen correct wordt toegepast. Een uitzondering hierop vormt Spanje, waar de Commissie de Spaanse autoriteiten heeft verzocht de nodige maatregelen te nemen voor de correcte toepassing van de verordening. De Commissie is niet op de hoogte van het onderzoek in Frankrijk waarnaar het geachte parlementslid verwijst en kijkt met belangstelling uit naar alle informatie die hij hierover aan de Commissie kan verstrekken.
Ingeval de verordening niet wordt nageleefd, moeten de bevoegde nationale autoriteiten doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties toepassen.
Bovendien zal de Commissie in het kader van Verordening (EG) nr. 2560/2001 uiterlijk in juni 2004 bij de Raad en het Parlement een verslag indienen over de toepassing van deze verordening. Een van de onderdelen van het verslag heeft betrekking op de evolutie van de binnenlandse tarieven. De Commissie zal dan in staat zijn een meer volledig antwoord over deze kwestie te geven. Toch moet worden opgemerkt dat de verhoging van talrijke bancaire diensten niets te maken heeft met de verordening, die slechts betrekking heeft op de kosten die zijn verbonden aan overmakingen en elektronische transacties. De Commissie is van oordeel dat de banken vrij zijn om de prijs van hun diensten te bepalen en dat het aan de klant is om te profiteren van de concurrentie.
Daarom is het voor de Commissie van heel groot belang dat op een transparante wijze informatie wordt verstrekt aan de gebruikers van betalingsdiensten. Om te zorgen voor deze transparantie heeft de Commissie in haar Mededeling aan de Raad en het Europees Parlement betreffende een nieuw rechtskader voor betalingen in de interne markt van december 2003 (2) op de aanbieders van betalingsdiensten toepasselijke transparantieregels voorgesteld die op Europees niveau zouden worden geharmoniseerd.
(1) PB L 344 van 28.12.2001, blz. 13.
(2) COM(2003)718 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/174 |
(2004/C 88 E/0182)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0272/04
van Mario Borghezio (NI) aan de Commissie
(5 februari 2004)
Betreft: Inlandterminal Timisoara
Het wordt steeds duidelijker dat de voorgenomen aanleg van een inlandterminal bij Timisoara in Roemenië, die Roemenië tot „poort van het oosten” zou moeten maken, een voorwerp van speculatie aan het worden is.
De terminal zou aanvankelijk op een openbaar terrein van 150 hectare ten noorden van de stad komen te liggen, waarvoor de EU reeds een positief advies had uitgebracht. Maar plotseling is sprake van een ander terrein van slechts 30 hectare dat hoogstens tot 70 hectare uitgebreid zou kunnen worden zonder dat dit helemaal zeker is, en wel in een gebied ten zuiden van de stad aan een route naar Servië die niet bruikbaar is voor zwaar vrachtverkeer. Bij de aanvankelijke keuze voor een terrein dat zijn oorspronkelijke bestemming als landbouwgrond automatisch zou terugkrijgen als de aanleg van het overslagcentrum niet door zou gaan, was speculatie met de grond natuurlijk onmogelijk, terwijl dit bij de huidige keuze wel degelijk het geval is.
Is de Commissie gezien de eventuele toekenning van Europese steun voor de aanleg van het centrum voornemens nader onderzoek te doen naar de onrustbarende kanten van de keuze voor een nieuwe locatie van het overslagcentrum bij Timisoara?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(11 maart 2004)
De Commissie is zich bewust van het project om een multimodaal platform te bouwen in Timisoara, maar werd nog niet gevraagd om een voorgestelde locatie goed te keuren. Omdat geen EU-pretoetredingssteun is gevraagd, is de Commissie niet voornemens een standpunt in te nemen over de locatie van deze terminal.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/174 |
(2004/C 88 E/0183)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0288/04
van Marco Cappato (NI) aan de Commissie
(6 februari 2004)
Betreft: Drugsuitroeiingsprogramma in Colombia
Tijdens zijn recente bezoek aan Colombia heeft Commissaris Chris Patten uitdrukking gegeven aan de Europese kritiek op het door de Verenigde Staten ondersteunde drugsuitroeiingsprogramma. Commissaris Patten deelde ook mede dat de EU geweigerd had geld beschikbaar te stellen voor acties met herbiciden in het Andes-gebied, vanwege haar bezorgdheid over de effecten hiervan op het leven en het welzijn van de Colombianen en het milieu.
De heer Patten bevestigde ook dat Europa toezeggingen had gedaan voor alternatieve ontwikkelingsprogramma's ten bedrage van ongeveer 50 miljoen euro, waarbij de uitbetaling van dit geld afhankelijk wordt gesteld van de bereidheid van Colombia om gehoor te geven aan de aanbevelingen van het Hoge Commissariaat van de Verenigde Naties voor mensenrechten.
Is de Commissie van plan om de kwestie van de effecten van de herbicide-acties aan de orde te stellen in haar bilaterale gesprekken met de Amerikaanse regering, en daarbij de nadruk te leggen op de algemene gevolgen hiervan en het feit dat de resulaten van dergelijke acties uiterst pover zijn?
Zal de Commissie overwegen financiële steun te verlenen aan enkele voorstellen die thans door Colombiaanse organisaties worden opgesteld met betrekking tot de alternatieve ontwikkeling van de cocastruik, die zou leiden tot de gebruikmaking van het blad, dat door sommige inheemse volkeren als heilig wordt beschouwd, voor de productie van een reeks andere producten dan cocaïne?
Overwegende dat de komende zitting van de VN-Commissie voor narcotica, van 16 tot 25 maart, een gelegenheid kan bieden om voorstellen in te dienen voor wijzigingen op de VN-Conventies inzake narcotica, zou ik de volgende vraag willen stellen: wat zijn de wetenschappelijke redenen waarom de Europese Commissie van mening is dat de cocastruik in Lijst I moet blijven en niet moeten worden gereclassificeerd naar Lijst IV?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(11 maart 2004)
De Commissie heeft de Amerikaanse regering al op de hoogte gebracht van haar standpunt ten aanzien van besproeiing vanuit de lucht („fumigatie”) in het algemeen, en in het bijzonder als middel om de illegale gewassen in Colombia uit te roeien.
De Commissie heeft de politieke toezegging van de Colombiaanse regering gekregen dat de gebieden die onder haar alternatieve ontwikkelingsprogramma's vallen geen deel zullen uitmaken van programma's voor besproeiing uit de lucht en zij volgt nauwlettend de ontwikkelingen op het terrein.
Deze zienswijze komt overeen met het standpunt dat de Commissie heeft ingenomen in de Unie, dat erop neerkomt dat dit sproeien vanuit de lucht in de toekomst zoveel mogelijk moet worden beperkt, zoniet volledig verboden. In haar mededeling „Op weg naar een thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden” (1) heeft de Commissie een totaalverbod op sproeien vanuit de lucht voorgesteld, waarbij specifieke ontheffingen door de lidstaten worden verleend indien sproeien vanuit de lucht, vergeleken met andere sproeimethoden, duidelijke voordelen biedt en gunstig voor het milieu is. Dit is vanwege de gevolgen die het overwaaien van pesticiden bij het sproeien vanuit de lucht kan hebben voor de volksgezondheid en het milieu, en ook vanwege de mogelijke sociaal-economische gevolgen, met name voor gebieden die niet hoeven te worden besproeid, zoals bewoonde gebieden en water (2).
De door de Commissie in Colombia ondersteunde alternatieve ontwikkelingsprogramma's voorzien in de vrijwillige manuele verwijdering van de cocateelten.
De komende zitting van de VN-Commissie voor Narcotica wordt van 15 tot 22 maart 2004 in Wenen gehouden. De wijziging van de VN-Conventies inzake Narcotica of de indeling van cocablad in het kader van deze conventies staan niet op de agenda van deze vergadering. Voor de de indeling van het cocablad is de Commissie niet bevoegd.
(1) COM(2002) 349 def.
(2) http://europa.eu.int/comm/environment/ppps/home.htm
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/175 |
(2004/C 88 E/0184)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0320/04
van Gary Titley (PSE) aan de Commissie
(6 februari 2004)
Betreft: Illegale houtkap en houthandel
De Commissie is zich er ongetwijfeld van bewust dat houtmagnaten zich tot voor kort concentreerden op de Indonesiche eilanden, waar zij gezorgd hebben voor een versnelde verwoesting van de wouden. Thans lijken de wouden van West-Papoea het doelwit te zijn en deze dreigen hetzelfde lot te ondergaan.
Op 21 mei 2003 heeft de Commissie het EU-actieplan voor wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (FLEGT) gepubliceerd. Zij verklaarde dat zij voornemens is in 2004 een voorstel voor een verordening in te dienen tot tenuitvoerlegging van het actieplan en om als basis te dienen voor een stelsel van vrijwillige partnerschappen om illegale houtinvoer te controleren.
In het advies van de Commissie industrie, externe handel, onderzoek en energie van het Europees Parlement dat op 19 januari 2004 werd uitgebracht, wordt opgemerkt dat hoewel een vrijwillig vergunningenstelsel zou voorkomen dat hout uit deelnemende landen waarvoor geen vergunning is verleend, voor handel in de EU zou worden vrijgegeven, niet alle producerende landen waarschijnlijk bereid zullen zijn bilaterale overeenkomsten te sluiten. In het advies wordt aanbevolen dat spoedig bindende wetgeving wordt opgesteld om de invoer en het op de markt brengen van hout en houtproducten van illegale oorsprong, ongeacht het land van herkomst, te verbieden, en de autoriteiten van de EU-lidstaten in staat te stellen bedrijven en personen te vervolgen.
Kan de Commissie bevestigen of zij voornemens is bindende wetgeving in te voeren en meedelen wat haar volgende stap zal zijn?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 maart 2004)
De Commissie is zich ervan bewust dat niet alle houtproducerende landen zouden toetreden tot het vrijwillige vergunningenstelsel dat wordt voorgesteld in de mededeling met betrekking tot het FLEGT-actieplan (1). Bijgevolg bestaat er een risico dat illegaal gekapt hout in de EU wordt ingevoerd uit landen zonder een dergelijk stelsel. Als evenwel de landen met de ernstigste problemen op het gebied van illegale houtkap bilaterale akkoorden met de EU sluiten, zou dit een aanzienlijk effect hebben.
In het FLEGT-actieplan heeft de Commissie medegedeeld dat ze zal nagaan of ze met aanvullende regelgeving die verder gaat dan het voorgestelde vrijwillige vergunningenstelsel de invoer en de verkoop van illegaal gekapt hout een halt kan toeroepen. In de loop van 2004 zal de Commissie het Parlement en de Raad denksporen met betrekking tot dergelijke mogelijke wetgeving voorleggen. De beslissing of verdere wetgeving moet worden ingevoerd, zal afhangen van de haalbaarheid en de aard van de denksporen.
Een algemeen verbod op de import van illegaal gekapt hout lijkt op het eerste gezicht aanlokkelijk, maar leidt tot een aantal moeilijke juridische en praktische problemen, bijv. wie zal bepalen of het hout legaal is gekapt en hoe kan het hout worden getraceerd vanaf de houtkap in het woud via de verwerking tot de invoer. Bovendien is het mogelijk dat sommige potentiële maatregelen niet tot de bevoegdheden van de lidstaten, maar tot die van de Gemeenschap behoren, bv. maatregelen op strafrechtelijk vlak. De Commissie erkent evenwel de ernst van het probleem dat in de vraag van het geachte parlementslid ter sprake wordt gebracht, en wil ervoor zorgen dat de Gemeenschap haar verantwoordelijkheid in deze aangelegenheid opneemt.
(1) COM(2003)251 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/176 |
(2004/C 88 E/0185)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0362/04
van Graham Watson (ELDR) aan de Commissie
(12 februari 2004)
Betreft: Letse namen op paspoorten
Kan de Commissie mededelen waarom het noodzakelijk is volgens de Letse wetgeving te eisen dat de familienamen op paspoorten overeenkomen met de taalvoorschriften van het Lets? Bijvoorbeeld, als een vrouw trouwt, kan de naam op haar paspoort niet veranderd worden in Smith maar moet het Smite worden omdat dit het dichtst bij het Lets aansluit.
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(22 maart 2004)
De Commissie heeft de kwestie van de omzetting van namen in het Lets op paspoorten in haar jaarverslagen altijd behandeld onder het hoofdstuk van de zogenaamde politieke criteria van Kopenhagen, dat wil zeggen de eerbiediging van de democratie, de rechtsorde en de mensenrechten en de bescherming van minderheden. Op grond van de waardigheid en de vrijheid van de persoon heeft hij of zij het individuele recht te eisen dat de nationale autoriteiten zijn of haar naam eerbiedigen. Voorts kunnen echtgenotes zich beroepen op de verplichting van de Staat het familie- en gezinsleven te eerbiedigen, die onder andere in artikel 7 van het EU-Handvest van de grondrechten is vastgelegd.
In haar periodiek verslag van 2002 (1) heeft de Commissie vastgesteld dat Letland naar aanleiding van een uitspraak van zijn eigen Constitutionele Hof wijzigingen heeft doorgevoerd. Deze wijzigingen hebben geleid tot een meer zichtbare vermelding van de originele naam op het paspoort. De Commissie moest evenwel vaststellen dat deze wijzigingen beperkt bleven, voornamelijk doordat de Letse vorm van de naam het meest prominent aanwezig blijft op de bladzijde met de persoonsgegevens. De conclusie luidde dan ook dat de wetgeving nog kan worden verbeterd met het oog op een betere bescherming van de mensenrechten. Het is evenwel de taak van de rechtbanken en niet die van de Commissie, om te beslissen over de wettelijkheid van de Letse wetgeving, tenzij er na de toetreding een formele klacht bij de Commissie wordt ingediend over de niet-nakoming van sommige bepalingen van het communautaire recht.
(1) COM(2002) 700 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/177 |
(2004/C 88 E/0186)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0378/04
van Hartmut Nassauer (PPE-DE) en Bernd Lange (PSE) aan de Commissie
(12 februari 2004)
Betreft: Gepland ontwerp voor de tweede grenswaardenrichtlijn met vaststelling van een indicatieve grenswaarde o.a. voor stikstofmonoxide (NO) op de werkplek
De Commissie is van plan op aanbeveling van het SCOEL de grenswaarde voor stikstofmonoxide op de werkplek drastisch te verlagen.
Dit geeft aanleiding tot de volgende vragen:
|
1. |
Wat is de wetenschappelijke basis voor het voorstel voor een indicatieve grenswaarde van 0,2 ppm voor stikstofmonoxide op de werkplek? |
|
2. |
Wordt bij de vaststelling van een grenswaarde — ook al is deze slechts van indicatieve aard — rekening gehouden met de omstandigheden in de lidstaten en vooral in de verschillende bedrijfstakken, en dan in het bijzonder in de uiteenlopende takken van mijnbouw? |
|
3. |
In hoeverre wordt bij de vaststelling van een grenswaarde gebruik gemaakt van valide epidemiologische onderzoeken? |
|
4. |
Met welke methode is NO in een concentratie van 0,2 ppm meetbaar? Kan deze meetmethode ook ondergronds worden toegepast? Welke meetmethode heeft de Commissie bij de vaststelling van de NO-grenswaarde aangemerkt als de beschikbare meettechniek overeenkomstig artikel 3, lid 2 van de veertiende richtlijn? Is deze methode gevalideerd? |
|
5. |
Welke argumenten pleiten ervoor de indicatieve grenswaarde voor NO op de werkplek met een factor 125 te verlagen in vergelijking met de grenswaarden die in de meeste lidstaten van kracht zijn? |
|
6. |
Waarom is stikstofmonoxide (NO) in de tweede grenswaardenrichtlijn opgenomen, hoewel voor deze stof geen beroepsziekten zijn geconstateerd? |
|
7. |
Hoe is het SCOEL samengesteld? Wie benoemt de leden van dit comité en aan de hand van welke criteria? |
|
8. |
Zijn degenen die onder de richtlijn vallen, in de gelegenheid gesteld om hun argumenten uiteen te zetten? Wat was de motivering van de Commissie voor het afwijzen van de argumenten van de industrie en de conclusies van het adviescomité, het SHCMOEI en het comité voor de sociale dialoog in de mijnbouwsector? |
Antwoord van dhr. Dimas namens de Commissie
(20 april 2004)
|
1. |
Artikel, lid 1, van Richtlijn 98/24/EG van de Raad (1) legt de Commissie de verplichting op om … door middel van een onafhankelijke wetenschappelijke beoordeling van de meest recente wetenschappelijke gegevens een evaluatie op (te stellen) van het verband tussen de gevolgen van gevaarlijke chemische agentia voor de gezondheid en het niveau van beroepsmatige blootstelling." Deze onafhankelijke evaluatie wordt verricht door het Wetenschappelijk Comité inzake grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling (SCOEL) dat voor die taak is opgericht (2). Het SCOEL bestaat uit 21 hooggekwalificeerde onafhankelijke deskundigen, die het volledige scala van wetenschappelijke deskundigheid weerspiegelen dat nodig is om het mandaat van het comité te vervullen; dit omvat met name chemie, toxicologie, epidemiologie, bedrijfsgeneeskunde en arbeidshygiëne, en algemene deskundigheid bij het vaststellen van grenswaarden. Het SCOEL verricht zijn evaluatie volgens een gevestigde, goedgekeurde en gepubliceerde methodologie (EUR 19253-EN) die rekening houdt met de beschikbaarheid van meettechnieken. De wetenschappelijke basis voor het voorstel van de Commissie is het document SCOEL/SUM/89 def. Dit document is door de Commissie gepubliceerd in de reeks SCOEL-aanbevelingen (3). Alle wetenschappelijke studies en onderzoeken die door het SCOEL zijn bestudeerd, zijn vermeld in de verwijzingen bij het SCOEL-document. |
|
2. |
Volgens artikel 3, lid 1 tot en met 3, van Richtlijn 98/24/EG van de Raad zijn indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling (IOELV) op gezondheidsoverwegingen gebaseerde niet-bindende waarden, gebaseerd op de meest recente beschikbare wetenschappelijke gegevens en de beschikbaardheid van passende meettechnieken, die voor iedere stof de drempelblootstellingswaarde aangeven waaronder geen schadelijke effecten op de gezondheid te verwachten zijn. Dit zijn te verwezenlijken doelstellingen en als zodanig nodig voor de vaststelling en beoordeling van risico's door de werkgever, overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 98/24/EG. De technische/wetenschappelijke aard van IOELV's wordt door de wetegever erkend, aangezien de richtlijn voorziet in goedkeuring overeenkomstig de procedures voor aanpassing aan technische vooruitgang. Communautaire bindende grenswaarden daarentegen zijn van politieke aard: zij worden niet alleen bepaald op basis van effecten op de gezondheid, maar ook op basis van uitvoerbaarheidsfactoren, sociaal-economische effecten, en de hoeveelheid risico die de samenleving bereid is te accepteren. Deze waarden worden door de politieke autoriteiten vastgesteld overeenkomstig artikel 137 van het EG-Verdrag. Wat NO betreft is de Commissie op de hoogte van specifieke metingen in lidstaten. Zo heeft bijvoorbeeld de Chemical Agents Occupational Hygiene Unit van de Technology Division van de Britse Health and Safety Executive (HSE) een evaluatie verricht van het gebruik van en de blootstelling aan stikstofmonoxide en stikstofdioxide in Britse werkomgevingen. De algemene mediane beroepsmatige blootstellingsniveaus in de mijnbouwsector lagen bij 0,3 delen per miljoen (ppm) tot 0,81 ppm. De Commissie heeft nog niet bepaald in hoeverre rekening gehouden kan worden met deze resultaten bij het vaststellen van een nieuwe IOELV voor NO. |
|
3. |
Het SCOEL houdt volledig rekening met alle beschikbare valide epidemologische studies, en met alle andere relevante wetenschappelijke gegevens, bij het aanbevelen van een IOELV. In deze context, en in het bijzondere geval van NO, heeft het SCOEL de voorlopige resultaten bestudeerd van een bedrijfsgeneeskundig onderzoek bij meer dan 400 mijnwerkers in de potasindustrie, dat in 1998 gepubliceerd is door de Duitse Bundesanstalt für Arbeitsschutz und Arbeitsmedizin (BAuA) en het onderzoeksinstituut van de aansprakelijkheidsverzekering van de werkgevers in de mijnbouwindustrie (IGF) (publicatiereeks 1998 BAuA A/FB 791) waarin geen aanwijsbare effecten op de functionele parameters van de longen werden vastgesteld. Zodra deze studie afgerond en beschikbaar is, zal het SCOEL die bestuderen en eventueel zijn aanbeveling herzien. Verder overweegt de Commissie een 90 dagen-test met ratten uit te laten voeren; de betreffende industrie heeft aangeboden die te financieren. Dit zou in de komende drie jaar de stand van de beschikbare wetenschappelijke gegevens verbeteren. Deze test zal voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 67/548/EEG (4). |
|
4. |
Er zijn instrumenten in de handel voor het meten van NO-concentraties, hetzij buiten of op het werk, met detectiegrenzen van ongeveer 5 delen per miljard (ppb) en reactietijden van enkele minuten. Verder zijn er passieve samplers voor NO, die vaak gebruikt worden om gegevens te verzamelen op een groot aantal verschillende plaatsen, met een lagere grensdosis van 0,07 ppm-h. De gezamelijke publicatie van de Wereldgezondheidsorganisatie en de Internationale Arbeidsorganisatie (WHO-ILO) „Environmental Health Criteria 188. — Nitrogen Oxides (Second Edition)”, die is opgesteld in het kader van het International Programme on Chemical Safety (IPCS), geeft een compleet overzicht van de in de handel verkrijgbare methoden voor het analyseren en monsternemen van NO. De ontwerp-CEN-norm pr-EN 14211 „Ambient air quality — Measurement method for the determination of the concentration of nitrogen dioxide and nitrogen monoxide by chemiluminiscence” en ISO 7996: 1985 „Ambient air determinations of nitrogen oxides” bieden een geharmoniseerde meetmethodologie. De Commissie zal verder nagaan in hoeverre metingen op het werk praktisch uitvoerbaar zijn en voldoen aan de voorschriften van EN 482. |
|
5. |
De bestaande IOELV van 25 ppm voor stikstofmonoxide is bepaald in 1991 (5). Sindsdien zijn nieuwe wetenschappelijke gegevens beschikbaar geworden, waaronder een onderzoek met dieren van 1995, waaruit werd afgeleid dat beschadiging van de longen al kon optreden bij blootstelling van 0,5 ppm, hoewel het SCOEL deze resultaten als enigszins inconsistent heeft beoordeeld, en het genotoxische potentieel van NO in vivo als nog onzeker. |
|
6. |
Richtlijn 98/24/EG legt de Commissie de verplichting op om indicatieve grenswaarden voor blootstelling vast te stellen, zodra zij over alle daarvoor benodigde informatie beschikt. |
|
7. |
De samenstelling van het SCOEL, met de regels voor benoemingen en de taken van het comité, zijn te vinden in het bovengenoemde besluit van de Commissie van 12 juli 1995. |
|
8. |
Overeenkomstig de door het SCOEL gevolgde procedure is de ontwerp-aanbeveling voor NO toegestuurd aan de contactpunten, inclusief de organisaties van de industrie, die zes maanden de tijd hebben om opmerkingen te maken. Alle ontvangen commentaren zijn zorgvuldig overwogen en de tekst van de ontwerp-aanbeveling is dienovereenkomstig aangepast. Verder heeft de Commissie de aanbeveling voorgelegd aan het tripartiete Raadgevend Comité en aan het Permanent Orgaan voor de veiligheid en de gezondheidsvoorwaarden in de steenkoolmijnen en andere winningindustrieën (SHCMOEI) voor advies. De Commissie is nog bezig hun commentaren te evalueren. |
(1) Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk (14e bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG), PB L 131 van 5.5.1998.
(2) 95/320/EG: Besluit van de Commissie van 12 juli 1995 tot oprichting van een wetenschappelijk comité inzake grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling aan chemische agentia, PB L 188 van 9.8.1995.
(3) http://europa.eu.int/comm/employment_social/health_safety/publicat/sum_89_nitrogen_monoxide.pdf
(4) Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen, PB P 196 van 6.8.1967.
(5) Richtlijn 91/322/EEG van de Commissie van 29 mei 1991 tot vaststelling van indicatieve grenswaarden ter uitvoering van Richtlijn 80/1107/EEG van de Raad betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan chemische, fysische en biologische agentia op het werk, PB L 177 van 5.7.1991.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/179 |
(2004/C 88 E/0187)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0382/04
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(12 februari 2004)
Betreft: Vrij verkeer van personen tussen Griekenland en de overige lidstaten van de Europese Unie
Met de artikelen 14 en 18 van het EG-Verdrag wordt het vrije verkeer in de interne markt gewaarborgd. Zoals ook uit de conclusies van advocaat-generaal Cosmas in de zaak C-378/97 blijkt, zijn beide artikelen van het Verdrag qua reikwijdte niet identiek, doch vullen elkaar aan.
Het is onder deze omstandigheden dan ook moeilijk te begrijpen dat Griekenland het als smokkel aanmerkt wanneer in Griekenland een personenauto door een EU-burger wordt bestuurd die zijn vaste domicilie heeft in een andere lidstaat van de Unie, waar hij ook legaal een personenauto heeft gekocht en die auto heeft laten registreren. Krachtens het internationaal recht is een auto een roerend goed waarvan de juridische status wordt bepaald door de wetgeving van het land waar het voertuig geregistreerd is, zoals ook het geval is voor andere categorieën vervoersmiddelen. Ondanks dit alles worden voertuigen met kentekens van andere lidstaten in Griekenland maar al te vaak in beslag genomen, waarbij de eigenaars worden gearresteerd en hun boetes worden opgelegd. Eigenaars van voertuigen met kentekens van andere lidstaten beklagen zich erover dat de onmiddellijke inbeslagname van een voertuig in Griekenland in strijd is met het bepaalde in artikel 129, lid 5 van het nieuwe Griekse douanewetboek, volgens hetwelk communautaire voertuigen, vóór verificatie van de betaling van registratiekosten, mogen worden teruggestuurd naar de andere landen van de Europese Unie of naar derde landen mogen worden geëxporteerd. In onderhavig geval kan een bestuurder zijn eigen auto niet vanuit Griekenland meenemen naar een andere lidstaat, omdat de Griekse autoriteiten het voertuig dan al in beslag genomen hebben.
Is de Commissie van oordeel dat Griekenland de artikelen 14 en 18 van het Verdrag geschonden heeft door de inbeslagneming van personenauto's met EU-kentekens en de arrestatie van EU-onderdanen die hiervan in Griekenland gebruik maken? Kunnen deze burgers eventueel op grond van de communautaire wetgeving aanspraak maken op schadeloosstelling, aangezien zij schade ondervinden van deze handelwijze van de Griekse autoriteiten? Kan een onderdaan van de Europese Unie meerder domicilies hebben in verschillende lidstaten van de Unie en vrij van de ene naar de andere reizen zonder voortdurend het aantal dagen van verblijf in de ene dan wel de andere lidstaat te moeten bijhouden? Wat denkt de Commissie van de invoering van een communautair kenteken dat door alle lidstaten wordt erkend, naar het voorbeeld van het Europees rijbewijs dat volgens richtlijn 91/439/EG (1) in alle lidstaten geldig is?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(26 april 2004)
De Commissie verwijst het geachte parlementslid naar haar antwoord op zijn vorige schriftelijke vraag E-3819/03 (2), over de invoer van motorvoertuigen in Griekenland door EU-burgers, voornamelijk Griekse, die in een andere lidstaat verblijven.
De rechtspraak heeft het beginsel van de aansprakelijkheid van de lidstaat erkend in geval van schending van het Gemeenschapsrecht evenals de schadevergoedingsplicht, ongeacht het nationale orgaan dat door zijn handeling of verzuim de schending heeft veroorzaakt (als voorbeeld vgl. arresten van het Hof van 19 november 1991 (gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90 „Francovich”) en van 5 maart 1996 (gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93 „Brasserie du Pêcheur”).
De Europese burger kan, met inachtneming van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht, zich vrij in de lidstaten verplaatsen en er een verblijfplaats kiezen. Het Gemeenschapsrecht belet hem niet meerdere verblijfplaatsen te hebben in de verschillende lidstaten.
Hoewel het in principe mogelijk is één Europese nummerplaat in te voeren, moet hiervoor eerst aan een aantal voorwaarden worden voldaan, zoals bijvoorbeeld de harmonisering van de verschillende belastingstelsels en van de voorschriften op het gebied van de automobielinspectie, de samenwerking tussen registratie- en politiediensten voor de bestrijding van criminaliteit en de toepassing van het verkeersreglement. Dit is echter nog niet het geval en de Commissie is niet voornemens een dergelijk voorstel te doen. Eind 2003 heeft de Commissie evenwel een ontwerpverordening (3) ingediend, waarmee toegang tot bepaalde gegevens uit het Schengeninformatiesysteem zou worden verleend aan de instanties voor voertuigenregistratie. Dit ontwerp sluit aan bij Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen (4).
Bovendien daagt de Commissie, na de uitspraak van het Europese Hof van Justitie in zaak C-262/99 en met het oog op de aanhoudende praktijken van de Griekse autoriteiten, Griekenland op 25 maart voor de rechter; het land legt nog steeds onredelijke sancties op, o.a. voor vermeende „smokkel”, aan personen die zij ten onrechte als Griekse ingezetenen beschouwen. Hiermee worden zowel artikel 90 van het EG-Verdrag als Richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (5) overtreden, die bijkomende registratiebelastingen op tijdelijk ingevoerde auto's verbieden.
(1) PB L 237 van 24.8.1991, blz. 1.
(2) Zie blz. 156.
(3) COM(2003)510 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/181 |
(2004/C 88 E/0188)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0384/04
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(12 februari 2004)
Betreft: Ansaldo-Breda: schending van de voorschriften inzake bescherming van werknemers tegen asbest
In de fabriek in Pistoia van Ansaldo-Breda, een Italiaanse firma die treinwagons fabriceert, is tussen 1987 en 1991 de dakbedekking van Eternit vervangen, om het gebouw aan te passen aan de Europese vereisten op het gebied van de veiligheid.
Dit gebeurde zonder dat de productie werd stopgezet en zonder dat de werknemers voorzien werden van beschermende kleding en geïnformeerd werden over de reële gevaren van blootstelling aan asbeststof. De werknemers melden dat zij destijds verplicht waren de werkbanken dagelijks schoon te spuiten met gecomprimeerde lucht, waardoor het asbeststof dat van het dak naar beneden was gekomen in de atmosfeer verspreid werd.
Dit alles heeft in deze jaren geleid tot een sterfte ten gevolge van mesothelioom, een zeldzame tumorvorm die wordt veroorzaakt door blootstelling aan asbest, welke veel hoger lag dan het landelijk gemiddelde. Om deze reden is deze aandoening voor de werknemers van Pistoia erkend als beroepsziekte, met de daaraan verbonden financiële tegemoetkomingen op het gebied van pensioenen en sociale zekerheid, overeenkomstig de Italiaanse wet nr. 257/92. Deze tegemoetkomingen zijn echter alleen toegekend voor de periode tot eind 1990.
In werkelijkheid zijn er ook saneringswerkzaamheden verricht na 1991 en deze zijn zelfs nu nog aan de gang, maar voor de werknemers die nu in het gebouw werken is geen soortgelijke schadeloosstelling voorzien voor de periode vanaf 1991 tot heden.
De Italiaanse justitie heeft een onderzoek ingesteld. In het kader van dit onderzoek heeft de plaatselijke gezondheidsdienst, die belast is met de controle, het niveau van de blootstelling aan asbest tot dusverre als acceptabel beoordeeld. Dit lijkt echter in tegenspraak met het feit dat de laatste jaren 20 werknemers zijn overleden aan een mesothelioom.
Kan de Commissie laten weten, gelet op de inzet van de Europese Unie voor de bescherming van de werknemers, die o.a. blijkt uit de resolutie van het Parlement van 23 oktober 2002 over een nieuwe communautaire strategie voor de gezondheid en veiligheid op de werkplek (2002-2006) (1) en uit het besluit van de Raad van 22 juli 2003 tot oprichting van een raadgevend comité voor veiligheid en gezondheid op de arbeidsplaats (2):
|
1. |
of zij niet van mening is dat artikel 137 van het EG-Verdrag is geschonden, evenals — en in het bijzonder — richtlijn 83/477/EEG (3), die in Italiaans recht is omgezet middels wetgevend decreet nr. 277/91; |
|
2. |
of zij niet van mening is dat richtlijn 2003/18/EG (4) is geschonden; |
|
3. |
of zij op de hoogte is van de door genoemde firma uitgevoerde saneringswerkzaamheden ter verwijdering van asbest, en van de duur van deze werkzaamheden, of haar bekend is of de werkzaamheden nog aan de gang zijn, en zo ja, of deze onder veilige omstandigheden plaatsvinden en of de werknemers naar behoren geïnformeerd zijn; |
|
4. |
of de plaatselijke gezondheidsdienst naar behoren toezicht houdt op de naleving van de Europese regelgeving op het gebied van de veiligheid op de werkplek in geval van de aanwezigheid van asbest; |
|
5. |
welke maatregelen kunnen worden genomen voor de toekenning van schadevergoedingen voor de periode volgend op die waarvoor totnogtoe schadevergoedingen zijn verleend? |
Antwoord van de heer Dimas namens de Commissie
(19 april 2004)
Wat de blootstelling van de werknemers aan asbest betreft, is thans Richtlijn 83/477/EEG van de Raad van 19 september 1983 betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico's van blootstelling aan asbest op het werk van toepassing. De richtlijn beoogt de bescherming van de werknemers tegen de risico's voor hun gezondheid, inclusief de preventie van dergelijke risico's, die voortvloeien of kunnen voortvloeien uit een blootstelling aan asbest tijdens het werk. Zij stelt grenswaarden en ander bijzondere bepalingen vast. De richtlijn laat de mogelijkheid onverlet dat de lidstaten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toepassen of invoeren die zorgen van een strengere bescherming van de werknemers.
De omzetting en de tenuitvoerlegging van de richtlijn vallen onder de bevoegdheid van elke lidstaat. Het is in de eerste plaats aan de nationale autoriteiten van Italië om te zorgen voor een correcte toepassing van de richtlijnen en om in de nationale wetgeving te voorzien in administratieve en justitiële verhaals-mogelijkheden. Als uit concrete elementen op algemene wijze blijkt dat de nationale wetgeving tot omzetting van de communautaire richtlijnen niet wordt toegepast, kan de Commissie als hoedster van het EG-Verdrag gebruik maken van de in het EG-Verdrag vastgestelde mogelijkheden, met name die welke voortvloeien uit artikel 226.
Italië heeft de Commissie zijn nationale maatregelen tot omzetting van Richtlijn 83/477/EEG meegedeeld.
De door het geachte parlementslid verstrekte informatie heeft betrekking op de praktische tenuitvoerlegging van de Italiaanse wetgeving tot omzetting van de richtlijn. De controle op en de bewaking van deze tenuitvoerlegging vallen uitsluitend onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat deze autoriteiten hun taken correct verrichten door het uitvoeren van doeltreffende controles om te zorgen voor de correcte toepassing van de nationale wetgeving. De Commissie beschikt niet over informatie die haar in staat stelt het optreden van de bevoegde Italiaanse autoriteit in dit geval te evalueren.
Richtlijn 2003/18/EG van het Parlement en de Raad van 27 maart 2003 tot wijziging van Richtlijn 83/477/EEG van de Raad vormt een zeer belangrijke doorbraak in de bescherming van de blootgestelde werknemers, aangezien zij strengere voorschriften voor een versterkte preventie bevat.
Aangezien de termijn voor de omzetting van deze richtlijn in de lidstaten in april 2006 verstrijkt, kan nu nog geen schending worden vastgesteld. Zoals aangegeven in punt 1, valt het door het geachte parlementslid geschetste geval in elk geval onder de tenuitvoerlegging van de Italiaanse wetgeving.
De Commissie beschikt niet over van de nationale autoriteiten afkomstige officiële informatie over het bijzondere geval dat in deze schriftelijke vraag aan de orde wordt gesteld. De Commissie is in dit verband van plan om aan de Italiaanse autoriteiten specifieke inlichtingen te vragen over de door het geachte parlementslid geschetste situatie.
De erkenning en de vergoeding van beroepsziekten vallen uitsluitend onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten. Op communautair niveau bestaat de aan de lidstaten gerichte aanbeveling van de Commissie van 19 september 2003 betreffende de Europese lijst van beroepsziekten (5), waarin bepaalde door asbest veroorzaakte ziekten zijn opgenomen. Deze aanbeveling is echter niet bindend en alleen de lidstaten blijven op dit gebied bevoegd.
(1) PB C 300 E van 11.12.2003, blz. 290.
(2) PB C 218 van 13.9.2003, blz. 1.
(3) PB L 263 van 24.9.1983, blz. 25.
(4) PB L 97 van 15.4.2003, blz. 48.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/183 |
(2004/C 88 E/0189)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0411/04
van Charles Tannock (PPE-DE) en John Bowis (PPE-DE) aan de Commissie
(17 februari 2004)
Betreft: Vervolging van de Ahmadija-moslimgemeenschap in Bangladesh
Het amendement op het verslag 2003 over de rechten van de mens indachtig, dat erop wijst dat de Pakistaanse regering werkeloos toeziet op de vervolging van de Ahmadi-moslims in haar land, heeft het Europees Parlement de Pakistaanse regering opgeroepen om elke verdere vervolging van de Ahmadi-minderheid in de toekomst te beletten.
Geeft de Europese Commissie er zich rekenschap van, gezien dat amendement op het verslag 2003 over de rechten van de mens, dat de regering van Bangladesh op dezelfde manier toegeeft aan extreme religieuze groepen die onlangs een vervolgingscampagne tegen de Ahmadi-moslimgeemeenschap ingezet hebben?
Zo ja, wat denkt ze te ondernemen om te voorkomen dat de gebeurtenissen van 1974 in Pakistan (m.a.w. zwichten voor de eisen van fanatieke groepen met als gevolg 30 jaar ononderbroken vervolging en uitmoording van de Ahmadi-moslims en vernieling van hun moskeeën) zich vandaag opnieuw voordoen in Bangladesh?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(12 maart 2004)
Zowel de Commissie als de lidstaten maken zich ernstige zorgen over de verslechtering van de mensenrechtensituatie van minderheden in Bangladesh, waaronder de Ahmadi-moslims. Na de aanvallen op de Ahmadi-moslimgemeenschap van eind 2003 heeft een plaatselijke EU-trojka op 23 december 2003 de bezorgdheid van de EU over de schending van de rechten van minderheden overgebracht aan de regering.
De bevordering van democratische beginselen en de eerbiediging van de mensenrechten zijn fundamentele elementen van de betrekkingen tussen de Commissie en Bangladesh. De Commissie is dan ook voornemens deze kwestie aan de orde te stellen op de volgende bijeenkomst van het Gemeenschappelijk Comité Commissie-Bangladesh, voorlopig gepland voor mei 2004. Dergelijke bijeenkomsten bieden een formeel platform voor een gestructureerde dialoog over vraagstukken op het gebied van mensenrechten en bestuur. Voorts verwacht de Commissie dat de internationale donorgemeenschap haar bezorgdheid zal uiten op het volgende jaarlijkse Ontwikkelingsforum dat eveneens in mei 2004 zal plaatsvinden.
Tevens is de Commissie van plan haar steun te vergroten voor specifieke activiteiten op het gebied van mensenrechten en bestuur in 2005 en 2006 in het kader van het Nationaal Indicatief Programma voor Bangladesh. Tegelijkertijd blijft zij de mensenrechtensituatie nauwlettend volgen via haar delegatie in Dhaka.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/183 |
(2004/C 88 E/0190)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0413/04
van Charles Tannock (PPE-DE) en Theresa Villiers (PPE-DE) aan de Commissie
(17 februari 2004)
Betreft: Richtlijnen op trekvogels en habitat op Malta
In mei aanstaande treedt Malta tot de Europese Unie toe. Naar verluidt levert het weinig inspanningen om de richtlijnen op vogels en hun habitat uit te voeren. De halfjaarlijkse afslachting van uitgeputte roofvogels in het trekseizoen gaat er ongehinderd voort.
Denkt de Europese Commissie zich bij het Europees Parlement aan te sluiten en Malta te veroordelen voor zijn handelwijze in deze belangrijke aangelegenheid, en krachtdadig op te treden om te zorgen dat de Maltese autoriteiten hun verplichtingen voor de bescherming van de natuur en het welzijn van dieren nakomen?
De kwestie is van speciaal belang omdat volgend jaar de vogel- en habitatrichtlijnen 25 jaar oud zijn en een groot aantal personen, organisaties, instanties en regeringen hun uiterste best gedaan hebben om ze te laten aannemen en uitvoeren.
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(12 maart 2004)
Vanaf de toetreding tot de EU op 1 mei 2004 is Malta verplicht de Vogelrichtlijn ten uitvoer te leggen en na te leven, met uitzondering van de overgangsperiode tot 31 december 2008 die werd toegestaan voor het vangen van zeven vinkensoorten om Malta in de gelegenheid te stellen een foksysteem in gevangenschap op te zetten. Indien de wetgeving van de Gemeenschap niet vanaf de eerste dag van het EU-lidmaatschap door Malta wordt uitgevoerd en nageleefd, zal de Commissie de nodige stappen ondernemen om ervoor te zorgen dat Malta zich houdt aan de bestaande wetgeving en procedures van de Gemeenschap.
In de tussentijd heeft de Commissie reeds specifiek de aandacht van de Maltese autoriteiten gevestigd op het probleem van de slechte handhaving van de bestaande wetgeving inzake vogelbescherming. Het Maltese Ornis Committee (Comité belast met vogelbescherming) heeft stappen gezet zoals de instelling van een systeem van jachtopzieners om de handhaving van de wetgeving te verbeteren, maar de Commissie heeft erop gewezen dat prioriteit moet worden gegeven aan het uitstippelen van een algehele strategie voor handhaving van de wetgeving. De Commissie blijft de vordering volgen die in Malta worden maakt met het naleven van de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en zal hierover verslag uitbrengen. Zij heeft een strategie gepubliceerd voor het toezicht op het proces tot aan de eerste dag van het EU-lidmaatschap.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/184 |
(2004/C 88 E/0191)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0419/04
van Anna Karamanou (PSE) aan de Commissie
(17 februari 2004)
Betreft: Vrouwenverbrandingen in Pakistan
Onlangs kwam weer een geval in de openbaarheid van de afschuwelijke praktijk van verbranding die in Pakistan, India en in de Bangladesh tot de gebruiken behoort. Het gaat om een vorm van huiselijk geweld die zover gaat dat vrouwen door hun eigen man of door haar schoonouders in brand worden gestoken om redenen die kunnen variëren van financiële geschillen tot dronkenschap van de echtgenoot. De daders besprenkelen de vrouwen met kerosine en steken deze aan of gooien eenvoudig een bijtend zuur over hen heen. Als officiële verklaring wordt dan opgegeven een ongeval bij het koken. In alle gevallen is het resultaat gewoonlijk dat het slachtoffer sterft, hetzij onmiddellijk hetzij naderhand, door de ontoereikende behandeling. Er worden slechts zeer weinig aanklachten ingediend wegens de angst van de vrouwen.
Welke maatregelen denkt de Commissie te nemen om druk uit te oefenen op de regeringen van Pakistan, India en Bangladesh, zodat een einde komt aan de onverschilligheid en de politieke onwil tot bestrijding van deze vorm van vrouwenhaat en tot exemplarische bestraffing van degenen die zich aan zulke misdrijven schuldig maken?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(23 maart 2004)
De Commissie is op de hoogte van de bedoelde praktijk in de drie door het geachte parlementslid genoemde landen.
Aanvallen met verbranding en meer in het bijzonder met een bijtend zuur, zijn een van de talrijke vormen van geweld tegen vrouwen in Pakistan. Volgens de Mensenrechtencommissie van Pakistan zijn 55 gevallen geregistreerd in 2000, 63 in 2001 en 88 in 2002. Doordat de media in toenemende mate verslag over deze gevallen uitbrengen, zijn de autoriteiten gedwongen het bestaan van het probleem te erkennen. Het is evenwel mogelijk dat die publiciteit als ongewenst neveneffect heeft gehad dat het idee om dergelijke praktijken toe te passen op grotere schaal is verspreid.
Het gaat hier om een complexe materie aangezien eerwraak zijn oorsprong vindt in occulte tradities die in sommige van de meest afgelegen gebieden van Pakistan voorkomen. Er bestaat ook vaak verwarring tussen islamitische voorschriften en tribale tradities. In Pakistan is doodslag een misdrijf dat tot de privé-sfeer behoort, wat betekent dat de staat geen vervolging kan instellen indien het slachtoffer en/of haar/zijn familie geen klacht indient. Deze situatie heeft ertoe geleid dat vaak druk wordt uitgeoefend op of geld wordt gegeven aan het slachtoffer of zelfs de politie om geen aanklacht in te dienen, waardoor talrijke daders vrijuit gaan en de normale rechtsgang wordt verstoord.
Om het probleem doeltreffend aan te pakken zou een herziening van het strafwetboek, een passende opleiding van de politie en een massale bewustmakingscampagne nodig zijn. In de afgelopen zes maanden hebben zich een aantal positieve ontwikkelingen voorgedaan zoals een nieuw open debat binnen de regering en het parlement over huiselijk geweld, eerwraak en het specifieke probleem van aanvallen met bijtend zuur. De provinciale vergaderingen hebben een aantal resoluties over deze kwesties aangenomen en president Musharraf zelf heeft een standpunt over een specifiek geval ingenomen. Er moet evenwel nog veel meer worden gedaan om te komen tot een systeem waarin de slachtoffers tegen ongeoorloofde druk worden beschermd.
De EU heeft het probleem van geweld tegen vrouwen herhaaldelijk aangekaart in diverse diplomatieke demarches bij het Pakistaanse Ministerie van Wetgeving, Justitie en Mensenrechten. Bovendien is het de bedoeling tijdens een nieuwe diplomatieke demarche van de EU die in de komende weken zal plaatsvinden, uitdrukkelijk te verwijzen naar het toenemend aantal aanvallen met bijtend zuur.
Voorts heeft de delegatie van de Commissie in Pakistan eind 2003 een eerste oproep uitgeschreven voor het indienen van voorstellen in het kader van het programma van het Europees initiatief voor democratie en mensenrechten voor de financiering van microprojecten ter bestrijding van het geweld tegen vrouwen. Er wordt verwacht dat als gevolg van dit initiatief twaalf projecten onder het beheer van plaatselijke niet-gouvernementele organisaties (NGO's) op diverse plaatsen in het land zullen worden gefinancierd om verschillende vormen van huiselijk geweld aan te pakken. Mogelijke activiteiten omvatten onder meer bewustmakingscampagnes, verstrekking van juridische en medische bijstand aan slachtoffers en participatie en voorlichting van plaatselijke autoriteiten.
Net zoals in Pakistan houdt het verbranden van bruiden en het gooien van bijtend zuur ook in Bangladesh vaak verband met bruidschatsproblemen of een weigering om te trouwen. De huidige regering die wordt geleid door de Bangladesh National Party, heeft blijk gegeven van grote vastberadenheid bij de bestrijding van deze bijzonder wrede vorm van misdaad, die volgens de Acid Survivors' Foundation in 2002 in aantal is verdubbeld en is gestegen tot meer dan 350 aangegeven aanvallen. Het Parlement heeft in maart 2003 een wet goedgekeurd voor de bestrijding van aanvallen met bijtend zuur, en op de meest wreedaardige aanvallen staat thans de doodstraf.
De Commissie heeft de kwestie aangepakt via het Europees initiatief voor democratie en mensenrechten, door slachtoffers van geweld te steunen en zich in te zetten voor een versterking van de positie van kwetsbare vrouwen en kinderen. Tegelijk is de Commissie van plan haar steun voor specifieke mensenrechtenactiviteiten in 2005 en 2006 op te voeren in het kader van de herziening van het nationaal indicatief programma voor Bangladesh. Dit kan steun omvatten voor een programma van het Kinderfonds van de Verenigde Naties (Unicef) ten bate van kwetsbare jongeren en met name potentiële slachtoffers van aanvallen met bijtend zuur. De kwestie is ook aangekaart in het kader van de formele dialoog van de Commissie met de regering over mensenrechten en goed bestuur.
In India komt bruidenverbranding voor wanneer de bruid of haar familie niet in staat zijn te voldoen aan de steeds hogere bruidschatseisen van de echtgenoot en zijn familie. Bruidenverbranding moet worden gezien binnen de ruimere context van de ondergeschikte positie van vrouwen binnen de Indiase samenleving.
Door haar ontwikkelingsprogramma's in de sociale sectoren gezondheidszorg en onderwijs wenst de Commissie bij te dragen tot het versterken van de positie van vrouwen in India. De Commissie heeft lopende betalingsverplichtingen voor een bedrag van bijna een half miljard euro voor sectorale programma's inzake reproductieve gezondheidszorg, waarbij vrouwen de belangrijkste begunstigden zijn, en voor basiseducatie, met een bijzondere nadruk op districten waar de vrouwelijke geletterdheid laag ligt.
De Commissie heeft ook steun verleend voor talrijke programma's van de organisaties van de civiele samenleving en NGO's in India die direct verband houden met genderkwesties. Een voorbeeld is de oprichting van een opleidingsinstituut voor de versterking van de positie van vrouwen, dat in New Delhi met communautaire middelen is opgestart. Dit instituut heeft onder meer een g enderopleiding aan Indiase politieagenten verstrekt, die zou moeten bijdragen tot een sterkere bewustwording van een groot aantal uiteenlopende problemen, met inbegrip van bruidenverbranding.
In de drie genoemde landen kent de Commissie via haar ontwikkelingssamenwerking prioriteit toe aan het verbeteren van de toegang tot basisonderwijs en het verhogen van de kwaliteit daarvan, wat op middellange termijn tot gewijzigde attitudes zou moeten leiden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/186 |
(2004/C 88 E/0192)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0429/04
van John Bowis (PPE-DE) aan de Commissie
(17 februari 2004)
Betreft: De Indonesische geestelijke Rinaldy Damanik
Is het de Europese Commissie bekend dat de geestelijke Rinaldy Damanik veroordeeld is tot 3 jaar gevangenisstraf wegens illegaal wapenbezit in een proces dat naar verluidt politiek geïnspireerd was? Het Hooggerechtshof van Palu heeft inmiddels de uitspraak van de territoriale rechtbank bevestigd en de advocaten van Damanik maken zich nu klaar om in beroep te gaan bij het hoogste rechtscollege in Jakarta.
Als hoofd van het crisiscentrum in het centrum van Celebes hield Damanik de internationale gemeenschap op de hoogte van schendingen van de rechten van de mens waarvan de christelijke en islamitische gemeenschap het slachtoffer zijn; hij bood ook praktische bijstand aan het groot aantal binnenlandse ontheemden en hielp christenen evacueren die door activisten aangevallen werden.
Zal de Europese Commissie navraag doen naar zijn situatie en de omstandigheden die tot zijn arrestatie en veroordeling geleid hebben?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(12 maart 2004)
De Commissie volgt nauwlettend de zaak van de geestelijke Damanik, wiens veroordeling tot drie jaar gevangenschap wegens verboden wapenbezit eind 2003 werd bevestigd door het hooggerechtshof. Aangezien de geestelijke Damanik reeds anderhalf jaar in de gevangenis heeft doorgebracht, bestaat de mogelijkheid van vervroegde vrijlating.
De delegatie van de Commissie heeft contact gehad met de vereniging die de geestelijke Demanik heeft bijgestaan, PBHI. Deze groep zal dit niet kunnen voortzetten (na de uitspraak van het hoogste rechtscollege) maar een andere niet-gouvernementele mensenrechtenorganisatie, die banden heeft met de Indonesische kerk, heeft de bijstand aan de geestelijke Damanik overgenomen. De delegatie heeft contact opgenomen met deze organisatie en vernomen dat de haalbaarheid van een nieuwe rechtszaak wordt onderzocht, op grond van het aanvoeren van nieuw bewijsmateriaal en nieuwe getuigen.
De Commissie verzekert het geachte parlementslid dat zij deze zaak nauwlettend volgt via de Delegatie in Jakarta. Voorts maakt steun aan organisaties die zich opwerpen voor de rechten van minderheden in Indonesië deel uit van het samenwerkingsprogramma van de Gemeenschap met dit land, in het bijzonder door middel van projecten in het kader van het Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/186 |
(2004/C 88 E/0193)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0465/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(23 februari 2004)
Betreft: Etiket „Made in EU”
Volgens recente persberichten werkt de Commissie aan een voorstel om een etiket „made in EU” in te stellen en de oude nationale etiketten te laten verdwijnen.
Volgens deze berichten is het plan hiervoor afkomstig van Italië, dat hiermee wilde reageren op de ernstige schade die de Europese textielindustrie lijdt door in ontwikkelingslanden gemaakte namaakproducten, en wordt nu overwogen een dergelijk etiket te gaan invoeren voor alle in de Europese Unie gefabriceerde producten.
|
— |
Kan de Commissie aangeven of deze berichten juist zijn? |
|
— |
Is zij voornemens een voorstel in deze richting in te dienen? Zo ja, wat zouden de voordelen en de nadelen zijn van de vervanging van nationale etiketten door een etiket „made in EU”? Uit welke studies en onderzoeken zijn deze voor- en nadelen gebleken? |
|
— |
Hoe hoog schat zij de kosten van een dergelijke maatregel? |
|
— |
Is de Commissie niet van oordeel dat het schrappen van de verwijzing op een etiket naar een nationale benaming van herkomst een concurrentienadeel tot gevolg zal hebben voor veel Europese producten, waarvan het verkoopargument vaak de herkomst uit een bepaalde lidstaat is? |
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(11 maart 2004)
Door de hernieuwde belangstelling die bepaalde industriële sectoren en lidstaten aan de dag hebben gelegd voor een EG-regelgeving inzake een oorsprongslabel, besloot de Commissie een werkdocument voor te bereiden dat zij op 19 december 2003 heeft voorgelegd aan het Comité van artikel 133 en waarin zij de gevolgen van een dergelijke regeling heeft uiteengezet om een debat op gang te brengen (1).
In dit document laat zij zien welke opties mogelijk zijn wanneer de status quo op dit gebied moet worden veranderd en een EU-regeling moet worden ingevoerd:
|
— |
een systeem waarbij op volledig vrijwillige basis een oorsprongslabel wordt ingevoerd voor zowel ingevoerde producten als EU-goederen; |
|
— |
een gemengd systeem met een verplichte oorsprongsvermelding voor ingevoerde producten en een vrijwillige oorsprongsvermelding voor EU-producten; |
|
— |
en de derde optie waarbij de oorsprongsvermelding verplicht is voor zowel ingevoerde producten als EU-producten. |
In dit document wordt tevens een overzicht gegeven van de voor- en nadelen van een EU-regelgeving over een oorsprongslabel. De voordelen zijn ondermeer een verbetering van de consumentenvoorlichting, het terugdringen van consumentenfraude en misleidende praktijken, een versterking van het concept van EU-oorsprong als een kwaliteitsaanduiding en een betere profilering van het beeld van de EU als interne markt. Deze voordelen moeten worden afgewogen tegen de potentiële extra kosten voor producenten en overheden, praktische moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van een dergelijke regeling, de noodzaak en doelmatigheid van nieuwe voorschriften, enz.
In dit document wordt niet specifiek in gegaan op de kwestie van nationale herkomstaanduiding (bijv. Made in Portugal) en het is misschien belangrijk er op te wijzen dat geen voorstellen zijn geformuleerd om het verdere gebruik van nationale herkomstaanduidingen stop te zetten. Ook geografische aanduidingen worden niet behandeld (bijv. Made in the Algarve) omdat deze eigenlijk ressorteren onder de intellectuele eigendomsrechten.
De Commissie heeft in dit stadium nog geen concrete voorstellen gedaan. Het is aan alle belanghebbende partijen, op nationaal en op EU-vlak, om uit te maken welk belang zij hebben bij een EU-regelgeving op het gebied van oorsprongsaanduiding, wat de meerwaarde is van een EU-oorsprongsaanduiding en, indien voor een nieuwe regeling wordt geopteerd — wat de aard en de reikwijdte van een eventuele regelgeving moet zijn
De Commissie heeft reeds contact opgenomen met verschillende vertegenwoordigers van bedrijfsleven en consumenten en de commentaren en suggesties lopen binnen. Zij heeft de lidstaten gevraagd om op binnenlands vlak over dit onderwerp overleg te plegen.
(1) Zie http://trade-info.cec.eu.int/doclib/html/l15557.htm
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/188 |
(2004/C 88 E/0194)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0501/04
van Jorge Hernández Mollar (PPE-DE) aan de Commissie
(23 februari 2004)
Betreft: Hoe iets te doen aan het Odysseus-syndroom?
De psychische verwarring waaronder steeds meer immigranten gebukt gaan door de zware belemmeringen op zoek naar een beter bestaan, vormen een gezondheidsprobleem waar ontvangende landen mee te maken hebben.
Het Odysseus-syndroom of het immigrantensyndroom met chronische veelvuldige stress wordt veroorzaakt door pijn als gevolg van het verlies van iets dat voor het individu heel belangrijk is: gezin, vrienden, eigen cultuur, land, maatschappelijke positie en fysieke veiligheid.
Is het bestaan van dit verschijnsel de Commissie bekend en ook hoe ernstig en belangrijk het is? Is zij voornemens wettelijke maatregelen voor te stellen om er iets aan te doen?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(28 april 2004)
Het is de Commissie bekend dat immigranten door het verlies van oriëntatiepunten als familie en vrienden, eigen cultuur, vaderland en maatschappelijke positie, kunnen lijden aan gezondheidsproblemen, waaronder chronische of veelvuldige stress.
De Commissie heeft in haar mededeling over immigratie, integratie en werkgelegenheid (1) daarop gewezen en bij de lidstaten erop aangedrongen op nationaal niveau een breed integratiebeleid te ontwikkelen dat rekening houdt met de integratie van immigranten in alle aspecten van het leven, met inbegrip van de gezondheidszorg en toegang tot sociale dienstverlening. Ook heeft de Commissie benadrukt dat migratie-en integratieaspecten moeten worden gemainstreamd in alle EU-beleidsgebieden, waaronder het gezondheidsbeleid. In dit verband heeft de Commissie in het kader van het voormalige gezondheids-monitoringsprogramma een project inzake de monitoring van en rapportage over sociaal-economische verschillen bij gezondheidsindicatoren in de EU gefinancierd, dat onder meer heeft geleid tot een speciaal verslag over ongelijkheden op gezondheidsgebied in Europa en de situatie van kansarme groepen. In dit verslag is nader ingegaan op de situatie van immigranten.
Wat betreft de uitwerking van EU-wetgeving om iets aan dit probleem te doen, zij erop gewezen dat de lidstaten verantwoordelijk blijven voor de waarborging van een goede gezondheidszorg en voor de aanpak van specifieke gezondheidsproblemen van immigranten. Daarom is de Commissie niet voornemens met Wetgevingsmaatregelen te komen.
(1) COM(2003)336 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/188 |
(2004/C 88 E/0195)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0510/04
van Sérgio Marques (PPE-DE) aan de Commissie
(24 februari 2004)
Betreft: Stand van de hulpverlening in Venezuela
De Europese Commissie heeft naar aanleiding van de tragische overstromingen van december 1999 in Venezuela aanzienlijke bedragen voor de wederopbouw in de desbetreffende gebieden ter beschikking gesteld, die enerzijds voor de ondersteuning van de wederopbouw in de bondsstaat Vargas en anderzijds voor risicopreventie moeten worden gebruikt, dat wil zeggen de vaststelling en uitvoering van programma's voor het beheer van natuurlijke risico's in een groot gebied, dat grenst aan het door de overstromingen in 1999 getroffen gebied in de staten Falcón, Miranda en Yaracuy.
Helaas zijn er ondanks de door de Commissie beschikbaar gestelde middelen voortdurend vertragingen bij het opstarten van de desbetreffende projecten te zien geweest.
Volgens informatie van de Commissie van september 2003 zou de start van de gezamenlijke uitvoering van de beide in de bondsstaat Vargas uit te voeren projecten („Steun voor de wederopbouw en rampenpreventie in de bondsstaat Vargas” en „Wederopbouw van de sociale infrastructuur in de bondstaat Vargas”) door Corpovargas (Instituto Autónomo Corporación para la Recuperación y Desarrollo del estado de Vargas) van de aankomst van twee Europese experts voor technische steun in Venezuela afhankelijk zijn, omdat de financieringsafspraken reeds door de Venezolaanse regering zijn ondertekend.
Wat het project „Voorkoming van overstromingen in de bondsstaten Falcón, Yaracuy en Miranda” betreft, zijn volgens informatie van de Commissie op bovengenoemde datum de technische bijlagen voor de financieringsovereenkomst, die door de Commissie en de Venezolaanse regering uiterlijk op 31 december 2003 moesten worden ondertekend, nog niet afgerond.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
Wat de stand is van de uitvoering van de projecten in de bondsstaat Vargas? |
|
2. |
Of de Venezolaanse regering een besluit heeft genomen betreffende de toezichthoudende autoriteit, die moet zorgen voor de uitvoering van het project „Voorkoming van overstromingen in de bondsstaten Falcón, Yaracuy en Miranda”? Voor welk tijdstip is de ondertekening van de financieringsovereenkomst voor dit project door de Commissie en de Venezolaanse regering en de uitvoering daarvan gepland? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(13 april 2004)
Het project Rampenpreventie en wederopbouw van de sociale infrastructuur in de staat Vargas is op 1 september 2003 officieel van start gegaan met de komst van twee Europese deskundigen bij de eenheid voor projectbeheer (Corpovargas). Deze deskundigen werden voor een periode van zes maanden ingeschakeld. Hun prioritaire taak bestond erin de tenuitvoerlegging van de eerste activiteiten te stimuleren en de genoemde beheerseenheid te adviseren bij het opstellen van het voorlopige werkplan en het jaarwerkplan 2004. Verder hebben de deskundigen actief meegewerkt bij het samenstellen van het dossier voor het inleiden van de eerste internationale aanbestedingsprocedure voor bouwwerkzaamheden (EuropeAid/117572/D/W/VE), voor een bedrag van ongeveer 10 miljoen euro.
Het voorlopige werkplan, voor een bedrag van in totaal 382 450 EUR, werd op 14 november 2003 goedgekeurd, toen de uitvoering van de eerste betalingen al was begonnen. Het team voor internationale technische bijstand voor de lange termijn is in februari 2004 met zijn werkzaamheden begonnen.
De Commissie zou erop willen wijzen dat, ondanks aandringen van haar kant, Venezuela geen enkele eigen bijdrage heeft geleverd aan de uitvoering van het project. Daardoor kon geen plaatselijke technische bijstand worden ingesteld, wat zou kunnen betekenen dat het geplande tijdschema voor de uitvoering van de werkzaamheden moet worden aangepast.
De financieringsovereenkomst „Voorkoming van overstromingen in de staten Falcon, Yaracuy en Mirador” is, na ondertekening door de minister van Buitenlandse betrekkingen van Venezuela, op 29 december 2003 in werking getreden. In deze overeenkomst zijn de bevoegdheden en de functies van het Bureau van de onderminister van het Ministerie van Planning en Ontwikkeling in de hoedanigheid van toezichthouder en van eenheid voor projectbeheer bepaald. De delegatie-overeenkomst tussen het ministerie van Buitenlandse betrekkingen en het ministerie van Planning en Ontwikkeling bevindt zich momenteel in de ondertekening sfase.
Het aanbestedingsdossier voor het contract voor internationale bijstand is al afgesloten; het evaluatiecomité heeft zijn conclusies geformuleerd en het contract bevindt zich momenteel in de fase waarin voorstellen tot gunning van de opdracht worden gedaan.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/190 |
(2004/C 88 E/0196)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0517/04
van Antonios Trakatellis (PPE-DE) aan de Commissie
(24 februari 2004)
Betreft: Vrijkomen van giftige afvalstoffen bij een brand op een industrieterrein in Thessaloniki en niet-omzetting van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen betreffende gevaarlijke afvalstoffen
Na een explosie in een opslagplaats, waar 210 ton giftige afvalstoffen van de voormalige onderneming „DIANA” in Thessaloniki tijdelijk lagen opgeslagen, is een brand uitgebroken waarbij grote hoeveelheden giftige gassen in de atmosfeer en in het milieu terecht zijn gekomen en de volksgezondheid in gevaar hebben gebracht. Milieubewegingen spreken hun afkeuring uit over de tijdelijke opslag van circa 1 000 ton gevaarlijke pesticiden in verlaten en gebouwen van de onderneming. In mijn herhaaldelijk eerder gestelde vragen over ongecontroleerde opslag van gevaarlijke afvalstoffen (P-2724/03 (1), E-3216/03 (2)) werd er reeds op gewezen dat het een overtreding van het Gemeenschapsrecht (richtlijn 91/689/EEG betreffende gevaarlijke afvalstoffen (3) en richtlijn 94/31/EG tot wijziging van voornoemde richtlijn betreffende gevaarlijke afvalstoffen (4)) is dat niet bekend is waar de circa 230 000 ton gevaarlijke afvalstoffen van de in totaal 390 000 ton gevaarlijke afvalstoffen die jaarlijks in Griekenland worden geproduceerd, tijdelijk liggen opgeslagen.
|
1. |
Welke maatregelen kunnen onmiddellijk worden genomen om de volksgezondheid en het milieu te beschermen en om te waarborgen dat de plaatsen van opslag of verwerking van de 230 000 ton jaarlijks geproduceerde gevaarlijke afvalstoffen worden bekendgemaakt, plaatsen die vooralsnog tijdelijke opslagplaatsen zijn en tijdbommen voor de volksgezondheid en het milieu vormen? |
|
2. |
Welke maatregelen heeft de Commissie genomen of overweegt zij te nemen met het oog op de naleving in Griekenland van de communautaire regelgeving betreffende veilige opslag, de bewaking en de identificatie van giftige stoffen en afvalstoffen? |
|
3. |
Op welke wijze kan milieudumping worden voorkomen, worden gegarandeerd dat de communautaire regelgeving daadwerkelijk wordt toegepast op industriële activiteiten in Griekenland en milieuvervuiling wordt tegengegaan? |
|
4. |
In welk stadium bevindt zich de procedure betreffende het opleggen van sancties aan Griekenland wegens niet-omzetting van het Gemeenschapsrecht in het kader van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 13 juni 2002 (C-33/01) en wat is het voorstel van de Commissie aan het Hof in dit verband? |
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(6 april 2004)
Naast de antwoorden op schriftelijke vragen E-2645/02 (5), P-2724/03 en E-3216/03 van het geachte parlementslid en E-2025/03 van de heer Papayannakis (6), vestigt de Commissie de aandacht van het geachte parlementslid op het volgende:
|
1. |
Volgens de door de Griekse autoriteiten verschafte informatie verlenen de bevoegde nationale autoriteiten vergunningen voor tijdelijke opslag en houden zij voortdurend toezicht om te verzekeren dat de volksgezondheid en het milieu beschermd worden. |
|
2. en 4. |
De Commissie beschikt niet over gegevens over de precieze ligging van de plaatsen waar de 230 000 ton gevaarlijke afvalstoffen tijdelijk wordt opgeslagen. Dat is de reden dat er een inbreukprocedure is ingeleid. Na het arrest van het Hof van 13 juni 2002 (7) heeft de Commissie onvolledige informatie ontvangen met betrekking tot de door Griekenland genomen maatregelen ter uitvoer van het arrest. Bijgevolg is de Commissie de mening toegedaan dat Griekenland zijn verplichtingen krachtens artikel 228, lid 1, van het EG-Verdrag niet is nagekomen en heeft zij een aanmaning gestuurd overeenkomstig artikel 228, lid 2, van het EG-Verdrag. Het antwoord van de Griekse autoriteiten op de aanmaning wordt op dit moment bekeken. Indien wordt vastgesteld dat Griekenland het hierboven genoemde arrest van het Hof niet heeft uitgevoerd, zal de Commissie niet aarzelen een met redenen omkleed advies uit te brengen krachtens artikel 228, lid 2, van het EG-Verdrag. Wat de maatregelen van de Commissie betreft om te maken dat Griekenland de communautaire wetgeving betreffende afvalstoffen naleeft, moet erop worden gewezen dat het Hof (8) recentelijk heeft verklaard dat Griekenland zijn verplichtingen krachtens artikel 4, lid 1, en artikel 11 van Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 inzake de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB/PCT) (9) niet is nagekomen. Daarnaast is Griekenland voor het Hof van Justitie gedaagd (zaak C-163/03) wegens het niet opstellen van een toereikend programma voor het beheer van gevaarlijke afvalstoffen in de regio Thriassio Pedio (prefectuur Attiki). De dagvaarding heeft tevens betrekking op het niet voorkomen van de verontreiniging van grondwater door gevaarlijke afvalstoffen. De Commissie blijft verder informatie bestuderen die voldoende reden geeft om aan te nemen dat Griekenland communautaire wetgeving inzake afvalstoffen niet correct toepast. |
|
3. |
Een effectieve tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving inzake afvalstoffen vormt op zichzelf een garantie voor een hoog milieubeschermingsniveau. Ook al heeft de Commissie de verantwoordelijkheid toe te zien op de naleving van de communautaire wetgeving, de tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving behoort in eerste instantie tot de bevoegdheid van de lidstaten. De Commissie ondersteunt dit proces door regelmatig bijeenkomsten met nationale autoriteiten en andere belanghebbenden te houden en in te gaan op hun technische en juridische vragen. Daarnaast kunnen lidstaten gebruikmaken van de vele beschikbare financiële instrumenten en middelen om hun verplichtingen krachtens de communautaire wetgeving inzake afvalstoffen te kunnen naleven. |
(1) PB C 70 E van 20.3.2004, blz. 132.
(2) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 490.
(3) PB L 377 van 31.12.1991, blz. 20.
(4) PB L 168 van 2.7.1994, blz. 28.
(7) Arrest van 13 juni 2002, Commissie/Griekenland, zaak C-33/01, Jurisprudentie, blz. 5447.
(8) Arrest van 5 juni 2003, Commissie/Griekenland, zaak C-83/02, Jurisprudentie, blz. 5639.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/191 |
(2004/C 88 E/0197)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0545/04
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(26 februari 2004)
Betreft: Gemeenschappelijk Landbouwbeleid: Gevolgen van de verdeling van de inkomensdaling in de landbouw en financiering van dier- en milieuvriendelijke technieken voor kleine bedrijven
|
1. |
Heeft de Commissie kennis genomen van het in opdracht van de Nederlandse minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij op 1 april 2003 door het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) aangeleverde analyse van de consequenties van haar hervormingsvoorstellen voor de ontwikkelingen in de landbouw en met name van het inkomen van de agrarische ondernemers, waaruit onder meer blijkt dat in Nederland de arealen voor granen en snijmaïs sterk zullen dalen terwijl de verbouw van aardappelen en groenten zal toenemen en het areaal grasland toeneemt met 5 %, waarbij de gezinsinkomens van thans rond EUR 30 000 zullen dalen met 28,4 % met als toppunt 49 % in de melkveebedrijven? |
|
2. |
Hoe zal deze inkomensdaling naar de verwachting van de Commissie voor de EU als geheel uitpakken in de categorieën tot 25 ha, 25-50 ha, 50-75 ha, 75-100 ha, 100-500 ha, 500-1 000 ha en meer dan 1 000 ha, uitgesplitst in percentages naar de verschillende typen bedrijven in akkerbouw en veeteelt? |
|
3. |
Hoe voorkomt de Commissie dat de terechte nadruk die zij in de hervormingsplannen als bijkomende voorwaarden voor subsidie wil gaan leggen op dier- en milieuvriendelijke landbouw ertoe leidt dat juist grote bedrijven die in ruimere mate beschikken over middelen om nieuwe, dure technieken te gaan toepassen de meeste subsidies zullen ontvangen en kleinere bedrijven die reeds eerder op eigen kracht kozen voor biologisch verantwoorde teelten in het nadeel zullen zijn? |
|
4. |
Hoe bevordert de Commissie dat in het bijzonder kleine agrarische bedrijven in de nieuwe lidstaten, die thans functioneren zonder nieuwe milieuvriendelijke technieken, straks in het nadeel zullen zijn wat betreft hun aandeel in de bijdragen voor de financiering van wenselijke technische vernieuwingen? |
|
5. |
Zijn de verwachte onbedoelde effecten voor de Commissie aanleiding om haar hervormingsplannen op onderdelen aan te passen? |
Aanvullend antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(28 april 2004)
|
1. |
De Commissie is op de hoogte van de door het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) opgestelde studie waarin wordt gerefereerd aan het in januari 2003 gepubliceerde voorstel van de Commissie voor een hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Intussen heeft het LEI een studie gepubliceerd waarin het effect van de hervorming van het GLB en de Doha-ronde van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) wordt beoordeeld (rapport nr. 6.04.03 van februari 2004). De bevindingen van deze laatstgenoemde studie zijn vergelijkbaar met die van de meeste wetenschappelijke studies waarin de impact van het GLB wordt geanalyseerd. |
|
2. |
Volgens schattingen van de Commissie — die gelijklopen met die van een aantal onafhankelijke studies — zal de impact van de hervorming van het GLB van 2003 op de inkomens nagenoeg neutraal zijn: volgens de kwantitatieve analyse zal in de huidige vijftien lidstaten sprake zijn van een lichte daling van het inkomen met 0,5 % en zal de ontwikkeling van de inkomens ten gevolge van de hervorming van het GLB in de uitgebreide Unie zo goed als neutraal zijn (+ 0.1 %). De Commissie heeft geen naar bedrijfsomvang uitgesplitste analyses over de impact op de inkomens gepubliceerd, omdat deze impact grotendeels zal worden bepaald door de manier waarop de bedrijfs-toeslagregeling op nationaal niveau wordt ten uitvoer gelegd. In lidstaten die opteren voor geregionaliseerde areaalbetalingen, kan zich een verschuiving van het inkomen voordoen van de melk- en rundveehouders (waar het niveau rechtstreekse betalingen per hectare momenteel hoog is) naar de akkerbouwers. Wordt de bedrijfstoeslag op individuele basis ten uitvoer gelegd, brengt dat volgens de ramingen van de Commissie geen inkomensherverdeling met zich mee en blijft de impact op het inkomen neutraal. |
|
3. |
Aangezien de bedrijfstoeslag gebaseerd is op een historische referentie, wordt de verdeling van de steun aan de landbouwers er als dusdanig niet door gewijzigd. De modulatie zal, vanwege de franchise waarvan sprake in het antwoord op schriftelijke vraag E-0544/04 (1) van het geachte parlementslid, wel leiden tot een inkomensherverdeling ten gunste van kleinere bedrijven. De randvoorwaarden moeten niet beschouwd worden als extra eisen voor de toekenning van rechtstreekse betalingen, maar als een sanctiesysteem voor landbouwers die de in bijlage III van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (2) van de Raad opgenomen bindende normen niet naleven. Om de naleving van deze bindende normen te bevorderen, is een nieuwe maatregel ingevoerd, waarbij alle landbouwers in het kader van de plattelandsontwikkeling steun ontvangen. |
|
4. |
Na de toetreding zal het landbouwareaal van de EU met ca. 30 % toenemen, terwijl de productie in haar geheel genomen maar met 10 % en het totale landbouwinkomen met 6 % zal stijgen. Deze cijfers wijzen op een lagere productie-intensiteit in de nieuwe lidstaten. Om de landbouwers in de nieuwe lidstaten te helpen aan de bindende communautaire normen te voldoen, zijn specifieke stappen gezet om investeringen op te nemen in de maatregel „Voldoen aan normen”. |
|
5. |
De mogelijke impact van het hervorming van het GLB van 2003 op de inkomens, de kleine bedrijven en de landbouwers in de nieuwe lidstaten is uit en te na besproken vóór het hervormingspakket werd vastgesteld; om een negatieve impact tegen te gaan, zijn de hierboven toegelichte maatregelen in het definitieve akkoord opgenomen. De Commissie is daarom in deze fase niet voornemens om de recent afgesproken maatregelen te wijzigen. Zij is er zich evenwel van bewust dat de komende discussie over de nieuwe generatie plattelandsontwikkelingsprogramma's een extra gelegenheid biedt om de steun voor deze maatregelen onder de loep te nemen en zo nodig te reorganiseren. |
(1) PB C 84 E van 3.4.2004, blz. 620.
(2) Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, PB L 270 van 21.10.2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/193 |
(2004/C 88 E/0198)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0559/04
van Mario Borghezio (NI) aan de Commissie
(26 februari 2004)
Betreft: Subsidiëring door de EU van de flamboyante levensstijl van „Lady Arafat” in Parijs
Naar de EU-subsidies aan Palestina (ca. 350 miljoen euro per jaar) wordt thans een onderzoek ingesteld door OLAF.
Onlangs heeft de Franse rechterlijke macht een vooronderzoek ingesteld naar mogelijk oneigenlijk gebruik van gelden door Soha Arafat, echtgenote van de president van de Palestijnse Autoriteit, vanwege de overmaking van grote sommen gelds (9 miljoen euro) door een Zwitserse bank naar de Parijse rekeningen van de echtgenote van Arafat bij de Arab Bank en de BNP.
Een flink deel van dit bedrag (2 miljoen euro) blijkt terecht te zijn gekomen op de rekeningen van een binnenhuisarchitect die zeer in trek is bij de Parijse „jet set” (studio Alberto Pinto).
Ook zouden enorme bijdragen van de IMF aan Palestina gestort zijn op een speciale rekening, die door Arafat wordt gecontroleerd.
Denkt de Commissie, gezien het bovenstaande, te onderzoeken of de enorme subsidies die de EU aan de Palestijnse Autoriteit betaalt ter ondersteuning van de bevolking niet voor een deel (of misschien zelfs in hun totaliteit) gebruikt worden voor het onderhouden van de flamboyante levensstijl van „Lady Arafat” in haar luxueuse Parijse residentie, ver van de gevaren en ontberingen van het zwaar geteisterde Palestijnse land?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(1 april 2004)
De Commissie deelt het geachte parlementslid mede dat zij nauwe contacten met de Palestijnse autoriteit heeft gehad om na te gaan of communautaire middelen die aan de Palestijnse autoriteit zijn toegewezen, door de echtgenote van de heer Arafat voor persoonlijke doeleinden zijn gebruikt.
Op dit ogenblik wordt de Palestijnse autoriteit geconfronteerd met een ernstig financieringstekort, zodat zij al enige tijd niet in staat is haar regelmatige rekeningen aan de particuliere sector te betalen of voldoende tot de sociale diensten bij te dragen, wat heeft geleid tot een opeenstapeling van achterstallen.
De steun van de Commissie sinds 2003 is erop gericht deze achterstallen te helpen wegwerken teneinde de particuliere en sociale sector zo doeltreffend mogelijke directe steun te verlenen door noodhulp te verstrekken en te helpen om banen en sociale diensten in stand te houden. Deze betalingen zijn afhankelijk van de implementatie van de lopende hervormingen van de Palestijnse autoriteit, met name in verband met verdere verbeteringen van het financieel beheer en de financiële controle.
De Commissie heeft een team voor technische bijstand opgericht, dat alle facturen onderzoekt en goedkeurt. De controles door het technische-bijstandsteam worden ondersteund door een verdere verificatie van de facturen door een accountant die door een Europees nationaal accountantskantoor is gedetacheerd om erop toe te zien dat alle facturen betrekking hebben op bedrijven uit de particuliere sector of sociale diensten. Pas nadat de facturen aldus zijn gecontroleerd, worden de middelen vrijgemaakt. Facturen voor betalingen aan mevrouw Arafat of andere niet in aanmerking komende derden zijn door dit controlesysteem uitgesloten.
De Commissie is niet op de hoogte van de door het geachte parlementslid vermelde onterechte overschrijvingen van middelen van het Internationaal Monetair Fonds naar een speciale rekening die door de heer Arafat wordt gecontroleerd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/194 |
(2004/C 88 E/0199)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0574/04
van Monica Frassoni (Verts/ALE) aan de Commissie
(26 februari 2004)
Betreft: Kerncentrale van Garigliano
De kerncentrale van Garigliano, die in 1964 in de gemeente Sessa Aurunca (Caserta) is gebouwd in een bocht van de rivier Garigliano, werd in 1978 gesloten en in 1982 buiten bedrijf gesteld. Volgens een besluit van de toenmalige regering zal deze centrale de eerste zijn, die wordt ontmanteld.
De burgers en milieuorganisaties van de gemeenten in Noord-Campanië en Zuid-Latium hebben in een verzoekschrift van 28 mei 2003, dat door het Secretariaat-generaal van de Commissie is geregistreerd onder nr. 2003/4763 — SG (2003)A/7079, in detail uiteengezet op welke wijze het Gemeenschapsrecht wordt geschonden bij het onder „passieve bewaking” stellen van de centrale.
|
1. |
Kan de Commissie mededelen, gezien het feit dat bij de monding van en in het pijnbos rond de Garigliano drie speciale beschermingszones van communautair belang in het kader van Natura 2000 liggen, of alle maatregelen met het oog op de passieve bewaking, met inbegrip van het overbrengen naar Saluggia van de splijtstofstaven, vallen onder de procedure van de milieueffectrapportage uit hoofde van richtlijn 85/337/EEG (1), zoals gewijzigd bij richtlijn 97/ll/EG (2) (in Italië omgezet bij beschikking van de minister-president nr. 337 van 10.7.1988 en de beschikking van 27.12.1988 plus successieve wijzigingen), alsmede onder een beoordeling van de gevolgen voor het gebied, zoals vastgelegd in de „habitať”-richtlijn (92/43/EEG (3) die is omgezet bij ministeriële beschikking van 3 september 2002 en gepubliceerd in Staatscourant nr. 224 van 24 september 2002)? |
|
2. |
Strookt het met de wet om tot 31 december 2003 een beroep te doen op de „Verklaring van de staat van uitzondering met betrekking tot de verwerking van de radioactieve afvalstoffen die onder optimaal beveiligde omstandigheden in de regio's Latium, Campanië, Emilia Romagna, Basilicata en Piemonte zijn vervoerd” en een buitengewoon commissaris te benoemen in de persoon van de voorzitter van SO.G.I.N (beheersmaatschappij van de kerninstallaties) S.p.A.? Hij wordt aldus verantwoordelijk voor het in veiligheid brengen van het kernmateriaal, in het bijzonder de kernbrandstof en de hoog-radioactieve afvalstoffen, almede voor het voorbereiden van plannen voor de ontmantelingsprocedures van de kerncentrales van Garigliano, Trino, Vercellese, Caorso en Latina, in afwijking van de Italiaanse wet nr. 349 van 8 juli 1986, artikel 6 en de regionale wettelijke bepalingen inzake de MEB. |
|
3. |
Is de Commissie van oordeel dat de ontmanteling van de schoorsteen, waarvan de wanden met radioactief stof besmet zijn, zonder een milieueffectbeoordeling kan plaatsvinden? |
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(22 april 2004)
Krachtens Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997, is voor de ontmanteling of het buiten bedrijf stellen van kerncentrales of kernreactoren een milieueffectbeoordeling (MEB) vereist. Wat de eerste en de derde vraag van het geachte parlementslid betreft, kan uit de richtlijn niet worden afgeleid dat de MEB op bepaalde onderdelen van de ontmantelingsoperaties niet van toepassing zou zijn.
De Commissie heeft reeds een klacht ontvangen inzake de door het geachte parlementslid ter sprake gebrachte kerncentrale van Garigliano, welke klacht betrekking heeft op een mogelijk incorrecte toepassing van bovengenoemde richtlijn alsmede van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. De door het geachte parlementslid verstrekte informatie is toegevoegd aan het klachtendossier, dat momenteel in behandeling is bij de Commissie.
Mocht de Commissie concluderen dat er sprake is van schending van het Gemeenschapsrecht, dan zal ze in haar hoedanigheid van hoedster van het EG-Verdrag onverwijld alle nodige maatregelen nemen, waaronder het inleiden van een inbreukprocedure krachtens artikel 226 van het EG-Verdrag, om ervoor te zorgen dat de betreffende communautaire wetgeving nageleefd wordt. Voorts zal de Commissie onderzoeken in hoeverre de geplande werkzaamheden in overeenstemming zijn met het bepaalde in titel II, hoofdstuk 3 van het Euratom-Verdrag.
(1) PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40.
(2) PB L 73 van 14.3.1997, blz. 5.
(3) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/195 |
(2004/C 88 E/0200)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0583/04
van Nirj Deva (PPE-DE) aan de Commissie
(26 februari 2004)
Betreft: Financiële hulp van de EU aan Zimbabwe
Wat zal de Commissie, op grond van de opmerkingen van de Rekenkamer in zijn jaarverslag over het jaar 2002, en met name in het deel getiteld „Verslag over de activiteiten in het kader van het zesde, zevende en achtste Europees Ontwikkelingsfonds”, hoofdstuk V — „Een bijzonder geval: het besluit van de Raad” Algemene Zaken „en de monetaire situatie in Zimbabwe” (1), ondernemen tegen de verspilling van EOF-middelen (vermindering van de waarde van de EOF-middelen met 89 % zoals vastgesteld door de Rekenkamer in paragraaf 68 (a)), en het misbruik van deze middelen door de leden van het regime van Mugabe die zijn opgenomen op de zwarte lijst van Raadsverordening (EG) nr. 310/2002 (2) betreffende bepaalde beperkende maatregelen tegen Zimbabwe (artikel 2 en bijlage 1), maar die toch vreemde valuta kunnen aanschaffen tegen een vaste wisselkoers van 55 ZWD/1 USD wanneer hun landgenoten voor 1 USD 1 500 ZWD moeten betalen?
Zal de Commissie in het licht van dit schandalig misbruik van EU-geld, een eind stellen aan dergelijke faciliteiten voor buitenlandse deviezen met landen die vaste wisselkoersen willen handhaven, of zal de Commissie dit in de toekomst nog laten gebeuren?
Kan de Commissie uitleggen waarom de delegatie van de Commissie, nadat zij de aandacht op deze ontwikkeling had gevestigd, de opdracht kreeg de vaste koers te blijven hanteren bij het storten van geld op de rekeningen die voor de door de Gemeenschap gefinancierde projecten en programma's waren geopend (zie Jaarverslag 2002 van de Rekenkamer, hoofdstuk V, paragraaf 63), ondanks het feit dat de Commissie telkens als zij in de loop van 2002 geld stortte op de rekeningen die in Zimbabwaanse dollars luidden, zwaar verlies leed (zie Jaarverslag 2002 van de Rekenkamer, hoofdstuk V, paragraaf 64)?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(6 april 2004)
De Commissie is het om de volgende redenen niet eens met de analyse van de Rekenkamer:
|
— |
het gebruik door de Zimbabwaanse banken van de parallelle wisselkoers voor officiële transacties was illegaal (zie het antwoord van de Commissie op punt 62 van het verslag van de Rekenkamer); de Reservebank heeft herhaaldelijk gedreigd banken die op de zwarte markt actief waren te zullen vervolgen. Daarom kreeg de delegatie de instructie om, in afwachting van de resultaten van de besprekingen met de regering en de banken, de officiële wisselkoers te hanteren voor de aanvulling van de projectrekeningen; |
|
— |
in 2002 was de Commissie, wat de steun uit de Europese Ontwikkelingsfondsen betreft, verplicht de procedures te volgen die waren vastgesteld in de Overeenkomsten van Lomé — die de nationale ordonnateur duidelijke bevoegdheden verleenden op het gebied van het fondsbeheer —, en in de uitvoeringsbepalingen voor die Overeenkomsten. Omdat de officiële wisselkoers uitsluitend onder de soevereiniteit van de staat valt, kan een andere koers alleen worden toegepast als daarover wordt onderhandeld met de nationale ordonnateur en de banken van het land. Toen de officiële koers onrealistisch werd, heeft de Commissie dat ook gedaan. |
|
— |
Met name is de Commissie van oordeel dat het cijfer van 89 % „waardevermindering” dat de Rekenkamer toepast op betalingen voor in totaal 4,5 miljoen euro (minder dan 5 % van de totale steun van de Gemeenschap aan Zimbabwe in 2002), geen goede weergave is van de reële situatie of van de omstandigheden waarmee de Commissie werd geconfronteerd, ervan uitgaande dat de betalingen wettelijk en correct moesten blijven. |
|
— |
De Commissie en de delegatie hebben onderhandeld over een „gemengde” koers om de gevolgen van het verschil tussen de officiële wisselkoers en de „parallelle” marktkoers te ondervangen en hebben tevens de volgende belangrijke maatregelen genomen:
|
In 2002 heeft de Gemeenschap Zimbabwe steun verleend voor een totaalbedrag van 94 miljoen euro, en slechts 8 miljoen euro daarvan werd in het land zelf uitgegeven. Levensmiddelen in het kader van de voedselhulp, agrarische productiemiddelen en medische benodigdheden bijv. werden in de buurlanden gekocht.
(1) PB C 286 van 28.11.2003, blz. 355 sqq.
(2) PB L 50 van 21.2.2002, blz. 4.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/196 |
(2004/C 88 E/0201)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0585/04
van Bill Miller (PSE) aan de Commissie
(26 februari 2004)
Betreft: WTO-onderhandelingen in Cancún en Genève
Kan de Commissie, na het mislukken van de WTO-onderhandelingen in Cancún en het hernemen van de onderhandelingen in Genève, een overzicht geven van de vorderingen die zijn gemaakt?
Dringt de Europese Unie er nog steeds op aan dat nieuwe kwesties aan de orde worden gesteld?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(17 maart 2004)
Na de mislukking van de conferentie in Cancun heeft de Commissie haar standpunt herzien, zoals is uiteengezet in de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Parlement en het Economisch en Sociaal Comité van 26 november 2003 met als titel „De DDA-onderhandelingen nieuw leven inblazen -het perspectief van de Europese Unie” (1). De in de mededeling voorgestelde richtsnoeren werden goedgekeurd door de Raad op 9 december 2003 (2). Hieruit blijkt dat de EU heeft gekozen voor een andere en meer flexibele aanpak van sommige „nieuwe kwesties” waarnaar het geachte parlementslid verwijst.
Het Parlement heeft de perspectieven voor de Doha-cyclus besproken op zijn vergadering van 13 januari 2004. De Commissie is bijzonder verheugd over de brede steun voor haar aanpak die erin bestaat prioriteit te geven aan multilaterale onderhandelingen, een soepeler houding aan te nemen met betrekking tot bepaalde vraagstukken waaronder ook de zogenaamde Singapore-onderwerpen en de dialoog met de handelspartners te intensiveren om in de loop van de komende maanden vaart te zetten achter de onderhandelingen en zodoende de vooruitgang te boeken die reeds in 2003 verwezenlijkt had moeten zijn.
Sedert de bijeenkomst van de Algemene Raad van de Wereldhandelsorganistie (WTO) op 15 december, waarop alle WTO-leden duidelijk blijk hebben gegeven van hun politieke wil om DDA-onderhandelingen voort te zetten, heeft het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor handel, een bezoek gebracht aan Brazilië voor een ontmoeting met de G-20. Voorts heeft hij een bezoek gebracht aan Indië, Bangladesh, Indonesië, en Kenia, de G90 in Genève ontmoet, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU in Addis Ababa bijgewoond, een bezoek gebracht aan Washington en bijeenkomsten in Brussel gehouden. Soortgelijke besprekingen zullen plaatsvinden in de aanloop naar de bijeenkomst van de Algemene Raad van de WTO in mei.
(1) COM(2003) 734 def.
(2) 15535/03 van 5.12.2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/197 |
(2004/C 88 E/0202)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0624/04
van Marjo Matikainen-Kallström (PPE-DE) aan de Commissie
(1 maart 2004)
Betreft: Dumping van regenboogforel afkomstig uit Noorwegen en de Faeröer
Momenteel is het voorstel in behandeling om de tijdelijke heffing op dumping (5 jaar) die de Commissie in september heeft ingevoerd voor grote regenboogforel uit Noorwegen en de Faeröer permanent te maken. De Commissie heeft een heffing van 19,9 % voorgesteld op dumping van regenboogforel uit Noorwegen.
Voor de viskwekerijen in de EU is de verwezenlijking van de heffing van uiterst groot belang omdat de winstgevendheid van hun sector in het geding is. In 2003 exporteerde Noorwegen naar de lidstaten van de Europese Unie bijna 7 miljoen kilo regenboogforel tegen de goedkoopste prijs, te weten 2,46 EUR/kg. De productiekosten in Noorwegen en bijvoorbeeld in Finland liggen rond de 3,50 EUR/kg.
De dumping van Noorse vis leidt tot overproductie. De Noorse overheid kende vorig jaar 50 nieuwe productievergunningen toe en bood tegen het einde van het jaar nog eens 60 nieuwe vergunningen te koop aan. In 2002 leed de Noorse viskweeksector 190 miljoen euro verlies en vorig jaar waren de verliezen nog groter. Van de productie is ongeveer 20 % regenboogforel.
Welke maatregelen wil de Commissie als hoedster van de interne markt nemen om de ongezonde dumping van de markten te weren en op welke termijn denkt zij dit te gaan doen?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(2 april 2004)
Nadat in september 2003 voorlopige antidumpingrechten werden ingesteld op de invoer van grote regenboogforel uit Noorwegen en de Faeröer heeft de Commissie alle opmerkingen onderzocht die belanghebbenden indienden naar aanleiding van de voorlopige conclusies. In januari werd een prijs-verbintenis van exporteurs van de Faeröer aanvaard.
Na gedegen onderzoek werden de voorlopige conclusies door de lidstaten bevestigd. Bij Verordening (EG) nr. 437/2004 (1) van de Raad werd derhalve een definitief recht ingesteld van 19,9 % op de invoer van grote regenboogforel uit Noorwegen en van 42,6 tot 54,4 % op de invoer van ditzelfde product uit de Faeröer, met uitzondering van de invoer door de exporteurs die de door de Commissie aanvaarde prijsverbintenis hadden aangeboden. Met deze maatregelen wordt beoogd de schadelijke effecten tegen te gaan van de dumping die tijdens het door de Commissie uitgevoerde onderzoek aangetoond werd. Verwacht wordt dat deze maatregelen leiden tot een herstel van gelijke concurrentievoorwaarden binnen de interne markt, waardoor de producenten in de EU beschermd worden tegen oneerlijke concurrentie. De definitieve antidumpingrechten gelden voor een periode van vijf jaar, wat doorgaans noodzakelijk is om de schadelijke dumping te neutraliseren.
(1) Verordening (EG) nr. 437/2004 van de Raad van 8 maart 2004 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op de invoer van grote regenboogforellen van oorsprong uit Noorwegen en de Faeröer, PB L 72 van 11.3.2004.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/197 |
(2004/C 88 E/0203)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0640/04
van Camilo Nogueira Román (Verts/ALE) aan de Commissie
(3 maart 2004)
Betreft: Verrassende vermelding van de naam van organen van de Unie, zoals het OLAF, in verwarrende berichten van Israëlische instellingen over het gebruik van EU-subsidies door de Palestijnse president
Nu het Israëlische bestuur en de civiele instellingen van Israël er op uit lijken te zijn tweespalt te zaaien, zijn er in de Spaanse pers onlangs verwarrende berichten verschenen waarin zowel melding wordt gemaakt van het deponeren van subsidiegelden op een rekening in Parijs op naam van de echtgenote van de Palestijnse president, als van een onderzoek dat een delegatie van het OLAF momenteel in Jeruzalem met betrekking tot het zogeheten dossier Arafat uitvoert en dat door de huidige minister van Volksgezondheid van Israël is georganiseerd op basis van documenten waarop het Israëlische leger de hand heeft weten te leggen gedurende de bouw van de illegale en schandelijke muur die is aangelegd om het Palestijnse territorium te verkleinen en de bewoners van de Westelijke Jordaanoever te isoleren. Welke rol speelt het OLAF in deze verwarrende situatie? Hebben de diensten van de Commissie reeds gereageerd op deze berichten die bedoeld lijken te zijn om politieke tweespalt te creëren juist nu de Israëlische regering voor het Internationale Gerechtshof van Den Haag moet verschijnen wegens de bouw van de muur en de problemen die de Eerste Minister Sharon met de Israëlische justitie heeft?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(26 april 2004)
De Commissie verwijst het geachte parlementslid naar het antwoord dat zij heeft gegeven op schriftelijke vraag E-0559/04 van de heer Mario Borghezio (1).
De Commissie deelt het geachte parlementslid eveneens mede dat het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF) een onderzoek heeft geopend naar de juistheid van mogelijke verdenkingen van ontvreemding van communautaire middelen die voor de ondersteuning van de huishoudelijke begroting van de Palestijnse autoriteit zijn overgemaakt, en een onderzoek naar de financiering van humanitaire en ontwikkelingsprojecten die door Palestijnse verenigingen of organisaties zijn ingediend.
(1) Zie blz. 193.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/198 |
(2004/C 88 E/0204)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0649/04
van Esko Seppänen (GUE/NGL) aan de Commissie
(8 maart 2004)
Betreft: Roma in Slovakije
Heeft de Commissie aandacht besteed aan de maatregelen van de Slovaakse regering om de sociale zekerheid van de plaatselijke Roma-bevolking te beperken en de hierdoor veroorzaakte onlusten onder andere in Trhovište, en voldoet het mensenrechtenbeleid van de Slovaakse regering volgens haar aan de vereisten die op dit gebied voor een EU-lidstaat gelden?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(21 april 2004)
Het is de Commissie bekend dat er in Slowakije een nieuw sociale-zekerheidsstelsel is ingevoerd, dat heeft geleid tot een sterke verlaging van de sociale-zekerheidsuitkeringen vanaf begin maart 2004. Voorts is zij bezorgd over de onrust onder de Roma-bevolking en de plunderingen in Oost-Slowakije.
Doorgaans verzet de Commissie zich uitdrukkelijk tegen elke vorm van geweld als middel om sociale of andere voordelen op te eisen. Zij heeft hierover nauwe contacten met de Slowaakse autoriteiten gehad en daarbij de hoop uitgesproken dat de Slowaakse regering dringend gebruik zal maken van alle haar ter beschikking staande middelen om een redelijke en passende oplossing voor deze gevoelige kwestie te vinden. In het bijzonder moet worden getracht de moeilijke situatie van de armste bevolkingsgroepen, die wellicht het zwaarst worden getroffen door de verlaging van de sociale-zekerheidsuitkeringen, te verlichten. De werkgelegenheid moet in de armste delen van het land, en in het bijzonder in Oost-Slowakije, worden uitgebreid. In deze context toont de Commissie zich verheugd over een onlangs door de Slowaakse regering gepresenteerd 14-punten-document over de manier waarop de situatie van de meest achtergestelde burgers, in het bijzonder de Roma-bevolking, kan worden verbeterd. De Slowaakse autoriteiten hebben de Commissie tevens de verzekering gegeven dat zij het optreden van de politie in het oostelijk deel van het land van nabij zullen volgen.
De Commissie heeft zich ertoe verbonden de Slowaakse autoriteiten, voorzover dat binnen haar mogelijkheden ligt, te helpen om dit probleem zo snel mogelijk op te lossen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/199 |
(2004/C 88 E/0205)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0660/04
van Roger Helmer (PPE-DE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Financiering van NGO's
Kan de Commissie de volgende vragen beantwoorden:
|
— |
welk bedrag besteedt de Unie in het totaal aan de financiering van NGO's, civil society-groepen en politieke en bewustwordingsorganisaties, in de vorm van een eenmalige toelage of als „revenue funding”; |
|
— |
welke specifieke NGO's ontvangen subsidie, financiering of onkostenvergoedingen van de Unie, om welke bedragen gaat het en hoe frequent vinden betalingen plaats; |
|
— |
aan welke criteria moeten de NGO's voldoen om in aanmerking te komen voor dergelijke steunverlening? |
Antwoord van mevrouw Schreyer namens de Commissie
(28 april 2004)
Het Financieel Reglement (FR) en de uitvoeringsvoorschriften ervan bevatten geen speciale regels voor niet-gouvernementele organisaties (NGO's). Derhalve worden deze niet anders behandeld dan natuurlijke of rechtspersonen. Bijgevolg moeten ze voldoen aan de algemene uitsluitings- en selectiecriteria die voor alle begunstigden gelden. Deel 2, titel IV, van het FR bevat evenwel speciale regels voor externe maatregelen. Bovendien kunnen in de afzonderlijke actieprogramma's en oproepen tot het indienen van voorstellen in verband met de verschillende maatregelen bijzondere subsidiabiliteitscriteria worden vastgesteld.
NGO's werken bij de uitvoering van talrijke maatregelen in en buiten de EU samen met de Commissie. Omdat ze gewoonlijk op dezelfde wijze worden behandeld als andere organisaties, organen of bedrijven, houdt de Commissie niet bij hoeveel middelen NGO's ontvangen. In veel gevallen zijn NGO's uitvoerende partners en niet de eindbegunstigden van EG-maatregelen. Daarom kan de Commissie de eerste twee vragen van het geachte parlementslid niet beantwoorden.
Wel biedt de website van de EU veel informatie over de samenwerking met NGO's, waaronder informatie over bijvoorbeeld maatregelen in de EU op het gebied van onderwijs en cultuur (http://europa.eu.int/comm/dgs/education_culture/civilsociety/fr.htm) of internationale ontwikkeling (http://europa.eu.int/comm/europeaid/projects/ong_cd/index_fr.htm).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/199 |
(2004/C 88 E/0206)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0665/04
van Gerhard Schmid (PSE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Veiligheidsnormen voor beeldbewerking bij scans van bankbiljetten
Met de nieuwe software van Adobe Photoshop CS en van Paint Shop Pro is het lezen en verwerken van afbeeldingen van bankbiljetten niet mogelijk. Het door de Central Bank Counterfeit Deterrence Group (CBCDG), een verbond van de centrale banken in de hele wereld, ontwikkelde mechanisme vormt een belangrijke bijdrage om het vervalsen van bankbiljetten te voorkomen.
|
1. |
Kent de Commissie dit mechanisme? |
|
2. |
Is de Commissie voornemens dit mechanisme als verplichte veiligheidsnorm in te voeren? |
Antwoord van mevrouw Schreyer namens de Commissie
(28 april 2004)
De Commissie is ervan op de hoogte dat de CBCDG (Central Bank Counterfeit Deterrence Group) een systeem heeft ontwikkeld dat digitale reproductie van afbeeldingen van bankbiljetten onmogelijk maakt.
De Commissie acht toepassing van dit afschrikkingsmechanisme van belang.
De Commissie heeft met de Europese Centrale Bank (ECB) overleg gevoerd over de vraag of wetgeving moet worden voorgesteld waarin het gebruik van dit mechanisme in digitale beeldverwerkingsproducten verplicht wordt gesteld.
Zoals overeengekomen met de Commissie, stelt de ECB samen met de branche momenteel een voorlopige evaluatie op.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/200 |
(2004/C 88 E/0207)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0666/04
van Mihail Papayannakis (GUE/NGL) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Niet-naleving milieuwetgeving
Op 13 mei 2002 hechtte het directoraat Bossen van het district Thessalía goedkeuring aan besluit nr. 1070. Dit besluit betrof de aanleg van een mijn voor de winning en verwerking van inerte materialen op de locatie Xéra in de gemeente Ayiás, meer in het bijzonder in een weidegebied met een oppervlakte van ongeveer 30,6 hectare.
Gezien de volgende feiten:
|
— |
Het bedoelde terrein is op grond van de opname in het netwerk NATURA 2000 aangeduid als beschermde zone. |
|
— |
Het Ministerie van Ontwikkeling heeft in een brief (A.P.D.10/B/F6.12.Gen/6422) van 9 mei 2000 aan het directoraat Industrie van Lárissa laten weten dat het aanwijzen van nieuwe mijnen binnen een straal van twee kilometer rond archeologische vindplaatsen of beschermde zones op grond van artikel 4 van wet nr. 2115/93 verboden is en dat derhalve ook het voor mijnbouwactiviteiten aanwijzen van gebieden die in NATURA 2000 zijn opgenomen niet mogelijk is. |
|
— |
Winningsindustrieën produceren een bijzonder grote hoeveelheid afvalstoffen (en stof) met negatieve gevolgen voor bijvoorbeeld de kwaliteit van het grond- en het oppervlaktewater, de bodemstabiliteit en de kwaliteit van habitats op het land en in het water. |
|
— |
De aanleg van een mijn op geringe afstand van bewoond gebied gaat tot problemen leiden voor de landbouw (appelboomgaarden) en de veeteelt in het gebied. |
|
— |
De aanleg van de mijn op de bedoelde plaats zal tot problemen leiden voor de verbinding Lárissa-Ayiás-Lárissa aan zee, aangezien de vrachtwagens die de inerte materialen gaan vervoeren, gebruik zullen maken van het (met name in de zomermaanden) reeds overbelaste plaatselijke wegennet. |
Welke maatregelen is de Commissie tegen de achtergrond van het bovenstaande van plan te gaan nemen om deze ontwikkeling, die indruist tegen zowel de communautaire als de Griekse milieuwetgeving, te stoppen?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(22 april 2004)
De Commissie is niet bevoegd zich uit te spreken over de eventuele schendingen van de bepalingen van het Griekse recht of over de wenselijkheid van de bouw van een project. Wel moeten de Griekse autoriteiten zich schikken naar de verplichtingen die voortvloeien uit Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (1), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (2) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (3).
Enerzijds moeten volgens Richtlijn 85/337/EEG de projecten die significante effecten op het milieu kunnen hebben, voordat een vergunning wordt verleend, worden onderworpen aan een procedure tot aanvraag van een vergunning en een beoordeling van de milieueffecten. Deze projecten worden gedefinieerd in artikel 4, dat verwijst naar bijlage I en II bij de richtlijn. In het bijzonder zijn mijnen met een oppervlakte van meer dan 25 hectare (bijlage I, punt 19, van de richtlijn) onderworpen aan een procedure tot aanvraag van een vergunning en beoordeling van de milieueffecten. Bovendien vereist de Griekse wetgeving waarmee de richtlijn wordt omgezet, een dergelijke procedure voor mijnen met een oppervlakte die kleiner is dan deze grenswaarde (bijlage II, punt 2, onder a).
Anderzijds zou, volgens de beschikbare informatie, de betwiste mijn zich op de grens van een gebied van communautair belang bevinden. Dit gebied, „Karla — Mavrovouni — Kefalovtyso Velestinou — Neochori” (code GR1420004), is door de Griekse autoriteiten, uit hoofde van Richtlijn 92/43/EEG, voorgesteld voor opname in het ecologische netwerk Natura 2000. Bijgevolg zijn de bepalingen van Richtlijn 92/43/EEG, met name artikel 6, lid 3, van toepassing.
In het kader van de milieueffectbeoordeling, moeten de bevoegde nationale overheden, met name het Ministerie van Milieu en niet het district Thelassia, een „beslissing ter goedkeuring van de milieubepalingen” voor het project aannemen. Deze beslissing, die wordt genomen op basis van een milieueffectbeoordeling en na raadpleging van het publiek, wordt geacht de omvang van het project en de belangrijke negatieve effecten die het project op het milieu kan hebben te bepalen en maatregelen vast te leggen om deze te vermijden en te verminderen. Bovendien, aangezien dit project significante effecten kan hebben op het gebied dat wordt voorgesteld als gebied van communautair belang, moet de „beslissing ter goedkeuring van de milieubepalingen” ook overgaan tot een passende evaluatie van de effecten van het project op het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dit gebied.
Op basis van de vermelde feiten ziet de Commissie geen inbreuk op de bovenvermelde richtlijnen. Als het geachte parlementslid over aanvullende informatie beschikt die kan aantonen dat het betreffende project onverenigbaar is met de communautaire milieuwetgeving kan aantonen, nodigt de Commissie hem uit haar deze mee te delen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/201 |
(2004/C 88 E/0208)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0667/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Heropening van de westelijke spoorlijn tussen Sligo en Cork in Ierland
Volgens de publicatie van het verslag „West on Track” kan de westelijke spoorlijn tussen Sligo en Cork in Ierland heropend worden voor minder dan 250 miljoen euro en zal er een aanzienlijk potentieel voor goederenvervoer zijn op deze lijn. De Ierse minister van vervoer heeft blijkbaar besloten het standpunt van zijn regering over de „Strategische hervorming van de spoorwegen”, waarin werd geconcludeerd dat de lijn niet rendabel zou zijn, naast zich neer te leggen. Kan de Commissie mededelen of de mogelijkheid om deze lijn te heropenen door de Ierse regering aan haar is voorgelegd? Wat zou het antwoord van de Commissie zijn op een dergelijk voorstel? Is de Commissie van mening dat een dergelijk voorstel of een deel ervan in aanmerking zou kunnen komen voor steun van de EU via het Marco Polo-programma of andere programma's?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/202 |
(2004/C 88 E/0209)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0674/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Goederenvervoer per spoor door Iarnrod Eireann
Het is de Commissie bekend dat Iarnrod Eireann de enige nationale exploitant voor goederenvervoer per spoor is in de EU die voor dat vervoer geen nationale steun krijgt.
De uitbreiding van het goederenvervoer per spoor was een centrale doelstelling van het Witboek over het Europese vervoerbeleid (september 2001) en ook van het Marco Polo-programma en de Ierse regering is momenteel bezig met een strategische hervorming van de spoorwegen. Wat zou het standpunt van de Commissie zijn als de Ierse regering zou overwegen om staatssteun te verlenen aan Iarnrod Eireann voor het vervoer van goederen per spoor?
Via welke EU-bepalingen zou het verlenen van dergelijke steun mogelijk zijn?
Gecombineerd Antwoord
van mevrouw de Palacio namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-0667/04 en E-0674/04
(30 april 2004)
De spoorwegsector is een belangrijk element in het gemeenschappelijk vervoersbeleid van de Gemeenschap, dat streeft naar de ontwikkeling van een duurzaam transportsysteem door het evenwicht tussen verschillende vervoerswijzen te verschuiven. Dit beleid wordt beschreven in het Witboek „Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen” (1) van 12 september 2001.
In dit verband heeft de Commissie het Marco Polo-programma opgezet om een bijdrage te leveren aan de introductie van innovatieve vervoersdiensten. Het belangrijkste doel van Marco Polo is de vermindering van verkeersopstoppingen en de verbetering van de milieuprestaties van het gehele vervoerssysteem, door vrachtvervoer te verschuiven van wegvervoer naar de korte vaart, spoorvervoer en de binnenvaart.
Wat infrastructuur betreft, behoort de spoorlijn Sligo-Cork niet tot het trans-Europese Netwerk (TEN)-vervoer. Daarom komt deze lijn niet in aanmerking voor de TEN-begroting of het Cohesiefonds. Hoewel de lijn in aanmerking zou kunnen komen voor het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, hebben de acties die in de huidige programmeringsperiode (2000-2006) voor Gemeenschapssteun zijn vastgesteld geen betrekking op de heropening van in onbruik geraakte lijnen.
Naast Gemeenschapsfondsen als Marco Polo beschikt elke lidstaat over het recht om gebruik te maken van openbare middelen, teneinde ondersteuning te bieden aan nationale beleidsdoelstellingen, zoals het streven naar de revitalisering van vrachtvervoer via spoorwegdiensten. Elke vorm van overheidssteun dient echter de mededingingsbepalingen na te leven zoals die zijn uiteengezet in het EG-Verdrag. Als algemeen beginsel wordt overheidssteun die de concurrentie in de gemeenschappelijke markt verstoort door het EG-Verdrag verboden. Het EG-Verdrag staat echter uitzonderingen op het verbod op overheidssteun toe wanneer de voorgestelde steunmaatregelen een positieve invloed op de gehele Unie hebben: artikel 87, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag staat overheidssteun toe om de ontwikkeling mogelijk te maken van bepaalde economische activiteiten of gebieden. Volgens artikel 73 van het EG-Verdrag is overheidssteun verenigbaar met het verdrag indien wordt voorzien in de behoeften voor de coördinatie van vervoer. Tevens dient opgemerkt te worden dat de Commissie een aantal „richtsnoeren” of „kaders” heeft aangenomen om het beleid inzake overheidssteun op diverse gebieden te verduidelijken, zoals de bescherming van het milieu of het redden of reorganiseren van bedrijven die in moeilijkheden verkeren. Hiermee dient rekening te worden gehouden tijdens de evaluatie van de Commissie met betrekking tot steunmaatregelen.
Daarom wordt elk geval van overheidssteun op haar merites onderzocht, gelet op het toepasselijke recht en de praktijk. Ten slotte dient te worden vermeld dat alle spoorwegbedrijven subsidies van de lidstaten kunnen ontvangen indien deze een vergoeding vertegenwoordigen voor het ontslag van bepaalde verplichtingen die inherent zijn aan het concept van de openbare dienst.
Met betrekking tot de spoorwegmarkt dient melding te worden gemaakt van de mogelijkheid voor Ierland om haar binnenlandse markt open te stellen voor concurrentie van spoorwegvrachtdiensten. Een dergelijke benadering zou nieuwe toetreders kunnen aantrekken die belangstelling tonen voor het aanbieden van dergelijke diensten, terwijl de nationale exploitant vanwege andere prioriteiten niet per se in de exploitatie daarvan geïnteresseerd hoeft te zijn.
(1) COM(2001)370 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/203 |
(2004/C 88 E/0210)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0670/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Onderzoek van de Commissie inzake olielozingen aan Poolbeg Peninsula, Dublin
Welk antwoord heeft de Commissie ontvangen van Ierland op de in april 2003 naar dit land gezonden schriftelijke aanmaning, zoals aangekondigd in IP/03/544, inzake het verzuim van de Ierse regering om mee te werken met het onderzoek van de Commissie naar klachten over olielozingen in het water naast een speciale beschermingszone op Poolbeg Peninsula in augustus 2002 en inzake de naleving van de richtlijn inzake gevaarlijke stoffen (76/464/EG (1)) en de habitatrichtlijn (92/43/EG (2))?
Welke maatregelen heeft de Commissie ondernomen of overweegt ze te ondernemen inzake deze materie?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(21 april 2004)
De schriftelijke aanmaning van de Commissie waarnaar het geachte parlementslid verwijst, betrof een weigering van de Ierse autoriteiten de Commissie medewerking te verlenen, meer in het bijzonder het verzuim gevolg te geven aan het verzoek informatie te verstrekken over de wijze waarop de milieuwetgeving op het Poolbeg Peninsula in Dublin wordt nageleefd. Ierland heeft niet gereageerd op de schriftelijke aanmaning, reden waarom de Commissie in december 2003 een met redenen omkleed advies tot de Ierse autoriteiten heeft gericht. Ierland heeft vervolgens uitgebreid antwoord gegeven op het oorspronkelijke verzoek om informatie van de Commissie. Met dat antwoord is naar het oordeel van de Commissie een einde gekomen aan de inbreuk op artikel 10 van het EG-Verdrag wegens weigering tot het verlenen van medewerking. Op dit punt worden derhalve vooralsnog geen verdere stappen overwogen. De Commissie onderzoekt momenteel de inhoudelijke aspecten van de oorspronkelijke klacht (3).
(1) PB L 129 van 18.5.1976, blz. 23.
(2) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(3) P2001/4789.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/203 |
(2004/C 88 E/0211)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0675/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Verordening inzake grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen
Welk antwoord heeft de Commissie ontvangen van Ierland op de in april 2003 naar dit land gezonden schriftelijke aanmaning, zoals aangekondigd in IP/03/544, inzake het verzuim van de Ierse regering om in te gaan op het verzoek om inlichtingen van de Commissie over de wijze waarop Ierland voldoet aan de Verordening inzake grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen (EG) NR 259/93 (1), na een klacht over onregelmatigheden in de vereiste documenten voor afvalvervoer vanuit Ierland?
Wat heeft de Commissie ondernomen of overweegt ze te ondernemen betreffende deze materie?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(21 april 2004)
Ierland heeft in juni 2003 geantwoord op de schriftelijke aanmaning van de Commissie waarnaar het geachte parlementslid verwijst. Met dat antwoord is naar het oordeel van de Commissie een einde gekomen aan de inbreuk op artikel 10 van het EG-Verdrag wegens weigering tot het verlenen van medewerking. Op dat punt worden derhalve vooralsnog geen verdere stappen onderwogen. De Commissie onderzoekt momenteel de inhoudelijke aspecten van de oorspronkelijke klacht.
(1) PB L 30 van 6.2.1993, blz. 1.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/204 |
(2004/C 88 E/0212)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0684/04
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Parmalat en de Nederlandse stimulansen voor het aantrekken van buitenlandse bedrijven met verkeerde bedoelingen als gevolg van een afwijkende belastingwetgeving
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat Forum Administrations, dochteronderneming van het grote Nederlandse advocatenkantoor Nauta Dutilh, in Nederland tenminste één stichting en vijf besloten vennootschappen beheert waarvan het merendeel van de aandelen in Italiaans bezit is en die verbonden zijn met het in opspraak geraakte Italiaanse zuivelconcern Parmalat? |
|
2. |
Is het de Commissie bekend dat langs die Nederlandse weg bijna EUR 6 miljard aan obligaties van Parmalat is uitgegeven, dat de laatste lening van EUR 350 miljoen nog pas in september 2003 werd uitgezet en dat deze leningen inmiddels niets meer waard zijn? |
|
3. |
Is het de Commissie tevens bekend dat volgens De Nederlandsche Bank bij 181 Nederlandse trustkantoren voor EUR 800 miljard aan bezittingen is ondergebracht? |
|
4. |
Kan de Commissie bevestigen dat tegenwoordig opvallend veel bedrijven die niet hun hoofdzetel en hun voornaamste activiteiten in Nederland hebben wegen zoeken om hun financiering en hun belastingen via dat land te regelen vanwege de daarvan verwachte belastingvoordelen? |
|
5. |
Waarin is de huidige, in de jaren negentig aangepaste Nederlandse belastingwetgeving uitzonderlijk ten opzichte van andere lidstaten van de EU? Wat maakt de Nederlandse belastingwetgeving zo aantrekkelijk voor buitenlandse bedrijven? |
|
6. |
Biedt de huidige Nederlandse belastingwetgeving bedrijven in het bijzonder de gelegenheid om door andere staten gestelde regels te omzeilen en schept zij daarmee ruimte voor diegenen die zelf voordeel willen behalen door andere bedrijven, overheden, werknemers, aandeelhouders, obligatiehouders, leveranciers en afnemers te benadelen? |
|
7. |
Vergemakkelijkt het bezit van een rechtspersoon in Nederland tevens het gebruik van de belastingvoordelen van de zes eilanden in de Caribische Zee die wel tot het Koninkrijk der Nederlanden behoren maar niet tot de EU, waar Parmalat eveneens dochters heeft? |
|
8. |
Wat dient naar het oordeel van de Commissie in de Nederlandse belastingwetgeving te veranderen? Bron: het Nederlandse dagblad „de Volkskrant” van 22.1.2004. |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(26 april 2004)
|
1.t/m 3. |
De in het artikel in De Volkskrant van 22 januari 2004 genoemde problemen en de problemen in verband met Parmalat zijn de Commissie bekend. Ook is haar bekend dat er een verband bestaat tussen sommige belangrijke aspecten van de Parmalat-zaak en de verslaggevingsvereisten. Zij is dan ook voornemens om in het najaar passende wijzigingen met betrekking tot de vierde en de zevende richtlijn inzake vennootschapsrecht voor te stellen. |
|
4. |
De Commissie beschikt niet over officiële informatie betreffende het aantal in Nederland geregistreerde bedrijven waarvan gebruik wordt gemaakt om geldstromen door te sluizen met de bedoeling de totale belastingdruk van de groep te verlagen. |
|
5. |
De belastingwetgeving in Nederland voorziet in vrijstelling van belasting op winstuitdelingen en op vermogenswinsten gerelateerd aan in andere landen gevestigde dochterondernemingen om dubbele belasting te voorkomen. Dit beginsel ter voorkoming van dubbele belasting is internationaal geaccepteerd, en in sommige andere lidstaten bestaan vergelijkbare stelsels. Het Nederlandse „houdsterregime” is echter getoetst aan de Gedragscode voor bedrijfsbelastingen die door de lidstaten is overeengekomen om schadelijke belastingconcurrentie te voorkomen. De eindconclusie was dat Nederland zijn bepalingen ter bestrijding van misbruik ten opzichte van dit regime moet aanscherpen. Nederland heeft inmiddels hieraan gevolg gegeven. |
|
6. |
De Commissie is niet op de hoogte van het bestaan van Nederlandse belastingwetgeving die voorziet in methodes om regels van andere landen te omzeilen. Zoals eerder opgemerkt heeft Nederland stappen ondernomen om mogelijk misbruik van het Nederlandse systeem te voorkomen door de invoering van striktere bepalingen ter bestrijding van misbruik in het kader van de Gedragscode voor bedrijfsbelastingen. |
|
7. |
Als onderdeel van het gedragscodeproces zijn ook de belastingvoorschriften van de Nederlandse Antillen en Aruba getoetst. Het resultaat is dat zowel de Nederlandse Antillen als Aruba nu hun schadelijke belastingmaatregelen, nl. de belastingvoordelen die door de Raad als schadelijk zijn aangemerkt, moeten intrekken. Het voordeel voor een Nederlands ingezetene om zaken te doen in de Nederlandse Antillen en Aruba zou nu dan ook alleen kunnen voortvloeien uit het feit dat er tussen de drie delen van het Koninkrijk der Nederlanden een overeenkomst ter voorkoming van dubbele belasting bestaat die vrij veel gelijkenis vertoont met de bilaterale belastingovereenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting welke door de EU-lidstaten en de lidstaten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) onderling en met andere landen worden gesloten. |
|
8. |
De lidstaten kunnen vrij bepalen hoe zij hun belastingsystemen wensen vorm te geven zolang de bepalingen in overeenstemming zijn met het acquis van de EU, met name de bepalingen inzake staatssteun, de fundamentele vrijheden in het EG-Verdrag en de beginselen van de Gedragscode voor bedrijfsbelastingen. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/205 |
(2004/C 88 E/0213)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0686/04
van Paulo Casaca (PSE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Europees platform inzake waterstof
Hoewel ik tot mijn genoegen vernam dat er een Europees platform is opgericht voor European Hydrogen and Fuel Cell Technology, moest ik tot mijn verbazing constateren dat zich onder de 35 leden van het Raadgevend Comité van dit platform geen enkele Portugees bevindt.
Ik ben zo vrij de Commissie erop te wijzen dat het laboratorium voor het mariene milieu en technologieën van de Universiteit van de Azoren een pioniersrol vervult bij de ontwikkeling van technologieën die verband houden met het gebruik maken van waterstof.
Is de Commissie wellicht van mening dat onderzoek dat wordt uitgevoerd in een ultra-perifere regio zoals de Azoren niet dezelfde waarde heeft als het onderzoek dat in grote landen die wel in dit raadgevend comité vertegenwoordigd zijn, wordt uitgevoerd?
Is de Commissie niet van mening dat bij een initiatief van deze aard alle belangrijke partners moeten worden betrokken, ongeacht de grootte van het land?
Is de Commissie voornemens dit raadgevend comité uit te breiden met bijvoorbeeld het Laboratório de Ambiente Marinho e Tecnologias van de Universiteit van de Azoren?
Antwoord van de heer Busquin namens de Commissie
(21 april 2004)
Het in januari 2004 opgerichte platform voor European Hydrogen and Fuel Cell Technology is een initiatief bedoeld voor alle actoren en activiteiten in Europa op het gebied van technologisch onderzoek dat is gericht op de totstandkoming van een op waterstof gebaseerde economie. Het Raadgevend Comité is belast met de aansturing van en de leiding over de verschillende onderdelen en actoren, en is daarmee een van de centrale organen van het platform.
Het eerste Raadgevend Comité is gekozen voor een beginperiode van achttien maanden en bestaat uit personen op hoog niveau die verschillende actoren van de economie en de samenleving in Europa vertegenwoordigen, met inbegrip van de onderzoeksgemeenschap en de voornaamste bedrijfssectoren die actief betrokken zijn bij de ontwikkeling van technologieën op dit gebied.
Onder de leden van het Raadgevend Comité bevinden zich thans geen Portugezen, maar er zullen zeker Portugese belanghebbenden worden opgenomen in de overige organen en structuren van het platform, zoals de contactgroep van de lidstaten, de stuur- en initiatiefgroepen en, belangrijker nog, het projectkader van het platform, waarin plaats is voor alle relevante actoren die aan het platform wensen deel te nemen. De Commissie neemt kennis van de mogelijke belangstelling van het „Laboratorio de Ambiente Marinho e Tecnologias, da Universidade dos Açores”.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/206 |
(2004/C 88 E/0214)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0724/04
van María Herranz García (PPE-DE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Voorschriften voor wijnetikettering
Na talloze jaren van onderhandelingen met de Verenigde Staten en andere derde landen over de bescherming van officiële benamingen van communautaire wijnen, waarbij de EU zich radicaal verzette tegen de usurpatie hiervan door derde landen, heeft de Europese Commissie haar verzet uiteindelijk gestaakt en toegegeven aan de druk van buitenaf en deze usurpatie gelegitimeerd, via de goedkeuring door het beheerscomité van een wijziging van de voorschriften voor wijnetikettering, waarbij de belangrijkste producentenlanden tegen stemden.
Vanaf nu kan ieder derde land dat aantoont dat het gedurende een periode van minstens tien jaar de vermeldingen „gran reserva” of „crianza” wederrechtelijk heeft gehanteerd, niet alleen hiermee doorgaan, maar zijn producten met deze benamingen zelfs afzetten op de EU-markt.
Kan de Europese Commissie deze koerswijziging van 180 graden, die bovendien schadelijk zou kunnen uitpakken voor onze positie in de WTO-onderhandelingen over de bescherming van onze geografische benamingen van herkomst, nader toelichten? Welk voordeel denkt de Europese Commissie met dit besluit te behalen?
Sommige landen hebben bij de WTO een klacht ingediend over de in 2002 goedgekeurde communautaire verordening betreffende wijnetikettering. Waarom heeft de Commissie de uitspraak van deze internationale organisatie niet eens afgewacht?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(19 april 2004)
De Commissie heeft nieuwe voorschriften ingevoerd met betrekking tot de omschrijving, de aanduiding en de bescherming van bepaalde wijnbouwproducten om te voorkomen dat binnen de WTO een panel zou worden opgericht. Dit zou een ernstige bedreiging hebben gevormd voor het Europese beleid op het gebied van de etikettering van wijn.
Nadat de Wereldhandelsorganisatie in kennis was gesteld van Verordening (EG) nr. 753/2002 (1), hebben verschillende derde landen hun opmerkingen meegedeeld aan de WTO en blijk gegeven van enig voorbehoud. In Genève vond hierover tweemaal overleg plaats. Derde landen beschouwden de exclusieve bescherming van bepaalde traditionele benamingen (deel B), naast het recht inzake geografische aanduidingen, als een nieuw intellectueel eigendomsrecht dat door de Unie werd ingevoerd in het kader van de overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS). Een desbetreffend panel binnen de WTO had het EU-beleid inzake de bescherming van geografische aanduidingen op losse schroeven kunnen zetten en moest daarom worden vermeden.
In het licht van de opmerkingen van de derde landen heeft de Commissie besloten om in de desbetreffende verordening bepaalde wijzigingen aan te brengen. Deze wijzigingen hebben voornamelijk betrekking op de mogelijkheid voor derde landen om bepaalde traditionele benamingen te gebruiken met inachtneming van de in de lidstaten geldende voorschriften. Voorts moest er rekening mee worden gehouden dat veel derde landen niet over een gecentraliseerde regelgeving voor de wijnbouw beschikken. Bijgevolg werden de Europese eisen op het gebied van de regelgeving gewijzigd en werd het principe van „reglementering” vervangen door „geldende regels”, die eveneens de door representatieve beroepsorganisaties vastgestelde regels omvatten. Ook werd een definitie van „representativiteit” opgenomen.
Bovendien moet worden onderstreept dat in Verordening (EG) nr. 1493/1999 (2) van de Raad, in tegenstelling tot bijlage III van Verordening (EG) nr. 753/2002, geen enkele keer wordt verwezen naar de twee categorieën van traditionele benamingen, maar alleen naar de mogelijkheid voor de Commissie om normen inzake traditionele benamingen vast te stellen in overeenstemming met de in de lidstaten geldende bepalingen.
De nieuwe voorwaarden voor het gebruik van traditionele benamingen van de Gemeenschap door derde landen zijn gelijkwaardig aan de voorwaarden die in de voorafgaande periode van kracht waren voor het gebruik van traditionele benamingen van bijlage III, deel A, bij Verordening (EG) nr. 316/2004 (3).
Tot deze voorwaarden behoren, overeenkomstig artikel 1, punt 10, van Verordening (EG) nr. 316/2004 houdende wijziging van artikel 37, lid 1, onder e), van Verordening nr. 753/2002:
|
— |
het derde land moet een met redenen omkleed verzoek indienen bij de Commissie en bewijzen overhandigen die de erkenning van de traditionele benaming wettigen; |
|
— |
de taal van de traditionele benaming moet de officiële taal zijn van het derde land dat het verzoek en de aanduiding heeft geformuleerd, en moet gedurende een periode van minimaal tien jaar zijn gebruikt; |
|
— |
als de taal van de traditionele benaming niet de officiële taal van het derde land is, moet het gebruik ervan in de wetgeving van het desbetreffende land zijn vastgelegd en moet de traditionele benaming in dit geval in deze taal ten minste de laatste 25 jaar onafgebroken zijn gebruikt; |
|
— |
daarnaast moet aan andere criteria, zoals „specificiteit” en „onderscheidend karakter” van de aanduiding, alsook het uitsluiten van de mogelijkheid tot misleiding van de consument, waarin dezelfde verordening voorziet, worden voldaan. |
In het specifieke geval van de traditionele Spaanse benamingen „Gran Reserva” of „Crianza” als bedoeld in de schriftelijke vraag die aan de Commissie is gesteld, blijven de voorwaarden met betrekking tot het gebruik van deze aanduidingen door derde landen in de Gemeenschap ongewijzigd aangezien deze aanduiding al is vermeld in bijlage III, deel A, bij Verordening (EG) nr. 753/2002.
(1) Verordening (EG) nr. 753/2002 van de Commissie van 29 april 2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad wat betreft de omschrijving, de aanduiding, de aanbiedingsvorm en de bescherming van bepaalde wijnbouwproducten, PB L 118 van 4.5.2002.
(2) Verordening (EG) Nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, PB L 179 van 14.7.1999.
(3) Verordening (EG) nr. 316/2004 van de Commissie van 20 februari 2004 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 753/2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad wat betreft de omschrijving, de aanduiding, de aanbiedingsvorm en de bescherming van bepaalde wijnbouwproducten, PB L 55 van 24.2.2004.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/207 |
(2004/C 88 E/0215)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0749/04
van Paul Rübig (PPE-DE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Invoering „sector approach” in het EU-ontwikkelingsbeleid
De ontwikkelingssamenwerking van de Commissie is sinds de invoering van de zogenaamde „sector approach”, die in toenemende mate op directe begrotingsondersteuning in de begunstigde landen neerkomt, sterk veranderd. De kredieten die voor technische bijstand in de vorm van projecten voor Europese adviesbureaus ter beschikking staan, nemen voortdurend af, aangezien heel veel taken steeds vaker door de ontvangende landen en hun bestuurlijke apparaten zelf moeten worden verricht.
Kan de Commissie aan de hand van statistische gegevens aangeven hoe de technische bijstand (inclusief werkgelegenheidsmaatregelen) zich sinds 1996 in absolute zin (in euro's) en in relatieve zin (als percentage van het ontwikkelingsbudget (bijv. projecten, begrotingsondersteuning, totale begroting)) heeft ontwikkeld en tot het eind van de lopende financieringsperiode in 2006 nog zal ontwikkelen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie is als lid van de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) verplicht om regelmatig uitvoerig verslag uit te brengen over de totale door haar verstrekte ontwikkelingshulp, in overeenstemming met de door de DAC vastgestelde verslagmodellen.
In deze verslagen worden onder meer de bedragen vermeld die voor technische samenwerking (TS) zijn toegewezen. Deze technische samenwerking omvat volgens de definiëring van de DAC de beschikbaarstelling van middelen voor maatregelen die hoofdzakelijk bedoeld zijn voor de versterking van het intellectuele kapitaal, d.w.z. de verhoging van het kennisniveau, de vaardigheden en de technische knowhow, alsook van bedragen die in eerste instantie bestemd zijn voor steun bij de tenuitvoerlegging van een project.
In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de aan de DAC gemelde bedragen uit hoofde van de technische samenwerking in de periode 1996-2002, uitgedrukt in percentage van het totale bedrag van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) in die periode aan financiële verplichtingen en uitbetalingen. Dit aandeel schommelt tussen 5,4 en 3,2 % voor betalingsverplichtingen en tussen 5,2 en 3,1 % voor uitbetalingen.
EU-middelen voor technische samenwerking zoals meegedeeld aan de DAC, in vergelijking met de totale bilaterale officiële ontwikkelingshulp
|
(ín miljoen euro) |
||||||
|
jaar |
Uitbetalingen |
Vastleggingen |
||||
|
Bilaterale ODA |
TS |
% |
Bilaterale ODA |
TS |
% |
|
|
1996 |
4 297,28 |
178,13 |
4,1 % |
6 098,27 |
226,83 |
3,7 |
|
1997 |
4 549,91 |
235,48 |
5,2 % |
5 251,81 |
286,04 |
5,4 |
|
1998 |
4 580,58 |
192,54 |
4,2 % |
6 929,46 |
322,10 |
4,6 |
|
1999 |
4 593,19 |
181,93 |
4,0 % |
7 009,32 |
248,99 |
3,6 |
|
2000 |
4 789,75 |
228,93 |
4,8 % |
7 841,43 |
247,03 |
3,2 |
|
2001 |
6 160,42 |
199,74 |
3,2 % |
6 286,88 |
199,49 |
3,2 |
|
2002 |
6 645,80 |
203,81 |
3,1 % |
6 854,94 |
246,94 |
3,6 |
Aangezien de besluiten met betrekking tot de technische samenwerking steeds in het kader van een specifiek project/programma genomen worden, is een raming van toekomstige vastleggingen en uitbetalingen niet mogelijk.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/208 |
(2004/C 88 E/0216)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0762/04
van José García-Margallo y Marfil (PPE-DE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Voorstellen van de Commissie over het gevolg dat aan het actieplan inzake financiële diensten moet worden gegeven
In de loop van 2004 wil de Commissie een uitgebreide raadpleging houden om te bekijken welk gevolg in voorkomend geval aan haar actieplan inzake financiële diensten van het einde van de jaren negentig moet worden gegeven. Is het niet vreemd dat de Commissie, wat de Europese economische strategie betreft, niet eerst bijvoorbeeld een Witboek opstelt waarin ze de evolutie die ze zelf voor ogen heeft in termen van politieke strategie voor Europa uiteenzet, alvorens tot deze raadpleging over te gaan?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(26 april 2004)
Op basis van de uitgebreide raadpleging betreffende de financiële integratie waartoe de Commissie de aanzet heeft gegeven, zal de balans worden opgemaakt van de geboekte vooruitgang nu de wetgevende fase van het actieplan voor financiële diensten ten einde loopt. Het is de bedoeling de bijdrage aan de bij het begin van het proces vastgestelde beleidsdoelstellingen- namelijk het waarborgen van de doeltreffende werking van de Europese financiële markten, het beschermen van de beleggers en het garanderen van de financiële stabiliteit te beoordelen. Volgens de Commissie blijven deze fundamentele beleidsdoelstellingen allicht de hoofdcriteria voor de beoordeling van het EU-beleid terzake op lange termijn vormen.
De werkzaamheden van de Commissie met betrekking tot haar beleid inzake financiële integratie maken deel uit van de overkoepelende strategie van Lissabon ter versterking van het internationale concurrentievermogen. Als uitgangspunt voor deze werkzaamheden fungeert het voortdurend overleg over de structurele hervormingen in het kader van de globale richtsnoeren voor het economisch beleid — met inbegrip van de door het Parlement geformuleerde standpunten hieromtrent. Tevens wordt ten volle rekening gehouden met andere beleidsoverwegingen voor de lange termijn, zoals het rapport van de onafhankelijke groep op hoog niveau inzake „een agenda voor een groeiend Europa” (Sapir-rapport). De Commissie is derhalve van mening dat haar inspanningen op dit vlak een integrerend onderdeel vormen van een bredere en weldoordachte economische strategie.
De raadpleging inzake de financiële integratie zal zorgen voor feedback van de basis over een belangrijk terrein van het beleid inzake structurele hervormingen. Hierdoor kunnen de EU-instellingen hun verdere werkzaamheden beter afstemmen op de behoeften en de bijdrage aan de overkoepelende economische beleidsdoelstellingen maximaliseren. Over alle beleidsrichtsnoeren die uit deze inventarisatie naar voren komen, zal eveneens een open discussie en raadpleging worden gehouden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/209 |
(2004/C 88 E/0217)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0763/04
van José García-Margallo y Marfil (PPE-DE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: De rol van de overheidsinstanties tijdens de periode na op het actieplan inzake financiële diensten
In het gevolg dat de Commissie aan haar actieplan inzake financiële diensten wil geven, zullen de overheidsinstanties en vooral de nationale overheden een doorslaggevende rol spelen bij de uitvoering van de bepalingen van de verschillende richtlijnen, in het bijzonder die van niveau 2.
Zullen de huidige structuren en met name de nationale comités van toezicht en van regulering, volstaan om de doelstelling van het proces-Lamfalussy, te weten een flexibele en uniforme uitvoering van de technische bepalingen uit de richtlijnen, te verwezenlijken?
Zou het niet zinvol zijn om ze te versterken? Op welke manier kan dit geschieden?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(28 april 2004)
De EU-instellingen zijn het er recentelijk over eens geworden om de nieuwe comitéstructuur voor financiële diensten uit te breiden tot banken, verzekeringen, bedrijfspensioenen en icbe's. De opgezette structuren zullen een flexibele en eenvormige tenuitvoerlegging van de technische voorschriften van de richtlijnen garanderen.
In het Lamfalussy-rapport is de rol van het Comité van Europese effectenregelgevers (CEER) op niveau 3 als volgt omschreven: één van de hoofdtaken van het CEER is het bijdragen tot een eenvormige uitlegging en tenuitvoerlegging van wetgeving van zowel niveau 1 als niveau 2 door de nationale autoriteiten.
In dit verband zijn aan het CEER de volgende taken toevertrouwd:
|
— |
het opstellen van consistente richtsnoeren voor de op nationaal niveau aan te nemen bestuursrechtelijke voorschriften; |
|
— |
het vergelijken en beoordelen van toezichtpraktijken om een effectieve handhaving in de gehele Europese Unie te garanderen en om de optimale werkwijzen te definiëren; |
|
— |
het regelmatig intercollegiaal toetsen van bestuursrechtelijke voorschriften en toezichtpraktijken in de lidstaten. |
In dit kader zal het CEER — in coördinatie met parallelle maatregelen van de Commissie — ad-hocbijeenkomsten organiseren om problemen te bespreken waartoe de Richtlijn Marktmisbruik (1) aanleiding kan geven.
Bij de voorbereiding van richtsnoeren of van advies van niveau 2 aan de Commissie met het oog op het opstellen van wetgeving van niveau 2 tracht het CEER oplossingen aan te reiken die voor alle lidstaten aanvaardbaar zijn. De Commissie is de mening toegedaan dat dit proces kan bijdragen tot een convergente omzetting en toepassing van de EU-wetgeving door de nationale autoriteiten.
In het bank- en verzekeringswezen zijn het nieuwe Comité van Europese bankentoezichthouders (CEBT) en het Comité van Europese toezichthouders op verzekeringen en bedrijfspensioenen (CETVB) onlangs met hun werkzaamheden gestart. Deze comités zullen een essentiële rol vervullen bij het waarborgen van een eenvormige toepassing van nieuwe wetgeving, zoals de nieuwe Richtlijn Kapitaaltoereikendheid (RKT III) en de Richtlijn Solvabiliteit II.
Het CEBT heeft een ambitieus werkprogramma goedgekeurd om tot convergente toezichtmethoden te komen met betrekking tot sleutelaspecten van het toekomstige kader voor de kapitaaltoereikendheid, zoals bijvoorbeeld de validatie van interne benaderingen voor de meting van kredietrisico's en operationele risico's en het prudentiële evaluatieproces voor de fijnregeling van individuele kapitaalvereisten.
De Commissie zal met alle comités van toezichthouders samenwerken om erop toe te zien dat de beste werkwijzen worden gevolgd.
Bij dit alles mag niet uit het oog worden verloren dat de Commissie als „hoedster van het EG-Verdrag” verantwoordelijk is voor het toezicht op de omzetting en adequate tenuitvoerlegging van de Gemeenschapswetgeving door de lidstaten. Zij kan zorgen voor de nodige interpretatieve instrumenten en contacten die de tenuitvoerlegging vergemakkelijken, een adequate omzetting garanderen en inbreukprocedures voor het Europees Hof van Justitie vermijden. Ook dit maakt deel uit van niveau 4 van het Lamfalussy-proces.
In het kader van het Europees Comité voor het effectenbedrijf is de aanzet gegeven tot een aantal initiatieven (zoals de instelling van contactpunten voor de tenuitvoerlegging van elke „Lamfalussy-richtlijn”) en is tevens een reeks bijeenkomsten gepland met het oog op de ontwikkeling van interpretatieve instrumenten teneinde de tenuitvoerlegging van de Richtlijn Marktmisbruik en de Prospectusrichtlijn (2) te vergemakkelijken. Deze initiatieven van het CEER kunnen een nuttige bijdrage leveren aan het vastbesloten streven van de Commissie naar een betere tenuitvoerlegging en handhaving van de Gemeenschapswetgeving.
(1) Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik), PB L 96 van 12.4.2003.
(2) Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moeten worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG, PB L 345 van 31.12.2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/210 |
(2004/C 88 E/0218)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0764/04
van José García-Margallo y Marfil (PPE-DE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Gebruik van de pretoetredingsfondsen
Kan de Commissie meedelen hoeveel accountantscontroles inzake de doeltreffendheid van het gebruik van de pretoetredingsfondsen in de nieuwe lidstaten reeds zijn uitgevoerd?
Wat zijn de belangrijkste resultaten?
Welke zwakke punten zijn het vaakst vastgesteld bij het gebruik van de pretoetredingsfondsen in deze landen?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(30 april 2004)
Controles op pre-toetredingsfondsen waren hoofdzakelijk controles op het beheer die betrekking hadden op transacties die onder de gedecentraliseerde verantwoordelijkheid vallen van de kandidaat-lidstaten (het beheer van de pre-toetredingsfondsen werd over het algemeen in een vroeg stadium overgedragen aan de nationale autoriteiten van de kandidaat-lidstaten, om hen voor te bereiden op hun toekomstige verantwoordelijkheden op het gebied van goed financieel beheer van de communautaire fondsen).
Er werden twee soorten audits uitgevoerd, namelijk afsluitende audits met betrekking tot de regulariteit en legaliteit van de transacties en de zogenaamde systeemcontroles.
Alle contracten die werden gefinancierd uit hoofde van pre-toetredingssteun en werden beheerd door de nationale autoriteiten in de kandidaat-lidstaten zijn, tot de datum van toetreding, onderworpen aan controles vooraf door de Commissie, waarna nieuwe contracten die worden ondertekend gewoonlijk volledig zullen worden beheerd door de nieuwe lidstaten zelf, zonder het zogenaamde EDIS-systeem (1), het systeem van controles vooraf van de Commissie.
Deze afsluitende audits fungeren dan ook voor een groot deel als een nieuwe controlelaag voor de controles vooraf die reeds worden toegepast door de Commissie. Omdat de afsluitende audits per definitie worden uitgevoerd nadat een programma is afgesloten, vonden deze voor het grootste deel plaats voor de Phare-pre-toetredingssteun omdat het pre-toetredingsinstrument voor structuurbeleid (ISPA) en het speciale toetredingsprogramma op het gebied van de landbouw- en plattelandsontwikkeling (Sapard)-programma's relatief kortgeleden van start zijn gegaan en nog niet zijn afgesloten. Programma's komen slechts in jaar n+4 in aanmerking voor een afsluitende audit, waarbij n het jaar is van de programmering. Vóór 2000 werden afsluitende audits uitgevoerd voor 139 Phare-programma's. Sedert 2001 zijn afsluitende audits uitgevoerd voor nog eens 149 programma's, hoofdzakelijk programma's die binnen de periode van 1992-1999 vallen. Dergelijke audits worden voortgezet.
Systeemcontroles onderzoeken het volledige beheers- en controlesysteem van de pre-toetredingssteun dat werd opgezet door de nationale autoriteiten in de kandidaat-lidstaten. Volledige systeemcontroles van de EDIS-toepassingen zijn reeds uitgevoerd voor Phare in de meeste van de tien nieuwe lidstaten (die gekoppeld zijn aan het EDIS-verificatieproces.) Deze zullen in 2005 worden gevolgd voor Bulgarije en Roemenië. Ook werd een systeemcontrole uitgevoerd bij de Turkse nationale autoriteiten alvorens werd besloten om het beheer van de pre-toetredingssteun op gedecentraliseerde basis aan Turkije over te dragen.
Voor de pre-toetredingssteun in het kader van ISPA werden in totaal 32 systeemcontrolebezoeken afgelegd (2). Voor drie landen werden tevens EDIS-verificatiebezoeken uitgevoerd. Na 1 mei 2004 zullen verdere controles die in de nieuwe lidstaten worden uitgevoerd binnen het kader van de Cohesiefondsverordening vallen.
Zoals het geachte parlementslid wellicht bekend heeft het pre-toetredingsinstrument, dat ook wel bekend staat onder de naam Sapard altijd volledig gedecentraliseerd gewerkt, en werden geen pre-toetredingsfondsen vrijgegeven voordat de instanties van de nationale autoriteiten na uitgebreide systeemcontroles EDIS-erkenning hadden gekregen. De overdracht van de beheerscontrole vormde de basis voor het besluit houdende overdracht van het beheer dat door de Commissie werd goedgekeurd. In totaal 21 audits met betrekking tot de overdracht van het beheer werden uitgevoerd. Na de overdracht van het beheer werd in vier landen toezicht uitgeoefend. Voor Sapard werden bovendien in 2002 in vier landen en in 2003 in acht landen financiële audits uitgevoerd. Deze audits bestrijken de integriteit, nauwkeurigheid en getrouwheid van de rekeningen die zijn ingediend door Sapard en van de Sapard-eurorekening. Voorts werden tussen september 2003 en maart 2004 in acht landen conformiteitsaudits uitgevoerd.
De voornaamste resultaten/tekortkomingen vertonen grote overeenkomsten met die welke zijn vastgesteld in de systemen in de bestaande lidstaten en zijn niet van groot belang, het gaat bijvoorbeeld om tekortkomingen bij de archivering van aanbestedingsdocumentatie van contracten die worden gecontroleerd, waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat dergelijke audits jaren nadat de contracten zijn gesloten worden uitgevoerd. In een eerder stadium waren deze contracten echter vooraf goedgekeurd door de Commissie. De systeemcontroles lieten zwakke punten zien die in het EDIS-erkenningsproces zijn gecorrigeerd zoals een gebrek aan bekwaam personeel of opleiding; onervaren plaatselijke interne audits; gebrek aan voorbereiding voor iets afwijkende contractsoorten bijvoorbeeld bij jumelage, kernveiligheid, enz.
Eventuele zwakke punten bij Sapard die werden vastgesteld bij de overdracht van de beheerscontroles waren te verwaarlozen en werden schriftelijk meegedeeld aan de bevoegde autoriteiten; de Commissie ging vervolgens na of de aanbevelingen met betrekking tot deze zwakke punten ook werden opgevolgd. De financiële audits formuleerden aanbevelingen met betrekking tot het beheer van de Sapard-eurorekening. In sommige gevallen werden minder belangrijke zwakke punten vastgesteld in de conformiteitsaudits die in de vorm van opmerkingen en aanbevelingen aan de kandidaat-lidstaten werden meegedeeld.
(1) EDIS (Extended Decentralised Implementation System) Systeem voor de technische bijstand voor gedecentraliseerde uitvoering) is een erkenningsproces waarbij de systemen van de nationale instanties die de pre-toetredingsfondsen beheren worden erkend door de Commissie in navolging van het systeem dat wordt gebruikt voor de Structuur- en de Cohesiefondsen, waarbij wordt afgezien van de controle vooraf van de Commissie bij aanbestedingen en gunningen en de projectselectie in het geval van subsidies). Vóór de toetreding zijn alle landen een proces gestart waarbij hun systemen worden verbeterd en hebben zij een verzoek ingediend om uit hoofde van EDIS te worden erkend (met uitzondering van een aantal gevallen van ISPA waar de rechtsgrond bij de toetreding werd gewijzigd).
(2) Alle toetredende landen met uitzondering van Cyprus en Malta, plus Bulgarije en Roemenië.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/212 |
(2004/C 88 E/0219)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0765/04
van José García-Margallo y Marfil (PPE-DE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Ratingkantoren en de toegang tot vertrouwelijke informatie
Uit hoofde van welke Europese rechtsgrond(en) kunnen ratingkantoren toegang krijgen tot vertrouwelijke informatie van bedrijven?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(26 april 2004)
Ingevolge artikel 3, onder a), en artikel 6, lid 3, eerste alinea, van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (marktmisbruik) (1) mag een emittent (of een persoon die namens of voor rekening van de emittent optreedt) voorwetenschap meedelen aan een derde in het kader van de normale uitoefening van zijn werk, beroep of functie, maar hij moet deze informatie dan wel gelijktijdig onverwijld openbaar maken, tenzij degene die de informatie ontvangt een geheimhoudingsplicht heeft, ongeacht of die gebaseerd is op wet- of regelgeving, statutaire bepalingen of een overeenkomst. Op deze basis kunnen ratingbureaus als ze tot geheimhouding verplicht zijn, toegang krijgen tot voorwetenschap van emittenten.
Omdat ratingbureaus niet expliciet worden vermeld in de bovengenoemde voorschriften, bepalen de lidstaten in de praktijk zelf of de bureaus recht hebben op voorwetenschap van emittenten. Er bestaat in Europa in tegenstelling tot de Verenigde Staten, waar officieel erkende ratingbureaus formeel toegang hebben tot dergelijke informatie, nog geen geharmoniseerde wetgeving terzake.
Om die reden heeft het voor werkgelegenheid en sociale zaken bevoegde Commissie-lid op 9 februari 2004 in het plenaire debat over het eigen initiatiefverslag van het Europees Parlement (rapporteur: de heer Katiforis) over ratingbureaus verklaard dat er wat deze bureaus betreft momenteel nog vier kwesties in Europa bestaan die om een oplossing vragen. Een daarvan is de juridische behandeling van de toegang van deze bureaus tot voorwetenschap van emittenten. Er bestaat geen geharmoniseerde Europese en zelfs geen nationale regelgeving terzake. Als ratingbureaus toegang dienen te krijgen tot voorwetenschap van emittenten, moet volgens het Commissie-lid worden gewaarborgd dat alle ratingbureaus inzage krijgen in dezelfde informatie. Dit komt ook naar voren in het verslag van de heer Katiforis. Er moeten snel maatregelen worden getroffen. De Commissie heeft dit ook toegezegd op de Europese Raad van Oviedo in april 2004. Deze toezegging moet worden nagekomen voordat zich nieuwe schandalen voordoen. Daarom zal de Europese Commissie uiterlijk in de zomer of het najaar van 2004 een standpunt bepalen. Daarbij zal onder andere het verslag van de heer Katiforis een belangrijke richtsnoer vormen, aldus het Commissie-lid.
Andere soorten vertrouwelijke informatie die niet aan de definitie van voorwetenschap in artikel 1, in punt 1, van Richtlijn 2003/6/EG voldoen, komen in deze richtlijn noch in andere Europese wetgeving aan de orde. Ook bestaan er geen Europese voorschriften voor andere bedrijven dan emittenten of personen die namens of voor rekening van een emittent optreden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/213 |
(2004/C 88 E/0220)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0773/04
van Maurizio Turco (Nl) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid in België
Gezien
|
— |
artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden; |
|
— |
de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de EU; |
|
— |
artikel 6 van het EU-Verdrag; |
|
— |
het internationaal rapport van 2003 over de godsdienstvrijheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten; |
Overwegende dat
|
— |
in België buitenlandse docenten van de groepering Vergaderingen van God (Assemblies of God — AOG) in het verleden een speciaal visum voor missionarissen kregen waardoor ze geen arbeidsvergunning nodig hadden; |
|
— |
zij nu, omdat de speciale visa voor missionarissen zijn afgeschaft, een arbeidsvergunning nodig hebben, maar dat niet wordt gespecificeerd welk soort arbeidsvergunning ze juist moeten hebben, waardoor de missionarissen niet weten welke vergunning ze moeten vragen, wat voor hen een administratieve hinderpaal is; |
|
— |
de kerk van de Heiligen der Laatste Dagen (Church of the Latter-day Saints) zich blijft inspannen om het probleem van de verkrijging van visa voor haar missionarissen op te lossen: |
Kan de Commissie bevestigen dat ze op de hoogte is van voormelde feiten?
Beschouwt de Commissie voormelde feiten als strijdig met de fundamentele rechten die in de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de EU worden gegarandeerd, en dat ze daarom afbreuk doen aan de inhoud van die rechten, die in artikel 52 van dat handvest uitdrukkelijk worden beschermd?
Meent de Commissie dat die feiten strijdig zijn met artikel 6 van het EU-Verdrag en dus ook met de door alle lidstaten gedeelde principes inzake de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele rechten?
Kan de Commissie meedelen hoe ze het Koninkrijk België wil doen afzien van die praktijken, die strijdig zijn met de godsdienstvrijheid?
Als de Commissie voormelde feiten niet uitdrukkelijk veroordeelt, op welke rechtsprincipes baseert ze dan haar houding?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(28 april 2004)
De Commissie is niet op de hoogte van de feiten die het geachte parlementslid onder de aandacht brengt.
Wat betreft de toekenning van een werkvergunning aan vertegenwoordigers van een geloofsgemeenschap die onderdaan zijn van een derde land, wil de Commissie erop wijzen dat er momenteel geen EG-regeling bestaat op grond waarvan deze onderdanen recht hebben op toegang en verblijf in verband met werk, en dat een dergelijke aangelegenheid onder de bevoegdheid van de lidstaten valt.
Bij eventuele schendingen van de grondrechten, met name de vrijheid van godsdienst, kan de Commissie overigens alleen ingrijpen als deze plaatsvinden binnen het kader van het EG-recht.
Ten slotte zij erop gewezen dat iemand die van mening is dat zijn grondrechten zijn geschonden, een procedure aanhangig kan maken bij het Europees Hof voor de rechten van de mens wanneer alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/214 |
(2004/C 88 E/0221)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0774/04
van Maurizio Turco (Nl) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid in Cyprus
Gezien
|
— |
artikel 6 van het EU-Verdrag; |
|
— |
de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de EU over de vrijheid van godsdienst en culturele en godsdienstige verscheidenheid; |
|
— |
het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950 (in het bijzonder artikel 9); |
|
— |
het internationaal rapport van 2003 over de godsdienstvrijheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten; |
|
— |
het verslag van de Commissie van 19 februari 2003 over de verzoeken om toetreding tot de EU van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije; |
|
— |
de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2004” van 29 oktober 2003 (1); |
|
— |
de politieke criteria van Kopenhagen, waarin naar het recht op godsdienstvrijheid wordt verwezen; |
Overwegende dat
|
— |
in Cyprus leden van de Getuigen van Jehova moeilijkheden hebben gemeld bij de verkrijging van de status van gewetensbezwaarde en van vrijstelling van dienstplicht in het Grieks-Cypriotische leger; |
|
— |
in het noorden van het eiland, op basis van de grondwet van 1960, de Vakf (islamitische instelling die de religieuze activiteiten van de Turks-Cyprioten regelt) de kosten van de activiteiten en de lonen van de islamitische religieuze leiders betaalt, vrijgesteld is van belastingen voor haar religieuze activiteiten en overheidssubsidies ontvangt; dat geen enkele andere religieuze organisatie van belastingen is vrijgesteld of subsidies ontvangt; |
|
— |
Turks-Cypriotische burgers melden dat de lange wachttijden aan de controleposten aan de grens tussen de twee delen van het eiland tot gevolg hebben dat slechts een beperkt aantal mensen de grens kan oversteken om tijdens de vakantie religieuze plaatsen te bezoeken. |
Aangezien Cyprus een van de landen is die op 1 mei 2004 tot de EU toetreden:
|
— |
Is de Commissie op de hoogte van alle voormelde feiten? Zo ja, hoe staat de Commissie daartegenover? |
|
— |
Aangezien godsdienstvrijheid en vrijheid van vereniging tot de prioritaire thema's van de Unie behoren, en onder verwijzing naar de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2004” van 29 oktober 2003, waarin ze verklaart dat aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het communautaire acquis die op de Unie en de lidstaten rusten, vanaf de eerste dag van de toetreding dient te worden voldaan, kan de Commissie meedelen of ze de autoriteiten van die twee landen zal laten weten wat haar voornemens op dat punt zijn? Op welke manier zal de Commissie die landen met andere woorden het acquis vanaf de eerste dag van de toetreding tot de EU doen naleven als tegelijkertijd rechten worden geschonden waarvan de eerbiediging een strikte voorwaarde voor toetreding is? |
|
— |
Overwegende dat in de politieke criteria in het verslag van de Commissie van 19 februari 2003 is opgenomen dat de kandidaat-landen moeten beschikken over stabiele instellingen die de democratie, de rechtstaat, de rechten van de mens, de eerbiediging van de minderheden en hun bescherming waarborgen, beschouwt de Commissie voormelde feiten dan niet als een hinderpaal voor de toetreding van die landen tot de EU en als strijdig met het communautaire acquis, en meent ze niet dat de landen waar de feiten zich hebben voorgedaan die criteria niet volledig vervullen? |
|
— |
Zal de Commissie alle beschikbare middelen aanwenden om die inbreuk op de vrijheid van godsdienst en eredienst aan te pakken? |
(1) COM(2003)645 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/215 |
(2004/C 88 E/0222)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0777/04
van Maurizio Turco (Nl) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid in Hongarije
Gezien
|
— |
artikel 6 van het EU-Verdrag; |
|
— |
de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de EU over de vrijheid van godsdienst en culturele en godsdienstige verscheidenheid; |
|
— |
het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950 (in het bijzonder artikel 9); |
|
— |
het internationaal rapport van 2003 over de godsdienstvrijheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten; |
|
— |
het verslag van de Commissie van 19 februari 2003 over de verzoeken om toetreding tot de EU van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije; |
|
— |
de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2004” van 29 oktober 2003 (1); |
|
— |
de politieke criteria van Kopenhagen, waarin naar het recht op godsdienstvrijheid wordt verwezen; |
Overwegende dat
|
— |
de regering van Hongarije heeft laten zien dat ze de meerderheids- of gevestigde godsdiensten gedurende langere tijd gunstiger wil behandelen dan de religieuze minderheidsgemeenschappen; |
|
— |
verschillende wetten en decreten van de regering uitdrukkelijk rechten en privilegies garanderen aan de historische godsdiensten, bijvoorbeeld het decreet over religieuze bijstand in het leger, die aan andere godsdienstige groeperingen niet worden gewaarborgd; |
|
— |
er berichten zijn dat de regering aan kleinere godsdiensten die zich onlangs in het land hebben gevestigd, de toestemming heeft geweigerd of ingetrokken om scholen te leiden, wat strijdig is met de wet; anderzijds heeft de regering de verzoeken om toestemming van de „historische godsdiensten” niet aan een soortgelijk onderzoek onderworpen; |
Aangezien Hongarije een van de landen is die op 1 mei 2004 tot de EU toetreden:
|
— |
Is de Commissie op de hoogte van alle voormelde feiten? Zo ja, hoe staat de Commissie daartegenover? |
|
— |
Aangezien godsdienstvrijheid en vrijheid van vereniging tot de prioritaire thema's van de Unie behoren, en onder verwijzing naar de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2004” van 29 oktober 2003, waarin ze verklaart dat aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het communautaire acquis die op de Unie en de lidstaten rusten, vanaf de eerste dag van de toetreding dient te worden voldaan, kan de Commissie meedelen of ze de autoriteiten van die twee landen zal laten weten wat haar voornemens op dat punt zijn? Op welke manier zal de Commissie die landen met andere woorden het acquis vanaf de eerste dag van de toetreding tot de EU doen naleven als tegelijkertijd rechten worden geschonden waarvan de eerbiediging een strikte voorwaarde voor toetreding is? |
|
— |
Overwegende dat in de politieke criteria in het verslag van de Commissie van 19 februari 2003 is opgenomen dat de kandidaat-landen moeten beschikken over stabiele instellingen die de democratie, de rechtstaat, de rechten van de mens, de eerbiediging van de minderheden en hun bescherming waarborgen, beschouwt de Commissie voormelde feiten dan niet als een hinderpaal voor de toetreding van die landen tot de EU en als strijdig met het communautaire acquis, en meent ze niet dat de landen waar de feiten zich hebben voorgedaan die criteria niet volledig vervullen? |
|
— |
Zal de Commissie alle beschikbare middelen aanwenden om die inbreuk op de vrijheid van godsdienst en eredienst aan te pakken? |
(1) COM(2003)645 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/216 |
(2004/C 88 E/0223)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0778/04
van Maurizio Turco (Nl) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid in Litouwen
Gezien
|
— |
artikel 6 van het EU-Verdrag; |
|
— |
de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de EU over de vrijheid van godsdienst en culturele en godsdienstige verscheidenheid; |
|
— |
het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950 (in het bijzonder de artikelen 9 en 14); |
|
— |
het verslag van de Commissie van 19 februari 2003 over de verzoeken om toetreding tot de EU van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije; |
|
— |
de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2004” van 29 oktober 2003 (1); |
|
— |
het internationaal rapport van 2003 over de godsdienstvrijheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten; |
|
— |
de politieke criteria van Kopenhagen, waarin naar het recht op godsdienstvrijheid wordt verwezen; |
Overwegende dat
|
— |
in Litouwen, in overeenstemming met de grondwet, het staats- en lokaalonderwijs en de onderwijsinstellingen niet-confessioneel zijn; |
|
— |
de vice-minister van Onderwijs in februari 2003 heeft erkend dat, als gevolg van een akkoord met de Heilige Stoel, de katholieke priesters het laatste woord hebben bij de indienstneming van docenten godsdienst in openbare scholen; |
Aangezien Litouwen een van de landen is die op 1 mei 2004 tot de EU toetreden:
|
— |
Is de Commissie op de hoogte van alle voormelde feiten? Zo ja, hoe staat de Commissie daartegenover? |
|
— |
Aangezien godsdienstvrijheid en vrijheid van vereniging tot de prioritaire thema's van de Unie behoren, en onder verwijzing naar de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2004” van 29 oktober 2003, waarin ze verklaart dat aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het communautaire acquis die op de Unie en de lidstaten rusten, vanaf de eerste dag van de toetreding dient te worden voldaan, kan de Commissie meedelen of ze de autoriteiten van die twee landen zal laten weten wat haar voornemens op dat punt zijn? Op welke manier zal de Commissie die landen met andere woorden het acquis vanaf de eerste dag van de toetreding tot de EU doen naleven als tegelijkertijd rechten worden geschonden waarvan de eerbiediging een strikte voorwaarde voor toetreding is? |
|
— |
Overwegende dat in de politieke criteria in het verslag van de Commissie van 19 februari 2003 is opgenomen dat de kandidaat-landen moeten beschikken over stabiele instellingen die de democratie, de rechtstaat, de rechten van de mens, de eerbiediging van de minderheden en hun bescherming waarborgen, beschouwt de Commissie voormelde feiten dan niet als een hinderpaal voor de toetreding van die landen tot de EU en als strijdig met het communautaire acquis, en meent ze niet dat de landen waar de feiten zich hebben voorgedaan die criteria niet volledig vervullen? |
|
— |
Zal de Commissie alle beschikbare middelen aanwenden om die inbreuk op de vrijheid van godsdienst en eredienst aan te pakken? |
(1) COM(2003)645 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/217 |
(2004/C 88 E/0224)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0779/04
van Maurizio Turco (Nl) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid in Polen
Gezien
|
— |
artikel 6 van het EU-Verdrag; |
|
— |
de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de EU over de vrijheid van godsdienst en culturele en godsdienstige verscheidenheid; |
|
— |
het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950 (in het bijzonder artikel 9); |
|
— |
het internationaal rapport van 2003 over de godsdienstvrijheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten; |
|
— |
het verslag van de Commissie van 19 februari 2003 over de verzoeken om toetreding tot de EU van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije; |
|
— |
de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2004” van 29 oktober 2003 (1); |
|
— |
de politieke criteria van Kopenhagen, waarin naar het recht op godsdienstvrijheid wordt verwezen; |
Overwegende dat
|
— |
in Polen orthodoxe religieuzen discriminatie van hun gemeenschap hebben gemeld; |
|
— |
er berichten zijn over onvoldoende middelen voor culturele activiteiten in verband met de orthodoxe kerk; |
|
— |
er ontslagen zijn geweest waarvan de orthodoxen het eerste slachtoffer waren en in de lokale pers de mening werd uitgesproken dat het katholicisme onontbeerlijk is voor het echte burgerschap; |
Aangezien Polen een van de landen is die op 1 mei 2004 tot de EU toetreden:
|
— |
Is de Commissie op de hoogte van alle voormelde feiten? Zo ja, hoe staat de Commissie daartegenover? |
|
— |
Aangezien godsdienstvrijheid en vrijheid van vereniging tot de prioritaire thema's van de Unie behoren, en onder verwijzing naar de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Wetgevings- en werkprogramma van de Commissie voor 2004” van 29 oktober 2003, waarin ze verklaart dat aan de wettelijke verplichtingen ten aanzien van het communautaire acquis die op de Unie en de lidstaten rusten, vanaf de eerste dag van de toetreding dient te worden voldaan, kan de Commissie meedelen of ze de autoriteiten van die twee landen zal laten weten wat haar voornemens op dat punt zijn? Op welke manier zal de Commissie die landen met andere woorden het acquis vanaf de eerste dag van de toetreding tot de EU doen naleven als tegelijkertijd rechten worden geschonden waarvan de eerbiediging een strikte voorwaarde voor toetreding is? |
|
— |
Overwegende dat in de politieke criteria in het verslag van de Commissie van 19 februari 2003 is opgenomen dat de kandidaat-landen moeten beschikken over stabiele instellingen die de democratie, de rechtstaat, de rechten van de mens, de eerbiediging van de minderheden en hun bescherming waarborgen, beschouwt de Commissie voormelde feiten dan niet als een hinderpaal voor de toetreding van die landen tot de EU en als strijdig met het communautaire acquis, en meent ze niet dat de landen waar de feiten zich hebben voorgedaan die criteria niet volledig vervullen? |
|
— |
Zal de Commissie alle beschikbare middelen aanwenden om die inbreuk op de vrijheid van godsdienst en eredienst aan te pakken? |
Gecombineerd Antwoord
van de heer Verheugen namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-0774/04, E-0777/04, E-0778/04 en E-0779/04
(30 april 2004)
De Commissie hecht veel belang aan de kwesties die het geachte parlementslid in deze vier vragen over de schending van de godsdienstvrijheid in nieuwe lidstaten aan de orde heeft gesteld.
Godsdienstvrijheid is één van de politieke criteria die de Europese Raad van Kopenhagen in 1993 heeft vastgesteld waaraan landen, om lid te worden van de Europese Unie, moeten voldoen. Sedert 1997 heeft de Commissie elk jaar periodiek verslagen uitgebracht over toetredingsverzoeken en heeft zij daarin melding heeft gemaakt van de vorderingen van de kandidaat-lidstaten om aan de criteria van Kopenhagen, waaronder godsdienstvrijheid, te voldoen. In deze verslagen werd bevestigd dat de landen aan de politieke criteria van Kopenhagen bleven voldoen, hoewel op sommige gebieden nog meer inspanningen noodzakelijk waren.
Tegen deze achtergrond werden de toetredingsonderhandelingen met de tien kandidaat-lidstaten in december 2002 afgerond. Na goedkeuring door het Parlement werd het Toetredingsverdrag in april 2003 ondertekend en sedertdien door alle landen geratificeerd.
Er wordt met name op gewezen dat alle toetredende landen volgens het Toetredingsverdrag per 1 mei 2004 Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 ten uitvoer moeten leggen. Bij deze richtlijn werd een algemeen kader voor de gelijke behandeling in arbeid en beroep (2) ingesteld en is discriminatie, onder meer op grond van godsdienst of overtuiging, op het gebied van arbeid en beroepsopleiding verboden.
De Commissie herinnert het geachte parlementslid eraan dat de Gemeenschap geen bevoegdheid heeft en dat de Gemeenschapswetgeving ook geen specifieke bepalingen bevat inzake de behandeling van religieuze gemeenschappen, hetgeen in overeenstemming is met de 11e Verklaring van het Verdrag van Amsterdam. Ten gevolge hiervan behouden de regeringen van de EU-landen een discretionaire bevoegdheid inzake kwesties zoals de erkenning, de registratie en de openbare financiering van religieuze gemeenschappen, mits de grondrechten als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht (artikel 6, lid 2 VEU), die op iedere actie van een lidstaat in de werkingssfeer van het Gemeenschapsrecht van toepassing zijn, worden geëerbiedigd. Indien wordt vermoed dat deze rechten worden geschonden, zal de Commissie gebruik maken van alle haar ter beschikking staande middelen om aan deze schending een einde te maken.
Bij de door het geachte parlementslid aangehaalde punten in verband met bepaalde nieuwe lidstaten merkt de Commissie het volgende op:
|
— |
Polen: de Commissie neemt nota van de opmerkingen in verband met de behandeling van de Poolse Orthodoxe kerk. Gevallen van individuele of collectieve discriminatie mogen de Commissie na de toetreding worden voorgelegd en zullen worden getoetst aan de bovenvermelde wettelijke voorschriften en beginselen. |
|
— |
Litouwen: de Commissie is op de hoogte van de overeenkomst tussen Litouwen en de Heilige Stoel over samenwerking op het gebied van onderwijs en cultuur. Deze overeenkomst die op 5 mei 2000 werd ondertekend is een wettelijk bindende internationale overeenkomst. Volgens deze overeenkomst worden studenten die voor katholieke godsdienstlessen hebben gekozen door leraren in die godsdienst onderricht. De kwalificatie van leraar katholieke godsdienst wordt verworven volgens een bij de Litouwse wetgeving vastgestelde procedure waarbij rekening werd gehouden met de normen van de Conferentie van Litouwse Bisschoppen. Katholieke godsdienstleraren dienen over een verklaring van geschiktheid om de katholieke godsdienst te onderwijzen (missio canonica) te beschikken die door de plaatselijke bisschop is afgegeven. Deze eis is enkel van toepassing op katholieke godsdienstleraren en is derhalve zonder belang voor het godsdienstonderwijs in het algemeen aan studenten van andere kerkgenootschappen. De Commissie is daarom van oordeel dat de vrijheid van godsdienst en eredienst in Litouwen volledig in acht wordt genomen en zij is niet voornemens op dit gebied maatregelen te nemen. |
|
— |
Hongarije: In de grondwet is bepaald dat Hongarije op godsdienstgebied neutraal is: kerk en staat zijn gescheiden. Hongaarse onderdanen kunnen hun geloof vrij belijden. Ieder kerkgenootschap kan officieel geregistreerd worden, mits het de handtekeningen van minstens 100 gelovigen kan verzamelen. De registratierechtbank oefent geen controle uit of stelt geen eisen; zij verlangt van het kerkgenootschap alleen een verklaring dat het de Hongaarse grondwet eerbiedigt. De Hongaarse overheid staat kerken financiële voordelen toe op basis van hun omvang en hun openbare dienstverlening. De vier grootste kerkgenootschappen in 2001 waren de katholieke, de Lutherse en de Calvinistische kerk en de Joodse gemeenschap. De wet volgens welke deze vier kerkgenootschappen „historische kerkgenootschappen” zijn is het decreet inzake de kerkdiensten van legerpredikanten van 1994 (61/1994). Dit decreet waarborgt voor alle soldaten het recht op religieuze diensten van het geregistreerde kerkgenootschap van hun keuze. Het Constitutionele Hof besliste dat dit decreet geen schending van de godsdienstvrijheid inhoudt (vonnis 970/B/1994). Volgens de Wet op het Openbaar Onderwijs (79/1993) hebben alle geregistreerde Hongaarse kerken het recht om scholen te openen. De Hongaarse autoriteiten hebben niet het recht de toelating te weigeren indien de school aan de algemene wettelijke criteria voldoet (onderwijs, gezondheidszorg, veiligheid, …). |
|
— |
Cyprus: De Commissie is er niet van op de hoogte dat leden van Jehovah's getuigen moeilijkheden ondervinden om als gewetensbezwaarde erkend te worden. De Commissie heeft hierover geen klachten ontvangen. In verband met de situatie in het noordelijk deel van het eiland en aan de controleposten wordt erop gewezen dat de regering van de Republiek Cyprus in deze gebieden het gezag niet feitelijk uitoefent. Volgens artikel 1, lid 1 van Protocol nr. 10 van de Toetredingsakte van 2003 wordt de toepassing van het acquis in deze gebieden opgeschort in afwachting van een regeling. De Commissie kan niet bevestigen dat de grondwet van 1960 bijzondere bepalingen over de Vakf bevat. In verband met de traagheid van de procedures aan de controleposten wordt erop gewezen dat de demarcatielijn slechts bij vier controleposten kan worden overgestoken. Meteen na de openstelling voor particuliere personen, toen talrijke personen naar de overkant wilden, waren er lange wachttijden, met name op feestdagen en in de weekends. De Commissie ziet geen enkel verband met vrijheid van godsdienst of onwil van de respectieve autoriteiten. Ondertussen zijn er nauwelijks lange wachttijden meer om de demarcatielijn over te steken. |
(1) COM(2003)645 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/220 |
(2004/C 88 E/0225)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0784/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Gezinshereniging
Kan de Commissie mededelen of zij de gevolgen controleert van het recente besluit van de Ierse regering inzake het afschaffen van het automatische recht op gezinshereniging aan ouders van minderjarige Ierse of EU burgers die proberen om zich in Ierland bij andere familieleden te voegen?
Heeft de Commissie contact opgenomen met de Ierse regering betreffende de noodzaak om een coherent systeem in te voeren voor de aanvragen voor gezinshereniging door ouders van Ierse/EU burgers en onderdanen van derde landen die geen vluchteling zijn en legaal in Ierland verblijven? Is de Commissie ook van mening dat het een gebrek aan respect voor de internationale bepalingen inzake mensenrechten inhoudt als onderdanen van derde landen, die legaal in de EU verblijven, zich niet mogen herenigen met hun families?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(22 april 2004)
De vraag van het geachte parlementslid is gericht op gezinshereniging van onderdanen van derde landen die in Ierland verblijven, EU-burgers en eigen onderdanen.
Met de recente richtlijn inzake het recht op gezinshereniging die op 22 september 2003 is vastgesteld, wordt de gezinshereniging van onderdanen van derde landen geregeld en worden gemeenschappelijke regels vastgelegd inzake de toelating van gezinsleden. Deze richtlijn moet vóór eind 2005 worden omgezet in alle lidstaten, met uitzondering van Denemarken, Ierland en Groot-Brittannië, die op grond van hun respectieve protocollen niet deelnemen aan het gemeenschappelijke immigratiebeleid.
Ten aanzien van onderdanen van derde landen die gezinsleden zijn van EU-burgers, bepaalt het afgeleide Gemeenschapsrecht dat zij zich mogen voegen bij de burger van de Unie, indien deze of een werknemer is of over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland en deze bovendien over een verzekering beschikt die de ziektekosten volledig dekt. Enkel ten laste komende bloedverwanten van een EU-burger mogen zich bij hem voegen: hierbij kan worden verondersteld dat ouders gewoonlijk niet ten laste komen van hun minderjarige kinderen.
In zijn arrest van 17 september 2002 in de zaak C-413/99, Baumbast, R, bevestigt het Hof van Justitie echter het in zijn arrest van 11 juli 2002 in de zaak C-60/00, Carpenter, vastgelegde beginsel dat de bepalingen van het Gemeenschapsrecht inzake het vrije verkeer van personen moeten worden uitgelegd met inachtneming van het in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) genoemde recht op eerbiediging van het gezinsleven. Deze eerbiediging maakt deel uit van de door het Gemeenschapsrecht erkende grondrechten.
Op basis van dit principe oordeelt het Hof van Justitie dat wanneer kinderen overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 (1) een verblijfsrecht in een gastland genieten teneinde aldaar algemeen onderwijs te volgen, dit artikel, om het niet elk nuttig effect te ontnemen, aldus moet worden uitgelegd dat het de ouder die deze kinderen daadwerkelijk verzorgt, ongeacht zijn nationaliteit, toestaat bij hen te verblijven om de uitoefening van dat recht te vergemakkelijken, ondanks het feit dat de ouders inmiddels gescheiden zijn of dat de ouder die de hoedanigheid van burger van de Europese Unie bezit, niet langer migrerende werknemer is in het gastland.
Volgens deze rechtspraak heeft de ouder die de kinderen verzorgt, ongeacht zijn nationaliteit en zelfs indien hij geen economische activiteit in het gastland verricht, een verblijfsrecht zonder dat hij kan worden verplicht het bewijs te leveren dat hij over toereikende bestaansmiddelen en een ziektekostenverzekering beschikt, aangezien zijn verblijfsrecht gegrond is op artikel 12 van Verordening nr. 1612/68, dat zulke voorwaarden niet oplegt.
Een ander geval inzake het verblijfsrecht dat ouders kunnen ontlenen aan de situatie van hun kinderen, wordt onderzocht door het Hof van Justitie (zaak C-200/02 Chen). Het geval betreft het verblijfsrecht van de Chinese moeder van een Ierse baby. De Chinese moeder is in Ierland bevallen van een kind dat de Ierse nationaliteit heeft gekregen. Nadat de moeder zich naar het Verenigd Koninkrijk heeft begeven, heeft zich op het Gemeenschapsrecht beroepen voor de toekenning van een verblijfsrecht in deze lidstaat. Het Hof van Justitie moet zich uitspreken over de vraag of het minderjarige kind recht heeft op verblijf in het Verenigd Koninkrijk op basis van het Gemeenschapsrecht en of de moeder recht heeft op een verblijfsrecht voor het Verenigd Koninkrijk dankzij haar kind, ook al komt zij niet ten laste van het kind.
Ten slotte wordt de toelating van buitenlandse gezinsleden van eigen onderdanen die hun recht op vrij verkeer van personen niet hebben uitgeoefend, geregeld volgens het nationale recht van iedere lidstaat en valt deze toelating momenteel niet onder de wetgeving van de Europese Gemeenschap.
(1) Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap, PB L 257 van 19.10.1968.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/221 |
(2004/C 88 E/0226)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0789/04
van Cristiana Muscardini (UEN), Sergio Berlato (UEN), Roberta Angelilli (UEN), Roberto Bigliardo (UEN), Antonio Mussa (UEN), Sebastiano Musumeci (UEN), Mauro Nobilia (UEN), Adriana Poli Bortone (UEN) en Franz Turchi (UEN) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Internationale wijnpiraterij — Wijziging van verordening (EG) nr. 753/2002
Op 10 februari 2004 heeft het beheercomité voor wijn met de vereiste meerderheid de stemming van 27 januari 2004 bevestigd waarin een voorstel tot wijziging van verordening (EG) nr. 753/2002 (1) werd goedgekeurd, meer in het bijzonder het hoofdstuk betreffende de omschrijving, de aanduiding, de aanbiedingsvorm en de bescherming van bepaalde producten. Dit voorstel is onlangs goedgekeurd door de Europese Commissie en bekendgemaakt (2). De nieuwe regeling wordt van kracht op 15 maart 2004.
Verordening (EG) nr. 316/2004 (3) van de Commissie tot wijziging van verordening (EG) nr. 753/2002 liberaliseert onder meer het internationale gebruik van 17 traditionele benamingen van Italiaanse wijnen, die dus vanaf 15 maart 2004 gebruikt kunnen worden voor wijnen van buiten de Gemeenschap, mits zij voldoen aan bepaalde criteria, bijvoorbeeld dat aangetoond kan worden dat deze benaming al in het verleden is gebruikt.
Het is dan echter niet meer nodig dat de benaming wordt erkend of beschermd in een nationale wettelijke regeling zoals voorheen wel vereist was. Het gevolg zal zijn dat wijnen die niet in Italië zijn geproduceerd gemakkelijker op de wereldmarkt afgezet kunnen worden onder een traditionele Italiaanse naam.
Is de Commissie het er in dit verband mee eens dat:
|
— |
de nieuwe regeling die wordt voorgesteld strijdig is met de Europese wetgeving betreffende etikettering en consumentenbescherming; |
|
— |
het etiket van de fles verplicht informatie moet bevatten over de kenmerken, de ouderdom, de kwaliteit en de kleur die met een bepaalde productiemethode zijn verkregen in een gebied dat nauw verbonden is met de geschiedenis en de cultuur van de betreffende wijn; |
|
— |
de wijzigingen die verordening (EG) nr. 316/2004 aanbrengt in verordening (EG) nr. 753/2002 een beletsel vormen voor de bestrijding van agropiraterij, een wezenlijk onderdeel van de WTO-onderhandelingen dat ten doel heeft een eerlijke handel te verzekeren en traditionele producten te beschermen tegen internationale namaak, wat de lokale ontwikkeling van alle landen ten goede zou komen; |
|
— |
strikte regelgeving ter bescherming van typische levensmiddelen die worden bedreigd door imitaties een keuze betekent voor een doorzichtige markt en bescherming van de consument en voor Europa bovendien gevolgen heeft voor de economie en de werkgelegenheid; |
|
— |
de nieuwe regeling die wordt voorgesteld kortom de weg effent voor de internationale wijnpiraterij? |
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(28 april 2004)
Naar aanleiding van de melding van Verordening (EG) nr. 753/2002 (4) bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO) hebben verschillende derde landen hun opmerkingen en bedenkingen kenbaar gemaakt aan de WTO. De exclusieve bescherming van bepaalde traditionele benamingen (deel B) werd door derde landen beschouwd als een nieuw recht van intellectuele eigendom dat door de Europese Unie werd ingevoerd in het kader van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS), naast de bescherming van geografische aanduidingen.
De Commissie heeft Verordening (EG) nr. 316/2004 (5) tot wijziging van Verordening 753/2002/EG aangenomen, waarin nieuwe voorschriften inzake de etikettering van wijn zijn vastgesteld, om tegemoet te komen aan specifieke punten die door bepaalde derde landen naar aanleiding van het overleg in Genève (WTO) zijn aangevoerd.
De door de Commissie vastgestelde wijzigingen van Verordening (EG) nr. 753/2002 zijn niet strijdig met de Europese regelgeving betreffende de etikettering van wijn. In dit verband kan erop worden gewezen dat Verordening (EG) nr. 1493/1999 (6) geen enkele verwijzing naar de twee categorieën van traditionele benamingen bevat (deel A en deel B), dit in tegenstelling tot Verordening (EG) nr. 753/2002.
Deze wijzigingen zijn er niet op gericht het gebruik van de traditionele benamingen uit deel B van bijlage III van de Verordening (EG) nr. 753/2002 op internationaal niveau te liberaliseren, maar hebben enkel ten doel voorwaarden vast te stellen die gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden die in de voorafgaande periode van kracht waren voor het gebruik van de traditionele benamingen uit deel A van dezelfde bijlage.
Tot deze voorwaarden behoren, op grond van artikel 1, punt 10, van Verordening (EG) nr. 316/2004 houdende wijziging van artikel 37, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 753/2002:
|
1. |
het derde land moet een met redenen omkleed verzoek indienen bij de Commissie en bewijzen overhandigen die de erkenning van de traditionele benaming wettigen; |
|
2. |
de taal van de traditionele benaming moet de officiële taal zijn van het derde land dat het verzoek en de aanduiding heeft geformuleerd, en moet gedurende een periode van minimaal tien jaar zijn gebruikt; |
|
3. |
als de taal van de traditionele benaming niet de officiële taal van het derde land is, moet het gebruik ervan in de wetgeving van het desbetreffende land zijn vastgelegd en moet de traditionele benaming in dit geval in deze taal ten minste 25 jaar onafgebroken zijn gebruikt; |
|
4. |
daarnaast moet aan andere criteria, zoals „specificiteit” en „onderscheidend karakter” van de aanduiding, alsook het uitsluiten van de mogelijkheid tot misleiding van de consument, waarin dezelfde verordening voorziet, worden voldaan. |
Met betrekking tot benamingen die de categorie, de kleur of de productiemethode van het product aangeven, moet worden benadrukt dat dit facultatieve aanduidingen zijn, zowel voor de lidstaten als voor de derde landen, die op het etiket mogen worden vermeld voor zover de voorwaarden voor gebruik in overeenstemming zijn met de voorschriften die van toepassing zijn op wijnproducenten, inclusief de voorschriften die worden vereist door representatieve beroepsorganisaties.
In het licht van al deze overwegingen is de Commissie van mening dat de wijziging van Verordening (EG) nr. 753/2002 in overeenstemming is met de bepalingen met betrekking tot de bescherming van de consument en dat internationale namaak en imitaties daardoor niet worden gestimuleerd.
(1) PB L 118 van 4.5.2002, blz. 1.
(3) PB L 55 van 24.2.2004, blz. 16.
(4) Verordening (EG) nr. 753/2002 van de Commissie van 29 april 2002 met de vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad wat betreft de omschrijving, de aanduiding, de aanbiedingsvorm en de bescherming van bepaalde wijnbouwproducten, PB L 118 van 4.5.2002.
(5) Verordening (EG) nr. 316/2004 van de Commissie van 20 februari 2004, PB L 55 van 24.2.2004.
(6) Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, PB L 179 van 14.7.1999.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/223 |
(2004/C 88 E/0227)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0790/04
van Roberto Bigliardo (UEN) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Aanwezigheid van dioxine in de gemeente Acerra (provincie Napels)
In maart 2003 bleek uit analyses dat de melk van schapen die men had laten grazen op diverse plaatsen in Acerra, een dichtbevolkte gemeente in de provincie Napels, een zorgwekkend hoog gehalte aan dioxine bevatte, te weten 12 picogram terwijl door de wet 3 picogram is toegestaan.
Hoewel deze pas in oktober 2003 gepubliceerde cijfers alarmerend zijn en wijzen op een ernstige aantasting van het milieu, is de regio Campanië, die verantwoordelijk is voor de controles en eventuele maatregelen, niet ingegaan op verzoeken van het gemeentebestuur van Acerra om werk te de vereiste bodemsanering uit te voeren.
Ook de ter plaatse bevoegde geneeskundige en gezondheidsdienst heeft geen enkele maatregel genomen.
Er is dus sprake van een uiterst gevaarlijke situatie voor de gezondheid van de rond 50 000 inwoners van het stadje. Uit de laatste analyses van het Mario Negri Instituut in Milaan blijkt de melk van dezelfde schapen nu de onvoorstelbare hoeveelheid van 50 pgTe/g dioxine te bevatten.
Dergelijke gevaarlijke dioxineconcentraties zijn ter plaatse nog nooit gemeten en zijn het gevolg van ernstige vervuiling door dioxine, die op 31 oktober 2003 aan het licht is gekomen toen plaatselijke politici van de Alleanza Nazionale een klacht indienden bij de officier van justitie in Nola.
Ik heb de voorzitter van de Commissie verzoekschriften al een verzoek doen toekomen om een studie te verrichten naar de milieusituatie in de gemeente Acerra. Kan de Commissie de regio Campanië in aansluiting daarop verzoeken om maatregelen te nemen om het milieu en het leven van de tienduizenden mensen die in dit gebied wonen te beschermen?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie is op 26 maart 2003 over dit geval van verontreiniging geïnformeerd, en de informatie is op 28 maart 2003 via het snelle waarschuwingssysteem voor voeder en voedsel naar de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten verspreid. De verontreiniging is gedetecteerd door genomen monsters van schapenmelk te analyseren tijdens de toepassing van het controleplan, waarin is voorzien bij Richtlijn 96/23/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake controlemaatregelen ten aanzien van bepaalde stoffen en residuen daarvan in levende dieren en in producten daarvan (1). De gevonden gehalten lagen aanzienlijk hoger dan de maximale niveaus voor dioxinen zoals die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 466/2001 van de Commissie van 8 maart 2001 tot vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (2), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2375/2001 van de Commissie van 29 november 2001 (3).
In overeenstemming met Aanbeveling 2002/201/EG van de Commissie van 4 maart 2002 inzake de reductie van de aanwezigheid van dioxinen, furanen en PCB's in diervoeder en levensmiddelen (4) zijn er onderzoeken opgezet om de bron van de verontreiniging vast te stellen en maatregelen te nemen teneinde de bron van de verontreiniging te reduceren of te elimineren. De onderzoeken toonden aan dat een van de oorzaken van de verontreiniging de ongecontroleerde verbranding van materialen zou kunnen zijn die op het platteland waren gedumpt.
Op grond van de informatie die door de Italiaanse autoriteiten werd verstrekt, beperkte de verontreiniging zich tot delen van de provincie Caserta en aangrenzende gemeenten in het noordelijke deel van Napels. De getroffen gebieden zijn afgebakend. Er is geen commercieel diervoeder gevonden met dioxinegehalten die hoger zijn dan de maximumgehalten zoals vastgesteld bij Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake ongewenste stoffen in diervoeding (5), zoals gewijzigd bij Richtlijn 2003/57/EG van de Commissie van 17 juni 2003 (6).
De Italiaanse autoriteiten hebben de volgende garanties gegeven:
|
— |
de bron in kwestie wordt geëlimineerd/verwijderd en er wordt verder onderzoek verricht om andere mogelijke bronnen vast te stellen en de verontreinigde gebieden te saneren, |
|
— |
de mogelijke bronnen van verontreiniging worden geëlimineerd, |
|
— |
het milieu, de boerderijen, het gebruikte diervoeder en de producten in de getroffen gebieden worden continu gecontroleerd, |
|
— |
verontreinigde producten worden van de markt gehaald en onder gecontroleerde omstandigheden vernietigd. |
Indien alle bovenstaande maatregelen strikt worden toegepast, is de Commissie van mening dat met deze garanties de maatregelen voldoende zijn om de volksgezondheid en het milieu te beschermen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/224 |
(2004/C 88 E/0228)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0794/04
van Paul Rübig (PPE-DE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Verordening (EG) nr. 141/2000 — geneesmiddelen voor zeldzame aandoeningen — weesgeneesmiddelen
Kan de Commissie in verband met verordening (EG) nr. 141/2000 (1) inzake weesgeneesmiddelen de volgende vragen beantwoorden:
|
1. |
Kan een geneesmiddel aangemerkt blijven worden als weesgeneesmiddel, wanneer na de aanwijzing van het geneesmiddel en voor afgifte van een algemene vergunning voor dit geneesmiddel andere geneesmiddelen, ten dele met een verschil en ten dele met hetzelfde werkzame bestanddeel voor dezelfde indicatie in verschillende lidstaten op nationaal niveau zijn toegelaten? |
|
2. |
Kan een geneesmiddel ook in de toekomst de aanwijzing als weesgeneesmiddel behouden, wanneer het Comité voor farmaceutische specialiteiten (CPMP) slechts een „second line”-indicatie heeft aangevraagd en het middel van de eerste keuze niet in alle lidstaten is toegelaten? |
|
3. |
Zijn een „second line”-indicatie ten gunste van een investerend bedrijf in de aanwijzing van dezelfde werkzame stof als weesgeneesmiddel met een „first line”-indicatie ten gunste van een andere investeerder met elkaar in strijd? |
|
4. |
Kan een investerend bedrijf de aanwijzing van een werkzame stof als weesgeneesmiddel aanvragen, wanneer voor een identiek geneesmiddel een ander farmaceutisch bedrijf reeds een nationale vergunning heeft gekregen? |
|
5. |
Kan een werkzaam bestanddeel als weesgeneesmiddel voor een bepaalde indicatie worden aangewezen, hoewel artsen dit geneesmiddel bij deze indicatie reeds zonder toelating gebruiken en het investerend bedrijf hierdoor grote winsten maakt? Kan een geneesmiddel als weesgeneesmiddel worden aangewezen, hoewel met dit geneesmiddel bij een andere incidatie grote winsten gemaakt worden die ook voor de financiering van de ontwikkeling van een zeldzame indicatie worden gebruikt? Is in deze gevallen voldaan aan het bepaalde van artikel 3, lid 1, letter a) van verordening nr. 141/2000? |
Antwoord van dhr. Liikanen namens de Commissie
(20 april 2004)
De genoemde kwesties zijn besproken in de Mededeling van de Commissie van juli 2003 (2). Na de eerste drie jaren van toepassing van de verordening en in antwoord op een aantal verzoeken om uitleg en verduidelijking wilde de Commissie haar standpunt uiteenzetten met betrekking tot bepaalde kwesties in verband met de tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake aanwijzing en marktexclusiviteit. Deze uitleg was bedoeld als richtsnoer voor het Europees Bureau voor geneesmiddelenbeoordeling (EMEA), de lidstaten, de farmaceutische industrie en andere belanghebbenden. Een aantal toelichtingen heeft verder tot doel te voorkomen dat van de geest van de verordening wordt afgeweken. De mededeling behandelt daarom een aantal punten in verband met de artikelen 3 (aanwijzingscriteria), 5 (aanwijzings- en schrappingsprocedure) en 7 (communautaire vergunning voor het in de handel brengen) van Verordening (EG) nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen.
|
1. |
Een geneesmiddel kan ook verder als weesgeneesmiddel aangewezen worden wanneer „ … na de aanwijzing van het geneesmiddel en vóór afgifte van een algemene vergunning voor dit geneesmiddel andere geneesmiddelen, met ten dele verschillende en ten dele dezelfde werkzame bestanddelen, voor dezelfde indicatie in verschillende lidstaten op nationaal niveau zijn toegelaten.” Echter, artikel 5, lid 12, bepaalt dat: „Een aangewezen weesgeneesmiddel wordt geschrapt uit het Communautair register van weesgeneesmiddelen: a) op verzoek van de initiatiefnemer, b) wanneer vóór het verlenen van de vergunning voor het op de markt brengen van het geneesmiddel wordt vastgesteld dat voor dat geneesmiddel niet langer aan de in artikel 3 genoemde criteria wordt voldaan, c) aan het einde van de periode van exclusiviteit op de markt als bedoeld in artikel 8.” Sectie B.2.3 van bovengenoemde mededeling van de Commissie van juli 2003 verklaart met betrekking tot artikel 5, lid 12, onder b): „Volgens de interpretatie van de Commissie betekent dat dat de criteria voor de aanwijzing als weesgeneesmiddel moeten worden geëvalueerd voordat een vergunning voor het in de handel brengen wordt verleend.” |
|
2. |
De tweede vraag impliceert dat aanwijzing als weesgeneesmiddel gebaseerd was op „aanzienlijke baat”. De beoordeling daarvan is een taak van het Comité voor weesgeneesmiddelen (Committee on Orphan Medicinal Products, COMP). Sectie Α.4, vijfde alinea, van de genoemde mededeling van de Commissie luidt: „Wat de mogelijke beschikbaarheid van het geneesmiddel voor de bevolking van de Gemeenschap betreft, kunnen patiënten aanzienlijk baat hebben bij een in alle lidstaten toegelaten en beschikbaar geneesmiddel in vergelijking met een soortgelijk product dat slechts in een beperkt aantal lidstaten is toegelaten.” |
|
3. |
Eenzelfde werkzame stof kan meer dan eens worden aangewezen voor dezelfde of overlappende therapeutische indicaties. |
|
4. |
Een initiatiefnemer kan aanwijzing als weesgeneesmiddel aanvragen in de in deze vraag bedoelde situatie. Het COMP zou echter moeten beoordelen of degenen die aan de betreffende aandoening lijden aanzienlijk baat zullen hebben bij het geneesmiddel. Ook sectie A.4, vijfde alinea, van de mededeling van de Commissie is relevant in dit verband. |
|
5. |
De doelstelling van Verordening (EG) nr. 141/2000 is aangegeven in artikel 1: „Het doel van deze verordening is een communautaire procedure vast te stellen voor de aanwijzing van geneesmiddelen als weesgeneesmiddelen en te voorzien in stimulerende maatregelen, ter bevordering van het onderzoek naar en de ontwikkeling en het in de handel brengen van als zodanig aangewezen weesgeneesmiddelen.” Voorts wordt in de eerste overweging van de verordening verklaard: „Sommige aandoeningen komen zo zelden voor dat de kosten voor de ontwikkeling en het in de handel brengen van een geneesmiddel voor diagnose, preventie of behandeling van een dergelijke aandoening niet zouden worden gedekt door de verwachte verkoop van het geneesmiddel; de farmaceutische industrie zou niet bereid zijn het geneesmiddel te ontwikkelen onder normale marktvoorwaarden; dergelijke geneesmiddelen worden” weesgeneesmiddelen „genoemd.” Aan de criteria van artikel 3, lid 1, onder a), ter beoordeling van het COMP, zou voldaan kunnen worden zelfs als een iniatiefnemer winst had gemaakt in een situatie als bedoeld in deze vraag, d.w.z. indien winst was gemaakt door gebruik zonder toelating van het geneesmiddel bij de aandoening waarvoor een vergunning wordt gevraagd, of door gebruik van het geneesmiddel voor een andere aandoening. Artikel 1 van de verordening is duidelijk: stimulerende maatregelen worden genomen ter bevordering van het onderzoek naar en de ontwikkeling en het in de handel brengen van geneesmiddelen. |
(1) PB L 18 van 22.1.2000, blz. 1.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/226 |
(2004/C 88 E/0229)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0795/04
van Patricia McKenna (Verts/ALE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: De modderstroom in Derrybrien door het windenergiepark
Na het antwoord van de Commissie op mijn vraag P-3350/03 (1), bevestigden de verslagen in opdracht van dochteronderneming van ESB, Hibernian Wind Power Ltd, en het bestuur van Galway die juist gepubliceerd zijn, dat het project voor de aanleg van het windenergiepark de oorzaak is van de grote modderstroom en verscheidene kleinere die zich al eerder hebben voorgedaan. De verslagen duiden tal van plaatsen in het gebied aan die ook een risico vormen, ze wijzen daarbij in het bijzonder op het feit dat een aardverschuiving boven het dorp niet uitgesloten kan worden wegens het lage stabiliteitsniveau. De twee verslagen schenken echter weinig aandacht aan de gevolgen van de dynamische krachten voor de turflaag en het grootste deel van de veiligheidsanalyse lijkt enkel gebaseerd te zijn op statische belasting. De effecten van bewegingen van zware trucks en kranen alsook het gebruik van explosieven in het gebied worden dus eigenlijk genegeerd. Bovendien heeft de veiligheid die onderzocht werd meer betrekking op risico's op het bouwterrein zelf en niet op het omliggende gebied. Deze verslagen zijn verwijzingen naar elkaar en ze vertonen een opmerkelijke samenhang. Het is bekend dat de twee groepen van adviseurs die in dit geval samenwerkten, waardoor nog meer twijfel onstaat over hun echte onafhankelijkheid.
Kan de Commissie, als bijdrage aan waarborging van de toekomst van windenergie in Ierland, erop toezien dat het planningsproces dat vanaf het begin opgezet wordt, gebaseerd is op een correct en volledig milieueffectrapport dat betrekking heeft op het project in kwestie en kan ze ook eisen dat elk vervolg een nieuwe goedkeuring van het plan als voorwaarde stelt? Zal de Commissie de lokale bevolking, zoals deze verzocht heeft, steunen om een onafhankelijke studie over het project en zijn impact in te stellen met als hoofddoel te voorkomen dat er verdere milieuschade wordt aangericht en dat er gewonden of zelfs doden vallen, hetgeen ongetwijfeld zal gebeuren bij een aardverschuiving boven Derrybrien?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(27 april 2004)
De Commissie bevestigt dat zij in het kader van diverse klachten kopieën heeft ontvangen van de twee rapporten waarnaar het geachte parlementslid verwijst. Zij bevestigt tevens dat zij uitgebreide nadere documentatie heeft ontvangen betreffende de verschillende vergunningsprocedures die zijn doorlopen ten behoeve van het project voor de aanleg van het windenergiepark in Derrybrien. Zolang het onderzoek van deze stukken nog niet is afgerond zou het voorbarig zijn als de Commissie nu in detail ingaat op passende maatregelen in het vervolgtraject.
(1) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 528.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/226 |
(2004/C 88 E/0230)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0798/04
van Mihail Papayannakis (GUE/NGL) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Amfilochia en de overeenkomst van Ramsar
Volgens klachten van plaatselijke verenigingen zijn aan de toegangsweg naar de stad Amfilochia (departement Arta) bij besluit van de bosdienst van de stad 120 eeuwenoude eucalyptusbomen omgehakt. Kan de Commissie, overwegende dat dit gebied beschermd wordt door de overeenkomst van Ramsar, zeggen in hoeverre een dergelijke maatregel in overeenstemming is met de verplichtingen die krachtens deze overeenkomst op de Griekenland rusten?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(22 april 2004)
De Commissie wil het geachte parlementslid erop wijzen dat de overeenkomst van Ramsar geen specifieke bepalingen bevat betreffende een verbod op het kappen van oude bomen in gebieden die in de overeenkomst genoemd worden. In de overeenkomst, waarvan de volledige titel luidt „Overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als woongebied voor watervogels”, lag het accent oorspronkelijk op het behoud en verstandig gebruik van watergebieden met het oog op de instandhouding van de natuurlijke leefomgeving van watervogels. In de loop der jaren is de werkingssfeer van de overeenkomst evenwel uitgebreid, en inmiddels bestrijkt ze alle aspecten van behoud en verstandig gebruik en worden watergebieden erin aangemerkt als ecosystemen die van zeer groot belang zijn voor het behoud van de biodiversiteit in het algemeen en voor het welzijn van menselijke gemeenschappen. Krachtens de overeenkomst zijn de verdragsluitende partijen verplicht aspecten inzake het behoud van watergebieden in hun overwegingen te betrekken bij de opstelling van beleid op het gebied van ruimtelijke ordening. De verdragsluitende partijen hebben zich ertoe verbonden bij de uitwerking en implementatie van dit beleid het „verstandig gebruik van watergebieden op hun grondgebied” zoveel mogelijk te bevorderen (artikel 3, lid 1, van de overeenkomst). In de „Wise Use Guidelines” (richtsnoeren inzake verstandig gebruik) wordt gewezen op het nut en de waarde van watergebieden voor het beheersen van de processen van afzetting en erosie; het controleren van de waterloop; het behoud van de waterkwaliteit en de bestrijding van verontreiniging; de instandhouding van de voorraden grond- en oppervlaktewater; visserij-, weidecultuur- en landbouwactiviteiten; recreatieve en educatieve activiteiten buitenshuis voor de menselijke samenleving; en de stabiliteit van het klimaat.
De Commissie heeft begrepen dat de vergunningen voor het kappen van de eucalyptusbomen in de stad Amfilochia zijn afgegeven door het regionale kantoor van de dienst Bosbeheer, de bevoegde instantie voor het verstrekken van dit soort vergunningen. De Commissie gaat ervan uit dat de verantwoordelijke autoriteit onderzocht heeft welke status aan het betreffende gebied toegekend is en welke beheerplannen daarvoor bestaan alvorens over te gaan tot het afgeven van de vergunning, en dat de hiervoor geldende nationale wettelijke procedures gevolgd zijn.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/227 |
(2004/C 88 E/0231)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0800/04
van María Bergaz Conesa (GUE/NGL) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: „Doctor Moliner de Serra”-ziekenhuis (Valencia) — behandeling van afvalwater
Het „Doctor Moliner de Serra”-ziekenhuis (Valencia, Spanje) loost sinds een jaar ongezuiverd fecaal afvalwater en ander sterk vervuild water in een ravijn in het natuurpark van „la Calderona”. Dit afvalwater vervuilt waterlagen die een groot deel van de bevolking van de regio van drinkwater voorzien.
Dat dit uiterst schadelijke afvalwater, dat een potentieel gevaar vormt voor het milieu en de gezondheid van de plaatselijke bevolking, nu al zo lang wordt geloosd toont aan dat de bevoegde overheid (de Generalitat van Valencia) het probleem niet echt wil oplossen.
Kan de Commissie informatie inwinnen over de samenstelling van dit afvalwater, dat door het ziekenhuis wordt geloosd zonder adequate behandeling?
Kan de Commissie onderzoeken of de bepalingen van de richtlijnen 98/15/EG (1) inzake de behandeling van afvalwater en 80/68/EEG (2) betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen, daarbij niet worden geschonden?
Kan de Commissie tevens nagaan of het water in de betreffende zone geschikt is voor menselijke consumptie en beantwoordt aan de in richtlijn 98/83/EG (3) inzake de kwaliteit van het drinkwater vastgelegde normen?
Welke maatregelen is de Commissie van plan te treffen om, gezien de ernst van de situatie, ten aanzien van deze feiten een correcte en rigoureuze naleving van het Gemeenschapsrecht, met name bovengenoemde richtlijnen, te garanderen?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(21 april 2004)
Afhankelijk van de specifieke omstandigheden is voor de lozingen door het ziekenhuis waarnaar het geachte parlementslid verwijst, toestemming dan wel een vergunning vereist van de Spaanse autoriteiten, een en ander overeenkomstig de communautaire milieuwetgeving.
Het in dit gebied geleverde drinkwater dient te voldoen aan de eisen die zijn neergelegd in Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, tenzij een van de in artikel 3 van deze richtlijn genoemde uitzonderingen van toepassing is. In deze richtlijn zijn specifieke normen voor drinkwater vastgelegd, waaronder de afwezigheid van E.coli-bacteriën.
Voorts is in Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (4) bepaald dat de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat alle agglomeraties met meer dan 2 000 inwonerequivalenten („i.e.”, de meeteenheid voor organische verontreiniging waarmee de gemiddelde verontreiniging per persoon per dag aangeduid wordt) voorzien zijn van een systeem voor de opvang en zuivering van stedelijk afvalwater. Stedelijk afvalwater dat in kleinere agglomeraties wordt opgevangen dient aan een passende behandeling te worden onderworpen. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat de agglomeratie van Serra wat betreft het aantal inwonerequivalenten tot de categorie „minder dan 2 000” behoort en derhalve buiten de werkingssfeer van Richtlijn 91/271/EEG valt.
Verder kan stedelijk afvalwater stoffen bevatten (zoals fosfor en zware metalen) die genoemd worden in lijst II van Richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen.
Deze richtlijn verplicht de lidstaten lozingen van vervuilende stoffen of handelingen ter verwijdering van dergelijke stoffen aan een voorafgaand onderzoek te onderwerpen alvorens daarvoor een vergunning af te geven (artikel 5). Voorts gelden er verplichtingen ten aanzien van de inhoud van dergelijke onderzoeken en vergunningen, het toezicht en het bijhouden van een inventaris van verleende vergunningen (artikelen 7 tot en met 16)
De Commissie zal de Spaanse autoriteiten derhalve om nadere informatie verzoeken teneinde de zaak verder te onderzoeken en te bekijken welke stappen eventueel genomen dienen te worden.
(1) PB L 67 van 7.3.1998, blz. 29.
(2) PB L 20 van 26.1.1980, blz. 43.
(3) PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32.
(4) PB L 135 van 30.5.1991 zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/15/EG van de Commissie van 27 februari 1998.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/228 |
(2004/C 88 E/0232)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0801/04
van Monica Frassoni (Verts/ALE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Jacht en bescherming van in het wild levende vogels op Sardinië
De autonome regio Sardinië heeft de regionale wet nr. 2 van 13 februari 2004 aangenomen die de jacht op vogels mogelijk maakt volgens de afwijkende regeling van artikel 9 van richtlijn 79/409/EEG (1), die in Italië is omgezet met wet nr. 221 van 2002. Vervolgens is bij besluit nr. 3/V van het regiobestuur voor milieubescherming van 18 februari 2004 de jacht volgens de afwijkende regeling geopend op de Sardijnse mus (Passer hispaniolensis), de ringmus (Passer montanus), de spreeuw (Sturnis vulgaris), de zanglijster (Turdus philomelos) en de koperwiek (Turdus iliacus) en wel op de dagen 21, 22, 26 en 29 februari 2004, waarbij 6 000 000 vogels gevangen mogen worden door ongeveer 50 000 Sardijnse jagers.
De jacht is op verzoek van het regiobestuur voor landbouw en landhervorming (nota prot. nr. 296/Gab. van 13 februari 2004) geopend omdat schade aan de gewassen toegebracht zou zijn door zogenaamde „invasies” van lijsters, mussen en spreeuwen.
De regionale wet van Sardinië nr. 2/2004 lijkt strijdig met de richtlijnen 79/409/EEG, 85/411/EEG (2) en 91/244/EEG (3) omdat zij de jacht op grond van schade mogelijk maakt op alle „warmbloedige dieren” zonder onderscheid en zonder dat technisch-wetenschappelijk advies is ingewonnen bij erkende specialistische instituten.
Het decreet nr. 3/V van 18 februari 2004 lijkt nog ernstiger inbreuk te maken op de communautaire wetgeving ter zake, omdat het de jacht mogelijk maakt zonder dat naar alternatieven is gezocht en zonder dat bewijzen worden geleverd voor de zogenaamde schade aan landbouwgewassen. De jacht wordt geopend op vogelsoorten waarvoor het normale jachtseizoen maar net afgesloten was (verlenging van het jachtseizoen lijkt de enige echte bedoeling van de autonome regio Sardinië te zijn), er wordt toestemming gegeven voor het afschieten van aanzienlijke aantallen vogels midden in de trekperiode en vlak voor het voortplantingsseizoen, wat duidelijk in strijd is met de jurisprudentie van het Hof van Justitie ter zake (zie de arresten van 16 oktober 2003, zaak C-182/02; 7 december 2000, zaak C-38/99; 19 januari 1994, zaak C-435/92; 17 januari 1991, zaak C-l57/89).
De milieuverenigingen Lega per l'Abolizione della Caccia, Amici della Terra, Gruppo d'Intervento Giuridico, Movimento U.N.A. e L.A.V. hebben reeds klachten over deze zaak ingediend bij de nationale en de communautaire instanties (13 en 20 februari 2004).
Is de Commissie bekend met de bovenstaande feiten?
Is de Commissie nagegaan of de wetgeving betreffende in het wild levende vogels is nageleefd?
Is de Commissie voornemens passende maatregelen ter zake te nemen?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(23 april 2004)
De Commissie heeft reeds een klacht ontvangen over de door het geachte parlementslid aan de orde gestelde jachtwetgeving van de regio Sardinië wegens mogelijk incorrecte toepassing van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/244/EEG van de Commissie van 6 maart 1991.
De door het geachte parlementslid verstrekte informatie is toegevoegd aan het klachtendossier, dat momenteel in behandeling is bij de Commissie.
Mocht de Commissie concluderen dat er sprake is van schending van het Gemeenschapsrecht, dan zal zij als hoedster van het EG-Verdrag onverwijld alle nodige maatregelen nemen, waaronder het inleiden van een inbreukprocedure krachtens artikel 226 van het EG-Verdrag, om ervoor te zorgen dat de toepasselijke communautaire wetgeving nageleefd wordt.
(1) PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1.
(2) PB L 233 van 30.8.1985, blz. 33.
(3) PB L 115 van 8.5.1991, blz. 41.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/229 |
(2004/C 88 E/0233)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0808/04
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(15 maart 2004)
Betreft: Garanties voor slachtoffers van achterstelling of verwaarlozing bij de beoordeling van diploma's uit andere lidstaten om alsnog over gelijke rechten te kunnen beschikken
|
1. |
Hoe maakt de EU onder de omstandigheden zoals die zijn beschreven in mijn vragen van heden over „het ongeldig worden van een vliegbrevet voor de burgerluchtvaart bij gebruik in een andere lidstaat of na vernieuwing van de regels voor ATPL-brevetten” nog waar dat in de ene lidstaat behaalde diploma's de bevoegdheid opleveren om ook in een andere lidstaat hetzelfde werk te kunnen doen? |
|
2. |
Hoe maakt de EU onder de in vraag 1 bedoelde omstandigheden nog waar dat bij latere wijziging van de regels discriminatie — bijvoorbeeld door het later verstrekken van vervangende documenten of door het verstrekken van afwijkende documenten — in geen enkele vorm plaatsvindt tussen EU-burgers met onderscheid naar de lidstaat van de nationaliteit, de lidstaat van inwoning, de lidstaat van de opleiding of de lidstaat van de werkzaamheden? |
|
3. |
Welke mogelijkheden bestaan thans voor diegenen die eerst van onvoldoende gelijkvormigheid van diploma's en vervolgens van vernieuwing van de aan diploma's gestelde vereisten het slachtoffer zijn geworden om de bevoegdheid tot voortzetting van hun eerdere werkzaamheden te behouden of terug te krijgen? |
|
4. |
Hoe wordt voorkomen dat belanghebbenden hun recht op gelijkstelling alleen kunnen krijgen door middel van rechtszaken die veelal worden gekenmerkt door een lange duur, door hoge kosten en door een onzekere afloop? |
|
5. |
Indien de in vraag 3 bedoelde mogelijkheden thans nog niet in toereikende mate bestaan, wat dient dan naar het oordeel van de Commissie te veranderen? Neemt zij daartoe de benodigde initiatieven? |
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(30 april 2004)
Krachtens Richtlijn 91/670/EEG (1) mogen de lidstaten zelf beslissen over de manier waarop zij buitenlandse bewijzen van bevoegdheid erkennen. Gezien de verschillen tussen de nationale regels in dit verband, moet een piloot in elke land waar hij zijn bewijs van bevoegdheid wenst te gebruiken, een aanvraag tot erkenning van dat bewijs indienen.
Richtlijn 91/670/EEG heeft precies tot doel de naleving van de uit het EG-Verdrag voortvloeiende verplichtingen te bevorderen en de mobiliteit van het cockpitpersoneel in de Gemeenschap te garanderen.
Het is de tak van de Commissie erop toe te zien dat de bepalingen van het EG-Verdrag en van het afgeleide recht in acht worden genomen. In dat kader is de Commissie bereid specifieke gevallen die het geachte parlementslid aan haar wenst voor te leggen, te bestuderen.
Bij schending van het Gemeenschapsrecht kunnen privé-personen hun zaak in de lidstaat waar de vermeende fout is begaan, aanhangig maken volgens de in dat land bestaande procedures, en kunnen zij een klacht indienen bij de Commissie.
De Commissie zal in de komende maanden een voorstel voor een verordening overleggen dat erop gericht is de toekenning van bewijzen van bevoegdheid voor vliegtuigbemanningen eveneens op te nemen in de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 1592/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (2). Op die manier worden de bewijzen van bevoegdheid van het cockpitpersoneel op dezelfde basis afgegeven en worden ze automatisch in de gehele Gemeenschap erkend. De vaststelling van een dergelijke verordening betekent meteen het einde van de problemen van het geachte parlementslid.
(1) Richtlijn 91/670/EEG van de Raad van 16 december 1991 inzake de onderlinge erkenning van bewijzen van bevoegdheid voor burgerluchtvaartpersoneel, PB L 373 van 31.12.1991.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/230 |
(2004/C 88 E/0234)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0817/04
van Stefano Zappalà (PPE-DE) aan de Commissie
(15 maart 2004)
Betreft: Finse douaneheffingen
De heer Claudio Oliviero, Italiaans staatsburger en sinds 1 januari 2004 woonachtig in Finland, is dierenarts. Ten behoeve van zijn werk heeft hij besloten zijn in Italië geregistreerde auto in Finland in te voeren.
Volgens de Finse wet is hij gehouden bij de douane een heffing van EUR 7 000 te betalen om zijn auto te kunnen gebruiken.
De vereisten voor vrijstelling van de heffing zijn:
|
1) |
de betrokkene moet langer dan een jaar in de lidstaat van herkomst hebben gewoond en |
|
2) |
de betrokkene moet de auto gedurende ten minste zes maanden voor verhuizing naar Finland in bezit hebben gehad. |
De heer Oliviero voldoet aan het eerste criterium, maar niet aan het tweede, aangezien hij de auto slechts tweeëneenhalve maand voor verhuizing naar Finland heeft gekocht.
Kan de Commissie, indien het bovenstaande correct is, haar mening geven over een eventuele inbreuk op het communautair recht inzake het vrij verkeer van personen en goederen, en meer in het algemeen inzake de beginselen van de interne markt?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(14 april 2004)
Uit de vraag blijkt niet duidelijk wat voor heffingen de heer Oliviero voor zijn auto moet betalen. Het gaat in ieder geval niet, zoals de aanklager beweert, om „douanerechten”, omdat die niet door Finland worden toegepast op autovoertuigen die uit een andere lidstaat afkomstig zijn. Om een auto uit een andere lidstaat in Finland te kunnen registreren en in het verkeer brengen moeten wel een motorrijtuigenbelasting („autovero”) alsook een heffing genaamd „BTW over de motorrijtuigenbelasting” worden betaald.
In de huidige stand van het Gemeenschapsrecht kunnen in het gastland bepaalde belastingen geheven worden, zelfs als in het land van herkomst al vergelijkbare belastingen waren betaald. De vrijheid van de lidstaten op dit gebied wordt in ieder geval beperkt door in het Gemeenschapsrecht vastgestelde beperkingen.
In dit verband zij erop gewezen dat de aanklager zijn auto tweeënhalve maand vóór zijn verhuizing naar Finland in Italië heeft gekocht en 7 000 EUR heeft moeten betalen om die auto in Finland in het verkeer te brengen.
De situatie moet in eerste instantie worden geanalyseerd in het licht van Richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een lidstaat van persoonlijke goederen door particulieren (1). De klager vervult evenwel niet de voorwaarden om onder het toepassingsgebied van deze richtlijn te vallen, aangezien hij de auto niet gedurende ten minste zes maanden vóór de verhuizing in bezit heeft gehad.
In het geval van de klager moeten de heffingen in kwestie dus als interne belastingen worden beschouwd. Een dergelijke belastingheffing is alleen dan strijdig met het Gemeenschapsrecht indien er sprake is van inbreuk op artikel 90 van het EG-Verdrag. Dit is uitsluitend het geval wanneer die heffing direct of indirect de producten uit andere lidstaten zwaarder treft dan vergelijkbare producten uit het eigen land.
In het onderhavige geval beschikt de Commissie niet over voldoende elementen om te kunnen vaststellen of artikel 90 van het EG-Verdrag in dit specifieke geval werd geschonden. Er moet evenwel op worden gewezen dat zij op dit moment onderzoekt of het Finse systeem van belasting bij de invoer van voertuigen indruist tegen het communautaire recht. In 2003 werd de Finse regering per brief in gebreke gesteld. In die brief heeft de Commissie de aandacht van de nationale autoriteiten gevestigd op de compatibiliteit van het Finse recht met artikel 90 van het EG-Verdrag. Sindsdien zijn er wijzigingen in de Finse wetgeving aangebracht. De Commissie beoordeelt op dit moment of deze nieuwe wetgeving verenigbaar is met het communautaire recht.
Uitvoeriger gegevens over de belasting op voertuigen die van de ene lidstaat naar de andere worden overgebracht zijn te vinden op onze website: (http://europa.eu.int/comm/taxation_customs/taxation/vehicles_taxation/index.htm).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/232 |
(2004/C 88 E/0235)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0820/04
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(15 maart 2004)
Betreft: Landbouw — onderhandelingen in het kader van de wereldhandelsorganisatie WTO
De heer Franz Fischler, lid van de Europese Commissie, heeft onlangs in de Verenigde Staten (in Arlington, Virginia, en in Washington DC, beide malen op 19 februari jl.) het volgende gezegd: „De Doha-ronde gaat ook over exportkredieten en het dumpen van overschotten onder het mom van” voedselhulp„, waarvan vooral de VS gebruikmaken. De Doha-ronde gaat over de exportmonopolies van Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Het feit dat bij een recent geschil zowel de VS als Canada als overwinnaar uit de bus zijn gekomen, toont duidelijk aan dat er op dit gebied geen duidelijke WTO-regels bestaan. De Doha-ronde gaat ook over andere minder besproken vormen van uitvoerdistorsies, zoals blijkt uit de gevolgen van de gedifferentieerde exportheffingen van Argentinië op zijn sojabonenhandel.”
Kan de Commissie in het licht van het voorafgaande mededelen over welke informatie zij beschikt met betrekking tot de uitlatingen van de heer Franz Fischler, lid van de Commissie, in de VS?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(29 april 2004)
In de context van de onderhandelingen over de Doha-ontwikkelingsagenda streeft de Commissie naar „volledig parallellisme” met betrekking tot alle instrumenten van uitvoerconcurrentie. Dat betekent dat er in deze ronde regelingen moeten worden getroffen met betrekking tot alle vormen van exportsubsidie. Dit was niet het geval in de Uruguay-ronde, waar de door de EU verleende exportsubsidies werden gekoppeld aan een reductieverplichting. Er zijn echter geen regelingen getroffen voor andere instrumenten inzake uitvoerconcurrentie, zoals het dumpen van overschotten onder het mom van voedselhulp en bepaalde praktijken van staatshandelsondernemingen (SHO's). Er dient tevens rekening gehouden te worden met handelsverstorende praktijken, zoals gedifferentieerde exportheffingen. Aan exportkredieten zijn geen reductieverplichtingen gekoppeld (wat voor andere exportsubsidies wel het geval is), hoewel het hier vaak om exportsubsidies gaat die onder een aantal regels van de landbouwovereenkomst van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) vallen.
Om een aantal voorbeelden van deze praktijken te geven: recentelijk hebben de Verenigde Staten een voorraad magere-melkpoeder van circa 500 000 ton opgebouwd. Tegelijkertijd zien we een toename in de dumping van deze voorraden in de vorm van internationale voedselhulp tot een niveau van ongeveer 70 000 ton per jaar, hoogstwaarschijnlijk als alternatief voor commerciële activiteiten. Het totale volume van de wereldhandel in dit product is ongeveer 1 miljoen ton. Het aandeel van de voedselhulp van de Verenigde Staten in deze wereldhandel is aanzienlijk. De EU, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland hebben verklaard zich ernstige zorgen te maken over deze ontwikkeling. Deze kwestie is recentelijk door de Commissie voorgelegd aan het Raadplegingssubcomité voor de Dumping van Overschotten (CSSD) van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO).
De Verenigde Staten beschikken tevens over een begroting van ongeveer USD 4,5 miljard ten behoeve van exportkredietgaranties voor 2005, nadat zij in 2003 reeds USD 3,2 miljard hebben gebruikt voor dit type exportsteun. Deze exportkredietgaranties maken export mogelijk die anders waarschijnlijk niet zou hebben plaatsgevonden. De Commissie heeft de werkzaamheden van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) rond de regels voor landbouwexportkredieten gevolgd.
De Commissie maakt zich tevens zorgen over de monopolistische praktijken van een aantal SHO's. Om een voorbeeld te geven: volgens haar eigen gegevens verzorgt Fonterra uit Nieuw-Zeeland de export van 1,6 miljoen ton zuivel, op een totaal van 1,8 miljoen ton productie. Met betrekking tot exportheffingen beschikt de Commissie over het voorbeeld van Argentijnse olieslagers die heffingsvrije grondstoffen krijgen geleverd, terwijl buitenlandse slagers voor de levering van Argentijnse sojabonen de grondstofprijs plus heffingen moeten betalen. De heffing wordt daarom als handelsverstorend beschouwd.
Met het oog op bovenstaande is het duidelijk dat eventuele nieuwe verplichtingen die de Gemeenschap voor uitvoerrestituties aangaat, moeten worden afgestemd op de verplichtingen van andere leden van de WHO met betrekking tot hun eigen instrumenten inzake uitvoerconcurrentie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/233 |
(2004/C 88 E/0236)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0835/04
van Antonio Di Pietro (ELDR) aan de Commissie
(15 maart 2004)
Betreft: Wijziging van de verordening over de etikettering van wijn
De Commissie wijzigde onlangs verordening (EG) nr. 753/2002 (1) die de etikettering van wijn regelt. Derde landen mogen nu dezelfde traditionele benamingen gebruiken als de lidstaten van de Unie, mits zij aan bepaalde voorwaarden voldoen.
De twee categorieën traditionele benamingen die op etiketten mogen voorkomen om kwaliteitswijnen aan te duiden, worden door de nieuwe verordening nu in een enkele lijst ondergebracht. Onder categorie A vielen 50 Italiaanse aanduidingen, zoals Classico, Cacc'e mitte, Fine, Passito, die ten dele beschermd waren en die onder bepaalde voorwaarden ook door buitenlandse producenten mochten worden gebruikt. Onder categorie Β vielen echter 17 Italiaanse benamingen en geografische aanduidingen, zoals Amarone, Brunello, Gutturnio, Recioto en Sforzato, die uitsluitend voor Italiaanse wijnen mochten worden gebruikt.
Deze wijziging heeft tot gevolg dat deze uitdrukkingen voortaan niet langer uitsluitend door producenten van een bepaald productiegebied, maar ook door een niet-Europees land zullen mogen worden gebruikt, mits hun wijn voldoet aan de regels die in dat land gelden. Australische en Chileense wijnen zullen bijvoorbeeld op het etiket fantasieomschrijvingen mogen gebruiken die de terminologie van de meest beroemde Italiaanse wijnen overnemen, wat verwarring bij de consument teweeg kan brengen.
Terwijl Italiaanse en andere EU-wijnen om deze aanduidingen te mogen gebruiken de zeer strenge regels voor de Europese V.Q.P.R.D.-wijnen moeten naleven, wordt het door de wijziging van de verordening voor een niet-Europese wijn bovendien mogelijk om op het etiket aanduidingen te vermelden waarvoor de producentengroeperingen zelf regels vaststellen en toestemming geven, wat uiteraard het risico inhoudt dat niemand de juistheid en waarachtigheid ervan kan controleren.
Moet de Commissie in de nog tot 15 maart lopende overgangsperiode niet dringend nagaan hoe mogelijke fraude ten koste van de consument in de Europese Unie kan worden voorkomen en hoe transparantie en kwaliteit op de wijnmarkt kunnen worden gewaarborgd?
Is de Commissie niet van mening dat zij in plaats van zichzelf te beschermen tegen mogelijke klachten van niet-Europese landen in het kader van de WTO, niet veeleer de Europese wijnsector zou moeten beschermen, gelet op het feit dat de onderhavige verordening in het beheerscomité voor de wijnsector is goedgekeurd ondanks tegenstemmen van wijnlanden zoals Italië, Frankrijk, Portugal, Griekenland en Luxemburg?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(19 april 2004)
Aangaande de redenen die de Commissie hebben gebracht tot de invoering van de nieuwe etiketteringsvoorschriften moet eraan worden herinnerd dat naar aanleiding van de kennisgeving van Verordening (EG) nr. 753/2002 (2) aan de Wereldhandelsorganisatie (WTO) bepaalde wijnproducerende derde landen zware kritiek hebben geuit op de inhoud van de verordening. In Genève zijn twee informatiebijeenkomsten gehouden om de door de derde landen gevraagde toelichtingen te verstrekken.
De derde landen beschouwden ons beleid op het gebied van bepaalde traditionele benamingen (deel B) als een voorbeeld van de pogingen van de Europese Unie om de reikwijdte van de intellectuele eigendomsrechten als bedoeld in de overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendomsrechten (TRIPS) te vergroten door in een exclusieve bescherming van de traditionele benamingen te voorzien, zoals dat voor de geografische aanduidingen al het geval is. Dit had het beleid van de Europese Unie op het gebied van de bescherming van geografische aanduidingen op losse schroeven kunnen zetten en het risico kunnen verhogen dat binnen de WTO een panel zou worden opgericht dat zich tegen het gehele beleid van de Europese Unie op het gebied van de etikettering van wijn zou verzetten.
In het licht van de opmerkingen van de derde landen en om het gevaar op uitholling van de huidige regelgeving zoveel mogelijk te beperken, heeft de Commissie besloten om in de verordening bepaalde wijzigingen aan te brengen door een systeem te creëren waarin de traditionele benamingen, zowel intern als met betrekking tot geïmporteerde wijnen, op niet-discriminerende wijze worden beschermd.
De voorwaarden die momenteel van kracht zijn voor het gebruik van traditionele benamingen door derde landen zijn gelijkwaardig aan de voorwaarden die in de voorafgaande periode van kracht waren voor het gebruik van traditionele benamingen van bijlage III, deel A, bij Verordening (EG) nr. 753/2002.
Tot deze voorwaarden behoren, overeenkomstig artikel 1, punt 10, van Verordening (EG) nr. 316/2004 (3) houdende wijziging van artikel 37, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 753/2002:
|
a) |
het derde land moet een met redenen omkleed verzoek indienen bij de Commissie en bewijzen overhandigen die de erkenning van de traditionele aanduiding wettigen; |
|
b) |
de taal van de traditionele aanduiding moet de officiële taal zijn van het derde land dat het verzoek en de aanduiding heeft geformuleerd, en moet gedurende een periode van minimaal tien jaar zijn gebruikt; |
|
c) |
als de taal van de traditionele aanduiding niet de officiële taal van het derde land is, moet het gebruik ervan in de wetgeving van het desbetreffende land zijn vastgelegd en moet de traditionele aanduiding in dit geval in deze taal ten minste de laatste 25 jaar onafgebroken zijn gebruikt; |
|
d) |
daarnaast moet aan andere criteria, zoals „specificiteit” en „onderscheidend” karakter van de aanduiding, alsook het uitsluiten van de mogelijkheid tot misleiding van de consument, waarin dezelfde verordening voorziet, worden voldaan. |
In het specifieke geval van de traditionele Italiaanse benamingen, moet derhalve aan meerdere voorwaarden worden voldaan alvorens deze aanduidingen door derde landen in de Gemeenschap kunnen worden gebruikt. Dit houdt in dat, vóórdat een traditionele benaming als „Brunello” of „Amarone” kan worden gebruikt, de officiële taal van het derde land het Italiaans moet zijn en dat de traditionele benaming sedert ten minste tien jaar is gebruikt, of dat het Italiaans een tweede in de wetgeving van het desbetreffende land erkende taal is en dat, in dat geval, de benaming sedert ten minste 25 jaar is gebruikt. Bovendien moet de benaming specifiek en onderscheidend zijn, en mag ze de consument niet misleiden wanneer de wijn op de communautaire markt wordt gebracht. Het gebruik van deze benaming in het derde land moet eveneens een zekere traditie hebben.
Er zij eveneens aan herinnerd dat de lidstaten via het Comité van beheer voor wijn aan de besluitvorming moeten deelnemen, aangezien iedere aanvraag door een derde land voor advies aan het bedoelde Comité moet worden voorgelegd.
(1) PB L 118 van 4.5.2002, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 753/2002 van de Commissie van 29 april 2002 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad wat betreft de omschrijving, de aanduiding, de aanbiedingsvorm en de bescherming van bepaalde wijnbouwproducten, PB L 118 van 4.5.2002.
(3) Verordening (EG) nr. 316/2004 van de Commissie van 20 februari 2004 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 753/2002, tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad wat betreft de omschrijving, de aanduiding, de aanbiedingsvorm en de bescherming van bepaalde wijnbouwproducten, PB L 55 van 24.2.2004.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/234 |
(2004/C 88 E/0237)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0845/04
van Giorgio Celli (Verts/ALE) aan de Commissie
(19 maart 2004)
Betreft: Aanleg van een „gezondheidscentrum” in de wetlands van Es Salobrar — Es Trenc in Mallorca, Balearen
Op 22 december 2003 keurde de regering van de Balearen, door middel van de wet inzake administratieve en fiscale maatregelen als bijlage bij de begrotingswet, een aanvullende bepaling goed die het gemeentebestuur van Campos (Mallorca) toelaat een „gezondheidscentrum” te bouwen in de wetlands van Es Salobrar — Es Trenc. De bebouwbare oppervlakte zal 70 000 m2 bedragen. Achter de term „gezondheidscentrum” schuilt in werkelijkheid echter de uitbreiding van de bebouwbare oppervlakte van een oud kuuroord, zodat een luxehotel kan worden gebouwd. De projectontwikkelaar is de Duitse onderneming Dieter Steymachec.
Deze uitbreiding zou ernstige gevolgen hebben voor het milieu en het landschap. De wetlands hebben een grote ecologische waarde en zijn een van de meest bijzondere natuurgebieden op het eiland Mallorca, aangezien er zeventien soorten habitats in een goed bewaarde zone van de kuststrook voorkomen. De wetlands zijn een heel belangrijke vogeltrekcorridor voor trekvogels, met name voor watervogels, en eveneens een broedplaats voor vogels als de steltkluut, de kluut, de strandplevier, de Balearengrasmus of de griel. De wetlands zijn, overeenkomstig de habitatrichtlijn 92/43/EEG (1) en richtlijn 79/409/EEG (2) inzake de vogelstand in de EG, als een bijzonder beschermingsgebied voor vogels (nr. 198709) en een gebied van communautair belang (nr. 200007) vastgesteld.
Is de Commissie op de hoogte van dit project?
Hoe kan de aanleg van dit centram worden toegestaan in een zone die als deel van het Natura 2000-netwerk wordt voorgesteld, als het project niet van dringend openbaar belang kan worden beschouwd?
Welke maatregelen zal de Commissie nemen om de bescherming van de wetlands in kwestie te verzekeren en het desbetreffende bouwproject, indien noodzakelijk, in een andere zone te laten plaatsvinden?
Kan de Commissie mededelen of het project in kwestie met communautaire middelen wordt medegefinancierd?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie is niet op de hoogte van het project dat door het geachte parlementslid wordt aangehaald: de aanleg van een gezondheidscentrum in de wetlands van Es Salobrar — Es Trenc, in het zuiden van het eiland Mallorca, die gepaard zou kunnen gaan met de bouw van een luxehotel in het gebied.
De Commissie is nagegaan of het door het geachte parlementslid genoemde gebied is aangewezen als speciale beschermingszone voor vogels overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 79/409/EEG (3) van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand.
Dit gebied, „Es Trenc — Salbrar de Campos ES0000037” met een oppervlakte van 1 442 hectare is door de Spaanse autoriteiten ook voorgesteld als gebied van communautair belang dat in de toekomst kan worden opgenomen in het Natura 2000-netwerk overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 92/43/EEG (4) van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora.
De Commissie heeft zich tot de Spaanse autoriteiten gewend met een verzoek om opmerkingen over de toepassing van bovengenoemde richtlijnen in dit geval en om na te gaan of het project in kwestie een significant effect kan hebben op het vermelde gebied, in het licht van de doelstellingen van Richtlijn 92/43/EEG. In voorkomend geval moet de procedure als bedoeld in artikel 6 worden toegepast.
In ieder geval zal de Commissie, als hoedster van de verdragen, de nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat het communautaire recht in dit geval wordt nageleefd.
Overigens moet erop worden gewezen dat investeringen op het gebied van de gezondheid niet in aanmerking komen voor medefinanciering uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in de regio's van doelstelling 2. Voor steun aan het hotelwezen en toeristische bedrijven daarentegen kan wel een beroep worden gedaan op dit Fonds.
(1) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(2) PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/235 |
(2004/C 88 E/0238)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0847/04
van Monica Frassoni (Verts/ALE) aan de Commissie
(19 maart 2004)
Betreft: Waterwinningsinstallatie bij Padernello in Paese (provincie Treviso)
Gezien de volgende feiten:
|
— |
De Technische Commissie bodemschatten van de regio Veneto heeft bij regionaal decreet 3123 van 8 november 2002 de aanvraag ingewilligd van San Benedetto SpA voor onderzoek naar de mineraalwaterbron „Padernello” in de gemeente Paese (provincie Treviso). |
|
— |
De vergunning, die door de regio Veneto is afgegeven, was slechts bedoeld voor onderzoek en niet voor het winnen met het oog op bottelen. Zij was afgegeven voor een jaar, maar kon met nog een jaar worden verlengd mits de vergunninghouder een technisch onderzoek zou presenteren naar de milieucompatibiliteit van het project. |
|
— |
Op 15 oktober 2003 heeft het regionaal bestuur, vertegenwoordigd door de directie Geologie en watercyclus, bij decreet 263 de onderzoeksvergunning verlengd. |
|
— |
Deze winningsactiviteiten, die nog niet eens op volle sterkte draaien, hebben de grondwaterlaag al aangetast, die van vitaal belang is voor het „Parco del Sile”, en problemen veroorzaakt in de nabijgelegen woonkern doordat over de al zeer drukke provinciale weg Postumia gemiddeld ruim 200 vrachtwagens per dag extra rijden. |
|
— |
San Benedetto heeft in het gebied rondom de grondwaterlaag een oppervlakte van 175 000 m2 bebouwd, 2 625 000 m3 aan nieuwe constructies boven de grond en meer dan 450 000 m3 onder de grond opgetrokken en heeft bij de gemeente al een aanvraag ingediend voor verdere verkaveling. |
|
— |
Ondanks dat de vergunning en de verlenging daarvan door de regio uitsluitend bedoeld zijn voor onderzoek naar mineraalwater in de bodem, heeft San Benedetto al meerdere malen officieel medegedeeld dat het in maart 2004 gaat beginnen met de commerciële exploitatie en het bottelen van het water uit de bodem. In het technisch rapport bij de aanvraag voor verkaveling aan de burgemeester van Paese beweert San Benedetto dat, wanneer de exploitatie eenmaal in vol bedrijf is, 2 500 000 000 liter per jaar zal worden gebotteld, het dubbele van de hoeveelheid vermeld in de aanvraag van de onderzoeksvergunning aan de regio Veneto. |
|
— |
Deze investering van kapitaal en middelen staat in geen verhouding tot een onderzoeksvergunning met de duur van een jaar, die eventueel met nog een jaar verlengd kan worden. |
|
— |
De waterwinning vindt plaats in de directe omgeving van het „Parco del Sile” (pSIC IT3240011), dat, evenals de gehele omringende zone, onherstelbaar aangetast zou worden door de in het vooruitzicht gestelde winningsactiviteiten. |
Kan de Commissie aangeven
|
— |
of de vergunningen die door de regio Veneto zijn afgegeven, de huidige en de door San. Benedetto geplande waterwinningsactiviteiten compatibel zijn met de communautaire milieuvoorschriften, met inbegrip van de voorschriften voor de bescherming van het grondwater en de milieueffectrapportage? |
|
— |
welke dringende maatregelen zij denkt te nemen om het gebied pSIC IT3240011 te beschermen? |
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(22 april 2004)
Projecten inzake de winning van grondwater met een omvang van minder dan 10 miljoen m3 vallen onder bijlage II van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (MEB-richtlijn) (1), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (2). De MEB-richtlijn bepaalt dat de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat, voordat een vergunning wordt verleend, projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, met name gezien hun aard, omvang of ligging, worden onderworpen aan een beoordeling van die effecten. Uit de verstrekte informatie kan niet opgemaakt worden of aan het bedrijf San Benedetto SpA al dan niet een vergunning is verleend voor de winning van 2 500 miljoen liter water per jaar. Wel is duidelijk dat de regio een vergunning afgegeven heeft voor onderzoek naar de winning van grondwater. Wanneer een aanvraag wordt ingediend voor de feitelijke winning van grondwater, zullen de Italiaanse autoriteiten moeten bepalen, hetzij via een onderzoek per geval hetzij op basis van drempels of criteria, of het project in verband met de aanzienlijke milieueffecten ervan onderworpen dient te worden aan een beoordeling van die effecten. Daarbij dienen de relevante selectiecriteria van bijlage III bij de genoemde richtlijn in aanmerking te worden genomen.
In artikel 6, leden 3 en 4, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (3) is de procedure vastgelegd die gevolgd moet worden voordat toestemming verleend mag worden voor een plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor dergelijke plannen of projecten dient een beoordeling gemaakt te worden van de gevolgen voor het gebied vanuit het oogpunt van de instandhouding ervan. De Italiaanse autoriteiten zijn derhalve verplicht na te gaan of het project significante gevolgen kan hebben voor het beoogde gebied van communautair belang „Sile: sorgenti, paludi di Morgano e S.Cristina” en, indien zulks het geval is, de in de richtlijn neergelegde procedure te volgen alvorens toestemming te geven voor het project.
Het geachte parlementslid verstrekt geen concrete informatie waaruit blijkt dat het Natura 2000-gebied daadwerkelijk aangetast wordt. De Commissie is derhalve niet in staat een mogelijke schending van het Gemeenschapsrecht vast te stellen. Indien het geachte parlementslid gedetailleerde informatie kan verstrekken op basis waarvan de Commissie deze kwestie in samenhang met bovengenoemde richtlijn kan beoordelen, zal de Commissie deze zaak nader kunnen onderzoeken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/237 |
(2004/C 88 E/0239)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0850/04
van Salvador Jové Peres (GUE/NGL) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Correctie voor onregelmatige toekenning van aanvullende hoeveelheden voor verwerkte tomaten
De Beschikking van de Commissie van 4 februari 2004 (2004/136/EG (1)) stelt voor Spanje een financiële correctie van 8,7 miljoen euro vast voor onregelmatige toekenning van aanvullende hoeveelheden voor verwerkte tomaten en voor tekortkomingen bij de kwaliteitscontrole van eindproducten.
Wat houden deze tekortkomingen bij de kwaliteitscontrole van eindproducten precies in? Voor welke seizoenen geldt dit?
Welke onregelmatigheden lagen ten grondslag aan de correctie voor onregelmatige toekenning van aanvullende hoeveelheden voor verwerkte tomaten? Voor welke seizoenen geldt dit? Wat is de precieze omvang van de onregelmatig toegekende aanvullende hoeveelheden voor elk seizoen? Hoeveel ondernemingen profiteerden van deze onregelmatige toekenning van aanvullende hoeveelheden in elk seizoen waarvoor de correctie geldt? Hoeveel ondernemingen hadden kunnen profiteren van deze onregelmatige toekenning van aanvullende hoeveelheden in elk seizoen waarvoor de correctie geldt?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(2 april 2004)
In antwoord op de vragen is een uittreksel van het syntheseverslag rechtstreeks naar het geachte parlementslid en naar het secretariaat-generaal van het Parlement verzonden, waarin alle redenen voor de financiële correctie, opgenomen in Beschikking 2004/136/EG (2) betreffende de sector verwerkte tomaten in Spanje, worden uitgelegd.
Ter aanvulling hierop willen wij u de volgende informatie verstrekken:
|
— |
De correctie betreft de volgende verkoopseizoenen: 1997/1998 (zeer laag bedrag dat alleen de correctie voor de controle van de kwaliteit van de eindproducten betreft), 1998/1999, 1999/2000, 2000/2001. |
|
— |
De toegekende extra quota bedragen: 35 027 ton (1998/1999), 14 341 ton (1999/2000) en 21 224 ton (2000/2001) |
In principe hebben alle ondernemingen die tegen de minimumprijs een hoeveelheid grondstoffen hadden gekocht die groter is dan het quotum dat in het begin van het verkoopseizoen is toegekend, van de extra quota geprofiteerd.
In principe zouden alle ondernemingen die zich bereid hadden verklaard contracten af te sluiten voor extra hoeveelheden, van die extra quota hebben kunnen profiteren.
(1) PB L 40 van 12.2.2004, blz. 31.
(2) Beschikking 2004/136/EG: Beschikking van de Commissie van 4 februari 2004 houdende onttrekking aan communautaire financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten voor het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOFGL), Afdeling „Garantie”, hebben verricht.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/238 |
(2004/C 88 E/0240)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0864/04
van Nelly Maes (Verts/ALE) aan de Commissie
(22 maart 2004)
Betreft: Taaiverscheidenheid
Verwijzend naar mijn vraag E-2825/03 (1) van 23 september 2003 en het antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie van 23 oktober 2003 wil ik graag nog een aanvullende vraag stellen.
De bescherming van minderheidstalen is een aspect van goed minderhedenbeleid volgens de Kopenhagen-criteria voor toetreding. Geldt dit niet meer ná de toetreding? Hoe zal de Europese Unie, en de Europese Commissie, daar concreet op toezien?
Antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie
(30 april 2004)
Met ingang van 1 mei 2004 worden de toetredingslanden volwaardige lidstaten van de Europese Unie. Het kader dat van toepassing is, zullen niet langer de toetredingscriteria van Kopenhagen zijn, maar de standaardwerkregelingen van de Unie.
Zoals bepaald in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is de Unie gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamenteel vrijheden, die de lidstaten gemeen hebben. Als er een ernstige of voortdurende schending van de beginselen bestaat, kan de Commissie of een derde van de lidstaten de zaak voorleggen aan de Raad in de samenstelling van staatshoofden en regeringsleiders.
Deze rechten zijn plechtig herbevestigd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Artikel 21, lid 1, verwijst naar het verbod op discriminatie, onder meer op grond van etnische afkomst, taal, godsdienst of het behoren tot een nationale minderheid en artikel 22 bepaalt dat de Unie de culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid eerbiedigt.
(1) PB C 65 E van 13.3.2004, blz. 225.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/238 |
(2004/C 88 E/0241)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0868/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(22 maart 2004)
Betreft: Grote gezinnen
In haar jongste verslag voor de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad „Lissabon waarmaken — hervormingen voor de uitgebreide Unie” (1), schrijft de Europese Commissie in het hoofdstuk betreffende de versterking van de sociale cohesie — punt 2.4.1) het volgende: „Dit verschijnsel (van de armoede) hangt vooral samen met de werkloosheid, aangezien 38 % van de werklozen ermee te maken krijgt. Het treft ook grote gezinnen, alleenstaande oudere vrouwen en eenoudergezinnen (waarvan 71 % vrouwen).”
De Europese Raad heeft zich ten doel gesteld een krachtige impuls te geven aan de terugdringing van de armoede voor 2010. Bovendien heeft de Commissie in die zin aangedrongen op nationale strategieën van sociale integratie (cf. verslag over de sociale integratie, waarin de bevindingen van de studie van de nationale actieplannen voor sociale integratie (2003-2005) zijn samengevat (2)). Hierin staat o.m. dat personen die deel uitmaken van grote gezinnen met drie of meer kinderen ten laste, bijzonder blootgesteld zijn aan het armoederisico, met vooral in Ierland, Italië, Spanje en Portugal hoge percentages, namelijk tussen 34 % en 49 %, tegen een algemeen EU-gemiddelde van 27 %.
Kan de Commissie mij antwoorden op de volgende vragen:
|
— |
welke maatregelen heeft de Commissie aan de lidstaten voorgesteld om het hoofd te bieden aan de buitengewoon kwetsbare en armoedegevoelige situatie van grote gezinnen en om de strategie van Lissabon volledig te realiseren? Meent de Commissie niet dat deze grote kwetsbaarheid onder meer een gevolg is van het feit dat tal van maatregelen op het vlak van het sociaal beleid en een aantal aspecten van het fiscaal beleid vaak zijn uitgedacht voor individuele burgers of echtparen en bijgevolg een objectief discriminerende uitwerking hebben voor gezinnen, die des te meer benadeeld worden naarmate zij groter zijn? |
|
— |
Is de Europese Commissie van plan haar diensten op te dragen het probleem nader te onderzoeken en eventueel efficiëntere oplossingen voor te stellen en er in het bijzonder voor te zorgen dat de beste praktijken worden uitgewisseld? Wat vindt de Commissie van het goedkeuren van communautaire maatregelen door middel van de open coördinatiemethode? |
Antwoord van de heer Dimas namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie is het eens met het geachte parlementslid dat kroostrijke gezinnen bijzonder kwetsbaar zijn en speciaal blootgesteld worden aan het armoederisico. Bovendien zijn het deze gezinnen die, samen met eenoudergezinnen, het meest waarschijnlijk armoede en sociale uitsluiting ook aan hun kinderen doorgeven. In dit verband spelen de belasting- en uitkeringsstelsels een belangrijke rol en het effect ervan op kroostrijke gezinnen verschilt sterk van lidstaat tot lidstaat, afhankelijk van de prioriteit die bij de voorziening van uitkeringen en belastingvoordelen aan kroostrijke gezinnen wordt gegeven. In het kader van de in Nice goedgekeurde gemeenschappelijke doelstellingen waarmee de lidstaten worden opgeroepen tot acties om de solidariteit onder gezinsleden in al haar vormen te beschermen en te streven naar de eliminatie van sociale uitsluiting onder kinderen, hebben de Commissie en de Raad onlangs in hun Gezamenlijk Verslag inzake sociale integratie aanbevolen dat de lidstaten als een sleutelprioriteit voor het beleid over de volgende twee jaar in het bijzonder aandacht zouden moeten hebben voor de eliminatie van armoede en sociale uitsluiting onder kinderen.
Tot dit doel kan een hele reeks beleidsmaatregelen noodzakelijk zijn. Onder meer: de toegang tot een kwaliteitshaan verzekeren; het netto-inkomen van laagverdienende werknemers met gezinnen verhogen, hetzij door belastingmaatregelen, stelsels voor sociale bescherming of regelingen voor minimuminkomens; grotere inkomenssteun voor gezinnen met kinderen; de toegankelijkheid, kwaliteit en beschikbaarheid van kinderopvang verbeteren; en toegang voor iedereen tot degelijke en gezonde huisvesting alsook tot levensnoodzakelijke voorzieningen (bv. elektriciteit, water, verwarming).
De Commissie gelooft echter niet dat het opportuun is om via de open coördinatiemethode communautaire maatregelen te treffen; zij heeft hiertoe immers niet de wettelijke bevoegdheid. De verantwoordelijkheid voor de relevante essentiële beleidsgebieden ligt bij de lidstaten.
De Commissie heeft in het verleden, en zij zal dit ook in de toekomst blijven doen, de transnationale uitwisseling van kennis en optimale werkwijzen op dit vlak tussen de lidstaten actief bevorderd. Dit gebeurt door diverse maatregelen:
|
— |
het uitwisselen van optimale werkwijzen inzake de bestrijding van kinderarmoede aanmoedigen via het transnationale uitwisselingsprogramma dat gesteund wordt in het kader van het communautaire actieprogramma ter bestrijding van sociale uitsluiting en via steun aan een Europees netwerk van organisaties die actief zijn op het gebied van de bestrijding van kinderarmoede; |
|
— |
een vergelijkende studie door de universiteit van Dortmund van beleidsmaatregelen ter bestrijding van kinderarmoede. Het eindverslag zal binnenkort beschikbaar zijn; |
|
— |
financiële steun voor de Europese Waarneming spost inzake de sociale situatie, demografie en gezin, die toezicht houdt op demografische, sociaal-economische en beleidstrends in de Unie, met bijzondere aandacht voor gezinskwesties en hun implicaties voor het beleid; |
|
— |
ontwikkeling van een studieprogramma en uitvoering van analysen van sociale trends en demografie, m.i.v. gezins- en armoedeaspecten, in de context van het jaarverslag over de sociale situatie in de Europese Unie. |
(1) COM(2004) 29 def./2.
(2) COM(2003) 773.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/240 |
(2004/C 88 E/0242)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0876/04
van Struan Stevenson (PPE-DE) aan de Commissie
(22 maart 2004)
Betreft: Illegale visserij in de wateren rond de Azoren
De Portugese autoriteiten hebben openlijk bekendgemaakt dat in januari en februari 63 buitenlandse schepen in de wateren rond de Azoren hebben gevist, waarvan 20 binnen de zone van 100 mijl.
De Portugese media beweerden dat het standpunt van de Commissie terzake is dat zij deze visserijactiviteiten als legaal beschouwt omdat zij in overeenstemming zijn met het advies van de „Juridische Dienst” van de Commissie.
Artikel 15 van verordening (EG) nr. 1954/2003 verklaart zeer duidelijk dat de oude regeling die de wateren rond de Azoren beschermt, pas zal worden ingetrokken na 1 augustus 2004 of na goedkeuring van de nieuwe wetgeving inzake de visserij-inspanningen.
Aanvaardt de Commissie volledige verantwoordelijkheid voor de huidige situatie van ongecontroleerde en onbeperkte visserij in de wateren rond de Azoren?
Zo nee, wat overweegt de Commissie hieraan te doen?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(26 april 2004)
De Commissie kan het geachte parlementslid bevestigen dat zij een standpunt heeft ingenomen inzake de toepassing van Verordening (EG) nr. 1954/2003 (1). Dit standpunt is aan de lidstaten meegedeeld in de vorm van een „speaking note”, tijdens de vergadering van de „groep intern/extern visserijbeleid” van de Raad van 19 februari 2004.
Uit dit document vloeit voort dat vis serij-activiteiten van schepen uit de Gemeenschap, met uitzondering van Portugal, in de zone tussen 100 en 200 mijl rond de Azoren, legaal zijn, overeenkomstig de relevante bepalingen van de hierboven vermelde verordening.
De Commissie is niet op de hoogte van ongecontroleerde of illegale activiteiten in bovengenoemde wateren. Als het Gemeenschapsrecht niet wordt nageleefd, is het in elk geval de verantwoordelijkheid van de nationale overheden — administratieve of wetgevende — om passende maatregelen te nemen met het oog op de correcte toepassing van de communautaire voorschriften. Bovendien kan de Commissie op grond van artikel 226 van het EG-Verdrag een procedure inleiden tegen een lidstaat die het Gemeenschaprecht niet naleeft.
Het is in elk geval duidelijk dat de Commissie wenst dat de visserij-activiteiten in deze zone plaatsvinden en onder omstandigheden die voor alle betrokken partijen bevredigend en aanvaardbaar zijn.
(1) Verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad van 4 november 2003 betreffende het beheer van de visserij-inspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap, houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95, PB L 289 van 7.11.2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/241 |
(2004/C 88 E/0243)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0881/04
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(22 maart 2004)
Betreft: Bouw van een verbrandingsinstallatie in het centrum van Portugal
„Quercus”, de Nationale vereniging voor de bescherming van de natuur, heeft de Europese Commissie in oktober 2003 een gedetailleerd verslag doen toekomen over de voornaamste problemen inzake afvalbeheer- en recyclage in Portugal.
Quercus tekent ook bezwaar aan tegen de bouw van een verbrandingsinstallatie waar meer dan 90 % van het huishoudelijk afval van de regio Centro zou worden verwerkt, een voorstel van ERSUC (fabriek voor het huishoudelijk afval van de regio Centro). Quercus meent dat afvalverbranding meer vervuiling oplevert, minder doeltreffend en duurder is.
|
1. |
Wat denkt de Europese Commissie over het verslag van Quercus over de problemen met het beheer en de recyclage van verpakkingsmateriaal in Portugal? |
|
2. |
Is de Commissie op de hoogte van het onderzoek van ERSUC met betrekking tot de bouw van een verbrandingsinstallatie in de regio Centro? Wat is het standpunt van de Commissie ten aanzien van het voorstel? |
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
|
1. |
De Commissie is bezig met de verificatie van de gegevens die haar toegezonden zijn in het door het geachte parlementslid genoemde verslag. De Commissie heeft van Portugal echter nog geen officiële gegevens over de recycling van verpakkingen in het jaar 2002 ontvangen. Overeenkomstig Beschikking 97/138/EG (1) moeten deze gegevens vóór 30 juni 2004 worden ingediend. De gegevens voor gerecycleerd verpakkingsafval die Quercus voor 2002 heeft ingediend, wijken aanzienlijk af van de officiële cijfers voor de jaren 1998 t/m 2001. Volgens de officiële cijfers over 2001 die door Portugal zijn ingediend is er in totaal 484 225 ton aan verpakkingsafval gerecycleerd, terwijl de gegevens van Quercus slechts een totaal van 193 502 ton aan gerecycleerd verpakkingsafval aangeven. Dienovereenkomstig bedraagt de officieel gerapporteerde recyclagehoeveelheid voor 2001 38 %, terwijl de recyclagehoeveelheid die Quercus voor 2002 rapporteert 15 % bedraagt. Het verslag dat Quercus heeft ingediend geeft geen verklaring voor dit verschil, dat waarschijnlijk niet alleen te wijten is aan verschillende referentiejaren. Terwijl bovenstaande gegevens betrekking hebben op recyclage, is volgens Richtlijn 94/62/EG (2) (zoals gewijzigd bij Richtlijn 2004/12/EG (3)) de enige doelstelling die in 2001 voor Portugal van toepassing is 25 % terugwinning of verbranding in afvalverbrandingsinstallaties met energieterugwinning. De gegevens die Portugal voor 2001 heeft ingediend geven aan dat in totaal 667 916 ton verpakking in deze categorie zou vallen. De resulterende hoeveelheid voor terugwinning of verbranding in afvalverbrandingsinstallaties met energieterugwinning bedraagt 52 %. Om deze reden beschikt de Commissie momenteel niet over voldoende aanwijzingen om aan te nemen dat Portugal haar doelstelling voor 2001 niet heeft bereikt. De Commissie zal de officiële gegevens over 2002 en andere relevante informatie die eventueel in de toekomst nog zal worden ingediend, echter wel verifiëren. Het Quercus-verslag verwijst tevens naar andere problemen (transparantie, Groene Punt-tarieven, supermarkten, hergebruik, industriële verpakking, medische verpakking, voorkeursbehandeling van bepaalde bedrijven en typen verpakkingen, en de situatie op de Azoren). Deze zaken vallen echter onder de verantwoordelijkheid van nationale autoriteiten. De Commissie kan op dit moment geen elementen vaststellen die een inbreuk zouden vormen op de richtlijn betreffende verpakking en verpakkingsafval of andere Gemeenschapswetgeving. |
|
2. |
De verantwoordelijke dienst van de Commissie is niet in het bezit van het ERSUC-onderzoek naar de installatie van een verbrandingsinstallatie in de regio Centro in Portugal. Er zijn echter diverse stukken relevante informatie op internet onderzocht. Zolang aan de voorwaarden van de Gemeenschapswetgeving inzake afvalbeheer wordt voldaan, staat het de lidstaten vrij om hun eigen keuzes te maken op het gebied van afvalbeheermethoden. Dit is met name van toepassing op de wijze waarop de verminderingsdoelstellingen voor biologisch afbreekbaar afval op stortplaatsen worden bereikt. Portugal heeft in de nationale strategie voor de vermindering van biologisch afbreekbaar afval op stortplaatsen de bouw aangekondigd van een nieuwe verbrandingsinstallatie in de Litoral Centro. Verder dient te worden opgemerkt dat het verlenen van vergunningen onder de verantwoordelijkheid van de nationale autoriteiten valt, en dat de Commissie hierover niet hoeft te worden geïnformeerd. Vanwege het ontbreken van informatie die het tegendeel bewijst, ziet de Commissie geen reden om aan te nemen dat Portugal niet aan de desbetreffende afvalwetgeving van de Gemeenschap voldoet. |
(1) Beschikking 97/138/EG van de Commissie van 3 februari 1997 tot vaststelling van de vorm van de tabellen voor het database-systeem overeenkomstig Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende verpakking en verpakkingsafval, PB L 52 van 22.2.1997.
(2) Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval, PB L 365 van 31.12.1994.
(3) Richtlijn 2004/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004, PB L 47 van 18.2.2004.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/242 |
(2004/C 88 E/0244)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0902/04
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(19 maart 2004)
Betreft: Gesprekken voor het oplossen van de kwestie-Cyprus
Tijdens zijn vergadering van 23 februari 2004 heeft de Raad verklaard „ingenomen te zijn met de bereidheid van de Europese Commissie de ondersteunende rol te vervullen waar opeenvolgende Europese Raden hun waardering over hebben uitgesproken, door de steun te verlenen waar de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties om heeft gevraagd”.
Kan de Commissie, tegen de achtegrond van de rol die de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties haar gevraagd heeft te vervullen, op basis van de tot nu toe gevoerde gesprekken bevestigen dat rekening wordt gehouden met de noodzaak het communautair acquis op het hele eiland toe te passen, alsook met de noodzaak van een ongedeelde, goed functionerende staat die kan voldoen aan de vereisten voor participatie in de Europese Unie?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(20 april 2004)
De Commissie kan bevestigen dat in de algemene oplossing voor de kwestie-Cyprus, zoals voorgesteld aan de secretaris-generaal van de Verenigde Naties (VN), rekening wordt gehouden met de noodzaak het acquis op het hele eiland toe te passen. Een van de subcomités van de VN houdt zich exclusief bezig met de harmonisatie van toekomstige federale en constitutionele wetten met de communautaire wetgeving. De vergaderingen van dit subcomité worden voorgezeten door deskundigen van de VN met een EU-achtergrond. Deze deskundigen houden ook rekening met het vermogen van het herenigde Cyprus om aan zijn verplichtingen uit hoofde van de EU-wetgeving te voldoen en volledig deel te nemen aan de EU.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/242 |
(2004/C 88 E/0245)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0904/04
van Richard Corbett (PSE) aan de Commissie
(24 maart 2004)
Betreft: Garantie voor automobielen van het merk Mercedes-Benz
Is het de Commissie bekend dat Mercedes-Benz voor alle in het Verenigd Koninkrijk verkochte auto's drie jaar, in alle andere Europese landen slechts twee jaar productgarantie biedt?
Beschouwt de Commissie dit als een belemmering van de vrije handel binnen de EU, aangezien het waarschijnlijk de bedoeling is dat Britse onderdanen liever geen auto van het merk Mercedes-Benz kopen in andere EU-lidstaten?
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(22 april 2004)
In verband met de eerste vraag van het geachte parlementslid zij opgemerkt dat de Commissie er zich inderdaad van bewust is dat sommige automerken, waaronder Mercedes, drie jaar garantie bieden in het Verenigd Koninkrijk en slechts twee jaar in andere lidstaten.
De Commissie is evenwel van oordeel dat de duur van de Mercedes-garantie volledig afhangt van het Europese Daimler Chrysler-marketingbeleid. Mits deze garantie voldoet aan de vereisten van Verordening (EG) nr. 1400/2002 (1) van de Commissie betreffende de motorvoertuigensector (bv. de consument moet over de mogelijkheid beschikken om het even welk lid van het netwerk van herstellers van de automobielproducent binnen de Europese Unie te vragen aan zijn/haar garantie te voldoen), beschouwt de Commissie een langere duur niet als een concurrentiebeperkende praktijk die de vrije handel binnen Europa zou belemmeren.
Net als kortingen kan ook een langere garantieduur immers een goed verkoopargument zijn, maar dit belet de consument geenszins om een auto te kopen buiten het Verenigd Koninkrijk wanneer hij/zij denkt voordeel te behalen door in het buitenland te kopen.
(1) Verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector, PB L 203 van 1.8.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/243 |
(2004/C 88 E/0246)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0905/04
van Richard Corbett (PSE) aan de Commissie
(24 maart 2004)
Betreft: Fietshelmen
Is de Commissie op de hoogte van het standpunt van de Europese Fietsersbond, die tegenstander is van wetgeving die het dragen van een helm verplicht stelt voor fietsers? Is de Commissie in het bijzonder op de hoogte van de studies die worden aangehaald, en die aantonen dat het verplicht dragen van een helm het aantal ongevallen waarbij fietsers zijn betrokken niet doet afnemen?
Is de Commissie bereid deze zaak te onderzoeken en, indien nodig, de behoefte aan dergelijke wetgeving te heroverwegen?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie kent het standpunt van de Europese Fietsersbond over het dragen van een helm door fietsers, en met name van de door het geachte parlementslid genoemde studie.
De Commissie heeft tot op heden geen standpunt ingenomen voor of tegen een communautaire wetgeving betreffende het dragen van een helm door de fietsers. In het derde Europese actieplan voor de verkeersveiligheid, dat in 2003 (1) is aangenomen, en dat het referentiekader vormt voor de initiatieven van de Commissie tot 2010, heeft ze aangekondigd dat ze wil overgaan tot een statistische studie over het dragen van een helm door de fietsers in de Europese Unie en over de doeltreffendheid ervan om de risico's van hersenletsels te verminderen, in het bijzonder bij de 10- tot 14-jarigen, de groep met het hoogste risico. De negatieve of positieve weerslag op het gebruik van de fiets en de maatregelen die in voorkomend geval op het niveau van de Europese Unie moeten worden genomen, zullen eveneens worden bestudeerd. Aangezien deze studie niet tot de prioritaire maatregelen behoort, zal ze echter niet worden gestart vóór 2005.
(1) „Terugdringing van het aantal verkeersslachtoffers in de Europese Unie met de helft in de periode tot 2010: een gedeelde verantwoordelijkheid” — mededeling van de Commissie, COM(2003) 311 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/244 |
(2004/C 88 E/0247)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0908/04
van Paolo Bartolozzi (PPE-DE) aan de Commissie
(24 maart 2004)
Betreft: Dienst van algemeen belang
De Commissie heeft het Groenboek gepubliceerd over diensten van algemeen belang (1), naar aanleiding waarvan een ontwerpresolutie is voorgelegd aan het Europees Parlement op 14 januari 2004.
De Commissie rangschikt (en dit is nieuw) in het document gezondheidszorg onder de diensten van algemeen belang met een niet-economisch karakter door een fundamenteel onderscheid te maken tussen diensten met een economisch en diensten met een niet-economisch karakter, want deze twee categorieën zijn niet aan de zelfde regels in het Verdrag onderworpen.
Het is duidelijk dat de toekomst van de niet-economische diensten van algemeen belang, waaronder gezondheidszorg en sociale zorg, ons op Europese schaal voor vragen stelt zoals die naar de inhoud van het Europese maatschappijmodel.
Daarom wordt opgemerkt dat:
|
— |
de gezondheidszorg wordt gekenmerkt door ethische en sociale waarden, want gericht op bescherming van de gezondheid, als een onvervreemdbaar subjectief recht, wat niet inhoudt dat de voor deze bescherming bedoelde diensten een niet-economisch karakter hebben voor wat organisatie en management betreft, |
|
— |
de economische en niet-economische diensten kunnen binnen één en dezelfde sector naast elkaar bestaan, want het onderscheid tussen economische en niet-economische activiteiten vertoont een dynamisch en evoluerend karakter, |
|
— |
bij de in veel lidstaten doorgevoerde hervormingen is het gemeenschappelijk doel om de beginselen van welzijn als maatschappelijke keuze in stand te houden door het invoeren van concurren-tiemechanismen tussen meerdere aanbieders (overheids en particulier) waaruit de burger keuzevrijheid heeft. |
Om bovengenoemde redenen lijkt het onnodig om gezondheidszorg te rangschikken onder diensten van algemeen belang met een niet-economisch karakter omdat zij niet onderworpen zijn aan specifieke communautaire regels noch aan de regels van het Verdrag voor de interne markt.
De vraag aan de Commissie luidt:
|
— |
waarom gezondheidszorg niet wordt gerangschikt onder de diensten van algemeen economisch belang omdat voor deze diensten wordt gedacht aan gemeenschappelijke verplichtingen ter bescherming van de burger zoals een universeel karakter, continuïteit, kwaliteit, toegankelijkheid en veiligheid; |
|
— |
door op deze wijze gezondheidszorg te onttrekken aan het proces van voltooiing van de interne markt dreigt het gevaar dat men het door veel lidstaten gestelde doel uit het oog verliest nl. om de voordelen van de efficiency van de markt binnen te halen zonder evenwel maatschappelijke rechtvaardigheid te verwaarlozen die is gegarandeerd door het aansturen, het toezicht en de verantwoordelijkheid van de staat. |
|
— |
Op welke grondslag wordt gezondheidszorg uitgesloten van de algemene teneur die is geschetst in de mededeling van de Commissie over strategie voor de interne dienstenmarkt? Erkenning van gezondheidszorg als dienst van algemeen economisch belang, dus onderworpen aan de tucht van de concurrentie ter wille van de kwaliteit, lijkt mij nu juist dienstig voor het in de praktijk realiseren van het communautair doel van een hoog beschermingsniveau van de gezondheid. |
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(30 april 2004)
Gezondheidsstelsels die voldoen aan publieke doelstellingen zijn in beginsel — al dan niet economische — diensten van algemeen belang. Het is evenwel aan de lidstaten om in het kader van hun algemene verantwoordelijkheid voor de organisatie van de gezondheidsdiensten en -zorg de desbetreffende openbaredienstverplichtingen vast te leggen. De verschillen bij de organisatie van de nationale gezondheidssectoren resulteren in uiteenlopende juridische posities ten opzichte van het Gemeenschapsrecht en de communautaire bepalingen inzake diensten van algemeen belang. Het is wellicht van belang in dit verband onderscheid te maken tussen het verlenen van gezondheidsdiensten en de systemen ter financiering daarvan. Tegen vergoeding aangeboden gezondheidsdiensten zijn een economische activiteit in de zin van het EG-Verdrag, ongeacht de wijze waarop zij gefinancierd worden (zie C-158/96 Kohll en C-157/99 Smits-Peerbooms). Anderzijds zijn op solidariteit berustende, non-profit socialezekerheids-fondsen geen ondernemingen in de zin van de mededingingsregels van het EG-Verdrag (zie C-159/91 en C-l60/91 Poucet-Pistre en - meer recentelijk op 16 maart 2004 - C-264/01, C-306/01, C-354/01 en C-355/01 ΑΟΚ Bundesverband). De organisatie en status van de diverse nationale gezondheidsstelsels bepaalt echter tot welke categorie zij behoren.
Niettemin hebben alle gezondheidsstelsels in de Unie — ondanks hun verscheidenheid — gemeenschappelijke waarden inzake toegankelijkheid, kwaliteit en blijvende betaalbaarheid gemeenschappelijk. Bovendien kunnen patiënten, dienstverleners en de voor de gezondheidsstelsels verantwoordelijken gebruik maken van de potentiële voordelen van mobiliteit en samenwerking in geheel Europa. De bepalingen inzake de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (die op het ogenblik worden vereenvoudigd) en de binnenkort in te voeren Europese ziekteverzekeringskaart dragen er op efficiënte wijze toe bij dat patiënten overal in de Unie toegang krijgen tot gezondheidszorg en vergoeding ontvangen. De Commissie heeft een voorstel gedaan voor een richtlijn betreffende diensten op de interne markt (2), waardoor grensoverschrijdende dienstverlening eenvoudiger zal worden en dat een specifieke verduidelijking ten aanzien van de vergoeding van kosten voor de gezondheidszorg bevat.
De ministers van Volksgezondheid en andere bij dit terrein betrokken partijen nemen deel aan het „Denkproces op hoog niveau over de mobiliteit van patiënten en de ontwikkelingen in de gezondheidszorg in de Europese Unie”. Het verslag van deze studiegroep bevat negentien aanbevelingen inzake Europese samenwerking ten behoeve van een betere benutting van de middelen, voorlichting van patiënten, de betrokken beroepsgroepen en dienstverleners; de toegang tot en de kwaliteit van de gezondheidszorg; een passend antwoord op de uitbreiding via investeringen in de gezondheidszorg; en de afstemming van nationale doelstellingen op Europese verplichtingen. De Commissie heeft op deze aanbevelingen gereageerd met het voorstel de open coördinatiemethode ook toe te passen op de gezondheidszorg en zorg op de lange termijn. Al deze verschillende initiatieven vormen tezamen een geïntegreerde strategie, waardoor patiënten in staat worden gesteld hun rechten in verband met de gezondheidszorg in overeenstemming met de Europese wetgeving in andere lidstaten uit te oefenen en de Europese samenwerking tussen stelsels voor de gezondheidszorg vereenvoudigd wordt, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de verantwoordelijkheden van de lidstaten voor de organisatie en het verlenen van gezondheidsdiensten en gezondheidszorg.
(1) COM(2003)270.
(2) COM(2004) 2 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/245 |
(2004/C 88 E/0248)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0913/04
van Philip Bradbourn (PPE-DE) aan de Commissie
(19 maart 2004)
Betreft: Controle rijbewijzen
Kan de Commissie meedelen welk percentage van de vrachtwagenchauffeurs die de Unie vanuit niet-lidstaten binnenkomen regelmatig wordt gecontroleerd in verband met de rijbewijzenregelingen bij het bereiken van de buitengrenzen van de Unie, met name de Duitse en de Oostenrijkse grens?
Welk minimumpercentage stellen de Commissie en de lidstaten voor dergelijke controles voor zodat er na de uitbreiding overal aan de nieuwe grenzen rijbewijzencontroles plaatsvinden?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(23 april 2004)
Verordening (EEG) nr. 881/92 van de Raad van 26 maart 1992 betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Gemeenschap van of naar het grondgebied van een lidstaat of over het grondgebied van een of meer lidstaten (1), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 484/2002 (2), bepaalt dat door de betrokken lidstaat op verzoek van de houder van de communautaire vergunning een bestuurdersattest moet worden afgegeven voor iedere bestuurder die onderdaan is van een derde land en die hij wettig tewerkstelt dan wel die hem wettig ter beschikking is gesteld. Dit impliceert dat alleen bestuurders die onderdaan zijn van een derde land en een in de Gemeenschap geregistreerd voertuig besturen voor het (onder dekking van een communautaire vergunning) uitvoeren van internationaal goederenvervoer bij controle een bestuurdersattest moeten kunnen overleggen, onder andere wanneer zij via de buitengrenzen de Gemeenschap binnenkomen.
In beginsel worden op dit moment alle bestuurders die vallen onder de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 881/92 aan de buitengrenzen gecontroleerd wanneer zij via de buitengrenzen de Gemeenschap binnenkomen. Die situatie verandert niet na de uitbreiding.
Verder is in de genoemde verordening bepaald dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging er regelmatig op dienen toe te zien, door ieder jaar ten minste 20 % van de in deze lidstaat afgegeven geldende attesten te controleren, of nog wordt voldaan aan de voorwaarden voor de afgifte van een bestuurdersattest.
Tot slot zij erop gewezen dat Verordening (EG) nr. 484/2002 niet tot doel heeft de interne markt te beschermen tegen concurrerende ondernemingen uit derde landen, maar wel de goede werking van de interne markt voor het wegvervoer te waarborgen.
(2) Verordening (EG) nr. 484/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 1 maart 2002 tot wijziging, met het oog op de invoering van een bestuurdersattest, van Verordeningen (EEG) nr. 881/92 en (EEG) nr. 3118/93 van de Raad, PB L 76 van 19.3.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/246 |
(2004/C 88 E/0249)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0914/04
van Caroline Lucas (Verts/ALE) aan de Commissie
(24 maart 2004)
Betreft: Het illegaal vangen van vogels op Cyprus
Elk jaar worden naar schatting 12 miljoen vogels, die op doortocht zijn door Cyprus, illegaal gevangen. Het gebruik van vangstmethodes als netten en lijmstokken, die in strijd zijn met de vogelrichtlijn, is nog steeds wijdverspreid.
Onder de huidige omstandigheden moet Cyprus vanaf 1 mei 2004 de vogelrichtlijn (79/409/EEG (1)) en de habitatrichtlijn (92/43/EEG (2)) volledig invoeren en handhaven. Welke maatregelen zal de Commissie nemen om het gebruik van illegale vangstmethoden aan banden te leggen en ervoor te zorgen dat beide richtlijnen op het moment van toetreding volledig uitgevoerd en gehandhaafd worden?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
Tijdens de toetredingsonderhandelingen en de daaropvolgende pretoetredingsperiode heeft de Commissie duidelijk aangegeven dat bepaalde vangstmethoden, zoals het gebruik van netten en lijmstokken, in strijd zijn met het bepaalde in de Vogelrichtlijn, Richtlijn 91/244/EEG van de Commissie van 6 maart 1991 (3) tot wijziging van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand. Deze praktijken zijn illegaal op Cyprus en de Cypriotische autoriteiten hebben de Commissie verzekerd dat ze zich extra zullen inspannen om de desbetreffende wetgeving op doeltreffende wijze te handhaven.
Cyprus dient erop toe te zien dat de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 31 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna) vanaf de datum van toetreding tot de Europese Unie volledig ten uitvoer worden gelegd. Vanaf 1 mei 2004 zal de Commissie de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat deze richtlijnen volledig worden uitgevoerd, zoals ze dat bij elke andere lidstaat zou doen.
Cyprus heeft deze twee richtlijnen tijdens de pretoetredingsperiode omgezet en is dus op grond van de nationale wetgeving van Cyprus verplicht ze uit te voeren.
(1) PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1.
(2) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/247 |
(2004/C 88 E/0250)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0916/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: Ierland en de wetgeving inzake veiligheid op zee
Welk antwoord heeft de Commissie van Ierland ontvangen op het starten van een juridische procedure zoals aangekondigd in juli 2003 (persmededeling IP/03/1116) inzake het verzuim van Ierland om te voldoen aan richtlijn 2001/105/EG (1) inzake de inspectie van schepen en richtlijn 2001/106/EG (2) inzake havenstaatcontrole. Welke maatregelen heeft de Commissie genomen of overweegt ze terzake?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(23 april 2004)
Bij schrijven van 25 juli 2003 heeft Ierland aan de Commissie de nationale maatregelen meegedeeld (European Communities (Ship Inspection and Survey Organisations) Regulations 2003 — S.I. No. 301) met het oog op de omzetting van Richtlijn 2001/105/EG van het Parlement en de Raad van 19 december 2001 inzake de inspectie van schepen (3).
Bij schrijven van 1 juli 2003 heeft Ierland aan de Commissie de nationale maatregelen meegedeeld (European Communities Merchant Shipping (Port State Control) (Amendment) Regulations 2003 — S.I. No. 243 of 2003) waarmee Richtlijn 2001/106/EG van het Parlement en de Raad van 19 december 2001 inzake havenstaatcontrole wordt omgezet (3).
Hierdoor, en bij besluit van de Commissie van 15 oktober 2003, zijn de tegen Ierland ingeleide inbreukprocedures wegens niet-mededeling van nationale maatregelen tot omzetting van bovengenoemde richtlijnen, geseponeerd.
(1) PB L 19 van 22.1.2002, blz. 9.
(2) PB L 19 van 22.1.2002, blz. 17.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/247 |
(2004/C 88 E/0251)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0917/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: De naleving van de kaderrichtlijn Afval door Ierland in verband met de behandeling van stedelijk afvalwater
Met mijn schriftelijke vraag E-0077/04 (1) wou ik onderzoeken of Ierland geantwoord heeft op het met redenen omkleed advies dat de Commissie in juli 2003 (zoals aangekondigd in persmededeling IP/03/1108) naar het land gestuurd heeft inzake de behandeling van stedelijk afvalwater in Ierland en de mogelijke niet-naleving van de kaderrichtlijn Afval van 1975 en wat de mening van de Commissie over deze materie is.
De Commissie verwees in haar antwoord op die vraag, gegeven op 2 maart 2004, waarschijnlijk naar een met redenen omkleed advies, verzonden op 7 oktober 2002, inzake een totaal verschillende juridische kwestie die valt onder richtlijn 91/271/EEG (2) van de Raad betreffende de behandeling van stedelijk afvalwater.
Kan de Commissie mededelen welk antwoord ze eventueel ontvangen heeft van de Ierse regering op het met redenen omkleed advies dat ze in juli 2003 (zoals aangekondigd in persmededeling IP/03/1108) naar het land gestuurd heeft inzake het verzuim van Ierland om zijn wetgeving af te stemmen op de kaderrichtlijn Afval (richtlijn 75/442/EEG (3) van de Raad inzake afval, gewijzigd door richtlijn 91/156/EEG (4)) in verband met stedelijke waterzuiveringsinstallaties en, in het bijzonder, inzake het verzuim van Ierland om te waarborgen dat deze installaties onderworpen worden aan het vergunningensysteem dat in de richtlijn vereist wordt, dat er onder andere voor zorgt dat de geur die door deze installaties verspreid wordt, gereguleerd en gecontroleerd wordt.
Wat is de mening van de Commissie over het antwoord van de Ierse regering en welke maatregelen neemt ze nu of overweegt ze te nemen terzake?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
Het met redenen omkleed advies waarnaar het geachte parlementslid verwijst heeft betrekking op de naleving door Ierland van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991. Meer bepaald heeft het betrekking op de naleving door Ierland van de voorwaarden van de Richtlijn in verband met de geuruitstoot van waterzuiveringsinstallaties. Volgens artikel 2, lid 1, van de Richtlijn (5) wordt afvalwater van de werkingssfeer van de Richtlijn uitgesloten „wanneer zij reeds onder andere voorschriften vallen.” De Commissie heeft betoogd dat de geuruitstoot van Ierse waterzuiveringsinstallaties vanwege het ontbreken van andere wetgeving gereguleerd moest worden in overeenstemming met Richtlijn 91/156/EEG. Op 7 augustus 2003 vroeg Ierland om een verlenging van de periode waarbinnen geantwoord moest worden. Op 11 september 2003, nog voordat enig antwoord was ontvangen, wees het Europese Hof van Justitie arrest 2003 in zaak C-114/01 (AvestaPolarit Chrome Oy), dat de betekenis van het zinsdeel „wanneer zij reeds onder andere voorschriften vallen” uit artikel 2, lid 1, van de Richtlijn interpreteert. Teneinde rekening te houden met de implicaties van dit arrest voor afvalwater alsmede een aantal andere afvalcategorieën als bedoeld in artikel 2, lid 1, heeft de Commissie op 19 december 2003 in het kader van dezelfde inbreukprocedure een aanvullende schriftelijke aanmaning aan Ierland gezonden (6). Ierland heeft vervolgens gevraagd om de periode waarbinnen deze aanmaning beantwoord moest worden met twee maanden te verlengen, aan welk verzoek is voldaan.
(1) PB C 84 E van 3.4.2004, blz. 759.
(2) PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40.
(3) PB L 194 van 25.7.1975, blz. 39.
(4) PB L 78 van 26.3.1991, blz. 32.
(5) Artikel 2, lid 1 van de Richtlijn luidt: Buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen de volgende stoffen:
|
a) |
gasvormige effluenten die in de atmosfeer worden uitgestoten: |
|
b) |
wanneer zij reeds onder andere voorschriften vallen:
|
(6) 2000/4158.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/248 |
(2004/C 88 E/0252)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0920/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: De behandeling van afgewerkte olie in Ierland
Welk antwoord heeft de Commissie van Ierland ontvangen op het in juli 2001 naar dit land gezonden met redenen omkleed advies (zoals aangekondigd in persmededeling IP/01/1144), inzake het feit dat Ierland geen, overeenkomstig richtlijn 75/439/EEG inzake afgewerkte olie (1), voorrang geeft aan de regeneratie van afgewerkte olie, maar deze in plaats daarvan verwijdert? Welke maatregelen heeft de Commissie ondernomen of overweegt ze te nemen inzake deze materie?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
Het met redenen omkleed advies waarnaar het geachte parlementslid verwijst heeft betrekking op de uitvoering door Ierland van een bepaling in Richtlijn 75/439/EEG van 16 juli 1975, die de lidstaten voorschrijft voorrang te geven aan de regeneratie van afgewerkte olie, in plaats van deze te verwijderen. De Commissie heeft gelijksoortige stappen ondernomen tegen verscheidene andere lidstaten. Op 14 november 2001 gaven de Ierse autoriteiten antwoord en verklaarden zij dat de hoeveelheid afgewerkte olie die in Ierland ontstaat, de regeneratie van afgewerkte olie oneconomisch maakt. Op 25 april 2002 legden zij kopieën over van twee onderzoeken die deze conclusie volgens hen staafden. Uit bestudering van de openbaar gemaakte onderzoeken kwamen nog meer problemen bij de naleving van de richtlijn aan het licht, met name een hoog niveau van niet-geregistreerde verwijdering van afgewerkte olie in Ierland. Teneinde deze bredere problemen aan te pakken, heeft de Commissie op 11 juli 2003 een aanvullende schriftelijke aanmaning gezonden, die Ierland op 27 november 2003 heeft beantwoord. De Commissie zal later in 2004 nadere besluiten over de kwestie nemen.
(1) PB L 194 van 25.7.1975, blz. 23.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/249 |
(2004/C 88 E/0253)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0929/04
van Glyn Ford (PSE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: De promotie van zuivelproducten
Steller van de vraag heeft een brief ontvangen van een kiezer uit zijn kiesdistrict die gevraagd heeft of er een bepaling bestaat voor de bevordering van de zuivelproductenindustrie in het Verenigd Koninkrijk. De persoon in kwestie verkoopt producten op basis van melk en zag reclame voor melk op de televisie die gesponsord werd door de EU. Hij vroeg zich af er nog andere financieringsregelingen beschikbaar zijn.
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(29 april 2004)
De promotiecampagne waarnaar het geachte parlementslid verwijst, maakt onderdeel uit van een nationale promotiecampagne voor melk, die georganiseerd wordt door de Dairy Council met medefinanciering (Verenigd Koninkrijk 50 %) van de Europese Unie.
De Commissie medefinanciert programma's om bepaalde landbouwproducten van de Europese Unie te promoten. Melk en zuivelproducten behoren tot de sectoren die voor steun in aanmerking komen. Promotiecampagnes als deze zijn algemeen van aard en nooit afgestemd op bepaalde merknamen of ondernemingen. Ze vestigen de aandacht op de voordelen van Europese productie op het gebied van kwaliteit, voedselveiligheid, voeding, etikettering, dierenwelzijn en respect voor het milieu.
Volgens de procedure nodigt de autoriteit in de lidstaat die voor deze campagne verantwoordelijk is (in het geval van het Verenigd Koninkrijk gaat het om het Rural Payments Agency) professionele of interprofessionele organisaties die representatief zijn voor hun sector, uit om ontwerpen voor promotie- of informatieprogramma's in te dienen. In samenwerking met een uitvoeringsbureau dat via een openbare aanbestedingsprocedure is geselecteerd, stelt de beroepsorganisatie een programma op basis van stringente subsidiabiliteitscriteria. Er zijn tevens vaste voorwaarden op grond waarvan in het programma verplicht melding moet worden gemaakt van de door de Gemeenschap verleende steun.
Het directoraat-generaal Landbouw heeft een website met meer informatie. Het adres is: http://europa.eu.int/comm/agriculture/prom/index_nl.htm. Hierop staat een volledige uitleg, met inbegrip van de wettelijke regelgevende basis voor de programma's (de Verordeningen (EG) nr. 2826/2000 (1) en (EG) nr. 94/2002 (2)).
Naast het door de Dairy Council georganiseerde programma, loopt er in Britse scholen momenteel een door de Gemeenschap medegefinancierde melkpromotiecampagne, georganiseerd door Dairy Industry Association Ltd.
(1) Verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad van 19 december 2000 betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt, PB L 328 van 23.12.2000.
(2) Verordening (EG) nr. 94/2002 van de Commissie van 18 januari 2002 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt, PB L 17 van 19.1.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/250 |
(2004/C 88 E/0254)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0933/04
van John Purvis (PPE-DE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: Energie uit het Gemenebest van Onafhankelijke Staten
Welke maatregelen wil de Commissie nemen om de aansluiting op het elektriciteitsnet tussen het Gemenebest van Onafhankelijke Staten en de Europese Unie te verbeteren?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie steunt de activiteiten die momenteel worden verricht door de Unie voor de Coördinatie van het Transport van Elektriciteit (UCTE) — het orgaan dat verantwoordelijk is voor de coördinatie van de exploitatie van het continentale Europese elektriciteitsnet — en haar tegenhangers in Rusland en de nieuwe onafhankelijke staten met als doel de mogelijkheden te onderzoeken voor een koppeling tussen het geïntegreerde systeem van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten en het elektriciteitssysteem van de Europese Unie. Koppelingen met Rusland en de andere GOS-buurlanden (1) van de Europese Unie, waaronder Oekraïne, zijn opgenomen in bijlage III (projecten van gemeenschappelijk belang) van Beschikking 1229/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector en houdende intrekking van Beschikking nr. 1254/96/EG (2), en komen uit dien hoofde in aanmerking voor eventuele financiële steun.
Om evenwel de integratie van de elektriciteitsmarkt van de EU en die van buurlanden tot een succes te maken, is een level playing field inzake markt- en milieunormen, met inbegrip van nucleaire veiligheid, uitdrukkelijk een eerste vereiste.
(1) Gemenebest van Onafhankelijke Staten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/250 |
(2004/C 88 E/0255)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0935/04
van Hans Kronberger (NI) aan de Commissie
(22 maart 2004)
Betreft: Europese strategie voor milieu en gezondheid — SCALE
Aan het begin van de zomer van vorig jaar heeft de Commissie de Europese strategie voor milieu en gezondheid (SCALE) gelanceerd.
In haar perscommuniqué van 11 juni 2003 (IP/03/823) beschrijft de Commissie de vijf kernelementen van deze strategie. Als tweede kernelement wordt specifiek aandacht gevraagd voor kinderen, aangezien deze bijzonder gevoelig op milieu-invloeden reageren. De Commissie spreekt in dit verband van 157 miljoen kinderen in Europa die onder bijzondere milieu-gerelateerde problemen te lijden (zouden) hebben.
Volgens de uitgave 2000 van „de Europese Unie in cijfers” bedroeg het aandeel van de 0 tot 14-jarigen in 1998 minder dan 20 % van de EU-bevolking. Ervan uitgaand dat de Europese Unie ongeveer 370 miljoen burgers telt, zou dit betekenen dat de leeftijdscategorie jonger dan 15 jaar hooguit bestaat uit 74 miljoen personen. Zelfs als rekening wordt gehouden met de groei van de bevolking van de EU als gevolg van de uitbreiding, zou het genoemde aantal van 157 miljoen kinderen in Europa nauwelijks waarschijnlijk zijn.
Kan de Commissie in dit verband de volgende vragen beantwoorden:
|
1. |
Volgens welke criteria heeft de Commissie het betreffende aantal van 157 miljoen kinderen in Europa berekend? |
|
2. |
Is het mogelijk dat het bij het door de Commissie genoemde aantal om een drukfout gaat? |
|
3. |
Zo ja, kan de Commissie dan het exacte aantal kinderen aangeven dat in Europa onder milieu-gerelateerde problemen te lijden heeft? |
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
|
1. |
De Commissie heeft het aantal van 157 miljoen kinderen in Europa gebaseerd op de bevolkingsdatabase van de Verenigde Naties aangezien directoraat-generaal Eurostat op dat moment geen gegevens beschikbaar had. Dit aantal heeft betrekking op het aantal 0- tot 15-jarigen in Europa in 2000, maar het betreft hier het totaal aantal kinderen dat in Europa woont en niet het aantal kinderen dat te lijden heeft onder milieu-gerelateerde ziekten. |
|
2. |
Het aantal dat de Commissie noemt is geen drukfout. De desbetreffende website is www.un.org/ popin/data.html. |
|
3. |
De Commissie beschikt in dit stadium niet over betrouwbare cijfers inzake het aantal kinderen in Europa dat te lijden heeft onder milieu-gerelateerde ziekten. Men schat dat misschien wel een vijfde van de totale ziektelast in geïndustrialiseerde landen te wijten is aan milieu-gerelateerde factoren (1). Kinderen zijn in dit verband een belangrijke doelgroep aangezien ze bijzonder gevoelig zijn voor milieu-invloeden. Een zeer belangrijke ontwikkeling in dit verband is de sterke toename van astma onder kinderen in ontwikkelde westerse landen tot niveaus waarbij circa 10 procent van de kinderen last heeft van astmatische symptomen. Door middel van een monitoring systeem voor milieu en gezondheid dat als een belangrijke prioriteit in het kader van de Europese strategie voor milieu en gezondheid wordt ontwikkeld, zullen in de toekomst specifieke ramingen kunnen worden gemaakt van het aantal kinderen dat te lijden heeft onder milieu-gerelateerde ziekten. |
(1) „How much global ill health is attributable to environmental factors?” — K. R. Smith et al, Epidemiology 1999.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/251 |
(2004/C 88 E/0256)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0938/04
van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: Religieuze minderheden Gujarat
Na beantwoording door de Commissie op 15 mei 2003 van vragen van mij en enkele collega's van 9 april 2003 (E-1417/03 (1)), is de situatie in Gujarat met betrekking tot de berechting van de daders van de massamoord van februari 2002 en de rehabilitatie van de slachtoffers en/of hun nabestaanden nauwelijks verbeterd. In november 2003 berichtte Amnesty International nog over de illegale detentie van moslims in Gujarat. Al eerder was er het rapport van Human Rights Watch over de bedreiging van mensenrechtenactivisten in Gujarat. AWAAZ South Asia Watch concludeerde onlangs in het rapport „In Bad Faith? British Charity and Hindu Extremism” dat mantelorganisaties van de Hindoe-extremistische RSS onder valse voorwendselen miljoenen ponden bij het Britse publiek hebben ingezameld die zijn doorgesluisd naar organisaties betrokken bij grootscheeps geweld en aanwakkeren van haat tegen minderheden. Ten slotte zijn er diverse berichten dat moslims worden gediscrimineerd op de arbeidsmarkt.
|
1. |
Heeft de Commissie kennis genomen van bovengenoemde rapporten van Amnesty International, Human Rights Watch and AWAAZ? |
|
2. |
Heeft de Commissie terzake actie ondernomen? |
|
3. |
Zo ja, wat is het resultaat? Zo nee, waarom niet? |
|
4. |
Heeft de huidige situatie in Gujarat gevolgen voor het daadwerkelijk kunnen toepassen van het non-discriminatiebeginsel bij het personeelsbeleid van Europese bedrijven? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie heeft kennis genomen van de door het geachte parlementslid genoemde rapporten en volgt nauwlettend de ontwikkelingen in Gujarat. Zij onderschrijft dat de daders van de misdaden voor het gerecht worden gebracht, dat de slachtoffers moeten worden gerehabiliteerd en dat de rechten van religieuze minderheden moeten worden beschermd.
In reactie op de gewelddadigheden in Gujarat heeft de Commissie via haar Bureau voor humanitaire hulp (ECHO) noodhulp verleend voor de slachtoffers.
Voorts heeft de EU ermee ingestemd alle kwesties in verband met democratie en mensenrechten in India aan de orde te stellen in haar regelmatige constructieve dialoog met de Indiase Regering.
India en de EU zijn onlangs begonnen met het „proces van Athene” — regelmatig overleg over mensenrechten met de Indiase autoriteiten — waarin van mening wordt gewisseld over kwesties waarover bezorgdheid bestaat. Hoofden van EU-missies in New Delhi (inclusief het Hoofd van de Delegatie van de Commissie) volgen nauwlettend de mensenrechtenvraagstukken, waarbij bijzondere aandacht uitgaat naar de situatie in Gujarat en vraagstukken op het gebied van godsdienstvrijheid.
Het is niet aan de Commissie om expliciete aanbevelingen te richten tot particuliere ondernemingen betreffende hun handelen in derde landen. De Commissie heeft zich er daarentegen wel toe verbonden ondernemingen aan te moedigen zich te houden aan de richtsnoeren van de Verenigde Naties (VN) en de EU betreffende maatschappelijk verantwoord ondernemen. Deze verwijzen met name naar de noodzaak de mensenrechten van werknemers te beschermen en te bevorderen en discriminatie van minderheden te vermijden.
(1) Zie blz. 30.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/252 |
(2004/C 88 E/0257)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0940/04
van Robert Evans (PSE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: Kerken in Indonesië
Ik heb verscheidene brieven gekregen van inwoners van mijn kiesdistrict over Rinaldy Damanik, leider van de protestants-christelijke gemeenschap in Centraal-Sulawesi, Indonesië. Bezit de Commissie verdere informatie over zijn situatie als aanvulling op het antwoord dat ze gegeven heeft op schriftelijke vraag E-2815/03 (1) in oktober 2003?
Is de Commissie ook op de hoogte van de recente sluitingen van verscheidene kerken in Indonesië en van het feit dat er geen oplossing is gevonden voor de gedwongen bekeringen tot de islam van duizenden christenen tijdens sektarische conflicten op de Molukken? Laat de Commissie van zich horen om de Indonesische regering aan te moedigen om een eind te maken aan dit en andere voorbeelden van de vervolging van christenen in Indonesië?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(23 april 2004)
De zaak van Dominee Damanik wiens vonnis tot drie jaar gevangenschap vanwege onwettig wapenbezit eind 2003 door het Hooggerechtshof werd bevestigd, wordt door de Commissie nog steeds gevolgd. Aangezien Dominee Damanik reeds anderhalf jaar gevangenschap achter zich heeft, bestaat de mogelijkheid van vervroegde vrijlating.
De delegatie van de Commissie te Jakarta heeft contact opgenomen met de niet-gouvernementele organisatie (NGO) voor mensenrechten die gerelateerd is aan de Indonesische protestantse kerken, welke NGO na het vonnis van de hoogste rechterlijke instantie het bijstaan van Dominee Damanik heeft overgenomen. Zij werd ervan in kennis gesteld dat werd bekeken of het beginnen van een nieuwe zaak, met nieuw bewijs en nieuwe getuigen, kans zou maken.
Wat de gebieden betreft waar de religieuze spanningen hoog oplopen, put de Commissie moed uit inlichtingen van de zijde van plaatselijke religieuze groeperingen dat zij oecumenisch gaan samenwerken en elkaar wederzijds bescherming willen verlenen. De Commissie heeft onlangs een van deze oecumenische groeperingen ontvangen die in de provincie van de Molukken actief is.
De Commissie blijft de toestand van de vrijheid van godsdienst in Indonesië nauwlettend volgen. Daarenboven is steun aan organisaties die de rechten van minderheden in Indonesië verdedigen een deel van het EU-samenwerkingprogramma met dat land, vooral via projecten die krachtens het Europese initiatief voor democratie en mensenrechten steun krijgen.
(1) Zie blz. 117.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/253 |
(2004/C 88 E/0258)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0941/04
van Robert Evans (PSE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: Genetisch gemodificeerde organismen (GGO's)
Is de Commissie op de hoogte van de zaak Percy Scmeiser — Monsanto die aanhangig gemaakt werd bij het Hooggerechtshof in Canada? De zaak gaat zowel over de verantwoordelijkheid voor het mengen van genetisch gemodificeerde gewassen met conventionele en biologische gewassen en de opzettelijke en onopzettelijke verspreiding van GGO's in het milieu als over de schending van het patentrecht.
In de rechtzaak vroeg men zich af of men kan spreken van schending van het patentrecht als de boeren die daarvan beschuldigd worden zelf slachtoffers zijn van de onopzettelijke verspreiding van GGO's.
Als antwoord op schriftelijke vraag E-0819/03 (1) heeft de Commissie verwezen naar haar internationale discussies over aansprakelijkheid en vergoedingen in de context van het Bioveiligheidsprotocol. Kan de Commissie waarborgen dat er voorzorgsmaatregelen opgenomen worden zodat de herhaling van dergelijke juridische situaties vermeden kan worden?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
Het geachte parlementslid maakt in de vraag melding van de zaak voor het Hooggerechtshof van Canada van Percy Schmeiser v Monsanto betreffende een vooronderstelde schending van een octrooi volgend op de verspreiding van genetisch materiaal in conventionele gewassen.
In de EU valt de schending van octrooien onder het recht van de lidstaten. De Commissie is zich niet bewust van het bestaan van soortgelijke moeilijkheden binnen de EU.
Het geachte parlementslid verwijst met name naar de debatten over aansprakelijkheid en vergoedingen voor schade voortvloeiende uit de grensoverschrijdende verplaatsing van genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) in de context van het protocol van Cartagena inzake bioveiligheid.
Op de eerste vergadering van de partijen bij het protocol van Cartagena inzake bioveiligheid van de Conventie over Biologische Diversiteit, die in februari 2004 gehouden werd in Kuala Lumpur, is overeengekomen om een procedure op te starten met betrekking tot het uitwerken van toepasselijke internationale regels en procedures op het gebied van aansprakelijkheid en vergoedingen. Daartoe heeft de vergadering van de partijen een ad-hocwerkgroep van juridische en technische deskundigen op het gebied van aansprakelijkheid en vergoedingen opgericht, die voor alle partijen openstaat en die tussen 2005 en 2007 vijf keer bijeen zal komen, en is een brede opdrachtomschrijving voor deze groep aangenomen. Daarnaast heeft de vergadering van de partijen besloten dat een technische groep deskundigen later in 2004 bijeen zal komen om de noodzakelijke voorbereidende werkzaamheden voor deze procedure te verrichten.
De opdrachtomschrijving die de vergadering van de partijen heeft aangenomen is tamelijk breed en laat voor de discussie door de partijen alle opties open. Het is daarom onmogelijk om in deze prille fase de werkingssfeer en de aard van de regels en procedures te voorspellen die aan het einde van de onderhandelingsprocedure zullen worden aangenomen.
Het geachte parlementslid kan ervan uitgaan dat de Commissie tijdens de verwachte onderhandelingen haar uiterste best zal doen om tot werkbare en effectieve regels en procedures te komen, die een bijdrage zullen leveren aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het protocol van Cartagena.
(1) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 358.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/254 |
(2004/C 88 E/0259)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0943/04
van Cristiana Muscardini (UEN) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: Onderzoekprogramma's en multiple sclerose
Nog steeds is weinig bekend over de oorzaken van multiple sclerose. Aangenomen wordt dat de ziekte het resultaat is van een samenspel van genetische, immunologische en omgevingsfactoren. Het zoeken naar verbanden tussen de diverse factoren zou dan ook een manier kunnen zijn om achter de oorzaken te komen van deze aandoening, waaraan volgens het European Multiple Sclerosis Platform 400 000 mensen in de Europese Unie lijden.
Ik refereer in dat verband ook aan de resolutie van het EP van 18 december 2003 (A5-0451/2003 — P5_TA(2003)0601): „overwegende dat het van essentieel belang is de financiële middelen voor onderzoek naar MS binnen de Europese Unie te verhogen en de complementariteit van onderzoeksprojecten te verbeteren gezien de combinatie van factoren waardoor de ziekte vermoedelijk wordt veroorzaakt”.
|
1. |
Acht de Commissie het niet nodig om in het volgende Kaderprogramma voor onderzoek in de context van de neurodegeneratieve aandoeningen een bijzondere verwijzing naar de hersenaandoeningen en met name multiple sclerose op te nemen? |
|
2. |
Acht de Commissie het niet nodig dat dit onderzoek prioriteit krijgt in het Zevende Kaderprogramma, gelet op het feit dat het Zesde Kaderprogramma geen aandacht heeft besteed aan de integratie van de invaliditeitsvraag stukken in het communautair beleid en dat het niveau van het onderzoek naar handicaps en ziekten als multiple sclerose in feite drastisch is gedaald? |
Antwoord van de heer Busquin namens de Commissie
(28 april 2004)
De Commissie wil er allereerst op wijzen dat fundamenteel en klinisch onderzoek naar hersenziekten en -stoornissen, met name neurodegeneratieve ziekten zoals multiple sclerose (MS), een belangrijk onderdeel is van het zesde kaderprogramma (KP6). Met name de eerste twee van de vier uitnodigingen die zijn gepland voor de subprioriteiten „Belangrijke ziekten” en „Toepassing van kennis en technologie op het gebied van genomica en biotechnologie voor de gezondheid” binnen prioriteit 1 „Biowetenschappen, genomica en biotechnologie voor de gezondheid” hebben al diverse onderwerpen aangedragen voor geïntegreerde projecten (IP's) of topnetwerken (NoE's) over neurodegeneratieve hersenziekten en nieuwe behandelingen („Rol en mechanismen van proteïneaggregatie in neurodegeneratieve ziekten — IP”, „Moleculaire mechanismen van neurale degeneratie — NoE,”„Stamcellen en het zenuwstelsel — NoE”, „Nieuwe therapeutische stoffen voor neurodegeneratieve ziekten in het perifere en centrale zenuwstelsel — IP”. De derde uitnodiging tot het indienen van voorstellen, die momenteel in beraad is, moet ook onderwerpen bevatten die nadrukkelijk van belang zijn voor MS.
Daarnaast onderzoekt de Commissie (Directoraat-generaal Gezondheid en consumentenbescherming) in het kader van de uitnodiging 2004 tot het indienen van voorstellen voor het programma volksgezondheid hoe de Commissie voorstellen voor Europees onderzoek naar de stand van zaken op het gebied van neurodegeneratieve ziekten (zoals MS) kan ontvangen, waarin de gevolgen van deze ziekten op epidemiologisch gebied en voor het zorgstelsel worden beoordeeld. Mochten er in 2004 geen voorstellen zijn ontvangen, dan kan in 2005 een aanbestedingsprocedure worden gestart.
Meer informatie over uitnodigingen, programma's en geselecteerde projecten is te vinden op de volgende websites:
|
— |
http://fp 6.cordis.lu/fp 6/home.cfm |
|
— |
http://europa.eu.int/comm/research/fp6/firstcallresult_en.html |
|
— |
http://europa.eu.int/comm/health/ph_programme/howtoapply/how_to_apply_en.htm |
De Commissie beschouwt deze KP6-activiteiten als een belangrijke bijdrage aan het medisch onderzoek dat moet leiden tot een beter begrip en een betere behandeling van neurodegeneratieve ziekten (zoals MS). Met betrekking tot het zevende kaderprogramma formuleert de Commissie momenteel wat de belangrijkste pijlers zijn waarop dit programma zal worden gebaseerd in de context van de mededeling van de Commissie inzake de financiële vooruitzichten voor 2006-2013. Bij de besprekingen over de inhoud van KP7 zal de Commissie rekening houden met de voor dit onderwerp relevante aspecten van zowel het medisch onderzoek als de volksgezondheid.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/255 |
(2004/C 88 E/0260)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0950/04
van Paul Rübig (PPE-DE) aan de Commissie
(29 maart 2004)
Betreft: Problemen voor de scheepvaart op de Donau
Door de lage waterstand van de Donau zijn er in 2003 voor Oostenrijkse ondernemingen grote extra kostenposten ontstaan, daar bij voorbeeld bij Komarno, Dunaujvaros, de toch al halfbeladen schepen van de rivierpolitie niet verder mochten varen.
Bovendien kon de pontonbrug in Novisad ten dele niet geopend worden, zodat het vervoer van Linz naar Ismael 2½ maand duurde. Ten dele moest plaatstaal door vrachtwagens verder worden vervoerd, wat voor de ondernemingen aanzienlijke extra kosten met zich meebracht.
Ook in het westen (richting Duisburg, Antwerpen, Rotterdam, enz.) konden de schepen van juni 2003 tot medio januari 2004, zoals bijna elk jaar, slechts voor de helft respectievelijk voor een vierde beladen worden, waarbij laagwatertoeslagen tot 100 % betaald moesten worden.
Door uitdieping van de trajecten tussen Regensburg en Passau, in Hongarije en door de bouw van een brug in Novisad zou de attractiviteit van de Donau als belangrijkste waterweg van Europa (benuttingspercentage momenteel ongeveer 10 %) aanzienlijke vergroot kunnen worden.
Welke maatregelen denkt de Commissie te nemen om door opheffing van de genoemde belemmeringen voor het vervoer op de Donau aan een dringend vereiste ontlasting van het transitovervoer over de weg bij te dragen?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(30 april 2004)
Het Witboek van de Commissie over Europees verkeers- en vervoersbeleid (1) roept op tot een geïntegreerde benadering, waarin onder andere maatregelen voor de revitalisering van de spoorwegsector (met name voor vrachtdiensten), de promotie van de binnenvaart en de korte vaart, de stimulering van grotere complementariteiten tussen hogesnelheidsspoor- en luchtvervoer en de stimulering van de ontwikkeling van interoperabele intelligente vervoerssystemen worden gecombineerd, teneinde een verbeterde netwerkefficiëntie en -veiligheid te kunnen garanderen.
In haar besluit van 1 oktober 2003 (2) droeg de Commissie de verbinding Rijn-Maas-Main-Donau voor als een prioriteitsproject ten behoeve van trans-Europese netwerken (TEN's), en stelde zij een aantal knelpunten vast die verwijderd moeten worden teneinde deze vervoersmodaliteit op de beste wijze te kunnen inzetten in het belang van het uitgebreide Europa. Over het voorstel van de Commissie is recentelijk overeenstemming bereikt door de Raad en het Parlement (de stemming van het Parlement vond plaats op 21 april 2004).
Het gebied rond de rivier de Donau wordt globaal bestreken door het programma Interreg III D Cadses (Zuidoost-Europese Ruimte rond de Centraal-Adriatische Donau). Interreg is een communautair initiatief dat gefinancierd wordt uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO). Het programma kan ondersteuning bieden voor projecten die betrekking hebben op de ontwikkeling van duurzame vervoerssystemen langs de rivier de Donau door samenwerking van de landen in het Donau-gebied.
(1) COM(2001)370 def.
(2) COM(2003) 564 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/256 |
(2004/C 88 E/0261)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0958/04
van Manuel dos Santos (PSE) aan de Commissie
(23 maart 2004)
Betreft: Overdracht van risico bij het hypothekeren van kredieten door de Portugese regering
De media melden dat, na onderzoek van de overheidsfinanciën door Eurostat, de Commissie het door de Portugese regering voor 2003 voorgestelde begrotingstekort van 2,8 % van het BBP heeft gevalideerd.
Dit percentage gaat echter alleen op indien hierbij rekening wordt gehouden met het resultaat van het hypothekeren van overheidskredieten, vastgesteld in overeenkomst met Citigroup.
Het is niet duidelijk of volgens die overeenkomst bij deze hypothekering het risico van de Staat geheel overgaat op de investeerders. In dat geval relativeert dit het tekort.
Kan de Commissie mij antwoorden op de volgende vragen:
|
1. |
Kan de Commissie bevestigen dat het hypothekeren van de kredieten geen enkel risico inhoudt voor de Portugese Staat en dat alle buitengewone ontvangsten die in 2003 in rekening zijn gebracht effectief zullen worden gerealiseerd? |
|
2. |
Is de Commissie op de hoogte van het advies van IDEFE (een orgaan dat verbonden is aan het Hoger Instituut voor Economie en Management), waarin staat dat 19 % van de thans overgedragen kredieten kunnen komen te vervallen? |
|
3. |
Is de Commissie geïnformeerd, en zo ja, hoe betrouwbaar is deze informatie, over het bestaan van andere overheidskredieten die eventueel in de plaats kunnen komen van die welke zouden komen te vervallen? |
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(19 april 2004)
Volgens de gedragscode voor de opstelling en kennisgeving van gegevens in het kader van de procedure bij buitensporige tekorten die de Ecofin-Raad op 18 februari 2003 heeft goedgekeurd, moeten de lidstaten Eurostat raadplegen bij twijfel over de correcte boeking van specifieke of complexe transacties.
Op 6 oktober 2003 vroegen de Portugese autoriteiten Eurostat om advies over de boeking van een mogelijke verkoop van dubieuze belastingvorderingen.
Eurostat vergaderde hierover op 13 oktober 2003 in Luxemburg met een Portugese delegatie.
Op basis van de door Portugal gegeven informatie oordeelde Eurostat op 4 november 2003 dat de verkoop van vorderingen wegens niet-geïnde belastingen en sociale premies om de onderstaande redenen als inkomsten, dat wil zeggen als niet-financiële transactie, kan worden beschouwd:
|
a) |
In de rekeningen van de Portugese overheid worden belastingen en sociale premies geboekt op kasbasis, eventueel met een correctie in de tijd, in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 2516/2000 (1). De verkochte belastingvorderingen waren dus nog niet als inkomsten geboekt. |
|
b) |
De Portugese overheid gaf de tegenpartij geen uitdrukkelijke of stilzwijgende garantie voor het inningspercentage van de belastingvorderingen of de financieringsbehoeften in verband met de transactie. |
|
c) |
Het verschil tussen de initiële betaling en de geschatte marktwaarde bedroeg minder dan 15 %, wat erop wijst dat het risico werkelijk aan de koper is overgedragen. Dit is in overeenstemming met het kaderbesluit van Eurostat van 3 juli 2002 over securisatie. |
Op 16 februari 2004 gaf Portugal Eurostat een kopie van het contract en de gerelateerde documenten, waaronder het door het geachte parlementslid genoemde onafhankelijke verslag van IDEFE.
De Commissie weet dat de verkoop betrekking heeft op een aantal vorderingen die worden betwist. Als (en alleen als) een belastingvordering geheel of gedeeltelijk als onbestaand wordt beschouwd, vervangt de Portugese overheid deze door een andere. Dit houdt echter geen garantie voor het geïnde bedrag of de kredietwaardigheid van de belastingbetalers in, maar dient slechts als garantie voor de materiële integriteit van de verkochte portefeuille vorderingen.
(1) Verordening (EG) nr. 2516/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 7 november 2000 tot wijziging van de gemeenschappelijke beginselen van het Europees Systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (ESR 95) ten aanzien van belastingen en sociale premies en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad, PB L 290 van 17.11.2000.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/257 |
(2004/C 88 E/0262)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0971/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(29 maart 2004)
Betreft: Referendum in Venezuela
Volgens berichten in de media heeft Coordenadora Democrática, een overlegorgaan van de politieke oppositiepartijen in Venezuela, haar voldoening uitgesproken over het besluit van het Hooggerechtshof er bij de Nationale Kiesraad op aan te dringen om 876 017 handtekeningen, waarvan de authenticiteit was betwist, hoewel ze vergezeld gingen van de vingerafdrukken van de ondertekenaars, geldig te verklaren.
Het Hooggerechtshof verzoekt de Kiesraad om de 876 017 handtekeningen op te tellen bij de 1 832 493 al eerder geldig verklaarde handtekeningen (waarmee het totaal op 2 708 510 zou komen) en een referendum te organiseren om president Hugo Chávez uit zijn ambt te ontzetten.
Een woordvoerder van Coordenadora Democrática uitte tegenover de Venezolaanse media zijn voldoening over het besluit van het Hooggerechtshof dat hij een aanzet tot een „terugkeer naar de legaliteit en de grondwettigheid” noemde en dat de Kiesraad volgens hem verplicht is na te leven.
Ondertussen heeft de burgemeester van Libertador (een deelgemeente van Caracas), Fredy Bernal, laten weten dat de regeringspartij Movimento Quinta República (MVR) beroep tegen het besluit zal aantekenen bij de Verkiezingskamer van het Hooggerechtshof.
Naar de mening van diverse politieke analisten kan er straks een strijd tussen de verschillende juridische machten en instellingen van het land ontbranden, met name tussen de kamers voor verkiezingen en de grondwet van het Venezolaanse Hooggerechtshof en de Nationale Kiesraad.
Kan de Commissie de volgende vragen beantwoorden:
|
1. |
Welke informatie heeft zij over bovenstaande feiten? |
|
2. |
Vindt zij het wenselijk dat het houden van een referendum over ambtsontheffing wordt uitgesteld? |
|
3. |
Welke gevolgen zou deze situatie volgens haar voor Venezuela kunnen hebben? |
|
4. |
Welke initiatieven neemt zij of zal zij nemen die eraan kunnen bijdragen dat de spanningen tussen de instellingen afnemen en eindelijk het woord wordt gegeven aan het Venezolaanse volk, wat de enige manier is om de democratische crisis op te lossen die in dit land heerst? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(30 april 2004)
Nadat de Nationale kiesraad (CNE) op 2 maart 2004 de eerste resultaten met betrekking tot het referendum voor de afzetting van de president had bekendgemaakt, is er over het afzettingsreferendum op juridisch vlak heel wat te doen geweest. De CNE had bepaald dat van alle onderzochte handtekeningen (3 086 013 — de oppositie zei dat zij er 3 467 050 had ingediend) er iets meer dan 1,8 miljoen geldig, 876 017 twijfelachtig en meer dan 230 000 ongeldig waren. De als twijfelachtig beschouwde handtekeningen zijn het resultaat van de zogenoemde „planillas planas” (formulieren waarop de basisgegevens over degenen die ondertekenden, allemaal in een soortgelijk handschrift waren ingevuld) en moeten opnieuw worden gecontroleerd in het kader van een „herstelprocedure” („reparo”), samen met een aantal andere handtekeningen die oorspronkelijk ongeldig waren verklaard. Als gevolg hiervan moeten volgens de CNE meer dan 1 miljoen handtekeningen verder worden onderzocht, en door degenen die hun handtekening hebben geplaatst, worden bevestigd. Om het presidentieel referendum te kunnen organiseren zijn 2,4 miljoen handtekeningen nodig.
De electorale kamer van het Hooggerechtshof heeft evenwel op 15 maart 2004 besloten dat de „planillas planas” geldig zijn. De CNE is tegen deze uitspraak in beroep gegaan bij de constitutionele kamer van het Hooggerechtshof, die van mening was dat de electorale kamer krachtens de grondwet van 1999 niet bevoegd was, en haar het bevel gaf geen verdere uitspraken over de referendumprocedure te doen. De electorale kamer heeft opnieuw bevestigd dat zij terzake bevoegd is en de voltallige vergadering van het Hof gevraagd een besluit te nemen. Het resultaat hiervan kan niet met zekerheid worden voorspeld. De grondwettelijke controverse zorgt voor extra vertraging voor het mogelijke referendum over president Chávez.
De Europese Unie steunt de rol die de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) en het Carter-centrum in het conflict spelen, alsmede de inspanningen die zij leveren om het op 29 mei 2003 door de Venezolaanse regering en de oppositie ondertekende politieke akkoord uit te voeren overeenkomstig resolutie 833 van de OAS, waarin wordt gesteld dat een vreedzame, democratische en grondwettelijke oplossing door middel van verkiezingen moet worden gevonden. De EU heeft opnieuw gewezen op het belang van de uitvoering van dit akkoord. Maar zelfs als een referendum plaatsvindt, zal er heel veel tijd nodig zijn om de polarisatie in de maatschappij uit te vlakken en de economische situatie te herstellen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/258 |
(2004/C 88 E/0263)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0972/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(29 maart 2004)
Betreft: Financiering van het Natura-netwerk
De Portugese staatssecretaris voor milieuzaken, José Eduardo Martins, heeft onlangs verklaard dat de kredieten die de Europese Unie Portugal zal toekennen voor het beheer van het Natura-netwerk duidelijk tekortschieten en lang niet in de behoeften voorzien. De staatssecretaris zei met betrekking tot Portugal: „Volgens onze raming hebben we alleen voor het beheer van ons Natura-netwerk in de periode 2003-2007 ten minste 220 miljoen euro nodig, maar de financiële vooruitzichten van de Europese Unie blijven daar ver onder”. Naar het schijnt zal hetzelfde gelden voor Spanje, Italië, Frankrijk en Griekenland.
Het probleem lijkt hierin te bestaan dat het milieu en de landbouw in het nieuwe financieringskader onder dezelfde begrotingslijn vallen waarvan, in het geval van Portugal, meer dan 80 % wordt besteed aan de landbouw.
|
— |
Welke oplossingen zijn er volgens de Commissie voor deze problemen, moeilijkheden en tekorten? |
|
— |
Kan zij verzekeren dat het Natura-netwerk en de doelstellingen daarvan niet in het gedrang komen door bezuinigingen en tekortschietende begrotingsmiddelen? |
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie heeft zichzelf ten doel gesteld om in 2004 een mededeling in te dienen betreffende de financiering van Natura 2000. Deze mededeling wordt in de eerste helft van 2004 verwacht. Verder heeft de Commissie het Natura 2000-netwerk en de behoeften daarvoor tot dusverre in alle belangrijke voorstellen voor toekomstige Gemeenschapsfinanciering geïntegreerd. Hieronder valt tevens het voorstel van de Commissie voor de toekomstige financiële vooruitzichten en het derde verslag over de economische en sociale cohesie.
In haar mededeling betreffende de nieuwe financiële vooruitzichten voor de periode na 2006 (1) verklaarde de Commissie dat activiteiten op het gebied van plattelandsontwikkeling met betrekking tot Natura 2000 een belangrijke doelstelling worden van het toekomstige beleid inzake plattelandsontwikkeling. Verder heeft een van de belangrijke activiteiten die in de milieuprioriteiten voor de periode 2007-2013 binnen hetzelfde hoofdstuk van de toekomstige financiële vooruitzichten is opgenomen betrekking op de ontwikkeling en implementatie van het Natura 2000-netwerk van gebieden ter bescherming van de Europese biodiversiteit, alsmede de uitvoering van de biodiversiteitsactieplannen. In het derde verslag over de economische en sociale cohesie (2) heeft de Commissie tevens aangegeven dat investeringen in infrastructuren die betrekking hebben op Natura 2000 en een bijdrage leveren aan de algemene regionale concurrentiekracht een van de gebieden vormen waarop in de toekomst interventies van de structuurfondsen plaats kunnen vinden.
Tegelijkertijd heeft de Commissie bevestigd dat het cohesiebeleid is gebaseerd op de beginselen van subsidiariteit en samenwerking met lidstaten en regio's, en dat de medegefinancierde maatregelen moeten beantwoorden aan de regionale prioriteiten en de behoeften op het gebied van economische ontwikkeling. De Commissie kan niet tegen deze belangrijke beginselen ingaan en lidstaten/regio's verplichten om bepaalde acties te financieren of, erger nog, financiële middelen aan een bepaald beleidsgebied toe te wijzen. Tijdens de programmeringsdialoog, die versterkt zal worden en strategischer zal worden opgezet, zal de Commissie echter met de lidstaten en regio's te spreken welke de beste wijze is om communautaire prioriteiten op te nemen, onder meer de financiële behoeften van het Natura 2000-netwerk.
(1) Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Bouwen aan onze gemeenschappelijke toekomst — Beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013, COM(2004) 101 def.
(2) Derde verslag over de economische en sociale cohesie, COM(2004) 107 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/259 |
(2004/C 88 E/0264)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0977/04
van John Bowis (PPE-DE) aan de Commissie
(30 maart 2004)
Betreft: Ziekteverzekering in de Tsjechische Republiek
Is het de Commissie bekend dat er in de Tsjechische Republiek één grote en verscheidene kleinere ziekteverzekeringsmaatschappijen zijn? Is het haar ook bekend de grote maatschappij financiële problemen gekend heeft? Is ze er verder van op de hoogte dat de Tsjechische regering toestemming gegeven heeft tot herverdeling van de premies van de kleinere maatschappijen aan de grote maatschappij, zonder de goedkeuring van de betrokken verzekeringnemers? Is de Commissie niet van mening dat dit niet in het belang is van de concurrentie en van de verzekeringnemers en is ze voornemens deze kwestie te bespreken met de Tsjechische autoriteiten?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie kent de organisatie van het stelsel voor ziekteverzekering in Tsjechië. Momenteel is er één algemeen ziekenfonds waarbij de meerderheid van de bevolking is aangesloten en acht kleinere ziekenfondsen, die oorspronkelijk bedoeld waren voor werknemers in bepaalde sectoren (bankwezen, mijnen), maar die nu voor iedereen open staan. Alle permanente ingezetenen zijn gedekt door een verplichte ziektekostenverzekering die door deze fondsen wordt beheerd.
Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, bespreekt het Tsjechische Parlement momenteel een wijziging op de ziekenfondswet, waaronder bepalingen met betrekking tot de herverdeling van de verzamelde middelen.
De organisatie en financiering van de stelsels voor gezondheidszorg en sociale bescherming valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten. De lidstaten moeten de verantwoordelijkheden op dit terrein echter uitoefenen in overeenstemming met de communautaire wetgeving. Om te beoordelen of een ziekenfonds onder de EU-mededingingsregels valt, moet bekeken worden of het fonds een economische activiteit verricht of het beheer heeft over een programma voor sociale zekerheid. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie blijkt dat organen die belast zijn met het beheer van bepaalde verplichte programma's voor sociale zekerheid niet onder de mededingingsregels vallen.
Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, wordt de gezondheidszorg in Tsjechië betaald door de verplichte ziekteverzekering voor alle permanente ingezetenen. De verstrekkers van deze verzekeringen lijken dan ook in de eerste plaats beheerders van een programma voor sociale zekerheid, dat niet onder de regels voor mededinging valt. Op basis van de beschikbare informatie is de Commissie momenteel niet van plan deze kwestie bij de Tsjechische autoriteiten aan de orde te stellen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/260 |
(2004/C 88 E/0265)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0978/04
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(30 maart 2004)
Betreft: Ingrediënten in voedingsproducten
|
1. |
Kan de Commissie, met het oog op de toenemende verontrusting over de volksgezondheid — betreffende zwaarlijvigheid, hoge bloeddruk en diabetes, enzovoort — mededelen welke maatregelen ze genomen heeft om de lidstaten te helpen dit probleem aan te pakken? |
|
2. |
Overweegt de Commissie maatregelen te nemen inzake een maximumlimiet voor het suiker/zoutgehalte in voedingsproducten en/of het plaatsen van duidelijke etiketten op dergelijke producten? |
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(30 april 2004)
|
1. |
De Europese Commissie heeft een „Voortgangsverslag over de werkzaamheden van de Europese Commissie op voedingsgebied. oktober 2002” opgesteld, dat zij aan alle voorlichtingsbureaus van het Europees Parlement, de vertegenwoordigingen van de Commissie in de lidstaten, de kabinetten van de Commissie, de nationale parlementen, een aantal informatienetwerken en consumentenorganisaties heeft toegezonden en dat kan worden geraadpleegd op de website volksgezondheid. De Commissie heeft een netwerk „Voeding en lichaamsbeweging” opgericht, waaraan wordt deelgenomen door de lidstaten, de toetredende landen en de landen van de Europese Economische Ruimte (EER), gespecialiseerde organisaties, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Dit netwerk fungeert als forum voor de uitwisseling van ervaringen en de inventarisatie en verspreiding van optimale benaderingen. Op deze wijze zal het een bijdrage leveren aan de coördinatie van het beleid van de lidstaten. Ook adviseert het netwerk de Commissie bij de formulering van een communautaire strategie ter verbetering van de volksgezondheid en voeding, voor het terugdringen en voorkomen van voedingsgerelateerde ziekten, ter bevordering van lichamelijke beweging en bestrijding van zwaarlijvigheid. De Commissie financiert momenteel projecten die bedoeld zijn gegevens over zwaarlijvigheid, voeding en lichaamsbeweging in het kader van het communautaire actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008) (1) en haar werkprogramma's 2003 en 2004 te verzamelen. In verband met het programma zal voorts een omvangrijk project worden ondersteund, dat gericht is op de preventie van zwaarlijvigheid bij kinderen. In de conclusies van de Raad van december 2003 betreffende gezonde leefstijlen wordt met klem gesteld dat een geïntegreerde benadering van de stimulering van de gezondheid noodzakelijk is: bij deze benadering moet de bevordering van gezonde leefstijlen gepaard gaan met maatregelen die beogen maatschappelijke en economische verschillen en de levensomstandigheden aan te pakken en moet er vastberaden naar worden gestreefd doelstellingen op het gebied van de gezondheid door middel van ander communautair beleid te verwezenlijken. Deze benadering sluit in grote lijnen aan bij de aanpak die de Commissie voorstaat met het actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid en in verband hiermee zullen ook maatregelen worden genomen ter bevordering van gezonde voeding en preventie van zwaarlijvigheid. Er is een speciale werkgroep opgericht die zich zal richten op de met gezondheidsvoorlichting samenhangende aspecten van leefstijlen. Beoogd wordt op deze wijze de diverse projecten inzake leefstijlgerelateerde indicatoren en gegevens te coördineren en na te gaan welke andere aspecten nog moeten worden aangepakt. De Commissie heeft actieve steun verleend aan de initiatieven van het Ierse voorzitterschap betreffende hart- en vaatziekten en zwaarlijvigheid. Dit proces mondt thans uit in conclusies van de Raad inzake de bevordering van de hartgezondheid. In het ontwerp-voorstel wordt de Commissie verzocht een voorstel te doen voor aanbevelingen van de Raad betreffende gezondheidsdeterminanten die van groot belang zijn voor de bevordering van de gezondheid op cardiovasculair gebied; in iedere maatregel van dergelijke aard zal de preventie van zwaarlijvigheid een cruciale rol spelen. |
|
2. |
De Commissie is niet voornemens maximumlimieten voor het suiker-/zoutgehalte in voedingsproducten vast te leggen. Wat etikettering aangaat: het is verplicht suikers en zout in de lijst van ingrediënten te vermelden indien deze worden gebruikt bij de vervaardiging van het voedingsproduct, en wel in dalende volgorde van gewicht. Verder heeft de Commissie het Parlement en de Raad een voorstel voor een verordening (2) voorgelegd ter harmonisering van de voorschriften betreffende voedings- en gezondheidsclaims in de etikettering en presentatie van en reclame voor levensmiddelen. Hierin worden specifieke voorschriften inzake voedingsclaims betreffende suikers en zout gedaan. |
(1) Besluit nr. 1786/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008), PB L 271 van 9.10.2002, blz. 1.
(2) COM(2003)424 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/261 |
(2004/C 88 E/0266)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0980/04
van Luigi Vinci (GUE/NGL) aan de Commissie
(30 maart 2004)
Betreft: Initiatief van het hoofdkwartier van de landstrijdkrachten in Turkije
In januari van dit jaar heeft het hoofdkwartier van de landstrijdkrachten in Turkije een opdracht doen uitgaan, die vervolgens is bekrachtigd door de Generale Staf, gericht tot zijn inlichtingendiensten en tot de provinciale bestuurders. Deze opdracht hield in dat inlichtingen moesten worden ingewonnen over burgers en organisaties die gunstig staan tegenover de toetreding van Turkije tot de Europese Unie, die gunstig staan ten opzichte van de Verenigde Staten, die zich bezighouden met satanisme of vrijmetselarij, alsmede over internetgroepen, minderheden, kinderen van welgestelde families, enz. Al deze personen zouden, naar het oordeel van het hoofdkwartier van de landstrijdkrachten, zich mogelijkerwijs schuldig kunnen maken aan separatistische of subversieve activiteiten.
Deze missive is heftig bekritiseerd in de Turkse pers.
Er zijn geen tekenen dat de Turkse regering er bezwaar tegen had, hoewel het gaat om een grove inbreuk op de democratie, die zich richt tegen de toetreding van Turkije tot de Europese Unie en volgens de geldende Turkse wetgeving illegaal is.
Kan de Europese Commissie haar oordeel geven over deze feiten en mededelen wat zij denkt te ondernemen ter bescherming van de criteria van Kopenhagen en in het algemeen ten gunste van het democratiseringsproces in Turkije, waartoe is besloten door de Turkse regering en de Europese Unie?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie is op de hoogte van de gebeurtenissen waar het geachte parlementslid naar verwijst.
Volgens het herziene partnerschap voor toetreding, dat is goedgekeurd door de Raad van ministers van 19 mei 2003, is het een prioriteit voor Turkije om de civiele controle van het militaire apparaat op de praktijk in de lidstaten van de EU af te stemmen.
In haar laatste periodieke verslag van november 2003 (1) merkte de Commissie op dat de Turkse strijdkrachten invloed uitoefenen door een reeks informele mechanismen. Militairen van de Nationale Veiligheidsraad hebben herhaaldelijk tijdens toespraken, in gesprekken met de media en in verklaringen hun mening gegeven over politieke en sociale kwesties en over het buitenlands beleid.
Op 16 maart 2004 heeft de Turkse generale staf een mededeling gepubliceerd betreffende de feiten waarnaar het geachte parlementslid verwijst, waarin ontkend werd dat het leger de bedoeling had een zwarte lijst van mensen op te stellen op grond van hun politieke voorkeur of levenswijze. In de mededeling werd echter wel aangegeven dat het de plicht van de strijdkrachten is om activiteiten te ondernemen tegen separatistische en fundamentalistische bedreigingen. Deze feiten waren aanleiding voor een debat in het Turkse parlement, waarin de vraag aan de orde kwam of dit type informatievergaring verenigbaar is met de vrijheid van denken.
De Commissie zal de ontwikkelingen op het gebied van de civiel-militaire verhoudingen in Turkije in het licht van de politieke criteria van Kopenhagen blijven volgen en zo nodig rechtstreeks ter sprake brengen bij de Turkse autoriteiten.
(1) COM(2003)676 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/262 |
(2004/C 88 E/0267)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0981/04
van Giovanni Pittella (PSE) en Guido Sacconi (PSE) aan de Commissie
(30 maart 2004)
Betreft: Bescherming en instandhouding van het mariene milieu
Op 19 juni 2003 heeft het Parlement een resolutie aangenomen (P5_TA(2003)0295) over de mededeling van de Commissie „Naar een strategie voor de bescherming en instandhouding van het mariene milieu”. Bij die gelegenheid hebben de parlementsleden zich uitgesproken voor een sterkere integratie van de milieubescherming in de beleidsvorming en voor de bescherming en instandhouding van de mariene ecosystemen als zijnde fundamentele elementen voor het behoud van de biodiversiteit.
Verder heeft het Parlement de Commissie verzocht zo spoedig mogelijk een coherente en geharmoniseerde thematische strategie te presenteren voor het mariene milieu, mede gezien de kritieke staat waarin enkele mariene ecosystemen momenteel verkeren.
Kan de Commissie mededelen of zij bij de voorbereiding van deze strategie naar behoren rekening heeft gehouden met:
|
— |
het voorzorgsbeginsel; |
|
— |
het duurzaamheidsconcept; |
|
— |
een strategische milieubeoordeling; |
|
— |
een geïntegreerde aanpak om het hoofd te bieden aan risico's die veroorzaakt worden door menselijke activiteiten die het mariene milieu bedreigen, alsmede een grondige beoordeling van de gevolgen ervan voor het mariene milieu en de wijze waarop ze elkaar beïnvloeden en in stand houden; |
|
— |
een geïntegreerde aanpak van het kust- en offshore-beheer; |
|
— |
een regionale aanpak waarin zowel de regionale diversiteit, de ecologische kenmerken, de risico's en de sociaal-economische aspecten een rol spelen; |
|
— |
een strategische mariene ruimtelijke ordening voor de regionale zeeën van het gehele continentale plat van de EU, waarin een planmatige benadering voor de sectorale besluitvormingssystemen wordt geïntroduceerd? |
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie is momenteel bezig met het opstellen van een Europese maritieme strategie. Als onderdeel van dit proces zal er in samenwerking met het Nederlandse voorzitterschap in november 2004 een conferentie van belanghebbenden worden georganiseerd. Het ligt in de verwachting dat het uiteindelijke voorstel in maart 2005 zal worden gepubliceerd.
De belangrijkste elementen van de voorziene strategie zijn:
|
— |
een gemeenschappelijke benadering voor alle Europese zeeën, gecombineerd met een specifieke regionale benadering, waarmee regionale problemen en oplossingen kunnen worden behandeld; |
|
— |
een holistische, geïntegreerde benadering, die betrekking heeft op al het menselijk gebruik dat het maritieme milieu beïnvloedt. |
Een essentieel element in de uitvoering van de strategie wordt gevormd door een ecosysteembenadering voor het beheer van menselijke activiteiten die het maritieme milieu beïnvloeden, waarbij rekening wordt gehouden met alle genoemde elementen in de schriftelijke vraag van het geachte parlementslid.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/263 |
(2004/C 88 E/0268)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0984/04
van Piia-Noora Kauppi (PPE-DE) aan de Commissie
(30 maart 2004)
Betreft: Rol van vermoeidheid bij verkeersongevallen
Volgens het Finse instituut voor verkeersveiligheid blijkt uit de statistieken van de commissies voor het onderzoek van dodelijke ongevallen in het snelwegverkeer dat 12 % van de frontale botsingen die een overlijden tot gevolg hebben, het resultaat is van het indommelen van de chauffeur. Deze statistieken vertellen niet eens het hele verhaal, aangezien botsingen die eigenlijk door vermoeidheid zijn veroorzaakt, vaak worden gekwalificeerd als het gevolg van een andere bij de besturing van het voertuig begane fout. In Noorwegen is een onderzoek uitgevoerd waaruit blijkt dat niet minder dan een derde van alle ongevallen waarbij een botsing plaatsheeft of een voertuig van de weg geraakt, op een of andere manier het gevolg is van vermoeidheid, terwijl alcohol en drugs maar in 11 % van de ongevallen een rol spelen.
Een belangrijke doelstelling van het verkeersbeleid van de Commissie is de verkeersveiligheid te bevorderen. Hoe is de Commissie van plan bij haar zoektocht naar concrete manieren om de veiligheid van het verkeer te verbeteren, rekening te houden met de dominante rol die vermoeidheid speelt? Beschikt zij over duidelijke gegevens over de rol van vermoeidheid bij ongevallen in de hele EU en zoniet, is zij bereid het nodige te doen om deze te verkrijgen?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie kent de cijfers die door het geachte parlementslid worden gegeven en die aantonen dat vermoeidheid bij verkeersongevallen een belangrijke factor is.
Vermoeidheid vormt een belangrijk aspect waarmee rekening wordt gehouden in de wetgeving op de werktijden en de rij- en rusttijden voor beroepschauffeurs (1), waarvoor de Commissie onlangs verschillende voorstellen heeft gedaan, waaronder dat betreffende de wegcontroles dat momenteel wordt onderzocht door het Parlement en de Raad (2).
De Commissie ondersteunt onderzoeksprojecten, zoals het project AWAKE (3) van het 5e kaderprogramma voor onderzoek, die gericht zijn op een betere kennis van de rol van verschillende vermoeidheids-mechanismen in verkeersongevallen, mechanismen die niet kunnen worden herleid tot louter slaapgebrek van de chauffeur, en op de validatie van technologieën die een afgenomen waakzaamheid detecteren en de bestuurder alarmeren.
De Commissie zal studies op dit gebied blijven ondersteunen.
(1) Met name de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en 3821/85, PB L 370 van 31.12.1985, evenals Richtlijn 2002/15/EG, PB L 80 van 23.3.2002.
(2) COM(2003)628 def.
(3) Assessment of driver vigilance and Warning According to traffic risK Estimation.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/264 |
(2004/C 88 E/0269)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0992/04
van Francesco Fiori (PPE-DE) aan de Commissie
(24 maart 2004)
Betreft: Telecommunicatie
Krachtens het nieuwe wetgevingskader kan de overheid optreden op de telecommunicatiemarkt. Ze beschikt over ruime beslissingsbevoegdheid bij de keuze van de voorschriften en maatregelen die het meest geschikt zijn om problemen op de markt op te lossen. De richtlijnen bevatten immers onvoldoende aanwijzingen over de manier om de regelgeving te moduleren en met name over de mogelijke regels die de overheid kan opleggen.
In haar werkprogramma voor 2004 geeft de Europese Commissie aan dat zij werk wil maken van een aanbeveling met richtsnoeren voor de keuze van regelgeving op grond van het proportionaliteitsbeginsel en in overeenstemming met de regelgevingsdoelstellingen van de kaderrichtlijn.
De ERG stelt in zijn werkprogramma voor 2004 de goedkeuring in het vooruitzicht van een document dat „draft joint ERG/EC approach on appropriate remedies in the new regulatory framework” wordt genoemd. Regelgeving inzake de toepassingscriteria van de „remedies” in het nieuwe wetgevingskader is noodzakelijk omwille van de harmonisatie. Dit vergt echter enige toelichting over de juridische status van die „joint approach ERG/EC” en de rol ervan in het kader van de communautaire en de nationale wetgeving.
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(30 april 2004)
Het nieuwe regelgevingskader heeft als doelstelling het bereiken van een geharmoniseerd kader ten behoeve van de regelgeving voor elektronische communicatiediensten, elektronische communicatienetwerken, daaraan gerelateerde faciliteiten en daaraan gerelateerde diensten. De oplossing (en) die een regelgevingsinstantie voorstaat ten aanzien van bedrijven met aanzienlijke marktmacht wordt echter op nationaal niveau toegepast. Behalve uitzonderlijke oplossingen (die in ieder geval onder het toezicht van de Commissie vallen), zijn alle beschikbare oplossingen die kunnen worden opgelegd aan ondernemingen welke zijn aangewezen als een onderneming met aanmerkelijke marktmacht (AMM) uiteengezet in artikel 9 t/m 13 van de Toegangs- en Interconnectierichtlijn (1) en in Hoofdstuk III van de Universele-dienstricht-lijn (2).
Zoals is uiteengezet in artikel 7, lid 2, van de Kaderrichtlijn (3), moeten nationale regelgevingsinstanties bij de uitoefening van hun onafhankelijke macht in het nieuwe regelgevingskader een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de interne markt door op transparante wijze met elkaar en de Commissie samen te werken, teneinde een consistente toepassing van het kader te waarborgen. Nationale regelgevingsinstanties dienen met name te streven naar overeenstemming inzake de soorten instrumenten en oplossingen die het meest geschikt zijn om bepaalde situaties op de marktplaats aan te pakken.
Dit is de basis waarop de Europese Groep van Regelgevers (EGR) een gemeenschappelijk EGR-standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de aanpak van geschikte oplossingen in het regelgevingskader. Het Directoraat-generaal (DG) Informatiemaatschappij en DG Concurrentie hebben bij de voorbereiding van dit document samengewerkt, maar het gemeenschappelijk standpunt blijft een document van de EGR.
(1) Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten, PB L 108 van 24.4.2002.
(2) Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische communicatienetwerken en -diensten, PB L 108 van 24.4.2002.
(3) Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten, PB L 108 van 24.4.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/265 |
(2004/C 88 E/0270)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0994/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(31 maart 2004)
Betreft: Kinderbescherming en toekomstige EU-programma's gericht op jonge mensen
Op welke wijze zal de Commissie ervoor zorgen dat kinderbescherming, in het licht van de publicatie op 9 maart 2004 van haar twee mededelingen inzake de toekomstige onderwijs- en burgerschapsbeleid na 2006, „De nieuwe generatie van onderwijs en opleidingsprogramma's” (1) en „Het EU-burgerschap concreet verwezenlijken” (2), uitgebreid aan bod zal komen in de wetgevingsprogramma's betreffende de toekomstige EU-onderwijs- en burgerschapsprogramma's die later dit jaar zullen verschijnen?
Antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie
(30 april 2004)
Het geachte parlementslid stelt de kwestie van de bescherming van kinderen aan de orde in verband met de door de Commissie geplande nieuwe generatie programma's inzake onderwijs, beroepsopleiding en burgerschap (3). De Commissie is zich er ten volle van bewust dat jonge mensen een optimale bescherming moet worden geboden, rekening houdende met ieders competenties. De Commissie heeft reeds een aantal initiatieven ontplooid op de terreinen waarop zij bevoegd is. Voorbeelden hiervan zijn Richtlijn 94/33/EG betreffende de bescherming van jongeren op het werk (4), de aanbeveling betreffende de ontwikkeling van de concurrentiepositie van de Europese industrie van audiovisuele en informatiediensten door de bevordering van nationale kaders teneinde een vergelijkbaar en doeltreffend niveau van bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid te bereiken (5) en het communautair meerjarenactieplan ter bevordering van een veiliger gebruik van internet en nieuwe on-linetechnologieën door het bestrijden van illegale en schadelijke inhoud, met name op het gebied van de bescherming van kinderen en minderjarigen (6).
De bescherming van kinderen blijft evenwel in beginsel een nationale aangelegenheid en het is aan de lidstaten om op dit gebied initiatieven te nemen.
In haar voorstellen voor een nieuwe generatie programma's betreffende onderwijs, beroepsopleiding en burgerschap stelt de Commissie twee soorten activiteiten in het vooruitzicht:
|
— |
„gecentraliseerde activiteiten”, die door de Commissie zelf beheerd worden; |
|
— |
„gedecentraliseerde activiteiten”, onder verantwoordelijkheid van door de autoriteiten van de deelnemende landen aangewezen nationale agentschappen. |
De hoofdmoot van de begroting dient bestemd te worden voor deze „gedecentraliseerde activiteiten”. Voornamelijk op dit gebied zullen de activiteiten waarbij jongeren betrokken zijn, met name mobiliteitsprojecten, ondersteund worden.
De Commissie is van oordeel dat het de taak is van de autoriteiten van de deelnemende landen — in samenwerking met de nationale agentschappen — de noodzakelijke stappen te nemen ten behoeve van de bescherming van minderjarigen in overeenstemming met de geldende wetgeving en de nationale culturele kenmerken.
De Commissie zal er in het algemeen op toezien — met name met het oog op de in de oproepen tot het indienen van voorstellen vastgelegde criteria — dat de geselecteerde projecten een ontegenzeggelijk educatieve waarde hebben, waarbij volledig tegemoet wordt gekomen aan de belangen van de deelnemers, met name minderjarigen.
(1) COM(2004)156.
(2) COM(2004)154.
(3) COM(2004) 154 def. en COM(2004) 156 def.
(4) Richtlijn 94/33/EG van de Raad van 22 juni 1994 betreffende de bescherming van jongeren op het werk, PB L 216 van 20.8.1994.
(5) Aanbeveling 98/560/EG van de Raad van 24 september 1998, PB L 270 van 7.10.1998.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/266 |
(2004/C 88 E/0271)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0995/04
van Bartho Pronk (PPE-DE) aan de Commissie
(31 maart 2004)
Betreft: Door sommige EU-lidstaten geplande restrictieve maatregelen die in strijd zijn met het door de EU erkende recht op gelijke behandeling
Volgens de persmededelingen van verscheidene EU-lidstaten (Verenigd Koninkrijk, Ierland, Denemarken) zullen de sociale rechten van migranten van de nieuwe lidstaten op verschillende wijzen beperkt worden. Verordening (EEG) nr. 1408/71 (1) betreffende de coördinatie van de sociale zekerheid bepaalt dat werknemers en zelfstandigen in beginsel recht hebben op de in de verordening voorziene voordelen zonder enige verplichting van verblijfstermijn. De voorwaarde van twee jaar ononderbroken wonen om in aanmerking te komen voor de voordelen toegekend onder verordening 1408/71, is mijns inziens onverenigbaar met het Gemeenschapsrecht.
|
1. |
Op welke wijze zal de Commissie reageren op dergelijke maatregelen die duidelijk in strijd zijn met het EG-recht? De meest recent gepubliceerde studies voorspellen een migratiecijfer van ten minste 1 % vanuit de nieuwe lidstaten na 1 mei 2004. |
|
2. |
Is de Commissie van mening dat Hongarije werkelijk een bedreiging vormt voor de arbeidsmarkt van de huidige lidstaten en dat de restrictieve maatregelen die gepland zijn door verscheidene regeringen met de duidelijke doelstelling om Hongaarse staatsburgers de toegang te verhinderen tot de Europese arbeidsmarkt daarom gegrond zijn? |
Antwoord van de heer Dimas namens de Commissie
(30 april 2004)
|
1. |
De in het Toetredingsverdrag vastgestelde overgangsmaatregelen bepalen dat de huidige lidstaten de toegang van werknemers uit de nieuwe lidstaten tot hun arbeidsmarkt onder bepaalde voorwaarden kunnen beperken gedurende een periode van maximaal zeven jaar. De beperkingen betreffen alleen de toegang tot de arbeidsmarkt en niet de toegang tot socialezekerheidsuitkeringen of de aanspraak op sociale voordelen. De Commissie heeft de lidstaten op deze beginselen geattendeerd in haar regelmatige en recente contacten met de vertegenwoordigers van de lidstaten op technisch niveau. De meeste lidstaten hebben de Commissie meegedeeld dat zij op dit moment nog bezig zijn met de afronding van hun wetgevende maatregelen met betrekking tot de eerste twee jaren van de overgangsperiode. De Commissie zal ook een brief naar alle betrokken lidstaten sturen waarin zij hen zal wijzen op hun verplichtingen uit hoofde van het Gemeenschapsrecht en hun zal vragen haar zo spoedig mogelijk de definitieve tekst van alle wetgevende maatregelen met betrekking tot de eerste twee jaren van de overgangsperiode toe te sturen. De Commissie zal deze kwestie nauwlettend blijven volgen en zal zo nodig passende actie ondernemen, waaronder een verzoek om toelichting van de wetgevende maatregelen. |
|
2. |
Overeenkomstig de bepalingen van het Toetredingsverdrag hoeven de huidige lidstaten geen bewijs van verstoring van hun arbeidsmarkt (of een bedreiging daarvan) te leveren, als zij gedurende de eerste vijf jaren van de overgangsperiode beperkingen willen opleggen. Het toetredingsverdrag bepaalt alleen dat gedurende de laatste twee jaren van de overgangsperiode, dat wil zeggen na 2009, beperkingen op de toegang tot de arbeidsmarkt alleen door een huidige lidstaat kunnen worden gehandhaafd, als er bewijs bestaat van ernstige verstoringen van de arbeidsmarkt of een bedreiging daarvan. Het Toetredingsverdrag bepaalt echter ook dat een huidige lidstaat te allen tijde kan besluiten om de toegang tot zijn arbeidsmarkt tijdens de overgangsperiode geheel of gedeeltelijk vrij te maken. Een lidstaat die de beperkingen tijdens deze periode van zeven jaar heeft opgeheven, kan gebruik maken van een „vrijwaringsclausule” en opnieuw beperkingen opleggen als er bewijs bestaat van ernstige verstoringen van de arbeidsmarkt (of een bedreiging daarvan). De Commissie verwacht dat de meeste beperkingen zullen kunnen worden opgeheven aan het einde van de eerste vijfjaren na toetreding, dat wil zeggen vanaf 2009. Vanaf 2011 — zeven jaar na toetreding — zal er volledig vrij verkeer van werknemers uit de nieuwe lidstaten bestaan. |
(1) PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/267 |
(2004/C 88 E/0272)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0999/04
van Daniel Hannan (PPE-DE) aan de Commissie
(24 maart 2004)
Betreft: De bouw van hoogspanningsmasten in de gemeente Civitella Paganico
De gemeente Civitella Paganico laat de Italiaanse elektriciteitsmaatschappij T.e.r.n.a. S.p.a. doorgaan met een project om twee bestaande hoogspanningslijnen tussen Speranza-Valmontone en Suverto-Montalto op elkaar aan te sluiten. Deze zone wordt gekenmerkt door een nog niet opgegraven Romeinse nederzetting. Daarom verricht het Ministerie van cultuur onderzoek om te kijken of de zone moet worden uitgeroepen tot archeologisch park. Ondanks dit onderzoek en ondanks het feit dat de gemeenteraad een negatief advies heeft afgegeven, vindt het project doorgang.
Is de Commissie van mening dat het optreden van de gemeente Civitella Paganico zich laat verenigen met de verklaarde steun van de Unie aan de volksgezondheid en de bescherming van het cultureel erfgoed van Europa?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
Projecten als de constructie van bovengrondse elektriciteitsleidingen vallen binnen de werkingssfeer van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (1) (MEB-richtlijn), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (2). De richtlijn stelt dat lidstaten dienen te waarborgen dat projecten die onder andere vanwege hun aard, omvang of ligging significante gevolgen voor het milieu kunnen hebben, onderworpen worden aan een milieueffectbeoordeling voordat een vergunning wordt afgegeven. De milieueffectbeoordeling dient de directe en indirecte effecten van een project op mensen, fauna, flora, bodem, water, lucht, klimaat, landschap, materiële activa en het culturele erfgoed vast te stellen, te beschrijven en te beoordelen.
Deze projecten worden gedefinieerd in artikel 4, dat verwijst naar bijlage I en II van de richtlijn. De aanleg van bovengrondse elektriciteitsleidingen met een spanning van 220 kilovolt (kV) of meer en een lengte van meer dan 15 kilometer (km) valt onder bijlage I, terwijl de transmissie van elektrische energie via bovengrondse kabels die onder de hierboven vermelde drempels liggen, onder bijlage II valt. Voor projecten in bijlage I is een MEB verplicht, terwijl bij projecten in bijlage II de nationale autoriteiten via een apart onderzoek of aan de hand van drempels of criteria moeten bepalen of het project aan een beoordeling moet worden onderworpen vanwege de significante milieueffecten die het kan hebben, rekening houdende met de relevante selectiecriteria zoals die uiteen zijn gezet in bijlage III van de richtlijn.
In dit specifieke geval kan de Commissie op basis van de informatie van het geachte parlementslid geen standpunt terzake innemen. Met het oog op het bovenstaande verzoekt de Commissie het geachte parlementslid meer informatie over de kwestie te geven, zodat de Commissie de zaak kan beoordelen overeenkomstig desbetreffende Gemeenschapsrecht.
Op 12 juli 2003 nam de Raad Aanbeveling 1999/519/EEG (3) aan, die de blootstelling van het grote publiek aan elektromagnetische velden beperkt, met het oog op de waarborging van een hoog niveau van gezondheidsbescherming. De aanbevolen maximumlimieten zijn gebaseerd op de richtlijnen die zijn vastgesteld door de Internationale Commissie voor Bescherming tegen Niet-ioniserende Straling en worden ondersteund door de Wetenschappelijke Stuurgroep van de Commissie. De volledige naleving van de basisbeperkingen en de referentieniveaus die in de aanbeveling zijn opgenomen, waarborgt dat het publiek een hoog beschermingsniveau geniet tegen zowel acute als langetermijngevolgen van niet-ioniserende straling in het gehele spectrum. Tegelijkertijd volgt de Commissie het onderzoek op dit gebied nauwlettend en draagt zij zorg voor de financiering daarvan. De Commissie zal indien nodig reageren op nieuw wetenschappelijk bewijs waarmee nog geen rekening is gehouden.
De verantwoordelijkheid voor het integreren van de bepalingen van de hierboven vermelde aanbeveling in het nationale recht ligt bij de lidstaten. De kwestie dient daarom te worden opgenomen met de desbetreffende nationale autoriteiten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/268 |
(2004/C 88 E/0273)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1008/04
van Albert Maat (PPE-DE) en Neil Parish (PPE-DE) aan de Commissie
(1 april 2004)
Betreft: OIE-conferentie over vaccinatie tegen dierziekten
Van 13 tot 16 april 2004 organiseert het OIE (het internationaal bureau voor besmettelijke veeziekten) in Buenos Aires een internationale conferentie over vaccinatie tegen dierziekten.
|
1. |
Zal de Commissie haar bijdrage aan deze conferentie baseren op het verslag en de resolutie van de tijdelijke commissie mond- en klauwzeer van het Europees Parlement? Zo niet, waaruit zal haar bijdrage dan bestaan? |
|
2. |
Is de Commissie, samen met de lidstaten, bereid om binnen het kader van het OIE een beleid te voeren dat geen onderscheid maakt tussen beschermende noodvaccinatie (waarbij de dieren in leven blijven) enerzijds en onderdrukkende noodvaccinatie en/of preventief slachten anderzijds? |
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie stelt de geachte parlementsleden ervan in kennis dat zij heeft deelgenomen en bijgedragen aan de internationale conferentie over vaccinatie tegen dierziekten (International Conference on the Control of Animal Infectious Diseases by Vaccination) die van 13 tot 16 april 2004 te Buenos Aires is gehouden.
Op verzoek van het organisatiecomité heeft de vertegenwoordiger van de Commissie een document gepresenteerd over het gebruik van antigeen- en vaccinbanken bij noodvaccinatie in de Europese Gemeenschap („The use of antigen and vaccine banks in case of emergency vaccination in the European Community”) en hij is verzocht het gedeelte over „Antigeen- en vaccinbanken als veiligheidsmaatregel ter bestrijding van de verspreiding van de ziekte” („Antigen and vaccine banks as a safety measure for insuring control of disease spread”) voor te zitten.
Het document gaat over de integratie van noodvaccinatie in het complex van toe te passen maatregelen bij een uitbraak van mond- en klauwzeer (MKZ). Het verwijst naar de noodzaak van noodplannen en licht de communautaire antigeenbank in deze context toe. Een van de conclusies is dat in landen die vaccinatie toepassen de betrokkenen ervan bewust moeten worden gemaakt dat sterk gezuiverde vaccins en voldoende gevoelige en specifieke tests voor de detectie van antilichamen tegen niet-structurele eiwitten essentiële voorwaarden zijn voor de onderbouwing van de bewering dat als gevolg van de toepassing van vaccinatie geen virussen meer circuleren. De daartoe uitgevoerde controles moeten bovendien ten minste voldoen aan de eisen van het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten (OIE) en zij moeten een grondig toezicht op en doortastende acties in verband met beslagen die in aanraking zijn geweest met het virus omvatten.
De bijdrage van de Commissie is gebaseerd op Richtlijn 2003/85/EG van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond- en klauwzeer (1) die de uit de uitbraak van 2001 te trekken lering, de resolutie van het Parlement van 13 december 2002 en de voorwaarden voor de herwinning van de ziekte- en infectievrije status, als vastgesteld in de dier-gezondheidscode van het OIE, weerspiegelt.
In verband met het onderscheid tussen beschermende noodvaccinatie om de dieren in leven te houden en onderdrukkende vaccinatie om de dieren daarna te doden wil de Commissie er nogmaals op wijzen dat de laatste deel uitmaakt van een ruimingsprocedure die wordt toegepast in besmette en verontreinigde beslagen. Voor zover bij de verschillende strategieën de beschermende vaccinatie geleidelijk wordt beëindigd, d.w.z. dat de ziekte- en infectievrije status opnieuw wordt verkregen drie maanden na het slachten van de gevaccineerde dieren voor menselijke consumptie in tegenstelling tot zes maanden waarbij de gevaccineerde dieren in leven blijven, wil de Commissie echter de aandacht vestigen op artikel 62 van voornoemde richtlijn dat voorziet in een afwijking van de wachtperiode in het licht van de uitkomst van de controle na de vaccinatie.
De Commissie houdt vast aan haar standpunt dat de internationaal aanvaarde eisen voor het terugkrijgen van de ziekte- en infectievrije status nadat een beroep is gedaan op noodvaccinatie voor een hoog veiligheidsniveau moeten zorgen. Rekening houdend met de biologie van het virus en de epidemiologie van de ziekte kan het snel terugkrijgen van de ziekte- en infectievrije status het risico van de introductie van het MKZ-virus met producten van dierlijke oorsprong aanzienlijk vergroten. In lijn met de aanbevelingen in het verslag van de tijdelijke commissie mond- en klauwzeer van het Parlement is de Commissie gehouden dergelijke risico's te minimaliseren door de verbintenissen na te komen die de Gemeenschap in het kader van internationale handelsovereenkomsten heeft aangegaan.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/269 |
(2004/C 88 E/0274)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1009/04
van Johannes Voggenhuber (Verts/ALE) aan de Commissie
(25 maart 2004)
Betreft: Lobau-autosnelweg
De milieueffectbeoordelingsrichtlijn (MEB) nr. 97/11/EG (1) verplicht de lidstaten van de EU ertoe voor bepaalde openbare en particuliere projecten een milieueffectbeoordeling te verrichten. Zo'n MEB is overeenkomstig bijlage I van de richtlijn ook vereist voor autosnelwegen en snelwegen. In Oostenrijk wordt toestemming voor de aanleg van autosnelwegen gegeven door het vaststellen van zogenaamde „Trassenverordnungen” (verordeningen inzake tracé's) overeenkomstig paragraaf 4 van het „Bundesstrassengesetz” (federale wet inzake het wegennet). Dat betekent dat zo'n project niet met een individueel besluit, maar via een algemene, abstracte verordening wordt toegestaan.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn rechtspraak (rs C-287/98) verklaard dat in het kader van de MEB toestemming via een wettelijke maatregel principieel toelaatbaar is maar dat het project door de wettelijke maatregel terzake dan wel door een verordening afzonderlijk moet worden goedgekeurd.
Het Oostenrijkse constitutionele hof heeft in zijn jongste rechtspraak over de „Aussenringschnellstrasse” in Wenen verklaard dat een verordening inzake het tracé op grond van het juridisch karakter geen nevenbepalingen (voorwaarden) mag behelzen, om te voldoen aan de vereisten voor toestemming van het ingediende project conform de MEB-wet. In het geval van een verordening inzake een tracé kan niet op bindende wijze rekening worden gehouden met de uitkomst van de milieueffectbeoordeling.
Is de Commissie van mening dat toestemming voor de aanleg van autosnelwegen door middel van verordeningen betreffende een tracé, waarmee niet kan worden gewaarborgd dat rekening is gehouden met de uitkomst van een milieueffectbeoordeling, verenigbaar is met de MEB-richtlijn?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(22 april 2004)
De Commissie is van oordeel dat de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat de uitkomst van een milieueffectbeoordeling met betrekking tot projecten die vallen onder de werkingssfeer van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (MEB-richtlijn) (2), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EEG van de Raad van 3 maart 1997, in het kader van de vergunningsprocedure in aanmerking genomen wordt, zoals ook nadrukkelijk is bepaald in artikel 8 van bovengenoemde richtlijn.
Wat het in de vraag bedoelde specifieke wegenproject betreft (S 1, voorheen Β 301) wijst de Commissie erop dat zij recentelijk een klachtendossier betreffende hetzelfde wegenproject heeft afgesloten na de toezegging van de Oostenrijkse autoriteiten dat bij de lopende vergunningsprocedure de bepalingen van de MEB-richtlijn ten volle in aanmerking genomen zullen worden.
De Commissie zal op gepaste wijze nader onderzoek doen naar de mogelijke niet-conforme omzetting van de MEB-richtlijn ten aanzien van wegenprojecten in Oostenrijk.
Tot slot is de Commissie van mening dat de in de vraag genoemde verordeningen voor het verlenen van toestemming voor de aanleg van autosnelwegen („Trassenverordnungen”) niet beschouwd kunnen worden als specifieke nationale wetten in de zin van artikel 1, lid 5, van de MEB-richtlijn. Deze verordeningen lijken niet alle details van een wegenproject te bestrijken (normaal gesproken zijn er nog andere vergunningen vereist voor de aanleg van wegen in Oostenrijk), en bovendien gaat het hier ook niet echt om wettelijke maatregelen (de verordeningen worden vastgesteld door bepaalde instanties, niet via door het parlement goed te keuren wetsbesluiten). De MEB-richtlijn legt de lidstaten evenwel niet de verplichting op te voorzien in één vergunningsprocedure (artikel 2, onder a)). Het staat de lidstaten volgens artikel 2, lid 2, vrij de milieueffectbeoordeling te integreren in bestaande vergunningsprocedures of in andere passende procedures. De opneming van de voor een wegenproject vereiste milieueffectbeoordeling in de procedure van een „Trassenverordnung” kan derhalve op zichzelf niet beschouwd worden als een inbreuk op de MEB-richtlijn.
(1) PB L 73 van 14.3.1997, blz. 5.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/270 |
(2004/C 88 E/0275)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1010/04
van Johannes Voggenhuber (Verts/ALE) aan de Commissie
(1 april 2004)
Betreft: Lobau-snelweg
De Republiek Oostenrijk is voornemens in de buurt van het natuurpark Lobau een snelweg aan te leggen. De Republiek Oostenrijk heeft het natuurgebied Lobau bij de Commissie zowel als vogelbeschermingsgebied overeenkomstig Richtlijn 79/409/EEG (1) alsook als flora-fauna-habitat-gebied overeenkomstig Richtlijn 92/43/EG (2) aangewezen.
Nu is gepland om dit gebied langs de rand in te krimpen. Op deze plaats zal de geplande snelweg het natuurgebied binnenkomen en vervolgens via een tunnel onder het gebied door lopen. Een ander verloop van het tracé, waardoor het natuurgebied Lobau ongemoeid blijft, is technisch haalbaar.
Daarnaast is gepland om een pal naast het natuurgebied lopende weg in de richting van de geplande snelweg tot een vier- à zesbaansweg (+ 2 pechstroken) te verbreden.
|
1. |
Is het vanuit gemeenschapsrechtelijk oogpunt toelaatbaar om voor een geplande snelweg het Natura-2000-gebied Lobau in te krimpen? |
|
2. |
Is het toegestaan om onder een Natura-2000-gebied een snelweg te laten lopen? |
|
3. |
Moet ook voor de geplande vier- à zesbaansweg naast het natuurgebied een milieueffectrapportage overeenkomstig artikel 6 van de flora-fauna-habitatrichtlijn worden uitgevoerd? |
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
Het gebied „Nationalpark Donau-Auen (Wiener Teil)” (AT1301000) is door Oostenrijk aangewezen als een speciale beschermingszone (SPA) in het kader van de Vogelrichtlijn (3) en is voorgedragen als een gebied van communautair belang (SCI) in het kader van de Habitatrichtlijn (4). Het gebied heeft een oppervlakte van 2 258 hectare (ha). Daarnaast is het gebied „Donau-Auen östlich von Wien” in Niederösterreich aangewezen als een SPA (AT1204V00) met een oppervlakte van 9 172 ha, en voorgedragen als een SCI (AT1204000) met een oppervlakte van 9 579 ha. Het Natura-2000-netwerk bestaat uit beide soorten gebieden: SPA's en SCI's.
Op de specifieke vragen van het geachte parlementslid kan de Commissie het volgende antwoorden:
|
— |
Het is volgens het Gemeenschapsrecht niet toegestaan de oppervlakte van een Natura-2000-gebied te verkleinen om een infrastructureel project uit te voeren. De verplichtingen van een lidstaat in het kader van de betreffende EU-natuurwetgeving kunnen op die wijze niet worden ontlopen. De begrenzing van Natura-2000-gebieden dient op puur wetenschappelijke basis plaats te vinden, op grond van het aantal en de behoeften van soorten en habitats van communautair belang. |
|
— |
Of de aanleg van een autosnelweg verenigbaar is met de voorschriften van de EU-natuurwetgeving dient voor elk geval apart te worden beoordeeld. Indien een voorgesteld plan of project effecten kan hebben op een Natura-2000-gebied, dient het project onderworpen te worden aan een beoordeling in overeenstemming met de bepalingen van artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Deze voorziet in substantieve en procedurele veiligheidscontroles die waarborgen dat schadelijke ontwikkelingen geen invloed op Natura-2000-gebieden kunnen hebben, tenzij deze door het ontbreken van alternatieve oplossingen en het grotere openbare belang kunnen worden gerechtvaardigd. Indien het betreffende gebied ruimte biedt aan een natuurlijk type habitat en/of een prioritaire soort, zijn de enige zaken die in overweging mogen worden genomen zaken die betrekking hebben op menselijke gezondheid of openbare veiligheid, positieve effecten van primair belang voor het milieu, of (na een advies van de Commissie) andere dwingende redenen van groot openbaar belang. |
|
— |
Een beoordeling volgens artikel 6 van de Habitatrichtlijn dient te worden uitgevoerd indien een plan of project vermoedelijk significante effecten zal hebben op een Natura-2000-gebied. In dat geval is het niet relevant op welke locatie het plan of project wordt uitgevoerd. Deze locatie kan binnen of buiten het Natura-2000-gebied liggen. |
(1) PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1.
(2) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(3) Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/244/EEG van de Commissie van 6 maart 1991, PB L 115 van 8.5.1991.
(4) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/271 |
(2004/C 88 E/0276)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1015/04
van Daniel Varela Suanzes-Carpegna (PPE-DE) aan de Commissie
(5 april 2004)
Betreft: Garnaalvisserij rond de Svalbard-eilanden
De communautaire garnaalvisserij rond de Svalbard-eilanden wordt ernstig bemoeilijkt door de verplichting dat niet meer dan vier vaartuigen van de EU-vloot tegelijk actief mogen zijn. Deze verplichting geldt reeds enkele jaren, en het risico bestaat dat deze praktijk nog wordt bestendigd, ten nadele van de communautaire vloot, die de haar toegewezen visserij-inspanning op jaarbasis (519 dagen) niet kan benutten. Hier komt nog bij dat deze beperking geldt voor het kleine aantal maanden dat deze wateren toegankelijk zijn. De Europese Commissie gaf op 8 mei 2002 in haar antwoord op mijn schriftelijke vraag E-1037/02 (1) aan dat zij zich volledig bewust was van de moeilijkheden die deze visserijsituatie met zich meebracht voor de betrokken lidstaten en verklaarde in een later stadium, op 26 januari 2004, in haar antwoord op mijn schriftelijke vraag E-3581/03 (2), dat „het vraagstuk van verbeterde toegang voor de communautaire garnaalvisserijvloot tot de Svalbard-wateren met Noorwegen was besproken bij verschillende gelegenheden, het laatst tijdens een vergadering op hoog niveau in maart 2003”. De Commissie deelde hierbij mede dat Noorwegen niet bereid was een verhoging van het aantal visserijdagen in overweging te nemen, maar dat een verhoging van het aantal gelijktijdig in deze wateren toegelaten vaartuigen wel bespreekbaar was. Noorwegen stelt een dergelijke verhoging van het aantal vaartuigen wel afhankelijk van een voor Noorwegen bevredigende oplossing voor een reeks hangende kwesties, waaronder verbetering van de exportvoorwaarden voor Noorse garnalen naar de Europese Unie. De Commissie is met Noorwegen overeengekomen nogmaals een vergadering op hoog niveau te beleggen, in principe in juni 2004, ten einde de dialoog voort te zetten en o.a. te zoeken naar een bevredigende oplossing voor de problemen in verband met de toegang voor de communautaire garnaalvisserijvloot tot de Svalbard-wateren.
Vooralsnog is geen enkele vooruitgang geboekt in deze situatie en zijn de vangsten van bepaalde communautaire vloten die in NAFO-wateren visten, aanzienlijk terug gelopen, waardoor zij gedwongen zijn om naar alternatieven te zoeken. Is de Commissie zich bewust van de schade die de huidige impasse in de onderhandelingen met Noorwegen toebrengt aan de communautaire visserijvloot?
Het enige wat de EU-vloot wil is verhoging van het aantal gelijktijdig in deze wateren toegelaten vaartuigen, iets dat voor Noorwegen niet onbespreekbaar is. Acht de Commissie niet het moment gekomen om deze vergadering op hoog niveau te vervroegen, ten einde zo snel mogelijk een einde te maken aan deze schadelijke situatie?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(28 april 2004)
De Commissie wil allereerst herhalen dat tijdens diverse besprekingen met Noorwegen is getracht de hangende kwestie van de garnaalvisserij door de communautaire vloot bij Svalbard op te lossen. Ondanks de tussenkomst van de Commissie is het standpunt van Noorwegen nu al geruime tijd ongewijzigd. Het land probeert betere handelsvoorwaarden voor de Noorse garnalenexport te krijgen in ruil voor een verbeterde toegang voor vaartuigen van de Gemeenschap.
In juni 2004 zullen er tussen de Gemeenschap en Noorwegen weliswaar gesprekken op hoog niveau plaatsvinden, maar tijdens informele contacten worden de voorwaarden voor de garnaalvisserij voortdurend besproken. De Commissie en de lidstaten werken al nauw samen aan een zo goed mogelijke verdeling van de beschikbare visdagen. In maart 2004 zijn de Commissie en de lidstaten over dit onderwerp bij elkaar gekomen.
De Commissie is zich terdege bewust van de problemen waar bepaalde lidstaten met betrekking tot hun visserijmogelijkheden te maken hebben. De Commissie streeft naar verbetering van de visserijvoorwaarden. De Commissie is niet van mening dat het vervroegen van de besprekingen op hoog niveau de positie van de Gemeenschap zou versterken.
(1) PB C 229 E van 26.9.2002, blz. 172.
(2) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 830.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/272 |
(2004/C 88 E/0277)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1023/04
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(5 april 2004)
Betreft: Modernisering Portugese visserijvloot
Zoals bekend bestaan er ambitieuze plannen voor de modernisering van de Portugese visserijvloot geregistreerd in de havens van Peniche, Nazaré, Sesimbra en Setúbal, waar de ambachtelijke en kustvisserij van groot belang is voor de plaatselijke bevolking en de regionale ontwikkeling. Er zijn ook plannen voor de bouw van een nieuwe conservenfabriek in Setúbal. Het is dan ook onaanvaardbaar dat de Portugese regering onlangs bij ministerieel besluit nr. 252/2004 van 8 maart de indiening van nieuwe kandidaturen in het kader van het MARE-programma (duurzame ontwikkeling in de visserijsector) QCA III voor de periode 2000-2006, voor de regio Lissabon en Vale do Tejo heeft opgeschort wegens gebrek aan financiële middelen.
Kan de Commissie mij meedelen:
|
1. |
welke maatregelen kunnen worden genomen om de kredieten van het MARE-programma op te trekken, zodat de bestaande plannen van de vissershavens in de regio van Lissabon en de vallei van de Taag kunnen worden gesubsidieerd? |
|
2. |
welke maatregelen de Commissie van plan is te nemen om in samenwerking met de Portugese regering steun te verlenen aan de omschakeling van de vissersvloot en de bouw van nieuwe conservenfabrieken in de zone, rekening houdend met de toenemende werkloosheid en het feit dat ongeveer de helft van de vaartuigen uit die havens hopeloos verouderd is? |
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(30 april 2004)
De regio „Lissabon en Vale do Tejo” is een regio waarvoor in het kader van doelstelling 1 is voorzien in overgang s steun, en waarvoor derhalve op het niveau van het communautair bestek een maximum geldt als gevolg van het voor de structuurfondsen overeengekomen profiel van Berlijn. Dit impliceert dat elke verhoging van de subsidies uit het financieringsinstrument voor de oriëntatie van de visserij (FIOV) voor de regio gepaard moet gaan met een gelijkwaardige vermindering van de bijstand uit andere fondsen.
De steun uit het FIOV voor de regio, die voor de periode 2000-2006 is vastgesteld op 32,988 miljoen euro, wordt uitsluitend verstrekt via het operationele programma MARE. Anderzijds bedragen de tot nu toe aangegane verplichtingen 30,2 miljoen euro en is met de projecten die zijn ingediend op de datum van bekendmaking van Verordening nr. 252/2004 een bedrag gemoeid van driemaal de beschikbare kredieten.
Volgens artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector (1), is overheidssteun ten behoeve van de vervanging van vissersboten niet meer toegestaan na 31 december 2004.
In verband met de toegenomen behoeften aan kredieten uit het FIOV is het de bedoeling om, bij de evaluatie halverwege de looptijd, van de programmering overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 met algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de structuurfondsen (2), meer geld uit te trekken voor FlOV-maatregelen door een deel van de prestatiereserve daarvoor te bestemmen, en kleine correcties aan te brengen door middel van de overdracht van kredieten uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) naar de FIOV. Feit blijft dat de mogelijkheden om de subsidies uit het FIOV te verhogen, onvoldoende kunnen blijken in verband met het grote aantal ingediende projecten, maar het door het profiel van Berlijn aan de regio's met een regeling inzake overgang s steun opgelegde maximum verhindert elke verhoging van de communautaire steun.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/273 |
(2004/C 88 E/0278)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1027/04
van Marie Isler Béguin (Verts/ALE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: Inachtneming van de Europese milieuwetgeving
Behoud en herstel van de biodiversiteit zijn officiële doelstellingen van de beleidsvoering van de Europese Commissie. De infrastructuur van de Europese Unie biedt in principe de nodige modellen om die uitdagingen aan te pakken, o.a. de vogel- en habitat-richtlijn en die op de milieueffectstudies. De voornaamste bepalingen van de Europese regelgeving zijn door de lidstaten in hun binnenlands recht overgenomen.
Maar spijtig genoeg ziet de balans van die overnamen er op het ogenblik vooral in Frankrijk niet schitteren uit. Aangezien immers ontwikkelingsprogramma's één van de voornaamste ingrepen met uitwerkingen op de biodiversiteit vertegenwoordigen, zou onderzoek dat aan de uitvoering van infrastructuurprogramma's voorafgaat, vooral in de gebieden van Natura 2000, op een behoorlijke manier rekening moet houden met de beschermingsvoorschriften.
De weg A831 door het moerasgebied van Poitou of de autoweg A28 in het departement Sarthe tonen aan dat de procedures die gevolgd worden lang niet aan de doelstellingen beantwoorden die in de teksten neergelegd zijn. De sectoriële benadering van de uitwerkingen is nog altijd geldig, zodat het mogelijk is om de aantastingen van het milieu zo gering mogelijk voor te stellen en zich te onttrekken aan de verplichting om de mogelijkheden te keizen die voor de Natura 2000-gebieden het minst belastend zijn. De onderzoeksprocedures blijken daarmee bijzonder weinig te verschillen van de traditionele milieueffectstudies, die in de praktijk het strikt beschermingsstatuut van bepaalde soorten of habitats veronachtzamen door ze gewoon te vernietigen of om verbrokkeling prijs te geven. Daarnaast wordt gebruikmaking van de afwijkingsmogelijkheden door de opdrachtgevers van ingrijpende werkzaamheden tijdens het onderzoek de regel, die de draagwijdte van de beschermingsrichtlijnen ondermijnt op een ogenblik dat bescherming van de biodiversiteit een onderdeel van alle overheidsbeleid zou moeten zijn.
|
1. |
Welke maatregelen denkt de Europese Commissie te treffen om de belangrijke richtlijnen op de bescherming van de biodiversiteit in de verschillende vormen van Europese beleidsvoering hun echte draagwijdte weer te geven, zowel in het algemeen als in de specifieke gevallen die ik genoemd heb? |
|
2. |
En welke controleprocedures neemt ze in overweging om de klaarblijkelijke misbruiken tegen te gaan? |
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(21 april 2004)
Wat betreft het algemene kader waar het geachte parlementslid naar verwijst, herinnert de Commissie eraan dat Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (1) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (2) erop gericht zijn het behoud van de vogelstand, de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora te verzekeren om bij te dragen tot de algemene doelstelling van biodiversiteit.
De Richtlijnen 79/409/EEG en 92/43/EEG berusten op het subsidiariteitsbeginsel. Hierdoor beschikken de lidstaten over een grote speelruimte bij de praktische uitvoering van de specifieke beleids- en beschermingsmaatregelen betreffende de gebieden van het Natura 2000-netwerk. Elke lidstaat is dus verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van het communautaire recht in zijn nationale rechtsorde. Het staat de lidstaten vrij een methode te kiezen om de praktische maatregelen uit te voeren, maar deze moeten in overeenstemming zijn met de algemene doelstelling van de richtlijn en de specifieke doelstellingen van de verschillende bepalingen van de richtlijn.
De Commissie, die overeenkomstig artikel 211 van het EG-Verdrag, erover moet waken dat het communautaire recht correct wordt toegepast, richt zich tot een lidstaat telkens wanneer uit de aangevoerde feiten blijkt dat de voorschriften van de geldende communautaire wetgeving niet zijn nageleefd.
In het door het geachte parlementslid genoemde geval, heeft de Commissie verschillende verzoeken om informatie gericht tot de Franse autoriteiten, in het kader van het onderzoek van een klacht waarin wordt geprotesteerd tegen de aanleg van de autosnelweg A 831 in het Marais van Poitou, waarover tot op heden nog geen definitief uitvoeringsbesluit is genomen. Dit dossier wordt momenteel door de Commissie onderzocht. Bovendien heeft de Commissie een met redenen omkleed advies aan de Franse autoriteiten gezonden, wegens niet-naleving van het bepaalde in Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de evaluatie van de effecten van bepaalde openbare en particuliere projecten op het milieu (3), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (4), en Richtlijn 92/43/EEG, met betrekking tot de herverkaveling die voortvloeit uit de aanleg van de autosnelweg A28 in het deel tussen Le Mans en Tours.
De Commissie zal alle nodige maatregelen nemen om de integriteit en de samenhang van de gebieden van het Natura 2000-netwerk te verzekeren, onder meer het inleiden van een inbreukprocedure wanneer dat nodig blijkt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/275 |
(2004/C 88 E/0279)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1028/04
van Nicole Thomas-Mauro (UEN) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: Spanningen op de staalmarkt
Er doen zich momenteel zeer sterke spanningen op de staalmarkt voor waar de tarieven stijgen. De grote opdrachtgevers hebben contracten over een jaar en ondervinden, op dit ogenblik althans, geen hinder van de prijsverhogingen, maar kleinere bedrijven worden er rechtstreeks door getroffen. De Europese ondernemingen kunnen zich niet meer bevoorraden bij gebrek aan beschikbare grondstoffen. De vestigingen van Champagne-Ardenne bijvoorbeeld krijgen de volle last te dragen en zijn niet meer in staat om aan hun verplichtingen tegenover hun klanten te voldoen. Ze kondigen aan dat ze over een paar weken niet meer zuilen kunnen produceren en een aantal hebben al maatregelen getroffen om hun personeel technisch werkloos te verklaren.
De oorzaak van de prijsstijgingen zouden de aankopen door China zijn, dat op zich alleen 70 % van de wereldmarkt vertegenwoordigt. Maar de woordvoerders van de beroepsverenigingen van de staalnijverheid of het bouwbedrijf drukken zich veel genuanceerder uit. Niemand betwist het feit dat de Chinese industrie zich in expansie bevindt, noch de druk op de grondstofprijzen (ijzererts, schroot, cokes) en zelfs op de tarieven voor het zeevervoer, maar een groot aantal aankopers wijst ook op het herstel van de marges van Arcelor, nummer 1 op de wereldrang slij st, dat na een crisisperiode nu van de toestand profiteert.
Welke oplossingen kunnen er overwogen worden om de vele terugslagen van de prijsstijging uit de weg te gaan, maar vooral: hoe kan het gevaar van schaarste ontweken worden als de huidige toestand zou blijven aanhouden?
Kan er een beperking van de uitvoering van schroot uit de producerende landen — vooral in Midden-Europa — in overweging genomen worden om de hoeveelheden beschikbare grondstoffen en de vraag naar staal opnieuw in evenwicht te brengen?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(15 april 2004)
De Commissie volgt nauwlettend de ontwikkeling van de wereldmarkt van staal en de voor de productie daarvan noodzakelijke grondstoffen. Zij bestudeert met name het effect op de markt en de communautaire prijzen van de toenemende vraag naar deze producten in het Aziatische gebied. Een groot deel van de moeilijkheden die de communautaire markt ondervindt, heeft immers te maken met de spectaculaire industriële ontwikkeling in China die wegens de toenemende behoefte aan basismaterialen een spanning op de markt en een sterke stijging van de prijzen op wereldvlak heeft veroorzaakt.
De Gemeenschap is een belangrijke producent en exporteur van staal en schroot en voor het ogenblik levert haar bevoorrading met deze twee producten geen problemen op. In de huidige situatie die wordt gekenmerkt door een sterk toenemende vraag en sterk stijgende prijzen op wereldvlak worden alle actoren echter opgeroepen om hun inkopen en hun voorraden zeer zorgvuldig in evenwicht te houden om het effect van een toenemende financiële druk op de activiteiten van het bedrijf tot een minimum te beperken. De staalproducent Arcelor wordt met deze noodzaak geconfronteerd zoals alle andere actoren die in de productie en de distributie werkzaam zijn. De kleine bedrijven lijden daarbij echter onder het feit dat zij ten aanzien van de grote klanten die grote hoeveelheden inkopen over een beperkte onderhandelingscapaciteit beschikken.
De Commissie deelt het voorzichtige en evenwichtige standpunt van het geachte parlementslid over de huidige situatie. De communautaire markt heeft thans eerder te kampen met een sterke druk op de prijzen dan met een probleem in verband met de beschikbaarheid van de producten. Over het algemeen hebben de actoren de prijsstijgingen aan hun klanten kunnen doorrekenen, wat hen in staat heeft gesteld hun concurrentievermogen veilig te stellen, in afwachting dat de huidige prijsdruk afneemt. Wij constateren sinds enkele weken een significante vertraging van de Aziatische vraag, wat een direct effect heeft op het niveau van de wereldprijzen. Zonder dat wij in dit stadium hieruit voorbarige conclusies willen trekken, gaat het hierbij echter om bemoedigende signalen.
De Commissie wil het geachte parlementslid verzekeren dat zij de ontwikkeling van de markt van staal en de grondstoffen daarvoor met de grootste aandacht zal blijven volgen onder gebruikmaking van alle instrumenten waarover zij beschikt ten einde ervoor te zorgen dat de wereldhandel in deze producten plaatsvindt onder naleving van de regels van een open en loyale concurrentie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/276 |
(2004/C 88 E/0280)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1038/04
van Avril Doyle (PPE-DE) aan de Commissie
(29 maart 2004)
Betreft: Voorstel voor een richtlijn voor de inspectie van de nucleaire installatie van Sellafield
Kan de Commissie bevestigen:
|
1. |
dat zij snel werk zal maken van een richtlijn om ervoor te zorgen dat de Britse autoriteiten (British Nuclear Fuels Ltd) volledige duidelijkheid verschaffen omtrent de hoeveelheid radioactief afval die momenteel is opgeslagen in de nucleaire installatie van Sellafield in Cumbria? |
|
2. |
dat de EU-inspecteurs toegang zullen krijgen tot de locatie om de verklaringen van BNFL persoonlijk na te gaan? |
|
3. |
dat de bevindingen van deze inspecteurs beschikbaar zullen zijn voor andere lidstaten die rechtstreeks te maken hebben met de Sellafield-installatie? |
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie bevestigt dat op 30 maart 2004 een richtlijn op grond van artikel 82 van het Euratom-Verdrag is aangenomen.
Op grond van artikel 82 van het Euratom-Verdrag zijn inspecteurs van de Commissie verantwoordelijk voor het verkrijgen en controleren van de in artikel 79 genoemde werkstaten. Deze inspecteurs dienen iedere schending aan de Commissie te melden. De Commissie kan een richtlijn uitvaardigen waarin de desbetreffende lidstaat wordt verzocht alle nodige maatregelen te nemen om een einde te maken aan deze schendingen.
De Commissie is van mening dat British Nuclear Fuels plc de artikelen 79 en 81 van het Euratom-Verdrag heeft geschonden aangezien zij geen werkstaten heeft bijgehouden en overgelegd ter verantwoording van alle nucleaire materialen die momenteel in pond Β30 te Sellafield (Verenigd Koninkrijk) liggen opgeslagen, en aangezien de inspecteurs van de Commissie in verband met beperkende maatregelen met het oog op stralingsgevaar niet in staat waren alle nucleaire materialen die momenteel in pond B30 liggen opgeslagen, te controleren.
Op grond van de richtlijn is het Verenigd Koninkrijk verplicht vóór 1 mei 2004 een uitgebreid plan bij de Commissie in te dienen om een einde te maken aan deze schendingen. Voorts dient het Verenigd Koninkrijk ieder halfjaar een voortgangsverslag inzake de tenuitvoerlegging van het plan bij de Commissie in te dienen. Op basis van deze verslagen en haar eigen controles zal de Commissie beoordelen in hoeverre het Verenigd Koninkrijk de verplichtingen op grond van de richtlijn naleeft.
Tot slot: op grond van Verordening (Euratom) nr. 3 (1) dient informatie die op grond van het Euratom-Verdrag door de Gemeenschap is verkregen of door de lidstaten is verstrekt en die naargelang van de mate van geheimhouding wordt geclassificeerd, als Euratom Classified Information (ECI) te worden behandeld. Toegang tot en bezit van ECI mag uitsluitend worden toegekend aan bevoegde personen voor wie het, in verband met hun taken, duidelijk noodzakelijk is dat ze van deze informatie op de hoogte worden gesteld of dat ze deze informatie ontvangen.
Desalniettemin dient de Commissie sinds 2001 jaarlijks een verslag over de Veiligheidscontrole van Euratom (2) in bij het Parlement en de Raad. Hierin worden de functie en de rechtsgrondslag van de Veiligheidscontrole van Euratom beschreven en doet de Commissie verslag van haar activiteiten in de desbetreffende periode. Deze verslagen bevatten ook informatie over de huidige ontwikkelingen en toekomstverwachtingen.
De komende verslagen zullen een systematische verwijzing bevatten naar de vooruitgang die de Britse autoriteiten hebben geboekt ten aanzien van de uitvoering van de bovengenoemde richtlijn.
(1) Verordening nr. 3 ter uitvoering van artikel 24 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, PB 17 van 6.10.1958.
(2) Te vinden op http://europa.eu.int/comm/energy/nuclear/safeguards/index_en.htm
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/277 |
(2004/C 88 E/0281)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1039/04
van Daniel Cohn-Bendit (Verts/ALE) aan de Commissie
(29 maart 2004)
Betreft: Kandidatuur van commissaris Reding tijdens de Europese verkiezingen
Commissaris Reding stelt zich kandidaat tijdens de Europese verkiezingen, maar zal tijdens de verkiezingscampagne in haar huidige functie blijven, zoals overeengekomen met voormalig commissaris voor werkgelegenheid Diamantopoulou.
Waarom is er geen algemene regel die tijdens de verkiezingscampagnes in het college van commissarissen van toepassing is? Acht de Commissie het niet nuttig een duidelijke regeling voor het college uit te werken om conflicten tussen de taken van de commissarissen en de belangen van de kandidaten te voorkomen?
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(28 april 2004)
Volgens de bestaande praktijk binnen de Commissie brengt een lid van het college de voorzitter tijdig op de hoogte van diens voornemen zich verkiesbaar te stellen en aan de desbetreffende verkiezingscampagne deel te nemen. Als een Commissie-lid als kandidaat actief aan de campagne wil deelnemen, dient deze zich tijdens de campagne te onthouden van deelname aan de werkzaamheden van het college (1). Daarmee worden mogelijke belangenconflicten voorkomen en is een maximale vrijheid van handelen en spreken (met inachtneming van het collegialiteitsbeginsel) van het desbetreffende Commissie-lid gewaarborgd.
Een Commissie-lid dat op de kieslijst staat, maar niet actief aan de verkiezingscampagne deelneemt, dient in overleg met de voorzitter zelf te beoordelen of hij of zij in de gegeven situatie wel kan deelnemen aan de werkzaamheden van het college.
Aangezien mevrouw Reding de voorzitter heeft toegezegd niet actief aan de verkiezingscampagne deel te nemen, wordt ervan uitgegaan dat de kandidatuur haar functioneren binnen de Commissie niet in de weg staat en geen belangenconflict veroorzaakt. Gezien haar toezegging kan mevrouw Reding tijdens de periode in kwestie haar werkzaamheden gewoon voortzetten.
Deze conclusie is verenigbaar met de gedragscode voor Commissie-leden die bepaalt dat zij actief lid mogen zijn van een politieke partij of vakbond, voorzover daardoor hun beschikbaarheid ten dienste van de Commissie niet in het gedrang komt.
In het licht van de opgedane ervaring zal de nieuwe voorzitter van de Commissie kunnen bepalen of voor het college een algemene regeling voor verkiezingscampagnes moet worden vastgesteld.
(1) Zie met name de antwoorden op schriftelijke vragen nr. 124/68, PB C 83 van 23.8.1968 — nr. 858/76, PB C 70 van 21.3.1977 - en nr. 2752/94, PB C 88 van 10.4.1995.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/277 |
(2004/C 88 E/0282)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1051/04
van Paulo Casaca (PSE) aan de Commissie
(5 april 2004)
Betreft: Bevestiging van het standpunt van de Europese Commissie over de geldigheid van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1954/2003
Op 12 maart bevestigde de Juridische Dienst van de Raad (nota 7327/04) zijn standpunt inzake de geldigheid van artikel 15 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 (1).
Diezelfde dag schreef Commissaris Fischler mij een brief waarin hij erkende dat de Verordeningen nrs. 685 en 2027 van 1995, waarin de visserij in de EEZ van de Azoren exclusief wordt voorbehouden voor vaartuigen met een door de Portugese autoriteiten uitgereikte vergunning, nog steeds van kracht zijn.
Groot was mijn verbazing toen ik Commissaris Fischler gisteren op de Portugese televisie hoorde verklaren dat Spaanse vaartuigen in de Portugese EEZ van de Azoren mogen vissen als zij daar een vergunning voor hebben.
Beschikt de Commissie over informatie omtrent visvergunningen die de Portugese autoriteiten met ingang van 1 januari 2004 zouden hebben verleend aan Spaanse vaartuigen voor toegang tot de Portugese EEZ van de Azoren?
Zo niet, kan de Commissie mij zeggen hoe beide verklaringen verenigbaar zijn?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie deelt het geachte parlementslid mee dat de Portugese autoriteiten geen enkele op 1 januari 2004 in werking tredende visvergunning hebben verleend aan Spaanse vaartuigen om in de Portugese exclusieve economische zone (EEZ) van de Azoren te kunnen komen.
Aangezien het hier gaat om de toepassing van de regeling van 1995 en de bij Verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad van 4 november 2003 (2) ingestelde regeling, bevestigt de Commissie nogmaals haar standpunt, namelijk:
|
— |
Artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003 voorziet in een beperking van de visserij-inspanning, met name in de wateren van de Azoren. Deze bepaling verschilt van de regeling die krachtens Verordening (EG) nr. 2027/95 van de Raad van 15 juni 1995 van toepassing is (3). Het voornoemde artikel 5 is op 14 november 2003 van kracht geworden. |
|
— |
Er zijn twijfels geuit over de toepasbaarheid van deze datum aangezien bij artikel 15 van de Verordening de tot dan toe geldende regelingen pas worden afgeschaft zodra de verordening met de uitvoeringsbepalingen in werking is getreden, dan wel uiterlijk op 1 augustus 2004. |
|
— |
Deze bepaling heeft evenwel geen enkele invloed op de datum van inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 1954/2003, en met name artikel 5. Het komt in het recht vaker voor dat verschillende bepalingen van toepassing zijn op dezelfde materie. In geval van conflicten heeft de meest recente bepaling voorrang. Dat is het geval met betrekking tot artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1954/2003. Dit artikel kent een minder uitgebreide exclusiviteit toe aan schepen uit Spanje en Portugal dan de voorgaande regeling, die formeel nog niet is ingetrokken. In dit geval geldt de meest recente regeling, hetgeen wil zeggen dat Verordening 1954/2003 moet worden toegepast. |
(1) PB L 289 van 7.11.2003, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 1954/2003 van de Raad van 4 november 2003 betreffende het beheer van de visserij-inspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap, houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 685/95 en (EG) nr. 2027/95, PB L 289 van 7.11.2003.
(3) Verordening (EG) nr. 2027/95 van de Raad van 15 juni 1995 tot invoering van een regeling voor het beheer van de visserij-inspanning voor bepaalde vangstgebieden en visbestanden van de Gemeenschap, PB L 199 van 24.8.1995.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/278 |
(2004/C 88 E/0283)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1076/04
van Christopher Heaton-Harris (PPE-DE) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: Kokkel- en mosselvissers
Kan de Commissie bevestigen dat kokkel- en mosselvissers in Noord-Ierland subsidies van de EU ontvangen? Zo ja, kan de Commissie gedetailleerde informatie verstrekken over het bedrag van deze subsidies en de wijze waarop deze werden verkregen?
Zouden de kokkel- en mosselvissers in Boston, in de Engelse regio East Midlands, ook voor dergelijke subsidies in aanmerking komen?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie kan bevestigen dat er geen financiering heeft plaatsgevonden van kokkel- en mosselvissers in Noord-Ierland. Deze zouden echter indirect kunnen profiteren van steun voor havenvoorzieningen en een aanvraag voor scheepsmodernisering kunnen indienen om de kwaliteit te verbeteren. Ook verwerkers van weekdieren kunnen profiteren van steun ten behoeve van de verwerking, de afzet en de verkoopbevordering van weekdierproducten. Voor subsidiabele projecten voor het kweken van weekdieren die in aanmerking komen is in het verleden steun verleend via door het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) gefinancierde plannen voor de aquacultuur.
In Boston zijn voor kokkel- en mosselvissers in het kader van het FIOV dezelfde subsidies beschikbaar, dat wil zeggen steun voor havenvoorzieningen, ten behoeve van scheepsmodernisering ter verbetering van de kwaliteit, en ten behoeve van de verwerking, de afzet en de verkoopbevordering van weekdierproducten. De steun kan evenwel enkel worden verleend indien de desbetreffende beheersautoriteit de maatregelen in haar programma opneemt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/279 |
(2004/C 88 E/0284)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1078/04
van Philip Claeys (NI) aan de Commissie
(1 april 2004)
Betreft: Politieke neutraliteit provinciaal infopunt Europa Vlaams-Brabant
Op 15 april organiseert het Infopunt Europa Vlaams-Brabant in het Provinciehuis te Leuven een debat over de Europese verkiezingen. Hoewel in Vlaanderen vijf parlementair vertegenwoordigde partijen zullen deelnemen aan de komende Europese verkiezingen, werden op het bewuste debat slechts vertegenwoordigers van drie partijen uitgenodigd, te weten Marianne Thyssen (CD & V), Saïd El Khadraoui (SP.A) en Dirk Sterckx (VLD). Een kleine partij, de „groenen”, werd niet uitgenodigd. Net zoals het Vlaams Blok, dat de vorige Europese verkiezingen nochtans als derde eindigde in Vlaanderen. Hierover telefonisch gecontacteerd, stelde het Infopunt Europa dat het debat zou gaan over Vlaams-Brabant en Europa. Nochtans is één van de deelnemers niet woonachtig in de provincie, terwijl één van de twee Europese Parlementsleden van het Vlaams Blok er wel woont. Het Infopunt Europa en de provincie Vlaams-Brabant bleken op volkomen arbitraire basis beslist te hebben dat het Vlaams Blok niet zou uitgenodigd worden. Het Vlaams-Brabantse „Infopunt Europa” wil blijkbaar slechts een deel van de informatie over het Europees Parlement brengen.
Op de uitnodigingsfolder staan niet alleen de logo's van het Infopunt Europa (financieel gesteund door de Commissie) en de provincie, maar ook de Europese vlag.
Acht de Commissie het normaal dat een gedeeltelijk door haar gefinancierde overheidsdienst op willekeurige wijze politieke partijen uitsluit van het publieke debat?
Dienen de provinciale Infopunten Europa geen politieke neutraliteit aan de dag te leggen?
Welke maatregelen zijn voorzien om dergelijke misstanden te vermijden?
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie dankt het geachte parlementslid voor zijn vraag.
Zij wijst hem erop dat het debat „U stemt toch ook voor Europa?” werd georganiseerd door het Infopunt Europa te Leuven, niet door haar diensten.
Zoals de andere contactpunten voor het grote publiek die de Commissie subsidieert, is dit Infopunt ondergebracht in een gaststructuur — de Provincie Vlaams-Brabant — waarmee de Commissie een overeenkomst heeft gesloten. Volgens deze overeenkomst handelen de gaststructuur en het Infopunt in eigen naam en zijn ten volle verantwoordelijk voor de informatie die zij aan het publiek verstrekken en voor de acties die zij hiertoe voeren.
Hun doelstellingen en activiteiten moeten stroken met de beginselen en doelen van de Unie en de meningsverscheidenheid van de burgers respecteren. Op grond van de ingewonnen informatie heeft de Commissie in dit geval geen schending van deze beginselen kunnen vaststellen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/280 |
(2004/C 88 E/0285)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1083/04
van Rolf Linkohr (PSE) aan de Commissie
(1 april 2004)
Betreft: Projectgerelateerde mechanismen van het Kyoto-protocol
Kan de Commissie mededelen welke lidstaten reeds met derde landen overeenkomsten over het gebruik van projectgerelateerde mechanismen (CDM-kredieten) hebben gesloten?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
Volgens de nieuwe Bewakings- en Uitvoeringsrichtlijn (280/2004/EG), die op 10 maart 2004 van kracht werd, dienen de lidstaten vanaf 15 maart 2005 (en daarna elke twee jaar) informatie te verstrekken over het (beoogde) gebruik van flexibele mechanismen in het kader van het protocol van Kyoto.
Teneinde vóór die datum enige informatie te verkrijgen, heeft de Commissie vragenlijsten naar de lidstaten verzonden betreffende de intenties en voorbereidingen voor het gebruik van de Kyoto-mechanismen (artikel 6, 12 en 17 van het protocol van Kyoto), die op vrijwillige basis beantwoord kunnen worden. De informatie die de lidstaten verstrekt hebben is echter bijzonder beperkt en niet voldoende om een algemeen overzicht mogelijk te maken. Zes lidstaten (België, Spanje, Nederland, Oostenrijk, Portugal en het Verenigd Koninkrijk) hebben in principe reeds besloten om naast de nationale beleidstrajecten en maatregelen gebruik te maken van de Kyoto-mechanismen om de doelstellingen voor de eerste verbintenisperiode te behalen. Twee lidstaten hebben hun eerste kwantitatieve ramingen gepresenteerd. Een ietwat uitvoeriger overzicht is te vinden in het meest recente verslag (1) van de Commissie in het kader van Besluit 93/389/EEG van de Raad van 24 juni 1993 (2), zoals gewijzigd bij Besluit 1999/296/EG van de Raad van 26 april 1999 inzake een bewakingsmechanisme voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap (3).
In de nationale toewijzingsplannen van de lidstaten voor de periode 2005-2007 voor de handel in emissierechten kan echter meer informatie over het beoogde gebruik van flexibele mechanismen gegeven worden, met name in gevallen waarin een dergelijk gebruik voor een lidstaat cruciaal is om de emissiedoelstelling in het kader van het protocol van Kyoto te behalen.
(1) COM(2003)735 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/280 |
(2004/C 88 E/0286)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1105/04
van Massimo Carraro (PSE) aan de Commissie
(5 april 2004)
Betreft: Grondstoffensituatie
De prijzen van talloze grondstoffen, zoals aluminium, koper, cokes en schroot, die essentieel zijn voor een hele reeks industrieën die van levensbelang zijn voor de Europese economie, zijn zo sterk gestegen dat in een aantal gevallen de productie in gevaar komt.
De toestand van de staalmarkt in Europa is hoofdzakelijk te wijten aan China dat, hoewel het lid van de WTO is geworden, zijn kwantitatieve handelsbeperkingen heeft gehandhaafd.
Is de Commissie niet van mening dat:
|
1. |
met spoed maatregelen genomen moeten worden om de uitvoer van Europees ijzerschroot te beperken of afhankelijk te stellen van een vergunning om te voorkomen dat de staalkosten verder stijgen; |
|
2. |
van China geëist moet worden dat het een eind maakt aan alle kwantitatieve handelsbeperkingen omdat het door zijn toetreding tot de WTO verplicht is de regels na te leven; |
|
3. |
op het communautaire vlak controle op de staalsector uitgeoefend moet worden om de benadeling van de Europese producenten aan banden te leggen en speculatie met de kosten van grondstoffen te verhinderen? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/281 |
(2004/C 88 E/0287)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1148/04
van Renato Brunetta (PPE-DE) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: Beschikbaarheid van ijzerschroot op de Europese markt
Zoals bekend hebben de ongelooflijke toename van het verbruik van staalproducten in het Midden- en het Verre Oosten (China, India, Taiwan, Thailand) en de aanzienlijke verhoging van de consumptie in de VS ertoe geleid dat die producenten op korte tijd massale hoeveelheden ijzerschroot in de Europese Unie zijn gaan aankopen. Als gevolg daarvan hebben de Europese staalproducenten niet alleen het hoofd moeten bieden aan duizelingwekkende prijsstijgingen (van 70 tot 250 EUR per ton) maar kregen ze ook af te rekenen met ernstige bevoorradingsproblemen, waardoor de productie soms in het gedrang kwam en problemen rezen in verband met het naleven van leveringstermijnen. De stijging van de schrootprijs leidde ook tot een stijging van de prijs van de afgewerkte staalproducten.
In het verleden heeft het Europees Parlement herhaaldelijk gewezen op het strategisch belang voor de Europese Unie van een sterke, concurrentiële, onafhankelijke productiesector en op het belang van de staalproducten voor de prijzen van de industrie- en algemene consumptiegoederen.
|
— |
In dat opzicht wilde ik de Commissie vragen hoe zij wil reageren op deze situatie, die inmiddels structurele vormen heeft aangenomen? Hoe wil de Commissie zorgen voor een oplossing van het hierboven genoemde principiële probleem van de instandhouding van de Europese elektrostaal-industrie en het eraan verbonden gevaar — dat zich volgens mij de eerstkomende maanden echt zal laten gevoelen — van de stijging van de prijzen van de afgewerkte staalproducten? |
|
— |
Welke concrete en onmiddellijke maatregelen is de Commissie van plan te nemen om zo snel mogelijk een oplossing te vinden voor de problemen die door die situatie worden veroorzaakt vooraleer de toename van het staalverbruik in China leidt tot een verlies van arbeidsplaatsen en een inflatiespiraal in Europa? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/281 |
(2004/C 88 E/0288)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1161/04
van Mario Mauro (PPE-DE) aan de Commissie
(20 april 2004)
Betreft: De hoogovensector: tekort aan grondstoffen
Europa verkeert in een ernstige staalcrisis en daarmee alle grootgebruikers van staal (de bouw, de autoindustrie en huishoudelijke apparaten).
Er zijn twee factoren die de crisis veroorzaken: enerzijds het besluit van China om de export van cokes te beperken met alle gevolgen van dien voor Europa; anderzijds de prijsstijging van ijzererts door het tekort aan grondstof, maar ook door speculatie.
Het tekort aan grondstoffen, aan cokes en ijzererts laat op dramatische wijze zien hoe nodig het is dat Europa zelf cokes kan produceren voor de staalindustrie zonder afhankelijk te zijn van de invoer uit productielanden die de cokes al of niet beschikbaar stellen naar het hun uitkomt.
De moeilijkheden bij de ertswinning maken het onmogelijk om de hoogovens regelmatig te laten draaien.
Kan de Commissie meedelen welke maatregelen zij denkt te nemen om het „circuleren” van grondstoffen op de markt te verbeteren?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Liikanen namens de Commissie
op de schritftelijke vragen P-1105/04, P-1148/04 en E-1161/04
(29 april 2004)
De geachte parlementsleden worden verwezen naar de antwoorden van de Commissie op de schriftelijke vragen P-0949/04 van de heer Costa (1), E-1020/04 van mevrouw Muscardini (2) en P-1028/04 van mevrouw Thomas-Mauro (3).
(1) PB C 84 E van 3.4.2004, blz. 698.
(2) PB C 84 E van 3.4.2004, blz. 929.
(3) Zie blz. 275.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/282 |
(2004/C 88 E/0289)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1110/04
van Christine De Veyrac (PPE-DE) aan de Commissie
(14 april 2004)
Betreft: trans-Europese vervoernetwerken
De Raad en de Europese Commissie leggen momenteel de laatste hand aan de lijst van prioritaire projecten voor de trans-Europese vervoernetwerken.
Welke overheidsdienst heeft de bevoegdheid om een besluit over het juist verloop van het tracé van de projecten te nemen?
De Europese Commissie, omdat ze de uitvoeringsbevoegdheid voor het besluit bezit?
Of zijn het het Europees Parlement en de Raad, de beide wetgevende instanties, die medebeslissings-bevoegdheid in de aangelegenheid hebben?
Of komt de beslissing elke afzonderlijke lidstaat toe voor het deel van het project dat op zijn grondgebied ligt?
Worden de plaatselijke overheden geraadpleegd?
En tot slot: in hoever worden de plaatselijke verenigingen en de burgers bij de vastlegging van de tracés betrokken?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(30 april 2004)
Het bepalen van de precieze routeafstemming van een prioriteitsproject valt onder de verantwoordelijkheid van de projectpromotor: de staat, een regio of een lokale overheid, afhankelijk van het wettelijke kader dat in de desbetreffende lidstaat van toepassing is. Op deze projecten zijn Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (1) en 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (2) van toepassing. In de richtlijnen zijn de eisen uiteengezet voor de raadpleging van alle relevante belanghebbenden. Daarnaast zijn er nationale procedures voor het verlenen van vergunningen voor ontwikkelingen of gebouwen van toepassing, ten behoeve waarvan in raadpleging van de desbetreffende belanghebbenden kan worden voorzien.
(2) PB L 175 van 5.7.1985, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997, PB L 73 van 14.3.1997.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/283 |
(2004/C 88 E/0290)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1114/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(14 april 2004)
Betreft: Civiele bescherming
Tijdens recente bijeenkomsten met vertegenwoordigers van de vakbond van het brandweerkorps van Dublin, gaven dezen de wens te kennen te worden geraadpleegd bij de voorbereiding van toekomstige communautaire actieprogramma's van de EU op het gebied van de civiele bescherming.
Om ervoor te zorgen dat de Ierse brandweerlieden voorbereid zijn op de uitvoering van de huidige communautaire actieprogramma's, zijn de vertegenwoordigers van het brandweerkorps van Dublin van mening dat een conferentie zou moeten worden georganiseerd voor brandweerlieden uit alle 25 lidstaten van de EU en de kandidaat-lidstaten.
De conferentie zou de verantwoordelijken voor de bescherming van de Europese burgers de gelegenheid geven om van gedachten te wisselen over de coördinatie van EU-activiteiten. Het zou een belangrijke stap zijn naar een betere bescherming tegen en reacties op crisissituaties. Ik ben van mening dat een conferentie van brandweer- en politiekorpsen van de EU vooral noodzakelijk is in het licht van de tragische bomaanslagen van maart jl. in Madrid.
Kan de Commissie overwegen om zo'n conferentie te organiseren? Zo ja, welke EU-fondsen zouden daarvoor beschikbaar kunnen worden gesteld?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
Het communautaire actieprogramma voor civiele bescherming is bedoeld als ondersteuning van en aanvulling op de inspanningen van de lidstaten en is erop gericht de samenwerking, de uitwisseling van ervaringen en de wederzijdse hulp op het gebied van de civiele bescherming tussen de lidstaten te bevorderen. Om deze reden voert de Commissie regelmatig overleg met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. De vakbonden van de brandweer moeten samenwerken met de nationale autoriteiten op het gebied van de civiele bescherming om zo een bijdrage te kunnen leveren aan het toekomstige actieprogramma voor civiele bescherming.
Het onlangs afgeronde brandveiligheidsproject dat in het kader van het actieprogramma voor civiele bescherming is ontwikkeld, voorziet in de oprichting van een netwerk van nationale autoriteiten op het gebied van civiele bescherming om de meest urgente kwesties waarmee de verantwoordelijken voor de brandveiligheid te maken hebben, te kunnen onderzoeken. Een van deze kwesties, de coördinatie van communautaire activiteiten, kan worden gezien als een belangrijke stap op weg naar een betere bescherming tegen en reactie op crises waarbij brandweerkorpsen betrokken zijn.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/284 |
(2004/C 88 E/0291)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1181/04
van Salvador Jové Peres (GUE/NGL) aan de Commissie
(14 april 2004)
Betreft: Correctie van niet-conforme concessie van aanvullende quota's voor verwerkte tomaten
In mijn schriftelijke vraag P-0850/04 (1) heb ik de Commissie verschillende vragen gesteld die niet adequaat zijn beantwoord. De Commissie heeft zich beperkt tot de mededeling dat het tekort schieten van de kwalitatieve controles op bepaalde producten van toepassing was op het oogstjaar 1997/98 en dat de niet-conforme concessie voor aanvullende quota's van toepassing was op de oogstjaren 1998/99 tot en met 2000/2001. De Commissie heeft de hoeveelheid toegestane aanvullende quota's meegedeeld, maar niet welke quota's op onrechtmatige wijze zijn toegekend: die hebben geleid tot een financiële correctie. Tevens verklaart de Commissie dat in beginsel alle bedrijven die tegen de minimumprijs een aantal grondstoffen hebben verworven dat hoger was dan de aan het begin van het oogstjaar toegestane quota, hebben geprofiteerd van aanvullende quota's; en verder dat in beginsel alle bedrijven die hebben laten weten dat zij bereid waren om de contracten ten aanzien van de aanvullende hoeveelheden na te leven, in aanmerking kwamen voor aanvullende quota's. Dit alles verklaart niet waarom er onregelmatigheden hebben plaatsgevonden die noopten tot de financiële correctie. Ook wordt niet ingegaan op eventuele concurrentievervalsing.
Aangezien de in schriftelijke vraag P-0850/04 aan de orde gestelde vragen geen afdoende antwoord hebben gekregen, stel ik ze nogmaals:
|
1. |
Waaruit bestonden de tekortkomingen van de kwalitatieve controles op verwerkte producten? In welke oogstjaren? |
|
2. |
Welke onregelmatigheden hebben genoopt tot correctie? |
|
3. |
In welke oogstjaren hebben zij zich voorgedaan? |
|
4. |
Hoe groot is de omvang van de aanvullende quota's die op niet-conforme wijze tijdens elk oogstjaar zijn toegestaan? |
|
5. |
Welke bedrijven hebben een niet-conforme concessie van aanvullende quota's ontvangen in elk oogstjaar waarvoor de correctie van toepassing was? |
|
6. |
Hoeveel bedrijven hebben van deze aanvullende quota's geprofiteerd in elk oogstjaar waarop de correctie van toepassing was? |
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(29 april 2004)
De Commissie verwijst naar het syntheseverslag dat bij het eerste antwoord van de Commissie (2) is gevoegd en waarin de constateringen van de Commissie en de motivering voor de financiële correctie gedetailleerd worden uiteengezet.
Met betrekking tot de zes vragen die door het geachte parlementslid zijn gesteld, kan de Commissie de volgende informatie verstrekken:
|
1. |
De tekortkomingen in de kwalitatieve controles liggen in het feit dat de Spaanse overheid de kwaliteitscontroles van de eindproducten op een zodanige wijze uitvoerde dat de verwerkingsbedrijven vanaf het begin van het verkoopseizoen hadden kunnen weten of zij zouden worden gecontroleerd. Zie de punten B.2.2.1.2 en B.2.2.3.2. van het syntheseverslag dat bij het eerste antwoord van de Commissie is gevoegd, en het eerste punt van dat antwoord (ofwel de verkoopseizoenen tot en met 2000/2001). |
|
2. |
Wat de toekenning van aanvullende quota's betreft ging het niet noodzakelijkerwijze om onregelmatigheden, maar in elk geval wel om de onverenigbaarheid van het door de Spaanse overheid ingevoerde systeem voor het quotabeheer met de EU-regelgeving — zie de punten B.2.2.1.1, B.2.2.3.1.enB.2.2.5. (tweede alinea) van het syntheseverslag. |
|
3. |
Deze tekortkomingen in het systeem voor het quotabeheer zijn door de Commissie geconstateerd voor de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001. Zie het eerste punt van het eerste antwoord van de Commissie. |
|
4. |
De aanvullende quota's die niet overeenkomstig de voorschriften zijn toegekend, hebben betrekking op de volgende hoeveelheden: 35027 ton (1998/1999), 14341 ton (1999/2000) en 21224 ton (2000/2001). |
|
5. |
Het onderzoek dat door de Commissie is uitgevoerd, betrof het controlesysteem in het algemeen en niet de afzonderlijke ondernemingen. De financiële correctie waartoe de Commissie heeft besloten, is derhalve opgelegd voor de totale hoeveelheid van de niet overeenkomstig de communautaire regelgeving toegekende quota's, zonder enige verwijzing naar de afzonderlijke ondernemingen. Het derde punt van het eerste antwoord van de Commissie biedt hierover meer informatie. |
|
6. |
Het voorgaande punt beantwoordt deze vraag. Bovendien biedt het vierde punt van het eerste antwoord van de Commissie hierover meer informatie. |
(1) Zie blz. 237.
(2) Zie antwoord nr. AGR08472 van 24.3.2004.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/285 |
(2004/C 88 E/0292)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1199/04
van Helmuth Markov (GUE/NGL) aan de Commissie
(14 april 2004)
Betreft: Heffing van BTW op EU-subsidies
Ontvangers van subsidies van het Europees Sociaal Fonds hebben mij verzocht de Commissie ervan op de hoogte te stellen dat ontvangers van subsidies in de Bondsrepubliek Duitsland, ingeval de documentatie betreffende de subsidie over verschillende ontvangers is verdeeld, verplicht zijn BTW af te dragen en bovendien de steun aan het project van tevoren zelf moeten financieren, omdat de EU de subsidie niet op hetzelfde moment beschikbaar stelt.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
1. |
Deelt de Commissie de mening dat het verlenen van subsidie in het algemeen en subsidie van het ESF in het bijzonder niet dusdanig via nationale regelingen van de lidstaten moet worden geregeld dat de subsidie-ontvangers BTW moeten afdragen en op deze wijze in de betrokken lidstaat over Europese middelen belasting wordt geheven? |
|
2. |
Welke stappen wil de Commissie nemen om aan een dergelijke gang van zaken een einde te maken? |
|
3. |
Op welke rechtsgrondslag kunnen de betrokken subsidie-ontvangers eventueel bezwaar of beroep aantekenen tegen een dergelijke procedure? |
|
4. |
Wat wil de Commissie doen opdat de toegekende EU-subsidies niet langer maanden van tevoren zelf door de ontvangers van subsidies moeten worden gefinancierd? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(30 april 2004)
Het geachte parlementslid wijst erop dat begunstigden van uit het Europees Sociaal Fonds verleende steun erover klagen dat wie dergelijke steun in Duitsland ontvangt, BTW moet betalen in het geval van „gesplitste” steunbeschikkingen (gesplittete Zuwendungsbescheide). Hij vraagt of de Commissie van mening is dat de steun, met name uit het Europees Sociaal Fonds, op een dergelijke manier kan worden toegewezen dat de begunstigde BTW moet betalen, wat tot gevolg heeft dat in de betrokken lidstaat belasting over communautaire subsidies wordt geheven.
Uit de vraag kan niet worden opgemaakt over welke gevallen het hier juist gaat en zonder nauwkeuriger gegevens kan de Commissie geen precies antwoord op de gestelde vragen geven. Toch moet erop worden gewezen dat in artikel 11, A, lid 1, onder a), van de zesde BTW-richtlijn (als gewijzigd) (1) is bepaald dat de maatstaf van heffing in het binnenland voor goederenleveringen en diensten, alles is wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de koper, van de ontvanger of van een derde, met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van de handelingen verband houden. Belastingheffing op steun (en met name op communautaire steun) is dus niet a priori uitgesloten, maar kan wel worden uitgesloten, met name als de subsidie geen tegenprestatie voor de levering van een goed of van een dienst vormt, bijvoorbeeld als zij geen aanleiding geeft tot consumptie (2). Bijgevolg moet elk specifiek geval apart worden onderzocht om vast te stellen of het al dan niet onder de werkingssfeer van de BTW valt en of dus al dan niet BTW over deze handeling verschuldigd is. Het onderzoek van de correcte toepassing van het Gemeenschapsrecht door een lidstaat is vooral een zaak van de nationale rechterlijke instanties, die op directere en meer persoonlijke wijze de concrete aspecten van het betrokken geval kunnen onderzoeken en die, als zij het nodig achten, prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie kunnen stellen. Voorts kunnen de Europese burgers ook een klacht indienen bij het Secretariaat-generaal van de Commissie. Op de webstek van de Commissie staat een formulier dat de klager kan gebruiken bij het opstellen van zijn klacht (http://europa.eu.int/comm/sg/lexcomm).
De subsidiabiliteit van de BTW in het kader van uit de Structuurfondsen gecofinancierde acties is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1685/2000 van de Commissie (3) tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de subsidiabiliteit van de uitgaven voor door de structuurfondsen medegefinancierde verrichtingen.
In regel 7 van de bijlage bij die verordening is bepaald dat de BTW geen subsidiabele uitgave vormt, behalve wanneer zij door de eindbegunstigde of door de individuele ontvanger daadwerkelijk en definitief wordt gedragen overeenkomstig specifieke nationale voorschriften die volledig in overeenstemming zijn met Richtlijn 77/388/EEG (de zesde BTW-richtlijn) van de Raad. In dit geval vormt de BTW-heffing een subsidiabele uitgave, die in aanmerking kan worden genomen als aan het project inherent zijnde kosten. Als de BTW door de eindbegunstigde kan worden teruggevorderd, is zij niet-subsidiabel en dus ten laste van die eindbegunstigde.
De communautaire cofinanciering mag evenwel niet meer bedragen dan de totale subsidiabele uitgaven exclusief BTW.
In artikel 32, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad is het volgende bepaald: „Nadat de eerste betalingsverplichting is aangegaan, maakt de Commissie een voorschot aan de betalingsautoriteit over. Dit voorschot bedraagt tot 7 % van de bijdrage van de fondsen in het betrokken bijstandspakket (…). Gedurende de gehele looptijd van het bijstandspakket gebruikt de betalingsautoriteit het voorschot ter betaling van de communautaire bijdrage in de uitgaven met betrekking tot het bijstandspakket.”
Dit oorspronkelijke voorschot van 7 % over het bedrag dat voor de periode 2000/2006 is toegekend, komt ongeveer overeen met de helft van het bedrag van een annuïteit.
Het eventuele gebruik van dit voorschot of van elke andere nationale financieringsbron om afzonderlijke projecten te prefinancieren valt uitsluitend onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten, en wel in het kader van de nationale voorschriften voor financieel beheer.
(1) Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, PB L 145 van 13.6.1977.
(2) Arresten van het Hofvan Justitie van 29 februari 1996 in zaak C-215/94, Mohr, Jurispr. 1996, blz. 1-959, van 18 december 1997 in zaak C-384/95, Landboden-Agrardienste, Jurispr. 1997, blz. 1-7387, van 22 november 2001 in zaak C-184/00, Office des produits wallons, Jurispr. 2001, blz. 1-9115, en van 13 juni 2002 in zaak C-353/00, Keeping Newcastle Warm, Jurispr. 2002, blz. 1-5419.
(3) Laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 448/2004 van de Commissie van 10 maart 2004, PB L 72 van 11.3.2004.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/286 |
(2004/C 88 E/0293)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1202/04
van Françoise Grossetête (PPE-DE) aan de Commissie
(14 april 2004)
Betreft: Omschrijving van afval en zijn wijzen van behandeling en verwerking
De lidstaten geven uiteenlopende interpretaties aan het begrip afval, maar ook aan de wijzen van afvalbehandeling en -verwerking. Als die verschillen blijven bestaan, is het niet mogelijk om voor bevredigende rechtszekerheid te zorgen, noch om het afval in Europa op een doeltreffende manier te behandelen.
Hoe en volgens welk tijdschema overweegt de Europese Commissie om het afvalbeleid grondig te hervormen en meer in het bijzonder om de definitie van afval en zijn wijzen van behandeling en verwerking te vereenvoudigen?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie onderzoekt het afvalbeleid momenteel in de context van de thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling. De strategie zal in het voorjaar van 2005 worden aangenomen.
Met betrekking tot de definitie van afval heeft de Commissie in de mededeling „Naar een thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling” (1) de aandacht gevestigd op de mogelijkheid om de definitie van afval te wijzigen, indien dit een duidelijke toegevoegde waarde zou creëren en er een hoog beschermingsniveau van het milieu zou worden gehandhaafd. Uit de raadpleging van betrokkenen inzake de mededeling lijkt te kunnen worden opgemaakt dat er weinig vraag bestaat naar een dergelijke fundamentele herziening, maar dat deze bruikbaar kan zijn om een aantal aspecten van de definitie van afval te verduidelijken, met name wanneer afval niet langer afval is. De Commissie beraadt zich over de wijze waarop dit punt moet worden afgehandeld.
Wat de verschillende wijzen van afvalverwerking en -beheer betreft, weerspiegelen deze verschillen de uiteenlopende geografische, maatschappelijke en economische omstandigheden die in de EU aanwezig zijn. Het is belangrijk dat voor de verschillende afvalbeheeractiviteiten een hoog en geharmoniseerd niveau van milieubescherming wordt vastgesteld, maar de keuze van de afvalbeheeractiviteit dient flexibel te blijven om rekening te kunnen houden met lokale omstandigheden. In de mededeling „Naar een thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling” wordt gewezen op de afwezigheid van gelijke kansen voor recycleerfaciliteiten, en in de thematische strategie zal naar opties gekeken worden om dit probleem op te lossen.
(1) COM(2003) 301 def.
SCHRIFTELIJKE VRAGEN MET ANTWOORD (2de deel)
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/288 |
(2004/C 88 E/0294)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0811/02
van Michl Ebner (PPE-DE) aan de Commissie
(25 maart 2002)
Betreft: Harmonisatie van voorschriften voor voertuigen
Onlangs wekte het bericht over het ophouden van bussen op vakantiereis door Oostenrijk verbazing. Op zondag 10 maart 2002 werden bij controles door de gendarmerie in Kundl reisbussen uit Duitsland, Denemarken en België tegengehouden, omdat ze langer waren dan de toegestane 12 meter. Voor zulke bussen is een speciale vergunning nodig om door Oostenrijk te mogen rijden.
Meent de Commissie niet dat de voorschriften voor voertuigen, in dit geval de maximumlengte van reisbussen, in geheel Europa onderling dienen te worden aangepast en geharmoniseerd? Bovendien lijkt het onbegrijpelijk dat de nodige speciale vergunningen niet altijd, ook op zondag, kunnen worden verkregen.
Kan de Europese Commissie hierover meer zeggen en de stand van zaken op dit terrein toelichten?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(6 mei 2002)
De Commissie is zich bewust van het probleem waarnaar het geachte parlementslid verwijst.
Het klopt dat Richtlijn 2002/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 februari 2002 tot wijziging van Richtlijn 96/53/EG van de Raad houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen (1) en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten, de volgende maximaal toegestane lengte voor bussen heeft vastgesteld:
|
— |
13,50 meter (m) voor een bus met twee assen; |
|
— |
15,00 m voor een bus met meer dan twee assen; |
|
— |
18,75 m voor een gelede bus; |
|
— |
18,75 m voor een bus met aanhangwagen. |
De lidstaten dienen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk vóór 9 maart 2004 aan de richtlijn te voldoen. Totdat de Oostenrijkse autoriteiten deze richtlijn in nationale wetgeving hebben omgezet blijven de huidige nationale beperkingen van toepassing.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/289 |
(2004/C 88 E/0295)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1776/02
van Patricia McKenna (Verts/ALE) aan de Commissie
(24 juni 2002)
Betreft: Discriminatie van mensen met een visuele handicap
Een door de EU gefinancierd project in Ierland, Engeland en Zweden heeft mensen met een visuele handicap de mogelijkheid geboden om campagne te voeren voor minimale veranderingen waarmee het leven van de mensen met een dergelijke handicap kan worden verbeterd. Daaronder valt het aanbrengen van geluidssignalen op alle kruispunten, het verwijderen van obstakels op wegen en andere openbare plaatsen, verbeterde vervoersfaciliteiten, sociale maatregelen, enzovoort.
Aangezien 2003 het Europees Jaar van de Gehandicapten zal zijn, vraag ik de Commissie met welke voorstellen zij dit vraagstuk van feitelijke discriminatie van visueel gehandicapten denkt aan te pakken?
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(15 juli 2002)
In de mededeling van de Commissie „Naar een Europa zonder drempels voor mensen met een functiebeperking (1)” bevestigt de Commissie haar verbintenis tot oprichting van een werkgroep die tot taak zal hebben passende maatregelen te identificeren voor de verbetering van de bebouwde omgeving voor alle mensen met een handicap. Dit omvat ook mensen met een visuele handicap.
De samenstelling van en de beheersregelingen voor deze groep worden thans onderzocht. Het is de bedoeling dat deze groep met haar werkzaamheden dit jaar begint om deze te voltooien in 2003, het Europees Jaar voor personen met een handicap.
Verschillende diensten van de Commissie zullen aan de werkzaamheden van deze groep deelnemen. Vertegenwoordigers van gehandicaptenorganisaties alsook de verschillende bedrijfssectoren en deskundigen op dit gebied zullen ook nauw bij deze werkzaamheden worden betrokken.
(1) COM(2000)284.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/289 |
(2004/C 88 E/0296)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2081/02
van Christoph Konrad (PPE-DE) aan de Commissie
(8 juli 2002)
Betreft: Benutting van kredieten voor doelstelling 2 in Nordrhein-Westfalen
Een grote onderneming in Mülheim (Nordrhein-Westfalen/NRW) is wegens voortdurende uitbreiding genoodzaakt haar huidige vestigingsplaats te verlaten en is op zoek naar een nieuwe locatie. Vooral twee steden in NRW komen daarvoor in aanmerking: Mülheim en Oberhausen. De stad Oberhausen heeft aangekondigd de onderneming een investeringspremie van 1,5 miljoen euro toe te kennen uit het regionale programma voor economische ontwikkeling van de deelstaatregering, dat, zoals bekend, gedeeltelijk uit EU-middelen voor doelstelling 2 wordt gefinancierd, als de onderneming Oberhausen als vestigingsplaats kiest. De stad Mülheim, die geen doelstelling 2-zone is, had in dit geval het nakijken.
Is de Commissie van mening dat deze manier van benutting van kredieten voor doelstelling 2 rechtmatig is?
Zo ja, volgens welke voorwaarden mag een stad/deelstaat dergelijke middelen gebruiken in de concurrentieslag tussen steden/deelstaten om de vestiging van bedrijven?
Zo neen, welke stappen moeten volgens de Commissie in een dergelijk geval worden gezet?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(12 augustus 2002)
De gemeenteraad van Oberhausen heeft geen bevoegdheden met betrekking tot de goedkeuring van projecten voor bijstandsverlening in het kader van het enkelvoudig programmeringsdocument voor doelstelling 2-regio's in Noordrijn-Westfalen. De verantwoordelijkheid hiervoor berust uitsluitend bij de beheersautoriteit, in dit geval de deelstaatregering van Noordrijn-Westfalen.
Ondersteuning van particuliere investeringen in het kader van enkelvoudige programmeringsdocumenten is doorgaans beperkt tot kleine en middelgrote ondernemingen. In uitzonderlijke gevallen kan steun worden verleend voor grote ondernemingen als zij een bijdrage leveren aan de versterking van het economisch potentieel van de regio, bijvoorbeeld in het kader van maatregel 2.8 „nieuwe energievormen” of maatregel 3.4 „logistiek”.
De vestigingskeuze van een bedrijf is een aangelegenheid voor de directie waarbij alle voorkomende aspecten in aanmerking dienen te worden genomen. Bij dit soort beslissingen is een mogelijke subsidieverstrekking van overheidswege waarschijnlijk niet de enige factor van belang. Bovendien zijn al dit soort overheidssubsidies, of zij nu door de lidstaat dan wel door de Gemeenschap worden verleend, gebonden aan de communautaire regelgeving inzake staatssteun.
De regelingen inzake de Structuurfondsen voorzien in twee maatregelen die bedrijfsverplaatsingen van ondernemingen met EU-steun moeten beperken. Ten eerste is in de door de Commissie uitgevaardigde richtsnoeren voor regionale steunmaatregelen (1) bepaald dat ontvangers van EU-steun ervoor dienen te zorgen dat de betrokken investeringen en de geschapen werkgelegenheid gedurende een periode van minimaal vijfjaar behouden blijven. Ten tweede is in Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (2) vastgelegd dat de bijdrage uit de Europese fondsen voor productieve activiteiten verbonden is aan de voorwaarde dat de locatie van deze activiteiten onveranderd blijft gedurende een periode van vijf jaar na het besluit tot bijstandsverlening.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/290 |
(2004/C 88 E/0297)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2280/02
van Emilia Müller (PPE-DE) aan de Commissie
(24 juli 2002)
Betreft: Versoepeling van het verbod op de vervoedering van diermeel
Kan de Commissie meedelen hoe groot exact de oude voorraden van diermeel in de EU zijn en daarbij aangeven hoe deze voorraden over de diverse lidstaten en de regio's daarvan verdeeld zijn?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(25 september 2002)
In maart 2001 heeft de Commissie aan de hand van een vragenlijst een enquête uitgevoerd naar de verwijderingsroutes, de via elke route verwijderde hoeveelheden dierlijke bijproducten en de kosten. De enquête werd uitgevoerd om een beeld te krijgen van de toename aan dierlijke bijproducten en de gevolgen daarvan voor de opslag- en verwijderingscapaciteiten voor verwerkte dierlijke eiwitten, waaronder vleesbeendermeel, in de lidstaten. Volgens de enquête waren de voorraden aan verwerkte dierlijke eiwitten toen als volgt:
|
(in ton) |
|
|
Lidstaat |
Geschatte hoeveelheid opgeslagen verwerkte dierlijke eiwitten in maart 2001 |
|
België |
14 000 |
|
Denemarken |
56 000 |
|
Duitsland |
27 453 |
|
Finland |
10 000 |
|
Frankrijk |
200 000 |
|
Griekenland |
5 000 |
|
Ierland |
100 000 |
|
Italië |
30 000 |
|
Luxemburg |
0 |
|
Nederland |
75 000 |
|
Oostenrijk |
<1 000 |
|
Portugal |
83 617 |
|
Spanje |
4 194 |
|
Ver. Koninkrijk |
436 000 |
|
Zweden |
12 600 |
Luxemburg stuurt al zijn dierlijke bijproducten ter destructie naar België en beschikt daarom niet over voorraden verwerkte dierlijke eiwitten. Vier lidstaten (Griekenland, Frankrijk, Nederland en Portugal) en twee Duitse bondsstaten (Baden-Württemberg en Mecklenburg-Vorpommern) meldden een tekort aan opslagcapaciteit.
Onlangs heeft de Commissie de lidstaten opnieuw om informatie verzocht. Met name werd elke lidstaat gevraagd formele plannen in te dienen omtrent de wijze waarop de voorraden vleesbeendermeel op het ogenblik worden verwerkt, vervoerd en opgeslagen, en de plannen om die te verwijderen. De gegevens moesten op 30 augustus 2002 in het bezit van de Commissie zijn. Zij is voornemens om te zijner tijd verslag uit te brengen over de antwoorden op deze vragenlijst en de gevolgen daarvan.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/291 |
(2004/C 88 E/0298)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2677/02
van Chris Davies (ELDR) aan de Commissie
(24 september 2002)
Betreft: Brandveiligheid
Welke functie vervult de Commissie bij het aanmoedigen van optimale werkwijzen in de lidstaten en bij hun brandweerdiensten om het aantal doden en gewonden als gevolg van brand te verminderen?
Is ze ook maar enigszins van plan om nieuwe voorschriften voor het ontwerp van gebouwen in te voeren om alle EU-burgers met minimum normen te beschermen tegen verwondingen als gevolg van brand en aanverwante oorzaken, door het aanbrengen van inrichtingen als rookmelders en sprenkelinstallaties verplicht te stellen?
Erkent de Commissie in elke lidstaat nationale of regionale brandweerkorpsen als eerste aanspraakpartners in zaken van brandveiligheid in de Gemeenschap, en worden ze als zodanig behandeld bij raadplegingen over problemen van veiligheid en gezondheid in geval van brand?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(15 oktober 2002)
De Gemeenschap heeft geen algemene bevoegdheid inzake brandveiligheid. Toch werkt de Gemeenschap mee aan de brandveiligheid door de verschillende richtlijnen en initiatieven in het kader van verschillende communautaire beleidssectoren in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel.
Dit heeft als gevolg dat de structuur en de bevoegdheden van nationale, regionale of lokale brandweerkorpsen van lidstaat tot lidstaat verschillen en dat de Commissie geen bevoegdheid heeft om gemeenschappelijke regels vast te stellen die alle lidstaten zouden kunnen goedkeuren.
Op het vlak van de civiele bescherming heeft de Commissie verschillende initiatieven genomen om de brandweerkorpsen de mogelijkheid te geven hun meest dringende behoeften vast te stellen. Wat betreft de bevordering van de beste werkwijzen in de lidstaten werd zweden onlangs, in het kader van het communautair actieprogramma voor civiele bescherming, gemachtigd om de leiding te nemen over een project inzake brandpreventie, met als doel de beste werkwijzen in de lidstaten vast te stellen.
De Commissie is niet van plan om het aanbrengen van rookmelders en sprenkelinstallaties verplicht te stellen. In vele lidstaten bestaan dergelijke bepalingen reeds. Toch vallen producten voor brandalarm/melding, vaste brandbestrijding en brand- en rookbeperking onder Richtlijn 89/106/EEG (1) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde produkten. Deze richtlijn bevat gemeenschappelijke instrumenten om de brandveiligheidskenmerken van bouwmaterialen te vermelden. Dit zijn de „Euroklassen” voor het gedrag bij en de bestendigheid tegen brand, die het mogelijk maken de eigenschappen van een product in alle lidstaten gemakkelijk te herkennen.
Alleen de lidstaten hebben het recht om te bepalen welke organen zich moeten bezighouden met de communautaire brandveiligheidsaspecten. Op communautair niveau worden de relevante initiatieven meestal besproken met alle belanghebbende partijen die op Europees niveau vertegenwoordigd zijn.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/292 |
(2004/C 88 E/0299)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2970/02
van Christa Prets (PSE) aan de Commissie
(22 oktober 2002)
Betreft: Programma Cultuur 2000 — Termijn voor de indiening van projecten naar aanleiding van „St. Petersburg 2003”
In het kader van het programma „Cultuur 2000” worden ook speciale culturele manifestaties met een Europese of internationale dimensie gesteund. De Europese Commissie, directoraat-generaal Onderwijs en Cultuur, heeft naar aanleiding hiervan op 22 augustus 2002 de bevoegde instanties van de lidstaten verzocht, samenwerkingsprojecten over het thema „Europese presentie in St. Petersburg” in te dienen.
Bij de projecten dienen, naast de projectcoördinator, ook nog tenminste drie co-organisatoren uit tenminste drie andere landen, die deelnemen aan het programma Cultuur 2002, te worden betrokken. Als termijn voor de indiening van aanvragen noemt de Commissie de 1ste oktober 2002. Daardoor liggen tussen het eerste verzoek om projecten in te dienen en de sluitingstermijn slechts 40 dagen, waarvan 29 werkdagen. Om zo'n omvangrijk project te plannen, is deze periode zeker te kort. Waarom heeft de Commissie pas op een zo laat tijdstip informatie gegeven over de mogelijkheid om projecten in te dienen?
Antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie
(29 november 2002)
De Commissie heeft onlangs een groeiende belangstelling van lidstaten en interesse organisatoren voor de culturele projecten in Sint-Petersburg vastgesteld. In het kader van actie 3 van het programma Cultuur 2000 wil de Commissie daarom nagaan of het mogelijk is rond een dergelijk evenement multilateraal samen te werken. Het Europees Parlement heeft zich in resolutie 2000/2323 over culturele samenwerking in de Unie bij het voornemen van de Commissie aangesloten.
Na de nodige besprekingen en procedures is in augustus 2002 via de permanente vertegenwoordigers bij de Europese Unie een speciale oproep aan de aan het programma deelnemende landen gericht over de Europese aanwezigheid in Sint- Petersburg in het kader van de evenementen naar aanleiding van de driehonderdste verjaardag van de stad in 2003. De termijn voor de indiening van projecten door de permanente vertegenwoordigingen is verlengd van 1 oktober 2002 tot 15 oktober 2002 om de lidstaten zoveel mogelijk tijd te geven en het initiatief toch uiterlijk eind 2002 concreet vorm te kunnen geven. De ingediende projecten worden momenteel onderzocht. Het Europees Parlement zal uiteraard op de hoogte gehouden worden over het vervolg van het initiatief.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/293 |
(2004/C 88 E/0300)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3331/02
van Mihail Papayannakis (GUE/NGL) aan de Commissie
(26 november 2002)
Betreft: Communautair programma voor de informatiemaatschappij
Volgens berichten in de Griekse pers wordt er fel obstructie gepleegd door de ministeries die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het programma voor de informatiemaatschappij en kunnen zij geen uitnodigingen tot inschrijving bekendmaken omdat er een totaal gebrek aan coördinatie is. Kan de Commissie zeggen hoe het met dit programma gesteld is? Kan het zijn dat deze vertragingen als resultaat hebben dat kredieten van het derde Communautaire Bestek verloren gaan?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(6 maart 2003)
Het operationele programma (OP) „Informatiemaatschappij” is door de Commissie goedgekeurd bij Beschikking C(2001)551 van 14 maart 2001. Een tabel die de voortgang van dit OP sinds de inwerkingtreding (1) van de eerste acties in juli 2001 samenvat, op grond van gegevens (2) van de Beheersautoriteit van het programma, is rechtstreeks naar het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement gestuurd. Uit recentere informatie bijkt dat de overheidsuitgaven voor het programma tot nu toe EUR 73,8 miljoen bedragen, d.i. 3,3% van de geprogrammeerde overheidsuitgaven.
Uit deze informatie kan worden afgeleid dat het OP „Informatiemaatschappij”, voor wat het uitgaventempo betreft, een van de tragere in Griekenland uit te voeren programma's is. De voornaamste reden hiervoor is dat dit programma, met uitzondering van e-governmentacties, bestaat uit nieuwe acties, die gezien hun technologisch karakter zorgvuldige planning vereisen en bijgevolg trager van start gaan.
Aangezien voorgaande pogingen om de informatiemaatschappij in Griekenland te stimuleren weinig succesvol waren, leveren de programma-autoriteiten aanzienlijke inspanningen om toe te lichten welk type projecten in aanmerking zou komt en hoe deze projecten moeten worden uitgevoerd. Een aanzienlijk deel van het programma houdt verband met de voortschrijdende liberalisering van de telecommunicatiemarkt. Hoewel het huidige regelgevingskader voor communicatiediensten in Griekenland in overeenstemming is met de communautaire wetgeving en hoewel verwacht wordt dat de Griekse autoriteiten het nieuwe regelgevingskader van de EU in het eerste kwartaal van 2003 zullen goedkeuren, wordt de volle impact van de liberalisering nog niet gevoeld op de markt. Dit verklaart de bijkomende vertraging bij de uitvoering van het programma.
De Commissie onderzoekt momenteel samen met de Griekse autoriteiten de situatie en in het bijzonder het risico dat aan het eind van 2003 („n+2”-regel) kredieten verloren gaan. Op dit ogenblik lijkt hiervan voor 2003 geen sprake.
(1) Volgens de Griekse autoriteiten wordt het implementatieproces van een programma als volgt gedefinieerd: „Inwerkingtreding” van een maatregel: uitnodiging aan de eindbegunstigde(n) (= de uitvoerende instantie, zie definitie in Verord. 1260/99) van de maatregel om hun projectvoorstel voor evaluatie in te dienen bij de beheersautoriteit.
(2) Zie ook website www.infosoc.gr
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/294 |
(2004/C 88 E/0301)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3361/02
van Maria Sanders-ten Holte (ELDR) aan de Commissie
(27 november 2002)
Betreft: Indemniteit
De grote musea in elk land organiseren geregeld uitwisselingen tussen hun collecties om eikaars publiek te laten genieten van de grote Europese kunsttradities. Helaas wordt deze uitwisseling ernstig bemoeilijkt door verzekeringskwesties. Wanneer bijvoorbeeld het Teylers Museum te Haarlem samen met het British Museum een tentoonstelling wil organiseren over de tekeningen van Michelangelo in het bezit van de beide instellingen behoeft het British Museum geen geld uit te geven aan verzekeringspremies, terwijl Teylers Museum een aantal miljoenen euro's moet betalen door de beperkte indemniteitsregeling van het Nederlandse Ministerie van Financiën. De musea in Europa zouden veel meer van het Europees cultureel erfgoed kunnen laten zien aan eikaars burgers wanneer er in elke lidstaat een volledige indemniteitsregeling bestond.
|
1. |
Is de Commissie het ermee eens dat door het uitwisselen van cultuurschatten een bijdrage wordt geleverd aan de Europese integratie? |
|
2. |
Is het de Commissie bekend dat er per lidstaat verschillende tot geen indemniteitsregelingen bestaan? |
|
3. |
Is de Commissie het ermee eens dat de huidige situatie ongewenst is, ook met het oog op het vrije verkeer van goederen en ideeën in Europa? |
|
4. |
Zo ja, is de Commissie bereid stappen te ondernemen door het probleem op de Europese agenda te zetten? |
|
5. |
Zo ja, is de Commissie dan bereid om als tijdelijke oplossing een voorlopige voorziening te treffen? |
Antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie
(27 januari 2003)
De Commissie is het met de geachte afgevaardigde eens dat uitwisselingen van kunstwerken bevorderlijk kunnen zijn voor de Europese integratie.
De Commissie is ervan op de hoogte dat de verzekeringsstelsels sterk van de ene tot de andere lidstaat verschillen, wat een rechtstreeks gevolg is van de beleidsverschillen tussen de lidstaten.
De Commissie is het met de geachte afgevaardigde eens dat de huidige situatie ten aanzien van het vrije verkeer van goederen en ideeën in Europa niet ideaal is.
In het kader van de tenuitvoerlegging van de interne markt is de Commissie dan ook bereid na te gaan denken over de nodige maatregelen om de coördinatie en de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van kunstverzekering te stimuleren.
Wat het louter culturele aspect van deze problematiek betreft, wenst de Commissie de geachte afgevaardigde erop te attenderen dat er met het kleine budget van het programma „Cultuur 2000” (het enige communautaire instrument ter bevordering van culturele samenwerking) niet te denken valt aan eventuele financiële steun van de Gemeenschap in deze richting.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/295 |
(2004/C 88 E/0302)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3496/02
van Paulo Casaca (PSE) aan de Commissie
(2 december 2002)
Betreft: Overheidssteun aan kleinschalige cabotage op de Azoren
Op 26 november rond 1 uur 's middags in de engte tussen Horta en Madalena leed de „Rival”, een klein vrachtschip dat naar schatting wel honderd jaar oud kan zijn, schipbreuk. Daarbij kwam de commandant Manuel Fernando Costa om het leven.
Het kleine cabotagebedrijf Cristiano, die eigenaar is van het gezonken schip, heeft mij laten weten dat het zijn twee overblijvende schepen wil moderniseren en een licentie wil verkrijgen voor het vervoer van passagiers.
De regionale overheid heeft mij meegedeeld dat het in het kader van het lopende regionaal ontwikkelingsprogramma, dat gefinancierd wordt door de structuurfondsen — veruit het belangrijkste financieringsmechanisme voor overheidssteun voor de modernisering van de economie van de Azoren — niet mogelijk was om steun toe te kennen aan de lokale scheepvaartbedrijven, aangezien de regionale overheid van de Azoren heeft nagelaten een voorstel dienaangaande ter goedkeuring voor te leggen aan de Europese autoriteiten die bevoegd zijn voor toezicht op de mededinging.
Heeft het volgens de Europese Commissie zin om niettemin de mogelijkheid te onderzoeken om overheidssteun toe te kennen aan kleinschalige scheepvaartbedrijven op de Azoren, naar het voorbeeld van de steun die de grote Europese scheepvaartbedrijven genieten?
Houdt de Commissie terdege rekening met het wezenlijke belang van de overblijvende kleine cabotage-bedrijven voor de bevolking van de kleinere eilanden van de archipel, en met de veiligheidsomstandigheden van de scheepvaart in het gebied en de noodzaak om de veiligheid te verbeteren?
Houdt de Commissie bij haar beleid van steunverlening aan de scheepvaart terdege rekening met artikel 299, lid 2?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(22 januari 2003)
Wat betreft de financiering uit de Structuurfondsen geldt dat het operationeel programma voor de Azoren (Prodesa), dat deel uitmaakt van het communautair steunkader voor Portugal 2000-2006, in actielijn 5, maatregel 5.4, de mogelijkheid voorziet steun te verlenen voor de aanschaf van ondersteunende apparatuur voor lucht- en zeevervoer van passagiers tussen eilanden, op voorwaarde dat deze apparatuur gedurende de hele levensduur ervan voor dat oorspronkelijke doel in gebruik blijft.
Eveneens voorziet maatregel 1.1 van hoofdlijn van datzelfde operationele programma dat voor een verbetering van de veiligheid en toegankelijkheid van de eilanden financiering kan worden verstrekt voor projecten van constructie/renovering van commerciële havens, maritieme stations en andere projecten ter ondersteuning van havenactiviteiten, alsmede voor de aanschaf van apparatuur, vervoersmiddelen en machines voor handling en vervoer van goederen en passagiers in de havens en luchthavens. Met al deze geboden mogelijkheden moet het mogelijk zijn de veiligheid van de toegang naar de eilanden en het vervoer daartussen te bevorderen.
De Commissie is bereid alle nuttige wijzigingen betreffende het Prodesa te bestuderen die de nationale en regionale autoriteiten op dit gebied zouden indienen bij de halftijdse herziening, die over een jaar zal plaatsvinden.
Wat betreft het toezicht op overheidssteun, heeft de Commissie geen enkele kennisgeving ontvangen, uit hoofde van de mededingingsvoorschriften inzake staatssteun, van enig stelsel van staatssteun dat specifiek ingaat op de behoeften van de locale scheepvaartbedrijven die verbindingen verzorgen tussen de verschillende eilanden van de Azoren.
Vorig jaar heeft de Commissie een kennisgeving ontvangen betreffende het (her-)inrichten van een stelstel van steun voor de vrijhandelszone van Madeira voor de periode van 2003-2006, die in de jaren 2000 en 2001 door de Portugese overheid was opgeschort. Volgens deze kennisgeving zal de vrijhandelszone van Madeira een internationaal maritiem register omvatten, een industriële vrijhandelszone en een centrum voor internationale dienstverlening. De Commissie heeft onlangs, op 11 december, een besluit goedgekeurd om de hoofdlijnen van dit plan toe te staan. Het besluit met betrekking tot het internationaal maritiem register zal vóór het einde van de maand volgen. Deze steun komt echter meer de internationale sector dan de eilanden ten goede.
Hoe dan ook, de regels die van toepassing zijn op steun aan zeevervoer („Communautaire richtsnoeren betreffende overheidssteun voor het zeevervoer” (1)) staan toe dat onder sommige voorwaarden steun wordt toegekend, en de Commissie houdt bij het bestuderen van dergelijke steun rekening met de sociaal-economische context waarbinnen het steunstelsel van toepassing is. Indien ooit een kennisgeving zou worden ingediend van een plan voor steun ten behoeve van de scheepvaartbedrijven die zorgen voor de verbindingen tussen de verschillende eilanden van de Azoren, zal de Commissie dit geval met de vereiste welwillendheid onderzoeken.
De vraag hoe rekening wordt gehouden met artikel 299, lid 2, bij de toepassing van de communautaire mededingingsvoorschriften, wordt thans bij de Commissie nog bestudeerd. De Commissie is immers in het algemeen van mening dat vervoer een strategisch element is voor de ontwikkeling van ultra-perifere regio's, zoals ook wordt onderstreept in de conclusies van de Europese Raad van Sevilla en de recent uitgegeven verklaring van de Voorzitters van de ultraperifere regio's, goedgekeurd te La Palma op 15 oktober 2002. Derhalve zal er uitgebreid over worden gesproken in het kader van het verslag over de toekomst van de ultraperifere regio's dat de Commissie eind 2003 zal indienen, in overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van Sevilla. De werkzaamheden en studies zullen met name ingaan op staatssteun en openbare dienstverplichtingen op het gebied van vervoer, alsmede op het inzetten van de Structuurfondsen om de vervoermiddelen te behouden en te ontwikkelen die nodig zijn voor het compenseren van de handicap die is verbonden met de ultraperifere ligging van deze regio's.
Zoals zij reeds had aangekondigd in haar Witboek over „Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: tijd om te kiezen” (2), staat de Commissie nu reeds op het punt de communautaire regels te verlichten die van toepassing zijn op openbare scheepvaartdiensten wanneer het gaat om de bereikbaarheid van een klein eiland.
(1) PB C 205 van 5.7.1997, blz. 5.
(2) COM(2001)370 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/297 |
(2004/C 88 E/0303)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3540/02
van Chris Davies (ELDR) aan de Commissie
(11 december 2002)
Betreft: Ongelijkheden op gezondheidsgebied
Ik wil hier verwijzen naar de studie „A strategy for tackling health inequalities in the Netherlands” van de professoren Johan P. Mackenbach en Karien Stronks van de Universiteit van Amsterdam, welke gepubliceerd werd in het tijdschrift British Medical Journal, deel 325 van 2 november 2002.
In de studie wordt gewezen op een aantal innovaties die ertoe hebben bijgedragen de sociaal-economische ongelijkheden op gezondheidsgebied in dat land te verminderen, maar de conclusie wordt getrokken dat geen enkel land beschikt over meer dan een fractie van de kennis die nodig is om dergelijke strategieën te ondersteunen en ontwikkelen. De suggestie wordt gedaan dat de Europese Unie een belangrijke rol zou kunnen spelen bij het bevorderen van de noodzakelijke samenwerking op dit gebied.
Wat onderneemt de Commissie thans in dit verband en wat zijn haar voornemens voor de toekomst?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(27 januari 2003)
De Commissie is goed op de hoogte van het werk van professor Mackenbach en zijn medewerkers over ongelijkheden op gezondheidsgebied. Voor bepaalde onderdelen van dit werk is in het kader van het communautaire actieprogramma inzake gezondheidsbevordering steun verleend.
In het nieuwe actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid voor de periode 2003-2008 wordt onderstreept dat het van groot belang is dat er aan de (algemene) gezondheidsdeterminanten gewerkt wordt. Een laag inkomen/armoede, ongezonde levensomstandigheden, arbeidsomstandigheden, werkloosheid en aan de leefstijl gebonden factoren zijn allemaal belangrijke gezondheidsdeterminanten. Tussen ongelijkheden op gezondheidsgebied en de determinanten daarvan enerzijds en de sociale achtergrond en de sociaal-economische positie anderzijds bestaat een verband.
In het programma zijn specifieke activiteiten opgenomen om ongelijkheden op gezondheidsgebied tegen te gaan. Erkend wordt dat strategieën ter vermindering van de ongelijkheden op gezondheidsgebied in de Gemeenschap in gecoördineerde activiteiten op alle belangrijke beleidsterreinen moeten voorzien.
In een eerste fase zal de nadruk liggen op het uitwerken van indicatoren voor ongelijkheden op gezondheidsgebied, het verzamelen van gegevens over het beleid en de genomen maatregelen in Europa, het in kaart brengen van „best practice”, en het opzetten van model-netwerken om een doeltreffende uitwisseling over de aanpak van ongelijkheden op gezondheidsgebied mogelijk te maken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/297 |
(2004/C 88 E/0304)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3566/02
van Freddy Blak (GUE/NGL) aan de Commissie
(12 december 2002)
Betreft: Contracten tussen Eurostat en Eurogramme
Op 14 november 2002 richtte ik onderstaande brief aan de heer Pedro Solbes, lid van de Commissie: „Ik heb vernomen dat de contracten van het bedrijf Eurogramme Ltd, waarmee Eurostat verschillende contracten heeft, overgebracht zijn naar een nieuw bedrijf dat gewoon Eurogramme heet. Kunt u dit bevestigen, en zo ja, wilt u dan zo vriendelijk zijn uit te leggen hoe dit verenigbaar is met de regel volgens welke Eurostat uitsluitend contracten kan afsluiten met bedrijven die een volledige en correcte boekhouding van de voorbije drie jaar kunnen voorleggen.”
Het antwoord van de heer Solbes, lid van de Commissie, luidde als volgt: „Ik dank u voor uw brief van 14 november inzake de contracten van Eurostat met het bedrijf Eurogramme. Deze kwestie is voor onderzoek aan OLAF voorgelegd. Bijgevolg kan ik u onmogelijk van antwoord dienen zolang het onderzoek loopt”.
Vandaar de volgende vragen aan de Commissie:
|
1. |
Welke regel bepaalt dat de Commissie geen vragen kan beantwoorden over haar huidige contractanten als er een OLAF-onderzoek loopt over haar voormalige contractanten? |
|
2. |
Hoe heet de contractant van Eurostat? Eurogramme Limited of Eurogramme? Indien Eurogramme de officiële benaming is, kan de Commissie dan meedelen hoe deze overschakeling van contractant verenigbaar is met de regel volgens welke Eurostat uitsluitend contracten kan afsluiten met bedrijven die een volledige en correcte boekhouding van de voorbije drie jaar kunnen voorleggen? |
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(6 februari 2003)
In principe wenst de Commissie geen commentaar te verstrekken over dit dossier, dat voor onderzoek aan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) is voorgelegd. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (1), waardoor de onderzoeken door het OLAF worden geregeld, is de in het kader van OLAF-onderzoeken verkregen informatie onderworpen aan de geheimhoudingsplicht en de voorschriften inzake gegevensbescherming.
De naam van de contractant is Eurogramme SARL. De onderneming heeft eind 2001 een aanvullende overeenkomst met de Commissie gesloten, waardoor ze alle contractuele rechten en verplichtingen van Eurogramme Limited Succursale Luxembourg heeft overgenomen.
Er bestaat geen voorschrift dat de Commissie alleen overeenkomsten mag sluiten met ondernemingen die een boekhouding van de afgelopen drie jaar kunnen voorleggen. In artikel 31 van Richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 (2) betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening worden enkele alternatieve methoden aangegeven om de financiële draagkracht aan te tonen. Deze alternatieve methoden zijn bijvoorbeeld geschikt wanneer het gaat om pas opgerichte ondernemingen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/298 |
(2004/C 88 E/0305)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3607/02
van Mary Banotti (PPE-DE) aan de Commissie
(16 december 2002)
Betreft: Onderlinge verwisselbaarheid van postzegels in de eurozone
Bestaat er een mogelijkheid, nu de postzegels in veel landen van de eurozone evenveel kosten, om in de eurozone postzegels door elkaar te gebruiken (en bijv. in België een Ierse zegel te plakken)?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(30 januari 2003)
Postzegels kunnen pas in verschillende landen door elkaar worden gebruikt wanneer een aantal voorwaarden zijn vervuld: de prijzen en de diensten moeten identiek zijn en de inkomstenverdeling tussen postdienstexploitanten moet gemakkelijk te beheren zijn en mag niet tot controverse leiden.
Zoals het geachte parlementslid weet, bestaan er in de Gemeenschap nog steeds verschillen tussen de posttarieven. Dit is een gevolg van de eis van de Postrichtlijn 97/67, waarin is vastgesteld dat de tarieven op de kosten moeten zijn gebaseerd. Ten gevolge van nationale omstandigheden, zoals de geografie of de levensduurte, en verschillen in de nationale kwaliteitsnormen voor de dienstverlening liggen de kosten voor alle postdienstexploitanten niet even hoog.
Sommige exploitanten hanteren ook verschillende prijzen naar gelang van het gewicht of de afmetingen van de postzending.
Veel exploitanten bieden hun klanten een breed gamma van diensten aan tegen sterk uiteenlopende prijzen. Dit maakt het moeilijk om identieke diensten met elkaar te vergelijken.
Als postzegels onderling verwisselbaar zouden worden, zou het bijzonder moeilijk zijn de inkomsten van postzegels tussen de verschillende postdienstexploitanten te verdelen. Indien in België bijvoorbeeld Ierse postzegels zouden worden gebruikt, zou de opbrengst naar de Ierse exploitant gaan, hoewel deze geen kosten hoeft te maken voor de aflevering van de postzending in België. Om dit probleem te verhelpen zou een ingewikkeld, duur en mogelijk controversieel systeem voor inkomstenherverdeling tussen postdienstexploitanten moeten worden opgezet.
De noodzakelijke voorwaarden voor de onderlinge verwisselbaarheid van postzegels lijken dan ook niet vervuld te zijn of in de nabije toekomst vervuld te zullen worden.
Het geachte parlementslid vestigt met deze vraag echter de aandacht op een mogelijke ontwikkeling op de markt van postdiensten en de Commissie zal deze kwestie van nabij blijven volgen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/299 |
(2004/C 88 E/0306)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3626/02
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(10 december 2002)
Betreft: Tenuitvoerlegging van richtlijn 1999/70/EG door Griekenland
Richtlijn 1999/70/EG (1) van de Raad van 28 juni 1999 inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd verplicht de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om uiterlijk op 10 juli 2002 aan deze richtlijn te voldoen. Drie maanden na het verstrijken van de termijn waarbinnen Griekenland de richtlijn 1999/70/EEG moest hebben omgezet heeft de Griekse regering een voorstel voor een presidentieel decreet gepubliceerd, dat een illegale uitzondering maakt voor de werknemers die een overeenkomst hebben met de overheid, de publiekrechtelijke lichamen, de plaatselijke zelfbesturen en een groot aantal andere economische sectoren.
In haar advies over het presidentieel decreet stelt het Economisch en Sociaal Comité van Griekenland, met de volledige instemming van de werknemers en de werkgevers, dat deze door het presidentieel decreet geïntroduceerde uitzonderingen in strijd zijn met de letter van de richtlijn. Kan de Commissie, overwegende dat richtlijn 1999/70/EG van toepassing is op vele duizenden werknemers in Griekenland in een precaire en onzekere arbeidssituatie, zeggen waarom zij de zaak niet aanhangig maakt bij het Hof van Justitie, aangezien enerzijds genoemde staat niet de door de richtlijn 1999/70/EG gestelde termijnen eerbiedigt en anderzijds de Griekse regering het toepassingsgebied van richtlijn 1999/70/EG aanzienlijk beperkt?
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(14 januari 2003)
Daar Griekenland de Commissie geen mededeling heeft gedaan van de omzetting van Richtlijn 1999/70/EG betreffende de door het EW, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, ziet zij zich genoodzaakt de mogelijkheid te onderzoeken om op deze gronden een inbreukprocedure tegen Griekenland in te leiden.
(1) PB L 175 van 10.7.1999, blz. 43.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/300 |
(2004/C 88 E/0307)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3650/02
van Paul Rübig (PPE-DE) aan de Commissie
(11 december 2002)
Betreft: KMO-vriendelijker formulering van de aanbestedingsvoorwaarden voor EU-stimuleringspro-gramma's ten behoeve van derde landen
In de door de EU gepubliceerde aanbestedingsvoorwaarden voor stimuleringsprogramma's ten behoeve van derde landen (ALA, CARDS, EOF, ISPA, MEDA, PHARE, Sapard, TACIS) worden vaak criteria opgenomen die de inschrijving van KMO en zeer kleine ondernemingen aanzienlijk bemoeilijken, daar de tendens aanwezig is om steeds grotere projecten uit te schrijven. Zo moeten ondernemingen bij voorbeeld vaak een jaaromzet kunnen aantonen die het twee- tot tienvoudige van de projectbegroting bedraagt, hetgeen eveneens verlangd wordt van alle afzonderlijke ondernemingen ingeval deze als partners in het kader van een consortium aan de aanbesteding deelnemen. Evenzo dient voor nagenoeg elke aanbesteding het personeelsbestand voor bepaalde vakgebieden tot 100 vakdeskundigen voor projecten vanaf 0,6 miljoen euro te worden aangetoond. Vaak wordt als referentie de succesvolle deelneming aan voornoemde EU-programma's in de afgelopen drie jaar in dezelfde regio en met dezelfde complexiteit verlangd, waardoor voor het eerst deelnemende ondernemingen worden uitgesloten. De inschrijvingsvoor-waarden worden vaak zo gedetailleerd geformuleerd dat de daarmee gemoeide tijd het merendeel van de mogelijke deelnemers afschrikt. De aanbestedingsdocumentatie bevat vaak slechts een plan in grote lijnen met enkele opleveringsgegevens, in verband waarmee door de bieder voor de indiening van het aanbod aanvullende planningsbijdragen om niet geleverd moeten worden die van KMO economisch niet gevergd kunnen worden en oncalculeerbaar zijn. Een verder probleem voor KMO vormen de voor deelneming aan een aanbesteding vereiste bankgaranties, waaraan hoge kosten verbonden zijn. Tevens zou het wenselijk zijn dat de ingevolge de Practical Guide vereiste verklaringen inzake belastingen en sociale verzekeringen nauwkeuriger gedefinieerd worden, daar deze vaak slechts via tijdrovende en per lidstaat verschillend geregelde bureaucratische formaliteiten verkrijgbaar zijn. Voor KMO, die in de regel geen directe contacten met de aanbestedende instanties hebben, is het lastig daarmee in contact te komen om informatie of de motivering voor een afwijzing te verkrijgen. Het zou bij voorbeeld ook te overwegen zijn om na de toewijzing van de opdracht de aanbiedingsprijzen van alle aanbieders te publiceren om de afgewezen mededingers gemakkelijker conclusies inzake het eigen concurrentievermogen te kunnen laten trekken.
Wat wil de Commissie op korte termijn ondernemen om de inschrijvingsvoorwaarden in het kader van EU-stimuleringsprogramma's ten behoeve van derde landen ter voorkoming van aanhoudende verstoringen respectievelijk beperkingen van de mededinging door passende maatregelen KMO-vriendelijker te formuleren?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(7 februari 2003)
De huidige procedures hebben tot doel de kleine en middelgrote ondernemingen aan te zetten tot deelname en niet om hen af te schrikken. De situatie is sterk verbeterd door de invoering van de „Praktische gids voor de gunning van opdrachten voor externe hulp van de EG” in januari 2001. De procedures van de praktische gids, die zijn gepubliceerd op de website van EuropeAid (1), zijn gebaseerd op de basisbeginselen van eerlijke concurrentie en doorzichtigheid. Thans zijn vooraankondigingen (prognoses), bekendmakingen van opdrachten, shortlists en van de gunning van contracten nodig om te worden gepubliceerd op de website van EuropeAid, die de meest geraadpleegde webpagina van de Europese Instellingen is geworden. Deze en andere aspecten hebben bijgedragen tot de algemene vereenvoudiging en harmonisatie van de terzake geldende procedures.
Door consortia (die de vorm kunnen hebben van een vaste, bij wet opgerichte organisatie dan wel van een los, met het oog op een specifieke aanbestedingsprocedure opgezet samenwerkingsverband) aan te sporen tot deelname, zouden de KMO's bovendien toegang moeten krijgen tot grotere contracten door zichzelf met andere ondernemingen te verenigen in een dergelijke combinatie. In dat geval zou een kleine of jonge onderneming door deelname aan een combinatie de kans kunnen krijgen om ervaring op te doen.
In elke aanbestedingsprocedure moeten de selectiecriteria duidelijk en gedetailleerd zijn doch niet overdreven restrictief. De Commissie is er zich van bewust dat er zich in het verleden gevallen hebben voorgedaan waarin bepaalde contracterende autoriteiten selectiecriteria hebben opgesteld die van toepassing waren op de afzonderlijke partners van het consortium en niet op het consortium in zijn geheel. Daarom is in maart 2002 een herinnering rondgestuurd dat de selectiecriteria van toepassing moeten zijn op het consortium in zijn geheel. Deze situatie zou thans moeten zijn rechtgezet doch elke KMO die met buitensporig restrictieve selectiecriteria wordt geconfronteerd dient bij de verantwoordelijke contracterende autoriteit klacht daartegen in te dienen.
De Commissie heeft het probleem van de beoordeling van de solvabiliteit van potentiële contractanten voordat hen contracten worden gegund (zie bijvoorbeeld het tweede verslag van het comité van onafhankelijke deskundigen in 1999) opgelost. Om de financiële belangen van de Gemeenschap te beschermen verplichten de procedures van de praktische gids de contracterende autoriteiten dan ook om in hun aankondigingen van opdrachten financiële criteria te publiceren. Ook de eis om voor hogere bedragen financiële garanties te stellen vloeit voort uit het beginsel van gezond financieel beheer. De kleine onderneming die met deze voorwaarden wordt geconfronteerd, heeft tevens de mogelijkheid om als lid van een consortium de kosten met anderen te delen.
De documenten die de inschrijvers moeten overleggen zijn thans duidelijker omschreven in de financiële verordening die de Raad op 25 juni 2002 (2) heeft vastgesteld. De Commissie neemt tevens contact op met de nationale autoriteiten van de lidstaten om een bijgewerkte lijst vast te stellen van de autoriteiten en organisaties die de nodige certificaten kunnen afleveren voor de in die landen gevestigde entiteiten. De praktische gids wordt op dit ogenblik herzien om rekening te houden met deze wijzigingen. Het standaardformulier voor overeenkomsten voor diensten wordt ook herzien om er voor te zorgen dat algemene gegevens worden verstrekt voor het consortium in zijn geheel alsook voor elke afzonderlijke partner van het consortium. Tezelfdertijd zullen aanvullende richtlijnen worden verstrekt met betrekking tot de vaststelling van de selectiecriteria, zoals het baseren van het criterium met betrekking tot de jaaromzet op het gemiddelde jaarbudget voor de overeenkomst en niet op het totale budget voor de overeenkomst.
Wat betreft de mate waarin de aanbestedingsdocumenten bijzonderheden bevatten omtrent de voorwaarden, hebben alle inschrijvers de kans om aan de contracterende autoriteit uitleg te vragen, met name wanneer de taakomschrijving of de technische specificaties onduidelijk zijn.
Wat de beschikbaarheid van informatie of de motieven voor afwijzing betreft, zijn in de praktische gids reeds standaardbrieven aan niet-geselecteerde aanvragers en inschrijvers opgenomen waarin vergelijkende informatie moet worden verstrekt om hen achteraf in staat te stellen hun eigen concurrentievermogen te beoordelen. Voor dienstverleningscontracten bijvoorbeeld bevat de brief aan de niet-geselecteerde inschrijvers een gedetailleerd overzicht van de door de geadresseerde en de geselecteerde inschrijver behaalde resultaten.
(1) http://europa.eu.int/comm/europeaid/tender/gestion/index_en.htm
(2) Verordening (EG, Euratom) Nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het financieel reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, PB L 248 van 16.9.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/301 |
(2004/C 88 E/0308)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3676/02
van Toine Manders (ELDR) aan de Commissie
(18 december 2002)
Betreft: Arbeidsongeschiktheid
In het geval een grensarbeider voorheen in een risicostelsel (Nederland) heeft gewerkt en daarna laatstelijk in een opbouwstelsel (Duitsland) werkt en arbeidsongeschikt wordt, heeft deze grensarbeider in principe aanspraak op een Nederlandse én een Duitse pro-rata arbeidsongeschiktheidsuitkering. Ten gevolge van het ontbreken van harmonisatie komt het voor dat een grensarbeider op grond van Nederlands recht volledig arbeidsongeschikt verklaard wordt en naar Duits recht volledig arbeidsgeschikt verklaard wordt. Vaak leidt dit er toe dat een dergelijke grensarbeider — omdat hij slechts enige jaren in het risicostelsel verzekerd (Nederland) is geweest — een kleine pro-rata Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt (en géén Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering).
In het geval er géén sprake meer is van een Duitse arbeidscontract is het de vraag welke lidstaat een werkloosheidsuitkering moet uitbetalen. Het woonland Nederland weigert een werkloosheidsuitkering uit te betalen omdat er sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid. De vraag is of er aanspraak bestaat op een Duitse werkloosheidsuitkering?
|
1. |
Heeft een in Nederland wonende en naar Nederlands recht volledig arbeidsongeschikt verklaarde grensarbeider aanspraak op een Duitse werkloosheidsuitkering indien deze laatstelijk gewerkt heeft in Duitsland en géén recht heeft op een Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij naar Duits recht arbeidsgeschikt is? |
|
2. |
Op welke artikelen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (1) respectievelijk jurisprudentie (Miethe C-l/85) is dit gebaseerd? |
|
3. |
Kan het Duitse bevoegde orgaan (Arbeitsamt) als voorwaarde stellen dat een in Nederland wonende grensarbeider, die vanuit zijn Duitse arbeidssituatie werkloos wordt, meer dan 50 % van zijn arbeidsverleden in Duitsland sociaal verzekerd moet zijn geweest om in aanmerking te komen voor een Duitse werkloosheidsuitkering? |
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(27 januari 2003)
De Commissie deelt het geachte parlementslid mee dat Verordening (EEG) nr. 1408/71 (2) bepaalt in welke lidstaat een werkloze werknemer een werkloosheidsuitkering mag aanvragen: een werkloze werknemer die niet in de lidstaat woonde waar hij zijn laatste baan had, ontvangt krachtens artikel 71, lid 1, onder a), een werkloosheidsuitkering overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van de woonplaats, mits hij een grensarbeider was (d.w.z. een werknemer die niet in de lidstaat werkt waar hij woont, en die op gezette tijden — maar minstens één keer per week — naar de lidstaat van de woonplaats terugkeert). Een „persoon die geen grensarbeider is”, kan krachtens artikel 71, lid 1, onder b), kiezen voor een werkloosheidsuitkering overeenkomstig de wetgeving van het land van de woonplaats of overeenkomstig de wetgeving van het land waar hij het laatst gewerkt heeft, mits hij ter beschikking blijft van de diensten voor arbeidsbemiddeling in de betrokken landen.
Het Europees Hof van Justitie heeft in de zaak-Miethe (C-l/85) geoordeeld dat een „atypische grensarbeider” (d.w.z. een grensarbeider die uitzonderlijk persoonlijke en professionele banden met het land van de werkgelegenheid heeft bewaard, zodat hij daar de beste vooruitzichten heeft om een nieuwe baan te vinden) als een „persoon die geen grensarbeider is” moet worden beschouwd en onder artikel 71, lid 1, onder b), valt. Alleen een nationale rechtbank is echter bevoegd om in een concreet geval te bepalen of een werknemer die niet in het land woont waar hij werkt, toch de beste vooruitzichten heeft om een nieuwe baan te vinden in het land waar hij werkt (en bijgevolg onder artikel 71, lid 1, onder b), valt).
De persoon naar wie het geachte parlementslid verwijst, kan krachtens artikel 71, lid 1, onder b), een werkloosheidsuitkering volgens de Duitse wetgeving aanvragen, als hij overeenkomstig het arrest van het Europees Hof van Justitie in de zaak-Miethe als een „atypische grensarbeider” kan worden beschouwd, of als hij „een persoon die geen grensarbeider is” was. Het feit dat hij een Nederlandse arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, verandert niets aan het feit dat Duitsland de bevoegde lidstaat is om een werkloosheidsuitkering te betalen.
Of de betrokkene daadwerkelijk recht heeft op een Duitse werkloosheidsuitkering, hangt af van het feit of hij voldoet aan de voorwaarden van de Duitse wetgeving terzake. Aangezien de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten niet door het Gemeenschapsrecht worden geharmoniseerd maar gecoördineerd, zijn de lidstaten bevoegd om te bepalen onder welke voorwaarden uitkeringen worden toegekend. Als een nationale wetgeving echter vereist dat een bepaald tijdvak van verzekering wordt vervuld voordat de betrokkene recht op een uitkering heeft (wachttijd), en als een migrerende werknemer krachtens de wetgeving van deze lidstaat niet lang genoeg verzekerd is geweest om aan de wachttijd te voldoen, bepaalt Verordening (EEG) nr. 1408/71 dat rekening moet worden gehouden met in overeenstemming met de wetgeving van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, alsof ze in de betrokken lidstaat zijn vervuld.
(1) PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2.
(2) Verordering (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheids-regelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. Verordening bijgewerkt bij Verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996 (PB L 28 van 30.1.1997).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/303 |
(2004/C 88 E/0309)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3737/02
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(19 december 2002)
Betreft: „ABEJ — Solidarités”
„ABEJ — Solidarités” is een in Rijssel (Frankrijk) gevestigde vereniging die veel werk voor straatkinderen verzet. Nu de begroting voor de volksgezondheid voor 2003 met 55 % wordt verlaagd dreigt de opvang van deze jongeren ernstig in gevaar te komen omdat op de subsidies zal worden beknibbeld.
Zo zullen tussen de 700 en 800 personen die steun ontvingen, door deze situatie in de problemen komen, hetgeen hun sociale uitsluiting zal verergeren.
Kan de Commissie mededelen waarom de subsidies aan dit soort verenigingen worden verlaagd en welke maatregelen zij denkt te treffen om te voorkomen dat het fenomeen van sociale uitsluiting in omvang zal toenemen?
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(30 januari 2003)
De Commissie is niet op de hoogte van het verlagen van de subsidies voor de Franse vereniging „ABEJ — Solidarités” in het kader van de goedkeuring van de nationale jaarbegroting in Frankrijk. Dergelijke steun valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Franse overheid.
In juli 2003 zullen de Commissie en de lidstaten bij de voorstelling van de tweede reeks nationale actieplannen voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, de inspanningen van de lidstaten op het gebied van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting onderzoeken. De resultaten van dit onderzoek worden opgenomen in het tweede gezamenlijk verslag inzake sociale integratie, dat in het voorjaar van 2004 bij de Europese Raad moet worden ingediend.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/303 |
(2004/C 88 E/0310)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3780/02
van Kathleen Van Brempt (PSE) aan de Commissie
(6 januari 2003)
Betreft: Implementatie verordening (EG) 1259/1999: rapportage van de lidstaten inzake milieumaatregelen en steunregeling in de landbouw
Verordening (EG) 1259/1999 (1) en uitvoeringsverordening (EG) 963/2001 (2) stellen gemeenschappelijke regels op met betrekking tot de steunregeling in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, waarbij meer in het bijzonder milieubeschermingsmaatregelen worden gekoppeld aan het verkrijgen van steun. De lidstaten kunnen hierbij kiezen tussen algemene verplichte milieuvereisten, steun in ruil voor specifieke agri-milieumaatregelen, en specifieke milieumaatregelen die als voorwaarde gelden voor het verkrijgen van directe inkomenssteun. De lidstaten kunnen de steun reduceren of intrekken als dergelijke milieuvereisten niet nageleefd worden. Het eerste verslag over de uitvoering hiervan gedurende 2000-2001 moest ten laatste op 30 april 2002 bij de Commissie ingediend worden.
|
1. |
Heeft elke lidstaat dit rapport tijdig ingediend? |
|
2. |
Heeft de Commissie een evaluatierapport over deze ingediende rapporten klaar en kan de Commissie een gedetailleerde beschrijving geven van alle maatregelen die ingevolge beide verordeningen werden genomen? |
|
3. |
In welke mate gebruiken de lidstaten de mogelijkheden en strafmaatregelingen van deze verordeningen? |
|
4. |
Wat zijn de milieueffecten van deze maatregelen in het algemeen? |
|
5. |
Hoe en in welke mate hebben deze maatregelen een impact gehad op het pesticidengebruik in de landbouw in de verschillende lidstaten, regio's en bij specifieke teelten? |
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(28 februari 2003)
De verplichtingen inzake rapportering over de toepassing van de horizontale Verordening (EG) nr. 1259/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, zijn vastgesteld bij de uitvoeringsverordening (EG) nr. 963/2001 van de Commissie van 17 mei 2001. In de artikelen 2 en 3 daarvan is bepaalde welke gegevens aan de Commissie moeten worden meegedeeld en wanneer.
Volgens artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 963/2001 moet tegen uiterlijk 30 april van elk jaar, te beginnen vanaf 2002, een jaarlijks voortgangsverslag over de tenuitvoerlegging van de eisen inzake milieubescherming (artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1259/1999) en de differentiatie (artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1259/1999) worden ingediend.
De Commissie heeft van alle lidstaten met uitzondering van België, Spanje, Luxemburg en Portugal het eerste jaarverslag ontvangen.
De Raad „Landbouw” heeft in zijn conclusies over de integratie van milieuoverwegingen en duurzame ontwikkeling in het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de Europese Raad van Göteborg, 15-16 juni 2001, de Commissie verzocht „aan de Raad in 2003 een samenvattend verslag voor te leggen over de maatregelen die de lidstaten uitgevoerd hebben met betrekking tot de in Verordening (EG) nr. 1259/1999 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften bedoelde maatregelen, met inbegrip van een kwalitatieve indicatie van de gevolgen voor milieu en duurzame ontwikkeling, op basis van de rapportage door de lidstaten”.
De Commissie zal het bovenbedoelde verslag in de loop van 2003 opstellen op basis van de informatie die de lidstaten in 2002 en 2003 hebben verstrekt. Aan de hand van deze twee verslagjaren zal het mogelijk zijn een eerste overzicht te geven van de toepassing van de horizontale verordening door de lidstaten en de impact van de maatregelen die zijn hebben genomen, kwalitatief te beoordelen.
(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 113.
(2) PB L 136 van 18.5.2001, blz. 4.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/305 |
(2004/C 88 E/0311)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3817/02
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(9 januari 2003)
Betreft: Doeltreffende maatregelen om het behalen van voordelen voor EU-ingezetenen door middel van kinderarbeid elders voorgoed onmogelijk te maken
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat de jongerenorganisatie van de Belgische vakbondscentrale ABW in november 10 000 handtekeningen heeft opgehaald tegen kinderarbeid en deze heeft overhandigd aan de voorzitter van het federale parlement in België, en dat de reden voor deze actie was dat ondanks de conventies 138 en 182 van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), die leeftijdsgrenzen stellen en de ergste vorm van kinderarbeid proberen uit te bannen, nog steeds naar schatting 250 miljoen kinderen in de wereld al op zeer jonge leeftijd werken in gevaarlijke en schrijnende omstandigheden waar ze op beschamende wijze worden uitgebuit? |
|
2. |
Is het de Commissie tevens bekend dat de initiatiefnemers van de in vraag 1 bedoelde actie van oordeel zijn dat kinderarbeid in de Derde Wereld alleen doeltreffend kan worden tegengegaan als inwoners van rijke landen thuis strafbaar worden gesteld voor het organiseren of profiteren van kinderarbeid elders in de wereld, in navolging van wetten die bestraffing mogelijk maken voor ingezetenen die zich in anderen landen schuldig maken aan het seksueel misbruiken van kinderen? |
|
3. |
Ziet de Commissie in het feit dat de sinds 1996 bestaande samenwerking tussen de secretariaten van Wereldhandelsorganisatie (WTO) en ILO, het toestaan van een sociale dimensie in internationale handelsafspraken en art. 32 van het wereldwijd geratificeerde Verdrag inzake de rechten van het kind niet leiden tot eenduidige conclusies, en dat bestraffing van overtredingen niet is geregeld, reden om het weren van producten van kinderarbeid en het bestraffen van de schuldigen op te nemen in de wetgeving de lidstaten van de EU of in die van de Unie zelf? |
|
4. |
Zijn er lidstaten van de EU die ILO-conventie nr. 182 van 17 juni 1999, met daarin aanbeveling 190, of de oudere conventie 138 nog niet hebben geratificeerd? Zo ja, welke? Is de Commissie bekend waarom deze ratificatie tot nu toe achterwege is gebleven? |
|
5. |
Neemt de Commissie zelf het initiatief om voor dit zowel voor de bescherming van mensenrechten als voor het tegengaan van concurrentievervalsing belangrijke probleem een toereikende oplossing te vinden? |
Bron: Metro, Vlaamse editie, 14.11.2002.
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(17 februari 2003)
De Commissie heeft zich verbonden tot het bevorderen van de wereldwijde toepassing van de fundamentele arbeidsnormen, waaronder het verbod op kinderarbeid. Op 18 juli 2001 heeft zij een mededeling goedgekeurd inzake de bevordering van fundamentele arbeidsnormen en verbetering van de sociale governance in de context van de globalisering (1), waarin zij een geïntegreerde aanpak voorstelt voor de mobilisatie van alle relevante actoren, waaronder de lidstaten, de internationale sociale, economische en financiële organisaties zoals ILO, WTO, het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldbank en andere. De Commissie heeft ook voorgesteld de positieve prikkels te versterken om de fundamentele arbeidsnormen te bevorderen. In deze context is de prikkel met betrekking tot de fundamentele arbeidsnormen in het Europese stelsel van algemene preferenties in december 2001 versterkt. De bevordering van de fundamentele arbeidsnormen, waaronder de bestrijding van kinderarbeid en de ergste vormen van kinderarbeid, is ook opgenomen in verschillende initiatieven zoals het Europees initiatief inzake mensenrechten en democratie (EIDHR).
Maar de Commissie heeft een op handelssancties gebaseerde negatieve aanpak afgewezen.
Het Parlement heeft deze aanpak gesteund in zijn Resolutie van 4 juli 2002 betreffende fundamentele arbeidsnormen en sociale governance (2), terwijl de lidstaten de discussie over de mededeling en de geïntegreerde strategie nog niet hebben voltooid.
Sommige in de vraag van de geachte afgevaardigde geopperde maatregelen in verband met bijvoorbeeld het strafrecht vereisen de volledige betrokkenheid van de lidstaten.
De Commissie heeft haar samenwerking met de Internationale Arbeidsorganisatie uitgebreid en versterkt. Deze vernieuwde samenwerking is bevestigd in de briefwisseling tussen de Commissie en de Directeur-generaal van de ILO op 14 mei 2001. Bovendien is de jaarlijkse vergadering op hoog niveau tussen de Commissie en de ILO op 14 februari 2002 het eens geworden over de lancering van een technische samenwerking inzake de ILO-programma's met betrekking tot de fundamentele arbeidsnormen, de vermindering van armoede en de bevordering van de Decent work-agenda van de ILO.
De Commissie heeft de oprichting door de ILO in februari 2002 van de wereldcommissie inzake de sociale dimensie van de globalisering (World Commission on the Social Dimension of Globalisation) sterk gesteund en heeft zich ertoe verbonden aan de werkzaamheden daarvan bij te dragen. De Commissie zal op 3-4 februari 2003 een seminar op hoog niveau organiseren, met de deelname van de wereldcommissie en vertegenwoordigers van de lidstaten, kandidaat-lidstaten, parlementsleden, sociale partners, niet-gouvernementele organisaties en lagere overheden.
De lidstaten hebben positief gereageerd op de aanbeveling van de Commissie van 15 september 2000 (3) om ILO-Verdrag nr. 182 betreffende de ergste vormen van kinderarbeid te ratificeren. Alle lidstaten hebben Verdrag 182 geratificeerd en bovendien hebben alle lidstaten Verdrag nr. 138 inzake de minimale arbeidsleeftijd geratificeerd.
(1) COM(2001)416 def.
(2) A5-0251/02.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/306 |
(2004/C 88 E/0312)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3824/02
van Jan Wiersma (PSE) aan de Commissie
(20 december 2002)
Betreft: Roma's — Buhusi
Is de Commissie op de hoogte van het ernstige incident dat onlangs heeft plaats gevonden in de Roemeense plaats Buhusi, waar drie Roma's door de politie werden gedood.
Kan zij meedelen wat de oorzaak was van het incident en waarom de Roma's zo heftig hebben gereageerd op de tussenkomst van de politie die heeft geleid tot deze tragische moorden?
Kan de Commissie nagaan of dit een geval was van overdreven machtsvertoon van de zijde van de politie, waarbij moet worden gedacht aan de recente verklaring van de Raad van Europa dat dit soort acties nog steeds plaatsvindt bij doorzoekingen van de huizen van Roma's of arrestaties van verdachte Roma's, en indien buitensporig geweld werd gebruikt, wat is de Commissie dan voornemens te ondernemen?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(24 januari 2003)
De Commissie is via de Roemeense pers, een verslag van een mensenrechtenorganisatie van de Roma en een verklaring van de politie op de hoogte van het incident dat op 5 december 2002 heeft plaatsgevonden tussen de Roemeense politie en de Roma-gemeenschap van Buhusi. Uit de gegevens waarover de Commissie beschikt blijkt dat bij het incident twee Roma werden gedood en twee werden gewond door de politie terwijl ook vier politiemensen verwondingen opliepen.
Het incident heeft zich voorgedaan toen de politie (een groep van ongeveer 45 politieagenten, later versterkt met 40 rijkswachters) vier personen, alle etnische Roma's, trachtte te arresteren waartegen aanhoudingsbevelen waren uitgevaardigd voor diefstal en geweld.
Volgens de politie werden zij door 200 met hooivorken en bijlen gewapende personen omsingeld. Er ontstond een rel en de personen die zij moesten arresteren trachtten te ontsnappen waarop de politie hen verwittigde en daarna het vuur opende.
Volgens een mensenrechtenorganisatie van de Roma heeft de politie bij het onderzoek overdreven geweld gebruikt en werden de verdachten omwille van hun etnische oorsprong geviseerd.
Volgens de eerste resultaten van het onderzoek uitgevoerd door het Bureau van de Procureur van Bacau, als gerapporteerd door het hoofd van het directoraat Openbare orde van de Roemeense politie in een verklaring afgelegd op 11 december 2002, hebben de politiestrijdkrachten hun wapens uit zelfverdediging gebruikt nadat zij door leden van de Roma-gemeenschap waren aangevallen.
De definitieve conclusies van het onderzoek door het Bureau van de Procureur zijn nog niet beschikbaar.
De Commissie houdt toezicht op de eerbiediging en bescherming van minderheden in de kandidaat-lidstaten als onderdeel van de politieke criteria van Kopenhagen en zij brengt daar jaarlijks verslag over uit in haar periodieke verslagen. De Commissie zal bij de opstelling van het periodiek verslag over Roemenië voor dit jaar rekening houden met alle relevante informatie over deze kwestie en meer in het algemeen over de behandeling van de Roma door de politie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/307 |
(2004/C 88 E/0313)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3906/02
van Anna Karamanou (PSE) aan de Commissie
(7 januari 2003)
Betreft: Ondervoeding in de Gaza-strook en het Westoevergebied
Volgens de meest recente gegevens van de VN doet zich in de Gaza-strook en het Westoevergebied een ernstig ondervoedingsprobieem voor. De Palestijnen lijden vooral aan een voedingstekort dat door de Wereldgezondheidsorganisatie als „verborgen hongersnood” wordt aangemerkt. Hierdoor wordt een normale groei bij kinderen belet, wordt vaak ernstige en onomkeerbare schade aan het begripsvermogen veroorzaakt, wordt het immuniteitssysteem van zowel kinderen als volwassenen aangetast en worden de geestelijke en fysieke vermogens verzwakt. In extreme gevallen leidt dit tot blindheid of overlijden. Tevens heeft onderzoek door de Amerikaanse Organisatie voor Internationale Ontwikkeling uitgewezen, dat vier van de vijf kinderen in de Gaza-strook en het Westoevergebied lijden aan een ijzer- en zinktekort en dat meer dan de helft van de kinderen een tekort aan koolhydraten en vitamine A vertoont.
Op welke wijze wordt de door de EU aan Palestina toegekende financiële hulp door de Commissie verdeeld, om deze toestand direct te helpen bestrijden?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(29 januari 2003)
De Commissie heeft onlangs besloten via zijn begrotingslijn voedselzekerheid 10 miljoen euro toe te kennen ter ondersteuning van Emergency Operation Plan (EMOP) n. 10190 van het Wereldvoedselprogramma (WVP) om te voorzien in de behoeften van de slachtoffers van het conflict in de Palestijnse gebieden. De hulp is bestemd voor ongeveer 360 000 kwetsbare en behoeftige Palestijnen die geen vluchteling zijn. Tot deze groep behoren kinderen beneden de vijf jaar, zwangere en zogende vrouwen, ouderlingen, gehandicapten en chronisch zieken. Zij kwamen in aanmerking voor sociale bijstand (cash en in natura) in het kader van een programma van het Palestijnse ministerie van sociale zaken dat als gevolg van de huidige crisissituatie moest worden stopgezet.
De producten die met financiële steun van de Commissie beschikbaar zullen worden gesteld zijn tarwebloem, rijst, linzen, suiker, plantaardige olie en olijfolie. Om de nodige soepelheid en een snelle beschikbaarstelling in overeenstemming met de WVP-plannen te garanderen, zullen deze goederen voor een deel door de Commissie bij de lidstaten en voor een deel rechtstreeks door het WVP bij de Palestijnse gebieden en buurlanden worden aangekocht en beschikbaar gesteld.
In het kader van EMOP n. 10072 van het WVP, dat in augustus 2002 is afgesloten, had de Commissie reeds 5 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de aankoop van ongeveer 7 400 metrieke ton tarwebloem en 3 200 metrieke ton rijst ten behoeve van een soortgelijke doelgroep.
Hierdoor levert de Commissie veruit de grootste bijdrage aan deze twee programma's (een tabel met de bijdragen voor het Palestijnse grondgebied wordt rechtstreeks aan het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement toegezonden).
Sinds het midden van de jaren negentig heeft de Commissie elk jaar een programma voor voedselhulp en financiële hulp gefinancierd ten behoeve van de kwetsbare Palestijnse vluchtelingen. In 2002 was daarmee een bedrag van 15 miljoen euro gemoeid. Het programma wordt geleid door het UNRWA (United Nations Relief and Works Agency) en bestrijkt vijf gebieden: Jordanië, Libanon, de Arabische Republiek Syrië, de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. In het kader van het programma wordt steun verleend aan ongeveer 224 000 speciale noodgevallen, waaronder 105 000 zwangere en zogende vrouwen en hun kinderen, 500 poliklinische TB-patiënten, gezinnen met een weduwe als gezinshoofd, wezen, ouderlingen, personen die medisch werkonbekwaam zijn enz. Via dit programma wordt in de Palestijnse gebieden hulp verleend aan 73 000 personen in de Gazastrook en 31 000 personen op de Westelijke Jordaanoever. In een recente, in het kader van het programma uitgevoerde evaluatie is gewezen op het belang van de programmacomponenten voeding en bijvoeding. Zij maken het mogelijk droge rantsoenen te verstrekken aan vrouwen vanaf de vijfde maand van hun zwangerschap tot een jaar na de bevalling, en ijzersupplementen aan kinderen beneden de schoolleeftijd en aan vrouwen van vruchtbare leeftijd in de klinieken voor gezondheidszorg voor moeder en kind.
Om de beschikbare gegevens over voedselzekerheid bij te werken, legt de Commissie in nauwe samenwerking met de Voedsel- en landbouworganisatie (FAO), het WVP en het UNRWA alsook met het United States Agency for International Development (USAID) en zijn partners op dit ogenblik de laatste hand aan de voorwaarden voor een omvattende evaluatie van de voedselzekerheid die betrekking heeft op stads- en plattelandsgebieden en ook op de vluchtelingen- en niet-vluchtelingenbevolking in de Palestijnse gebieden. De missie zal problemen bestuderen en analyseren die betrekking hebben op de beschikbaarheid van en de toegang tot voedsel in de Palestijnse gebieden en aan de Palestijnse autoriteit aanbevelingen doen met het oog op een betere coördinatie van de inspanningen die de internationale gemeenschap levert om de onzekere voedselsituatie aan te pakken. Verwacht wordt dat deze missie begin 2003 van start zal gaan. Zij zal bestaan uit een team van ervaren FAO- en nationale deskundigen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/308 |
(2004/C 88 E/0314)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3907/02
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(7 januari 2003)
Betreft: Sociaal-economische gevolgen van de EU-uitbreiding
Zoals ik reeds in mijn vorige vraag aan de Commissie heb benadrukt, zal de komende uitbreiding van de EU met de landen van Midden- en Oost-Europa ingrijpende sociaal-economische gevolgen hebben, met name voor de regio's en lidstaten met een vergelijkbare structuur, zoals in het geval van Portugal.
Daarnaast is het onbegrijpelijk dat er voor de uitbreiding een financieel plan is voorgesteld dat slechts gebaseerd is op een inschatting van de gevolgen op „EU-niveau”, terwijl iedereen toch weet dat de EU geen homogene economische structuur bezit en er flagrante verschillen tussen de diverse landen, regio's en bedrijfssectoren bestaan.
Met betrekking tot Portugal leidt de uitbreiding tot diverse gevolgen zoals bedrijfsverplaatsingen en minder directe buitenlandse investeringen ten koste van Portugal en ten gunste van de nieuwe EU-landen, in een feller concurrentieklimaat, met negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid en de economische groei van Portugal.
Inmiddels — maar pas nadat de Top van Kopenhagen besloten had voor de uitbreiding een financieel plan op te stellen — heeft de Commissie besloten een groep deskundigen in het leven te roepen die de gevolgen van de uitbreiding moet onderzoeken en de door het grote publiek gestelde vragen moet beantwoorden.
Kan de Commissie in het licht van het voorafgaande mededelen:
|
— |
of zij er zich van bewust is dat de EU geen homogene economische structuur bezit en dat de uitbreiding voor de diverse EU-landen uiteenlopende gevolgen zal hebben? Zo ja, hoe evalueert zij deze gevolgen per land? |
|
— |
welke financiële middelen en maatregelen zij denkt te mobiliseren om de landen, regio's en bedrijfssectoren te steunen die het meest door de uitbreiding zullen worden getroffen, zoals Portugal? Is zij voornemens instrumenten in het leven te roepen (speciale programma's voor de bevordering van de economische groei, zoals bij vorige uitbreidingen is gebeurd) om genoemde negatieve sociaal-economische gevolgen op te vangen? |
|
— |
welke doelstellingen en resultaten zij met de onlangs in het leven geroepen deskundigengroep hoopt te bereiken? |
Antwoord van Günter Verheugen namens de Commissie
(29 januari 2003)
De macro-economische impact van uitbreiding van de Europese Unie is naar verwachting relatief gering voor de vijftien lidstaten (EU-15).
Volgens de evaluatie van een binnen de Commissie verrichte studie (1) zal er in de periode van tien jaar na de komende uitbreidingsronde sprake zijn van een gecumuleerd groeioverschot van 0,7 % voor de vijftien lidstaten.
De economische impact zal groter zijn in de grensregio's van lidstaten die grenzen aan kandidaat-lidstaten, voornamelijk in Duitsland en Oostenrijk, terwijl de meer afgelegen gebieden minder effect zullen ondervinden van de uitbreiding.
Het aandeel van Portugal in de totale export van de kandidaat-lidstaten naar de Unie bedroeg in 2002 slechts 0,7 % en het aandeel van dit land in de totale import van de kandidaat-lidstaten uit de Europese Unie was niet meer dan 0,3 %.
Het maken van een vergelijking tussen buitenlandse directe investeringen in de kandidaat-lidstaten en toewijzingen aan de lidstaten is veel complexer. Dankzij de Europaovereenkomsten zijn de markten al voor de toetreding behoorlijk open. Volgens het World Investment Report 2002 van de Verenigde Naties zijn de bruto inkomende investeringen in de kandidaat-lidstaten voortdurend toegenomen sinds 1996. Het rapport meldt verder dat de buitenlandse directe investeringen in Tsjechië in 2000 EUR 5,3 miljard bedroegen en in 2001 EUR 5,5 miljard. In Hongarije hadden deze investeringen een omvang van EUR 1,6 miljard in 2000 en van EUR 2,6 miljard in 2001. In Portugal bedroegen de buitenlandse directe investeringen EUR 6,9 miljard in 2000 en EUR 6,7 miljard in 2001, een opmerkelijke toename vergeleken met de periode 1996-1999. Volgens de Commissie zijn er bij een uitbreiding dan ook geen verliezers.
De economische en sociale ongelijkheid in de EU-25 zal na de uitbreiding aanvankelijk toenemen. Dit is echter een statistisch effect, dat toe te schrijven is aan het lagere bruto binnenlands product (bbp) van de toetredende staten.
Gebaseerd op de besluiten van de Europese Raad van Kopenhagen (12 en 13 december 2002) zal de via de structuurfondsen verleende bijstand in de nieuwe lidstaten in 2006 per capita EUR 118 bedragen, tegenover een gemiddelde van EUR 217 in de periode 2000-2006 in de onder doelstelling 1 vallende regio's in de vijftien lidstaten.
(1) The economic impact of enlargement. Enlargement Papers nr. 4, June 2001.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/310 |
(2004/C 88 E/0315)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3916/02
van Juan Naranjo Escobar (PPE-DE) aan de Commissie
(14 januari 2003)
Betreft: Kansspelen op internet
Zoals de Commissie in haar antwoord op schriftelijke vraag E-2885/01 (1) al aangeeft zijn weddenschappen op internet onderworpen aan de verschillende regelingen die in de lidstaten inzake deze activiteiten bestaan, wat neerkomt op een belemmering voor de interne markt die aandachtig bekeken moet worden.
Weddenschappen op internet zijn van nature grensoverschrijdend en de nationale loterij-instanties hebben er dan ook op gewezen dat deze kwestie op Europees niveau behandeld moet worden. Welke maatregelen heeft de Commissie ter zake genomen? Heeft de Commissie onderzocht of op dit terrein harmonisatiemaatregelen nodig zijn en zo ja, in welke vorm?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(3 maart 2003)
Wat weddenschappen op internet betreft, is een aantal lidstaten bezig zijn wetgeving inzake weddenschappen aan te passen of nieuwe wetgeving in te voeren om dit soort diensten van de informatiemaatschappij te reguleren. Deze nieuwe wetten moeten uit hoofde van Richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998 tot wijziging van Richtlijn 98/34/EG betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (2) worden aangemeld. De Commissie wil het geachte parlementslid dan ook geruststellen dat zij op basis van dit mechanisme toezicht houdt op de ontwikkelingen op dit gebied en ervoor zorgt dat zulke nieuwe nationale wetten geen ongerechtvaardigde belemmeringen voor de interne markt tot gevolg hebben, waarbij rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van deze diensten zoals erkend in de jurisprudentie van het Hof van Justitie. De Commissie is echter niet van mening dat harmonisatie op dit gebied op dit moment noodzakelijk is.
(1) PB C 81 E van 4.4.2002, blz. 211.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/310 |
(2004/C 88 E/0316)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3917/02
van Juan Naranjo Escobar (PPE-DE) aan de Commissie
(14 januari 2003)
Betreft: Grensregio's
In haar mededeling „Communautaire Actie ten behoeve van de grensregio's” (1) stelt de Commissie voor om in de periode 2002-2006 195 miljoen euro extra toe te kennen voor maatregelen ten behoeve van de regio's langs de grenzen met kandidaat-lidstaten.
Deze maatregelen betreffen 23 regio's in 5 lidstaten en zullen worden uitgevoerd in het kader van TEN, Interreg, YOUTH en het proefproject voor KMO's ten laste van begrotingslijn B5-3003.
Kan de Commissie per begrotingslijn specificeren welke kredieten in de begrotingen 2002 en 2003 zijn bestemd voor de grensregio's, inclusief de extra middelen waaraan de begrotingsautoriteit haar goedkeuring heeft gehecht?
Kan de Commissie gedetailleerd aangeven welke bedragen voor elk van de betrokken regio's bestemd zijn in de jaren 2002 en 2003?
Welke betalingen zijn voor elk van deze regio's verricht in 2002?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(27 februari 2003)
De extra middelen die in de begrotingen voor 2002 en 2003 zijn toegewezen aan EU-regio's langs de grenzen met de kandidaat-lidstaten, belopen in totaal zo'n 98 miljoen euro. Dit bedrag is als volgt uitgesplitst.
Voor de begroting 2002 gaat het om:
|
— |
30 miljoen euro voor de 13 Interreg A-programma's ter ondersteuning van gebieden aan de grenzen met de kandidaat-lidstaten alsmede voor het Interreg B-programma ten behoeve van de Oostzeeregio in het kader van een gemeenschappelijke prioritaire doelstelling „Speciale bijstand voor aan de kandidaat-lidstaten grenzende regio's” (begrotingslijn B2-1411); |
|
— |
20 miljoen euro voor drie Interreg C-programma's (Oosten, Noorden en Zuiden) en voor het Interact-programma ter bevordering van de onderlinge samenwerking in grensregio's; dit bedrag is gebaseerd op punt 53 van de Interreg-richtsnoeren (begrotingslijn B2-1410); |
|
— |
20 miljoen euro in het kader van het „proefproject in verband met de gevolgen van de uitbreiding in de grensgebieden van de EU” (begrotingslijn B5-3003), waarvan,
|
Voor de begroting 2003 gaat het om:
|
— |
17 miljoen euro in het kader van begrotingslijn B5-3003 „Voorbereidende acties in verband met de gevolgen van de uitbreiding in de grensgebieden van de EU”; |
|
— |
3 miljoen euro voor de financiering van extra maatregelen ten behoeve van jongeren in grensregio's in het kader van het JEUGD-programma (B3-1010); |
|
— |
8 miljoen euro voor het „Uitbreidingsprogramma voor KMO's” (begrotingslijn Β5-514). De geografische omvang van dit programma reikt evenwel verder dan het grondgebied van de huidige EU-grensregio's. |
Er zijn voor de aan de kandidaat-lidstaten grenzende EU-regio's geen extra middelen gereserveerd in het kader van de transeuropese netwerken, aangezien het desbetreffende wetsvoorstel van de Commissie van 2 oktober 2001, namelijk de ontwerp-verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad tot vaststelling van algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van de transeuropese netwerken (2), nog niet is goedgekeurd.
Het is voor de Commissie niet mogelijk een overzicht te geven van de exacte bedragen die voor 2002 en 2003 aan elke grensregio zijn toegewezen. Met name bij de Interreg-programma's houdt de geografische spreiding van de uitgaven verband met de locatie van de ondersteunde projecten, terwijl de projecten zelf op basis van kwaliteitscriteria zijn geselecteerd.
De procedure voor de toewijzing van de extra financiële middelen voor aan de kandidaat-lidstaten grenzende regio's is voor 2002 afgerond. De uitvoering van de projecten verkeert echter nog in een pril stadium. Data waarop betalingen zijn verricht, zijn op dit moment dan ook niet aan de orde.
Bij het merendeel van de bovengenoemde Interreg A- en B-programma's zijn de aangepaste programmacomplementen al vóór eind 2002 bij de Commissie ingediend. De uitgaven voor de projecten kunnen derhalve begin 2003 aanvangen. Het is de taak van de respectieve stuurgroepen om de beschikbare financiële middelen over de concrete projecten te verdelen op basis van de in de programmacomplementen geformuleerde criteria. Toekomstige betalingen zullen daarom afhankelijk zijn van het concrete bestedingspatroon. De einddatum voor de subsidiabiliteit van de uitgaven voor deze steunmaatregelen is vastgesteld op 31 december 2004.
(1) COM(2001)437.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/312 |
(2004/C 88 E/0317)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0046/03
van Pasqualina Napoletano (PSE) en Giovanni Pittella (PSE) aan de Commissie
(21 januari 2003)
Betreft: Crisis in Venezuela
Venezuela wordt momenteel verscheurd door een ernstige politieke en sociale crisis. Aan de ene kant staat het georganiseerde geweld van de radicaalste groeperingen uit de omgeving van de regering van president Chàvez, aan de andere kant de bijna-staatsgreep van enkele extremistische oppositiebewegingen. Deze situatie is een reële bedreiging voor de democratie en de vrijheid. Bovendien woont in Venezuela een grote gemeenschap van Europese oorsprong (waaronder een aanzienlijke groep die van Italiaanse afkomst is).
Wat heeft de Europese Unie gedaan (en met welke resultaten) en wat is zij voornemens nog te doen om de rol van de internationale gemeenschap en haar instellingen te versterken, een rol die beslissend is om de crisis te boven te komen in het kader van de politieke onderhandelingen en van de inachtneming van de democratie en de grondwet?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(13 februari 2003)
De Unie heeft in 2002 drie verklaringen afgelegd over de huidige crisis in Venezuela, na de staatsgreep in april, op 9 oktober en op 23 december. Zij liet hierin weten volledig achter de Organisation of American States (OAS) te staan in haar pogingen om de nationale dialoog tussen de regering van Venezuela en de Coordinadora Democrática (de georganiseerde oppositie) alsmede andere relevante sectoren van de maatschappij op gang te brengen. Deze verklaringen hebben evenals andere verklaringen van andere landen, regio's en internationale instellingen, waarschijnlijk een positieve invloed gehad omdat de Venezolaanse bevolking op deze wijze wordt aangemoedigd niet haar toevlucht te nemen tot geweld en tegelijkertijd de meest radicale leden van de oppositie duidelijk wordt gemaakt dat de internationale gemeenschap ondemocratische of ongrondwettelijke oplossingen niet zal dulden.
De inspanningen van de OAS hebben tot op heden echter nog geen concrete oplossingen opgeleverd voor de politieke crisis. De partijen in het conflict lijken er niet in te slagen een constructieve dialoog aan te gaan om de impasse op te heffen. Op 15 januari 2003 werd in Quito een nieuw initiatief gelanceerd om een oplossing te vinden, namelijk de oprichting van een „Vriendengroep”. Twee lidstaten, Spanje en Portugal, maken deel uit van deze groep, die de Unie in een Verklaring van 21 januari 2003 positief onthaalde. De Vriendengroep zal zich inzetten voor de doelstellingen van de OAS.
Voorts heeft de Commissie een project goedgekeurd waarbij de OAS financiële steun krijgt met het oog op de tenuitvoerlegging van eventuele overeenkomsten die worden bereikt tussen de partijen waarbij de OAS een bemiddelende rol speelt. Afgezien van de bemiddeling bij de dialoog omvat deze steun drie onderdelen: steun voor vrije en eerlijke verkiezingen; onderzoek naar de gebeurtenissen in april 2002 (de mislukte staatsgreep); en de ontwapening van de burgerbevolking.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/313 |
(2004/C 88 E/0318)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0070/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(23 januari 2003)
Betreft: De opmars van energieverspillende en onveilige terreinwagens in Amerika en maatregelen tegen een soortgelijke ontwikkeling binnen de Europese Unie
|
1. |
Heeft de Commissie kennis genomen van de sterke groei van de productie en aankoop in de Verenigde Staten van terreinwagens met aandrijving aan vier wielen waardoor ze kunnen rijden buiten de gebaande wegen, dus zware personenauto's die zeer veel energie verbruiken, en dat daar van dit soort auto's inmiddels meer wordt verkocht dan van normale auto's? |
|
2. |
Heeft de Commissie tevens vernomen dat de opmars van dit soort auto's in de VS leidt tot toenemende kritiek en tegenacties, omdat ze de VS nog sterker afhankelijk maken van import van olie, een groot beslag leggen op de olievoorraden en sterk bijdragen tot milieuverontreiniging? |
|
3. |
Is het de Commissie tevens bekend dat dit soort auto gevaarlijk is voor inzittenden en hun omgeving, doordat ze gemakkelijk kunnen omslaan bij onverwachte bewegingen en een grote dode hoek van vijf meter aan hun achterzijde hebben, waardoor de chauffeur bij het achteruitrijden geen zicht heeft op de aan die kant aanwezige kinderen? |
|
4. |
Welk deel van het bestand aan personenauto's binnen de EU bestaat inmiddels uit terreinwagens? |
|
5. |
Is ook binnen de lidstaten van de EU een versterkte groei van het aandeel van dit soort auto's waarneembaar? |
|
6. |
Wat wordt ondernomen om productie, import en verkoop van zulke auto's in de EU sterker dan tot nu toe te ontmoedigen? |
Bron: TV RTL 4 in Nederland, Nieuws, 4.1.2003.
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(7 maart 2003)
De Commissie weet dat de verkoop en het marktaandeel van zogenaamde Sport Utility Vehicles (SUV's), bestelwagens en pick-ups in de Verenigde Staten aanzienlijk zijn gestegen en intussen ongeveer 50 % van alle nieuw verkochte lichte voertuigen vertegenwoordigen. Ze maken bijna 30 % van alle lichte voertuigen uit. Deze voertuigen zijn bijna uitsluitend uitgerust met een benzinemotor en verbruiken relatief veel energie. De lage benzineprijs in de Verenigde Staten heeft bijgedragen tot de stijgende verkoop van dit soort voertuigen.
De Commissie is op de hoogte van de toenemende ongerustheid in de VS over de opmars van dit soort auto's. Onlangs heeft de nationale verkeersveiligheidsorganisatie NHTSA (National Highway Traffic Safety Administration) in het openbaar haar bezorgdheid geuit, in de eerste plaats over het risico op een koprol. Er vinden ook gesprekken plaats over de milieu-impact en de energieafhankelijkheid. Een ander punt van bezorgdheid, zowel in de Verenigde Staten als in Europa, is de verhouding tussen dergelijke voertuigen en de relatief kleinere gemiddelde personenauto in verkeersongevallen. SUV's hebben door hun constructie in het algemeen een grotere impact, waardoor ook de kans op zware letsels toeneemt. Een aantal fabrikanten en wetgevingsinstanties buigen zich momenteel over deze kwestie.
Alle SUV's en pick-ups die op de Europese markt worden verkocht, moeten aan alle communautaire en nationale wetten terzake voldoen.
De Commissie ziet nauw toe op de prestaties van deze voertuigen, met name van hoge en zware SUV's, om te zien of maatregelen nodig zijn. De belangrijkste kwesties met betrekking tot deze voertuigen zullen met behulp van toekomstige en reeds voorgestelde voorschriften worden geregeld. Zoals aangekondigd zal de Commissie in dit verband een kaderrichtlijn inzake de bescherming van voetgangers en fietsers voorstellen waarin dit soort auto's met een maximumgewicht van 2,5 ton aan bod komt. De Commissie zal daarnaast een richtlijn inzake bull-bars (koeievangers) voorstellen, een accessoire waarmee dergelijke voertuigen vaak zijn uitgerust. De Commissie heeft ten slotte al een richtlijn betreffende een verbetering van het indirect zicht (1) voorgesteld, die de „dode hoeken” wil verminderen door middel van spiegels of alternatieve maatregelen.
De term „Sport Utility Vehicle” is niet precies gedefinieerd. Niettemin wordt geschat dat SUV's ongeveer 3 % van alle in de Gemeenschap geregistreerde lichte voertuigen uitmaken; hun aandeel bedraagt dus slechts een tiende van dat in de VS. Het is moeilijk te zeggen hoe de markt zich zal ontwikkelen, maar een aantal factoren beperken het gebruik van dit soort auto's, zoals hun prijs, het brandstofverbruik en de brandstofprijzen, en hun afmetingen waardoor ze in vele stedelijke gebieden in Europa onpraktisch zijn. Toch neemt de verkoop van dit soort auto's onmiskenbaar toe.
De auto-industrie heeft zich verplicht om de C02-uitstoot van personenauto's van categorie Ml voor de Europese markt tegen 2008/2009 te verminderen tot gemiddeld 140 gram per kilometer. Bij de controle van de praktische uitvoering van deze verplichting is gebleken dat de uitstoot van C02 de afgelopen jaren is gedaald. Als SUV's en vergelijkbare auto's bij personenauto's van categorie Ml worden ingedeeld, vallen ze onder deze verplichting. Een lager brandstofverbruik is daarom een belangrijke factor voor de industrie. De Commissie heeft voorgesteld om de meting van de emissie van kooldioxide uit te breiden tot voertuigen van categorie Nl (voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen) (2). De Commissie onderzoekt momenteel of en hoe deze categorie in de maatregelen voor de vermindering van de C02-uitstoot kan worden opgenomen. Het is de bedoeling om de Raad en het Parlement nog in 2003 het resultaat van dit onderzoek mee te delen.
Het is niet het beleid van de Commissie om de verkoop van een bepaald type voertuig te ontmoedigen zolang alle veiligheids- en milieueisen worden nageleefd. Wel werkt de Commissie voortdurend aan initiatieven om de milieu- en veiligheidsnormen van in de interne markt verkochte voertuigen te verhogen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/314 |
(2004/C 88 E/0319)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0106/03
van Luciano Caveri (ELDR) aan de Commissie
(28 januari 2003)
Betreft: Brand in de Mont Blanc-tunnel
Terwijl het onderzoek van het Franse gerecht over de bekende brand die op 24 maart 1999 in de Mont Blanc-tunnel de dood van 39 personen veroorzaakte, nog loopt, is grote bezorgdheid ontstaan door het bericht dat de aanwezigheid van een fout wordt vermoed in de Volvo-vrachtwagen die in de tunnel in brand is geschoten en de tragedie heeft veroorzaakt. Het zou meer bepaald gaan om een fabricagefout in een bepaald type van vrachtwagen, waardoor zelfontbranding ontstaat wanneer een sigarettenpeuk naar binnen wordt gezogen. Heeft de Commissie informatie hierover?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(20 maart 2003)
De Commissie is niet op de hoogte van de ontwikkelingen in het onderzoek dat de Franse justitie voert teneinde alle verantwoordelijkheden bij deze ramp te bepalen, daar zij onder het onderzoeksgeheim vallen. Toch heeft zij kennis genomen van diverse officiële verslagen waarin de feiten worden beschreven en die tot het publieke domein behoren. Zo is zij ervan op de hoogte dat de ramp haar oorsprong vindt in een brand die is ontstaan aan boord van een opleggertrekker enkele minuten nadat deze het tolstation van Chamonix is gepasseerd. Er zijn verschillende hypothesen naar voren gebracht om te trachten verklaren hoe de brand aan boord van de trekker is ontstaan. Tot dusver kon geen enkele ervan worden bevestigd of ontkracht en het is aan de door de onderzoeksrechter aangewezen deskundigen om de gegrondheid ervan te verifiëren.
De Commissie heeft op 30 december 2002 een voorstel voor een richtlijn ingediend inzake minimale veiligheidseisen voor tunnels in het Trans-Europese wegennet, teneinde dergelijke ongevallen te voorkomen en de gebruikers van de tunnels te beschermen.
De Commissie is ook voornemens de aanwezigheid van handblusapparaten of ingebouwde brandblus-systemen verplicht te stellen in alle voertuigen met een maximumgewicht van meer dan 3,5 ton. Zij zal trachten het veiligheidsprobleem op te lossen dat verband houdt met de aanvullende brandstoftanks waarmee vrachtwagens kunnen worden uitgerust.
Ten slotte zal de Commissie in de loop van dit jaar een voorstel indienen om de communautaire typegoedkeuring uit te breiden tot bedrijfsvoertuigen. Intussen blijven de lidstaten bevoegd voor de goedkeuring van deze voertuigen en zijn de nationale voorschriften van toepassing op de constructienormen voor deze voertuigen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/315 |
(2004/C 88 E/0320)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0110/03
van Peter Liese (PPE-DE) aan de Commissie
(21 januari 2003)
Betreft: Vaccinatie tegen de pokken in de lidstaten
In de lidstaten van de Europese Unie bereidt men zich thans op verschillende wijze voor op eventuele terreuraanslagen met pokkenvirussen. De bevolking is op grond van berichten in de media zeer sterk verontrust. Aangezien pokkenvirussen zich bij een uitbraak uiteraard niet aan de grenzen van de lidstaten zullen storen, is een voor de gehele Europese Unie gecoördineerde aanpak noodzakelijk.
Beschikt de Commissie over informatie over de verschillende strategieën in de lidstaten? In hoeverre is voorzien in de coördinatie van de verschillende plannen over de grenzen van de lidstaten heen? Kan de Commissie de lidstaten hulp aanbieden, met name bij de beoordeling van de eventuele nevenwerkingen van de vaccinatie tegen de pokken? In hoeverre kan gebruik worden gemaakt van de voordelen van de Europese interne markt om in alle lidstaten zo snel als mogelijk en noodzakelijk is aan uiterste effectieve vaccins met zo min mogelijk nevenwerkingen te komen?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(12 februari 2003)
Zoals vermeld in de mededelingen van de Commissie „Civiele bescherming — Preventieve waakzaamheid voor eventuele noodsituaties” (1) en „Civiele bescherming — Voortgang bij de tenuitvoerlegging van het programma voor de paraatheid in geval van eventuele noodsituaties” (2), werken de Commissie en de lidstaten in het kader van een programma voor de bescherming van de gezondheid samen ter verhoging van de paraatheid voor en de reactie op de doelbewuste en kwaadwillige introductie van biologische en chemische agentia. Deze samenwerking houdt onder meer de confidentiële uitwisseling van informatie in en het delen van goede praktijken wat nationale strategieën betreft om een uitbraak van pokken het hoofd te bieden en de hoogst mogelijke graad van coördinatie mogelijk te maken bij het nemen van tegenmaatregelen. De samenwerking omvat ook de verspreiding van informatie, studies en richtsnoeren voor gezondheidswerkers over prioritaire thema's zoals surveillance, opsporing, laboratoriumanalyses en gevalsbeheer.
De neveneffecten van vaccinatie tegen de pokken ten tijde van het uitroeiingsprogramma van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) zijn goed gedocumenteerd en gepubliceerd. Nieuwe gegevens die voortkomen uit de geplande vaccinatie in bepaalde landen zullen door de Taskforce van de Commissie voor de bescherming van de gezondheid worden verspreid zodra ze beschikbaar zijn.
Momenteel zijn er geen toegestane vaccins tegen de pokken in de Gemeenschap. Nieuwe vaccins worden ontwikkeld, maar tot nu toe is nog geen toestemming gevraagd om een vaccin op de markt te brengen. Bij gebrek aan een product dat de toestemming heeft gekregen om in de Gemeenschap op de markt te worden gebracht, bouwen de lidstaten nationale voorraden op, ofwel van vaccins van de eerste generatie, ofwel van vaccins van de tweede generatie zonder vergunning.
De ad-hocgroep van deskundigen inzake vaccins die op verzoek van de Commissie door het Europees Bureau voor geneesmiddelenbeoordeling (EMEA) is ingesteld, heeft richtsnoeren opgesteld voor de ontwikkeling van pokkenvaccins op basis van het vaccinia-virus (3). Deze richtsnoeren zijn in juli 2002 gepubliceerd op de websites van de Commissie en van het EMEA. Ze bevatten een deel over de beoordeling van de veiligheid en over onderzoeken na de vergunningverlening.
Voor elk nieuw vaccin kan via de gecentraliseerde procedure een aanvraag worden ingediend om het vaccin op de markt te brengen. Een versnelde beoordeling is mogelijk. Indien aan de nodige criteria van veiligheid, doeltreffendheid en kwaliteit is voldaan, zal een communautaire vergunning worden afgegeven, die onmiddellijk in alle lidstaten geldt.
Onderzoek dat leidt tot nieuwe vaccins tegen potentiële biologische agentia en nieuwe behandelingsmethoden zullen door het zesde kaderprogramma voor onderzoek worden gesteund.
(1) COM(2001) 707 def.
(2) COM(2002) 302 def.
(3) Note for guidance on the development of vaccinia virus based vaccines against smallpox. http://pharma-cos.eudra.org/F2/home.html of http://www.emea.eu.int
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/316 |
(2004/C 88 E/0321)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0131/03
van Joan Colom i Naval (PSE) aan de Commissie
(28 januari 2003)
Betreft: Uitvoering van begrotingslijn B2-1411 „Bijstand voor aan de kandidaat-lidstaten grenzende regio's”
In de begrotingslijn B2-1411 „Bijstand voor aan de kandidaat-lidstaten grenzende regio's”, die werd gecreëerd tijdens de begrotingsprocedure 2002, werd 30 miljoen euro aan vastleggingskredieten en 15 miljoen euro aan betalingskredieten opgenomen.
Volgens het verslag van de Commissie over de uitvoering van vastleggingen en betalingen per 31 december 2002 werden de vastleggingen voor 100 % uitgevoerd en de betalingen slechts voor 14 %.
Kan de Commissie meedelen wat de redenen zijn voor dit lage uitvoeringspercentage bij de betalingskredieten?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(4 maart 2003)
De Commissie zou het geachte parlementslid willen verwijzen naar het antwoord dat zij heeft gegeven op schriftelijke vraag E-3917/02 van de heer Naranjo Escobar (1).
(1) Zie blz. 310.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/317 |
(2004/C 88 E/0322)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0141/03
van Daniel Varela Suanzes-Carpegna (PPE-DE) aan de Commissie
(28 januari 2003)
Betreft: Internationale visserijovereenkomst EU-Guinee-Bissau en ontwikkelingssamenwerking
Momenteel loopt tussen de EU en Guinee-Bissau een internationale visserijovereenkomst:
|
1. |
Kan de Commissie aangeven hoeveel de EU in deze overeenkomst uittrekt voor ontwikkeling van de visserijsector in Guinee-Bissau? |
|
2. |
Kan de Commissie aangeven hoe hoog de financiële tegenprestatie van de EU is in ruil voor de visserijrechten die voor de communautaire vloot zijn verkregen? |
|
3. |
Kan de Commissie aangeven hoeveel door de communautaire reders moet worden betaald in de vorm van vergunningsvergoedingen of visserijrechten? |
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(6 maart 2003)
|
1. |
Overeenkomstig artikel 2 van het huidige protocol (16 juni 2001-15 juni 2006) bij de visserijovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Guinee-Bissau wordt van de totale financiële tegenprestatie 1 miljoen euro per jaar aangewend voor de financiering van de specifieke acties die in artikel 4 van het protocol worden vermeld. Deze acties zijn in het bijzonder gericht op de ontwikkeling van de visserijsector in Guinee-Bissau. |
|
2. |
Overeenkomstig artikel 2 van het protocol wordt de financiële tegenprestatie vastgesteld op 10 miljoen euro per jaar (10,5 miljoen euro voor de laatste twee jaren). Van dat bedrag is in de eerste drie jaren waarin het protocol van toepassing is 9 miljoen euro bestemd voor de financiële compensatie, in de laatste twee jaren 9,5 miljoen euro. Artikel 2 bepaalt verder dat de besteding van de in het protocol vastgestelde financiële compensatie onder de exclusieve bevoegdheid valt van de regering van Guinee-Bissau. In artikel 1 van het protocol zijn de vangstmogelijkheden vastgesteld op:
|
|
3. |
De door de reders verschuldigde visrechten, in euro per brt, zijn vastgesteld op:
Deze visrechten worden vanaf de vierde periode waarin het protocol van toepassing is elk jaar met 5 % verhoogd. De extra visrechten die door de reders verschuldigd zijn wanneer zij de vis niet, zoals volgens punt 4 is voorgeschreven, tegen marktprijzen aanvoeren, zijn als volgt vastgesteld:
|
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/318 |
(2004/C 88 E/0323)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0215/03
van Marco Cappato (NI) aan de Commissie
(27 januari 2003)
Betreft: Escalatie van drugsgeweld in Bolivia
De situatie in Bolivia ten aanzien van demonstraties van inheemse groeperingen die pleiten voor het gebruik van traditionele producten zoals cocabladeren — thans strikt geregeld door de Boliviaanse regering — zou voor de internationale gemeenschap bijzonder zorgwekkend moeten zijn. De afgelopen dagen zijn er in Bolivia een aantal botsingen geweest tussen politie en leger en de demonstranten, voornamelijk boeren, die zich keren tegen het vernietigen van hun traditionele oogst. Volgens de Boliviaanse media wordt de situatie gekarakteriseerd door een escalatie van geweld waardoor tenminste al 17 doden zijn gevallen, tientallen mensen gewond zijn geraakt en honderden zijn gearresteerd.
Is de Commissie zich bewust van de aard van deze escalatie bij de confrontatie tussen de regering en inheemse groeperingen betreffende de vernietiging van cocaplanten, en welke maatregelen neemt de Commissie of denkt zij te nemen om haar steun aan de Boliviaanse autoriteiten te versterken bij hun activiteiten op het gebied van het vernietigen van de oogst?
Vindt de Commissie niet ook dat het hoog tijd is om mislukkingen en desastreuze gevolgen in zowel productie- als consumptielanden als gevolg van dit verbod aan te pakken en op de aanstaande ministersbijeenkomst van de Drugscommissie van de VN, die gepland is voor 16 en 17 april 2003, te pleiten voor een herziening van de drie internationale verdragen over verdovende en psychotrope stoffen om een effectievere pragmatische benadering van het drugsprobleem te bevorderen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(24 februari 2003)
De Commissie volgt de escalatie van de confrontatie tussen de regering van Bolivia en de cocaproducenten en andere sociale sectoren aandachtig, en zij heeft met grote bezorgdheid kennis genomen van de gewelddadige incidenten rond de wegblokkades die sinds 13 januari 2003 zijn opgeworpen. De Commissie is verheugd dat op 26 januari 2003 een akkoord is bereikt tussen Evo Morales en president Sánchez de Lozada en dat dit akkoord de confrontatie lijkt te hebben verminderd en beide partijen in staat heeft gesteld een dialoog aan te gaan, onder andere over het cocabestrijdingsbeleid en de drugsbestrijdings-praktijk.
Gebaseerd op het medeverantwoordelijkheidsbeginsel ondersteunt de Commissie alternatieve ontwikkelingsprojecten in Bolivia overeenkomstig de in haar nationaal strategiedocument geïdentificeerde samenwerkingsprioriteiten. Drie projecten voor in totaal 30 miljoen euro zijn inmiddels lopende, terwijl in 2003 waarschijnlijk een vierde project wordt goedgekeurd van 13 miljoen euro.
De aanpak van de Commissie gaat ervan uit dat de meeste op illegale cocaplantages werkzame personen tijdelijk of permanent zijn gevlucht voor de armoedige levensomstandigheden en zwak presterende plaatselijke economieën in de mijnstreken van het westelijk hoogland en de valleien van de Cochabamba-regio. Omdat iemand die coca produceert veel meer kan verdienen dan iemand die in een mijn werkt of legale gewassen teelt, is het essentieel dat de boeren toegang krijgen tot levensvatbare alternatieve bronnen van inkomsten.
De Commissie financiert acties in de cocaproducerende gebieden van Chapare en Los Yungas en zal dat blijven doen. Deze acties creëren duurzame landbouwactiviteiten en andere inkomsten genererende activiteiten om cocaproducenten aan te moedigen de cocateelt op te geven. Daarbij wordt ook gedacht aan plaatselijke infrastructuurvoorzieningen, zoals medische centra en scholen. De Commissie streeft voorts naar verbetering van de levensomstandigheden en ondersteuning van de economische ontwikkeling in de gebieden van het hoogland waar veel arbeidskrachten wegtrekken, teneinde zo de druk van de extreme armoede weg te nemen, die ertoe leidt dat werknemers migreren naar de cocaproducerende gebieden. De Commissie werkt samen met de plaatselijke autoriteiten en voert een dialoog met cocaboeren. Haar projecten worden positief ontvangen door de bevolking.
De Commissie is actief permanent waarneemster van de VN-Commissie voor verdovende middelen (CND). In dit gremium verdedigt zij een evenwichtige aanpak die het midden houdt tussen preventie en behandeling en de strijd tegen productie en drugshandel. Alternatieve-ontwikkelingsprojecten zijn van dit laatste een illustratie. Zij bieden alternatieve bronnen van levensonderhoud en trachten de boeren minder afhankelijk te maken van de teelt van drugs.
Er zijn geen plannen voor de volgende zitting van de CND om een procedure in gang te zetten voor herziening van de drie VN-verdragen. Deze kwestie is tijdens de periodieke besprekingen over het drugsbeleid van de Unie niet door de lidstaten ter sprake gebracht en ook niet door de Commissie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/319 |
(2004/C 88 E/0324)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0226/03
van Guido Podestà (PPE-DE) en Amalia Sartori (PPE-DE) aan de Commissie
(3 februari 2003)
Betreft: Wettelijke belemmeringen voor de intracommunautaire handel in producten van de goudsmeed-kunst — Schending van artikel 28 van het EG-Verdrag
Bijna vijftig jaar na de inwerkingtreding van het EG-Verdrag en de desbetreffende bepalingen inzake de invoering van de gemeenschappelijke markt, bestaan er momenteel nog vele wettelijke obstakels die het vrije verkeer binnen de EU belemmeren van producten van de goudsmeedkunst die in een lidstaat volgens de wettelijke voorschriften gemerkt en in de handel gebracht zijn.
Dit geldt met name voor de Italiaanse goudsmeedproducten, die — in Italië vervaardigd, volgens de wettelijke voorschriften gemerkt en in de handel gebracht — op de markt van bepaalde EU-lidstaten moeilijk kunnen worden afgezet wegens de in die landen bestaande wetgeving en beperkende voorschriften, met name in Frankrijk, Ierland en het Verenigd Koninkrijk.
Op grond van de geconsolideerde communautaire jurisprudentie moet elk handelsvoorschrift van de lidstaten dat het intracommunautaire handelsverkeer — direct of indirect, feitelijk of potentieel — kan belemmeren, beschouwd worden als een maatregel die kwantitatieve beperkingen inhoudt en als zodanig een inbreuk vormt op artikel 28 van het EG-Verdrag.
Ondanks de recentelijk ingediende klachten — waarvan sommige nog onderzocht worden — en ondanks de ernst van de aangevochten schendingen die afbreuk doen aan het vrije verkeer van goederen, een vrijheid die van fundamenteel belang is voor de Gemeenschap, schijnt de Commissie tot nu toe niet de nodige aandacht aan dit probleem te hebben geschonken.
|
1. |
Kan de Commissie gezien het bovenstaande mededelen hoe zij denkt op te treden om eindelijk een eind te maken aan alle belemmeringen van het vrij verkeer tussen de lidstaten — binnen de gemeenschappelijke markt — van goudsmeedkunstproducten die in een lidstaat volgens de wettelijke voorschriften zijn vervaardigd, gemerkt en in de handel gebracht? |
|
2. |
Kan de Commissie uiteenzetten waarom zij, hoewel zij vele meldingen heeft ontvangen, tot nu toe nooit krachtig genoeg is opgetreden om een eind te maken aan bovengenoemde schendingen? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(5 maart 2003)
Het geachte parlementslid vraagt de Commissie hoe zij de belemmeringen voor het vrije verkeer van goudsmeedproducten die rechtmatig in een lidstaat zijn vervaardigd, gewaarmerkt en in de handel gebracht, denkt te verwijderen, en welke stappen zij heeft genomen om een eind te maken aan de schendingen van artikel 28 van het EG-Verdrag op dit gebied.
In de eerste plaats zij erop gewezen dat de Commissie in het verleden een harmonisatie van de wetgeving op dit gebied heeft voorgesteld, maar dat deze nooit tot stand is gekomen. In afwachting van een harmonisatie van de regels betreffende waarmerking, moeten belemmeringen van het vrije verkeer van goudsmeedproducten in de Unie worden getoetst aan de artikelen 28 tot en met 30 van het EG-Verdrag.
Begin jaren negentig zijn naar aanleiding van belemmeringen van de handel in edelmetalen tegen verscheidene lidstaten, waaronder Frankrijk, Ierland en het Verenigd Koninkrijk, inbreukprocedures ingesteld. Gezien het arrest van het Europese Hof van Justitie van 15 september 1994 in de zaak Houtwipper (Zaak C-293/93) werden de betrokken zaken echter gesloten. Het Hof verwierp in deze zaak immers uitdrukkelijk het argument van de Duitse regering dat:
|
|
een lidstaat de verhandeling op zijn grondgebied van edelmetalen werken die in de lidstaat van uitvoer door de producent zelf zijn gewaarmerkt, niet mag verbieden wanneer de inachtneming van de wettelijke voorschriften en derhalve de bescherming van de consument en de eerlijkheid van de handelstransacties worden verzekerd door een geheel van maatregelen die eenzelfde waarborgfunctie hebben als het stempelmerk. |
Het Hof stelde daarentegen dat, bij gebrek aan een Gemeenschapsregeling, de keuze van passende maatregelen ter voorkoming van fraude bij de lidstaten ligt, die daartoe over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken. De keuze tussen controle vooraf door een onafhankelijke instantie en een stelsel waarbij de producenten zelf het stempelmerk aanbrengen en dat opleiding, kwaliteitsnormen en sancties omvat, behoort tot het wetgevingsbeleid van de lidstaten; het Hof oefent slechts toezicht uit op deze keuze in geval van een „kennelijke beoordelingsfout”.
In zijn arrest Commissie tegen Ierland (Zaak C-30/99) van 21 juni 2001 is het Hof niet teruggekomen op „de vraag of een door een fabrikant of zijn atelier aangebracht stempelmerk voldoende garanties voor onafhankelijkheid biedt om als gelijkwaardig aan een door een onafhankelijke instantie aangebracht stempelmerk te worden beschouwd”.
De Commissie heeft recentelijk nieuwe klachten tegen de drie bovengenoemde lidstaten ontvangen omdat de niet-erkenning van stempelmerken die door de fabrikant in het kader van een stelsel voor erkenning, toezicht en bewaking zijn aangebracht, in strijd zou zijn met artikel 28 van het EG-Verdrag. De Commissie gaat momenteel na of de weigering om dergelijke merken te erkennen een „kennelijke beoordelingsfout” door de autoriteiten van de desbetreffende lidstaten inhoudt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/320 |
(2004/C 88 E/0325)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0230/03
van Helle Thorning-Schmidt (PSE) aan de Commissie
(4 februari 2003)
Betreft: Gevolgen van de uitbreiding voor de werkgelegenheid van douaneagenten
Uit onderzoek blijkt dat als gevolg van de uitbreiding ongeveer 22 000 douaneagenten, waarvan 20 000 in de landen van Midden- en Oost-Europa, in 2004 hun baan zullen verliezen. Dat betekent dat een deel van de douaneagenten nu al bezig is met het zoeken naar andere werkgelegenheid omdat bekend is dat het merendeel van hen vanaf mei 2004 zijn baan kwijtraakt. Dit kan tot een reeks praktische problemen leiden, omdat de douaneagenten als taak hebben eraan mee te werken en te waarborgen dat de douaneregels van zowel de EU als van de kandidaat-landen in acht worden genomen, hetgeen er een voorwaarde voor is dat goederen de buitengrenzen van de EU kunnen passeren.
Welke stappen overweegt de Commissie om ervoor te zorgen dat het grensoverschrijdende handelsverkeer met de kandidaat-landen tot 1 mei 2004 goed verloopt? Zal de Commissie maatregelen nemen om te garanderen dat douaneagenten worden gestimuleerd hun werk te blijven doen totdat de uitbreiding een feit is geworden? Is het denkbaar dat de Commissie een regeling invoert die vergelijkbaar is met die uit 1992 bij de overgang naar de interne markt? Zo neen, hoe denkt de Commissie dan het probleem op te lossen dat thans aan het ontstaan is?
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(14 maart 2003)
Zoals de Commissie reeds heeft aangegeven in haar antwoord op schriftelijke vraag E-2488/02 van de heer Lisi (1), ligt het niet in haar bedoeling om soortgelijke regelgeving goed te keuren, als die welke is ingevoerd bij de inwerkingtreding van de interne markt in 1992. In haar antwoord op bovengenoemde vraag heeft zij verwezen naar de in het kader van de Structuurfondsen aan de lidstaten geboden mogelijkheden en de voor de staatsteun goedgekeurde richtsnoeren.
(1) PB C 52 E van 6.3.2003, blz. 179.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/321 |
(2004/C 88 E/0326)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0267/03
van Laura Gonzalez Alvarez (GUE/NGL) aan de Commissie
(6 februari 2003)
Betreft: Misleidende reclame en misbruik van machtspositie door de luchtvaartmaatschappijen Spanair en Iberia (Spanje)
De Spaanse verbruikersunie protesteert tegen de jongste reclamecampagne van de luchtvaartmaatschappijen Iberia en Spanair; ze is namelijk van mening dat het verzwijgen van gegevens in de reclame die voor de verbruiker van belang zijn (zoals overnachting van zaterdag op zondag op de plaats van aankomst, maximum verblijfsduur van 10 dagen, verplichte intekening vier dagen voor het vertrek, enz.) een overtreding van richtlijn 97/55/EEG op misleidende reclame (1) kan betekenen.
Verder beschuldigt de verbruikersunie de twee luchtvaartmaatschappijen van Air Nostrum van afspraken over de prijs van de biljetten, hetgeen een misbruik van machtspositie zou vertegenwoordigen, en daarmee een overtreding van artikel 82 van het EG-Verdrag, dat dergelijke misbruiken beteugelt.
Is de Europese Commissie op de hoogte van de feiten?
Welke maatregelen denkt ze te treffen, in haar hoedanigheid van toezichthouder op de verdragen, om te zorgen dat het Europees recht geëerbiedigd wordt?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(14 maart 2003)
De Commissie is in kennis gesteld van een aantal klachten van consumentenorganisaties over bepaalde misleidende reclamepraktijken in de luchtvervoersector. Een sleutelaspect van het communautaire consumenten- en vervoerbeleid is immers dat de passagiers omvattende en duidelijke informatie moeten krijgen. Het verzwijgen van essentiële informatie in reclame voor luchtvervoerdiensten kan een inbreuk op de communautaire wetgeving vormen. Richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 (2), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/55/EG van het Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 inzake misleidende reclame teneinde ook vergelijkende reclame te regelen, biedt een effectief instrument om actie te ondernemen tegen misleidende praktijken. De praktische dagelijkse handhaving van deze richtlijn is echter een zaak van de lidstaten die het best geplaatst zijn om te bepalen hoe dit in hun land plaats moet vinden. Jammer genoeg is de Commissie niet in staat om rechtstreeks op te treden bij individuele klachten die door burgers bij de lidstaten worden ingediend. Het onderzoek van de door de Spaanse regering meegedeelde maatregelen in verband met misleidende en vergelijkende reclame stelt de Commissie niet in staat te concluderen dat de communautaire wetgeving is overtreden.
Om de klachten van passagiers van luchtvaartmaatschappijen op te vangen heeft de Commissie op 7 juni 2002 een raadplegingsdocument over de contracten van luchtvaartmaatschappijen met passagiers gepubliceerd. Dit had onder meer betrekking op de informatie die de passagier moet ontvangen voordat hij een ticket van een luchtvaartmaatschappij koopt. Naar aanleiding van de raadpleging zijn talrijke bijdragen van belanghebbenden ontvangen en de Commissie gaat momenteel na of en welke actie moet worden ondernomen om de zaken aan te pakken die door de passagiers als ontoereikend zijn aangemerkt.
In verband met de bewering van anti-concurrentiepraktijken is het juist dat bedrijven met een dominante positie op de relevante markt onder bepaalde omstandigheden misbruik maken van die machtspositie in de zin van artikel 82 van het EG-Verdrag. Bij ontstentenis van verdere details over het beweerde misbruik door Spaanse luchtvaartmaatschappijen is het niet mogelijk vast te stellen of het EG-Verdrag is geschonden.
(1) PB L 290 van 23.10.1997, blz. 18.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/322 |
(2004/C 88 E/0327)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0303/03
van Roger Helmer (PPE-DE) aan de Commissie
(10 februari 2003)
Betreft: De toetreding van Malta tot de Europese Unie
Is de Commissie bereid in te gaan op verslagen waarin wordt vermeld dat 900 geestelijk gezonde bejaarden uit het kiesregister van Malta zijn verwijderd en niet kunnen deelnemen aan het komende referendum over de toetreding van Malta tot de EU?
Kan de Commissie voorts commentaar leveren op verslagen waaruit blijkt dat de Nationale partij die voor toetreding is, probeert via onbehoorlijke en ondemocratische praktijken haar campagne te stimuleren en de campagne van de tegenstanders probeert te belemmeren — zoals het op oneigenlijke manier gebruik maken van ambtenaren, het beperken van het aantal massabijeenkomsten van de Labour party die tegen toetreding is, en het vergelijken van tegenstanders met nazi's?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(13 maart 2003)
Het geachte parlementslid werpt vragen op over belangrijke democratische rechten. Artikel 6, lid 1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bepaalt dat de Unie is gegrondvest op de beginselen van democratie en eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De Unie heeft echter geen algemene bevoegdheid betreffende de fundamentele rechten, maar kan slechts tussenkomen in geval van schending van de fundamentele rechten op het gebied van de toepassing van de EU-wetgeving.
Kieskwesties, inclusief criteria voor stemrecht in nationale referenda, behoren tot de bevoegdheden van de lidstaten. Er bestaat geen EU-wetgeving over dit onderwerp. In 1993 bereikten de lidstaten een akkoord over de zogenaamde criteria van Kopenhagen voor toetreding. Volgens deze criteria vereist lidmaatschap dat de kandidaat-lidstaat onder andere „stabiele instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen” tot stand heeft gebracht. De vragen van het geachte parlementslid betreffende Malta kunnen vanuit dit standpunt worden beschouwd.
De algemene kieswet van Malta bepaalt dat besluiten om kiezers op een andere kieslijst in te schrijven, hun inschrijving te corrigeren of te schrappen slechts kunnen worden genomen door een kiescommissie, waarin benoemde personen van beide politieke partijen zitting hebben. De kiescommissie mag bovendien, in geval van betwisting van het stemrecht van een burger op grond van zijn geestelijke gezondheidstoestand, slechts besluiten een inschrijving te schrappen indien de benoemde medische raad voordien eenstemmig heeft beslist dat de kiezer ontoerekeningsvatbaar is. Deze medische raad is samengesteld uit een tot voorzitter benoemde arts en twee artsen, van wie beide politieke partijen er één benoemen. Deze wettelijke procedure waarborgt dat burgers niet abusievelijk van een kiezersregister worden geschrapt.
Beide partijen hebben het stemrecht van bepaalde burgers betwist, op grond van hun geestelijke gezondheidstoestand, maar een inschrijving kan slechts worden geschrapt via wettelijk bepaalde procedures. De Commissie is zich er niet van bewust dat een en ander heeft geresulteerd in het schrappen van honderden inschrijvingen van burgers. De Commissie vestigt er ook de aandacht op dat de Nationalistische Partij het stemrecht van sommige burgers, op grond van hun geestelijke gezondheidstoestand, niet langer betwist, en haar excuses heeft aangeboden aan degenen van wie het stemrecht onterecht was aangevochten.
De Commissie is van mening dat de politieke campagne voor het toetredingsreferendum in Malta tot nu toe heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de fundamentele democratische regels. Er was bij haar weten geen sprake van beperking van de rechten van de Arbeidspartij en het „Nee-kamp” om meetings te houden. De Commissie is zich niet bewust van enige poging „het overheidsapparaat te beïnvloeden”.
De Commissie wenst echter te benadrukken dat de kwestie van toetreding tot de Unie een zaak is van historisch belang voor Malta die veel passie opwekt in een land dat het lidmaatschap reeds heeft aangevraagd in 1990.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/323 |
(2004/C 88 E/0328)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0370/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(6 februari 2003)
Betreft: Sluiting van de Clark-fabriek in Portugal. Communautaire subsidies. Bedrijfsverplaatsing
De afgelopen tijd is er in de Portugese pers veel aandacht besteed aan de onlangs aangekondigde sluiting van een schoenfabriek van de Engelse multinational CJ& Clark, in Castelo de Paiva in het noorden van Portugal. Door deze sluiting, die niemand heeft zien aankomen, zullen ongeveer 600 werknemers op straat komen te staan. Voor de gezinnen die wonen en werken in dit gebied — dat in het kader van de structuurfonds overigens onder een regio van „doelstelling 1” valt — zal deze slag heel hard aankomen.
Het Engelse concern heeft ter ondersteuning van de vestiging en in bedrijfsname van de fabriek (1988) in Castelo de Paiva omvangrijke nationale en communautaire subsidies ontvangen, waarbij was afgesproken dat de fabriek tot minstens 2007 operationeel zou blijven.
De geruchten dat CJ&Clark plannen heeft om de fabriek van Portugal naar Roemenië over te hevelen worden echter steeds sterker. In ruil voor de vestiging van deze nieuwe fabriek in Roemenië wil CJ & Clark nu nieuwe communautaire subsidies opstrijken in het kader van de ρ re-toetreding s steun of de andere subsidiemogelijkheden in het kader van de toekomstige integratie van dit Oost-Europese land in de Europese Unie.
Kan de Commissie in het licht van het voorafgaande mededelen of zij over gedegen informatie beschikt over de plannen van het concern CJ& Clark om genoemde fabriek van Portugal naar Roemenië te verplaatsen? Kan zij ervoor zorgen dat het Clarkconcern, nu het reeds voor de Portugese fabriek direct of indirect financiële steun van de Gemeenschap heeft ontvangen, niet wederom directe of indirecte communautaire steun zal ontvangen voor de vestiging van een nieuwe fabriek in Roemenië (die indirect nog eens een „premie” is voor de sluiting van de reeds in Portugal gevestigde fabriek)?
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(24 april 2003)
De Commissie beschikt niet over specifieke informatie betreffende het plan tot verplaatsing van het betreffende bedrijf van Portugal naar Roemenië. Bovendien wil de Commissie het geachte parlementslid meedelen dat dit bedrijf geen pre-toetredingssteun heeft ontvangen voor een verplaatsing naar Roemenië van een van zijn oorspronkelijk in Portugal geïnstalleerde vestigingen. Er zij op gewezen dat het bij de directe steun aan bedrijven in het kader van het Phare-programma in hoofdzaak gaat om steun aan kleine en middelgrote bedrijven en in dit kader kan geen steun voor de „verplaatsing” van bedrijven worden verleend. Over het algemeen wordt de pre-toetredingssteun door de kandidaat-lidstaten beheerd in het kader van met de Commissie overeengekomen programma's, wat betekent dat geen directe steunverlening door de Commissie plaatsvindt en dat de programmering van de steun geschiedt op grond van de erkende ontwikkelingsbehoeften en/of de behoeften in verband met de voorbereiding van de toetreding van een regio of een land. De keuze van de lokalisatie van de bedrijven beantwoordt aan een marktlogica, gebaseerd op een analyse van de vergelijkende voordelen van de regio's en de landen. De beschikbare directe steun speelt slechts een zeer ondergeschikte rol in deze keuze, daar deze wordt bepaald op grond van de algemene ontwikkelingsbehoeften en niet de behoeften van een of ander bedrijf.
De Commissie wil de aandacht van het geachte parlementslid ook vestigen op haar antwoord op schriftelijke vraag P-89/03 van mevrouw 635105 (1), met name wat betreft de aspecten in verband met de terzake geldende communautaire bepalingen.
(1) PB C 11 E van 15.1.2004, blz. 67.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/324 |
(2004/C 88 E/0329)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0430/03
van Rosa Miguélez Ramos (PSE) aan de Commissie
(18 februari 2003)
Betreft: Overheidssteun en de ramp met de „Prestige”
De ramp ten gevolge van het zinken van de olietanker „Prestige” voor de kust van Galicië heeft tot grote verliezen geleid voor talrijke visserij- en zeevaartondernemingen. Bovendien zijn de getroffen gebieden hierdoor in sociaal-economisch opzicht sterk verzwakt.
Om deze verliezen te compenseren, bestaan er diverse uitzonderingen op de regel van artikel 8 7, lid 1 van het Verdrag inzake de onverenigbaarheid van overheidssteun voor bepaalde ondernemingen of producties met de gemeenschappelijke markt. In lid 2, letter b), worden verenigbaar genoemd: „steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen”.
Bovendien bepaalt lid 3, letter e) van hetzelfde artikel het volgende: „als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd: andere soorten van steunmaatregelen aangewezen bij besluit van de Raad, genomen met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie”.
Verder wordt in artikel 88 het volgende bepaald: „Op verzoek van een lidstaat kan de Raad (…) beslissen dat een door die staat genomen of te nemen steunmaatregel (…) als verenigbaar moet worden beschouwd met de gemeenschappelijke markt, indien buitengewone omstandigheden een dergelijke beslissing rechtvaardigen …”.
Welke initiatieven heeft de Commissie genomen om, overeenkomstig artikel 87 van het Verdrag, overheidssteun mogelijk te maken voor de getroffen ondernemingen om de verliezen ten gevolge van de ramp te compenseren zonder dat deze steun onverenigbaar is met de gemeenschappelijke markt?
Zijn er lidstaten die een verzoek hebben ingediend om overheidssteun te mogen verlenen aan ondernemingen of producties die door deze ramp getroffen zijn?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(1 april 2003)
Krachtens artikel 8 7 en volgende van het EG-Verdrag, die door het geachte parlementslid worden geciteerd, heeft de Commissie de specifieke bevoegdheid om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van overheidssteun met de gemeenschappelijke markt. Het initiatief om steunmaatregelen te treffen die kunnen worden beschouwd als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt berust echter niet bij de Commissie, maar bij de lidstaten. Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt heeft geen enkele lidstaat tot op heden steunmaatregelen aangemeld voor de visserijsector en aquacultuursector in verband met de ramp met de Prestige. Toch dient erop te worden gewezen dat op basis van artikel 19, lid 2 van Verordening (EG) nr. 2792/1999 (1), als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2369/2002 (2), de verplichte financiële bijdragen van de lidstaten aan de door de Gemeenschap gecofinancierde maatregelen in het kader van ontwikkelingsplannen niet langer vooraf hoeven te worden aangemeld bij de Commissie.
Binnen deze context van de structuurfondsen heeft de Commissie, gebruik makende van het initiatiefrecht dat haar is verleend krachtens het EG-Verdrag, bij de Raad een voorstel voor een verordening (3) ingediend. Dit resulteerde in de goedkeuring door de Raad van Verordening (EG) nr. 2372/2002 van de Raad van 20 december 2002 tot instelling van specifieke maatregelen om de schade veroorzaakt door olie uit de Prestige te vergoeden voor de visserijsector, de schelpdierensector en de aquacultuursector in Spanje (4). Deze verordening omvat uitzonderlijke steunmaatregelen voor de personen en ondernemingen die actief zijn in de visserijsector, de schelpdierensector en de aquacultuursector in de kustgebieden van Spanje die zijn getroffen door de ramp met de Prestige, alsmede afwijkingen op sommige bepalingen van Verordening (EG) nr. 2792/1999, en een aanvullende bijdrage van de Gemeenschap voor de uitvoering van de genoemde maatregelen. Op basis van de bestaande bepalingen betreffende het Financieringsinstrument voor de oriëntatie van de visserij (FIOV) kan bovendien een schadevergoeding voor de tijdelijke onderbreking van de activiteiten worden toegewezen aan vissers van andere lidstaten die hun activiteiten hebben moeten onderbreken ten gevolge van de ramp met de Prestige. Tot op heden is geen enkel verzoek in deze zin bij de Commissie ingediend.
(2) Verordening (EG) nr. 2369/2002 van de Raad van 20 december 2002 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2792/1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector, PB L 358 van 31.12.2002.
(3) COM(2002) 766 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/325 |
(2004/C 88 E/0330)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0432/03
van Dorette Corbey (PSE) aan de Commissie
(18 februari 2003)
Betreft: Luchtverontreiniging: overschrijding van drempelwaarden voor zwevende deeltjes
Volgens richtlijn 1999/30/EG (1) van de Raad zal er dit jaar een evaluatie plaatsvinden van de ervaringen met deze richtlijn. Uit een eerste voorlopige rapportage van de Commissie (23 mei 2002: Overview of Methods and Results of the Preliminary Assessment of Airquality in Europe under Directives 96/62/EC and 1999/30/EC) blijkt dat er veelvuldig overschrijdingen plaatsvinden van de drempelwaarden voor zwevende deeltjes (PM10).
Kan de Commissie aangeven in hoeverre dit verontrustende beeld door meer recente gegevens wordt bevestigd?
Kan de Commissie aangeven hoeveel vroegtijdige sterfgevallen in de Europese Unie toe te schrijven zijn aan luchtverontreiniging door zwevende deeltjes?
Is de Commissie van mening dat de lidstaten waar deze overschrijdingen plaats vinden onvoldoende maatregelen hebben genomen om onder de drempelwaarden voor de uitstoot van zwevende deeltjes te blijven?
Kan de Commissie aangeven welke maatregelen zij denkt te nemen?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(1 april 2003)
Overeenkomstig Richtlijn 1999/30/EG van de Raad van 22 april 1999 betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht, waren de lidstaten verplicht om gegevens voor het jaar 2001 uiterlijk 30 september 2002 aan de Commissie te doen toekomen. De Commissie zal op basis van deze gegevens een rapport opstellen, waaruit ook zal blijken in welke mate de grenswaarden zijn overschreden. Recente gegevens wijzen erop dat, vergeleken met de grenswaarden, de PM10-niveaus (2) voor een deel van Europa inderdaad vrij hoog zijn. De problemen hebben meer te maken met overschrijdingen van de grenswaarde op korte termijn (niet meer dan 35 overschrijdingen van de dagelijkse gemiddelde grenswaarde van 50 microgram per kubieke meter (μg/m3)), vooral op gevoelige plaatsen zoals verkeerszones of industrieterreinen, dan met overschrijdingen van de grenswaarde op lange termijn van 40μg/m3 (jaarlijks gemiddelde). In meetposten in de buurt van steden worden overschrijdingen vaker in zuidelijk Europa gemeld dan in noordelijke en westelijke gebieden. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat deze grenswaarden slechts in 2005 juridisch bindend zullen worden.
Om de effecten van luchtverontreiniging, ondermeer van zwevende deeltjes, op de gezondheid te beoordelen, geeft de Commissie financiële steun aan een systematisch onderzoek naar de gezondheidsaspecten van de luchtkwaliteit in Europa, dat door de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) wordt uitgevoerd. Volgens een definitief ontwerp-verslag, dat onlangs is vrijgegeven, kan de blootstelling op lange termijn aan de huidige concentraties szwevende deeltjes leiden tot een duidelijke vermindering van de gemiddelde levensverwachting van mogelijk één tot twee jaar. Voorts wordt in een recente onafhankelijke studie van de gecombineerde bevolking van Frankrijk, Oostenrijk en Zwitserland (rond 75 miljoen mensen) geraamd dat ongeveer 40 000 sterfgevallen per jaar aan zwevende deeltjes kunnen worden toegeschreven (Kunzli et al. 2000 (3)).
In dit stadium is het nog te vroeg om duidelijke conclusies te trekken in verband met de vraag of de lidstaten adequate maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de grenswaarden tegen 2005 zullen worden nageleefd, zoals is voorgeschreven bij Richtlijn 1999/30/EG. Volgens de twee richtlijnen (96/62/EG (4) en 1999/30/EG) dienen de lidstaten jaarlijks een verslag in te dienen over hun plannen en programma's waaruit moet blijken hoe zij voor de naleving daarvan zullen zorgen; het eerste verslag moet in december 2003 worden ingediend. Op dat ogenblik zal de Commissie in staat zijn om de vooruitzichten inzake de naleving van de grenswaarden te beoordelen.
Gelet op de dringende behoefte om de niveaus van zwevende deeltjes te verminderen, heeft de Commissie echter nu reeds zwevende deeltjes aangemerkt als een van de belangrijkste verontreinigende stoffen die moeten worden aangepakt in het kader van het programma Schone Lucht voor Europa (CAFE), dat in mei 2001 van start is gegaan (5). Het doel van CAFE is de ontwikkeling voor te bereiden van een thematische strategie tegen luchtverontreiniging zoals bedoeld in het zesde milieuactieprogramma, die tegen 2005 moet zijn uitgestippeld. In deze strategie zullen beleidsopties worden opgenomen met betrekking tot de wijze waarop de gezondheid risico's van zwevende deeltjes verder kunnen worden verminderd. De Commissie wordt in deze taak bijgestaan door verscheidene werkgroepen van deskundigen uit lidstaten, kandidaat-landen voor toetreding, het bedrijfsleven en niet-gouvernementele milieuorganisaties.
(1) PB L 163 van 29.6.1999, blz. 41.
(2) Zwevende deeltjes met een diameter van minder dan 10 micrometer (μm).
(3) Kunzli, N. et al. Public-health impact of outdoor and traffic-related air pollution: a European assessment. Lancet 356: 795-801 (2000).
(4) Richtlijn 96/62/EG van de Raad van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit, PB L 296 van 21.11.1996.
(5) COM(2001)245 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/326 |
(2004/C 88 E/0331)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0547/03
van Struan Stevenson (PPE-DE) aan de Commissie
(19 februari 2003)
Betreft: Uitvoer van rundvlees en levend vee naar Libanon en Egypte
Kan de Commissie meedelen welke hoeveelheden (uitgedrukt in slachtgewichtequivalent) 1) levend vee en 2) rundvlees de Gemeenschap in de drie meest recente kalenderjaren waarvoor gegevens beschikbaar zijn, heeft uitgevoerd naar a) Libanon en b) Egypte?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(7 maart 2003)
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de uitvoer uit de Gemeenschap van levende runderen en rundvlees naar Libanon en Egypte in de kalenderjaren 1999, 2000 en 2001.
Voor het kalenderjaar 2002 zijn nog niet alle statistische gegevens beschikbaar.
EU 15 uitvoer in ton slachtgewichtequivalent
|
|
naar Libanon: |
naar Egypte: |
||||
|
1999 |
2000 |
2001 |
1999 |
2000 |
2001 |
|
|
Levende runderen |
53 705 |
49 402 |
40 923 |
8 493 |
14 067 |
277 |
|
Rundvlees |
8 506 |
8 022 |
2 339 |
192 271 |
171 107 |
5 436 |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/327 |
(2004/C 88 E/0332)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0570/03
van Freddy Blak (GUE/NGL) aan de Commissie
(28 februari 2003)
Betreft: Strafheffing op ingevoerde auto's
Bij de invoer van gebruikte motorvoertuigen hanteert de Deense staat heffingen op grond van verschillende tarieven die afhankelijk zijn van het bouwjaar van de auto.
Uit de bekendmaking van wet nr. 977 van 2 december 2002, „Bekendmaking van de wet inzake de registratiekosten van motorvoertuigen e.d.”, paragraaf 4, lid 6, punten 1) en 2) blijkt dat hoe ouder de auto is, hoe eerder men kans loopt het hoge heffingstarief (180 % tegenover 105 96) over de waarde van de auto te moeten betalen.
Dit betekent in de praktijk dat het systeem voor de invoer van gebruikte motorvoertuigen in Denemarken er in veel gevallen toe leidt dat het duurder is een buitenlands motorvoertuig te importeren en te registreren dan een dienovereenkomstig voertuig dat in Denemarken wordt gekocht.
Dit komt neer op een technische handelsbelemmering ten nadele van ingevoerde goederen.
Kan de Commissie mededelen of dit systeem in overeenstemming is met de bepalingen inzake een vrij en niet discriminerend verkeer van goederen over de grenzen in de EU?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(8 april 2003)
Wat de belasting van personenauto's betreft, passen de lidstaten momenteel weinig communautaire wetgeving toe en is er weinig harmonisatie van nationale belanstingvoorschriften. Bovendien is de Gemeenschapswetgeving op het gebied van voertuigbelasting uiterst gecompliceerd en beantwoordt die niet aan de behoeften van een interne markt. Eventuele veranderingen in die wetgeving kunnen alleen met unanieme instemming van de lidstaten aangebracht worden en in de praktijk is er maar weinig dat de Commissie kan doen om de situatie op korte termijn te verbeteren.
Wanneer motorvoertuigen voor de eerste keer in het vrije verkeer worden gebracht op het grondgebied van de lidstaten dan zijn deze in principe vrij de desbetreffende nationale belastingen daarop toe te passen, en in feite doen de meeste lidstaten dat ook. De rechten van de lidstaten zijn op dit gebied echter in hoge mate beperkt, zowel door de bepalingen van het EG-Verdrag als van het afgeleide Gemeenschapsrecht.
In de eerste plaats mogen de lidstaten, op grond van artikel 90 van het EG-Verdrag, geen hogere belastingen heffen op ingevoerde producten dan die welke op gelijksoortige nationale producten worden geheven. Rekening houdend met dit feit hanteren enkele lidstaten bij de invoer van gebruikte motorvoertuigen heffingen waarbij willekeurige taxatiecriteria worden toegepast.
Een dergelijk taxatiesysteem vormde de inhoud van de zaak C-393/98 (Gomes Valente) die aan het Hof was voorgelegd, en onlangs werd bevestigd door zaak C-101/00 (Antti Siilin). Het Hof heeft het volgende verklaard:
|
|
Artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag (thans artikel 90) staat een lidstaat slechts toe om op gebruikte voertuigen die uit andere lidstaten zijn ingevoerd, een stelsel van belastingheffing toe te passen waaronder de vermindering van de werkelijke waarde van de voertuigen algemeen en abstract wordt berekend op basis van in een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling vastgestelde forfaitaire criteria of tabellen, indien door deze criteria of tabellen wordt gewaarborgd dat de belasting die verschuldigd is, het bedrag van de belasting die nog rust op de waarde van vergelijkbare voertuigen die reeds op het nationale grondgebied zijn geregistreerd, niet, zelfs niet in een klein aantal gevallen, overschrijdt. |
Met andere woorden, ongeacht het beoordelingssysteem dat wordt gebruikt, wanneer de belasting wordt toegepast op ingevoerde gebruikte auto's, mogen de waarde op grond waarvan de belasting wordt geheven plus de heffing zelf nooit de prijs van een vergelijkbaar gebruikt voertuig overschrijden, waarvoor de belasting al is betaald en dat zich al in de lidstaat bevindt. Denemarken moet zijn eigen wetgeving nog in overeenstemming brengen met de jurisprudentie. Op dit moment wordt de desbetreffende rechtspositie onderzocht.
Behalve door de bepalingen van het EG-Verdrag wordt het recht van de lidstaten om verbruiksbelastingen toe te passen op motorrijtuigen die door burgers voor persoonlijk gebruik uit andere lidstaten worden geïmporteerd door twee richtlijnen van de Raad strict beperkt.
De eerste is de Richtlijn van de Raad 83/182/EEG van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap (1). De tweede is Richtlijn 83/183/EEG van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een lidstaat van persoonlijke goederen door particulieren (1).
De Commissie heeft in dit verband al maatregelen tegen Denemarken genomen in verband met de toepassing van artikel 1 van de hiervoor genoemde richtlijn. In het bijzonder is hierover onlangs een met redenen omkleed advies aan Denemarken toegezonden en wanneer de Commissie binnen twee maanden geen bevredigend antwoord krijgt, zou de zaak aan het Hof van Justitie voorgelegd kunnen worden. Wat dit betreft zij verwezen naar de persmededeling die op 23 januari 2003 werd gepubliceerd.
De Commissie heeft onlangs een mededeling gepubliceerd over de belasting van personenauto's in de Europese Unie (2), teneinde beraadslagingen op gang te brengen met de lidstaten, met andere de communautaire instellingen en relevante belanghebbenden over toekomstige mogelijkheden voor maatregelen op communautair en nationaal niveau. Deze beraadslagingen zijn nu aan de gang. Op basis van de belangrijkste beginselen van deze mededeling en in het licht van de resultaten van de beraadslagingen zou de Commissie in 2004 voorstellen kunnen voorleggen voor een gemeenschapswetgeving die onder meer betrekking heeft op de methode van berekening van registratiebelasting op gebruikte auto's die van een lidstaat naar een andere lidstaat worden overgebracht.
(2) COM(2002)431 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/328 |
(2004/C 88 E/0333)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0610/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(3 maart 2003)
Betreft: EU-São Tomé en Príncipe 1999-2003: ontwikkelingssamenwerking, mensenrechten, bijstand e.a.
Kan de Commissie met betrekking tot São Tomé en Príncipe en voor de jaren 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 mededelen: Welke programma's de Europese Unie in dit land ten uitvoer heeft gelegd of nog uitvoert? Hoeveel kredieten hiervoor zijn uitgetrokken? Hoe lang elk van deze programma's duurt? Welke resultaten met deze programma's zijn geboekt en welke evaluatie van het al dan niet slagen ervan is gemaakt? Welke feiten zijn voor ieder programma vermeldenswaardig?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/329 |
(2004/C 88 E/0334)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0611/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(3 maart 2003)
Betreft: EU-Guinee-Bissau 1999-2003: ontwikkelingssamenwerking, mensenrechten, bijstand e.a.
Kan de Commissie met betrekking tot Guinee-Bissau en voor de jaren 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 mededelen: Welke programma's de Europese Unie in dit land ten uitvoer heeft gelegd of nog uitvoert? Hoeveel kredieten hiervoor zijn uitgetrokken? Hoe lang elk van deze programma's duurt? Welke resultaten met deze programma's zijn geboekt en welke evaluatie van het al dan niet slagen ervan is gemaakt? Welke feiten zijn voor ieder programma vermeldenswaardig?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/329 |
(2004/C 88 E/0335)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0612/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(3 maart 2003)
Betreft: EU-Kaapverdische Eilanden 1999-2003: ontwikkelingssamenwerking, mensenrechten, bijstand e.a.
Kan de Commissie met betrekking tot de Kaapverdische Eilanden en voor de jaren 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 mededelen: Welke programma's de Europese Unie in dit land ten uitvoer heeft gelegd of nog uitvoert? Hoeveel kredieten hiervoor zijn uitgetrokken? Hoe lang elk van deze programma's duurt? Welke resultaten met deze programma's zijn geboekt en welke evaluatie van het al dan niet slagen ervan is gemaakt? Welke feiten zijn voor ieder programma vermeldenswaardig?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/329 |
(2004/C 88 E/0336)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0613/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(3 maart 2003)
Betreft: EU-Mozambique 1999-2003: ontwikkelingssamenwerking, mensenrechten, bijstand e.a.
Kan de Commissie met betrekking tot Mozambique en voor de jaren 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 mededelen: Welke programma's de Europese Unie in dit land ten uitvoer heeft gelegd of nog uitvoert? Hoeveel kredieten hiervoor zijn uitgetrokken? Hoe lang elk van deze programma's duurt? Welke resultaten met deze programma's zijn geboekt en welke evaluatie van het al dan niet slagen ervan is gemaakt? Welke feiten zijn voor ieder programma vermeldenswaardig?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/329 |
(2004/C 88 E/0337)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0614/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(3 maart 2003)
Betreft: EU-Angola 1999-2003: ontwikkelingssamenwerking, mensenrechten, bijstand e.a.
Kan de Commissie met betrekking tot Angola en voor de jaren 1999, 2000, 2001, 2002 en 2003 mededelen: Welke programma's de Europese Unie in dit land ten uitvoer heeft gelegd of nog uitvoert? Hoeveel kredieten hiervoor zijn uitgetrokken? Hoe lang elk van deze programma's duurt? Welke resultaten met deze programma's zijn geboekt en welke evaluatie van het al dan niet slagen ervan is gemaakt? Welke feiten zijn voor ieder programma vermeldenswaardig?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Nielson namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-0610/03, E-0611/03,
E-0612/03, E-0613/03 en E-0614/03
(21 mei 2003) De vragen van het geachte parlementslid bestrijken een breed terrein en zijn gedetailleerd.
Europees Ontwikkelingsfonds (EOF)
De voornaamste bron van financiële samenwerking met deze landen is het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF). Deze middelen zijn verstrekt in het kader van de Overeenkomsten van Lomé, en sinds 1 april 2003 de Overeenkomst van Cotonou. In bijgevoegde tabel, die rechtstreeks aan het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement wordt toegezonden, wordt een overzicht gegeven van de vastleggingen en betalingen per land in de periode 1999-2002, teneinde de schaal en de ontwikkeling van elk programma in de periode aan te geven.
Het hoofd van de delegatie rapporteert over de uitvoering van in het kader van het EOF gefinancierde programma's in het land in kwestie.
De rapporten omvatten onder meer:
|
a) |
het bedrag van het indicatief programma, vastleggingen, betalingen, en het tijdschema voor de uitvoering van het indicatief programma en de regionale programma's; |
|
b) |
een voortgangsverslag over projecten en programma's; |
|
c) |
een evaluatie van de maatregelen van het Fonds in het betrokken land in Afrika, het Caribisch gebied of de Stille Oceaan (ACS-land) en van de regionale programma's. |
De rapporten over de situatie tot eind 2002 worden momenteel afgewerkt en zullen zodra zij beschikbaar zijn, worden toegezonden aan het geachte parlementslid.
Andere middelen
Er kunnen aan deze landen ook middelen uit de algemene begroting van de Gemeenschappen worden verstrekt. Informatie over projecten ter ondersteuning van de democratie en de mensenrechten wordt rechtstreeks toegezonden aan het Parlement en het secretariaat van het Parlement. Informatie over andere, met deze begrotingsmiddelen gefinancierde projecten zal zo snel mogelijk worden toegezonden.
Efficiëntie
De Commissie hecht het grootste belang aan een zo groot mogelijke efficiëntie van de gefinancierde maatregelen. Na zorgvuldig overleg met de regering, andere donors en maatschappelijke organisaties wordt besloten tot de strategie voor de in elk land te nemen maatregelen. Een overzicht van de vijf strategieën wordt toegezonden aan het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement. De volledige tekst van elke strategie is beschikbaar op de website van directoraat-generaal Ontwikkeling: http://europa.eu.int/ comm/development/body/csprsp/cspen.cfm.
Er zijn verschillende evaluaties verricht met betrekking tot de vijf landen; een overzicht van de sinds 1999 afgeronde evaluaties wordt toegezonden aan het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement. De volledige tekst van elk rapport is beschikbaar op de website van EuropeAid: http://europa.eu.int/comm/europeaid/evaluation/program/acprep.htm.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/331 |
(2004/C 88 E/0338)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0697/03
van Brice Hortefeux (PPE-DE) aan de Commissie
(10 maart 2003)
Betreft: Harmonisatie van maataanduiding en
In januari jl. bestond de interne markt tien jaar. De veranderingen in deze afgelopen tien jaar hebben Europa en het leven van de burgers ingrijpend veranderd. Hindernissen zijn weggenomen en deuren zijn opengegaan. Het staat buiten kijf dat de consumenten over een veel grotere keuze van hoogwaardige producten beschikken en dankzij de euro de prijzen daarvan veel gemakkelijker kunnen vergelijken.
Toch bestaan er thans in de Europese Unie tenminste vier verschillende systemen voor de aanduiding van maten van kleding en schoeisel. Italië, Frankrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk hebben namelijk elk hun eigen systeem. Door dit gebrek aan harmonisatie wordt het leven van de consumenten en van de importerende ondernemingen er dan ook niet eenvoudiger op.
Vindt de Commissie niet ook dat afschaffing van deze technische verschillen de verwezenlijking van de interne markt makkelijker zal maken? Zo ja, hoe denkt de Commissie zo'n harmonisatie tot stand te brengen?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(2 april 2003)
Gaarne verwijst de Commissie het geachte parlementslid naar haar antwoord op schriftelijke vraag E-3437/02 van de heer Menradi (1).
De Commissie wil er nogmaals op wijzen dat zij op dit moment in Europa geen initiatief verwacht op het gebied van de standaardisatie of harmonisatie van maataanduidingen en etiketten van kleding en schoeisel.
Hoewel de kledingsector in de Gemeenschap vaak beweert dat een geharmoniseerd systeem het concurrentievermogen van de bedrijfstak zou bevorderen, wordt het bestaan van verschillende maat-systemen op zichzelf niet gezien als een handelsbelemmering in de zin van de Gemeenschapswetgeving. Voorzover de Commissie weet, bestaat tussen de betrokkenen en/of de lidstaten ook geen overeenstemming over deze kwestie. Een mogelijke stap in de goede richting zou een initiatief van de bedrijfstak zijn, dat moet leiden tot vrijwillige afspraken tussen de betrokkenen (fabrikanten, importeurs, consumenten) en eventueel de nationale autoriteiten.
Het Europees Comité voor Normalisatie werkt momenteel aan de maataanduidingen op etiketten voor alle soorten kleding, alsmede aan de meetmethoden. Niet de Commissie, maar de sector zelf heeft hierbij het voortouw genomen. Het staat de sector vrij deze normen toe te passen wanneer zij dit zinvol achten.
De Commissie weet wel dat de schoenenbranche initiatieven heeft genomen die moeten leiden tot gestandaardiseerde maten om zo het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën in de sector te bevorderen. Evenals in de textielsector zijn de betrokkenen en de nationale autoriteiten het niet eens over een communautaire harmonisatie van de maatsystemen. Volgens de Commissie zijn daarom voor deze branche op dit moment vrijwillige afspraken de beste manier om vooruitgang te boeken.
(1) PB C 137 E van 12.6.2003, blz. 208.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/332 |
(2004/C 88 E/0339)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0761/03
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(12 maart 2003)
Betreft: EU-voorschriften voor de oprichting van zendmasten voor mobiele telefonie
Commissaris Byrne stelt in antwoord op schriftelijke vraag E-3246/02 (1) onder andere:
|
|
In verband met het mogelijke bestaan van eventuele Europese regelgeving betreffende de bouw van mobiele telefoonmasten is de locatie van mobiele telefoonmasten een zaak die valt onder de bevoegdheid van de lokale, regionale en centrale overheden. |
|
|
De wetgeving van de Unie betreffende radioproducten, waaronder mobiele telefoonmasten, verplicht de producenten ervoor te zorgen dat de producten veilig zijn wanneer zij voor het daartoe bestemde doel worden gebruikt, maar de nationale of lokale autoriteiten kunnen extra verplichtingen inzake het gebruik van radioproducten opleggen, bijvoorbeeld door het voorschrijven van minimumafstanden voor het publiek, zodat ervoor kan worden gezorgd dat de telefoonmasten naar behoren worden geïnstalleerd. |
|
|
Wat de mogelijke gevaren van mobiele telefoonmasten betreft, heeft de Gemeenschap richtsnoeren over de na te leven veiligheidsniveaus verstrekt door het vaststellen van een stel maximale blootstellingsgrenswaarden. |
Kan de Europese Commissie uitleggen wat de juiste rechtswaarde van aanbeveling 1999/519/EEG van de Raad (2) is? Meer in het bijzonder, heeft de leidraad voor de veiligheidsniveaus van de aanbeveling enkel adviserende waarde, of zou een lidstaat die er niet voor zorgt dat de aanbevelingen nageleefd worden door fabrikanten of de bevoegde planningsautoriteiten, een overtreding van richtlijn 1999/5/EG (3) begaan (gezien de algemene verplichting van overweging 14 in de preambule van de richtlijn, „dat ervoor moet worden gezorgd dat radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur geen vermijdbare gevaren opleveren voor de gezondheid”), of van enige andere rechtsregel van de Europese Unie?
Kan de Europese Commissie met zekerheid verklaren dat de regelingen voor de oprichting van mobiele telefoonmasten in elk van de lidstaten in overeenstemming zijn met de verplichtingen van richtlijn 1999/5/EG voor fabrikanten en andere instanties, of wordt er alleen maar onderzoek ingesteld naar aanleiding van klachten?
En ten laatste: heeft de Europese Commissie informatie, welke lidstaten erop staan dat masten voor mobiele telefonie op minstens 500 meter afstand van scholen en woongebieden geplaatst worden?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(14 april 2003)
De grenswaarden in Aanbeveling 1999/519/EEG van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz — 300 GHz zijn niet bindend voor de lidstaten aangezien aanbevelingen volgens het EG-Verdrag niet bindend zijn. De meeste lidstaten, ook het Verenigd Koninkrijk, hebben ze toch overgenomen. Sommige lidstaten hanteren nog strengere grenswaarden, maar geen enkele lidstaat past lagere niveaus toe.
Zoals in het antwoord op schriftelijke vraag E-2736/00 (4) van het geachte parlementslid is aangegeven, heeft de Commissie, bij de uitvoering van Richtlijn 1999/5/EG (5) betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur de Europese Normalisatieorganisaties opgedragen bij het opstellen van geharmoniseerde veiligheidsnormen voor mobiele-communicatieapparatuur met deze grenswaarden rekening te houden. Dit betekent dat apparatuur die de bevolking blootstelt aan waarden die hoger zijn dan in de aanbeveling van de Raad, niet zou beantwoorden aan de veiligheidseisen van de richtlijn. In dergelijke gevallen moeten de lidstaten, overeenkomstig artikel 9 van de richtlijn, passende maatregelen tegen deze apparatuur nemen.
Overeenkomstig artikel 7.2 van de richtlijn mogen de lidstaten het gebruik van radioapparatuur ook beperken om redenen die verband houden met de volksgezondheid. De Commissie is zich ervan bewust dat het oprichten van zendmasten voor mobiele telefonie aan talrijke nationale en lokale voorschriften gebonden is. Ook al is een uitvoerige studie van deze voorschriften vrijwel onmogelijk (talrijke voorschriften zijn op lokaal niveau goedgekeurd) zijn de Commissie geen nationale voorschriften bekend die voorzien in eisen die de regelgeving van richtlijn 1999/5/EG zouden afzwakken.
Het zijn de lidstaten die ervoor moet zorgen dat de apparatuur voldoet aan de eisen van de richtlijn. De taak van de Commissie bestaat er volgens artikel 9 in dat zij advies formuleert over de aan haar gemelde gevallen van niet-overeenstemming, maar zelf geen juridische stappen onderneemt tegen de fabrikanten van de apparatuur. Indien de lidstaten echter verzuimen te waarborgen dat aan de eisen van de richtlijn wordt voldaan, kan de Commissie uit hoofde van artikel 226 van het EG-Verdrag inbreukprocedures tegen deze lidstaten inleiden. Tot dusverre is er voor de Commissie geen aanleiding te geloven dat dit werkelijk het geval is. Metingen die door een aantal lidstaten zijn uitgevoerd, laten zien dat de blootstellingsniveaus van mobiele-telefoonmasten onder de grenswaarden van de aanbeveling van de Raad blijven.
Wat de laatste vraag betreft is de Commissie er niet van op de hoogte dat lidstaten regels voor minimale afstanden hebben uitgevaardigd. Sommige lokale autoriteiten hebben dit wel gedaan om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van de lokale bevolking.
(1) PB C 137 E van 12.6.2003, blz. 179.
(2) PB L 199 van 30.7.1999, blz. 59.
(3) PB L 91 van 7.4.1999, blz. 10.
(5) Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit, PB L 91 van 7.4.1999.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/333 |
(2004/C 88 E/0340)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0867/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(20 maart 2003)
Betreft: Economische crisis in Venezuela
De afgelopen maanden is de sociale, economische en politieke crisis in Zuid-Amerika ernstiger geworden en heeft zij zich uitgebreid naar Venezuela.
Veel inwoners van Venezuela hebben de Italiaanse nationaliteit; al jaren bevindt zich in Venezuela naast de Spaanse een van de grootste Italiaanse gemeenschappen.
Door de huidige situatie zijn bijna alle economische activiteiten ingestort, waardoor bedrijven hebben moeten sluiten, de Italiaanse bedrijven in Venezuela te maken hebben met enorme winstdalingen en de werkloosheid steeds verder toeneemt.
Dit alles heeft ertoe geleid dat er in feite een staat van burgeroorlog heerst waarin dagelijks wordt geplunderd en burgers worden vermoord, bestolen en beroofd, zonder dat een internationale organisatie zich bekommert om een doeltreffende oplossing voor dit probleem.
Na jaren van opofferingen krijgen de Europese burgers in Venezuela nu geen enkele steun van de Europese Unie.
Kan de Commissie, in het licht van het bovenstaande, mededelen of:
|
1. |
er specifieke hulpprogramma's zijn voor de landen in Zuid-Amerika die door de crisis zijn getroffen; |
|
2. |
er actieprogramma's zijn voor de EU-burgers in Venezuela? |
Kan zij daarnaast een algemeen beeld geven van de situatie?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/334 |
(2004/C 88 E/0341)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0937/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(26 maart 2003)
Betreft: Steun aan de EU-burgers in Venezuela
De afgelopen maanden heeft de sociale, economische en politieke crisis in Venezuela een dramatische wending genomen, waardoor in feite alle economische activiteiten zijn ingestort, bedrijven zijn gesloten, de werkloosheid explosief is gestegen en het land in een soort burgeroorlog is beland. Daarnaast hebben veel burgers, waaronder ook dragers van hoge militaire ambten, die zich tegen het beleid van de huidige president Hugo Chavez hebben gekeerd, het land moeten verlaten.
De huidige president van Venezuela lijkt de voornaamste verantwoordelijke voor deze situatie. Hoewel hij democratisch gekozen is, zou hij in korte tijd een soort dictatoriaal regime hebben geïnstalleerd en alle staatsbevoegdheden aan zich hebben getrokken.
Daarnaast worden, volgens degenen die het land hebben moeten verlaten, zelfs de elementairste democratische beginselen aanhoudend geschonden, zoals vrijheid van meningsuiting en inachtneming van de mensenrechten, rechten die door talloze internationale verdragen en door het Handvest van de grondrechten van de EU zijn bekrachtigd.
Onder de Europese burgers in Venezuela zijn niet alleen Portugezen en Spanjaarden, maar bevindt zich ook een van de grootste Italiaanse gemeenschappen, die in de meer dan vijftig jaar van haar aanwezigheid een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van Venezuela. Het schijnt echter dat deze Europese burgers tot nog toe geen enkele vorm van steun hebben ontvangen van de EU en dat de internationale organisaties zich evenmin om hen hebben bekommerd.
Tot nog toe zijn 4,5 miljoen handtekeningen verzameld om het Venezolaanse parlement te verzoeken zo snel mogelijk nieuwe verkiezingen uit te schrijven.
Kan de Commissie mededelen:
|
1. |
of er specifieke overeenkomsten voor steun aan Venezuela bestaan? |
|
2. |
of er actieprogramma's bestaan ten gunste van de EU-burgers in Venezuela? |
|
3. |
of de EU een eensluidend standpunt terzake heeft ingenomen? |
|
4. |
welke politieke maatregelen de EU terzake denkt te treffen? |
Gecombineerd Antwoord
van de heer Patten namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-0867/03 en E-0937/03
(30 april 2003)
De politieke, economische en sociale crisis in Venezuela blijft onopgelost en het vinden van een oplossing wordt ernstig bemoeilijkt door de sterke polarisatie. De Venezolaanse regering neemt een ambivalente houding in tegenover de internationale gemeenschap (met name de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS)) waar het gaat om de ondersteuning van de huidige onderhandelingen met de oppositie. De oppositie is op haar beurt bang dat de president vertragingsmanoeuvres zal aanwenden om een referendum dat tot een herroeping van zijn mandaat kan leiden, tot 2004 uit te stellen. Op korte termijn zal de economische situatie niet beduidend verbeteren. De voorspelling luidt dat het bruto nationaal product in 2003 met 20 % zal inkrimpen, wat tot hogere werkloosheid, een lagere levensstandaard en meer armoede zal leiden. De inkomsten van de regering zullen dit jaar waarschijnlijk niet het niveau van voor de algemene staking bereiken, waardoor het moeilijk zal worden om in de sociale behoeften te voorzien.
De Commissie en de lidstaten volgen de situatie in Venezuela met grote aandacht. Omdat de Unie bezorgd is over de duidelijke kloof die in de samenleving ontstaat tussen aanhangers en tegenstanders van president Chávez, heeft zij er net als de OAS op gewezen dat de crisis een vreedzame, democratische, constitutionele en electorale oplossing moet krijgen. Twee lidstaten (Spanje en Portugal) maken deel uit van de „Groep van Vrienden”, die opgericht is om de inspanningen van de OAS te ondersteunen.
Er bestaat geen specifieke steunovereenkomst tussen de Gemeenschap en Venezuela; de samenwerking is gebaseerd op de „Kaderovereenkomst inzake samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Andes-Gemeenschap” die in 1998 in werking is getreden. In een Memorandum van Overeenstemming dat op 15 oktober 2001 door de Gemeenschap en Venezuela is ondertekend, wordt voor 2000-2006 een bedrag van 38,5 miljoen euro toegekend voor bilaterale samenwerking. Er is voorzien in steun voor Venezuela op het gebied van wederopbouw en voorkoming van rampen, en van economische diversificatie. Ter ondersteuning van het herstelproces is een aanvullend bedrag van 25 miljoen euro beschikbaar gesteld.
Als reactie op de crisis biedt de Commissie verder financiële ondersteuning voor de pogingen van de OAS om de dialoog tussen de partijen te vergemakkelijken en voor de uitvoering van mogelijke akkoorden ten aanzien van drie belangrijke punten: vrije en eerlijke verkiezingen, onderzoek van de gebeurtenissen van april 2002 en ontwapening van de burgerbevolking. Indien er een referendum komt, is de Commissie tevens bereid om een waarnemingsmissie te sturen.
De Commissie overweegt om binnen de bijdrage van de Gemeenschap aan maatregelen van niet-gouvernementele organisaties ten behoeve van ontwikkelingslanden (begrotingspost Β7-6000) voorrang te geven aan voorstellen in verband met de sociale sector in Latijns-Amerikaanse landen, waaronder Venezuela.
De Commissie heeft geen enkele specifieke actie ondernomen om de burgers van de Unie in Venezuela te beschermen. Normaal gezien staan hun landen van herkomst in voor steun en bescherming.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/335 |
(2004/C 88 E/0342)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0896/03
van Klaus-Heiner Lehne (PPE-DE) aan de Commissie
(21 maart 2003)
Betreft: Door Duitse belastingautoriteiten toegepaste omzetbelasting
De Duitse belastingautoriteiten eisen steeds vaker van niet in Duitsland gevestigde ondernemingen dat bij het verzenden van goederen van hun vestiging naar afnemers in Duitsland de binnenlandse Duitse omzetbelasting in rekening wordt gebracht. Zij zijn van mening dat de niet in Duitsland gevestigde verkoper Duitse omzetbelasting verschuldigd is doordat hij levert aan Duitse afnemers. Daarvan wordt reeds uitgegaan, wanneer de goederen niet rechtstreeks naar de Duitse afnemer worden vervoerd, maar naar een pakhuis van door de verkoper ingehuurde transportbedrijven met het oog op een controle van de bestelling op volledigheid en ordentelijke toestand worden getransporteerd. Pas na betaling door de afnemer en na controle mogen de goederen van de niet-Duitse verkoper opslagplaats verlaten, d.w.z. de afnemer haalt het product af of laat het afhalen. De Duitse belastingautoriteiten gaan ervan uit dat de goederen ondanks de reeds vaststaande afnemer eerst voor eigen gebruik van de verkoper naar Duitsland worden gebracht. Dat leidt tot een aanzienlijke complicatie van de communautaire handel in goederen met de Bondsrepubliek Duitsland. Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
Hoe zij deze rechtsinterpretatie van de Duitse belastingautoriteiten beoordeelt? |
|
2. |
Welke maatregelen zij denkt te nemen als zij van mening is dat dit optreden van de Duitse belastingautoriteiten in strijd is met de communautaire wetgeving inzake de omzetbelasting? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(7 mei 2003)
In de kwestie die door het geachte parlementslid aan de orde wordt gesteld, gaat het om de vraag welke plaats wordt aangemerkt als plaats van levering bij leveringen van goederen door buiten Duitsland gevestigde verkopers aan afnemers in Duitsland, wanneer deze goederen eerst in een opslagplaats van de vervoerder worden geplaatst waar ze door de afnemers worden afgehaald.
Het antwoord op deze vraag hangt af van de specifieke omstandigheden van elke handeling en de concrete contractuele voorwaarden die de belastingplichtige verkopers en hun afnemers zijn overeengekomen. Er zal met name moeten worden nagegaan of het vervoer van de goederen plaatsvindt in het kader van de levering dan wel aan een eventuele levering voorafgaat.
Het probleem dat in deze parlementaire vraag aan de orde wordt gesteld, werd al eerder aan de Commissie gemeld, en zij is voornemens de Duitse autoriteiten om toelichting op hun handelwijze te vragen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/336 |
(2004/C 88 E/0343)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0900/03
van Richard Corbett (PSE) aan de Commissie
(21 maart 2003)
Betreft: Beperkingen op de interne markt
|
1. |
Is het de Europese Commissie bekend dat Italië klaarblijkelijk gebruik maakt van technische administratieve regels als protectionistisch hulpmiddel om handelsactiviteiten van bedrijven uit andere lidstaten buiten de grenzen te houden? Meer in het bijzonder heeft Skopos Design Ltd uit Dewsbury in Yproshire meer dan een jaar geleden het certificaat voor indeling vans brandbaarheid („vertificato di classificazione dir reazione el fuoco”) verkregen dat nodig is om zijn producten in Italië te kunnen afzetten, maar het wacht nog altijd op de homologatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Ik heb zelf het ministerie op 20 november 2002 aangeschreven maar totnogtoe geen antwoord ontvangen. Ik heb vervolgens tweemaal de ambassadeur bij de permanente vertegenwoordiger van Italië bij de Europese Unie in Brussel aangeschreven over de zaak, maar ook daar geen bevredigend antwoord kunnen krijgen. |
|
2. |
Bevestigt de Europese Commissie dat Italië de regels op de interne markt, en zijn verplichting tot eerlijke medewerking volgens artikel 10 van het Verdrag niet nakomt? |
|
3. |
Welke stappen denkt de Europese Commissie te ondernemen om de toestand recht te trekken? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(25 april 2003)
De Commissie is zich ervan bewust dat de procedures voor het verlenen van vergunningen die in alle lidstaten voor een bepaald aantal producten bestaan, mogelijk problemen voor het vrije verkeer van goederen kunnen opleveren, vaak als gevolg van de tijd die de nationale overheidsdiensten nodig hebben om de procedure uit te voeren, ook al zijn deze procedures zo licht mogelijk gemaakt.
De buitensporig lange termijn voor het verkrijgen van een antwoord op de vergunningaanvraag in het door het geachte parlementslid genoemde geval is zeker betreurenswaardig, net als het stilzwijgen van de Italiaanse overheid aan wie het geachte parlementslid tweemaal om opheldering heeft gevraagd. Daarom zal deze zaak als klacht worden geregistreerd.
Om de administratieve samenwerking te versterken en de lidstaten rechtstreeks bij de afhandeling van problemen te betrekken waarmee hun burgers en bedrijven bij de toegang tot andere binnenlandse markten worden geconfronteerd, is een samenwerkingsnetwerk opgezet om administratieve problemen te behandelen die een grensoverschrijdende impact hebben. Dit netwerk heet Solvit.
Een korte toelichting van de taak van Solvit en enkele tips om contact met het netwerk op te nemen zijn beschikbaar op het volgende adres: http://europa.eu.int/comm/internal_market/solvit/index_en.htm
De Commissie is van mening dat Solvit het probleem waarop het geachte parlementslid de Commissie attendeert, doeltreffend kan behandelen. Dienovereenkomstig zal het dossier worden overgedragen aan het Solvit-netwerk dat zal proberen het probleem binnen tien weken op te lossen.
De Commissie zal de ontwikkeling van deze zaak nauwgezet blijven volgen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/337 |
(2004/C 88 E/0344)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0921/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(24 maart 2003)
Betreft: Oost-Timor — Massamoorden 1999. Berechting van schuldigen. Indonesië. Mensenrechten
Op 12 maart is een Indonesische brigade-generaal door een bijzondere rechtbank in Jakarta tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld voor misdaden tegen de mensheid, omdat hij de massamoorden die in 1999 op Oost-Timor zijn gepleegd niet had verhinderd. Generaal Noer Muis was ten tijde van de gebeurtenissen militair commandant van Oost-Timor met de functie van kolonel.
Het proces, waarin werd onderzocht wie verantwoordelijk is voor de onderdrukking en genocide begaan, gestimuleerd of getolereerd door de Indonesische strijdkrachten, is door internationale mensenrechtengroepen „doorgestoken kaart” genoemd omdat hooggeplaatste militairen als generaal Wiranto, die toentertijd hoofd van de strijdkrachten en minister van Defensie was, niet in staat van beschuldiging zijn gesteld.
In schriftelijke vraag E-3865/02 (1) van 19 december 2002 aan de Raad van Jules Maaten en Lousewies van der Laan werd de volgende vraag gesteld: „(…) Is de Raad het ermee eens dat, zoals door de UNO Hoge Commissaris voor Mensenrechten wordt opgemerkt, de processen met betrekking tot Oost-Timor aantonen dat Indonesië geen verantwoordelijkheid op zich heeft genomen voor de in Oost-Timor begane misdaden tegen de menselijkheid?”. Het antwoord op deze vraag is nog niet bekend.
Gezien het vonnis van de betreffende rechtbank, dat is gewezen dankzij de internationale druk die is uitgeoefend om de Indonesische regering te bewegen de op Oost-Timor begane misdaden te berechten en te bestraffen, zou ik de Commissie de volgende vragen willen stellen.
|
— |
Heeft de Commissie de zittingen van deze rechtbank van nabij gevolgd? Kan zij bevestigen dat Indonesische militairen die toentertijd een hoge positie innamen, in deze rechtzaak niet op de beklaagdenbank zitten? Zo ja, is de Commissie dan van mening dat deze rechtbank en de Indonesische pogingen om de waarheid aan het licht te brengen en de schuldigen te bestraffen geloofwaardig zijn? Of stemt zij eerder in met de bezorgdheid die de Raad uitte in zijn antwoord op onze eerdere vraag over dit onderwerp (E-l646/01 van 12 juni 2001 (2)) „daar de vonnissen niet lijken te voldoen aan de internationale normen inzake gerechtigheid en onpartijdigheid”? |
|
— |
Zal de Commissie op de hoogte worden gehouden van de ontwikkeling van het vermogen van de Indonesische regering om de militairen onder controle van het burgerlijk gezag te brengen? Over welke informatie beschikt de Commissie inzake de eerbiediging van de mensenrechten in Indonesië? |
|
— |
Kunnen de feiten gevolgen hebben voor de betrekkingen tussen de Europese Unie en Indonesië? Kan de Commissie met name bekijken of de projecten voor samenwerking en ontwikkeling met dit land herzien moeten worden? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(6 mei 2003)
De Commissie heeft, in overleg met vertegenwoordigers van de EU-ambassades en via haar delegatie in Indonesië, nauwlettend de werkzaamheden gevolgd van het Indonesische ad hoc-mensenrechtentribunaal voor in Oost-Timor gepleegde misdrijven.
Generaal Noer Muis is één van de 18 Indonesische functionarissen en militieleden die zijn berecht naar aanleiding van de uitbraak van geweld voor en na het referendum in Oost-Timor in 1999. Noer Muis is op 12 maart 2003 veroordeeld tot vijfjaar gevangenisstraf, omdat hij had verzuimd twee dodelijke aanvallen op burgers te voorkomen.
Het gerecht van eerste aanleg heeft tot dusver 12 beklaagden vrijgesproken. Twee officieren van lagere rang en twee burgers zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen van drie tot tien jaar. De processen tegen twee andere personen zijn nog bezig: generaal Tono Suratman, een legercommandant, en generaal-majoor Adam Damili, de voormalige commandant van het in Bali gevestigde militaire gezag van Udayana voor Bali, Nusa Tenggara en Oost-Timor. Verwacht wordt dat begin mei 2003 in deze processen een uitspraak zal worden gedaan.
Na de eerste uitspraken in deze zaken, heeft de Unie op 21 augustus 2002 een verklaring afgegeven, waarin zij haar bezorgdheid uitte „dat bij de rechtspleging tot dusver niet ten volle rekening was gehouden met het geweld dat in 1999 in Oost-Timor had plaatsgevonden” en waarin zij er bij de Indonesische autoriteiten op aandrong „ervoor te zorgen dat de rechtspleging van het tribunaal beantwoordt aan de regels van de rechtsstaat en dat de internationale normen inzake mensenrechten volledig worden nageleefd”.
De Unie volgt de activiteiten van het tribunaal voortdurend en zal als dat nodig is op deze kwestie terugkomen, mogelijk wanneer zoals de verwachting is begin mei 2003 het laatste vonnis wordt uitgesproken, en voor de beroepsprocedure van start gaat.
De Commissie is van oordeel dat Indonesië met de verkiezingen van 1999 een volgende belangrijke stap heeft gezet in het overgangsproces van een autocratisch regime naar een echte democratie. De aanstaande presidents- en parlementsverkiezingen van 2004 zullen dit proces versterken, met name wat de inspanningen betreft om het leger onder volledige controle van het burgerlijk gezag te brengen. De Commissie is echter van oordeel dat er op dit gebied nog veel dient te worden gedaan.
De delegatie van de Commissie en de ambassades van de lidstaten in Indonesië houden nauwlettend en voortdurend toezicht op de mensenrechtensituatie en brengen regelmatig verslag uit aan de Groep mensenrechten van de Raad. Het laatste verslag dateert van begin 2002.
De mensenrechten vormen een centraal element van de versterkte politieke dialoog tussen de Unie en Indonesië. Het nationaal strategisch document 2002-2006 en het nationaal indicatief programma 2002-2004 van de Commissie voor Indonesië leggen een sterke nadruk op de bevordering van goed bestuur en de versterking van het rechtssysteem en de mensenrechten. Door de Gemeenschap ondersteunde programma's op deze belangrijke gebieden lopen reeds of worden momenteel opgesteld.
(1) PB C 280 E van 21.11.2003, blz. 30.
(2) PB C 40 E van 14.2.2002, blz. 70.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/339 |
(2004/C 88 E/0345)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1180/03
van Marco Pannella (NI), Emma Bonino (NI), Marco Cappato (NI), Gianfranco Dell'Alba (NI) en Benedetto Della Vedova (NI) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Geheime Vietnamese gevangenis aan de grens met Cambodja voor de opsluiting van Montagnards die naar hun land zijn teruggekeerd na de indiening van een asielaanvraag en gevallen van aanhouding, marteling en verdwijning
Diverse onafhankelijk waarnemers melden dat de Vietnamese regering een geheime gevangenis heeft gebouwd aan de grens met Cambodja, in het district Mokdeng in de provincie Pleiku, en dat de 773ste militaire divisie en de 721ste militaire brigade daar 28 Montagnard (Degar)-vluchtelingen gevangen houden die uit Cambodja naar hun land zijn teruggekeerd.
Op 12 februari 2003 heeft de Vietnamese politie N'Gran (39 jaar, uit Buon Dak R'la, district Dak Mil, provincie Dak Lac) gearresteerd en naar de gevangenis van Buonmathuot gevoerd, omdat hij een draagbare telefoon in zijn bezit had die volgens de regering diende om contact te houden met de Montagnards in de Verenigde Staten. Over zijn fysieke toestand is niets bekend.
Op 13 februari 2003, rond 22.00 uur, heeft de Vietnamese politie Y-Dhem Nie (36 jaar, uit Buon Ea Kao, district Buonmathuot, provincie Dak Lac) gearresteerd, omdat hij voedsel verstrekte aan twee andere Degar die zich in de jungle verborgen hielden. Waar hij zich bevindt en in welke toestand hij verkeert, is niet bekend.
Op 14 februari 2003 heeft de politie in Buonmathout Y-Suar (33 jaar, uit Buon Jun Yuh, district Dak Mil, provincie Dak Lac) gearresteerd. Over zijn fysieke toestand is niets bekend.
Op 17 februari 2003 zijn Y-Yan Buon Ya (37 jaar) en H'Powel Nie (31 jaar), man en vrouw, de jungle ingevlucht om niet door de veiligheidsdiensten te worden gearresteerd, waarbij zij hun twee kinderen, H'Nong Nie (9 jaar) en Y-Le Nie (6 jaar), thuis moesten achterlaten.
Op 22 februari 2003, rond 11.00 uur, heeft de Vietnamese politie Y-Dhun Eban (42 jaar, uit Buon Krue, district Krong Ana, provincie Dak Lac), die zich verborgen hield om niet te worden aangehouden, gearresteerd en naar de gevangenis van Buonmathuot gevoerd. 's Anderendaags zijn Y-Dhun Eban's zus H'Nget Eban en haar man Y-Lia Ken, beide 28 jaar, gearresteerd en naar de gevangenis van Buonmathuot gevoerd, op de verdenking Y-Dhun Eban te hebben geholpen.
Kan de Commissie als reactie op deze gedetailleerde informatie bekend maken
|
1. |
of zij van plan is de Vietnamese regering te vragen waarom de Montagnards systematisch door de veiligheidsdiensten worden gearresteerd en slecht worden behandeld? |
|
2. |
of zij overeenkomstig het door de VN-Mensenrechtencommissie in haar slotbemerkingen van 27 juni 2000 geformuleerde verzoek van plan is de Vietnamese autoriteiten te vragen internationale agentschappen als het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en NGO's volledige en onmiddellijke toegang te verlenen tot de centrale hoogvlakten van Vietnam en de gebieden aan de grens met Cambodja, waar de mensenrechten systematisch worden geschonden, en of zij, als de Vietnamese regering de toegang blijft weigeren, van plan is het door Vietnam ondertekende samenwerkingsakkoord, dat duidelijk als voorwaarde stelt dat de mensenrechten en de democratie in Vietnam worden geëerbiedigd, op te zeggen? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/340 |
(2004/C 88 E/0346)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1181/03
van Marco Pannella (NI), Emma Bonino (NI), Marco Cappato (NI), Gianfranco Dell'Alba (NI) en Benedetto Della Vedova (NI) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Arrestatie van Montagnards door de Vietnamese autoriteiten, op de verdenking de Montagnard Foundation te steunen, christen te zijn en leden te werven voor de Radicale Transnationale Partij
De volgende Montagnards (Degar) zijn gearresteerd op de verdenking de Montagnard Foundation te steunen, christen te zijn en Degar te werven als lid van een NGO met raadgevende status bij de VN (de Radicale Transnationale Partij), die geweldloos ijvert voor de wereldwijde eerbiediging van de mensenrechten:
|
— |
op 28 januari 2003 rond 12.00 uur: Y-Nen Buon Ya (24) en Y-Ne Buon Ya (27), uit het dorp Buon Buor, district Cu Jut; de laatste is afgeranseld en heeft elektroshocks toegediend gekregen in de gevangenis van Cu Jut; |
|
— |
op 29 januari 2003: Y-Thim Eban (57) en Y-Seo Buon Ya (29) uit Buon Kdun, district Buonmathuot; over hen is verder niets bekend; |
|
— |
op 12 februari 2003: Y-Mul Buon Ya (39) uit het dorp Buon Cu Dlue, district Cu Jut; is gemarteld in de kerkers van Cu Jut; |
|
— |
op 12 februari 2003 rond 12.00 uur: Y-Ngoan Buon Ya (41) uit het dorp Buon Nui, district Cu Jut; is gemarteld in de kerkers van Cu Jut; |
|
— |
op 13 februari 2003 rond 3.00 uur: Y-Uen Buon Krong (27) uit het dorpje Buon Buor, district Cu Jut; wordt gevangen gehouden in Cu Jut; |
|
— |
op 24 februari 2003: Y-Gedion Nie (42) uit het dorpje Buon Tong Ju, district Krong Ana; wordt gevangen gehouden in de cellen van het oude radiostation van Buonmathuot, waar hij ook is gemarteld; |
|
— |
op 27 februari 2003: Y-Put Hdok, uit het dorpje Buon Cuor Knia, district Buon Don; over hem is verder niets bekend. |
Kan de Commissie als reactie op deze gedetailleerde informatie laten weten
|
1. |
welke actie zij van plan is te ondernemen om na te gaan of en te garanderen dat de verantwoordelijken voor deze wreedheden tegen de Montagnards naar behoren worden berecht en dat de slachtoffers van dit geweld onmiddellijk worden vrijgelaten? |
|
2. |
hoe zij het beoordeelt dat de Vietnamese regering het als een strafbaar feit beschouwt het politieke recht uit te oefenen zich aan te sluiten bij een NGO met raadgevende status bij de Economische en Sociale Raad van de VN, zoals de Radicale Transnationale Partij, die geweldloos ijvert voor de eerbiediging van het internationaal recht inzake mensenrechten? |
|
3. |
of zij van mening is dat de handelwijze van de Vietnamese autoriteiten verenigbaar is met de samenwerkingsakkoorden die met de Vietnamese regering zijn gesloten, nu deze regering haar veiligheidsdiensten continu de opdracht geeft Montagnards op te sluiten, af te ranselen en te martelen, omdat de Montagnards proberen hun fundamentele rechten uit te oefenen van vrijheid van godsdienst, opinie, vergadering en vereniging, die in het door Vietnam geratificeerde Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten zijn opgenomen? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/341 |
(2004/C 88 E/0347)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1182/03
van Marco Pannella (NI), Emma Bonino (NI), Marco Cappato (NI), Gianfranco Dell'Alba (NI) en Benedetto Della Vedova (NI) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Enkele individuele gevallen van Montagnards (Degar) die door de Vietnamese autoriteiten op arbitraire gronden zijn gearresteerd en gemarteld
Op 15 maart 2003 meldden de Montagnard Foundation en Radio Australia ABC dat op 24 februari 2003 rond 7.00 uur de volgende Montagnards (Degar) uit het dorp Buon Cuor Knia (district Buon Don, provincie Dak Lac), leden van de Radicale Transnationale Partij, door veiligheidsagenten waren gearresteerd: Y-Phan Buon Krong, geboren in 1950, Y-Be Nie, geboren in 1945, Y-Pen Buon Ya, geboren in 1970, Y-Glen Buon Krong, geboren in 1976, en Y-Gun Hwing, geboren in 1974. Deze personen zijn aangehouden op de verdenking de Montagnard Foundation te steunen, christen te zijn en Degar te werven als lid van een NGO met raadgevende status bij de VN (de Radicale Transnationale Partij), die geweldloos ijvert voor de wereldwijde eerbiediging van de mensenrechten. Zij zijn geboeid en voor de ogen van hun familie hard afgeranseld met stokken en stenen, tot zij het bewustzijn verloren. De veiligheidsagenten hebben met name Y-Phan Buon Krong en Y-Glen Buon Krong herhaaldelijk op de knieën geslagen met een grote steen. De personen in kwestie zijn vervolgens naar de gevangenis van het district Buon Don gevoerd. De Vietnamese agenten die hen daarna hebben gemarteld, heten Nguyen Truong That en Pham Huu Nhat, beide door de diensten van de regering van Hanoi naar de centrale hoogvlakten gezonden.
Kan de Commissie als reactie op deze gedetailleerde informatie laten weten
|
1. |
welke actie zij van plan is te ondernemen om na te gaan of en te garanderen dat de verantwoordelijken voor deze wreedheden tegen de Montagnards naar behoren worden berecht en dat de slachtoffers van dit geweld onmiddellijk worden vrijgelaten? |
|
2. |
hoe zij het beoordeelt dat de Vietnamese regering het als een strafbaar feit beschouwt het politieke recht uit te oefenen zich aan te sluiten bij een NGO met raadgevende status bij de Economische en Sociale Raad van de VN, zoals de Radicale Transnationale Partij, die geweldloos ijvert voor de eerbiediging van het internationaal recht inzake mensenrechten? |
|
3. |
of zij van mening is dat de handelwijze van de Vietnamese autoriteiten verenigbaar is met de samenwerkingsakkoorden die met de Vietnamese regering zijn gesloten, nu deze regering haar veiligheidsdiensten continu de opdracht geeft Montagnards op te sluiten, af te ranselen en te martelen, omdat de Montagnards proberen hun fundamentele rechten uit te oefenen van vrijheid van godsdienst, opinie, vergadering en vereniging, die in het door Vietnam geratificeerde Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten zijn opgenomen? |
Gecombineerd Antwoord
van de heer Patten namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-1180/03, E-1181/03 en E-1182/03
(13 mei 2003)
Samen met de in Vietnam vertegenwoordigde lidstaten houdt de Commissie nauwlettend toezicht op de ontwikkeling van de mensenrechten in Vietnam, inclusief individuele gevallen die zorgen baren en kwesties in verband met de rechten van etnische minderheden, de vrijheid van religie en de vrijheid van meningsuiting. Zij doet dat in het kader van het beleid van de Unie tot aanmoediging en ondersteuning van de inspanningen van de Vietnamese regering om vooruitgang te boeken op het gebied van de mensenrechten. De Commissie neemt tevens met de lidstaten deel aan de regelmatige dialoog en aan alle demarches bij de Vietnamese regering met betrekking tot mensenrechtenvraag stukken. Het is tot dusver niet mogelijk geweest onafhankelijke bevestiging te krijgen van de vermeende gevallen van mensenrechtenschendingen die door de geachte parlementsleden in hun vragen worden genoemd.
In hun hoedanigheid van lid respectievelijk waarnemer steunen de lidstaten en de Commissie verder volledig de werkzaamheden van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, en werken zij actief samen met de VN-mensenrechtencommissie. De Commissie deelt de bezorgdheid en afsluitende opmerkingen van de VN-mensenrechtencommissie over de implementatie van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij Vietnam partij is. Zij is het met name eens met de opmerkingen van de commissie in verband met de eerbiediging van de rechten van leden van inheemse gemeenschappen, de vrijheid van meningsuiting in de media en het recht op registratie en onafhankelijke werking van politieke partijen.
De Commissie en de lidstaten hebben herhaaldelijk bij de Vietnamese regering aangedrongen op de versterking van de eerbiediging van de politieke en religieuze vrijheden, en de verdere versterking van de economische en sociale vrijheden. Zij hebben dit verzoek opnieuw tot uitdrukking gebracht in hun gezamenlijke verklaring op de bijeenkomst van de overleggroep in Hanoi in december 2002.
Op basis van de verwijzing naar de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen in artikel 1 van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Commissie en Vietnam voert de Commissie met de Vietnamese regering een mensenrechtendialoog, bijvoorbeeld in de context van de bijeenkomsten van de Gemengde Commissie.
Samen met de lidstaten zal de Commissie de mensenrechtensituatie in Vietnam, inclusief de door de geachte parlementsleden genoemde gevallen, nauwlettend blijven volgen en haar specifieke bezorgdheid bij de Vietnamese regering ter sprake blijven brengen en waar nodig gepaste actie ondernemen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/342 |
(2004/C 88 E/0348)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1209/03
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: De distributie van melk voor baby's in de Afrikaanse landen
Hoewel de Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) de voorkeur geeft aan borstvoeding door de moeder en daarom voorstelt dat er geen reclame moet worden gemaakt voor melkpoeder voor baby's, overtreden de producenten van oplosmelk zoals Nestle en Danone de voorschriften van de WHO. Zij beweren dat hun activiteiten de vermindering van de kindersterfte ten goede komen, dalen gratis melkpoeder uit tezamen met andere geschenken, zoals stethoscopen voor zwangeren. In reclameboodschappen die zij samen met de melk ronddelen, benadrukken zij dat hun melk vergelijkbaar is met moedermelk.
De activiteiten van deze maatschappijen zijn strijdig met de voorschriften van de WHO, die voorstander is van borstvoeding door de moeder. De betrokken maatschappijen zijn in Europa gevestigd. Wat denkt de Commissie te doen ten aanzien van de hierboven geschetste situatie?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(21 mei 2003)
De Commissie staat volledig achter de „International Code of Marketing of Breast-milk substitutes” (de internationale gedragscode voor het op de markt brengen van moedermelkvervangende produkten) die in 1981 werd goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de WHO. De Commissie is dan ook bezorgd over het feit dat er nog steeds babyvoedingproducenten zijn die zich niet aan deze Code houden en regeringen die de bepalingen ervan niet uitvoeren. De Commissie zal er bij de particuliere sector en met name bij de door het geachte parlementslid genoemde ondernemingen op blijven aandringen deze code in acht te nemen in de context van het Corporate Social Responsibility Stakeholders Forum van de Europese Unie en de hiermee verband houdende dialogen en partnerschappen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/343 |
(2004/C 88 E/0349)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1247/03
van Robert Evans (PSE) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Birmaanse vluchtelingen
Weet de Commissie hoe erg de Birmaanse vluchtelingen in Thailand eraan toe zijn?
In mijn kiesdistrict maakt men zich zorgen dat de Thaise regering niet in staat is deze vluchtelingen goed op te vangen en de vluchtelingenkampen zou willen sluiten om de vluchtelingen terug te kunnen sturen. Verleent de Europese Unie de Thaise regering dan wel de vluchtelingen financiële of diplomatieke steun zodat een humanitaire ramp kan worden voorkomen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(7 mei 2003)
De situatie van de Birmaanse vluchtelingen, die hoofdzakelijk tot etnische minderheden behoren en in kampen op de Thais-Birmaanse grens zijn ondergebracht, is de Commissie bekend.
De Commissie is op dit ogenblik voor de Birmaanse vluchtelingenbevolking in Thailand een van de belangrijkste donors. De door Europese niet-gouvernementele organisaties (NGO's) ten uitvoer gelegde steun heeft hoofdzakelijk betrekking op de levering van voedsel en basisgoederen in combinatie met medische bijstand en opleiding. De Commissie heeft in de loop van de laatste jaren voor deze activiteiten 7 à 7,5 miljoen euro per jaar bijgedragen.
De delegatie van de Commissie in Thailand volgt de situatie van de Birmaanse vluchtelingen van zeer nabij via directe bezoeken aan de kampen en frequente contacten met de NGO's en andere organisaties die de vluchtelingenbevolking bijstaan.
Bovendien blijft de Commissie met de Thaise autoriteiten een open dialoog voeren over de situatie in de vluchtelingenkampen en het beleid ten opzichte van de Birmaanse vluchtelingen. De vragen welke zij zich stelt met betrekking tot de behandeling van de Birmaanse vluchtelingen en de berichten over gedwongen deportaties door de Thaise autoriteiten werden aan de orde gesteld op recente bilaterale bijeenkomsten, zoals de vergadering van hoge ambtenaren van de Gemeenschap en Thailand die plaatshad te Brussel op 29 en 30 januari 2003.
De Commissie zal de situatie blijven volgen en blijft bereid tot het nemen van verdere maatregelen indien de situatie van de Birmaanse vluchtelingen op dramatische wijze zou verslechteren.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/343 |
(2004/C 88 E/0350)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1251/03
van Carlos Bautista Ojeda (Verts/ALE) aan de Commissie
(26 maart 2003)
Betreft: Crisis in de toeristische sector in Europa
Eind 2002 heeft de dreiging van een gewapend conflict in Irak de reserves voor de zomer van 2003 lamgelegd en een einde gemaakt aan het lichte herstel in de toeristische sector dat medio 2002 was ingezet. Het uitbreken van de oorlog in Irak heeft deze situatie alleen maar verergerd.
Deze toestand van onzekerheid kan de Europese toeristische sector zware schade toebrengen, met negatieve gevolgen voor de economie in de EU.
Heeft de Commissie stappen ondernomen om de gevolgen van deze crisis te verzachten? Zo ja, welke? Zo neen, welke maatregelen zal de Commissie dan nemen?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(23 april 2003)
De Commissie heeft geen aanwijzingen dat het gewapende conflict in Irak tot een algemene crisis in de Europese toeristische sector zal leiden. Zij weet dat sommige segmenten van de bedrijfstak, met name de mainstream pakketreizen van grote reisorganisatoren, het steeds moeilijker krijgen. Onzeker is evenwel in welke mate deze verschijnselen aan het conflict in Irak, aan algemene economische problemen in de lidstaten of aan snelle veranderingen in de smaak, de waardering en het aankoopgedrag van de klant moeten worden toegeschreven. De Commissie sluit ook niet uit dat sommige regionale bestemmingen in Europa meer dan andere getroffen kunnen worden door de gevolgen die het conflict in Irak voor de keuze van de toerist heeft. Algemene maatregelen bieden derhalve geen uitkomst; deze situatie vraagt om een gedifferentieerde, gerichte reactie.
Vóór de militaire interventie in Irak heeft de Commissie de toeristische sector in Europa geraadpleegd over de maatregelen die zij bij dergelijke gebeurtenissen op het gebied van toerisme moest ondernemen. Zij heeft deze kwestie ook ter sprake gebracht in het kader van het Herstelcomité van de Wereldtoerisme-organisatie, begin maart 2003.
Uit de reacties van de deskundigen bleek dat er geen specifieke acties moesten worden ondernomen zolang het gewapende conflict in Irak nog niet was beëindigd. De steun die de sector op dergelijke momenten nodig heeft, zijn reisadviezen, berichten dat de sector voorbereid is op de situatie, nationale rampenplannen en dergelijke, wat niet tot de bevoegdheid van de Gemeenschap behoort. De Europese toeristenindustrie en de internationale brancheorganisaties hebben evenwel te kennen gegeven dat na afloop van de militaire acties uitgebreide maatregelen moeten worden overwogen. De sector is niettemin ook van mening dat deze maatregelen op marketing en promotie van het Europese toerisme moeten worden toegespitst, en daarvoor had de Commissie tot nu toe noch het mandaat, noch de specifieke middelen.
Aangezien op dit ogenblik nog niet duidelijk is hoelang het gewapende conflict in Irak zal duren, hebben de Commissie en de Europese toeristenindustrie afgesproken om te zijner tijd dieper op deze kwesties in te gaan. De Commissie zal de ontwikkelingen in deze sector evenwel aandachtig volgen en zij is bereid om een grondiger analyse uit te voeren, zoals in de periode na 11 september 2001.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/344 |
(2004/C 88 E/0351)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1287/03
van Olivier Dupuis (NI) aan de Commissie
(31 maart 2003)
Betreft: Macabere electorale schijnvertoning in Tsjetsjenië
Meerdere kranten waaronder The Financial Times, Le Monde en Libération, alsmede ooggetuigen maken melding van het feit dat het „referendum” dat op zondag 23 maart door het Kremlin is georganiseerd over de goedkeuring van een nieuwe „grondwet” door de Tsjetsjeense burgers — en de Russische militairen — op volkomen onregelmatige wijze heeft plaatsgevonden. Volgens de Russische autoriteiten zou 65 % van de stemgerechtigden aan het referendum hebben deelgenomen en zou 95 % van hen zich hebben uitgesproken voor de door het Kremlin voorgestelde „grondwet”. Volgens de informatie van diverse internationale correspondenten beschikten de stembureaus daarentegen over „aanvullende stemlijsten” waarmee zodanige manipulaties mogelijk waren dat een Franse journalist er zelfs in is geslaagd zich als stemgerechtigde te laten registreren en in stembureau 372 te stemmen. Bovendien zou, nog steeds volgens deze verslagen, een busdienst zijn georganiseerd om groepen „kiezers” van het ene naar het andere stembureau te brengen om de indruk te wekken van een constante stroom van stemgerechtigden en waarschijnlijk om de „aanvullende lijsten” van nieuwe stemmers te voorzien. Ten slotte waren volgens verklaringen van een vertegenwoordiger van de OVSE, die heeft onderstreept zelf niet als waarnemer aanwezig te zijn, de omstandigheden inzake de organisatie en het verloop van het referendum „verre van ideaal”.
Is de Commissie van oordeel dat de verklaringen van haar woordvoerder volgens welke het zou kunnen gaan om „een goede stap in de richting van een politieke oplossing, waarmee de meerderheid van de Tsjetsjenen tevreden is”, zijn te rijmen met de informatie waaruit blijkt dat het om niets anders ging dan een macabere electorale schijnvertoning die het Kremlin heeft georganiseerd? Is de Commissie van plan om onverwijld de onverantwoorde verklaringen van haar woordvoerder recht te zetten en ondubbelzinnig aan de autoriteiten van de Russische Federatie duidelijk te maken dat zij zich niet laat beetnemen door dit gemanipuleer dan niet alleen grof is, maar ook ver afstaat van de democratische gebruiken en de criteria inzake het lidmaatschap van Rusland van de Raad van Europa? Is de Commissie voornemens een serieus initiatief te ontplooien om president Poetin en president Masjadov ertoe te bewegen te onderhandelen over een politieke oplossing voor de Russisch-Tsjetsjeense tragedie?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(15 april 2003)
Volgens de informatie van de Russische autoriteiten wordt de opkomst voor het constitutionele referendum dat op zondag 23 maart 2003 in Tsjetsjenië plaats vond, op 85 % geschat. Het aantal stemmen voor het grondwetsontwerp bedroeg 95 %.
De Commissie hield geen toezicht op het referendum. Het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), dat een groep deskundigen naar de Russische republiek heeft gestuurd op het tijdstip van de opiniepeiling, had eveneens van tevoren besloten dat het niet kon toezien op het referendum onder andere vanwege veiligheidssituatie in Tsjetsjenië. Het ODIHR merkte echter op dat veel inwoners van Tsjetsjenië en intern ontheemden hopen dat het referendum tot een politiek proces zal leiden en vrede en stabiliteit zal voortbrengen.
De Commissie is ervan op de hoogte gebracht dat bepaalde onregelmatigheden tijdens de stemming hebben plaatsgevonden. Toch hoopt de Commissie dat het referendum een eerste stap is in de richting van een politieke oplossing van het Tsjetsjeense conflict en van het herstel van de rechtstoestand in de republiek.
Zoals de woordvoerder van de Commissie na het referendum meedeelde, kunnen deze doelstellingen enkel worden bereikt als men serieuze pogingen onderneemt om een aantal kwesties aan te pakken, die in het kader van de politieke dialoog van de Unie met Rusland reeds herhaaldelijk door de Commissie ter sprake zijn gebracht. De Commissie is van mening dat Rusland een politieke, alomvattende oplossing zou moeten nastreven die in overeenstemming is met zijn soevereiniteit en territoriale integriteit. Er moet onmiddellijk een eind komen aan verdwijningen en schendingen van de mensenrechten, waarna een grondig, onafhankelijk onderzoek moet worden uitgevoerd en de verantwoordelijken moeten worden vervolgd. Rusland moet tevens garanderen dat intern ontheemden niet zullen worden gedwongen terug te keren en moet een veilige en doeltreffende humanitaire-hulpverlening toestaan. Dit standpunt wordt weerspiegeld in de onderhandelingen met betrekking tot een resolutie over Tsjetsjenië op de 59e bijeenkomst van het Comité van de Mensenrechten van de Verenigde Naties (UNCHR), die nu plaats heeft in Genève.
De Commissie zal de ontwikkelingen in de komende maanden van nabij volgen, in het bijzonder het voornemen van Rusland om te onderhandelen over een overeenkomst tussen de Russische Federatie en Tsjetsjenië die de positie van Tsjetsjenië in de Federatie moet verduidelijken, en heeft presidentiële en parlementaire verkiezingen voor de republiek voorgesteld.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/345 |
(2004/C 88 E/0352)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1290/03
van Camilo Nogueira Román (Verts/ALE) aan de Commissie
(4 april 2003)
Betreft: Toepassing van antidumpingmaatregelen op de invoer van ijzerlegeringen; het probleem van de firma „Ferroatlántica”, in Dumbria (Costa da Morte, Galicië)
De firma „Ferroatlántica”, waarvan de productie van ijzerlegeringen van fundamenteel belang is voor de economie van de Costa da Morte in Galicië, wordt in haar ontwikkeling gedwarsboomd door de invoer in de EU van ijzerlegeringen tegen dumpingprijzen uit landen als China, Kazachstan, Rusland en Oekraïne. Om zich te beschermen tegen de onwettige belangen van de staalbedrijven die deze invoer bevorderen en de concurrentieverstoring die dit teweegbrengt, dringen de fabrikanten van ijzerlegeringen, zoals „Ferroantlántica”, bij de Commissie aan op effectieve antidumpingmaatregelen. De Commissie heeft de procedure opgestart voor de aanneming van antidumpingmaatregelen, die niet de goedkeuring wegdragen van de Europese fabrikanten van ijzerlegeringen omdat deze maatregelen gunstiger zijn voor de staalfabrieken die werken met tegen dumpingprijzen ingevoerde producten. Wat is de stand van zaken in deze kwestie die bepalend is voor de overlevingskansen van ondernemingen als „Ferroantlántica”?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(7 mei 2003)
De Commissie ziet nauwlettend toe op oneerlijke handelspraktijken waarvan de communautaire industrie hinder ondervindt, initieert onderzoeken, en stelt, indien de wettelijke voorwaarden vervuld zijn, corrigerende maatregelen voor. In het geval van antidumpingonderzoeken kan de Raad maatregelen nemen, indien een bedrijfstak van de Gemeenschap materiële schade ondervindt van gedumpte producten en deze maatregelen niet indruisen tegen het globale belang van alle betrokken marktdeelnemers.
Op basis van naar behoren gedocumenteerde verzoeken van de ijzerlegeringsindustrie van de Gemeenschap heeft de Commissie de afgelopen tien jaar 37 antidumpingonderzoeken met betrekking tot oneerlijke handel in ijzerlegeringen ingeleid. In 30 gevallen zijn er maatregelen genomen, die in zeven gevallen nog steeds gelden. Het laatste onderzoek is ingeleid in oktober 2002 en had betrekking op de invoer van silicium van oorsprong uit Rusland. Verder is in die maand een herzieningsprocedure ingeleid met betrekking tot maatregelen ten aanzien van hetzelfde product van oorsprong uit China. Deze onderzoeken zijn aan de gang en de verwachting is dat zij binnen 15 maanden na inleiding zullen worden afgerond. Indien het bestaan van oneerlijke handelspraktijken wordt aangetoond, zal de Commissie voorstellen dat de maatregelen ten aanzien van de Chinese producten met vijf jaar worden verlengd, en dat eveneens voor vijf jaar corrigerende maatregelen worden genomen ten aanzien van de Russische producten.
Indien de bedrijfstak van de Gemeenschap problemen ondervindt van andere oneerlijke handelspraktijken, blijft de Commissie, net als in het verleden, bereid om gegronde klachten te onderzoeken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/346 |
(2004/C 88 E/0353)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1294/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(7 april 2003)
Betreft: Democratische oplossing voor de crisis in Venezuela
Volgens een akkoord tussen president Chávez en de Venezolaanse oppositie, dat werd gesloten dankzij een initiatief van de voormalige president van de Verenigde Staten, Jimmy Carter, moet een keuze worden gemaakt uit twee opties om het conflict tussen beide partijen te beëindigen: aanneming van een amendement op de grondwet ter beperking van het mandaat van de president of een referendum over de intrekking van dit mandaat.
Volgens Carter zou een wijziging van de grondwet de snelste en meest haalbare optie zijn. Het alternatief, i.e. een referendum, zou volgens de huidige grondwet op zijn vroegst op 19 augustus a.s. kunnen worden gehouden, halverwege de ambtstermijn van Chávez. De president is voorstander van deze tweede mogelijkheid.
De onderhandelingen zijn nog gaande.
Volgens de media zou Rafael Alonso, lid van het bestuur van de Democratische Coördinatie, zich onlangs hebben beklaagd over het feit dat Chávez, na zijn belofte om zich te onderwerpen aan de wil van het volk op 19 augustus en zijn kritiek op de oppositie die te ongeduldig zou zijn, er bij zijn laatste optreden op televisie geen misverstand over zou hebben laten bestaan dat hij zijn mandaat tot 2006 denkt te vervullen.
Kan de Commissie antwoord geven op onderstaande vragen:
|
— |
Over welke informatie over het verloop van de onderhandelingen beschikt zij? |
|
— |
Welke stappen heeft zij ondernomen of denkt zij te ondernemen, vooral bij de president van Venezuela, om te bevorderen dat aan deze crisis die de hele Venezolaanse samenleving ontwricht een einde wordt gemaakt door daadwerkelijk een van beide alternatieven uit te voeren en aldus tot een democratische oplossing te komen? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(15 mei 2003)
Sedert de aanvang van de onderhandelingen tussen de vertegenwoordigers van de regering van Venezuela en de „Coordinadora Democrática” (georganiseerde oppositie) op 8 november 2002, zijn er twee akkoorden gesloten. Het eerste was een Pact tegen geweld, dat in februari 2003 tot stand is gekomen. Het tweede akkoord is op 11 april 2003 voorgesteld door de bemiddelaar van de Organisatie van Amerikaanse staten (OAS) en moest op 22 april 2003 worden ondertekend. Deze „voorovereenkomst” gaat in de richting van een referendum dat tot een herroeping van het mandaat van president Chávez kan leiden, wat overeenkomstig de grondwet mogelijk is vanaf 19 augustus 2003, het ogenblik waarop zijn ambtstermijn de tweede helft ingaat. De oppositie lijkt bereid dit akkoord te ondertekenen, maar de regering heeft een aantal amendementen voorgesteld. De ondertekening van het akkoord is uitgesteld. De regering staat echter onder internationale druk, vooral van leden van de „Groep van Vrienden”, om het akkoord te aanvaarden en te ondertekenen.
Tijdens de onderhandelingen over deze „voorovereenkomst” bestond er in hoofdzaak onenigheid over de vraag of de huidige president kan deelnemen aan de nieuwe verkiezingen indien zijn mandaat bij referendum wordt herroepen. Een oppositiepartij heeft het Hooggerechtshof hierover om verduidelijking gevraagd, maar het Hof heeft nog geen uitspraak gedaan.
De „voorovereenkomst” voorziet in de rol van waakhond voor de internationale actoren, zoals het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties, het Carter Center en de OAS. De Groep van Vrienden heeft zich tevreden getoond over de laatste ontwikkelingen en is bereid het toekomstige proces te ondersteunen.
De Commissie en de lidstaten volgen de situatie in Venezuela met grote aandacht. Omdat de Unie bezorgd is over de duidelijk kloof die in de samenleving ontstaat tussen de aanhangers en tegenstanders van president Chávez, heeft zij in verschillende verklaringen (oktober en december 2002, januari 2003) haar volledige steun uitgesproken voor de inspanningen van de OAS en de Groep van Vrienden om een nationale dialoog tussen de regering en de „Coordinadora Democrática” (georganiseerde oppositie) en andere relevante sectoren van de samenleving tot stand te brengen. De Unie heeft erop gewezen dat de crisis een vreedzame, democratische, constitutionele en electorale oplossing moet krijgen. Twee lidstaten (Spanje en Portugal) maken deel uit van de Groep van Vrienden.
Verder biedt de Commissie financiële steun voor de inspanningen van de OAS voor de vergemakkelijking van de huidige dialoog tussen de partijen en de uitvoering van mogelijke akkoorden ten aanzien van drie belangrijke punten: vrije en eerlijke verkiezingen, oprichting van een Waarheidscommissie die de gebeurtenissen van april 2002 moet onderzoeken en ontwapening van de burgerbevolking. De Commissie is tevens bereid om een verkiezingswaarnemingsmissie te sturen, indien het electoraat wordt geraadpleegd en de Venezolaanse regering om een dergelijke missie verzoekt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/347 |
(2004/C 88 E/0354)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1296/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(7 april 2003)
Betreft: Confrontaties in het zuiden van Nigeria
Volgens de media hebben er in het zuiden van Nigeria, in een regio rijk aan aardolie in de Nigerdelta, gevechten plaatsgevonden tussen het leger en twee militante groeperingen. Inwoners van de regio, die het reeds enkele dagen aanhoudende geweld zijn ontvlucht, spreken over beschietingen door zowel soldaten en rebellen en over de vernietiging van dorpen die worden platgebrand. Naar het schijnt zijn twee plaatselijke gemeenschappen, de Ijaw en de Itsekiri, bij de strijd betrokken en werden er reeds duizenden soldaten naar de regio gestuurd. Volgens leiders van de Ijaw-gemeenschap zijn er bij gevechtshandelingen met de marine en de landmacht in de plaats Okorenkoro op donderdag 50 strijders gedood: hun dorpen zouden door de troepen zijn omsingeld. De in de zone actieve internationale aardoliemaatschappijen hebben tijdens het weekeinde honderden inwoners geëvacueerd en als gevolg van de strijd hebben drie in de regio opererende maatschappijen — ChevronTexaco, Shell en de Nigeriaanse National Petroleum Corporation — hun productie moeten verlagen. De Nigeriaanse president, Olusegun Obasanjo, heeft er reeds voor gewaarschuwd dat het geweld een bedreiging vormt voor de volgende maand geplande verkiezingen.
Kan de Commissie antwoord geven op onderstaande vragen:
|
— |
Over welke informatie over deze gebeurtenissen beschikt zij? Komen de verkiezingen volgens haar in gevaar? |
|
— |
Welke stappen heeft zij ondernomen of denkt zij te ondernemen, vooral bij de Nigeriaanse autoriteiten? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(6 mei 2003)
De Commissie volgt de veiligheidssituatie in de staat Delta in Zuid-Nigeria zeer nauwlettend. In februari en maart 2003 waren er grootschalige geweldsuitbarstingen in en rond Warri, waarbij veel doden vielen en verschillende dorpen werden vernietigd bij gevechten tussen aanvankelijk de Urhobo en de Itsekiri, en vervolgens de Ijaw en de Itsekiri. In maart 2003 is een groot legercontingent naar het gebied gestuurd, terwijl het gerucht de ronde deed dat de veiligheidsdiensten ter vergelding van de dood van vier soldaten in het wilde weg aanvallen uitvoerden op Ijaw-gemeenschappen.
Het geweld lijkt gedeeltelijk te zijn veroorzaakt door lokale politieke belangen in de aanloop naar de verkiezingen van april 2003, waarbij onder de belangrijkste etnische groepen onenigheid heerste over het verdelen van functies als raadslid, maar is ook veroorzaakt door frustratie over het gebrek aan ontwikkeling in het gebied ondanks de enorme olierijkdom. Dit heeft geleid tot aanvallen op installaties van oliebedrijven en onlangs het opblazen van twee pijplijnen, waardoor de bedrijven de productie hebben moeten stilleggen en het personeel om veiligheidsredenen hebben teruggeroepen.
De situatie blijft onstabiel en gespannen. De regeringscommissaris voor de staat Delta kondigde aan bij de verkiezingen 7 000 politieagenten te zullen inzetten voor 3 500 stemhokjes. De onafhankelijke nationale kiescommissie verklaarde dat speciale veiligheidsmaatregelen nodig waren voor de verkiezingen in de staat Delta.
De Unie en een aantal andere organisaties beschikten in het land over teams van verkiezingswaarnemers. Het team van de Unie, dat bestond uit 111 waarnemers, is ingezet zoals gepland en heeft ernstige onregelmatigheden vastgesteld bij de presidents- en gouverneursverkiezingen in de staat Delta. De bevindingen van de waarnemers zijn in detail beschreven in hun tweede preliminaire verklaring van 22 april 2003. De delegatie van de Commissie heeft in de aanloop naar de verkiezingen samen met de vertegenwoordigers van de lidstaten de veiligheidssituatie in het land gevolgd. Zij hebben niet de aanbeveling gedaan de Nigeriaanse autoriteiten concreet aan te spreken op de problemen in de staat Delta.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/349 |
(2004/C 88 E/0355)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1310/03
van Bill Newton Dunn (ELDR) aan de Commissie
(7 april 2003)
Betreft: Situatie van de heer Abubakir, Nigeriaan en praktiserend christen
De Commissie is wellicht op de hoogte van de situatie van de heer Abubakir en zijn twee dochters Rakiya en Dije uit het dorp Bilkawa in de staat Kano, Nigeria. Er zijn aanwijzingen dat de moslimautoriteiten in Nigeria druk hebben uitgeoefend op de twee meisjes om zich tot de islam te bekeren en met moslimmannen te trouwen. Dit is een belangrijke kwestie, aangezien Nigeria het internationale handvest over burgerrechten en politieke rechten heeft ondertekend.
Heeft de Commissie
|
1. |
protest aangetekend bij de Nigeriaanse regering met betrekking tot de situatie van de heer Abubakir? |
|
2. |
andere plannen om ervoor te zorgen dat de Nigeriaanse autoriteiten de mensenrechten van de christelijke minderheid in hun land eerbiedigen? |
Antwoord van de heer Nielson Namens de Commissie
(6 mei 2003)
De Commissie is niet op de hoogte gesteld van de situatie van de heer Abubakir en zijn familie, en heeft over deze zaak geen protest aangetekend bij de Nigeriaanse autoriteiten. De Commissie heeft haar Delegatie in Abuja gevraagd inlichtingen in te winnen over deze zaak bij Federale ambtenaren en ambtenaren van de staat.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/349 |
(2004/C 88 E/0356)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1316/03
van Hanja Maij-Weggen (PPE-DE) aan de Commissie
(7 april 2003)
Betreft: De autonomie van Papoea (Indonesië)
Weet de Commissie dat de regering van Indonesië eind januari 2003 per decreet heeft bepaald dat er een versnelde driedeling van de provincie Papoea moet plaatsvinden?
Kan de Commissie meedelen hoe dit, op zich begrijpelijke decreet zich verhoudt tot een eerder besluit van de regering van Indonesië om Papoea een speciale autonomie te geven?
Is de Commissie bereid mee te delen wat precies de inhoud en uitwerking van deze speciale autonomie is op dit moment?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(15 mei 2003)
De Commissie volgt de ontwikkelingen in Oost-Indonesië op de voet, met name de situatie in Papoea en is welingelicht over het door het geachte parlementslid genoemde presidentiële decreet.
De provinciale en nationale overheden van Indonesië zijn besprekingen begonnen over de vraag hoe dit besluit om de provincie in drie afzonderlijke provincies te splitsen kan worden verenigd met de bepalingen van de Speciale Wet Autonomie (SAL) die in 2001 door het Parlement werd goedgekeurd. Tot op heden werd nog geen definitief besluit bekendgemaakt.
De Commissie verwijst het geachte parlementslid naar de conclusies van de Raad over Indonesië van 14 april 2003 waarin het belang wordt onderstreept van de volledige tenuitvoerlegging naar letter en geest van de SAL in Atjeh en Papoea en wordt gewezen op de noodzaak van meer duidelijkheid over de relatie tussen de SAL voor Papoea en het recente presidentiële decreet. Voorts uitte de Raad zijn bezorgdheid over de vertraging aan Indonesische zijde bij de aanvaarding van internationale steun bij de tenuitvoerlegging van de SAL.
Omdat de SAL nog moet worden uitgevoerd kunnen nog geen nadere gegevens worden verstrekt over de exacte vorm ervan en de eventuele gevolgen.
De delegatie van de Gemeenschap in Jakarta houdt samen met de vertegenwoordigers van de lidstaten toezicht op de situatie en zal in voorkomend geval aanbevelingen doen voor mogelijke maatregelen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/350 |
(2004/C 88 E/0357)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1317/03
van Nelly Maes (Verts/ALE) aan de Commissie
(7 april 2003)
Betreft: Uitvoering van communautaire programma's in Slowakije
Kan de Commissie gedetailleerde informatie verstrekken over het gebruik dat Slowakije heeft gemaakt van de fondsen ISPA, PHARE en Sapard voor 2000, 2001 en 2002 (tabellen, uitvoering en verdeling per regio)?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(12 juni 2003)
Wat PHARE betreft, werd ten behoeve van de Slowaakse Republiek een bedrag van bijna EUR 240 miljoen vastgelegd in het kader van bijstand van Phare voor de periode 2000/2002. Het totaal van de toewijzingen zoals weergegeven in de onderstaande tabel omvat onder andere financiering voor het Nationale programma, de programma's in het kader van de Grensoverschrijdende samenwerking (CBC), de deelname aan communautaire programma's en de bureaus en de bijstand op nucleair gebied (uit bedrijf nemen van Bohunice NPP).
|
Jaar |
Vastleggingen |
Opgenomen |
In % |
|
2000 (1) |
78 818 979 |
76 800 648 |
97,44 |
|
2001 (2) |
80 500 000 |
14 307 444 |
17,77 |
|
2002 (3) |
79 100 000 |
7 497 800 |
9,48 |
De bijstand in het kader van Phare was erop gericht Slowakije te helpen bij zijn inspanningen om te voldoen aan zijn verplichtingen met betrekking tot de aanpassing van de wetgeving en de tenuitvoerlegging van het acquis volgens de toezeggingen die werden gedaan tijdens de toetredingsonderhandelingen. Het Actieplan voor de versterking van de bestuurlijke en justitiële capaciteit, dat werd opgesteld in samenwerking met de Slowaakse autoriteiten, beschrijft de stappen die moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de bestuurlijke en justitiële capaciteit van de Slowaakse Republiek op het moment van toetreding een adequaat niveau heeft bereikt. De activiteiten werden geselecteerd met het oog op het realiseren van de prioriteiten van het Toetredingspartnerschap en in overeenstemming met het Nationaal programma voor de overname van het acquis (NPOA) van Slowakije.
Met betrekking tot de geografische spreiding van de bijstand van Phare in 2000 en 2001 bevonden de projecten die werden gefinancierd in het kader van de bevordering van de economische en sociale samenhang (Nationale programma's) zich in de regio's die door de Slowaakse regering werden aangeduid als de minst ontwikkelde gebieden, dat wil zeggen Košice, Prešov en Banská Bystrica. In 2000 en 2001 werd respectievelijk EUR 6,3 miljoen en EUR 18,4 miljoen toegewezen voor activiteiten ter bevordering van de economische en sociale samenhang.
De programma's in het kader van de Grensoverschrijdende samenwerking (CBC) voorzien in de financiering van een bepaald aantal infrastructuurprojecten (met name op het gebied van het leefmilieu, het transport en de economische ontwikkeling) in de volgende voor dergelijke steun in aanmerking komende regio's:
|
— |
CBC Slowakije/Hongarije: Bratislava, Trnava, Nitra, Banská Bystrica en Košice |
|
— |
CBC Slowakije/Polen: Zilina en Prešov |
|
— |
CBC Slowakije/Oostenrijk: Bratislava en Trnava. |
Voor deze samenwerking waren de toewijzingen in de referentieperiode als volgt:
|
|
2000 |
2001 |
2002 |
Totaal |
|
Slowaaks-Hongaarse grens |
2 |
2 |
2 |
6 |
|
Slowaaks-Poolse grens |
4 |
4 |
4 |
12 |
|
Slowaaks/Oostenrijkse grens |
6 |
6 |
6 |
18 |
|
Totaal |
12 |
12 |
12 |
36 |
Meer informatie over de tenuitvoerlegging van PHARE kan worden gevonden in de jaarverslagen van PHARE over 2000 en 2001 (http://europa.eu.int/comm/enlargement/pas/phare/publist.htm). Het PHARE-jaarverslag over 2002 zal later dit jaar worden goedgekeurd.
Wat ISPA betreft, bedroeg de totale toewijzing voor Slowakije EUR 278 miljoen voor 2000, 2001 en 2002. Daarvan was EUR 106 miljoen bestemd voor de milieusector en EUR 172 miljoen voor de transportsector. Samen met de nationale medefinciering vertegenwoordigt dit een totale projectwaarde van EUR 511 miljoen.
Gedurende de eerste drie jaar van de tenuitvoerlegging van ISPA werden elf milieuprojecten gefinancierd. Daarbij ging het voornamelijk om ondersteuning van de inspanningen van Slowakije om te voldoen aan de richtlijnen inzake drinkwater en afvalwater. Er was sprake van een goede geografische spreiding van de projecten.
De projecten in de transportsector hadden betrekking op drie spoorwegprojecten, waarmee werd beoogd de internationale spoorwegcorridor tussen Bratislava en Zilina te verbeteren, alsmede op een snelwegproject in Bratislava. Meer informatie over de tenuitvoerlegging van ISPA is te vinden in de jaarverslagen van ISPA over 2000 en 2001 (http://europa.eu.int/comm/regional_policy/funds/ispa/ docum_en.htm). Het ISPA-jaarverslag over 2002 zal later dit jaar worden goedgekeurd.
Verder is informatie te vinden op de website van ISPA: http://europa.eu.int/comm/regional_policy/funds/ ispa/ispaen.htm
Wat het Speciaal toetredingsprogramma voor landbouw en plattelandsontwikkeling (Sapard) betreft, werd aan de Slowaakse Republiek een bedrag van in totaal EUR 96 miljoen toegewezen voor periode van 2000 tot 2004. Het programma is gebaseerd op drie prioriteiten: (i) de verbetering van de landbouwproductie met inbegrip van de voedingsmiddelenindustrie (ii) duurzame plattelandsontwikkeling; (iii) ontwikkeling van menselijke hulpbronnen.
Aangezien het beheer en de tenuitvoerlegging van dit programma volledig gedecentraliseerd door de kandidaat-lidstaten zelf geschiedt, moesten de Slowaakse autoriteiten eerst een uitvoerend orgaan in het leven roepen (het zogenaamde Sapard-orgaan) en erkenning ervan verkrijgen alvorens het programma van start kon gaan.
Dit proces van goedkeuring (4) werd op 15 april 2002 afgerond met het besluit van de Commissie om het beheer van de bijstand in het kader van Sapard over te dragen aan de Slowaakse autoriteiten. Vanaf die datum kon Slowakije een begin maken met de tenuitvoerlegging van het Sapard-programma.
Sinds de eerste oproep tot het indienen van aanvragen voor financiële steun in het kader van het Sapard-programma keurde het Sapard-orgaan tot medio-maart 2003 75 projecten goed.
Deze projecten zijn als volgt verdeeld over de verschillende regio's:
|
Regio |
Ingediende projecten |
Goedgekeurde projecten |
|
B. Bystrica |
11 |
6 |
|
Kosice |
15 |
3 |
|
Nitra |
35 |
16 |
|
Presov |
12 |
9 |
|
Trencin |
13 |
10 |
|
Trnava |
35 |
10 |
|
Zilina |
29 |
21 |
|
Totaal |
150 |
75 |
Meer informatie over de tenuitvoerlegging van Sapard is te vinden in de jaarverslagen van Sapard over 2000 (http://europa.eu.int/comm/agriculture/publi/reports/sapard2000/index_en.htm) en 2001 (http:// europa.eu.int/comm/agriculture/publi/reports/sapard2001/index_en.htm). Het jaarverslag van Sapard over 2002 zal later dit jaar worden goedgekeurd.
Verdere informatie is te vinden op de website van het directoraat-generaal Landbouw (http://europa.eu.int/ comm/agriculture/external/enlarge/countries/slovakia/indexen.htm).
Tot slot is informatie over de tenuitvoerlegging van de drie pretoetredingsinstrumenten in 2002 opgenomen in het algemene-bijstandsdocument 2003 dat op 9 april 2003 aan het Phare-beheerscomité werd voorgelegd en dat binnenkort toegankelijk zal zijn via de website over de uitbreiding (http//europa.eu.int/comm/enlargement/docs/index.htm).
(1) Einde van de periode waarbinnen contracten moeten worden gesloten: 31 december 2002.
(2) Einde van de periode waarbinnen contracten moeten worden gesloten: 30 november 2003.
(3) Einde van de periode waarbinnen contracten moeten worden gesloten: 30 november 2004.
(4) Hiertoe heeft Slowakije zijn werkzaamheden met het oog op nationale erkenning van het orgaan afgerond. Dit proces werd besloten met een erkenningsbesluit van de bevoegde Slowaakse instantie op 19 december 2001. De Slowaakse autoriteiten stelden de Commissie van de erkenning in kennis en verstrekten een volledig informatiepakket aan de Commissie op 7 januari 2002. De Commissie onderzocht de basis voor de nationale erkenning en verkreeg aanvullende informatie en opheldering als onderdeel van een gedetailleerde audit.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/352 |
(2004/C 88 E/0358)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1321/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(8 april 2003)
Betreft: Terugkeer van vluchtelingen in Angola
Volgens de pers heeft het Hoge Commissariaat voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) zijn beklag gedaan over de schendingen van de rechten van de Angolese vluchtelingen die de Democratische Republiek Congo, de buurrepubliek Congo en Zambia wensen te verlaten om terug te keren naar Angola.
Volgens dezelfde bronnen zijn de vluchtelingen verplicht om een onwettige belasting te betalen of een deel van de bezittingen die ze met zich meevoeren, achter te laten aan de grensposten aan beide kanten van de grens, terwijl er geruchten zijn over verkrachtingen en een groot aantal vormen van discriminatie in de grensgebieden.
Volgens de ambtenaar die belast is met de bescherming van de vluchtelingen, Ester Benazri, is de toestand te wijten aan het feit dat de ontheemde bevolking niet gewacht heeft op de officiële repatriëring, die pas in mei begint, in de verwachting dat de situatie zou verbeteren door de verhoogde aanwezigheid van personeel van het Vluchtelingencommissariaat en de internationale gemeenschap in de grensgebieden.
|
— |
Over welke feitelijke informatie beschikt de Europese Commissie? |
|
— |
Welke stappen onderneemt ze of denkt ze te ondernemen bij de betrokken landen om de schendingen van de rechten van de mens zo spoedig mogelijk te laten ophouden? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(15 mei 2003)
De Commissie is op de hoogte van berichten over misbruik waarvan sommige Angolese vluchtelingen naar verluidt het slachtoffer zijn wanneer zij uit eigen beweging terugkeren vanuit naburige landen. De berichten maken melding van misbruik, zoals mishandeling, diefstal, seksueel misbruik en afpersing, met name aan de grens tussen Angola en de Democratische Republiek Congo. Dergelijke praktijken zijn strijdig met de Tripartiete Overeenkomsten inzake de repatriëring van vluchtelingen, die in november en december 2002 door de Angolese regering, de Hoge Commissaris van de VN voor vluchtelingen (UNHCR) en de regeringen van de Democratische Republiek Congo, Namibië, de Republiek Congo en Zambia zijn ondertekend.
Alhoewel het strikt gezien de taak is van de Angolese regering om een einde te maken aan dergelijke praktijken, verbindt de Commissie zich ertoe deze kwestie bij het UNHCR ter sprake te brengen in het licht van haar rol als ondertekenende partij van de Tripartiete Overeenkomsten en houdster van het speciaal mandaat voor vluchtelingen. De Commissie zal deze kwesties bovendien onderzoeken in het kader van toekomstige communautaire financiering van steun voor de repatriëring van vluchtelingen.
Indien deze beschuldigingen worden bevestigd en aanhouden, zal de Commissie in nauw overleg met de vertegenwoordigingen van de lidstaten in de betrokken landen verder bezien welke stappen bij de nationale autoriteiten dienen te worden ondernomen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/353 |
(2004/C 88 E/0359)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1336/03
van Ilka Schröder (GUE/NGL) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Vervolging van homoseksuelen in de Palestijnse autonome gebieden
In de pers (o.a. The New Republic, 19.8.2002; East Bay Voice, 19.9.2002; Ha'aretz, 6.3.2003/10.9.2001; Jerusalem Post, 5.6.2001) en door voorvechters van de burgerrechten (b.v. Agudah, http://agudah.israel-live.de) is de afgelopen maanden steeds weer bericht over ernstige schendingen van de mensenrechten van homo's, lesbiennes, transseksuelen en transgenderisten in de gebieden van de Palestijnse Autoriteit (PA). De berichten luiden als volgt: in 2000 werden vier Palestijnen wegens homoseksualiteit gedood en honderden gedwongen naar Israël te vluchten; het treiteren van homo's is praktisch officieel beleid van de PA; vaak worden de betrokkenen als collaborateurs bestempeld en als zodanig aangeklaagd; in de afgelopen drie jaar was echter ook sprake van twee gevallen waarin expliciet een aanklacht is ingediend wegens homoseksualiteit; in het kader van de „Al-Aqsa-Intifada” worden bovendien sharia-rechtbanken ingeschakeld waar homoseksuelen worden bedreigd met de doodstraf door steniging, verbranding en ophanging. Daarnaast verklaren dergelijke rechtbanken van homoseksualiteit verdachte personen „vogelvrij”, zodat de moord op deze personen ongestraft blijft. Verder zijn ernstige folteringen van homoseksuelen door de politie van de PA aan de orde van de dag.
De EU verleent enorm veel financiële steun aan deze regio. Sinds 1993 is een bedrag van meer dan 1,4 miljard euro naar de gebieden van de PA gevloeid en sinds juni 2001 heeft de EU aan de PA doorlopend een bedrag van 10 miljoen euro per maand beschikbaar gesteld via rechtstreekse betaling uit de begroting. Verder wordt aanzienlijke steun verleend in het kader van het MEDA-programma. Kan de Commissie meedelen of haar de bovengenoemde feiten met betrekking tot de situatie van homo's, lesbiennes, transseksuelen en transgenderisten in de gebieden van de PA bekend zijn? Heeft zij toegang tot nadere informatie? Zo ja, welke? Is het de Commissie bekend hoe de situatie van de homoseksuelen in de door de EU medegefinancierde UNRWA-kampen is? Heeft de Commissie al maatregelen genomen om verandering in deze ondraaglijke situatie te brengen? Zo neen, is de Commissie dan van mening dat de EU gezien de omvang van de steun aan de PA recht heeft op naleving door de PA van de verplichtingen op het gebied van de mensenrechten en dit recht ook moet afdwingen? Zo neen, deelt de Commissie dan de mening dat de EU en de lidstaten in dat geval de betrokkenen onverwijld en voor onbepaalde tijd asiel moeten verlenen? Zo neen, waarom niet?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(7 mei 2003)
De Commissie is op de hoogte van de door het geachte parlementslid genoemde persberichten over vervolging van homoseksuelen, en ook van informele meldingen van mensenrechtenschendingen in de Palestijnse gebieden.
De Commissie is bezorgd over deze berichten van mensenrechtenschendingen en heeft er in overleg met de internationale donoren bij de Palestijnse Autoriteit op aangedrongen democratische hervormingen uit te voeren, de rechtsstaat te waarborgen en de fundamentele mensenrechten te eerbiedigen.
De Unie neemt actief deel aan het Kwartet en de Internationale Task Force voor hervormingen in de Palestijnse gebieden, die in juli 2002 is opgericht om toezicht te houden op de implementatie van Palestijnse civiele hervormingen en deze te ondersteunen, en leiding te geven aan de internationale donorgemeenschap bij de steun voor de Palestijnse hervormingsagenda. De Task Force bestaat uit de Verenigde Staten, de Unie, de Russische Federatie, de Verenigde Naties, Noorwegen, Japan, Canada, de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds. De Task Force volgt de vorderingen op belangrijke gebieden, zoals het maatschappelijk middenveld, het overheidsbestuur en de rechtsstaat, en doet aanbevelingen voor verdere maatregelen die door de Palestijnse Autoriteit dienen te worden genomen.
De Commissie is niet op de hoogte van de door het geachte parlementslid genoemde concrete situatie van homoseksuelen onder de UNRWA-vluchtelingen, en heeft geen informatie over deze kwestie ontvangen.
De Commissie zal in het kader van de bilaterale betrekkingen van de Unie met de Palestijnse Autoriteit, en ook in overleg met de andere internationale donoren, de vorderingen bij de hervormingen blijven volgen.
Wat asiel betreft, herinnert de Commissie het geachte parlementslid eraan dat de aanvragen voor de erkenning van de asielstatus door de bevoegde instanties van de lidstaten per individueel geval, en in overeenstemming met het in 1951 in Genève gesloten Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, worden geëvalueerd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/354 |
(2004/C 88 E/0360)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1400/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(16 april 2003)
Betreft: Zetel van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid
Enkele dagen geleden heeft de Italiaanse pers bericht over een mogelijke splitsing van de toekomstige Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid in twee zetels, elk met verschillende taken en functies.
Volgens dit vermeende akkoord zou één zetel in Helsinki gevestigd worden en de volksgezondheids- en wetenschappelijke aspecten, evenals het voeding sbeleid en de GGO's moeten bestuderen. De tweede zetel zou in Parma gevestigd worden en de taak krijgen de kwaliteit en de oorsprong van de producten, alsook de voedingssector te controleren en tevens de Europese wijn- en eetcultuur te bevorderen.
Toch hebben het steuncomité voor de kandidatuur van Parma als zetel van de Autoriteit (waarvan de gemeente, de provincie, bankinstellingen en de universiteit deel uitmaken) en de grootste Italiaanse landbouworganisaties verbijsterd gereageerd op de mogelijke splitsing van de zetel, aangezien in Verordening (EG) nr. 178/2002 (1) tot oprichting van de Autoriteit slechts in één zetel voorzien wordt. Bovendien zou hiervoor een lange en ingewikkelde wetgevingsprocedure gevolgd moeten worden, hetgeen de volledige oprichting van de toekomstige tweede Autoriteit nog meer zou vertragen.
Niettemin heeft de Europese commissaris voor landbouw, Franz Fischler, zijn steun uitgesproken voor de splitsing van de Autoriteit in twee zetels, hetgeen hij technisch mogelijk acht. Ook de Italiaanse Minister van Landbouw, Giovanni Alemanno, heeft verklaard dat de twee zetels gelijkwaardig en onafhankelijk zullen zijn.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
1. |
Welke taken zullen de twee toekomstige agentschappen mogelijk krijgen en is het daadwerkelijk mogelijk de taken te verdelen, zoals hierboven beschreven? |
|
2. |
Op welke wettelijke bepalingen en op welke rechtsgrondslag zal de tweede Autoriteit, d.w.z. die met zetel te Parma, gebaseerd zijn? |
|
3. |
Wanneer zullen de twee agentschappen een feit zijn, ermee rekening houdend dat in Verordening (EG) nr. 178/2002 slechts in één zetel voorzien wordt? |
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(18 juni 2003)
Het geachte parlementslid wordt verwezen naar het antwoord van de Commissie op schriftelijke vraag P-l395/03 van de heer Colom I Naval (2) wat betreft de vaststelling van de zetel van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EAV).
Wat de vestiging van de EAV en de verdeling van de taken tussen voedselveiligheid en kwaliteit betreft, kan de Commissie de volgende informatie verstrekken:
|
— |
Volgens Verordening (EG) nr. 178/2002 (3) tot oprichting van de EAV heeft de wetenschappelijke opdracht van de autoriteit betrekking op alle aangelegenheden die direct of indirect van invloed kunnen zijn op de veiligheid van de voedselketen, inclusief alle gebieden in verband met de gezondheid en het welzijn van dieren en de gezondheid van planten. De EAV brengt ook wetenschappelijke adviezen uit over genetisch gemodificeerde organismen, ook al zijn deze geen levensmiddelen of voedermiddelen, alsook over voeding. |
|
— |
Het mandaat van de EAV en haar bevoegdheidsgebied omvatten bijgevolg geenszins de aspecten kwaliteit of bescherming van de oorsprong van levensmiddelen. |
|
— |
De EAV functioneert reeds. De raad van bestuur is in september 2002 met zijn werkzaamheden begonnen, de uitvoerend directeur is sinds begin 2003 in functie, alsook het adviesforum. Men is thans bezig met de oprichting van het wetenschappelijk comité en de wetenschappelijke panels van de EAV. Tenslotte is een eerste kern van personeel, met name wetenschappers, aangetrokken en andere aanwervingen zullen binnenkort plaatsvinden. |
|
— |
De eventuele oprichting van een agentschap voor herkomstbenamingen, geografische aanduidingen en specificiteitscertificaten is thans niet aan de orde. |
(1) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.
(2) PB C 242 E van 9.10.2003, blz. 228.
(3) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, PB L 31 van 1.2.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/356 |
(2004/C 88 E/0361)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1576/03
van Chris Davies (ELDR) aan de Commissie
(8 mei 2003)
Betreft: Energieheffing voor heel de Europese Unie
Welke stappen onderneemt de Europese Commissie na het recent akkoord in de Raad over de invoering van een minimum energieheffing in heel de Europese Unie om dat akkoord uit te voeren?
Tegen wanneer denkt ze de noodzakelijke maatregelen voor te stellen, en wanneer hoopt ze dat die in heel de Europese Unie toegepast zullen worden?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(5 juni 2003)
De Raad is op 23 maart 2003 met eenparigheid van stemmen tot een politiek akkoord gekomen over de ontwerprichtlijn voor een energieheffing. De Raad steunde het standpunt van de Commissie en besloot op 9 april 2003 opnieuw het Parlement te raadplegen. Dat besluit werd genomen omdat het laatste compromisvoorstel aanzienlijk afwijkt van het voorstel dat de Commissie in 1997 indiende (1). Het is daarom van belang dat het Parlement de gelegenheid krijgt advies uit te brengen over de ontwerprichtlijn.
Het formele besluit van de Raad tot goedkeuring van de richtlijn wordt pas genomen na het advies van het Parlement.
De Commissie zal de lidstaten en de kandidaat-lidstaten steun verlenen bij de omzetting van de richtlijn. Op het niveau van de diensten zullen technische bijeenkomsten worden georganiseerd om de omzettings-werkzaamheden te stroomlijnen en te zorgen voor een snel en kwalitatief hoogstaand omzettingsresultaat.
De richtlijn moet normaal gesproken op 1 januari 2004 in werking treden, met dien verstande dat enkele artikelen met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2003 zullen worden toegepast.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/356 |
(2004/C 88 E/0362)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1580/03
van Chris Davies (ELDR) aan de Commissie
(8 mei 2003)
Betreft: Gegevensanalyse inzake illegale drugs in de Europese Unie
Kan de Commissie naar aanleiding van het antwoord op mijn schriftelijke vraag E-0315/03 (1) meedelen of zij intussen beschikt over gemeenschappelijke definities in verband met het verzamelen en analyseren van gegevens over illegaal drugsgebruik?
Indien dit niet het geval is, welke maatregelen worden dan genomen om tot gemeenschappelijke definities te komen en wanneer worden deze maatregelen afgerond?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(16 juni 2003)
De aard van de gegevensverzameling maakt voortdurende inspanningen op communautair niveau en op het niveau van de lidstaten noodzakelijk om de vergelijkbaarheid en de betrouwbaarheid te verbeteren. Er zijn in dit verband werkzaamheden verricht in het kader van de volksgezondheidsprogramma's en door het EWDD (Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving), in samenwerking met het Europees statistisch systeem (ESS). Deze inspanningen zullen worden voortgezet.
Bovendien omvat de aanbeveling van de Raad betreffende de preventie van en de beperking van de risico's die samenhangen met drugsverslaving, die gereed is voor goedkeuring door de Raad, een aantal relevante maatregelen:
|
— |
ontwikkeling en toepassing van passende evaluatieprotocollen voor alle drugsprevenue- en risicobeperkingsprogramma's; |
|
— |
vaststelling en toepassing van evaluatiekwaliteitscriteria, rekening houdend met de aanbevelingen van het EWDD; |
|
— |
organisatie van gestandaardiseerde gegevensverzameling en informatieverspreiding overeenkomstig de aanbevelingen van het EWDD via de nationale knooppunten van REITOX (2). |
(1) PB C 51 E van 26.2.2004, blz. 18.
(2) Het Europees Netwerk voor informatie over drugs en drugsverslaving (REITOX) bestaat uit een nationaal knooppunt (NKP) in elk van de 15 lidstaten van de EU en Noorwegen, en een bij de Europese Commissie. De rol van een knooppunt omvat de coördinatie van zijn nationale informatiecentra om te voldoen aan de behoeften van het EWDD aan een stel kerngegevens, jaarlijkse nationale verslagen over de drugssituatie in elke lidstaat en een nationaal informatienetwerk (http://www.emcdda.org/partners/nfp.shtml).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/357 |
(2004/C 88 E/0363)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1607/03
van Antonio Tajani (PPE-DE) aan de Commissie
(7 mei 2003)
Betreft: Herhaalde schendingen van de mensenrechten in Cuba
In de eerste maanden van 2003 heeft het communistische regime van Cuba besloten de democratische oppositie de kop in te drukken door een campagne tegen journalisten, tegenstanders van het regime en mensenrechtenactivisten. Op 18 maart heeft de politie van Fidel Castro circa 80 personen gearresteerd die het gebrek aan democratie in Cuba aan de kaak stelden.
Op 1 april hebben elf oppositieleden een veerboot gekaapt om naar de VS te vluchten; tien dagen later zijn drie jonge deelnemers aan deze actie gefusilleerd.
In de daaropvolgende weken zijn steeds meer verklaringen over de onmenselijke omstandigheden waaronder gevangenen in Cuba leven naar buiten gekomen. Castro weigerde de VN echter toestemming voor een inspectie van de Cubaanse gevangenissen om te controleren of de mensenrechten in acht worden genomen. Volgens de Cubaanse Commissie voor de mensenrechten en de verzoening zijn er in Cuba ongeveer 300 politieke gevangenen.
Welke initiatieven denkt de Europese Commissie te nemen om de situatie van de mensenrechten in Cuba te verbeteren?
Is voorzitter Prodi voornemens er persoonlijk bij Castro op aan te dringen dat vertegenwoordigers van de Commissie en het Parlement een bezoek kunnen brengen aan Cuba om te controleren of en hoe de samenwerkingsfondsen van de Europese Unie worden besteed?
Hoe denkt de Commissie de rechten van Europese burgers die in Cuba leven en werken te beschermen?
Is voorzitter Prodi voornemens zijn steun te verlenen aan het verzoek van 31 Italiaanse EP-leden die een samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en de dictator willen sluiten zonder enige preventieve controle van het democratisch gehalte van de Cubaanse instellingen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(18 juni 2003)
De Unie heeft prompt, duidelijk en consequent gereageerd op de recente grootschalige arrestaties van dissidenten, de oneerlijke processen en de willekeurige en buitensporige straffen die aan hen werden opgelegd, en ook op de executie van drie Cubaanse burgers die werden beschuldigd van het kapen van een Cubaanse veerboot. De Commissie heeft volledig en actief de maatregelen gesteund die in dit verband zijn genomen.
Op 26 maart 2003 heeft de Commissie samen met de lidstaten dergelijke arrestaties in een verklaring scherp veroordeeld, hetgeen werd gevolgd door een demarche van de Unie in Havana om bij de Cubaanse autoriteiten aan te dringen op de onmiddellijke vrijlating van de gevangenen. Na de verklaring van de Raad Externe betrekkingen van 14 april 2003 vond op 18 april 2003 een tweede demarche van de Unie in Havana plaats.
Recentelijk zijn verdere maatregelen overeengekomen, waaronder de beperking van de contacten op hoog niveau.
De Commissie heeft op 30 april besloten de behandeling van de Cubaanse aanvraag voor toetreding tot de Overeenkomst van Cotonou op te schorten, om aan te geven dat deze recente ontwikkelingen niet bevorderlijk zijn voor samenwerking tussen de Unie en Cuba.
De Cubaanse autoriteiten hebben op 16 mei 2003 besloten hun aanvraag in te trekken.
Wat de financiering van de communautaire samenwerking betreft, maakt de recente opening van een delegatie in Havana een beter toezicht op het gebruik van fondsen mogelijk. De communautaire samenwerking is sinds 2000 gericht op projecten ter stimulering van economische hervormingen en de ontwikkeling van maatschappelijke organisaties. Zeven van de door de Commissie in Cuba gefinancierde projecten werden doorgelicht door een in 2002 door de Commissie aangestelde onafhankelijke missie, en er zijn plannen voor een nieuwe missie in het derde kwartaal van 2003.
Kwesties met betrekking tot de rechten van Europese burgers in Cuba vallen onder de bevoegdheid van hun respectieve nationale autoriteiten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/358 |
(2004/C 88 E/0364)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1629/03
van Eija-Riitta Korhola (PPE-DE) aan de Commissie
(14 mei 2003)
Betreft: Bevordering in de EU van producten uit de eerlijke handel
In de Europese week van de eerlijke handel, die op 3 mei van start gaat, promoten vertegenwoordigers van de civiele maatschappij in Finland de producten uit de eerlijke handel en moedigen zij onder meer kerkgemeenten ertoe aan in toenemende mate over te stappen op koffie uit de eerlijke handel.
Commissaris Pascal Lamy stelt in zijn antwoord op mijn schriftelijke vraag ((P-3856/02 van 24 januari 2003 (1)) het volgende: „Op de lange termijn kan echter alleen een voortdurend stijgende vraag naar producten uit de eerlijke handel van de kant van de Europese consumenten leiden tot omvangrijke prijsverlagingen (van producten uit de eerlijke handel).”
Heeft de EU mogelijkheden om de vraag naar producten uit de eerlijke handel te stimuleren, door de Europese week van de eerlijke handel (3-9 mei) duidelijk onder de aandacht te brengen en in verband te brengen met de reeds bij de oprichting van de Europese Gemeenschappen uitgesproken ideeën inzake de stabiliserende invloeden van grensoverschrijdende economische samenwerking (de Schuman-dag valt immers in de genoemde week)?
Is de Commissie voornemens de vraag naar producten uit de eerlijke handel in de instellingen en de lidstaten te stimuleren door middel van aanbestedingen?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(30 juni 2003)
De idee van een Europese week van de eerlijke handel, waarin de „eerlijke” producten bij een ruimer publiek bekend zouden kunnen worden gemaakt, is zeker de moeite waard om verder te worden uitgediept. Op het eerste gezicht zou een dergelijk initiatief stroken met het algemene beleid van de Commissie, die de bewustwording ten aanzien van producten van de eerlijke handel wil stimuleren door de financiering van particuliere initiatieven.
De Unie kan zich er evenwel moeilijk via dit antwoord toe verbinden een dergelijk initiatief uit te voeren, aangezien verder moet worden onderzocht in welke vorm die steun zou kunnen worden verleend. Daarom zou het nuttig zijn als de initiatiefnemers van de Week van de eerlijke handel zich tot de bevoegde diensten van de Commissie (het Directoraat-generaal Handel — DG Trade) zouden wenden om te laten onderzoeken welke steun de Commissie zou kunnen verlenen.
In dit verband moet erop worden gewezen dat tijdens de Week van de eerlijke handel in België (6-9 oktober 2003), naast een publiciteitscampagne, specifieke ondersteuningsacties zullen plaatsvinden. De ondernemingen zullen voorzover mogelijk ertoe worden aangezet producten van de eerlijke handel aan te bieden en daarmee door te gaan zolang als er vraag naar is.
De Commissie ondersteunt een aantal ontwikkelingslanden bij hun handelsbevordering, met als doel hun economische groei te stimuleren en de armoede terug te dringen. In dit verband wordt terdege rekening gehouden met de basisbeginselen van het concept van de eerlijke handel. Zoals vermeld in de mededeling over eerlijke handel (2), verwerven de producenten in ontwikkelingslanden door eerlijke handel meer inkomsten uit de verkoop van hun producten en krijgen zij meer kansen om nieuwe afzetmarkten te vinden. Eerlijke handel is bijzonder nuttig voor kleinschalige producenten, met name in de landbouwsector en de ambachtelijke sector, omdat kleine producenten in ontwikkelingslanden vaak in afgelegen plattelandsgebieden werken en te weinig produceren om rechtstreeks te kunnen uitvoeren. In een binnenkort verschijnend werkdocument van de diensten van de Commissie over „Handel in landbouwproducten, afhankelijkheid en armoede”, waarin op zoek wordt gegaan naar strategische elementen ter ondersteuning van landbouwers in ontwikkelingslanden die basisproducten verkopen, wordt eerlijke handel naar voren geschoven als een van de mogelijkheden om de producenten te helpen bij het aanboren van nieuwe marktsegmenten.
Ten slotte hecht de Commissie veel belang aan de bevordering van het gebruik van producten van de eerlijke handel. De koffie die tijdens vergaderingen in de gebouwen van de Commissie wordt aangeboden, is „eerlijke” koffie. Voorts voert de Commissie, in het kader van de bevordering van de sociale verantwoordelijkheid van de bedrijven, onderhandelingen over het gebruik en de bevordering van producten van de eerlijke handel in de Euro-City-supermarkt in Brussel en in alle verkooppunten die in de gebouwen van de Commissie zijn gevestigd.
(1) PB C 70 E van 20.3.2004, blz. 26.
(2) COM(1999)619 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/359 |
(2004/C 88 E/0365)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1631/03
van Carlos Coelho (PPE-DE) aan de Commissie
(12 mei 2003)
Betreft: Discriminatie op grond van nationaliteit
Onze Europese Gemeenschap heeft zich ontwikkeld tot meer dan alleen maar een economische eenheid. De 375 miljoen Europeanen zijn niet alleen consumenten op één grote markt, maar ook burgers van de Europese Unie die het recht hebben zich vrij daarbinnen te verplaatsen en zich overal op haar grondgebied te vestigen om persoonlijke of beroepsredenen, zonder bang te hoeven zijn gediscrimineerd te worden.
Ik heb een klacht ontvangen van een Portugees staatsburger die, in het kader van een internationale loopbaan in dienst van Shell Accounting Service in Glasgow, sinds ongeveer twee jaar in het Verenigd Koninkrijk (Schotland) woont en werkt. Hij zegt op grond van zijn nationaliteit gediscrimineerd te worden door de Bank Halifax (onderdeel van de Royal Bank of Scotland) die weigert in te gaan op zijn verzoek om een upgrade van zijn bankrekening met als argument dat hij daarvoor ten minste 3 jaar in het land woonachtig moet zijn. Zou hij als Europees burger niet dezelfde rechten en plichten moeten hebben als een staatsburger van het Verenigd Koninkrijk?
Artikel 12 van het EG-Verdrag bepaalt: „binnen de werkingssfeer van dit Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.” Betekent dit niet dat het door de Bank Halifax gevoerde beleid beschouwd kan worden als discriminatie die in strijd is met het wezen van de Europese Unie en dus een duidelijke schending is van het in het Verdrag vastgelegde beginsel dat niet gediscrimineerd mag worden?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(13 juni 2003)
In principe staat het een bank in het kader van zijn contractvrijheid vrij om met een potentiële klant contractuele overeenkomsten te sluiten. Die vrijheid betreft zowel het aangaan van een contractuele verhouding (dus bijvoorbeeld de opening van een rekening) als de voorwaarden waaronder een dergelijk overeenkomst wordt gesloten (met name de kosten voor het houden van rekeningen, rente, garantie voor rekening -courantkrediet).
Principieel is er dus geen bezwaar tegen dat de Halifax Bank een klant geen betere voorwaarden wil toekennen omdat hij minstens drie jaar in het land gewoond moet hebben voordat hij voor betere voorwaarden in aanmerking komt. Dat is niet per se een discriminatie op grond van nationaliteit. De redenen waarom de upgrade geweigerd wordt kunnen ook van zuiver economische aard zijn (risicobeoordeling, rekeningbeheer tot dan toe, omvang van inkomsten en uitgaven, betalingsdiscipline of andere redenen die klantafhankelijk zijn). De verstrekte gegevens zijn niet voldoende voor een ondubbelzinnige juridische beoordeling.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/360 |
(2004/C 88 E/0366)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1640/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(16 mei 2003)
Betreft: Tekort aan middelen voor instandhouding voorzieningen en voor co-financiering projecten in lidstaten die belastingverlaging gebruiken als concurrentievoordeel
|
1. |
Neemt de Commissie in een of meer in 2004 of 2007 tot de EU toetredende nieuwe lidstaten de trend waar dat de belastingen worden verlaagd, en daarbij met name de belastingen op hogere inkomens en bedrijfswinsten? |
|
2. |
Vindt deze verlaging plaats vanuit de verwachting dat een combinatie van lage belastingen met door de vanuit EU-fondsen te verstrekken subsidies een belangrijk concurrentievoordeel zal opleveren voor het verplaatsen van bedrijven vanuit de huidige lidstaten naar de toekomstige lidstaten? |
|
3. |
Gaat deze trend tevens gepaard met afschaffing van het minimumloon, afschaffing van maximale arbeidstijden voor werknemers, het opheffen van ontslagbescherming en het verminderen van rechten op sociale zekerheid, pensioenen en ziektekostenvergoedingen? |
|
4. |
In welke nieuw toetredende lidstaten is deze trend het sterkst? |
|
5. |
Welke nieuwe toetredende lidstaten hebben ervoor gekozen om aan deze trend niet mee te doen? |
|
6. |
Wordt reeds zichtbaar dat lidstaten die hun belastingen verlagen in de toekomst niet over toereikende middelen zullen beschikken voor instandhouding en modernisering van hun voorzieningen en voor cofinanciering van mede met steun uit EU-fondsen te financieren projecten, zodat zij in toenemende mate afhankelijk zullen worden van omvangrijke en langdurige leningen? |
|
7. |
Op welke wijze probeert de Commissie te vermijden dat lidstaten in het vooruitzicht van ontvangsten uit EU-fondsen nieuwe problemen creëren die negatieve gevolgen zullen hebben voor de omvang van de verlangde financiële middelen en voor de mogelijkheid om deze gelden in co-financiering daadwerkelijk te kunnen inzetten? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(27 juni 2003)
Wat de inachtneming van het beleid van de Gemeenschap in het algemeen betreft, wijst de Commissie erop dat de kandidaat-lidstaten zich er bij de toetredingsonderhandelingen toe hebben verbonden hun wetgeving en procedures te wijzigen om deze vóór 1 mei 2004 aan te passen aan alle gebieden van het communautair acquis, met uitzondering van gebieden waar overgangsregelingen zijn overeengekomen. De Commissie houdt toezicht op de tenuitvoerlegging van deze verbintenissen en brengt de Raad hierover regelmatig verslag uit. Zij is bezig met de voorbereiding van een uitgebreid Toezichtverslag dat op 5 november 2003 aan de Raad en het Parlement zal worden voorgelegd.
Sedert het eind van de jaren negentig is de verlaging van de wettelijke belastingtarieven bij de vennootschapsbelasting en de inkomstenbelasting niet alleen een trend die zich voordoet in de toetredende landen maar ook in de huidige lidstaten. In de meeste gevallen gaat de verlaging van de wettelijke belastingtarieven vergezeld van een verbreding van de belastinggrondslag zodat een eventueel verlies voor de begroting wordt gecompenseerd. In een aantal situaties wordt de verlaging van de belastingtarieven verder gecompenseerd door een verhoging van de BTW of andere indirecte belastingen (met name „groene” heffingen).
Sinds het begin van de jaren zeventig liet de verhouding van de feitelijke belastinginkomsten ten opzichte van het bruto binnenlands product (BBP) een vrijwel ononderbroken en aanhoudend stijgend lijn zien in de meeste landen van de Organisatie voor Economische en Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De voorlopige cijfers voor deze inkomsten voor 2001 vertonen nu een daling in een aantal OESO-landen (zowel in de huidige als in de toetredende landen), die doet vermoeden dat aan deze trend een einde is gekomen. Dit is echter ook deels een weerspiegeling van recente cyclische ontwikkelingen en een dalende aandelenmarkt.
Wat de kenmerken van het sociaal beleid betreft waarop het geachte parlementslid doelt in zijn vraag wordt erop gewezen dat de communautaire arbeidswetgeving een fundamenteel onderdeel vormt van het Europees sociaal acquis. Dit omvat 15 richtlijnen op uiteenlopende gebieden als voorlichting en raadpleging van werknemers, werktijden en bescherming van werknemers in deeltijd of met vaste contracten. De meeste van deze richtlijnen stellen minimumeisen vast, dat wil zeggen voor het aantal werkuren, rusttijden of jaarlijks verlof die door de toetredende landen in hun wetgeving moeten worden omgezet. De Commissie ziet nauwlettend toe op de tenuitvoerlegging hiervan. Het is niet de bedoeling om met deze richtlijnen de arbeidswetgeving binnen de Gemeenschap te harmoniseren. In alle richtlijnen is er een evenwicht tussen de bescherming van de rechten van werknemers en flexibiliteit. Op het gebied van individueel ontslag, minimumloon en collectieve rechten zijn er geen uitgebreide richtlijnen op Europees niveau. Het is de taak van de lidstaten zelf, zowel de huidige als toekomstige, om deze punten te regelen in overeenstemming met hun eigen tradities en in de context van hun specifieke arbeidssituatie.
Tot slot merkt de Commissie op dat zij in de loop van de onderhandelingen met zowel de huidige als toekomstige lidstaten over de programmeringdocumenten voor de Structuur-en Cohesiefondsen uitgebreid onderzoekt of hierbij de EU-wetgeving in acht wordt genomen, bijvoorbeeld de mededingingsvoorschriften die relevant zijn voor de tenuitvoerlegging van de Fondsen en gaat zij na of de bevoegde nationale of regionale autoriteiten met gedegen bestuurlijke en financiële regelingen komen die in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving. Nadat de programmeringdocumenten eenmaal zijn goedgekeurd bij een besluit van de Commissie houdt de Commissie toezicht op de tenuitvoerlegging en voert zij evaluaties uit.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/362 |
(2004/C 88 E/0367)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1641/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(16 mei 2003)
Betreft: Het niet-toekennen van de Sloveense nationaliteit aan mensen die in 1991 als ingezetenen van de deelstaat Slovenië de Joegoslavische nationaliteit hadden
|
1. |
Kan de Commissie bevestigen dat de toekomstige lidstaat Slovenië grote aantallen ingezetenen na de onafhankelijkheidsverklaring in 1991 heeft verwijderd uit de bevolkingsadministratie, zodat deze mensen in dat land nu geen recht meer hebben op onderwijs, werk, huisvesting, gezondheidszorg en pensioenen? |
|
2. |
Kan de Commissie tevens bevestigen dat ingezetenen van Slovenië met de toenmalige Joegoslavische nationaliteit, die om welke reden dan ook verzuimden gedurende de eerste zes maanden van de onafhankelijkheid de Sloveense nationaliteit aan te vragen, deze daarna niet meer hebben kunnen verkrijgen, tenzij zij in 1998 als permanente inwoners kortstondig recht hadden op het indienen van een nieuwe aanvraag? |
|
3. |
Heeft de vorming van een nieuwe staat in Slovenië ertoe geleid dat het aantal mensen zonder nationaliteit is gegroeid? Welke groepen van de bevolking zijn daarvan het meest slachtoffer geworden? Treft dit in het bijzonder mensen van wie de ouders behoorden tot de Italiaanse, Hongaarse, Duitse, Bosnische, Macedonische en Roma minderheden? |
|
4. |
Hebben de nieuwe lidstaten een verplichting om ingezetenen en voormalige ingezetenen, die de nationaliteit van een voorafgaande staat hadden, alsnog in de gelegenheid te stellen om de nieuwe nationaliteit te verwerven, waarbij niemand door tijdelijke afwezigheid, onwetendheid, ziekte of andere omstandigheden het gevaar loopt dat recht in de praktijk niet te kunnen uitoefenen? Krijgen benadeelden daartoe een herkansing? |
|
5. |
Heeft u tot nu toe een beleid gevoerd dat het verlies van nationaliteit en het intrekken van normale rechten voor vaste ingezetenen tegengaat? Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat nieuwe problemen ontstaan door het creëren van een groep statenloze en rechteloze tweederangs burgers? |
Bron: TV Nederland-2, actualiteitenprogramma 2-Vandaag,2.5.2003
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(30 juni 2003)
Toen Slovenië in 1991 zijn onafhankelijkheid verklaarde, kregen de burgers van de Socialistische Federale Republiek Joegoslavië (SFRJ) die in Slovenië verbleven, de mogelijkheid om het Sloveense staatsburgerschap aan te vragen. Er werd een termijn vastgesteld voor het indienen van aanvragen en een groot aantal mensen vroeg én kreeg het Sloveense staatsburgerschap. Anderen kozen voor het staatsburgerschap van een van de andere opvolgerstaten van de SFRJ, een aantal mensen verliet Slovenië en trok naar een andere opvolgerstaat van de SFRJ, en nog anderen ten slotte bleven in Slovenië zonder dat zij het staatsburgerschap aanvroegen. Zij die geen aanvraag voor het staatsburgerschap indienden, werden uit het bevolkingsregister geschrapt. Het betrof hier volgens het Sloveense ministerie van Binnenlandse Zaken 18 300 personen. De Commissie heeft echter geen enkele statistische informatie over de betrokken bevolkingsgroepen.
Met een in 1999 aangenomen wet werd geprobeerd de status van deze voormalige burgers van de SFRJ die in Slovenië woonden („de geschrapten”), te regelen door hen de mogelijkheid te bieden binnen de drie maanden een aanvraag voor een permanente verblijfsvergunning in te dienen. Volgens de Sloveense autoriteiten werden zo'n 13 000 dergelijke aanvragen ontvangen. In september 2002 waren er 10 200 aanvragen afgehandeld, waarvan 9 800 met positief gevolg. Voorts heeft een aantal mensen dat een permanente verblijfsvergunning had aangevraagd, ondertussen het Sloveense staatsburgerschap verworven.
In april 2003 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de termijn voor het indienen van aanvragen in de wet van 1999 te kort was en derhalve indruiste tegen de grondwet. Het Hof verzocht het parlement de betreffende wetgeving binnen zes maanden in overeenstemming te brengen met de grondwet.
Met de wijzigingen op de wet op het staatsburgerschap van oktober 2002 wordt beoogd het probleem van „de geschrapten” mede te helpen oplossen door de procedures voor het verwerven van het Sloveense staatsburgerschap te versoepelen voor statenlozen.
De kwestie van het staatsburgerschap bij nieuw gevormde staten is bijzonder ingewikkeld. De nationaliteit van een lidstaat is uitsluitend een zaak van de betrokken lidstaat, zoals wordt bevestigd in de aan het verdrag van Maastricht gehechte verklaring betreffende de nationaliteit van een lidstaat (1). Het komt derhalve aan elke lidstaat toe, met inachtneming van het Gemeenschapsrecht, de voorwaarden voor verwerving en verlies van nationaliteit vast te stellen (2). De Commissie heeft er bij de Sloveense autoriteiten evenwel op aangedrongen deze kwestie te regelen en heeft in haar jaarlijkse periodieke verslagen in het gedeelte betreffende de politieke criteria de vorderingen van het land gevolgd.
(1) Verklaring betreffende de nationaliteit van een lidstaat (PB C 191 van 29.7.1992).
(2) Cf. uitspraak van het Hofvan Justitie in de zaak-Micheletti (C-369/90 van 7.7.1992, Jurispr. 1992).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/363 |
(2004/C 88 E/0368)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1646/03
van María Rodríguez Ramos (PSE) aan de Commissie
(16 mei 2003)
Betreft: Toepassing van de vrijwaringsclausule op import in de EU van ingeblikte Satsumaspartjes uit China
In oktober 2002 stelde ik de Commissie een prioritaire schriftelijke vraag (P-2956/02 (1)) over de inwerkingstelling van de vrijwaringsclausule met het oog op de ongebreidelde toename van de import van gepelde mandarijnen uit China.
In haar antwoord wees de Commmissie erop dat zij in afwachting was van documenten van de Spaanse overheid, aangezien de tot dan toe voorliggende informatie niet voldeed aan de strikte WTO-regels op dit punt.
Kan de Commissie mededelen of de Spaanse overheid inmiddels alle verzochte informatie hierover heeft opgestuurd?
Zo ja, wat zijn de redenen waarom de Commissie nog niet het initiatief heeft genomen dat voor dergelijke gevallen is voorzien in verordening (EG) nr. 2201/96 (2)?
(1) PB C 161 E van 10.7.2003, blz. 55.
(2) PB L 297 van 21.11.1996, blz. 29.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/363 |
(2004/C 88 E/0369)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1920/03
van Carlos Bautista Ojeda (Verts/ALE) aan de Commissie
(12 juni 2003)
Betreft: Invoer van mandarijnenpartjes in blik afkomstig uit China
Op 5 juni 2002 heeft Spanje vanwege de sterk toegenomen invoer van mandarijnenpartjes in blik afkomstig uit de Volksrepubliek China een dringend verzoek aan de Commissie gericht om artikel 22 van verordening (EG) nr. 2201/96 (1) van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een vrijwaringsclausule die kan worden ingeroepen als de communautaire markt ten gevolge van de invoer verstoord geraakt.
Het is mogelijk dat de Commissie dit artikel niet heeft willen toepassen, hetzij omdat China tot de Wereldhandelsorganisatie is toegetreden, hetzij om andere redenen. Als dit het geval is,
|
— |
waarom heeft ze dan niet gekozen voor toepassing van de maatregelen zoals die worden genoemd in verordening (EG) nr. 3285/94 (2) inzake de „gemeenschappelijke regeling voor de invoer”? Ze heeft daarvoor van de Spaanse overheid immers alle benodigde verslagen ontvangen (het meest recente verslag dateert van maart 2003); |
|
— |
waarom is verordening (EG) nr. 427/2003 (3) van de Raad van 3 maart 2003 inzake een productspecifiek vrijwaringsmechanisme in de overgangsperiode voor producten uit de Volksrepubliek China niet toegepast? |
De communautaire markt voor mandarijnenpartjes wordt vrijwel uitsluitend door Spanje bevoorraad. Deze markt is nu ernstig — en onherroepelijk — verstoord. Wanneer denkt de Commissie maatregelen te treffen om de eigen markt te beschermen?
(1) PB L 297 van 21.11.1996, blz. 29.
(2) PB L 349 van 31.12.1994, blz. 53.
(3) PB L 65 van 8.3.2003, blz. 1.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/364 |
(2004/C 88 E/0370)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1921/03
van Carlos Bautista Ojeda (Verts/ALE) aan de Commissie
(12 juni 2003)
Betreft: Mandarijnenpartjes in blik afkomstig uit China
De sterk toegenomen invoer van mandarijnenpartjes in blik heeft geleid tot ernstige verstoringen van de communautaire markt. De productie van mandarijnen voor inmaken in blik vindt vrijwel uitsluitend in Spanje plaats. Tussen de oogst van 1998/1999 en die van 2001/2002 is de productie in dit land met ongeveer 36 % afgenomen.
Artikel 22 van verordening (EG) nr. 2201/96 (1) van de Raad bevat een vrijwaringsclausule waarin is bepaald dat als er zich een ernstige verstoring van de markt voordoet als gevolg van invoer, de Commissie maatregelen kan treffen, ofwel uit eigen beweging, ofwel op verzoek van een lidstaat. In dat laatste geval is de Commissie gehouden om binnen drie werkdagen na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek actie te ondernemen.
De Commissie is sinds 5 juni 2002 op de hoogte van de ernst van de toestand, aangezien dat de datum is waarop de Spaanse regering een verzoek heeft ingediend om dringend maatregelen te treffen. Waarom is dat tot nog toe niet gebeurd?
Waarom heeft de Commissie eigener beweging niets ondernomen?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Lamy namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-1646/03, E-1920/03 en E-1921/03
(25 juli 2003)
De Commissie neemt deze gelegenheid te baat de geachte parlementsleden ervan in kennis te stellen dat zij onlangs van de Spaanse regering een volledig gedocumenteerd verzoek heeft ontvangen krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 427/2003 van de Raad van 3 maart 2003 over een productspecifiek vrijwaringsmechanisme in de overgangsperiode voor producten uit de Volksrepubliek China en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 519/94 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (2).
De Commissie ziet de spoedeisendheid van het verzoek in; het wordt reeds bestudeerd, terwijl een kopie van het verzoek met het oog op overleg reeds aan alle lidstaten is toegezonden.
(1) PB L 297 van 21.11.1996, blz. 29.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/365 |
(2004/C 88 E/0371)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1677/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(19 mei 2003)
Betreft: Cuba — Cotonou
Naar aanleiding van de tragische gebeurtenissen van enkele weken geleden heeft de Commissie aangekondigd voor onbepaalde tijd haar behandeling van het verzoek van Cuba om toe te treden tot de Overeenkomst van Cotonou, op te schorten. Deze reactie is te verwelkomen maar komt rijkelijk laat, gezien de verontrustende aanwijzingen voor de zeer ernstige verslechtering van de mensenrechtensituatie op Cuba.
Ter herinnering: ter gelegenheid van de opening van de vertegenwoordiging van de Commissie op Havanna verklaarde Commissaris Poul Nielson geen obstakels te zien voor de toetreding van Cuba tot de Overeenkomst van Cotonou.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Beschikt zij tegen de achtergrond van de recente onthullingen over gegevens over de werkelijke situatie op Cuba? |
|
— |
Vormden de feiten zoals die bekend waren op de datum van de opening van de vertegenwoordiging — met name de beschuldigingen die door Oswaldo Payá zijn geuit tijdens de plechtige uitreiking van de Sacharov-prijs (zie onze schriftelijke vraag van 12 maart 2003) — niet reeds voldoende aanwijzingen voor de bedenkelijke aard van het Cubaanse regime? |
|
— |
Aan welke minimumvoorwaarden (Einde van de politieke vervolgingen? Onvoorwaardelijke invrijheidstelling van alle politieke gevangenen? Democratisering van de politieke structuren en besluitvormingsprocedures?) moet de Cubaanse regering voldoen om weer het vertrouwen van de bij de Overeenkomst aangesloten landen terug te winnen? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(15 juli 2003)
De Commissie heeft de situatie in Cuba altijd nauwlettend gevolgd en kan deze nog beter volgen sinds de opening van een delegatie in Havana.
Tijdens zijn bezoek aan Havana van 9 tot en met 15 maart 2003 had eurocommissaris Nielson van ontwikkeling en humanitaire hulp een bijeenkomst met een groep dissidenten en kon hij rechtstreeks kennis nemen van wat zij denken over de mensenrechtensituatie in Cuba. Sommige vertegenwoordigers van Cubaanse maatschappelijke organisaties uitten bezwaren tegen het Cubaanse lidmaatschap van de Overeenkomst van Cotonou. Anderen, zoals Osvaldo Payá, noemden de overeenkomst een historische kans en waarschijnlijk de enige overeenkomst die in 44 jaar door de Cubaanse regering is ondertekend met bindende bepalingen inzake democratisering en mensenrechten.
In de verklaring van het voorzitterschap van 26 maart 2003, de conclusies van de Raad van 14 april 2003 en de resolutie van het Parlement van 10 april 2003 is het optreden van Cuba veroordeeld en gesteld dat dit de betrekkingen tussen de Unie en Cuba en de vooruitzichten voor meer samenwerking zal beïnvloeden. Op haar bijeenkomst van 30 april 2003 heeft de Commissie herhaald dat zij „de situatie scherp veroordeelt en dat er volgens haar reden is om de behandeling van de Cubaanse aanvraag voor toetreding tot de Overeenkomst van Cotonou op te schorten. In het licht van de herverkiezing van Cuba in de VN-mensenrechtencommissie is zij van mening dat de lidmaatschapsvoorwaarden van deze commissie serieus moeten worden onderzocht”.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/366 |
(2004/C 88 E/0372)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1680/03
van Anna Karamanou (PSE) aan de Commissie
(15 mei 2003)
Betreft: Folterpraktijken en onmenselijke behandeling van vrouwen in de Turkse gevangenissen
Op 13 juni zal de eerste rechtszitting worden gehouden over de zaak van de twee vrouwen, mevrouw Naziye Tsogaltav, 22 jaar, en mevrouw Soenai Yesildag, 28 jaar, die gefolterd werden tijdens hun verblijf in de gevangenis in Istanbul. De twee vrouwen werden in hechtenis genomen op 23 september 2002 omdat ze lid zouden zijn van een illegale organisatie. Tijdens hun gevangenschap werden ze gefolterd, hetgeen door een gerechtsarts werd bevestigd. De twee vrouwen werden geslagen en kregen elektrische shocks. Daarna moesten ze de mond openen en nadat hun folteraars erin hadden gespuwd werden ze verplicht het spuugsel in te slikken.
De barbaarse gevangenisomstandigheden waarin bepaalde gevangenen in Turkije moeten leven staan haaks op de fundamentele mensenrechten en vormen een regelrechte schending van de internationale overeenkomsten en beginselen van democratie en vrijheid. Kan de Commissie zeggen of zij denkt stappen te ondernemen om de folterpraktijken in de gevangenissen een halt toe te roepen, om het gevangenissysteem van Turkije, een kandidaat-land voor de toetreding, te vermenselijken en voorrang te geven aan de eerbiediging van de mensenrechten van vrouwen?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(10 juni 2003)
De Commissie is op de hoogte van de problemen in Turkije inzake foltering (hetgeen voornamelijk tijdens de voorlopige hechtenis onder politiebewaring gebeurt), geweld tegen vrouwen en omstandigheden waarin gevangenen worden vastgehouden. In haar periodiek verslag 2002 over Turkije (1) heeft de Commissie de belangrijkste aandachtspunten op deze gebieden aangegeven. Het recentelijk goedgekeurde herziene partnerschap voor toetreding met Turkije geeft de prioritaire gebieden aan met betrekking tot deze aandachtspunten.
Prioritair is onder meer de implementatie van maatregelen ter bestrijding van foltering, overeenkomstig artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de aanbevelingen van het Europees Comité tegen foltering. Prioritair is ook de goedkeuring van verdere maatregelen om ervoor te zorgen dat aanklagers tijdig en doeltreffend onderzoek instellen naar vermeende gevallen van foltering en dat rechtbanken degenen die veroordeeld zijn voor foltering een passende straf opleggen. In verband met de omstandigheden waarin gevangenen worden vastgehouden wijst het partnerschap voor toetreding erop dat Turkije dient te garanderen dat gedetineerden hun recht op toegang tot een advocaat en op voorlichting van hun familieleden in de praktijk kunnen uitoefenen, vanaf het begin van hun hechtenis, overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Turkije wordt ook verzocht de omstandigheden in gevangenissen verder aan te passen aan de normen in de lidstaten.
Zoals deze prioriteiten aangeven, zijn er volgens de Commissie wel enige vorderingen gemaakt, maar zijn er nog steeds aanzienlijke verbeteringen nodig met betrekking tot de implementatie van de wetgeving. Volgens recente rapporten van het VN-comité tegen foltering, Amnesty International en de Wereldorganisatie tegen foltering (OMCT) vormt foltering tijdens de voorlopige hechtenis, waaronder seksueel en fysiek geweld tegen vrouwen, nog steeds een groot probleem in Turkije.
De Commissie merkt echter op dat Turkije in de strijd tegen foltering aanzienlijke vorderingen heeft gemaakt op het gebied van de hervorming van de wetgeving. Turkije heeft met name de verplichting laten vallen dat een hogere functionaris toestemming dient te verlenen voor het instellen van een onderzoek naar een politiefunctionaris die beschuldigd wordt van foltering. Verder kunnen gevangenisstraffen voor foltering nu niet meer worden teruggebracht tot geldboetes, schorsing van de politiefunctionaris in kwestie of enige andere maatregel. Beklaagden hebben nu onder de bevoegdheid van de staatsveiligheidsrecht-banken, zoals alle andere beklaagden, toegang tot een advocaat vanaf het begin van hun hechtenis.
Als kandidaat-lidstaat tracht Turkije te voldoen aan de politieke criteria van Kopenhagen. Dit houdt in dat een einde wordt gemaakt aan alle soorten folteringen en het recht op volledige uitoefening van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden wordt gegarandeerd, overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de desbetreffende internationale en Europese instrumenten waarbij Turkije partij is. De Commissie zal toezicht blijven houden op alle ontwikkelingen in verband met vermeende folteringen in Turkije, en ook op de implementatie van bovengenoemde wetgeving.
(1) COM(2002) 700 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/367 |
(2004/C 88 E/0373)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1708/03
van Emma Bonino (NI) aan de Commissie
(19 mei 2003)
Betreft: Moord op Joyce Miamuna Katai, staatscommissaris voor Vrouwenzaken en Sociale Ontwikkeling van de Nigeriaanse staat Nasarawa
Op 5 mei jl. is Joyce Miamuna Katai, staatscommissaris voor Vrouwenzaken en Sociale Ontwikkeling van de Nigeriaanse staat Nasarawa (centraal Nigeria) in de stad Toto vermoord. Twee van haar assistenten zijn eveneens vermoord, een derde, Phoebe Ayenajeh, is kunnen ontkomen. Deze driedubbele moord, die plaatsvond in een politiebureau, was volgens een woordvoerder van de ordehandhavers een regelrechte lynchpartij.
De bevolking had zich tot Joyce Miamuna Katai gewend om hulp en bescherming te vragen tegen een gewapende georganiseerde bende, die probeerde de stembussen te ontvreemden om de uitslag te kunnen vervalsen. De commissaris heeft geprobeerd hulp te bieden door de plaatselijke politie in te schakelen, maar deze heeft niet eens haarzelf kunnen beschermen.
De institutionele rol van Joyce Katai, commissaris voor Vrouwenzaken en Sociale Ontwikkeling, maakte deel uit van het regeringsprogramma van president Obasanjo en van de gouverneur van de staat Nasarawa, Abdullahi Adamu, die het onderwijs aan vrouwen en de sociale vooruitgang van de vrouw beschouwden als een hoeksteen van het democratiseringsproces van het land.
Het presidentschap van Obasanjo heeft een sterke impuls gegeven aan het democratiseringsproces in Nigeria, een land waarin tot 1999, het jaar waarin Obasanjo werd verkozen, voortdurend staatsgrepen plaatsvonden. Na de verklaring van de regering in 2002, naar aanleiding van de kwestie Amina Lawal, dat bepaalde aspecten van het islamitische recht in strijd zijn met de grondwet, zijn de spanningen tussen de islamitische en de christelijke bevolkingsgroepen weer opgelaaid en hebben zelfs geleid tot moorden onder de burgerbevolking, dit naar aanleiding van de Miss World-verkiezing die in Nigeria had moeten plaatsvinden.
De first lady, Stella Obasanjo, heeft de politiek van de president ten gunste van de rechten van de vrouw gesteund door het volgen door vrouwen van universitair onderwijs en hun actieve deelname aan het maatschappelijk en politiek leven van het land te stimuleren, en hen aan te moedigen zich voor belangrijke posten kandidaat te stellen, alsmede door een internationaal appel te lanceren tegen de praktijk van het besnijden van vrouwen, waaraan 40 procent van de jonge vrouwen en meisjes in Nigeria nog steeds worden onderworpen.
Is de Commissie op de hoogte van de ernstige feiten die zich hebben voorgedaan in de staat Nasarawa?
Heeft de Commissie president Obasanjo en de vertegenwoordigers van de democratische Nigeriaanse staten reeds in kennis gesteld van haar verontwaardiging over wat er op 5 mei jl. is gebeurd?
Welke maatregelen is de Commissie voornemens te nemen, in het licht van de bijzondere ernst van deze feiten, om het democratiseringsproces in de democratische Nigeriaanse staten te bevorderen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(10 juli 2003)
De Commissie is ervan op de hoogte dat mevrouw Joyce Miamuna Katai op 3 mei 2003 in het stemlokaal Rafin Kunama in Toto in de staat Nasarawa door jongeren is vermoord. Het ziet ernaar uit dat de overledene verkiezingsfraude wilde stoppen, toen door jongeren is aangevallen en achtervolgd op haar weg naar het lokale politiebureau, waar regeringscommissaris Miamuna Katai en twee van haar assistenten zijn gedood.
De Commissie heeft bij de autoriteiten geen concrete demarche ondernomen met betrekking tot deze zaak, maar in haar schrijven om president Obasanjo met zijn herverkiezing te feliciteren expliciet verwezen naar het verkiezingsgeweld. Ook heeft zij erop aangedrongen alle gevallen grondig te onderzoeken en de daders voor de rechter te brengen.
De Commissie steunt de overgang naar de democratie in Nigeria. De op 23 juni 2000 in Cotonou ondertekende ACS-EG-partnerschapsovereenkomst somt in artikel 9 drie fundamentele elementen op: eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat. Het op 16 juli 2002 met Nigeria ondertekende nationale strategiedocument (1) houdt directe steun in voor maatregelen ter bevordering van deze beginselen. Nigeria staat ook centraal in het kader van het Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR). De Commissie heeft lokale waarnemers ondersteund en een groot internationaal team afgevaardigd om de recente verkiezingen te volgen.
(1) http://europa.eu.int/comm/development/body/csp_rsp/csp_en.cfm
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/368 |
(2004/C 88 E/0374)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1746/03
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(20 mei 2003)
Betreft: Archeologische vindplaats Carrickmines Castle
Kan de Commissie mededelen hoe het staat met haar onderzoek naar de uitvoering van de milieueffectrapportage overeenkomstig Richtlijn 85/337/EEG (1), met name het verzuim om de gevolgen voor de archeologische vindplaats bij het kasteel van Carrickmines te beoordelen? Kan de Commissie, in de wetenschap dat de tijd dringt wegens de dreigende vernietiging van deze rijke archeologische vindplaats, in aansluiting op haar antwoord op mondelinge vraag H-0649/02 (2) mededelen wanneer zij denkt te kunnen rapporteren over haar onderzoek?
Aanvullend Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(5 april 2004)
In juli 2003 heeft de Commissie zelf deskundig advies ingewonnen over de archeologische aspecten van de milieueffectrapportage (MER) die overeenkomstig Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (3) is uitgevoerd ten aanzien van het M50-autowegproject. Zij heeft de Ierse autoriteiten om commentaar verzocht, dat zij intussen heeft ontvangen. Vervolgens heeft zij het geachte parlementslid een exemplaar van zowel het deskundig advies als het antwoord van de Ierse autoriteiten doen toekomen.
(1) PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40.
(2) Schriftelijk antwoord van 22.10.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/369 |
(2004/C 88 E/0375)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1750/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(27 mei 2003)
Betreft: Samenwerking met Angola: stabiliteit — gedemobiliseerde UNITA-strijders
Er verschijnen veel berichten over de zorgwekkende situatie van gedemobiliseerde voormalige strijders van UNITA. De leiders van deze partij hebben de regering van Angola hierop reeds meerdere malen aangesproken en ook VN-organisaties hebben blijk gegeven van hun bezorgdheid. De reïntegratie van deze ex-militairen en hun gezinnen in het maatschappelijke en beroepsleven maakte enerzijds deel uit van de akkoorden die een einde maakten aan het langdurige militaire conflict en is anderzijds van doorslaggevend belang voor de stabiliteit van het land. De ontevredenheid, de ontworteling, de armoede, de honger en het gebrek aan toekomstperspectieven kunnen leiden tot wanhoop en vormen de gevaarlijke kiem voor zeer ernstige sociale onrust en haarden van instabiliteit door het hele land.
Hoewel de toestand (zij het met veel moeite en een groot gebrek aan middelen) met de nodige steun onder betrekkelijke controle kan worden gehouden zolang deze ex-militairen van UNITA en hun gezinnen verblijven in de circa dertig opvangkampen die onmiddellijk na het beëindigen van het gewapende conflict zijn ingericht, kan zij in menselijk en sociaal opzicht snel verslechteren als deze kampen plotseling worden gesloten en er op de plaats van bestemming van deze bevolkingsgroepen nog geen minimale voorzieningen zijn ingericht voor opvang en reïntegratie of de nodige maatregelen zijn getroffen in verband met beroepsscholing, herstel van de landbouw en landbouwvoorlichting.
In antwoord op mijn eerdere vraag van 4 maart 2003 (E-0608/03 (1)) bevestigt de Commissie via commissaris Poul Nielson — waarvan akte en waarvoor dank — het streven om de steun van de Gemeenschap op middellange en lange termijn te concentreren op sociale sectoren (gezondheid en onderwijs) en op de voedselvoorziening en thans prioriteit te geven aan de financiering van de nodige middelen voor de ondersteuning van het vredes- en nationaal verzoeningsproces.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Over welke informatie over de gedemobiliseerde UNITA-strijders beschikt zij? |
|
— |
Welke maatregelen treft zij of is zij voornemens te treffen in dit verband? |
|
— |
Is zij bereid een bepaald deel van het totale budget dat is uitgetrokken voor de op 28 januari 2003 vastgestelde samenwerkingsstrategie te reserveren voor de verbetering van de levensomstandigheden van de gedemobiliseerde UNITA-strijders, met name op het gebied van dorpsherstel, landbouwvoorlichting, gezondheidszorg, onderwijs en beroepsopleiding, en zo rechtstreeks bij te dragen tot de verwezenlijking van het desbetreffende onderdeel van de vredesakkoorden en tot vrede, verzoening en stabilisering in Angola? |
|
— |
Staat zij ervoor open dat deze specifieke programma's samen met de regering en met UNITA worden uitgevoerd, naar het voorbeeld van de Wereldbank die hetzelfde overweegt te doen? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(18 juli 2003)
De demobilisatie en reïntegratie van voormalige UNITA-soldaten is van essentieel belang voor het succes van het vredesproces en er zijn inderdaad klachten geweest over de aanpak van het demobilisatie- en rëïntegratieproces door de regering. Na de officiële sluiting van de verzamelgebieden op 31 maart 2003 zijn een groot aantal voormalige UNITA-soldaten en hun gezinnen overgebracht naar transitcentra, vanwaar zij naar hun nieuwe vestigingsgebieden dienden te worden overgebracht. Er is logistiek oponthoud geweest en duizenden personen verblijven nog steeds in deze centra met onvoldoende faciliteiten, omdat de omstandigheden in de nieuwe vestigingsgebieden nog niet optimaal zijn. Het aantal voormalige strijdenden (en hun gezinsleden) blijkt echter veel hoger dan voorzien in het memorandum van overeenstemming van april 2002 (ongeveer 105 000 voormalige strijdenden in plaats van 55 000). Daarmee heeft de regering een geldige verklaring voor sommige ondervonden problemen.
De Commissie is ervan overtuigd dat het op 180 miljoen euro geraamde spoedprogramma voor demobilisatie en reïntegratie (ADRP), dat de regering heeft opgesteld en waarover zij heeft onderhandeld met de Wereldbank, deze problemen zal aanpakken en oplossen. Zoals vermeld in het antwoord op schriftelijke vraag E-l678/0 (2) van het geachte parlementslid, neemt de Commissie deel aan het ADRP met een bijdrage van 20 miljoen euro voor het trustfonds van meerdere donoren in het kader van het meerlandenprogramma voor demobilisatie en reïntegratie (MDRP).
De Commissie is niet alleen betrokken bij het ADRP: de voormalige UNITA-soldaten en hun gezinnen ontvangen ook steun in de vorm van zaaizaad, gereedschap en voedselhulp in het kader van het noodhulpprogramma van 30 miljoen euro ter ondersteuning van het vredesprogramma. Voormalige UNITA-strijdenden en hun gezinnen hebben ook door de Gemeenschap gefinancierde noodrantsoenen ontvangen en steun op het gebied van de gezondheidszorg. Het steunprogramma van de Commissie voor de wederopbouw (Programa de Apoio à Reconstrução), dat het belangrijkste programma is voor het herstel en de wederopbouw van het platteland in Angola (5 5 miljoen euro) en zich richt op de verbetering van de toegang tot elementaire sociale voorzieningen in de centrale hooglanden, zal verder ook steun verlenen aan teruggekeerde voormalige UNITA-soldaten en hun gezinnen. De Commissie overweegt momenteel in het kader van het 9e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) een financiële bijdrage te verlenen aan het FAS (Fondo de Apoio Social). De doelstelling van dit fonds (nu in zijn 3e fase) is te komen tot een beter, uitgebreid en duurzaam gebruik van elementaire sociale en economische voorzieningen en de ondersteuning van een bestuursstelsel waarin de lokale overheid en de gemeenschappen wederzijds verantwoording dienen af te leggen.
Tenslotte dient te worden opgemerkt dat het maken van onderscheid tussen de verschillende groepen (voormalige strijdenden, ontheemden, teruggekeerde vluchtelingen, enz.) in het algemeen niet raadzaam is, aangezien dit aanleiding kan geven tot spanningen tussen deze groepen. UNITA is natuurlijk een bijzonder geval en een voorkeursbehandeling van de voormalige strijdenden en hun gezinnen in het belang van de consolidering van het vredesproces is onvermijdelijk. De situatie is echter delicaat en dient omzichtig te worden benaderd. De Commissie staat open voor een gezamenlijk beheer van specifieke programma's door de regering en UNITA.
(1) PB C 33 E van 6.2.2004, blz. 57.
(2) Zie blz. 39.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/370 |
(2004/C 88 E/0376)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1751/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(27 mei 2003)
Betreft: Venezuela — Werkloosheid en referendum
Volgens berichten in de Venezolaanse media zou het werkloosheidscijfer in dit land zijn gestegen tot 22,6 % en zouden er in het afgelopen jaar 792 811 personen hun baan zijn kwijtgeraakt.
Uit talrijke artikelen blijkt voorts dat de politieke situatie in het land hoogst onduidelijk is, dat er nog altijd spanningen bestaan tussen aanhangers van president Chavez en de oppositie en dat er aanwijzingen bestaan dat de president zelf op allerlei manieren probeert een referendum ter herroeping van zijn mandaat te voorkomen.
Kan de Commissie, onder verwijzing naar de resolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2003, antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Over welke informatie beschikt zij ten aanzien van de politieke, sociale en economische situatie in Venezuela? |
|
— |
Hoe voorziet zij de ontwikkelingen op middellange/lange termijn? |
|
— |
Heeft zij in enigerlei vorm iets gedaan aan de gevolgen van de crisis in Venezuela voor plaatselijke gemeenschappen van emigranten die uit de lidstaten afkomstig zijn? |
|
— |
Overweegt zij de mogelijkheid om steun te verlenen aan deze emigranten uit de lidstaten en hun afstammelingen als de situatie zich mocht verslechteren? |
|
— |
Over welke informatie beschikt zij ten aanzien van de pogingen door de president van Venezuela en diens regering om invloed uit te oefenen op de omstandigheden die een correctief referendum mogelijk moeten maken? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(10 juli 2003)
De politieke situatie in Venezuela blijft instabiel met een maatschappij die sterk verdeeld is tussen de aanhangers en de tegenstanders van de regering. Op 29 mei hebben vertegenwoordigers van de regering en de oppositie een akkoord ondertekend. Het akkoord omvat de drie kernpunten die aan de onderhandelingstafel aan de orde waren: steun voor een op verkiezingen gebaseerde oplossing, een onderzoek naar de gebeurtenissen van april 2002 en ontwapening van de burgerbevolking. Het akkoord opent de deur naar een referendum, voorzien in de grondwet, en maakt aldus de weg vrij voor een „grondwettelijke, vredige, democratische en op verkiezingen gebaseerde” oplossing waarom is gevraagd door de internationale gemeenschap, de Europese Unie inbegrepen.
Het is moeilijk te voorspellen hoe de situatie in Venezuela zich zal ontwikkelen. De procedure voorziet in de benoeming van leden van de Nationale Electorale Raad (CNE). De vijf leden van deze Raad moeten worden benoemd door de Nationale Assemblee, waarin overeenstemming wellicht moeilijk te bereiken zal zijn. Het is niet duidelijk of de CNE na zijn benoeming zal besluiten tot geldigverklaring van de handtekeningen die de oppositie verzamelde in een poging om in februari 2003 een niet-bindend referendum te laten houden tegen het aanblijven van President Chávez. Zoniet dan zal de oppositie een nieuwe poging moeten ondernemen om de benodigde handtekeningen voor het referendum te verzamelen. De CNE zal de geldigheid van de handtekeningen moeten controleren en moeten nagaan of het vereiste percentage (ten minste 20 % van de geregisteerde stemgerechtigden) is bereikt. President Chávez heeft verklaard dat hij artikel 72 van de grondwet en het akkoord zal respecteren. Hij heeft benadrukt dat het referendum niet beperkt dient te blijven tot de President maar ook betrekking dient te hebben op andere gekozen autoriteiten. Een andere mogelijkheid voor President Chávez is het uitroepen van vervroegde verkiezingen.
Tegelijktijd maakt de economie een ernstige crisis door met ernstige sociale gevolgen. Voor 2003 wordt een economische krimp van 15 % voorspeld en een sterke stijging van de werkloosheid, die thans ongeveer 20 % bedraagt.
De Commissie volgt de politieke situatie nauwlettend. De Europese Unie heeft haar volledige steun uitgesproken voor de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), de tripartite werkgroep in samenwerking met het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en het Carter-centrum alsmede de Groep van Vrienden bij hun pogingen om de nationale dialoog te bevorderen. De Unie heeft in verscheidene verklaringen de noodzaak benadrukt van een vredige, democratische, grondwettelijke en op verkiezingen gebaseerde oplossing. In haar laatste verklaring spreekt de Unie haar instemming uit met het door de Venezolaanse regering en de oppositie ondertekende politieke akkoord van 29 mei 2003 en roept zij alle betrokkenen op onverwijld de nodige vervolgmaatregelen te nemen om het akkoord ten uitvoer te leggen. Voorts is de bereidheid van de Unie benadrukt om bijstand te verlenen bij de uitvoering van het akkoord.
Naar aanleiding van de huidige crisis heeft de Commissie haar goedkeuring gegeven voor een project om de OAS te helpen bij de tenuitvoerlegging van eventuele akkoorden die tussen de partijen worden bereikt met bemiddeling van de OAS. Het project, waarvoor 600 000 EUR beschikbaar is, heeft betrekking op de drie kernpunten van het akkoord: steun voor een op verkiezingen gebaseerde oplossing, een onderzoek naar de gebeurtenissen van april 2002 en ontwapening van de burgerbevolking. Verder staat Venezuela op de lijst van landen die de Commissie als prioriteit heeft aangemerkt voor verkiezingswaarneming ingeval er verkiezingen gehouden worden. Een definitief besluit over het sturen van verkiezingswaarnemers zou moeten worden genomen op basis van de uitkomst van een oriënterende missie om te beoordelen of een EU-verkiezingswaarnemingsmissie wenselijk, nuttig en haalbaar zou zijn. Het besluit over het zenden van een oriënterende missie zal worden genomen zodra het verdere verloop van het verkiezingsproces bekend is.
Op het niveau van de Europese Unie zijn geen specifieke acties ondernomen met het oog op de bescherming van burgers van de Unie die zich in Venezuela bevinden. De bescherming en ondersteuning van deze burgers is een taak van hun lidstaten van herkomst.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/372 |
(2004/C 88 E/0377)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1767/03
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(28 mei 2003)
Betreft: Christenvervolging in Indonesië
Voortdurend bereiken ons berichten uit Indonesië over de vervolging van christenen door moslims in dat land. Niettemin zijn er christenen gearresteerd wegens het aanzetten tot sectarisch geweld, zoals in het geval van de drie christenen die in september 2000 in Palu, midden-Sulawesi werden gearresteerd en schuldig werden bevonden aan een halsmisdaad. Tijdens het proces stonden duizenden demonstranten buiten de rechtszaal leuzen te scanderen en bedreigingen te uiten aan het adres van advocaten en getuigen. Als gevolg daarvan was er van de achttien getuigen die aanvankelijk bereid waren om als getuige à décharge op te treden slechts één bereid om te getuigen en waren er van de vier advocaten die bereid waren de verdediging op zich te nemen slechts twee bereid de aangeklaagden te verdedigen.
Heeft de Commissie aanwijzingen omtrent het lot van deze mannen en heeft zij hun zaak, alsmede de voortdurende vervolging van christenen in verscheidene delen van Indonesië ter sprake gebracht? Heeft de Commissie aanwijzingen dat het geweld al dan niet officieel was geregisseerd of in enigerlei vorm door de autoriteiten werd gesteund, en denkt de Commissie dat de situatie verbetert of verslechtert?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(30 juni 2003)
De vraag betreft Fabianus Tibo, Marianus Riwu en Dominggus da Silva, allen in april 2001 door het districtshof van Palu ter dood veroordeelt voor hun betrokkenheid bij het oproer in Poso in mei-juni 2000. Bij dit oproer kwamen tot 200 mensen om het leven. In mei 2001 verwierp het Hooggerechtshof van Centraal-Sulawesi zaken in beroep waarbij lichtere straffen werden gevraagd. De drie verdachten hebben in september 2002 een verzoek ingediend om heropening van hun zaak. Tot dusver is geen verder besluit genomen.
De Commissie heeft de situatie in Centraal-Sulawesi nauwlettend gevolgd en zal dit blijven doen, met inbegrip van de rechtszaken in verband met geweld in de regio. De Commissie heeft ook humanitaire hulp verstrekt aan intern ontheemden en lokale gemeenschappen via het Europees Bureau voor Humanitaire Hulp (ECHO) en de programma's voor hulp aan ontwortelde bevolkingsgroepen.
Volgens de counterparts van de Gemeenschap en andere internationale organisaties en internationale NGO's die in Centraal-Sulawesi werken, is de situatie aldaar het afgelopen jaar gestabiliseerd. Het proces van Malino (1) biedt ondanks enkele belangrijke tekortkomingen de mogelijkheid een begin te maken met de oplossing van het conflict.
(1) In december 2001 organiseerde de nationale regering, onder leiding van Coördinerend Minister voor Welzijn, Jusuf Kalla, een tweedaagse bijeenkomst tussen 25 moslim-leiders en 24 christelijke leiders uit Poso in de stad Malino in Zuid-Sulawesi. De twee partijen kwamen overeen hun conflict te beëindigen en samen te werken aan vredeshandhaving in Poso in Centraal-Sulawesi, en stelden een gemeenschappelijke verklaring van tien punten op (de „verklaring van Malino”). De onmiddellijke prioriteit van de regering is de elkaar bestrijdende gemeenschappen te scheiden en vrede en orde te handhaven; dit zal worden gevolgd door het verspreiden van de verklaring van Malino onder de bevolking. Extra veiligheidspersoneel is ingezet en heeft grootschalige operaties uitgevoerd om militia-personeel en strijders aan beide zijden te ontwapenen. De regering verstrekt tevens financiële hulp (tot 100 miljard rupia's: USD 10 miljoen) voor hervestiging van ontheemden en wederopbouw. Sinds de bijeenkomst van Malino en de daaropvolgende maatregelen is de veiligheidssituatie in Poso sterk verbeterd, zijn transportverbindingen hersteld en zijn duizenden wapens vrijwillig ingeleverd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/373 |
(2004/C 88 E/0378)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1776/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(28 mei 2003)
Betreft: Astma en allergieën bij kinderen
In een recent rapport van de Wereldgezondheidsorganisatie wordt opgemerkt dat het aantal gevallen van astma en allergieën bij kinderen in Europa tussen de jaren '70 en '90 is verdubbeld.
Heeft de Commissie haar eigen analyse van de oorzaken en omvat die ook slechte luchtkwaliteit en het effect van synthetische chemische stoffen in water en voeding?
Wat is de zienswijze van de Commissie over de stelling van de Wereldgezondheidsorganisatie dat in tenminste twee EU-landen — het Verenigd Koninkrijk en Italië — het aantal gevallen van astma en allergieën bij kinderen afneemt?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(19 juni 2003)
In het kader van het communautair actieprogramma inzake met de milieuverontreiniging samenhangende ziekten binnen het actiekader op het gebied van de volksgezondheid (1999/2001) (1) heeft de Commissie verschillende projecten voor de preventie van astma en ademhalingsallergieën gefinancierd. De lijst en een korte beschrijving van deze projecten vindt u op onze website op het volgende adres: (http://europa.eu.int/ comm/health).
Volgens talrijke wetenschappelijke studies is de oorzaak van astma en allergische aandoeningen multifactorieel en daarom zeer moeilijk aan te pakken.
De Commissie beschikt niet over specifieke informatie over een daling van het aantal gevallen van astma en allergieën in Italië en het Verenigd Koninkrijk.
Een vermindering van het aantal personen dat aan deze ziekten lijdt, is één van de prioriteiten van het nieuwe programma op het gebied van de volksgezondheid dat op 23 september 2002 (2) is goedgekeurd. De preventie van astma en ademhalingsallergieën is bovendien ook een prioriteit in de mededeling van de Commissie „Een Europese strategie voor milieu en gezondheid”, die op 11 juni 2003 is goedgekeurd en die u kunt vinden op onze website op het volgende adres: http://europa.eu.int/comm/press room/presspacks/health/pp health en.htm.
(1) Besluit nr. 1296/1999/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 1999 tot vaststelling van een communautair actieprogramma inzake met de milieuverontreiniging samenhangende ziekten binnen het actiekader op het gebied van de volksgezondheid (1999-2001), PB L 155 van 22.6.1999.
(2) Besluit nr. 1786/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008) — Verklaringen van de Commissie, PB L 271 van 9.10.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/373 |
(2004/C 88 E/0379)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1800/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(28 mei 2003)
Betreft: SARS en luchtverversing aan boord van vliegtuigen
Welke voorschriften gelden er voor luchtvaartmaatschappijen in de EU met betrekking tot HEPA (High Efficiency Particulate Air) -filters? Hoe vaak worden dergelijke filters verwisseld? Hoe snel verliezen deze filters hun werking? Waarom is het überhaupt nodig dat passagiers ververste lucht moeten inademen? Binnen hoeveel minuten moet de lucht in de cabine volledig zijn ververst? Wanneer de verdenking bestaat dat er passagiers zijn besmet, welke procedure moet er dan worden gevolgd om te voorkomen dat er nog meer passagiers door hetzelfde vliegtuig worden besmet? Is de Commissie ervan overtuigd dat deze procedures thans afdoende zijn om de betrokken risico's het hoofd te bieden?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(15 juli 2003)
Alle na 1985 geconstrueerde vliegtuigen zijn uitgerust met HEPA-standaardfilters (High Efficiency Particulate Air) in het recirculatiesysteem. HEPA-filters zijn uiterst geschikt om stof en door de lucht verspreide contaminanten (bijvoorbeeld druppeltjes, bacteriën en grote microben) te verwijderen. De normale levensduur van een HEPA-filter bedraagt één C-Check, d.w.z. dat een filter 12 tot 18 maanden kan worden gebruikt. De filters boeten tijdens het gebruik niets van hun doeltreffendheid in, mits bepaalde onderdelen tijdig worden vervangen.
Tijdens een vlucht wordt de lucht in de cabine voortdurend ververst. Afhankelijk van het type vliegtuig wordt de lucht in de cabine om de twee minuten volledig ververst. Dankzij gerecirculeerde lucht kan het brandstofverbruik van de airconditioning worden verlaagd. Uit metingen van Europese vliegtuigproducenten blijkt dat gerecirculeerde lucht op de grond zuiverder is dan buitenlucht.
Het netwerk voor epidemiologische surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten in de Europese Gemeenschap heeft de technische richtsnoeren („Recommendation by the European Community for airlines, flight personnel and ground medical personnel for measures to be taken before and during flights from countries with local transmission of SARS”) van de EU-deskundigengroep inzake sars onderschreven. In het document worden maatregelen en procedures aanbevolen voor het geval dat aan boord mogelijke gevallen van sars worden vastgesteld.
In de richtsnoeren wordt onder meer aanbevolen wat stewards/stewardessen moeten doen als een passagier symptomen als koorts, hoest of kortademigheid vertoont of duidelijk ziek is. De passagier moet worden verzocht een mondmasker te dragen en de mensen die hem helpen moeten een FFP2/3-masker dragen. Indien mogelijk moet de passagier apart worden gezet, d.w.z. zo ver mogelijk van de overige passagiers. Als de passagier zeer duidelijke symptomen vertoont (bijvoorbeeld een zware hoest), moeten minstens alle passagiers op een afstand van twee à drie meter (ongeveer twee rijen) van de zieke passagier en alle bemanningsleden een masker dragen.
De luchtvaartmaatschappijen wordt ook aanbevolen voorlichtingsmateriaal over potentiële risico's aan de passagiers uit te delen. Bovendien moeten de passagiers die op minder dan twee meter van de zieke passagier zitten, en de bemanningsleden, een registratiekaart (als bij het vertrek geen registratiekaart is ingevuld) en een blad met informatie („Important health information for passengers concerning possible contact with the severe acute respiratory syndrome (SARS)”) krijgen. Verder wordt aanbevolen dat de luchtvaartmaatschappij de registratiekaarten verzamelt en tot 14 dagen na de landing ter beschikking van de gezondheidsautoriteiten houdt.
Nadere informatie vindt u op de Europa-website: (http://europa.eu.int/comm/health/ph_threats/com/sars/ keydo_sars_en.htm).
De Commissie voert momenteel besprekingen met de lidstaten, de internationale luchtvervoersorganisaties en de luchthavenautoriteiten over de vraag hoe deze aanbevelingen in de praktijk kunnen worden gebracht.
Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie is het risico uiterst klein dat sars in vliegtuigen wordt overgedragen. Tot dusver zijn op vier vluchten symptomatische gevallen van (vermoedelijk) sars in verband gebracht met een mogelijke overdracht van de ziekte aan boord. Twee van deze vluchten dateren van voor 15 maart 2003, de dag waarop de Wereldgezondheidsorganisatie haar reisadvies heeft uitgebracht. Er zijn geen nieuwe gevallen van sars aan boord gemeld sinds de passagiers bij het vertrek worden gescreend (d.w.z. sinds 23 maart 2003).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/375 |
(2004/C 88 E/0380)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1806/03
van Konstantinos Hatzidakis (PPE-DE) aan de Commissie
(23 mei 2003)
Betreft: Betalingen uit het tweede communautaire steunkader aan de lidstaten van de Europese Unie
De procedure van de uitbetaling van kredieten uit het tweede communautaire steunkader is begonnen. Zou de Commissie mij in dit verband kunnen mededelen:
|
— |
wat is het bedrag dat elke lidstaat heeft aangevraagd en het bedrag dat hij uiteindelijk heeft verkregen? |
|
— |
wat is voor elke lidstaat het bedrag van de kredieten die niet werden geclaimd? |
|
— |
wat is het totale bedrag van de vastleggingen dat beantwoordt aan de kredieten die niet door een lidstaat werden geclaimd? |
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(23 juni 2003)
De Commissie verwijst het geachte parlementslid naar haar antwoord op mondelinge vraag nr. H-0310/03 van de heer Mastorakis in het vragenuur van de voltallige zitting van het Parlement van juni 2003 (1).
(1) Op 3.6.2003 gegeven schriftelijk antwoord.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/375 |
(2004/C 88 E/0381)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1821/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(2 juni 2003)
Betreft: Vlees in worst
Is de Commissie zeker dat de consument via de op het etiket vermelde ingrediënten van worst helderheid krijgt over wat hij eet, met name over het vetgehalte? Welke maatregelen zijn er, nu de voedselindustrie nieuwe producten heeft ontwikkeld, genomen om ervoor te zorgen dat vetten tijdens het koken hun vaste vorm behouden om aan de consument duidelijk te maken dat het vetgehalte van voordeelworsten is gestegen?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(10 juli 2003)
De etikettering van direct voor consumptie geschikte worsten moet beantwoorden aan de voorschriften van Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 (1), gewijzigd bij Richtlijn 2001/101/EG van de Commissie van 26 november 2001 (2) en Richtlijn 2002/86/EG van de Commissie van 6 november 2002 (3).
Krachtens Richtlijn 2000/13/EG (artikel 7, lid 2) moet de hoeveelheid van het ingrediënt dat het levensmiddel karakteriseert, worden vermeld. Bijgevolg moet bij worsten de hoeveelheid vlees verplicht worden vermeld.
Het is niet verplicht de hoeveelheid vet in het vlees of het eindproduct te vermelden. Vlees kan echter alleen als vlees worden bestempeld als het vetgehalte bepaalde grenswaarden niet overschrijdt: het vetgehalte van varkensvlees en rundvlees mag bijvoorbeeld niet meer dan respectievelijk 30 % en 25 % bedragen (zie de bijlage bij Richtlijn 2001/101/EG).
Als deze grenswaarden worden overschreden, moet het vleesgehalte naar beneden worden aangepast en de aanwezigheid van vet in de lijst van ingrediënten worden vermeld.
Krachtens Richtlijn 2002/86/EG moet de etikettering van de betreffende producten vanaf 1 juli 2003 aan de bovenstaande voorschriften beantwoorden.
(1) Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, PB L 109 van 6.5.2000.
(2) Richtlijn 2001/101/EG van de Commissie van 26 november 2001 tot wijziging van Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, PB L 310 van 28.11.2001.
(3) Richtlijn 2002/86/EG van de Commissie van 6 november 2002 tot wijziging van Richtlijn 2001/101/EG wat betreft de ingangsdatum van het verbod op het handelsverkeer in producten die niet in overeenstemming zijn met Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad, PB L 305 van 7.11.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/376 |
(2004/C 88 E/0382)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1931/03
van Horst Schnellhardt (PPE-DE) aan de Commissie
(5 juni 2003)
Betreft: Praktische uitvoering van de Europese normen voor levensmiddelen in de kandidaatlanden
Volgens persberichten bestaan er ernstige problemen bij de praktische uitvoering van de Europese normen voor levensmiddelen in de bedrijven in de kandidaatlanden voor toetreding.
Ik zou in dit verband de Commissie willen vragen:
|
1. |
Hoe kritisch moeten we zijn bij het beoordelen van deze informatie? |
|
2. |
Door hoeveel bedrijven in Polen en Hongarije werd er om een overgangstermijn gevraagd? Om hoeveel procent van het totale aantal bedrijven gaat het hier? |
|
3. |
Welke maatregelen heeft de Europese Commissie genomen om te garanderen dat bedrijven in de levensmiddelensector die de hygiënische voorschriften niet goed naleven vanaf 1 mei 2004 zullen moeten sluiten? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(30 juni 2003)
De Commissie volgt de voedselveiligheidskwesties in de toetredende landen nauwlettend. Op de dag van toetreding moeten alle nieuwe lidstaten de strenge, door het acquis communautaire gedefinieerde Europese normen toepassen.
In algemene termen hebben de kandidaat-lidstaten al belangrijke vorderingen op het gebied van de voedselveiligheid gemaakt. Ongetwijfeld zal de toetreding tot de Unie leiden tot een significante verbetering van de voedselveiiigheidsnormen in deze landen.
De Commissie volgt de ontwikkelingen in de toetredende landen nauwlettend door middel van regelmatige missies van het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie, peer reviews en andere missies, aangevuld met diverse andere instrumenten zoals de toezichttabellen en de overeenstemmingstabellen. Elk tot dusver geconstateerd probleem is aan de respectieve landen gemeld. Mochten op de dag van toetreding nog problemen op het gebied van voedselveiligheid worden geconstateerd, dan zullen passende maatregelen, mogelijk vrijwaringsmaatregelen, genomen worden om de consumenten in de Unie te beschermen.
Wat betreft agro-voedingsbedrijven in Polen en Hongarije: bij de afsluiting van de toetredingsonderhandelingen in december 2002 werd een beperkt aantal overgangsperioden toegekend. Deze werden toegekend aan 370 vleesbedrijven in Polen (waaronder koelhuizen en visverwerkingsbedrijven). Deze vertegenwoordigen 13 % van het op de datum van toetreding verwachte totaal aantal Poolse vleesbedrijven. Ook werden overgangsperioden toegekend aan 169 Poolse melkbedrijven, 51 % van het op de datum van toetreding verwachte totaal aantal Poolse melkbedrijven. Deze overgangsperioden voor Polen gelden tot 31 december 2007. In Hongarije zijn aan 44 vleesbedrijven met grote capaciteit overgangsperioden toegekend; 7 % van het totaal aantal Hongaarse vleesbedrijven. Deze overgangsperioden voor Hongarije zijn geldig tot 31 december 2006.
Tijdens de overgangsperiode moeten alle producten van bedrijven waarop een dergelijke overgangsmaatregel van toepassing is van een speciaal etiket worden voorzien en mogen deze producten alleen op de lokale markt worden gebracht; het zal dan ook verboden zijn deze producten op de interne markt te brengen.
Op basis van het toezicht van de Commissie moeten agro-voedingsbedrijven zonder overgangsperiode die bij toetreding niet voldoen aan de voedselveiligheidseisen van de Unie gesloten worden. Ondertussen helpt de Commissie bij de modernisering van agro-voedingsbedrijven door het verstrekken van expertise via TAIEX en via peer reviews, opleiding en het Twinning-programma. Ook verstrekt de Commissie significante financiële steun in het kader van PHARE en Sapard.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/377 |
(2004/C 88 E/0383)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1933/03
van Dana Scallon (PPE-DE) aan de Commissie
(5 juni 2003)
Betreft: Sociale ontwikkeling
In het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad over hulp en maatregelen inzake reproductieve en seksuele gezondheid en rechten in ontwikkelingslanden (1) wordt voorzien in middelen voor gezondheidszorg in ontwikkelingslanden. In de loop van de wetgevingsprocedure is duidelijk geworden dat de Commissie voornemens is om de in het kader van dit programma toegekende middelen onder andere te gebruiken voor het financieren van abortus op verzoek.
Wat betreft de bevoegdheid van de Gemeenschap voor ontwikkelingsbeleid, artikel 177, lid 1 van het Verdrag, is sprake van de term „sociale ontwikkeling”, die ruimte biedt voor interpretatie. In de artikelen 136 tot 145 van het Verdrag wordt de term „ontwikkeling” gebezigd voor sociaal beleid in het kader van intern beleid. Het is onbetwistbaar dat de Gemeenschap niet bevoegd is om wetgeving inzake abortus in het leven te roepen binnen de Gemeenschap noch daarvoor middelen ter beschikking te stellen. Het is dan ook inconsequent als dezelfde juridische term uiteenlopend wordt geïnterpreteerd. Het lijkt met het oog op artikel 5, eerste zin van het Verdrag correct om artikel 177, lid 1 van het Verdrag dienovereenkomstig te interpreteren, dat wil zeggen dat activiteiten die de Gemeenschap intern niet mag ontwikkelen ook daarbuiten niet toegelaten zijn.
Interpreteert de Commissie de term „sociale ontwikkeling” uit artikel 177, lid 1 van het Verdrag als een rechtsgrondslag voor activiteiten die abortus op verzoek mogelijk maken?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(30 juni 2003)
De recent goedgekeurde Verordening betreffende steun voor beleid en maatregelen op het gebied van reproductieve en seksuele gezondheid en rechten in ontwikkelingslanden (2) is gericht op het verschaffen van middelen voor innovatieve acties ter verbetering van de reproductieve en seksuele gezondheid van mannen en vrouwen in ontwikkelingslanden. De bewering van de geachte Afgevaardigde dat met deze verordening abortus op verzoek wordt bekostigd, is misleidend. Overweging 16 van die verordening luidt namelijk als volgt: „Regelingen ter bevordering van sterilisatie of abortus als methode voor geboorte-planning en oneigenlijke methoden voor het testen van anticonceptiemiddelen in ontwikkelingslanden komen niet in aanmerking voor steun uit hoofde van deze verordening. Bij het ten uitvoer leggen van samenwerkingmaatregelen, dient de op de ICPD (3), met name in punt 8.25, genomen beslissing dat abortus nooit mag worden gepropageerd als methode voor geboorteplanning, streng in acht te worden genomen. Post-abortusadviezen, voorlichting en geboorteplanningdiensten moeten snel ter beschikking worden gesteld, hetgeen zal bijdragen tot het voorkomen van latere abortussen.”
Zoals reeds in het antwoord van de Commissie op schriftelijke vraag E-3323/02 (4) van de geachte Afgevaardigde is uiteengezet, is de bevoegdheid van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkelingssamenwerking vastgelegd in titel XX van het EG-Verdrag. Dienovereenkomstig moeten alle handelingen van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkelingssamenwerking aan de doelstellingen van artikel 177 van het EG-Verdrag beantwoorden.
De Commissie roept in herinnering dat blijkens het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-268/94 (Portugal/Commissie, Jurispr. 1996, blz. I-6177) een maatregel op het gebied van ontwikkelingssamenwerking kan voorzien in bepalingen op specifieke gebieden, zonder dat een andere rechtsgrondslag of zelfs de medewerking van de lidstaten aan het sluiten van de overeenkomst nodig is, voorzover de overeenkomst voornamelijk dient bij te dragen tot de in artikel 177 bedoelde doelstellingen en mits de clausules betreffende de specifieke gebieden geen verplichtingen van een zodanige omvang omvatten, dat het hierbij in werkelijkheid om andere doelstellingen gaat dan doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking.
De Gemeenschap is derhalve volledig bevoegd op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid in ontwikkelingslanden. Communautaire ontwikkelingshulp wordt altijd uitgevoerd binnen het wettelijke kader van het betrokken land.
(1) COM(2002) 120 def. - PB C 151 E van 25.6.2002, blz. 260 en COM(2003) 168 def.
(3) ICPD: internationale conferentie over bevolking en ontwikkeling.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/378 |
(2004/C 88 E/0384)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1948/03
van Roger Helmer (PPE-DE) aan de Commissie
(13 juni 2003)
Betreft: Referendum in Litouwen
Zou de Commissie commentaar willen geven op het feit dat in de Litouwse campagne voor het referendum over toetreding tot de EU ernstige, slinkse tactieken lijken te zijn toegepast, namelijk:
|
— |
de kieswet is overtreden doordat in de dertig uur voorafgaand aan het referendum consequent campagne is gevoerd ten gunste van toetreding, hetgeen in strijd is met de Litouwse kieswet, |
|
— |
gedurende de dertig uur voorafgaand aan het referendum, waarin geen campagne meer gevoerd had mogen worden, en tijdens de twee verkiezingsdagen zijn vooraanstaande regeringsfunctionarissen, beroemdheden en zakenlieden ingezet om op de staatsradio en -televisie de boodschap uit te dragen dat men vóór toetreding moest stemmen; met strategische politieke boodschappen is getracht de kiezers over te halen niet alleen naar de stembus te gaan, maar ook „ja” te stemmen, |
|
— |
de voornaamste leus ten gunste van toetreding, „stem voor de jeugd van morgen”, kan niet als slechts bewustmakend beschouwd worden, |
|
— |
de grootste supermarktketen heeft artikelen — drankjes, gebak en wasmiddelen — aangeboden aan Litouwers die konden aantonen dat zij in het referendum hun stem hadden uitgebracht, hetgeen tot een stijging van het aantal stemmers leidde, waardoor het totale aantal boven de vereiste opkomst van 50 % kwam te liggen, |
|
— |
deze stijging met meer dan 300 000 stemmers na de aankondiging dat gratis artikelen werden uitgedeeld in ruil voor stemmen kan rechtstreeks worden toegeschreven aan deze „speciale aanbieding”, die ieder uur werd aangekondigd op de staatsradio, aangezien de enorme toename van het aantal stemmen na de aankondiging niet overeenstemde met het stemgedrag dat de eerste verkiezingsdag te zien was, |
|
— |
vooraanstaande regeringsfunctionarissen kwamen na de eerste verkiezingsdag bijeen en besloten tot „nadere actie” om te stimuleren dat de kiezers vóór toetreding zouden stemmen, hetgeen de Litouwse kieswet uitdrukkelijk verbiedt, |
|
— |
de buitengewone inspanningen van vooraanstaande functionarissen en zakenlieden, in het bijzonder de gratis artikelen die door de supermarktketen zijn aangeboden in ruil voor stemmen, hebben de uitslag van het referendum in belangrijke mate beïnvloed? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(18 juli 2003)
De problemen die door het geachte parlementslid worden genoemd vallen geheel onder de bevoegdheid van Litouwen als democratisch en souverein land. Verder behoort het organiseren van de informatiecampagne voor het referendum over de toetreding, met inbegrip van de keuze van slogans, volledig tot de verantwoordelijkheid van het land zelf.
Het referendum over de toetreding van Litouwen tot de Unie is gehouden op 10 en 11 mei 2003. De opkomst bedroeg 63,3 %, waarbij 91,07 % stemde vóór toetreding.
Het referendum is georganiseerd volgens de referendumwet van Litouwen. Volgens deze wet — op grond waarvan gedurende de dertig uur voorafgaand aan het referendum en op de dagen zelf van het referendum geen campagne mag worden gevoerd — moeten klachten over overtredingen worden behandeld door het centrale verkiezingscomité van Litouwen. Na het referendum over de toetreding van Litouwen tot de Unie zijn door verschillende Litouwse burgers klachten ingediend, die vervolgens zijn behandeld door het centrale verkiezingscomité van Litouwen. Op grond daarvan wordt het referendum als geldig beschouwd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/379 |
(2004/C 88 E/0385)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1960/03
van Elspeth Attwooll (ELDR) aan de Commissie
(13 juni 2003)
Betreft: Managers in het goederenvervoer
Is de Commissie van mening dat, met het oog op een correcte tenuitvoerlegging van Richtlijn 96/26/EG (1) van de Raad inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, (enz), een lidstaat van ondernemers van goederenvervoer moet verlangen dat zij een manager goederenvervoer in dienst hebben, in de strikte zin des woords (d.w.z. dat er overeenkomstig de nationale wetgeving een arbeidsverhouding tussen werkgever en werknemer moet bestaan), zulks in tegenstelling tot andere contractuele betrekkingen (zoals een dienstencontract met een zelfstandig manager) die aan alle door de richtlijn voorgeschreven eisen voldoen?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(16 juli 2003)
Krachtens artikel 3, lid 1, van Richtlijn 96/26/EG van de Raad van 29 april 1996 inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen-, respectievelijk personenvervoer over de weg, nationaal en internationaal, en inzake de wederzijdse erkenning van diploma's, certificaten en andere titels ter vergemakkelijking van de uitoefening van het recht van vrije vestiging van bedoelde vervoerondernemers, moet een kandidaat-wegvervoerder die een natuurlijke persoon is, maar niet zelf aan de voorwaarden van vakbekwaamheid voldoet, een andere persoon aanwijzen die voldoet aan de betrouwbaarheids- en vakbekwaamheidscriteria van de richtlijn en die de vervoeractiviteiten van de onderneming permanent en daadwerkelijk leidt. Wanneer de wegvervoerder geen natuurlijke persoon is, moet aan de betrouwbaarheids- en vakbekwaamheidscriteria worden voldaan door de transportmanager, die eveneens de vervoeractiviteiten van de onderneming permanent en daadwerkelijk moet leiden.
De Commissie beklemtoont dat transportmanager de vervoeractiviteiten van de onderneming permanent en daadwerkelijk moet leiden. Het is aan de hand van dit criterium dat de naleving van de eisen van de richtlijn wordt beoordeeld. De richtlijn spreekt zich echter niet uit over de vraag of dit wordt bereikt door een dergelijke transportmanager direct in dienst te nemen, dan wel via een andere contractuele regeling. Geen van beide opties kan dus zonder meer worden uitgesloten.
(1) PB L 124 van 23.5.1996, blz. 1.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/380 |
(2004/C 88 E/0386)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2011/03
van Ioannis Marinos (PPE-DE) aan de Commissie
(17 juni 2003)
Betreft: Toepassing van het communautair acquis in Cyprus
Het is bekend dat duizenden Turks-Cyprioten het sinds 1974 bezette grondgebied van Noord-Cyprus hebben verlaten en dat de huidige bewoners nauwelijks nog 50 % uitmaken van de bevolking die er vóór de inval van „Attila” woonde (18 % van de totale bevolking volgens de officiële volkstelling van 1972). Zelfs de Turks-Cypriotische krant „Afrika” klaagt deze situatie onophoudelijk aan, waarvoor ze door het regime-Denktash keihard wordt aangepakt.
Op 18 mei 2003 heeft de Cypriotische president Papadopoulos op de Griekse staatstelevisie (NET) verklaard dat het kadaster van de Cypriotische Republiek officieel heeft geregistreerd welk percentage vastgoed de Turks-Cyprioten nog steeds in hun bezit hebben (vóór de inval door het Turkse leger was dit 12,9 %). In hetzelfde interview wees de heer Papadopoulos erop dat Turkije schepen die onder Cypriotische vlag varen, ongeacht de reder, nog steeds de toegang tot zijn havens weigert.
Is dit embargo voor schepen van een land dat op 1 mei 2004 toetreedt tot de EU, verenigbaar met de communautaire regelgeving? Zijn de voorstellen in het plan-Annan inzake de beperking van het eigendomspercentage en het percentage Griekse vluchtelingen dat kan terugkeren naar de gebieden die — nog steeds volgens dit plan — onder het bestuur van de Turks-Cypriotische „component state” moeten vallen, verenigbaar met het communautair acquis? Wat denkt de Commissie over het hoofdargument van de heer Denktash dat „Grieken en Turken op Cyprus absoluut gescheiden moeten blijven omdat samenleven tot opstand zou leiden”, dat volledig is ontkracht nu is gebleken dat duizenden Grieken en Turken de „groene lijn” hebben overgestoken zonder dat zich enig noemenswaardig incident heeft voorgedaan? Zijn de voorstellen uit het plan-Annan, met name dat 9 % van de bevolking van een land (die eigendomstitels heeft op 12,9 % van het grondgebied) 29,5 % van de totale oppervlakte van Cyprus onder zijn bestuur zou krijgen, verenigbaar met het communautair acquis?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(28 juli 2003)
Zoals de Europese Raad in 1997 in Luxemburg heeft verklaard, dient er een oplossing te worden gevonden voor de kwestie-Cyprus door middel van besprekingen onder de aegis van de Verenigde Naties (VN). Alleen de VN heeft een bemiddelingsopdracht. VN-secretaris-generaal Kofi Annan bracht onlangs (1 april 2003) verslag uit van zijn bemiddelingsopdracht in Cyprus. Daarin gaat hij in op de problemen waarmee hij is geconfronteerd sinds hij die bemiddelingsopdracht in 1999 kreeg.
Wat de beperkingen voor schepen varend onder Cypriotische vlag op toegang tot Turkse havens betreft, die maatregel is niet in overeenstemming met de EU-regels. Turkije is als kandidaat-lidstaat en in het kader van de associatieovereenkomst niet verplicht de EU-regels op dit gebied toe te passen, maar het is wel diverse malen aangespoord verdere vooruitgang te boeken met de overname en implementatie van de EU- regels. Verder lijken de beperkingen strijdig te zijn met de internationale regels, waaronder die van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Tenslotte, en bij wijze van principe, stroken restrictieve maatregelen op het gebied van het zeevervoer niet met het beleid van de Unie om de maritieme dienstensector verder te liberaliseren. De Commissie zal dit vraagstuk aan de orde blijven stellen in de bilaterale contacten met Turkije.
Met betrekking tot vraagstukken in het plan-Annan die verband houden met de EU-regels, wenst de Commissie eraan te herinneren dat de Europese Raad herhaaldelijk heeft verklaard dat de Unie zich zal kunnen vinden in de voorwaarden van een regeling voor de kwestie-Cyprus als die in overeenstemming zijn met de beginselen waarop de Unie is gefundeerd. De Commissie kan niet vooruitlopen op de uitkomst van onderhandelingen die nog moeten plaatsvinden tussen de betrokkenen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/381 |
(2004/C 88 E/0387)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2029/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(18 juni 2003)
Betreft: Tariefsverhoging voor transitvisa waarmee personen voor reizen tussen huidige en toekomstige lidstaten van de EU toegang krijgen tot Servië
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat tot en met 2002 aan de grenzen van toenmalig Joegoslavië (Servië en Montenegro) het transitvisum voor mensen op doorreis uit andere Europese landen werd verstrekt tegen betaling van 6 tot 10 EUR, waarbij de verstrekte kaart „Turisticka Propusnica” bij het verlaten van het land zonder bewijsstuk weer bij de politie moest worden ingeleverd? |
|
2. |
Is het de Commissie tevens bekend dat in 2003 de regeling is gewijzigd, waarbij doorgaande reizigers eerst bij een bank (bv. de Vojvodina Bank op het spoorwegstation van Šid aan de Kroatische grens) een betaling van 33 EUR moeten doen en met het ontvangen bewijs naar het bureau van de grenspolitie moeten, waarbij nu wel een betaalbewijs wordt verstrekt en in het paspoort een visum wordt geplakt en gestempeld? |
|
3. |
Is aan de Commissie de reden van deze sterke prijsverhoging en de meer tijd vergende procedure bekend? Wordt deze gang van zaken gemotiveerd als een tolheffing ter compensatie van kosten van in 1999 door oorlogshandelingen aangerichte schade, is het een teken van slechter wordende relaties met de buitenwereld, of is het een antwoord op nieuwe visumvereisten van de EU of haar lidstaten? |
|
4. |
Tot wanneer verwacht de Commissie dat deze uitzonderlijke situatie zal voortduren? Bestaat over deze visumregeling en de uitvoering daarvan overleg tussen de EU en de regeringen van Servië of Servië-Montenegro? Zo nee, waarom niet? |
|
5. |
Beschouwt de Commissie de EU als belanghebbende bij het bewerkstelligen van een versoepeling van het transitverkeer van personen door Servië, gezien het feit dat weg- en spoorwegverbindingen tussen huidige lidstaten en toekomstige lidstaten van de EU dwars door Servië lopen? |
|
6. |
Wat kan de Commissie ondernemen om de lange wachttijden van internationale treinen en de noodzaak voor passagiers om uit te stappen aan de Servische buitengrenzen bij onder meer de stations van Šid, Subotica, Dimitrovgrad en Preševo te beperken? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(23 juli 2003)
De Commissie is verheugd het geachte parlementslid mee te delen dat de Raad van ministers van Servië en Montenegro (SCG) onlangs heeft besloten burgers van de Unie, burgers van andere staten van de voormalige Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië alsmede burgers van de witte lijst van Schengen-landen voortaan vrijstelling te verlenen van de visumplicht voor dit land.
Tegelijkertijd is op de bijeenkomst van de Europese Raad van Thessaloniki van juni 2003 erkend dat „de bevolking van de landen van de Westelijke Balkan groot belang hecht aan het vooruitzicht van een versoepeling van de visumregeling van de Unievoor haar”. In het kader van het Stabilisatie- en Associatieproces zal de Commissie met elk land gesprekken voeren over de hervormingen die nodig zijn op gebieden als de versterking van de rechtsstaat, de bestrijding van de georganiseerde misdaad, corruptie en illegale immigratie en versterking van de bestuurlijke capaciteit bij de grenscontrole en veilige documenten om vooruitgang te boeken bij deze punten.
Met name in Servië en Montenegro legt de Commissie zich toe op het verlenen van bijstand aan de autoriteiten bij de modernisering van de douanediensten en grenspolitie en bij de verbetering van geïntegreerd grensbeheer. Meer dan EUR 50 miljoen van de (CARDS) programma's (communautaire bijstand voor wederopbouw, ontwikkeling en stabilisatie) die werd vastgelegd voor de periode 2002-2004 zal worden besteed aan de hervorming van deze diensten en procedures teneinde Europese normen te bereiken. De overheid zal dankzij deze bijstand het verkeer van personen en goederen op doorreis in Servië en Montenegro kunnen vergemakkelijken terwijl tegelijkertijd de veiligheid van burgers wordt gewaarborgd niet alleen in Servië en Montenegro maar in het hele Zuidoosten en de Unie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/382 |
(2004/C 88 E/0388)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2077/03
van Paulo Casaca (PSE) aan de Commissie
(24 juni 2003)
Betreft: Communautaire steun voor slachtoffers van foltering
Ik heb van een aantal organisaties die hulp verlenen aan slachtoffers van foltering informatie ontvangen waaruit blijkt dat deze organisaties in 2002 45 procent minder toewijzingen hebben ontvangen voor de hulpverlening aan voornoemde categorie personen.
Als gevolg van deze kortingen bestaat er een gerede kans dat 30 rehabilitatiecentra in 20 verschillende landen de hulpverlening op drastisch gereduceerde schaal zullen moeten voortzetten of misschien zelfs gedwongen zullen worden om te sluiten.
Volgens genoemde organisaties hangt de korting op de ter beschikking gestelde middelen samen met een wijziging van het beleid van de Commissie. Deze zou besloten hebben het accent te verschuiven van rehabilitatie naar preventie.
Kan de Commissie mij vertellen of deze informatie correct is?
Is de Commissie zich bewust van de negatieve gevolgen die deze beleidswijziging teweegbrengt?
Weet de Commissie hoeveel geld er nodig is voor het voortzetten van de rehabilitatieprojecten die met communautaire fondsen opgezet zijn?
Antwoord van het heer Patten namens de Commissie
(6 augustus 2003)
In het antwoord op schriftelijke vraag E-1858/03 van de heer De Rossa (1) werd een uitgebreid overzicht gegeven van de situatie met betrekking tot de financiering van hulpverlening aan slachtoffers van foltering in 2002 en 2003.
Daarnaast werkt de Commissie momenteel aan de programmering van het Europees Initiatief voor Democratie en Mensenrechten voor 2004 en daarna. Op 14 juli 2003 vond een speciaal congres voor niet-gouvernementele organisaties (NGO's) plaats (waaraan ook verschillende leden van het Europees Parlement deelnamen) om te inventariseren wat hun mening is ten aanzien de thematische prioriteiten, waaronder foltering.
(1) Zie blz. 48.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/383 |
(2004/C 88 E/0389)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2131/03
van Mihail Papayannakis (GUE/NGL) aan de Commissie
(26 juni 2003)
Betreft: Werking van een mijn voor de ontginning van edele metalen in Bergama (Turkije)
De heropening van de Eurogold-mijn in de omgeving van Bergama (Pergamon — Turkije), tegenover het eiland Lesbos, vormt een bedreiging voor het ecosysteem en de gezondheid van de bewoners in dit gebied. Volgens deskundigen werden in 2002 6,8 ton goud en 8,5 ton zilver ontgonnen, waarvoor 25 ton cyaan werd gebruikt. Deze hoeveelheid toxisch afval is opgeslagen op amper 25 kilometer van de kust van het Griekse eiland Lesbos en de stad Mytilini, terwijl in de buurt van het dorp Ovacik een meer is aangelegd voor de opslag van toxisch afval en cyaanhoudende zouten. Bovendien is de regio enorm gevoelig voor aardschokken, wat tot gevolg kan hebben dat er toxische cyaanresten in het grondwater en de Egeïsche Zee terechtkomen en dat er zich bij een zware aardbeving een ware ramp zal voordoen.
Het Europees Parlement heeft terzake reeds een resolutie aangenomen waarin het deze toestand aanklaagt (B4-0410/94) (1). Kan de Commissie mededelen of zij in het kader van de toenadering van Turkije tot de Europese Unie van plan is hierover inlichtingen te vragen en de nodige stappen te ondernemen om zowel in Griekenland als Turkije ernstige milieuschade te voorkomen?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(7 augustus 2003)
De Commissie is op de hoogte van de door het geachte parlementslid genoemde feiten. Over de activiteiten van de bedrijven die bij de delfstoffenwinning in Bergamma betrokken zijn, is door het Administratieve Hof van Izmir op 10 januari 2002 een uitspraak gedaan. Volgens het principe van de rechtsstaat, dat deel uitmaakt van de criteria van Kopenhagen, wordt van de Turkse autoriteiten verwacht dat zij de besluiten van de rechtbank volledig in acht nemen. De winningsactiviteiten zoals die welke door het geachte parlementslid werden genoemd kunnen, als zij niet correct worden uitgevoerd, ernstige gevolgen hebben voor het milieu en de gezondheid van de mens. Turkije heeft zich er in het kader van de voorbereiding op de toetreding toe verbonden het acquis over te nemen en tijdig toe te passen.
De Commissie zal de situatie in het licht van de desbetreffende politieke criteria en het acquis op de voet blijven volgen.
(1) PB C 341 van 5.12.1994, blz. 169.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/383 |
(2004/C 88 E/0390)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2139/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(26 juni 2003)
Betreft: Schending van godsdienstvrijheid en wettelijke beperkingen voor de godsdienstuitoefening in Wit-Rusland
Mikhail Balyk, evangelist van de Pinksterbeweging, weigert een boete te betalen wegens lidmaatschap en deelneming aan activiteiten van een niet-geregistreerde religieuze organisatie. Deze activiteiten vormen volgens de Wit-Russische wet een misdrijf.
Balyk benadrukt dat de Overheid talrijke procedurefouten gemaakt heeft bij het opstellen van zijn procesverbaal. Hij is namelijk niet betrapt op de vermeende illegale activiteit en de autoriteiten hebben ook geen bewijzen van de oprichting of het beheer van een niet-erkende religieuze organisatie.
Balyk en zijn advocaat, Nina Shavtsova, voeren aan dat de wetgeving terzake een vicieuze cirkel is.
De nieuwe, nog strengere wet met betrekking tot religie is in november 2002 van kracht geworden. Hierin wordt onder meer het volgende bepaald:
|
a) |
Om zich te kunnen laten registreren en wettelijk te functioneren moet een organisatie ten minste 20 leden tellen. Overeenkomstig het administratieve recht kan een religieuze organisatie haar activiteiten nochtans niet aanvangen als zij niet geregistreerd is. |
|
b) |
Enkel de grote nationale religieuze organisaties — of bestaande uit minimum 10 gemeenschappen in ten minste vier van de zes regio's van het land — hebben het recht kloosters, conventen of onderwijsinstellingen voor de cultus en de godsdienstuitoefening te stichten. |
De nieuwe organisaties moeten zich laten registreren en de reeds bestaande moeten zich vóór 16 november 2004 aan de nieuwe wettelijke normen aanpassen alvorens hun activiteiten te kunnen voortzetten.
In artikel 19 van de nieuwe wet wordt bepaald dat kloosters, conventen en andere kloostergemeenschappen ten minste 10 leden moeten tellen en dat de onderwijsinstellingen opgeleide en tweetalige (Russisch en Wit-Russisch) leraren in dienst moeten hebben.
Op dit moment voldoen slechts weinig Wit-Russische organisaties aan de wetsvoorwaarden om hun religieuze activiteiten voort te zetten.
Kan de Commissie, gezien de uitstekende economische en handelsrelaties tussen de EU en Wit-Rusland, meedelen:
|
— |
of zij van deze feiten op de hoogte is; |
|
— |
welke maatregelen, in het kader van de onderlinge samenwerking, een belangrijk en doeltreffend instrument zouden kunnen zijn om Wit-Rusland ertoe te brengen het beginsel van godsdienstvrijheid na te leven? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/384 |
(2004/C 88 E/0391)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2183/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(30 juni 2003)
Betreft: Nog meer schendingen van de godsdienstvrijheid en wettelijke beperkingen van de godsdienst-beoefening in Wit-Rusland
Op 1 juni is een geroep gewapende politiemannen 's avonds binnengevallen in een privé-woning in de hoofdstad Minsk en heeft daar een hindoeïstisch meditatie-ritueel onderbroken;
de leider van de groep, Natalya Solovyova, heeft verklaard dat deze inval precies een week na een soortgelijke inval in een ander deel van de stad heeft plaatsgevonden;
de hindoeïstische gemeenschap is niet beboet voor deze bijeenkomsten, maar is bedreigd met gerechtelijke maatregelen, waaronder gevangenneming, aangezien deze gemeenschap door de politie is bestempeld als een sekte;
de autoriteiten hebben zich nooit op de wet beroepen als rechtsgrondslag voor een rechtvaardiging van de inval;
de groep heeft vergeefs gepoogd zich te laten registreren vóór de inwerkingtreding van de meer restrictieve Wet op de godsdiensten van afgelopen november;
geen enkele functionaris voor nationale of lokale godsdienstzaken — waaronder Alla Ryabitseva, hoofd van de afdeling etnische en religieuze zaken van Minsk — heeft uitleg gegeven over de reden van de gewapende onderbrekingen van de bijeenkomsten.
Kan de Commissie — gezien het bovenstaande en de uitstekende samenwerkingsbetrekkingen tussen de Europese Unie en Wit-Rusland op economisch en commercieel gebied — mededelen:
|
— |
of zij op de hoogte is van de hierboven uiteengezette feiten? |
|
— |
welke initiatieven in het kader van de samenwerking een serieus en doeltreffend middel zouden kunnen zijn om Wit-Rusland ertoe te brengen de godsdienstvrijheid te eerbiedigen? |
Gecombineerd Antwoord
van de heer Patten namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-2139/03 en E-2183/03
(28 juli 2003)
In de eerste plaats dient erop te worden gewezen dat de Raad in september 1997 heeft besloten dat de EG en haar lidstaten niet zouden overgaan tot de bekrachtiging van de interim-overeenkomst en de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Belarus en voorts dat de tenuitvoerlegging van de programma's van de Gemeenschap en de lidstaten voor technische bijstand zou worden gestaakt, met uitzondering van humanitaire of regionale projecten of projecten waarbij rechtstreekse steun wordt verleend aan het democratiseringsproces.
Het schorsen van de ratificatie van het partnerschaps- en samenwerkingsproces en het bevriezen van de interim-overeenkomst betekent een forse beperking van de handels- en economische betrekkingen tussen de Unie en Belarus.
De lidstaten en de Commissie zijn op de hoogte van de wet inzake religie die in november 2002 in Belarus werd ingevoerd, en maken zich ernstige zorgen over de wijze waarop deze wordt toegepast. De Unie heeft ook uiting gegeven aan haar bezorgdheid in de context van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) waarvan Belarus lid is. De Commissie is verontrust over de twee door het geachte parlementslid genoemde gevallen.
De Commissie zou er nogmaals op willen wijzen dat zij grote waarde hecht aan het recht op vrijheid van godsdienst, overtuiging en meningsuiting. De Unie heeft telkens weer bevestigd dat de rechten van de mens en democratisering een integrerend deel dienen te vormen van alle politieke dialogen met derde landen. Vrijheid van godsdienst, één van de fundamentele rechten van de mens, alsmede de rechten van religieuze minderheden worden dan ook aan de orde gesteld bij de bilaterale politieke dialogen en eventueel via démarches en officiële verklaringen alsmede via stappen van de Unie bij organisaties zoals de commissie mensenrechten van de Verenigde Naties (VN) of het Derde Comité van de Algemene Vergadering van de VN.
De Commissie blijft steun verlenen aan de vrijheid van godsdienst en de mensenrechten van Belarus, in nauwe samenwerking met de lidstaten, de Raad van Europa, de OVSE en de Verenigde Naties en zal deze kwestie bij Belarus op alle mogelijke gelegenheden aan de orde blijven stellen. Er zijn volgens de Commissie in het kader van haar samenwerking geen andere initiatieven mogelijk die serieuze en doelmatige instrumenten zouden kunnen vormen om Belarus aan te zetten tot eeerbiediging van de vrijheid van godsdienst.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/385 |
(2004/C 88 E/0392)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2140/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(26 juni 2003)
Betreft: Schending van godsdienstvrijheid in Oezbekistan
In mei 2003 zijn vier Getuigen van Jehova vlakbij het politiekantoor van Kagan hardhandig aangepakt door de lokale autoriteiten nadat ze betrapt waren op het bidden op straat. Een van hen is bewusteloos geslagen, een tweede heeft, volgens het medische rapport, hersenletsel opgelopen. De politie ontkent geweld tegen de vier gebruikt te hebben. De rechtbank moet nog beslissen of ze tegen de vier een strafrechtelijk, dan wel administratief proces aanspant.
Tegen twee Getuigen van Jehova, Shukhrat Ashurov en Alisher Argeliyev, is, nadat de politie in het appartement van een van hen is binnengevallen en materiaal van de Getuigen (Koran, Nieuwe Testament, Bijbel) in beslag heeft genomen, een administratief onderzoek ingesteld. Volgens Ashurov zijn de teksten volledig legaal in Oezbekistan ingevoerd. Khusan Imanaliyev, ambtenaar van het departement voor terrorismebestrijding en internationale aangelegenheden van het district Gazalkent, beweert daarentegen dat de twee, hoewel ze niet voor terroristen gehouden worden, op basis van het gevonden materiaal schuldig zijn aan proselitisme, hetgeen naar Oezbeeks recht onwettig is.
Predikant Bakhtier Tuichiev, lid van de Pinksterbeweging, probeert al enkele jaren om van de lokale autoriteiten erkenning te krijgen voor zijn kerk van Andijian. In februari 2002 had Tuichiev de toestemming gekregen van zijn districtsbestuur, maar de centrale overheid blijft de registratie van deze aanvraag op weinig geloofwaardige gronden uitstellen. In januari en april 2003 kreeg Tuichev het bericht dat hij mogelijk administratief vervolgd zou worden indien hij zijn religieuze activiteiten zonder toestemming (wel aangevraagd, maar niet verleend) zou voortzetten. Zijn kerk staat onder strenge en voortdurende controle van politieagenten.
Bovendien kreeg Tuichiev in september 2002 bezoek van een groep mensen die zich voordeden als journalisten van BBC en CNN. Waarschijnlijk waren het agenten van de nationale veiligheidsdienst (ex KGB).
Kan de Commissie, gezien de uitstekende economische en handelsrelaties tussen de EU en Oezbekistan, meedelen:
|
— |
of zij van deze feiten op de hoogte is; |
|
— |
welke maatregelen, in het kader van de onderlinge samenwerking, een belangrijk en doeltreffend instrument zouden kunnen zijn om Oezbekistan ertoe te brengen het beginsel van godsdienstvrijheid na te leven? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(30 juli 2003)
De Commissie is zich ten zeerste bewust van de zeer moeilijke omstandigheden waarin religieuze minderheden in Oezbekistan verkeren.
De Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Oezbekistan biedt een passend kader voor de bespreking van dergelijke vraagstukken.
De Commissie hecht grote waarde aan het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Dit is een fundamenteel mensenrecht en als zodanig opgenomen in diverse internationale instrumenten, waaronder de Universele Verklaring van de rechten van de mens (artikel 18), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 18) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (artikel 9). Verder bepaalt het Handvest van de grondrechten van de Unie, waardoor het externe optreden van de Commissie op dit gebied wordt geleid, dat eenieder recht heeft op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (artikel 10), en dat de Unie de culturele, godsdienstige en taalkundige verscheidenheid eerbiedigt.
De Unie heeft herhaaldelijk bevestigd dat de rechten van de mens en democratisering een integrerend deel moeten vormen van onze politieke dialoog met derde landen. Vrijheid van godsdienst als fundamenteel mensenrecht en de rechten van religieuze minderheden worden dan ook aan de orde gesteld in de bilaterale politieke betrekkingen van de Unie, en, voor zover nodig, via demarches en openbare verklaringen, alsmede in de multilaterale fora, zoals de VN-mensenrechtencommissie, de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de VN en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).
De Commissie zal deze kwestie ter sprake blijven brengen bij de Oezbeekse autoriteiten wanneer de gelegenheid daarvoor zich voordoet.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/387 |
(2004/C 88 E/0393)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2146/03
van John Bowis (PPE-DE) aan de Commissie
(27 juni 2003)
Betreft: Antwoord van de Commissie op de conclusies van de Raad inzake gezondheidsaangelegenheden
Welke voorstellen denkt het DG Sociale Zaken te formuleren in antwoord op de conclusies van de Raad van 31 maart 2003 (bestrijding van vooroordelen en discriminatie bij geestesziekte), van 18 maart 1999 (bevordering van de geestelijke volksgezondheid) en van 15 maart 2001 (bestrijding van stress en depressie)?
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(31 juli 2003)
Thema's die verband houden met de geestelijke gezondheid behoren in hoofdzaak tot de bevoegdheid van het directoraat-generaal Gezondheid en Consumentenbescherming.
Wat de discriminatie in arbeid betreft, kan de Gemeenschap overeenkomstig artikel 13 van het EG-Verdrag en binnen de grenzen van haar bevoegdheden passende maatregelen nemen om discriminatie, onder meer op grond van een handicap, te bestrijden. Gelet op deze bevoegdheden hechtte de Raad op 27 november 2000 zijn goedkeuring aan Richtlijn 2000/78/EG tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (1). De richtlijn verbiedt op deze gebieden elke directe of indirecte discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. De richtlijn van de Raad verbiedt discriminatie van personen met een handicap die beschikken over de vereiste vaardigheden, ervaring en opleiding, voldoen aan de overige voorwaarden die verband houden met de baan die ze hebben of waarvoor ze kandideren, en in staat zijn om de essentiële taken van de betreffende functie — met of zonder redelijke aanpassingen van de werkplek — uit te voeren. Personen die problemen hebben met hun geestelijke gezondheid kunnen zich in dit kader beroepen op de bescherming van de richtlijn.
Met betrekking tot een handicap stelt de richtlijn dat het niet voorzien in redelijke aanpassingen van de werkplek discriminatie kan inhouden. De verplichting om aanpassingen aan te brengen moet hinderpalen uit de weg ruimen voor de participatie van personen met een handicap in het arbeidsproces. Dat houdt in dat de werkgevers passende maatregelen moeten nemen om personen met een handicap toegang te geven tot en te laten participeren in het arbeidsproces, alsook mogelijkheden op bevordering en toegang tot opleiding te geven, tenzij dergelijke maatregelen een onevenredige belasting voor de werkgever zouden veroorzaken.
Wat de dimensie armoede en sociale uitsluiting betreft, vallen thema's die van belang zijn voor de situatie van personen met een handicap onder de gemeenschappelijke doelstellingen die tijdens de Europese Raad van Nice in december 2000 zijn vastgesteld, en in het bijzonder onder doelstelling 3 „optreden ten behoeve van de meest kwetsbaren”.
Het gezamenlijk verslag inzake sociale integratie, dat gebaseerd is op een analyse van de nationale actieplannen (NAP's) van de lidstaten voor 2001, stelt duidelijk een aantal steeds terugkerende risico's of belemmeringen vast die een belangrijke rol spelen bij beperking van de toegang van mensen tot de hoofdstelsels die de integratie in de samenleving vereenvoudigen. In het geval van mensen met een handicap hebben de meeste lidstaten duidelijk vastgesteld dat deze mensen als groep een potentieel risico op sociale uitsluiting lopen, en hebben een min of meer samenhangende strategie voor hun integratie opgesteld.
In de meeste NAP's/int. wordt gewezen op de kwestie van de geestelijke gezondheidszorg. De lidstaten zijn het erover eens dat problemen op het gebied van de geestelijke gezondheidszorg door middel van verschillende pakketten beleidsmaatregelen moeten worden aangepakt, waarbij met name op betere lokale en regionale samenwerking wordt vertrouwd en in betere „outreach”-dienstverlening en diensten voor noodhuisvesting en specifieke scholing voor medewerkers bij gezondheids- en maatschappelijke diensten wordt voorzien.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/388 |
(2004/C 88 E/0394)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2161/03
van Glenys Kinnock (PSE) aan de Commissie
(30 juni 2003)
Betreft: Steun voor toetreding en ACS-landen
De Europese Commissie zal er zich wel van bewust zijn dat verschillende kandidaat-lidstaten (Hongarije, Polen, SÏovakije en de Tsjechische Republiek) dringend de kwaliteit van hun landbouw- en voedingsindustrie moeten verbeteren om te voldoen aan de EU-normen voor de gezondheid van mensen, dieren en planten, en dat bedrijven die er niet in slagen om de vastgestelde voedselveiligheidsnormen te bereiken, met sluiting bedreigd zijn. Kan de Europese Commissie aan de hand van cijfers bevestigen dat de betreffende landen voor hun inspanningen om de EU-normen te bereiken op de steun kunnen rekenen die ze maar al te zeer nodig hebben?
Kan de Europese Commissie daarnaast een duidelijk idee geven, aan de hand van cijfers, van de middelen die in vergelijking ter beschikking van de ACS-landen gesteld worden, die op het ogenblik voor nog veel grotere uitdagingen staan als ze ruimere toegang tot de markten van de Europese Unie willen krijgen?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(5 september 2003)
EU-bijstand aan de kandidaat-lidstaten
De Commissie is er zich zeker bewust van dat de kandidaat-lidstaten hun landbouw- en voedingsindustrie moeten verbeteren om te voldoen aan de normen van de Unie inzake gezondheid van mensen, dieren en planten. Een van de belangrijkste doelstellingen opgenomen in de pretoetredingsinstrumenten, en in het bijzonder in het Sapard-programma, is het verlenen van bijstand om aan genoemde voorwaarden te helpen voldoen. Het Sapard-programma voorziet jaarlijks in een bedrag van 560 miljoen euro voor de tien kandidaat-lidstaten, waartoe ook Hongarije, Polen, Slowakije en de Tsjechische Republiek behoren. Gemiddeld 48 % van dit bedrag is bestemd voor maatregelen betreffende investeringen in landbouwbedrijven (22 %) en investeringen in de verwerking en de afzet van landbouw- en visserijproducten (26 %). In de individuele programma's wordt de nadruk gelegd op investeringen in de modernisering van de ondernemingen in deze sectoren om aan de normen van de Unie te kunnen voldoen.
Deze onderwerpen worden meer in detail behandeld in het Sapard-jaarverslag van 2000, een verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's (1), met name op de bladzijden 23-25, en in bijlage 4.
Bovendien kunnen Sapard en PHARE volledig complementair worden aangewend voor het verlenen van steun ter verbetering van de structuren voor kwaliteits-, veterinaire en fytosanitaire controles, voor de kwaliteit van levensmiddelen en voor consumentenbescherming, met inbegrip van grensinspectieposten. Het merendeel van de investeringen in de openbare sector om te voldoen aan het acquis zal naar verwachting worden gesteund in het kader van PHARE en niet Sapard, omdat in het kader van laatstgenoemd programma alleen kleinere acties (voor minder dan 2 miljoen euro) op plaatselijk niveau worden gesteund. Een tabel met de bedragen in EUR besteed aan PHARE-projecten inzake voedselveiligheid en de modernisering van agro-voedingsbedrijven is opgenomen in bijlage 1 en wordt rechtstreeks naar het geachte parlementslid en naar het Secretariaat van het Parlement gezonden.
Communautaire bijstand aan de Staten van Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS)
In het kader van de programma's van de Commissie inzake samenwerking met de ACS-Staten wordt rekening gehouden met de problemen betreffende de modernisering van agro-voedingsbedrijven met het oog op de uitvoer van de ACS-Staten naar de Europese markt. Zij houden overigens in een breder perspectief ook verband met alle problemen betreffende de uitvoer van landbouwproducten uit de ACS-Staten naar de communautaire markt, zoals die betreffende hygiënische voorschriften, de organisatie van de producenten en van de exporteurs/importeurs, enz.
De mogelijkheden van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) om snel resultaten opleverende projecten te financieren worden niettemin beperkt door het feit dat de ACS/EU-samenwerkingsprogramma's op partnerschapsbasis worden besproken en overeengekomen met het ontvangende land/gebied en dat dus de programmeringscyclus van het Cotonou-partnerschap dient te worden gevolgd.
Met betrekking tot de gewasbescherming voor de uitvoer heeft de Commissie in nauwe samenwerking met haar partnerlanden/regio's maatregelen uitgewerkt op drie belangrijke gebieden (voor bijzonderheden zie bijlage 2, die rechtstreeks naar het geachte parlementslid en naar het Secretariaat van het Parlement wordt gezonden).
Met betrekking tot diergezondheid zijn de belangrijkste gebieden waarop de Commissie maatregelen heeft genomen de hygiënische betrouwbaarheid van visserijproducten en de bestrijding van veeziekten (voor bijzonderheden zie bijlage 3, die rechtstreeks naar het geachte parlementslid en naar het Secretariaat van het Parlement wordt gezonden).
De Commissie is, in verband met de nieuwe Verordening inzake nieuwe controles van levensmiddelen en diervoeders (op dit ogenblik in behandeling bij de Raad en het Parlement in de kader van de medebeslissingsprocedure), bezig een haalbaarheidsstudie op te zetten om de impact van de nieuwe Verordening te beoordelen en de methoden te bepalen voor het op zo efficiënt en duurzaam mogelijke wijze verlenen van steun aan de ACS-Staten. Bovendien zullen de binnenkort uitgevoerde tussentijdse evaluaties van de ACS-Staat en de regionale strategieën de mogelijkheid bieden te beoordelen of meer van de beschikbare EOF-middelen zouden moeten worden besteed aan het beantwoorden aan de normen van de Unie op het gebied van de gezondheid van planten en dieren.
(1) COM(2001) 341 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/389 |
(2004/C 88 E/0395)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2177/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(30 juni 2003)
Betreft: Plaatsen van opdrachten
Zal de Commissie overgaan tot het bijstellen van haar ramingen van het aandeel van de jaarlijkse waarde van overheidsopdrachten — uitgesplitst naar kapitaal en naar de huidige uitgaven — die worden uitbesteed aan buitenlandse ondernemingen in elke lidstaat?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(4 augustus 2003)
In antwoord op een eerdere schriftelijke vraag (E-0563/03) van het geachte parlementslid over overheidsopdrachten (1) heeft de Commissie op basis van een bedrijfsenquête schattingen meegedeeld van het aandeel van de waarde van directe en indirecte intracommunautaire invoer in de totale omvang van de opdrachten in 1998.
De Commissie gaf ook aan dat zij zou nagaan of het mogelijk was deze enquête op te nemen in het kader van het programma van structurele bedrijfsstatistieken dat Eurostat samen met de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten uitvoert. De nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten zijn echter niet bereid gevonden om deze enquête in het programma op te nemen en de Commissie is er tot dusver dan ook niet in geslaagd om deze schattingen te actualiseren.
Alle gegevens wijzen erop dat binnen de EU-markt voor overheidsopdrachten de hoeveelheid en waarde van de directe invoer, of overheidsopdrachten die gegund worden aan niet-ingezeten ondernemingen, laag blijven, op een vergelijkbaar niveau met vroegere cijfers. Momenteel wordt voor de Commissie onderzoek verricht dat nieuwe gegevens zou moeten opleveren inzake grensoverschrijdende activiteiten, prijzen, en de deelname van kleine en middelgrote bedrijven aan overheidsopdrachten. Een recent proefonderzoek van zowel leveranciers van de overheid als van de overheid zelf, dat voor de Commissie is uitgevoerd, lijkt er op het eerste gezicht op te wijzen dat het aandeel van de indirecte invoer momenteel tot circa 14 % van de totale overheidsopdrachten is gestegen. Indien dit cijfer wordt bevestigd, betekent dat een belangrijke stijging ten opzichte van de schatting van 8,5 % in 1998.
De eerste resultaten van deze werkzaamheden, die nog in detail moeten worden geanalyseerd en bevestigd, wijzen er ook op dat dochterondernemingen van buitenlandse bedrijven, die op vele markten voor overheidsopdrachten een belangrijke rol spelen, een zeker succes hebben geboekt bij het binnenhalen van overheidsopdrachten, vergeleken bij binnenlandse gegadigden. De resultaten wijzen ook op een voortdurende actieve belangstelling van EU-bedrijven voor overheidsopdrachten in andere dan de eigen lidstaat.
De Commissie stelt het geachte parlementslid graag op de hoogte van de eindresultaten van deze werkzaamheden, die tegen oktober 2003 worden verwacht, zodat zij nog kunnen worden opgenomen in het jaarverslag over de werking van de producten- en kapitaalmarkten in de Gemeenschap.
(1) PB C 330 E van 21.11.2000.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/390 |
(2004/C 88 E/0396)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2199/03
van Marco Pannella (NI) aan de Commissie
(27 juni 2003)
Betreft: Onder onmenselijke en vernederende omstandigheden zitten in Cubaanse gevangenissen 75 Cubaanse dissidenten vast die in april zijn veroordeeld in een „wassen neus”-proces; het gaat vooral om Martha Beatriz Roque Cabello
Gezien de volgende feiten:
|
— |
in april zijn in Cuba 75 intellectuelen en onafhankelijke journalisten na een schijnproces veroordeeld; |
|
— |
Human Rights Watch heeft geconstateerd dat hun enige misdrijf was dat zij ideeën hebben verspreid die in Cuba verboden zijn; |
|
— |
tot deze groep behoort één vrouw: Martha Beatriz Roque Cabello, 58 jaar oud, de directrice van het Cubaanse instituut voor onafhankelijke economen „Manuel Sánchez Herrero”, schrijfster, econome en politiek actief; |
|
— |
Martha Beatriz Roque Cabello is veroordeeld tot 27 jaar gevangenisstraf en eenzame opsluiting in Manto Negro onder een streng regime in een cel van 1 bij 3 meter zonder raam, met een gat in de vloer voor haar behoeften, waar het licht voortdurend aan is; knaagdieren en kakkerlakken komen er binnen; het drinkwater is verontreinigd; |
|
— |
Martha Beatriz Roque Cabello heeft reumaklachten een een maagzweer en bovendien hoge bloeddruk; zij is aan de linkerhelft van haar lichaam verlamd en heeft meer dan 14 kilo sinds verloren; zij ontvangt geen adequate medische hulp en ook niet de voor haar verzorging noodzakelijke geneesmiddelen; |
|
— |
Martha Beatriz Roque Cabello is onder de Cubaanse dissidenten een zeer bekend figuur: in 2002 heeft zij de prijs van de „Wetenschappers voor de mensenrechten” ontvangen van de Academie voor Wetenschappen in New York; onlangs is zij door internationale organisaties uitgeroepen tot „politieke gevangene van het jaar”, sinds de jaren 80 is zij lid van de Grensoverschrijdende Radicale Partij. |
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
of zij met het voornoemde bekend is en, zo ja, welke initiatieven zij heeft genomen en, zo nee, welke stappen zij denkt te zetten bij de Cubaanse autoriteiten om de 75 veroordeelden vrij te krijgen en om garanties te krijgen dat hun detentie voldoet aan de fundamentele mensenrechten? |
|
— |
of zij heeft geïnformeerd of de gevangenen — althans met onmiddellijke ingang Martha Beatriz Roque Cabello — bezoek kunnen krijgen van een Europese delegatie en elke andere hiervoor gekwalificeerde en erkende internationale organisatie of en wanneer zij hiertoe een verzoek zal indienen? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(23 juli 2003)
De Commissie volgt, met name via haar delegatie in Havana, de mensenrechtensituatie in Cuba nauwlettend en zij is op de hoogte van de recente opsluiting en veroordeling van 75 dissidenten en onafhankelijke journalisten in Cuba, waaronder Martha Beatriz Roque.
De Unie heeft prompt, duidelijk en consequent gereageerd op de recente grootschalige arrestaties van dissidenten, de oneerlijke processen en de willekeurige straffen die aan hen werden opgelegd. De Commissie heeft de maatregelen gesteund die in dit verband zijn genomen.
De Unie heeft de arrestaties scherp veroordeeld in twee verklaringen, die werden afgegeven op 26 maart 2003 en 5 juni 2003 en beide werden gevolgd door een formele demarche in Havana, waarbij werd aangedrongen op de onmiddellijke vrijlating van alle politieke gevangenen. In haar verklaring en demarche van 5 juni 2003 heeft de Unie de Cubaanse autoriteiten ook dringend verzocht de gevangenen in de tussentijd niet zinloos te laten lijden of aan onmenselijke behandelingen bloot te stellen.
De Unie heeft een aantal politieke sancties afgekondigd tegen Cuba, waaronder de beperking van de contacten op hoog niveau en vroegtijdige herziening van het gemeenschappelijk standpunt van de Unie.
De Commissie heeft op 30 april 2003 besloten de behandeling van de Cubaanse aanvraag voor het lidmaatschap van de Overeenkomst van Cotonou uit te stellen, om aan te geven dat de recente ontwikkelingen niet bevorderlijk zijn voor verdere samenwerking tussen de Unie en Cuba. De Cubaanse autoriteiten hebben op 16 mei 2003 besloten hun aanvraag voor toetreding tot de Overeenkomst van Cotonou in te trekken.
De Unie heeft de Cubaanse autoriteiten met deze acties te kennen willen geven dat opsluiting op politieke gronden onaanvaardbaar is, en zij dringt aan op de vrijlating van alle gevangenen die worden vastgehouden omwille van hun mening of politieke activiteiten. In deze context zullen wij zeker de aandacht van de Cubaanse autoriteiten vestigen op de zaak van Martha Beatriz Roque, en deze kwestie nauwlettend volgen en voortdurend politieke druk uitoefenen op de Cubaanse autoriteiten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/391 |
(2004/C 88 E/0397)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2217/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(2 juli 2003)
Betreft: Schendingen van de godsdienstvrijheid in Slovenië
Overwegende dat:
|
— |
in Slovenië sedert 1999 het Bureau van de religieuze gemeenschappen bestaat (BRG); |
|
— |
Natasa Sivic, leider van de hindoegemeenschap, sinds 21 maart 2002 op de registratie van zijn gemeenschap wacht. De gemeenschap heeft alle wijzigingen in de vereiste documenten aangebracht die het Bureau vroeg. Sedert de indiening van de aanvraag heeft de groep nooit enig schriftelijk antwoord gekregen; |
|
— |
Sivic de directeur van het BRG, Drago Cepar, de schuld geeft van de illegale situatie waarin de hindoegemeenschap zich bevindt. Sedert Cepar zijn ambt drie jaar geleden heeft opgenomen, werd geen enkele religieuze gemeenschap geregistreerd. Een regeringsfunctionaris heeft bevestigd dat geen enkele gemeenschap zal worden geregistreerd zolang Cepar zijn ambt bekleedt; |
|
— |
een jaar en drie maanden nadat de hindoes een verzoek om registratie bij het Bureau van de religieuze gemeenschappen hebben ingediend, en vijf maanden na het verzoek van de boedisten heeft nog geen enkele gemeenschap een antwoord gekregen; zowel de hindoes als de boedisten beschuldigen Drago Cepar, directeur van het BRG, ervan dat hij verantwoordelijk is voor de patsituatie; |
|
— |
volgens de boedistische monnik Gelong Shenphen gaat het probleem alle religieuze gemeenschappen aan die sedert 1999 op hun registratie wachten, en heeft het Bureau in Slovenië niet de taak die te „beoordelen” maar te registreren. „Ik vraag mij af hoe zulk een discriminatie mogelijk is in een land dat volgend jaar tot de Europese Unie toetreedt”, zegt Shenphen; |
|
— |
volgens Cepar is het probleem te „ingewikkeld” en heeft de Staat geen criteria vastgesteld om „te bepalen wanneer een groepering een religieuze gemeenschap is”; hij heeft ook verklaard dat de regering zich „intensief” inspant om die „juridische leemte” aan te vullen. „Hoe kan hij echter van een,juridische leemte' spreken als 31 religieuze gemeenschappen al geregistreerd zijn?”, repliceert de monnik van de gemeenschap Dharmaling (boedist); |
Gelet op het feit dat Slovenië een van de landen is die over iets minder dan een jaar tot de Europese Unie zullen behoren, kan de Commissie meedelen:
|
— |
of ze op de hoogte is van voormelde feiten en, zo ja, of ze initiatieven heeft genomen en welke? |
|
— |
of ze de handelwijze van de Sloveense autoriteiten niet in strijd acht met het communautaire acquis? |
|
— |
welke formele initiatieven de Unie, als aan die situatie geen einde komt, tegen Slovenië kan nemen opdat het land, voordat het officieel tot de Unie toetreedt, het principe van de godsdienstvrijheid in acht neemt? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(22 augustus 2003)
De Commissie volgt op regelmatige basis de situatie in verband met de vrijheid van godsdienst in Slovenië, aangezien vrijheid van godsdienst een belangrijk onderdeel is van de politieke criteria voor toetreding van Kopenhagen. Daarom volgt de Commissie de situatie op dit gebied op de voet, onder ander via haar contacten met internationale mensenrechtenorganisaties. Zij heeft verder van deze zaak melding gemaakt in haar periodieke verslagen over de door Slovenië op de weg naar de toetreding geboekte vooruitgang, waarvan het laatste in oktober 2002 werd gepubliceerd (1).
De Commissie is op de hoogte van de vertragingen die zich voordoen bij de registratie van de religieuze gemeenschappen door de bevoegde autoriteiten in Slovenië. Deze kwestie is ook door de ombudsman in Slovenië ter sprake gebracht. Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt is het Bureau voor Religieuze Gemeenschappen thans bezig met het opstellen van nieuwe wetgeving op dit gebied, om de bestaande wetgeving aan te passen en de problemen bij de tenuitvoerlegging ervan op te lossen.
De Commissie zal de situatie op dit gebied blijven volgen en met name de goedkeuring van nieuwe wetten.
(1) COM(2002) 700 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/392 |
(2004/C 88 E/0398)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2227/03
van Michael Cashman (PSE) aan de Commissie
(2 juli 2003)
Betreft: Rechten van de mens in de Westelijke Sahara
Kan de Europese Commissie uitleggen op welke manier de Europese Unie optreedt om de rechten van de mens in de Westelijke Sahara te beschermen na de ontbinding van de afdeling Sahara van de mensenrechten-NGO Forum voor waarheid en gerechtigheid op 18 juni 11. door de rechtbank van El-Ayun?
De Europese Commissie zal wel begrijpen dat het niet de eerste maatregel is om de rechten van de mens van het Saharaanse volk in te perken en dat degenen die zich inzetten voor de verdediging van de rechten van de mens zelf ook bescherming nodig hebben en vrijheid van handelen moeten krijgen.
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(29 juli 2003)
De Commissie is het met de geachte Afgevaardigde eens dat de bescherming van de handelingsvrijheid van mensenrechtenactivisten overeenkomstig de internationale normen van het grootste belang is.
De Commissie heeft kennis genomen van de ontbinding van de Saharaanse afdeling van het „Forum voor waarheid en gerechtigheid” en van de aanhoudende berichten over pesterijen en bedreigingen aan het adres van activisten in de Westelijke Sahara. De Commissie heeft begrepen dat de advocaten in dit geval te kennen hebben gegeven van plan te zijn tegen het op 18 juni 2003 in El Aaiun gewezen vonnis in beroep te gaan. De Commissie volgt de zaak op de voet.
Overeenkomstig artikel 2 van de Associatieovereenkomst die de verhoudingen tussen de Unie en Marokko regelt, worden de vraagstukken in verband met de mensenrechten en de Westelijke Sahara onder andere in het kader van de politieke dialoog in de vergaderingen van de associatieraad en het associatiecomité besproken.
Op 22 mei 2003 heeft de Commissie een mededeling (1) uitgebracht om een nieuwe impuls te geven aan de maatregelen van de EU met de mediterrane partners op het gebied van mensenrechten en democratisering in het kader van de dialoog en de samenwerking op grond van de euro-mediterrane overeenkomsten.
Deze mededeling geeft het kader aan voor de beste manier om de instrumenten te gebruiken die de Unie en haar Mediterrane partners ter beschikking staan om hun gemeenschappelijke doel, democratisering en bescherming van de universele mensenrechten en fundamentele vrijheden, te bereiken. In die mededeling worden 10 concrete aanbevelingen gedaan om de dialoog tussen de Unie en haar Mediterrane partners en de financiële samenwerking met de Unie op het gebied van de mensenrechten te verbeteren. Verschillende aanbevelingen hebben te maken met de essentiële rol die maatschappelijke organisaties spelen bij de bevordering en de bescherming van de mensenrechten, en met de noodzaak om constructief met partners samen te werken om de handelingsvrijheid van maatschappelijke organisaties doeltreffend te garanderen overeenkomstig de internationale normen. De uitvoering van de mededeling zal worden versterkt door drie niveaus van complementariteit: van de politieke dialoog met de financiële steun, van het programma MEDA met de steun in het kader van het Europees initiatief voor democratie en mensenrechten (EIDHR), en tot slot van de nationale met de regionale dimensies.
De mededeling zal een aanvullend, concreet platform bieden om de Mediterrane partners, zoals Marokko, te betrekken bij een voortdurende dialoog over alle vraagstukken op het gebied van mensenrechten en democratisering, en zo nodig over specifieke gevallen.
Wat dit betreft, wil de Commissie de geachte Afgevaardigde graag geruststellen: de doeltreffende bescherming van de mensenrechten in de Westelijke Sahara blijft voortdurend een belangrijke prioriteit van de Commissie.
(1) COM(2003)294 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/393 |
(2004/C 88 E/0399)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2231/03
van Bill Newton Dunn (ELDR) aan de Commissie
(3 juli 2003)
Betreft: Schending van de rechten van de mens in Birma
De Europese Commissie weet wel dat de schendingen van de mens in Birma nog altijd voortduren, meer in het bijzonder de gevangenhouding van Aung San Suu Kyi.
Kan zij antwoord geven op de volgende vragen:
|
1. |
Heeft ze protest aangetekend bij de Birmaanse regering? |
|
2. |
Heeft ze andere plannen om de verschrikkelijke toestand in Birma te proberen te verbeteren? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(31 juli 2003)
De Commissie en de lidstaten hebben herhaaldelijk aangedrongen op de onmiddellijke vrijlating van Daw Aung San Suu Kyi en de gearresteerde NLD-functionarissen en -aanhangers en de heropening van NLD-kantoren in het hele land alsmede van alle universiteiten in Birma/Myanmar.
Op 16 juni 2003 heeft de Unie verder besloten zonder uitstel de verscherpte sancties uit te voeren die zich met name op de militaire leiders en hun aanhangers richten. Oorspronkelijk zouden deze sancties op of vóór 29 oktober 2003 van kracht moeten worden, zoals overeengekomen in het Gemeenschappelijk Standpunt 2003/297/GBVB van 28 april 2003 betreffende Birma/Myanma (1) 1.
De Unie heeft bovendien de dialoog met haar gesprekspartners in Azië over de situatie in Birma/Myanmar versterkt, teneinde hen aan te moedigen hun invloed op de Birmaanse regering aan te wenden om Daw Aung San Suu Kyi vrij te krijgen en vooruitgang te ondersteunen op het gebied van goed bestuur en economische hervormingen. Op 17 juni 2003 heeft de Associatie van Zuidoost-Aziatische landen (ASEAN) een tot dusver ongekende oproep gericht tot Birma/Myanmar voor „een vreedzame overgang naar de democratie”.
De Commissie zal contacten blijven onderhouden met alle EU-gesprekspartners om ervoor te zorgen dat de internationale gemeenschap druk blijft uitoefenen op de Birmese regering totdat deze besluit tot vrijlating van Daw Aung San Suu Kyi en al haar aanhangers en zich gaat inzetten voor nationale verzoening en een terugkeer naar de democratie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/394 |
(2004/C 88 E/0400)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2252/03
van Glenys Kinnock (PSE) aan de Commissie
(1 juli 2003)
Betreft: Niet-vastgelegde en niet-uitgegeven EG-middelen voor Zuid-Afrika
Kan de Europese Commissie bevestigen dat in het geval van Zuid-Afrika middelen waarvan de vastlegging opgeheven is, aangezien ze niet geherprogrammeerd kunnen worden, verloren zijn? Er moet dringend nagedacht worden over een flexibeler benadering die de uitbreiding van essentiële projecten mogelijk maakt, zodat ernstige sociale en/of politieke gevolgen met grotere waarschijnlijkheid zullen uitblijven. Kan de Europese Commissie haar zienswijze meedelen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(29 juli 2003)
De Commissie bevestigt dat, in het geval van externe steun die wordt toegekend uit de algemene begroting, middelen die in een bepaald begrotingsjaar zijn vrijgemaakt in principe niet kunnen worden hergebruikt of opnieuw beschikbaar kunnen worden gesteld in volgende begrotingsjaren. Voor de betrokken jaarlijkse begrotingsverrichtingen gelden de bindende wettelijke voorschriften van het Financieel Reglement (1), dat door de Raad en het Parlement is vastgesteld. (Programmering is in hoofdzaak een planning op langere termijn om hoofdprioriteiten vast te stellen en is geen formele financiële vastlegging). Dit is niet alleen het geval voor Zuid-Afrika maar geldt ook voor alle andere landen die externe steun uit de algemene begroting van de Commissie ontvangen. In dit verband heeft de Commissie de afgelopen maanden intensieve besprekingen gevoerd met de Zuid-Afrikaanse autoriteiten.
De Commissie heeft zich altijd zeer soepel opgesteld met betrekking tot de samenwerkingsprojecten met Zuid-Afrika. Sinds de start van het Europees programma voor wederopbouw en ontwikkeling in Zuid-Afrika heeft de Commissie ruim 150 aanhangsels voor de uitbreiding van financiële overeenkomsten goedgekeurd. Helaas hebben niet al deze uitbreidingen de verwachte resultaten opgeleverd. Desondanks blijft de Commissie open staan voor verdere besprekingen met de Zuid-Afrikaanse autoriteiten over de uitbreiding van projecten waarvan de tenuitvoerlegging op moeilijkheden is gestuit. Zo'n 14 projecten zijn in aanmerking genomen voor uitbreidingen en aanpassingen in 2003. Feit is dat de Commissie probeert een oplossing te vinden voor het probleem dat te veel eerdere vastleggingen en projecten van start zijn gegaan zonder dat daarbij werd voldaan aan de kwaliteits- en uitvoerbaarheidsnormen die de Commissie vandaag hanteert. Dit neemt echter niet weg dat de toen beoogde doelstellingen deugdelijk en gegrond waren en nog altijd zijn.
Naar aanleiding van kritiek van het Parlement en de Raad heeft de Commissie geprobeerd een beter evenwicht te vinden tussen de vastlegging van begrotingsmiddelen en de daadwerkelijke besteding ervan. Verder zijn het Parlement en de Raad, in het kader van het streven naar een betere tenuitvoerlegging van de begroting, in het Financieel Reglement overeengekomen dat een uiterste uitvoeringsdatum moet worden bepaald overeenkomstig de beginselen van goed financieel beheer. Elk verzoek om projectuitbreiding moet dan ook zorgvuldig worden beoordeeld, en uitbreiding kan alleen worden toegestaan als dat gezien de relevantie van het project en uit het oogpunt van goed financieel beheer gerechtvaardigd is.
(1) Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, PB L 248 van 16.9.2002. Zie artikel 77, lid 3.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/395 |
(2004/C 88 E/0401)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2256/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(8 juli 2003)
Betreft: Schendingen van de godsdienstvrijheid van de leden van de Pinkstergemeente in Wit-Rusland
Gezien de volgende feiten:
|
— |
In het kader van de nieuwe golf van restricties die worden opgelegd aan religieuze bijeenkomsten in particuliere woningen van evangelisten van de Pinkstergemeente in steden en dorpen in het westen van Wit-Rusland is Alexander Tolochko bekeurd uit hoofde van artikel 193 van het wetboek van bestuursrecht krachtens welke niet-geregistreerde religieuze activiteiten strafbaar zijn. |
|
— |
Tot de bekeurde personen in Baranovitsj in de regio Brest behoren twee vrouwen van wie er een gehandicapt is en de andere gepensioneerd. Bisschop Nikolai Kurkaev heeft de nieuwe godsdienstwet, die afgelopen november van kracht is geworden, gelaakt. |
|
— |
Bovendien heeft de regering op 12 juni jonstleden een akkoord met de orthodoxe kerk getekend waardoor volgens vele andere religieuze gemeenschappen hun rechten verder worden ingeperkt. |
|
— |
Volgens bisschop Khomitsj zijn de nachtelijke invallen van de politie illegaal, aangezien de diensten in het dorp Zheludok nog niet begonnen zijn. |
|
— |
De ambtenaar Sergei Kaspertsjoek heeft abusievelijk verklaard dat de gelovigen in elk Europees land geregistreerd moeten zijn om te mogen samenkomen (Wit-Rusland is het enige Europese land dat zulks verlangt in weerwil van de internationale wetgeving inzake de mensenrechten). |
Kan de Commissie, aangezien er op economisch en handelsniveau uitstekende samenwerkingsbetrekkingen tussen de Europese Unie en Wit-Rusland bestaan, mededelen:
|
— |
of zij van de uiteengezette feiten op de hoogte is? |
|
— |
Welke initiatieven in het kader van de samenwerkingsbetrekkingen zouden een serieus en doeltreffend instrument vormen om Wit-Rusland ertoe te bewegen de vrijheid van godsdienst te eerbiedigen? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(8 augustus 2003)
In de Resolutie van de Raad van september 1997 over Wit-Rusland is bepaald dat de EG en haar lidstaten noch de interimovereenkomst, noch de partnerschaps- en de samenwerkingsovereenkomst met Wit-Rusland zullen sluiten en dat de tenuitvoerlegging van de technische bijstandsprogramma's van de lidstaten en de Gemeenschap zal worden gestopt, behalve in het geval van humanitaire of regionale projecten of die welke het democratiseringsproces rechtstreeks ondersteunen.
Uiteraard is de Commissie bezorgd over de toepassing van de wet inzake gewetensvrijheid en religieuze organisaties in Wit-Rusland. De Unie heeft deze bezorgdheid tot uitdrukking gebracht in de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).
De Commissie wenst opnieuw te verklaren hoeveel belang zij hecht aan het recht op vrijheid van godsdienst, levensbeschouwing en meningsuiting. De Unie heeft herhaaldelijk verzekerd dat de eerbiediging van de mensenrechten en de democratisering een onderdeel moeten zijn van de politieke dialoog met derde landen. Om die reden worden vraagstukken in verband met de vrijheid van godsdienst, als een van de fundamentele mensenrechten, alsook de rechten van de religieuze minderheden, door de EU aangepakt in het kader van de bilaterale politieke dialoog en zo nodig via diplomatieke démarches en openbare verklaringen, ofwel via de actie van de Unie in het kader van fora zoals de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties of het Derde Comité van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
De Commissie blijft zich inzetten voor de ondersteuning van godsdienstvrijheid en mensenrechten in Wit-Rusland, in nauwe samenwerking met de lidstaten, de Raad van Europa, de OVSE en de Verenigde naties en zij zal de kwestie met Wit-Rusland in alle mogelijke fora aan de orde blijven stellen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/396 |
(2004/C 88 E/0402)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2262/03
van Mario Mastella (PPE-DE) aan de Commissie
(1 juli 2003)
Betreft: Ernstige politieke, sociale en economische crisis in Venezuela
Gezien de volgende feiten:
|
— |
De politieke crisis in Venezuela stort het land ook in een zeer ernstige economische en sociale crisis: bij de algemene staking van twee maanden komen 130 dagen blokkade van de invoer — en dat in een land dat voor talloze goederen afhankelijk is van de invoer — en nu heeft de regering ook nog de controle op het wisselen van geld ingesteld, als politiek wapen, om al degenen te straffen die aan genoemde staking hebben deelgenomen. |
|
— |
Duizenden bedrijven hebben hun deuren moeten sluiten, waardoor de werkloosheid is gestegen tot 26 %, terwijl het grijze circuit 56 % van de economische bedrijvigheid uitmaakt. |
|
— |
Vanaf 19 augustus 2003 zal het mogelijk zijn een referendum te houden dat het mandaat van de president opheft, zulks overeenkomstig de grondwet en het akkoord dat, door bemiddeling van de OAS, is gesloten tussen de regering en de Coordinadora Democratica en waarvan de regering nu met alle mogelijke middelen probeert de uitvoering te traineren en te ondermijnen. |
|
— |
Bovendien verleent de regering, met het oog op de naderende verkiezingen, het staatsburgerschap aan Cubanen, Chinezen en Colombianen. |
|
— |
In Venezuela wonen miljoenen Europese burgers en hun nakomelingen, die de motor zijn van het midden-en kleinbedrijf. Het midden- en kleinbedrijf wordt nu echter verstikt door de economische maatregelen en de veiligheid van deze burgers is in gevaar door het toenemende geweld: bij demonstraties zijn 50 doden gevallen en iedere dag vinden 25 moorden plaats, als gevolg van de chaos en de afwezigheid van de staat. |
Kan de Commissie mededelen:
|
1. |
welke maatregelen zij voornemens is te nemen om de Europese burgers in Venezuela te beschermen en een mogelijke massale terugkeer te voorkomen; |
|
2. |
of zij op enigerlei wijze iets wil ondernemen tegen de ongrondwettelijke maatregelen en de schendingen van de mensenrechten waarvan de huidige Venezuelaanse regering wordt beschuldigd; |
|
3. |
of de Europese Unie voornemens is een aantal internationale waarnemers te sturen om te waarborgen dat het referendum op wettige wijze plaatsvindt en daadwerkelijk de opinie van de Venezuelaanse bevolking weerspiegelt? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(30 juli 2003)
De Commissie volgt de politieke situatie in Venezuela op de voet. De Unie heeft haar volledige steun betuigd aan de inspanningen van de tripartiete werkgroep die is gevormd door de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en het Carter Centre, en van de Groep Vrienden van Venezuela, voor het bevorderen van een nationale dialoog. De Unie heeft in verschillende verklaringen nadrukkelijk aangedrongen op een vreedzame, democratische, grondwettelijke en op verkiezingen gebaseerde oplossing. In haar laatste verklaring van 5 juni 2003 sprak de Unie haar tevredenheid uit over het feit dat de Venezolaanse regering en oppositie op 29 mei 2003 een politieke overeenkomst hadden ondertekend, en deed zij een beroep op alle betrokken partijen om over te gaan tot de voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomst vereiste follow-up. Ook onderstreepte zij dat de Unie klaar staat om hulp te bieden bij de tenuitvoerlegging van de overeenkomst, waarbij het o.a. gaat om steun voor een op verkiezingen gebaseerde oplossing, onderzoek naar de gebeurtenissen van april 2002, en ontwapening van de burgerbevolking.
Met het oog daarop heeft de Commissie een project ondertekend om de Organisatie van Amerikaanse Staten te helpen bij haar inspanningen voor tenuitvoerlegging van de overeenkomst. Er is een bedrag van 600 000 EUR uitgetrokken.
In geval van raadpleging van de kiezer is de Commissie bereid verkiezingswaarneming te overwegen. De uiteindelijke beslissing om verkiezingswaarnemers te sturen zou ervan afhangen of er een uitnodiging van de Venezolaanse autoriteiten komt: dan zou er een verkennende missie kunnen worden gestuurd om na te gaan of waarneming door de Unie wenselijk, nuttig en uitvoerbaar is.
Er zijn op het niveau van de Unie geen specifieke maatregelen getroffen om in Venezuela woonachtige burgers uit de Unie te beschermen. Bescherming en steun voor deze burgers is normaliter een zaak van hun lidstaat van oorsprong.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/397 |
(2004/C 88 E/0403)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2286/03
van Ozan Ceyhun (PSE) aan de Commissie
(7 juli 2003)
Betreft: Douanevoorschriften aan de grens van Servië en Montenegro (voormalig Joegoslavië)
Van de consul-generaal van de Republiek Turkije in Frankfort ontving ik een fax waarin hij wijst op de grens- en inreisvoorschriften in Servië en Montenegro (voormalig Joegoslavië). Het gaat om Turkse onderdanen die legaal in de EU wonen, en EU-burgers van Turkse herkomst. Vervolgens heb ik in een desbetreffend artikel in de Turkse krant Milliyet gelezen dat deze regeling inhoudt dat buitenlanders die naar Servië en Montenegro reizen, wordt verzocht bij het douanekantoor aangifte te doen van de hoeveelheid meegebrachte buitenlandse valuta, als deze groter is dan 2 000 EUR. Doen zij dit niet, houden de autoriteiten van Servië en Montenegro het bedrag boven 2 000 EUR bij het verlaten van het land in. Op deze wijze is tot dusverre ongeveer 1 miljoen euro van meer dan 190 Turkse onderdanen ingehouden die via Servië en Montenegro op weg waren naar Turkije. Als gevolg van de trage bureaucratische en gerechtelijke procedures zou het twee tot vijf jaar duren voordat deze gelden worden teruggestort. Mondelinge verklaringen over bedragen die 2 000 EUR te boven gaan, worden niet aanvaard. Er bestaat een absolute verplichting tot het invullen van een schriftelijk declaratieformulier.
Is de Commissie dit probleem op enigerlei wijze bekend? Wij verzoeken de Commissie om hulp bij het oplossen van dit probleem. Verder zou ik willen weten welke stappen de Commissie bereid is ondernemen om dit probleem tot een oplossing te brengen.
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(4 augustus 2003)
De verplichting om aangifte te doen van en de instelling van restricties op de in- en uitvoer van valuta zijn niet ongebruikelijk in landen die het witwassen van geld trachten te voorkomen en/of de uitstroom van kapitaal willen beperken.
Op 27 april 2002 is een nieuwe valutawet van kracht geworden in de Federale Republiek Joegoslavië (nu Servië en Montenegro). Er gelden een aantal restricties op het meebrengen van buitenlands geld, met name bij het verlaten van het land.
De douane kan bij grensovergangen tijdelijk beslag laten leggen (met afgifte van een certificaat) op dinars, buitenlands geld, cheques en effecten van ingezetenen en niet-ingezetenen, indien de waarde daarvan het door de Nationale Bank van Joegoslavië voorgeschreven bedrag overschrijdt.
De maatregelen zijn niet gericht tegen onderdanen van een bepaald land of een bepaalde herkomst. Naar verluidt zijn ook burgers van andere landen van de Europese Unie geconfronteerd met deze maatregelen.
De Commissie wil minister Lukovaæ van Internationale Economische Betrekkingen van de unie-staat op de hoogte stellen van deze zorgwekkende situatie, en daarbij de nadruk leggen op de lange periode (2-5 jaar) die naar verluidt verstrijkt tussen beslaglegging en terugbetaling. Verder wil de Commissie voorstellen om aan alle grensovergangen zo duidelijk mogelijk informatie te verstrekken aan reizigers over de verplichting om in- en uitvoer van valuta te melden. Doel daarvan is het aantal gevallen waarin wordt nagelaten bedragen boven het gestelde maximum (EUR 2 000) schriftelijk te melden, tot een minimum te beperken.
Wat de communautaire bijstand betreft, leveren Cards (communautaire bijstand voor wederopbouw, ontwikkeling en stabilisatie) (1) en andere instrumenten van de Gemeenschap al een bijdrage aan het hervormingsproces dat de wetgeving van Servië en Montenegro op één lijn moet brengen met de EU-wet-en regelgeving. Dit impliceert mede dat transacties met buitenlands geld op de middellange termijn worden geliberaliseerd.
(1) Verordening (EG) nr. 2666/2000 van de Raad van 5 december 2000 betreffende de steun aan Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kroatië, de Federale Republiek Joegoslavië en de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1628/96 en tot wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 3906/89 en (EEG) nr. 1360/90, alsmede van de Besluiten 97/256/EG en 1999/311/EG (PB L 306 van 7.12.2000).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/398 |
(2004/C 88 E/0404)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2296/03
van Alejo Vidal-Quadras Roca (PPE-DE) aan de Commissie
(11 juli 2003)
Betreft: Door de autonome regio Catalonië geheven belasting op door megawinkels gebruikte oppervlakten
Op 31 oktober 2002 heeft de vragensteller een parlementaire vraag (schriftelijke vraag P-3185/02 (1)) aan de Commissie gesteld over de ernstige beperking van de vrijheid van vestiging in verband met de door de autonome regio Catalonië krachtens wet 16/2000 ingevoerde belasting op door megawinkels gebruikte oppervlakten. In zijn antwoord van 17 december 2002 namens de Commissie bevestigde de heer Monti dat het geenszins de bedoeling van de Commissie is het voortbestaan van regels toe te staan die in strijd zijn met artikel 43 van het EG-Verdrag betreffende de vrijheid van vestiging.
Tot dusverre is nog niet bekend of het bevoegde Directoraat-generaal interne markt maatregelen tegen Spanje heeft genomen in verband met de Catalaanse wetten 16/2000 en 17/2000 die de vrije vestiging van communautaire bedrijven onmogelijk maken.
De passieve houding van de Commissie leidt tot een duidelijk ongelijke situatie, aangezien enerzijds het voortbestaan van dit soort regels in de EU wordt toegestaan, terwijl anderzijds van de kandidaat-lidstaten wordt verlangd dat zij dit soort regels afschaffen.
|
1. |
Is het Directoraat-generaal interne markt voornemens een procedure tegen Spanje te starten in verband met de Catalaanse wetten 16/2000 en 17/2000? Zo ja, op welke termijn? |
|
2. |
Is het Directoraat-generaal interne markt voornemens in het algemeen actie te ondernemen tegen dit soort maatregelen die de daadwerkelijke vrije vestiging van megawinkels belemmeren? Zo ja, wat is het tijdschema hiervoor? |
|
3. |
Is de Commissie zich ervan bewust dat het van belang is zo snel mogelijk te handelen om niet alleen de uitbreiding van dit soort maatregelen die de vrije vestiging belemmeren, tegen te gaan, maar ook de toepassing van reeds bestaande maatregelen zoals de Catalaanse wet 16/2000 die nu al leidt tot een kunstmatige en onomkeerbare verschuiving van de investeringen? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(5 september 2003)
De Commissie bevestigt het geachte parlementslid in de eerste plaats dat zij niet van plan is de handhaving toe te laten van voorschriften die als strijdig met artikel 43 van het EG-Verdrag betreffende de vrijheid van vestiging worden beschouwd, ongeacht of zij door de lidstaten dan wel door de toetredingslanden zijn uitgevaardigd.
Zoals door het geachte parlementslid wordt vermeld, is de Commissie voornemens in het algemeen actie te ondernemen tegen maatregelen die de daadwerkelijke uitoefening van de vrijheid van vestiging van winkelcentra belemmeren. Overigens heeft de Commissie de lidstaten verzocht om mededeling van hun nationale voorschriften betreffende de vestiging van megawinkels, wat zij onlangs ook hebben gedaan. Zij is dus in staat al deze voorschriften te onderzoeken teneinde na te gaan of zij verenigbaar zijn met de beginselen van het EG-Verdrag, en met name met artikel 43 betreffende de vrijheid van vestiging. Er zij aan herinnerd dat de Commissie in het kader van haar internemarktstrategie voor de dienstensector (2) bijzonder belang hecht aan het onderzoek van nationale regelgeving die van invloed kan zijn op distributiebedrijven, en met name de maatregelen betreffende de vestiging van winkelcentra.
Wat de Catalaanse wetten 16/2000 en 17/2000 betreft, deelt de Commissie aan het geachte parlementslid mee dat haar diensten in maart 2003 een klacht dienaangaande hebben geregistreerd en dat deze momenteel wordt onderzocht. Overigens zijn zij van plan om binnenkort een brief te versturen waarin de Spaanse autoriteiten om meer informatie worden verzocht, met name wat betreft de rechtvaardiging en het effect van de in Catalonië ingevoerde maatregelen. Indien het na afloop van het onderzoek nodig zou blijken een inbreukprocedure in te leiden, zal dit zo spoedig mogelijk gebeuren.
(1) PB C 192 E van 14.8.2003, blz. 102.
(2) Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, „De toestand van de interne markt voor diensten”, 30 juli 2002, COM(2002)441 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/399 |
(2004/C 88 E/0405)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2307/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(14 juli 2003)
Betreft: Timor — massamoorden 1999 — berechting schuldigen. Indonesië — mensenrechten
In zijn antwoord op mijn vraag E-0921/03 (1) over de hierboven genoemde kwesties schrijft commissaris Patten dat de Europese Unie de beraadslagingen van de rechtbank (een ad hoc-tribunaal dat speciaal is ingesteld om de misdaden te berechten die op Oost-Timor zijn begaan) voortdurend heeft gevolgd en dat zij de aangelegenheid opnieuw ter discussie zou stellen zodra het laatste arrest zou zijn bekendgemaakt, naar verwachting begin mei 2003, en voor de eventuele beroepsprocedure.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Over welke actuele informatie beschikt zij met betrekking tot de werkzaamheden van het ad hoc-tribunaal? |
|
— |
Welke conclusies trekt de Commissie uit deze beraadslagingen? |
|
— |
Hoe geloofwaardig schat de Commissie de uitspraken van dit tribunaal in, vooral uit het oogpunt van de rechtsstaat en de onvoorwaardelijke naleving van de internationale verdragen inzake mensenrechten? |
|
— |
Welke programma's zijn momenteel aan de gang of in voorbereiding tussen de EU en Indonesië met betrekking tot het behoorlijk bestuur, de hervorming van het gerechtelijk bestel en de eerbiediging van de mensenrechten? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(15 september 2003)
De Commissie ziet via haar delegatie in Jakarta en samen met de vertegenwoordigingen van de lidstaten in Indonesië, nauwlettend toe op het verloop van het ad hoc tribunaal voor Oost-Timor.
Na het meest recente vonnis, dat op 5 augustus 2003 werd uitgesproken, publiceerde de Europese Unie een verklaring, waarin zij haar teleurstelling uitsprak en verklaarde dat „de geloofwaardigheid van de vonnissen in gevaar gebracht is door fouten in de rechtsgang”.
De Commissie is van plan de bevoegde autoriteiten aan te moedigen de beroepsprocedures te verbeteren en aan te passen aan internationale normen op het gebied van justitie om ervoor te zorgen dat de vonnissen in overeenstemming zullen zijn met de zwaarte van de gepleegde misdrijven.
Gezien de justitiële gebreken in Indonesië heeft de Commissie een vaste bijdrage van EUR 13 miljoen toegekend in het kader van het programma „Partnerschap voor goed bestuur”, dat uitgevoerd wordt het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP). De Commissie is ook bezig met de opzet van een programma voor justitiële ondersteuning (voor een bedrag van EUR 11 miljoen), dat zich richt op de opleiding van rechters en openbaar aanklagers. Daarnaast buigt de Commissie zich over een verzoek van de nationale mensenrechtencommissie KOMNAS HAM om specifieke technische bijstand op het gebied van onderzoekstechnieken in conflictgebieden in Indonesië.
(1) Zie blz. 337.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/400 |
(2004/C 88 E/0406)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2310/03
van Baroness Sarah Ludford (ELDR) aan de Commissie
(8 juli 2003)
Betreft: EU-burgers in Japanse gevangenissen
De Commissie heeft het recht de maandelijkse vergaderingen van de consulaire medewerkers van de EU bij te wonen. Kan de Commissie op basis daarvan aangeven hoeveel EU-burgers, uitgesplitst naar EU-lidstaat, zich momenteel in Japan in een gevangenis bevinden?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(24 juli 2003)
De Delegatie van de Commissie in Tokio neemt alleen deel aan de coördinatievergaderingen van de Unie met betrekking tot consulaire aangelegenheden, wanneer de Commissie specifiek bevoegd is voor de zaken die aan de orde komen. Bezoeken aan gevangenissen en de begeleiding van burgers van de lidstaten die consulaire hulp nodig hebben behoren niet tot de bevoegdheid van de Delegatie. Volgens de laatste gegevens die bekendgemaakt werden tijdens de consulaire bijeenkomst zitten er alleen al in Tokio 100 EU-burgers in de gevangenis. Het is moeilijk aan precieze cijfers te komen, met name wanneer EU-burgers gearresteerd en vastgehouden worden in lokale prefecturen. (In sommige gevallen is hier sprake van een verschillende interpretatie van de nationaliteit; de ambassade van het Verenigd Koninkrijk aanvaardt bijvoorbeeld niet dat de burgers van Hong Kong door de Japanse autoriteiten als Chinese onderdanen beschouwd worden). In de meeste gevallen gaat het om de schending van wetten op het gebied van drugs. De Commissie kan derhalve geen nauwkeuriger cijfers verstrekken over het aantal EU-burgers, uitgesplitst naar EU-lidstaat en adviseert deze informatie rechtstreeks bij de lidstaten zelf in te winnen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/401 |
(2004/C 88 E/0407)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2317/03
van Armando Cossutta (GUE/NGL) aan de Commissie
(14 juli 2003)
Betreft: Privacy-rechten van de Europese burger
Op 25 juni jl. is er een topbijeenkomst gehouden tussen de EU en de Verenigde Staten. Een van de onderwerpen die aan de orde zijn/hadden moeten worden gesteld, is het TIA-project (oorspronkelijk Total Information Awareness, later gewijzigd in Terrorism Information Awareness). Voor dit project is een gigantisch apparaat nodig om informatie uit de meest uiteenlopende bronnen te verzamelen en te analyseren, dit loopt van de bestaande databanken tot commerciële transacties, van verplaatsingen tot het afluisteren van gesprekken. De heer Stefano Rodotà van de Italiaanse privacy-autoriteit heeft verklaard dat het hier om een nieuwe dimensie van surveillance gaat waardoor de staat de beschikking krijgt over alle persoonlijke informatie, bij wie dan ook verzameld en onafhankelijk van het doel waarvoor de informatie in de eerste plaats is verzameld. Het Europees Parlement heeft via zijn Voorzitter Pat Cox duidelijk stelling genomen door te zeggen dat de Verenigde Staten niet de wetgeving in Europa mogen dicteren.
|
1. |
Wat zijn de resultaten van de Top tussen de EU en de VS van 25 juni jl. ten aanzien van TIA? |
|
2. |
Meent de Commissie ook niet dat VS-wetgeving niet buiten het Amerikaanse grondgebied van kracht mag zijn en dat deze kwesties het best kunnen worden geregeld in internationale verdragen? |
|
3. |
Is de Commissie opgekomen voor het principe dat het onaanvaardbaar is dat de Verenigde Staten langs alle wegen informatie verzamelen die ontsproten is aan vrije communicatie tussen Europese burgers? |
|
4. |
Welke stappen denkt de Commissie te zetten om de privacy van de Europese burger te beschermen? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 september 2003)
|
1. |
De Commissie volgt van nabij alle sedert 11 september 2001 door de Verenigde Staten van Amerika met het oog op een betere beveiliging genomen initiatieven. Een van deze initiatieven is het door het geachte parlementslid genoemde Terrorism Information Awareness (TIA) project. Sedert het begin van 2003 zijn door het Congres diverse stappen ondernomen gericht op het instellen van een moratorium voor het gebruik, zonder de instemming van het Congres en toereikende bescherming van de openbare vrijheden, van gegevensexploitatietechnologie door het Defence Department en het nieuwe Department of Homeland Security. In februari 2003 heeft het Congres de financiering van het Total Information Awareness Programme opgeschort en het Defence Department verzocht toelichting te verschaffen over de implicaties van het project voor de privacy en de openbare vrijheden. Het heeft eveneens de toepassing van het programma op Amerikaanse staatsburgers beperkt tot de toepassing waarin door het Congres bij speciale wet wordt voorzien. De daarop betrekking hebbende tekst werd door de President van de Verenigde Staten op 20 februari 2003 als wet ondertekend. Op 20 mei 2003 heeft de Department of Defence Advanced Research Projects Agency (DARPA) het verslag gepubliceerd. De naam van het programma werd, zoals het geachte parlementslid heeft opgemerkt, gewijzigd van „Total” in „Terrorism” Information Awareness project. |
|
2. |
Gezien de aard van het TIA-programma en de mogelijkheid dat de activiteiten in het kader ervan de rechten van Europese onderdanen in het gedrang brengen, volgt de Commissie met veel aandacht alle ontwikkelingen op dit gebied en heeft zij de kwestie reeds ter sprake gebracht in het kader van de aan de gang zijnde beraadslagingen met de Verenigde Staten over de toegang tot door luchtvaartmaatschappijen verzamelde persoonsgegevens (Passenger Name Record of „PNR”). De Commissie is het met het geachte parlementslid erover eens dat de wetgeving van de Verenigde Staten inzake gegevensinzameling niet mag worden beschouwd als van kracht buiten het Amerikaanse grondgebied. De beschouwde activiteiten zijn evenwel van die aard dat internationale samenwerking nodig zal zijn om met betrekking tot bepaalde probleemgebieden een oplossing te vinden. |
|
3. |
Ofschoon de TIA niet officieel op de agenda van de topbijeenkomst Unie — Verenigde Staten van 25 juni 2003 stond, werd in verband met bovenvermelde beraadslagingen over PNR wel meer in het algemeen over gegevensbescherming gesproken. De Commissie is het eens met de mening van het geachte parlementslid dat de verschillende op gegevensverzameling gerichte wetten van de Verenigde Staten misschien de rechten van de Europese burgers zullen aantasten, en zal daarom de ontwikkelingen verder blijven volgen en hierover met de Verenigde Staten gesprekken voeren, ten einde tot bevredigende oplossingen te komen die het respect voor de Europese beginselen inzake gegevensbescherming en het recht op privacy van de Europese burger op optimale wijze vrijwaren. |
|
4. |
De Commissie neemt nota van de mening van het geachte parlementslid dat kwesties als deze het best kunnen worden geregeld aan de hand van een internationaal verdrag, en zal deze optie in aanmerking nemen bij haar interne beraadslagingen evenals bij de besprekingen met de Verenigde Staten. De Commissie zal de Commissie Openbare Vrijheden van het Parlement van de voortgang van de besprekingen op de hoogte blijven houden en zou het waarderen dat het debat over deze kwestie binnen genoemde commissie wordt voortgezet. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/402 |
(2004/C 88 E/0408)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2357/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(17 juli 2003)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid van moslims in Oezbekistan
Gezien de volgende feiten:
|
— |
Op 17 juni 2003 zijn in Namangan ongeveer vijftig vrouwen bijeengekomen om de vrijlating te eisen van hun echtgenoten, die „gewetensgevangenen” zijn omdat zij het islamitische geloof aanhangen. |
|
— |
Misor Oebaidoelaeva, een betoogster, laakt de omstandigheden waaronder haar man gevangen wordt gehouden. Hij wordt elke dag geslagen en is doof geworden ten gevolge van de mishandelingen. |
|
— |
De plaatselijke politie ontkent niet dat zij druk op Misor Oebaidoelaeva heeft uitgeoefend, opdat zij een verklaring ondertekent waarin zij belooft niet aan andere „illegale bijeenkomsten” te zullen deelnemen. |
Kan de Commissie, gezien de uitstekende samenwerkingsbetrekkingen op economisch en handelsgebied tussen de Europese Unie en Oezbekistan, mededelen:
|
— |
of zij van de uiteengezette feiten op de hoogte is? |
|
— |
Welke initiatieven in het kader van de samenwerkingsbetrekkingen denkt zij te ontplooien als een serieus en doeltreffend middel om Oezbekistan ertoe te bewegen de vrijheid van godsdienst te eerbiedigen? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(14 augustus 2003)
De Commissie is zeer zeker op de hoogte van de bijzonder moeilijke omstandigheden voor moslims in Oezbekistan. Zij is bekend met de genoemde bijeenkomst te Namangan en volgt de toestand aldaar nauwlettend.
De Overeenkomst voor partnerschap en samenwerking tussen de EU en Oezbekistan biedt voor het bespreken van dit soort zaken het geëigende raamwerk.
Bij elke bilaterale bijeenkomst zal de Commissie het punt van de godsdienstvrijheid bij de Oezbeekse instanties te berde blijven brengen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/403 |
(2004/C 88 E/0409)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2359/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(17 juli 2003)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid in Kosovo
Gezien de volgende feiten:
|
— |
De secretaris-generaal van de NAVO, George Robertson, heeft bij een bezoek aan Pristina op 27 juni 2003 de Albanese Kosovaren opgeroepen toleranter te zijn en bereid tot het opbouwen van een multi-etnische samenleving. |
|
— |
Op dezelfde dag zijn in Kosovska Vitina graven op het orthodoxe kerkhof geschonden en is in Pristina de orthodoxe kerk van St. Nicolaas aangevallen nadat de KFOR, de vredesmacht van de NAVO, er vorig jaar zijn handen van had afgetrokken. |
|
— |
Op 28 mei 2003 hebben onbekenden geschoten op twee Spaanse schildwachten van de KFOR die op wacht stonden bij het orthodoxe klooster van Gorioc bij Istok. |
|
— |
Op 31 mei 2003 is een granaat gegooid naar de controlepost van de Griekse KFOR die de kerk beschermde van de heilige tsaar Uros in de stad Urosevac in het zuiden van het land. |
|
— |
De missie van de Verenigde Naties, de UNMIK, en de KFOR zijn op zoek naar de schuldigen aan deze recente incidenten, maar de afgelopen drie jaar heeft er geen enkele arrestatie plaatsgevonden in verband met de honderden vergelijkbare aanvallen op orthodoxe kerken en begraafplaatsen. |
|
— |
Kosovo en Metohija zijn na-oorlogse gebieden waar het vier jaar na beëindiging van het conflict nog steeds niet mogelijk is de christelijke heilige plaatsen te herstellen. |
Gelet op de gigantische hoeveelheden geld die de Europese Unie in Kosovo pompt, luidt de vraag:
|
— |
Kan de Commissie meedelen of zij met bovengeschetste feiten bekend is? |
|
— |
Welke initiatieven zouden een handzaam instrument kunnen zijn om het bestuur van Kosovo zover te krijgen dat het zich houdt aan de godsdienstvrijheid? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(12 augustus 2003)
De bescherming van Servische, orthodoxe monumenten in Kosovo baart de internationale gemeenschap aanzienlijke zorgen. De Commissie veroordeelt de aanvallen op zulke cultuurmonumenten krachtig. Zij verheugt zich evenwel over het feit dat de KFOR, de NAVO-vredesmacht, een aanzienlijk aantal troepen heeft ingezet voor de bescherming van het culturele erfgoed in Kosovo.
De Commissie steunt de inspanningen van de missie van de Verenigde Naties in Kosovo om democratische instellingen in het leven te roepen die de weg wellicht effenen voor een verzoening van alle gemeenschappen. Dit is van doorslaggevend belang om het geweld te verminderen en een multi-etnisch en tolerant Kosovo op te bouwen.
De Commissie heeft meer in het bijzonder het internationaal civiel bestuur (de VN-missie in Kosovo — UNMiK) en de voorlopige autonome structuren (PISG) in Kosovo aangemoedigd om bij de prioriteiten inzake wederopbouw van openbare gebouwen en investeringen, in het kader van de geconsolideerde begroting van Kosovo, waaraan de Gemeenschap bijdraagt, de financiering op te nemen van het herstel van de beschadigde cultuurmonumenten. Deze maatregel zou het belang van deze kwestie benadrukken en de politieke leiders en de Kosovaarse samenleving stimuleren zich verantwoordelijk te voelen voor de oplossing van dit probleem.
De Commissie is daarom niet voornemens om zich zelf, met communautaire middelen, bezig te houden met de wederopbouw van religieuze gebouwen in Kosovo. Vermeldenswaard is evenwel dat de Commissie, op initiatief van Voorzitter Prodi en met de steun van het voor onderwijs en cultuur verantwoordelijke Commissielid, bijdraagt in de financiering van een „geïntegreerd herstelprogramma (IRPP)/gezamenlijke actie voor een onderzoek van het architectonisch en archeologisch erfgoed (met inbegrip van het religieus erfgoed van alle godsdiensten)” en de opstelling van een prioriteitenlijst van monumenten en sites op de Balkan die dringend aan herstel en restauratie toe zijn. Deze gezamenlijke actie wordt ontwikkeld in het kader van het Regionale programma voor cultureel en natuurlijk erfgoed in Zuidoost-Europa, dat tussen 2003 en 2005 door de Raad van Europa wordt uitgevoerd en een zeer nuttige informatiebron zal zijn om de deelneming van de autoriteiten, de donors en de internationale organisaties die op dit terrein werkzaam zijn te bevorderen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/404 |
(2004/C 88 E/0410)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2360/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(17 juli 2003)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid en wettelijke beperkingen voor het uitoefenen van godsdienstige activiteiten in Slowakije
Gezien de volgende feiten:
|
— |
De leiders van kleine protestante kerkgenootschappen, moslims en aanhangers van Hare Krishna klagen over de godsdienstwet uit 1991 die het voor godsdienstige gemeenschappen met minder dan 20 000 leden onmogelijk maakt een wettelijke status te verkrijgen. |
|
— |
Dominee Ivan Zustiak, de leider van de protestante kerk Brethren, heeft gevraagd om registratie van zijn kerkgenootschap, maar dit is hem geweigerd door het Bureau voor godsdienstzaken. |
|
— |
Mohamad Safwan Hasna, de Syrische imam met de Slowaakse nationaliteit, stelt dat de weigering van registratie en het verbod om een moskee te bouwen uitermate vernederend is. Zij beschikken niet over een vaste en geschikte ruimte waar zij kunnen bidden, bijeenkomen en de islamitische cultuur uitdragen. Hasna heeft drie jaar geleden een stuk grond gekocht in de oude binnenstad, maar de burgemeester heeft hem geen bouwvergunning verstrekt. Er zijn in Slowakije ongeveer 5 000 islamieten, voor het merendeel in Bratislava. De gemeenschap in Bratislava die zich heeft moeten inschrijven als liefdadigheidsorganisatie, is al jaren op zoek naar een plek om als islamitisch centrum in te richten. |
|
— |
Martin Huncar, pastoraal medewerker van de protestante kerk World of Life in Bratislava, beweert dat zijn kerk niet eens heeft geprobeerd zich te laten te registreren, want hij wist dat dit geen zin zou hebben. De kerk heeft zich bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken moeten inschrijven als organisatie die met jongeren sociale en christelijke activiteiten ontplooit. In hun officiële documenten mogen zij het woord „kerk” niet gebruiken. Huncar wijst erop dat de kerk, zolang zij niet ingeschreven is, geen rechtsgeldige huwelijken mag sluiten of begrafenissen mag verrichten en dat zij niet actief mag zijn op scholen en in gevangenissen. |
|
— |
Ragimatha Priya, de leider van de Hare Krishna-gemeenschap in Abranovce, in de buurt van Prsov, heeft verklaard dat zij gedwongen waren zich in te schrijven als burgerlijke organisatie. |
|
— |
Jan Juran, de directeur van het Bureau voor godsdienstige zaken van het Ministerie van Cultuur, heeft toen hem gevraagd werd of het geen discriminatie was dat nieuwe godsdienstige groepen zich niet mochten inschrijven, geantwoord dat dit waarschijnlijk zo is, maar dat de zaken nu eenmaal zo zijn. Tot dusver is er geen kritiek gekomen van de kant van het Slowaakse parlement of van het Comité van Helsinki. Juran wilde niet zeggen of de dominerende rooms-katholieke kerk druk uitoefent om godsdienstige groepen geen toestemming te verlenen zich in te schrijven. |
Kan de Commissie meedelen of de bovengeschetste feiten haar bekend zijn?
Vindt zij de wet van 1991 verenigbaar met de Europese Verdragen en de internationaal erkende conventies en definities van godsdienstvrijheid?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(12 augustus 2003)
Vrijheid van religie is een universeel en fundamenteel recht van het individu, dat als zodanig het nationale recht overstijgt.
De Commissie volgt op regelmatige basis de situatie in verband met vrijheid van religie in Slowakije, aangezien vrijheid van religie een belangrijk onderdeel is van de politieke criteria voor toetreding van Kopenhagen. Het recht vrijelijk zijn of haar religie of geloof te belijden is in Slowakije gewaarborgd door artikel 24 van de Slowaakse grondwet. Deze waarborgen zijn op meer gedetailleerd wijze geregeld in het gewijzigde besluit nr. 308/1991 Coll. inzake de vrijheid van religie en geloof en het statuut van kerken en religieuze verenigingen. Samen met besluit nr. 192/1992 Coll. inzake de registratie van kerken en religieuze verenigingen legt dit besluit eveneens bepaalde voorwaarden vast voor de registratie van kerken. Registratie is de voorwaarde voor erkenning van een kerk of religieuze vereniging. Uit hoofde van dit besluit is de erkenning als kerk of religieuze vereniging geweigerd van de verenigingen waarvan het geachte parlementslid spreekt. De vereiste van registratie vormt evenwel geen beperking van de rechten en vrijheden die door artikel 24 van de Slowaakse grondwet zijn gewaarborgd. Het recht van het individu om vrijelijk zijn of haar religie of geloof te belijden, blijft onaangetast. De geloofsneutraliteit van de staat (eveneens gewaarborgd door de Slowaakse grondwet) wordt evenmin aangetast door de invoering van de categorie „erkende kerk”.
Dit wordt tevens bevestigd in een recent verslag over Slowakije van de Raad van Europa, dat op 3 juli 2003 is goedgekeurd door het Comité van Ministers (CM/Monitor(2003)9). Dit verslag benadrukt dat vrijheid van religie niet mag worden gelijkgeschakeld met „gelijkheid van aanspraken”. Kerken verkrijgen aanspraken als gevolg van de erkenning van hun maatschappelijke nut door de Staat. Het verslag concludeert dat „kerken en religieuze verenigingen de jure en de facto vrijelijk kunnen handelen, ongeacht of zij al dan niet zijn erkend”.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/405 |
(2004/C 88 E/0411)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2361/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(17 juli 2003)
Betreft: Bescherming van de godsdienstvrijheid in Wit-Rusland door een nieuw concordaat dat de orthodoxe kerk grotere bevoegdheden verleent
Gezien de volgende feiten:
|
— |
Op 12 juni 2003 is een concordaat gesloten tussen de orthodoxe kerk en de staat waardoor de greep van de orthodoxen op de staatsorganen nog sterker wordt en zij samenwerkingsprogramma's kunnen ontwikkelen met alle sectoren die er in de samenleving toe doen. |
|
— |
Door dit concordaat aanvaardt de staat dat Wit-Rusland een „canonisch grondgebied” van de orthodoxe kerk wordt. |
|
— |
Tot nog toe had van de voormalige Sovjetrepublieken alleen Georgië een concordaat gesloten met een plaatselijke orthodoxe kerk op hoog niveau, namelijk de „constitutionele overeenkomst” met de Catholicos patriarch Ilya II. Dit concordaat is op 14 oktober 2002 door president Eduard Sjevardnadze ondertekend. |
|
— |
De bepalingen uit het Georgische concordaat zoals vrijdom van belasting en herstel van het kerkelijk eigendom komen in hoge mate overeen met de in Rusland bestaande godsdienstwetten, maar het nieuwe Wit-Russische concordaat gaat nog een stap verder, want in het wetboek zijn allerlei essentiële onderwerpen opgenomen die de patriarch van Moskou bepleitte na het instorten van de Sovjetunie. |
Gezien de voortreffelijke betrekkingen op economisch en handelsniveau tussen de Europese Unie en Wit-Rusland luidt de vraag:
|
— |
Kan de Commissie meedelen of de bovengenoemde feiten haar bekend zijn? |
|
— |
Welke initiatieven zij in het kader van de samenwerkingsbetrekkingen denkt te nemen als stok achter de deur om Wit-Rusland ertoe te dwingen dat het de godsdienstvrijheid eerbiedigt. |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(12 september 2003)
Ten aanzien van de betrekkingen met Wit-Rusland moet in gedachten worden gehouden dat het optreden van de Unie en de lidstaten jegens Wit-Rusland strikt is omschreven, in overeenstemming met de Resolutie van de Raad van 1997 waarbij de politieke betrekkingen op bepaalde punten worden beperkt. In dit kader kunnen de economische en handelsbetrekkingen tussen de Gemeenschap en Wit-Rusland niet als „uitstekend” worden omschreven.
De Commissie herhaalt dat zij groot belang hecht aan het recht op vrijheid van godsdienst, van overtuiging en van meningsuiting. De Unie heeft bij herhaling aangegeven dat mensenrechten en democratisering integrerend deel moeten uitmaken van elke politieke dialoog met derde landen. Aldus komen godsdienstvrijheid — als één van de fundamentele rechten van de mens — en de rechten van religieuze minderheden aan de orde via de politieke dialogen van de Unie en, desgewenst, via diplomatieke stappen en openbare verklaringen, alsmede via het optreden van de Unie in fora zoals de VN-Commissie over de mensenrechten of het derde comité van de Algemene Vergadering van de VN.
De Commissie blijft zich inzetten voor de vrijheid van godsdienst en de mensenrechten in Wit-Rusland, in nauwe samenwerking met de lidstaten, de Raad voor Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Verenigde Naties.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/406 |
(2004/C 88 E/0412)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2370/03
van Anna Karamanou (PSE) aan de Commissie
(16 juli 2003)
Betreft: Groepsverkrachtingen van vrouwen door Britse soldaten in Kenia
Onlangs werd bekend dat 650 vrouwen uit de stad Isiolo in Oost-Kenia klachten hebben ingediend omdat zij het slachtoffer zijn geworden van verkrachtingen, vaak groepsverkrachtingen, door Britse soldaten. In de regio is er een Brits legerkamp waar elk jaar manoeuvers worden gehouden. Volgens de klachten gebeuren deze verkrachtingen al sedert 1977. Het Britse Ministerie van Defensie heeft geen enkele maatregel genomen ook al was het van deze feiten op de hoogte. Als gevolg van deze verkrachtingen hebben vele vrouwen mulattenkinderen ter wereld gebracht en leiden zij een marginaal bestaan, verstoten door hun families. Een groot deel van deze vrouwen heeft met de financiële hulp van hun land zaken aanhangig gemaakt en vraagt een schadevergoeding.
Er heerst woede en ergernis om de volgende zaken:
|
— |
de seksuele mishandeling van deze vrouwen als een vorm van vertier, en nog wel door Europese burgers, |
|
— |
het ontbreken van elke notie van respect ten aanzien van hun lichamelijke en psychische integriteit, |
|
— |
de straf die zij en hun kinderen moeten betalen door hun marginalisering en het feit dat zij niet door hun familie worden aanvaard, voor een gebeurtenis waarvoor zij niet verantwoordelijk zijn. |
Zal de Commissie initiatieven ondernemen om deze zaak op te helderen, opdat de Keniaanse vrouwen moreel en materieel gecompenseerd worden en de schuldigen een exemplarische straf krijgen? En welke maatregelen denkt zij te nemen om ervoor te zorgen dat er in de toekomst geen dergelijke gevallen meer voorkomen van seksueel geweld en mishandeling van vrouwen, welke een regelrechte schending van hun mensenrechten vormen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(14 augustus 2003)
De Commissie beschikt over informatie met betrekking tot de vermeende groepsverkrachtingen van vrouwen door Britse troepen in Kenia. De Commissie beschouwt dit als een zaak van de regering van de betrokken lidstaat, en gaat ervan uit dat deze passende maatregelen zal nemen. In dit verband wijst de Commissie op het verslag van Amnesty International, getiteld „Decades of Impunity: Serious allegations of Rape of Kenyan Women by UK Army Personnel” waarin gemeld wordt dat de speciale onderzoeksafdeling van de Britse Royal Military Police (RMP-SIB) in april 2003 een onderzoek heeft ingesteld naar een aantal gevallen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/407 |
(2004/C 88 E/0413)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2371/03
van Michael Cashman (PSE) aan de Commissie
(16 juli 2003)
Betreft: Associatieovereenkomst EU-Egypte
Kan de Commissie de verzekering geven dat zij, wanneer de Associatieovereenkomst EU-Egypte in werking treedt, waakzaam zal blijven met betrekking tot de mate waarin Egypte voldoet aan de voorwaarden van artikel 2 betreffende eerbiediging van de rechten van de mens? Op welke manier is de Commissie van plan na te gaan in hoeverre Egypte voldoet aan de voorwaarden van dit artikel en welke maatregelen zal de Commissie nemen om te verzekeren dat Egypte zijn verplichtingen geheel en al nakomt?
Is er een mogelijkheid dat Egypte wellicht in een vroeg stadium zou kunnen profiteren van een aantal van de voordelen die voortvloeien uit de overeenkomst, en zo ja, kan de Commissie verduidelijken welke voordelen kunnen worden aangeboden en wanneer? En is de Commissie verder ook van mening dat, mochten dergelijke voordelen worden aangeboden, Egypte ook maatregelen zal moeten nemen met betrekking tot andere aspecten van de overeenkomst, en dan met name artikel 2?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(4 augustus 2003)
De Commissie hecht veel belang aan de eerbiediging van de rechten van de mens en volgt, los van de inwerkingtreding van de Associatie-Overeenkomst, de situatie in Egypte op de voet. Het geachte parlementslid is wellicht op de hoogte van de talloze inspanningen van de Unie op het gebied van de mensenrechten en democratisering in Egypte. De meest recente gesprekken over mensenrechtenvraag-stukken vonden plaats tijdens de ministeriële bijeenkomst van 16-17 juni 2003.
Artikel 3 van de Associatie-Overeenkomst bepaalt dat bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst een formele politieke dialoog wordt gestart in het kader van de Associatieraden en Associatiecomités onder meer over de mensenrechten en democratisering. Op basis van deze dialoog zullen een meer diepgaande dialoog en samenwerking met Egypte kunnen worden ontwikkeld op het gebied van mensenrechten en democratisering.
Voorts is de Commissie van plan verder te bouwen op deze dialoog en samenwerking door een recent initiatief ten uitvoer te leggen. Op 22 mei 2003 bracht de Commissie een Mededeling uit om een nieuwe impuls te geven aan de maatregelen van de Unie inzake mensenrechten en democratisering met de mediterrane partners in het kader van de dialoog en de samenwerking op grond van de Euro-mediterrane overeenkomsten. Deze mededeling wordt momenteel door de Raad en het Parlement bestudeerd.
„De mogelijkheid dat Egypte wellicht in een vroeg stadium zou kunnen profiteren van een aantal van de voordelen die voortvloeien uit de overeenkomst” hangt in de eerste plaats van de datum van inwerkingtreding van de Associatie-Overeenkomst omdat deze door elke lidstaat moet worden geratificeerd. Een voorlopige toepassing van de Associatie-Overeenkomst zou de handels- en handels-verwante bepalingen bestrijken en vereist instemming van beide partijen bij de overeenkomst. Er zijn reeds voorbeelden te vinden van de voorlopige toepassing van een Associatie-Overeenkomst (bijvoorbeeld met Libanon) In een dergelijk geval zijn de voordelen de voordelen die zijn uiteengezet in de op 25 juni 2001 ondertekende Associatie-Overeenkomst. Deze zouden met name betrekking hebben op de ontmanteling van tarieven voor industrieproducten die in Egypte worden ingevoerd en op de regelingen voor landbouw, visserij en verwerkte landbouwproducten. Industrieproducten uit Egypte genieten reeds vrije toegang tot de Gemeenschap op grond van de in 1977 ondertekende Samenwerkingsovereenkomst.
Om de doelstellingen van de overeenkomst te verwezenlijken en met name in het kader van het nieuwe beleid op het gebied van nabuurschap zal de Commissie ervoor zorgen dat bij alle onderdelen van de overeenkomst, met inbegrip van artikel 3 voortgang wordt geboekt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/408 |
(2004/C 88 E/0414)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2372/03
van Eija-Riitta Korhola (PPE-DE) aan de Commissie
(16 juli 2003)
Betreft: Overbrenging van gedetineerde EU-burgers naar gevangenissen in hun vaderland
Volgens informatie van de Dienst Buitenlandse Zaken van de Finse overheid zitten alleen al in Venezuela op dit moment 500 burgers van EU-landen lange gevangenisstraffen uit, vaak onder onmenselijke omstandigheden; in sommige gevangenissen zijn de meest fundamentele voorzieningen niet zonder meer aanwezig, maar moeten de gedetineerden zelf EUR 300 per maand betalen voor vanzelfsprekende zaken als dagelijkse maaltijden. Verplaatsingen zijn langdurig en onmenselijk.
Hoewel Venezuela is toegetreden tot het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (ratificatie in april van dit jaar) lijkt het voor individuele personen in de praktijk onmogelijk om de afspraken rond te krijgen die nodig zijn voor overbrenging naar het land van herkomst. Zelfs afzonderlijke lidstaten van de EU lijken in dit opzicht weinig te kunnen uitrichten. Een van de redenen hiervoor is wellicht de verregaande corruptie bij de Venezolaanse bestuursorganen.
Is de Commissie bereid op korte termijn eenmalige onderhandelingen te starten met als doel dat alle in Venezuela gedetineerde EU-burgers hun straf kunnen uitzitten in gevangenissen in hun vaderland? Is het met het oog hierop mogelijk om een delegatie op hoog niveau samen te stellen die de komende maanden naar Venezuela zou kunnen reizen om deze kwestie op het hoogst mogelijk niveau met de Venezolaanse overheid op te lossen?
Is de Commissie op de hoogte van de situatie in andere derde landen en zou de EU een procedure kunnen opstellen om sneller te kunnen optreden om ervoor te zorgen dat alle EU-burgers die in slechte omstandigheden gevangen zitten in derde landen de rest van hun straf kunnen uitzitten in hun vaderland?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(12 augustus 2003)
De Commissie is zich bewust van de algemene situatie in de Venezolaanse gevangenissen en van de omstandigheden waarin de gevangenen hun straf moeten uitzitten.
De consulaire bescherming van burgers van de Unie is een zaak van de afzonderlijke lidstaten, en geen bevoegdheid van de Gemeenschap. Via hun afzonderlijke diplomatieke vertegenwoordigingen volgen de lidstaten van dichtbij de situatie van de gevangen EU-burgers. Sommige lidstaten hebben regelingen ter ondersteuning van de gevangenen, waarvan zij zo goed mogelijk gebruik maken. Mogelijkheden zijn o.m. het repatriëren van gevangenen of het aanbieden van financiële hulp en gezondheidsdiensten.
Naast de Internationale Overeenkomst betreffende de overbrenging van gevonniste personen hebben sommige lidstaten bilaterale overeenkomsten met Venezuela gesloten. De procedures in het kader van deze overeenkomsten zijn evenwel omslachtig en kunnen tot twee jaar duren.
Drie lidstaten, Duitsland, Italië en Nederland, hebben in mei 2003 demarches ondernomen bij de minister van Binnenlandse Zaken van Venezuela. De Commissie is bereid met de lidstaten overleg te plegen om te zien hoe bij de Venezolaanse autoriteiten een demarche op EU-niveau kan worden ondernomen. Het zou de bedoeling zijn de Venezolaanse autoriteiten ertoe aan te zetten hun verplichtingen in het kader van de Internationale Overeenkomst betreffende de overbrenging van gevonniste personen na te komen, en hun te verzoeken de betrokken bilaterale overeenkomsten met de lidstaten beter toe te passen. Door de demarche zouden de Venezolaanse autoriteiten ook worden herinnerd aan de verplichting die zij krachtens het internationale recht hebben om ervoor te zorgen dat gevangen buitenlanders hun straf in menselijke omstandigheden kunnen uitzitten.
Aangezien de Gemeenschap terzake niet bevoegd is, wordt de Commissie niet systematisch ingelicht over de situatie van EU-burgers die in derde landen gevangen zijn.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/409 |
(2004/C 88 E/0415)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2401/03
van Avril Doyle (PPE-DE) aan de Commissie
(21 juli 2003)
Betreft: Vrijstelling van BTW op briefport voor liefdadigheidsinstellingen
De Commissie stelt voor om BTW op briefport te heffen, maar dat zou een zware financiële last betekenen voor liefdadigheidsinstellingen, die voor hun fondsenwerving afhankelijk zijn van persoonlijk geadresseerde brieven en niet zoals gewone ondernemingen de BTW kunnen terugvorderen.
Kan de Commissie laten weten of het mogelijk is om liefdadigheidsinstellingen, die voor het specifiek probleem staan dat ze volgens de Ierse belastingwet geen BTW kunnen terugvorderen, van de nieuwe Europese wetgeving vrij te stellen?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(5 september 2003)
Krachtens het voorstel (1) van de Commissie tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG (2) wat betreft de BTW op postale dienstverlening zouden de lidstaten een verlaagd tarief mogen toepassen op de meeste postdiensten waarvan particuliere klanten nu gebruikmaken. Het voorgestelde verlaagde tarief zou ook gelden voor direct mail die met het oog op fondsenwerving door liefdadigheidsinstellingen wordt verzonden. Als Ierland op deze postdiensten een verlaagd tarief van 5 % zou toepassen, zullen er volgens de berekeningen van de Commissie geen prijsstijgingen plaatsvinden. An Post kan momenteel immers geen BTW in mindering brengen op zijn kosten, die voor het merendeel onder het standaardtarief van 21 % vallen, maar zodra het voorstel is goedgekeurd, zullen de kosten van het postbedrijf dalen omdat het dan de voorbelasting zal kunnen aftrekken.
In de BTW wordt rekening gehouden met het bijzondere maatschappelijke belang van liefdadige activiteiten; zo zijn bepaalde leveringen van goederen en diensten die door liefdadigheidsinstellingen worden verricht, van BTW vrijgesteld. Er bestaat evenwel geen vrijstelling voor leveringen die door andere ondernemingen worden verricht ten behoeve van liefdadigheidsinstellingen. Het heeft weinig zin een regeling op te zetten waarbij de BTW voor postdiensten varieert naar gelang van de afnemer van de dienst. Het zou de postbedrijven veel geld kosten om een dergelijke regeling na te leven, en de belastingdiensten veel moeite om daarop toe te zien.
(1) COM(2003)234 def.
(2) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145 van 13.6.1977).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/410 |
(2004/C 88 E/0416)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2420/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(21 juli 2003)
Betreft: Herhaalde Israëlische beschuldigingen tegen Palestijnse media en schoolboeken en de op grond daarvan voortgezette campagne tegen betalingen door de Europese Unie
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat de Israëlische organisatie „Palestinian Media Watch”, die sinds zes jaar alle Palestijnse TV-uitzendingen, kranten en schoolboeken volgt, van oordeel is dat ook in recente uitzendingen en publicaties de joodse inwoners van Israël worden omschreven als toevallige koloniale indringers zonder enige historische band met dit gebied, dat de steden Yaffa (tegenwoordig een stadswijk van Tel-Aviv) en Beersheba alsmede het Meer van Galilea (Yam Kinneret) worden omschreven als delen van Palestina en dat jongeren worden opgeroepen om zich op te offeren als „shahid” voor de martelaarsdood? |
|
2. |
Is het de Commissie tevens bekend dat volgens dezelfde bron een opiniepeiling van de Palestijnse Birzeit Universiteit in augustus 2002 heeft opgeleverd dat 42 % van alle Palestijnen voorstander is van een meerpartijendemocratie en 42 % van een islamitische éénpartij staat, maar dat als gevolg van de op de jeugd gerichte propaganda 58 % van de jongeren tussen 18 en 25 jaar voorstander is van zo'n islamitische éénpartij staat? |
|
3. |
Is het de Commissie bekend dat deze verontrustende informatie voortdurend opnieuw wordt gebruikt als argument om de financiële steun van de EU voor de gebieden die worden bestuurd door de Palestijnse Autoriteit stop te zetten, en zich daarmee te verzetten tegen inspanningen om onderwijs en economie zo veel mogelijk op hetzelfde niveau te brengen als in Israël? |
|
4. |
Heeft de Commissie ook na de nieuwste beschuldigingen nog steeds de zekerheid dat begrotingssteun of projectfinanciering door de EU niet mede kan worden besteed aan propaganda door betrokken partijen voor eenzijdige en gewelddadige oplossingen van het Israëlisch-Palestijnse conflict? |
|
5. |
Wat kan de Commissie ertoe bijdragen om bij de wenselijke voortzetting of uitbreiding van de steun aan het Palestijnse volk tevens te bewerkstelligen dat het klimaat voor het tot stand brengen van een volwaardige Palestijnse staat en een vreedzaam samenleven met de buurstaat Israël met erkende en veilige grenzen niet wordt bedorven? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(12 september 2003)
|
1. |
De Commissie is op de hoogte van de activiteiten van de Israëlische organisatie „Palestinian Media Watch” en andere organisaties die rapporten hebben opgesteld over de inhoud van Palestijnse media en onderwijsprogramma's. |
|
2. |
De genoemde opiniepeiling is de Commissie eveneens bekend. |
|
3. |
Het is de Commissie bekend hoe deze informatie gebruikt wordt. |
|
4. |
De Commissie heeft geen aanwijzingen dat de communautaire financiering aan de Palestijnse Autoriteit misbruikt wordt voor iets anders dan de overeengekomen doelstellingen. Mocht dergelijk misbruik bewezen worden, dan zou onmiddellijk actie worden ondernomen. |
|
5. |
Met de steun van de Commissie aan de Palestijnen wordt beoogd de economische en humanitaire crisis te verlichten terwijl tegelijkertijd gewerkt wordt aan institutionele opbouw van de toekomstige onafhankelijke, democratische en levensvatbare Palestijnse staat, die in vrede en veiligheid kan samenleven met Israël, zoals onlangs vastgelegd in de roadmap voor vrede. Meer hervormingen, de bevolking helpen de economische crisis het hoofd te bieden en de beginselen met betrekking tot goed bestuur en tolerantie en wederzijds begrip bevorderen, zijn de beste strategie om duurzame coëxistentie tussen Israël en de Palestijnen te bewerkstelligen. Deze beginselen vormen al sinds lange tijd de basis van het programma van de Commissie ten behoeve van de Palestijnen. De Commissie is een verklaard voorstander van hervormingen en heeft voor de Palestijnse Autoriteit programma's op maat ontworpen voor institutionele opbouw (bijvoorbeeld op het gebied van justitie) en verbindt aan de steun strenge voorwaarden met betrekking tot hervormingen. Dit heeft al tot positieve resultaten geleid, met name op het gebied van de overheidsbegroting en de goedkeuring van belangrijke wetten. De nieuwe regering van de Palestijnse Autoriteit onder premier Abbas wil zich inzetten voor een grootschalig hervormingsprogramma, waaronder concrete maatregelen om het aanzetten tot geweld te bestrijden. Dit programma werd in grote lijnen geschetst tijdens de vergadering op 26 juni 2003 van het gemengde comité in het kader van de interim-associatieovereenkomst voor handel en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en de Palestijnse Autoriteit. De internationale gemeenschap ziet nauwlettend toe op de naleving van de verplichtingen uit de roadmap. De Commissie staat achter de inspanningen van een aantal lidstaten om een modern Palestijns onderwijssysteem te ontwikkelen, gebaseerd op tolerantie en wederzijds begrip, en stimuleert regelmatig contacten met de Palestijnse Autoriteit en overleg met allen betrokken partijen. Ten slotte wijst de Commissie het geachte parlementslid er graag op dat het belang van de communautaire donorsteun voor zowel het op gang houden van de Palestijnse economie als de uitvoering van belangrijke democratische hervormingen breed erkend wordt door de internationale gemeenschap, met name tijdens de vergadering van het Ad Hoc Verbindingscomité van internationale donors (waaronder de Europese Unie, de Verenigde Staten, Noorwegen en de Wereldbank), die op 18 en 19 februari in Londen plaatsvond. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/411 |
(2004/C 88 E/0417)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2471/03
van Catherine Stihler (PSE) aan de Commissie
(24 juli 2003)
Betreft: Italië en naleving van de verordening inzake dierenwelzijn
In de Independent is onlangs gemeld dat hengelaars volgens de politie in Italië levende katjes gebruiken als aas om reuzenmeervallen te vangen.
Volgens Giuseppe Lagana, een politieambtenaar in Mantua in het dal van de Po, is het eerste geval van jonge katten die in de Po worden gebruikt, in mei aan het licht gekomen. Maar de heer Lagana, die eveneens commandant is bij Ampana, de Italiaanse vrijwilligersorganisatie voor natuurbescherming, stelt dat het voorval niet op zichzelf staat.
Kan de Commissie bevestigen of Italië de algemene dierenwelzijnswetgeving van de EU volledig naleeft?
Antwoord van de heer Byrne Namens de Commissie
(11 september 2003)
De Commissie heeft herhaaldelijk de vele vormen van dierenmishandeling betreurd. Zij zou diep geschokt zijn als mocht blijken dat jonge poezen als levend aas worden gebruikt zoals het geachte parlementslid beweert.
Ten aanzien van het welzijn van dieren beperkt het Gemeenschapsrecht zich echter hoofdzakelijk tot de veeteelt op boerderijen, het slachten of doden van dieren en het transport van alle soorten dieren evenals de behandeling van laboratoriumdieren.
Het voorkomen van wreedheden aan huiskatten, bijvoorbeeld, valt onder de exclusieve competentie van de lidstaten en daarom moeten de Italiaanse autoriteiten een onderzoek inleiden naar de berichten omtrent de praktijken waarvan het geachte parlementslid gewag maakt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/412 |
(2004/C 88 E/0418)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2476/03
van Juan Naranjo Escobar (PPE-DE) aan de Commissie
(24 juli 2003)
Betreft: Verlaagd BTW-tarief voor hotels, restaurants en cafés in de Europese Unie
De diensten van de horeca vallen op dit moment onder bijlage H van de zesde BTW-richtlijn.
Op grond van deze richtlijn hebben twaalf van de vijftien lidstaten besloten op deze categorie diensten een BTW-tarief van lager dan 15 % toe te passen. Het is echter duidelijk dat de verschillende tarieven die in de landen gelden neerkomen op ongelijke behandeling die concurrentievervalsend kan werken in een sector die zeer gevoelig is voor alles wat te maken heeft met belastingheffing.
Zal de Commissie het initiatief nemen tot maatregelen waarmee er bij de lidstaten op wordt aangedrongen om rekening te houden met de veelheid van omstandigheden die van invloed zijn op de hotelsector, zodat het BTW-tarief voor deze sector zo laag mogelijk is?
Antwoord van de heer Bolkestein namen de Commissie
(5 september 2003)
In haar mededeling van 2000 (1), heeft de Commissie een strategie geformuleerd om de werking van het BTW-stelsel in het kader van de interne markt te verbeteren.
In de periode waarin deze strategie wordt uitgevoerd is geen wijziging van de hoogte van de BTW-tarieven gepland. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel wil de Commissie niet tornen aan de fiscale bevoegdheid van de lidstaten, met name wat betreft het bepalen van de hoogte van de BTW-tarieven, behalve wanneer dit voor de goede werking van de interne markt absoluut noodzakelijk is.
Het is echter de taak van de Commissie voorstellen in te dienen bij de Raad inzake de voorschriften die nodig zijn om te zorgen voor een betere werking van de interne markt. De Commissie heeft er derhalve voor gekozen zich te concentreren op de incoherenties van de huidige regeling op het gebied van de belastingtarieven om op dit gebied belangrijke vorderingen te kunnen boeken. Hiertoe moet worden gezorgd voor een gelijke behandeling van alle lidstaten, met inbegrip van de nieuwe lidstaten, en moet een einde worden gemaakt aan de distorsies die zijn ontstaan als gevolg van het feit dat bepaalde lidstaten voor specifieke sectoren verlaagde tarieven kunnen toepassen terwijl dit voor andere lidstaten niet is toegestaan.
In deze context keurde de Commissie op 23 juli 2003 een voorstel voor een richtlijn goed met betrekking tot verlaagde tarieven (2). Voortaan zijn naast hotels ook restaurants opgenomen in de nieuwe lijst van goederen en diensten die in aanmerking komen voor een verlaagd tarief. Een verlaging van de tarieven blijft echter volledig facultatief en het is dan ook aan de lidstaten zelf om te bepalen in welke sectoren zij een verlaagd tarief willen toepassen.
De Raad dient nu met eenparigheid van stemmen een besluit te nemen over het toekomstige toepassingsgebied van de verlaagde BTW-tarieven.
(1) COM(2000) 348 def.
(2) COM(2003)397 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/413 |
(2004/C 88 E/0419)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2478/03
van Miet Smet (PPE-DE) aan de Commissie
(24 juli 2003)
Betreft: Vrouwenrechten in Afghanistan
De machtsovername van de Taliban in 1996 ging gepaard met een spectaculaire achteruitgang van de positie van de Afghaanse vrouw. Vrouwen werden onderworpen aan extreme psychologische en lichamelijke repressie doordat hun gedeeltelijk of volledig medische bijstand, onderwijs, mogelijkheden om de kost te verdienen en bewegingsvrijheid werden ontzegd.
Velen hadden gehoopt dat het einde van het Talibantijdperk een nieuwe periode zou inluiden voor de Afghaanse vrouwen. In de resolutie van het Europees Parlement van 5 september 2002 (1) onderstrepen de parlementsleden dat absolute prioriteit moet worden gegeven aan de situatie van de vrouwen in Afghanistan. Bovendien vragen ze dat een nieuwe Afghaanse regering effectieve maatregelen goedkeurt en ten uitvoer legt ter verbetering van de situatie van de vrouwen. De Europese Unie wil daaraan zelf meewerken en voorziet dat een deel van de Europese steun aan Afghanistan rechtstreeks besteed wordt aan specifieke vrouwenprojecten.
Maar anderhalf jaar na de conferentie van Bonn is de balans voor de vrouwen weinig positief. Op het platteland, waar drie vierden van de Afghanen leven, is er nog niets veranderd voor de vrouwen. Dit wordt bevestigd door parlementsleden die deel uitmaakten van de EP-delegatie naar Afghanistan: sedert de val van de Taliban zijn de vrouwenrechten enkel in Kaboel verder ontwikkeld en in het gehele land gaat slechts 30 % van de meisjes naar school.
Hoe reageert de EU op de voortdurende schendingen van de vrouwenrechten? Welke specifieke vrouwenprojecten worden door de Europese Unie gefinancierd in Afghanistan? Neemt de EU, naast het steunen van specifieke vrouwenprojecten, nog andere maatregelen om de situatie van de vrouwen te verbeteren? Welk deel van de Europese begroting voor Afghanistan komt integraal ten goede aan de vrouwen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(18 augustus 2003)
De Commissie moedigt veranderingen aan door middel van haar hulpprogramma voor Afghanistan. In 2002 zijn specifieke projecten voor vrouwen gefinancierd zoals het herstel van een vrouwenbadhuis en een park voor vrouwen in Kabul. De Commissie heeft ook een aantal initiatieven gefinancierd om de civiele samenleving te bevorderen en positieve actie voor minderheden en achtergestelde groepen, waaronder vrouwen, aan te moedigen.
Het nationaal strategiedocument 2003-2004 benadrukt dat vrouwen een kernpunt moeten zijn van de aanpak van de Commissie voor Afghanistan. De financiering van specifieke vrouwenprojecten wordt voortgezet: vrouwenbadhuizen in zes provinciesteden zijn daarvan een voorbeeld. Ook blijft de Commissie ernaar streven de behoeften van vrouwen bij alle projecten volledig in aanmerking te nemen. Ten minste 2 % van het wederopbouwprogramma van de Commissie zal worden besteed aan specifieke vrouwenprojecten. Door het algemene streven om altijd met de behoeften van vrouwen rekening te houden, zullen echter alle projecten van de Gemeenschap aanzienlijke voordelen bieden voor vrouwen. Het programma van de Commissie voor gezondheidszorg richt zich bijvoorbeeld sterk op de gezondheidsbehoeften van vrouwen.
Meer in het algemeen moet de Commissie, net als de internationale gemeenschap, erop toezien dat de rechten en de rol van vrouwen een centrale rol spelen bij herstel en wederopbouw. Dit strekt zich uit van het vergemakkelijken van hun toegang tot basisgezondheidszorg tot aan het streven vrouwen te laten deelnemen aan alle aspecten van het proces van beleidsvorming. De Commissie is een belangrijke donor in de sector gezondheidszorg, waar reproductieve gezondheidszorg en aanpak van kinder- en moedersterfte de hoogste prioriteit hebben.
De internationale gemeenschap moet er bovendien samen met de Afghaanse regering aan werken dat de nieuwe grondwet de mensenrechten van iedereen, ook van vrouwen, waarborgt, en dat deze rechten via het rechtsstelsel worden gehandhaafd. De Commissie draagt bij aan het trustfonds voor wet en orde en aan de justitiële sector. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan hervorming van het rechtsstelsel en effectieve tenuitvoerlegging van de wetgeving.
(1) P5-TA(2002)0407.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/414 |
(2004/C 88 E/0420)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2486/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(25 juli 2003)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid van adventisten en leden van de Protestantse Kerk van Azië in Oezbekistan
Gezien de volgende feiten:
|
— |
Vijf maanden na een inval in haar kleine gemeente in Nukus, hoofdstad van Karakalp akstan, een autonome republiek in het noordwesten van Oezbekistan, en meer dan twee maanden nadat zij was beboet, heeft een groep adventisten een dagvaarding gekregen om op 20 juli 2003 in Nukus voor de rechter te verschijnen. |
|
— |
De officier van justitie van Nukus, Sultan Ibragimov, weigert nadere uitleg over de reden van deze dagvaarding te geven. |
|
— |
De ambtenaar voor godsdienstzaken, Nurula Jamalov, heeft toegegeven dat het materiaal dat tijdens de inval bij de adventisten in beslag is genomen, niet in Oezbekistan zal worden verspreid. |
|
— |
Op 21 juni 2003 is Nelya Denisova, lid van de Protestantse Kerk van Azië, gedurende vier uur ondervraagd door een ambtenaar van de binnenlandse veiligheidsdienst (voormalige KGB). De veiligheidsdienst heeft haar verboden deze ondervraging openbaar te maken. |
|
— |
De Protestantse Kerk van Azië is er nog niet in geslaagd zich te laten registreren om een legale status te verkrijgen, aangezien uit hoofde van artikel 8 van de Oezbeekse godsdienstwet de dominee verplicht is een speciale godsdienstopleiding te volgen. |
Kan de Commissie, gezien de uitstekende samenwerkingsbetrekkingen op economisch en handelsgebied tussen de Europese Unie en Oezbekistan, mededelen:
|
— |
of zij op de hoogte is van deze zeer ernstige en voortdurende schendingen van de godsdienstvrijheid in Oezbekistan en van de uiteengezette feiten? |
|
— |
Welke initiatieven in het kader van de samenwerkingsbetrekkingen denkt zij te ontplooien als een serieus en doeltreffend middel om Oezbekistan ertoe te bewegen de vrijheid van godsdienst te eerbiedigen? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/414 |
(2004/C 88 E/0421)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2487/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(25 juli 2003)
Betreft: Schendingen van de godsdienstvrijheid in Turkmenistan en bescherming van de islam en de Russisch-orthodoxe kerk
Gezien de volgende feiten:
|
— |
Op 27 mei 2003 heeft een eenheid van de afdeling van de stad Ashgabat van het Ministerie van Binnenlandse Zaken een inval gedaan in het huis van de toegwijde Gaurabhakta devi dasi, een lid van de Hare Krishna-gemeenschap, wier huis als tempel voor erediensten wordt gebruikt. |
|
— |
Tijdens de inval werden twee andere gelovigen, Varshana prabhu en Mishra Bhagavan prabhu, gearresteerd en werd laatstgenoemde tot bloedens toe geslagen, omdat de politie inlichtingen wilde verkrijgen. |
|
— |
De Turkmeense autoriteiten blijven aan de niet-islamitische en niet-Russisch-orthodoxe geloofsgemeenschappen de mogelijkheid onthouden om zich te laten registreren. |
|
— |
In de Turkmeense grondwet is het recht op de privé-sfeer in de eigen woning verankerd, die enkel kan worden ingeperkt door buitengewone omstandigheden op basis van de wet. Hiervan was geen sprake bij de voorvallen op 27 mei. |
Kan de Commissie mededelen:
|
— |
of zij op de hoogte is van de ernstige en voortdurende schendingen van de godsdienstvrijheid in Turkmenistan en de genoemde voorvallen? |
|
— |
Welke initiatieven denkt zij te ontplooien of te vragen teneinde op de autoriteiten in Turkmenistan druk uit te oefenen, opdat de godsdienstvrijheid in het land gewaarborgd wordt? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/415 |
(2004/C 88 E/0422)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2543/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(30 juli 2003)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid in Armenië
Gezien de volgende feiten:
|
— |
Begin juli is een getuige van Jehova tot anderhalf jaar werkkamp veroordeeld en zijn twee anderen gearresteerd en aangeklaagd, omdat zij hebben geweigerd hun militaire dienst te verrichten. |
|
— |
Met deze veroordeling komt het aantal getuigen van Jehova die voor dienstweigering zijn veroordeeld, op 24 terwijl er 8 nog op hun proces wachten. |
|
— |
Aan de getuigen van Jehova, van wie er in Armenië ongeveer 7 500 zijn, is het recht ontzegd zich als religieuze organisatie te laten registreren. |
|
— |
In december 2002 is middels een beschikking geregeld dat alleen leden van de Armeense apostolische kerk bij de politie mogen werken. Voor de beoefenaren van andere godsdiensten is voorzien in „uitleg en onderricht, opdat zij spontaan afzien van het lidmaatschap van dergelijke religieuze organisaties”. Mochten uitleg en onderricht niet volstaan, dan worden degenen die reeds bij de politie zijn, ontslagen en kunnen zij die politieman willen worden, niet in dienst treden. |
Gezien ook de volgende feiten:
|
— |
In januari 2001 heeft Armenië zich ter gelegenheid van de toetreding tot de Raad van Europa ertoe verbonden een wet aan te nemen inzake vervangende dienstplicht en tegelijkertijd de dienstweigeraars vrij te laten. Tot op heden is er noch een wet aangenomen noch zijn de dienstweigeraars in vrijheid gesteld. |
|
— |
Op 13 december 2002 heeft de Europese Commissie tegen racisme en intolerantie het optreden van de Armeense autoriteiten jegens de getuigen van Jehova als „onbevredigend” aangemerkt. |
Kan de Commissie, gezien de uitstekende samenwerkingsbetrekkingen op economisch en handelsgebied tussen de Europese Unie en Armenië, mededelen:
of zij van de uiteengezette feiten op de hoogte is?
Welke initiatieven in het kader van de samenwerkingsbetrekkingen kunnen volgens haar een serieus en doeltreffend middel vormen om Armenië ertoe te bewegen de vrijheid van godsdienst te eerbiedigen?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Patten namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-2486/03, E-2487/03 en E-2543/03
(22 augustus 2003)
De Commissie is bezorgd over het groeiende aantal schendingen van de godsdienstvrijheid in Zuid-Kaukasus en in Centraal-Azië en is zich bewust van de situatie van de Adventisten en de leden van de protestantse kerk van Azië, alsook van de moslim- en Russisch-orthodoxe gemeenschappen in Turkmenistan en de Jehova's getuigen in Armenië.
Aangezien Oezbekistan, Kazachstan, Armenië en Georgië partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten (PSO) met de Unie hebben gesloten, brengt de Commissie in alle vergaderingen in het kader van de PSO de kwestie van de schending van godsdienstvrijheid ter sprake en meer in het algemeen van de fundamentele mensenrechten. Ook al is de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Turkmenistan nog niet geratificeerd, toch stelt de Commissie deze punten in iedere bilaterale vergadering met de Turkmeense autoriteiten aan de orde.
De Commissie wenst opnieuw te benadrukken hoeveel belang zij hecht aan het recht op vrijheid van godsdienst, overtuiging en meningsuiting. De Unie heeft er herhaaldelijk op gewezen dat de mensenrechten en de democratisering een vast onderdeel moeten vormen van de politieke dialoog met alle derde landen. In haar mededeling van mei 2001 over de rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen (1), is de Commissie vastbesloten de mensenrechten en de democratisering in alle communautaire bijstandsprogramma's te integreren.
De Commissie financiert niet alleen via Tacis, maar ook in het kader van het Europees initiatief voor democratie en mensenrechten (EIDHR) een aantal activiteiten om de vrijheid van godsdienst en het democratiseringsproces in de Zuid-Kaukasus en in Centraal-Azië te ondersteunen.
(1) COM(2001)252 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/416 |
(2004/C 88 E/0423)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2500/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(25 juli 2003)
Betreft: Export van rundvlees
Kan de Commissie mededelen welke landen nog steeds weigeren de export van rundvlees uit een of meer lidstaten van de EU te aanvaarden, en kan zij de redenen van deze weigering mededelen? Welke van deze landen vormden in het verleden een belangrijke afzetmarkt voor de uitvoer van rundvlees, en welke maatregelen neemt de Commissie om deze markten weer open te stellen voor export uit de EU? Hoeveel van deze landen zijn lid van het Gemenebest?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(5 september 2003)
De Commissie treedt op wanneer zij door een lidstaat of een industriële sector in de Unie in kennis wordt gesteld van een belangrijk invoerverbod.
De Commissie gaat dan na of bedoelde maatregel van een derde land verenigbaar is met de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en, indien zij van mening zou zijn dat inbreuk kan zijn gepleegd op bepalingen van de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen van de WTO, zou zij een aantal mogelijke stappen ondernemen. Dit proces zou in overleg met de lidstaten worden doorlopen.
Op dit ogenblik (augustus 2003) is de Commissie in verband met een verbod op de invoer van EU-rundvlees uit één of meer lidstaten het volgende bekend:
|
— |
Mond- en klauwzeer (MKZ): Zuid-Korea moet nog steeds de aan het Verenigd Koninkrijk naar aanleiding van de crisis van 2001 opgelegde beperking opheffen. Korea heeft aan de Commissie medegedeeld dat de beperking spoedig teniet zal worden gedaan. Als gevolg, evenwel, van een reeds vroeger bestaand verbod wegens bovine spongiforme encefalopathie (BSE), dat wordt gehandhaafd, zou de invoer van rundsvlees uit het Verenigd Koninkrijk nog steeds verboden blijven. |
|
— |
BSE: bijna alle landen van de wereld hebben op de invoer van Unie-rundvlees uit één of meer landen van de Unie en vooral uit het Verenigd Koninkrijk een verbod ingesteld. Met betrekking tot de afzet was het verbod naar aanleiding van BSE het belangrijkste. Zelfs in landen waar geen verbod werd ingesteld, kwamen er dikwijls extra beperkingen (leeftijd van het dier, bedrijf van herkomst, enz.) die zelfs binnen de Unie niet als beschermende maatregel tegen BSE werden gehanteerd. Deze restricties beperken eveneens het uitvoerpotentieel van lidstaten, vooral in de voormalige belangrijke markten in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Gezien, evenwel, het reeds lange bestaan van de beperkingen wegens BSE en de ontwikkelingen welke zich intussen hebben voorgedaan (de evolutie van de wereldmarkt voor rundvlees, enz), is het moeilijk om de omvang van het aandeel van BSE in het marktaandeelverlies vast te stellen. De Commissie zendt het geachte parlementslid en het Secretariaat van het Parlement rechtstreeks een tabel toe met cijfers betreffende de totale rundvleesuitvoer van de Unie (vlees en levende dieren) in ton karkasequivalent voor de meest recente jaren (1999-2002). Op dit ogenblik kan worden vastgesteld dan de rundvleesmarkt van de Unie relatief stabiel, en de vraag- en aanbodsituatie dus evenwichtig is. |
De Commissie heeft buitensporige naar aanleiding van BSE door derde landen ingestelde handels-beperkingen dikwijls ter sprake gebracht in het kader van bilaterale en multilaterale contacten — zoals in de WTO-Commissie voor sanitaire en fytosanitaire maatregelen — met de betrokken landen, en er ter dier gelegenheid op gewezen dat invoerbeperkingen op wetenschappelijke basis en in overeenstemming met de internationale normen dienden te worden gehanteerd. De Commissie is eveneens verantwoordelijk voor het coördineren van de standpunten van de lidstaten met betrekking tot voorgestelde wijzigingen van de diergezondheidscode van het Internationaal Bureau voor Besmettelijke Veeziekten (OIE), met inbegrip van het BSE-hoofdstuk. Het streven van de Unie is in deze context gericht op het op de meest recente wetenschappelijke kennis gebaseerd houden van de internationale normen. Deze normen omvatten de wetenschappelijk verantwoorde maatregelen welke de invoerende landen zouden moeten nemen met betrekking tot de invoer van levende runderen en producten van runderen, en zijn gericht op het mogelijk maken van handelsverkeer onder veilige voorwaarden. Overigens ziet de Commissie erop toe dat de tien toetredende kandidaat-lidstaten volledig uitvoering geven aan het communautair acquis op gebied van diergezondheid en voedselveiligheid, met inbegrip van de BSE-maatregelen. Daardoor zullen voor de uitvoer van rundvlees uit alle huidige lidstaten nieuwe afzetmogelijkheden ontstaan, aangezien de bestaande beperkingen van de toetredende Staten zullen moeten worden opgeheven voor zover zij niet verenigbaar zijn met de communautaire voorschriften op dat gebied. Ten slotte blijft de Commissie in haar betrekkingen met derde landen aandringen op erkenning dat de bestaande reeks beschermende maatregelen volstaan om de uitvoer van rundvlees en rundvleesproducten vanuit alle lidstaten toe te staan.
De Commissie heeft geen formele handelsovereenkomsten met het Gemenebest. Het lijkt evenwel redelijk aan te nemen dat in de meeste landen van het Gemenebest voor de uitvoer van rundvlees uit de Unie verbodsbepalingen of beperkingen van kracht zijn met betrekking tot BSE. De Commissie is op dit ogenblik bezig te onderhandelen met Nieuw-Zeeland over een aantal maatregelen als gevolg waarvan de markt van dat land voor de invoer uit de Unie zou worden opengesteld.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/417 |
(2004/C 88 E/0424)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2507/03
van Paolo Bartolozzi (PPE-DE) aan de Commissie
(29 juli 2003)
Betreft: Toeristenbelasting
Door de steeds hechtere band tussen de volkeren van de lidstaten groeit ook de behoefte aan vrij verkeer van personen en goederen binnen de Europese Unie.
Het onbelemmerd verkeer van alle Europese burgers over de binnengrenzen heen ligt verankerd in de Overeenkomst van Schengen.
De toeristenbelasting die tal van gemeenten in sommige streken van Italië (bijvoorbeeld Toscane) heffen, komt echter volgens mij feitelijk neer op een beperking van het vrij en kosteloos verkeer van personen.
Meent de Commissie niet dat zij in het kader van haar bevoegdheden maatregelen moet nemen om het vrij, kosteloos en veilig verkeer van personen op het grondgebied van de Europese Unie te waarborgen door de lidstaten te vragen belemmeringen als de toeristenbelasting uit de weg te ruimen?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(16 september 2003)
De in de vraag vervatte informatie stelt de Commissie niet in staat zich een duidelijk idee te vormen van de problematiek waarop de vraag betrekking heeft.
Uit algemeen oogpunt wenst de Commissie eraan te herinneren dat het Hof van Justitie, in zijn arrest van 16 januari 2003 (zaak C-388/01) met betrekking tot het voor monumenten, enz, gevraagde toegangsgeld heeft bepaald dat gunsttarieven waarmee, zonder direct verband met bescherming van de openbare orde, veiligheid of volksgezondheid (zie artikel 46 van het EG-Verdrag) of enige andere doorslaggevende vereiste in het algemeen belang, wordt gediscrimineerd tussen buitenlandse en binnenlandse toeristen, onverenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht (artikelen 12 en 49 van het EG-Verdrag).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/418 |
(2004/C 88 E/0425)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2571/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(6 augustus 2003)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid in Azerbeidzjan
Gezien de volgende feiten:
|
— |
Op 13 juli heeft de politie in een privé-appartement in Gyanja (Azerbeidzjan) een religieuze samenkomst van baptisten onderbroken en deze illegaal verklaard waarbij alle godsdienstige lectuur, met inbegrip van bijbels en gezangboeken, in beslag is genomen en twee personen zijn gearresteerd. |
|
— |
De twee gearresteerde personen, Ismailov en Musayev, zijn gefilmd bij hun overbrenging naar het commissariaat, tijdens hun ondervraging van circa drie uur en bij het inhouden van hun identiteitsbewijzen. Deze opnames zijn vervolgens op een plaatselijke t.v.-zender getoond. |
|
— |
Ismailov is uit hoofde van artikel 299 van het wetboek van bestuursrecht wegens „schending van de regelgeving inzake het oprichten en bedrijven van religieuze verenigingen” veroordeeld tot een boete van 65 000 manat. |
|
— |
Musayev, die kort daarvoor uit Rusland in Azerbeidzjan was teruggekeerd, is uit hoofde van artikel 300 van het wetboek van bestuursrecht wegens „religieuze propaganda onder buitenlanders” veroordeeld tot het betalen van een boete van 165 000 manat. |
|
— |
De baptistenkerk van Gyanja is lid van de „Internationale Raad van evangelisch christelijke en baptistenkerken”. De Raad wijst uit principe de registratie van religieuze verenigingen bij de autoriteiten in de landen van de voormalige Sovjetunie af, aangezien deze procedure neerkomt op staatsinmenging die tot onaanvaardbare beperkingen van hun activiteiten leidt. |
|
— |
De autoriteiten geven toe dat de gelovigen het recht hebben om „privé-bijeenkomsten” te organiseren, maar blijven erbij dat deze bijeenkomsten zonder registratie illegaal zijn, ook al is krachtens de wetten inzake de geloofsbeoefening registratie niet verplicht. |
|
— |
Gezien de internationale verplichtingen van Azerbeidzjan ten aanzien van de mensenrechten is de beperking van de vrijheid van godsdienst en vergadering niet toegestaan. |
Kan de Commissie, aangezien er uitstekende samenwerkingsbetrekkingen tussen de Europese Unie en Azerbeidzjan bestaan, mededelen of zij van de uiteengezette feiten op de hoogte is? Welke initiatieven zouden volgens haar in het kader van de samenwerkingsbetrekkingen een serieus en doeltreffend instrument vormen om Azerbeidzjan ertoe te bewegen de vrijheid van godsdienst te eerbiedigen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(18 september 2003)
Het is de Commissie bekend dat Ismailov en Musayev werden gearresteerd.
Volgens de Commissie kunnen de door het geachte parlementslid bedoelde problemen het beste worden aangepakt via een dialoog binnen het kader van partnerschap en samenwerking. Daarom wordt voorgesteld de kwestie godsdienstvrijheid zo spoedig mogelijk bij de Azerbeidzjaanse autoriteiten aan de orde te stellen.
De Commissie werkt momenteel, samen met het Bureau voor Democratische Instellingen van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), actief aan de bevordering van de mensenrechten in Azerbeidzjan.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/419 |
(2004/C 88 E/0426)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2576/03
van Philip Claeys (NI) aan de Commissie
(6 augustus 2003)
Betreft: „Enlargement Weekly” enkel in het Engels
Terecht besteedt de website van de Commissie aandacht aan het uitbreidingsproces dat de Unie momenteel doormaakt. Aan de uitbreiding is zelfs een aparte openingspagina gewijd, met onder meer een „Enlargement Weekly”. Deze nieuwsbrief biedt naar eigen zeggen „een overzicht van de actuele stand van zaken met betrekking tot de uitbreiding van de Europese Unie, geeft aan wie wat doet binnen de EU, in de instellingen en de kandidaat-lidstaten, en vermeldt hoe de belangrijkste problemen worden aangepakt”.
In tegenstelling tot de rest van de website die, zoals het hoort, in alle officiële talen van de Unie is opgesteld, is de „Enlargement Weekly” echter enkel in het Engels beschikbaar.
Welke elementen liggen aan de basis van deze beperking?
Voorziet de Commissie een vertaling van de betreffende nieuwsbrief? Zo ja, vanaf wanneer zullen de bewuste teksten in de andere officiële talen van de EU beschikbaar zijn?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(15 september 2003)
Het vergroten van het aantal talen waarin de website Uitbreiding wordt gepubliceerd, is sinds de nieuwe start in 2002 een prioriteit. De eerste prioriteit was het in alle communautaire talen ter beschikking te stellen van de belangrijkste pagina's, teksten en die delen van de website die niet voortdurend worden gewijzigd, zoals zo vaak het geval is in het uitbreidingsproces. Dit is een doorlopend proces. De Enlargement Weekly Newsletter waarnaar het geachte parlementslid verwijst, is geen officieel document van de Commissie, maar een element van de communicatiestrategie over de uitbreiding die de Commissie ter beschikking van het grote publiek stelt, zoals onder aan de webpagina wordt gestipuleerd. De Newsletter verschijnt elke maandag, met als doel een continu en snel beschikbaar overzicht te geven van de belangrijkste ontwikkelingen in het uitbreidingsproces. Een samenvatting van de hoofdpunten wordt de volgende dag per e-mail verzonden aan ongeveer 20 000 personen overal ter wereld die zich hierop hebben geabonneerd. De nieuwsbrief moet dan ook snel worden opgesteld, en dit proces zou onvermijdelijk worden vertraagd en veel kostbaarder worden indien meer dan één taalversie nodig zou zijn. Het is uitsluitend om deze redenen dat in dit specifieke geval slechts één taal wordt gebruikt.
Er zijn geen plannen om een andere taalversie van de nieuwsbrief te publiceren.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/420 |
(2004/C 88 E/0427)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2590/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(4 augustus 2003)
Betreft: Situatie in Liberia
In hoeverre mengt de EU zich in de huidige situatie in Liberia in termen van stappen van de kant van de Commissie of de Hoge Vertegenwoordiger van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheids Beleid van de EU, Javier Solana?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(9 september 2003)
Hoofddoel van het optreden van de Unie met betrekking tot de regio is het leveren van een strategische bijdrage aan de totstandbrenging van vrede, veiligheid en stabiliteit. De Unie maakt met het oog daarop via de Speciale Vertegenwoordiger van het Voorzitterschap voor de Mano River Union, de heer Dahlgren, alsook de Commissie, deel uit van de Internationale Contactgroep voor Liberia (ICGL).
Het Voorzitterschap en de Commissie nemen als waarnemers deel aan de door ECOWAS gevoerde vredesbesprekingen voor Liberia te Accra. Verdere politieke steun voor de besprekingen werd verleend aan de hand van de verklaringen van de Unie van 13 juni 2003, 23 juni 2003, 21 juli 2003 en 28 juli 2003. De Gemeenschap draagt financieel ten belope van 390 000 EUR bij in de kosten van de besprekingen en een verzoek om extra financiering is nog in behandeling. De Commissie onderzoekt de juridische en financiële mogelijkheden voor een bijdrage aan het vredesproces. Naar aanleiding van de missie voor een onderzoek van de feiten in Accra en Abuja (1 tot en met 8 augustus 2003) heeft de Commissie urgente steun voorgesteld voor bepaalde componenten van de ECOWAS-vredesmissie in Liberia door middel van een herprogrammering van de financiering uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) voor Liberia overeenkomstig de procedure van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou. Er wordt op dit ogenblik een financieringsvoorstel uitgewerkt. Ten slotte verstrekt het Bureau voor Humanitaire Hulp van de Commissie humanitaire steun in de vorm van projecten betreffende gezondheidszorg, voeding, huisvesting, watervoorziening en waterzuivering in Liberia.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/420 |
(2004/C 88 E/0428)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2617/03
van Emma Bonino (NI) aan de Commissie
(25 augustus 2003)
Betreft: Schending van de legaliteit in Libanon
Gelet op het volgende:
|
— |
op 8 augustus 2003 is in Beiroet de advocaat Muhamad Mugraby, 64 jaar, bekend verdediger van de mensenrechten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, gearresteerd; |
|
— |
op 17 januari 2003 heeft de Tuchtraad van de Orde van advocaten van Beiroet om politieke redenen besloten hem te royeren; |
|
— |
dit besluit is niet definitief, zolang de beschuldigde niet alle middelen van hoger beroep heeft uitgeput (artikelen 553, 563, 111 van het Libanese Burgerlijk Wetboek; artikel 28 van de Grondbeginselen van de Verenigde Naties betreffende de rol van advocaten); |
|
— |
het hoger beroep van Muhamad Mugraby tegen de disciplinaire uitspraak wordt op dit ogenblik behandeld (nr. 222/2003); |
|
— |
desalniettemin heeft de Orde van advocaten hem aangeklaagd wegens „misbruik van de titel van advocaat”; |
|
— |
de rechter heeft de opsluiting van Muhamad Mugraby bevolen, zonder over de toestemming te beschikken hem te vervolgen; |
|
— |
blijkbaar zijn de acties tegen Muhamad Mugraby ondernomen om politieke redenen en hebben zij als doel zijn activiteit als verdediger van de legaliteit te hinderen; |
|
— |
de Republiek Libanon is lid van het Euromediterraan partnerschap en heeft de slotverklaring ondertekend van de Euromediterrane ministerconferentie van 27-28 november 1995 in Barcelona, waarin de partijen zich ertoe verplichten de rechtsstaat en de democratie in hun politieke stelsels in te voeren; |
|
— |
de betrekkingen tussen de Republiek Libanon en de Europese Unie worden bepaald door een bilaterale overeenkomst geratificeerd in december 2002 en zijn luidens deze overeenkomst (artikel 2) gebaseerd op de eerbiediging van de democratische beginselen en de fundamentele mensenrechten genoemd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens, waarbij in artikel 59 van de overeenkomst wordt onderstreept dat legaliteit, de correcte werking van de instellingen, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en de correcte praktijk van het juridische beroep belangrijk zijn; |
kan de Commissie meedelen:
|
— |
of zij op de hoogte is van de ernstige schendingen die binnen de Libanese juridische administratie plaatshebben; |
|
— |
of zij niet van mening is dat deze schendingen onverenigbaar zijn met de overeenkomst die de betrekkingen tussen de Europese Unie en de Republiek Libanon regelt, gelet op de artikelen 2 en 59 van deze overeenkomst, waarnaar hierboven is verwezen; |
|
— |
of zij van plan is op basis van artikel 86, punt 2 van de EU-Libanon-overeenkomst maatregelen te nemen en zo ja, welke, om de eerbiediging van de legaliteit en de correcte procedures te herstellen, overeenkomstig de strategieën en het engagement waarvoor de Commissie officieel heeft gekozen in punt 6.6 van het Strategisch Document 2002-2006 voor Libanon, waarin het EU-beleid voor de landen van het Euromediterrane partnerschap wordt bepaald? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 september 2003)
De Commissie is zeker op de hoogte van het feit dat de Libanese mensenrechtenadvocaat Dr Muhammad Mugraby op 8 augustus 2003 werd gearresteerd. Hij is nu weer vrijgelaten in afwachting van een uitspraak in die zaak. De delegatie van de Commissie in Beiroet volgt, in overleg met lidstaten, nauwlettend het verloop ervan.
De Commissie beschouwt het als zeer erg wanneer inbreuken worden gepleegd op de beginselen van de rechtsstaat, de mensenrechten en de democratie, die door de Libanese Regering in de recentelijk ondertekende associatieovereenkomst werden aanvaard.
Het is daarom dat de Commissie bij het Parlement en de Raad haar recente mededeling heeft ingediend betreffende een nieuwe impuls voor EU-maatregelen inzake mensenrechten en democratisering met de mediterrane partners (1). Het is de bedoeling de Unie in staat te stellen een veel grotere inspanning te leveren op het gebied van de dialoog met de ondertekenaars van de Verklaring van Barcelona over mensenrechtenaangelegenheden, en te komen tot de besteding van meer middelen aan samenwerking op gebieden zoals het rechtswezen, de rechtsstaat en versterking van de burgermaatschappij. De Commissie is van oordeel dat een positieve, op aanmoediging gebaseerde aanpak de meest doeltreffende en productieve manier is om haar partners de helpen praktijkniveaus inzake de toepassing van rechtsregels te bereiken die in overeenstemming zijn met de Verklaring van Barcelona en met artikel 59 van de associatieovereenkomst. De tien in de mededeling opgenomen maatregelen hebben tot doel in de vorm van duidelijk te onderscheiden en op actie gerichte stadia de wijze weer te geven waarop de Commissie en de Unie van plan zijn de politieke dialoog en de samenwerking inzake mensenrechten met Libanon evenals met de andere partners in de Euro-mediterrane regio te consolideren en te intensifiëren, zonder afbreuk te doen aan het recht van de Unie zich uit te spreken over specifieke schendingen van de mensenrechten.
De Commissie zal intensief overleg blijven plegen met het Voorzitterschap en de lidstaten over het optreden van de Orde van advocaten van Libanon en het verloop van het door de Libanese autoriteiten gevoerde proces tegen Dr Mugraby.
(1) COM(2003)294 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/422 |
(2004/C 88 E/0429)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2620/03
van Richard Howitt (PSE) aan de Commissie
(2 september 2003)
Betreft: Schendingen mensenrechten in Colombia
Kan de Commissie, gezien het feit dat recentelijk in Colombia door paramilitaire troepen burgers zijn gedood, en dan met name Rosemary Serrano Rojas en Jorge Ivan Carvajal Angarita, die uit hun huis in Cucuta werden gehaald en voor de ogen van hun vier jaar oude zoon werden vermoord, en gezien de druk die door deze paramilitaire groeperingen op de regering wordt uitgeoefend om geen onderzoek te doen naar hun misdaden, mededelen welke maatregelen zij in Colombia neemt om de president ertoe te bewegen een eind te maken aan de activiteiten van deze paramilitaire groeperingen? En welke maatregelen neemt de Commissie om ervoor te zorgen dat deze paramilitaire groepen voor de door hen begane misdaden worden berecht?
Antwoord van de heer Patten Namens de Commissie
(24 september 2003)
De Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid over de mensenrechtensituatie in Colombia uitgesproken en er bij de Colombiaanse overheid op aangedrongen om haar inspanningen op dit gebied te intensiveren door doeltreffende acties te ondernemen tegen de straffeloosheid die paramilitaire groepen genieten en de collusie tussen deze groepen en leden van de openbare macht. De Commissie onderschrijft de aanbevelingen van het kantoor van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Mensenrechten (UNHRHC) in Bogotá over deze punten, alsmede diens opmerkingen van 28 augustus 2003 over de wet inzake de reïntegratie van leden van illegale gewapende groepen, die de Colombiaanse overheid op 21 augustus 2003 bij het Colombiaanse congres heeft ingediend.
De strijd tegen straffeloosheid is een van de prioriteiten van de financiële en technische samenwerking tussen de Commissie en de Colombiaanse overheid. Er is al EUR 10,5 miljoen toegewezen voor de hervorming van de justitiële sector binnen de indicatieve meerjarige programmering van de betreffende begrotingslijn (B7-310), met nadruk op de strijd tegen straffeloosheid. Het overeenkomstige programma zou in de loop van 2004 ontwikkeld moeten worden.
De strijd tegen schending van de mensenrechten wordt ook aangepakt door middel van het Europees initiatief voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR, begrotingslijn B7-701), dat ook op Colombia is gericht. 19 Projecten zijn al van start gegaan of gaan binnenkort van start, voor een totaalbedrag van EUR 14 810 844, waarbij 19 lokale NGO's, twee universiteiten en de vestiging van de UNHRHC in Bogotá betrokken zijn. Hieronder valt een programma voor microprojecten, met een jaarlijks toegekend bedrag van EUR 500 000, bedoeld om de lokale maatschappelijke organisaties te versterken. Dit programma richt zich voornamelijk op de vreedzame preventie en oplossing van conflicten en het verschaffen van steun aan de slachtoffers van schendingen van de mensenrechten ten gevolge van het conflict.
De Verenigde Zelfverdedigingsgroepen van Colombia (AUC) zijn op 2 mei 2002 ook opgenomen op de zogenaamde „Terroristenlijst van de Unie” (op voorstel van de Commissie (1) heeft de Raad op 27 december 2001 Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/CFSP (2) goedgekeurd en Verordening (EC) nr. 2580/2001 (3) waarin personen, groeperingen en entiteiten worden genoemd waarvan de tegoeden en andere financiële middelen zijn bevroren, overeenkomstig Resolutie 1373(2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties).
(1) PB C 332 E van 27.11.2001.
(3) Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, PB L 344 van 28.12.2001.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/423 |
(2004/C 88 E/0430)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2621/03
van Piia-Noora Kauppi (PPE-DE) aan de Commissie
(2 september 2003)
Betreft: Verbetering veiligheid consument door aanvullende markering op basis van particuliere certificering
De Europese Commissie heeft onlangs haar voorstel ingediend tot herziening van de „nieuwe aanpak”. In dit verband worden door haar ook aanvullende maatregelen genomen om het gebruik van de EG-markering te bevorderen.
De EG-markering wordt door de producent zelf op het product aangebracht om te verklaren dat het in overeenstemming is met de desbetreffende EU-richtlijnen. Teneinde de consument te beschermen tegen gebrekkige of zelfs gevaarlijke producten moet dit systeem van „self-declaration” gebaseerd zijn op een toereikend markttoezicht in de lidstaten. Op grond van verschillende discussies over dit onderwerp heb ik de indruk dat een gelijk niveau van markttoezicht op dit moment in een steeds groter wordende Europese Unie niet gewaarborgd kan worden.
Is de Commissie gezien de huidige situatie bereid het gebruik te bevorderen van geaccepteerde particuliere certificeringsmerken, die door een onafhankelijke derde partij na een reeks van proeven en productie-controles worden afgegeven met de verklaring dat het product goed werkt en veilig kan worden gebruikt?
Zo ja, waarom is dat dan niet terug te vinden in de herziene versie van de „nieuwe aanpak”, waar de vereisten voor aanvullende markering op basis van particuliere certificering nog verder worden opgeschroefd? In veel gevallen krijgen Europese particuliere certificeringsinstanties niet de bevoegdheid om hun markeringswerkzaamheden uit te voeren, terwijl juist het ontbreken van markttoezicht schreeuwt om onafhankelijke deskundigheid ter waarborging van de veiligheid van de consument.
Is de Commissie zich bewust van het feit dat haar huidige aanpak zal leiden tot aanzienlijke discriminatie van Europese particuliere certificeringsinstanties, omdat concurrenten uit de VS (bijvoorbeeld UL) of andere niet-Europese landen wel de mogelijkheid behouden om hun certificeringsmerken aan te brengen op producten voor de Europese markt?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(7 oktober 2003)
De CE-markering symboliseert de overeenstemming van een product met de toepasselijke geharmoniseerde voorschriften die in de relevante nieuwe-aanpakrichtlijnen (1) zijn opgenomen en waaraan de fabrikant moet voldoen. Door de markering aan te brengen verklaart de fabrikant dat het product voldoet aan alle toepasselijke bepalingen van de Gemeenschapswetgeving en dat de vereiste overeenstemmingsbeoordelingsprocedures zijn uitgevoerd. De CE-markering is verplicht en moet worden aangebracht voordat een eraan onderworpen product in de handel wordt gebracht en in gebruik wordt genomen, behalve indien in specifieke richtlijnen anders wordt bepaald. Omgekeerd mag op een product niet de CE-markering worden aangebracht tenzij dat product onder een richtlijn valt die voorziet in de aanbrenging van de CE-markering. Na de uitgebreide raadplegingsprocedure voorafgaand aan de publicatie van de mededeling is de Commissie tot de bevinding gekomen dat het hard nodig is om te zorgen voor een beter en duidelijker begrip van de CE-markering en duidelijk te maken welke plaats deze inneemt ten opzichte van vrijwillige productmarkeringen.
Volgens de „globale aanpak ten aanzien van certificatie en keuring” (2) werden specifieke modules opgesteld voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures. Met uitzondering van module A, waarvoor een verklaring van de fabrikant vereist is, voorzien alle modules in de verplichte betrokkenheid van een onafhankelijke derde instantie (de zogenaamde „aangemelde instantie”) tijdens een of alle fasen van de overeenstemmingsbeoordeling. De antwoorden die tijdens het bovenvermelde raadplegingsproces werden ontvangen, hebben de efficiëntie bevestigd van dit specifieke systeem van controle vóór het in de handel brengen, dat gericht is op flexibiliteit voor de fabrikanten en veiligheid voor de gebruikers en consumenten van de desbetreffende producten.
De Commissie is altijd van oordeel geweest dat een effectief markttoezicht een essentieel instrument is voor de handhaving van de nieuwe-aanpakrichtlijnen en heeft bij talrijke gelegenheden het belang onderstreept van een efficiënt en coherent systeem voor markttoezicht in de gehele Unie. Het juiste evenwicht tussen controle vóór het in de handel brengen (overeenstemmingsbeoordelingsprocedures) en controle na het in de handel brengen (markttoezicht) hangt af van de specifieke kenmerken van de verschillende productsectoren. Het moet echter worden beklemtoond dat, zoals duidelijk is gebleken uit ervaring buiten de Unie, markttoezicht onafhankelijk is van het toegepaste overeenstemmingsbeoordelingssysteem en evengoed noodzakelijk is in systemen die voorzien in algemene verplichte certificatie door derden.
De nieuwe-aanpakrichtlijnen en de richtlijn inzake algemene productveiligheid (3) verplichten de lidstaten specifiek alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat producten alleen in de handel mogen worden gebracht en in gebruik mogen worden genomen indien zij de veiligheid en de gezondheid van personen of andere onder de toepasselijke richtlijnen vallende belangen niet in gevaar brengen, wanneer zij correct worden vervaardigd, geïnstalleerd en onderhouden, en gebruikt overeenkomstig het doel waarvoor ze zijn bestemd. Dit houdt voor de lidstaten de verplichting in om markttoezicht te organiseren en uit te oefenen op een wijze die effectief en voldoende uitgebreid is om producten op te sporen die niet aan de eisen voldoen. De Commissie heeft op dit gebied een grote activiteit aan de dag gelegd om de lidstaten aan te moedigen de administratieve samenwerking tussen hun nationale autoriteiten voor markttoezicht te versterken en hun niveaus van handhaving op elkaar af te stemmen, om initiatieven ter vergroting van de efficiëntie van procedures voor informatie-uitwisseling te ondersteunen, en om projecten inzake grensoverschrijdend markttoezicht op te zetten waaraan zowel de lidstaten als de kandidaat-lidstaten deelnemen.
Met betrekking tot het verband tussen de CE-markering en aanvullende vrijwillige markeringen is de Commissie nog steeds van oordeel dat de laatstgenoemde op een product mogen worden aangebracht op voorwaarde dat ze een andere functie vervullen dan die van de CE-markering, geen verwarring veroorzaken wat de betekenis of de vorm van de CE-markering betreft, en de leesbaarheid en de zichtbaarheid van de CE-markering niet verminderen. De CE-markering is geen commercieel kwaliteitsmerk voor de consument, maar een administratief merk dat bedoeld is voor de nationale autoriteiten voor markttoezicht. Het is ontworpen als „Europees paspoort” voor producten die in overeenstemming zijn met alle geharmoniseerde voorschriften van de toepasselijke nieuwe-aanpakrichtlijn(en), teneinde het vrije verkeer ervan in de Europese Economische Ruimte (EER) en daarbuiten (waar de CE-markering wordt erkend) te waarborgen. De Commissie heeft geen weet van gevallen in het verleden waarbij particuliere certificeringsinstanties het recht werd geweigerd hun merken aan te brengen.
Met betrekking tot particuliere vrijwillige certificeringsmerken die naast de CE-markering kunnen worden geaccepteerd zoals hierboven wordt aangegeven, is de Commissie steeds van oordeel geweest dat het in principe aan de markten moet worden overgelaten om te bepalen of er behoefte is aan dergelijke merken. De Commissie ziet noch een voldoende rechtsgrond, noch een specifieke behoefte om „het gebruik te bevorderen” van vrijwillige merken. Het bestaan van een breed scala aan nationale particuliere certificeringsmerken lijkt er duidelijk op te wijzen dat certificeringsdiensten goed hebben ingespeeld op de respectieve marktbehoeften in dit verband. De Commissie overweegt op dit ogenblik in het kader van haar internemarktstrategie een studie betreffende particuliere vrijwillige markering op te zetten.
(1) Richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen, PB L 399 van 30.12.1989. Richtlijn 90/384/EEG van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake niet-automatische weegwerktuigen, PB L 189 van 20.7.1990. Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen, PB L 169 van 12.7.1993. Richtlijn 96/48/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de interoperabiliteit van het Trans-Europees hoge-snelheidsspoorwegsysteem, PB L 235 van 17.9.1996. Richtlijn 98/79/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 1998 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek, PB L 331 van 7.12.1998.
(2) Resolutie van de Raad van 21 december 1989 betreffende een globale aanpak op het gebied van de conformiteitsbeoordeling, PB C 10 van 16.1.1990.
(3) Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid, PB L 11 van 15.1.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/425 |
(2004/C 88 E/0431)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2646/03
van Elizabeth Lynne (ELDR) aan de Commissie
(28 augustus 2003)
Betreft: Douaneindeling van stoma-apparatuur
Is het juist dat de Europese Commissie voorstelt om stoma-apparatuur in te delen onder GN-code 3926 (artikelen van kunststof) in plaats van onder code 9021 (voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur)?
Beseft de Commissie dat dit er in de praktijk toe zal leiden dat stoma-apparatuur duurder zal worden als gevolg van de invoerrechten, die op het nultarief zouden liggen wanneer de producten zouden worden ingedeeld onder code 9021?
Beseft de Commissie dat, wanneer de voorgestelde indeling binnen de Werelddouaneorganisatie wordt toegepast, het in Oost-Europa en ontwikkelingslanden voor stomapatiënten uiterst moeilijk en kostbaar zal worden om dergelijke producten te verkrijgen, omdat de invoerrechten in die landen omhoog zullen gaan?
Met welke organisaties heeft de Europese Commissie overlegd, voordat zij heeft besloten om de nieuwe indeling voor te stellen?
Is het de Commissie bekend dat stoma-apparatuur de functie van het verwijderde gedeelte van de darm of de urinewegen overneemt?
Kunnen dergelijke producten niet worden beschouwd als „voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen dienende apparatuur, die door de patiënt in de hand wordt gehouden of op andere wijze wordt gedragen, dan wel wordt ingeplant” (GN-code 9021)?
Wat is de Commissie hoe dan ook van plan te ondernemen teneinde te verzekeren dat mensen met een handicap (stomapatiënten) in de EU en ontwikkelingslanden geen nadelige gevolgen van deze douaneindeling ondervinden?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(23 september 2003)
Neen. De Commissie stelt geen nieuwe indeling van stoma-apparatuur voor. De Commissie heeft maatregelen genomen om duidelijkheid te verschaffen over de indeling van twee belangrijke componenten van stoma-apparatuur die afzonderlijk worden aangeboden, namelijk de huidplak en de opvangzak. In dit verband heeft de Commissie in 1999, bij Beschikking 2000/41/EG (1), een aantal beschikkingen van de lidstaten — zogenaamde bindende tariefinlichtingen (BTI's) — waarbij bepaalde componenten van stoma-apparatuur ten onrechte onder de GN-codes 9018 90 85 en 9021 90 90 werden ingedeeld, ingetrokken. Bovendien heeft de Commissie in 2002 een Toelichting bij de gecombineerde nomenclatuur (2) gepubliceerd waarin de uitdrukking „voor het verhelpen of verlichten van gebreken of van kwalen” werd verduidelijkt en ten gevolge waarvan de huidplak en de opvangzak niet onder post 9021 van het Geharmoniseerd Systeem (GS), worden ingedeeld, maar volgens het materiaal waaruit ze zijn samengesteld.
Ja. De Commissie is zich bewust van de economische gevolgen van de toepassing van de juiste productindeling. Besluiten over de indeling van producten worden evenwel niet genomen op grond van de economische gevolgen van deze indeling, maar om te waarborgen dat de gecombineerde nomenclatuur in de Unie correct en eenvormig wordt toegepast.
Bij de vaststelling van het toe te te passen recht is, volgens de Algemene Regels voor de Interpretatie van de Gecombineerde Nomenclatuur (3), de juiste bewoording van de post in de nomenclatuur van het Gemeenschappelijk Douanetarief van de Gemeenschap (GDT) bepalend. Deze algemene regels zijn opgenomen in de „Inleidende Bepalingen” van het tarief. Er wordt op gewezen dat de hoogte van de rechten het resultaat is van tariefonderhandelingen op basis van de nomenclatuur van het GS in de Wereldhandelsorganisatie/Algemene Overeenkomst betreffende Handel en Tarieven (WTO/GATT).
Ja. De Commissie is zich ervan bewust dat sommige partijen bij het GS-Verdrag, zoals de Verenigde Staten en Noorwegen, de twee belangrijkste componenten van stoma-apparatuur, namelijk de huidplak en de opvangzak, indien deze van kunststof zijn, onder GS-post 3926 indelen.
Met geen enkele. De Commissie neemt maatregelen in verband met een indeling om er voor te zorgen dat het Gemeenschappelijk Douanetarief in de Unie uniform wordt toegepast overeenkomstig artikel 23 van de geconsolideerde versie van het EG-Verdrag. Bij het vaststellen van dergelijke maatregelen past de Commissie de regels voor de interpretatie van de nomenclatuur toe op het betrokken product, aan de hand van de beschikbare documentatie, waaronder de resultaten van laboratoriumproeven.
De in te delen goederen zijn de huidplak en de opvangzak. Het geachte parlementslid vindt het antwoord in de Toelichtingen op de Gecombineerde Nomenclatuur waarnaar hierboven werd verwezen.
Op internationaal vlak is de Commissie voornemens twee soorten actie te ondernemen.
Op de eerste plaats door voor te stellen om de huidplak van hoofdstuk 39 naar hoofdstuk 30 over te brengen. Het overbrengen van producten van de ene naar de andere GS-post kan evenwel niet alle economische problemen die het gevolg zijn van de productindeling oplossen.
Op de tweede plaats zal deze kwestie aan de orde worden gesteld bij de herziening van de douanerechten op alle producten in het kader van de volgende ronde van multilaterale onderhandelingen over de markttoegang van industrieproducten teneinde rekening te houden met de eisen van de Europese industrie.
(1) Beschikking 2000/41/EG van de Commissie van 29 december 1999 betreffende de geldigheid van bepaalde bindende tariefinlichtingen, PB L 13 van 19.1.2000.
(3) De tarieven van het GDT voor 2003 werden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie — PB L 290 van 28.10.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/426 |
(2004/C 88 E/0432)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2661/03
van Ian Hudghton (Verts/ALE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Vermisten op Cyprus
Nu Cyprus zich voorbereidt om het volgende jaar tot de EU toe te treden en Turkije een kandidaat-land is, is de kwestie van de vermisten, die naar wordt aangenomen bij de Turkse invasie van het eiland in 1974 zijn gedood of opgepakt, nog altijd niet opgelost.
Kan de Commissie, gelet op haar antwoord van 2 mei 2001 op schriftelijke vraag E-0506/01 (1), waarin werd verklaard dat „deze kwestie verder kan worden behandeld in het kader van de versterkte politieke dialoog van de Europese Unie met Turkije”, meedelen welke vorderingen op dit punt zijn gemaakt?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(1 oktober 2003)
De heren Clerides en Denktash zijn in juni 2002 bijeengekomen om voorstellen over de kwestie van vermiste personen uit te wisselen. De basis van de bijeenkomst was hun overeenkomst van 31 juli 1997. De Grieks-Cypriotische kant had zijn programma van opgravingen en identificaties in gebieden die onder zijn invloedssfeer vallen voortgezet. Er wordt onderzoek gedaan door het door de Verenigde Staten gefinancierde bicommunale Instituut voor Neurologie en Genetica. De Turks-Cypriotische kant heeft nog geen wetenschappers aangewezen die aan het Instituut zouden kunnen meewerken. De Verenigde Naties proberen het werk van het Comité van Vermiste Personen weer op te pakken.
In haar pakket van maatregelen voor de Turks-Cyprioten van 30 april 2003 heeft de regering van de republiek een aantal maatregelen aangekondigd voor familieleden van vermiste en vermoorde Turks-Cyprioten (Appendix E). De maatregelen bieden onder andere toegang tot informatie, ontmoetingen tussen familieleden van vermiste personen en ambtenaren, verkennende opgravingen van begraafplaatsen en regelingen voor het opzetten van een DNA-bank. De regering van de republiek heeft op 14 juni 2003 een lijst van 500 Turks-Cyprioten, van wie de zaak is voorgelegd aan het Comité van Vermiste Personen, in Turks-Cypriotische kranten gepubliceerd. De Commissie heeft ook vernomen dat informatie over het lot van 201 vermiste Turks-Cyprioten door de autoriteiten officieel is overgedragen aan het Internationaal Comité van het Rode Kruis.
(1) PB C 261 E van 18.9.2001, blz. 130.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/427 |
(2004/C 88 E/0433)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2667/03
van Jean Lambert (Verts/ALE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Illegale houthandel (Indonesië) en het FLEGT-plan
In mei 2003 kwam de Europese Commissie met een actieplan ter bestrijding van illegale houtkap en illegale houthandel: het actieplan voor wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw (Forest Law Enforcement, Governance en Trade, FLEGT).
Dit plan beoogt illegale houtkap en de handel in illegaal gekapt hout tegen te gaan. Het bevat maatregelen, waaronder steun voor beter bestuur in houtproducerende landen, vrijwillige partnerschappen met houtproducerende landen om te zorgen dat alleen legaal gekapt hout op de EU-markt terechtkomt, alsmede pogingen om te komen tot internationale samenwerking ter bestrijding van de handel in illegaal gekapt hout.
Indonesië bezit 10 % van de resterende tropische bossen in de wereld en verkeert in een crisis ten gevolge van illegale houtkap. Meer dan 80 % van de houtkap in Indonesië vindt plaats in strijd met de wet. De EU verstrekt financiële middelen aan Indonesië en dringt aan op een ondertekende overeenkomst om het probleem aan te pakken.
Desondanks vindt er nog altijd een sluikhandel in Indonesisch ramin plaats. Indonesisch ramin wordt illegaal verhandeld via Maleisië — het enige andere land waar ramin groeit — en bereikt nog altijd de EU-markt. In Italië en het Verenigd Koninkrijk is beslag gelegd op illegale ramin.
Waarom heeft de Europese Commissie gewacht met het opnemen van ramin in Bijlage Β (zoals verzocht door de Indonesische regering) en zal de Europese Commissie ramin in Bijlage Β opnemen bij de eerste de beste gelegenheid, namelijk de vergadering van de CITES-commissie van de Europese Unie?
Steunt de Commissie het beginsel dat wetgeving moet worden opgesteld om de invoer van illegaal gekapt hout in de EU te verbieden?
Overweegt de Commissie om in het kader van de medebeslissingsprocedure wetgeving voor te stellen ten einde het actieplan te steunen en aldus strengere straffen op te leggen voor degenen die handelen in illegaal gekapt hout en houtproducten in de EU?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(10 oktober 2003)
De Commissie en de lidstaten zijn er niet van overtuigd dat het unilateraal opnemen van ramin in Bijlage Β van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantesoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (1) (de verordening die CITES in de Gemeenschap ten uitvoer legt) doeltreffender zou zijn dan de huidige regeling waarbij ramin is opgenomen in Bijlage III van CITES en de overeenkomstige Bijlage C van de Verordening. Volgens de huidige bepalingen moeten importeurs van ramin een uitvoervergunning kunnen voorleggen — indien de ramin uit Indonesië afkomstig is — of een certificaat van oorsprong van het land van uitvoer indien het uit een ander land komt. De enige aanvullende eis die zou kunnen worden gesteld indien ramin zou worden opgenomen in Bijlage Β van Verordening (EG) nr. 338/97 is dat naast de uitvoervergunning van het land van uitvoer ook een invoervergunning verplicht zou worden van de relevante lidstaat. Dit zou slechts marginaal nut hebben; de douaneautoriteiten aanmoedigen toe te zien op de naleving van de bestaande bepalingen zou waarschijnlijk meer effect sorteren.
Op het niveau van de Unie is reeds enorm veel werk verzet om ervoor te zorgen dat de huidige bepalingen worden nageleefd hetgeen heeft geleid tot inbeslagneming van ramin in de lidstaten. Maleisië beschikt bovendien over belangrijke voorraden ramin zodat de Gemeenschap alvorens aanvullende maatregelen te nemen ten aanzien van ramin ook rekening dient te houden met het standpunt van dat land. De Commissie nam hierover in juni 2003 schriftelijk contact op met de Maleisische autoriteiten en wacht nu op antwoord. Ongeacht het uiteindelijke besluit op het niveau van de Unie zou de beste aanpak voor de Indonesische regering zijn op de 13de Conferentie van de Partijen bij CITES in oktober 2003 een verzoek in te dienen om ramin op te nemen in Bijlage II bij CITES. Wanneer hieraan gevolg wordt gegeven zou de handel in ramin beter gereguleerd kunnen worden, niet alleen met de Unie maar werldwijd.
De Commissie staat achter het beginsel dat de Unie geen markt mag zijn voor onrechtmatig gekapt hout. In het in de vraag genoemde FLEGT-actieplan (2) wordt voorgesteld wetgeving in te voeren ter ondersteuning van vrijwillige overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen om te voorkomen dat illegaal geoogst hout uit dergelijke landen wordt ingevoerd. Er zitten echter nogal wat haken en ogen aan een algemeen verbod op de invoer van illegaal geoogst hout zodat de Commissie voorstelt deze optie uitvoerig te bestuderen en hierover in 2004 verslag uit te brengen. In het algemeen zou de Commissie meer voorstander zijn van multilaterale dan unilaterale actie.
In het FLEGT-actieplan heeft de Commissie voorgesteld wetgeving in te voeren ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de voorgestelde vrijwillige FLEGT-partnerschapsovereenkomsten op grond van artikel 133 van het EG-Verdrag — die onder de gemeenschappelijk handelspolitiek zou vallen. Wetgeving uit hoofde van dit artikel hoeft over het algemeen niet de medebeslissingsprocedure te doorlopen.
(2) COM(2003)251 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/428 |
(2004/C 88 E/0434)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2674/03
van María Rodríguez Ramos (PSE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Toepassing van de vrijwaringsclausule bij invoer in de EU van mandarijnpartjes in conserven uit China
In haar recente antwoord op mijn vraag E-1646/03 (1) erkent de Commissie de urgentie van het verzoek tot toepassing van de vrijwaringsclausule bij invoer van mandarijnpartjes uit China en deelt mee dat zij „thans” een verzoek van de Spaanse regering met alle vereiste documentatie heeft ontvangen.
Aangezien Spanje begin juni 2002 om toepassing van de clausule heeft verzocht en de Commissie op 12 november 2002 in haar antwoord op mijn vraag P-2956/02 (2) haar passiviteit heeft verklaard door erop te wijzen dat het door de Spaanse autoriteiten ingediende dossier niet aan de strenge normen voldeed, acht ik het noodzakelijk dat de desbetreffende sector op de hoogte wordt gesteld van de werkelijke redenen voor de vertraging van meer dan een jaar bij de behandeling van dit dossier.
In juli 2003 gebruikt de Commissie het woord „thans”. Kan de Commissie de precieze datum meedelen waarop de Spaanse autoriteiten een dossier met voldoende informatie hebben ingediend over de aard en omvang van de verstoring van de handel en van de ernstige gevolgen die deze heeft voor de desbetreffende producenten in de Gemeenschap, zoals op grond van de WTO-normen vereist is?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(23 oktober 2003)
Zoals uiteengezet in haar antwoord op de schriftelijke vragen E-1646/03, E-1920/03 en 1921/03 van het geachte parlementslid (3), heeft de Commissie een volledig gedocumenteerd officieel verzoek om vrijwaringsmaatregelen ontvangen op grond van het productspecifiek vrijwaringsmechanisme in de overgangsperiode (4), en wel op 10 juni 2003. Daarnaast heeft Spanje een verzoek ingediend krachtens de algemene erga omnes vrijwaringsbepalingen, welk verzoek op 20 juni 2003 (5) werd ontvangen.
Na analyse van de verzoeken en na overleg met de lidstaten is op 11 juli 2003 (6) met een onderzoek begonnen, zowel krachtens het algemene erga omnes vrijwaringsinstrument als krachtens het vrijwaringsmechanisme voor de overgangsperiode. Dit onderzoek heeft de hele zomer geduurd en is nog steeds niet beëindigd. De lidstaten worden van de ontwikkelingen nauwkeurig op de hoogte gehouden.
Met betrekking tot het feit dat het na het eerste contact van Spanje ruim een jaar heeft geduurd voordat een onderzoek werd geopend, wijst de Commissie het geachte parlementslid erop dat deze tijdsduur nodig was om een aantal formele en materiële kwesties omtrent deze zaak op te helderen om er zeker van te zijn dat de verzoeken van Spanje beantwoorden aan de zeer hoge normen waarin de voorschriften van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en van de Gemeenschap voorzien. Het geachte parlementslid zal zeker begrijpen dat het verzamelen en beoordelen van de relevante gegevens alsook het houden van een reeks besprekingen met alle betrokken partijen veel tijd vergen, maar hoe dan ook van essentieel belang zijn om de aard en omvang van de beweerde schade vast te stellen.
De Commissie tekent gaarne aan dat dit het eerste onderzoek is dat krachtens de verordening betreffende het vrijwaringsmechanisme in de overgangsperiode wordt uitgevoerd.
(1) Zie blz. 363.
(2) PB C 161 E van 10.7.2003, blz. 55.
(3) Zie blz. 363.
(4) Verordening (EG) nr. 427/2003 van de Raad van 3 maart 2003 over een productspecifiek vrijwaringsmechanisme in de overgangsperiode voor producten uit de Volksrepubliek China en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 519/94 betreffende een gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen, PB L 65 van 8.3.2003.
(5) Verordening (EG) nr. 3285/1994 van de Raad van 22 december 1994 betreffende de gemeenschappelijke invoerregeling, PB L 349 van 31.12.1994, en Verordening (EG) nr. 519/1994 van de Raad van 7 maart 1994 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen, PB L 67 van 10.3.1994.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/429 |
(2004/C 88 E/0435)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2676/03
van Ulrich Stockmann (PSE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Toegang van DHL-Airways tot de VS-markt
Sinds de overname van de internationale expressdienst DHL door Deutche Post World Net proberen UPS en FEDEX op allerlei manieren om DHL buiten de Amerikaanse markt te houden. UPS en FEDEX domineren de VS-markt voor pakketpost als een soort duopolie met een aandeel van 80 %, terwijl DHL aldaar een marktaandeel van 0,9 % bezit. Als juridisch/politieke hefboom voor de afscherming van de VS-markt tegen buitenlandse concurrenten maken UPS en FEDEX gebruik van de bepaling dat de luchtvaartmaatschappijen slechts als de VS-vervoerder gelden als tenminste 75 % van de stemrechten en 51 % van de kapitaalaandelen in handen van Amerikaanse burgers zijn. Beide voorwaarden gelden voor DHL-Airways nu het vervoer over land en via de lucht na het verkrijgen van DHL door de DPAG in twee vennootschappen is opgedeeld en DHL-International nog slechts met 25 % aan DHL-Airways deelneemt. Dit is ook vastgesteld door het Department of Transportation (DOT) dat de talrijke bezwaren van UPS en FEDEX heeft afgewezen. Op 16.4.2003 werd echter een amendement op de oorlogsbegroting doorgedrukt, volgens welke luchtvaartmaatschappijen die niet daadwerkelijk door Amerikaanse burgers worden gecontroleerd, meer dan 50 % van de omzet door middel van een buitenlandse onderneming behalen of tot een vreemde staat behoren, geen militaire opdrachten mogen krijgen die met de thans ter beschikking gestelde budgettaire middelen worden bekostigd. Deze bepaling heeft uitsluitend betrekking op DHL-Airways, en discrimineert aldus op overduidelijke wijze één enkele onderneming omdat het Pentagon en het State Department belangrijke klanten van DHL-Airways zijn. De concurrentievijandige houding van FEDEX/UPS staat in schril contrast met de vrije ontplooiingsmogelijkheden van UPS in Europa. Terwijl UPS in de VS alleen al een marktaandeel van ongeveer 64 % bezit en dat van DHL slechts 0,9 % bedraagt, komt de Deutsche Post (incl. DHL) op de sterk concurrerende Duitse markt op 23 % en UPS op 8 %.
Is de Commissie van deze problematiek op de hoogte? Wat overweegt zij tegen deze discriminatie te doen? Welke maatregelen wil de Commissie, mede gelet op de onderhandelingen over de Open-Sky-over-eenkomst tussen de VS en de EU, nemen om toegang tot de Amerikaanse markt en volledige wederkerigheid te waarborgen?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(14 oktober 2003)
De Commissie volgt de ontwikkelingen in verband met de toegang van Europese ondernemingen tot de markt van de Verenigde Staten op de voet.
De vraag heeft betrekking op de toegang van DHL, een koerierdienst, tot de markt van de Verenigde Staten. Bij recente wetgeving in de Verenigde Staten werd een nieuwe beperking ingevoerd inzake de eigendom van luchtvaartmaatschappijen, willen deze militaire orders kunnen verwerven. Section 2710 van de „Emergency Wartime Supplemental Appropriations Act” van april 2003 bepaalt dat: „geen van de fondsen uit hoofde van deze wet of andere wetten mogen worden toegewezen of uitgegeven om het vervoer in kwestie te betalen.wanneer dit vervoer wordt verricht door een luchtvaartmaatschappij waarover onderdanen van de Verenigde Staten niet daadwerkelijk zeggenschap hebben … onderdanen van de Verenigde Staten worden niet geacht daadwerkelijk zeggenschap te hebben over een luchtvaartmaatschappij wanneer 50 % of meer van haar exploitatieinkomsten in de afgelopen drie jaar afkomstig was van een persoon die geen onderdaan is van de Verenigde Staten en die rechtstreeks of onrechtstreeks stemrecht heeft in de luchtvaartmaatschappij of wanneer deze eigendom is van een instantie of instrumentaliteit van een buitenlandse staat.”
Deze bepalingen zijn volgens de Commissie volledig in strijd met de Europese belangen en met name die van DHL. DHL moet een beroep doen op de diensten van vrachtluchtvaartmaatschappijen van de Verenigde Staten voor het luchtvervoer van haar bezorgdiensten. Omdat deze luchtvaartmaatschappijen een groot deel van hun exploitatieinkomsten uit DHL betrekken zouden zij op grond van de Wartime Supplemental Appropriations Act worden uitgesloten van militaire contracten.
De Commissie merkt echter ook op dat Section 2710 de Minister van Defensie de mogelijkheid biedt deze beperking op te heffen: „(…) wanneer de minister van defensie besluit dat geen van de luchtvaartmaatschappijen die in het bezit zijn van een certificaat van Section 41102 in staat of bereid is dergelijk vervoer te verrichten, de minister een contract kan afsluiten om dit vervoer te laten verrichten door een luchtvaartmaatschappij die niet in het bezit is van een certificaat”. Voor zover de Commissie bekend bezorgt DHL momenteel post voor het ministerie van defensie in zowel Irak als Afghanistan.
Bovendien heeft DHL haar aandeel van 25 % in DHL Airways verkocht aan investeerders in de Verenigde Staten. DHL Airways kreeg een nieuwe naam, AStar Air Cargo en is nu volledig in handen van onderdanen van de Verenigde Staten.
De Commissie is op de hoogte van het feit dat vrachtluchtvaartmaatschappijen van de Verenigde Staten vluchten binnen de Unie mogen uitvoeren, terwijl vrachtluchtvaartmaatschappijen van de Unie niet het recht hebben binnenlandse vluchten in de Verenigde Staten uit te voeren. Deze kwestie zal bij de komende onderhandelingen over een open luchtvaartruimte Unie-Verenig de Staten aan de orde worden gesteld. De onderhandelingen zijn erop gericht de binnenlandse markt van de Verenigde Staten open te stellen voor luchtvaartmaatschappijen van de Unie en vice versa. Centraal bij deze onderhandelingen staat het opheffen van de beperkingen die momenteel van toepassing zijn op buitenlands eigendom van en zeggenschap over luchtvaartmaatschappijen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/431 |
(2004/C 88 E/0436)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2677/03
van Bernd Lange (PSE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Omzeilen van strengere normen voor uitlaatgassen door verkeerde type-indeling
Kennelijk bestaat de neiging om auto's zoals terreinwagens (SUV), die voornamelijk als personenauto (klasse Ml) worden gebruikt, vanwege hun gewicht van meer dan 2,5 ton als licht gebruiksvoertuig (klasse N1) toe te laten.
Worden met deze praktijk niet de voor personenauto's in richtlijn 98/69/EEG (1) vastgestelde maximumwaarden EURO III/EURO IV ontdoken? Wat wil de Commissie hieraan doen?
Wanneer zal de Commissie een wijziging indienen van richtlijn 70/156/EEG (2) betreffende typegoedkeuring, resp. van richtlijn 70/220/EEG (3) zoals gewijzigd bij richtlijn 98/69/EEG (tabel Bijlage I, punt 13, paragraaf 5.3.1.4, voetnoot 2) om deze mogelijkheid voortaan uit te sluiten?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(8 oktober 2003)
De mogelijkheid om voertuigen van categorie Ml met een maximummassa van meer dan 2,5 ton typegoedkeuring te verlenen volgens de minder strenge emissienormen voor voertuigen van categorie N1, is al enige tijd in Richtlijn 70/220/EEG (4) opgenomen. Deze praktijk werd gehandhaafd op grond van een overeenkomst tussen de wetgevers in de bemiddelingsprocedure die tot Richtlijn 98/69/EC (5) heeft geleid. Dergelijke voertuigen van categorie Ml kregen in deze richtlijn een jaar uitstel om aan de desbetreffende Euro III- of Euro IV-emissienormen te voldoen.
De Commissie kan op dit moment niet bevestigen hoeveel personenvoertuigen van meer dan 2,5 ton, inclusief terreinwagens (bv. 4x4's of SUV's (Sport Utility Vehicles)), als voertuig van categorie N1 zijn ingeschreven, en of terreinwagens met opzet meer dan 2,5 ton zwaar worden gemaakt, zodat ze aan minder strenge emissienormen moeten voldoen.
De indeling bij de typegoedkeuring is gebaseerd op de door de fabrikant aangegeven maximummassa voor het voertuig. Voertuigfabrikanten bepalen tot welke categorie hun voertuigtypes behoren als onderdeel van de constructiekenmerken en overeenkomstig de bepalingen van bijlage II bij Richtlijn 70/156/EEG (6).
Op 14 juli 2003 heeft de Commissie een voorstel (7) voor een herschikking van Richtlijn 70/156/EEG aangenomen, die ten doel heeft de communautaire typegoedkeuring tot alle voertuigcategorieën uit te breiden. Er wordt voorgesteld de communautaire typegoedkeuring vanaf 1 januari 2007 verplicht te maken voor nieuwe types van complete voertuigen van categorie N1.
De Commissie weet dat er bezorgdheid bestaat over de mogelijkheid dat zware personenvoertuigen volgens de emissienormen voor categorie N1 worden goedgekeurd en op die manier aan minder strenge normen moeten voldoen. In het kader van haar toekomstige voorstel voor strengere emissienormen (een voorstel voor Euro V) zal de Commissie daarom onderzoeken of het een goed idee is om het onderscheid tussen voertuigen van categorie Ml van meer en minder dan 2,5 ton op te heffen.
(1) PB L 350 van 28.12.1998, blz. 1
(2) PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1.
(3) PB L 76 van 6.4.1970, blz. 1.
(4) Richtlijn 70/220/EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen.
(5) Richtlijn 98/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen en tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG van de Raad.
(6) Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan.
(7) COM(2003)418 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/432 |
(2004/C 88 E/0437)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2690/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: De bevoegdheid van kantons in Zwitserland om zich zelfstandig te ontwikkelen tot belastingparadijs voor internationale ondernemingen
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat in Zwitserland de belastingheffing op de in dat land geregistreerde bedrijven een zaak is van de afzonderlijke kantons in plaats van de „Confederado Helvetia” waartoe zij gezamenlijk behoren, en dat de hoogte van de bedrijfsbelasting daardoor per kanton kan verschillen? |
|
2. |
Is het de Commissie tevens bekend dat deze belastingconcurrentie tussen Zwitserse kantons ertoe geleid heeft dat het kanton Schwyz de statutaire vestigingsplaats is geworden van internationaal optredende ondernemingen of onderdelen daarvan, die daar alleen een klein kantoor en een postbus hebben, en dat thans met name het noordelijke deel van dit kanton in de invloedssfeer van de stad Zürich, met name het districht Höfe met de plaatsen Pfäffikon (Sz) aan de Zürichsee, Schindellegi en Feusisberg, daarvoor een aantrekkelijke vestigingsplaats is geworden? |
|
3. |
Is het de Commissie bekend hoeveel ondernemingen die hun activiteiten niet voornamelijk in Zwitserland maar binnen de EU uitoefenen inmiddels de statutaire zetel van hun bedrijven of onderdelen daarvan naar het kanton Schwyz hebben verplaatst? |
|
4. |
Betrekt de Commissie bij de wensen om niet alleen binnen de EU maar ook in de directe buurlanden belastingsconcurrentie te beperken, rechtstreeks overleg met het kanton Schwyz in plaats van uitsluitend met de overkoepelende „Confederado Helvetia”? |
|
5. |
Indien vraag 4 bevestigend wordt beantwoord, wat heeft dit overleg inmiddels opgeleverd? Indien vraag 4 ontkennend wordt beantwoord, wanneer neemt dit overleg een aanvang? |
|
6. |
Zijn als pressiemiddel eventueel sancties tegen de regering van het kanton Schwyz mogelijk die niet Zwitserland als geheel raken? Heeft de Commissie het voornemen om zonodig van die mogelijkheden gebruik te maken? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(16 oktober 2003)
De Commissie is op de hoogte van het feit dat de vennootschapsbelasting in Zwitserland, daar dit land een federatie is, op federaal niveau en op het niveau van de kantons en gemeenten kan worden geheven en dat de afzonderlijke kantons verschillende tarieven voor deze belasting hanteren. De hieruit voortvloeiende verschillen in belastingtarieven tussen de verschillende gemeenten in Zwitserland is al jarenlang het onderwerp van een politiek debat in Zwitserland. De Commissie heeft geen bijzondere gegevens over de gevolgen van de belastingconcurrentie tussen Zwitserse kantons en evenmin over het aantal ondernemingen dat voornamelijk in de Unie actief is, doch gevestigd is in het Zwitserse kanton Schwyz.
De vragen van het geachte parlementslid lijken erop te wijzen dat het kanton Schwyz passieve investeringen aantrekt zonder dat daar sprake is van enige echte economische activiteit of enige echte economische aanwezigheid. De belastingwetgeving van de lidstaten en de bilaterale belastingovereenkomsten van de lidstaten met Zwitserland bevatten echter bijzondere bepalingen die de mogelijkheden voor belastingplanningstructuren met zogenaamde „postbus-ondernemingen” beperken. Tevens hebben de meeste lidstaten bijzondere bepalingen in hun wetgeving opgenomen om misbruik tegen te gaan en agressieve belastingplanningstructuren die gebaseerd zijn op een kunstmatige locatie van passieve investeringen in rechtsgebieden met lage belastingen te ontmoedigen.
Billijke belastingconcurrentie kan volgens de Commissie positieve gevolgen hebben zoals een verlaging van onnodige belastingdruk en verhoging van het concurrentievermogen van de Unie. Oneerlijke belastingconcurrentie die bedrijven in belangrijke mate beïnvloedt bij de keuze van hun locatie zonder een algemene positieve impact is daarentegen schadelijk. De Commissie neemt derhalve actief deel aan de werkzaamheden tegen schadelijke belastingconcurrentie in de uitgebreide Unie, voornamelijk in het kader van de Gedragscode. Voorts neemt de Commissie actief deel aan de werkzaamheden van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) tegen schadelijke belastingpraktijken waarbij een wereldomvattende aanpak wordt gehanteerd en ernaar gestreefd wordt het gedrag van zowel de belastingparadijzen als van de OESO-leden (waaronder Zwitserland) zodanig te wijzigen dat ook zij zich inzetten om schadelijke belastingconcurrentie tegen te gaan.
Tot op heden werden zowel op het niveau van de Unie als elders, met inbegrip van de OESO, uitsluitend besprekingen gevoerd met Zwitserland omdat het de bondsstaat is die verantwoordelijk is voor buitenlandse betrekkingen. Volgens het internationale recht dient de Gemeenschap de grondwettelijke scheiding van bevoegdheden van Zwitserland in acht te nemen en overleg te voeren met de Bondsregering.
Hoewel een andere aanpak in de toekomst niet is uitgesloten, is de Commissie ervan overtuigd dat de hierboven beschreven aanpak de beste manier is om te zorgen voor eerlijke belastingconcurrentie, wereldwijd, en wenst zij in dit stadium niet op eventuele andere maatregelen vooruit te lopen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/433 |
(2004/C 88 E/0438)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2700/03
van Glenys Kinnock (PSE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Onderzoek naar de kidnapping van Peter Shaw
Kan de Commissie een duidelijk en gedetailleerd verslag geven van de vooruitgang die de Georgische instanties al hebben geboekt in het onderzoek naar de omstandigheden waaronder Peter Shaw werd gekidnapt?
Lijkt het de Commissie niet onaanvaardbaar dat zo weinig informatie beschikbaar is, en vindt zij niet dat Peter Shaw het volste recht heeft om te verwachten dat een volledig en uitgebreid onderzoek wordt uitgevoerd?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(3 oktober 2003)
Sedert de vrijlating van Peter Shaw in november 2002 heeft de Commissie elke gelegenheid te baat genomen om de regering van Georgië duidelijk te maken welk belang zij hecht aan de berechting van de kidnappers. De Commissie zou dit als een belangrijke aanwijzing beschouwen dat pogingen worden gedaan om de rechtsorde in het land te versterken. Op de komende Samenwerkingsraad EU-Georgië zal zij opnieuw van de gelegenheid gebruik maken om de vorderingen bij het onderzoek te bespreken.
Via haar delegatie en in samenwerking met de Britse ambassade in Georgië heeft de Commissie de officier van justitie van Georgië regelmatig om informatie gevraagd over de vorderingen bij het onderzoek. Deze heeft de Commissie onlangs gemeld dat de zaak nog wordt onderzocht. De personen die betrokken waren bij de kidnapping van de heer Shaw zijn geïdentificeerd, maar er is nog meer bewijsmateriaal nodig alvorens deze kunnen worden gearresteerd en aangeklaagd. De heer Chichiashvili, een Georgiër die in Georgië gezocht wordt wegens een aantal gevallen van kidnapping, waaronder die van de heer Shaw, is in Moskou gearresteerd.
De Commissie betreurt het ten zeerste dat, bijna een jaar na de vrijlating van de heer Shaw, de kidnappers nog niet voor het gerecht zijn gebracht en dat de verdachte die in Moskou werd gearresteerd nog moet worden uitgeleverd.
De Commissie is het met het geachte parlementslid eens dat meer informatie zou moeten worden verstrekt en heeft de Georgische autoriteiten om een gedetailleerd schriftelijk verslag gevraagd over de stand van het onderzoek. De Commissie blijft vastberaden al het mogelijke te doen om deze zaak verder te onderzoeken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/434 |
(2004/C 88 E/0439)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2701/03
van Geoffrey Van Orden (PPE-DE) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Fondsen voor kinderbescherming in Bulgarije
Welke bedragen zijn in de pretoetredingsfondsen voor Bulgarije uitgetrokken voor kinderbeschermings- en kinderwelzijnsprojecten, en welke voorstellen werden ingediend om meer middelen te voorzien voor dergelijke projecten?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(30 september 2003)
Zoals uiteengezet in het Periodiek Verslag van de Commissie (1) over de vorderingen van Bulgarije in 2002 moet dit land zijn inspanningen voor de hervorming van de kinderzorg blijven versterken, ervoor zorgen dat het Verdrag van de Verenigde Naties (VN) inzake de rechten van het kind volledig in acht wordt genomen, dat het systeem de beste belangen van het kind dient en dat kinderen alleen in instellingen worden geplaatst indien er geen andere oplossing is.
De Commissie steunt Bulgarije op dit gebied door het verlenen van pre-toetredingssteun. Momenteel wordt bijvoorbeeld een Phare-project „hervorming van de kinderbescherming” uitgevoerd met een bijdrage van EUR 3,5 miljoen van Phare. Dit project, waaraan Bulgarije zelf EUR 0,5 miljoen bijdraagt, wordt hoofdzakelijk uitgevoerd door middel van twinning (jumelage). Met dit project wil men de autoriteiten helpen een beter beleid te voeren ten aanzien van sociaal gemarginaliseerde kinderen (met inbegrip van een groot aantal Roma kinderen en kinderen met een handicap). In het kader van dit project wordt voorts steun verleend en opleiding verstrekt aan de relevante organen op nationaal en regionaal niveau en streeft men ernaar de ontwikkeling te bevorderen van alternatieve vormen van kinderzorg alsmede steun voor de hervorming van het beheer en de kinderzorg in een aantal geselecteerde kindertehuizen.
Voorts is in principe overeenstemming bereikt over een ander project in het kader van de pre-toetredingssteun voor 2003, namelijk „de verbetering van de kwaliteit van het bestaan van mentaal gehandicapten” (Phare-begroting: EUR 2 miljoen; Bulgaarse cofinanciering: EUR 0,67 miljoen). Doel van dit project is de ontwikkeling en verbetering van alternatieve medische, sociale en educatieve dienstverlening voor zowel kinderen als volwassenen met een geestelijk handicap.
Een aantal projecten verleent onrechtstreekse steun aan kinderbescherming in Bulgarije, bijvoorbeeld het project „Integratie van de Roma-bevolking” (Phare begroting: EUR 1,65 miljoen). Met dit project wil men de scholingsgraad van Romakinderen verbeteren door economische en culturele obstakels uit de weg te ruimen voor kinderen in het kleuter- en lager onderwijs, meer docenten inzetten die speciaal zijn opgeleid om in een multiculturele omgeving te kunnen werken en een herzien nationaal leerplan invoeren waarin aandacht wordt besteed aan multiculturele aspecten. Tevens zijn er projecten op het gebied van de maatschappelijke organisatie die activiteiten omvatten voor de sociale integratie van kwetsbare groepen.
Tot slot is verdere pretoetredingssteun opgenomen in het kader van de meerjarenprogrammering voor 2004-2006. De Commissie verwacht binnenkort hiervoor voorstellen te ontvangen van de Bulgaarse autoriteiten.
De Commissie zal de ontwikkelingen op dit gebied op de voet blijven volgen en nauw samenwerken met andere belangrijke donors en internationale organisaties zoals de Wereldbank en het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties.
(1) COM(2002) 700 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/435 |
(2004/C 88 E/0440)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2723/03
van Francisca Sauquillo Pérez del Arco (PSE) aan de Commissie
(3 september 2003)
Betreft: Europees initiatief voor democratie, mensenrechten en inheemse volkeren
Bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en discriminatie van etnische minderheden en inheemse volkeren moet volgens de Commissie één van de belangrijkste terreinen van het Europees initiatief voor democratie en mensenrechten zijn. Ook de Raad heeft bij diverse gelegenheden zijn engagement voor steun aan inheemse volkeren bevestigd (conclusies van de Raad van juni 2001 en november 2002). Naar verluidt wordt in de begroting 2004 voor dit initiatief geen enkel gewag gemaakt van inheemse volkeren.
Kan de Commissie bevestigen dat in het programmeringsdocument voor bedoeld initiatief dat momenteel wordt opgesteld, overeenkomstig de richtsnoeren van de Raad, de Commissie en het Europees Parlement rekening wordt gehouden met de inheemse volkeren en dat deze apart worden vermeld met een speciale begrotingspost?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(26 september 2003)
Het Europees initiatief voor democratie en mensenrechten (EIDHR) levert een bijdrage aan de verplichtingen die de Unie is aangegaan wat betreft steun aan de rechten van inheemse volkeren, door toegang te geven tot middelen voor projecten van organisaties die inheemse volkeren vertegenwoordigen of met hen werken. In het programmeringsdocument 2002-2004 voor EIDHR wordt het weerbaar maken van inheemse volkeren om voor hun rechten op te komen en stimulering van het respect voor de rechten van inheemse volkeren op internationaal niveau aangewezen als specifiek onderwerp van steun. Voor de periode van 2002 tot 2003 voorziet het programmeringsdocument in een indicatieve toewijzing van EUR 15 miljoen steun aan overeenkomstige projecten. Op basis van deze meerjarenprogrammering en in het kader van de omschreven doelstellingen biedt de herziening van EIDHR voor 2004 nog steeds mogelijkheden om programma's ter ondersteuning van de rechten van inheemse volkeren te financieren op internationaal en regionaal niveau, en op het niveau van de landen waar dit initiatief zich op richt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/435 |
(2004/C 88 E/0441)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2726/03
van Nelly Maes (Verts/ALE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Scholen voor de Russische minderheid in Letland
Talen maken deel uit van de rijkdom van Europa. Verscheidene internationale handvesten erkennen het recht van de burgers om hun eigen taal in stand te houden en te ontwikkelen.
In Letland verzet een aanzienlijke Russisch-sprekende gemeenschap zich tegen de plannen van de regering om het systeem van het minderhedenonderwijs af te schaffen. In zijn resolutie over de vooruitgang van Letland in het toetredingsproces (2002) beveelt het Europees Parlement aan de mogelijkheden te onderzoeken om het middelbaar onderwijs in de minderheidstalen te behouden.
Acht de Commissie deze houding verenigbaar met de Europese waarden van fundamentele rechten en culturele en taalkundige diversiteit? Heeft de Commissie de Letse autoriteiten hierover om informatie verzocht?
Is de Commissie van mening dat een Europa van de burgers de bescherming en ontwikkeling van alle talen moet bevorderen? Is zij voornemens om projecten van organisaties die zich inzetten voor het Russisch en andere minderheidstalen in Letland te steunen?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(25 september 2003)
Sedert het advies met betrekking tot de aanvraag van Letland van 1997 om te mogen toetreden heeft de Commissie herhaaldelijk bevestigd dat Letland blijft voldoen aan de politieke criteria voor het lidmaatschap, namelijk de eerbiediging van democratie, rechtsorde, mensenrechten en de bescherming van minderheden. Dit standpunt wordt gedeeld door internationale mensenrechtenorganisaties en werd, in het kader van de uitbreiding, beaamd door de lidstaten.
De Commissie hecht grote waarde aan de integratie van minderheden in de Letse samenleving, waarbij de Europese normen van de rechten van nationale minderheden volledig worden nageleefd, met inbegrip van de geplande overgang naar tweetalig onderwijs in scholen voor minderheden, en volgt deze ontwikkelingen op de voet. De Commissie is niet op de hoogte van eventuele voornemens van de Letse overheid om het systeem van minderhedenonderwijs af te schaffen. Letland houdt als multiculturele samenleving onderwijs in acht minderheidstalen in stand, met inbegrip van het Russisch. Voorts wordt de onderwijshervorming van 1998, waarbij geleidelijk tweetalig onderwijs wordt ingevoerd, gezien als een fundamenteel element voor de ontwikkeling van een geïntegreerde samenleving in Letland.
De Hoge Commissaris voor nationale minderheden van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) die nauw betrokken is bij de kwestie van onderwijshervorming in minderheidsscholen, heeft dit bevestigd en duidelijk gemaakt dat hoewel het legitiem is om de taal van het land te bevorderen, minderheden ook recht hebben op het behoud van hun eigen taal en culturele identiteit.
De Commissie is van oordeel dat het feit dat alle jongeren in Letland zowel de nationale als hun eigen taal kunnen spreken op lange termijn zowel sociaal als economisch in hun voordeel zal zijn en het integratieproces ten goede zal komen.
Sedert het Periodiek Verslag van 2002 (1), heeft de Commissie elke gelegenheid te baat genomen om te benadrukken dat de overgangsfase in het minderhedenonderwijs voldoende flexibel moet worden aangepakt om te zorgen voor gelijke onderwijskansen voor en een nauwe dialoog met minderheidsgroeperingen.
Met steun van de OVSE heeft Letland een aantal maatregelen genomen om de overgang in 2004 te vergemakkelijken. Hierbij wordt in het onderricht in de scholen voor het voortgezet onderwijs vanaf het tiende leerjaar geleidelijk overgegaan op een onderwijsprogramma waarbij 60 % van de vakken tweetalig of in het Lets wordt onderwezen en 40 % in de minderheidstaal. De relevante wetgeving wordt hiertoe aangepast.
Bijzondere aandacht wordt besteed aan de dialoog die systematisch wordt gevoerd met alle betrokkenen (minderhedenscholen, leerkrachten, leerlingen, ouders, enz); ook zal steun worden verleend aan alle betrokkenen om hen te helpen hun vaardigheden op het gebied van de twee talen te verbeteren zodat de overgangsfase soepel kan verlopen. De Letse minister voor maatschappelijke integratie, een voormalig hoofd van een minderhedenorganisatie, die toezicht houdt op de werkzaamheden van de Stichting voor maatschappelijke integratie en de programma's voor bijstand van deze stichting, is nauw bij dit proces betrokken.
Het spreekt vanzelf dat zich in de praktijk moeilijkheden voordoen die allen die betrokken zijn bij het ingrijpende overgangsproces van onderwijshervorming voor etnische minderheden in Letland zorgen baren. De Letse autoriteiten hebben derhalve bevestigd dat zij individuele tijdschema's willen toepassen voor scholen waar het overgangsproces op bijzondere problemen stuit.
De Commissie blijft het proces van maatschappelijke integratie op de voet volgen en verleent hieraan ook steun, sedert 1996 door middel van PHARE-financiering en meer recent via bijstand aan organisaties die zich met name inzetten ten behoeve van de Russische minderheden (sedert 2000).
Tot slot voert de Commissie een algemeen beleid waarbij regionale en minderheidstalen en het gebruik hiervan worden aangemoedigd zowel in de huidige als in de toekomstige lidstaten. Zo heeft zij onlangs het Actieplan (2), „Het leren van talen en de taaiverscheidenheid bevorderen” gepubliceerd. Taaiverscheidenheid is een van de onderdelen van de algemene doelstelling van culturele diversiteit die is verankerd in het EG-Verdrag (artikel 151).
(1) COM(2002) 700 def.
(2) COM(2003)449 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/437 |
(2004/C 88 E/0442)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2727/03
van Antonio Tajani (PPE-DE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Telekom Servië
Piero Fassino, voormalig Italiaans staatssecretaris van Buitenlandse Zaken en momenteel secretaris van de partij „Linkse Democraten”, heeft verklaard dat de Europese Unie destijds investeringen in het Servië van dictator Milosevic heeft aangemoedigd.
Kan de Commissie deze verklaring bevestigen?
Welke communautaire instelling heeft de Europese ondernemingen verzocht om te investeren in het door dictator Milosevic geregeerde land, en op welke wijze?
Welke communautaire instelling is gemachtigd om toestemming te geven voor investeringen buiten de Europese Unie, en in dit specifieke geval het voormalige Joegoslavië?
Is het de Commissie bekend dat in de aan het Tribunaal van Den Haag overgelegde VN-documenten waarin onderzoek is gedaan naar de verborgen schat van Slobodan Milosevic, sprake is van ongeveer 500 miljoen euro aan overmakingen vanuit Italië aan offshorevennootschappen met zetel in Cyprus?
Is de Commissie ervan op de hoogte dat de VN-onderzoekers van mening zijn dat deze overmakingen een onderdeel vormen van de betaling van de aandelenquota van Telekom Servië (29 % ) die door Telecom Italia is gekocht?
Is de Commissie in het bezit van gegevens die van nut zouden kunnen zijn voor het onderzoek naar de financiële bronnen waarmee Milosevic zijn geheime schat heeft kunnen opbouwen?
Welke initiatieven denkt de Commissie te nemen om duidelijkheid te scheppen in deze aangelegenheid?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(10 oktober 2003)
Tenzij de Europese Unie overeenkomstig een gemeenschappelijk EU-standpunt economische en financiële sancties heeft ingesteld ten aanzien van een derde land, zijn Europese ondernemingen vrij om in dat land te investeren. In de periode waarnaar het geachte parlementslid schijnt te verwijzen gold voor de Federale Republiek Joegoslavië geen door de Gemeenschap ingesteld investeringsverbod. Over het algemeen geven de EU-instellingen niet specifiek „groen licht” of „toestemming” of „aanmoediging” voor investeringen buiten de EU.
Hoewel de Commissie nauwe contacten onderhoudt met de desbetreffende instellingen verkeert zij niet een positie om commentaar te leveren op specifieke details van het onderzoek dat door het internationaal tribunaal voor misdrijven in voormalig Joegoslavië (ICTY) en andere instanties voor wetshandhaving naar deze zaken werd ingesteld.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/438 |
(2004/C 88 E/0443)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2741/03
van Richard Corbett (PSE) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Kroatië
Zal de Commissie bij de behandeling van de aanvraag van Kroatië om toetreding tot de Europese Unie aandacht besteden aan de situatie in Krajina en de mogelijke terugkeer van de door het Kroatische leger in 1995 verdreven bevolking? Is zij van oordeel dat de mogelijkheid tot terugkeer voor de ontheemden en de behandeling van minderheden onder de criteria van Kopenhagen voor toetreding tot de EU vallen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(26 september 2003)
Bij de behandeling van de aanvraag van Kroatië om toetreding tot de Unie zal de Commissie nagaan in welke mate Kroatië voldoet aan de criteria die zijn vastgelegd in de Artikelen 49 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie alsmede de criteria die zijn opgenomen in de conclusies van de Europese Raad van Kopenhagen (1993). Volgens laatstgenoemde criteria („Criteria van Kopenhagen”) dient een lidstaat: (i) een stabiele democratie te zijn, de mensenrechten te respecteren, een rechtsstaat te zijn en minderheden te beschermen; (ii) een functionerende markteconomie te hebben en het vermogen om het hoofd te bieden aan de concurrentiedruk en de marktkrachten binnen de Unie; (iii) de gemeenschappelijke voorschriften, de normen en het beleid over te nemen die de hoofdzaak vormen van het Gemeenschapsrecht.
Daarom zal beoordeling van het proces van terugkeer van vluchtelingen naar Kroatië en de behandeling van minderheden cruciaal zijn bij de vaststelling of de overheid voldoet aan de criteria van Kopenhagen, op basis waarvan de Commissie de Raad de aanbeveling zal doen om in het voorjaar van 2003 al dan niet toetredingsonderhandelingen met Kroatië te beginnen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/438 |
(2004/C 88 E/0444)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2796/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(19 september 2003)
Betreft: Onzekerheden met betrekking tot de noodzaak tot financiële compensatie door nationale overheden voor niet meer uit EU-regiofondsen bekostigde regionale projecten na 2006
|
1. |
Kan de Commissie bevestigen dat met betrekking tot de EU-structuurfondsen de komende tijd een keuze gemaakt moet worden tussen twee mogelijkheden:
|
|
2. |
Is het de Commissie bekend dat in Nederland, vooruitlopend op deze keuze, een meningsverschil ontstaat tussen de noordoostelijke provincies, die rekenen op een voortgezet gebruik van structuurfondsen na 2006, en de regering, die ervan uitgaat dat het waarschijnlijk en wenselijk is dat zulke gebieden in rijkere lidstaten dan niet langer voor steun in aanmerking komen? Is het de Commissie bekend of er meerdere gebieden in de EU zijn waar de onzekerheid over de omvang en de wijze van inzet van structuurfondsen na 2006 leidt tot zulke meningsverschillen en problemen bij de voorbereiding van projecten? |
|
3. |
Is de Commissie het ermee eens dat het wenselijk is dat de lidstaten en hun regionale of locale overheden bij de planning van hun financiële meerjarenramingen en hun beleidsvoornemens voor regionale projecten in en na 2006 tijdig kunnen beschikken over inzicht in de mate van toekomstige EU-medefinanciering en betreffende de noodzaak om wegvallende EU-bijdragen financieel te doen compenseren door nationale overheden („hernationalisatie”)? |
|
4. |
Op welke wijze denkt de Commissie aan alle betrokken overheden zo spoedig mogelijk duidelijkheid te verschaffen over de omvang en de verdeelsleutel van toekomstige structuur- en cohesiefondsen alsmede over de vraag welke regio's in de huidige lidstaten na 2006 wel of niet opnieuw voor betalingen uit deze fondsen in aanmerking zullen komen? |
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(22 oktober 2003)
De Commissie werkt momenteel aan voorstellen voor de hervorming van het regionaal beleid en het cohesiebeleid na 2006. Deze voorstellen zullen worden gepresenteerd in het Derde Cohesieverslag, dat volgens plan tegen het jaareinde wordt aangenomen. Zij zullen in overeenstemming zijn met de algemene voorstellen voor de nieuwe financiële vooruitzichten voor dezelfde periode, die eveneens moeten worden vastgesteld. Het is daarom te vroeg om te gissen naar de beleidslijnen die de Commissie op regionaal en cohesiegebied zal uitzetten, ofschoon nu al duidelijk is dat haar mogelijkheden niet noodzakelijk zijn beperkt tot de twee die het geachte parlementslid heeft genoemd.
De Commissie is zich bewust van het debat dat in Nederland, en ook in andere lidstaten, plaatsvindt. Een stabiel kader voor de planning van het regionaal beleid is onmiskenbaar belangrijk en om die reden zullen de voorstellen voor het toekomstige beleid zo spoedig mogelijk aan het Parlement en de Raad worden voorgelegd.
Er wordt naar gestreefd de nieuwe verordeningen ruim op tijd vast te stellen zodat de lidstaten alsmede de regionale en lokale overheden een nieuwe generatie programma's kunnen opstellen waarvan de tenuitvoerlegging met ingang van 2007 van start kan gaan.
Pas na de vaststelling van de nieuwe verordeningen kan worden besloten welke regio's voor financiële steun in aanmerking komen en welke verdeelsleutel daarbij zal worden gehanteerd. Moeten de besluiten door de Commissie worden genomen, dan zal dit zo spoedig mogelijk gebeuren, en de resultaten zullen in het Publicatieblad worden bekendgemaakt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/439 |
(2004/C 88 E/0445)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2843/03
van Astrid Thors (ELDR) aan de Commissie
(25 september 2003)
Betreft: Plaatsing van kinderen in instellingen in Letland
De Raad vindt het bijzonder belangrijk dat de kandidaat-lidstaten voldoen aan de politieke normen voor toetreding die door de Europese Raad in Kopenhagen zijn vastgesteld, met name op het stuk van democratie, rechtsstaat, mensenrechten en bescherming van minderheden (H-0350/03, schriftelijk antwoord van de Raad van 4.6.2003).
Heeft de Commissie ooit de situatie van kinderen in kindertehuizen in Letland opgemerkt, met name gezien het feit dat zij actief tracht in andere kandidaat-lidstaten dienovereenkomstige strategieën te verwezenlijken?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(22 oktober 2003)
Sinds haar advies van 1997 heeft de Commissie in haar jaarlijkse verslagen geconcludeerd dat Letland nog altijd voldoet aan de politieke criteria van Kopenhagen, nl. de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en de bescherming van minderheden. Letland heeft in dit verband steeds de nodige actie ondernomen.
Wat de rechten van het kind betreft heeft Letland een aantal overeenkomsten geratificeerd, zoals de Europese overeenkomst inzake de uitoefening van de rechten van het kind (mei 2001) en het Europees Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen (april 2002). Voor zover dat mogelijk is binnen de budgettaire beperkingen waarmee een land in een overgangsfase uiteraard te maken heeft, blijft Letland investeren in de modernisering van zijn sociale instellingen, met inbegrip van kindertehuizen.
Letland is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor zijn beleid ten aanzien van kinderen. De Commissie heeft echter, in het kader van het horizontaal programma Access, steun verleend voor projecten via niet-gouvernementele organisaties (NGO's) die op dit gebied actief zijn, ter verbetering van de situatie van kinderen en ter verbetering van de toestand in kindertehuizen in Letland. Deze steunverlening is vooral gericht op instellingen voor kinderen zoals weeshuizen, scholen met risicokinderen, en centra voor dagopvang van kinderen uit een problematische omgeving of uit een probleemgezin ten behoeve waarvan voorzieningen voor sociaal-psychologische herintegratie worden geboden, alsmede van kinderen die zich in sociaal opzicht en wat hun gezondheid betreft in een bedreigende situatie bevinden, met inbegrip van straatkinderen en misbruikte kinderen.
De Commissie zal de situatie in Letland tot het tijdstip van toetreding blijven volgen. De voortdurende bemoedigende ontwikkelingen op het gebied van de economische en sociale cohesie alsmede de beschikbaarheid van toekomstige structuurfondsen zullen zeker ook bijdragen tot verdere verbetering en modernisering van de sociale instellingen, met inbegrip van de kindertehuizen, in Letland.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/440 |
(2004/C 88 E/0446)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2856/03
van Jens-Peter Bonde (EDD) aan de Commissie
(26 september 2003)
Betreft: Status van het Turks
Welke status krijgt het Turks in vergelijking met het Gaelic en het Luxemburgs, als Cyprus op 1 mei 2004 toetreedt?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(21 oktober 2003)
Als vóór 1 mei 2004 geen regeling tot stand komt zal het Turks niet de status krijgen van officiële taal of werktaal van de Instellingen van de Unie, aangezien in het Toetredingsverdrag geen bepaling in die zin is opgenomen. In Protocol nr. 10 bij het Toetredingsverdrag is bepaald dat de invoering van het acquis wordt opgeschort in de zones van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent.
De Commissie blijft alle partijen stimuleren om vóór 1 mei 2004 tot een oplossing voor het Cypriotische probleem te komen. Het genoemde Protocol nr. 10 bevat dan ook een clausule op grond waarvan de mogelijkheid wordt geboden voor aanpassingen die met betrekking tot de Turks-Cypriotische gemeenschap worden aangebracht in de voorwaarden betreffende de toetreding van Cyprus tot de Europese Unie. Dergelijke aanpassingen kunnen ook betrekking hebben op de status van het Turks.
De Commissie heeft besloten EUR 3 miljoen toe te kennen voor de vertaling van relevante delen van het acquis naar het Turks om het proces waarbij het noordelijk deel van Cyprus dichter bij de Unie wordt gebracht, voor te bereiden en te vergemakkelijken. Dit project wordt momenteel ten uitvoer gelegd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/441 |
(2004/C 88 E/0447)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2857/03
van Graham Watson (ELDR) aan de Commissie
(26 september 2003)
Betreft: Seychellen
Is de Commissie op de hoogte van de recente moordpartijen op de Seychellen, waarvan algemeen wordt aangenomen dat ze worden uitgelokt door de regering?
Welke actie heeft de Commissie hieromtrent ondernomen?
Antwoord van de heer Nielson Namens de Commissie
(5 november 2003)
De Commissie is op de hoogte van en bezorgd over de recente toename van geweld op de Seychellen, die in ieder geval ten dele lijkt te worden veroorzaakt door de verslechterende sociaal-economische omstandigheden. Zij is zich ook bewust van de beweringen dat de veiligheidsdienst van regering hierbij betrokken zou zijn, maar heeft geen informatie uit eerste hand die dit bevestigt.
Mocht de Commissie bewijs in handen krijgen dat de regering betrokken is bij de recente misdaden of als andere zaken zouden duiden op een verslechtering van de mensenrechtensituatie, dan zou de Commissie haar betrekkingen met de Seychellen herzien.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/441 |
(2004/C 88 E/0448)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2859/03
van Mario Borghezio (NI) aan de Commissie
(26 september 2003)
Betreft: Europees geld voor de Palestijnse Islamfundamentalisten van Hamas
Zoals bekend financiert de Europese Unie in aanzienlijke mate de Palestijnse Autoriteit. Op de recente top van Riva del Garda heeft de Unie besloten de Hamasbeweging op de zwarte lijst te plaatsen van terreurbewegingen waarvan de financiële middelen moeten worden geblokkeerd. Kan de Commissie mij meedelen welk bedrag aan Europese middelen tot nu toe direct en indirect aan Hamas is betaald?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(17 november 2003)
De Unie heeft geen overeenkomst gesloten met de organisatie Hamas noch directe of indirecte financiële steun aan die organisatie verleend.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/441 |
(2004/C 88 E/0449)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2904/03
van Miet Smet (PPE-DE) aan de Commissie
(1 oktober 2003)
Betreft: CARDS-programma
De EU bevordert respect voor de rechtsregels, goed bestuur, publieke verantwoordelijkheid en vrije meningsuiting in de westelijke Balkan via het regionale programma „Community Assistance for reconstruction, development and stabilisation”. In het kader van dit regionale CARDS-programma publiceerde de Europese Commissie in 2002 een open oproep voor het indienen van voorstellen voor „Support to the rule of law, good governance, public accountability and freedom of opinion” (114716/C/G/multi).
Vanuit het voormalige Joegoeslavië reageerden er minstens drie vrouwencentra (Women's Studies Center in Belgrado, Women's Studies Center in Zagreb en Alternative Academic Network-Belgrade) met elk een projectvoorstel. Ondanks het feit dat de bevordering van de gelijke deelname van mannen en vrouwen aan het democratiseringsproces, één van de prioriteiten van het CARDS Democratic Stabilisation Programme voor 2002 was, verkreeg geen van deze drie centra steun van de EU voor de projectfinanciering.
Zijn er andere organisaties die zich inzetten voor gelijke kansen tussen mannen en vrouwen, die via de open oproep 114716/C/G/multi EU-financiering voor hun project ontvangen? Indien ja, welke organisatie(s)?
Waarom zijn de projectvoorstellen van het Women's Studies Center in Belgrado, het Women's Studies Center in Zagreb en Alternative Academie Network-Belgrade niet in aanmerking genomen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(14 november 2003)
De Commissie ziet er nauwlettend op toe dat genderaangelegenheden worden geïntegreerd in de hoofdstroom van de hulpprogramma's van de Europese Gemeenschap. De keuze uit de projecten die worden ontvangen naar aanleiding van oproepen voor voorstellen in het kader van het programma Communautaire Bijstand voor Wederopbouw, Ontwikkeling en Stabilisatie (CARDS) geschiedt volgens zeer strikte evaluatieprocedures, bedoeld om de beste voorstellen te selecteren die met de beschikbare financiële middelen kunnen worden uitgevoerd.
Wat het door het geachte parlementslid voorgestelde project betreft is het van belang erop te wijzen dat slechts negen voorstellen zijn uitgekozen van de 130 die uit de zes begunstigde staten op de Westelijke Balkan zijn ontvangen. Deze negen werden uitsluitend gekozen op grond van de kwaliteit van de projecten wat betreft factoren zoals beheercapaciteit en duurzaamheid. De drie organisaties die door het geachte parlementslid worden genoemd behaalden jammer genoeg geen evaluatiescore waarmee zij voor financiering in aanmerking konden komen. Het kan voor het geachte parlementslid niettemin van belang zijn te vernemen dat de niet-gouvernementele organisatie (NGO) „Woman Kind World-Wide” een schenking zal krijgen om met behulp van plaatselijke partners het programma „Leiderschap Albanese Vrouwen” te ontwikkelen.
In het algemeen is de gelijkwaardige deelneming van mannen en vrouwen aan het democratiseringsproces in Servië en Montenegro eveneens één van de prioriteiten van het programma „Europees Initiatief voor Democratisering en Mensenrechten”. Met microprojecten in het kader van dit programma voor het jaar 2000, dat in december 2003 zal aflopen, werd steun verleend aan vier plaatselijke vrouwenorganisaties in Servië (het Vrouwencentrum in Novi Sad; de SOS-hotline en het Centrum voor meisjes; de Multi-etnische vrouwengroep Seleus, en het Autonome vrouwencentrum) en aan twee plaatselijke vrouwenorganisaties in Montenegro (de Liga van vrouwelijke kiezers in Montenegro en het Vrouwenforum). De Commissie zal zowel in het kader van het CARDS-programma als van het Europees Initiatief voor Democratisering en Mensenrechten bijzondere aandacht aan genderkwesties blijven besteden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/442 |
(2004/C 88 E/0450)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2956/03
van Bart Staes (Verts/ALE) aan de Commissie
(8 oktober 2003)
Betreft: Verhogen steun Bevolkingsfonds Verenigde Naties (UNFPA)
Ondanks het feit dat het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken het VN-bevolkingsfonds UNFPA vrijsprak van abortus en gedwongen sterilisaties, besliste het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden op dinsdag 23 juli geen Amerikaanse bijdragen meer te verlenen aan dit fonds. Daardoor derft dit fonds in 2004 en 2005 om en nabij de 100 miljoen dollar.
Het fonds staat ontwikkelingslanden bij in de uitbouw van een goede gynaecologische gezondheidszorg en is een belangrijk orgaan tegen de bevolkingsexplosie en andere demografische trends die tot armoede leiden. Het fonds houdt zich in dat kader onder meer bezig met (voorlichting over) anticonceptie. De schrapping van de Amerikaanse bijdrage heeft tot gevolg dat twee miljoen ongewenste zwangerschappen en 800 000 abortussen niet kunnen worden voorkomen. Ramingen geven aan dat duizenden kinderen en moeders in het kraambed zullen sterven bij gebrek aan middelen.
Welk is het oordeel van de Europese Commissie over deze Amerikaanse maatregel en heeft zij haar standpunt ook meegedeeld aan de VS-bewindvoerders?
Is de Europese Commissie bereid om (in de toekomst) extra steun uit te trekken voor het VN-bevolkingsfonds opdat talloze mensenlevens kunnen worden gered?
Zo ja, hoeveel extra steun zal de Commissie voorzien?
Zo neen, waarom niet?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(19 november 2003)
De Commissie is erg teleurgesteld over het besluit van het Huis van Afgevaardigden van de Verenigde Staten om geen bijdragen meer te verlenen aan het VN-bevolkingsfonds. De Commissie staat volledig achter het beleid dat is uiteengezet in het in 1994 op de Internationale Conferentie van Cairo over bevolking en ontwikkeling goedgekeurde Actieprogramma. De Commissie is van oordeel dat dit recente besluit van het Huis van Afgevaardigden van de Verenigde Staten de tenuitvoerlegging van het programma in gevaar brengt.
De Commissie heeft projecten van het Bevolkingsfonds van de VN al ettelijke keren gesteund. Vorig jaar heeft de Commissie een bijdrage verleend van 20 miljoen euro als onderdeel van een pakket van 32 miljoen euro voor een project van het Fonds voor seksuele en reproductieve gezondheid dat werd goedgekeurd na eerdere besnoeiingen in de financiële steun van de Verenigde Staten. Voor de uitbreiding van dit programma werd nog eens 12 miljoen euro gereserveerd. Voorts is de Commissie bereid eventuele voorstellen die het Fonds heeft ingediend in het kader van de oproep tot het indienen van voorstellen van Verordening (EG) nr. 1567/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende steun voor beleid en maatregelen op het gebied van reproductieve en seksuele gezondheid en rechten in ontwikkelingslanden (1) opnieuw te bekijken. In de ontwerp-begroting voor 2004 werd deze begrotingslijn verhoogd tot 17,8 miljoen euro om te kunnen beantwoorden aan de toegenomen behoeften op dit gebied.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/443 |
(2004/C 88 E/0451)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2972/03
van Bill Newton Dunn (ELDR) aan de Commissie
(6 oktober 2003)
Betreft: EU-financiering in Kenia
Waarvoor zijn de aan Kenia, en in het bijzonder aan de Gitaru Sub-locatie, gegeven EU-subsidies gebruikt en hoe wordt het gebruik gecontroleerd? Welke mechanismen worden ingezet voor het houden van toezicht op de verdeling van deze subsidies? Indien dergelijke mechanismen niet bestaan, kan de Commissie uitleggen waarom dit het geval is? Kan de Commissie daarnaast informatie geven over de herkomst van de subsidies voor plaatsen in het voortgezet onderwijs voor kinderen in Kenia en de Gitaru Sub-locatie?
Antwoord van de heer Nielson Namens de Commissie
(24 oktober 2003)
De Gemeenschap en Kenia werken samen op basis van het nationale strategiedocument (NSD), dat een indicatief programma omvat. Het NSD is tot stand gekomen na onderhandelingen met de regering van Kenia en is bedoeld om sectoraal en macro-economisch beleid te steunen. Het 9e nationale strategiedocument van het Europese Ontwikkelingsfonds (EOF) dat op 16 september 2003 door de Commissie is goedgekeurd (EUR 215 miljoen aan programmeerbare hulp voor de periode 2003-2007) richt zich voornamelijk op algemene budgettaire steun, plattelandsontwikkeling en wegvervoer. Onderwijs is geen speciaal aandachtspunt van de samenwerking tussen Kenia en de Gemeenschap. Een kopie van het NSD wordt direct aan het geachte parlementslid en aan het secretariaat van het Parlement toegestuurd.
De door de Commissie gefinancierde acties worden nauwkeurig geëvalueerd om voor een reeks acties vast te stellen wat precies de doelstellingen, begunstigden en te behalen resultaten zijn. Aan de acties zijn ook specifieke toezichtregelingen verbonden, die regelmatige informatie over de activiteiten en de financiën opleveren. Ook kan er toezicht gehouden worden door externe instanties. Bovendien zijn programma's van de Commissie over het algemeen onderworpen aan een tussentijdse evaluatie en een evaluatie na afloop, om lessen te leren en de prestaties te verbeteren.
Wat betreft financiën wordt steeds meer gebruik gemaakt van externe audits om na te gaan of de middelen juist ingezet zijn. De Afdeling Financiën en Contracten van de delegatie in Kenia (gedeconcentreerd sinds april 2002) controleert ook zelf het gebruik van middelen.
Alhoewel onderwijs geen centraal aandachtpunt van de steun van de Commissie in Kenia vormt, ontvangt een aantal scholen steun uit het beheerfonds voor samenlevingsopbouw (CDTF) dat tot doel heeft zelfhulpprogramma's te steunen. Een lijst van middelbare scholen die door het CDTF gesteund worden, wordt direct aan het geachte parlementslid en aan het secretariaat van het Parlement toegestuurd. Het CDTF heeft tot op heden geen steun verleend aan projecten in de Gitaru sub-locatie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/444 |
(2004/C 88 E/0452)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2990/03
van Professor Sir Neil MacCormick (Verts/ALE) aan de Commissie
(6 oktober 2003)
Betreft: Benes-decreten (oktober 2002)
Onder verwijzing naar de achtergronddocumenten en de input van deskundigen zoals uitgewerkt met het oog op het officiële standpunt van de Commissie over de Benes-decreten (oktober 2002), ontvang ik graag antwoord op de onderstaande vragen:
|
1. |
Welke bronnen werden er gebruikt? |
|
2. |
Welke waren de belangrijkste overwegingen? |
|
3. |
Heeft de Commissie overleg gepleegd? |
|
4. |
Zo ja, met wie? |
Antwoord van de heer Verheugen Namens de Commissie
(24 oktober 2003)
Het document genaamd „De Tsjecho-Slowaakse presidentiële decreten in het licht van het acquis communautaire — samenvatting van de bevindingen van de diensten van de Commissie” van 14 oktober 2002 is openbaar gemaakt aan het Parlement en het grote publiek. Een kopie van dit document wordt nu rechtstreeks aan het geachte parlementslid en aan het secretariaat van het Parlement toegestuurd.
|
1. |
Naast de relevante Tsjecho-Slowaakse primaire wetsteksten, waren de belangrijkste bronnen de vonnissen van Tsjechische rechtbanken, in het bijzonder het Constitutionele Hof en het Hooggerechtshof, alsmede tal van andere informatieve stukken die waren ingebracht door Tsjechische ambtenaren. Al deze bronnen worden genoemd in de bijlagen 1 tot 3 van het document van 14 oktober 2002 waarnaar hierboven verwezen wordt. Bovendien heeft de Commissie diverse juridische adviezen, haar eigen juridische dienst alsmede onafhankelijke deskundigen geraadpleegd. |
|
2. |
De belangrijkste overwegingen staan vermeld in het bovengenoemde document van 14 oktober 2002. De te beantwoorden vraag komt er in feite op neer of de decreten in het licht van het acquis communautaire een obstakel vormen voor toetreding van Tsjechië tot de Unie. De conclusie van het onderzoek van de Commissie is dat dit niet het geval is. |
|
3. en 4. |
De Commissie heeft kennis genomen van de juridische argumenten van de verschillende partijen. De conclusies en aanbevelingen over de decreten lopen hierin aanzienlijk uiteen. Bij het opstellen van haar evaluatie heeft de Commissie de adviezen die zich kritisch over de decreten uitlieten zorgvuldig onderzocht, maar zij heeft evenveel aandacht besteed aan grondig feitenonderzoek gebaseerd op de feitelijke juridische situatie en praktijk in Tsjechië. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/445 |
(2004/C 88 E/0453)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2997/03
van Bill Newton Dunn (ELDR) aan de Commissie
(14 oktober 2003)
Betreft: Dubbele belastingheffing in Finland en het Verenigd Koninkrijk
In mijn kiesdistrict in het VK wonen twee ingezetenen met de Finse nationaliteit. De echtgenoot ontvangt zijn pensioen uit Finland, maar het belastingkantoor in Helsinki houdt 17 % van het pensioen in als „gemeentebelasting” alvorens het uit te betalen. Deze inhouding wordt blijkbaar gebruikt om de brandweer, straatverlichting, bibliotheken, gesubsidieerde avondcursussen, etc. in Helsinki te financieren.
Mag men die 17 % op het pensioen van de betrokkene inhouden, aangezien deze personen nu in het VK wonen en geen gebruik kunnen maken van deze diensten in Helsinki?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(12 november 2003)
In het algemeen staat het de lidstaten vrij te besluiten over de verdeling van de belastingrechten onder elkaar. Zoals het Hof van Justitie heeft verklaard in Gilly (Zaak C-336/96, paragraaf 24), zijn de lidstaten bevoegd om de criteria voor belasting op inkomen te bepalen teneinde dubbele belastingheffing via bilaterale belastingverdragen weg te werken.
De toepassing van het bilateraal belastingverdrag tussen Finland en het Verenigd Koninkrijk is in beginsel een aangelegenheid voor de betrokken lidstaten. Dat belastingverdrag verleent Finland het exclusieve recht om belasting te heffen op pensioenen die door Finland op grond van de Finse socialezekerheidswetgeving worden betaald. Het verleent Finland ook het exclusieve recht om belasting te heffen op pensioenen die door de Finse staat worden betaald voor aan Finland verleende diensten, indien het pensioen aan Finse ingezetenen is betaald. Het belastingverdrag vermeldt uitdrukkelijk de Finse „gemeentebelasting”. Particuliere pensioenen die vanuit Finland naar het Verenigd Koninkrijk worden betaald, zijn uitsluitend belastbaar in het Verenigd Koninkrijk. Daarom hangt de juistheid van de toepassing van het belastingverdrag af van de aard van het pensioen van degene die in het kiesdistrict van het geachte parlementslid woont.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/446 |
(2004/C 88 E/0454)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3006/03
van Joachim Wuermeling (PPE-DE) aan de Commissie
(14 oktober 2003)
Betreft: Belastingvrijstellingen in de Tsjechische Republiek
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat de Tsjechische Republiek vrijstelling van vennootschapsbelasting voor de eerste investeringen in een productiesector gedurende tien jaar verleent alsook een vermindering van de grondslag voor de inkomstenbelasting van 10-15 % voor de aanschaf van nieuwe machines? |
|
2. |
Zijn deze belastingfaciliteiten verenigbaar met de steunregeling van de associatieovereenkomst resp. in de toekomst met de bepalingen van het EG-Verdrag inzake steunverlening? |
|
3. |
Zo neen, streeft de Commissie naar wijziging van de betreffende belastingregels? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(5 december 2003)
|
1. |
Ja, de Commissie is op de hoogte van de door het geachte parlementslid in zijn vraag genoemde regelingen. |
|
2. |
Door middel van een protocol bij de in juli 1998 aangenomen Europaovereenkomst heeft de Tsjechische Republiek zich verplicht tot harmonisering van haar wetgeving met de communautaire voorschriften op het gebied van overheidssteun. Deze verbintenis is in Tsjechische wetgeving vertaald door de wet overheidssteun die op 1 mei 2000 van kracht is geworden. Deze wet maakte van het bureau voor de bescherming van economische mededinging de Tsjechische instantie voor de monitoring van overheidssteun. Daarom berust in de pretoetredingsperiode, ofschoon de inhoud van de toepasselijke voorschriften op het gebied van overheidssteun in de Tsjechische Republiek wordt geharmoniseerd met de communautaire voorschriften op het gebied van overheidssteun, de handhaving van deze voorschriften bij het bureau voor de bescherming van economische mededinging. De investeringsregeling vereist dat van elke afzonderlijke, in het kader van de regeling toegekende steun melding wordt gedaan bij het bureau voor de bescherming van economische mededinging. Dit bureau heeft beoordeeld of de afzonderlijke belastingvrijstellingen verenigbaar zijn met het acquis, in het bijzonder met de communautaire richtsnoeren betreffende nationale steun ten behoeve van de regio's. In het kader van de Europaovereenkomst is de Commissie betrokken bij een continuproces van contacten met het bureau voor de bescherming van economische mededinging en andere Tsjechische instanties, teneinde te waarborgen dat belastingverlagingen en andere investeringsregelingen verenigbaar zijn met de communautaire voorschriften op het gebied van overheidssteun. Deze contacten hebben ertoe geleid dat de Tsjechische instanties wijzigingen hebben vastgesteld in de wetgeving op het gebied van investeringsaftrek, teneinde de regelingen nader af te stemmen op de praktijk in de EU. Na toetreding dient elke nieuwe steun of elke wijziging in bestaande steun in overeenstemming met artikel 88, lid 3 van het EG-Verdrag aan de Commissie te worden gemeld. |
|
3. |
De Commissie waarborgt, mogelijk krachtens de in het toetredingsverdrag opgenomen „interim-procedure”, anders krachtens de normale, na toetreding toepasselijke regels, dat de belastingvrijstellingsregeling het acquis volledig zal respecteren. Te dien einde is er voortdurend contact geweest met de Tsjechische instanties, om te waarborgen dat de wetgeving op het gebied van investeringsaftrek geheel en al verenigbaar is met de communautaire voorschriften op het gebied van overheidssteun. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/446 |
(2004/C 88 E/0455)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3020/03
van Anna Karamanou (PSE) aan de Commissie
(8 oktober 2003)
Betreft: Mensenrechten in Roemenië — kinderhuwelijken van zigeuners
Het drama van de twaalfjarige Ana Maria Cioaba, de jonge zigeunerprinses van de Roemeense Roma's, die ondanks haar wanhopige weigering tot een huwelijk werd gedwongen, heeft het licht geworpen op de ernstige schendingen van fundamentele mensenrechten in een land dat kandidaat is voor toetreding tot de EU in 2007.
De gehechtheid van de zigeuners aan hun tradities vormt in gevallen zoals dit een ernstige schending van mensenrechten van de jonge zigeuners. Er wordt hun niet gevraagd of en met wie ze willen huwen maar ze worden met geweld gedwongen de keuze van hun mannelijke familieleden te volgen. Dit alles wordt getolereerd, ja zelfs bewust verzwegen door de regering, die verkiest de nationale wetten en het nationaal recht, met name voor de Roma, niet toe te passen. De wettige huwelijksgerechtigde leeftijd is in Roemenië 18 jaar, en onder bepaalde voorwaarden wordt het huwelijk op 16 jaar toegestaan. Maar met name voor de Roma knijpen de autoriteiten een oogje dicht, zodat de hoger genoemde praktijk van gedwongen huwelijken blijft bestaan.
Overwegende dat Roemenië kandidaat is voor toetreding tot de EU en op het gebied van de bescherming van de mensenrechten serieus vooruitgang moet boeken, welke maatregelen zal de Commissie nemen en welke stappen zal zij ondernemen bij de Roemeense regering zodat de mensenrechten van de zigeunerkinderen beschermd worden?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(24 oktober 2003)
De Commissie is op de hoogte van het traditionele huwelijk van twee minderjarige Roma's dat onlangs in Roemenië plaatsvond. Dit huwelijk heeft geen wettelijke geldigheid, omdat de twee minderjarigen onder de Roemeense wet niet de vereiste leeftijd hebben om te trouwen.
De Commissie kan de geachte afgevaardigde mededelen dat de afdeling kinderbescherming van de provincie waar het huwelijk plaatsvond een overeenkomst met de ouders heeft gesloten. Als gevolg daarvan zijn beide kinderen teruggekeerd naar hun ouderlijk huis, zij zullen naar school blijven gaan en regelmatig begeleidingsbijeenkomsten van de kinderbescherming bijwonen totdat zij de wettelijke leeftijd om te huwen hebben bereikt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/447 |
(2004/C 88 E/0456)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3023/03
van Anders Wijkman (PPE-DE) aan de Commissie
(8 oktober 2003)
Betreft: Strijd tegen hersenvliesontsteking in Afrika
In Afrika doen er zich regelmatig epidemieën van hersenvliesontsteking voor, die duizenden mensen het leven kosten of een blijvende handicap bezorgen. Door het opduiken van een nieuwe bacteriestam — W135 — is het vaccin dat traditioneel in gebruik is, grotendeels onwerkzaam geworden, of zelfs waardeloos. Een partnerschap van privé en overheidsinstanties onder leiding van de Wereldgezondheidsorganisatie is er in een recordtijd in geslaagd om een vaccin tegen de nieuwe stam te ontwikkelen. Om doeltreffend weerwerk te kunnen bieden in het (te verwachten) geval dat de ziekte in het komend voorjaar in bepaalde delen van Afrika uitbreekt, is er een voorraad van meerdere miljoenen dosissen van het nieuw vaccin nodig. De kosten van een doeltreffend voorbereidingsprogramma worden op 8,5 miljoen euro geraamd. Het grootste deel van dat bedrag moet onmiddellijk uitgegeven worden zonder te wachten dat er een epidemie uitbreekt.
Welke functie vervult de Europese Unie in de werkzaamheden om te voorkomen dat er in de naaste toekomst een ernstige epidemie van hersenvliesontsteking uitbreekt in de landen van het risicogebied?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(18 november 2003)
De Europese Commissie beseft de zorgwekkende toestand bij epidemieën van hersenvliesontsteking (meningitis) in Afrika, vooral gelet op het opduiken van de nieuwe stam W-135.
De Europese Gemeenschap verleent in West-Afrika, het meest getroffen gebied, steun aan het regionaal programma „tot versterking van vaccinatie-onafhankelijkheid in Afrika (Support for the strengthening of vaccine independence in Africa-Programme d'Appui au réinforcement de ľlndépendence Vaccinale en Afrique”. Dit programma biedt versterking van de coördinatie tussen de landen in de regio voor het beheer en de mobilisering van de voorraden entstoffen, in samenwerking met de WHO. Het programma heeft zichzelf, in samenwerking met ECHO, reeds als zeer doeltreffend bewezen in de recente epidemieën van gele koorts in de regio, en zal daarenboven gelijksoortige acties bij epidemieën van hersenvliesontsteking steun kunnen bieden.
Door de Europese Commissie wordt thans krachtens de regionale strategie voor West-Afrika een programma voor de gezondheidszorg (van EUR 15 miljoen) vastgesteld. De Europese Commissie onderzoekt thans de mogelijkheden van klaar staan (onder meer met voorraden entstof), vroege opsporing en snelle reactie bij de belangrijkste epidemieën (waaronder hersenvliesontsteking) in de regio. Een nog efficiëntere preventie zou zijn om drievoudige entstof tot endemische landen uit te breiden via strategieën zoals door de Wereldalliantie voor vaccins en immunisering (GAVI) en andere in de regio worden ondersteund, ofschoon er nog steeds technische problemen bestaan bij de immunogeniciteit van deze entstof voor kinderen, vanwaar de opneming ervan in het verruimde programma voor immunisering. De Europese Gemeenschap verleent eveneens steun aan onderzoek naar effectiever en passender vaccins tegen hersenvliesontsteking.
Bovendien heeft de Europese Commissie een duidelijke strategie van voorbereiding op en voorkoming van natuurrampen. Er bestaat behoefte aan om de steun hiervoor uit onze periodieke programmering (A- dan wel B-enveloppen) te vermeerderen, afhankelijk van hoe onze partnerlanden de prioriteiten zien.
In het afgelopen jaar heeft de Europese Gemeenschap in reactie op het uitbreken van hersenvliesontsteking in Afrika via ECHO voor in totaal EUR 920 000 aan maatregelen bekostigd. Het grootste deel van deze bijdragen was voor de aanschaf van ongeveer 600 000 doses vaccins voor meningitis, waarbij het merendeel van het drievoudig ACW de klassieke serotypen A en C maar ook de nieuwe, resistente stam W-135, omvatte. Momenteel ontwerpt ECHO een éénjaarsprogramma om sneller in te spelen op epidemieën in het betrokken gebied. Tevens levert de Commissie een bijdrage voor de primaire preventie-en zorgdiensten die de grondslag moeten leggen voor capaciteiten op de lange termijn voor vroegtijdige waarschuwing, opsporing en reactie op epidemieën in de regio.
In het bestek van de humanitaire interventies door het Bureau voor Humanitaire Hulp (ECHO) geldt als algemeen beginsel dat er bij de prognose van potentiële humanitaire noden niet al van tevoren voorraden mogen worden gefinancierd. Het beleid van ECHO is om vastgestelde behoeften in een bestaande humanitaire crisis aan te pakken waarbij de hulpmiddelen via de uitvoeringspartners van ECHO bij het uitbreken van noodtoestanden snel worden ingezet na het voorleggen van operationele voorstellen door humanitaire organisaties. Door partners gemaakte kosten die binnen de operationele periode vallen worden door ECHO bekostigd, terwijl ook de kosten van vóór de ondertekening van de schenking aangekochte en opgeslagen producten met distributie achteraf in aanmerking kunnen worden genomen, mits deze voorraden binnen de contractperiode en in het kader van de gefinancierde operatie worden ingezet.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/448 |
(2004/C 88 E/0457)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3057/03
van Bartho Pronk (PPE-DE) aan de Commissie
(14 oktober 2003)
Betreft: Mensenrechtensituatie in Guatemala, in het bijzonder de situatie van de heer Rigoberto Dueñas Morales
|
1. |
Is de Europese Commissie op de hoogte van de verdwijning van de heer Rigoberto Dueñas Morales, adjunct-secretaris-generaal van de Unión Autónoma de Campesinos en adjunct-secretaris-generaal van de Central General de Trabajadores de Guatemala? |
|
2. |
Is de Commissie bekend met het feit dat zijn verdwijning vermoedelijk te maken heeft met het aan de orde stellen van met de regering verbonden corrupte praktijken in de sociale zekerheid in Guatemala, waar de regering medeverantwoordelijkheid voor draagt? |
|
3. |
Is de Commissie bereid zijn verontrusting uit te spreken over de verdwijning en de benodigde druk uit te oefenen om te bevorderen dat klaarheid komt over het lot van de heer Dueñas Morales? |
|
4. |
Wat is, mede in het licht van deze verdwijning, de mening van de Commissie over de mensenrechtensituatie in Guatemala? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(5 november 2003)
De Commissie is op de hoogte van de zaak van de heer Rigoberto Duenãs Morales in Guatemala en probeert meer gedetailleerde informatie te verkrijgen. De Commissie wisselt tevens inzichten uit met de lidstaten alvorens te besluiten welke maatregelen zouden kunnen worden genomen. Ook is contact opgenomen met de heer José Pinzón, secretaris-generaal van de Central General de Trabajadores de Guatemala.
De Commissie is bezorgd over de algemene verslechtering van de mensenrechtensituatie en de straffeloosheid in Guatemala, waarover onlangs verslag is uitgebracht door lokale en internationale mensenrechtenorganisaties, waaronder de VN-verificatiemissie in Guatemala (Minugua) en de inter-Amerikaanse mensenrechtencommissie van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS). Zoals reeds verklaard door het Voorzitterschap van de Unie en de Europese Raad van 18 oktober 2003, is de Commissie met name bezorgd over de oplopende spanningen en voortdurende schendingen van de mensenrechten in de periode voorafgaand aan de verkiezingen.
In dit kader hebben de Commissie en de lidstaten vertegenwoordigers van het gerechtelijk apparaat, waaronder de voorzitter van het Hooggerechtshof, gevraagd zich meer in te zetten om schendingen van de mensenrechten te onderzoeken en straffeloosheid te bestrijden. Wat betreft de aanstaande verkiezingen is er sinds eind september 2003 een team van waarnemers van de Unie aanwezig in het hele land om het gehele verkiezingsproces tot begin januari 2004 te volgen. Zij doen niet alleen gedetailleerd verslag van en brengen advies uit over de verkiezingen, ook proberen zij het vertrouwen van de Guatemalteekse bevolking in het verkiezingsproces te bevorderen en de spanningen en het geweld in het land te beperken.
Er wordt op gewezen dat de Commissie aanwezig is in Guatemala door haar samenwerkingsprogramma's, waaronder het Europees initiatief voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR), waarmee gepoogd wordt de lokale groeperingen en autoriteiten te stimuleren vooruitgang te boeken op het gebied van mensenrechten en het gerechtelijk apparaat.
Tenslotte is het een van de belangrijkste doelstellingen van de Commissie, naar aanleiding van de Raadgevende groepsvergadering in Guatemala Stad in mei 2003, de Guatemalteekse autoriteiten en maatschappij te stimuleren om de vredesakkoorden van 1996 versneld in te voeren, de mensenrechten te stimuleren en straffeloosheid te bestrijden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/449 |
(2004/C 88 E/0458)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3080/03
van David Bowe (PSE) aan de Commissie
(20 oktober 2003)
Betreft: Watervoorziening in Palestina
Volgens de norm van de Wereldgezondheidsorganisatie consumeert een mens ten minste 100 liter huishoudwater per dag. Uit de cijfers blijkt dat Palestijnen per dag slechts 57 tot 76 liter huishoudwater aangeleverd krijgen, terwijl het verbruik in Israël ongeveer het viervoudige bedraagt.
Neemt de EU maatregelen ter bevordering van een eerlijker verdeling van dit basisproduct? Zo niet, waarom niet?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/450 |
(2004/C 88 E/0459)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3081/03
van David Bowe (PSE) aan de Commissie
(20 oktober 2003)
Betreft: Rioleringsstelsels in Palestina
Slechts 37,5 % van de Palestijnse huishoudens is aangesloten op een riolering en hierdoor wordt het milieu in ernstige mate bedreigd.
Zijn de gevolgen hiervan voor de gezondheid van de Palestijnen de Commissie bekend? Welke maatregelen neemt zij ter zake?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/450 |
(2004/C 88 E/0460)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3082/03
van David Bowe (PSE) aan de Commissie
(20 oktober 2003)
Betreft: Beweerde stort van giftig afval in Palestina door Israël
Is het de Commissie bekend dat Israël ervan wordt beschuldigd giftig afval te storten op het grondgebied van Palestijnse nederzettingen, en aldus de tweede overeenkomst van Oslo tussen Palestijnen en Israël schendt? Is zij bereid maatregelen tegen Israël te nemen om te voorkomen dat deze overeenkomst in de toekomst opnieuw wordt geschonden? Zo niet, waarom niet?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Patten namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-3080/03, E-3081/03 en E-3082/03
(21 november 2003)
De Commissie neemt, samen met de lidstaten, bijna de helft van alle financiële hulp voor de Palestijnen voor haar rekening en is de belangrijkste donor. Het doel van die hulp is de instellingen van een toekomstige Palestijnse staat te versterken en tegelijkertijd tegemoet te komen aan de meest urgente behoeften van de Palestijnse bevolking.
In nauwe samenwerking met andere internationale donors pakt de Commissie via een aantal lokale projecten het algemene probleem aan van de basisdiensten inzake gezondheidszorg, onderwijs, hulp en sociale diensten alsook het meer specifieke probleem van de onvoldoende watervoorziening en -behandeling, alsook de afvalverwerking. Met een bijdrage van ongeveer EUR 60 miljoen per jaar aan de gewone begroting van de organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in de landen van het Nabije Oosten (UNRWA) bijvoorbeeld, steunt de Commissie het werk van de UNRWA op het gebied van de gemeentelijke en regionale voorzieningen waarbij diensten aan de vluchtelingenbevolking worden verleend op het gebied van watervoorziening, riolering en afval.
Door haar noodhulpprogramma (EUR 30 miljoen) voor de Palestijnse gemeenten, dat op dit moment wordt uitgevoerd, draagt de Commissie bij aan het herstel van de elementaire hulpverlening in de gemeenten op de westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook. De projecten die in het kader van dit programma worden uitgevoerd zijn bijvoorbeeld de vervanging van waterleidingen in Bethlehem, en herstelwerkzaamheden aan wegen alsmede de bouw van een nieuw rioleringssysteem in Gaza.
Bovendien is de Commissie van mening dat water een belangrijk element is in het vredesproces van het Midden-Oosten. Zij heeft het werk van de speciale vertegenwoordiger van de EU inzake waterbeheer financieel en politiek gesteund en neemt wat dit aangaat actief deel aan een subwerkgroep van de Raad. Zij heeft verder een regionaal project gelanceerd, waarbij Israëlische, Jordaanse en Palestijnse regeringsinstellingen en -autoriteiten op het gebied van het waterbeheer betrokken zijn, teneinde een real time observatiesysteem van de watervoorraden te ontwikkelen met het doel de capaciteit te verbeteren om kritieke veranderingen in stroomgebieden en rivierbekkens te voorkomen en beheersen, het Regional Water Data Banks Project (RWDB).
De Commissie is op de hoogte van rapporten waarin wordt beweerd dat Israël hoeveelheden onbehandelde, gevaarlijke afvalstoffen op de westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook heeft geloosd. Ook zijn wij ons bewust van de gebrekkige infrastructuur in de Palestijnse gebieden om gevaarlijke afvalstoffen te verwerken en om gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen te scheiden. De Commissie heeft contact opgenomen met het milieuprogramma van de Verenigde Naties naar aanleiding van hun theoretische studie (januari 2003) over het milieu in de bezette Palestijnse gebieden. In deze studie werd de kwestie van de vermeende lozing van afvalstoffen aangesneden, maar er werden geen conclusies getrokken. Wel werd aanbevolen om een onderzoek ter plaatse in te stellen om bewijzen op dit punt te verzamelen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/451 |
(2004/C 88 E/0461)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3110/03
van María Sornosa Martínez (PSE) aan de Commissie
(17 oktober 2003)
Betreft: Stopzetting van de communautaire steun aan het Johannes XXIII-project in Alicante (Spanje)
Het Ministerie van Financiën heeft het stadsbestuur van Alicante onlangs in kennis gesteld van het formele besluit van de Europese Commissie om de steun uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling voor de renovatie van de Johannes XXIII-wijk in Alicante stop te zetten.
Kan de Commissie meedelen om welke redenen zij de communautaire steun aan dit project heeft geschrapt?
Antwoord van de heer M. Barnier namens de Commissie
(11 november 2003)
De Commissie kan laten weten dat het project „Renovatie van de Johannes de XXIIIe-wijk te Alicante” waar het geachte parlementslid naar verwijst, geen onderwerp is geweest van een voorstel voor medefinanciering bij de Commissie in het kader van de Structuurfondsen.
De Commissie heeft zich gericht tot de instanties van het Ministerie van Financiën die verantwoordelijk zijn voor het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in Spanje. Deze bevestigen dat het betrokken project om redenen die verband houden met de nakoming van de communautaire regelgeving op het gebied van aanbestedingen, is uitgesloten van een mogelijke medefinanciering door de Gemeenschap in het kader van het plaatselijke operationele programma (2000-2006).
De Commissie herinnert het geachte parlementslid eraan dat overeenkomstig het beginsel van subsidiariteit zowel de keuze van de uit hoofde van de Structuurfondsen binnen elk programma medegefinancierde individuele projecten alsook de tenuitvoerlegging daarvan uitsluitend onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten valt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/451 |
(2004/C 88 E/0462)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3132/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(17 oktober 2003)
Betreft: Cuba — Sacharov-initiatief
Op 4 september 2003 heeft het Europees Parlement in zijn plenaire zitting met overgrote meerderheid een resolutie over Cuba goedgekeurd. Paragraaf 12 van deze resolutie luidt als volgt:
|
|
12. wenst dat Oswaldo Payá, winnaar van de Sacharov-prijs in 2002, officieel wordt uitgenodigd om onverwijld naar Europa te reizen om daar persoonlijk het voorzitterschap van de EU, de Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheids Beleid, de voorzitter en de bevoegde leden van de Commissie, alsmede de Voorzitter van het Europees Parlement te ontmoeten; steunt het door zijn Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid genomen besluit om de heer Oswaldo Payá Sardiñas uit te nodigen, en verzoekt de Cubaanse autoriteiten zijn komst niet te verhinderen; |
Aanleiding voor dit deel van de resolutie vormt hetgeen ik het „Sacharov-initiatief” heb genoemd, een initiatief dat ik binnen het Europees Parlement promoot. Reeds 205 EP-leden hebben dit initiatief ondertekend en in mijn brieven van 28 mei, 3 juli en 24 september 2003 aan met name de voorzitter van de Commissie heb ik aandacht aan dit initiatief besteed.
Inmiddels is bekendgemaakt dat Oswaldo Payá Sardiñas het Cubaanse parlement 14 000 handtekeningen heeft angeboden in het kader van het „Varela-project”. Dit feit verdient bijzondere aandacht aangezien de Cubaanse democraten momenteel onder zeer extreme omstandigheden moeten werken.
Kan de Commissie in het licht van het voorafgaande mededelen of zij reeds stappen heeft ondernomen om het „Sacharov-initiatief”, dat onder paragraaf 12 van de op 4 september 2003 goedgekeurde compromisresolutie over Cuba is opgenomen, ten uitvoer te leggen; zo ja, welke stappen.
Is zij met het oog op de meer dan 14 000 handtekeningen die Oswaldo Payá Sardiñas het Cubaanse parlement in het kader van het Varela-project heeft aangeboden en waaraan in de media veel aandacht is geschonken, niet van mening dat dit het moment bij uitstek is om aan het nadrukkelijke verzoek van het Parlement gevolg te geven?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(5 februari 2004)
De Commissie heeft nota genomen van de resolutie van het Parlement over Cuba, die op 4 september 2003 is aangenomen, en met name van lid 12 betreffende Oswaldo Payá. De Commissie is zich terdege bewust van de situatie met betrekking tot de heer Payá en betreurt dat de Cubaanse autoriteiten hem niet naar Brussel hebben laten komen om de vergadering van de Commissie Buitenlandse Zaken, Mensenrechten, Veiligheids- en Defensiebeleid op 1 december 2003 bij te wonen.
Op 5 juni 2003 heeft de Unie een besluit genomen inzake een reeks maatregelen die een antwoord moeten vormen op de maatregelen van de Cubaanse autoriteiten tegen oppositieleden en onafhankelijke journalisten. Vervolgens hebben de gebeurtenissen op Cuba er de Raad ook toe aangezet zijn gemeenschappelijk standpunt over Cuba (1) op 21 juli 2003 (2) te herzien, bijna zes maanden vóór de geplande datum.
De Commissie en de lidstaten blijven de situatie op Cuba nauwlettend volgen, met name wat oppositieleden als de heer Payá betreft. Zij wenst hun alle steun te geven die in de huidige situatie mogelijk is. Dit veronderstelt natuurlijk dat ten volle rekening wordt gehouden met de moeilijke omstandigheden waarin zij leven.
De Commissie staat ten volle achter de democratiseringsinspanningen op Cuba en de voorzitter en de betrokken leden van de Commissie zouden het zeker op prijs stellen de heer Payá te mogen ontmoeten wanneer hij naar Brussel komt.
(1) Gemeenschappelijk Standpunt 96/697/GBVB over Cuba, bepaald door de Raad op grond van artikel J.2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, PB L 322 van 12.12.1996.
(2) http://europa.eu.int/abc/doc/off/bull/en/200307/pl06154.htm
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/452 |
(2004/C 88 E/0463)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3147/03
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(23 oktober 2003)
Betreft: De recente toename van geweld in het Midden-Oosten
Tijdens een recent bezoek dat ik met andere parlementsleden aan Palestina heb afgelegd, kon ik vaststellen dat de Israëlische regering ondanks alle kritiek en uitingen van protest doorgaat met:
|
— |
de bouw van nederzettingen op de westelijke Jordaanoever, militaire bezetting, vernietiging van infrastructuurvoorzieningen (waarvan diverse met financiële steun van de EU zij aangelegd), de landbouw, woningen en andere voorzieningen; |
|
— |
selectief geplande moorden, permanente schending van de meest elementaire rechten van het Palestijnse volk, uitoefening van een authentiek staatsterrorisme; |
|
— |
de bouw van een onaanvaardbare muur waarover de speciale rapporteur van de VN voor de rechten van de mens in de bezette Palestijnse gebieden heeft verklaard dat „het de hoogste tijd is deze muur te veroordelen als een onrechtmatige daad van annexatie, zoals ook de annexatie door Israël van Oost-Jeruzalem en de Golanhoogte is veroordeeld”. |
Intussen neemt ook de militaire agressie van Israël toe hetgeen blijkt uit de aanval op Syrië, de eerste aanval sinds 1974.
Met het oog op deze situatie is de term „bezorgdheid” niet toereikend en is het nog minder aanvaardbaar om, gevolg gevend aan het standpunt van de VS, Israël en Palestina voor even verantwoordelijk te houden, omdat daarmee geen onderscheid wordt gemaakt tussen de agressor en de aangevallene, of cynisch te eisen dat de Palestijnse autoriteiten terroristische acties moeten onderdrukken, terwijl Israël alle middelen hiertoe vernietigt.
Kan de Commissie, ook al met het oog op de diverse verzoeken van de Palestijnse autoriteiten, meedelen:
|
— |
welke initiatieven zij voornemens is te ontplooien om de successievelijke resoluties van de VN met betrekking tot het Midden-Oosten toe te passen? |
|
— |
of zij niet van mening is dat de Euromediterrane associatieovereenkomst tussen de EU en Israël reeds lang geleden had moeten worden opgeheven, zoals het EP in zijn resolutie van 10 april 2002 over het Midden-Oosten heeft verzocht? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(4 december 2003)
De Europese Unie erkent het onherroepelijke recht van Israël om binnen internationaal erkende grenzen in vrede en veiligheid te leven. Zij blijft er bij de Palestijnse Autoriteit, als het wettige bestuurlijke orgaan in de Palestijnse gebieden, op aandringen al het mogelijke te doen om terroristische acties te voorkomen, om daders voor het gerecht te brengen en om alle terroristische netwerken te ontmantelen. Tegelijkertijd pleit de Europese Unie voor de totstandbrenging van een democratische en levensvatbare soevereine Palestijnse staat. Regeringshoofden van de Europese Unie hebben ingestemd met de „Road Map” en hebben, in overeenstemming met de voorstellen die in de Road Map worden gedaan en met relevante resoluties van de Verenigde Naties over deze materie, er bij Israël herhaaldelijk op aangedrongen haar leger terug te trekken en een einde te maken aan de bezetting; het wederrechtelijk doden van mensen te stoppen; de route van de veiligheidsbarrière te wijzigen; afsluitingen en andere aan het Palestijnse volk opgelegde beperkingen op te heffen; en om voorposten van nederzettingen te ontmantelen en elke expansie van nederzettingen te bevriezen.
Naar aanleiding van de vraag om de associatieovereenkomst met Israël op te heffen onderkent de Commissie de frustratie van degenen die vinden dat het in de afgelopen drie jaar van kwaad tot erger is geworden. Per saldo is de Commissie echter van mening, en deze mening weerspiegelt de visie van de ministers van buitenlandse zaken van de Europese Unie die bijeenkomen in de raad voor externe betrekkingen, dat het opheffen van de overeenkomst de Israëlische instanties in dit stadium minder in plaats van meer ontvankelijk zou maken voor de inspanningen van de internationale gemeenschap om te komen tot een langdurig akkoord.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/453 |
(2004/C 88 E/0464)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3179/03
van Glyn Ford (PSE) aan de Commissie
(20 oktober 2003)
Betreft: Impasse in Cambodja
Heeft de Commissie zich tot de Cambodjaanse autoriteiten gericht om mee te helpen de huidige constitutionele impasse te doorbreken, met name in verband met de woelige en gewelddadige geschiedenis van het land?
Antwoord van de heer Patten Namens de Commissie
(12 november 2003)
De Commissie en de lidstaten die in Phnom Penh vertegenwoordigd zijn, volgen de recente politieke ontwikkelingen op de voet. Vertegenwoordigers van de Commissie hebben diverse malen alle politieke partijen aangemoedigd hun uiterste best te doen om op vreedzame wijze overeenstemming te bereiken over de vorming van een nieuwe regering die de wensen van het electoraat weerspiegelt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/454 |
(2004/C 88 E/0465)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3181/03
van Antonio Tajani (PPE-DE) aan de Commissie
(27 oktober 2003)
Betreft: Waarnemers van de EU voor het referendum over Chavez
In Venezuela wordt de politieke, economische institutionele crisis met de dag erger. Sedert de verkiezing in 1998 van Chavez tot President van de Republiek is door een reeks gebeurtenissen een diepe kloof ontstaan tussen de Venezuelanen onderling.
Het heftige populisme van Chavez die zweert bij een spookachtige „bolivariaanse” revolutie, heeft de burgers telkenmale naar de stembus gebracht en het enige resultaat waren botsingen op straat, maandenlange stakingen, doden en gewonden. De toestand is niet tot rust gekomen ondanks de bemiddeling van de voormalige Amerikaanse President Carter en de voorzitter van de Organisatie van de Amerikaanse staten Gaviria. Chavez heeft nauwe banden aangeknoopt met Castro wiens politieke en maatschappelijke modellen hij zegt te willen overnemen in Venezuela. Ook is hij in het verleden op bezoek geweest bij de dictator Saddam Hussein. Zeer omstreden zijn zijn betrekkingen met de FARC, de bloeddorstige narco-communistische guerrillero's in Colombia. Op de laatste vergaderingen van de socialistische Internationale is een krachtige veroordeling uitgesproken van het beleid en de methodes van President Ugo Chavez. In dit kader is een brede oppositie tot stand gekomen van vakbondsleiders, ondernemers, traditionele politieke partijen en media. Al deze krachten worden ondersteund door de rooms-katholieke kerk en hebben zich gebundeld in de Coordinatora Democratica. Deze organisatie heeft na een mislukte poging in augustus de nationale kiesraad gevraagd om de formaliteiten op gang te brengen voor het verzamelen van handtekeningen voor een over drie maanden te houden referendum. De Venezuelaanse grondwet voorziet in de mogelijkheid om op verzoek van 20 % van de kiezers een terugroepingsreferendum te houden wanneer de ambtsperiode van de President over de helft is.
Welk initiatief denkt de Commissie te nemen om de democratische rechten van de Venezuelanen te beschermen? Wat denkt de Commissie te doen om de grote Italiaanse, Spaanse en Portugese gemeenschappen gerust te stellen en te beschermen?
Denkt voorzitter Prodi zich direct te wenden tot Chavez met het verzoek om vertegenwoordigers van de Commissie toe te laten zodat zij kunnen controleren of het geld voor ontwikkelingssamenwerking van de EU goed besteed wordt?
Denkt de Commissie aan het sturen van waarnemers van de EU die moeten controleren of het verzamelen van handtekeningen voor het referendum regelmatig verloopt en of het referendum zelf volgens de regels van de democratie wordt gehouden?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(11 december 2003)
De Commissie volgt de politieke situatie in Venezuela op de voet. De EU heeft in de tripartiete werkgroep, samen met het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (UNDP) en het Carter Centre, volledige steun gegeven aan de pogingen van de OAS (Organisatie van Amerikaanse Staten) en de Groep van Vrienden om een nationale dialoog te bewerkstelligen. De EU heeft in verscheidene verklaringen benadrukt dat een vreedzame, democratische, constitutionele en electorale oplossing moet worden gevonden. Bovendien heeft de Commissie financiële en technische bijstand aangeboden bij de tenuitvoerlegging van het akkoord tussen de regering en de oppositie van 29 mei 2003. Daartoe heeft de Commissie een project ondertekend waarmee de OAS kan worden geholpen bij de tenuitvoerlegging van het akkoord. Met dit project wordt ook bijgedragen aan een electorale oplossing, het onderzoek naar de gebeurtenissen van april 2002 en de ontwapening van de burgerbevolking. Daarvoor is op de begroting 600 000 EUR uitgetrokken. De Commissie probeert in samenwerking met de OAS de tijdige tenuitvoerlegging van dit project te verzekeren.
Afgezien daarvan volgt de Commissie nauwgezet de ontwikkelingen in verband met een mogelijke volksraadpleging/verkiezing en is bereid te overwegen of hieraan steun moet worden verleend. Dit zou ook verkiezingswaarneming kunnen betekenen, mits de Venezolaanse autoriteiten een uitnodiging in die richting doen. Het besluit over het al dan niet sturen van een EU-verkiezingswaarnemingsmissie is afhankelijk van de aanbevelingen die de preliminaire verkenningsmissie zal doen ten aanzien van de vraag of de omstandigheden ter plekke bevorderlijk zijn voor een dergelijke missie en ten aanzien van de behoeften en de mogelijkheden qua tijd en financiële middelen. Een terugroepingsreferendum of een nieuwe verkiezing kan alleen worden gehouden als overeenkomstig de Venezolaanse grondwet voldoende handtekeningen zijn ingezameld. Wat de inzameling van handtekeningen voor het aanvragen van een referendum tot terugroeping van president Chávez betreft, heeft de CNE (de Nationale Verkiezingsraad) een uitnodiging gericht tot de OAS, de UNDP en het Carter Centre om als waarnemers te fungeren. Er is evenwel geen uitnodiging gericht tot de EU.
Er zijn geen specifieke acties ondernomen op EU-niveau om EU-burgers in Venezuela te beschermen. Normaliter zorgen de lidstaten waar deze burgers vandaan komen voor hun bescherming en ondersteuning.
Wat de bilaterale ontwikkelingssamenwerking betreft houdt de delegatie van de Commissie in Caracas toezicht op de uitvoering van de projecten. Commissievertegenwoordigers uit Brussel bezoeken het land regelmatig en ondervinden geen enkele moeilijkheid bij de toegang tot de Commissieprojecten. Zij noch de Commissiedelegatie in Caracas hebben aanwijzingen ontvangen over eventueel oneigenlijk gebruik van samenwerkingsfondsen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/455 |
(2004/C 88 E/0466)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3190/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(28 oktober 2003)
Betreft: De bevordering van de piloot die het ongeluk bij de Cermis heeft veroorzaakt
Op 3 februari 1998 is een zweefvliegtuig van de Amerikaanse mariniers van de basis Aviano tijdens de operatie Deliberate Guard neergestort bij een laag vliegende proefvlucht. Kort daarna heeft het zweefvliegtuig de kabels geraakt van de kabelbaan die van Cavalese (provincie Trente) naar de Cermis-berg voert. Het zweefvliegtuig was volgens schatting op een hoogte van tussen de 300 en 400 voet, terwijl de passagierscabine die naar beneden ging, zich ongeveer 300 meter van het eindstation bevond.
Door de botsing zijn de kabels ogenblikkelijk gebroken en is de cabine neergestort. Alle 20 inzittenden zijn omgekomen.
Het proces om vast te stellen wie schuld droeg, is gevoerd door een militaire rechtband van de Verenigde Staten. Deze heeft besloten om de uiteindelijke verantwoordelijkheid niet te leggen bij de superieuren van de vier militairen die de bemanning vormden. Op 4 maart 1999 hebben de acht leden van de krijgsraad van Camp Lejeune, allemaal officieren van het marinierskorps, de piloot van het zweefvliegtuig onschuldig verklaard. Dit vonnis heeft verbazing, verontrusting en verontwaardiging gewekt in Italië en andere Europese landen, omdat het in strijd lijkt te zijn met de feitelijke toedracht en erop wijst dat een zo bloedige tragedie kan plaatsvinden als gevolg van een oefenvlucht in vredestijd zonder averij die kan rechtvaardigen dat men de controle over het zweefvliegtuig heeft verloren en zonder dat overgegaan wordt tot strafrechtelijke vervolging.
Onlangs zijn er in de Italiaanse pers berichten verschenen dat kapitein Chandler Seagrave, die het zweefvliegtuig bestuurde en die door de Italiaanse parlementaire commissie veroordeeld is wegens doodslag na een onderzoek naar de toedracht, niet alleen ongestraft is gebleven maar onlangs door het Amerikaanse leger is bevorderd tot majoor.
Gezien de grove belediging van de nagedachtenis van de 20 slachtoffers en hun nabestaanden, luidt mijn vraag aan de Commissie:
|
1. |
Is de Europese Unie voornemens zich over de ernst van het gebeuren uit te spreken? |
|
2. |
Welke prerogatieven bezit de Europese Unie om een onderzoek in te stellen naar de feiten en daadwerkelijk uitdrukking te geven aan haar verontrusting over dit besluit bij het leger van de Verenigde Staten? |
|
3. |
Kan de Unie maatregelen nemen om te verhinderen dat de schuldigen aan deze tragedie ongestraft blijven? |
Antwoord van de heer Patten Namens de Commissie
(26 november 2003)
Deze door de geachte Afgevaardigde aan de orde gestelde zaak is er één voor de betrokken juridische autoriteiten in de Verenigde Staten en Italië. Er bestaan geen gronden waarop de Commissie zich hierover kan uitspreken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/456 |
(2004/C 88 E/0467)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3247/03
van Baroness Sarah Ludford (ELDR) aan de Commissie
(28 oktober 2003)
Betreft: Jaarverslag over Turkije
Is de Commissie bereid in haar op 5 november a.s. uit te brengen jaarverslag over de door Turkije geboekte vooruitgang ten aanzien van de criteria voor toetreding tot de EU nader in te gaan op de volgende urgente vragen:
|
1. |
Of de overeenkomsten die zijn gesloten tussen de regeringen van de landen over wier grondgebied de geplande oliepijpleiding Bakoe-Tbilisi-Ceyhan zal lopen al dan niet in strijd zijn met de voorwaarden van het toetredingspartnerschapsakkoord met Turkije, in die zin dat zij het acquis communautaire en de mogelijkheid om te voldoen aan de criteria van Kopenhagen doorkruisen? |
|
2. |
Of dit project mogelijk indruist tegen de mensenrechten en de rechten van minderheden die langs het traject van de pijpleiding in Turkije wonen, b.v. als gevolg van de onteigening van grond zonder adequate compensatie? |
|
3. |
Wat de mogelijke milieugevolgen zijn van dit project en of er een behoorlijke milieueffectevaluatie heeft plaatsgevonden? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/456 |
(2004/C 88 E/0468)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3249/03
van Richard Howitt (PSE), Jean Lambert (Verts/ALE) en Renate Sommer (PPE-DE) aan de Commissie
(3 november 2003)
Betreft: Jaarverslag over Turkije
Zal de Commissie onderstaande dringende vragen in haar jaarverslag dat op 5 november verschijnt, waarin ze de vooruitgang van Turkije richting de EU toelatingscriteria bespreekt, plaatsen?
|
1. |
Schenden de akkoorden voor de oliepijpleiding Bakoe-Tbilisi-Ceyhan van de Turkse regering de voorwaarden van Turkijes partnerschap voor toetreding, door af te wijken van de communautaire wetgeving en de toekomstige uitvoering van de criteria van Kopenhagen? |
|
2. |
Schendt dit project mogelijk, zoals door grondonteigening zonder een gepaste vergoeding, de mensenrechten en de rechten van de minderheden van de personen wonende langs de oliepijproute in Turkije? |
|
3. |
Wat is het mogelijke milieueffect van dit project en is er een gepaste milieueffectbeoordeling uitgevoerd? |
Gecombineerd Antwoord
van de heer Verheugen namens de Commissie
op de schritftelijke vragen P-3247/03 en E-3249/03
(19 november 2003)
De Commissie schetst in haar periodiek verslag over de voortgang van Turkije op de weg naar toetreding dat op 5 november 2003 is verschenen (1) haar beoordeling van de ontwikkelingen over het laatste jaar en de algemene toestand met betrekking tot de mensenrechten en de bescherming van minderheden.
Wat de specifieke vragen van het geachte parlementslid over het project van de oliepijplijn Bakoe-Tbilisi-Ceyhan betreft, dienen potentiële schendingen van de mensenrechten of de bescherming van minderheden die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van dit pijplijn-project te worden gezien in samenhang met de politieke criteria van Kopenhagen. Turkije behoeft zich in dit stadium niet te houden aan de verworvenheden (het acquis) op milieugebied; de Commissie heeft er evenwel weet van dat er voor dit project milieueffectrapportages zijn uitgevoerd, bijvoorbeeld ook om te voldoen aan de voorwaarden die de internationale geldverschaffende organisaties stellen.
(1) COM(2003)676 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/457 |
(2004/C 88 E/0469)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3253/03
van Cristiana Muscardini (UEN) aan de Commissie
(3 november 2003)
Betreft: Somalië: interne situatie, vluchtelingen en terrorisme
Voor de Italiaanse kust zijn verscheidene Somalische vluchtelingen, voor het merendeel uit Mogadishu, door honger, ontberingen of verdrinking om het leven gekomen. Een en ander doet denken aan de duizenden Somaliërs die in 1991 in de Indische Oceaan, de Golf van Aden en de Rode Zee om het leven zijn gekomen: allen wanhopig op de vlucht voor een dictatoriaal regime en een daarmee verbonden moslimfundamentalisme dat verantwoordelijk was voor de dood van de lekenzendelinge Tonelli en twee Engelse staatsburgers van SOS en vertegenwoordigd door terroristische organisaties zoals Al-Ittihad en Al-Islah.
Overwegende dat de president ad interim, Salad Hassan, die al maanden van zijn mandaat is ontheven en leider van Al-Islah, tweede op de ranglijst van internationale terroristische organisaties, de Conferentie van Nairobi, die al meer dan een jaar duurt, heeft verlaten en die erop zou hebben aangedrongen dat hetgeen door de vertegenwoordigers van de Somalische staten, in aanwezigheid van internationale waarnemers, in Nairobi is overeengekomen, terug te draaien, en een nieuwe verzoeningsbijeenkomst voorstelt in Mogadishu, stad die de Somaliërs zelfs met gevaar voor eigen leven ontvluchten,
overwegende dat de president van de overgangsregering T.N.G. een oproep heeft gelanceerd tegen de Somalische leiders die de van terrorisme beschuldigde „moslimbroeders” bij de Keniaanse en Amerikaanse autoriteiten hebben aangegeven en heeft aangedrongen op het vrijgeven van de 8,5 miljoen dollar van het financieel netwerk van Al-Barakat, met het argument dat het om particuliere middelen waaronder de zijne, gaat,
overwegende dat in Somalië nog steeds militanten die zich tegen het fundamentalisme en terrorisme verzetten, worden vermoord en geëxecuteerd en dat Jumale, nummer een van Al-Barakat, die reeds uit de Arabische Emiraten is uitgewezen, deel schijnt uit te maken van de „nieuwe coalitie” van Mogadishu,
|
1. |
Welke krachtige diplomatieke stappen denkt de Commissie te ondernemen om de Conferentie van Nairobi tot een einde te brengen, en ervoor te zorgen dat Somalië een federale regering krijgt die de noodzakelijke initiatieven neemt voor het houden van democratische verkiezingen? |
|
2. |
Is de Commissie voornemens zich actief in te zetten voor de uitroeiing van het terrorisme en het isoleren van diegenen die in de afgelopen jaren min of meer duidelijk met Al-Qaida gelieerde terroristische organisaties, die onder meer verantwoordelijk waren voor de aanslagen in Nairobi, Dar-el-Salaam en Mombassa, geduld en beschermd hebben? |
|
3. |
Is de Commissie voornemens op autonome wijze of in samenwerking met de Verenigde Naties een actieprogramma voor humanitaire hulp ten behoeve van de bevolking op gang te brengen? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(12 december 2003)
De Commissie geeft actief steun aan de vredesconferentie van de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit (IGAD) die sedert de opening in oktober 2002 in Kenia wordt gehouden. De Commissie heeft een aanzienlijke financiële bijdrage geleverd aan het proces (5,6 miljoen euro) en maakt deel uit van de groep van internationale waarnemers bij de conferentie.
De Commissie heeft eveneens deelgenomen aan meerdere missies van de trojka van de EU, op verschillende niveaus, die tot doel hadden de aandacht van de belangrijkste internationale betrokkenen te vestigen op de situatie in Somalië en hen aan te sporen tot ondersteuning van de IGAD-vredes-besprekingen.
De rechtsgrondslag voor de Europese strijd tegen het terrorisme, die een prioritair beleidsdoel is voor de Unie, is gelegen in de zogenaamde „derde pijler”, namelijk in de bepalingen betreffende de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. De Commissie heeft in deze context verschillende voorstellen gedaan om de politiële en justitiële samenwerking te bevorderen. Daaronder vallen ook het Europees arrestatiebevel en een gemeenschappelijke definitie van terrorisme. Bovendien heeft de Commissie samen met de lidstaten een actieve rol gespeeld in de strijd tegen de financiering van terrorisme. Zo werden resolutie 1373/2001 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, met betrekking tot de bevriezing van tegoeden, en resolutie 1390/2002, met betrekking tot de sancties aan het Talibanregime, ten uitvoer gelegd.
Ook herinnert de Commissie eraan dat zij zich strikt houdt aan de bepalingen van de Veiligheidsraad met betrekking tot de uit hoofde van de resoluties 1267/1999 en 1333/2000 opgestelde lijst van personen en organisaties die behoren tot, of geassocieerd zijn met de Taliban en Al-Qaida, ook in Somalië.
Ondanks de moeilijke situatie is de Commissie continu aanwezig in Somalië. Zij speelt daar een centrale rol in de donorgemeenschap. In 2003 zal in totaal 25 miljoen euro worden uitgegeven aan een hele reeks activiteiten, die gaan van humanitaire steun tot noodleniging, rehabilitatie en ontwikkeling. Dit zal in de komende jaren worden voortgezet met de tenuitvoerlegging van het speciale hulppakket voor Somalië, waarmee voor de periode 2002/2007 199 miljoen euro beschikbaar is. Afgezien daarvan zal de Commissie middelen uit eigen begrotingslijnen blijven aanwenden, met inbegrip van de humanitaire hulp via haar Bureau voor humanitaire hulp.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/458 |
(2004/C 88 E/0470)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3270/03
van Baroness Sarah Ludford (ELDR) aan de Commissie
(4 november 2003)
Betreft: Vooruitgang in Kameroen
Op 29 oktober is een bijeenkomst van donorlanden voor Kameroen gepland. Welke verslagen heeft de Commissie tot dusver ontvangen over de vorderingen die zijn gemaakt op de weg naar democratie, de rechtsstaat en mensenrechten in Kameroen? Is de Commissie er met name van overtuigd dat de nodige hervormingen ten uitvoer worden gelegd om in oktober 2004 vrije en eerlijke presidentsverkiezingen te kunnen houden?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(10 december 2003)
De Commissie heeft in het kader van de door het Britse Gemenebest gesponsorde „Vergadering van de internationale partners van Kameroen”, die op 31 oktober 2003 in Londen plaatsvond, het verslag „Het verkiezingsproces in Kameroen versterken” ontvangen. Dit verslag is opgesteld door een team deskundigen van het Gemenebest en maakt gewag van de tekortkomingen die zich bij de organisatie van de vorige verkiezingen in Kameroen hebben voorgedaan. Ook worden daarin voorstellen gedaan voor concrete maatregelen tot herstel van de situatie. Tijdens de bijeenkomst zelf hebben de autoriteiten van Kameroen verslag uitgebracht over hun plannen voor verreikende hervormingen op het gebied van verkiezingsbeheer, mensenrechten, rechtsstaat, decentralisatie en onafhankelijke rechtspraak. Concreet gesproken, de autoriteiten van Kameroen hebben zich ertoe verbonden om tijdens de bijeenkomst van het parlement in maart en juni 2004 een wetsvoorstel in te dienen voor de hervorming van de Nationale Commissie voor mensenrechten en vrijheden en de Nationale verkiezingswaarnemingspost, teneinde de onafhankelijkheid van deze instanties te versterken. Ook zullen zij wetsvoorstellen doen voor decentralisatie.
Wat het verkiezingsbeheer betreft, betreurt de Commissie dat nog geen begin is gemaakt met de noodzakelijke hervormingen. De Commissie heeft, evenals de andere donoren die op de vergadering van Londen aanwezig waren, de regering met aandrang gevraagd blijk te geven van meer voortvarendheid bij het treffen van maatregelen en duidelijk gemaakt dat a) voor de verschillende processen en procedures die moeten leiden tot de presidentsverkiezingen van oktober 2004 een duidelijk tijdschema moet worden opgesteld en in het openbaar bekend worden gemaakt, b) een nieuw kiezersregister moet worden opgesteld, c) de voorgestelde ontwerpwetgeving betreffende de waarnemingspost zo spoedig mogelijk moet worden aangenomen, opdat deze geruime tijd voor de verkiezingen van kracht wordt, en d) volledige raadpleging en transparantie moeten worden verzekerd bij alle aspecten van het verkiezingsproces.
De Commissie zal de situatie met betrekking tot de door de regering genomen maatregelen nauwgezet volgen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/459 |
(2004/C 88 E/0471)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3277/03
van Cristiana Muscardini (UEN) aan de Commissie
(5 november 2003)
Betreft: Nieuwe betrekkingen met Libië
Nu het embargo tegen Libië, dat dit land destijds is opgelegd vanwege zijn ondersteuning van het terrorisme, is opgeheven, zou de Europese Unie de mogelijkheid moeten hebben nieuwe betrekkingen aan te knopen met Libië, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met het beleid voor het Middellandse-Zeegebied dat door het Parlement reeds jaren wordt bepleit.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
1. |
Heeft zij reeds acties ondernomen om de betrekkingen met Libië in te passen in een nieuw Middellandse-Zeebeleid? |
|
2. |
Is zij voornemens om in het kader van de eventuele onderhandelingen op economisch en handelsgebied het probleem aan te snijden van een schadeloosstelling voor de 20 000 Italianen die de afgelopen jaren door het Libisch regime het land uit zijn gezet en wier bezittingen zijn geconfisqueerd, alsmede voor de Italiaanse en andere Europese firma's die nog wachten op de uitbetaling van datgene wat zij van de Libische regering tegoed hebben, eventueel vermeerderd met een schadevergoeding? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(1 december 2003)
Het opheffen van het VN-embargo op 12 september 2003 is inderdaad een belangrijke stap op weg naar de reïntegratie van Libië in de internationale gemeenschap. Dit was een voorwaarde voor deelname van Libië aan het proces van Barcelona, het kader voor de betrekkingen tussen de Europese Unie en het Middellandse-Zeegebied. Libië wordt uitgenodigd volwaardig lid te worden van het proces van Barcelona zodra het land alles wat in dit kader werd overeengekomen aanvaard heeft.
De deelname van Libië aan het proces van Barcelona blijft het belangrijkste onderdeel van het beleid van de Europese Unie met betrekking tot dit land. In de tussentijd worden de mogelijkheden onderzocht voor samenwerking op specifieke belangrijke terreinen, bijvoorbeeld illegale immigratie.
In verband met de uitbreiding van de Europese Unie moet overwogen worden hoe Libië kan worden geïntegreerd in het beleid ten aanzien van de buurland, op basis van respect voor gedeelde waarden.
De schadeloosstelling voor geconfisqueerde bezittingen van Italianen die door het Libische regime het land zijn uitgezet is een bilaterale kwestie, die derhalve niet op EU-niveau behandeld wordt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/460 |
(2004/C 88 E/0472)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3319/03
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(10 november 2003)
Betreft: Mijnen en immigranten aan de Griekse grenzen
De laatste jaren hebben vele immigranten hun leven verloren bij hun poging de Griekse grenzen te overschrijden. Zeven Pakistanen werden onlangs uiteengereten toen zij bij hun poging de Grieks-Turkse grens te overschrijden in een mijnenveld terechtkwamen. Sinds 1999 zijn volgens gegevens van de Algemene Legerstaf 31 illegale immigranten door landmijnen om het leven gekomen bij hun poging om vanuit Turkije illegaal de grens met Griekenland te overschrijden.
In aanmerking genomen dat de Grieks-Turkse grens tevens buitengrens is van de Europese Unie:
|
1. |
Welke verklaring heeft de Commissie voor deze situatie, gelet op de resolutie van het Parlement over antipersoneelmijnen (B5-0802/2000) (1), waarin het Parlement de Europese Unie verzoekt zich in te zetten voor het streven naar volledige uitbanning van antipersoneelmijnen? |
|
2. |
Welke maatregelen zal de Commissie nemen, gezien de erkenning van de internationale gemeenschap voor de eminente rol van de Europese Unie bij de bestrijding van landmijnen en de steun die de Europese Unie biedt aan acties tegen landmijnen in alle getroffen landen, om de mijnenvelden aan de (Grieks-Turkse) buitengrenzen van de EU op te ruimen? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(10 december 2003)
Op 25 september 2003 zijn Griekenland en Turkije officieel toegetreden tot het Verdrag van Ottowa. De Commissie hoopt dat deze gezamenlijke stap een einde zal maken aan het lijden dat wordt veroorzaakt door antipersoneelmijnen aan de grens tussen de twee landen.
Voorts hebben beide landen zich ertoe verbonden, als onderdeel van de vertrouwenswekkende maatregelen die zij in het kader van hun bilaterale betrekkingen zijn overeengekomen, de landmijnen in hun respectieve grensgebieden op te ruimen zoals vermeld in het periodieke verslag van de Commissie van november 2001 (2).
Verordening (EG) nr. 1725/2001 van de Raad van 23 juli 2001 inzake de bestrijding van anti-personeelmijnen in andere landen dan ontwikkelingslanden (3) is niet van toepassing op lidstaten.
(1) PB C 197 van 12.7.2001, blz. 193.
(2) COM(2001) 700 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/461 |
(2004/C 88 E/0473)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3347/03
van Esko Seppänen (GUE/NGL) aan de Commissie
(13 november 2003)
Betreft: Uitbreiding en sociale-zekerheidsuitkeringen
Door de uitbreiding van de EU en de uitbreiding van het principe van het vrije verkeer van de EU-burgers naar de nieuwe gebieden ontstaan nieuwe problemen. Een ervan is het verschillende niveau van de volksgezondheid in de oude en de nieuwe lidstaten. In Estland komen bijvoorbeeld ziekten voor die erg resistent zijn tegen antibiotica en waarvan de verspreiding naar andere landen door de toetreding van Estland wordt vergemakkelijkt. In Estland zijn even veel dragers van het HIV-virus als in Finland, hoewel het land minder dan een derde van het aantal inwoners van Finland telt. Aangezien de verzorging van dragers van het HIV-virus duur is en het niveau van de dure verzorging in de huidige lidstaten hoger ligt dan in de nieuwe lidstaten, kan een probleem ontstaan, doordat zieke mensen naar andere EU-landen verhuizen om betere verzorging te krijgen. Is het volgens de Commissie mogelijk te voorkomen dat de dragers van gevaarlijke ziekten die proberen een betere verzorging te krijgen, naar een ander land gaan? Hoe ver staan de plannen voor de oprichting van een Besmettelijke ziekten-autoriteit en waar zou deze worden gevestigd?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(18 december 2003)
Het geachte parlementslid raakt diverse kwesties aan. Een eerste punt heeft betrekking op de verspreiding van overdraagbare ziekten van een land naar een ander. Ten einde een mechanisme in te stellen voor de observatie van ziekten en op het verloop van ziekten passend te reageren, heeft de Gemeenschap bij Beschikking nr. 2119/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 1998 een netwerk voor epidemiologische surveillance en beheersing van overdraagbare ziekten in de Europese Gemeenschap opgericht (1). Dit mechanisme maakt een voortdurende surveillance mogelijk van ziekten die een groot gevaar voor de volksgezondheid betekenen en voorziet in een systeem voor waarschuwing en reactie dat de nationale bevoegde autoriteiten in staat stelt snel belangrijke informatie uit te wisselen. De toetredende landen hebben grote vooruitgang geboekt bij het treffen van maatregelen om te voldoen aan de vereisten van de beschikking.
Wat de mobiliteit betreft van patiënten van diverse lidstaten zij opgemerkt dat deze kwesties aan de orde zijn in het denkproces op hoog niveau over de mobiliteit van patiënten en de ontwikkelingen in de gezondheidszorg in de Unie.
De slotvergadering van dit denkproces vond plaats op 8 december 2003. De Commissie is voornemens begin 2004 met een mededeling te antwoorden op de aanbevelingen van het proces. Wat meer specifiek de overname van de in een andere lidstaat opgelopen medische onkosten betreft, zij erop gewezen dat het Hof van Justitie in een aantal arresten (2) het recht van de patiënt heeft erkend om zich in een andere lidstaat te laten verzorgen en de medische onkosten daarvoor ook terugbetaald te krijgen. Daarnaast heeft het Hof de voorwaarden verduidelijkt waaronder van dit recht gebruik kan worden gemaakt, meer bepaald om het financiële evenwicht van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten te vrijwaren en een hoog niveau van volksgezondheid te verzekeren.
Wat ten slotte de vooruitgang betreft die is geboekt met de oprichting van een Europees agentschap voor overdraagbare ziekten, heeft de Commissie in juli 2003 haar goedkeuring gehecht aan een voorstel voor een verordening tot oprichting van een Europees Centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (3). Het voorstel beoogt de oprichting van een Europees centrum dat een gestructureerde en systematische aanpak kan bieden voor controle op overdraagbare ziekten en andere ernstige bedreigingen voor de volksgezondheid in de Unie. De oprichting van dit Centrum als een onafhankelijk Europees agentschap zou de samenwerkingsverbanden tussen de bestaande nationale centra voor de beheersing van ziekten in belangrijke mate coördineren en versterken. Het is de bedoeling dat het Centrum in 2005 operationeel is. De Commissie heeft voor het centrum geen vestigingsplaats voorgesteld; deze kwestie zal door de instellingen worden besproken zodra het voorstel in beginsel is goedgekeurd.
(2) Arrest Kohll, zaak C-155/96 van 28.4.98, Jurispr. 1998 blz. I-1931, Arrest Decker, zaak C-120/95 van 28.4.98, Jurispr. 1998 blz. I-1831, Arrest Smits en Peerbooms, zaak C-157/99 van 12.7.01, Jurispr. 2001 blz. I-05473, Arrest Vanbraekel, zaak C-368/98 van 12.7.01, Jurispr. 2001 blz. I-05363, Arrest V.G. Müller-Fauré c/Onderlinge Waarborgmaatschappij O.Z Zorgverzekeringen UA en E.E. M. Van Riet c/Onderlinge Waarborgmaatschappij ZAO Zorgverzekeringen. zaak C-385/99 van 13.5.03 (nog niet gepubliceerd), Arrest Patricia Inizan/Caisse Primaire d'Assurance Maladie des Hauts de Seine zaak C-56/01 van 23.10.03 (nog niet gepubliceerd).
(3) COM(2003)441 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/462 |
(2004/C 88 E/0474)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3369/03
van Cees Bremmer (PPE-DE) aan de Commissie
(14 november 2003)
Betreft: Detentie EU-onderdaan in Thailand
Is de Commissie op de hoogte van de veroordeling van een Europese onderdaan, de Nederlander Machiei Kuijt, tot levenslange detentie voor vermeende drugshandel in hoger beroep aangespannen door het Thaise Openbaar Ministerie, nadat Machiei Kuijt reeds in maart 2002 door de Thaise rechter was vrijgesproken, en dat noch Machiei Kuijt noch zijn raadsman Geert-Jan Knoops tot dusver inzage heeft gekregen in de motivering van de rechter?
Is de Commissie op de hoogte van de buitengewoon mensonwaardige omstandigheden waarin Machiei Kuijt sinds 1997 wordt vastgehouden in de Klong Prem gevangenis in Bangkok, waar een strak regime van publieke lijfstraffen wordt opgelegd, waar moord en verkrachting aan de orde van de dag zijn, waar water schaars is en waar bezoek van familieleden tot dusver slechts tweemaal per jaar is toegestaan?
Deelt de Commissie de conclusie dat de bovenstaande feiten een ernstige schending betekenen van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (met name art. 10 en 14), waarbij Thailand sinds 29 januari 1997 aangesloten is?
Is de Commissie voornemens op de kortst mogelijke termijn druk uit te oefenen op de Thaise autoriteiten om een open en eerlijke rechtsgang te bevorderen en een einde te maken aan de mensonwaardige omstandigheden, waarin Machiei Kuijt wordt vastgehouden?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(17 december 2003)
De Commissie heeft de zaak van de heer Machiei Kuijt via haar delegatie in Bangkok, in nauwe samenwerking met de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden in Thailand op de voet gevolgd.
De Commissie is zich bewust van de recente juridische ontwikkelingen van dit geval en van de omstandigheden van de inhechtenisneming van de heer Kuijt waarop het geachte parlementslid doelt.
De Commissie mengt zich niet in gevallen van consulaire aard en neemt hierin evenmin een standpunt in, alleen eventueel in de context van een eerder met de lidstaten overeengekomen démarche van de Unie.
Volgens de Commissie, zoals reeds vermeld in haar antwoord op schriftelijke vraag E-2775/03 van de heer Maaten (1) ligt de bevoegdheid om op te treden in het geval van de heer Kuijt hoofdzakelijk bij de Nederlandse autoriteiten.
De Commissie zou het geachte parlementslid dan ook de suggestie willen doen deze zaak in eerste instantie met de Nederlandse regering te bespreken.
(1) Zie blz. 114.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/463 |
(2004/C 88 E/0475)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3476/03
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(24 november 2003)
Betreft: Verdwijning van een voormalige Ethiopische coördinator van een EU-hulpprogramma
Amanti Abdisa Jigi was hoofd van de afdeling ontwikkeling van de hulporganisatie voor de Oromo (Galla)-bevolking (ORA) totdat in 1996 het Ethiopisch bureau onder dwang gesloten en alle materiaal door de Ethiopische regering in beslag is genomen. De ORA was een officieel erkende hulporganisatie die kon rekenen op bijdragen van onder meer Norwegian People's Aid, Comic Relief, Christian Aid en de Commissie. Abdisa heeft de sluiting voor de rechter aangevochten, maar tevergeefs. Op 20 augustus 2000 is hij bij zijn aankomst op de luchthaven van Addis Abeba, op doorreis naar een conferentie in Kenia, door Ethiopische regeringstroepen uit het vliegtuig gehaald en gevangen gezet. Op 25 januari van dit jaar is hij opgemerkt terwijl hij vanuit het stadsdeel Bole nabij de luchthaven van Addis Abeba op transport gesteld werd, vermoedelijk naar het gevangenenkamp Shoa Robit. Zijn gevangenneming betekent een schending van zowel het internationaal recht als de Ethiopische grondwet, die bepaalt dat al wie aangehouden wordt binnen 48 uur voor een rechtbank moet verschijnen en spoedig een eerlijk proces volgens de internationaal geldende normen moet krijgen.
Zijn de diensten van de Commissie op de hoogte van de verdwijning van Abdisa, aangezien de Commissie over de volgende vier jaar 500 miljoen euro vastgelegd heeft voor haar programma in Ethiopië? Kan de Commissie zeggen of ze al dan niet van plan is om de Ethiopische regering op verschillende niveaus aan te spreken op haar toezicht op het gevangeniswezen, en meer in het bijzonder te vragen waar Abdisa zich precies bevindt en waarvan hij officieel en volgens de wet beschuldigd wordt? De hulporganisatie ORA is werkzaam op het grondgebied van het Oromo-bevrijdingsfront, Oromia, dat ongeveer 40 % van de totale bevolking van Ethiopië vertegenwoordigt. Moeilijkheden in het gebied laten zich in Europa gevoelen, want er bevindt zich een ORA-kantoor in Duitsland dat hulp biedt aan Ethiopische vluchtelingen.
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(10 december 2003)
De Commissie heeft verschillende tevergeefse pogingen ondernomen om de heer Amanti op het spoor te komen. Noch het ministerie van Justitie, noch het Federale gevangenisbestuur hebben enige gegevens over waar hij verblijft. Op basis van de informatie van het geachte parlementslid dat de heer Amanti misschien in Shoa Robit gevangen wordt gehouden, heeft de delegatie van de Commissie in Addis Abeba via een lidstaat contact opgenomen met het Federale gevangenisbestuur, met het verzoek opzoekingen te doen in de gevangenisregisters van Shoa. De Commissie zal het geachte parlementslid op de hoogte houden van eventuele resultaten op dit gebied.
De Commissie zou het zeer op prijs stellen nadere inlichtingen te ontvangen die nuttig kunnen zijn om de heer Amanti te vinden. De Commissie weet uit ervaring dat het ministerie van Justitie en het Federale gevangenisbestuur bereid zijn informatie te verstrekken, zelfs in zaken die gevoelig kunnen liggen, voorzover er officiële documenten bestaan. De Commissie vreest dat er om uiteenlopende redenen helemaal geen dergelijke documenten over de heer Amanti bestaan. Geen enkele van de organisaties in Ethiopië waarmee de Commissie contact heeft opgenomen, beschikt over gegevens over de heer Amanti.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/463 |
(2004/C 88 E/0476)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3496/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(24 november 2003)
Betreft: Colombia — Gegijzelden
Op een video-opname die door het persagentschap Reuters openbaar is gemaakt, laat de Colombiaanse guerrillabeweging Ejército de Liberación Nacional (ELN) zien dat de zeven toeristen die op 12 september jl. tijdens een bezoek aan ruïnes in de binnenlanden gevangen werden genomen, nog in leven zijn.
Van de zeven gegijzelden komen er drie uit lidstaten van de Unie (een Spanjaard, een Brit en een Duitse) en zijn er vier afkomstig uit Israël.
De guerrillabeweging heeft toegezegd de gegijzelden etappegewijs vrij te laten nadat een humanitaire commissie de Sierra Nevada zal hebben bezocht om vast te stellen onder welke moeilijke omstandigheden de bewoners van dit gebied leven, maar heeft tevens gedreigd de gegijzelden te zullen doden als het Colombiaanse leger actie zal ondernemen om de gegijzelden te bevrijden.
Kan de Commissie in het licht van het voorafgaande het volgende mededelen:
|
— |
Kan zij bevestigen dat de gegijzelden nog in leven zijn en in goede gezondheid verkeren? |
|
— |
Welke stappen heeft zij bij de ELN of humanitaire organisaties ondernomen of denkt zij te ondernemen om de gegijzelden vrij te krijgen? |
|
— |
Welke stappen heeft zij bij de Colombiaanse regering ondernomen om haar op de hoogte te stellen van de situatie van de gegijzelden, hun leven veilig te stellen en ze vrij te krijgen? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(22 december 2003)
Sinds het geachte parlementslid zijn vraag heeft gesteld, werden al twee van de drie ontvoerde Europese burgers door de guerillabeweging ELN vrijgelaten dankzij de bemiddeling van de katholieke kerk, die daarbij werd gesteund door de Verenigde Naties (VN). Eén Europese burger wordt nog steeds vastgehouden door de ELN, die beloofd heeft hem en de vier overige Israëlische gijzelaars vóór Kerstmis vrij te laten.
Volgens de al vrijgelaten gijzelaars werden zij niet mishandeld door hun gijzelnemers.
De Commissie veroordeelt deze en alle andere ontvoeringen in Colombia in de krachtigste bewoordingen en eist de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van de Europese burger en de overige personen die nog worden vastgehouden. Hun gijzelnemers zijn verantwoordelijk voor hun veiligheid en gezondheid.
De Commissie heeft geen stappen ondernomen bij de Colombiaanse regering, humanitaire organisaties of de ELN. Diplomatieke en consulaire bescherming is een bevoegdheid van de lidstaten en niet van de Gemeenschap. Artikel 20 van het EG-Verdrag bepaalt uitsluitend dat iedere burger van de Unie op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan hij onderdaan is, niet vertegenwoordigd is, het recht heeft op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/464 |
(2004/C 88 E/0477)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3497/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(24 november 2003)
Betreft: Georgië — parlementsverkiezingen
Volgens de media verwijt de oppositie in Georgië regionale beleidslieden ervan de resultaten van de recente parlementsverkiezingen te hebben gemanipuleerd. Duizenden manifestanten kwamen de straat op.
Georgische oppositieleiders eisen dat president Sjevardnadze zich voor de rechter verantwoordt indien hij diegenen die voor de verkiezingsfraude verantwoordelijk zijn niet ontslaat.
Uit officiële bron is vernomen dat, volgens de eerste gedeeltelijke uitslagen, met 60 % van de stemmen geteld, de regeringscoalitie 2 % voorsprong zou hebben op de oppositie.
Kan de Commissie mij meedelen:
|
— |
over welke gegevens zij beschikt betreffende de toestand na de verkiezingen in Georgië? |
|
— |
Hoe geloofwaardig zij de van officiële zijde bekendgemaakte resultaten acht? |
|
— |
Hoe zij denkt dat de politieke situatie in Georgië zich zal ontwikkelen? |
|
— |
Hoe zij denkt dat deze situatie de stabiliteit in de regio kan beïnvloeden? |
|
— |
Welke maatregelen zij heeft genomen of nog van plan is te nemen om de veiligheid van de EU-burgers in Georgië te waarborgen? |
Antwoord van de heer Patten Namens de Commissie
(17 december 2003)
De situatie in Georgië zoals die in de vraag van het geachte parlementslid wordt beschreven lijkt door de gebeurtenissen te zijn achterhaald.
De Unie is er zich van bewust dat gewaarborgd moet worden dat zowel de presidentiële als de parlementaire verkiezingen in Georgië voldoen aan internationale normen en zij overweegt momenteel hoe zij, om dit doel te bereiken, het best kan samenwerken met de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE)/het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten (ODIHR) en de internationale gemeenschap in ruimere zin.
De Commissie herinnert het geachte parlementslid eraan dat haar delegatie in Georgië geen consulaire verantwoordelijkheid draagt voor EU-burgers. Voor de veiligheid van de EU-burgers zijn de ambassades van de EU-landen verantwoordelijk en met deze ambassades houdt de delegatie van de Commissie nauw contact.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/465 |
(2004/C 88 E/0478)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3500/03
van Michl Ebner (PPE-DE) aan de Commissie
(24 november 2003)
Betreft: Toetreding tot de EU van Kroatië
In juni 2004 zullen tien nieuwe staten tot onze Unie toetreden, en in 2007 zullen de kandidaatlanden Bulgarije en Roemenië, als zij voldoen aan de eisen van de Unie, ook tot de EU toetreden.
Wat doet de Commissie om Kroatië erop voor te bereiden om samen met Bulgarije en Roemenië tot de EU toe te treden?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 januari 2004)
Kroatië heeft het lidmaatschap van de Unie in februari 2003 aangevraagd en in april 2003 heeft de Raad de Commissie verzocht een advies over deze lidmaatschapsaanvraag voor te bereiden. De Commissie denkt haar advies in het voorjaar van 2004 uit te brengen. Momenteel gaat zij na in hoeverre Kroatië voldoet aan de drie criteria van Kopenhagen. Daarom is het nu nog te vroeg om te zeggen wat de resultaten van het advies zullen zijn en welk besluit de Raad daarop zal nemen.
De Europese Raad van 12 december 2003 concludeerde dat de toetredingsonderhandelingen met Roemenië en Bulgarije in 2004 met succes op basis van eigen verdiensten kunnen worden afgerond en dat het toetredingsverdrag zo spoedig mogelijk in 2005 kan worden ondertekend. De toetredingsonderhandelingen met deze twee landen bevinden zich dus al in een vergevorderd stadium.
Kroatië zal toetreden tot de Unie zodra het land daar klaar voor is, dus als het voldoet aan de nodige criteria en als de toetredingsonderhandelingen zijn afgerond. Het tempo waarin de hervormingen in Kroatië worden doorgevoerd zal bepalend zijn voor de duur van de onderhandelingen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/466 |
(2004/C 88 E/0479)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3517/03
van Baroness Sarah Ludford (ELDR) aan de Commissie
(25 november 2003)
Betreft: Eerlijke handel
Zou het overeenkomstig de EU-regelgeving inzake overheidsaanbestedingen discriminerend worden geacht te bepalen dat uit de Eerlijke Handel afkomstige producten moeten worden gebruikt in openbare inschrijvingen voor cateringdiensten?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(8 januari 2004)
Zodra een aanbestedende instantie het onderwerp heeft vastgelegd van de aanbestedingsovereenkomst die zij voor de cateringdiensten wil sluiten (d.w.z. het algemene soort producten dat moet worden ingekocht), is zij vrij de technische specificaties van die producten vast te stellen. De eisen moet echter verband houden met de eigenschappen of prestaties van de producten (bijvoorbeeld dat glazen of borden moeten zijn vervaardigd van gerecycled materiaal) of de productie van de producten (bijvoorbeeld dat ze organisch geteeld moeten zijn).
Een aanbestedende instantie die Fair Trade-producten wil inkopen (d.w.z. producten waarbij is vastgesteld dat gebruik is gemaakt van de normen van de particuliere Fair Trade Labelling Organisations International) voor cateringdiensten, moet de technische specificaties van de producten vaststellen in relatie tot de sociale of milieuprestaties die aan het label ten grondslag liggen. Hoewel de aanbestedende instantie mag vermelden dat producten met dat label worden geacht te voldoen aan de technische specificaties, moet zij tevens economische actoren in staat stellen met andere bewijsmiddelen aan te tonen dat hun producten aan de technische specificaties voldoen. Er kan alleen van geval tot geval worden bepaald welke van de diverse normen van Fair Trade (of delen daarvan) een beschrijving bevatten van de eigenschappen of prestaties van het in te kopen product.
Aanbestedende instanties die aanbestedingen voor goederen uitschrijven moeten de elementaire communautaire beginselen naleven, met inbegrip van het beginsel van gelijke behandeling, waarvan non-discriminatie een specificatie uitdrukking is. Dit vloeit voort uit vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, die stelt dat niet alleen handelingen van juridische discriminatie krachtens het EG-Verdrag verboden zijn, maar ook handelingen die niet-ingezetenen meer belemmeren dan ingezetenen (feitelijke discriminatie).
Als gevolg van het zeer grote aantal normen dat onder het Fair Trade-label valt en het brede scala aan producten dat in de cateringindustrie beschikbaar is, kan alleen van geval tot geval worden bepaald — rekening houdend met alle omstandigheden rond de aankoop — of een aanbestedende instantie inbreuk maakt op het beginsel van non-discriminatie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/466 |
(2004/C 88 E/0480)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3521/03
van Anne Van Lancker (PSE) aan de Commissie
(25 november 2003)
Betreft: Schending mensenrechten Verenigde Staten
Fernando González, Rene González, Gerardo Hernández, Ramón Labanino en Antonio Guerrero zijn vijf Cubanen die in de Verenigde Staten in hechtenis zijn op grond van een veroordeling voor o.a. samenzwering met het oogmerk te spioneren en samenzwering met het oogmerk een moord te begaan. In feite waren zij geïnfiltreerd in Cubaanse organisaties in Miami met als doel terroristische acties tegen Cuba te voorkomen. Het proces tegen de vijf Cubanen werd gehouden in Miami. Met een Cubaanse migrantengemeenschap die grotendeels vijandig staat tegenover de Cubaanse overheid, kan de stad niet beschouwd worden als een neutrale plaats voor zo een proces. Het proces daar houden is bijgevolg een schending van de Vde en Vlde Amendementen van de Amerikaanse grondwet. Zij werden veroordeeld zonder enig bewijs. Op basis van deze gegevens, hebben 105 Britse parlementsleden een motie ondertekend voor een herziening van het proces. Bovendien werd tot op vandaag het bezoekrecht geweigerd aan de echtgenotes van twee veroordeelden die reeds vijf jaar gevangen zitten (Gerardo Hernández en Rene González). Amnesty International heeft de weigering van het bezoekrecht reeds aangeklaagd.
Is de Commissie reeds op de hoogte van deze zaak? Zal de Commissie deze zaak onder de aandacht brengen van de Amerikaanse overheden in het kader van haar betrekkingen met de Verenigde Staten?
Antword van de heer Patten namens de Commissie
(15 januari 2004)
De Unie heeft geen standpunt ingenomen over de specifieke zaak waar het geachte parlementslid naar verwijst. Normaal gesproken mengt de Unie zich niet in individuele zaken, behalve indien er sprake is van de doodstraf en indien de zaak valt onder de richtsnoeren die zijn vastgelegd in het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van 29 juni 1998.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/467 |
(2004/C 88 E/0481)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3550/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(28 november 2003)
Betreft: Zimbabwe — censuur en repressie
De laatste weken heeft de regering van de ZANU-PF-partij van president Mugabe de enige onafhankelijke krant van Zimbabwe, de „Daily News”, laten sluiten en de repressie ten aanzien van oppositieleden en dissidenten opgevoerd. De advocaten van de krant hebben klacht ingediend bij de plaatselijke Administratieve Rechtbank om de sluiting van de krant te laten annuleren. De rechter stelde de krant op 24 oktober jl. en ontzegde de regeringscommissie voor media en informatie het recht om de publicatie van de krant stop te zetten.
Amper één editie later liet de politie de krant opnieuw sluiten, met als argument dat de regering bij het Hoger Gerechtshof een opschortend beroep tegen het vorige arrest had ingediend. Het kan jaren duren vooraleer het Hoger Gerechtshof van Zimbabwe, dat wordt voorgezeten door een voormalig minister van Mugabe, Godfrey Chidyausiku, zich over het beroep uitspreekt.
In dit klimaat van geweld en intimidatie is de oppositiebeweging Movement for Democratic Change (MDC) gedwongen geweest zich zo te reorganiseren dat zij vanuit de clandestiniteit kan optreden.
Volgens John Makumbe, professor politieke wetenschappen aan de Universiteit van Zimbabwe in Harare, worden de niet-gouvernementele organisaties het volgende doelwit: het Zimbabwaanse parlement is immers wetten aan het voorbereiden die deze organisaties verplichten zich te laten registreren en in de mogelijkheid voorzien de leiding van de NGO's op non-actief te stellen.
Kan de Commissie mij meedelen:
|
— |
over welke informatie zij beschikt over de nieuwe golf van schendingen van de mensenrechten in Zimbabwe? |
|
— |
welke maatregelen zij heeft genomen om pressie uit te oefenen op de Zimbabwaanse autoriteiten opdat zij stoppen met dit soort acties? |
|
— |
of zij kan bevestigen dat er wetten in de pipeline zitten die de vrijheid en de onafhankelijkheid van de pers en de NGO's bij hun werk in het land beperken? |
|
— |
welke maatregelen zij de laatste tijd heeft genomen om het maatschappelijke middenveld en de oppositie van Zimbabwe te helpen bij het uitstippelen van de beste strategie om de huidige politieke en sociale situatie in het land het hoofd te bieden? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(9 januari 2004)
De Commissie is zich bewust van de door het geachte parlementslid vermelde feiten en volgt de gebeurtenissen in Zimbabwe nauwlettend. De Unie heeft onmiddellijk gereageerd op de meeste recente aanvallen op de grondrechten door de regering van Zimbabwe.
Omdat de Commissie zich ernstig zorgen maakt over de verslechtering van de huidige situatie ten aanzien van de grondrechten heeft zij zich volledig geschaard achter de twee laatste verklaringen van het Voorzitterschap namens de Unie in verband hiermee: op 18 september 2003, een verklaring over de persvrijheid in Zimbabwe waarin de Unie de sluiting van de Daily News veroordeelde en kortgeleden op 28 november 2003 een verklaring waarin zij haar ongerustheid uitte over de huidige situatie in Zimbabwe en de regering van dat land oproept de grondrechten te eerbiedigen en haar aanspoort een actieve en zinvolle dialoog aan te gaan met de betrokkenen in het land om een oplossing te vinden voor de huidige crisis.
De Commissie kan de door het geachte parlementslid verstrekte informatie over mogelijke nieuwe wetten die de vrijheid en onafhankelijkheid van pers en niet-gouvernementele organisaties (ngo's) in Zimbabwe aan banden leggen niet bevestigen.
De Commissie is voornemens haar bijstand aan maatschappelijke organisaties voort te zetten om projecten en activiteiten op het gebied van de mensenrechten en democratisering te ondersteunen en deze organisaties in staat te stellen zich meer in te zetten voor de binnenlandse dialoog.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/468 |
(2004/C 88 E/0482)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3560/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(1 december 2003)
Betreft: Al-Qaeda — internationale financieringsnetwerken
De Britse krant „The Financial Times” maakte op 11 november jl. bekend dat volgens een VN-rapport Al-Qaeda en zijn financiers, ondanks de aanzienlijke vooruitgang die is geboekt in de bestrijding ervan, nog steeds actief zijn op de internationale financiële markten.
Het internationale systeem dat in het leven is geroepen om de geldstromen ten voordele van Al-Qaeda te stoppen wordt op losse schroeven gezet door het gebrek aan medewerking van diverse landen, leemtes in de wetgeving en het gebrek aan politieke wil om dit reusachtige probleem aan te pakken.
In het VN-rapport is sprake van Youssef Nada en Ahmed Idris Nasreddin, twee bestuurders van de financiële groep al-Taqwa, die door de Verenigde Staten beschouwd wordt als de grootste geldschieter van de terreurorganisatie. De Europese en Noord-Amerikaanse recherche beschouwt al-Taqwa als de spil van talrijke netwerken die terreuracties financieren en daarbij ook kunnen rekenen op de steun van financiële of zelfs caritatieve Islamitische organisaties.
Ondanks het feit dat beide mannen als „terreurfinanciers” gebrandmerkt staan en hun banktegoeden werden bevroren, bezitten zij naar verluidt nog steeds belangen en eigendommen in Zwitserland en Italië.
„Off-shores” en trusts schijnen de meest courante technieken te zijn om de bestemming en de herkomst van dit bloedgeld te verbergen.
Youssef Nada schijnt in januari naar Liechtenstein te zijn verhuisd om de registratiegegevens van twee met al-Taqwa gelieerde bedrijven te veranderen, waarmee hij het VN-verbod met voeten treedt.
Al-Qaeda, de Taliban en hun helpers en bondgenoten zijn volgens het VN-rapport dus nog steeds in staat om aanzienlijke bedragen te verwerven, te vragen, te ontvangen, te transfereren en te verdelen.
Kan de Commissie mij meedelen:
|
— |
of zij over informatie beschikt in verband met deze feiten? |
|
— |
of zij op de hoogte is van het bestaan van verrichtingen in de EU waarbij terroristen zijn betrokken? |
|
— |
over welke informatie zij beschikt over de activiteiten van de groep al-Taqwa in de EU, en in landen waarmee de EU geprivilegieerde betrekkingen onderhoudt zoals de lidstaten van de EER? |
|
— |
welke maatregelen zij heeft genomen of van plan is te nemen om ervoor te zorgen dat de VN-resoluties worden nageleefd en dat de doorstroming van kapitaal om terreurorganisaties te financieren wordt tegengehouden? Wat stelt de Commissie voor om het systeem te verbeteren en te vernieuwen? Is de Commissie voornemens deze verbeteringen al toe te passen in het kader van de EU? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(12 januari 2004)
De Commissie heeft nota genomen van het tweede verslag van een VN-monitoringgroep die wordt voorgezeten door de heer Chandler, die rapporteert aan het Sanctiecomité van de VN-Veiligheidsraad inzake Al Qa'ida en de Taliban (hierna het VN-comité genoemd). Dit verslag is uitgebracht op 1 december 2003 en kennelijk voor die datum door The Financial Times ingezien. Het betreft de tenuitvoerlegging van de beperkende maatregelen tegen Usama bin Laden en het Al Qa'ida-netwerk, die door de VN-Veiligheidsraad zijn vastgesteld in een aantal resoluties uit hoofde van hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties.
De Commissie is van mening dat het allereerst aan het VN-comité of de VN-Veiligheidsraad zelf is om te beoordelen of de informatie in het verslag van de monitoringgroep instelling van aanvullende maatregelen of wijziging van de bestaande maatregelen rechtvaardigt. De Veiligheidsraad zal de desbetreffende resoluties toetsen in januari 2004.
Wat de bestaande maatregelen betreft kan worden opgemerkt dat Verordening (EG) nr. 881/2002 (1) van de Raad de bevriezing voorschrijft van tegoeden en economische middelen die toebehoren aan personen, groepen en entiteiten waarvan door het VN-comité is vastgesteld dat zij voldoen aan de voorwaarden van Resolutie 1267(1999) of Resolutie (1390(2002). De verordening voorziet ook in een verbod op de terbeschikkingstelling van tegoeden en economische middelen aan dergelijke personen, groepen en entiteiten.
Verordening (EG) nr. 881/2002 legt beperkingen op aan het gebruik van tegoeden en economische middelen die aan de betrokken personen, groepen en entiteiten toebehoren. Deze maatregelen staan echter niet gelijk aan beslaglegging. De betrokken personen, groepen en entiteiten blijven derhalve in het bezit van rente en vermogen totdat een bevoegde autoriteit volgens een toepasselijke (strafrechtelijke of andere) procedure van een lidstaat anders beslist.
Het tweede verslag van de monitoringgroep beschrijft activiteiten van de heer Youssef Nada en de heer Ahmed Idris Nasreddin als voorbeeld van het aanhoudende inzetten van lege vennootschappen en offshore-trusts door personen, groepen en entiteiten die op de lijst van het VN-comité voorkomen. De redenen waarom de monitoringgroep deze personen heeft uitgekozen voor een „diepgaand onderzoek”, zoals punt 70 van het verslag het noemt, zijn niet geheel duidelijk. Uit het voorbeeld blijkt echter dat het om de financiering van terrorisme effectief te voorkomen noodzakelijk is dat rechtspersonen en entiteiten adequaat worden geregistreerd. Alleen dan kunnen de autoriteiten vaststellen wie de begunstigde eigenaars van een rechtspersoon of een entiteit zijn.
Derde landen als Zwitserland en Liechtenstein hebben de Commissie geen gegevens verstrekt over mogelijke activiteiten van de heer Nada en Al Taqwa Ltd. in de Gemeenschap. Het is aan de lidstaten om te onderzoeken of de bepalingen van Verordening (EG) nr. 881/2002 zijn overtreden en of rechtspersonen of entiteiten banden hebben met personen, groepen en entiteiten waarvan door het VN-comité reeds is vastgesteld dat zij voldoen aan de voorwaarden van Resolutie 1267(1999) of Resolutie (1390(2002). In voorkomend geval dienen de lidstaten het VN-comité voor te stellen ten aanzien van de onderzochte rechtspersoon of entiteit eenzelfde conclusie vast te stellen.
(1) Verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al-Qa'ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad tot instelling van een verbod op de uitvoer van bepaalde goederen en diensten naar Afghanistan, tot versterking van het verbod op vluchten en verlenging van de bevriezing van tegoeden en andere financiële middelen ten aanzien van de Taliban van Afghanistan, PB L 139 van 29.5.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/470 |
(2004/C 88 E/0483)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3567/03
van Chris Davies (ELDR) aan de Commissie
(2 december 2003)
Betreft: Water voor leven
Op 3 september 2002 lanceerde de EU haar „mondiale waterinitiatief met als doel strategische partnerschappen te creëren en aldus de eindtermen inzake schoon water en sanitaire voorzieningen van de wereldtop inzake duurzame ontwikkeling te bereiken”, t.w. vóór 2015 het aantal personen die geen toegang heeft tot drinkbaar water halveren en te werken aan betere sanitaire voorzieningen.
|
1. |
Hoeveel „strategische partnerschappen” zijn er reeds aangegaan en hoeveel personen hebben tot op heden tengevolge hiervan toegang tot drinkbaar water en verbeterde sanitaire voorzieningen? |
|
2. |
De EU verklaarde bereid te zijn de EUR 1,4 miljard, die toen jaarlijks geïnvesteerd werd in aan water gerelateerde projecten, te verhogen. In hoeverre heeft zij deze financiële hulp uitgebreid? |
|
3. |
Hoe beoordeelt de Commissie, rekening houdend met het feit dat 10 procent van de nodige tijd om de doelen van 2015 te bereiken reeds voorbij is, de tot nu toe geboekte vooruitgang en de kans dat de doelstellingen worden verwezenlijkt? |
|
4. |
Welke acties moet een ontwikkelingsland ondernemen om te kunnen genieten van de door de EU beloofde verhoging van de financiële hulpmiddelen voor de ontwikkeling van waterbeleid? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(28 januari 2004)
|
1. |
Er is aanzienlijke vooruitgang geboekt sinds de lancering van het EU-waterinitiatief op de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling in 2002. Zo zijn twee strategische partnerschappen opgezet voor Afrika en twaalf landen in Oost-Europa, de Kaukasus en Centraal-Azië (EECCA). Verder worden momenteel twee andere geografische componenten opgezet, voor de Middellandse Zee en Latijns-Amerika. Wat Afrika betreft, na de ondertekening van het strategisch partnerschap op de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling in Johannesburg, heeft uitgebreid technisch overleg plaatsgehad tussen de Europese en Afrikaanse partners, middels een voortgezette dialoog tijdens de waterweek in augustus 2003 in Stockholm, op de technische bijeenkomst van de Afrikaanse Ministeriële Raad voor Water (AMCOW) in Ouagadougou in oktober 2003 en op de pan-Afrikaanse waterconferentie in Addis Abeba in december 2003, leidend tot de volgende vier grote mijlpalen:
Procesgewijs zijn twee werkgroepen opgezet voor de aanpak van watervoorziening en afvalwaterzuivering (onder leiding van Denemarken en Lesotho) en geïntegreerd beheer van watervoorraden, inclusief grensoverschrijdende rivierbekkens (onder leiding van Frankrijk en Tanzania). Ook is een financiële strategie opgezet (onder leiding van het Verenigd Koninkrijk). Deze groepen bestaan uit alle belanghebbenden en ontwikkelen activiteiten op nationaal en regionaal niveau, waarvoor de doelstellingen van het waterinitiatief worden toegepast (d.w.z. meer eigen inbreng, grotere vraag op basis van nationale strategieën en plannen voor armoedebestrijding, meer coördinatie en een grotere efficiency van ontwikkelingsbijstand, bevordering van partnerschappen waarbij alle actoren betrokken zijn). Dit heeft plaats in de eerste groep door de AMCOW geselecteerde landen en rivierbekkens. Een meer gedetailleerd programma voor de ontwikkeling van de Afrikaanse component van het EU-waterinitiatief inclusief specifieke maatregelen (afgeleid van de output van elke programmatische doelstelling en elke werkgroep) wordt de komende maanden in onderleg overleg opgesteld. Onder leiding van Denemarken is aanzienlijke vooruitgang geboekt met de ontwikkeling van het strategisch partnerschap inzake water voor duurzame ontwikkeling van de EU-EECCA, sinds de lancering daarvan op de Wereldtop inzake duurzame ontwikkeling van september 2002 als onderdeel van het EU-waterinitiatief. De vijfde pan-Europese conferentie van ministers van Milieu in Kiev in mei 2003 vormde een belangrijke stap: deelnemers uit de 55 vertegenwoordigde landen spraken grote belangstelling uit voor de EECCA-component van het EU-waterinitiatief, zoals blijkt uit de ministeriële verklaring; verder werd een programmadocument goedgekeurd voor de toekomstige ontwikkeling en uitvoering van het strategisch partnerschap EU-EECCA inzake water. De volgende stap bestaat uit het nemen van aanvullende maatregelen met het oog op concrete actie ter plaatse, gebaseerd op de lijst van geïdentificeerde „bouwstenen”, teneinde aldus bij te dragen tot de verwezenlijking van de internationale doelstellingen inzake water en afvalwaterzuivering in de EECCA-regio. In het Middellandse-Zeegebied wordt, onder leiding van Griekenland, binnenkort de laatste hand gelegd aan de opzet van een mediterrane component van het waterinitiatief. Parallel hiermee werken Spanje en Portugal, in nauw overleg met Mexico, aan de laatste fase van de Latijns-Amerikaanse component van het initiatief. Gezien het belang van de financiële vraagstukken, is er onder leiding van het Verenigd Koninkrijk een werkgroep voor financiële middelen, terwijl de Commissie een initiatief leidt inzake onderzoek. Daarnaast worden, door internationale instellingen en in de context van het EU-waterinitiatief, enkele instrumenten voor toezicht ontwikkeld die verdere vooruitgang mogelijk moeten maken met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen inzake water en afvalwaterzuivering. |
|
2. |
De aanpak van het EU-waterinitiatief — ten behoeve van meer coördinatie en een efficiënter gebruik van bestaande instrumenten — wordt toegepast voor specifieke projecten en programma's die worden uitgevoerd in het kader van ontwikkelingsprogramma's van de Gemeenschap en de lidstaten (zo lopen, bijvoorbeeld, in meer dan 20 Afrikaanse landen door de Gemeenschap ondersteunde waterprojecten, en is water een concentratiesector in 12 landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, de zogeheten ACS-staten). De Gemeenschap verleent reeds steun ter hoogte van EUR 10 miljoen voor grensoverschrijdende rivierbekkens in Afrika. Behalve een versterkt gebruik van bestaande instrumenten en de erkenning van de noodzaak om gebruik te maken van de officiële ontwikkelingshulp als katalysator voor de inzet van andere financiële hulpbronnen (financiële instellingen, particuliere sector, binnenlandse bronnen enz), heeft de Commissie voorgesteld onder voorwaarden het bedrag van EUR 1 miljard van het 9e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) ter beschikking te stellen voor de oprichting van een waterfaciliteit voor de ACS-staten. Deze faciliteit zou een innovatief en flexibel instrument vormen en voortbouwen op de eigen inbreng, zoals de Afrikaanse partners die laten zien op het gebied van water en afvalwaterzuivering (AMCOW, alsmede in het kader van het Nieuwe Partnerschap voor de ontwikkeling van Afrika, NEPAD). Een resolutie ter ondersteuning van de faciliteit werd op de pan-Afrikaanse waterconferentie in december 2003 voorgelegd door de Afrikaanse Raad van Ministers. Een mededeling over de voorwaarden voor de totstandbrenging van de waterfaciliteit ACS-EU is momenteel in voorbereiding. Deze zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan de EU-lidstaten en vervolgens aan de ACS-EU-Raad van Ministers. |
|
3. |
Ondanks deze belangrijke stappen moet er nog veel worden gedaan om tastbare resultaten te boeken: om de doelstellingen inzake drinkwater en afvalwaterzuivering te halen, moet er voor worden gezorgd dat tot 2015 elke dag een nieuwe groep van 120 000 personen drinkwater ontvangt en het afvalwater van een nieuwe groep van 240 000 personen wordt gezuiverd. Hiervoor zijn aanvullende stappen nodig met een hernieuwd accent op:
|
|
4. |
Ontwikkelingslanden moeten dit proces leiden, door water en afvalwaterzuivering een belangrijke plaats te geven in hun nationale strategieën voor armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling; dit is de sleutel voor toegang tot ontwikkelingshulp. De totstandbrenging van nationale beleidslijnen en de verbetering van het institutionele klimaat zijn van essentieel belang voor het aantrekken van extra hulpbronnen voor de water- en afvalwaterzuiveringsinfrastructuur, voornamelijk van particuliere investeerders. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/472 |
(2004/C 88 E/0484)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3570/03
van Gerhard Schmid (PSE) aan de Commissie
(5 december 2003)
Betreft: Invoering van mobiele douaneteams in de Bondsrepubliek Duitsland na de toetreding van de Tsjechische Republiek tot de Europese Unie
In bijlage V van de toetredingsakte wordt de uitvoer van bepaalde landbouwproducten verboden, die afkomstig zijn van bedrijven die pas na een overgangstijd volledig moeten voldoen aan de structurele eisen van de veterinaire wetgeving van de Europese Unie. De Duitse douane heeft derhalve de taak de naleving van het uitvoerverbod te controleren en zal dit door middel van zogenaamde mobiele douaneteams doen, omdat met ingang van 1 mei 2004 de controle van goederen aan de grenzen zal wegvallen. De Duitse autoriteiten wijzen erop dat niet een willekeurig aantal mobiele douaneteams mag worden opgericht.
Kan de Commissie meedelen of zij beperkingen voorschrijft voor het aantal of de dichtheid van de mobiele douaneteams? Kan de Commissie tevens meedelen welke norm voor de frequentie van de inzet van mobiele douaneteams volgens haar moet worden toegepast? Deze vraag staat in verband met het feit dat het toetredingsverdrag de lidstaten op het gebied van het algemene systeem betreffende het bezit, het vervoer en de controle van BTW-plichtige goederen toestaat, de noodzakelijke controles uit te voeren, mits daardoor het ongestoorde functioneren van de interne markt niet wordt geschaad.
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(9 januari 2004)
Zoals door het geachte parlementslid werd onderstreept mogen producten afkomstig van bedrijven die een overgangsperiode hebben gekregen om te voldoen aan bepaalde structurele eisen alleen op de binnenlandse markt worden verkocht zodat zij niet naar andere lidstaten mogen worden uitgevoerd.
In bijlage V van de Toetredingsakte wordt verwezen naar bepaalde inrichtingen in de Tsjechische Republiek en zijn voorschriften opgenomen die de toepassing van deze beperking voor het op de markt brengen van producten moet garanderen. Het land van oorsprong draagt de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inachtneming van de EG-voorschriften. De algemene voorschriften van Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), zullen van toepassing zijn ten aanzien van het land van bestemming. In dit verband zijn de bepalingen van hoofdstuk II, artikel 5, lid 1, onder a), van de richtlijn van toepassing, d.w.z:
|
|
de bevoegde autoriteit kan op de plaats van bestemming van de goederen via steekproefsgewijze en niet-discriminerende veterinaire controles nagaan of aan artikel 3 is voldaan; zij kan bij die gelegenheid monsters nemen. |
|
|
Beschikt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van doorvoer of van de lidstaat van bestemming over gegevens die een overtreding doen vermoeden, dan kunnen er bovendien nog controles worden verricht tijdens het vervoer van de goederen op haar grondgebied met inbegrip van de controle van de overeenstemming van de vervoermiddelen. |
Interventie van mobiele douaneteams is mogelijk, doch dient te geschieden in overeenstemming met deze richtlijn. Voor deze controles op het verkeer van producten die aan accijnsrechten zijn onderworpen legt de Commissie geen beperking op noch heeft zij normen vastgesteld voor de frequentie ervan. Deze kwestie valt onder het subsidiariteitsbeginsel. Bij het invoeren van deze controles dienen de lidstaten er echter voor te zorgen dat de beginselen van de interne markt in acht worden genomen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/473 |
(2004/C 88 E/0485)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3591/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(5 december 2003)
Betreft: Ivoorkust — opflakkering van de oorlog
De rebellerende strijdkrachten die het noorden van Ivoorkust controleren hebben gisteren in de gebieden waar zij actief zijn de noodtoestand uitgeroepen. Zij beschuldigen president Laurent Gbagbo ervan voorbereidselen te treffen voor het hervatten van de oorlog die begin dit jaar was beëindigd.
Vier maanden na de officiële wapenstilstand, hebben diepgaande meningsverschillen in verband met de vorming van een regering van nationale eenheid beide partijen aan de rand van een nieuw conflict gebracht.
West-Afrikaanse politieke leiders hebben geprobeerd het vredesproces te redden maar de rebellen, die in september uit de overgangsregering waren gestapt, beschuldigen de president ervan dat hij plannen heeft om de steden Man en Bouaké aan te vallen.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Volgt zij deze opflakkering van het conflict in Ivoorkust? Wat zouden de gevolgen zijn van de hervatting van de oorlog voor het evenwicht in de regio? |
|
— |
Zijn er contacten tussen de Commissie en de twee partijen in het conflict? Met welke middelen is de Commissie van plan beide partijen onder druk te zetten om een eind te maken aan de situatie en het wederzijds begrip te bevorderen? |
|
— |
Welke maatregelen heeft de Commissie genomen of is zij van plan te nemen om de veiligheid van de burgers van de lidstaten die in Ivoorkust verblijven te waarborgen? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(15 januari 2004)
De Commissie volgt, zowel vanuit de hoofdzetel als via haar delegatie in Abidjan, de ontwikkeling van de politieke situatie in Ivoorkust van nabij. Afgezien van de dagelijkse opname van de situatie komt in Brussel geregeld een speciale task force voor Ivoorkust, aangevoerd door de directeur voor West- en Centraal-Afrika, bijeen. Zij is samengesteld uit vertegenwoordigers van alle betrokken directoraten-generaal van de Commissie. In Abidjan werd bij de delegatie onlangs een politiek adviseur aangesteld en het hoofd van de delegatie is een van de 13 leden van het toezichtcomité voor de Overeenkomst van Marcoussis, dat minstens eenmaal per week bijeenkomt.
Via het toezichtcomité voor de Overeenkomst van Marcoussis is de Commissie in contact met beide zijden. Bovendien heeft voorzitter Prodi Abidjan bezocht op 13 november 2003. Hij heeft ontmoetingen gehad met President Ggbabo, Eerste Minister Diarra en leden van zijn Regering, the toezichtcomité voor de Overeenkomst van Marcoussis en vertegenwoordigers van de tien politieke strekkingen die ondertekenaars waren van de Overeenkomst van Marcoussis. Hij wees erop dat het belangrijk was dat zij zelf overeenstemming konden bereiken en dat de Unie wel bereid was het land hulp te verstrekken maar dit slechts zou doen wanneer vrede was bereikt, hetgeen betekende dat het ontwapeningsproces op gang moest worden gebracht en het land moest worden herenigd. Hij drong er bij de Forces Nouvelles op aan terug te keren naar de Raad van Ministers, en bij President Gbagbo en de Regering de Overeenkomst van Marcoussis volledig ten uitvoer te leggen.
Dit is een materie die onder de bevoegdheid van de lidstaten valt. De Commissie beschikt niet over de logistieke middelen om de veiligheid van burgers van de Unie in derde landen te waarborgen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/474 |
(2004/C 88 E/0486)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3674/03
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(9 december 2003)
Betreft: Textiel en kleding
Zoals bekend hebben de VS op verzoek van de beroepsverenigingen uit hun textielsector maatregelen genomen om hun markt af te schermen voor de invoer van diverse producten zoals breiwerk en bh's uit China.
Inmiddels is in de Europese Unie vooral in 2002 de invoer van textiel- en kledingsproducten uit China sterk toegenomen, vooral wat de reeds geliberaliseerde producten betreft. De Portugese Textiel- en Kledingsector meldt bij wijze van voorbeeld dat het marktaandeel van China voor anoraks en trainingspakken van minder dan 20 % in 2001 toegenomen is tot ruim 50 % in 2002, met prijsdalingen van rond de 40 % als gevolg.
Het is niet onmogelijk dat door de Amerikaanse maatregelen een deel van de handelsstroom naar Europa wordt omgeleid, hetgeen de communautaire markt nog meer onder druk zal zetten en risico's zal meebrengen voor de industrie in bepaalde landen, met name Portugal, in gebieden die hoofdzakelijk van de textiel- en kledingsector leven.
Welke maatregelen heeft de Commissie genomen om op deze situatie in te spelen en aan welke initiatieven denkt zij om de industrie, de werkgelegenheid en de regionale ontwikkeling te beschermen in zones zoals de Vale do Ave, de Vale do Cávado, Beiras en andere waarvoor textiel en kleding van fundamenteel economisch belang zijn?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(9 februari 2004)
De Commissie is zich terdege bewust van de bezorgdheid die het achtbare Parlementslid tot uiting brengt in verband met de uitvoermogelijkheden van China en het succes dat China reeds heeft geboekt bij zijn pogingen om zijn aandeel in de markt van de EU te verhogen. In waarde heeft de groei van de Chinese uitvoer die van elk ander land overstegen. Het aandeel van China in de invoer in de EU is voor textiel van 1994 tot de negen eerste maanden van 2003, van 6,6 % tot 11,5 % gestegen, voor kleding van 13,8 % tot 19,3 % en voor textiel en kleding gedurende dezelfde periode van 11,4 % tot 17,7 %; China is steeds de grootste leverancier van de EU geweest.
Naast de algemene vrijwaringsmaatregelen van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), die bedoeld zijn om ontwrichting van de markt tegen te gaan, zijn op China ook specifieke vrijwaringsmaatregelen van toepassing overeenkomstig het protocol inzake de toetreding van China tot de WTO. De Verenigde Staten (VS) passen immers sedert 24 december 2003 de specifieke vrijwaringsmaatregelen voor textielproducten toe ten aanzien van drie door China uitgevoerde producten, namelijk brei- of haakwerk, kamerjassen en dergelijke artikelen en bh's. Het ligt voor de hand dat het risico bestaat dat een deel van de handelsstroom naar Europa wordt omgelegd, maar waarschijnlijk zullen de maatregelen van de VS slechts beperkte gevolgen hebben, alleen al omdat de productie van de betrokken goederen in de VS erg beperkt is. Dergelijke maatregelen zullen niet leiden tot een inkrimping van de Chinese uitvoer naar de VS maar zullen veeleer de groei van deze uitvoer afremmen, wat op zich het risico van omleiding van de handelsstroom zal beperken. Wat de gevolgen voor de EU betreft wordt erop gewezen dat er geen groot risico voor omlegging van de handel lijkt te zijn voor brei- en haakwerk of voor bh's; voor de meeste soorten van deze producten gelden nog steeds contingenten. Voor kamerjassen en dergelijke artikelen kunnen de gevolgen ernstiger zijn, omdat de EU hiervoor geen contingenten hanteert en deze invoer in de EU, hoewel China reeds de grootste leverancier van de EU is, de laatste jaren sterk is gestegen.
De Commissie deelt de mening dat de gevolgen van de door de VS genomen maatregelen inclusief het risico op omlegging van de handel, zorgvuldig in het oog moeten worden gehouden. In laatste instantie kan de EU evenwel ook een beroep doen op handelsbeschermende maatregelen conform de WTO-overeenkomsten en de bepalingen van het protocol inzake de toetreding van China tot de WTO.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/475 |
(2004/C 88 E/0487)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3851/03
van Baroness Sarah Ludford (ELDR) aan de Commissie
(16 december 2003)
Betreft: Ratificatie van internationale verdragen op het gebied van mensenrechten
Kan de Commissie meedelen wat de meest recente situatie is (per land) met betrekking tot de ondertekening en ratificatie door alle 25 huidige en nieuwe lidstaten van alle verdragen van de Verenigde Naties, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de Raad van Europa en overige internationale verdragen op het gebied van de mensenrechten, gelijkheid, bescherming van minderheden en anti-discriminatie?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(30 januari 2004)
Binnen de Verenigde Naties zijn er verschillende verdragen op het gebied van de mensenrechten, gelijkheid, bescherming van minderheden en anti-discriminatie.
Alle 25 bestaande en toekomstige lidstaten zijn partij bij de volgende kernverdragen op deze gebieden:
|
— |
het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten |
|
— |
het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten |
|
— |
het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing |
|
— |
het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen |
|
— |
het Verdrag inzake eliminatie van alle vormen van rassendiscriminatie |
|
— |
het Verdrag inzake de rechten van het kind |
|
— |
het Verdrag van 1995 betreffende de status van vluchtelingen. |
Binnen de Raad van Europa zijn er verschillende verdragen en protocollen op het gebied van mensenrechten, gelijkheid, bescherming van minderheden en anti-discriminatie. De twee belangrijkste verdragen zijn het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of wrede behandeling of bestraffing. Alle 25 bestaande en toekomstige lidstaten zijn partij bij deze verdragen.
In de vraag wordt ook de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling genoemd (OESO). Voorzover de Commissie bekend zijn er in het kader van de OESO geen verdragen op het gebied van de mensenrechten, gelijkheid, bescherming van minderheden en anti-discriminatie. Wat de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) betreft, zijn alle 25 bestaande en toekomstige lidstaten van de Unie deelnemende staten. Als zodanig onderschrijven zij de politieke verbintenissen van de OVSE op het gebied van de mensenrechten, gelijkheid, bescherming van minderheden en anti-discriminatie. De OVSE, als politieke organisatie, heeft geen juridisch bindende teksten op deze gebieden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/476 |
(2004/C 88 E/0488)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3859/03
van Raffaele Costa (PPE-DE) aan de Commissie
(16 december 2003)
Betreft: Financiering kleine projecten programma Tacis 2002
Het aandeel van de financieringen in het kader van het programma Tacis die naar kleine projecten zijn gegaan, is in 2002 met 15 % gestegen. Kan de Commissie mededelen hoeveel kleine projecten zijn gesubsidieerd en om welke bedragen het ging? Is gecontroleerd of deze projecten succesvol verlopen zijn?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(4 maart 2004)
De Commissie heeft begrepen dat het geachte Parlementlid verwijst naar de twee belangrijkste soorten „kleine projecten” van Tacis, namelijk die in het kader van de Faciliteit voor kleinschalige projecten van het Tacis-programma voor grensoverschrijdende samenwerking (CBC) en die in het kader van het onderdeel „burgerlijke samenleving” van het Partnerschapsprogramma voor institutionele opbouw. Voor de Faciliteit voor kleinschalige projecten van het Tacis-programma voor grensoverschrijdende samenwerking is in het kader van het CBC-actieprogramma 2002 van Tacis 6,7 miljoen euro toegewezen. Dit heeft ertoe geleid dat in totaal 32 kleine projecten voor financiering werden voorgedragen en dat voor al die projecten contracten konden worden gesloten. Voorts werden contracten gesloten voor 12 microprojecten (minder dan 50 000 EUR per project). De laatste evaluatieronde voor het onderdeel „microprojecten” is onlangs beëindigd. De contracten voor de geselecteerde microprojecten zullen in de volgende weken worden gesloten.
Wat het Partnerschapsprogramma voor institutionele opbouw betreft, is voor „Steun aan de burgerlijke samenleving en lokale initiatieven” in het kader van het actieprogramma 2002 een totaalbedrag van 11,7 milljoen euro toegekend. In december 2003 waren in totaal 62 projecten voor financiering voorgedragen en voor 61 daarvan waren ook al contracten gesloten.
In beide gevallen zijn de eerste projecten nog maar pas gestart, zodat het nu nog te vroeg is om de resultaten te evalueren. De projecten worden uitgevoerd onder toezicht en supervisie van de delegaties.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/477 |
(2004/C 88 E/0489)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3881/03
van Emmanouil Bakopoulos (GUE/NGL) aan de Commissie
(16 december 2003)
Betreft: Milieuschade aan het wetland Almira in de provincie Xanthi
Halverwege de jaren tachtig is in de kuststrook van de provincie Xanthi een enorme bouwactiviteit op gang gekomen, die in de verdwijning van grote delen van de wetlands aldaar heeft geresulteerd.
Daarnaast heeft de afgelopen jaren de illegale, kunstmatige drooglegging plaatsgevonden van het wetland Almira, dat onderdeel van het RAMSAR-Verdrag is en waarvan een aantal gedeelten tot de speciale beschermingszones overeenkomstig richtlijn 79/409/EEG (1) behoort. In andere gedeelten van dit wetland zijn archeologische opgravingen gedaan.
De in 1997 begonnen voorbereidingen voor de bouw van woningen betreffen een gebied van 25 hectare. Tot nu toe heeft geen enkele overheidsinstantie maatregelen genomen ter bescherming van het milieu.
Is de Commissie op de hoogte van deze situatie en zo ja, welke maatregelen heeft zij genomen om het wetland Almira te vrijwaren?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(23 februari 2004)
De Commissie is door plaatselijke niet-gouvernementele organisaties (NGO's) op de hoogte gebracht van de situatie in de wetlands van Almira in de prefectuur Thracië en de bezorgdheid die bestaat over de bescherming van het gebied. De punten die naar voren zijn gebracht hebben in de meeste gevallen betrekking op de bouw van woningen in het gebied, eigendomskwesties en de slechte tenuitvoerlegging van de wetgeving inzake stedebouwkundige voorschriften. De Gemeenschap heeft echter geen bevoegdheid in dergelijke zaken. Daar komt bij dat de nationale overheid in dit verband reeds passende maatregelen heeft getroffen waarmee naleving wordt afgedwongen (intrekking van vergunningen, het opleggen van boetes).
Het algemene punt dat betrekking heeft op adequate bescherming van het gebied „Limnes kai Limnothalasses Thrakis — Evryteri perioxi kai paraktia zoni”, dat is voorgesteld als een gebied van communautair belang in het kader van de Habitatrichtlijn, Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora (2) (code GR113009) met het oog op de doelstellingen voor behoud, is nog niet aangepakt. Na de klachten onderzocht te hebben, heeft de Commissie opgemerkt dat gemeenschappelijk ministerieel besluit 5796/1996 ter aanwijzing van de zones Nestos Delta en de meren Vistonida en Ismarida als nationaal park, niet langer van kracht was. Volgens de Griekse wet moet het benodigde wettelijke kader ter bescherming van de gebieden, in overeenstemming met de doelstellingen zoals uiteengezet in Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, bestaan uit een goedgekeurd beheersplan (specifiek milieuonderzoek), een gemeenschappelijk ministerieel besluit en een beheersinstantie.
Uit de beschikbare informatie blijkt dat de Griekse overheid wet 3044/2002 heeft goedgekeurd, die voorziet in de oprichting van 25 beheersinstanties voor een aantal gebieden die al door Griekenland waren voorgesteld voor opname in het Natura 2000-netwerk. Deze wet richt een beheersinstantie op voor het deltagebied Nestos-Vistonida-Ismarida en is gevolgd door gemeenschappelijk ministerieel besluit 125208/394/30.1.2003, waarin de samenstelling van de leiding van de beheersinstantie werd vastgelegd. Het proces van oprichting en volledige inwerkingstelling van de beheersinstantie lijkt nog niet te zijn voltooid. De volledige inwerkingstelling zal naar verwachting bijdragen aan de doelstellingen van behoud van deze gebieden, de tenuitvoerlegging van de goedgekeurde beheersplannen en de efficiënte bescherming daarvan.
Dat neemt niet weg dat de Commissie, aangezien het nationale wettelijke kader nog niet geheel rond was, een procedure wegens schending van het Gemeenschapsrecht uit hoofde van artikel 226 van het EG-Verdrag heeft ingeleid, aangezien Griekenland voor de speciale beschermingszone geen aangepast wettelijke kader tot stand heeft gebracht dat kan zorgen voor de bescherming en het behoud ervan. De Commissie verzekert het geachte parlementslid dat zij niet zal aarzelen de nodige stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat de communautaire milieuwetgeving correct wordt toegepast.
(1) PB L 103 van 25.4.1979, biz. 1.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/478 |
(2004/C 88 E/0490)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3967/03
van Gian Gobbo (NI) aan de Commissie
(5 januari 2004)
Betreft: Vergoeding voor onteigende bezittingen van Istrische vluchtelingen in Kroatië
Acht de Commissie het gezien het toekomstige besluit van de Raad om onderhandelingen met Kroatië te openen nuttig en juist de pijnlijke kwestie aan de orde te stellen van de onteigeningen die Italiaanse en Europese burgers moesten ondergaan die na de Tweede Wereldoorlog hun eigen land en bezittingen moesten achterlaten aan de nieuw ingestelde Joegoslaafse overheid?
Acht de Commissie de wetgeving waarop de Kroatische overheid zich beroept om teruggave van de bezittingen aan de Istrische vluchtelingen te weigeren strijdig met de beginselen van de Europese Unie en de beginselen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(6 februari 2004)
Het probleem van de onteigeningen na de Tweede Wereldoorlog is een openstaande bilaterale kwestie tussen de betrokken landen en de Commissie heeft geen juridische bevoegdheid terzake.
De Commissie heeft evenwel bij verschillende gelegenheden, op basis van het beginsel van goed nabuurschap, Kroatië aanbevolen om via dialoog met de betrokken partijen tot een aanvaardbare oplossing van het probleem te komen. Het probleem werd in het laatste stabilisatie- en associatieverslag over Kroatië van april 2003 vermeld en aan de orde gesteld in de periodieke vergaderingen van de Commissie met de Kroatische regering.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/478 |
(2004/C 88 E/0491)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3977/03
van Paulo Casaca (PSE) aan de Commissie
(5 januari 2004)
Betreft: Bemiddeling in Nepal
De situatie rond de burgeroorlog in Nepal is de laatste jaren aanmerkelijk verslechterd volgens een groep niet-gouvernementele organisaties uit Nepal en Europa, die onlangs het Europees Parlement heeft bezocht en zijn bezorgdheid hierover heeft uitgesproken.
Die bezorgdheid geldt onder meer het rampzalige effect van de oorlog op minderjarigen, die worden gedwongen deel te nemen aan de guerilla of, zelfs als dat niet het geval is, door de autoriteiten hiervan worden verdacht en dienovereenkomstig behandeld.
Denkt de Commissie niet dat de Europese Unie moet voorstellen te bemiddelen in dit conflict?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(9 februari 2004)
De Commissie is het met het geachte parlementslid eens dat het geweld in Nepal reden is voor grote bezorgdheid en dat de opschorting van de wapenstilstand en de vredesonderhandelingen door de maoïsten op 27 augustus 2003 tot een nieuwe golf van instabiliteit, stadsguerrillaoorlogen en een groot aantal slachtoffers heeft geleid.
De Commissie richt zich bij samenwerking vooral op armoedebestrijding. Zij heeft middelen geprogrammeerd om de gevolgen van dit conflict te verzachten. In het nieuwe nationale strategiedocument, dat de Commissie op 18 december 2003 goedkeurde, wordt bijzondere aandacht besteed aan armoedebestrijding, goed bestuur en versterking van de democratie, met name in het westen en midden van het land, verbetering van de leefomstandigheden van de plaatselijke boeren en het verkleinen van de invloed van de maoïsten. De Commissie is ook actief betrokken bij bemiddelingsactiviteiten met de media, maatschappelijke organisaties en plaatselijke gemeenschappen.
Een andere belangrijke prioriteit voor de EU-acties in Nepal zijn de mensenrechten. Door het conflict is de mensenrechtensituatie onrustbarend verslechterd. De Commissie wil via het Europees initiatief voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR) de steun uitbreiden voor projecten ter bevordering van de mensenrechten, waaronder de rechten van kinderen en jongeren in Nepal. Het EIDHR verleent met name steun aan de Mensenrechtencommissie en in 2003 werd in Nepal een regeling voor microprojecten ingevoerd. De EU wil zich ook inzetten op het gebied van de waarneming van verkiezingen, als en wanneer deze plaatsvinden.
De Commissie meent dat er geen militaire oplossing voor het conflict kan bestaan en dat het van het grootste belang is om een nieuw staakt-het-vuren af te kondigen. Op dit moment lijkt er echter geen ruimte te zijn voor bemiddeling van buitenaf. Hoewel het land in een diepe crisis en een politieke impasse verkeert, hebben de Nepalese autoriteiten niet om bemiddeling van buitenaf gevraagd. De Commissie richt zich momenteel vooral op het kweken van vertrouwen tussen de lokale politieke organisaties en de bevordering van de maatschappelijke participatie in het vredesproces.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/479 |
(2004/C 88 E/0492)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3982/03
van Miquel Mayol i Raynal (Verts/ALE) aan de Commissie
(6 januari 2004)
Betreft: De politieke rechten van de Macedonische minderheid in Griekenland
De Macedonische minderheid in Griekenland is binnen de Europese Vrije Alliantie (ALE) vertegenwoordigd door de Regenboogpartij (Ouranio Toxo).
Door diverse voorvallen en dreigementen werd deze partij door Griekse organisaties van fascistische signatuur fysiek verhinderd in het organiseren van zijn congres ter voorbereiding van de Europese verkiezingen.
Er werden heel wat stappen ondernomen bij de Griekse autoriteiten, zowel op lokaal als op nationaal vlak, maar deze hebben bovengenoemde groeperingen gewoon hun gang laten gaan. Het Congres van de Regenboogpartij, dat aanvankelijk voor 30 november was gepland, werd eerst uitgesteld tot 7 december en vervolgens voor onbepaalde tijd uitgesteld in verband met de bestaande risico's.
Is de Commissie op de hoogte van deze schending van de politieke rechten van een minderheid?
Kent zij de redenen voor de passiviteit die de Griekse autoriteiten in deze kwestie aan de dag leggen?
Aanvullend antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(27 mei 2004)
Zoals aangegeven in haar voorlopig antwoord op schriftelijke vraag E-3982/03 (1) van het geachte parlementslid, heeft de Commissie de Griekse autoriteiten op 17 februari 2004 om informatie gevraagd over de feiten waarop door het geachte parlementslid is gewezen.
In hun antwoord, dat de Commissie op 30 maart 2004 heeft ontvangen, maken de Griekse autoriteiten de volgende opmerkingen:
|
— |
Derde personen of organisaties hebben de Regenboogpartij niet verhinderd haar congres te houden. Op 7 december 2003 is in de straten in het centrum van de stad Edessa een kleine protestmars georganiseerd tegen de voorgenomen organisatie van dat congres. Deze mars heeft niet geleid tot enige verstoring of bedreiging van de openbare orde, zodat de ter plaatse aanwezige politie niet heeft hoeven in te grijpen. Er zij op gewezen dat de betogers zich niet hebben begeven naar de plaats waar het congres zou worden gehouden. |
|
— |
De politieautoriteiten hadden alle maatregelen genomen om het goede verloop van het congres van de Regenboogpartij op beide medegedeelde datums, namelijk 30 november 2003 en 7 december 2003, te garanderen. Om op eventuele protesten voorbereid te zijn, waren in beide gevallen de dag voordat het congres zou worden gehouden passende maatregelen genomen. |
|
— |
Bijgevolg kunnen voor het feit dat het congres van de Regenboogpartij werd uitgesteld, als redenen niet de risico's worden aangevoerd die aan het houden van het congres waren verbonden, en evenmin de vermeend ontoereikende reactie van de Griekse autoriteiten om het goede verloop ervan te garanderen. De Regenboogpartij heeft overigens in het verleden zonder het geringste incident vergaderingen en manifestaties georganiseerd in de stad Florina. |
|
— |
Het feit dat het congres werd uitgesteld, zou in feite het gevolg zijn geweest van geschillen van commerciële aard met hotelondernemingen over de uiteindelijke kostprijs van de organisatie ervan. |
De Commissie acht de door de Griekse autoriteiten gegeven uitleg bevredigend.
Voorts stelt de Commissie het geachte parlementslid ervan in kennis dat de Griekse autoriteiten protesteren tegen het gebruik van de term „Macedonische minderheid”. De Griekse autoriteiten onderstrepen dat er in Griekenland geen minderheid bestaat die een dergelijke naam draagt. Zij stellen dat in West-Macedonië personen zijn gevestigd die, behalve Grieks, een Slavische streektaal spreken. Slechts enkele van deze personen zouden zich graag de status van nationale minderheid zien toekennen. Het zich toe-eigenen van de term „Macedonisch” om deze personen aan te duiden, geeft echter aanleiding tot semantische en culturele verwarring, aangezien deze term uitsluitend wordt gebruikt om de — ongeveer twee miljoen — uit Macedonië afkomstige Grieken aan te duiden.
(1) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 888.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/480 |
(2004/C 88 E/0493)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4010/03
van Reino Paasilinna (PSE) aan de Commissie
(8 januari 2004)
Betreft: Bescherming van de elektriciteitsvoorziening
De richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (2003/54/EG) (1) dateert van 26 juni 2003. In de overwegingen ervan, met name de overwegingen 23, 24 en 26, wordt nadruk gelegd op het belang van de voorzieningszekerheid, de bescherming van de rechten van kwetsbare afnemers en het waarborgen van de normen van de openbare dienstverlening.
Welke concrete maatregelen heeft de Commissie genomen om ervoor te zorgen dat de lidstaten hun verplichtingen met betrekking tot de hierboven genoemde punten nakomen? Reden voor bezorgdheid is er met name, vooral in de winter, op het gebied van de voorzieningszekerheid. De verstrekkende en langdurige stroompannes die in de loop van dit jaar hebben plaatsgehad, hebben aangetoond dat de bestaande netten kwetsbaar zijn.
Hoe is de Commissie van plan ervoor te zorgen dat een voltooide interne markt voor energienetten niet leidt tot een daling van de voorzieningszekerheid?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(6 februari 2004)
Het onderwerp voorzieningszekerheid is een cruciaal punt voor de succesvolle werking van de interne markt. Dit geldt zowel voor het onderhoud en de toename van het niveau van de openbare dienstverlening als voor bescherming van kwetsbare afnemers. Er wordt daarom in de nieuwe Elektriciteitsrichtlijn 2003/54/EG (2) veel aandacht besteed aan deze onderwerpen; deze richtlijn eist van de lidstaten dat zij het evenwicht tussen vraag en aanbod in hun elektriciteitssystemen blijvend controleren en dat zij zorgen voor de nodige reservemechanismen die zij kunnen gebruiken mocht de markt niet in staat zijn om de voorzieningszekerheid te garanderen.
De lidstaten zijn nu bezig met het omzetten van deze richtlijn in nationale wetgeving. De Commissie zal beoordelen of zij hebben voldaan aan hun verplichtingen in verband met deze punten zodra zij de kennisgeving van de nationale wetgeving heeft ontvangen. Indien een lidstaat de richtlijn niet correct ten uitvoer legt, leidt de Commissie een inbreukprocedure in. De Commissie verwacht echter dat de lidstaten de richtlijn correct in nationale wetgeving zullen omzetten. De Commissie zal hoe dan ook een proces van benchmarking en vergelijking uitvoeren van de aanpak die de diverse lidstaten hanteren om de beste praktijk die hieruit naar voren komt bij de andere lidstaten aan te bevelen.
Verder heeft de Commissie op 10 december 2003 een voorstel gepubliceerd voor een richtlijn inzake maatregelen om de zekerheid van de voorziening van elektriciteit en investeringen in de infrastructuur veilig te stellen (3). De bedoeling van dit voorstel is ervoor te zorgen dat lidstaten al van te voren een duidelijk beleid inzake voorzieningszekerheid hebben, zodat er sprake is van stabiliteit in de regelinggeving en een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden. Verder is het bedoeld om te garanderen dat de nodige investeringen worden gedaan in grensoverschrijdende infrastructuur; zo wordt gezorgd voor voorzieningszekerheid terwijl ook de concurrentie op de gehele interne markt volledig tot ontwikkeling komt.
(1) PB L 176 van 15.7.2003, blz. 37.
(2) Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 96/92/EG — Verklaringen met betrekking tot ontmantelings- en afvalbeheeractiviteiten.
(3) COM(2003) 740 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/481 |
(2004/C 88 E/0494)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4027/03
van Geoffrey Van Orden (PPE-DE) aan de Commissie
(9 januari 2004)
Betreft: Aftrek belasting kapitaalwinsten
Bij de berekening van de belasting over kapitaalwinsten die moet worden betaald over de opbrengst van de verkoop van onroerende goederen, kunnen in Frankrijk de kosten van verbetering van die onroerende goederen worden afgetrokken van de totaal te betalen belasting.
Geldt dit ook, wanneer de verbeteringswerkzaamheden worden uitgevoerd door een Brits bedrijf en in pond sterling worden betaald?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(10 februari 2004)
Deze aangelegenheid raakt de Franse regering en niet de Commissie. Er is binnen de Europese Unie geen harmonisatie van de directe belastingen; de lidstaten zijn vrij hun eigen belastingwetten op te stellen — mits zij uiteraard de fundamentele vrijheden respecteren die gewaarborgd worden in het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie.
Een van deze vrijheden heeft betrekking op de levering van diensten. Een belastingvoorschrift dat aftrek zou weigeren van de kosten gemaakt voor werkzaamheden die door een in een andere lidstaat gevestigde onderneming zijn uitgevoerd, lijkt aan te merken als discriminatie, gebaseerd op de nationaliteit dan wel de vestigingsplaats van de dienstverlener. Het zou onder deze omstandigheden waarschijnlijk een inbreuk op het EG-Verdrag vormen. De Commissie heeft evenwel geen reden ervan uit te gaan dat zo'n soort regel in Frankrijk zou bestaan.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/482 |
(2004/C 88 E/0495)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0008/04
van Philip Claeys (NI) aan de Commissie
(16 januari 2004)
Betreft: Toetreding van Cyprus, immigratie
Naar aanleiding van de recente verkiezingen in het Turkse gedeelte van Cyprus uitten oppositiepartijen hun bezorgdheid over massale inschrijvingen van Turkse staatsburgers op de kiezerslijsten. De banden tussen „president” Rauf Denktas (en de politieke krachten rond hem) en Turkije zijn zeer nauw. Dat kan na de toetreding van Cyprus mogelijke aanleiding geven tot een aantal problemen. Zo is het gevaar niet denkbeeldig dat het bezette gedeelte van Cyprus door Turkije misbruikt wordt als transitzone om Turken te laten immigreren naar andere lidstaten van de Europese Unie. Op die manier kan de immigratiestop in de meeste lidstaten van de Europese Unie omzeild worden. De regering van Cyprus stimuleert immers het vrij verkeer van personen op het hele eiland.
Welke maatregelen overweegt de Commissie om dit potentiële probleem aan te pakken? Werd hierover al overleg gepleegd met de autoriteiten in Cyprus?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(4 maart 2004)
Cyprus is de facto verdeeld door een VN-bufferzone. Deze bestandslijn tussen het noordelijk deel van Cyprus en het door de Grieks-Cypriotische regering gecontroleerde gebied, kan alleen bij vier grensovergangen worden overschreden.
Overeenkomstig het beleid van de Republiek Cyprus mogen alleen burgers van de Republiek Cyprus, EU-burgers en onderdanen van derde landen die legaal in het noordelijk deel van Cyprus verblijven, alsmede EU-burgers en onderdanen van derde landen die het eiland via het door de Grieks-Cypriotische regering gecontroleerde gebied zijn binnengekomen, de bestandslijn overschrijden. Onderdanen van derde landen die Cyprus via het noordelijk deel van het eiland zijn binnengekomen, mogen de grens tusssen het noordelijk deel en het door de Grieks-Cypriotische regering gecontroleerde gebied niet overschrijden.
Indien vóór 1 mei 2004 een oplossing tot stand komt, zal de kwestie aan bod komen in het plan-Annan. Op basis van dit plan zal de Europese Unie meer gedetailleerde bepalingen opstellen.
Indien tegen 1 mei 2004 geen oplossing is bereikt, bepaalt artikel 2 van Protocol nr. 10 van de Toetredingsakte dat de Raad de voorwaarden bepaalt waaronder personen de grens kunnen overschrijden. Op grond van dit artikel zal de Commissie een voorstel voor een verordening van de Raad opstellen.
Er bestaat geen risico op illegale immigratie via Cyprus naar de andere lidstaten omdat de nieuwe lidstaten slechts geleidelijk in de Schengen-zone zullen worden opgenomen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/483 |
(2004/C 88 E/0496)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0027/04
van Marco Pannella (NI) aan de Commissie
(9 januari 2004)
Betreft: Aanhoudende moorden en folteringen door Vietnamese regeringsfunctionarissen
Op 13 december 2003 heeft een groep agenten van de Vietnamese paramilitaire politie van het district Dak Doa het dorp Plei O Dot in de gemeente Ia Bang, district Dak Doa, provincie Gia Lai, omsingeld en twee dorpsbewoners gearresteerd, namelijk Nih (41 jaar) en So (44 jaar), beiden christenen en aanhangers van de Montagnard Foundation Inc. (MFI) en van de Transnationale Radicale Partij (TRP).
Nih was geregistreerd onder nummer 338 en So onder nummer 373 op de lijsten van aanhangers van de MFI en de TRP, welke lijsten ter beschikking staan van de nationale en internationale autoriteiten die een onderzoek willen instellen naar deze gebeurtenissen.
Beiden zijn overgebracht naar de districtsgevangenis van Dak Doa en gefolterd met slagen en elektrische schokken. Nih weigerde te antwoorden op de vragen en het christendom af te zweren. Daarop heeft majoor Tuan, van de politie van Dak Doa, hem in de borst gestoken en vervolgens de keel doorgesneden.
Op 15 december 2003 heeft de Vietnamese politie het lijk van Nih naar zijn familieleden in Plei O Dot gebracht, doch hen verboden een begrafenisdienst te houden, met de verklaring dat zij aan alle inwoners van het dorp wilde laten zien wat er gebeurt met degenen die geen vriend zijn van de regering van Vietnam. Ook nu nog weten wij niet of het lijk begraven is of niet.
Nih was een boer die als leek actief was in de lokale kerk en steeds de controle van de regering op de religieuze activiteiten van deze kerk van de hand had gewezen. Hij is gedood omdat hij voedsel had geleverd en hulp had geboden aan de Montagnard-vluchtelingen die zich schuilhouden in de jungle aan de grens tussen Vietnam en Cambodja. Nih laat een vrouw en drie kinderen na, die eveneens blootstaan aan bedreigingen en discriminatie.
Kan de Commissie meedelen of zij op de hoogte is van de hierboven beschreven feiten en zo neen, hoe zij gevolg denkt te geven aan haar voortdurende verzekeringen dat zij de situatie nauwlettend in het oog houdt — zonder dat het overigens ook maar een keer tot veroordelingen en sancties ten aanzien van de Vietnamese regering is gekomen — en of zij erop toe zal zien dat degenen die verantwoordelijk zijn voor deze wreedheden naar behoren worden berecht en dat de slachtoffers van de gewelddaden onmiddellijk in vrijheid worden gesteld?
Wat zij denkt van het feit dat de uitoefening van het politieke recht om lid te worden van een NGO met raadgevende status bij de VN-organisatie ECOSOC, zoals het geval is met de Transnationale Radicale Partij, een NGO die zich ten doel stelt de naleving van de mensenrechten met niet-gewelddadige middelen te bevorderen, door de regering van Vietnam als een criminele daad wordt beschouwd?
Of zij niet van plan is om in het kader van de samenwerkingsovereenkomsten te verzoeken een Europese delegatie toegang te verlenen tot de centrale hoogvlakten van Vietnam?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(30 januari 2004)
De Commissie is op de hoogte van rapporten waarin de genoemde incidenten in de provincie Gia Lai beschreven worden, maar heeft deze niet kunnen controleren, aangezien het moeilijk blijft onafhankelijke en verifieerbare informatie te krijgen over de situatie in het centrale hoogland.
Zoals het geachte parlementslid ongetwijfeld weet, volgt de Europese Unie nauwlettend de mensenrechtensituatie in Vietnam, waarbij met name gelet wordt op de situatie in het centrale hoogland.
In dit verband heeft de EU de regering van Vietnam regelmatig opgeroepen om EU-delegaties, de VN-commissaris voor de vluchtelingen (UNHCR) en andere organen en vertegenwoordigers van de VN, betere toegang te verschaffen tot het gebied, zodat zij de situatie ter plaatse met eigen ogen volledig en onafhankelijk kunnen beoordelen. De regering van Vietnam heeft de EU toegestaan — onder begeleiding — trojkadelegaties naar het gebied te sturen, voor het laatst in december 2003. De toegang blijft echter beperkt.
De EU heeft voortdurend haar bezorgdheid uitgesproken over de schendingen van de mensenrechten, onder meer ten aanzien van gevallen waarin mensen vervolgd werden vanwege het op vreedzame wijze uitdrukking geven aan hun persoonlijke mening. In dit verband verwijst de Commissie het geachte parlementslid naar schriftelijke vraag E-3001/03 tot en met E-3003/03 (1) over de vermeende schendingen van de mensenrechten in het centrale hoogland. De Commissie staat nog steeds achter haar antwoord daarop.
(1) PB C 70 E van 20.3.2004, blz. 190.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/484 |
(2004/C 88 E/0497)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0089/04
van Astrid Thors (ELDR) aan de Commissie
(21 januari 2004)
Betreft: De behandeling van kernafval in Rusland
Vorig jaar is er veel vooruitgang geboekt met het bevorderen van een verantwoorde behandeling van kernafval in Rusland; vooral het afval van atoomduikboten in het noordwestelijke deel van het land. Het milieupartnerschap in het kader van de noordelijke dimensie heeft middelen voor een aanzienlijke financiering (meer dan 160 miljoen euro ter beschikking) en de zogenaamde MNEPR-overeenkomst over verantwoordelijkheids- en belastingvragen met Rusland over kernafval is ondertekend maar nog niet bekrachtigd. Er ontbreekt echter een actieplan over hoe het afval behandeld of definitief verwijderd zal worden en de samenwerking tussen verschillende donors kan ook verbeterd worden. Verder bleek tijdens een werkbijeenkomst van de Russische doema en het Europees Parlement op 26 november 2003 dat er nog veel vragen over de controle onbeantwoord zijn.
Welke maatregelen heeft de Commissie getroffen of van welke maatregelen die getroffen werden is ze op de hoogte zodat alle partijen die bijdragen tot het opruimen en de financiering het eens kunnen worden over een actieplan? Welke garanties heeft de Commissie dat het opruimingsproject van het kernafval zal leiden tot een hoger veiligheidsniveau en dat de gebruikte brandstof niet opnieuw voor militaire doelen wordt gebruikt?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(3 maart 2004)
De Commissie heeft de omvang van het probleem van het kernafval in Rusland met name in het noordwestelijk gedeelte van het land steeds erkend. Zij heeft een gezamenlijke aanpak die de coördinatie tussen de diverse donoren en Rusland zou versterken actief gepromoot. De ratificatie van het Verdrag inzake een Multilateraal Nucleair Milieuprogramma in de Russische Federatie (MNMRF) door de Doema op 28 november 2003 en door de Federale Raad op 10 december 2003 maakte het mogelijk dat het milieupartnerschap van de Noordelijke Dimensie op het gebied van het beheer van het kernafval in werking kon treden. De Commissie zal in 2003/2004 in totaal 50 miljoen euro bijdragen aan het Fonds waarvan 40 miljoen euro zullen worden toegewezen aan de nucleaire sector.
De Commissie heeft de oprichting gesteund van een Uitvoerend Comité van de rekening „Nucleaire Veiligheid” om te waarborgen dat niet alleen de activiteiten die uit het Fonds worden gefinancierd worden gecoördineerd, maar ook de programma's van de talrijke bilaterale donoren die bijna allen in dit Comité vertegenwoordigd zijn. De eerste vergadering van dit Comité heeft op 2 februari 2004 plaatsgevonden. Er werd een project goedgekeurd om een strategisch beheersplan te ontwikkelen voor het radioactieve afval in noordwest Rusland. Dit project zal in de komende maanden worden uitgevoerd en zal een stevige basis vormen voor de toekomstige coördinatie en selectie van de te steunen projecten.
De selectie van de projecten zal moeten gebeuren aan de hand van criteria waarin nucleaire veiligheid, veiligheid, kosteneffectiviteit en milieuvoordelen van groot belang zullen zijn. Het Milieupartnerschap van de Noordelijke Dimensie zal slechts activiteiten financieren die ten doel hebben het veilige beheer en de veilige opslag van kernafval (gebruikte nucleaire brandstof en radioactief afval) in noordwest Rusland te waarborgen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/485 |
(2004/C 88 E/0498)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0091/04
van Ilka Schröder (GUE/NGL) aan de Commissie
(21 januari 2004)
Betreft: Gevolgen van de opneming van Hamas in de lijst van terroristische organisaties
Sinds september 2003 wordt de Palestijnse organisatie Hamas in zijn geheel door de Europese Unie als terroristische organisatie aangemerkt (Gemeenschappelijk standpunt 2003/651/GBVB (1)); sinds december 2001 stond de militaire vleugel van Hamas, Izz al-Din al-Quassem, al op de lijst van terroristische organisaties. Overeenkomstig het Gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GBVB (2) is op grond van opneming in de lijst bevriezing van de tegoeden, financiële activa of andere economische middelen, gemeenschappelijke ambtelijke hulp en politiële en justitiële samenwerking in strafzaken bij de bestrijding van het terrorisme vereist. Overeenkomstig verordening (EG) 2580/2001 (3) worden de tegoeden, financiële activa en andere economische middelen van de op de lijst voorkomende personen, goepen en entiteiten bevroren; bovendien mogen geen verdere economische middelen ter beschikking worden gesteld (met uitzondering voor humanitaire doelen).
Volgens Commissielid Patten betekent opneming in de lijst dat de lidstaten elkaar „de ruimst mogelijke bijstand” bieden bij het bestrijden van terroristische daden via politiële en justitiële samenwerking in strafzaken verlenen, en dat de financiële beperkingen die zijn gesteld in verordening (EG) 2580/2001 van toepassing zijn (zie zijn antwoord op schriftelijke vraag E-2774/03 (4) van Theresa Villiers).
|
1. |
Welke concrete maatregelen zijn sinds december 2001 door de lidstaten bij het bevriezen van financiële middelen en in het kader van de politiële en justitiële samenwerking genomen? a) van welke orde van grootte zijn de bevroren tegoeden, financiële activa en andere economische middelen? b) hoe ziet de „ruimst mogelijke rechtshulp” er in de praktijk uit? |
|
2. |
Met welke maatregelen heeft de Commissie het besluit van de Raad van september 2003 a) juridisch, en b) in uitvoeringsopzicht omgezet? |
|
3. |
Geldt het besluit van de Raad inzake Hamas ook voor het door Hamas-functionarissen geëxploiteerde netwerk van sociale dienstverleningsinstanties? In welke lidstaten van de EU zijn inzamelingsacties a) voor Hamas, en b) voor sociale netwerken van Hamas ook nog na het besluit van de Raad van september 2003 toegestaan? |
|
4. |
In welke lidstaten werden de meeste of de meest vèrgaande maatregelen genomen? Welke lidstaten hebben geen maatregelen genomen? |
|
5. |
Welke successen in de strijd tegen het terrorisme konden door de opneming in de lijst worden bereikt? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(12 maart 2004)
De Commissie merkt op dat het besluit om Hamas in zijn geheel op de lijst te zetten door de Raad met algemene stemmen is genomen. Aangezien het besluit is genomen uit hoofde van het Verdrag betreffende de Europese Unie (artikelen (15 en 34), dienen de lidstaten ervoor zorg te dragen dat hun nationale beleid met het gemeenschappelijke standpunt overeenstemt.
De Commissie heeft vernomen dat het geachte parlementslid dezelfde vragen ook aan de Raad heeft gesteld (schriftelijke vraag E-0090/04). Zij verwijst naar het antwoord van de Raad voor informatie over de maatregelen die de lidstaten hebben genomen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking en over bevelen tot bevriezing die de justitiële autoriteiten hebben uitgevaardigd. Het kan echter nuttig zijn hieraan toe te voegen dat Besluit 2003/48/JBZ van de Raad van 19 december 2002 (5) betreffende de toepassing van specifieke maatregelen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking ter bestrijding van het terrorisme is genomen ter uitwerking van artikel 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB. Dit besluit is gericht op verbetering van de politiële en justitiële samenwerking met betrekking tot „strafbare feiten van terroristische aard” waarbij „de op de lijst vermelde personen, groepen of entiteiten” betrokken zijn, en is met name bedoeld om te waarborgen dat Europol en Eurojust de informatie krijgen die zij nodig hebben om hun taken te vervullen. Het besluit roept de lidstaten ertoe op de nodige maatregelen te nemen om gezamenlijke onderzoeksteams op te zetten voor strafrechtelijk onderzoek inzake terroristische daden waarbij personen, groepen of entiteiten op de lijst zijn betrokken, en ervoor te zorgen dat in dergelijke gevallen verzoeken om wederzijdse bijstand en erkenning en handhaving van vonnissen met spoed worden behandeld.
Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme is rechtstreeks toepasselijk in alle lidstaten en voorbiedt onder meer donaties aan Hamas (artikel 2, lid 1, onder b)). De verordening verplicht ook ieder die onder de rechtsbevoegdheid van de Gemeenschap valt om tegoeden en andere activa die aan Hamas toebehoren, te bevriezen. De Commissie heeft echter nog geen melding ontvangen dat aan Hamas toebehorende rekeningen in de Gemeenschap zouden zijn aangetroffen.
Verordening (EG) nr. 2580/2001 verplicht niet tot het bevriezen van tegoeden en activa die toebehoren aan personen die banden met Hamas zouden kunnen hebben, tenzij die personen op de lijst in kwestie zijn opgenomen. Opgemerkt moet echter worden dat de verordening verbiedt dat tegoeden en economische middelen ter beschikking worden gesteld aan of ten behoeve van de op de lijst opgenomen personen, groepen en entiteiten als Hamas. Dat verbod is ook van toepassing indien de tegoeden indirect ter beschikking worden gesteld. Bovendien verbiedt de verordening het deelnemen aan activiteiten die dat verbod ontduiken.
De Commissie heeft vernomen dat de lidstaten, teneinde de financiering van de terroristische activiteiten van Hamas effectiever aan banden te kunnen leggen, thans onderzoeken of bepaalde personen, groepen en entiteiten die banden met Hamas zouden kunnen hebben, ook onder de financiële beperkingen van Verordening (EG) nr. 2580/2001 zouden dienen te vallen. Haar veronderstelling is dat het vrijgeven van namen in dit stadium dat onderzoek zou kunnen schaden.
(1) PB L 229 van 13.9.2003, blz. 42.
(2) PB L 344 van 28.12.2001, blz. 93.
(3) PB L 344 van 28.12.2001, blz. 70.
(4) PB C 70 E van 20.3.2004, blz. 140.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/486 |
(2004/C 88 E/0499)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0097/04
van Jean Lambert (Verts/ALE) aan de Commissie
(22 januari 2004)
Betreft: Milieusteun St. Lucia
Ontvangt St. Lucia EU-kredieten, waaronder gelden voor een op het natuurlijk erfgoed gericht toeristisch programma op collectieve basis? Wat is de financiële omvang van de overeenkomst? Op welke wijze worden deze uitgaven precies verantwoord? Welke waarde hebben de programma's in milieutechnisch opzicht?
Is het de Commissie bekend dat Jane Tipson, medeoprichtster van de Oost-Caribische Coalitie voor Milieubewustzijn en coördinator van het regionaal programma op St. Lucia onlangs is vermoord?
Is de Commissie eveneens op de hoogte van de beweerde grootschalige corruptie en het wanbeheer van EU-gelden op St. Lucia, en van berichten als zouden specifiek voor milieuprojecten bestemde kredieten niet dienovereenkomstig worden gebruikt? Zo ja, welke maatregelen heeft de Commissie genomen om ervoor te zorgen dat de kredieten naar behoren worden gebruikt?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(4 maart 2004)
Als een der ACS-landen (staten van Afrika, het Caraïbisch gebied en de Stille Oceaan) ontvangt Saint Lucia krachtens de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou gelden uit het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), en uit specifieke begrotingslijnen zoals de bijzondere kaderregeling voor bijstand ten behoeve van de traditionele ACS-leveranciers van bananen. De hulp van de Gemeenschap aan Saint Lucia bedroeg sedert 1985 in totaal 9 miljoen euro, waaronder 58 miljoen euro uit Stabex-overdrachten (Stabex was een regeling krachtens de Overeenkomsten van Lomé om ACS-landen te vergoeden voor terugval bij hun exportopbrengsten van bepaalde primaire gewassen) alsmede 24,2 miljoen euro van de Europese Investeringsbank (EIB) voor leningen, en risicokapitaal.
Het is waar dat er krachtens Stabex-fondsen een project voor lokaal gedragen erfgoedtoerisme was gefinancierd en ten uitvoer gelegd. De tenuitvoerlegging werd in 2003 afgerond, het kostte 2 miljoen euro. Hierdoor kon een voor het publiek opengesteld natuurpark tot stand worden gebracht. Bovendien heeft het project het ecotoerisme in de particuliere sector bevorderd.
De tenuitvoerlegging volgde de gewone procedures van het EOF krachtens het Stabex-raamwerk; nadat gedetailleerde werkplannen waren voorbereid, werden er op die basis fondsen verstrekt. Op 18 februari 2004 ontving de Delegatie het eindrapport over de tenuitvoerlegging van het project, met daarin alle financiële gegevens en rekeningen; dit rapport wordt nu grondig bestudeerd. Voor bovengenoemd project is voorzien in een specifieke audit die naar verwachting begin maart 2004 aanvangt. Bovendien loopt thans, en halverwege 2004 af te ronden, een gedetailleerde veelomvattende audit door onafhankelijke externe accountants voor alle Stabex-programma's.
De Commissie en de regering van Saint Lucia nemen de beweringen van wanbeheer van de fondsen zeer ernstig op. De regering stelt harerzijds ook diepgaande onderzoeken terzake in.
Jane Tipson was lid van de Oost-Caraïbische Coalitie voor Milieubewustzijn (ECCEA). Deze organisatie kreeg een gift krachtens de begrotingslijn Milieu (B7 6200) voor een project met als benaming „Een regionaal initiatief om vanuit de plaatselijke gemeenschap natuurtoerisme, milieu-opvoeding en milieubehoud van de eiland-ecostelsels in het oostelijk Caraïbisch gebied te bevorderen”. Dit project is in april 2000 begonnen en op 31 december 2003 geëindigd. De kosten ervan beliepen 1,7 miljoen euro, waaraan de Commissie 1,4 miljoen euro heeft bijgedragen. Binnen dit regionaal bedoelde project vonden enkele activiteiten in Saint Lucia plaats, daaronder ook activiteiten met betrekking tot communicatie en promotie van ecotoerisme en verantwoord milieubeheer in het oostelijk Caraïbisch gebied.
De dood van Jane Tipson wordt door de Commissie ten zeerste betreurd. De moordenaar is aangehouden; de gebruikelijke rechtsgang vindt thans plaats.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/487 |
(2004/C 88 E/0500)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0113/04
van Raina Echerer (Verts/ALE) en Eurig Wyn (Verts/ALE) aan de Commissie
(26 januari 2004)
Betreft: Maltese taal voor de volgende zittingsperiode
Talen zijn een van Europa's belangrijkste sterke punten, en daarom is het van vitaal belang dat de Europese instellingen de diversiteit van talen en culturen in Europa beschermen en bevorderen. Zowel het Europees Parlement als Commissie hebben altijd belang toegekend aan het hebben van de juiste werktuigen om in alle officiële talen van de Europese Unie te vertalen en te vertolken. Ons is echter ter ore gekomen dat er waarschijnlijk een tekort zal zijn aan vertalers en tolken in de Maltese taal. Daarom bestaat er een groot risico dat Maltese parlementsleden en ambtenaren met ingang van 1 mei 2004 in geen enkele EU-instelling het Maltees zullen kunnen gebruiken.
Malta moet als onderdeel van het uitbreidingsproces genoeg tolken en vertalers kunnen leveren om Maltees tot een officiële taal van de Europese instellingen te maken. De huidige universitaire opleiding voor de dergelijke vakken aan de Universiteit van Malta is pas dit jaar voor het eerst op parttime basis van start gegaan, en heeft niet voldoende beroepsmensen voor dit terrein kunnen leveren.
|
1. |
Weet de Commissie in dit verband waarom dit deel van het uitbreidingsproces niet eerst gerespecteerd? |
|
2. |
Is het voor de Commissie mogelijk om deze kwestie aan te pakken door de Universiteit van Malta financiële steun te verstrekken om bovengenoemde cursus fulltime te kunnen geven, zodat Maltese tolken en vertalers zich op een kortere termijn in hun vak kunnen bekwamen? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(5 maart 2004)
De Commissie is eveneens van oordeel dat het aspect van de taal- en cultuurdiversiteit een van de troeven is van de Europese Unie, en dat deze diversiteit moet worden beschermd. De erkenning van het Maltees als officiële taal van de EU weerspiegelt dit.
De organisatie en de inhoud van opleidingen behoort tot de bevoegdheid van de nationale autoriteiten. De afgelopen twee jaar zijn er in het kader van de voorbereiding van de uitbreiding diverse contacten geweest tussen de Commissie enerzijds en de Maltese autoriteiten en belanghebbenden anderzijds, waarbij is gesproken over de opleiding van tolken en vertalers. Daarbij werd met nadruk gewezen op de noodzaak tijdig de juiste voorbereidingen te treffen om te kunnen voorzien in de behoefte aan adequaat gekwalificeerde vertalers en — aangezien er in Malta geen traditie bestond op het gebied van tolken — in het bijzonder aan adequaat gekwalificeerde tolken.
De ernst van het tekort aan gekwalificeerde vertalers en tolken voor het Maltees werd pas medio 2003 echt duidelijk, toen de Commissie een oproep tot het indienen van sollicitaties publiceerde. Het beperkte aantal reacties van gekwalificeerde sollicitanten was het concrete bewijs van dit tekort, dat overduidelijk verband houdt met de geringe omvang van de Maltese bevolking. Tezelfdertijd trof de Commissie maatregelen voor de oprichting van een „plaatselijk bureau vertaling” in Malta om de Maltese autoriteiten te helpen bij het zoeken naar een oplossing.
De Commissie overweegt momenteel de Maltese autoriteiten financieel te steunen bij de organisatie van opleidingscursussen voor tolken en vertalers. Zij weet echter uit ervaring dat deze cursussen met grote zorg en geheel volgens professionele normen moeten worden georganiseerd als het de bedoeling is vertalers en tolken op te leiden die na afronding van hun opleiding beschikken over de door de instellingen van de EU gevraagde kwalificaties. De Commissie tracht dit samen met de Maltese autoriteiten zo snel mogelijk te realiseren.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/488 |
(2004/C 88 E/0501)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0202/04
van Michl Ebner (PPE-DE) aan de Commissie
(29 januari 2004)
Betreft: Onnauwkeurige leidraad zorgt voor uitsluiting van gegadigden voor werkzaamheden met EU-financiering
In de leidraad „Practical Guide to contract procedures financed from the General Budget of the European Communities in the context of external actions” worden de procedures voor inschrijving op en selectie voor door de EU gefinancierde werkzaamheden geregeld.
Hoewel de leidraad in 2003 werd herzien, is hij op sommige punten te strikt en biedt hij op andere punten veel ruimte voor interpretatie wanneer bedrijven en deskundigen zich kandidaat stellen. Zo is bijvoorbeeld punt 2.3.6 „conflict of interest” van de leidraad zo strikt geformuleerd dat bedrijven worden uitgesloten die wel aan een van de voorlopige fases van het project mochten deelnemen. Dit criterium voor uitsluiting heeft betrekking op alle ondernemingen die deel uitmaken van (ook internationale) bedrijvengroepen, onafhankelijk van de structuur van de deelnemingen in de onderneming, zelfs wanneer de deelneming slechts 1 % bedraagt. Het zou echter heel goed mogelijk kunnen zijn dat juist deze kandidaten het meest voor de opdracht geschikt zijn.
Bovendien worden sommige bepalingen op grond van de onduidelijke formuleringen door de verschillende delegaties anders geïnterpreteerd, hetgeen weer misverstanden bij de selectieprocedure veroorzaakt en derhalve niet noodzakelijk tot een zo goed mogelijk resultaat bij de uitvoering leidt.
Heeft de Commissie zich met alle juridische consequenties en met de juiste interpretatie van de „practical guide” beziggehouden? Zo neen, wat zal de Commissie dan doen om een einde aan deze onduidelijkheden te maken?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(15 maart 2004)
De principes waarop de „Practical Guide to contract procedures financed from the General Budget of the European Communities in the context of external actions” gebaseerd zijn, zijn vastgesteld in het Financieel Reglement van 25 juni 2002 van toepassing op de algemene begroting der Europese Gemeenschappen (1). Alle overheidsopdrachten die volledig of gedeeltelijk worden gefinancierd uit de begroting, moeten voldoen aan de beginselen van transparantie, evenredigheid, gelijke behandeling en non-discriminatie. Overeenkomstig artikel 94, onder a), van het Financieel Reglement worden gegadigden of inschrijvers die naar aanleiding van de aanbestedingsprocedure in een belangenconflict verkeren, van gunning van een opdracht uitgesloten.
Wat de externe maatregelen betreft, zijn deze principes als volgt ten uitvoer gelegd:
|
— |
Overeenkomstig de artikelen 237 en 238 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 (2) tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, neemt de Commissie een besluit over de tenuitvoerlegging van de procedures voor het plaatsen van opdrachten voor externe maatregelen. Het besluit van de Commissie inzake regels en procedures voor uit de algemene begroting gefinancierde opdrachten voor diensten, leveringen en werken werd op 25 maart 2003 (3) goedgekeurd. Met de unanieme instemming van de lidstaten vervangt dit besluit de handleiding die door de Commissie in 1999 was aangenomen (4). |
|
— |
In het nieuwe besluit van de Commissie wordt „belangenconflict” gedefinieerd als „Elke gebeurtenis die invloed heeft op het vermogen van een gegadigde, een inschrijver of een contractant om objectief en onpartijdig professioneel advies te geven, of die hem belet om altijd de belangen van de aanbestedende dienst te laten prevaleren. Elk conflict met eventueel in de toekomst te verrichten werkzaamheden, of met andere huidige of vroegere verplichtingen van een gegadigde, een inschrijver of een contractant, of elk conflict met zijn eigen belangen. Deze beperkingen zijn eveneens van toepassing op een eventuele onderaannemer en op het personeel van de gegadigde, inschrijver of contractant.” Er wordt nadrukkelijk op gewezen dat dezelfde definitie reeds in de handleiding van toepassing was. |
|
— |
Op grond van dit nieuwe besluit van de Commissie heeft EuropeAid de „Practical Guide to contract procedures financed from the General Budget of the European Communities in the context of external actions” aangenomen. De daarvoor bevoegde diensten van de Commissie hebben gezorgd voor een Spaanse, Portugese en Engelse vertaling van deze leidraad. |
|
— |
In de bepaling betreffende belangenconflicten in afdeling 2.3.6 van de leidraad wordt in verband met eerlijke concurrentie gesteld dat om elk belangenconflict te vermijden elke onderneming (waaronder bedrijven binnen dezelfde juridische groep, andere leden van hetzelfde consortium en subcontractanten) of deskundigen die deelnemen aan de voorbereiding van een project moeten worden uitgesloten van deelname aan aanbestedingen die op dit voorbereidende werk zijn gebaseerd. Bijgevolg is de bepaling met betrekking tot belangenconflicten waarnaar het geachte parlementslid verwijst, op grond van het besluit van de Commissie juridisch bindend. |
|
— |
De uitsluiting van een onderneming of een deskundige die deelnemen aan de voorbereiding van een project, vloeit onder meer voort uit de kritiek van de Rekenkamer in haar speciaal verslag 16/2000 over de mededingingsprocedures voor overeenkomsten inzake diensten van de programma's Phare en Tacis. Uit mededingingsoogpunt is deze bepaling wenselijk om de onregelmatigheden te voorkomen die zich in het verleden hebben voorgedaan. De bepaling staat trouwens in verhouding tot en is noodzakelijk voor het verwezenlijken van de belangrijkste doelstelling die met de bepaling wordt nagestreefd, namelijk het voorkomen van fraude en oneerlijke aanbestedingen. De Commissie wil collusie tussen inschrijvers voorkomen. Aangezien multinationale concerns bijzonder complexe structuren hebben, moet de uitsluiting heel breed worden gedefinieerd opdat ze doeltreffend is en niet kan worden omzeild door gebruik te maken van verbonden ondernemingen. |
|
— |
Het is nu meer dan drie jaar geleden dat deze bepaling ten uitvoer is gelegd voor projecten met betrekking tot externe hulp. Bij het opstellen van de bepaling werd zowel met de belangen van de verschillende actoren als met de juridische context rekening gehouden. De Commissie wilde in de eerste plaats al haar gunningsprocedures harmoniseren met het oog op meer transparante regels en een stroomlijning van het beheer. Op grond van de opgedane ervaring zal het specifieke vraagstuk van de belangenconflicten worden onderzocht tijdens de volgende herziening van de regels. De Commissie zal natuurlijk de nadruk blijven leggen op de principes waarop de gunningsprocedures op het gebied van communautaire externe hulp zijn gebaseerd, namelijk een eerlijke en gelijke deelname aan aanbestedingen en overeenkomsten en transparantie. |
(3) SEC(2003) 387/2.
(4) Besluit SEC(1999) 1801/2.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/490 |
(2004/C 88 E/0502)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0226/04
van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Commissie
(2 februari 2004)
Betreft: Zetmeelfabrieken en ontwikkelingslanden
Op werkbezoek in Veendam ben ik op de hoogte gebracht over de mogelijkheden van zetmeelproductie uit cassave in ontwikkelingslanden en de factoren die realisatie van projecten op dit terrein blokkeren. In veel ontwikkelingslanden is cassave vaak een inheems gewas dat uitstekend gedijt in de natuurlijke omgeving en goed gebruikt kan worden voor de zetmeelproductie. Zetmeel is een grondstof voor de voedingsmiddelen-, textiel- en papierindustrie. De bouw van een zetmeelfabriek kan veel werkgelegenheid bieden in plattelandsregio's van ontwikkelingslanden die vaak kampen met hoge werkloosheidscijfers. Het zou vele arbeidsplaatsen bieden in de landbouw, industrie en middenstand. De financiering van de bouw van een dergelijke fabriek bedraagt 4 à 5 miljoen euro. Dat is een overzienbare investering die een flinke positieve injectie kan geven aan lokale economieën in ontwikkelingsgebieden. Particuliere investeerders zijn geïnteresseerd om deel te nemen aan de projecten met risicodragend kapitaal, maar dat is niet voldoende voor de uitvoering van de projecten. Ook banken moeten deelnemen door geld te lenen, maar die zijn minder coöperatief. Participerende banken willen garanties voor de door hen geleende bedragen. Het beschikbaar stellen van bankgaranties door de Europese Unie op de financiering van dergelijke projecten zou van grote waarde zijn en zou de banken over de brug halen om te participeren. Dat betekent groen licht voor betrekkelijk kleinschalige investeringen met een geweldige economische spin-off in de lokale economie van ontwikkelingslanden.
|
1. |
Is de Commissie op de hoogte van de mogelijkheden die de zetmeelindustrie biedt op het gebied van werkgelegenheid in ontwikkelingslanden en heeft zij reeds kennis genomen van de problemen met bankgaranties? |
|
2. |
Erkent de Commissie dat het gebrek aan bankgaranties de blokkerende factor is voor deze waardevolle projecten? |
|
3. |
Is de Commissie bereid een bijdrage te leveren aan een mogelijke oplossing van dit probleem? Bijvoorbeeld door middel van verstrekking van bankgaranties? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(12 maart 2004)
|
1. |
De zetmeelindustrie is doorgaans een kapitaalintensieve sector; deze bedrijfstak levert echter niet alleen een bijdrage aan de economische ontwikkeling van plattelandsgebieden waar cassave wordt verbouwd, maar zorgt ook voor waardevolle nieuwe werkgelegenheid. Hoewel de Commissie niet beschikt over specifieke ervaring op het gebied van de zetmeelindustrie in ontwikkelingslanden, heeft het Center for Enterprise Development (CDE), één van de belangrijkste instrumenten van de Commissie voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven, een aantal projecten in deze bedrijfstak geselecteerd. Voor verdere inlichtingen kan contact worden opgenomen met de heer Touré (Tel. 0032-2-6791905, e-mail: cto@cde.int). |
|
2. en 3. |
De Commissie is zich ervan bewust dat het gebrek aan bankgaranties vaak een hinderpaal is voor investeringsprojecten in landen in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen). Zij onderzoekt nu dan ook welke mogelijkheden er zijn om garanties te verschaffen. Er zijn momenteel twee mogelijkheden. Met behulp van het belangrijkste instrument voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven, de investeringsfaciliteit (IF) van 2,2 miljard euro die door de Europese Investeringsbank (EIB) wordt beheerd, kunnen garanties worden verstrekt aan banken. In een recente studie van de EIB werd bevestigd dat lokale financiële markten moeten worden ontwikkeld waarbij eventueel gebruik kan worden gemaakt van garanties. In de loop van de komende maanden zal het IF-comité bespreken of en hoe bankgaranties door de EIB moeten worden verleend. In de tweede plaats voert de Commissie samen met het ACS-secretariaat een studie uit over het internationale garantiesysteem. Doel van deze studie is na te gaan of er in de ACS-landen behoefte is aan garantie-instrumenten waarin het bestaande garantiesysteem op dit ogenblik niet voorziet. De Commissie zal ervoor zorgen dat in deze studie terdege rekening wordt gehouden met het vraagstuk van de bankgaranties en dat een passend gevolg wordt gegeven aan de hieruit voortvloeiende aanbevelingen. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/491 |
(2004/C 88 E/0503)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0254/04
van Elspeth Attwooll (ELDR) aan de Commissie
(3 februari 2004)
Betreft: Mondiaal programma TB-geneesmiddelen
Is de Commissie voornemens bij te dragen tot het mondiaal programma TB-geneesmiddelen? Kan zij, indien het antwoord bevestigend is, aangeven welk bedrag zij eventueel voorstelt?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(18 maart 2004)
De Commissie erkent het belang van de rol die de Global Tuberculosis (TB) Drug Facility (GDF) speelt in het kader van het Stop TB partnerschap om de toegang tot en de beschikbaarheid van kwalitatief hoogwaardige medicijnen tegen tuberculose te verruimen zodat tuberculostatische behandelingen (DOTS — Directly Observed Treatment Short-regime) vaker kunnen worden toegepast en tuberculose over de hele wereld kan worden ingedamd.
De Commissie is niet van plan directe bijstand te verlenen aan de GDF. De bijstand die door de Commissie wordt verstrekt, vormt een onderdeel van het actieprogramma: versnelde actie ter bestrijding van HIV/aids, malaria en tuberculose in het kader van de armoedebestrijding, waarin voor de periode 2001-2006 een brede en samenhangende aanpak van de Gemeenschap werd uitgewerkt. Voor de periode 2003-2006 bedraagt de hulp die de Gemeenschap heeft geprogrammeerd via de verschillende financiële instrumenten voor de strijd tegen HIV/aids, malaria en tuberculose in totaal bijna 1 200 miljoen euro (jaarlijks gemiddelde van 300 miljoen euro). In dit bedrag is de bijdrage opgenomen aan het Global Fund ter bestrijding van HIV/aids, tuberculose en malaria: voor 2002 heeft de Commissie 120 miljoen euro aan het Global Fund uitbetaald en voor de periode 2003-2006 is een bijdrage van 340 miljoen euro uitgetrokken. Van de middelen die al in de eerste fasen werden toegewezen, is 17 % bestemd voor programma's voor de beheersing van tuberculose. Naar verwachting zullen deze projecten een DOTS-behandeling aanbieden voor 2,8 miljoen patiënten (tegenover 830 000 in 2000). Bovendien wordt 46 % van de middelen voor alle ziekten toegewezen voor de levering van medicijnen en medische artikelen. Anderzijds voorzien bijna alle bilaterale gezondheidsprogramma's van de Commissie in een geïntegreerde aanpak voor het verbeteren van de verstrekking van eerstelijnszorg, waaronder de diagnose en de geschikte behandeling van tuberculose, zodat de toediening van anti-tbcgeneesmiddelen doeltreffend verloopt en wordt vermeden dat er zich verdere resistentie tegen deze geneesmiddelen ontwikkelt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/492 |
(2004/C 88 E/0504)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0266/04
van John McCartin (PPE-DE) aan de Commissie
(4 februari 2004)
Betreft: Invoer van vlees van pluimvee naar de Europese Unie
Kan de Commissie mededelen welke hoeveelheden vlees van pluimvee tijdens de laatste periode van zes maanden waarover statistieken beschikbaar zijn naar de Europese Unie zijn ingevoerd, en of de opschorting van deze invoer eventueel merkbare gevolgen zou hebben voor de Europese vleesmarkt?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(16 maart 2004)
In de eerste zes maanden van 2003 bedroeg de invoer in de EU van vlees van pluimvee (met inbegrip van levend pluimvee en pluimveeproducten) 411 000 ton (t). De ingevoerde hoeveelheid was 26 % groter dan de hoeveelheid die is ingevoerd in de overeenkomstige periode in 2002.
De totale invoer van vlees van pluimvee bedroeg in 2003 naar schatting 800 000 t, wat overeenkomt met respectievelijk 9 % van de in de EU geconsumeerde hoeveelheid vlees van pluimvee en 2 % van de totale in de EU geconsumeerde hoeveelheid vlees.
De belangrijkste leveranciers van vlees van pluimvee aan de EU in 2003 waren Brazilië (naar schatting 400 000 t), Thailand (naar schatting 190 000 t) en de landen van Midden- en Oost-Europa.
De volledige opschorting van de invoer van vlees van pluimvee in de EU moet veeleer worden gezien als een hypothetische maatregel. En dergelijke opschorting zou de beschikbaarheid van pluimvee voor de consumenten van de EU weliswaar verminderen, maar niet met de bovengenoemde 9 %. Dit komt doordat het gebrek aan invoer minstens ten dele zou worden gecompenseerd door het aanbod aan Europees vlees van pluimvee en door Europees varkensvlees. Er zij aan herinnerd dat de EU in 2003 ongeveer 1 000 000 t vlees van pluimvee heeft uitgevoerd en voor het betrokken vlees een handelsoverschot van 200 000 t kende.
Het effect van een opschorting zou proportioneel kleiner zijn naarmate de periode waarin deze zou worden toegepast, korter is. Bovendien zou het effect van een verminderde beschikbaarheid van vlees in de EU-15 na 1 mei 2004 worden verzacht door een grotere beschikbaarheid van vlees uit de nieuwe lidstaten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/492 |
(2004/C 88 E/0505)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0302/04
van Christa Randzio-Plath (PSE) aan de Commissie
(2 februari 2004)
Betreft: Arbeidsomstandigheden van werkneemsters in de bloemensector in Afrika, Azië en Latijns-Amerika
Duitsland is de grootste afzetmarkt voor snijbloemen uit Latijns-Amerika, Azië en Afrika. De overwegend vrouwelijke werknemers op de plantages in deze regio's werken meestal voor zeer lage lonen met onzekere arbeidscontracten. Door de slechte arbeidsvoorwaarden, zoals het gebruik van in Europa meestal verboden pesticiden, zonder passende beschermende kleding of andere maatregelen staan zij nog altijd bloot aan ernstige gevaren voor hun gezondheid, in de vorm van kanker, ziekten aan de luchtwegen, miskramen en misgeboorten. Werkneemsters die lid zijn van een vakbond staan bloot aan discriminaties en repressies van de kant van de plantageleiding, zodat het moeilijk is op eigen kracht de arbeidsomstandigheden te verbeteren.
|
1. |
Denkt de Commissie dat het politiek en technisch mogelijk is de invoerrechten op producten van bedrijven die produceren onder ecologisch en sociaal acceptabele voorwaarden, kwijt te schelden? Welke andere instrumenten denkt de Commissie te kunnen inzetten voor een positieve discriminatie van „eerlijk” geproduceerde en verhandelde bloemen? |
|
2. |
Welke andere instrumenten, zoals bijvoorbeeld handels- en samenwerkingsovereenkomsten, alsmede het gebruik van middelen uit de ontwikkelingssamenwerking gebruikt de Europese Unie om invloed uit te oefenen op de arbeids- en gezondheidsomstandigheden in de derde wereld? |
|
3. |
Op 24 november 2003 heeft op de plantage Aposentos Flowers in Bogota een van de ernstigste chemische ongelukken in de bloemenindustrie plaatsgevonden, waarbij een groot aantal werkneemsters gewond zijn geraakt. In hoeverre is de Commissie voornemens hierop te reageren en welke maatregelen denkt zij te nemen? |
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(1 maart 2004)
Naleving van de mensenrechten, waaronder fundamentele arbeidsnormen, is een prioriteit van de EU. In haar handelsbeleid zet de EU zich in voor de daadwerkelijke toepassing van de fundamentele arbeidsnormen (zoals omschreven in de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie) via positieve instrumenten, zoals het stelsel van algemene preferenties (SAP). Krachtens dit stelsel kan een land aanvullende tariefpreferenties genieten, indien het de internationaal overeengekomen fundamentele arbeidsnormen (basisverdragen van de IAO) naleeft of indien het de essentie van internationaal erkende normen en richtlijnen betreffende duurzaam beheer van regenwouden uitvoert. Ook in veel van de bestaande bilaterale overeenkomsten van de Gemeenschap is de naleving van fundamentele arbeidsnormen opgenomen, bijvoorbeeld in de Overeenkomst van Cotonou of in de Overeenkomst met Chili. In dit verband speelt technische bijstand een belangrijke aanvullende rol.
|
1. |
Desalniettemin gaat het gebruik van tarieven en preferentiestelsels, zoals het SAP, om de handel in producten met gunstige productievoorwaarden aan te moedigen, zowel met technische als met politieke moeilijkheden gepaard. De technische moeilijkheid is dat het product zelf misschien niet kan worden onderscheiden van producten waarvan de productievoorwaarden niet voldoen aan de normen waarvoor de EU zich inzet, terwijl invoerrechten betrekking moeten hebben op goederen die van elkaar kunnen worden onderscheiden, zodat de douanebeambten het juiste invoerrecht kunnen heffen. De politieke moeilijkheid ligt in het feit dat de WTO-leden tot nu toe nog steeds geen overeenstemming hebben bereikt over de legitimiteit van een verschil in behandeling van een product op grond van het productieproces dat het heeft doorgemaakt. Soevereine staten beschouwen het als een prerogatief hun eigen sociale en milieuregeling te kiezen en af te dwingen. Met inachtneming van de beperkingen die voortvloeien uit de internationale overeenkomsten die deze landen hebben ondertekend, kan de EU deze voorwaarden niet buiten haar grenzen opleggen. Zij kan dat alleen op contractuele basis, als koper van goederen. De WTO-leden behouden echter wel de mogelijkheid vrijwillige maatregelen te ontwikkelen om goederen die eerlijk worden geproduceerd en verhandeld, positief te discrimineren (bijvoorbeeld door toekenning van een label). |
|
2. |
Om bovengenoemde redenen volgt de Commissie met belangstelling de ontwikkeling van de „eerlijke bloemen”-beweging en van initiatieven in verband met eerlijke handel en ethische handel in het algemeen. Via deze initiatieven kan de consument invloed uitoefenen op de productievoorwaarden door uitsluitend te kiezen voor producten die aansluiten op zijn of haar verwachtingen en wensen. De Commissie is voornemens toe te zien op de impact van deze initiatieven en actief te overwegen of een initiatief op Europees niveau tot hun doeltreffendheid kan bijdragen. De gezondheid van de landbouwproducenten is een belangrijk thema in het beleid op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Specifieke programma's worden altijd opgesteld in samenwerking met de begunstigde landen. Een voorbeeld van een programma op dit gebied is het Initiatiefprogramma bestrijdingsmiddelen (PIP), een ACS-operatie met een budget van 29,12 miljoen euro. Het wordt door „COLEACP” beheerd (zie: www.coleacp.org) en heeft veilig gebruik van bestrijdingsmiddelen als een van zijn voornaamste doelstellingen. Meer algemeen vindt voor elke overeenkomst waarover momenteel wordt onderhandeld, een duurzaam-heidseffectbeoordeling (SIA) plaats om de mogelijke handelsgerelateerde impact op het milieu, de sociale ontwikkeling en de economie te onderzoeken. Armoede, gelijkheid van man en vrouw en gezondheid zijn sociale dimensies die in elke SIA worden beoordeeld. Door de resultaten van de SIA in de beleidsvorming te integreren, wordt de coherentie tussen het handelsbeleid en het ontwikkelingsbeleid uiteindelijk groter en worden de mogelijke negatieve gevolgen voor sociaal zwakkere groepen verzacht. De Commissie is ook actief betrokken bij de ontwikkeling van het maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) in ontwikkelingslanden. De Commissie moedigt een aantal gevestigde MVO-instrumenten aan en heeft in 2002, volgend op haar mededeling over de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven (1), een Multi-Stakeholder Forum over maatschappelijk verantwoord ondernemen georganiseerd. Tijdens de rondetafel over ontwikkelingsaspecten is een aantal kwesties in verband met duurzame ontwikkeling en de versterking van sociale en milieunormen in ontwikkelingslanden besproken. Het ging hierbij om de rol van globale MVO-normen en -codes, de mogelijkheid een sectorale aanpak van het MVO te ontwikkelen, de behoefte aan bewustwording in verband met het MVO op lokaal en regionaal niveau, en het belang van de toepassing van MVO-praktijken in de loop van de productieketen in ontwikkelingslanden. |
|
3. |
De Commissie betreurt ten zeerste het chemische incident dat in november 2003 op de Apsentos-plantage plaatsvond. Het is niet de taak van de Commissie om verdere maatregelen te nemen naar aanleiding van een dergelijk incident in een derde land, maar de EG-samenwerkingsprogramma's zijn erop gericht situaties als die in de bloemenindustrie in Bogotá te voorkomen. In Colombia bijvoorbeeld ondersteunt de Commissie de „Nationale Vakbondsopleiding” (Escuela Nacional Sindical) om de sociale en economische rechten in dat land te doen naleven. Voorts staan sociale kwesties hoog op de agenda van de komende top tussen de EU en Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, die op 28 mei in Guadalajara (Mexico) zal plaatsvinden. |
(1) COM(2002) 347 van 2.7.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/494 |
(2004/C 88 E/0506)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0306/04
van Gerhard Schmid (PSE) aan de Commissie
(6 februari 2004)
Betreft: Inzet van sky marshals
De VS-autoriteiten verlangen van de Europese luchtvaartmaatschappijen dat bepaalde transatlantische vluchten door gewapende vluchtbegeleiders (sky marshals) worden beschermd. Sommige lidstaten zijn bereid dergelijke gewapende vluchtbegeleiders in te zetten, andere landen nemen een strikt afwijzende houding in.
Een belangrijk aspect bij de inzet van gewapende vluchtbegeleiders is het soort munitie, omdat gebruikelijke munitie wegens het doordringingsvermogen niet kan worden gebruikt.
Kan de Commissie mededelen:
|
1. |
welk soort munitie door de gewapende vluchtbegeleiders wordt gebruikt? |
|
2. |
of het soort gebruikte munitie verenigbaar is met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens? |
|
3. |
welke verdere stappen de Commissie denkt te nemen? |
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(16 maart 2004)
De Commissie beschikt niet over informatie wat de bewapening, munitie en interventietechnieken van de gewapende vluchtbegeleiders betreft. Ingevolge de aard van deze opdrachten is dergelijke informatie vertrouwelijk. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de middelen die door hun politiediensten worden ingezet en zijn gebonden door het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens.
Door de eis van de Verenigde Staten aan de luchtvaartmaatschappijen van meerdere lidstaten om op bepaalde risicovluchten voor gewapende vluchtbegeleiders te zorgen wordt het nodig om in de toekomst een gemeenschappelijk antwoord uit te werken, zodat de samenwerking met de Amerikaanse autoriteiten op een evenwichtiger basis zou kunnen worden georganiseerd. Voor de Commissie is de kwestie van de gewapende begeleiders slechts een onderdeel van de ruimere problematiek van de optimale veiligheidsmaatregelen voor transatlantische of interne vluchten. De Commissie is een brede discussie met de lidstaten aan het opstarten, rekening houdend met de bestaande divergenties.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/495 |
(2004/C 88 E/0507)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0318/04
van Glenys Kinnock (PSE) aan de Commissie
(6 februari 2004)
Betreft: Geestelijk gehandicapten in Rusland
Is het de Commissie bekend dat geestelijk gehandicapten in Rusland verstoken zijn van elke vorm van wettelijke bescherming?
Kan de Commissie aangeven en uiteenzetten welke acties zijn ondernomen voor deze mensen en of de kwestie op het hoogst mogelijke niveau bij de autoriteiten aan de orde is gesteld?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(10 maart 2004)
Afgaande op hetgeen de Commissie bekend is, zijn er in de Russische grondwet niet rechtstreeks bepalingen inzake discriminatie van gehandicapten opgenomen. Bovendien wil het voorkomen dat, ofschoon er wetgeving tegen discriminatie bestaat, deze niet altijd even goed afgedwongen wordt.
De Commissie heeft al verschillende jaren via het programma Tacis gewerkt aan verbetering van de behandeling van gehandicapten in Rusland. Voorbeelden van projecten zijn „Partnerschap in gezondheid, onderwijs en sociale bijstand”, ten uitvoer gelegd als deel van het Tacis 1999 Actieprogramma voor Rusland, in samenwerking met het ministerie van Onderwijs aldaar, waarmee het vroegtijdig onderkennen van handicaps en een betere behandeling van Russische kinderen in verscheidene regio's van Rusland is bevorderd.
Verdere projecten — ten uitvoer te leggen met Russische instanties, zoals ook het Russisch ministerie van Arbeid en sociale ontwikkelingen — zijn thans in voorbereiding.
Deze projecten willen onder meer:
|
— |
bestaande wetgeving verbeteren; |
|
— |
mechanismen van samenwerking ontwikkelen tussen verschillende departementen/agentschappen en organisaties die zich met gehandicapte kinderen bezighouden; |
|
— |
programma's ontwikkelen voor sociale integratie van kinderen met handicaps en hun gezinnen steun verlenen; |
|
— |
sociale werkers, medisch personeel en onderwijskrachten betere opleidingen geven; |
|
— |
het besef verbeteren van de rechten van gehandicapte kinderen en hun gezinnen, de problemen die zij ondervinden en hun bijdrage als gewaardeerde leden van de samenleving zichtbaarder maken. |
Daarenboven heeft de Commissie steun verleend aan een aantal niet—gouvernementele organisaties (NGO's), liefdadige organisaties, ouderverenigingen en religieuze organisaties via haar Programma voor de burgerlijke maatschappij, gericht op het bevorderen van meer begrip voor en een betere behandeling van de gehandicapten, vooral gehandicapte kinderen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/496 |
(2004/C 88 E/0508)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0341/04
van Philip Claeys (NI) aan de Commissie
(4 februari 2004)
Betreft: Invoering van een label „made in the EU”
De Commissie speelt naar verluidt met het idee een label „made in the EU” in te voeren.
Klopt deze informatie? Zo ja, wanneer wordt een concreet voorstel bekend gemaakt?
Wat is de meerwaarde van een Europees label in vergelijking met nationale labels van de lidstaten?
Werden hieromtrent reeds representatieve vertegenwoordigers van bedrijfssectoren geraadpleegd? Zo ja, hoe zijn de reacties?
Zou een Europees label kunnen gecombineerd worden met een nationaal label?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(2 maart 2004)
Door de hernieuwde belangstelling die bepaalde industriële sectoren en lidstaten voor een verordening van de Gemeenschap over de herkomstaanduiding toonden, besloot de Commissie een werkdocument voor te bereiden dat zij op 19 december 2003 heeft voorgelegd aan het Comité van artikel 133 en waarin zij de gevolgen van een dergelijke regeling heeft uiteengezet om het debat op gang te brengen. De Commissie heeft in dit stadium nog geen concrete voorstellen gedaan maar heeft de lidstaten uitgenodigd om op binnenlands vlak over dit onderwerp overleg te plegen.
Het document — dat geraadpleegd kan worden op de website Buitenlandse Handel van de Commissie — bevat een overzicht van de voor- en nadelen van een herkomstaanduiding „made in the EU” en vermeldt de mogelijkheden die moeten worden overwogen, namelijk:
|
— |
een volledig vrij systeem van herkomstaanduiding zowel voor ingevoerde als voor op de binnenlandse markt vervaardigde producten; |
|
— |
een gemengd systeem met verplichte herkomstaanduiding voor ingevoerde producten en niet verplichte herkomstaanduiding voor op de binnenlandse markt vervaardigde producten; |
|
— |
een systeem van verplichte herkomstaanduiding zowel voor ingevoerde als voor op de binnenlandse markt vervaardigde producten. |
In het document wordt de kwestie van een nationale herkomstaanduiding niet specifiek behandeld en misschien is het belangrijk erop te wijzen dat er geen voorstel wordt geformuleerd om het verdere gebruik van een nationale herkomstaanduiding te onderzoeken. Het is aan alle belanghebbende partijen, op nationaal en op EU-vlak, om uit te maken welk belang zij bij een verordening van de Gemeenschap over de herkomstaanduiding hebben, wat de meerwaarde is van een verplichte „made in the EU” herkomstaanduiding en — indien voor een nieuwe regeling wordt geopteerd — wat de aard en de reikwijdte van een eventuele verordening moet zijn.
De Commissie heeft reeds contact opgenomen met verschillende vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en van de consumenten en de commentaren en suggesties lopen binnen. Gezien het stadium waarin het overleg momenteel is aanbeland, kan de Commissie de resultaten hiervan eind maart 2004 aan de Raad en het Parlement voorleggen hoewel een langere termijn niet uitgesloten is.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/497 |
(2004/C 88 E/0509)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0352/04
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(12 februari 2004)
Betreft: De Parmalat-affaire en de gevolgen daarvan voor de melk- en kaasproductie in Lazio
Het zijn met name de zuivelproducenten in Lazio die te lijden hebben onder de gevolgen van de beruchte Parmalat-affaire, aangezien Parmalat de zuivelcentrale van Rome gekocht had en in feite 70 procent van de markt van Lazio beheerste. Dit heeft ernstige consequenties gehad voor de gehele Italiaanse melksector, die grotendeels in deze regio geconcentreerd is. Uit recente gegevens komt naar voren dat Lazio, met 33 procent van de nationale productie, de op vier na grootste producent van verse melk is, en wat consumptie betreft op de eerste plaats staat, aangezien in de rest van Italië de voorkeur wordt gegeven aan houdbare of gemicrofiltreerde melk.
De landbouwbedrijven die leveren aan de melk-zuivelketen van Lazio ondervinden derhalve dubbel nadeel: enerzijds lopen zij risico door de huidige crisis bij de zuivelcentrale van Rome, anderzijds worden de schulden niet afgelost die Parmalat heeft uitstaan bij de producenten wier melk de fabrieken bereikt via associaties en coöperaties.
De Italiaanse minister van Landbouw heeft reeds een mechanisme in werking gesteld om te stimuleren dat de zogeheten „distributiecontracten” ter ondersteuning van de veehouders worden uitgevoerd, teneinde gezamenlijk de doelmatigheid van elke voedselketen te bewerkstelligen en aldus de efficiëntie en de productie te verhogen. Dankzij deze maatregel zal de schade tengevolge van de crisis bij Parmalat gedeeltelijk kunnen worden hersteld.
Gezien de noodzaak om specifieke maatregelen te treffen ten behoeve van de regio van Lazio, om de hierboven uiteengezette redenen, en in aanmerking nemend dat het regionale landbouwbeleid onder de volledige bevoegdheid van de Europese Unie valt, wil ik de Commissie het volgende vragen:
|
1. |
voorziet de EU in regionale programma's waarmee kan worden ingegrepen en ondersteuning kan worden geboden in crisissituaties in de landbouwsector; |
|
2. |
kan de regio Lazio in dergelijke gevallen een beroep doen op een fonds ter ondersteuning van landbouwbedrijven; |
|
3. |
kan de Commissie, indien dit niet het geval is, mededelen op welke wijze andere fondsen die de sector reeds ter beschikking staan voor dit doel kunnen worden aangewend? |
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(6 april 2004)
Het plattelandsontwikkelingsplan voor de regio Lazio (2000-2006) en het Leader+-programma worden mede gefinancierd door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL). Deze twee programma's bevatten geen specifieke maatregelen voor het oplossen van crisissituaties in de landbouwsector, maar voorzien wel in interventiemaatregelen ter ondersteuning van de ontwikkeling van landbouwbedrijven, de verwerking/afzet van landbouwproducten en de ontwikkeling van de rurale gebieden van Lazio. Wat de negatieve gevolgen van het Parmalatschandaal betreft, bevat Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen (1) geen passende instrumenten die het mogelijk maken in te grijpen ten gunste van de kleine zuivelproducenten die te lijden hebben onder de Parmalatcrisis.
Er zij op gewezen dat de tenuitvoerlegging van de steun die deels door de Gemeenschap wordt gefinancierd in het kader van de bovenvermelde programma's, onder de bevoegdheid van de nationale en regionale instanties in Italië valt. De Commissie houdt toezicht op de programma's, maar is niet verantwoordelijk voor het beheer van de diverse maatregelen op het terrein.
De „Assesorato all'Agricoltura” van de regio Lazio, de instantie die bevoegd is voor het beheer van het programma, kan daarom nauwkeuriger informatie verstrekken over de verschillende begunstigden.
Wat de derde vraag van het geachte parlementslid betreft, zijn in de gemeenschappelijke marktordening marktondersteunende instrumenten opgenomen, zoals een quotastelsel, uitvoerrestituties, afzetmaatregelen voor boter en melkpoeder en interventiemaatregelen. Geen enkel van deze instrumenten kan echter worden gebruikt voor specifieke doeleinden die bijdragen tot een mogelijke oplossing van de Parmalatzaak.
De Commissie is bevoegd voor het toezicht op de staatssteun die krachtens de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag door Italië aan de landbouwsector wordt verleend. De landbouwers uit de zuivelsector kunnen eventueel een beroep doen op de bestaande nationale en/of regionale steunmaatregelen waarvoor de Commissie toestemming heeft verleend en/of op nieuwe steunmaatregelen die krachtens artikel 88 van het EG-Verdrag kunnen worden aangemeld of die van aanmelding zijn vrijgesteld krachtens Verordening (EG) nr. 1/2004 van de Commissie van 23 december 2003 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten (2).
Wanneer staatssteunmaatregelen voor de landbouwsector worden aangemeld, gaat de Commissie na of ze verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, overeenkomstig bovenvermelde verordening, en met de communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouwsector. De steun aan bedrijven in moeilijkheden wordt beoordeeld in het licht van de communautaire richtsnoeren voor staatssteun die tot doel heeft bedrijven in moeilijkheden te redden en te reorganiseren.
De Commissie gaat momenteel na of de bepalingen van het Italiaanse decreet nr. 16 van 27 januari 2004 verenigbaar zijn met de regels op het gebied van staatssteun. Deze urgente bepalingen hebben betrekking op de sectoren landbouw en visserij. Het decreet voorziet in steunmaatregelen voor landbouwers uit de zuivelsector die geen betaling voor hun producten hebben ontvangen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/498 |
(2004/C 88 E/0510)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0403/04
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(16 februari 2004)
Betreft: Concurrentievervalsing ten koste van milieu en menselijke arbeid bij goedkope productie van het halffabrikaat primair aluminium in IJsland
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat in de met de EU geassocieerde staat IJsland naast tweede de huidige aluminiumsmelterijen van het Canadese bedrijf Alcan bij Hafnarfjordur (jaarproductie 173 000 ton) en van het Amerikaanse bedrijf Norderal ten noorden van Reykjavik (jaarproductie 90 000 ton) vanaf 2005 een derde aluminiumsmelterij zal worden gebouwd, die van het grote Amerikaanse bedrijf Alcoa in Reydarfjordur met vanaf 2007 een jaarproductie van 295 000 ton van het halffabrikaat primair aluminium? |
|
2. |
Is het de Commissie bekend dat de vestiging van Alcoa afhankelijk is van het Karahnjukar-project van de IJslandse nationale energiemaatschappij Landsvirkjun die een stuwmeer van 57 km2 oppervlakte en vele tientallen meters diep laat aanleggen alsmede een reeks dammen waarvan de grootste 750 meter lang en 190 meter hoog is, waardoor het unieke kloofdal Hafrahvammergjufur en leefgebieden voor dieren onder water verdwijnen? |
|
3. |
Is het de Commissie bekend dat het Italiaanse bouwconcern Impregilo, dat een veel goedkopere offerte deed dan Deense, Engelse en Duitse concurrenten, in strijd met het contract om alle IJslandse regels na te leven via tussenkomst van een andere Italiaanse onderneming arbeiders uit Roemenië en Portugal inschakelt met veel lagere lonen en slechte voorzieningen? |
|
4. |
Is de prijs van de door de waterkrachtcentrale aan Alcoa te leveren energie kostendekkend? Of is het onmogelijk om dat vast te stellen doordat die prijs geheim wordt gehouden? |
|
5. |
Betekent deze werkwijze dat onzorgvuldig omgaan met milieu en arbeid een vestigingsplaatsfactor wordt die door andere bedrijven kan worden nagevolgd? |
|
6. |
Is dit project, en de gevolgen ervan voor milieuvernietiging en concurrentieverstoring voorwerp geweest van overleg binnen Europese Economische Ruimte? Is de Commissie voornemens om hieraan aandacht te besteden in een overleg met IJslandse regering? |
Bron: De Nederlandse krant „NRC-Handelsblad” van 29.1.2004.
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(23 maart 2004)
|
1. |
Het is de Commissie bekend dat in het oosten van IJsland een aluminiumsmelterij zal worden gebouwd. Dit project hangt samen met de investering in de bouw van een elektriciteitscentrale in Karahnjukar en met de geplande aanleg van een havenaccommodatie in Reydarfjordur. |
|
2. |
Zowel het ministerie van industrie als de betrokken energiemaatschappij (Landsvirkjun) hebben bevestigd dat de dam zou worden gebouwd op een lavaveld waar alleen muskusplanten groeien en geen andere flora of fauna aanwezig is. Op 24 januari 2004 heeft het IJslandse Hoog Gerechtshof zich uitgesproken over het milieueffect van de elektriciteitscentrale. In zijn uitspraak bevestigde het Hoog Gerechtshof alle argumenten die door de nationale energiemaatschappij (Landsvirkjun) in haar milieu-effectbeoordeling naar voren waren gebracht. Voorts werd vastgesteld dat de milieueffectbeoordeling op een professionele en legale manier was uitgevoerd. |
|
3. |
De Commissie merkt op dat de geografische werkingssfeer van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (1) door bijlage XVIII bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER), zoals gewijzigd bij het besluit nr. 37/89 van het Gemengd Comité van de EER van 30 april 1998, is uitgebreid tot de derde landen die deel uitmaken van de Europese Economische Ruimte. Bijgevolg moeten ondernemingen garanderen dat werknemers die in IJsland ter beschikking worden gesteld — ongeacht de wetgeving die van toepassing is op hun dienstverband — de in IJsland geldende arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden genieten, die betrekking hebben op volgende aangelegenheden: maximale werk- en minimale rustperioden, minimumaantal betaalde vakantiedagen, minimumlonen, inclusief vergoedingen voor overwerk, voorwaarden voor het ter beschikking stellen van werknemers, gezondheid, veiligheid en hygiëne op de werkplek, beschermende maatregelen met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden van kinderen en jongeren, gelijke behandeling van mannen en vrouwen, alsmede andere bepalingen inzake niet-discriminatie. De nationale overheidsinstanties van de betrokken EER-lidstaat moeten erop toezien dat deze regels door de individuele werkgevers worden nageleefd. Op grond van de beschikbare informatie is het de Commissie bekend dat Portugese en Roemeense werknemers — naast andere nationaliteiten — bij Impregilo werkzaam zijn. Hoewel de confederatie van IJslandse vakbonden uiting heeft gegeven aan haar algemene bezorgdheid in verband met arbeidsvoorwaarden en lonen van de werknemers van de Italiaanse aannemer, zijn er geen formele klachten ingediend bij de IJslandse autoriteiten of vakorganisaties met betrekking tot de schending van de IJslandse wetgeving. In de IJslandse nationale wetgeving zijn bepalingen opgenomen betreffende de minimumrechten en lonen van werknemers van alle nationaliteiten die in IJsland werken (2). Onlangs (oktober 2003) is een geschil beslecht tussen de IJslandse autoriteiten en Impregilo betreffende lonen en arbeidsvoorwaarden. Volgens de confederatie van IJslandse vakbonden worden onderhandelingen gevoerd over enkele nog onopgeloste meningsverschillen en zijn de lonen in overeenstemming met de IJslandse wetgeving. |
|
4. |
Landsvirkjun en Fjardaal (volledig in handen van Alcoa) hebben een overeenkomst ondertekend. De looptijd van de overeenkomst bedraagt 40 jaar en na 20 jaar zal de energieprijs opnieuw worden onderhandeld voor de resterende 20 jaar. Het moederbedrijf Alcoa heeft de overeenkomst met betrekking tot een gegarandeerde afname van elektriciteit en de verantwoordelijkheid voor de voltooiing van de bouw van de aluminiumsmelterij ondertekend. Volgens plan moet de elektriciteit vanaf 1 april 2004 worden geleverd. Fjardaal is verplicht de volledige prijs te betalen voor 85 % van de contractueel af te nemen energie, ongeacht het gebruik. |
|
5. |
Volgens de informatie zijn de milieubepalingen en de arbeidsvoorwaarden in overeenstemming met de IJslandse wetgeving. |
|
6. |
Wat de maatregelen op het gebied van mededinging betreft, heeft de Toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) maatregelen van de IJslandse autoriteiten goedgekeurd om vanaf maart 2003 staatssteun voor het project te verlenen. Een kleinere zaak betreffende staatssteun is nog steeds hangende bij de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, die op grond van de EER-overeenkomst belast is met de controle op de naleving van de regels van de interne markt in de EER/EVA-landen. |
(2) Volgende besluiten maken deel uit van de IJslandse wetgeving op het gebied van de rechtspositie van buitenlandse werknemers: Besluit nr. 55/1980 inzake de lonen en de arbeidsvoorwaarden van werknemers en de verplichte verzekering van pensioenrechten, waarbij in artikel 1 het recht op minimumlonen, vergoedingen voor overwerk, het recht op vakantie, maximale werkuren en rustperioden zijn opgenomen; Besluit nr. 46/1980 inzake werkomgeving, gezondheid en veiligheid op de werkplek; Besluit nr. 95/2000 inzake moederschaps-/vaderschapsverlof en ouderschapsverlof; Besluit nr. 30/1987 inzake vakantiegeld.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/500 |
(2004/C 88 E/0511)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0406/04
van Jules Maaten (ELDR) en Jan Mulder (ELDR) aan de Commissie
(17 februari 2004)
Betreft: Benadeling Nederlandse uienboer in Polen
|
1. |
Is de Commissie bekend met het artikel dat op 3 februari 2004 verscheen in de Nederlandse krant De Telegraaf (pagina 5), waarin het lot wordt geschetst van de Nederlandse uienboer Hans Goense, die zich in Polen heeft gevestigd? |
|
2. |
Deelt de Commissie de mening dat het succes van de uitbreiding van de Europese Unie onder meer afhangt van ondernemers zoals Hans Goense die zich in de nieuwe lidstaten willen vestigen? En dat het gevaar bestaat dat deze ondernemers zich door dit soort voorbeelden laten ontmoedigen? |
|
3. |
Deelt de Commissie de mening dat de situatie die in het artikel geschetst wordt vragen oproept over het functioneren van de Poolse autoriteiten? |
|
4. |
Tot slot, is de Commissie bereid de zaak van Hans Goense aan de orde te stellen bij de Poolse autoriteiten? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(23 maart 2004)
De Commissie antwoordt bevestigend op de eerste drie vragen van de geachte parlementsleden.
Deze zaak geeft aanleiding tot bezorgdheid over de goede werking van de Poolse wetshandhavinginstanties en, ruimer gezien, over het samenleven met en de integratie van buitenlanders in Polen. Bovendien toont de zaak duidelijk aan dat het succes van buitenlandse investeringen in Polen afhangt van betrouwbare economische en juridische randvoorwaarden en in het bijzonder van een onpartijdige en efficiënte justitiële en politionele organisatie. Een zaak zoals deze kan negatieve gevolgen hebben voor het algemene investeringsklimaat in Polen.
De Commissie neemt deze kwestie ernstig op. Zoals de geachte parlementsleden ongetwijfeld beseffen, kan de Commissie zich evenwel niet mengen in rechtszaken.
Parallel aan de juridische stappen die op dit ogenblik zijn gedaan, zou de Nederlandse onderdaan zijn zaak kunnen voorleggen aan de Poolse ombudsman.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/501 |
(2004/C 88 E/0512)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0446/04
van Torben Lund (PSE) aan de Commissie
(23 februari 2004)
Betreft: Persvrijheid in Rusland
Door diverse onafhankelijke organisaties wordt er steeds vaker op gewezen dat de persvrijheid tijdens het presidentschap van Poetin ernstig wordt geschonden. Deze schendingen bestaan o.a. uit politieoptreden tegen de vrije pers, moord op en gevangenzetting van journalisten en sluiting en bedreiging van media.
Slachtoffer van de schendingen zijn voornamelijk journalisten en media die zich bezig houden met de situatie in Tsjetsjenië, corruptie, machtsmisbruik en steun aan de politieke tegenstanders van president Poetin.
Thans wordt beïnvloeding van de persvrijheid eveneens betrokken bij het visumbeleid van de regering-Poetin.
Aan de Deense journalist Vibeke Sperling, die sinds het begin van de jaren '80 correspondent in de Sovjetunie en Rusland is van Danmarks Radio en een aantal nationale kranten — meest recentelijk Politiken — wordt thans een visum geweigerd. De Russische minister van Buitenlandse Zaken noch de Russische ambassadeur in Kopenhagen is bereid geweest mede te delen waarom er geen visum wordt verstrekt. De democratische ontwikkeling in Rusland is tegenwoordig uiterst verontrustend.
Kan de Commissie derhalve mededelen welke maatregelen zij overweegt omdat de Russische regering steeds vaker de persvrijheid in Rusland beperkt, o.m. door geen visa te verstrekken aan correspondenten die Europese media in Rusland willen stationeren?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(22 maart 2004)
De Commissie is bezorgd over de meldingen van schendingen van de persvrijheid in Rusland en volgt de ontwikkelingen op de voet, onder meer in verband met de specifieke zaak van mevrouw Sperling, die de Commissie bekend is. Hoewel de beslissing om een visum toe te kennen of te weigeren het voorrecht van Rusland is, valt het zeer te betreuren dat Rusland ervoor heeft gekozen op deze restrictieve en niet-transparante wijze op te treden. In verband hiermee herinnert de Commissie aan de publieke verklaring van bezorgdheid over de vrijheid van de media die de EU in juli 2003 heeft afgelegd.
In haar recente mededeling over de betrekkingen met Rusland heeft de Commissie er de nadruk op gelegd dat de EU een open en eerlijke dialoog dient te voeren teneinde er bij Rusland op aan te dringen dat het de waarden respecteert waartoe het zich heeft verbonden als lid van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en van de Raad van Europa, zoals respect voor de mensenrechten en de vrijheid van de media. Deze kwesties komen vaak aan bod in de politieke dialoog die de EU met de Russische autoriteiten voert.
De activiteit van de Commissie is niet beperkt tot politieke dialoog. Aangezien zij sterk aan de vrijheid van de media is gehecht, acht de Commissie het des te belangrijker de ontwikkeling van onafhankelijke en pluralistische media in Rusland te ondersteunen. In de oproep 2004 voor het indienen van voorstellen in het kader van het Europees Initiatief voor Democratie en Mensenrechten (EIDHR) is de vrijheid van de media bijvoorbeeld als een thematische prioriteit aangemerkt. De Commissie is van plan zich op een aantal activiteiten te concentreren, onder meer steun om de vrijheid van meningsuiting en onafhankelijke media te versterken, in het bijzonder op regionaal niveau; verbetering van het professioneel niveau en de ethische regels in de Russische journalistiek; versterking van het juridisch en institutioneel kader voor de bescherming van de persvrijheid; journalisten meer mogelijkheden geven om maatregelen ter verdediging van hun rechten te ondernemen; verbetering van de kwaliteit van het mediabeheer, met het oog op financiële levensvatbaarheid, naleving van de belastingwetgeving en uiteindelijk een feitelijke onafhankelijkheid; steun voor onafhankelijke media op plaatselijk niveau en verbetering van de kwaliteit en het bereik van de berichtgeving over mensrechtenkwesties in de media.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/502 |
(2004/C 88 E/0513)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0449/04
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(23 februari 2004)
Betreft: Monolitische rotskerken van Lalibela (Ethiopië)
De reeks 13de eeuwse rotskerken van Lalibela in Ethiopië, die uit monolitische steen gehouwen zijn, vertegenwoordigen een opmerkelijke en unieke cultuurschat. Spijtig genoeg wordt er door gebrek aan middelen te weinig geïnvesteerd in hun bewaring zodat de gebouwen van onschatbare en unieke waarde snel in verval beginnen te raken.
Is het waar dat de Europese Unie in samenwerking met de Verenigde Naties in 2000 toegezegd heeft om in het behoud van de kerken te investeren? Zo ja, waar zijn de middelen naartoe gegaan, en welk aandeel van het overeenkomstig budget is er aan dat waardevol project besteed?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(6 april 2004)
De Commissie heeft besloten hulp te verlenen bij het behoud en de conservering van de Lalibela-kerken. In mei 2002 is daarvoor een financieringsovereenkomst getekend voor een bedrag van 9,1 miljoen euro. Het project voorziet voornamelijk in de bouw van nieuwe overkappingen (shelters) voor de kerken. Die overkappingen, die de bestaande overkappingen gaan vervangen, zullen de kerken beter beschermen, totdat een alomvattend conserveringsprogramma is uitgewerkt en uitgevoerd.
Dit project vormt een aanvulling op eerdere activiteiten die door de Commissie zijn gefinancierd. Die omvatten het ontwerp van de overkappingen en de registratie van cultuurschatten.
De Commissie werkt in dit verband samen met de Verenigde Naties (VN), met name deed zij dat bij de voorbereiding van de internationale architectuurprijsvraag voor de overkappingen.
Kort samengevat omvat de uitvoering van het project de volgende aspecten:
|
— |
in juli 2002 is een open internationale aanbesteding uitgeschreven voor de selectie van een contractant voor de bouw van de overkappingen. De aanbesteding werd geannuleerd omdat er geen reacties waren binnengekomen. |
|
— |
de aanbesteding zal opnieuw worden gepubliceerd na uitvoerig overleg met de Ethiopische autoriteiten over de redenen voor de negatieve afloop van de eerste aanbesteding. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/502 |
(2004/C 88 E/0514)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0461/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(23 februari 2004)
Betreft: Zimbabwe — Resolutie van het Europees Parlement
Bij schrijven van 26 januari 2004 heeft de ambassade bij de Europese Gemeenschappen van de Republiek Zimbabwe de leden van het Europees Parlement het antwoord doen toekomen van de Zimbabweaanse regering op de resolutie die door het Parlement op 15 januari 2004 is aangenomen (P5TA-PROV(2004)0033).
In haar antwoord kwalificeert de regering van Zimbabwe de resolutie als „propaganda”, „doorspekt met hypocrisie en arrogantie”, vol „wishful thinking” en „verdraaiing van de werkelijkheid”, en bevat de resolutie „ongefundeerde” beweringen, „anachronismen”, en „tendentieuze onzin”. De regering van Zimbabwe beschuldigt het Europees Parlement er verder van „het vuur van de tweespalt verder op te stoken en gewelddadigheden aan te moedigen”, „zich niets aan te trekken van de zwarte Zimbabweanen”, maar alleen uit te zijn op „teruggave van het grootgrondbezit aan de blanken”. Verdere worden sommige Europese regeringen ervan beschuldigd „uit te zijn op de val van de Zimbabweaanse regering”.
De brief besluit verder met enkele insinuerende vragen: „Wie heeft nu eigenlijk de Zimbabweaanse economie gesaboteerd? Wie is verantwoordelijk voor de moeilijkheden waar de Zimbabweaanse bevolking momenteel mee wordt geconfronteerd?”.
Is de Commissie op de hoogte van dit antwoord?
Wat vindt zij hier formeel en inhoudelijk van?
Wat vindt zij van de beschuldigingen die aan het adres van het Europees Parlement en de regeringen van de lidstaten worden gericht?
Is zij van plan de Zimbabweaanse regering te antwoorden? Indien zij dit reeds heeft gedaan, hoe en langs welke kanalen?
Houdt zij vast aan haar overtuiging dat de verkiezingen in dit land vrij noch eerlijk zijn verlopen?
Welke geloofwaardigheid moet volgens haar worden gehecht aan de zogeheten „successen” waarop de Zimbabweaanse regering zich beroept en de beschuldigingen die worden gericht aan het adres van het Europees Parlement?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(6 april 2004)
De Commissie is op de hoogte van het antwoord dat het geachte parlementslid noemt aangezien de ambassade van de Republiek Zimbabwe de Commissie een kopie heeft doen toekomen van haar schrijven aan de voorzitter van het Parlement met daaraan gehecht haar reactie op de resolutie van het Parlement inzake Zimbabwe.
De Commissie heeft bij nota verbale van 20 februari 2004 de ontvangst bevestigd, zonder op de inhoud van de reactie van de regering van Zimbabwe in te gaan.
De Commissie kan zich niet vinden in de analyse van de Zimbabwaanse autoriteiten.
De Commissie heeft geen wijzigingen aangebracht in haar opvatting over de wijze waarop in maart 2002 de presidentsverkiezingen zijn gehouden die naar haar oordeel gekenmerkt werden door stelselmatig gebruik van geweld, intimidatie en kiezersmanipulatie, hetgeen de EU tot de gevolgtrekking bracht dat de uitkomst geen eerlijke weergave van de wil van het volk van Zimbabwe was.
De kritische opstelling van de Commissie ten opzichte van de huidige toestand is welbekend. Zij ligt ten grondslag aan haar recente, door de Raad goedgekeurde, voorstel om de maatregelen tegen Zimbabwe met nog eens 12 maanden te verlengen. Bovendien heeft de Commissie elke gelegenheid te baat genomen om de regering van Zimbabwe haar bezorgdheid over de huidige stand van zaken kenbaar te maken. De Commissie herinnert aan de verklaringen van de EU met betrekking tot de absentie op 3 juni 2003, de verklaring inzake de persvrijheid van 18 september 2003, de verklaringen van 28 november 2003 en onlangs nog van 10 februari 2004 inzake recente gebeurtenissen in Zimbabwe. Deze verklaringen roepen de regering van Zimbabwe ertoe op de grondrechten te eerbiedigen en dringen bij haar aan op een actieve en inhoudelijke dialoog met de binnenlandse belanghebbenden, om uit de huidige crisis te geraken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/503 |
(2004/C 88 E/0515)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0492/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(23 februari 2004)
Betreft: Mozambique — Mogelijke orgaanhandel — Gevaar voor Europese burgers
Vijf missionarissen van de orde „Servas de Maria” waarvan er vier communautair burger zijn (Spaanse nationaliteit) en één Braziliaanse, en die reeds ruim dertig jaar werkzaam zijn in de regio van Nampula, zijn met de dood bedreigd omdat zij de handel in organen en lichamen van jongeren en kinderen in deze regio aan de kaak hebben gesteld. Onlangs werd in de pers aandacht besteed aan deze bedreigingen.
Hun klooster ligt precies tussen het pand waar de slachtoffers naartoe worden gevoerd en de luchthaven vanwaar vermoedelijk de organen worden verzonden. De nonnen beweren te beschikken over getuigenverklaringen van personen die erin geslaagd zijn aan hun ontvoerders te ontkomen en toevlucht hebben gezocht in het klooster, en voorts over verscheidende bewijsstukken. Zuster Maria Elilda dos Santos, Braziliaanse, die als eerste de alarmklok luidde, heeft zelf onderzoek verricht in Nampula en is daarbij gestuit op een lijk waarvan ogen, hart en nieren waren verwijderd.
Nadat zij met deze macabere naar feiten naar buiten waren getreden, zijn zij het slachtoffer geworden van talloze bedreigingen en van vier hinderlagen, waaraan zij als bij wonder konden ontsnappen. De zusters vrezen voor hun veiligheid en beschuldigen de plaatselijke autoriteiten van corruptie, aangezien die tot op heden niets hebben gedaan om de gewraakte en bij hen bekende misdaden aan te pakken. De zusters willen met behulp van de internationale pers druk uitoefenen om aan deze situatie een einde te maken.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Is zij op de hoogte van deze feiten en van de betrokkenheid van vier Europese burgers? Over welke gegevens beschikt zij voor wat betreft de veiligheid van de zusters en welke voorzorgsmaatregelen heeft zij getroffen of overweegt zij te treffen om deze veiligheid te waarborgen? |
|
— |
Heeft de Commissie met de Mozambikaanse autoriteiten contact opgenomen of is zij van plan dit te doen, teneinde te eisen dat hun veiligheid wordt gewaarborgd en dat onderzoek wordt gedaan naar de beschuldigingen van orgaanhandel in deze regio? Is zij bereid om ertoe bij te dragen dat deze zusters de nodige vrijheid en de onmisbare veiligheid worden geboden om hun werk, dat onder andere hulpverlening aan de bevolking inhoudt, voort te zetten, en dat volledige opheldering wordt verschaft over de verdwijningen van personen in deze regio, en op welke wijze denkt zij dit te doen? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(6 april 2004)
Sinds deze gruwelijke misdaden werden gerapporteerd heeft de Commissie, zoals zij ook heeft meegedeeld in haar antwoord op de schriftelijke vragen E-0143/04 en E-0072/04 (1) van het geachte parlementslid, de situatie samen met het Hoofd van de Missies van de EU, met de Directeur van de Liga voor de rechten van de mens en met de regering van nabij gevolgd.
De regering van Mozambique heeft, via het Openbaar Ministerie, onderzoek op gang gebracht, met een multi-institutioneel team waarvan het Bureau van de procureur-generaal, de recherche en de Nampula-afdeling van de Liga voor de rechten van de mens deel uitmaken. Het onderzoek is gaande en daarbij zal dieper worden ingegaan op de gerapporteerde gevallen. In de 14 genoemde gevallen kon echter niet worden bewezen dat er sprake was van illegale handel in menselijke organen. Verder is in Mozambique de politieke wil aanwezig om degenen die verantwoordelijk zijn voor deze misdaden, voor de rechter te brengen.
Het is de Commissie bekend dat er bezorgdheid bestaat ten aanzien van de veiligheid van de nonnen. Hoewel deze zaak buiten de bevoegdheid van de Commissie valt en het beste kan worden aangepakt via de respectieve ambassades van de lidstaten, zal de Commissie binnen het kader van de EU-coördinatie en de politieke dialoog tussen de EU en Mozambique onderzoeken wat de beste manier is om deze kwestie bij de regering aan de orde te stellen.
Het geachte parlementslid kan ervan overtuigd zijn dat de Commissie, voor zover dat binnen haar bevoegdheden ligt, de regering van Mozambique zal blijven steunen in haar streven haar onderzoekscapaciteiten uit te breiden zodat in dit land het recht zal zegevieren.
(1) Zie blz. 169.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/505 |
(2004/C 88 E/0516)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0493/04
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(23 februari 2004)
Betreft: Sluiting van de mijn van Panasqueira, Portugal
De mijnwerkers van de mijn van Panasqueira, in Portugal, worden opnieuw door werkloosheid bedreigd. Het huidige mijnbouwbedrijf, „Primary Metal Incorporated”, een multinational met een Canadees meerderheidsbelang, dreigt de mijn te sluiten en voert hierbij als redenen aan financiële moeilijkheden, de daling van de dollar, prijsdalingen, de Chinese concurrentie en de eventuele verkoop door de VS van 1 500 ton tungsteen uit hun strategische defensievoorraden.
Dit betekent dat 220 mijnwerkers in het binnenland van Portugal, waar alternatieve werkgelegenheid niet voorhanden is, met werkloosheid en armoede worden bedreigd als gevolg van het monetaire en mededingingsbeleid van Europa, het ontbreken van een maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef van de multinationals en de liberalisering van de wereldmarkt (WTO).
Kan de Commissie mij mededelen welke maatregelen zij samen met de Portugese regering denkt te nemen om ervoor te zorgen dat de rechten van deze werknemers worden gewaarborgd en de mijn van Panasqueira gewoon open kunnen blijven?
Antwoord van de heer Dimas namens de Commissie
(7 april 2004)
De Commissie herinnert het geachte parlementslid eraan dat zij op grond van het Gemeenschapsrecht niet de bevoegdheid bezit om de sluiting van een bedrijf te verhinderen of uit te stellen. Dit is een beslissing die de eigenaar van het bedrijf met inachtneming van de passende procedures zelf neemt.
De Commissie wijst er in dit verband op dat in diverse communautaire richtlijnen procedures ter voorlichting en raadpleging van de werknemersvertegenwoordigers zijn vastgelegd, waarvan in het geval van de sluiting van bedrijven wellicht gebruik kan worden gemaakt. Het betreft hier met name Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (1) en Richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (2). Voorts werd er op 11 maart 2002 door het Parlement en de Raad een richtlijn goedgekeurd die tot doel heeft de communautaire aanpak op dit terrein aan te vullen (Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (3)). De eerste twee richtlijnen zijn in het nationaal recht van de lidstaten omgezet (de derde richtlijn hoeft pas uiterlijk 23 maart 2005 te zijn omgezet). Het is aan de bevoegde nationale autoriteiten (in het bijzonder de gerechtelijke instanties) om te beoordelen of zij op de juiste wijze en doeltreffend worden toegepast.
Het is belangrijk erop te wijzen dat Richtlijn 98/59/EG inzake collectief ontslag bepaalt dat, wanneer een werkgever overweegt tot collectief ontslag over te gaan, hij verplicht is de vertegenwoordigers van de werknemers tijdig te raadplegen teneinde tot een akkoord te komen. Deze raadplegingen moeten ten minste betrekking hebben op de mogelijkheden om collectief ontslag te voorkomen of om de omvang ervan te verminderen alsook op de mogelijkheid de gevolgen ervan te verzachten door het nemen van sociale begeleidingsmaatregelen, meer bepaald om bij te dragen tot herplaatsing of omscholing van de ontslagen werknemers.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/506 |
(2004/C 88 E/0517)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0500/04
van Salvador Garriga Polledo (PPE-DE) aan de Commissie
(23 februari 2004)
Betreft: Bescherming van de waardigheid van de Arabisch vrouw
Onlangs heeft de Saoedische grootmufti, sjeik Abdul-Aziz al Sheij, een veroordeling uitgesproken over de belangrijkste zakenvrouw uit Saoedi-Arabië, Lubna al Olayan, omdat zij ongesluierd een conferentie had gehouden ten overstaan van mannen in de stad Djedda. Deze veroordeling is in de media van de Europese Unie niet onopgemerkt gebleven.
Al Olayan die het woord heeft gevoerd op een economisch forum werd door de grootmufti gewaarschuwd voor de ernstige gevolgen van haar schandelijke gedrag.
Wanneer het in een wereld die zozeer in elkaar grijpt als onze wereld gaat om de strijd voor erkenning van de menselijke waardigheid van de vrouw en volstrekte gelijkstelling met de man, luidt de vraag of deze veroordeling door de grootmufti niet een speciale reactie van de Commissie verdient?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(23 maart 2004)
De Commissie is het eens met het geachte parlementslid dat het belangrijk is dat de fundamentele mensenrechten van vrouwen en in het bijzonder het beginsel van gelijkheid en non-discriminatie overal ter wereld gewaarborgd zijn.
Uiteraard is het geachte parlementslid op de hoogte van het ongewone karakter van de situatie van de vrouw in Saoedi-Arabië. Zoals het specifieke geval van Lubna Al Olayan aantoont, is er in het land een belangrijk debat aan de gang over de rechten van vrouwen en hun rol in de samenleving. De pers heeft er zeker toe bijgedragen om Europa bewust te maken van het vraagstuk, hetgeen een positieve ontwikkeling is. De Commissie is van mening dat het belangrijk is de interne debatten en de eerste hervormingen die in Saoedi-Arabië worden doorgevoerd aandachtig te blijven volgen, evenals de situatie in enkele andere landen in de regio, om het beginsel van de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten, en met name de vrouwenrechten, voortdurend te stimuleren. Zij zal deze actie voortzetten via de delegatie die onlangs in Riyadh is geopend.
Voorts voert de Commissie momenteel onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst met de landen van de Samenwerkingsraad van de Golf (Gulf Co-operation countries (GCC), waarin een mensenrechtenclausule zal worden opgenomen die, als essentieel element en als principe, de regeringen ertoe moet aanzetten om voor de bevordering en naleving van de mensenrechten te zorgen. Bovendien vormen de mensenrechten een essentieel component van de politieke dialoog EU-GCC, zowel op ministerieel als op directeursniveau. In deze context heeft de EU steeds haar bezorgdheid tot uitdrukking gebracht over de specifieke situatie van vrouwen in de regio. De Commissie zal niet aarzelen dit punt bij toekomstige gelegenheden opnieuw aan de orde te stellen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/506 |
(2004/C 88 E/0518)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0516/04
van Anna Karamanou (PSE) aan de Commissie
(24 februari 2004)
Betreft: Illegale transplantatie van organen van Albanese kinderen ten behoeve van patiënten in de lidstaten van de Europese Unie
Volgens berichten in de Albanese pers, die zich beroepen op gegevens van de officiële Italiaanse autoriteiten, zouden in een kliniek in de stad Fieri, in Albanië, bij Albanese kinderen organen worden verwijderd die vervolgens ter transplantatie naar Italië en Frankrijk worden overgebracht. In diezelfde artikelen wordt vermeld dat zowel Italiaanse als Albanese artsen bij een en ander betrokken zijn. De artsen wenden zich tot Albanese netwerken, die de kinderen opsporen en zich de transplantaten verschaffen tegen betaling van een vergoeding aan de ouders. Tot slot wordt bericht dat 39 Albanese kinderen spoorloos zijn verdwenen en hun families ze niet eens laten zoeken.
Welke stappen overweegt de Commissie te ondernemen om druk uit te oefenen op de Albanese autoriteiten opdat onmiddellijk aan deze ernstige delicten een einde wordt gemaakt, alsook op de lidstaten van de Europese Unie om hun onderlinge justitiële en politiële samenwerking te verbeteren?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(6 april 2004)
De Commissie heeft beweringen vernomen als zou een kliniek in Fieri (Albanië) betrokken zijn bij de handel in organen van kinderen naar de EU. De Commissie is in contact geweest met de Missie voor politiële bijstand van de Europese Gemeenschap aan Albanië en heeft de reactie van de Albanese overheid terzake alle aandacht gegeven. De EU-Missie voor politiële bijstand heeft bevestigd dat Albanese en Italiaanse politiediensten de zaak in onderzoek hebben. De Albanese autoriteiten hebben tot dusverre hun twijfel over het bestaan van deze kliniek geuit. Volgens hen ontbeert hun land de technologie en specialisatie die noodzakelijk is om organen voor transplantatie weg te nemen en te vervoeren.
Afgezien van de uitkomsten van het onderzoek in dit onderhavige geval, blijft de handel in mensen, onder wie ook kinderen, in Albanië een probleem. De Commissie oefent voortdurend druk op de Albanese overheden uit, vooral in het raam van de lopende onderhandelingen voor een stabilisatie- en associatieovereenkomst met Albanië, om verdere inspanningen plaats te laten vinden om deze aangelegenheid passend aan te pakken. Terwijl verslagen laten weten dat Albanië vooruitgang heeft geboekt bij het terugdringen van de stroom illegale migratie/handel in mensen over de Adriatische Zee, is meer vastbesloten actie noodzakelijk om dit probleem de wereld uit te helpen.
Regionale en internationale samenwerking zijn van wezenlijk belang om dit soort handel met succes aan te pakken. Er bestaat samenwerking tussen Albanië en de EU op dit gebied van justitie en binnenlandse zaken. De Commissie heeft er niettemin bij elke passende gelegenheid op aangedrongen deze samenwerking nauwer aan te halen, vooral tussen Albanië en zijn buurlanden, voor betere resultaten tegen dit soort misdrijven. De Commissie heeft er ook op gewezen hoe belangrijk het voor Albanië is het noodzakelijke te doen om een overeenkomst met Europol te sluiten, aangezien dit bovendien een bruikbare bijdrage zou betekenen aan een versterking van de samenwerking in de strijd tegen de georganiseerde misdaad. Het is in deze context van belang erop te wijzen dat het mandaat van Europol is verruimd en sedert 1 januari 2002 ook de onwettige handel in menselijke organen en weefsels omvat, en dat Europol thans bij de lidstaten informatie inzamelt over de toestand in de Europese Unie.
Met betrekking tot de toestand binnen de Europese Unie is een hele reeks maatregelen getroffen voor betere samenwerking tussen de politiediensten en douanediensten van de lidstaten, ook om de buitengrenzen te versterken. Met betrekking tot in het bijzonder de handel in menselijke organen heeft Griekenland in februari 2003 een initiatief genomen ten behoeve van goedkeuring door de Raad van een kaderbesluit betreffende de voorkoming en bestrijding van dit soort handel. Doelstelling van het voorstel is te definiëren welke soorten gedrag in alle lidstaten strafbaar zouden moeten zijn alsook welke minimumstraffen voor dergelijke vergrijpen van toepassing zouden moeten zijn. De Commissie is in beginsel voorstander van het voorstel. Zij heeft het Griekse initiatief willen steunen door op te roepen tot financiering van nadere projecten op dit gebied krachtens haar programma AGIS-2004 ten behoeve van politiële en gerechtelijke samenwerking in strafzaken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/507 |
(2004/C 88 E/0519)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0518/04
van Elena Padotti (PSE) aan de Commissie
(24 februari 2004)
Betreft: Schending van de fundamentele rechten van een burger van de Unie door de Verenigde Staten
De Italiaanse staatsburger Marco Fornati, zoon van carrièrediplomaten en daarom geboren in Djedda in Saudie-Arabië, waar zijn vader werkzaam was, heeft aan de Universiteit van Suffolk in Boston gestudeerd en staat thans ingeschreven bij de Universiteit van Lubbock in Texas. Na de aanval van 11 september is zijn naam geplaatst op de zwarte lijst van personen die verdacht zijn wegens hun geboorteplaats. Na lang aandringen hebben de autoriteiten in Dallas hem meegedeeld dat zijn situatie inmiddels was opgehelderd. Met kerst is hij naar Italië teruggekeerd en bij zijn terugkeer is hij op de luchthaven van Dallas aangehouden, in de boeien geslagen, aan een chaingang vastgeklonken met andere gedetineerden, opgesloten in een koude cel zonder dat hij iemand kon waarschuwen en de volgende ochtend op de eerste vlucht naar Europa gezet (die ging naar Stuttgart). Hetzelfde is een Zweedse zakenman overkomen die bij Marco Fornari in de cel zat. Marco mag niet terug naar de Verenigde Staten, hij heeft het halve studiejaar verloren maar moet wel de huur van de studentenflat doorbetalen waar zijn boeken en persoonlijke bezittingen nog opgeslagen liggen.
Dit is een absurde, vernederende en schandelijke schending van de meest elementaire rechten van Europese burgers.
Wat kan de Commissie doen om ervoor te zorgen dat de rechten van onze burgers in de Verenigde Staten worden beschermd?
Antwoord van de heer Patten Namens de Commissie
(30 maart 2004)
In haar verklaringen na de gebeurtenissen van 11 september 2001, met name in de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties (VN) en het Derde Comité van de Algemene Vergadering van de VN, heeft de EU voortdurend onderstreept dat de strijd tegen het terrorisme ondergeschikt is aan de eerbiediging van de mensenrechten en niet omgekeerd.
De Commissie is het geachte parlementslid derhalve erkentelijk voor het feit dat zij de omstandigheden van de detentie van deze Italiaanse burger in de Verenigde Staten onder haar aandacht heeft gebracht. Hoewel de Commissie niet over de bevoegdheid beschikt om in dit geval stappen te ondernemen, is het vanzelfsprekend van fundamenteel belang dat alle landen de internationale verplichtingen op het gebied van rechtsbescherming nakomen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/508 |
(2004/C 88 E/0520)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0536/04
van John Bowis (PPE-DE) aan de Commissie
(24 februari 2004)
Betreft: Colombia
|
1. |
Welke maatregelen neemt de Commissie om de Colombiaanse regering te helpen haar nationale veiligheidsbeleid in overeenstemming te brengen met de internationale wetten en verplichtingen op het gebied van de mensenrechten? |
|
2. |
Is het de Commissie bekend dat de Hoge Commissaris voor Mensenrechten van de VN, Mary Robinson, haar bezorgdheid geuit heeft over de ontmanteling van de mensenrechteneenheid in het bureau van de Colombiaanse procureur-generaal? Zal de Commissie met de Colombiaanse regering bespreken hoe deze de effectieve voortgang denkt te garanderen van onafhankelijke onderzoeken naar de mensenrechten, en welke juridische procedures daarbij, ingeval dat nodig is, zullen worden gevolgd? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(22 maart 2004)
|
1. |
De Commissie heeft bij haar contacten met de Colombiaanse regering uiting gegeven aan haar diepe bezorgdheid over de aanhoudend ernstige situatie in verband met mensenrechten en internationaal humanitair recht in Colombia, en heeft er bij de regering op aangedrongen deze situatie met prioriteiten aan te pakken. Voorts maakt de Commissie gebruik van alle haar ter beschikking staande samenwerkingsinstrumenten om de Colombiaanse regering te helpen deze situatie te verbeteren. Alle prioriteiten van de Commissie voor het gebruik van haar samenwerkingsinstrumenten als beschreven in haar landenstrategiedocument voor Colombia (1) hebben uiteindelijk tot doel de mensenrechtensituatie en de humanitaire situatie te verbeteren. Het betreft de volgende maatregelen:
In 2004 zal de Commissie bijvoorbeeld samen met de Colombiaanse regering een programma voor een bedrag van 10,5 miljoen euro opzetten, dat tot doel heeft de straffeloosheid terug te schroeven door de werking van de Colombiaanse justitie te verbeteren. |
|
2. |
Op de bijeenkomst in Londen over internationale steun voor Colombia op 10 juli 2003 heeft de Commissie samen met de andere vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap haar krachtdadige steun toegezegd voor de werkzaamheden van het Bureau van de Hoge VN-Commissaris voor Mensenrechten in Colombia, met tevredenheid akte genomen van de verbintenis van de Colombiaanse regering om de aanbevelingen van de Hoge VN-Commissaris voor de Mensenrechten te implementeren en er bij de Colombiaanse regering op aangedrongen deze aanbevelingen onverwijld ten uitvoer te leggen. De aanbevelingen omvatten:
Tijdens de recente ontmoetingen op hoog niveau tussen de Commissie en de Colombiaanse regering (bezoek van het Commissielid bevoegd inzake buitenlandse betrekkingen aan Colombia op 21 en 22 januari 2004, bezoek van president Uribe aan Brussel en Straatsburg op 9 en 10 februari 2004) heeft de Commissie haar absolute steun voor deze aanbevelingen uitgesproken. Het rapport van de Hoge VN-Commissaris voor Mensenrechten over de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen zal worden besproken op de aanstaande 60e zitting van het VN-Comité voor mensenrechten in Genève. Bij die gelegenheid zal de EU de verklaring van de voorzitter over Colombia opstellen. Afgezien van haar politieke steun voor de werkzaamheden en aanbevelingen van het Bureau van de Hoge VN-Commissaris voor mensenrechten in Colombia heeft de Commissie ook via het Europees initiatief voor democratie en mensenrechten (begrotingshoofdstuk 19 04) financiële steun voor sommige van de activiteiten van dat Bureau verleend:
|
(1) http://europa.eu.int/comm/external_relations/colombia/csp/index.htm
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/509 |
(2004/C 88 E/0521)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0539/04
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(24 februari 2004)
Betreft: Uitvoering van de Structuurfondsen in Portugal
Kan de Commissie meedelen voor hoeveel en welke specifieke programma's van het 3e Communautair Bestek in Portugal het uitvoeringspercentage minder dan 30 % bedraagt? Voor welke programma's bedragen de betalingen minder dan 15 % van het totale krediet?
Kan de Commissie ook meedelen voor welke al afgesloten programma's de Commissie om terugbetaling van de toegewezen kredieten heeft verzocht of de betaling van het totale bedrag heeft geweigerd? Wat waren de redenen daarvoor?
Welke bedragen en programma's van de Structuurfondsen zijn volgens de regel N+2 eind 2003 aan Portugal toegekend? Wat is het totale bedrag per programma van de Structuurfondsen dat tot nu toe volgens de regel N+2 aan Portugal is toegewezen?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(30 april 2004)
De uitvoering van de Structuurfondsen in Portugal verloopt over het algemeen bevredigend, met name dankzij de inspanningen die in 2003 zijn gedaan om de grote meerderheid van de programma's van de periode 1994-1999 af te sluiten.
De uitvoering van de operationele programma's (OP) van het 3e Communautair Bestek is nog aan de gang. Deze bestrijken de gehele periode 2000-2006 en zijn daarom nog niet afgesloten.
Wat de betaalde bedragen betreft, vergeleken met de voor 2000-2004 geprogrammeerde kredieten, bedroeg het totale uitvoeringspercentage van het Communautair Bestek eind februari 64 %, uitgesplitst als volgt: Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) 63 %, Europees Sociaal Fonds (ESF) 75 %, Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) 49 % en het Financieringsinstrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) 60 %.
Wat het EFRO, het ESF en het EOGFL betreft, heeft geen enkel programma op dit moment een uitvoeringspercentage van minder dan 30 %. Voor het FIOV hebben twee operationele programma's een uitvoeringspercentage van minder dan 30 %: Alentejo en Centro. Geen enkel programma heeft minder dan 15 %.
Op basis van de schattingen die de Commissie de Portugese autoriteiten onlangs heeft toegezonden, zijn in 2003 alleen de programma's Economie (ESF), voor een bedrag van EUR 2 009 015,59, en Technische Bijstand, voor een bedrag van EUR 2 634 957,55 (EFRO) en EUR 901 971 (ESF), volgens de „regel N+2” toegekend. Tot 2003 heeft de toepassing van de „regel N+2” op Portugal alleen gevolgen gehad voor het OP Gezondheid (ESF), voor een bedrag van EUR 1 069 113,50. Voor de FlOV-maatregelen in de regionale programma's geldt een uitzondering vanwege de late goedkeuring van de steunregelingen betreffende de visserijsector.
De afsluiting van de periode 1994-1999 betreft 50 programma's. Bij het afsluiten van deze programma's moet de Commissie vaak overgaan tot aanpassing van de door de lidstaat gevraagde bedragen; diverse parameters spelen daarbij een rol zoals de resultaten van de audits die door de nationale of communautaire controleautoriteiten zijn uitgevoerd. Deze kortingen, die marginaal zijn ten opzichte van de toegekende cofinancieringen, hadden betrekking op verschillende programma's. In het geval van andere programma's (gezondheid en sociale integratie, kennisbasis en innovatie, infrastructuur ter ondersteuning van de ontwikkeling, modernisering van de economische structuur, Alentejo en IMIT) is de aanvraag om uitbetaling van het saldo nog niet volledig onderzocht. In het geval van sommige van deze programma's heeft de Commissie al een eerste betaling gedaan die betrekking heeft op een deel van het gevraagde saldo. Tot dusverre is de Commissie in geen enkel geval tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen overgegaan.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/510 |
(2004/C 88 E/0522)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0571/04
van Herbert Bösch (PSE) aan de Commissie
(26 februari 2004)
Betreft: Aandacht voor de behoeften van gehandicapten bij door de EU gefinancierde ontwikkelingssamenwerking
Hoewel de EU zich er in de millennium-ontwikkelingsdoelstellingen toe verplicht heeft zich aan de armoedebestrijding te wijden, een doel dat niet kan worden bereikt zonder rekening te houden met de behoeften van gehandicapten, is er nog steeds niet voldoende aandacht voor gehandicapten in de ontwikkelingssamenwerking die door de EU wordt gefinancierd.
Volgens het antwoord van 16 september 2003 op parlementaire vraag E-2162/03 (1) heeft de Commissie een nota met richtsnoeren over handicaps en ontwikkeling voor EU-delegaties en -diensten uitgegeven die duidelijk moet maken hoe gehandicaptenvraagstukken doeltreffend binnen de ontwikkelingssamenwerking moeten worden benaderd. Er wordt vanuit gegaan dat deze nota op ruime schaal onder de diensten is gedistribueerd en het belang van het mainstreamen van gehandicaptenvraagstukken bij de beleidsdialoog en de landenprogrammering heeft onderstreept. In het antwoord wordt ook gewezen op de richtsnoeren voor de tussentijdse herziening die op dat ogenblik voor de ACS-landen in voorbereiding waren en waarbij het doel was na te gaan in hoeverre met landenprogramma's op de behoeften van gehandicapte wordt gereageerd.
|
1. |
Hoe is de huidige stand van informatie over de richtsnoernota en gehandicaptenvraagstukken bij de desbetreffende diensten van de Commissie? Volgens mijn informatie is een groot aantal diensten op dit moment niet op de hoogte van de nota met richtsnoeren. |
|
2. |
Hoe denkt Commissie ervoor te zorgen dat de richtsnoeren concrete effecten hebben en hoe denkt zij dit te verifiëren? |
|
3. |
Wat is de huidige stand van zaken bij de bovengenoemde tussentijdse herziening voor ACS-landen? |
|
4. |
Zijn er al enige aanwijzingen voor de mate waarin rekening is en wordt gehouden met de behoeften van gehandicapten in landenprogramma's en hoe in de toekomst gezorgd zal worden voor het opnemen van gehandicapten in de landenprogrammering in het algemeen en de strategische landendocumenten in het bijzonder? |
|
5. |
Als er nog geen concrete gegevens zijn, wanneer denkt de Commissie dan over gedetailleerde informatie te beschikken? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(1 april 2004)
|
1. |
De nota met richtsnoeren over handicaps en ontwikkeling werd afgerond na interdepartementaal overleg. De nota is toegezonden aan alle delegatiehoofden van de Commissie in ontwikkelingslanden. De nota is eveneens intern verspreid binnen directoraat-generaal Ontwikkeling (DEV), de dienst voor ontwikkelingssamenwerking (AIDCO) en het directoraat-generaal buitenlandse betrekkingen (RELEX). De nota is inmiddels vertaald in het Spaans, Frans en Portugees en zal gedrukt en op grotere schaal verspreid worden. |
|
2. |
De delegaties hebben reeds gereageerd op de nota met richtsnoeren en vragen gesteld. De Commissie verwacht ook dat uit de tussentijdse evaluatie van de nationale strategiedocumenten voor landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) zal blijken in welke mate de richtsnoeren uit de nota toegepast en in de praktijk vertaald zijn. De Commissie onderzoekt daarnaast de mogelijkheden om gehandicaptenvraagstukken beter te integreren in de ontwikkelingssamenwerking door opleiding van de ambtenaren van de Commissie, zowel in Brussel als in de delegaties. Ook dient vermeld te worden dat in het kader van recente inspanningen om het bewustzijn van ambtenaren van de Commissie ten aanzien van gehandicaptenvraagstukken in verband met ontwikkelingssamenwerking te vergroten hierover ondermeer tijdens een vergadering van interdepartementale groep mensenrechten op 30 januari 2004 een presentatie gehouden is door vertegenwoordigers van het Europees gehandicaptenforum. |
|
3. |
Momenteel wordt de tussentijdse evaluatie voor ACS-landen uitgevoerd; naar verwachting zal deze halverwege 2005 afgerond zal zijn. |
|
4. en 5. |
In de meeste nationale strategiedocumenten komt het thema gehandicapten niet duidelijk naar voren. Wanneer het onderwerp al ter sprake komt, wordt het veelal in de analyse genoemd, maar zelden vertaald in specifieke acties. De Commissie is van mening dat dit het beste aangepakt kan worden door opleiding te bieden voor de ambtenaren van de Europese instellingen, het bewustzijn te vergroten ten aanzien van gehandicaptenvraagstukken in de dialoog met ontwikkelingslanden en door gehandicaptenorganisaties te betrekken bij de dialoog op landniveau. Op nationaal niveau moeten gegevens verzameld worden over handicaps en het effect op armoede. Hiervoor moeten de dataverzamelingsmethoden en statistische systemen versterkt worden. |
(1) Zie blz. 70.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/512 |
(2004/C 88 E/0523)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0572/04
van Graham Watson (ELDR) aan de Commissie
(26 februari 2004)
Betreft: Tsjechische psychiatrische klinieken
Kan de Commissie duidelijk maken welke verbintenissen door de Tsjechische Republiek zijn aangegaan om vóór toetreding tot de EU verbetering te brengen in haar voorzieningen op het gebied van de geestelijke volksgezondheidszorg, zoals de Bohnice psychiatrische kliniek in Praag?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(13 april 2004)
De bepalingen inzake patiëntenrechten in de Tsjechische Republiek zijn op dit ogenblik opgenomen in verschillende wetten en verordeningen, in hoofdzaak Besluit nr. 20/1996 betreffende de volksgezondheidzorg, dat verschillende malen is gewijzigd. Het besluit omvat bijvoorbeeld bepalingen inzake gedwongen behandeling, klacht- of beroepsrecht en schadevergoeding.
De Commissie heeft vernomen dat een voorstel voor een nieuw besluit inzake diensten voor gezondheidszorg in de maak is, dat een specifiek hoofdstuk betreffende patiëntenrechten omvat. Bovendien wordt thans gewerkt aan een wijziging van de wet inzake sociale zekerheid, waarbij het gebruik van bedden met kooien of netwerk van metaal in instellingen voor mentaal gehandicapten en psychiatrische ziekenhuizen wordt verboden. Met het oog daarop worden ook methodologische instructies uitgewerkt, en er is een proefproject in voorbereiding om het personeel te tonen hoe de toepassing van dergelijke restrictieve middelen door moderne praktijken moet worden vervangen.
De Tsjechische Republiek heeft zich ertoe verbonden de mensenrechten en fundamentele vrijheden te respecteren en te bevorderen, en heeft instellingen opgericht om de tenuitvoerlegging van deze rechten te beschermen en te controleren. Dit vormt een stevige basis om de status en de rechten van patiënten te beoordelen en te ontwikkelen. Een verhoogde bewustwording van de publieke opinie en de betrokkenheid van niet-gouvernementele organisaties zouden ook moeten bijdragen tot een verdere inzet voor de verdediging van de patiëntenrechten. De implementatie van de patiëntenrechten zal eveneens afhankelijk zijn van de algemene situatie in de gezondheidszorg voor wat betreft middelen, opleiding en toezicht op zorgverleners en bevoegde autoriteiten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/512 |
(2004/C 88 E/0524)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0577/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(26 februari 2004)
Betreft: Cuba — Sacharov-initiatief
In zijn recente antwoord op mijn vraag P-3132/03 (1) van 17 oktober 2003 over de tenuitvoerlegging van het „Sacharov-initiatief” door de Europese Commissie, heeft commissaris Nielson verklaard dat de Commissie het streven naar democratisering in Cuba ten volle steunt en dat de voorzitter en de terzake bevoegde leden van de Commissie allen uitzien naar een ontmoeting met Oswaldo Payá voor het geval laatstgenoemde besluit naar Brussel te komen.
Ook de voorzitter van de Commissie, de secretaris-generaal van de Raad en hoge commissaris voor het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheids Beleid (bij brief van 9 januari 2004) en, eveneens, de Italiaanse president hebben schriftelijk dezelfde wens uitgesproken en hebben toegezegd aanwezig te zullen zijn.
Zoals bekend heeft Oswaldo Payá reeds besloten naar Brussel te komen. Het probleem is dat de Cubaanse autoriteiten hem niet willen laten vertrekken, hem het reizen beletten en hem in Havanna, tegen zijn wens, tegenhouden.
Afgezien van het verijdelde bezoek aan de vergadering van 1 december 2003 aan de Commissie buitenlandse zaken, mensenrechten, gemeenschappelijke veiligheid en defensiebeleid — waarnaar al eerder is verwezen in de vraag en het antwoord — heeft het regime van Fidel Castro opnieuw, eind januari, Oswaldo Payá belemmerd zich naar Brussel te begeven om deel te nemen aan de ceremonie in verband met de uitreiking van de Sacharov-prijs 2003 aan zijn opvolger: Kofi Annan en de Verenigde naties, ter herinnering aan Sérgio Vieira de Mello.
Bijgevolg handhaaft het Europees Parlement thans een „open uitnodiging” aan Oswaldo Payá zodat hij kan komen wanneer hij mag vertrekken.
Het is mij bekend met hoeveel toewijding de delegatie van de Commissie in Havanna zich voor deze zaak heeft ingespannen maar, we moeten ons afvragen of we, met het oog op de blokkade van Payá in Cuba, niet meer kunnen en moeten doen.
Kan de Commissie meedelen welke nieuwe inspanningen zij zich heeft getroost om ervoor te zorgen dat de wens van Oswaldo Payá wordt gerespecteerd? Welke concrete maatregelen zijn reeds genomen of is de Commissie voornemens te treffen, met name in samenwerking met de Raad en de lidstaten?
Of zij met nadruk de „open uitnodiging” van het Europees Parlement kan onderschrijven zodat Oswaldo Payá zich naar de Europese Unie en haar instellingen kan begeven als hem dat wordt toegestaan?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(5 april 2004)
De Commissie staat via haar delegatie in Havana in regelmatig contact met de heer Payá. Onze zaakgelastigde overlegt vaak met hem en regelmatig komt daarbij ter sprake hoe het bezoek van de heer Payá aan het parlement en andere EU-instellingen gemakkelijker kan worden gemaakt.
Met de heer Payá was afgesproken dat hij contact op zou nemen met de delegatie in Havana zodra hij over de open uitnodiging van het parlement beschikte. Als het nodig is en als de heer Payá het wenst, kan de Commissie hem via haar vertegenwoordiging in Havana helpen bij de noodzakelijke administratieve stappen bij de Cubaanse autoriteiten in verband met zijn visumaanvraag. In dit verband moet echter herhaald worden dat de delegatie van de Commissie momenteel „diplomatiek bevroren” is en daarom hierover geen politiek overleg kan voeren met de autoriteiten.
Alle maatregelen die de Commissie in Cuba neemt op het gebied van de mensenrechten worden vooraf zorgvuldig besproken met en afgestemd op de lidstaten, zowel in Brussel als in Havana.
De Commissie steunt het initiatief van het parlement en zou het toejuichen als de Cubaanse autoriteiten de heer Payá zouden toestaan de EU-instellingen te bezoeken, waaronder natuurlijk de betrokken diensten van de Commissie. De leden van de Commissie die verantwoordelijk zijn voor ontwikkeling, humanitaire hulp en buitenlandse betrekkingen hebben herhaaldelijk bevestigd dat zij de heer Payá bij die gelegenheid graag zullen ontvangen.
(1) Zie blz. 451.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/513 |
(2004/C 88 E/0525)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0584/04
van Nirj Deva (PPE-DE) aan de Commissie
(26 februari 2004)
Betreft: Financiële hulp van de EU aan Zimbabwe
Zal de Commissie, op grond van de opmerkingen van de Rekenkamer in zijn jaarverslag over het jaar 2002, en met name in het deel getiteld „Verslag over de activiteiten in het kader van het zesde, zevende en achtste Europees Ontwikkelingsfonds”, hoofdstuk V — „Een bijzonder geval: het besluit van de Raad”Algemene Zaken „en de monetaire situatie in Zimbabwe” (1) een officieel onderzoek instellen naar de uitvoering van de financiële steun van de EU aan Zimbabwe, die het mogelijk heeft gemaakt dat leden van het regime van Mugabe, die op de zwarte lijst stonden overeenkomstig Raadsverordening (EG) nr. 310/2002 (2) betreffende bepaalde beperkende maatregelen tegen Zimbabwe, zichzelf hebben verrijkt met communautair geld door toepassing van „een wisselkoers die ver af staat van de realiteit op de geldmarkt en de waarde van de EOF-middelen in 2002 met 89 % heeft verminderd, ten nadele van de bevolking waarop de steun gericht was” (zie het jaarverslag 2002 van de Rekenkamer, hoofdstuk V, paragraaf 68 (a))?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(6 april 2004)
De Commissie deelt de analyse van de situatie door de Rekenkamer niet vanwege de volgende redenen:
|
— |
Het gebruik van de parallelle wisselkoers voor officiële transacties van de Zimbabwaanse banken was onwettig (zie de reactie van de Commissie op punt 62 van het verslag van de Rekenkamer); de centrale bank heeft verschillende malen gedreigd banken die actief zijn op de zwarte markt te vervolgen. Daarom werd de delegatie opgedragen de officiële koers te hanteren bij het aanvullen van de rekeningen van projecten, in afwachting van het overleg met de regering en de banken. |
|
— |
Met betrekking tot de steun uit hoofde van het Europese Ontwikkelingsfonds diende de Commissie zich in 2002 te houden aan de in de Overeenkomst van Lomé beschreven procedures, waarin de verantwoordelijkheid voor het beheer van de fondsen expliciet bij de nationale ordonnateur gelegd wordt, en de overeengekomen regels in verband met de uitvoering. Aangezien de officiële wisselkoers onder de soevereiniteit van de staat valt, kan een andere wisselkoers alleen worden toegepast in overleg met de nationale ordonnateur en de banken. Dit heeft de Commissie gedaan toen de officiële wisselkoers onrealistisch werd. |
|
— |
De Commissie is met name van mening dat het cijfer van 89 % „waardevermindering”, dat de Rekenkamer toepast op de betalingen voor een totaalbedrag van EUR 4,5 miljoen (minder dan 5 % van de communautaire steun aan Zimbabwe in 2002) geen goede weergave is van de werkelijke situatie of van de omstandigheden waarmee de Commissie te maken had aangezien de betalingen wettelijk en volgens de regels moesten verlopen. |
|
— |
Naast de onderhandelingen over een „gemengde koers”, om de verschillen tussen de officiële wisselkoers en de parallelle marktkoers te ondervangen, namen de Commissie en de delegatie de volgende belangrijke maatregelen:
|
De totale communautaire steun aan Zimbabwe in 2002 bedroeg EUR 94 miljoen, waarvan slechts EUR 8 miljoen in het land zelf besteed werd. Voedselhulp, landbouwproductiemiddelen en medische hulpmiddelen werden bijvoorbeeld in buurlanden gekocht.
Daarom ziet de Commissie geen reden voor een officieel boekhoudkundig onderzoek.
(1) PB C 286 van 28.11.2003, blz. 355 sqq.
(2) PB L 50 van 21.2.2002, blz. 4.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/515 |
(2004/C 88 E/0526)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0606/04
van Camilo Nogueira Román (Verts/ALE) aan de Commissie
(27 februari 2004)
Betreft: Naleving door de Spaanse regering van het additionaliteitsbeginsel bij de financiering van de Structuurfondsen en het Cohesiefonds
Heeft de Commissie de laatste twee jaren specifiek onderzoek verricht naar de naleving door de Spaanse regering van het additionaliteitsbeginsel bij de financiering van de Structuurfondsen en het Cohesiefonds? Wat waren de resultaten van dat onderzoek? Heeft de Commissie bewijzen van het bestaan van een verband tussen het „nul deficiť”-begrotingsbeleid van de Spaanse regering en de naleving van het additionaliteitsbeginsel, zodat garanties kunnen worden geboden voor de effectieve implementatie van de nieuwe overheidsinvesteringen die normaliter de communautaire fondsen aanvullen?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(30 april 2004)
Overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (1) is de Commissie halverwege de looptijd van het programma verplicht tot verificatie van de naleving van het additionaliteitsbeginsel in de lidstaten en regio's die voor steun van de Structuurfondsen in aanmerking komen. Het Cohesiefonds is van het additionaliteitsbeginsel vrijgesteld.
Wat Spanje betreft blijkt uit het onderzoek dat dit land het additionaliteitsbeginsel heeft nageleefd. De nationale overheidsuitgaven zijn namelijk in de periode 2000-2002 gemiddeld toegenomen met 3,61 % ten opzichte van het niveau dat aan het begin van de periode door de Spaanse autoriteiten in overleg met de diensten van de Commissie is vastgesteld.
De naleving van het additionaliteitsbeginsel — op grond waarvan de kredieten van de Structuurfondsen niet in de plaats kunnen treden van de overheidsuitgaven — is a priori niet onverenigbaar met een gezond begrotingsbeleid. Macro-economische stabiliteit is noodzakelijk om de voorwaarden voor economische groei te creëren. Uit de ervaringen van de landen waarin het cohesiebeleid wordt toegepast, blijkt dat begrotingsdiscipline te combineren is met de handhaving van een hoog investeringsniveau op grond van zorgvuldig geselecteerde prioriteiten ten gunste van de meest achtergestelde regio's.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/515 |
(2004/C 88 E/0527)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0609/04
van Ulrich Stockmann (PSE) aan de Commissie
(1 maart 2004)
Betreft: Douane en uitbreiding
Na de uitbreiding per 1 mei 2004 en de daaruit voortvloeiende vergroting van de Europese interne markt komen de werkzaamheden van douanevervoerdiensten voor een groot deel te vervallen.
Op een groot aantal beleidsterreinen zijn overgangsperioden voor de omzetting van het acquis communautaire vastgesteld. Geldt dit ook voor de sector douane, in- en uitklaring en douanediensten? Met welke landen zijn overgangsperioden overeengekomen, en hoe zien deze afspraken er precies uit? Welke veranderingen staan de douanevervoerdiensten vanaf 1 mei 2004 te wachten?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(15 april 2004)
Vanaf de eerste dag van toetreding moeten de douaneautoriteiten van de nieuwe lidstaten van de Unie, in het belang van de bevolking van de EU en handelaren, hun grenzen beheren en controleren, aangezien deze dan de buitengrenzen van de Unie zullen vormen.
Er zijn twee overgangsperiodes afgesproken in het hoofdstuk douane-unie. Zij betreffen beide de toepassing van het gemeenschappelijk buitentarief na de toetreding.
Malta heeft toestemming gekregen voor een overgangsperiode van vijf jaar voor de invoer van weefsels van gekamde wol of gekamd fijn haar (GN-code 5112 11 10), denim (GN-code 5209 42 00), weefsels van kunstmatige filamentgarens (GN-code 5408 22 10) en ander geconfectioneerd kledingtoebehoren (GN-code 6217 10 00), met een progressief implementatieschema met een jaarlijks invoercontingent en een oplopend ad-valoremrecht.
Hongarije heeft toestemming gekregen voor een overgangsperiode van drie jaar voor de invoer van niet-gelegeerd aluminium (GN-code 7601 10 00), met een progressief implementatieschema met een afnemend invoercontingent en een oplopend ad-valoremrecht.
Er is geen overgangsperiode afgesproken voor het overige deel van het douane-acquis, waaronder het communautair Douanewetboek en de bijbehorende toepassingsbepalingen, de gecombineerde nomenclatuur en andere douane-gerelateerde wetgeving buiten het werkingsgebied van het Douanewetboek, zoals de wetgeving inzake nagemaakte of door piraterij verkregen goederen, drugprecursoren en de uitvoer van cultuurgoederen. Bijlage IV — 5 van de toetredingsakte bevat echter specifieke technische bepalingen voor de aanpak van situaties die ontstaan door de overgang van 11 aparte douanegebieden (EU15+10) naar één uitgebreid douanegebied (EU25) waardoor goederen bijvoorbeeld een procedure kunnen ingaan in het ene douanegebied en deze kunnen afsluiten in een ander, enkel en alleen vanwege de uitbreiding. In de bijlage wordt ook ingegaan op de geldigheid van vergunningen. Sommige speciale bepalingen zijn van toepassing op de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen, deze staan vermeld in protocol 3 bij het toetredingsverdrag.
De uitkomst van de onderhandelingen houdt in dat de nieuwe lidstaten deel gaan uitmaken van het gemeenschappelijk douanegebied en alle douaneprocedures zullen gaan toepassen die de huidige lidstaten momenteel ook toepassen. Alle handel tussen de nieuwe lidstaten zal worden beschouwd als intracommunautaire transacties waarvoor geen douaneformaliteiten of -controle vereist zijn, zoals momenteel al het geval is op de interne markt. Goederen in het vrije verkeer in een nieuwe of huidige lidstaat op het moment van toetreding zullen ook in het vrije verkeer zijn in de uitgebreide Unie. Dit zal twee gevolgen hebben voor de werkzaamheden van douane-expediteurs: enerzijds zullen de formaliteiten en procedures in alle 25 lidstaten gelijk zijn en anderzijds zullen hun diensten niet meer nodig zijn voor de nieuwe intracommunautaire handel.
Informatie over de hierboven beschreven overgangsmaatregelen op het gebied van douane in de toetredingsakte is beschikbaar op de website van directoraat-generaal Belastingen en douane-unie op de Europaserver: (http://europa.eu.int/comm/taxation_customs/customs/customs.htm).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/516 |
(2004/C 88 E/0528)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0616/04
van Klaus Hänsch (PSE) aan de Commissie
(1 maart 2004)
Betreft: Toekenning van EU-middelen
Kan de Commissie met betrekking tot de toekenning van EU-middelen aan het Duitse district Mettmann en de steden Duisburg, Düsseldorf, Neuss, Remscheid, Solingen en Wuppertal (in Noordrijn-Westfalen) de volgende informatie verstrekken:
|
1. |
Hoe hoog is het totale bedrag aan toegekende EU-structuurmiddelen en hoe zijn deze over de verschillende fondsen c.q. communautaire programma's en initiatieven verdeeld? |
|
2. |
Hoe hoog is het bedrag aan EU-middelen dat voor proefprojecten of — als rechtstreekse subsidies — voor universiteiten, onderzoeksinstellingen, ondernemingen en andere verantwoordelijke instanties in voornoemde steden en in het district Mettmann op basis van andere begrotingslijnen sinds 1999 is toegekend? |
|
3. |
Hoeveel arbeidsplaatsen konden er met behulp van deze middelen gecreëerd worden of behouden blijven? |
Aanvullend antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(15 juni 2004)
Gezien de omvang van het antwoord, doet de Commissie het rechtstreeks aan het geachte parlementslid en aan het Secretariaat-generaal van het Parlement toekomen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/517 |
(2004/C 88 E/0529)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0620/04
van Concepció Ferrer (PPE-DE) aan de Commissie
(1 maart 2004)
Betreft: Uitvoer van militair materieel naar Afrikaanse landen als middelen voor de jacht
Verscheidene NGO's die aanzien genieten (Oxfam-Intermón, Amnesty International, Greenpeace) en de Escuela de Cultura de Paz (schooi van de vredescultuur) van de Autonome Universiteit van Barcelona hebben verklaard dat Spanje militair materieel naar Afrikaanse landen als Ghana, Guinee-Conakry, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Mauritanië, Ivoorkust, Senegal, Guinee-Bissau, Angola, Burkina Faso en Kameroen exporteert als zou het gaan om middelen voor de jacht.
Volgens deze bronnen vermeldt het douaneregister van de Spaanse belastingsdienst dat de uitgevoerde patroonhulzen gemiddeld 40 kg wegen en gemiddeld 120 EUR per stuk kosten.
Het lijkt onwaarschijnlijk dat er jachtgereedschap van deze omvang bestaat.
Bovendien bedroeg de export van dit soort munitie in 2002 iets meer dan 4 miljoen euro.
Is de Commissie op de hoogte van bovengenoemde uitvoer door de Spaanse staat?
Zo ja, heeft de Commissie stappen ondernomen of is zij voornemens dit te doen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(15 april 2004)
De Commissie is niet op de hoogte van de bedoelde uitvoer en heeft niet de autoriteit noch de middelen om te bevestigen of te ontkennen dat het vermelde eindgebruik van de uitgevoerde producten niet met de werkelijkheid overeenstemt.
De bevoegdheid voor het afgeven van vergunningen voor wapenuitvoer behoort volledig tot de nationale regeringen. Bijgevolg is het niet aan de Commissie om commentaar te leveren bij de praktijken van de lidstaten op dit gebied.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/518 |
(2004/C 88 E/0530)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0626/04
van Juan Ferrández Lezaun (Verts/ALE) aan de Commissie
(24 februari 2004)
Betreft: Alternatieve projecten voor het Spaanse nationale waterbouwkundig plan
De Spaanse regering heeft een aanvraag ingediend voor de financiering met Europese kredieten van een project tot omleiding van de rivier de Ebro in het kader van het Spaanse nationale waterbouwkundig plan. Zoals de Europese Commissie al herhaaldelijk heeft verklaard, zal het project, gezien de grote omvang ervan, in zijn geheel worden geëvalueerd.
Kan de Commissie meedelen of, indien zij een negatief oordeel uitspreekt over deze algehele evaluatie, het vaststaat dat de voorziene communautaire kredieten niet aan dit project kunnen worden toegekend?
Heeft de Commissie de zekerheid dat de Spaanse regering alternatieve projecten in haar portefeuille heeft indien de communautaire financiering aan het ingediende omleidingsproject van de Ebro wordt geweigerd?
Wat gebeurt er dan vervolgens met de kredieten die aan Spanje zijn toegewezen?
Antwoord van de heer Barnier Namens de Commissie
(29 maart 2004)
De financiering van grote projecten door middel van de twee grootste gemeenschappelijke financiële instrumenten waarvoor Spanje in aanmerking komt, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds, geschiedt op voorwaarde dat de regelgeving inzake deze fondsen en de programmeringsdocumenten voor hun tenuitvoerlegging worden gerespecteerd
De Commissie keurt haar besluiten tot cofinanciering van grote projecten goed in overeenstemming met de relevante communautaire regelgeving inzake deze fondsen en overeenkomstig alle communautaire wetgeving en het communautaire beleid.
Momenteel analyseert de Commissie de ingediende projecten. Een beslissing over de eventuele toewijzing van gemeenschapsmiddelen voor deze projecten kan pas genomen worden als alle informatie nauwkeurig geanalyseerd is. Daarom is het nu te vroeg om te speculeren over de uitkomst van deze evaluatie.
De Commissie weet niet of de Spaanse autoriteiten alternatieve projecten hebben voor het geval het verzoek tot financiering van de ingediende projecten wordt afgewezen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/518 |
(2004/C 88 E/0531)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0627/04
van María Sornosa Martínez (PSE) aan de Commissie
(3 maart 2004)
Betreft: Niet-naleving van de communautaire wetgeving bij grenscontroles door dierenartsen in Spanje
Het Subdirectoraat-generaal Externe en Veterinaire Gezondheid (SGSEV) van het Spaanse ministerie van Volksgezondheid en Consumentenzaken baseert zich op een onderzoek (1) om de officiële dierenartsen van de grensinspectieposten op te dragen partijen goederen toe te laten als „rechtstreeks aan wal gebrachte visserijproducten”, terwijl de goederen helemaal niet aan die voorwaarde voldoen overeenkomstig de geldende communautaire regelgeving, en zelfs voorbij te gaan aan de verplichte veterinaire controles (en bijgevolg aan het betalen van de overeenkomstige heffingen) op producten die niet zijn vrijgesteld van deze regels. De kapitein van een vissersvaartuig — belanghebbende partij bij deze commerciële operatie — wordt zelfs doorgelaten als hij een eenvoudige verklaring ondertekent; bovendien ondertekent hij, in naam van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst — zonder daarvoor de technische capaciteit te bezitten — gezondheidscertificaten met betrekking tot de herkomst.
Rekening houdend met wat is bepaald in Richtlijn 97/78/EG (2) inzake de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht, Richtlijn 91/493/EEG (3) inzake de productie en het in de handel brengen van visserij- en aquicultuurproducten, Beschikking 93/13/EEG (4) (aangepast en uitgebreid bij Verordening (EG) nr. 136/2004 (5)) inzake de veterinaire controles in de inspectieposten aan de grens en Verordening (EG) nr. 1093/94 (6) inzake de aanplantings-voorwaarden voor vissersvaartuigen van derde landen:
|
— |
Kan de Commissie verzekeren dat de huidige praktijken van het SGSEV in overeenstemming zijn met de communautaire wetgeving inzake de bescherming van de volksgezondheid, de diergezondheid en de rechten van de consumenten en van de burgers in het algemeen? |
|
— |
Vindt de Commissie niet dat de Spaanse autoriteiten bovendien bepaalde importbedrijven bevoordelen, die uiteindelijk aan minder sanitaire en economische voorschriften moeten voldoen om producten uit derde landen te importeren, dan producenten uit de lidstaten? |
(1) Onderzoek van het Subdirectoraat-generaal Externe en Veterinaire Gezondheid van 11 april 2002 over herstelbare gebreken bij de controle van goederen.
(2) PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9.
(3) PB L 298 van 24.9.1991, blz. 15.
(4) PB L 9 van 15.1.1993, blz. 33.
(5) PB L 21 van 28.1.2004, blz. 11.
(6) PB L 121 van 12.5.1994, blz. 3.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/519 |
(2004/C 88 E/0532)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0628/04
van María Sornosa Martínez (PSE) aan de Commissie
(3 maart 2004)
Betreft: Onregelmatigheden met betrekking tot documenten voor producten uit derde landen bij Spaanse grenscontroles
Het Subdirectoraat-generaal Externe en Veterinaire Gezondheid (SGSEV) van het Spaanse ministerie van Volksgezondheid en Consumentenzaken baseert zich op een onderzoek (1) om de officiële dierenartsen van de grensinspectieposten op te dragen producten uit derde landen binnen te laten die niet voldoen aan de communautaire regelgeving inzake certificering en identiteit van het product. Dit organisme heeft de inspecteurs die belast zijn met de controle van de invoervoorwaarden meer bepaald opgedragen om de invoer van producten afkomstig uit landen buiten de gemeenschap niet te verhinderen, ook al zijn er problemen bij de aankomst in de haven, zoals het ontbreken van een origineel gezondheidscertificaat van het land van herkomst (een kopie per fax volstaat).
De inspecteurs kregen ook de opdracht om voorbij te gaan aan de verplichting bepaalde documenten na te kijken. Zo moet het land van herkomst een land zijn dat „mag uitvoeren” — zodra het product de haven verlaat en niet wanneer het aankomt. Vaak ook worden de gebreken van het product niet binnen de juiste termijn en schriftelijk meegedeeld en ontbreken gegevens over partij goederen, code, fabricagedatum, goederenoverschot, enz.
Rekening houdend met wat in Beschikking 93/13/EEG (2) (aangepast en uitgebreid bij Verordening (EG) nr. 136/2004 (3)) en Richtlijn 97/78/EG (4) wordt bepaald:
|
— |
Is de Commissie van mening dat de Spaanse autoriteiten naar behoren handelen wanneer zij producten uit derde landen via de Spaanse havens in de Gemeenschap binnenlaten? |
|
— |
Vindt de Commissie niet dat deze versoepeling van de vereisten inzake gezondheidsdocumenten en -certificaten voor producten uit derde landen een ongelijke behandeling inhoudt ten opzichte van de communautaire producten, die wel aan de volledige toepassing van de normen zijn onderworpen? |
|
— |
Vindt de Commissie niet dat de Spaanse autoriteiten, wanneer het gaat om een niet herstelbaar geval zoals het ontbreken van een origineel gezondheidscertificaat, deze goederen moeten weren, overeenkomstig Richtlijn 97/78/EG? |
|
— |
Is de Commissie niet van oordeel dat de Spaanse autoriteiten met hun instructies de officiële dierenartsen van de grensinspectieposten verplichten om de communautaire normen inzake de bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid naast zich neer te leggen? |
Gecombineerd Aanvullend antwoord
van de heer Byrne namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-0627/04 en E-0628/04
(17 juni 2004)
De Commissie heeft contact opgenomen met de Spaanse autoriteiten en zij heeft een exemplaar gekregen van de interne Spaanse instructies waarnaar deze vragen verwijzen.
De instructies zijn gedetailleerd en bevatten richtsnoeren voor een aantal praktische situaties die zich kunnen voordoen in grensinspectieposten die producten van dierlijke oorsprong ontvangen, alsook instructies voor het aan land brengen van vis en visserijproducten.
De Commissie meent dat veel van de behandelde aangelegenheden in verband met de veterinaire controles worden afgehandeld onder de verantwoordelijkheid van de officiële dierenarts in de grensinspectiepost.
Wat de invoer van vis en de veterinaire controles betreft, zijn er instructies waarbij de door de Spaanse autoriteiten gegeven interpretatie betreffende de certificeringsvoorschriften van de EU verdere verduidelijking behoeft. De Commissie heeft deze instructies reeds met een vertegenwoordiger van de Spaanse autoriteiten besproken in het licht van de recente ontwikkelingen van de wetgeving op dit gebied. De Spaanse autoriteiten hebben toegezegd dat zij de instructies zullen verduidelijken om te vermijden dat deze door de inspecteurs in de grensinspectieposten verkeerd worden begrepen.
De Commissie is van oordeel dat, wanneer geen origineel gezondheidscertificaat wordt voorgelegd voor een zending producten voor invoer, de EU-wetgeving voorschrijft dat de binnenkomst van deze zending wordt geweigerd.
In de instructies is niets te vinden dat de invoer toestaat van producten die niet afkomstig zijn uit erkende landen en uit erkende instellingen in die landen. Uit hygiënisch oogpunt is er in de instructies niets dat erop wijst dat producten uit derde landen soepeler worden behandeld dan producten die in de lidstaten worden geproduceerd.
De Commissie is daarom van mening dat de instructies aan de communautaire wetgeving voldoen en niet leiden tot een oneerlijke behandeling van communautaire producten noch de Spaanse dierenartsen verplichten om de communautaire voorschriften niet na te leven.
(1) Onderzoek van het Subdirectoraat-generaal Externe en Veterinaire Gezondheid van 11 april 2002 over herstelbare gebreken bij de controle van goederen.
(2) PB L 9 van 15.1.1993, blz. 33.
(3) PB L 21 van 28.1.2004, blz. 11.
(4) PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/520 |
(2004/C 88 E/0533)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0715/04
van José Garcia-Margallo y Marfil (PPE-DE) aan de Commissie
(10 maart 2004)
Betreft: BTW-verhoging in Polen voor citrusvruchten
Het Poolse parlement heeft onlangs een wetsontwerp goedgekeurd voor het belasten van handel en diensten. Dit wetsontwerp beoogt een aanzienlijke verhoging van de consumptiebelastingen waar vooral citrusvruchten en andere importproducten de dupe van zouden worden. In concreto is het de bedoeling dat citrusvruchten een BTW-tarief krijgen van 22 % ten opzichte van ander fruit en groente uit Polen waar een BTW-tarief van 7 % wordt gehanteerd.
Volgens de communautaire wetgeving kunnen alle voedselproducten onder het lage BTW-tarief vallen, maar wordt het aan elke lidstaat overgelaten om vast te stellen welke belasting op deze producten wordt geheven.
Het wetsontwerp is een ernstige verstoring van de concurrentie en bevoordeelt bepaalde producten, voor het merendeel plaatselijke producten, ten nadele van andere producten die hoofdzakelijk uit andere landen van de Europese Unie komen zoals citrusvruchten maar ook andere vruchten die moeten worden ingevoerd. De huidige situatie die vooral de communautaire citrusvruchten treft, is al discriminerend voor citrusvruchten met een tarief van 7 % tegenover 3 % voor andere vervangende producten, Dit wijst op een totale willekeur gezien de gelijke kosten van citrusvruchten en andere vergelijkbare producten die niet door de maatregel worden getroffen.
Welke maatregelen denkt de Commissie te nemen tegenover deze eventuele fiscale discriminatie door Polen van citrusvruchten uit andere lidstaten en de invoer ten opzichte van de binnenlandse Poolse productie van andere soortgelijke producten waarvoor de beginselen van vrije mededinging binnen de interne markt zouden moeten gelden?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/521 |
(2004/C 88 E/0534)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0822/04
van María Sornosa Martínez (PSE) aan de Commissie
(8 maart 2004)
Betreft: Concurrentieverstoring door Polen: discriminatie EU-producten
Mij heeft informatie bereikt volgens welke de Poolse regering van plan is de BTW te wijzigen, waarbij de BTW op citrusproducten van de huidige 7 % zal stijgen tot 22 %. Dit Poolse wetsvoorstel (wetsontwerp 1874), inzonderheid artikel 36, betekent dat de door de consument te betalen belasting op citrusvruchten en andere importproducten aanzienlijk zal stijgen. Dit wetsontwerp, dat ter ratificatie voorligt in de Poolse senaat, betekent een ernstige verstoring van de concurrentie, omdat plaatselijke producten worden bevoordeeld ten koste van andere producten uit de overige communautaire landen, zoals bijvoorbeeld citrusvruchten, die feitelijk reeds worden gediscrimineerd, aangezien nu reeds citrusvruchten uit andere EU-landen worden belast met 7 %, tegenover 3 % voor soortgelijke producten van plaatselijke herkomst.
Is de Commissie tegen de achtergrond van de op handen zijnde toetreding van Polen tot de Europese Unie voornemens maatregelen te nemen tegen Polen om te voorkomen dat de communautaire mededingingswetgeving wordt geschonden?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Bolkestein namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-0715/04 en P-0822/04
(5 april 2004)
Op grond van artikel 12 van de Zesde BTW-richtlijn (1) moeten de lidstaten een normaal tarief toepassen dat niet lager is dan 15 % en mogen zij een of twee verlaagde tarieven toepassen die niet lager mogen zijn dan 5 %. In principe zijn deze verlaagde tarieven uitsluitend van toepassing op de categorieën goederen en diensten die zijn gespecificeerd in bijlage H bij de richtlijn. De eerste categorie in die bijlage omvat levensmiddelen voor menselijke en dierlijke consumptie.
Polen is op grond van het Toetredingsverdrag gemachtigd om tot en met 30 april 2008 een sterk verlaagd tarief van 3 % toe te passen. Uiteraard mag Polen dit doen op voorwaarde dat dit altijd gebeurt in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht. In het bijzonder moeten de beginselen van het BTW-stelsel alsmede de bepalingen van het EG-Verdrag worden gerespecteerd.
De Commissie heeft al informatie ontvangen waaruit blijkt dat volgens het Poolse ontwerp van BTW-wet een sterk verlaagd tarief van 3 % (dat tegen 30 april 2008 wordt verhoogd tot 7 % ) wordt toegepast op fruit in het algemeen, behalve op kiwi's, papaya's en andere zuidvruchten. Op de laatstgenoemde producten, die o.a. bepaalde soorten fruit omvatten die niet in Polen worden geteeld en uit een aantal lidstaten in Polen worden ingevoerd (in het bijzonder citrusvruchten), moet het normale BTW-tarief worden toegepast (22 % in Polen, volgens het wetsontwerp).
Een dergelijke regeling zou in strijd kunnen zijn met het Gemeenschapsrecht.
Daarom heeft de Commissie de Poolse autoriteiten al een brief gestuurd waarin zij wijst op het volgende:
|
(i) |
Door haar beschermende werking lijkt de regeling in strijd te zijn met het Gemeenschapsrecht, en in het bijzonder met het neutraliteitsbeginsel van het BTW-stelsel en met artikel 90 van het EG-Verdrag: volgens dat artikel mogen de lidstaten op producten van de overige lidstaten geen hogere belastingen heffen dat die welke op gelijksoortige of concurrerende nationale producten worden geheven. |
|
(ii) |
Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt bevindt het ontwerp van BTW-wet zich in een gevorderd stadium van het wetgevingsproces en moet de kwestie dus zo snel mogelijk worden aangepakt. |
|
(iii) |
De Commissie blijft ter beschikking van de Poolse autoriteiten ingeval deze autoriteiten verdere informatie willen verstrekken of de zaak wensen te bespreken. |
De Commissie verwacht dat de Poolse autoriteiten de noodzakelijke maatregelen zullen treffen om ervoor te zorgen dat het ontwerp van BTW-wet strookt met het Gemeenschapsrecht.
(1) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, PB L 145 van 13.6.1977, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/15/EG van de Raad van of 10 februari 2004, PB L 52 van 21.2.2004.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/522 |
(2004/C 88 E/0535)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0725/04
van Daniela Raschhofer (NI) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Toetreding van Letland
Letland treedt op 1 mei van dit jaar toe tot de Europese Unie. Zoals de Commissie bekend is, wonen in Letland verschillende bevolkingsgroepen, waaronder de Russische. Met de toetreding van Letland geldt daar het acquis communautaire, hetgeen betekent dat er geen sprake mag zijn van discriminerende bepalingen in de wetgeving van Letland.
|
1. |
Zijn er nog nationale bepalingen die afzonderlijke bevolkingsgroepen discrimineren, bijvoorbeeld met het oog op de vrijheid om zich te verplaatsen? |
|
2. |
Zo ja, welke stappen onderneemt de Commissie in deze? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(27 april 2004)
Zoals de Commissie in haar periodieke verslagen over de voorbereidingen op de toetreding tot de EU heeft verklaard, voldoet Letland aan de politieke criteria voor toetreding tot de EU, waaronder de bescherming van minderheden.
In het alomvattende monitoringverslag van 2003 voor Letland (1) werd vastgesteld dat er op het gebied van de vier vrijheden nog beperkingen waren ten aanzien van het staatsburgerschap en taalvereisten. De Commissie heeft benadrukt dat wettelijke voorschriften inzake talenkennis en de uitvoering ervan volledig in overeenstemming moeten zijn met het beginsel van de gerechtvaardigde belangen alsmede het evenredigheids- en het non-discriminatiebeginsel, en dat zij slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden en geval per geval kunnen worden toegepast. Zoals uit de vervolgmonitoring blijkt, heeft Letland zijn wetgeving sindsdien verder aan het acquis aangepast, bijvoorbeeld door beperkingen ten aanzien van beveiligingsdiensten en advocaten op te heffen.
In de context van de antidiscriminatiewetgeving heeft Letland de nog resterende tekortkomingen op dit gebied aangepakt, mede door middel van een verdere aanpassing van de wetgeving en de instelling van een orgaan voor de bevordering van gelijke behandeling. Letland heeft zich ertoe verbonden de nog openstaande kwesties te regelen en de aanpassing van de desbetreffende wetgeving vóór zijn toetreding te voltooien.
Wat etnische minderheden in het bijzonder betreft, werd er bij Letland sterk op aangedrongen om de integratie van de Russische minderheid te bevorderen door met name het tempo van de naturalisatieprocedures verder op te drijven en andere proactieve maatregelen te nemen om het aantal naturalisaties te verhogen. Sindsdien werden diverse verdere stappen genomen om het proces te vergemakkelijken en het aantal naturalisatieaanvragen is verdubbeld.
Wat de vrijheid van reizen betreft, is het aan de lidstaten om te bepalen of houders van niet-Letse paspoorten al dan niet visumplichtig zijn. Ook na de toetreding zullen de lidstaten niet-staatsburgers van visumplicht kunnen blijven vrijstellen. Zodra Letland tot Schengen is toegetreden, zullen niet-staatsburgers naar het Schengengebied kunnen reizen op basis van hun paspoort en een verblijfsvergunning zonder dat zij een visum moeten aanvragen.
(1) COM(2003)675 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/523 |
(2004/C 88 E/0536)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0728/04
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Ansaldo-Breda: eventuele controle op financiering door de Europese Unie
De afgelopen weken hebben er in Brussel besprekingen plaatsgevonden met vakbondsdelegaties en werknemers van Ansaldo-Breda. Hierbij is gebleken dat deze onderneming in het verleden faciliteiten heeft genoten ten behoeve van productieactiviteiten in achtergebleven streken van Italië, zoals voorzien in Italiaanse wet nr. 488/92, met medefinanciering van de EU. Er zou geld zijn gestoken in dakvervangings-werkzaamheden met Ethernit bij de hoofdvestiging om het bedrijf aan te passen aan de Europese bepalingen over bescherming van de werknemers.
Gebleken is dat er geen geld is aangevraagd voor de milieubescherming van het terrein, hoewel er vlakbij de vestiging een belangrijke waterader loopt.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of Ansaldo-Breda geld heeft ontvangen en zo ja, hoeveel; |
|
2. |
welke instrumenten kunnen worden gehanteerd om te controleren of de eventueel aan Ansaldo-Breda verrichte betalingen ook daadwerkelijk zijn besteed? |
Aanvullend antwoord van de heer Barrot namens de Commissie
(22 juni 2004)
Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) heeft in de programmeringsperioden 1994-1999 en 2000-2006 acties medegefinancierd in het kader van de Italiaanse wet 488/92 ter versterking van het industrieel weefsel in de voor steun uit het Fonds in aanmerking komende zones in Italië.
In dit kader heeft het EFRO investeringen medegefinancierd die door de door het geachte parlementslid genoemde bedrijven waren gedaan, met het oog op de herstructurering, de modernisering of de uitbreiding van industriële vestigingen in de regio's Basilicata, Puglia, Campania en Sicilië (een overzicht met gedetailleerde gegevens van de Italiaanse autoriteiten wordt het geachte parlementslid en het Secretariaat-generaal van het Parlement rechtstreeks toegezonden).
Ansaldo Breda neemt overigens deel aan vier onderzoeksprojecten van het Vijfde Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische ontwikkeling (OTO) met een financiële bijdrage van EUR 867 617 en aan twee onderzoeksprojecten van het Zesde Kaderprogramma met een financiële bijdrage van EUR 822 115.
De tenuitvoerlegging van deze acties valt onder de bevoegdheid van de Italiaanse administratie die de beheersautoriteit van het programma is (Ministerie voor Productieve Activiteiten) en die in het bijzonder verantwoordelijk is voor de selectie en de controle van de afzonderlijke projecten. Voor nadere gegevens hierover kan het geachte parlementslid zich derhalve tot de genoemde administratie wenden.
Over het algemeen beperkt de Commissie zich, wat de communautaire acties met gedecentraliseerd beheer betreft, gewoonlijk tot systematische controles en steekproefcontroles ter plaatse.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/524 |
(2004/C 88 E/0537)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0733/04
van Giuseppe Di Lello Finuoli (GUE/NGL) aan de Commissie
(4 maart 2004)
Betreft: Europese cofinanciering van de tramlijn „Gazzi-Annunziata” in Messina. Aanleg in het kader van het operationeel meerfondsenprogramma (OMFP 1994-1999)
Uit de verklaringen van politici en werknemers in de Siciliaanse plaatselijke pers blijkt dat de communautaire fondsen voor de aanleg van de tramlijn niet verloren zijn gegaan dankzij de voltooiing van de lijn binnen de termijn van 31 maart 2002.
Aan deze tramlijn moest na de bovengenoemde termijn nog verschillende keren gewerkt worden voordat de lijn in gebruik kon worden genomen. Aan delen ervan, waarop het verkeer nog niet is hervat, wordt ook nu nog gewerkt. Niettemin ben ik bereid deze constructie als voltooid te beschouwen, maar op grond van een legitiem recht op informatie over openbare werken wil ik de Commissie de volgende vragen voorleggen:
|
— |
Kan de Commissie bevestigen dat voor de aanleg communautaire cofinanciering is verstrekt? |
|
— |
Kan de Commissie zich een oordeel vormen over de aanzienlijke afwijking van de aangelegde lijn ten opzichte van het oorspronkelijke project? |
|
— |
Kan de Commissie bevestigen dat zij de uitspraak van de regionale bestuursrechtbank van Catania heeft aanvaard, die op 6 juli 2001 de grieven in het beroep van de gemeente Messina tegen de verplichting een „MER” te verrichten gegrond heeft verklaard en de bevoegde autoriteiten heeft bevolen de door de regio uit te keren Europese financiering vrij te geven? |
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(29 april 2004)
De Commissie bevestigt de financiering van het door het geachte parlementslid genoemde project in het kader van het operationeel meerfondsenprogramma (MFP) Sicilië 1994-1999. Een van de elementen die de cofinanciering van een maatregel door de Commissie namelijk mogelijk maken is dat het project beëindigd en operationeel is op de einddatum die in het goedkeuringsbesluit van het programma is vastgesteld. In het eindverslag van het MFP Sicilië heeft de beheersautoriteit verklaard dat de voorwaarden in acht zijn genomen.
Ingevolge het subsidiariteitsbeginsel is het in eerste instantie aan de nationale autoriteiten om toe te zien op de naleving van de communautaire wetten en voorschriften. De regio Sicilië was verantwoordelijk voor de selectie en het toezicht op de tenuitvoerlegging van de projecten die in het kader van het MFP Sicilië 1994-1999 zijn gefinancierd.
De Commissie heeft zich gevoegd naar de uitspraak van de regionale bestuursrechtbank (Tribunale Administrativo Regionale — TAR) van 6 juli 2001 waarin bepaald is dat het niet nodig is het project aan een milieu-effectbeoordeling (MEB) te onderwerpen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/525 |
(2004/C 88 E/0538)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0740/04
van José Garcia-Margallo y Marfil (PPE-DE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Agentschap voor de bestrijding van belastingfraude
De lidstaten derven aanzienlijke inkomsten als gevolg van belastingfraude. Volgens ramingen bedraagt de belastingfraude alleen al op het gebied van de BTW 10 % van de inkomsten, i.e. 70 000 miljoen euro.
Overweegt de Commissie de oprichting van een Agentschap voor de bestrijding van belastingfraude voor te stellen, naar analogie van de talrijke onafhankelijke agentschappen die reeds in de Unie bestaan?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(23 april 2004)
BTW-fraude is inderdaad een groot probleem voor de Gemeenschap aangezien het de inkomsten in de lidstaten aan BTW betreft, de concurrentie verstoort en voor de wettig plaatsvindende handel bedreigingen oplevert. Ofschoon de inning van en controle op de BTW allereerst een zaak voor de lidstaten is, is de rol van de Commissie hierbij om een efficiënt juridische raamwerk bieden waarmee het de instanties van de lidstaten mogelijk wordt gemaakt grensoverschrijdend samen te werken en de bestrijding van transnationale BTW-fraude voor de lidstaten effectiever te maken. De Commissie heeft daarom een voorstel ingediend tot meer wederzijdse bijstand en gegevensuitwisseling, vooral bij fraudezaken, goedgekeurd op 8 oktober 2003 door de Raad en op 1 januari 2004 in werking getreden. Deze verordening (1) heeft een aanzienlijke verbetering aangebracht in het juridisch raamwerk voor administratieve samenwerking tussen lidstaten en is voor hen daarom een belangrijk instrument bij de bestrijding van BTW-fraude. In dit verband zal de Commissie binnenkort een verslag indienen bij de Raad en het Parlement over het inzetten van regelingen van administratieve samenwerking bij de bestrijding van BTW-fraude. Aangezien de nieuwe verordening inzake administratieve samenwerking een voorafgaande voorwaarde was om de samenwerking tussen de lidstaten bij de bestrijding van BTW-fraude te verbeteren, moest dit wetgevingsinitiatief ook gepaard gaan met concrete maatregelen voor meer samenwerking tussen de verschillende belastingdiensten en de ambtenaren daarvan. Het geachte parlementslid is er zeker mee bekend dat het Programma Fiscalis 2003-2007 (2) door Raad en Parlement is goedgekeurd om de samenwerking op dagelijkse grondslag tussen de ambtenaren van de lidstaten te verbeteren.
Een verdere stap van belang is dat de Commissie werkt aan voorbereiding van een voorstel voor een nieuwe verordening inzake wederzijdse administratieve bijstand voor de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap tegen fraude en andere onwettige activiteiten. Dit voorstel zal onder meer transnationale BTW-fraude en daarmee verband houdende activiteiten van geld witwassen omvatten. De bedoeling is tussen lidstaten en de Commissie informatie uit te wisselen en de Commissie te versterken met een uitgebreider platform voor coördinatie van transnationale BTW-fraudebestrijding en daarmee verband houdende dienstverlening inzake risicoanalyse en inlichtingenwerk.
Het oprichten van een Agentschap van de Gemeenschap om belastingfraude te bestrijden, zoals het geachte parlementslid oppert, heeft als bezwaar dat verscheidene lidstaten niet bereid zijn hun soevereiniteit op het gebied van belastinginning en toezicht daarop over te dragen. Bovendien acht de Commissie een dergelijke stap momenteel niet gerechtvaardigd. Zij zal waar dit nodig en aan de orde is zowel een passende krachtige juridische achtergrond alsook een versterkt apparaat van administratieve samenwerking verschaffen om het de lidstaten mogelijk te maken efficiënt en effectief met elkaar en met de Commissie tegen transnationale BTW-fraude samen te werken.
Het geachte parlementslid mag tenslotte weten dat het antifraudebureau van de Commissie reeds beschikt over een BTW-team dat de lidstaten bijstaat in de coördinatie van operationele grensoverschrijdende BTW- fraudegevallen in het kader van artikel 280 van het EU-Verdrag. Daarnaast steunen respectievelijk het directoraat Inlichtingenwerk en de Eenheid Rechterlijke ambtenaren van OLAF de lidstaten gedurende het onderzoek en de gerechtelijke fasen van de operationele aanpak.
(1) Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad van 7 oktober 2003 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 218/92, PB L 264 van 15.10.2003.
(2) Beschikking nr. 2235/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2002 tot vaststelling van een communautair programma ter verbetering van het functioneren van de belastingstelsels in de interne markt (Programma Fiscalis 2003-2007), PB L 341 van 17.12.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/526 |
(2004/C 88 E/0539)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0742/04
van José Garcia-Margallo y Marfil (PPE-DE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Effect van het groei-initiatief op de regio's
Het door de Europese Raad in december 2003 goedgekeurde „Europees groei-initiatief” heeft tot doel de Europese economie dichter bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie van Lissabon („tegen het jaar 2010 de Europese Unie omvormen tot de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld”) te brengen.
Hoe kunnen regionale regeringen bijdragen aan structurele hervormingen die gericht zijn op het verbeteren van onze concurrentiepositie, het bevorderen van volledige werkgelegenheid en het oplossen van de grote milieuproblemen? Werd bij het opstellen van de planning voor het „groei-initiatief” rekening gehouden met de regionale dimensie?
Heeft de Commissie een evaluatie gemaakt van het effect van het „groei-initiatief” op de diverse regio's? Zo ja, wat is dan de situatie ten aanzien van de Autonome Gemeenschap Valencia (Spanje)?
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(23 april 2004)
Het doel van het Europese groei-initiatief is om bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie van Lissabon, te weten bevordering van investeringen in zowel de transeuropese vervoeren energienetwerken als in de kennismaatschappij. Met het oog hierop werden de projecten, programma's en technologieën geselecteerd die worden opgesomd in de mededeling van de Commissie „Een Europees groei-initiatief — Investeren in netwerken en kennis ten behoeve van groei en werkgelegenheid” (1).
De Commissie heeft niet per regio onderzocht welke gevolgen het groei-initiatief waarschijnlijk zal hebben. De projecten en programma's ten behoeve van de transeuropese vervoer- en energienetwerken hebben tot doel de grensoverschrijdende verbindingen en capaciteit te verbeteren alsmede de huidige of potentiële knelpunten op te lossen en alle regio's van Europa aan te sluiten op deze netwerken.
De globale richtsnoeren voor het economisch beleid, de internemarktstrategie en de werkgelegenheidsrichtsnoeren en aanbevelingen duiden verschillende gebieden aan waarop verdere structurele hervormingen zouden resulteren in meer en betere werkgelegenheid, verhoogde productiviteit en bijgevolg grotere groei. De regionale regeringen kunnen met name een bijdrage leveren door hun overheidsuitgaven en investeringen meer toe te spitsen op projecten die de groei en de werkgelegenheid bevorderen, door te zorgen voor een efficiënte tenuitvoerlegging van hun investeringsprogramma's en door het hefboomeffect van overheidssteun op particuliere investeringen te vergroten.
De investeringsprogramma's van een groot aantal regionale regeringen worden ten dele medegefinancierd door de structuurfondsen van de EU. De thans lopende, tussentijdse evaluatie biedt een gelegenheid voor heroriëntatie en kwaliteitsverbetering. Grotere doelgerichtheid zou voorts kunnen worden verzekerd door de toekomstige hervorming van de structuurfondsen, waaronder het Europees Sociaal Fonds, welke ten doel heeft de doelstellingen van Lissabon en Göteburg te schragen door concurrentiekracht, duurzame ontwikkeling en werkgelegenheid centraal te stellen, zoals door de Commissie is voorgesteld in haar mededeling „Bouwen aan onze gemeenschappelijke toekomst — Beleidsuitdagingen en begrotingsmiddelen in de uitgebreide Unie 2007-2013” (2) alsmede in het derde cohesieverslag.
(1) COM(2003)690 def.
(2) COM(2004)101 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/527 |
(2004/C 88 E/0540)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0744/04
van José Garcia-Margallo y Marfil (PPE-DE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Bevordering van de deelneming van het MKB aan innovatie- en O&O-projecten
Kan de Commissie informatie verschaffen over het aantal innovatie- en O&O-projecten waaraan Europese MKB's sinds het begin van de tenuitvoerlegging van het 6de kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling hebben deelgenomen, en over de financiering ervan?
Wat is het percentage van deelneming van Spaanse MKB's aan deze projecten?
Welk beleid dient volgens de Commissie in de EU te worden gevoerd om de deelneming van Europese MKB's aan innovatie- en O&O-projecten daadwerkelijk te bevorderen, teneinde de kloof tussen de Amerikaanse en de Europese bedrijven te verkleinen?
Antwoord van de heer Busquin namens de Commissie
(21 april 2004)
De deelneming van het midden- en kleinbedrijf (MKB) aan het zesde kaderprogramma voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie 2002-2006 (KP6) wordt met name op de volgende twee manieren krachtig gestimuleerd: ten eerste worden middelen beschikbaar gesteld voor horizontale activiteiten voor het MKB (430 miljoen euro) en ten tweede dient ten minste 15 % van het budget voor de zeven thematische prioriteiten (ongeveer 1,7 mld EUR) te worden toegewezen aan MKB-bedrijven. Gezien het feit dat het MKB van essentieel belang is om Europa in staat te stellen grensverleggend actief te zijn op het gebied van wetenschap en technologie en onderzoeksresultaten te vertalen in succesvolle producten en diensten, wordt de deelneming van MKB-bedrijven, naast die van universiteiten en grotere ondernemingen, krachtig bevorderd via het specifieke programma „Integratie en versterking van de Europese onderzoeksruimte”, hetzij via geïntegreerde projecten, hetzij via andere onderzoeksinstrumenten.
Dit programma wordt ten uitvoer gelegd via vier hoofdinstrumenten (naast de genoemde geïntegreerde projecten zijn dat specifieke ondersteuningsactiviteiten, coördinatieactiviteiten en specifieke doelgerichte onderzoeksprojecten). Op basis van de eerste uitnodigingen tot het indienen van voorstellen betreffende de zeven thematische prioriteiten (met als uiterste indieningstermijn vóór 24 juni 2003) kan ter indicatie de volgende informatie verstrekt worden:
|
— |
21 % van de ingediende voorstellen is afkomstig van het MKB (in totaal 12 503 MKB-bedrijven); de door het MKB aangevraagde financiering bedraagt 17,4 % (3,122 mld EUR) van het totaal van de aangevraagde middelen. |
|
— |
bij 19 % van de deelnemers wier voorstel is opgenomen in de hoofdlijst van voorstellen (voorstellen die geselecteerd zijn voor financiering) gaat het om MKB-bedrijven (2 158 bedrijven); de door het MKB aangevraagde financiering bedraagt 14,4 % (449 miljoen euro) van het totaal van de aangevraagde middelen. Voor alle duidelijkheid zij erop gewezen dat dit percentage 13 % bedraagt alsook het andere instrument, de topnetwerken, in aanmerking wordt genomen. |
|
— |
7,4 % van de ingediende voorstellen is afkomstig uit Spanje (3 754 Spaanse deelnemers); in 24,5 % van de gevallen betreft het MKB-bedrijven. De door deze 919 Spaanse MKB-bedrijven aangevraagde financiering bedraagt 19,5 % (232,8 miljoen euro) van het totaal van de door Spaanse deelnemers aangevraagde middelen. |
|
— |
6,2 % van de deelnemers wier voorstel is opgenomen in de hoofdlijst van voorstellen is afkomstig uit Spanje (577 Spaanse deelnemers); in 18,2 % van de gevallen gaat het om MKB-bedrijven. De door deze 105 Spaanse MKB-bedrijven aangevraagde financiering bedraagt 13,4 % (26,3 miljoen euro) van het totaal van de door Spaanse MKB-bedrijven aangevraagde middelen. |
Er zij op gewezen dat het hier om voorlopige cijfers gaat die gebaseerd zijn op de ingediende voorstellen. Definitieve gegevens komen beschikbaar nadat de onderhandelingen over de contracten voor de geselecteerde projecten afgerond zijn.
Het instrument voor activiteiten op het gebied van economische en technologische informatieverzameling wordt ingezet om innovatie bij het MKB te bevorderen en de deelname van MKB-bedrijven aan KP6 aan te moedigen. Verder zijn binnen een aantal thematische prioriteiten speciale geïntegreerde projecten voor het MKB opgezet. Tot slot wordt de deelname van MKB-bedrijven met beperkte onderzoekscapaciteit actief gestimuleerd via de horizontale programma's voor onder meer coöperatieve en collectieve gezamenlijke onderzoeksactiviteiten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/528 |
(2004/C 88 E/0541)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0747/04
van José Garcia-Margallo y Marfil (PPE-DE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Import van satsuma's — vrijwaringsclausule
In november 2003 heeft de Europese Unie besloten een voorlopige vrijwaringsclausule toe te passen ter beperking van de import van mandarijnen in blik uit derde landen, met name China, die de laatste jaren explosief is gestegen en een serieuze bedreiging vormt voor de communautaire productie.
De Europese Unie heeft daarbij contingenten vastgesteld van 11 389 ton voor uit China afkomstige conserven, en 906 ton voor de import uit andere landen.
Voor de hoeveelheden die deze contingenten overschrijden dient bij export naar de Europese Unie een aanvullend douanerecht te worden betaald, dat evenwel ontoereikend blijkt, aangezien deze export de vastgestelde contingenten reeds ruim overschrijdt. Bovendien vervalt de vrijwaringsclausule op 10 april e.k.
Is de Commissie van plan deze clausule te verlengen en de regeling zodanig aan te passen dat ze een doeltreffend mechanisme wordt ter bescherming van de communautaire markt?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(21 april 2004)
Op 7 april 2004 heeft de Commissie, na overleg met de lidstaten, een voorstel goedgekeurd tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van mandarijnen in blik in de Gemeenschap. De voorlopige vrijwaringsclausule loopt af op 10 april 2004; om een onderbreking van de beschermende maatregelen ten gunste van de producenten in de Gemeenschap te voorkomen, treden de definitieve maatregelen op 11 april 2004 in werking. De maatregelen zijn van kracht tot 8 november 2007 om de bedrijfstak in de Gemeenschap voldoende gelegenheid tot herstructurering te bieden.
Gezien het aanhoudend hoge niveau van de invoer in de laatste maanden van 2003 en aangezien is gebleken dat invoerders voorraden hebben opgebouwd voorafgaand aan de instelling van de voorlopige maatregelen, alsmede ten gevolge van wisselkoersschommelingen, wordt bij de definitieve clausule een aanmerkelijk hoger douanerecht van kracht (EUR 301 per ton) dan het recht dat gold uit hoofde van de voorlopige vrijwaringsclausule (EUR 155 per ton).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/529 |
(2004/C 88 E/0542)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0760/04
van José Garcia-Margallo y Marfil (PPE-DE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: De uitvoering van het actieplan inzake financiële diensten (APFD) in de nieuwe lidstaten
Zal de Commissie begeleidende maatregelen nemen voor de uitvoering van het APFD in de toetredingslanden die, voor het grootste deel, niet hebben deelgenomen aan de uitwerking van de belangrijkste richtlijnen die middels het APFD zijn in werking zijn getreden?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(21 april 2004)
De maatregelen van het Actieplan inzake financiële diensten (APFD) die vóór 1 mei 2004 moeten zijn tenuitvoergelegd, zullen deel uitmaken van het acquis dat alle toetredingslanden moeten overnemen en vóór de datum van toetreding moeten tenuitvoerleggen.
Als de maatregelen van het APFD pas na 1 mei 2004 moeten worden tenuitvoergelegd, zullen die latere uiterste data ook voor de toetredingslanden gelden. Om volledig op de hoogte te zijn van deze maatregelen hebben afgevaardigden van de toetredingslanden het voorbije jaar (2003) alle relevante voorbereidende en regelgevende institutionele comités als waarnemer bijgewoond.
De Commissie herinnert eraan dat de Toetredingsakte voorziet in overgangsmaatregelen — beperkt in werkingssfeer en geldigheidsduur — voor specifieke richtlijnen in de sector van de financiële diensten. Deze overgangsmaatregelen gelden voor de plaatselijke markt; het zal niet mogelijk zijn directe toegang tot de Europese interne markt te krijgen als aan een minder strikte regelgeving wordt voldaan. Alle overgangsmaatregelen verstrijken uiterlijk eind 2007. Zij hebben betrekking op het minimumkapitaal voor coöperatieve kredietinstellingen dat vereist is op grond van de bankrichtlijn (1) (voor Cyprus, Hongarije, Polen en Slovenië) en op de depositogarantiestelsels en de compensatieregelingen voor beleggers (2) (voor Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen en Slowakije).
Tot slot heeft de Commissie gedurende enige tijd op het gebied van de financiële diensten een intensieve dialoog met de toetredingslanden gevoerd. Met name hebben deskundigen uit de EU-15 intercollegiale toetsingen (peer reviews) verricht. Naar aanleiding hiervan werden aanbevelingen geformuleerd en hebben de toetredingslanden actieplannen opgesteld om ervoor te zorgen dat het acquis op dit gebied, inclusief de reeds vastgestelde APFD-maatregelen, daadwerkelijk wordt tenuitvoergelegd.
(1) Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, PB L 126 van 26.5.2000.
(2) Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels, PB L 135 van 31.5.1994.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/529 |
(2004/C 88 E/0543)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0772/04
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid in Oostenrijk
Gezien
|
— |
artikel 6 van het EU-Verdrag; |
|
— |
de artikelen 10, 22 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; |
|
— |
het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950 (in het bijzonder de artikelen 9 en 14); |
|
— |
het internationaal rapport van 2003 over de godsdienstvrijheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten; |
Overwegende dat
|
— |
de Oostenrijkse Evangelische Alliantie, de koepel van de in Oostenrijk niet-erkende christelijke organisaties, vertragingen heeft gemeld in de afgifte van visa voor religieuze werkers; |
|
— |
leden van de Getuigen van Jehova geen visum hebben kunnen krijgen voor een tolk Tagalo voor liturgische diensten voor de Filippijnse gemeenschap; |
|
— |
de wet over de positie van de confessionele religieuze gemeenschappen van 1998 tot gevolg had dat twaalf vroeger al erkende religieuze gemeenschappen hun status konden behouden, maar dat nieuwe criteria werden opgelegd aan religieuze groeperingen die dezelfde status wilden verwerven; dat vele niet door de regering erkende groeperingen en een aantal deskundigen op het gebied van religieus recht, zich erover hebben beklaagd dat de extra criteria voor de erkenning van een religieuze gemeenschap een hinderpaal vormen voor de goedkeuring van de verzoeken om erkenning en tot gevolg hebben dat niet-erkende groeperingen een tweederangspositie krijgen; dat een aantal deskundigen de grondwettigheid van de betrokken wet in twijfel hebben getrokken; |
|
— |
verschillende Oostenrijkse provincies subsidies hebben verleend aan organisaties die informatie verspreiden over sekten en erediensten; dat op de website van de gezinsbond van Neder-Oostenrijk een presentatie staat waarin vele religieuze groeperingen negatief worden voorgesteld, ook de Getuigen van Jehova, hoewel die de status van confessionele gemeenschap hebben: |
Kan de Commissie bevestigen dat ze op de hoogte is van voormelde feiten?
Beschouwt de Commissie voormelde feiten als strijdig met de fundamentele rechten die in de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de EU worden gegarandeerd, en dat ze daarom afbreuk doen aan de inhoud van die rechten, die in artikel 52 van dat handvest uitdrukkelijk worden beschermd?
Meent de Commissie dat die feiten strijdig zijn met artikel 6 van het EU-Verdrag en dus ook met de door alle lidstaten gedeelde principes inzake de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele rechten?
Kan de Commissie meedelen hoe ze Oostenrijk wil doen afzien van die praktijken, die strijdig zijn met de godsdienstvrijheid?
Als de Commissie voormelde feiten niet uitdrukkelijk veroordeelt, op welke rechtsprincipes baseert ze dan haar houding?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(28 april 2004)
Ten aanzien van het feit dat de Oostenrijkse autoriteiten hebben geweigerd een inreisvisum te verstrekken aan sommige religieuzen, wijst de Commissie erop dat elke lidstaat een visumaanvraag behandelt aan de hand van een aantal in de Gemeenschappelijke visuminstructies opgenomen criteria, overeenkomstig de bepalingen inzake de afgifte van uniforme visa die geldig zijn voor het grondgebied van de staten die partij zijn bij de Schengen-uitvoeringsovereenkomst. De beslissing over het toekennen of weigeren van een visum valt echter onder de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten. De Gemeenschappelijke visuminstructies leggen de lidstaten niet de verplichting op een eventuele weigering om een visum toe te kennen te motiveren.
Wat betreft de toekenning van een werkvergunning aan vertegenwoordigers van een geloofsgemeenschap die onderdaan zijn van een derde land, wil de Commissie erop wijzen dat er momenteel geen communautaire regeling bestaat op grond waarvan deze onderdanen recht hebben op toegang en verblijf in verband met werk, en dat een dergelijke aangelegenheid onder de bevoegdheid van de lidstaten valt.
Bij eventuele schendingen van de grondrechten, met name de vrijheid van godsdienst, kan de Commissie overigens alleen ingrijpen als deze plaatsvinden binnen het kader van het Gemeenschapsrecht.
Ten slotte zij erop gewezen dat iemand die van mening is dat zijn grondrechten zijn geschonden, wanneer alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput, een procedure aanhangig kan maken bij het Europees Hof voor de rechten van de mens.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/531 |
(2004/C 88 E/0544)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0775/04
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid in Duitsland
Gezien
|
— |
artikel 6 van het EU-Verdrag; |
|
— |
de artikelen 10, 22 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; |
|
— |
het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950 (in het bijzonder de artikelen 9 en 14); |
|
— |
het internationaal rapport van 2003 over de godsdienstvrijheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten; |
Overwegende dat
|
— |
de Duitse regering de Scientology-kerk niet als godsdienst erkent en dat het feit dat ze die kerk als bedreiging voor de democratische orde beschouwt, tot gevolg heeft dat de leden van die kerk op gebied van werkgelegenheid en handel in de overheids- en particuliere sector worden gediscrimineerd; |
|
— |
de regering heeft geweigerd visa voor kort verblijf af te geven aan de leider van de Kerk van de Eenmaking (Unification Church), de heer Sun Myung Moon, en zijn echtgenote Hak Ja Har Moon; |
|
— |
de regeringen van Beieren en Hamburg nieuwe maatregelen hebben voorgesteld om de activiteiten van de Scientology-kerk te beperken en dat de Lutherse kerk haar informatiecampagne tegen de Scientology-kerk en tegen andere zogenaamde „erediensten” voortzet; |
|
— |
verschillende deelstaten brochures hebben gepubliceerd waarin de ideologie en de praktijken van minderheidsgodsdiensten worden toegelicht, en dat sommige daarvan vrezen dat hun vermelding in een verslag over gevaarlijke bewegingen of erediensten hun reputatie kan schaden; dat die initiatieven ertoe hebben bijgedragen dat de overheid haar negatieve houding ten aanzien van leden van minderheidsgodsdiensten handhaaft; |
|
— |
in het Internationaal verslag van 2003 over de godsdienstvrijheid bezorgdheid tot uiting wordt gebracht over de schending van persoonlijke rechten wegens lidmaatschap van een religieuze groepering en over de mogelijke discriminatie op de internationale markt bij de selectie van buitenlandse ondernemingen wegens mogelijk lidmaatschap van Scientology; |
Kan de Commissie bevestigen dat ze op de hoogte is van voormelde feiten?
Beschouwt de Commissie voormelde feiten als strijdig met de fundamentele rechten die in de artikelen 10 en 22 van het Handvest van de grondrechten van de EU worden gegarandeerd, en dat ze daarom afbreuk doen aan de inhoud van die rechten, die in artikel 52 van dat handvest uitdrukkelijk worden beschermd?
Meent de Commissie dat die feiten strijdig zijn met artikel 6 van het EU-Verdrag en dus ook met de door alle lidstaten gedeelde principes inzake de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele rechten?
Kan de Commissie meedelen hoe ze Duitsland wil doen afzien van die praktijken, die strijdig zijn met de godsdienstvrijheid?
Als de Commissie voormelde feiten niet uitdrukkelijk veroordeelt, op welke rechtsprincipes baseert ze dan haar houding?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(29 april 2004)
De door het geachte parlementslid genoemde feiten zijn de Commissie niet bekend.
Ten aanzien van het feit dat de Duitse autoriteiten hebben geweigerd een inreisvisum te verstrekken aan de leider van de Verenigingskerk, de heer Moon, en zijn vrouw, wijst de Commissie erop dat elke lidstaat een visumaanvraag behandelt aan de hand van een aantal in de Gemeenschappelijke visuminstructies opgenomen criteria, overeenkomstig de bepalingen inzake de afgifte van uniforme visa die geldig zijn voor het grondgebied van de staten die partij zijn bij de Schengen-uitvoeringsovereenkomst. De beslissing over het toekennen of weigeren van een visum valt echter onder de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten. De Gemeenschappelijke visuminstructies leggen de lidstaten niet de verplichting op een eventuele weigering om een visum toe te kennen te motiveren.
Naar de mening van de Commissie vallen de vragen over de status van de Scientologykerk en andere religieuze gemeenschappen in Duitsland onder de aan het Verdrag van Amsterdam gehechte „Verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties”. Deze verklaring luidt als volgt: „De Europese Unie eerbiedigt en doet geen afbreuk aan de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het nationale recht in de lidstaten hebben. De Europese Unie eerbiedigt evenzeer de status van levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties.”
De Commissie is slechts bevoegd op te treden tegen eventuele schendingen van de grondrechten, en met name de godsdienstvrijheid, wanneer deze plaatsvinden in het kader van het Gemeenschapsrecht en de tenuitvoerlegging daarvan.
Sinds 2 december 2003 is Duitsland net als alle andere lidstaten verplicht Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 toe te passen, die met betrekking tot arbeid en beroep discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid verbiedt (1).
In het kader van haar onderzoek naar de toepassing van de bovengenoemde richtlijn door de lidstaten heeft de Commissie Duitsland een aanmaning toegezonden omdat Duitsland geen omzettingsmaatregelen heeft medegedeeld.
Ten slotte kan iemand die van mening is dat zijn grondrechten zijn geschonden, een procedure aanhanging maken bij het Europees Hof voor de rechten van de mens wanneer alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/532 |
(2004/C 88 E/0545)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0776/04
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid in Griekenland
Gezien
|
— |
artikel 6 van het EU-Verdrag; |
|
— |
de artikelen 10, 22 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de EU; |
|
— |
het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950 (in het bijzonder de artikelen 9 en 14); |
|
— |
het internationaal rapport van 2003 over de godsdienstvrijheid van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten; |
Overwegende dat
|
— |
de niet-orthodoxe groepen in Griekenland bij de uitoefening van hun godsdienst administratieve moeilijkheden of wettelijke beperkingen ondervinden; dat leiders van een aantal niet-orthodoxe religieuze groeperingen verklaren dat alle belastingen van de godsdienstige organisaties discriminerend zijn aangezien de regering de orthodoxe kerk subsidieert en alle andere godsdienstige groeperingen zichzelf financieren; |
|
— |
verschillende religieuze groeperingen moeilijkheden melden bij de afhandeling van administratieve formaliteiten; dat de wettelijke privileges en prerogatieven van de Griekse orthodoxe kerk niet voor andere erkende godsdiensten gelden; |
|
— |
de leden van de Getuigen van Jehova geviseerd worden door willekeurige identiteitscontroles, problemen bij de begrafenis van overledenen en tegenwerking van plaatselijke functionarissen bij de bouw van kerken; |
|
— |
een aantal religieuze groeperingen zoals de mormonen en de joden in de diaspora problemen melden bij de hernieuwing van visa van hun bedienaren van de eredienst en rabbijnen die geen burger van de EU zijn, omdat de regering geen arbeidsvisum voor religieuzen heeft; |
|
— |
niet-orthodoxe burgers wegens hun godsdienst problemen ondervinden bij de toegang tot loopbanen in het leger, bij de politie, brandweer of overheidsdienst; dat in het leger in het algemeen alleen leden van de orthodoxe kerk officier kunnen worden, waardoor leden van andere godsdiensten ertoe worden aangezet zich orthodox te verklaren; er ook berichten zijn over pressie op Grieks-orthodoxe militairen om niet te huwen volgens de niet-orthodoxe rite van hun partner, met de bedreiging dat ze dan geen promotie meer kunnen maken; |
|
— |
de orthodoxe kerk een lijst van religieuze praktijken en groeperingen heeft gepubliceerd die als ketters worden beschouwd; dat officiële vertegenwoordigers van de orthodoxe kerk hebben erkend dat ze geen dialoog willen met religieuze groeperingen die als schadelijk voor orthodoxe gelovigen worden beschouwd, en de Grieks-orthodoxen de raad hebben gegeven contact met de leden van die godsdiensten te vermijden; |
Is de Commissie op de hoogte van voormelde feiten? Als de Commissie die feiten heeft onderzocht en beoordeeld, wat zijn dan haar conclusies?
Beschouwt de Commissie voormelde feiten als strijdig met de rechten die in de artikelen 10, 22 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de EU worden gegarandeerd, alsook met artikel 6 van het EU-Verdrag?
Als de Commissie voormelde feiten niet uitdrukkelijk veroordeelt, op welke rechtsprincipes steunt ze dan haar houding?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(29 april 2004)
Het geachte parlementslid verwijst naar zeer diverse feiten of praktijken die tot schendingen van de godsdienstvrijheid in Griekenland zouden leiden. De Commissie is niet op de hoogte gesteld van deze feiten en praktijken.
Haar beoordeling hiervan en de initiatieven die zij eventueel terzake zou kunnen nemen, hangen af van de vraag of de vermelde feiten en praktijken onder het Gemeenschapsrecht vallen.
Voor sommige van deze feiten is dat niet het geval en is de Commissie derhalve niet in staat tot handelen. Dat geldt bij voorbeeld voor de weigering van een specifieke arbeidsvergunning voor bedienaren van de eredienst uit derde landen, daar er geen communautaire regels zijn voor de toegang en het verblijf van onderdanen uit derde landen met het oog op werk en de lidstaten bevoegd zijn op dit gebied.
Bepaalde van de vermelde praktijken lijken te vallen onder de bij het Verdrag van Amsterdam gevoegde Verklaring betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties, waarin de Unie vaststelt dat zij het statuut respecteert dat kerken en religieuze verenigingen of gemeenschappen krachtens het nationale recht genieten. Dat geldt voor de administratieve voorwaarden voor de uitoefening van niet-orthodoxe religieuze praktijken en voor de door religieuze verenigingen betaalde belastingen, die het geachte parlementslid vermeldt.
De lijst van door de orthodoxe kerk als heiligschennend beschouwde religieuze praktijken en groepen en de sociale gedragingen die hieruit kunnen voortvloeien, kunnen enkel gevolgen hebben tussen particulieren en geven geen aanleiding tot enige opmerking.
Wat de praktijken betreft die eventueel personen kunnen discrimineren bij de toegang tot een loopbaan of promoties in de openbare dienst, wijst de Commissie erop dat Griekenland verplicht is tot toepassing van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000, waarin discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid verboden wordt met betrekking tot arbeid en beroep (1). Alle lidstaten moeten deze richtlijn sinds 2 december 2003 toepassen.
In het kader van haar onderzoek van de toepassing van de vermelde richtlijn door de lidstaten, heeft de Commissie Griekenland schriftelijk in gebreke gesteld wegens het niet-mededelen van de door deze lidstaat genomen omzettingsmaatregelen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/534 |
(2004/C 88 E/0546)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0786/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Politiële samenwerking en mensenrechten
Het Ierse Voorzitterschap probeert de strijd tegen grensoverschijdend terrorisme en georganiseerde misdaad te intensiveren, daarom heeft het prioriteit verleend aan het tot stand brengen van een betere samenwerking tussen de politie-, de douane- en de veiligheidsdiensten in alle lidstaten.
Kan de Commissie garanderen dat de afspraken over de samenwerking tussen wetshandhavingsdiensten in de lidstaten de internationale bepalingen inzake mensenrechten en beste praktijken respecteren? Overweegt de Commissie om aan te dringen op het aannemen van bepalingen voor verantwoordingsplicht zodat de diensten in kwestie in staat zijn om voor een volledige bescherming van de mensenrechten te zorgen?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(29 april 2004)
Alle regelingen inzake samenwerking tussen rechtshandhavingsdiensten die tot stand zijn gekomen via instrumenten die in het kader van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn goedgekeurd, worden zorgvuldig getoetst aan artikel 6 van de gemeenschappelijke bepalingen van dat Verdrag.
De Commissie is er altijd van doordrongen geweest dat het vergroten van de veiligheid gepaard moet gaan met de volledige eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden en de rechtsstaat. Eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten is een absolute voorwaarde voor de rechtmatigheid van elk overheidsoptreden. Het is de taak van de Commissie dit evenwicht waar nodig in de gehele Unie te bevorderen door het benodigde wetgevingskader tot stand te brengen, teneinde de grote doelstelling van de Unie van de totstandbrenging en bevordering van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te verwezenlijken.
De door de Europese Unie goedgekeurde wetgevingsmaatregelen zijn volledig in overeenstemming met de beginselen die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en die zijn weerspiegeld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Waar nodig verwijzen bepaalde kaderbesluiten in de overwegingen uitdrukkelijk naar deze eerbiediging van de rechten van de mens, bijvoorbeeld het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en het kaderbesluit inzake terrorismebestrijding, beide van 13 juni 2002.
Voorts hebben alle huidige en toekomstige lidstaten zich geschaard achter aanbeveling Rec (2001)10 van 19 september 2001 van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over de Europese Code voor politie-ethiek (1), waarin wordt benadrukt dat gemeenschappelijke Europese beginselen en richtsnoeren moeten worden opgesteld voor o.a. de verantwoordingsplicht voor de politie inzake de waarborging van de veiligheid en de rechten van het individu in democratische samenlevingen in een rechtsstaat. Het beginsel van de verantwoordingsplicht is nader uitgewerkt in de punten 15 en 16: de lidstaten zijn verantwoordelijk voor de uitoefening van onafhankelijk toezicht op de politie overeenkomstig de vastgestelde beginselen.
Bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht moeten de lidstaten en hun rechtshandhavingsinstanties de fundamentele rechten eerbiedigen die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en die zijn weerspiegeld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de internationale instrumenten die als algemene rechtsbeginselen integrerend deel van het Gemeenschapsrecht uitmaken en daardoor worden beschermd.
(1) http://www.supremecourt.ge/english/Annex2.pdf
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/535 |
(2004/C 88 E/0547)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0788/04
van Giacomo Santini (PPE-DE) aan de Commissie
(5 maart 2004)
Betreft: Invoer en dumping van kopersulfaat
Er wordt in de wereld steeds meer kopersulfaat geproduceerd, dat wordt gebruikt in diervoeder, in de landbouw (behandeling van wijnstokken tegen plagen) en in de elektronische en galvanische industrie. De Europese productie is de laatste jaren echter aanzienlijk teruggelopen door de massale invoer van kopersulfaat uit derde landen (Oezbekistan, Oekraïne, Rusland, Macedonië, Servië, China), wat tot een crisis in de sector heeft geleid. De grootste Europese producent bevindt zich in Italië (Manica Spa in Rovereto). Dit bedrijf deelt de markt met enkele andere bedrijven die nog over zijn in Italië, Spanje en Frankrijk. De voornaamste oorzaak van de crisis is de grote hoeveelheid (50.000/60 000 ton/jaar) microkristallijn kopersulfaat die wordt ingevoerd uit de bovengenoemde derde landen, waarbij duidelijk sprake is van dumping. Deze hoeveelheid is goed voor meer dan tweederde van de Europese markt. Zeer zorgwekkend is bovendien de slechte kwaliteit van het sulfaat van buiten de Unie, die een gevaar vormt voor de gezondheid van het vee en voor het milieu. Bij de recente verordening (EG) nr. 133/2003 (1) zijn nieuwe ingrijpende beperkingen op het gebruik van bepaalde zouten, onder meer koperzouten, in diervoeder ingevoerd, vooral vanwege de verontreiniging van de bodem en het oppervlaktewater door uitwerpselen van varkens. De Europese export wordt door deze beperkingen nog verder geschaad.
Daar deze situatie ertoe kan leiden dat ook de weinige Europese productie-installaties die nog over zijn de poort moeten sluiten, met alle gevolgen vandien voor de kwaliteit van het product en de werkgelegenheid, verzoek ik de Commissie antwoord te geven op de volgende vragen:
|
1. |
Wat denkt de Commissie te doen om de invoer van dumpproducten af te remmen met douaneheffingen op basis van verordening 384/96 (2) van de Raad? |
|
2. |
Welke maatregelen zal zij nemen om de interne markt, de Europese producenten en de kwaliteit van het product te beschermen? |
|
3. |
Welke controles zal zij verrichten om duidelijkheid te verschaffen omtrent het vermoeden dat een groot deel van de uit die landen ingevoerde producten van illegale of onduidelijke herkomst is? |
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(1 april 2004)
|
1. |
Het geachte parlementslid mag erop vertrouwen dat de Commissie altijd bereid is de Europese industrie te beschermen tegen oneerlijke en schadelijke invoer, mits voldaan is aan de voorwaarden in het kader van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap en de EU-wetgeving (3). Volgens de geldende regels moet voor de toepassing van antidump ing maatregelen een formele procedure ingeleid worden met een klacht die namens alle of een groot deel van de producenten in de Gemeenschap wordt ingediend. Hierna volgt een onderzoek door de dienst handelsbescherming van de Commissie, wat kan leiden tot een voorstel voor antidumpingmaatregelen (bijvoorbeeld een antidumpingrecht) van de Commissie, dat moet worden goedgekeurd door de Raad van Ministers. De Commissie kan de betrokken producenten in de Gemeenschap de informatie verstrekken aan de hand waarvan zij een dergelijke klacht kunnen indienen. In dit verband wijst de Commissie het geachte parlementslid graag op de website http://europa.eu.int/comm/trade/policy/dumping/compl.htm, waar een „Guide on how to draft an anti-dumping complaint” te vinden is. |
|
2. |
Wat de bescherming van de interne markt en de Europese producenten betreft, zal de Commissie alle gepaste initiatieven nemen zoals hierboven beschreven. Handelsbescherming in de zin van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad richt zich echter niet op bescherming van de kwaliteit van producten. Het gebruik van kopersulfaat voor de bescherming van gewassen valt onder Richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad (4). Volgens deze richtlijn mag een stof alleen gebruikt worden als de Commissie, na beoordeling van het dossier, een richtlijn aanneemt waarmee de stof wordt opgenomen in bijlage I bij Richtlijn nr. 91/414/EEG. Voor stoffen die in 1993 reeds op de markt waren (waaronder kopersulfaat), blijven de nationale regels gelden tot de Commissie een besluit genomen heeft. In 2002 dienden de producenten een dossier in om toestemming te krijgen voor het gebruik van koper; dit dossier wordt momenteel door de Gemeenschap onderzocht. Verwacht wordt dat in of voor 2006 hierover een besluit genomen zal worden. Mocht dit besluit negatief uitvallen, dan zullen daarbij technische minimumnormen vastgesteld worden met betrekking tot de zuiverheid van koper (met inbegrip van kopersulfaat) voor toepassing in gewasbescherming. Dit besluit zal bindend zijn in de hele Gemeenschap. |
|
3. |
Zoals het geachte parlementslid ongetwijfeld weet, worden momenteel geen antidumpingrechten op kopersulfaat geheven. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat er sprake is van frauduleuze handel. Om antidumpingrechten te kunnen heffen, moeten de betrokken producenten uit de Gemeenschap eerst een klacht indienen zoals beschreven in het eerste deel van dit antwoord. |
(1) PB L 22 van 25.1.2003, blz. 18.
(2) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1.
(3) Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 461/2004 van de Raad van 8 maart 2004, PB L 77 van 13.3.2004 („de basisverordening”).
(4) Richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, PB L 230 van 19.8.1991.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/536 |
(2004/C 88 E/0548)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0806/04
van Antonio Di Pietro (ELDR) aan de Commissie
(15 maart 2004)
Betreft: De Tremontiwet-Mediaset
Dankzij wet 8.8.1994 nr. 489 (vanaf nu te noemen: de Tremontiwet) heeft het bedrijf Mediaset dat actief is in de sector informatie en media, de belasting voor tenminste 243 miljard lire kunnen tillen. Een ernstig gevolg hiervan is dat Mediaset haar dominante marktpositie aanzienlijk heeft kunnen versterken, de geweldige balansverliezen heeft kunnen wegwerken en nu op de beurs genoteerd staat. De besluit- vormingsprocedures zijn voornamelijk vastgesteld door de eigenaar van Mediaset, de huidige premier Berlusconi, dus is er duidelijk sprake van een belangenconflict. Op het beperkte terrein van de televisiemediamarkt is Mediaset exclusief dan wel hoofdzakelijk degene die bij deze regeling garen heeft gesponnen. Dit is een ongeoorloofde concurrentievervalsing voor dit bedrijf bij de besluitvorming. Het lijdt geen twijfel dat Mediaset in staat is invloed uit te oefenen op het resultaat van de besluitvorming, althans in het geval waarin de marktpositie op relevante wijze door de bepaling wordt verstoord (dat zijn de conclusies van advocaat-generaal Jacobs, van 21.3.1991, Extramet).
Het blijkt een illegale concurrentievervalsing dat dit bedrijf via vertegenwoordigers bepalingen te eigen voordele heeft uitgevaardigd die gericht zijn op versterking van de dominante positie ofwel om derden uit de markt te drukken (bijlage Milano, ord. 9-13 juli 1998 en vonnis 22 maart-16 juni 2000). Dit is maar al te duidelijk. Conflicterende belangen vormen een ernstige aantasting van het orgaan waarbinnen deze zijn geconstateerd.
Kan de Commissie uitleggen waarom zij geen maatregelen heeft genomen ter bescherming van de marktconcurrentie voor de media in Italië die ernstig is aangetast door de bovengenoemde illegale concurrentie, mede omdat door het niet optreden van de Commissie deze illegale praktijken kunnen voortbestaan met alle schade van dien voor de markt en de communautaire en nationale schatkisten?
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie zich naar aanleiding van een klacht reeds over het onderwerp van deze vraag gebogen en heeft, bij gebrek aan aanwijzingen van een mogelijke inbreuk op het communautaire mededingingsrecht, besloten dat er onvoldoende gronden waren om de zaak verder te onderzoeken.
Wat de stelling betreft dat de deelname van de onderneming aan het wettelijke besluitvormingsproces wegens belangenverstrengeling in strijd is met de mededingingswetgeving, meent de Commissie dat zij, aangezien het communautaire mededingingsrecht geen enkele verwijzing naar belangenconflicten bevat, geen juridische middelen heeft om bij een belangenconflict op te treden, welke ook de invloed ervan op de markt. De Commissie kan wel optreden bij misbruik van machtspositie of van staatssteun.
Wat machtsposities betreft, kan het louter feit dat Mediaset door wet nr. 489 van 8 augustus 1994 voordeel heeft gehaald uit fiscale wetgeving die niet uitsluitend op Mediaset, of zelfs uitsluitend op radio-en televisiebedrijven is gericht, niet als misbruik van machtspositie worden omschreven.
Bovendien wordt in het voorliggende geval het belangenconflict verondersteld de mededinging langs de belastingverlagende wetgeving om te hebben beïnvloed. Mededingingsdistorsies te wijten aan voordelen die met staatsmiddelen worden toegekend, worden beoordeeld aan de hand van de regels betreffende staatssteun uit het Verdrag. Het is vaste rechtspraak dat artikel 87 geen onderscheid maakt naar de oorzaken of doeleinden der bedoelde maatregelen, doch naar hun gevolgen ziet. Wat de Commissie moet onderzoeken is of een maatregel aan de definitie van staatssteun uit het Verdrag voldoet. De elementen waar het geachte parlementslid in zijn vraag naar verwijst tonen niet aan dat dit het geval is en de mogelijkheid dat een belangenconflict bij de voorbereiding van een dergelijke maatregel een rol zou hebben gespeeld kan niets aan deze beoordeling veranderen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/537 |
(2004/C 88 E/0549)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0810/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(8 maart 2004)
Betreft: Mozambique — Nampula — moord op vrouwelijke missionaris
Op 24 februari werd de Braziliaanse missionaris van de Lutherse Evangelische Kerk, Doraci Edinger, 53 jaar oud, levenloos aangetroffen in haar appartement in Nampula. Zij was betrokken bij de bouw van scholen en ziekenhuizen en het slaan van putten voor de watervoorziening in deze regio's.
Nadat diefstal als motief was uitgesloten, kwamen de geruchten op gang dat deze barbaarse daad wel eens verband zou kunnen houden met de handel in organen in deze regio.
Autopsie toonde aan dat de vrouw met hamerslagen was vermoord. Er zijn reeds vijf verdachten aangehouden.
Binnen de religieuze gemeenschap, en met name de katholieke orden die hun stem hebben verheven tegen deze orgaanhandel, groeit de angst voor repressaillemaatregelen.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Over welke informatie beschikt zij met betrekking tot deze feiten? |
|
— |
Welke maatregelen heeft zij genomen of denkt zij te nemen om de veiligheid van missionarissen in Nampula, en met name die van burgers van de Europese Unie, te waarborgen? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(5 april 2004)
De Commissie is op de hoogte van de moord op de Braziliaanse vrouwelijke missionaris Doraci Edinger en heeft in dit verband contact opgenomen met de Braziliaanse ambassade. Op grond van de beschikbare informatie oordeelt deze ambassade dat er geen verband is tussen deze moord en de gevallen van organenhandel die naar verluidt zouden bestaan.
Het probleem van de veiligheid van missionarissen valt buiten de bevoegdheid van de Commissie en kan het beste kan worden aangepakt via de ambassades van de lidstaten. Wel zal de Commissie binnen het kader van de EU-coördinatie en de politieke dialoog tussen de EU en Mozambique onderzoeken wat de beste manier is om deze kwestie bij de regering aan de orde te stellen.
Het geachte parlementslid kan ervan overtuigd zijn dat de Commissie, voor zover dat binnen haar bevoegdheden valt, contact zal houden met het Bureau van de procureur-generaal en met de Liga voor de rechten van de mens, en dat zij het verloop van het onderzoek zal volgen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/538 |
(2004/C 88 E/0550)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0813/04
van Johanna Boogerd-Quaak (ELDR) aan de Commissie
(15 maart 2004)
Betreft: Uitkeringen voor milieumaatregelen in de landbouw
Op 5 februari 2004 had ik de eer om een conferentie bij te wonen, georganiseerd door de IUCN, over milieuprogramma's in de landbouw: „Hoe kunnen de milieumaatregelen in de landbouw voor biodiversiteit en duurzaam gebruik verbeterd worden”.
Tijdens die conferentie werden er kritische opmerkingen gemaakt over de berekening van de uitkeringen voor milieumaatregelen in de landbouw die gebaseerd is op de huidige bepalingen van de verordening inzake plattelandsontwikkeling (EG) nr. 1257/1999 (1).
|
1. |
Is de Commissie van mening dat de huidige basis voor uitkeringen voor milieumaatregelen in de landbouw, zoals neergelegd in de verordening inzake plattelandsontwikkeling (EG) nr. 1257/1999, niet in alle situaties bevredigend is? |
|
2. |
Overweegt de Commissie voorstellen te doen om uitkeringen voor milieumaatregelen in de landbouw in de toekomst te baseren op de levering van collectieve goederen? |
|
3. |
Heeft de Commissie overwogen om in verband hiermee stappen te ondernemen in de context van de voorbereiding van de nieuwe verordening inzake plattelandsontwikkeling en de WTO-onderhandelingen over de bepalingen voor de Green Box van de Overeenkomst inzake de landbouw? |
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(28 april 2004)
De door het geachte parlementslid bijgewoonde conferentie heeft zonder twijfel bijgedragen tot het denkproces over de huidige en toekomstige opzet van de milieumaatregelen in de landbouw. De opmerkingen die er naar voren zijn gebracht, ook de kritische, zijn door de Commissie genoteerd. Gezien het frequente gebruik van de maatregelen en de veelheid aan doelstellingen en regionale en lokale omstandigheden in dit verband, is het in feite niet meer dan normaal dat tekortkomingen kunnen optreden.
|
1. |
Steun voor milieumaatregelen in de landbouw wordt verleend voor vrijwillige verbintenissen die verder gaan dan het referentieniveau van de „goede landbouwpraktijken”, een pakket minimumeisen die de landbouwer moet naleven zonder daarvoor te worden betaald. De huidige rechtsgrond voor steun voor milieumaatregelen in de landbouw is artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen. De steun voor milieumaatregelen in de landbouw wordt berekend op basis van gederfde inkomsten, extra kosten die voortvloeien uit de door de landbouwer aangegane verbintenis en — waar dat nodig is om een voldoende gebruik van de maatregelen door de landbouwers te garanderen — een stimulans ter dekking van de transactiekosten. Deze berekening geeft geen beeld van de situatie in een individueel bedrijf, maar is een weerspiegeling van de gemiddelde kosten- en inkomenssituatie van een onder een programma vallend gebied. |
|
2. |
De Commissie beschouwt haar beleid op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw als een redelijk en gerechtvaardigd instrument om de landbouwers ertoe aan te moedigen om met inachtneming van het milieu collectieve goederen te leveren. Door de gemaakte kosten en de gederfde inkomsten van de landbouwer als grondslag voor de berekening van de steun voor milieumaatregelen in de landbouw te hanteren, kan het gewenste resultaat — levering van collectieve goederen tegen de laagste prijs — worden bereikt. De tekortkomingen en problemen die bij de tenuitvoerlegging zijn geconstateerd, worden momenteel bestudeerd en de Commissie zal op basis daarvan voorstellen doen met betrekking tot de toekomstige opzet van de landbouwmilieumaatregelen in het kader van de plattelandsontwikkeling. |
|
3. |
Het beginsel is volledig in overeenstemming met de overeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie inzake steun in het kader van de Green Box. Eventuele wijzigingen in de aanpak moeten zorgvuldig tegen deze achtergrond in overweging worden genomen. |
(1) PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/539 |
(2004/C 88 E/0551)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0815/04
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(15 maart 2004)
Betreft: Opsluiting van grote aantallen Eritrese evangelische christenen
Is het de Commissie bekend dat in Eritrea evangelische christenen worden vervolgd? Tijdens een recent optreden van de autoriteiten werden 51 evangelische christenen gearresteerd, wat het totaal brengt op ongeveer 347 wegens hun geloofsovertuiging gearresteerde en gevangengenomen burgers op negen verschillende plaatsen in Eritrea.
In Eritrea worden enkel het orthodoxe, het katholieke, het evangelisch-lutherse geloof en de islam erkend als officiële religies, alle andere zijn „illegaal”. Bijgevolg werden sinds mei 2002 alle Eritrese evangelische kerken gedwongen te sluiten en openbare en particuliere godsdienstige bijeenkomsten werden verboden. Volgens het standpunt van de Europese Unie is de vrijheid om vreedzaam zijn/haar geloof uit te oefenen zonder vervolging een fundamenteel en universeel mensenrecht. Het is duidelijk dat de Eritrese regering deze mensenrechten ernstig schendt.
Welke maatregelen overweegt de Commissie te nemen om te zorgen voor de vrijlating van alle 347 Eritrese gelovigen? Welke maatregelen overweegt de Commissie bovendien te nemen om een grotere tolerantie te creëren ten opzichte van andere religies en om het verbod op alle zogenaamde onofficiële religies op te heffen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(22 april 2004)
De Commissie is er zich van bewust dat in Eritrea mensen worden vervolgd omwille van hun godsdienstige overtuiging. Zij herinnert eraan dat de vrijheid van godsdienst in de Eritrese grondwet wordt gegarandeerd. In de praktijk wordt dit recht door de overheid evenwel beperkt. Slechts de vier door de overheid toegelaten religieuze groeperingen in het land -orthodoxe christenen, moslims, katholieken en leden van de evangelische kerk van Eritrea (die aangesloten is bij de Lutherse Wereldfederatie) — mogen vrij bijeenkomen.
In mei 2002 vaardigde de minister van informatie een decreet uit dat de registratie van alle religieuze groeperingen verplicht stelt; dit geldt evenwel niet voor de vier toegelaten groeperingen. Andere groeperingen werden gewaarschuwd dat zij, tot hun aanvragen om registratie waren goedgekeurd, geen religieuze activiteiten of diensten mochten organiseren. Tot dusverre bleven deze goedkeuringen uit.
Volgens verschillende rapporten die door de Commissie werden ontvangen, werden de vervolgingen vanaf dat ogenblik hardnekkiger. Leden van niet-toegelaten protestantse religieuze groeperingen die ter plaatse gezamenlijk als „Pentes” worden aangeduid, hervormingsbewegingen die zich van de Koptische kerk hebben afgescheiden of die binnen de Koptische kerk actief zijn, Jehova's getuigen en aanhangers van het Baha'i-geloof zijn door de overheid geïntimideerd, gearresteerd en vastgehouden. In de rapporten is vermeld dat de politie aangehouden personen soms fysiek mishandelt en dat sommigen, als voorwaarde voor hun vrijlating, verklaringen moesten ondertekenen waarin ze afstand deden van hun geloof of er mee instemden dit geloof niet te belijden. Naar verluidt waren honderden mensen bij dergelijke praktijken betrokken.
De overheid schijnt het vooral gemunt te hebben op Jehova's getuigen, omdat deze weigeren hun militaire dienstplicht te vervullen. Velen kregen geen toegang tot door de overheid gefinancierde huisvesting of werden uit de desbetreffende woningen gezet, kregen geen paspoorten of uitreisvisa. Sommigen werd zelfs een identiteitskaart geweigerd, of hun kaart werd ingetrokken. Aan het eind van 2003 waren naar verluidt ongeveer 11 aanhangers van Jehova's getuigen nog in hechtenis zonder in staat van beschuldiging te zijn gesteld. De militaire dienst is verplicht in Eritrea voor alle mannelijke onderdanen tussen 18 en 45 en alle vrouwelijke onderdanen tussen 18 en 28. De overheid voorziet niet in alternatieve niet-militaire dienst.
De Commissie is het ermee eens dat er sprake is van een schending van fundamentele mensenrechten en volgt, samen met de lidstaten, de ontwikkelingen op de voet. De kwestie zal ter sprake worden gebracht in het kader van de politieke dialoog waarin is voorzien bij artikel 8 van de Overeenkomst van Cotonou. Deze dialoog werd opnieuw op gang gebracht in 2003 nadat hij een tijdlang was opgeschort tengevolge van maatregelen tegen de politieke oppositie en de media aan het eind van 2001. Gedurende een eerste fase was het moeilijk om gevoelige politieke kwesties ter sprake te brengen. Weldra wordt evenwel een tweede fase ingeleid. De Europese Unie kreeg de verzekering dat het mogelijk zal zijn om civiele, politieke, religieuze, economische, sociale en culturele rechten ter sprake te brengen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/540 |
(2004/C 88 E/0552)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0821/04
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(15 maart 2004)
Betreft: Ondertekening van de overeenkomst van Agadir
Op 25 februari 2004 is in aanwezigheid van Chris Patten, lid van de Commissie, met een plechtigheid de ondertekening gevierd van het vrijhandelsakkoord tussen Jordanië, Egypte, Tunesië en Marokko, het zogeheten Agadir-akkoord, zo genoemd omdat deze landen in mei 2001 in Agadir een politieke verklaring in deze zin hebben afgelegd. Dit akkoord maakt deel uit van een bredere doelstelling van het partnerschap tussen de EU en de landen rond de Middellandse Zee, in het kader van het Barcelona-proces dat in 1995 in gang is gezet om voor 2010 een pan-Europees-mediterrane vrijhandelszone in het leven te roepen.
Kan de Commissie in het licht van het voorafgaande mededelen tot welke gevolgen dit proces zal leiden voor typische mediterrane communautaire producten, met name uit Portugal? Tot welke gevolgen zal het Agadir-akkoord volgens haar leiden voor de groente- en fruitsector en de conservenindustrie, met inbegrip van visconserves (sardines, tonijn, enz), met name in Portugal?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(27 april 2004)
Het op 25 februari 2004 ondertekende Agadir-akkoord is een vrijhandelsakkoord tussen vier landen uit het Middellandse-Zeegebied: Marokko, Tunesië, Egypte en Jordanië. De Europese Unie neemt dus niet deel aan deze overeenkomst, hoewel zij de sluiting ervan sterk heeft aangemoedigd. Elk van de vier genoemde landen heeft in de context van het Euro-Mediterrane partnerschap een associatieovereenkomst met de Europese Unie gesloten waarin vrijhandelsbepalingen zijn opgenomen. De overeenkomsten met Marokko, Tunesië en Jordanië zijn al in werking getreden. De overeenkomst met Egypte zou zeer binnenkort in werking moeten treden, hoewel de handels- en handelsgerelateerde bepalingen al sinds 1 januari 2004 van kracht zijn. Het Agadir-akkoord zou dan ook geen directe effecten moeten hebben op sectoren in de EU.
De Commissie stimuleert de sluiting van vrijhandelakkoorden tussen partners in het zuidelijke Middel-landse-Zeegebied, zodat de economische Noord-Zuid-dimensie van het Euro-Mediterrane partnerschap wordt aangevuld met een Zuid-Zuid-dimensie om verdere investeringen aan te trekken en de handel tussen de partners verder te stimuleren. Het Agadir-akkoord vormt, gezien deze doelstelling, een positieve stap in de richting van een geleidelijke totstandbrenging van de Euro-Mediterrane vrijhandelszone en zou een positief effect moeten hebben op de handelsbetrekkingen van de vier betrokken landen alsmede op de ontwikkeling van economische en handelsbetrekkingen in het hele Euro-Mediterrane gebied. De Commissie volgt de ontwikkelingen die het gevolg zijn van de tenuitvoerlegging van de vrijhandel in het gebied van zeer nabij en financiert een duurzaamheidseffectbeoordeling met betrekking tot de Euro-Mediterrane vrijhandelszone. Deze effectbeoordeling bevindt zich in de eerste fase, waarbij het de bedoeling is een algemene evaluatie van de duurzaamheid van de vrijhandel in het Euro-Mediterrane gebied uit economisch, sociaal en milieu-oogpunt uit te voeren.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/541 |
(2004/C 88 E/0553)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0833/04
van Catherine Stihler (PSE) aan de Commissie
(15 maart 2004)
Betreft: BTW-tarieven van 0 % of 5 % voor alle audio-boeken
Kan de Commissie mij mededelen of ze bezwaren heeft, en zo ja op welke grond, tegen het feit dat de Britse regering een lager BTW-tarief van 0 % of 5 % voorziet voor alle audio-boeken? Dit zou ervoor zorgen dat audio-boeken meer gelijkgesteld worden met het nultarief voor gedrukte boeken in het Verenigd Koninkrijk en dat slechtzienden niet gestraft worden voor het lezen van audio-boeken in plaats van gedrukte boeken. Dergelijke maatregelen worden gesteund door het Royal National Institute of the Blind Scotland en andere organisaties van en voor slechtzienden.
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(30 april 2004)
Krachtens de huidige communautaire wetgeving bestaat er voor het Verenigd Koninkrijk geen rechtsgrond om een verlaagd BTW-tarief van 0 % of 5 % toe te passen op audioboeken.
Op grond van Richtlijn 92/77/EEG van de Raad (1) is handhaving van het nultarief bij wijze van tijdelijke uitzonderingsmaatregel toegestaan gedurende een overgangsperiode vóór de invoering van een definitief BTW-stelsel met belastingheffing in het land van oorsprong. Deze maatregel is toegestaan op voorwaarde dat dergelijke tarieven al op 1 januari 1991 wettelijk van kracht waren. Krachtens deze bepalingen mocht het Verenigd Koninkrijk het nultarief wel toepassen op boeken maar niet op audioboeken. Het betreft hier een uitzondering op de normale regels volgens welke het standaard BTW-tarief van toepassing moet zijn op alle belastbare transacties, met de mogelijkheid voor de lidstaten om alleen op goederen en diensten die zijn opgenomen in bijlage H („Lijst van de leveringen van goederen en de diensten waarop verlaagde BTW-tarieven mogen worden toegepast”) bij de Zesde BTW-richtlijn 77/388/EEG (2) een verlaagd tarief toe te passen. Audioboeken zijn als zodanig niet opgenomen in bijlage H en vallen dus onder het standaardtarief.
De vraag of de werkingssfeer van verlaagde tarieven tot nieuwe gebieden zou moeten worden uitgebreid is zorgvuldig onderzocht. In verband met de situatie in het verleden geldt voor boeken in twaalf lidstaten het verlaagde tarief en in twee lidstaten het nultarief (Denemarken past op alle goederen en diensten één uniform tarief van 25 % toe). Anderzijds wordt in alle vijftien lidstaten momenteel het standaard BTW-tarief toegepast op audiodragers.
In het door haar ingediende voorstel voor een richtlijn inzake verlaagde BTW-tarieven (3) van 23 juli 2003 wil de Commissie in de eerste plaats inzetten op een betere werking van de interne markt: dit wil zij bereiken door het gebruik van verlaagde tarieven door de lidstaten te rationaliseren om mogelijke verstoringen van de mededinging te voorkomen, en door de lidstaten dezelfde mogelijkheden te bieden om de verlaagde tarieven toe te passen
Wat de rationalisering van de huidige situatie betreft is categorie 6 van bijlage H niet door het voorstel van de Commissie gewijzigd en kunnen de verlaagde tarieven voor boeken gehandhaafd blijven. Bovendien stelt de Commissie voor om de volgende goederen in categorie 4 op te nemen:
|
|
Medische uitrusting, hulpmiddelen en andere apparaten, die gewoonlijk bestemd zijn voor verlichting of behandeling van handicaps, voor uitsluitend persoonlijk gebruik door personen met een handicap; elektrische, elektronische of andere apparaten en middelen, alsook vervoermiddelen die zijn ontworpen of speciaal zijn aangepast voor personen met een handicap. De herstelling van bovengenoemde goederen. |
Als dit voorstel wordt goedgekeurd, dan zou op audio-, video- of andere dragers die voor gehandicapten zijn ontworpen of speciaal voor hen zijn aangepast een verlaagd BTW-tarief kunnen worden toegepast. Aangezien er geen andere definitie op Gemeenschapsniveau bestaat zullen de lidstaten moeten bepalen of audioboeken moeten worden aangemerkt als goederen die tot deze categorie behoren, zelfs als eigenlijk iedereen ze kan kopen en gebruiken.
Het door het geachte parlementslid bedoelde probleem is de Commissie bekend. Zij zal deze kwestie tijdens de besprekingen over haar voorstel van 23 juli 2003, dat momenteel door de Raad wordt onderzocht, in gedachten houden.
Het is nu aan de Raad om, met eenparigheid van stemmen en met inachtneming van het advies van het Parlement, een besluit te nemen over de toekomstige werkingssfeer van de verlaagde BTW-tarieven. Een betere oplossing voor dit specifieke probleem zou echter misschien kunnen worden gevonden buiten het BTW-stelsel, via een nationaal stelsel van toelagen of terugbetalingen om de betaalde BTW te compenseren. Deze aangelegenheid valt onder de bevoegdheid van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk.
(1) Richtlijn 92/77/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG (onderlinge aanpassing van de BTW-tarieven) - PB L 316 van 31.10.1992.
(2) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, PB L 145 van 13.6.1977.
(3) COM(2003)397 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/542 |
(2004/C 88 E/0554)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0852/04
van Michl Ebner (PPE-DE) aan de Commissie
(19 maart 2004)
Betreft: Bouwprojecten in oostelijk Afrika
Oostelijk Afrika bevindt zich ten oosten van de centraal-Afrikaanse kloof tussen Ethiopië en de Rovuma en omvat de landen Oeganda, Kenia, Rwanda, Boeroendi en Tanzania. Deze landen worden gekenmerkt door zwakke en ondergefinancierde overheidsinstellingen die vaak niet in staat zijn belangrijke overheidstaken uit te voeren. Zij kunnen nauwelijks voldoen aan de geringste vereisten voor een duurzame ontwikkeling. Armoede en sociale onderontwikkeling zijn daarvan het gevolg. Voorts zijn stromend water, stroom en een goed werkende infrastructuur nog altijd schaars en wordt de vooruitgang bemoeilijkt door een gebrek aan onderwijsinstellingen en een slechte volksgezondheid.
Daar deze regio's niet over eigen financiële hulpbronnen beschikken om de ellende te bestrijden, zijn zij aangewezen op de overdracht van kapitaal en ontwikkelingshulp uit het buitenland.
Kan de Commissie, gezien de precaire situatie in oostelijk Afrika, meedelen:
|
— |
of er reeds door de Commissie gesteunde bouwprojecten voor oostelijk Afrika bestaan die alle technische domeinen van de bouwkunde en de architectuur omvatten; dan wel |
|
— |
of dergelijke projecten zijn gepland? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(27 april 2004)
De aanpak die de Unie sinds november 2000 bij haar ontwikkelingsbeleid volgt richt zich op armoedebestrijding. Daarbij ligt de nadruk op drie prioritaire samenwerkingsgebieden: economische ontwikkeling, sociale en menselijke ontwikkeling, integratie en regionale samenwerking.
Bij deze aanpak worden de prioriteiten telkens per land vastgesteld en is het principe van concentratie van de middelen op een of twee kernsectoren een essentieel element van de samenwerking. Bouwactiviteiten spelen, afhankelijk van het geval, een belangrijke of minder belangrijke rol in die samenwerking, maar de waarde van al onze activiteiten op het gebied van de bouw is niet te bepalen aangezien die activiteiten een onderdeel zijn van grotere programma's.
Van de bouwprojecten valt het grote merendeel binnen twee prioritaire sectoren, nl. gezondheid en onderwijs, maar de steun voor infrastructuurherstel die in de vorm van begeleidende maatregelen bij grotere programma's wordt verleend komt ook andere sectoren ten goede. Het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) financiert de bouw en renovatie van talrijke soorten infrastructuur voor gezondheidszorg, gaande van een klein gezondheidscentrum tot een groot toonaangevend ziekenhuis. Hetzelfde geldt voor de onderwijssector, waar het EOF steun verleent voor de oprichting of renovatie van lagere scholen, technische scholen en universiteiten. De steun die, alleen al voor de periode 1990-2000, aan de ACS-staten (staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan) is toegekend ten behoeve van de gezondheidsinfrastructuur bedraagt 150 miljoen euro, wat overeenkomt met ongeveer 30 % van de voor gezondheidszorg toegewezen EOF-middelen. Een voorbeeld is de bouw van twee ziekenhuizen van elk 250 bedden in Malawi, voor een bedrag van in totaal 23 miljoen euro. Een ander voorbeeld uit het betrokken gebied is het besluit van de Commissie van 17 februari 2004 om het herstel van de Parlementsgebouwen en de bouw van een gebouw voor het Hooggerechtshof en het ministerie van Justitie in Rwanda voor een bedrag van 8 miljoen euro te financieren. Deze financiering getuigt van de bereidheid van Rwanda om met steun van de Unie een goed bestuurde rechtsstaat op te bouwen.
Al deze projecten worden volgens de regels van de kunst opgezet door uit de EU afkomstige of plaatselijke gespecialiseerde studiebureaus waarvan architecten, ingenieurs en landmeters deel uitmaken.
De uitvoering van de werkzaamheden wordt na een aanbestedingsprocedure opgedragen aan bedrijven die openbare werken uitvoeren. Gezien het bijzondere karakter van deze werkzaamheden (zij zijn niet bijzonder technisch van aard, en de kosten zijn vergelijking met, bijvoorbeeld, wegwerkzaamheden lager) wordt het merendeel ervan opgedragen aan plaatselijke bedrijven, hetgeen het sociaal-economisch effect van deze projecten nog versterkt.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/543 |
(2004/C 88 E/0555)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0854/04
van Roger Helmer (PPE-DE) aan de Commissie
(19 maart 2004)
Betreft: Gemeenschappelijke buitentarieven
Kan de Commissie, in vervolg op mijn schriftelijke vraag P-0472/04 (1) en het antwoord dat mevrouw Schreyer namens de Commissie heeft gegeven op 5 maart 2004, antwoorden op de volgende vragen:
|
1. |
Wat was in 2002 de waarde van de invoer van landbouwproducten van buiten de EU-15 (in het totaal en per lidstaat) waarop landbouwheffingen voor een totaal bedrag van 1,18 miljard euro (vóór incassokosten) zijn geïnd? |
|
2. |
Wat was in 2002 de waarde van de invoer van niet-landbouwproducten van buiten de EU-15 (in het totaal en per lidstaat) waarop landbouwheffingen voor een totaal bedrag van 12,92 miljard euro (vóór incassokosten) zijn geïnd? |
|
3. |
Wat was in 2002 de waarde van de invoer van goederen van buiten de EU-15 (in het totaal en per lidstaat) die gedeeltelijk of volledig waren vrijgesteld van importheffingen, en wat waren de drie belangrijkste aldus vrijgestelde categorieën, per waarde van geïmporteerde goederen? |
|
4. |
Omvatten „landbouwheffingen” en „invoerheffingen” zoals vermeld in het schriftelijk antwoord van 5 maart 2004, ook „antidumpingheffingen”? |
|
5. |
Indien in 2002 „antidumpingheffingen” werden opgelegd, wat was de totale waarde ervan en wat waren de belangrijkste categorieën waarop dergelijke heffingen zijn opgelegd, per waarde van geïmporteerde goederen? |
Antwoord van mevrouw Schreyer namens de Commissie
(30 april 2004)
Ten vervolge op schriftelijke vraag P-0472/04 van het geachte parlementslid en het antwoord dat mevrouw Schreyer namens de Commissie heeft gegeven op 5 maart 2004:
|
1. |
wordt hieronder de uitsplitsing per lidstaat weergegeven van de landbouwheffingen (d.w.z. invoerrechten op landbouwproducten) voor de EU-15 in 2002 en van de overeenkomstige invoer van landbouwproducten waarop deze rechten zijn toegepast (d.w.z. de invoer in de periode november 2001 tot oktober 2002 waarop — met twee maanden vertraging — in de periode januari 2002 tot december 2002 rechten zijn betaald). De bedragen zijn aangegeven in miljoen euro.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2. |
wordt hieronder de uitsplitsing per lidstaat weergegeven van de douanerechten (d.w.z. invoerrechten op niet-landbouwproducten) voor de EU in 2002 en van de overeenkomstige invoer van niet-landbouwproducten waarop deze rechten zijn toegepast (d.w.z. de invoer in de periode november 2001 tot oktober 2002 waarop — met twee maanden vertraging — in de periode januari 2002 tot december 2002 rechten zijn betaald). De bedragen zijn aangegeven in miljoen euro.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3. |
wordt hieronder de uitsplitsing per lidstaat weergegeven van de invoer in de periode november 2001 tot oktober 2002 (d.w.z. de invoer waarop — met twee maanden vertraging — in de periode januari 2002 tot december 2002 rechten zijn betaald), verdeeld in drie categorieën: invoer van landbouwproducten waarop landbouwheffingen zijn toegepast, invoer van niet-landbouwproducten waarop douanerechten zijn toegepast, invoer van goederen die geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld van invoerrechten. De bedragen zijn aangegeven in miljoen euro.
De drie belangrijkste categorieën (uitgedrukt in waarde van de geïmporteerde goederen), die geheel of gedeeltelijk van invoerrechten zijn vrijgesteld, worden rechtstreeks aan het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement toegezonden. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
4. |
Landbouwheffingen omvatten geen antidumpingheffingen. Antidumpingheffingen vallen onder de douanerechten. |
|
5. |
De totale waarde van door de lidstaten aangegeven antidumpingheffingen en antisubsidierechten bedroeg in 2002 114 miljoen euro. |
De drie belangrijkste sectoren (per hoofdstuk van de gecombineerde nomenclatuur), uitgedrukt in waarde van de invoer waarop antidumping- of antisubsidiemaatregelen van toepassing zijn, waren:
|
— |
Vis: (846 miljoen euro) |
|
— |
Schoeisel: (707 miljoen euro) |
|
— |
Vervoermaterieel en delen daarvan: (685 miljoen euro) |
(1) PB C 84 E van 3.4.2004, blz. 594.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/546 |
(2004/C 88 E/0556)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0874/04
van Salvador Garriga Polledo (PPE-DE) aan de Commissie
(22 maart 2004)
Betreft: Fundamentalisten in Nigeria boycotten de inenting tegen polio
Vorig jaar hebben zich in zeven landen gevallen van polio voorgedaan waar de fundamentalistische machthebbers in Noord-Nigeria de schuld van zijn, aldus een klacht van de president van Unicef.
De islamitische autoriteiten hebben de inentingscampagnes stopgezet omdat volgens hen in de preparaten oestrogeen is aangetroffen, een hormoon dat als basis dient voor de anticonceptiepil.
Kan de Commissie meedelen of zij druk kan uitoefenen om de autoriteiten zover te krijgen dat zij afzien van deze boycot, opdat er geen kinderen verlamd raken wegens vertraging van de inenting als gevolg van op niets gebaseerde geruchten?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(30 april 2004)
Omdat het aantal poliogevallen in Nigeria tot de hoogste ter wereld behoort, wordt aan dit land voorrang verleend in het kader van de wereldwijde poliobestrijding. De Gemeenschap draagt bij aan het wereldwijde initiatief voor de bestrijding van polio via talrijke instrumenten en meer specifiek door de toewijzing van bijkomende middelen voor inentingscampagnes. De Commissie wijst momenteel nog meer middelen toe om polio in die regio te bestrijden.
De Commissie onderhoudt via haar delegatie in Nigeria een dialoog met de Nigeriaanse autoriteiten en zal programma's voor de uitroeiing van polio in de regio blijven steunen en verbeteren. De Commissie is zich ervan bewust dat de recente polio-epidemie in Noord-Nigeria die zich over andere Afrikaanse landen heeft verspreid een belangrijke stap achteruit betekent voor de internationale campagne voor de poliobestrijding die door het wereldwijde partnerschap voor de poliobestrijding wordt gecoördineerd. Er wordt op gewezen dat president Obasanjo zich ertoe verbonden heeft het poliovirus in Nigeria vóór de wereldwijde streefdatum van 2005 uit te roeien. Desondanks zijn er aanwijzingen dat vaccinatiecampagnes in Noord-Nigeria worden stopgezet waardoor het virus zich kan verspreiden. Voorzover de Commissie bekend, doet deze situatie zich uitsluitend in Nigeria voor en de Commissie verwacht dat een succesvolle uitvoering van vaccinatieprogramma's in de regio in haar geheel de autoriteiten zal overtuigen van het belang van de hervatting van de programma's. De Islamitische Conferentie Organisatie heeft tijdens haar laatste Top in oktober 2003 in Maleisië een resolutie aangenomen om polio in al haar lidstaten uit te roeien. Momenteel zijn 52 van de 57 lidstaten van deze organisatie poliovrij.
De Wereldgezondheidsorganisatie en het wereldwijde partnerschap voor de bestrijding van polio, als uitvoerende organen, onderzoeken specifieke technische problemen zoals de mogelijke aanwezigheid van oestrogenen in de vaccins.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/547 |
(2004/C 88 E/0557)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0878/04
van Antonio Di Pietro (ELDR) aan de Commissie
(22 maart 2004)
Betreft: Acque Albule uit Tivoli
De naamloze vennootschap Acque Albule beheert thermale bronnen die al sinds de oudheid bekend en gewaardeerd zijn. De gemeente Tivoli (provincie Rome), tot december 2001 enig aandeelhouder van de vennootschap, heeft onlangs 40 % van het maatschappelijk kapitaal overgedaan aan een particulier concern, in de veronderstelling dat het de vennootschap zou herkapitaliseren. Deze transactie is door de Italiaanse rechterlijke macht (rechtbank van Rome) onrechtmatig en nietig verklaard. De Italiaanse Rekenkamer heeft daarnaast ernstige onregelmatigheden in de jaarrekening van de vennootschap geconstateerd. Kennelijk zijn de aandelen van Acque Albule SpA zwaar ondergewaardeerd en heeft de verkoop bovendien onder absoluut ondoorzichtige omstandigheden plaatsgevonden (het taxatierapport is overigens niet eens openbaar gemaakt). Ondanks de contractuele verplichtingen die het particuliere concern dat de aandelen overnam op zich heeft genomen en ondanks een aanzienlijk bedrag aan overheidssteun (toegekend door het CIPE — het interdepartementaal comité voor de economische programmering) zijn bijna alle werknemers van de kuuronderneming ontslagen. Onlangs is via de pers naar buiten gekomen dat de vennootschap Acque Albule heeft besloten een obligatielening uit te schrijven, naast een verdere op handen zijnde en illegale toekenning van overheidssteun.
Welke maatregelen is de Commissie voornemens te treffen tegen de overdracht van publiek eigendom van een dergelijke waarde zonder enige garantie van transparantie; tegen de recente emissie van obligatieleningen voor het publiek, ogenschijnlijk zonder adequate zekerheden; tegen de aanzienlijke overheidssteun voor het vereffenen van verliezen van de vennootschap, die Acque Albule, gezien het ontslag van de werknemers, niet heeft besteed voor het behoud van de werkgelegenheid?
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(29 april 2004)
De kwestie of de verkoop van openbare eigendom onder de waarde een element van staatssteun kan omvatten, wordt — wat de verkoop van gronden en gebouwen betreft — behandeld in de mededeling van de Commissie betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties, die is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (1).
In de mededeling wordt duidelijk het volgende verklaard:
|
|
De verkoop van grond en gebouwen via een open en onvoorwaardelijke biedprocedure die voldoende openbaar is gemaakt, is vergelijkbaar met een veiling, waarbij het beste of enige bod per definitie met de marktwaarde overeenstemt en bijgevolg geen staatssteun inhoudt. |
en
|
|
Indien openbare instanties geen gebruik maken van de … (hierboven) beschreven procedure, moet vóór de verkooponderhandelingen een taxatie door een of meer onafhankelijke taxateurs van onroerend goed worden verricht om de marktwaarde vast te stellen op grond van algemeen aanvaarde marktindicaties en taxatiecriteria. De aldus vastgestelde marktprijs is de minimale aankoopprijs die kan worden overeengekomen zonder dat staatssteun verleend wordt. |
Bovenomschreven beginselen kunnen ook relevant zijn bij de beoordeling van de verkoop van andere soorten aan de overheid toebehorende vermogensbestanddelen.
Gezien de informatie die is verstrekt, is de Commissie voornemens de Italiaanse autoriteiten bij brief om inlichtingen te verzoeken teneinde aanvullende elementen te verzamelen in verband met andere aspecten van de zaak en teneinde na te gaan of er mogelijk sprake is van staatssteun.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/548 |
(2004/C 88 E/0558)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0889/04
van Nelly Maes (Verts/ALE) aan de Commissie
(22 maart 2004)
Betreft: Verkiezingen in Iran
De recente verkiezingen in Iran waren een aanfluiting van de democratie. De meeste onafhankelijke kandidaten werden geweerd door de religieuze overheid die daarmee nogmaals haar almacht bewees. In weerwil van deze ingreep gingen de verkiezingen toch door. Daarmee is gebleken dat de zogenaamde hervormers in Iran geen resultaat hebben geboekt.
De Europese Commissie heeft de dialoog met Iran verdedigd als een middel om de mensenrechten en de democratie te bevorderen.
Welke conclusies verbindt de Commissie aan de recente gebeurtenissen voor de dialoog met de Iraanse autoriteiten?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(28 april 2004)
In zijn conclusies van februari 2004 heeft de Raad zijn diepe spijt en teleurstelling uitgesproken over de discriminatie van grote aantallen kandidaten die werden verhinderd zich kandidaat te stellen voor de parlementsverkiezingen van 20 februari 2004 in Iran. De Raad heeft de hoop uitgedrukt dat Iran opnieuw de weg van hervormingen en democratisering zal inslaan.
De Commissie deelt deze mening en is van oordeel dat de gedwarsboomde verkiezingen een negatieve invloed hebben gehad op de algemene verstandhouding tussen de EU en Iran. Tegen de achtergrond van deze terugval in het democratisch proces moet verder worden nagedacht en onderzocht hoe de aanpak ten aanzien van Iran moet worden bijgesteld. De Commissie blijft evenwel van mening dat de EU belang heeft bij het herstel van de algemene dialoog. Zij wijst er o.m. op dat de bijzondere dialoog over de mensenrechten die in december 2002 is gestart, enkele kleine, maar tastbare resultaten heeft opgeleverd, en ondanks de moeilijkheden gelooft zij dat deze dialoog een nieuwe kans moet krijgen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/549 |
(2004/C 88 E/0559)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0899/04
van Patricia McKenna (Verts/ALE) aan de Commissie
(24 maart 2004)
Betreft: Grotere vertegenwoordiging van de lidstaten in het bestuur van de ECB
Kan de Commissie commentaar geven op de recente beschuldigingen in de Financial Times van 8 maart 2004, dat Duitsland, Italië, Frankrijk en Spanje proberen een precedent te creëren voor grote lidstaten om steeds een vertegenwoordiger te hebben in het zeskoppige bestuur van de Europese Centrale Bank? Is het mogelijk dat een dergelijke situatie wordt toegestaan? En zo ja, onder welke omstandigheden?
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(23 april 2004)
De regels en de procedure voor de benoeming van de leden van de directie van de Europese Centrale Bank (ECB) zijn vervat in artikel 112, lid 2, onder b), EG, alsmede in artikel 11, lid 2, van de statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en van de Europese Centrale Bank. Het besluit is in onderlinge overeenstemming (d.w.z. met eenparigheid van stemmen zonder onthouding) genomen door de regeringen van de lidstaten op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders. Het besluit is gebaseerd op een aanbeveling van de Raad, die het Europees Parlement en de raad van bestuur van de ECB heeft geraadpleegd. Er zij op gewezen dat alleen de lidstaten die tot de eurozone behoren, gerechtigd zijn de betreffende besluiten van de Raad en de regeringen te nemen overeenkomstig artikel 122, lid 4, van het EG-Verdrag.
In het EG-Verdrag worden twee eisen gesteld aan de selectie van de leden van de directie. In de eerste plaats dienen zij te worden gekozen uit personen met een erkende reputatie en beroepservaring op monetair of bancair gebied. In de tweede plaats dienen zij de nationaliteit te bezitten van een van de deelnemende lidstaten. Bovendien treden de leden van de directie op in hun persoonlijke hoedanigheid en niet als vertegenwoordigers van hun land van herkomst. Het idee van vertegenwoordiging van de lidstaten strookt derhalve niet met de regels en principes voor de benoeming van de leden van de directie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/549 |
(2004/C 88 E/0560)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0918/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: Willekeurige controles van motorrijtuigenverzekeringen van voertuigen uit andere lidstaten in Ierland
Heeft de Commissie van Ierland antwoord ontvangen op het in juli 2001 naar dit land gezonden met redenen omkleed advies (zoals aangekondigd in persmededeling IP/01/1101), inzake de praktijken van Ierland om willekeurige controles uit te voeren op verzekeringen van voertuigen uit andere lidstaten? Zo ja, welk? Dit is mogelijk een inbreuk op de eerste richtlijn inzake motorrijtuigenverzekering (72/166/EEG (1)). Welke maatregelen heeft de Commissie genomen of overweegt ze te nemen terzake?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(30 april 2004)
Naar aanleiding van het met redenen omkleed advies dat door de Commissie op 26 juli 2001 aan Ierland werd toegezonden, heeft genoemde lidstaat zich naar het Gemeenschapsrecht gevoegd door zijn wetgeving te wijzigen. Gezien de bedenkingen die de Commissie in deze aangelegenheid had, stemde Ierland ermee in de bestuursrechtelijke regelingen ter uitvoering van artikel 2, lid 1, van de Eerste richtlijn motorrijtuigenverzekering (2) te vervangen door wettelijke voorschriften. Bij genoemd artikel wordt voor voertuigen die gewoonlijk zijn gestald in een lidstaat en die binnenkomen op het grondgebied van een andere lidstaat de controle op de groene kaart opgeheven teneinde het vrije verkeer van voertuigen en personen binnen de Europese Unie te vergemakkelijken.
Met name sectie 4 van de Ierse wet „European Communities (Road Traffic) (Compulsory Insurance) (Amendment) Regulations (S.I.N. 463 of 2001)” voorziet thans sinds 12 oktober 2001 in een dergelijke wettelijke bescherming. Overeenkomstig de nieuwe bepaling is sectie 69 van de Ierse wegenverkeerswet van 1961 (Irish Road Traffic Act, 1961 (Law No. 24 of 1961)), die oorspronkelijk controles van voertuigen uit andere EU-landen door middel van steekproeven mogelijk maakte, niet langer van toepassing op mechanisch aangedreven voertuigen die gewoonlijk zijn gestald in andere EER- en EU-landen dan Ierland.
Na de wijziging van de Ierse wet, waardoor deze in overeenstemming werd gebracht met het Gemeenschapsrecht, heeft de Commissie de inbreukprocedure tijdens haar bijeenkomst van 20 maart 2002 afgesloten.
(1) PB L 103 van 2.5.1972, blz. 1.
(2) Richtlijn 72/166/EEG van de Raad van 24 april 1972 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid, PB L 103 van 2.5.1972.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/550 |
(2004/C 88 E/0561)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0919/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: Mensenhandel
Mensenhandel is een groeiend wereldwijd probleem. De meerderheid van de mensen die verhandeld worden, vaak om seksueel uitgebuit te worden, zijn vrouwen en kinderen.
De Commissie heeft erkend dat mensenhandel een soort van georganiseerde misdaad is dat op Europees niveau aangepakt moet worden. Ze heeft enkele stappen ondernomen om een oplossing te zoeken voor dit probleem, bijvoorbeeld door een groep van deskundigen inzake mensenhandel op te richten.
Werkt de Commissie samen met andere internationale actoren op mondiaal niveau voor het ontwikkelen van maatregelen om mensenhandel wereldwijd te bestrijden? Welke mogelijkheden werden voorgesteld? Wat doet de Commissie om de lidstaten en alle landen die het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad ondertekend hebben, ertoe aan te zetten om dit verdrag te ratificeren en uit te voeren en om zich te binden aan het Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwen- en kinderhandel?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie onderhoudt geregelde betrekkingen en werkt samen met andere internationale actoren zoals de Verenigde Naties (VN), de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Raad van Europa (RvE) om mensenhandel te voorkomen en te bestrijden. Zo heeft zij namens de Gemeenschap het Protocol ter voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, inzonderheid handel in vrouwen en kinderen, gehecht aan het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit ondertekend. Bij verscheidene gelegenheden heeft de Commissie lidstaten ertoe aangespoord het Protocol zo spoedig mogelijk te ratificeren. Om de tenuitvoerlegging van het Protocol op EU-niveau te bevorderen en te versnellen heeft de Commissie een voorstel voor een kaderbesluit van de Raad voor de bestrijding van mensenhandel (1) gedaan, dat op 19 juli 2002 werd aangenomen. Dit kaderbesluit moeten de lidstaten voor augustus 2004 uitvoeren. Verder heeft de Raad in oktober 2003 een resolutie betreffende „de bestrijding van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel” goedgekeurd, om de ratificatie en tenuitvoerlegging door de lidstaten van alle internationale instrumenten tegen mensenhandel verder te versnellen en de internationale samenwerking op het gebied van preventie, bescherming van en hulp aan slachtoffers te versterken.
De Commissie werkte in februari 2003 mee aan een door de VN in Genève georganiseerde „tripartite plus” bijeenkomst. Deze bijeenkomst verenigde vertegenwoordigers van diverse internationale en supranationale organisaties en instellingen (OVSE, RvE, de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), de Hoge commissaris voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR), etc.) en was gericht op de verbetering van de coördinatie van hun beleid en maatregelen tegen mensenhandel. In mei 2003 woonde de Commissie de twaalfde zitting van de VN Commissie voor misdaadpreventie bij, die zich toespitste op mensenhandel inzonderheid handel in vrouwen en kinderen.
De Commissie neemt momenteel deel aan de onderhandelingen in de RvO over een Europese conventie voor actie tegen mensenhandel. De Commissie zal met name een aanbeveling aan de Raad voorleggen voor een beslissing waarbij de Commissie gemachtigd wordt over een ontwerp van conventie en de overeenkomstige richtlijnen over de Communautaire bevoegdheden die betrekking hebben op een aantal artikelen van het ontwerp van conventie te onderhandelen. Voor de resterende vraagstukken van de derde pijler zal de Commissie daarnaast een voorstel van gemeenschappelijk standpunt doen.
De preventie en de bestrijding van mensenhandel is een voortdurend terugkerend probleem in de betrekkingen tussen de EU en derde landen uit Oost-Europa en de Westelijke Balkan. In de context van de dialoog tussen de EU en Afrika steunt de Commissie de uitwerking van een actieplan over mensenhandel dat — om redenen die geen verband houden met mensenhandel — nog niet formeel is aangenomen. Een ander voorbeeld van de activiteiten van de Commissie is de deelname als waarnemer aan het zogenaamde „Baliproces”, een regionaal initiatief in Zuidoost-Azië, met vergaderingen van politici en experten, naar aanleiding van de conferentie van Bali van februari 2002 over mensensmokkel, mensenhandel en aanverwante transnationale misdrijven.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/551 |
(2004/C 88 E/0562)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0922/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: BTW op postdiensten
De Commissie meldde in mei 2003, toen ze haar voorstel om BTW te heffen op postdiensten (1) presenteerde, dat het feit dat de exploitanten van postdiensten hun (BTW)-kosten kunnen aftrekken „de prijsverhogingen zou moeten terugdringen voor privé-consumenten” (bron — Persmededeling van de Commissie IP/03/633).
Hoe is deze uitspraak verenigbaar met de verklaringen van An Post in Ierland dat die, als de richtlijn goedgekeurd wordt, niet van plan is om besparingen „door te geven” op huidige BTW-kosten in de vorm van verlaagde tarieven, zoals de Commissie het doet voorkomen? Welke mogelijke prijsverhogingen in Ierland verwacht de Commissie als deze richtlijn goedgekeurd wordt en als An Post deze BTW-kosten niet aftrekt?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(30 april 2004)
In mei 2003 heeft de Commissie bij de presentatie van haar voorstel tot wijziging van de Zesde BTW-richtlijn (2) met betrekking tot de BTW op postdiensten, bij wijze van toelichting verklaard dat de openbare postbedrijven na de goedkeuring van het voorstel voor het eerst het recht zouden hebben de BTW op hun kosten af te trekken. Dit zou het effect van de prijsverhogingen voor de particuliere consument moeten afzwakken.
Volgens het geachte parlementslid heeft de Ierse leverancier van de universele dienst, An Post, verklaard niet van plan te zijn om besparingen op BTW-kosten „door te geven” in de vorm van verlaagde tarieven als deze richtlijn wordt goedgekeurd. Op grond van het EG-Verdrag, in het bijzonder artikel 82, en op grond van het bepaalde in Richtlijn 97/67/EG (3) kunnen openbare postbedrijven de prijzen die zij voor hun diensten aanrekenen, vooral de voorbehouden diensten, niet vaststellen zonder rekening te houden met hun kosten. In Richtlijn 97/67/EG is bepaald dat de lidstaten nationale regelgevende instanties moeten aanwijzen die tot taak hebben te zorgen voor de nakoming van de uit deze richtlijn voortkomende verplichtingen, vooral de toepassing van het beginsel dat de prijzen op de kosten moeten zijn georiënteerd. De in artikel 14 van de richtlijn genoemde verplichtingen met betrekking tot de doorzichtigheid van de rekeningen zijn bedoeld om de regelgevers de mogelijkheid te bieden toe te zien op de toepassing van dit beginsel. De Ierse regelgever Comreg beschikt dus over de vereiste mogelijkheden om ervoor te zorgen dat de prijzen van An Post een afspiegeling zijn van de kosten en om erop toe te zien dat, als er kostenverlagingen ontstaan omdat An Post BTW kan aftrekken, de daardoor gerealiseerde besparingen in de prijzen worden verwerkt.
(1) COM(2003)234.
(2) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, PB L 145 van 13.6.1977.
(3) Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, PB L 15 van 21.1.1998.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/552 |
(2004/C 88 E/0563)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0939/04
van Robert Evans (PSE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: Ethiopië
Het schijnt dat de crisis in Ethiopië voortduurt en dat er weinig tekenen van verbetering zijn.
Kan de Commissie mededelen wat de huidige EU-bijdragen inzake voedsel- en ontwikkelingshulp zijn en of ze van mening is dat die volstaan?
Kan de Commissie ook mededelen of in de discussies over de continuïteit van voedselvoorziening met de Ethiopische regering enige vorderingen zijn gemaakt?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(27 april 2004)
De Commissie stelt voor problemen zoals voedselzekerheid op lange termijn en hongersnood zowel financiële als politieke instrumenten ter beschikking, zodat Ethiopië kan rekenen op een coherent pakket aan steunmaatregelen.
Het jaar 2003 was een bijzonder moeilijk jaar, en de Commissie heeft daar, hoofdzakelijk in het kader van de begrotingslijn voedselhulp, op een zodanige wijze op gereageerd als niet eerder is voorgekomen. Meer dan 400 000 ton graan voor een bedrag van ruim EUR 120 miljoen werd in het jaar 2003 ter beschikking gesteld (360 000 werd geleverd), om tegemoet te komen aan de behoeften van ongeveer 13 miljoen mensen die door een ernstige voedselonzekerheid bedreigd worden. De belangrijkste oogstperiode (Kremt) van september tot en met november 2003 was buitengewoon goed zodat in het land voedingsmiddelen makkelijker verkrijgbaar waren, tegen gunstiger prijzen. Er werden grote hoeveelheden goed verkoopbare graanoverschotten vastgesteld (circa 1,1 miljoen ton volgens de schattingen van het onderzoek SIDA/WFP/EG (1) over de beschikbaarheid van graan). Desondanks is de situatie nog steeds kritiek: in 2004 zal er voor zeven miljoen personen bijna 1 miljoen ton aan voedselhulp nodig zijn. In dit jaar moet er, vanwege de aanwezige overschotten, zo min mogelijk voedselhulp ingevoerd worden, om te vermijden dat de lokale producenten benadeeld werden.
De Commissie is voornemens in 2004 circa 20 % van de benodigde voedingsmiddelen ter beschikking te stellen en om marktdistorties te vermijden zal zij deze producten hoofdzakelijk op lokale markten aankopen.
Hoewel de reactie van de Commissie in 2003 op de voedselcrisis op korte termijn zeer opmerkelijk was, is zij toch zeer bezorgd, want grote delen van de bevolking van Ethiopië zijn kwetsbaar geworden en verarmen in toenemende mate. Voedselhulp redt levens, maar zorgt niet voor de middelen van bestaan en door iedere terugkerende crisis komen steeds meer mensen in armoede terecht en in een situatie van chronische voedselonzekerheid.
Sinds 1996 is er tussen de Commissie, de Ethiopische regering, de lidstaten en de andere donoren een dialoog aan de gang, die de laatste jaren evenwel is geïntensiveerd. In de loop van deze dialoog werd duidelijk dat het probleem van de chronische voedselonzekerheid op verschillende manieren aangepakt moet worden en dat er een langetermijnstrategie voor voedselzekerheid nodig is. De Commissie ondersteunt deze inspanningen sinds 1998 met drie programma's voor in totaal EUR 46 miljoen.
De strategische werkzaamheden van de regering hebben in het afgelopen jaar geleid tot het initiatief „Nieuwe coalitie voor voedselzekerheid in Ethiopië”. Essentieel in dit nieuwe programma is de invoering van beschermingsmaatregelen, waardoor de structureel kwetsbare of in chronische voedselonzekerheid verkerende delen van de bevolking gesteund worden, zodat geleidelijk aan de systemen van noodmaatregelen kunnen worden vervangen. In dit verband is het belangrijk erop te wijzen dat dit programma alle donoren, met inbegrip van de Verenigde Staten en enkele niet-gouvernementele organisaties (NGO's), ervan moet overtuigen dat zij hun voedselhulpprogramma moeten wijzigen ten gunste van een meer gestructureerde benadering van voedselzekerheid.
De Commissie heeft besloten EUR 120 miljoen toe te wijzen ter ondersteuning van een meerjarige strategie voor voedselzekerheid, waarbij in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), het nationale indicatieve programma (NIP) en het negende EOF EUR 60 miljoen voor beschermende maatregelen beschikbaar wordt gesteld en EUR 60 miljoen in het kader van de begrotingslijn voedselhulp. Deze middelen worden naar verwachting in 2004 in het kader van een programma voor begrotingssteun ter beschikking gesteld.
Tenslotte werd in 2003 door het Bureau voor Humanitaire Hulp van de Europese Commissie (ECHO) een bedrag van EUR 4 miljoen in verband met de droogte beschikbaar gesteld als aanvulling op de voedselhulp. Met deze hulp werden het veebestand en de veetelers ondersteund omdat zij zich in belangrijke mate voeden met de melk van hun dieren. Bovendien werd therapeutische voeding ter beschikking gesteld voor personen die zwaar ondervoed zijn. In november 2003 werd voor een periode van één jaar een bedrag van EUR 2 miljoen aan het Internationale Comité van het Rode Kruis toegewezen ter ondersteuning van de gezondheidszorg en als bijstand uit hoofde van de Conventie van Genève voor de slachtoffers van de interetnische conflicten in Ethiopië. In maart 2004 werd nog eens 1 miljoen euro toegewezen voor de slachtoffers van de droogte in Ethiopië. ECHO blijft de humanitaire situatie op de voet volgen en is steeds bereid aan de meest dringende non-food behoeften tegemoet te komen.
(1) Het Zweedse uitvoerend overheidsorgaan voor de ontwikkelingssamenwerking/Wereldvoedselprogramma/Europese Commissie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/553 |
(2004/C 88 E/0564)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0946/04
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: Schoolmelk in Portugal
In Portugal wordt de melk aan een groot aantal scholen geleverd door Spaanse ondernemingen, hoewel de Portugese productie voldoende is en Portugal zich in een economische recessie bevindt. Kan de Commissie de volgende vraag beantwoorden:
Zou het niet mogelijk zijn, aangezien de Portugese melkproducenten grote problemen hebben om hun productie af te zetten, dat voor het programma „schoolmelk” bij voorkeur de nationale productie wordt gebruikt waardoor rekening houdend met het specifieke karakter van de Portugese landbouw ook kleine melkproducenten en familiebedrijven worden gesteund?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie benadrukt de waarde van het plan voor kinderen uit kansarme milieus, maar is tevens van mening dat de eigenlijke uitvoering van het Schoolmelkprogramma van de EU moet zijn afgestemd op de horizontale beleidstrajecten voor de interne markt, met name het concurrentiebeleid.
Daarom is het uitgesloten om bij leveranciers van schoolmelk onderscheid te maken op basis van nationaliteit.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/554 |
(2004/C 88 E/0565)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0955/04
van Philip Claeys (NI) aan de Commissie
(29 maart 2004)
Betreft: Uitspraken commissaris Verheugen over mogelijke toetreding Turkije
Volgens de Duitse krant „Die Welt” van 24 februari 2004 heeft commissaris Günter Verheugen de Duitse eerste minister Schröder veertien dagen eerder meegedeeld dat de Commissie in het najaar formeel het aanvatten van de onderhandelingen met Turkije zou aanbevelen aan de Raad.
Is deze informatie correct?
Zo ja, is de Commissie al zo ver gevorderd in haar rapport over het al dan niet aanvatten van de onderhandelingen met Turkije over de mogelijke toetreding van dat land, dat dergelijke conclusies al kunnen getrokken worden?
Zo neen, heeft de Commissie, of de Commissaris, het bericht in „Die Welt” formeel ontkend? Waarom niet (indien van toepassing)?
Acht de Commissie het wenselijk dat haar leden, of regeringsleiders van de huidige lidstaten, in het publiek uitspraken doen over de conclusies van dit belangrijk rapport dat nog niet afgewerkt, laat staan verschenen is?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(30 april 2004)
In de pers wordt regelmatig gespeculeerd over de vraag of de Commissie zal aanbevelen de toetredingsonderhandelingen met Turkije in de tweede helft van 2004 van start te laten gaan. De informatie in het artikel waarnaar het geachte parlementslid verwijst, is onjuist.
De taak van de Commissie, die is geformuleerd tijdens de Europese Raad van Kopenhagen van december 2002, is heel duidelijk en al meermaals herhaald. In het najaar van 2004 zal zij een periodiek verslag uitbrengen en een aanbeveling doen over de vraag of Turkije al dan niet aan de politieke criteria van Kopenhagen voldoet. Dit verslag zal gebaseerd zijn op een eerlijke en objectieve analyse.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/554 |
(2004/C 88 E/0566)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0986/04
van Richard Corbett (PSE) aan de Commissie
(30 maart 2004)
Betreft: Bloeddiamanten
Heeft het DG Concurrentie toegang tot de gegevens van het DG Buitenlandse betrekkingen inzake de Kimberley-overeenkomst over het achterhalen van de herkomst en opslagplaats van diamanten (om het op de markt brengen van „bloeddiamanten” te voorkomen)?
Is de Commissie van mening dat deze gegevens ook duidelijkheid kunnen verschaffen over de handelspraktijken van ondernemingen in de diamantsector? Zal zij dergelijke gegevens evalueren in het licht van haar standpunt met betrekking tot de zgn. „Supplier of Choice”-overeenkomsten van De Beers?
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(30 april 2004)
In antwoord op de schriftelijke vraag van het geachte parlementslid kan het nuttig zijn om de doelstellingen van het Kimberleyproces en de rol van de Commissie in dat proces toe te lichten.
De Kimberleyprocescertificering (KPCS), een multilateraal initiatief met de steun van de Verenigde Naties tot stand gebracht om de stroom van „conflictdiamanten” te stoppen, heeft een aantal interne instrumenten ontwikkeld om de doeltreffende tenuitvoerlegging van de voorschriften van het proces bij alle deelnemers aan het systeem te bevorderen, met inbegrip van de regelmatige rapportering van statistische gegevens over de handel in en de productie van ruwe diamanten, en een systeem van wederzijdse beoordeling van de implementatie van het systeem door de deelnemers. De Commissie, en in het bijzonder het directoraat-generaal Buitenlandse betrekkingen dat de Gemeenschap als deelnemer vertegenwoordigt, heeft toegang tot de informatie die in deze context voor alle deelnemers toegankelijk is met het oog op het verzekeren en verbeteren van de implementatie van het KPCS. De deelnemers stellen deze informatie in het kader van het Kimberleyproces echter uitsluitend ter beschikking om de implementatie van het systeem mogelijk te maken en de Gemeenschap is net als de andere KPCS-deelnemers door strikte vertrouwelijkheidsclausules gebonden wat de gegevens betreft die voor haar als deelnemer toegankelijk zijn.
De Commissie wil daarom benadrukken dat aangezien DG Concurrentie op geen enkele wijze bij de implementatie van het KPCS (waarvan de bepalingen qua statistiek en controle alleen betrekking hebben op globale productiecijfers en handelsstromen tussen landen alsook de implementatie van het stelsel door deelnemers en niet de activiteiten van specifieke ondernemingen) betrokken is, de statistische en andere gegevens over de implementatie van het KPCS waar de Commissie als vertegenwoordiger van de Gemeenschap als KPCS-deelnemer toegang toe heeft niet voor het DG Concurrentie toegankelijk gemaakt worden. De Commissie is de mening toegedaan dat het aanwenden van de door de KPCS-deelnemers beschikbaar gestelde gegevens voor een ander doel dan het verbeteren van de implementatie van het KPCS onverenigbaar zou zijn met de bepalingen van het stelsel en de doeltreffendheid van het KPCS als een cruciaal instrument in de strijd tegen conflictdiamanten zou ondermijnen.
Het DG Concurrentie kan daarom de in die context verzamelde vertrouwelijke gegevens niet krijgen of gebruiken voor het onderzoeken van vermeende beperkende praktijken in verband met De Beers' „Supplier of Choice” concept. Mocht het DG Concurrentie menen dat de informatie over de handelspraktijken van bepaalde ondernemingen noodzakelijk is om de concurrentiesituatie in de diamanthandel goed te kunnen doorlichten, dan kan het stellig zijn onderzoeksbevoegdheden aanwenden om dergelijke informatie in te winnen bij de betrokken ondernemingen of organisaties.
Zoals reeds vermeld in het antwoord van de Commissie op mondelinge vraag H-0637/03 van het geachte parlementslid tijdens het vragenuurtje van de parlementaire vergaderperiode van november 2003 (1) heeft het DG Concurrentie het, na de implementatie van de „Supplier of Choice”-overeenkomsten door De Beers in januari 2003, op zich genomen om nauw toe te zien op de diamanthandel voor het geval er hem juridische of feitelijke elementen ter kennis zouden komen die een invloed zouden hebben op het standpunt dat de Commissie met betrekking tot de „Supplier of Choice”-overeenkomsten had ingenomen.
Na aantijgingen van een aantal ondernemingen in verband met de implementatie van de „Supplier of Choice”-overeenkomsten van De Beers heeft het DG Concurrentie verscheidene verzoeken om informatie aan diverse marktactoren gestuurd om volledig ingelicht te worden over de marktsituatie. Het DG is momenteel de antwoorden op die verzoeken aan het inzamelen. Zodra de antwoorden onderzocht zijn zal de Commissie indien nodig verdere stappen moeten overwegen.
(1) Mondeling antwoord, 18.11.2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/555 |
(2004/C 88 E/0567)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0990/04
van Jan Wiersma (PSE) aan de Commissie
(30 maart 2004)
Betreft: De recente onrust tussen Syrische Koerden en de de Syrische autoriteiten (maart 2004)
Heeft de Commissie zich de hoogte laten stellen van de recente onrust tussen Syrische Koerden en het Syrische leger en wat is daarop de reactie van de Commissie?
Kan de Commissie zich vergewissen van de oorzaken van deze onrust waarbij vele doden zijn gevallen en of dit een gevolg is van de slechte relatie tussen de Syrische overheid en de Syrische Koerden?
Is de Commissie van plan deze kwestie aan de orde te stellen in de marge van het overleg over het associatieverdrag tussen Syrië en de EU?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie heeft via haar delegatie te Damascus en tezamen met de ambassades van de lidstaten getracht een zo helder en volledig mogelijk beeld te krijgen van de gebeurtenissen in de week na 12 maart 2004. De plaatselijke Trojka van de EU heeft op 18 maart 2004 een ontmoeting gehad met het Syrische Ministerie van Buitenlandse Zaken om meer informatie te verkrijgen, haar bezorgdheid over de toestand te uiten en het belang van de eerbiediging van de mensenrechten te benadrukken. De Trojka heeft de blijvende belangstelling van de Europese Unie terzake duidelijk gemaakt en heeft verzocht over de ontwikkelingen op de hoogte te worden gehouden.
De Commissie is over de onmiddellijke aanleiding tot het wijdverspreide geweld niets anders bekend dan dat het is begonnen met relletjes bij een voetbalwedstrijd in de stad Quamishli. Deze onrust is snel overgeslagen naar andere steden met een grote Koerdische bevolking, hetgeen tot gewelddadige reacties en tot doden heeft geleid.
De Commissie heeft deze aangelegenheid aldus tezamen met de lidstaten te Damascus alsook in de loop van haar contacten met de autoriteiten van Syrië aan de orde gesteld.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/556 |
(2004/C 88 E/0568)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0997/04
van Dominique Souchet (NI) aan de Commissie
(31 maart 2004)
Betreft: Aanbod van fytofarmaceutische producten op de markt
Het Europees homologatiesysteem voor fytofarmaceutische producten dat door richtlijn 91/414/EEG (1) ingevoerd is, berust op een evaluatiesysteem voor de actieve bestanddelen met voor elk bestanddeel een lidstaat die aangewezen wordt om verslag uit te brengen. Maar die evaluatiefase bestaat in het verzamelen van het studiewerk van de fytofarmaceutische firma's zelf, dat dan opgestuurd wordt aan het Europees agentschap voor de voedselveiligheid.
Kan die evaluatieprocedure zonder tegenspraak volgens de Europese Commissie de waarborg bieden dat het homologatiebesluit voor een bepaald bestanddeel op voldoende objectieve gronden genomen wordt?
De protocollen die nodig zijn voor de studies om de giftigheidsgraad van bestanddelen te bepalen, zijn niet aangepast naarmate er nieuwe moleculen op de markt verschenen zijn.
Is het niet geboden om hun werkvoorschriften te herzien dat ze rekening houden met de uitwerking en de manier waarop de nieuwe bestanddelen werken, op gevaar af dat anders niet alle eventuele giftige uitwerkingen van een nieuwe molecule herkend worden?
De evaluatie van actieve bestanddelen verloopt ook in vier fasen die in de praktijk beantwoorden aan de vier lijsten van bestanddelen.
Het zijn de belanghebbende ondernemingen die in elke fase bepalen welke studies er bij voorrang uitgevoerd moeten worden. Meent de Europese Commissie dat met zo'n systeem de inachtneming van de gezondheids- en milieuvoorschriften het beste gewaarborgd is?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(30 april 2004)
Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende gewasbeschermingsmiddelen is gebaseerd op het beginsel dat de bewijslast in verband met de conformiteit met de essentiële eisen van de richtlijn bij de aanvrager ligt. Het is bijgevolg normaal dat deze de noodzakelijke studies ter onderbouwing van zijn aanvraag voorbereidt, verzamelt en voorlegt. De rapporterende lidstaat dient na te gaan of het dossier volledig is en met de eigenlijke evaluatie wordt pas daarna begonnen. De volgende fase bestaat uit de overlegging van het evaluatiedossier (het „Draft Assessment Report”) aan de lidstaten voor verificatie, het „Peer review”. De definitieve beslissing wordt door de Commissie genomen volgens de in de richtlijn en de uitvoeringsverordeningen beschreven procedures. De Commissie moet het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid raadplegen en kan ook wetenschappelijke adviezen inwinnen bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid die nu de taken uitvoert die vroeger aan sommige wetenschappelijke comités waren opgedragen, met name het Wetenschappelijk Comité voor bestrijdingsmiddelen en het Wetenschappelijk Comité voor planten. Relevante opmerkingen van derden kunnen ook in aanmerking worden genomen. Naast de lidstaten wordt ook de aanvrager verzocht om op technische vragen te antwoorden. Het is duidelijk dat de debatten beperkt blijven tot wetenschappelijke en technische overwegingen in direct verband met de evaluatie van het risico.
Op grond van de verschillende elementen van het dossier (eventueel inclusief het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid) legt de Commissie de aanvraag voor aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid dat zijn advies uitbrengt over de te nemen maatregelen. Dat kan erin bestaan de betreffende stof op te nemen in bijlage I van de richtlijn, vergezeld van de nodige instructies om voor een correct gebruik daarvan te zorgen, of het advies kan zijn de stof niet in bijlage I op te nemen. In beide gevallen wordt een formeel besluit aangenomen.
De Commissie meent bijgevolg dat de huidige procedure zorgt voor een voldoende niveau van transparantie en onafhankelijkheid, doordat zij voorziet in de nodige mechanismen om de belanghebbende actoren in staat te stellen hun mening te kennen te geven.
Wat het tweede deel van de vraag betreft, zij erop gewezen dat artikel 7 van Richtlijn 91/414/EEG bepaalt dat de aanvrager de bevoegde instantie onmiddellijk op de hoogte moet brengen van alle nieuwe gegevens betreffende een mogelijk risico. De laatste deelt deze gegevens onmiddellijk mee aan de andere lidstaten en de Commissie die deze aan het comité voorlegt.
Een en ander moet los worden gezien van de kwestie van de snelheid van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang en, als gevolg daarvan, van de achterhaaldheid van de verstrekte studies. De Commissie is zich bewust van het feit dat de studies die worden verstrekt in evaluatieprocedures die zich over meerdere jaren uitstrekken, verouderd kunnen zijn nog voordat de evaluatie wordt afgerond. Uit de ervaring blijkt echter dat dit uitzonderlijke gevallen zijn. Ook al wordt tijdens de procedure soms om aanvullende studies gevraagd, lijkt het toch redelijk de aanvrager niet aan steeds nieuwe eisen te onderwerpen en de retroactiviteit te beperken tot gevallen waarin nieuwe feiten bestaande gegevens weerleggen.
In de regel moet hierover van geval tot geval worden geoordeeld, rekening houdend met het hoge niveau van bescherming dat de communautaire maatregelen moeten weerspiegelen, de omvang van het risico en de noodzaak om de aanvrager rechtszekerheid te bieden.
De Commissie onderstreept echter dat de hierboven genoemde gevallen zich niet alleen bij de evaluatie van de stoffen, maar ook na de toelating daarvan kunnen voordoen. Daarom zijn de toelatingen maar beperkt geldig en is voor de verlenging daarvan een nieuwe evaluatie nodig. Bovendien kunnen de lidstaten altijd een beroep doen op vrijwaringsprocedures voor producten die om diverse redenen niet aan het vereiste veiligheidsniveau voldoen.
Ten slotte worden de bijlagen II en III van de richtlijn, waarin de eisen in verband met de in te dienen dossiers staan vermeld, momenteel aangepast om hen in overeenstemming te brengen met de laatste stand van de wetenschap en de techniek.
War de uitvoering van de evaluatie van de stoffen in vier fasen betreft, zij erop gewezen dat het hierbij gaat om een differentiëring die in de eerste plaats is gebaseerd op veiligheidsoverwegingen (er wordt immers prioriteit gegeven aan stoffen die op grote schaal worden gebruikt en/of waarvan de toxische en ecotoxische kenmerken bijzondere aandacht vergen) en daarna op de doeltreffendheid van de ingezette middelen.
De Commissie onderstreept dat, ongeacht de fase waarin een bepaalde stof wordt geklasseerd, het dossier de door de communautaire wetgeving vastgestelde studies moet bevatten. Voor uitzonderingen op deze regel, bijvoorbeeld wanneer voorgeschreven eisen irrelevant worden geacht, is de uitdrukkelijke toestemming van de Commissie vereist.
De ongerechtvaardigde afwezigheid of ontoereikendheid van gegevens is voor de Commissie bovendien voldoende reden om ambtshalve te besluiten de betreffende stoffen niet in de bijlage op te nemen.
De Commissie is bijgevolg van mening dat de speelruimte van de aanvrager beperkt is wat de te verstrekken studies betreft.
(1) PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/558 |
(2004/C 88 E/0569)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1003/04
van Daniel Hannan (PPE-DE) aan de Commissie
(31 maart 2004)
Betreft: Project voor een autoweg in Roemenië
De EU heeft onlangs gedreigd de toetreding van Roemenië te zullen uitstellen indien het land er niet in slaagt de corruptie beter onder controle te brengen. Men zou kunnen hopen dat de Roemeense regering hiervan kennis zou nemen, maar helaas wijst alles erop dat de problemen blijven voortduren en zelfs nog verder verslechteren. Een specifiek voorbeeld is het project voor een autosnelweg door Transylvanië, waardoor een van de laatst overblijvende middeleeuwse landschappen van Europa zou worden aangetast, zonder dat iemand hierbij enig voordeel heeft, afgezien dan van enkele personen met goede connecties, die reeds het land hebben gekocht waarop de snelweg zal worden gebouwd. Bovendien bestaat er reeds een door de EU gesteund plan voor de bouw van een autosnelweg van de Hongaarse grens over Roemeens grondgebied, via Brasov, de belangrijkste stad van Transylvanië, en Boekarest naar de Zwarte Zee. Het nieuwe plan voor een tweede snelweg, die vanuit Brasov naar het noorden loopt, parallel aan deze andere weg, op een afstand van slechts vijftig mijl, en dan zinloos doodloopt vlak voor de Hongaarse grens, is dus volledig overbodig. Voor dit project zijn ook nooit aanbestedingen uitgeschreven. Evenmin is er een milieueffectevaluatie uitgevoerd of enige raming van het verkeersvolume gemaakt voordat het plan werd goedgekeurd en het contract aan een Amerikaanse onderneming, Bechtel, gegund werd op gond van een „spoedverordening”, een procedure die speciaal ontworpen was om parlementaire controle te omzeilen. Er bestaan aanwijzingen dat het land dat voor de bouw van de Bechtel-autoweg nodig is op onbehoorlijke wijze werd onteigend. In een studie van het Roemeens Academisch Genootschap wordt beweerd dat de EUR 3 miljard die de bouw van deze autosnelweg zou kosten voldoende zou zijn voor de reconstructie van de gehele wegeninfrastructuur van Roemenië's 3000 gemeenten of voor de voltooiing van de moderniseringswerkzaamheden over ruim 3500 kilometer nationale wegen.
Wat is het standpunt van de Commissie ten aanzien van dit autosnelwegproject? Is de Commissie het ermee eens dat de Roemeense regering zich klaarblijkelijk weinig moeite heeft getroost om een oplossing te vinden voor de corruptieproblemen? Is de Commissie ook niet van mening dat het in niemands belang is dat dit weergaloze landschap en culturele erfgoed onherroepelijk wordt aangetast ter wille van een onnodig en door corruptie getekend project?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(30 april 2004)
Het besluit om af te wijken van de Roemeense regels voor overheidsopdrachten, die bedoeld zijn om de EU-richtlijnen op het gebied van overheidsopdrachten ten uitvoer te leggen, en zonder openbare aanbesteding een contract te gunnen voor de aanleg van de snelweg Brasov-Cluj-Bors, doet twijfels rijzen over het belang dat de Roemeense regering hecht aan eerlijke en transparante procedures voor overheidsopdrachten. De Commissie heeft Roemenië om meer informatie gevraagd om de gevolgen van dit besluit goed te kunnen beoordelen. Aangezien er geen concurrerende* en transparante aanbesteding was, heeft de Europese Commissie de Roemeense partij reeds duidelijk gemaakt dat zij geen enkele financiële steun aan dit project zal verlenen en dat zij eventuele hulp van de internationale financiële instellingen voor de aanleg van deze snelweg niet zal ondersteunen.
Zoals uiteengezet in haar recente mededeling over een alomvattend EU-beleid inzake corruptie (1), meent de Commissie dat open en transparante procedures voor overheidsopdrachten een belangrijk element van corruptiebestrijding zijn. De Commissie is dan ook van mening dat Roemenië een vaste verbintenis moet aangaan over het gebruik van open en transparante procedures voor overheidsopdrachten waarbij niet wordt afgeweken van de Roemeense regels voor overheidsopdrachten die uitvoering geven aan de desbetreffende relevante EU-richtlijnen.
Meer in het algemeen geven internationale rapporten en onderzoeken aan dat de corruptie in Roemenië inherent aan het systeem is en een algeheel probleem vormt dat de rechtsstaat ondermijnt, economische hervorming en ontwikkeling beperkt en een belangrijke belemmering is bij het aantrekken van directe buitenlandse investeringen. De Commissie is op de hoogte van enkele maatregelen die de Roemeense regering de laatste anderhalf jaar heeft getroffen in een poging deze situatie aan te pakken: zo werd in december 2002 een herzien nationaal actieplan tegen corruptie vastgesteld, werd in april 2003 een pakket anti-corruptiewetgeving vastgesteld, en werd in september 2002 het National Anti-Corruption Prosecution Office (PNA) opgericht. Deze maatregelen betekenen dat er nu een adequaat juridisch kader bestaat en dat er in theorie voldoende personele en financiële middelen zijn gereserveerd voor een effectieve corruptiebestrijding. In deze situatie roept het uitblijven van succes bij het onderzoek naar corruptie op hoog niveau vragen op over de politieke steun voor een serieuze aanpak van deze kwestie.
(1) COM(2003) 317 def. van 28.5.2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/559 |
(2004/C 88 E/0570)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1004/04
van Daniel Hannan (PPE-DE) aan de Commissie
(31 maart 2004)
Betreft: Bedreiging van vrede en democratie in Adjarië
De autonome regio Adjarië in Georgië, die uit hoofde van de Georgische grondwet recht op zelfbestuur heeft, heeft dertien jaren overleefd gedurende welke de vrede en stabiliteit voortdurend bedreigd werden door het regime van de kort tevoren ten val gebrachte Eduard Sjevarnadze. Thans, in 2004, wordt de stabiliteit van Adjarië, dat het overkoepelende gezag van de centrale regering in Tbilisi erkent, opnieuw bedreigd door de regering van de zojuist gekozen nieuwe president Michail Saakasjvili. Op zondag 14 maart verschenen er pantserwagens en zwaar gewapende troepen aan de administratieve grens van de regio Adjarië. Gevreesd wordt dat dergelijke daden van intimidatie bedoeld zijn om het juiste verloop van de voor 27 maart van dit jaar geplande verkiezingen voor het regionale parlement van Adjarië te ondermijnen.
Is de Commissie het ermee eens dat de regionale kwesties dienen te worden opgelost in het kader van een vreedzame dialoog, zonder enige dreiging met militair geweld? Is zij niet van mening dat de verkiezingen het best kunnen worden gehouden in een atmosfeer van stabiliteit en vertrouwen? Is zij het ermee eens dat het verschijnen van de Nationale Garde van Georgië in een tot dusverre vreedzame en economisch succesvolle regio, waar de partij van de president weinig steun geniet, gelijk kan worden gesteld aan een daad van agressie tegen Georgische burgers van de kant van hun eigen regering?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(23 april 2004)
De Commissie vestigt de aandacht van het geachte parlementslid op de verklaring die het Voorzitterschap op 17 maart 2004 namens de Europese Unie betreffende de situatie in de autonome Georgische Republiek Adjarië heeft afgelegd. In deze verklaring wordt er bij de partijen op aangedrongen zich te onthouden van iedere verdere escalatie die tot geweld zou kunnen leiden. Voorts worden de autoriteiten van de Georgische autonome Republiek Adjarië aangespoord om de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat te respecteren en ruimte te creëren voor de vreedzame voorbereiding van vrije en eerlijke parlementsverkiezingen.
De Commissie verwijst het geachte parlementslid voorts naar de verklaring van het Voorzitterschap namens de EU betreffende de Georgische parlementsverkiezingen. Zijn aandacht wordt in het bijzonder gevestigd op de verwijzing naar de voorlopige conclusies van de internationale missie voor verkiezingswaarneming en de bezorgdheid van die missie over het volledig ontbreken van enige toezegging door de autoriteiten van Adjarië dat adequate voorwaarden voor authentieke democratische verkiezingen in die regio worden gegarandeerd. In die verklaring worden de Georgische autoriteiten eveneens aangemoedigd om constructief samen te werken met de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa (OVSE) en met de Raad van Europa, teneinde het democratiseringsproces te bevorderen.
De Commissie blijft er bij de centrale regering in Tbilisi en de autoriteiten in Batumi op aandringen dat zij streven naar een vreedzame oplossing die voor alle partijen aanvaardbaar en in het belang van Georgië is.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/560 |
(2004/C 88 E/0571)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1012/04
van Mario Borghezio (NI) aan de Commissie
(1 april 2004)
Betreft: Wie wil het onderzoek naar fraude in Euroland blokkeren?
De razzia van de Belgische politie die een inval heeft gedaan in de kantoren van de correspondent in Brussel van het Duitse weekblad Stern, Hans Martin Tillack, die een reeks artikelen heeft gepubliceerd over het Eurostatschandaal en andere delicate corruptiekwesties bij de instellingen van de Europese Unie, is een ongehoorde schending van het beginsel van persvrijheid.
Is de Commissie ook niet van mening dat dit initiatief van de politie (waarschijnlijk op instigatie van OLAF) dat zich niet richtte tegen de corrupten, maar tegen degene die verslag doet van corruptie, aantoont dat men in de hoogste echelons van de Europese instellingen bevreesd is voor schijnwerpers die journalistiek onderzoek kan richten op aan het daglicht onttrokken en weinig stichtelijke aspecten in verband met fraude en corruptie in Euroland?
Antwoord van mevrouw Schreyer namens de Commissie
(30 april 2004)
Op basis van informatie afkomstig van het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF) kan de Commissie het geachte parlementslid meedelen dat het bureau in februari 2004 een dossier in verband met vermoedelijke strafbare feiten aan de bevoegde gerechtelijke autoriteiten heeft doorgegeven.
Het doorgeven van inlichtingen aan gerechtelijke autoriteiten van de betrokken lidstaat, in verband met feiten die in aanmerking kunnen komen voor strafrechtelijke vervolging is voorzien in artikel 10 lid 1 en 2 van verordening (EG) nr. 1073/1999 (1).
De nationale gerechtelijke autoriteiten voeren in alle onafhankelijkheid het onderzoek omtrent de hen bezorgde dossiers.
(1) Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), PB L 136 van 31.5.1999.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/560 |
(2004/C 88 E/0572)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1021/04
van Paolo Bartolozzi (PPE-DE) aan de Commissie
(5 april 2004)
Betreft: Oponthoud voor importgoederen in transit bij de douane
|
1. |
Weet de Commissie dat voor importgoederen uit niet-communautaire landen die binnen de EU worden doorgevoerd van de ene luchthaven naar een andere, er tijd verloren gaat bij de douane (aan controles) die kan oplopen tot 30 dagen? |
|
2. |
Kan de douane van een luchthaven in een EU-land goederen zolang tegenhouden die in transit zijn naar een andere luchthaven (de eindbestemming) waardoor zinloze doublures ontstaan bij de controle met alle negatieve gevolgen vandien voor het internationale handelsverkeer en voor de importeur? |
|
3. |
Bestaan er communautaire regels voor de maximale tijdsduur waarin goederen in transit kunnen worden vastgehouden, ook al gaat het om partijen die vergezeld zijn van alle benodigde documenten (commercial invoice en packing list) met inbegrip van een verklaring van de verkoper dat het product origineel is en geen vervalsing? |
|
4. |
Kan de gedupeerde importeur die bovendien al aan de leverancier heeft betaald voor de partij, worden schadeloosgesteld voor het verlies dat hij lijdt omdat zijn klanten op hun beurt de rekening presenteren voor de vertraging? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie is niet op de hoogte van de door het geachte parlementslid genoemde problemen. Omdat nadere bijzonderheden voor een grondiger onderzoek van dit probleem ontbreken is het niet mogelijk een specifiek antwoord op elk van de gestelde vragen te geven. Wanneer er vermoedens bestaan dat het om namaakgoederen gaat is intensief en langdurig onderzoek evenwel gerechtvaardigd.
De communautaire douanewetgeving voorziet niet in nauwkeurige termijnen waarbinnen de douaneadministraties de controles dienen uit te voeren. Bij artikel 3 7 van het communautair douanewetboek (1) is bepaald dat de in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen, vanaf het ogenblik waarop zij worden binnengebracht, aan douanetoezicht zijn onderworpen. Zij kunnen overeenkomstig de geldende bepalingen door de douaneautoriteiten worden gecontroleerd. De goederen blijven onder douanetoezicht zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen en wanneer het niet-communautaire goederen betreft tot het ogenblik waarop zij hetzij een andere douanestatus krijgen, hetzij in een vrije zone of een vrij entrepot worden binnengebracht, hetzij worden wederuitgevoerd of vernietigd.
Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen moeten bij de douane worden aangebracht en een douanebestemming krijgen (bijvoorbeeld de plaatsing van de goederen onder een douaneregeling, zoals het in het vrije verkeer brengen van goederen, het douanevervoer of de douaneopslag). Daartoe moet er voor de goederen een douaneaangifte worden gedaan.
Overeenkomstig artikel 68 van het douanewetboek kunnen de douaneautoriteiten teneinde de juistheid van de door hen aanvaarde aangiften te verifiëren overgaan tot:
|
a) |
een controle van de aangifte en de daarbij gevoegde documenten. De douaneautoriteiten kunnen van de aangever eisen dat nog andere documenten worden overgelegd met het oog op de verificatie van de juistheid van de in de aangifte voorkomende vermeldingen; |
|
b) |
het onderzoek van de goederen en het eventueel nemen van monsters voor analyse of grondige controle. |
In artikel 73 van het douanewetboek wordt wat dit betreft bepaald dat wanneer voldaan is aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de betrokken regeling er voorzover de goederen niet onder verbods- of beperkende maatregelen vallen, de douaneautoriteiten de goederen vrijgeven zodra de vermeldingen op de aangifte zijn geverifieerd of zonder verificatie zijn aangenomen. Dit is eveneens het geval wanneer de verificatie niet binnen een redelijke termijn kan worden beëindigd en de goederen niet meer aanwezig behoeven te zijn met het oog op deze verificatie.
De communautaire douanewetgeving bevat geen bepalingen inzake schadeloosstelling in geval van vertraging bij de vrijgave van de goederen.
(1) Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, PB L 302 van 19.10.1992 — Verordening laatstelijk gewijzigd door de Toetredingsakte 2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/562 |
(2004/C 88 E/0573)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1054/04
van Franz Turchi (UEN) aan de Commissie
(5 april 2004)
Betreft: Schoolgeldverhoging bij Europese scholen
De Hoge Raad voor de Europese scholen is op 15 maart jl. in Brussel bijeengeweest. Op deze vergadering was een van de onderwerpen een schoolgeldverhoging per leerling per schooljaar.
Met 12 stemmen voor en 5 tegen (Italië, Griekenland, Spanje, Portugal en Nederland) heeft men besloten de schoolgelden voor het schooljaar 2005-2006 met 11 % te verhogen plus het gemiddeld Europees inflatiepercentage.
Overwegende dat de ouders zich ernstige zorgen maken omdat deze besluiten niet gunstig zijn voor het onderwijs;
overwegende dat de vertegenwoordiger van de ouders op de vergadering uiting heeft gegeven aan zijn bezorgdheid over de geplande verhoging en overwegende dat dit ertoe zou kunnen leiden dat leerlingen die behoren tot de categorie III (geen rechthebbende) zouden worden uitgesloten van de Europese scholen luidt de vraag: wat denkt de Raad te doen om de toegang tot de Europese Scholen in de nabije toekomst niet aan beperkingen te onderwerpen?
Antwoord van de heer Kinnock namens de Commissie
(30 april 2004)
Het geachte parlementslid wordt verwezen naar het antwoord van de Commissie op schriftelijke vraag E-0237/04 van mevrouw Smet (1) met betrekking tot het inschrijvingsgeld aan de Europese Scholen en met betrekking tot de redenen voor de verhoging van dat inschrijvingsgeld waartoe is besloten door de Raad van Bestuur (de groep van vertegenwoordigers van alle lidstaten waarvan de Commissie lid is en waarin zij één stem heeft).
Op 15 maart 2004 heeft de Raad van Bestuur het inschrijvingsgeld voor het schooljaar 2005/2006 voor alle leerlingen van categorie III (nl. leerlingen waarvan de ouders niet werkzaam zijn bij een van de EU-instellingen) vastgesteld op EUR 2 400 voor de kleuterschool, EUR 3 300 voor de lagere school en EUR 4 500 voor de middelbare school. Deze bedragen zijn veel lager dan de reële kosten van bijna EUR 11 000 per leerling. Momenteel wordt, op voorstel van de Commissie, door de Raad van Bestuur een werkgroep samengesteld: deze werkgroep zal de kwestie van het inschrijvingsgeld, de vrijstellingen daarvan en de toegang van leerlingen van categorie III in de komende jaren onderzoeken.
(1) PB C 84 E van 3.4.2004, blz. 339.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/562 |
(2004/C 88 E/0574)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1065/04
van Anna Karamanou (PSE) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: „Wettige” pedofilienetwerken in Europa, — nieuwe Dutroux-gevallen?
In Denemarken is een pedofilievereniging legaal werkzaam: deze heeft haar eigen website en coördineert en organiseert pedofilienetwerken in Europa en op internationaal niveau. Denemarken is geen uniek voorbeeld, want ook in andere landen doen zich dergelijke zaken voor.
Deze kwestie brengt samen met het proces-Dutroux in België, dat zeven jaar op zich heeft laten wachten, opnieuw de criminele activiteiten van de pedofilienetwerken voor het voetlicht. In dit verband heeft de EU onlangs een kaderbesluit goedgekeurd ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.
Kan de Commissie zeggen of de wetgevende en politieke initiatieven die tot nu toe zijn genomen een wezenlijke aanpak op Europees niveau vormen van dit lugubere verschijnsel, dat een regelrechte schending van de mensenrechten en de menselijke waardigheid vormt? Wat denkt de Commissie met name te doen zodat de lidstaten deze wetgeving naleven en er een verbod wordt gelegd op het gebruik van de mogelijkheden van de digitale technologie door dergelijke organisaties?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie deelt volledig de bezorgdheid van het geachte parlementslid over het probleem van de verspreiding van kinderpornografie op internet. Om dit afschuwelijke fenomeen aan te pakken zijn voortdurende inspanningen ter bestrijding van schadelijke en illegale inhoud op internet nodig, gebaseerd op internationale samenwerking tussen overheden, in het bijzonder politiediensten en gerechtelijke instanties maar ook tussen de overheid en de internetsector, speciale klachtenlijnen en niet-gouvernementele organisaties.
Hoofdverantwoordelijken voor het bestrijden van illegale inhoud (met inbegrip van kinderpornografie) zijn de bevoegde politiediensten en gerechtelijke instanties van de lidstaten, die langs de bestaande communicatiekanalen zoals Europol, Eurojust en Interpol internationaal samenwerken in de strijd tegen kinderpornografie op internet. De Commissie wil het geachte parlementslid er in dat verband op wijzen dat Europese rechtshandhavingsinstanties onlangs verscheidene door pedofielen gebruikte elektronische discussiefora hebben opgedoekt.
Al sinds 1996, toen het Parlement en de Raad unaniem een gemeenschappelijke aanpak goedkeurden, speelt de Europese Unie een pioniersrol bij de bestrijding van illegale en schadelijke inhoud op internet. Het actieplan ter bevordering van een veiliger gebruik van internet, door de Raad en het Parlement aangenomen in 1999 (1), speelt een belangrijke rol in de activiteit van de Commissie op dit gebied. Het voorziet in de financiering van een Europees netwerk van klachtenlijnen waarmee gebruikers illegale inhoud zoals kinderpornografie kunnen melden.
Zoals het geachte parlementslid weet steunt de strategie van de Unie in de strijd tegen kinderpornografie op juridische instrumenten alsook praktische maatregelen tegen computermisdaad en kinderpornografie. Het betreft onder meer het Kaderbesluit van de Raad over de onderlinge aanpassing van wetgevingen en sancties op het gebied van seksuele uitbuiting van kinderen en met name de kinderpornografie op internet (2), de Aanbeveling van de Raad van september 1998 (3) betreffende de bescherming van minderjarigen en de menselijke waardigheid en het Besluit van de raad van mei 2000 ter bestrijding van kinderpornografie op internet (4).
De Commissie steunt momenteel uit hoofde van het AGIS-programma een inspanning van verscheidene lidstaten, Europol en derde landen voor het financieren van een haalbaarheidsonderzoek voor de uitbouw van een gesofistikeerde internationale per netwerk toegankelijke beelddatabank over seksuele uitbuiting van kinderen, voortbouwend op het nieuwe systeem van Interpol. Een dergelijke databank is zowel technisch als juridisch mogelijk en zou rekening moeten houden met de verschillende nationale wetgevingen op het gebied van beelden van seksuele uitbuiting van kinderen en de bescherming van persoonsgegevens.
De databank zal voor de rechtshandhavingsinstanties een doeltreffend instrument zijn voor het wereldwijd on line identificeren van slachtoffers en daders van seksuele uitbuiting van kinderen. Het zal internationaal dubbel werk verminderen en de internationale samenwerking voor deze doelen vergroten.
De Commissie gelooft dat de voorgestelde databank een zeer grote impact zal hebben op het doeltreffend aanpakken van dit afschuwelijk misdrijf, door de uitwisseling van informatie te verbeteren, dubbel werk te verminderen en de analytische capaciteit in belangrijke mate te vergroten.
De bestrijding van de seksuele uitbuiting van kinderen en de kinderpornografie en het garanderen van de inachtneming van de fundamentele mensenrechten zijn prioritair voor de Commissie. De Commissie is van mening dat de huidige regelgevende maatregelen op deze gebieden, gecombineerd met de bestendige inspanningen om een veiliger gebruik van internet te bevorderen, in belangrijke mate bijdragen tot het behalen van deze doelstellingen.
(2) Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad van 22 december 2003 ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, PB L 13 van 20.1.2004.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/564 |
(2004/C 88 E/0575)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1069/04
van Nicole Thomas-Mauro (UEN) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: Tegenstrijdigheid van de Europese Commissie in de beleidsvoering voor wijn
De Europese Commissie heeft einde maart een aantal informatie- en promotiecampagnes voor landbouwproducten in derde landen goedgekeurd. De producten in kwestie zijn wijn, fruit, olijfolie, kaas en biologische producten.
De lidstaten hebben haar 6 informatie- en promotiecampagnes voor onderzoek voorgelegd. De 5 programma's die aanvaard zijn, zijn gericht op de Verenigde Staten, Canada, Japan, Rusland, Brazilië en China.
De geschatte uitgaven voor de Europese Unie liggen in de orde van grootte van 3 miljoen euro (50 % van het budget voor programma's).
Daarnaast stelt de Europese Commissie in de reglementering op aangiften van voedingswaarden en uitwerkingen op de gezondheid bij levensmiddelen voor om alle verkoopsbevordering van wijn uit te sluiten.
Van de ene kant moedigt ze dus met Europese geldmiddelen de verkoopspromotie van wijn als landbouwproduct in derde landen aan (om de sector te ondersteunen), maar van de andere kant sluit ze in haar voorstel van verordening nr. 424 (1) elke mogelijkheid uit om op het grondgebeid van de Europese Unie aan te zetten tot matig wijnverbruik, ook al is het wetenschappelijk bewezen dat het om één van de weldadige onderdelen van het Europese voedselpatroon gaat.
Kan ze verantwoorden dat haar beleidsvoering naar buiten uit in tegenspraak is met een verbiedend beleid binnen de Europese Unie?
De Europese Commissie eigent zich het alleenrecht op „goede” promotievoering toe, maar kan ze de wijnproducenten, vanzelfsprekend binnen de perken van de regelgeving, niet zelf voor de promotie van hun producten laten zorgen?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(30 april 2004)
|
1. |
In haar voorstel voor een verordening inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen heeft de Commissie niet voorgesteld om alle vormen van verkoopbevordering voor wijn, ander voedsel of andere drank te verbieden. De Commissie is echter van mening dat verkoopbevordering van en advertenties voor alcoholische dranken niet gebaseerd mogen zijn op voedings- en gezondheidsvoordelen die deze dranken zouden kunnen hebben, aangezien overconsumptie van deze producten tot bekende ernstige gezondheids- en maatschappelijke problemen leidt die de Commissie eigenlijk probeert te bestrijden. In de Conclusies van de Raad van 5 juni 2001 betreffende een strategie van de Gemeenschap ter beperking van aan alcohol gerelateerde schade (2) wordt benadrukt dat alcohol één van de belangrijkste gezondheidsdeterminanten in de Gemeenschap is en dat wetenschappelijk onderzoek reeds duidelijk heeft aangetoond dat hoog alcoholgebruik in de bevolking leidt tot een substantiële verhoging van aan alcohol gerelateerde overlijdens en van het sterfterisico in het algemeen. Verder maakt men zich zorgen over de wijze waarop alcoholische dranken worden ontworpen en gepromoot om met name kinderen en adolescenten aan te spreken. De Commissie vindt het daarom gepast om een verbod op beweringen met betrekking tot voedingswaarde en gezondheid op de etikettering, in de presentatie en in advertenties van alcoholische dranken te overwegen. De promotie van wijn en andere alcoholische dranken via andere aspecten dan mogelijke voedings- en gezondheidsvoordelen wordt door het voorstel voor een verordening inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen geenszins verboden of beperkt. |
|
2. |
In het kader van de communautaire regeling voor informatieve en verkoopbevorderende acties ten behoeve van landbouwproducten en voeding op de interne markt en in derde landen, valt onder Verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad van 19 december 2000 (3), respectievelijk Verordening (EG) nr. 2702/1999 van 14 december 1999, (4) medefinanciert de EU momenteel verscheidene programma's die zijn opgezet door de desbetreffende professionele of inter-professionele organisaties voor bepaalde wijncategorieën, niet alleen in derde landen, maar ook op de interne EU-markt. Met name op de interne markt heeft de EU in de periode 2001-2003 acht programma's in de wijnsector medegefinancierd voor een totaalbedrag van EUR 5,2 miljoen. |
(1) COM(2003)424 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/565 |
(2004/C 88 E/0576)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1073/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: Kwaliteit van de architectuur in de stedelijke en landelijke omgeving
Welke follow-up is er gegeven aan de resolutie over de kwaliteit van de architectuur in de stedelijke en landelijke omgeving van de Raad Cultuur van 23 november 2000? Welke initiatieven heeft de Commissie sinds de goedkeuring van deze resolutie ontwikkeld met betrekking tot dit onderwerp, of overweegt ze te ontwikkelen, met name ten aanzien van het verzoek om na te gaan „hoe bij de gebruikmaking van de structuurfondsen de architectonische kwaliteit en het behoud van het erfgoed beter in aanmerking genomen kunnen worden”?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(30 april 2004)
Projecten op het gebied van cultuur, waaronder die met betrekking tot de architectonische kwaliteit van de bebouwde omgeving, maken prominent deel uit van de programma's voor regionale ontwikkeling die door de Europese Unie worden gesteund in het kader van de structuurfondsen. Om meer inzicht te verwerven in de aard van de maatregelen op dit gebied heeft de Commissie een onderzoek ingesteld, met een uitgebreide vragenlijst die aan de lidstaten is verzonden. De resultaten van het onderzoek zijn op het Internet beschikbaar in de vorm van een werkdocument van de diensten van de Commissie: http://europa.eu.int/ comm/culture/eac/sources_info/compolitics/fond_structurel_en.html.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/566 |
(2004/C 88 E/0577)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1074/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: Mensenrechten en de Overeenkomst van Cotonou
De in 2000 tussen 77 staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekende Overeenkomst van Cotonou beoogt verbetering van de economische en ontwikkelingssamenwerking tussen de EU en de ACS-staten.
De Overeenkomst onderstreept ook de rol van de mensenrechten in het EU-beleid inzake externe betrekkingen; het bevat bepalingen betreffende eerbiediging van de mensenrechten, op de rechtsstaat berustende democratie en transparant en verantwoordelijk bestuur als sleutelelementen van de eerste pijler van de Overeenkomst.
Heeft de Commissie sinds de ondertekening van de Overeenkomst toezicht uitgeoefend op de toepassing van de politieke dimensie van de Overeenkomst van Cotonou? Heeft de Commissie gekeken hoe het staat met de mensenrechtenstandaarden in de partnerlanden? Heeft de Commissie actie ondernomen om te bewerkstelligen dat de landen iets doen aan de schendingen van de mensenrechtenbepalingen in de Overeenkomst, of is zij voornemens dit te gaan doen? Zullen deze aspecten bij de herziening van de Overeenkomst van Cotonou in 2005 bij de ACS-staten worden aangekaart?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(30 april 2004)
Zoals bepaald in artikel 9 van de Overeenkomst van Cotonou vormen de eerbiediging van de mensenrechten, de democratische beginselen en de rechtsstaat de essentiële elementen van de Overeenkomst en is goed bestuur een fundamenteel element ervan. Het partnerschap ondersteunt dit, via samenwerking en ontwikkelingsstrategieën, door politieke en institutionele hervormingen en hervormingen van de rechtspraak in partnerlanden te stimuleren, alsmede via een permanente politieke dialoog tussen de partijen.
Een regelmatige dialoog is het belangrijkste instrument voor een regelmatige gezamenlijke evaluatie van de geboekte vooruitgang en van de ontwikkelingen met betrekking tot de essentiële en de fundamentele elementen van de Overeenkomst, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke context in elk land. De dialoog draagt bij tot wederzijds begrip en kan situaties voorkomen die aanleiding zouden geven tot overlegprocedures en passende maatregelen, met inbegrip van opschorting van de samenwerking, als bepaald in de artikelen 96 en 97 van de Overeenkomst van Cotonou.
Op grond van artikel 96 kan, in geval van schending van een van deze essentiële elementen, de ene partij de andere verzoeken overleg te plegen. Het overleg in het kader van artikel 96 is bedoeld om de situatie te onderzoeken teneinde tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen. Indien geen oplossing wordt gevonden, indien overleg wordt geweigerd of in bijzonder dringende gevallen kunnen passende maatregelen worden genomen. Opschorting van de samenwerking is in deze context een maatregel waartoe slechts in laatste instantie wordt overgegaan. De passende maatregelen, die in verhouding moeten staan tot de schending van een essentieel element, zijn bedoeld om de regering een duidelijk signaal te geven met betrekking tot de inachtneming van deze elementen.
Sinds de ondertekening van de Overeenkomst van Cotonou in 2000 heeft de EU ermee ingestemd overleg te voeren met negen Staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS-Staten) (1). In de zes gevallen waarin het overleg is afgerond zijn passende maatregelen getroffen (2).
Wat de herziening van de Overeenkomst van Cotonou betreft is het de bedoeling dat in mei 2004 met de onderhandelingen wordt begonnen. De EU en de ACS-groep stellen momenteel hun respectieve onderhandelingsmandaat vast.
(1) Haïti, Ivoorkust, Fiji, Liberia, Zimbabwe, Centraal-Afrikaanse Republiek, Togo, Guinee-Bissau en de Republiek Guinee.
(2) Haïti, Ivoorkust, Fiji, Liberia, Zimbabwe, Centraal-Afrikaanse Republiek.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/567 |
(2004/C 88 E/0578)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1080/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: Mensenrechtenactivisten
De ontwikkeling van richtsnoeren met betrekking tot mensenrechtenactivisten is, zoals bekend, één van de prioritaire doelstellingen van het Ierse voorzitterschap. Hoewel de EU het belang van de bescherming van mensenrechtenactivisten heeft onderstreept, ontbreekt een specifiek EU-beleid ter bevordering van de steun van de EU voor mensenrechtenactivisten in de hele wereld.
Welke officiële voorstellen heeft de Commissie met betrekking tot dit onderwerp van de Raad ontvangen? Vindt de Commissie ook dat de vaststelling van dergelijke richtsnoeren noodzakelijk is voor het vergroten van de doeltreffendheid van het EU-beleid inzake mensenrechten? Gaat de Commissie in haar volgende mededeling over mensenrechten en democratisering aandacht besteden aan het onderwerp mensenrechtenactivisten?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie staat volledig achter het initiatief van het Ierse voorzitterschap om communautaire richtsnoeren voor steun aan mensenrechtenactivisten aan te nemen.
Alhoewel de lidstaten en de Instellingen van de EU al herhaaldelijk hebben erkend dat mensenrechtenactivisten een cruciale rol spelen, zullen de communautaire richtsnoeren voor steun aan mensenrechtenactivisten in het kader van de betrekkingen van de EU met derde landen en door middel van de steunprogramma's van de Gemeenschap en de lidstaten een samenhangend en zichtbaar beleid bieden voor steun aan en bescherming van mensenrechtenactivisten.
De politieke aandacht die door eerdere communautaire richtsnoeren is gericht op respect voor de mensenrechten (zoals die inzake de doodstraf, martelingen en kinderen in gewapende conflicten) onderstreept de toegevoegde waarde van de goedkeuring van richtsnoeren op EU-niveau.
Het geachte parlementslid vraagt of de kwestie van mensenrechtenactivisten aan de orde zal komen in de volgende mededeling betreffende mensenrechten en democratisering. De Commissie is momenteel niet voornemens een nieuwe mededeling te publiceren die het vervolg zou zijn op haar mededeling van mei 2001 inzake de „Rol van de EU bij de bevordering van de mensenrechten en democratisering in derde landen” (1).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/567 |
(2004/C 88 E/0579)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1092/04
van Jean Lambert (Verts/ALE) aan de Commissie
(5 april 2004)
Betreft: Discriminatie volgens kaste
Meer dan 260 miljoen mensen in de wereld hebben van discriminatie volgens kaste te lijden. Kastegroepen leven in fysieke en sociale segregatie, worden grof benadeeld door de wet en hun rechten op grondbezit, werkgelegenheid en gezondheidszorg zijn beperkt. De speciale rapporteur van de Verenigde Naties voor racisme stelt in zijn opvolgingsverslag van de Wereldconferentie tegen het racisme dat de kwestie in aansluiting op de Conferentie van Durban voorrang moet krijgen in de strijd tegen alle vormen van discriminatie en de verdediging van de rechten van de mens over heel de wereld.
Aanbevelingen voor een beleidsvoering tegen discriminatie volgens kaste zijn op EU-niveau voornamelijk gegeven in de resoluties van het Europees Parlement over de rechten van de mens in de wereld, en zijn aanbevelingen voor de zittingen van de Commissie voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties. Daar staat tegenover dat de Europese Commissie en de Raad klaarblijkelijk niets ondernomen hebben om de politieke dialoog en de dialoog over de rechten van de mens met landen die een kastesysteem kennen, uit te breiden tot de discriminerende praktijk volgens kaste. Analyses van discriminatie volgens kaste moeten in het jaarlijks verslag van de Raad over de rechten van de mens nog opgenomen worden. De doelmatigheid van de beleidsvoering van de Europese Unie in haar uitwerking op discriminatie volgens kaste moet nog geëvalueerd worden.
Gezien de ernst van de aanhoudende schending van de rechten van de mens wil ik vragen:
|
— |
welke beleidsvoering en maatregelen de Europese Commissie ontworpen heeft om tegen de aanhoudende vernederende praktijk van discriminatie volgens kaste in te gaan; |
|
— |
welke stappen ze ondernomen heeft om op de aanstelling van een speciale rapporteur voor discriminatie volgens kaste aan te sturen; |
|
— |
welke stappen ze kan ondernemen om ervoor te zorgen dat dit reusachtige probleem van eerbiediging van de rechten van de mens samen met voorstellen voor verbeteringsmaatregelen ter sprake komt in alle belangrijke verklaringen van de Europese Unie, o.a. ook in haar eigen strategische rapporten per land; |
|
— |
of discriminatie volgens kaste op de agenda voor de eerstvolgende topontmoetingen tussen de Europese Unie en India geplaatst wordt? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(26 april 2004)
De Commissie is zich bewust van het wereldwijde probleem van kastendiscriminatie in Zuid-Azië en in Afrika. De Commissie neemt dit probleem zeer ernstig en heeft blijk gegeven van een voortdurend en actief engagement om het te bestrijden.
Projecten die de discriminatie van Dalits bestrijden, komen in aanmerking voor steun in het kader van het Europees Initiatief voor Democratie en Mensenrechten. Op 27 april 2002 werd in het kader van dit initiatief een oproep tot het indienen van voorstellen in verband met kastendiscriminatie gedaan. Eén van de selectiecriteria had betrekking op „discriminatie op basis van kaste” (dat wil zeggen geboren worden als lid van een sociale groep die als inferieur beschouwd wordt ten opzichte van hogere sociale groepen, zelfs bij het ontbreken van etnische verschillen, hetgeen historisch onderhevig is aan vormen van maatschappelijke segregatie, arbeidssegregatie en discriminatie).
De Commissie verwacht dat in India de samenwerking in de sociale sectoren, voornamelijk basisonderwijs, een belangrijke bijdrage zal leveren aan de geleidelijke afschaffing van discriminatie op basis van kaste en geslacht. De Commissie is er vast van overtuigd dat de bijstand aan India voor het bereiken van zijn millennium-ontwikkelingsdoelstelling, namelijk basisonderwijs voor iedereen, met bijzondere aandacht voor moeilijk bereikbare groepen, zoals kinderen met een tribale of Dalit-achtergrond, er uiteindelijk toe zal leiden dat de Dalits betere kansen hebben om op alle niveaus posities in de Indische maatschappij te bekleden. Sedert 1995 zijn in alle samenwerkingsovereenkomsten van de Gemeenschap mensenrechtenclausules opgenomen, die de grondslag vormen voor een positieve dialoog over mensenrechtenkwesties. Op alle bijeenkomsten van hoge ambtenaren en ministers vormen mensenrechtenkwesties een vast onderdeel van de politieke dialoog tussen de EU en India.
De Commissie neemt zeker nota van het voorstel van het geachte parlementslid inzake een speciale rapporteur in verband met kastendiscriminatie. De invoering van een dergelijk mandaat dient echter de goedkeuring van de VN-mensenrechtencommissie (UNCHR) te krijgen.
De Commissie blijft inspanningen leveren in de Mensenrechtencommissie en in andere fora, waarbij zij de nadruk legt op het belang van de strijd tegen racisme en xenofobie en de daarmee gepaard gaande onverdraagzaamheid. Over deze kwesties legt de EU bijvoorbeeld een verklaring af tijdens de jaarlijkse bijeenkomsten van de VN-mensenrechtencommissie en het Derde Comité van de Algemene vergadering van de VN.
In de gezamenlijke verklaring van de vierde EU/India-top in New Delhi in november 2003 werd bevestigd dat democratie de beste waarborg biedt voor de bescherming en de bevordering van de mensenrechten, en dat beide partijen bereid zijn de mensenrechten uitgebreid te bespreken (1). Verwacht wordt dat deze kwestie aan bod zal komen in de verklaring van de vijfde top die zal plaatsvinden in de tweede helft van 2004. De EU en India zijn verder overeengekomen dat democratie en mensenrechtenkwesties worden besproken tijdens de bijeenkomsten van hoge ambtenaren en ministers.
(1) „Wij bevestigen dat democratie een essentiële waarborg vormt voor de bescherming en de bevordering van de mensenrechten. Alle mensenrechten, waaronder het recht op persoonlijke, economische, sociale en culturele ontwikkeling, zijn universeel, ondeelbaar en onderling afhankelijk. Wij geloven dat burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele rechten van gelijk belang zijn en streven naar de verwezenlijking ervan. Internationale samenwerking moet de bescherming en de bevordering van de mensenrechten dienen door dialoog en wederzijdse verstandhouding in een groot globaal kader. We bevestigen dat wij bereid zijn de mensenrechten uitgebreid aan bod te laten komen”.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/569 |
(2004/C 88 E/0580)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1097/04
van Adriana Poli Bortone (UEN) aan de Commissie
(13 april 2004)
Betreft: Verordening (EG) nr. 2331/2003
Ingevolge de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 2331/2003 (1) op 23 december 2003 is een aantal landen zoals Argentinië en India opnieuw opgenomen in de lijst van begunstigde landen in het kader van het communautaire stelsel van douanepreferenties voor de periode 2002-2004. Vanaf 1 januari 2005 krijgen zij recht op vermindering van de invoerrechten van de Europese Unie voor enkele soorten afgewerkte huiden.
Gezien de volgende feiten:
|
— |
Deze landen genieten dankzij ingesleten dumpingpraktijken sowieso al een aanzienlijk concurrentievoordeel ten nadele van de leerlooierijen uit mijn eigen land, Italië. |
|
— |
Er is ook geen sprake van commerciële maatregelen met een wederzijds karakter of van gelijke kansen op eikaars markt omdat India en Argentinië hoge tarief- en andere barrières opwerpen voor hun eigen export van grondstoffen en de invoer van afgewerkte producten. |
|
— |
De Italiaanse bedrijven bevinden zich overigens in een ernstige crisis als gevolg van de daling van de finale vraag en de ongunstige koers van de euro ten opzichte van de Amerikaanse dollar. |
Acht de Commissie het in de gegeven omstandigheden niet nodig Verordening (EG) nr. 2331/2003 te herzien?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(30 april 2004)
Verordening (EG) nr. 2331/2003 van de Commissie van 23 december 2003 werd goedgekeurd in het kader van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2501/2001 van de Raad houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties (SAP) ten gunste van ontwikkelingslanden. De goedkeuring van Verordening nr. 2331/2003 door de Commissie was dus een voor de Commissie verplichte handeling binnen een door de Raad vastgesteld wettelijk kader.
In het schema van algemene tariefpreferenties (SAP) — een meerjarenschema — is bepaald dat de werkingssfeer van de tariefpreferenties jaarlijks door de Commissie moet worden aangepast, hetgeen bij Verordening nr. 2331/2003 voor 2005 is gebeurd. Het SAP houdt immers een beperkt handelsaanbod in; men dient er dus op toe te zien dat het ten goede komt aan landen en producten die er werkelijk behoefte aan hebben. Bij bovenvermeld artikel 12 werd daarom een mechanisme van „graduatie/degraduatie” ingesteld dat het mogelijk maakt het SAP hetzij niet langer toe te passen op landen/producten die op de internationale markt kunnen concurreren hetzij opnieuw toe te passen op landen/producten die dankzij een verbeterd concurrentievermogen in het verleden van het SAP werden uitgesloten, maar waarvan het concurrentievermogen sindsdien is achteruitgegaan.
Het SAP is geen politiek, maar een economisch instrument, waarvoor objectieve criteria gelden die zijn opgenomen in bovenvermeld artikel 12 (zoals gewijzigd bij artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2211/2003 van de Raad van 15 december 2003 (2)). Het is dus ingevolge de toepassing van deze criteria dat de betrokken producten uit India en Argentinië in 2005 opnieuw voor een preferentiële behandeling in aanmerking komen.
De Gemeenschap beschikt over handelsbeschermingsinstrumenten waarmee zij, op bepaalde voorwaarden, maatregelen tegen dumping kan nemen. De kwestie van de tarifaire en niet-tarifaire handelsbelemmeringen is één van de prioriteiten van de Commissie in het kader van de „Ontwikkelingsagenda van Doha” en van bilaterale onderhandelingen.
Op 1 januari 2006 zal een nieuw SAP-schema worden goedgekeurd. Het geachte parlementslid wordt verzocht onder meer industriële organisaties aan te moedigen om actief aan dit overleg deel te nemen.
(1) PB L 346 van 31.12.2003, blz. 3.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/570 |
(2004/C 88 E/0581)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1104/04
van Francesco Speroni (NI) aan de Commissie
(5 april 2004)
Betreft: Babybananen
Kan de Commissie uitleggen waarom destijds is besloten om babybananen van het toepassingsgebied van verordening (EG) nr. 2257/94 (1) van de Commissie van 16 september 1994 uit te sluiten. Geldt de eventuele reden daarvoor nog steeds?
Is het wenselijk deze uitsluiting uit te breiden tot andere typen bananen, bijvoorbeeld rode bananen?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie stelt het geachte parlementslid ervan in kennis dat zij in haar antwoord op schriftelijke vraag P-3283/03 (2) reeds had aangegeven dat de kwaliteitsnormen van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2257/94 van de Commissie van 16 september 1994 tot vaststelling van kwaliteitsnormen voor bananen, alleen gelden voor de variëteiten Musa (AAA) spp, en de subgroepen Cavendish en Gros Michel. Alle bananenvariëteiten die niet tot deze subgroepen behoren, zijn derhalve uitgesloten van de toepassing van communautaire kwaliteitsnormen voor bananen. Dit is het geval met babybananen.
Wat de zogenaamde „rode” bananen betreft, zij behoren tot de groep AAA, sub-groep „Figue Rose” en vallen dus niet onder de regelgeving in kwestie.
Bij de vaststelling van de regelgeving over de kwaliteitsnormen zijn deze producten uitgesloten van het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 2257/94 wegens hun zeer specifieke kenmerken, alsmede wegens de verkoopwijze ervan die verschilt van die van de bananen die tot de subgroepen Cavendish en Gros Michel behoren.
Voor de producten van genoemde variëteiten moeten evenwel steeds de horizontale normen voor de afzet van levensmiddelen (fytosanitaire normen, volksgezondheidsnormen, etikettering enz), in acht worden genomen.
(1) PB L 245 van 20.9.1994, blz. 6.
(2) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 255.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/571 |
(2004/C 88 E/0582)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1123/04
van Roy Perry (PPE-DE) aan de Commissie
(5 april 2004)
Betreft: Gang naar de burgerrechter
De huidige statuten van de Fédération Internationale de Football Association (FIFA) en de bijbehorende uitvoeringsbepalingen (Regulations Governing the Application of the Statutes; standing Orders of the Congress) verbieden dat professionele voetbalclubs in de EU langs de normale weg juridische stappen ondernemen. Artikel 61 van de FIFA-statuten luidt:
|
|
Het inschakelen van normale rechtbanken is verboden, tenzij de FIFA-reglementen hierin uitdrukkelijk voorzien. |
|
|
Ter waarborging van het voorgaande nemen de bonden in hun statuten een bepaling op dat het voor hun clubs en leden verboden is een geschil aan een gewone rechtbank voor te leggen, en dat zij bij eventuele onenigheid de zaak moeten onderwerpen aan de rechtspraak van de bond, de terzake bevoegde confederatie of de FIFA. |
Wanneer clubs een geschil hebben met de FIFA of andere bij de voetbalsport betrokken belanghebbenden, moeten zij volgens de statuten hun klacht voorleggen aan een speciaal Arbitragehof voor de Sport in Zwitserland. Artikel 59 van de FIFA-statuten luidt:
|
|
De FIFA schept de mogelijkheid zich te wenden tot het Arbitragehof voor de Sport, een onafhankelijke arbitragerechtbank met zetel in Lausanne (Zwitserland), voor het bijleggen van geschillen tussen de FIFA, de confederaties, leden, liga's, clubs, spelers, officials en erkende wedstrijd- en spelersmakelaars. |
Kan de Commissie uiteenzetten of de artikelen 59 en 61 van de FIFA-statuten verenigbaar zijn met de beginselen van de interne markt van de EU en met het Gemeenschapsrecht (bijv. artikel 81 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap)?
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie wijst er in de eerste plaats op dat de onderstaande overwegingen met betrekking tot de artikelen 59 en 61 van de statuten van de Fédération internationale de Football Association (FIFA) ook van toepassing zijn op de statuten van de Union des Associations européennes de Football (UEFA), die soortgelijke bepalingen bevatten en die het lidmaatschap beperken tot de nationale voetbalbonden in Europa (artikel 5).
De Commissie benadrukt dat regels die het inschakelen van nationale rechters verbieden en die verplichte arbitrage opleggen, zoals de artikelen 59 en 61 van de statuten van de FIFA, een belemmering van het beginsel van vrije toegang tot het arbeidsproces kunnen vormen. Dit beginsel vormt een fundamenteel recht dat het EG-Verdrag aan iedere werknemer van de Gemeenschap individueel toekent, zoals het Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft verklaard (1). Voor een doetreffende bescherming van dit fundamentele recht is het essentieel dat de mogelijkheid bestaat om bij de rechter in beroep te gaan tegen een beslissing van een nationale autoriteit waarbij een particulier de vrije toegang tot het arbeidsproces wordt geweigerd. Dit vereiste is een algemeen beginsel van het Gemeenschapsrecht dat voortvloeit uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten en dat is verankerd in de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (zie ook artikel 47 van het Handvest van de grondrechten).
Dergelijke regels kunnen in strijd zijn met de artikelen 81 en 82 van het EG-Verdrag, voorzover de uitsluiting van toegang tot de rechter concurrentiebeperkende overeenkomsten of gedragingen in de hand werkt.
Wanneer zij de aan haar voorgelegde gevallen onderzoekt, ziet de Commissie derhalve toe op de eerbiediging van deze beginselen van vrije toegang tot het arbeidsproces en vrije concurrentie. Naar aanleiding van de tussenkomst van de Commissie staat artikel 42 van het FIFA-reglement nu bijvoorbeeld toe van de artikelen 59 en 61 van de statuten van de FIFA met betrekking tot het statuut en transfers van spelers af te wijken, zodat de nationale rechter kan worden ingeschakeld.
De Commissie wijst het geachte parlementslid tevens op het feit dat tegen de beslissingen van het Arbitragehof voor de Sport, dat in Zwitserland zetelt, onder bepaalde voorwaarden en op een beperkt aantal gronden beroep kan worden ingesteld bij de normale gerechtelijke instanties van dat land.
(1) C-222/86, arrest-Heylens van 15 oktober 1987, Jurispr. 1987 blz. 4097.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/572 |
(2004/C 88 E/0583)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1124/04
van Professor Sir Neil MacCormick (Verts/ALE) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: Belastingvoordelen voor stoeterijen
Kan de Commissie haar standpunt mededelen over de belastingvrijstellingen die in Ierland worden verleend aan stoeterijen met betrekking tot de kosten die in verband met het gebruik van de naam verschuldigd zijn als een hengst een merrie dekt.
Vormt deze gang van zaken niet een onwettige vorm van overheidssteun aan stoeterijen in Ierland?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie heeft een formele klacht ontvangen over de door Ierland toegepaste praktijk om belastingvrijstelling te verlenen aan stoeterijen. Aangezien de Commissie bezorgd is over de verenigbaarheid met de richtsnoeren inzake staatssteun, wordt deze praktijk in het kader van artikel 88 van het EG-Verdrag (Staatssteun nr. NN 32/04) onderzocht.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/572 |
(2004/C 88 E/0584)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1126/04
van Véronique De Keyser (PSE) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: Gebruik Structuurfondsen
Naar verluidt zou een deel van het geld uit de Structuurfondsen, met name geld bestemd voor Letland, naar de restauratie gaan van kastelen en andere gebouwen die weer in het bezit komen van de oude adel die nog in ballingschap leeft of hieruit pas naar het land is teruggekeerd. Het geld zou met name worden gebruikt voor de restauratie van particuliere eigendommen die voor weinig geld zijn teruggekocht en niet voor de restauratie van openbaar patrimonium. In sommige gevallen gaat de terugname door de oude eigenaar zelfs gepaard met het uitzetten van scholen uit de gebouwen in kwestie. Dergelijke aanwending van de Structuurfondsen wekt verbazing. Is deze informatie, bekendgemaakt in de France 3-uitzending „Des racines et des ailes” („Vleugels en wortels”) van 30 maart 2004, juist?
Bestaat er nauwkeurige controle op het gebruik van de Structuurfondsen in de Baltische staten en kunnen de resultaten hiervan openbaar worden gemaakt, om de informatie hierboven te bevestigen of te ontkrachten?
Antwoord van de heer Fischler Namens de Commissie
(30 april 2004)
Bijstand van de Europese Unie aan Letland uit hoofde van de Structuurfondsen zal geschieden krachtens het enkelvoudig programmeringsdocument voor doelstelling 1, waarover met de Letse autoriteiten is onderhandeld, welk document vóór de toetreding op 1 mei nog wel formeel moet worden goedgekeurd.
Uit hoofde van dit programma zijn er dientengevolge nog geen betalingen verricht. De Letse autoriteiten zitten thans nog midden in de voorbereidingen die noodzakelijk zijn om de criteria op te stellen waarmee de projecten kunnen worden geselecteerd die uit dit programma op heldere en concurrerende wijze steun kunnen verkrijgen.
Het EPD kan worden geraadpleegd op (http://www.esfondi.lv).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/573 |
(2004/C 88 E/0585)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1141/04
van Göran Färm (PSE) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: Europese octrooirechten in de VS
Enkele jaren geleden heb ik gewezen op de stelselmatige bescherming in het kader van het Amerikaanse rechtsstelsel, die helaas voortduurt. Een aantal processen dat Europese onderzoekers en uitvinders bij Amerikaanse rechtbanken hebben gevoerd ter verdediging van hun octrooirechten is door de rechtbanken min of meer openlijk belemmerd. Dit kan een schending zijn van de TRIPS-overeenkomst die de VS hebben getekend en die buitenlandse octrooihouders het recht geeft processen aan te spannen in de verdragsluitende landen. Het proces dat de Zweedse uitvinder Dr. Håkan Lans thans, na een aantal jaren, nog steeds moet voeren in Amerikaanse rechtbanken is een duidelijk voorbeeld van het Amerikaanse protectionisme waarnaar hierboven wordt verwezen. Is de Commissie bereid de zaak Lans met de regering van de VS op te nemen om een duidelijk voor beeld te stellen en duidelijk te laten merken dat de EU dit soort discriminatie niet aanvaardt?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(27 april 2004)
De Commissie oefent zorgvuldig toezicht uit op de verschillende handelspartners, teneinde te waarborgen dat zij de bepalingen van de TRIPS-overeenkomst naleven.
De Commissie heeft een grondig onderzoek ingesteld naar de ongelukkige omstandigheden waarin de Zweedse uitvinder dr. Håkan Lans verkeert, en de verschillende vraagstukken in die zaak samen met dr. Lans geëvalueerd. Helaas luidt de conclusie dat er op het gebied van de handelspolitiek momenteel geen geschikte juridische wegen zijn die kunnen worden gevolgd.
Natuurlijk zal de Commissie alle andere gevallen die onder haar aandacht worden gebracht en die vragen oproepen over de wijze waarop het rechtsstelsel van de Verenigde Staten de octrooirechten van Europese onderzoekers en uitvinders krachtens de TRIPS-overeenkomst behandelt, grondig onderzoeken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/573 |
(2004/C 88 E/0586)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1145/04
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(15 april 2004)
Betreft: Oprichting van een communautair inspectieteam
De Europese Commissie blijft bij haar plannen om een communautair inspectieteam op te richten dat in 2006 operationeel moet zijn. Eind 2003 liep de regeling inzake communautaire financiële steun aan de lidstaten voor de implementatie van controleorganen ten einde.
|
1. |
Hoe is de Commissie van plan steun te verlenen aan Portugal, dat de grootste EEZ bezit en een groot aantal vaartuigen die gecontroleerd moeten worden, maar tegelijk niet over voldoende uitrusting beschikt en bovendien het hoofd moet bieden aan een ernstige economische recessie en zware financiële problemen? |
|
2. |
Welke maatregelen plant de Commissie om Portugal te steunen bij de aanschaf en modernisering van controlevliegtuigen en -boten, zoals zij ook doet ten bate van andere landen, zoals Ierland? |
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie heeft in november 2003 de verlenging voorgesteld, tot 31 december 2005, van het plan voor een financiële bijdrage van de Gemeenschap aan de visserijcontroleprogramma's van de lidstaten (1). Deze verlenging is juist overwogen om rekening te houden met de oprichting van een communautair bureau voor visserijcontrole, dat in 2006 operationeel zou moeten zijn.
In artikel 4, lid 1, onder h), van het voorstel voor een beschikking van de Raad is de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor de aankoop en modernisering van schepen en vliegtuigen met het oog op inspectie en toezicht op de visserij-activiteiten door de bevoegde autoriteiten vastgesteld. De Raad zou deze tekst binnenkort moeten aannemen.
De aanvragen voor de financiering van programma's voor het jaar 2004 moeten vóór 1 juni 2004 worden ingediend.
(1) COM(2003) 706 def. van 20.11.2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/574 |
(2004/C 88 E/0587)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1154/04
van Brice Hortefeux (PPE-DE) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: Terreurbestrijding
Voor de zoveelste keer bevestigen de aanslagen van Madrid de regel dat Europa crisissen nodig heeft, of zelfs drama's, om vooruit te geraken. Na maandenlang nutteloos getreuzel erkent men nu eindelijk dat Europa een grondwet nodig heeft om de Europese Unie van mogelijkheden te voorzien om zich te verdedigen tegen degenen die een bedreiging voor haar vormen, en het gemeenschappelijk gebied van vrijheid en veiligheid tot stand te brengen waar de burgers al zo lang naar vragen.
Maar de prioriteit zou niet moeten zijn, zoals van bepaalde zijde voorgesteld, om de bestaande instellingen op te blazen noch om de bureaucratie uit te breiden, maar om te weten te komen of de regeringen vastbesloten zijn om gebruik te maken van het Europees niveau om de politionele en gerechtelijke samenwerking uit te breiden. Europol en Eurojust zijn al in werking, maar er wordt weinig en niet goed gebruik van gemaakt. Erger nog is dat het verslag van het secretariaat van de Raad over het antiterreuractieplan bewijst dat de voornaamste hinderpaal voor doelmatige samenwerking voornamelijk politiek van aard is: het wantrouwen. Maar het kan niet zijn dat er voor terroristen geen grenzen bestaan, terwijl die binnen de Europese Unie wel bestaan voor politiediensten, het gerecht en de inlichtingsdiensten.
Wat is in deze samenhang het standpunt van de Europese Commissie tegenover de cultuur van geheimhouding?
Worden er maatregelen getroffen om de tekortkomingen te verhelpen waar het verslag van het secretariaat van de Raad op wijst, en zo ja, welke?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie is het met het geachte parlementslid eens dat het probleem van de gegevensuitwisseling tussen vele inlichtingen- en rechtshandhavingsdiensten van de lidstaten een van de belangrijkste belemmeringen is voor de internationale politiesamenwerking. Dat heeft een rechtstreekse negatieve impact op de inspanningen om het terrorisme te bestrijden.
Het verzamelen en verwerken van informatie is van essentieel belang voor het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terrorisme. Het succes van preventie en onderzoek en van de vervolging van strafbare feiten is afhankelijk van de kwaliteit van de verzamelde informatie, de analyse ervan en vooral de bescherming ervan tegen lekken naar onbevoegde personen of organisaties. Dit verklaart de natuurlijke terughoudendheid om informatie prijs te geven.
Besluit 2003/48/JBZ van de Raad van 19 december 2002 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking ter bestrijding van het terrorisme, overeenkomstig artikel 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB is een belangrijke stap voorwaarts voor de verbetering van de uitwisseling van informatie.
Dergelijke moeilijkheden doen zich niet alleen voor bij internationale contacten, maar ook tussen verschillende politiediensten in een land (en soms zelfs binnen een dienst). De mate waarin informatie wordt uitgewisseld neemt geleidelijk toe als gevolg van de voortdurende en steeds intensievere samenwerking in het kader van de door de Unie opgerichte formele organen, zoals de werkgroepen van de Raad, Europol of de taskforce van hoofden van politie. Dit natuurlijke proces verloopt echter zeer langzaam. Er moeten dus manieren worden gevonden om sneller vooruitgang te boeken.
Effectieve manieren om een klimaat van vertrouwen en samenwerking te scheppen, zijn de opleidingsactiviteiten van de Europese Politieacademie (CEPOL) en het bewustmakingsprogramma van Europol, alsmede het betrekken van de inlichtingen- en/of veiligheidsdiensten bij de werkzaamheden van Europol.
De Commissie heeft kort geleden concrete maatregelen voorgesteld die kunnen bijdragen aan de verbetering van de hiervoor omschreven situatie, onder meer een mededeling (1) over bepaalde maatregelen die moeten worden genomen op het gebied van de bestrijding van terrorisme en andere ernstige vormen van criminaliteit, met name om de uitwisseling van informatie te verbeteren. De Commissie heeft ook een voorstel ingediend voor een beschikking van de Raad betreffende de uitwisseling van informatie en de samenwerking op het gebied van strafbare feiten van terroristische aard (1).
(1) COM(2004)221 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/575 |
(2004/C 88 E/0588)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1155/04
van Marco Formentini (ELDR) aan de Commissie
(7 april 2004)
Betreft: Kan de Commissie zich inlaten met het geschil tussen de onderneming Investitati BV en de Tsjechische Republiek over de bankroete Union Banka?
Een van de noodzakelijke voorwaarden voor toetreding van de kandidaat-landen tot de Europese Unie was aanpassing van hun nationale wetgeving en administratieve procedures alsook van het optreden van het openbaar bestuur aan de binnen de Unie vigerende rechtsbeginselen; daarom vraag ik de Commissie aandacht te schenken aan een hele reeks gevallen van misbruik en nalatigheid waar sinds december 2002 het slachtoffer van zijn geworden: de Nederlandse onderneming Investitati BV en haar meerderheidsaandeelhouder professor Paolo Catalfamo, Italiaans staatsburger, doordat zij geld hadden geïnvesteerd in de Union Banka die indertijd de op drie na grootste bank van de Tsjechische Republiek was.
Deze investering, alsook een begeleidende breed opgezet herstructureringsplan, was door de investeerders overeengekomen met de Tsjechische Centrale Bank en het Ministerie van Financiën. Nadat de investeerders gedurende anderhalf jaar veel geld hadden gestoken in deze bank, hebben de Tsjechische autoriteiten onverwacht (en zonder verdere plichtplegingen) de bank failliet verklaard waardoor de investeerders ernstige schade hebben geleden. Deze gebeurtenissen hebben opzien gebaard zowel in de Tsjechische Republiek als in de internationale financiële pers.
De vraag aan de Commissie luidt of zij direct bij de Tsjechische autoriteiten informatie kan inwinnen — bij een arbitrageprocedure in verband met schadeloosstelling voor de geleden schade in de grootte van ongeveer 300 miljoen euro heeft de Tsjechische regering zich bereid verklaard het geschil langs vriendschappelijke weg op te lossen — om vast te stellen wat hun werkelijke bedoelingen zijn en aan te dringen op een correcte en billijke regeling van het geschil.
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(30 april 2004)
De banksector in de Tsjechische Republiek heeft een moeizaam herstructureringsproces doorgemaakt. Om de gemeenschappelijke markt te beschermen moet de Commissie toezien op de handhaving van gelijke concurrentievoorwaarden door toekenning van staatssteun die in strijd is met de concurrentievoorschriften van de EU, te voorkomen.
Faillissementsprocedures zijn een zaak voor justitie in de Tsjechische Republiek en de Commissie kan geen commentaar geven over lopende procedures. Een besluit in dezen moet worden vastgesteld in het kader van het Tsjechische rechtsstelsel.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/576 |
(2004/C 88 E/0589)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1201/04
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(14 april 2004)
Betreft: Gemeente Rome — niet-nakoming beschikking 2000/628/EG van de Commissie met betrekking tot de staatssteun aan ACCL
Na het antwoord van 30 maart 2004 op schriftelijke vraag E-0470/04 (1) is aan het licht gekomen dat uit het dossier in bezit van de Commissie niet blijkt dat de termijnen en de procedures voor de terugvordering van de betreffende bedragen haar binnen twee maanden na de kennisgeving van de beschikking zijn medegedeeld, zoals voorgeschreven door de geldende regelgeving. Daarnaast is niet duidelijk waarom de Commissie zelf bij het onderzoek naar de vermoedens van onregelmatigheden bij de staatssteun aan ACCL, de Azienda Comunale Centrale del Latte (gemeentelijke Zuivelcentrale), die later gefundeerd bleken, geen rekening heeft gehouden met het eerdere advies van de adviseur van JP Morgan, belast met het opstellen van een businessplan. JP Morgan heeft namelijk al in 1996, op pagina 36-37 en 198-199 van het verslag dat bij besluit 145 van 28 juli 1997 van de gemeenteraad van Rome was gevoegd, gewezen op onverenigbaarheid met de communautaire regelgeving op het vlak van staatssteun uit openbare middelen, in strijd met de artikelen 87, 88 en 89 EG-Verdrag.
De gemeente Rome was er dus al in 1996 van op de hoogte dat de privatiseringsprocedure van ACCL onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt en dat het deze bedragen na de privatisering nooit zou kunnen terugbetalen.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
1. |
Waarom heeft zij dit met redenen omkleed advies van de adviseur van JP Morgan niet meegenomen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de waardering van het bedrijf, dat de gemeente Rome zou overdoen? |
|
2. |
Waarom heeft de Commissie, als ze op de hoogte was van het advies van JP Morgan, geen sancties opgelegd tegen de privatiseringsprocedure, waarbij bewust de communautaire regelgeving werd geschonden met de bedoeling, met het oog op de overdracht van het bedrijfsonderdeel, voor te wenden dat de rekeningen van ACCL in evenwicht waren? |
|
3. |
Waarom zijn de in de artikelen 14 en 15 van verordening (EG) nr. 659/1999 (2) voorgeschreven termijnen voor de terugvordering van de bedragen niet in acht genomen? |
|
4. |
Waarom heeft de Commissie zich tot nog toe niet in de zin van artikel 88, lid 2 van het EG-Verdrag tot het Hof van Justitie gewend, nu er vier jaar verlopen zijn sinds de publicatie van de beschikking in het Publicatieblad? |
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(30 april 2004)
Op 11 april 2000 heeft de Commissie een beschikking vastgesteld aangaande de steun die door Italië wordt verleend aan ACCL (Azienda Comunale Centrale del Latte di Rome) (3).
|
1.en |
2. Voor de vaststelling van de bovengenoemde beschikking heeft de Commissie alle door de Italiaanse overheid in de loop van de procedure aangedragen documenten en verklaringen onderzocht en geëvalueerd. |
|
3.en4. |
Op grond van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen van de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (4), en naar aanleiding van de kennisgeving aan de lidstaat van de beschikking van de Commissie inzake de terugvordering van onrechtmatig verleende steun, is de lidstaat verantwoordelijk voor de onmiddellijke terugvordering van de steun volgens de procedures waarin door het nationale recht wordt voorzien. Middels haar brief van 26 januari 2004 heeft de Commissie de Italiaanse overheid gevraagd vóór 25 februari 2004 aan te geven welke maatregelen zijn genomen om te voldoen aan de bovengenoemde beschikking. De diensten van de Commissie onderzoeken momenteel het antwoord dat door de gemeente Rome is verstrekt. Overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad kan de Commissie deze zaak, na grondig onderzoek op basis van de beschikbare informatie, aanhangig maken bij het Hofvan Justitie indien blijkt dat Italië de vastgestelde beschikking niet naleeft, zoals in artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag is bepaald. |
(1) PB C 84 E van 3.4.2004, blz. 592.
(2) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.
(3) Beschikking van de Commissie van 11 april 2000 betreffende de steun die door Italië wordt verleend aan de Centrale del Latte di Roma, PB L 265 van 19.10.2000.
SCHRIFTELIJKE VRAGEN MET ANTWOORD (3de deel)
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/578 |
(2004/C 88 E/0590)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3077/01
van Luis Berenguer Fuster (PSE) aan de Commissie
(9 november 2001)
Betreft: Inbreukprocedure wegens toekenning van overheidssteun aan het themapark „Terra Mítica” (Alicante)
Het overheidsbedrijf Sociedad Parque Temático de Alicante (SPTA), dat volledig in handen is van de autonome regering van Valencia, heeft een overeenkomst gesloten met Paramount Parks en Paramount Pictures, twee dochtermaatschappijen van de Noord-Amerikaanse multinational Viacom. Op grond van de met het eerstgenoemde bedrijf gesloten overeenkomst verbindt Paramount Parks zich ertoe om gedurende vier jaar het beheer van het themapark „Terra Mítica” te verzorgen. Paramount Pictures heeft tezelfdertijd een contract ondertekend waarin het zich ertoe verplicht mee te werken aan bepaalde aspecten van de Ciudad de la Luz te Alicante. Overeenkomstig dit tweede contract heeft de autonome regering van Valencia de vennootschap Sociedad Parque Temático de Alicante aval verleend ten bedrage van 6 000 000 USD.
Ofschoon men een rookgordijn heeft opgetrokken om te verdoezelen dat deze overheidsgarantie voor Terra Mítica bestemd is, beschikken wij over bepaalde gegevens die het tegengestelde doen vermoeden:
|
— |
Beide contracten werden op dezelfde dag ondertekend, namelijk op 2 oktober 2001, zoals blijkt uit de foto waarop de verantwoordelijken van Terra Mítica, SPTA, Paramount Parks en Paramount Pictures elkaar met de gesloten overeenkomsten feliciteren. |
|
— |
Ofschoon men verklaart dat het contract tussen SPTA en Paramount Pictures op 5 september werd ondertekend, werd het pas op 2 oktober bekendgemaakt. De avalverlening door de autonome regering dateert van 5 september, maar vreemd genoeg is zij pas op 5 oktober verschenen in het Publicatieblad van de autonome regering van Valencia. |
|
— |
Niemand begrijpt waarin de verplichtingen van Paramount Pictures ten aanzien van Ciudad de la Luz precies bestaan. Aangezien dit project nog in de kinderschoenen staat, lijkt het allesbehalve aannemelijk dat er op dit moment behoefte bestaat aan het geavaleerde bedrag, temeer daar de avalverlening reeds op 31-12-02 verstrijkt. |
|
— |
Paramount Parks heeft als aanvulling op de avalverlening van de autonome regering een bankgarantie ter waarde van 13 miljoen dollar aangevraagd voor het beheer van Terra Mítica (Valenciaanse pers van 18-10-01). Deze garantie wordt in verband gebracht met de avalverlening door de autonome regering. |
Gelet op al deze antecedenten leg ik de Commissie de volgende vragen voor:
|
1. |
Denkt de Commissie niet dat de avalverlening aan SPTA tot doel heeft controle door de Commissie te vermijden in het kader van de inbreukprocedure wegens toekenning van overheidssteun aan Terra Mítica, maar in werkelijkheid het genoemde themapark ten goede komt? |
|
2. |
Is de Commissie van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn om te onderzoeken of de avalverlening door de autonome regering van Valencia aan SPTA een instrumenteel karakter heeft en in wezen bedoeld is om Terra Mítica te steunen? |
|
3. |
Acht de Commissie de genoemde gegevens relevant voor de wegens toekenning van overheidssteun aan Terra Mítica ingestelde inbreukprocedure? |
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(10 januari 2002)
De Commissie dankt het geachte parlementslid voor de verstrekte informatie. Zij zal zich tot de Spaanse autoriteiten richten om meer gegevens te verkrijgen en deze feiten te beoordelen in het licht van de regels met betrekking tot steunmaatregelen, met name in het kader van het dossier „Terra Mitica” (1). Zij zal het resultaat van haar onderzoek mededelen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/579 |
(2004/C 88 E/0591)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2951/02
van Rosa Miguélez Ramos (PSE) aan de Commissie
(14 oktober 2002)
Betreft: Verdeling van de Structuurfondsen
Kan de Commissie opsplitsen per gemeente in Galicië (Spanje) hoeveel geld uit de Structuurfondsen is geïnvesteerd in de programmeringsperiode 1994-1999?
Aanvullend antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(29 april 2004)
De Commissie heeft van de bevoegde Spaanse autoriteiten vernomen dat de voor de regio Galicië gevraagde gegevens alleen beschikbaar zijn op het geografische niveau van de gemeenten, zij het onvolledig. Deze zelfde autoriteiten hebben de Commissie meegedeeld dat de Structuurfondsen in de programmeringsperiode 1994-1999 voor de regio Galicië op provincieniveau als volgt zijn verdeeld:
|
(in peseta's) |
|||
|
Provincie |
EFRO |
EOGFL |
FIOV |
|
Lugo |
159 842 770 248 |
1 700 299 862 |
6 836 285 588 |
|
La Coruña |
198 227 392 318 |
885 147 058 |
23 936 009 296 |
|
Orense |
41 344 303 188 |
1 416 242 020 |
— |
|
Pontevedra |
106 497 819 506 |
526 301 303 |
45 759 031 802 |
|
Totaal |
505 912 285 260 |
4 527 990 243 |
76 531 326 686 |
Wat de bijdrage van het Europees Sociaal Fonds (ESF) betreft hebben de Spaanse autoriteiten meegedeeld dat de gevraagde verdeling, vanwege de aard van de door dit Fonds gefinancierde maatregelen, alsook het grote aantal van de (regionale en multiregionale) operationele programma's en beheersorganen in Galicië, bijzonder moeilijk is. De middelen uit het Europees Sociaal Fonds voor de autonome regio Galicië in de periode 1994-1999 bedragen EUR 576,13 miljoen. Dit bedrag omvat de bijdragen uit het regionale programma en uit de nationale operationele programma's.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/579 |
(2004/C 88 E/0592)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3207/02
van Kathleen Van Brempt (PSE) aan de Commissie
(12 november 2002)
Betreft: Nicotinesnoepjes
Verschillende tabaksfabrikanten, waaronder British American Tobacco, hebben aangekondigd binnenkort met een pepermuntje dat evenveel nicotine als een sigaret bevat, op de markt te komen. De fabrikanten ontwikkelden de „cigalett” om rokers die geconfronteerd worden met een groeiend aantal rookverboden toch altijd en overal van nicotine te voorzien.
Wat is de reactie van de Commissie op dit nieuwe product?
Zal de Commissie de cigalett verbieden?
Zo neen, zal de Commissie de bevolking waarschuwen voor de verslavende gevolgen van dit snoepgoed?
Hoe zit het met de etikettering van de cigalett?
Aanvullend antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(10 maart 2003)
De Commissie is zeer bezorgd over alle soorten nieuwe producten die consumenten tot nicotineverslaving kunnen brengen. Voor wat het product betreft, namelijk de „cigalett”, waarnaar het geachte parlementslid verwijst, lijkt de beschikbare informatie erop te wijzen dat dit product tabak bevat, hoewel de Commissie niet beschikt over definitieve bewijzen over de juiste samenstelling van dit product. Dat zou betekenen dat het onder de categorie van tabaksproducten valt, als omschreven in Richtlijn 2001/37/EG van het Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten (1) (hierna „de richtlijn” te noemen) en dat het niet onder de levensmiddelenwetgeving valt.
Overeenkomstig de richtlijn wordt onder „tabaksproducten” verstaan „producten die voor roken, snuiven, zuigen of pruimen bestemd zijn en die, al is het slechts ten dele, bestaan uit tabak, ook indien genetisch gemodificeerd”. De richtlijn omschrijft „tabak voor oraal gebruik” als „alle producten voor oraal gebruik met uitzondering van producten die bestemd zijn om te worden gerookt of gepruimd, die geheel of gedeeltelijk uit tabak bestaan, in de vorm van poeder, fijne deeltjes of een combinatie van deze vormen — met name die welke in portiezakjes of poreuze buikjes worden aangeboden — of in vormen die eruitzien als levensmiddelen.” Het product is kwestie lijkt onder deze categorie te vallen, omdat het volgens de informatie waarover de Commissie beschikt bestaat uit samengeperste tabak in poedervorm, bestemd om in de mond opgelost te worden. De richtlijn bepaalt dat de lidstaten het in de handel brengen van tabak voor oraal gebruik verbieden; aan Zweden is echter een ontheffing van dit verbod verleend.
Als bevestigd wordt dat het product tabak bevat en als het bedoeld is om in de mond te worden opgelost in plaats van te worden gekauwd, wordt het in de handel brengen daarvan verboden in alle lidstaten, behalve Zweden.
Wat de etikettering betreft, moet overeenkomstig artikel 5 van de richtlijn op tabaksproducten voor oraal gebruik — wanneer zij op de markt mogen worden gebracht — de volgende waarschuwing staan: „Dit tabaksproduct kan uw gezondheid schaden en is verslavend”.
Het geachte parlementslid mag er zeker van zijn dat de Commissie de ontwikkelingen op dit gebied met grote aandacht zal volgen en binnen de grenzen van haar bevoegdheden de acties zal ondernemen die uit het oogpunt van de volksgezondheid vereist zijn.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/580 |
(2004/C 88 E/0593)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3445/02
van Wolfgang Ilgenfritz (NI) aan de Commissie
(27 november 2002)
Betreft: Leasing van personenauto's in het buitenland, overbrengen van de „plaats waar een dienst wordt verricht” naar het binnenland, wijziging van de omzetbelastingsrichtlijnen
Op 10 oktober 2002 werd de conclusie van advocaat-generaal Geelhoed in de zaak Eigenverbrauchsbesteuerung bij het leasen van personenauto's in het buitenland (zaak C-155/01) openbaar gemaakt (Eigenverbrauchsbesteuerung — nationale wettelijke regeling op grond waarvan het eigen gebruik in de betrokken lidstaat van in een andere lidstaat geleasde voertuigen aan BTW is onderworpen wanneer de onderneming in de lidstaat van de lessor recht heeft op aftrek van de vooruitbetaalde belasting). In zijn conclusie sluit de advocaat-generaal zich aan bij het standpunt van klager, die van oordeel is dat de Eigenverbrauchsbesteuerung (paragraaf 1 (1) 2. van het Oostenrijkse Umsatzsteuergesetz (UStG)) in het geval van leasing in het buitenland in strijd is met de bepalingen van de zesde richtlijn van de Raad inzake omzetbelasting. Hij beroept zich daarbij op artikel 9, lid 1 van de richtlijn, dat bepaalt dat „de plaats waar een dienst wordt verricht” bij de verhuur van motorvoertuigen in de vorm van leasing de plaats is waar de dienstverrichter zijn zetel heeft.
Volgens informatie uit het Oostenrijkse Ministerie van Financiën zal de zesde richtlijn inzake omzetbelasting als volgt worden gewijzigd: de plaats waar een dienst wordt verricht, wordt van de zetel van de leasingonderneming verplaatst naar de zetel van de onderneming die de personenauto gebruikt.
Is de Commissie er voorstander van dat de zesde richtlijn inzake omzetbelasting zodanig wordt gewijzigd dat de plaats waar een dienst wordt verricht van de zetel van de leasingonderneming wordt verplaatst naar de zetel van de onderneming die de personenauto gebruikt?
Zo ja, wanneer zal deze wijziging dan plaatsvinden?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(7 januari 2003)
In juni 1998 heeft de Commissie een voorstel voor een richtlijn (1) ingediend dat ertoe strekte de teruggaafprocedure van de achtste BTW-richtlijn (2) te vervangen door een systeem van grensoverschrijdende aftrek van de in een andere lidstaat voldane BTW. Dit voorstel voorzag erin dat belastingplichtigen de BTW rechtstreeks in mindering konden brengen op de BTW-aangifte die zij indienen in de lidstaat waar zij gevestigd zijn volgens de daar geldende regels inzake het recht op aftrek. De Commissie is van oordeel dat de problemen die Oostenrijk heeft in verband met de leasing van motorvoertuigen, zouden worden opgelost indien dit voorstel werd goedgekeurd.
Ondanks de brede steun van het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft de Raad tot dusver zijn unanieme goedkeuring aan dit voorstel onthouden.
Op de Ecofin-vergadering van 4 juni 2002 heeft de Raad kennis genomen van het voornemen van het voorzitterschap om de grensoverschrijdende aftrek van BTW en de harmonisatie van het recht op aftrek van de BTW bij personenvoertuigen opnieuw op de agenda te plaatsen, alsmede van het voornemen van de Commissie om voorrang te geven aan de herziening van artikel 9 van de zesde BTW-richtlijn (3), dat betrekking heeft op de plaats van levering van diensten.
Uit een eerste raadpleging van de lidstaten is de Commissie gebleken dat zij haar werkzaamheden in de nabije toekomst moet richten op de modernisering van de regels inzake de plaats van levering van business-to-business diensten, inclusief grensoverschrijdende leasing van vervoermiddelen. Eén van de opties waarover met de lidstaten zal worden overlegd, is een wijziging van de zesde BTW-richtlijn zoals het geachte parlementslid voorstelt.
De Commissie hoopt in de loop van 2003 voorstellen te kunnen voorleggen voor een wijziging van artikel 9 van de zesde BTW-richtlijn.
(2) Achtste Richtlijn 79/1072/EEG van de Raad van 6 december 1979 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Regeling voor de teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen (PB L 331 van 27.12.1979).
(3) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145 van 13.6.1977).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/581 |
(2004/C 88 E/0594)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3512/02
van Herman Vermeer (ELDR) aan de Commissie
(10 december 2002)
Betreft: Wederzijdse-erkenningsproblematiek in de Antwerpse haven m.b.t. een door een Schengen-staat verstrekt visum
Vanaf 1 oktober 2002 is de Vision-lijst in de Antwerpse haven uitgebreid. De nationaliteiten die op deze Vision-lijst zijn opgenomen moeten aangemeld worden via een zogenaamd STVZ-formulier. De nationaliteiten die op deze Vision-lijst voorkomen kunnen niet verder reizen binnen een van de Schengen-lidstaten. Zij kunnen wel vanuit België vertrekken naar hun land van herkomst of uitgezet worden naar niet-Schengen-landen als Engeland of Zwitserland. Andersom geldt de regel ook. Scheepsbemanningen die een nationaliteit bezitten die op deze Vision-lijst voorkomt en die België in willen komen via Amsterdam (Schiphol), Frankfurt of Parijs worden niet bij de Belgische grens doorgelaten om aan te monsteren op hun schip dat in een Belgische haven ligt. Zij worden dus gedwongen rechtstreeks België aan te doen of via niet-Schengen-landen zoals Zwitserland en Engeland, België binnen te reizen. De consequentie van deze registratieverplichting is dat de Belgische grenspolitie visa, afgegeven door een Schengen-partner, niet langer erkent. Dit staat volgens mij haaks op de afspraken die binnen en door de Schengen-landen zijn gemaakt.
Zou de Commissie als toezichthouder op het Schengen-Verdrag deze zaak nader willen uitzoeken en verklaren? In hoeverre is het opstellen van een Vision-lijst door de Belgische autoriteiten toegestaan binnen het Schengen-Verdrag? Wat zijn de criteria voor de Belgische overheid om landen op deze lijst te plaatsen? Waarom mogen nationaliteiten die op deze lijst voorkomen wel direct België binnen reizen of via niet-Schengen-staten België binnenkomen? Is deze uitgebreide Vision-lijst wellicht een verkapte steunmaatregel aan de nationale luchthaven van Brussel? Kan de Commissie hierin opheldering verschaffen?
Aanvullend antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(2 juli 2004)
Na analyse van de gegevens die door de bevoegde autoriteiten werden medegedeeld, kan de Commissie het geachte parlementslid de volgende aanvullende inlichtingen verstrekken:
|
— |
In de eerste plaats kan de Commissie de in haar eerste antwoord vermelde gegevens bevestigen, namelijk dat de „Vision-lijst” waarnaar het geachte parlementslid verwijst, bedoeld is voor de uitwisseling van informatie tussen staten die het Schengenacquis toepassen betreffende derde landen waarvoor voorafgaande raadpleging overeenkomstig bijlage 5B bij de Gemeenschappelijke Visuminstructies verplicht is. |
|
— |
Aan visumplichtige zeelieden die behoren tot de categorie vreemdelingen aan wie geen visum kan worden afgegeven zonder voorafgaande raadpleging kan bij wijze van uitzondering aan de grens een visum worden verleend waarvan de geldigheid beperkt is tot het grondgebied van de staat van afgifte. Deze mogelijkheid, die voortvloeide uit de twee besluiten van het Uitvoerend Comité waarnaar in het eerste antwoord werd verwezen, wordt gehandhaafd in het kader van de huidige regeling die is neergelegd in Verordening (EG) nr. 415/2003 van de Raad van 27 februari 2003 betreffende de afgifte van visa aan de grens, inclusief aan transiterende zeelieden (1), waarbij de beide bovenbedoelde besluiten werden ingetrokken. |
|
— |
De door het geachte parlementslid aangehaalde feiten betreffen derhalve niet een probleem van erkenning van door een andere Schengenstaat afgegeven visa, maar vallen volledig binnen het kader van de toepassing van de geldende bepalingen; voor de bovenbedoelde zeelieden is de enige mogelijkheid om het grondgebied van een bepaalde Schengenstaat (in dit geval België) binnen te komen, immers dat zij het Belgische grondgebied rechtstreeks vanuit een derde land binnenreizen, waarbij hen — wanneer zij aan de vereiste voorwaarden voldoen — een visum wordt verstrekt met een tot dat grondgebied beperkte geldigheid. |
|
— |
Volgens de door de Belgische autoriteiten verstrekte inlichtingen is het STZV-formulier een door de vertegenwoordigers van de rederijen in te vullen werkdocument dat vereist is voor alle zeelieden en dat bestemd is voor de autoriteiten die met de grenscontrole zijn belast. Dit document bevat een aantal inlichtingen betreffende de zeeman, met name zijn identiteit, de reisdocumenten waarvan hij houder is, het schip waarop hij is aangemonsterd, enz. Het betreft derhalve inlichtingen die in dit geval vóór de afgifte van een visum nodig zijn. Het gaat om gegevens die ook overeenkomstig bovengenoemde Verordening (EG) nr. 415/2003 vereist zijn (zie het formulier in bijlage II bij genoemde verordening). |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/582 |
(2004/C 88 E/0595)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3753/02
van Kathleen Van Brempt (PSE) aan de Commissie
(20 december 2002)
Betreft: Kerosinetaks
De Commissie ontvangt al enkele jaren parlementaire vragen over de invoering van een kerosinetaks. Telkens meldt de Commissie dat ze achter zo'n invoering staat, maar dat er geen overeenkomst kan worden bereikt op internationaal niveau. En zo zijn we weer enkele jaren verder zonder initiatief.
|
1. |
Wanneer doet de Commissie een voorstel om een kerosinetaks in te voeren? |
|
2. |
Als de Commissie op korte termijn geen voorstel kan doen, kan ze mij dan meedelen waarom en wat de obstakels zijn? |
|
3. |
Kan de Commissie mij meedelen welke lidstaten voor en welke tegen de kerosinetaks zijn? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(5 februari 2003)
Ten aanzien van de bestaande verplichte vrijstelling van de geharmoniseerde accijns voor minerale oliën die worden gebruikt als brandstof voor andere luchtvaart dan de particuliere plezierluchtvaart, kan de Commissie het geachte parlementslid het volgende meedelen:
|
1. |
Sinds 1996 (1) pleit de Commissie voor de afschaffing van deze vrijstelling. In maart 1997 (2) heeft de Commissie een voorstel tot herstructurering van de belasting van energieproducten ingediend. Op grond van artikel 13 van dit voorstel zouden de lidstaten de geharmoniseerde accijns ook kunnen heffen op vliegtuigbrandstof die wordt gebruikt bij binnenlandse vluchten of, indien zij een bilaterale overeenkomst sluiten, intracommunautaire vluchten die door luchtvaartmaatschappijen uit de Gemeenschap worden verricht. Wat de belasting van kerosine betreft die in het internationale luchtvaartverkeer wordt gebruikt, heeft de Commissie in maart 2003 een mededeling over de belasting van vliegtuigbrandstof (3) gepresenteerd, waarin zij onder andere aanbeveelt om in het kader van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) intensiever te gaan ijveren voor de invoering van een belasting op vliegtuigbrandstof of van andere maatregelen met hetzelfde effect. Na een daartoe strekkend verzoek van de Gemeenschap werd de belasting van vliegtuigbrandstof op de agenda van de 3 3e vergadering van de ICAO geplaatst, die van 25 september 2001 tot 5 oktober 2001 in Montreal plaatsvond. Het bleek echter onmogelijk steun te verwerven van de andere ICAO-leden, met name vanwege de zeer ongunstige omstandigheden waarin de luchtvaartsector sinds de gebeurtenissen van 11 september 2001 verkeert. |
|
2. |
De Commissie is niet voornemens een bijkomend voorstel voor de belasting van vliegtuigbrandstof in te dienen, omdat zij meent dat dit onderwerp voldoende werd behandeld in haar voorstel van 1997 over de belasting van energieproducten. |
|
3. |
De afgelopen maanden is het voorstel voor de belasting van energieproducten in de Raad meermaals aan de orde geweest, en gehoopt wordt dat het te zijner tijd kan worden aangenomen. Tijdens de discussies over een mogelijk politiek akkoord, dat het Deense voorzitterschap in december 2002 heeft voorgelegd, bleek dat alle lidstaten, op één na, ermee konden instemmen dat vliegtuigbrandstof voor de commerciële luchtvaart in principe op dezelfde basis als iedere andere brandstof diende te worden belast. Er moet echter rekening worden gehouden met het probleem van de concurrentie met derde landen en er moet ook worden gewaakt voor concurrentieverstoring met de daaruit voortvloeiende sociaal-economische gevolgen. Het is derhalve dienstig deze discussie voort te zetten in het kader van de ICAO en een besluit over de belasting van kerosine in de internationale luchtvaart pas te nemen als een dergelijke belasting op internationaal niveau mogelijk is. De Raad zou evenwel zijn goedkeuring kunnen hechten aan de bepalingen in het voorstel van de Commissie die de lidstaten de mogelijkheid geven een lager belastingniveau toe te passen voor kerosine die wordt gebruikt bij binnenlandse of intracommunautaire vluchten. |
(3) COM(2000)110 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/583 |
(2004/C 88 E/0596)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3801/02
van Jules Maaten (ELDR) aan de Commissie
(7 januari 2003)
Betreft: Tabaksaccijnzen op medicinale kruidensigaretten
Onder verwijzing naar de antwoorden van 23 april 2002 (E-0721/02 (1)) van de Commissie op de vragen van Jules Maaten, zou ik graag enkele vervolgvragen stellen.
|
1. |
Is het u bekend dat in een aantal Europese landen (o.a. België, Frankrijk, Engeland, Ierland, Italië) de medicinale kruidensigaretten al jaren zonder tabaksaccijns worden verkocht terwijl deze landen niet, zoals Denemarken, voor deze producten vrijstelling van accijns hebben verleend? |
|
2. |
Is het juist om het aan de nationale autoriteiten over te laten om producten te plaatsen op lijsten van farmaceutische producten die uitsluitend medische doeleinden dienen, wetende dat dit ertoe kan leiden dat nationale autoriteiten tot verschillende standpunten kunnen komen, hetgeen tot gevolg kan hebben dat op eenzelfde product in de lidstaten onderling afwijkende accijnzen worden geheven? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(24 februari 2003)
|
1. |
In artikel 4 van Richtlijn 95/59/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten wordt een definitie gegeven van „sigaretten”. Volgens artikel 7, lid 2, van deze richtlijn worden producten die geheel of gedeeltelijk uit andere stoffen dan tabak bestaan maar die voor het overige aan de definitie van sigaretten beantwoorden, met sigaretten gelijkgesteld. Producten die geen tabak bevatten en uitsluitend voor medische doeleinden worden gebruikt, worden daarentegen niet als tabaksfabrikaten beschouwd. Aangezien zij niet als tabaksfabrikaten mogen worden beschouwd, mogen de lidstaten geen geharmoniseerde accijnsrechten daarop heffen. Het antwoord van de Commissie op schriftelijke vraag E-0721/02 was gebaseerd op haar interpretatie van de informatie die de lidstaten een aantal jaren geleden hebben verstrekt. Op grond van de door het geachte parlementslid in zijn huidige vraag verstrekte informatie is de Commissie van plan om de huidige toepassing van bovengenoemde regels door de lidstaten aan een nieuw onderzoek te onderwerpen en om eventuele onzekerheden op te heideren tijdens de volgende bijeenkomst van het Accijnscomité (begin april). De Commissie zal deze informatie rechtstreeks aan het geachte parlementslid toezenden. |
|
2. |
Toen de Raad zijn goedkeuring hechtte aan de productdefinities in Richtlijn 79/32/EEG (vervangen door Richtlijn 95/59/EG), heeft hij niet de precieze betekenis van „uitsluitend voor medische doeleinden dienen” vastgesteld. De beslissing of een bepaald product uitsluitend voor medische doeleinden wordt gebruikt — wat niets met de belastingheffing te maken heeft — moet door de nationale gezondheidsautoriteiten of gelijkwaardige officiële instanties in de lidstaten worden genomen. Deze beslissing mag echter niet in strijd zijn met de doelstellingen van artikel 7, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 95/59/EG, namelijk dat goederen die geen tabak bevatten en uitsluitend voor medische doeleinden dienen buiten het toepassingsgebied van de geharmoniseerde accijnsrechten worden gehouden. |
(1) PB C 277 E van 14.11.2002, blz. 81.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/584 |
(2004/C 88 E/0597)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3926/02
van Niels Busk (ELDR) aan de Commissie
(9 januari 2003)
Betreft: Productieheffing in Frankrijk
Kan de Commissie naar aanleiding van mijn vraag P-2720/01 (1) mededelen wat er in deze aangelegenheid precies werd ondernomen en waarom?
Kan de Commissie verder mededelen wanneer er een oplossing kan worden verwacht?
Aanvullend antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(29 augustus 2003)
Ter aanvulling van haar eerste antwoord kan de Commissie U de hiernavolgende gegevens meedelen. Na een eerste onderzoek van het dossier heeft de Commissie op 9 juli 2003 besloten een formele onderzoeksprocedure in de zin van artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag te openen ten aanzien van de door Frankrijk geïnde heffingen ten bate van de „Association interprofessionelle du bétail et des viandes” (Interbev).
Het geachte parlementslid wordt verzocht kennis te nemen van de details inzake deze procedure aan de hand van de bekendmaking die weldra zal verschijnen in het Publicatieblad van de Europese Unie. De Commissie doet al het mogelijke om binnen 18 maanden na opening van de procedure een besluit te nemen. Zij zal het geachte parlementslid in elk geval in kennis stellen van het definitieve resultaat van haar onderzoek.
(1) PB C 93 E van 18.4.2002, blz. 179.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/585 |
(2004/C 88 E/0598)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0020/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(10 januari 2003)
Betreft: Kastendiscriminatie in India
Dalits, vroeger onaanraakbaren genoemd, worden op alle mogelijke manieren gediscrimineerd. Dalits vallen nog onder de laagste groep van het Indische kastensysteem en zij mogen niet samenwonen of trouwen met leden van de hogere kasten en mogen zelfs niet van hetzelfde water drinken. Op 10 oktober 2002 op de derde topbijeenkomst EU-India, heeft de EU samen met India een verklaring afgelegd waarin hun wederzijds engagement wordt bevestigd om de mensenrechten te versterken en permanent een bilaterale dialoog te houden over deze kwestie. Amper enkele dagen na deze verklaring werden vijf Dalits doodgeslagen door leden van hogere kasten wegens het vellen van dode koeien (hetgeen zij doen voor hun broodwinning) omdat het gerucht de ronde deed dat zij het dier illegaal hadden geslacht. Dit incident getuigt van de spanningen tussen de kasten en de aanhoudende kastendiscriminatie die het plattelandsleven in India kenmerkt.
Welke maatregelen denkt de EU te nemen om de Indiase autoriteiten onder druk te zetten zodat zij een eind maken aan de wijdverspreide discriminatie en repressie tegen de onderdrukte kasten in India?
Stemt de Commissie ermee in dat het debat in de EU moet worden aangezwengeld om de kwestie van de kastendiscriminatie en andere daarmee samenhangende vormen van discriminatie aan te pakken, en welke stappen zullen daarvoor worden ondernomen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(30 januari 2003)
De Commissie is zich bewust van de vele gevallen van discriminatie op grond van kaste die helaas nog steeds voorkomen in het moderne India. Desondanks is belangrijke vooruitgang geboekt. Zo heeft de dichtstbevolkte staat van India (Uttar Pradesh) een vrouwelijke Dalit als Eerste Minister, iets dan niet zolang geleden ondenkbaar zou zijn geweest.
Zoals het geachte parlementslid terecht opmerkt wordt in de gezamenlijke persverklaring bij de Top tussen de Europese Unie en India in Kopenhagen in 2002 nog eens herhaald dat beide partners zich er duidelijk toe hebben verbonden een dialoog over de mensenrechten te onderhouden. Hieraan wordt reeds uitvoering gegeven in alle ontmoetingen op hoog niveau tussen de Unie en India.
Er wordt echter op gewezen dat India een democratie en een rechtsstaat is, met een vrije en actieve pers. Het interne debat is het belangrijkste instrument voor verandering op dit terrein. Bovendien heeft India het oudste en grootste programma voor positieve actie ter wereld. Niet alleen worden banen bij de overheid of plaatsen op universiteiten gereserveerd op basis van kaste, ook nog eens 85 van de 535 zetels in het Parlement zijn gereserveerd voor Dalits.
Vanuit een pragmatischer perspectief financiert de Commissie talrijke projecten in India in het kader van het Europese initiatief voor mensenrechten en democratie, waarvan diverse gericht zijn op de Dalits en andere kansarme bevolkingsgroepen.
De Commissie draagt bovendien met een belangrijke subsidie van 200 miljoen euro bij aan het onderwijs. De Commissie is er vast van overtuigd dat de bijstand aan India bij het bereiken van haar millennium-ontwikkelingsdoelstelling, namelijk basisonderwijs voor iedereen, met bijzondere aandacht voor moeilijk bereikbare groepen, zoals kinderen met een tribale of Dalit-achtergrond, er uiteindelijk toe zal leiden dat de Dalits betere kansen hebben om op alle niveaus posities in de Indische maatschappij te bekleden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/586 |
(2004/C 88 E/0599)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0079/03
van Margot Keßler (PSE) aan de Commissie
(23 januari 2003)
Betreft: Situatie van geestelijk gehandicapten in de kandidaat-landen
Volgens informatie van de „European Association of Societies of Persons with Intellectual Disability and their Families”, kort gezegd „Inclusion Europe”, is de situatie van geestelijk gehandicapten in veel van de toekomstige lidstaten van de EU zorgwekkend. Terwijl de situatie van geestelijk gehandicapte kinderen na 1989 incidenteel is verbeterd, kan dat ten aanzien van volwassenen helaas niet worden geconstateerd. In het in oktober 2002 door Amnesty International uitgebrachte rapport „People with mental disabilities hidden far away from society” worden de toestanden in Bulgarije als voorbeeld aangehaald. Het bestaan van geestelijk gehandicapten wordt in veel gevallen nog steeds gekenmerkt door isolement, ontzegging van elke vorm van privacy en gebrekkige verzorging.
Kan de Commissie een antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Hoe denkt de Commissie te reageren op de nog steeds bestaande mensenrechtenschendingen van geestelijk gehandicapten in de kandidaat-landen? |
|
— |
Acht de Commissie specifieke actie noodzakelijk ter verbetering van de situatie van geestelijk gehandicapten in de toekomstige lidstaten? |
|
— |
Zo ja, hoe zou een dergelijke verbetering er volgens haar moeten uitzien? |
|
— |
Hoe denkt de Commissie dit probleem onder de aandacht te brengen van niet alleen het publiek, maar ook van de regeringen in de toekomstige lidstaten? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(28 februari 2003)
De rechten van geestelijk gehandicapten zijn mensenrechten die de Commissie zeer serieus neemt. De Commissie heeft de situatie van geestelijk gehandicapten in de kandidaat-lidstaten in de jaarlijkse periodieke verslagen over de voortgang van elke kandidaat-lidstaat op weg naar de toetreding dan ook nauwlettend gevolgd.
Meer specifiek werd de situatie van gehandicapte personen beoordeeld in de periodieke verslagen van 2002 die op 9 oktober 2002 (1) werden goedgekeurd voor Bulgarije, Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Tsjechië en Turkije. In de meeste gevallen moest de noodzaak van aanzienlijke vooruitgang worden benadrukt.
In de onlangs vastgestelde mededeling „naar een wettelijk bindend instrument van de Verenigde Naties ter bevordering en bescherming van de rechten en de waardigheid van personen met een handicap” (2) beschrijft de Commissie haar volledige steun voor het ontwikkelen van een dergelijk instrument en stelt zij het volgende: „Ook al bestaat er geen twijfel over dat de algemene mensenrechtennormen gelden voor personen met een handicap, toch is ten overvloede bewezen dat zij op belangrijke hinderpalen stuiten wanneer zij van die rechten gebruik willen maken”. De Commissie merkt op dat deze stand van zaken vooral in de internationale context is belicht, maar ook aan de orde is in Europese landen.
Bovendien strookt het niet discrimineren van personen met een handicap en het verbeteren van hun situatie met de principes van het handvest van de fundamentele rechten van de Europese Unie (artikelen 21 en 26 van het handvest van de fundamentele rechten van de Europese Unie).
De Commissie zal een onderzoek naar de situatie in instellingen in de huidige en toekomstige lidstaten uitvoeren. De eindresultaten worden medio 2005 verwacht.
Op basis van artikel 13 van het EG-Verdrag heeft de Raad Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 vastgesteld tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (3), waarin directe of indirecte discriminatie van een persoon met een handicap wordt verboden. Verder verplicht deze richtlijn werkgevers passende maatregelen te nemen om mensen met een handicap in staat te stellen deel te nemen aan arbeid, tenzij dit leidt tot een onevenredige belasting voor de werkgever. Deze richtlijn maakt deel uit van het acquis communautaire, dat door de kandidaat-lidstaten op de datum van toetreding moet zijn omgezet.
De Commissie is van mening dat het Europese Jaar 2003 voor mensen met een handicap zou moeten bijdragen aan een grotere bewustwording, en zij moedigt de kandidaat-landen aan adequate nationale maatregelen voor te bereiden. Diverse kandidaat-lidstaten zijn voornemens in dat kader nationale evenementen op te zetten.
Ook zijn de nodige stappen genomen om deelname mogelijk te maken van de kandidaat-lidstaten aan het communautaire programma tegen discriminatie, dat voorziet in bevordering van maatregelen ter bestrijding van discriminatie, onder andere op grond van een handicap. Er bestaat ook een specifiek bijstandsprogramma op dit terrein dat door Phare gefinancierd wordt.
De verbetering van de situatie van mensen met een geestelijke handicap vereist de ontwikkeling van gecoördineerde en geïntegreerde strategieën en een bijpassend beleid. Hierbij moeten vooral aan de orde komen: verbetering van de infrastructuur voor sociale bijstand, het integreren van deze problematiek in alle relevante beleidssectoren, de tenuitvoerlegging van alomvattende antidiscriminatiewetgeving en bewustwording bij het grote publiek.
De Commissie zal de voorbereidingen op de toetreding met betrekking tot de niet-discriminatie blijven steunen. Bovendien heeft de Commissie met het oog op de adequate uitvoering van de relevantie richtlijnen over niet-discriminatie een onderzoek opgezet naar de situatie in de kandidaat-lidstaten wat betreft de wettelijke bepalingen op nationaal niveau in verband met discriminatie op grond van onder andere een handicap. De eindresultaten worden juni 2003 verwacht.
(1) COM(2002) 700 def.
(2) COM(2003)16 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/587 |
(2004/C 88 E/0600)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0113/03
van Mogens Camre (UEN) aan de Commissie
(28 januari 2003)
Betreft: Migrerende werknemers uit de nieuwe lidstaten
In verband met de toekomstige uitbreiding van de EU met tien nieuwe lidstaten hebben verschillende Europese onderzoekinstellingen getracht te beoordelen hoeveel migrerende werknemers de huidige EU-landen uit de tien nieuwe landen kunnen verwachten. De Commissie heeft in haar notitie „The Free Movement of Workers in the Context of Enlargement” van 6 maart 2001 een samenvatting gegeven van de meest uitgebreide onderzoekingen. Hierin wordt de conclusie getrokken dat het grootste deel van de migrerende werknemers zich op Duitsland en Oostenrijk zal concentreren.
Deze onderzoeken zijn echter zeer onvolledig omdat voorbij wordt gegaan aan het feit dat er voor Duitsland en Oostenrijk een zevenjarige overgangsregeling zal gelden. Bovendien wordt er in de eerdere onderzoeken geen rekening mee gehouden dat de EG/EU nooit tevoren met zoveel minder welvarende landen is uitgebreid. In de onderzoeken wordt er in de regel op gewezen dat men in de loop van de jaren tachtig van de vorige eeuw Spanje, Portugal en Griekenland heeft opgenomen, en dat deze landen niet zo welvarend waren als de andere leden. Verder wordt buiten beschouwing gelaten dat de toenmalige EG-landen in de praktijk overgangsregelingen invoerden ten aanzien van het vrije verkeer van werknemers uit de nieuwe lidstaten.
Op 9 december 2002 publiceerde Ugebrevet A4 een Gallup-onderzoek waaruit blijkt dat tegen de 150 000 Polen en 70 000 Estlanders overwegen werk in Denemarken te zoeken zodra deze landen tot de EU zijn toegetreden. Dit is het eerste in Denemarken gepubliceerde onderzoek waarin rekening wordt gehouden met het feit dat Duitsland en Oostenrijk zevenjarige overgangsregelingen in verband met het vrije verkeer van werknemers invoerden. Deze aantallen wijken enorm af van de cijfers van eerdere onderzoeken waarin geen rekening wordt gehouden met het voorbehoud van Duitsland en Oostenrijk.
Kan de Commissie derhalve een beoordeling geven van de vraag welke consequenties het voor het aantal migrerende werknemers uit de nieuwe lidstaten zal hebben dat Duitsland en Oostenrijk hebben aangekondigd gebruik te zullen maken van de mogelijkheid tot invoering van zevenjarige overgangsregelingen, die inhouden dat werknemers uit de tien nieuwe lidstaten gedurende de eerste zeven jaar van hun lidmaatschap geen werk kunnen zoeken in deze twee landen? Kan de Commissie in haar antwoord tevens een beoordeling geven van de vraag of de migrerende werknemers die van plan waren in de twee genoemde landen werk te zoeken, dit in plaats daarvan in andere van de huidige EU-landen zullen proberen?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(28 februari 2003)
De Commissie heeft alle wetenschappelijke informatie over mogelijke migratiestromen uit de kandidaat-landen na de toetreding zorgvuldig bestudeerd en tevens een onderzoek laten uitvoeren door een groep onafhankelijke onderzoeksinstellingen. Voorts heeft de Commissie de informatienotitie waarnaar het geachte parlementslid verwijst („het vrije verkeer van werknemers in het kader van de uitbreiding”) opgesteld. Doel van deze notitie was feitelijke informatie te verstrekken, evenals als opties voor een oriënterend debat over deze kwestie in het kader van de toetredingsonderhandelingen. In dit document wordt volledig rekening gehouden met de precedenten van de toetreding van Spanje en Portugal. Op basis van alle beschikbare informatie heeft de Commissie geconcludeerd dat de migratiestromen nauwelijks wetenschappelijk voorspelbaar zijn en dat vergelijkbare historische gegevens zeldzaam zijn. Hoewel uit de ervaring blijkt dat het opheffen van belemmeringen voor het vrije verkeer bij toetreding van de zuidelijke landen slechts een bescheiden invloed had, heeft de Commissie expliciet rekening gehouden met het grote inkomensverschil tussen de huidige lidstaten en de kandidaat-lidstaten, en met het feit dat het inkomensdifferentieel in het geval van de uitbreiding naar het oosten groter is dan in enig andere uitbreidingsronde, en dat waarschijnlijk Duitsland en Oostenrijk hier de meeste gevolgen van zullen ondervinden. De Commissie heeft de Raad dan ook geadviseerd een voorzichtige maar flexibele benadering bij de uitbreidingsonderhandelingen te volgen en heeft een overgangsregeling voor alle landen voor Midden- en Oost-Europa ingediend, die is aanvaard en is opgenomen in het toetredingsverdrag. Deze overgangsregeling staat alle huidige lidstaten toe de toegang van werknemers uit de nieuwe lidstaten op hun nationale arbeidsmarkten te controleren en te reguleren volgens de nationale regels, voor een periode van maximaal zeven jaar. Dit heeft tot gevolg dat geen van de huidige lidstaten in een positie wordt gedwongen waarin zij niet volledig zou kunnen inspelen op haar eigen behoeften. De enige bepaling die specifiek voor Duitsland en Oostenrijk geldt, bepaalt dat deze twee landen het recht hebben nationale begeleidende maatregelen te nemen in geval van (dreigende) ernstige verstoringen van specifieke, gevoelige dienstensectoren (zoals de bouwsector of de industriële-schoonmaaksector) op hun arbeidsmarkten, die in bepaalde regio's zouden kunnen ontstaan uit de grensoverschrijdende dienstverlening met overplaatsing van werknemers.
De Commissie beschikt op dit moment niet over enige officiële informatie uit de huidige lidstaten over de wijze van toepassing van de overgangsregeling na de toetreding. Een verklaring bij het toetredingsverdrag zal echter vermelden dat de huidige lidstaten zich zullen inspannen om te zorgen voor een grote toegang tot de arbeidsmarkt volgens de nationale wetgeving, teneinde de overname van het acquis te versnellen, en zal ook een aanmoediging bevatten om de toegang al vóór de toetreding te verbeteren.
Aangezien elke lidstaat kan bepalen in welke mate zij het vrije verkeer van werknemers wil liberaliseren vis-à-vis de nieuwe lidstaten, kan de Commissie nog niet de gevolgen van de keuzen van de lidstaten voor de arbeidsmarkten van andere lidstaten beoordelen. Daar komt bij dat, zelfs indien het migratiebeleid van individuele lidstaten tijdens de overgangsperiode bekend zou zijn, vergelijkbare gegevens over migratieaantallen en -stromingen niet voor alle lidstaten zouden bestaan, of slechts voor korte perioden, hetgeen de raming van econometrische modellen op het niveau van de EU-15 ernstig zal belemmeren. Ten slotte kan het effect van de uitbreiding zelf op dit moment niet worden ingeschat. De uitbreiding zal zorgen voor verdere groei en werkgelegenheid in de toekomstige lidstaten en de ervaring lijkt erop te wijzen dat mensen niet migreren en soms zelfs naar hun land van oorsprong terugkeren na de toetreding van hun land tot de Unie.
De Commissie acht opiniepeilingen geen geschikt instrument voor een kwantitatieve bepaling van het migratiepotentieel. De gegeven antwoorden zijn gewoonlijk subjectief en weerspiegelen een bedoeling, geen keuze. Dit is een van de lessen uit het Duitse sociaal-economisch-panel, waarbij de bevolking van Oost-Duitsland jaarlijks gevraagd wordt of zij van plan zijn naar West-Duitsland te verhuizen. De resultaten tonen aan dat slechts 5 % van de personen die hun voornemen om naar West-Duitsland te verhuizen aan het begin van de jaren 90 kenbaar maakten, dat vijf jaar later ook daadwerkelijk had gedaan.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/589 |
(2004/C 88 E/0601)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0130/03
van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Commissie
(28 januari 2003)
Betreft: Tenuitvoerlegging van punt 6 van de Verklaring van Doha, betreffende TRIP's en volksgezondheid
In punt 4 van de Verklaring van Doha wordt bepaald dat het TRIP's-akkoord (overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom) voor de leden geen hinderpaal vormt of mag vormen om maatregelen te nemen ter bescherming van de volksgezondheid. Er wordt ook bepaald dat het akkoord op een zodanige manier kan en moet worden geïnterpreteerd en uitgevoerd dat de rechten van de WHO-leden om de volksgezondheid te beschermen en, in het bijzonder, om geneesmiddelen voor iedereen toegankelijk te maken, niet in het gedrang komen.
Verder wordt in punt 5 (b) van de Verklaring nogmaals bevestigd dat elk WHO-lid het recht heeft om verplichte vergunningen toe te kennen en om zelf de vereisten voor de toekenning van die vergunningen te bepalen.
Erkent de Commissie dat zowel in de Verklaring van Doha als in het TRIP's-akkoord deze beginselen op alle volksgezondheidsproblemen van toepassing zijn, en voor alle landen gelden?
Erkent de Commissie dat punt 6 van de Verklaring van Doha tot doel heeft te verzekeren dat WHO-leden die niet over de gepaste productiecapaciteit beschikken, toch ten volle van de bepalingen in het verdrag kunnen genieten, onder dezelfde voorwaarden als de WHO-leden die wel over deze capaciteit beschikken?
Erkent de Commissie bijgevolg dat het opleggen van bijkomende of nieuwe beperkingen, als oplossing voor het problematische punt 6, de geest van de Verklaring van Doha zou schenden en door de ontwikkelingslanden terecht als een teken van wantrouwen zou worden gezien?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(25 februari 2003)
De Verklaring van Doha over de TRIPs-overeenkomst en volksgezondheid bevestigde de bestaande flexibiliteit in het kader van de TRIPs-overeenkomst en creëerde duidelijkheid, met name met betrekking tot de gedwongen verlening van licenties en parallelle import, en bevestigde verder in haar interpretatie opnieuw het belang van artikel 7 en 8 van de TRIPs-overeenkomst. De Verklaring is juridisch van belang, omdat zij houvast biedt bij de interpretatie van de TRIPs-overeenkomst.
Punt 6 van de Verklaring heeft betrekking op een onderwerp dat in Doha niet is opgelost, en waarvoor de TRIPs-overeenkomst geen pasklare oplossing biedt. Strikt gesproken gaat punt 6 niet over de implementatie van de Verklaring van Doha. De Verklaring van Doha kan op zich door alle leden worden geïmplementeerd zonder dat daarvoor verdere internationale wetsinstrumenten nodig zijn. Het doel van punt 6 is de TRIPs-overeenkomst en de Verklaring van Doha extra flexibel te maken. Het beoogt nieuwe mogelijkheden te creëren in het kader van de TRIPs-overeenkomst om de problemen op te lossen van landen zonder productiecapaciteit in de farmaceutische sector door hen de kans te geven een doeltreffend beroep te doen op de gedwongen verlening van licenties.
Het grote verschil met de gedwongen verlening van licenties waarin nu al wordt voorzien in het kader van de TRIPs-overeenkomst, is dat de productie in het ene land plaatsvindt en vervolgens in haar geheel wordt geëxporteerd naar een ander land (overeenkomstig de geldende regels van de TRIPs-overeenkomst dienen productie en verbruik van het overgrote deel van de productie in hetzelfde land plaats te vinden). De voorwaarden die aan het gebruik van dergelijke licenties worden gesteld, dienen dan ook aan deze realiteit te worden aangepast. Er is dus geen sprake van het opleggen van bijkomende en bezwarende beperkingen, maar van het aanpassen van voorwaarden aan andere omstandigheden. Dat is de bedoeling van het ontwerpbesluit van 16 december 2002 (1), dat minimale vrijwaringen omvat tegen verlegging van het handelsverkeer en dat verder (op voorstel van de Unie) specificeert dat dergelijke maatregelen in verhouding dienen te staan tot de administratieve capaciteit van de betrokken landen. Deze regeling, waar alle leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) zich bij hebben aangesloten (op één na), en die landen zonder productiecapaciteit effectief in staat stelt te profiteren van gedwongen verlening van licenties, is geheel in overeenstemming met de bedoeling van de Verklaring van Doha.
Zoals het geachte parlementslid weet, heeft de Unie zich volledig aangesloten bij de tekst van 16 december 2002, ook wat betreft epidemieën, onder verwijzing naar punt 1 van de Verklaring van Doha. De Commissie betreurt het dat de Verenigde Staten zich niet bij de consensus hebben aangesloten en de Unie zal zich blijven inzetten om zo spoedig mogelijk een multilaterale oplossing te bereiken. Zij wil niet dat deze onderhandelingen op een mislukking uitlopen. De WTO-leden hebben zich gecommitteerd om in Doha een multilaterale oplossing te bereiken. Die committering dient gehandhaafd te blijven. Daartoe heeft de Unie onlangs het initiatief genomen voor te stellen een beroep te doen op de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), teneinde flexibiliteit te garanderen bij de toepassing van het stelsel, overeenkomstig de strekking van de Verklaring van Doha.
(1) Ontwerpbesluit van de voorzitter van de TRIPs-raad van de WTO (Referentie: JOB (02) 217).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/590 |
(2004/C 88 E/0602)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0170/03
van Bob van den Bos (ELDR) aan de Commissie
(29 januari 2003)
Betreft: Bangladesh
Op 21 november 2002 nam het Europees Parlement in het kader van het actualiteitendebat een resolutie aan over Bangladesh naar aanleiding van berichten over vermeende schendingen van de mensenrechten in het kader van de „Operation Clean Heart” en een duidelijk verslechterende mensenrechtensituatie in dat land.
In deze resolutie verzoekt het Europees Parlement de Commissie om „in het kader van de Samenwerkingsovereenkomst EU-Bangladesh samen te werken met de regering van Bangladesh om ervoor te zorgen dat een eind wordt gemaakt aan de schendingen (en) de mensenrechten worden beschermd”. Kan de Commissie mededelen welke maatregelen zij tot dusver in dat verband heeft genomen?
Welke (andere) initiatieven denkt zij te nemen om de regering van Bangladesh er toe aan te moedigen de mensenrechten in haar land te beschermen?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/590 |
(2004/C 88 E/0603)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0242/03
van Nirj Deva (PPE-DE) aan de Commissie
(4 februari 2003)
Betreft: Mensenrechten in Bangladesh
Is het waar dat onder de regering die na de verkiezingen van 2001 in Bangladesh is gevormd een angstregime heerst? Onder andere Amnesty International heeft de beschuldiging geuit dat moorden gemeengoed zijn geworden, dat de persvrijheid aan banden is gelegd en dat het leger is vrijgesteld van vervolging voor zijn optreden tijdens operatie Clean Heart (16 oktober 2002 tot 9 januari 2003).
Wat stelt de Commissie voor te doen om deze vrijstelling ongedaan te maken en ervoor te zorgen dat vervolging wordt ingesteld tegen diegenen die beschuldigd worden van grove mensenrechtenschendingen?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Patten namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-0170/03 en E-0242/03
(25 februari 2003)
In de zitting van het Parlement van 21 november 2002 heeft de Commissie uitdrukking gegeven aan de grote bezorgdheid van de Unie met betrekking tot de mensenrechtensituatie in Bangladesh, het teloorgaan van de openbare orde in het land en de aanhoudende meldingen van foltering en sterfgevallen in gevangenissen na het op gang gebracht worden van „Operation Clean Heart”. Recentelijk nog heeft het lid van de Commissie verantwoordelijk voor buitenlandse betrekkingen aan de Minister van Financiën van de Regering van Bangladesh medegedeeld het te betreuren dat de Regering heeft besloten immuniteit te verlenen aan de gezamenlijke wetshandhavingsdiensten voor de tijdens genoemde operatie verrichte handelingen. Hij drong er bij de Regering van Bangladesh op aan een volledig transparant onderzoek op te zetten naar de oorzaak van de sterfgevallen in gevangenissen, overeenkomstig een reeds door Eerste Minister Khaleda Zia gedane belofte, en erop toe te zien dat vervolging wordt ingesteld tegen alle wetshandhavingsperoneel dat schuldig wordt bevonden aan schendingen van mensenrechten.
In artikel 1 van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh inzake partnerschap en samenwerking (1) wordt bepaald dat de eerbiediging van de rechten van de mens en de democratische beginselen, zoals uiteengezet in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, ten grondslag ligt aan het binnenlandse en buitenlandse beleid van de Unie en Bangladesh, en een essentieel onderdeel van deze overeenkomst vormt. Op basis hiervan biedt de Unie de Regering van Bangladesh en de burgermaatschappij van Bangladesh een constructieve en algemene dialoog aan over aangelegenheden betreffende de mensenrechten, democratie en behoorlijk bestuur. Een element in dit dialogisch proces met de Regering van Bangladesh is de komende eerste bijeenkomst van de speciale subgroep voor mensenrechten en behoorlijk bestuur van het Gemengd Comité.
Overigens voorziet het door de Regering van Bangladesh ondertekende nationaal indicatief programma voor 2003-2005 ten behoeve van Bangladesh in een bedrag van 9 miljoen euro voor het bevorderen van democratie en de mensenrechten.
Ten slotte wenst de Commissie erop te wijzen dat zij actief is betrokken bij de werkzaamheden van de plaatselijke groep voor overleg in Dhaka, evenals van het Ontwikkelingsforum van Bangladesh, in het kader waarvan de Gemeenschap de gelegenheid heeft haar bezorgheid over de mensenrechtensituatie en de democratie aan de Regering van Bangladesh kenbaar te maken en over deze aangelegenheden met haar de discussie aan te gaan.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/591 |
(2004/C 88 E/0604)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0176/03
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(24 januari 2003)
Betreft: Gevolgen van de liberalisering van de landbouw op wereldschaal
In het nummer van „Agence Europe” van 6 november 2002 wordt gewag gemaakt van een studie van de Commissie over de gevolgen van de wereldwijde liberalisering van de handel in landbouwproducten voor de landbouw in de lidstaten van de Europese Unie.
Volgens deze studie heeft commissaris Pascal Lamy onderstreept dat een dergelijke liberalisering zou leiden tot de verdwijning van circa 85 % van de landbouwbedrijven in de lidstaten van de Europese Unie, waaronder met name de kleine en middelgrote familiebedrijven. Een dergelijke ontwikkeling betekent zonder meer een doodvonnis voor de landbouw van Europa, van haar soevereiniteit op voedselgebied en van haar territoriale evenwicht.
Bovendien is het paradoxaal dat de Europese Unie, op een moment waarop de Verenigde Staten de steun aan hun landbouwproducenten verhogen, maatregelen besluit te treffen om de steun aan haar landbouwproducenten te verlagen.
Kan de Commissie mededelen op welke cijfers zij zich heeft gebaseerd en wat de conclusies van genoemde studie zijn?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(27 februari 2003)
In het artikel van 6 november 2002 in Agence Europees wordt niet, zoals door het geachte parlementslid wordt gesuggereerd, verwezen naar een specifieke studie van de Commissie. Omdat landbouw een speciale rol speelt bij de voedselvoorziening en ook andere voordelen biedt is het onmogelijk een abrupte en volledige liberalisering van de wereldhandel in landbouwproducten zoals die vanuit sommige hoeken wordt gevraagd te overwegen. Een dergelijke volledige liberalisering zou zeker ernstige gevolgen hebben voor de duurzaamheid van de Europese landbouw in sociaal, economisch en milieu-opzicht. De cijfers die in het artikel worden genoemd werden ter illustratie gegeven.
De EU staat echter wel achter de doelstellingen die zijn vervat in de Verklaring van Doha, waarbij gestreefd wordt naar onderhandelingen die onder meer gericht zijn op „forse verbeteringen van de markttoegang”. De EU zal op die basis onderhandelingen voeren.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/592 |
(2004/C 88 E/0605)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0207/03
van Daniel Hannan (PPE-DE) aan de Commissie
(27 januari 2003)
Betreft: Referendum op Malta
Kan de Commissie mededelen hoeveel geld de EU vóór het referendum uit fondsen voor voorlichtings-maatregelen of uit andere fondsen aan Malta beschikbaar stelt? Hoeveel geld heeft de Commissie in totaal uitgetrokken voor referenda in de kandidaat-landen?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(14 februari 2003)
Het totale bedrag aan pretoetredingsfondsen dat in de periode 2000-2004 door de Gemeenschap aan Malta is toegekend bedraagt 38 miljoen euro, in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 555/2000 van de Raad van 13 maart 2000 betreffende de uitvoering van acties in het kader van de pretoetredings-strategie voor de Republiek Cyprus en de Republiek Malta (1). 2 miljoen euro, die voor 2004 waren gereserveerd, zullen echter niet worden toegewezen vanwege Malta's voorziene toetreding in 2004. Bijgevolg zal Malta effectief 36 miljoen euro aan pretoetredingshulp ontvangen hebben. Van dit bedrag werd 0,7 miljoen euro toegewezen voor activiteiten in verband met voorlichting.
Met betrekking tot referenda in andere kandidaat-lidstaten, bepaalt artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie dat het toetredingsverdrag „door alle overeenkomstsluitende staten moet worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen”. De verantwoordelijkheid voor de organisatie van een referendum berust bij de bevoegde instanties in elk betrokken land. De Commissie financiert de organisatie van de referenda of de ermee geassocieerde campagnes in de kandidaat-lidstaten niet en is daar ook niet op een andere manier bij betrokken. De Commissie voert in alle lidstaten en kandidaat-lidstaten een communicatiestrategie voor uitbreiding. De strategie is grotendeels gedecentraliseerd en wordt in de Centraal-Europese kandidaat-lidstaten gefinancierd door het Phare-budget en geïmplementeerd door de delegatie van de Commissie. Details over de precieze financiering van de algemene en individuele programma's, en de implementatie van de communicatiestrategie zijn te vinden in de regelmatige updates die beschikbaar zijn op de website van de Commissie op (http://europa.eu.int/ comm/enlargement/communication/index.htm).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/593 |
(2004/C 88 E/0606)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0208/03
van Patricia McKenna (Verts/ALE) aan de Commissie
(3 februari 2003)
Betreft: Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten
Welke stappen heeft de Commissie genomen om na te gaan wat de gevolgen zijn van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS) voor de overheidsdiensten in de lidstaten?
Zo de Commissie nog geen opdracht heeft gegeven tot een onafhankelijke beoordeling van de gevolgen van de GATS voor de overheidsdiensten in de lidstaten, is zij dan voornemens zulks te doen?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(6 maart 2003)
Gezien het bereik van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (GATS) en de flexibiliteit die deze overeenkomst de Leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) laat om hun verbintenissen vast te leggen, vormt de GATS geen bedreiging voor de openbare diensten in de Gemeenschap of elders. De Commissie acht het derhalve niet nodig opdracht te geven tot een onafhankelijke beoordeling zoals door het geachte parlementslid wordt voorgesteld.
In dit verband moet erop worden gewezen dat de interactie van de openbare sector en de particuliere sector op het vlak van de openbare dienstverlening verschillende vormen aanneemt. De mate waarin de openbare sector c.q. de particuliere sector daarbij betrokken is, hangt af van de nationale tradities van het betrokken land en de wettelijke voorwaarden die er gelden. Tegenwoordig worden openbare diensten bijvoorbeeld rechtstreeks door openbare leveranciers verleend (door traditionele openbare instellingen) of onrechtstreeks (door overheidsbedrijven die op commerciële basis werken). In sommige gevallen vertrouwen de WTO-leden de openbare dienstverlening toe aan een particuliere leverancier waaraan bijzondere of exclusieve rechten worden toegekend. In andere gevallen doen de Leden volledig een beroep op de particuliere markt. De ervaring heeft voorts uitgewezen dat sommige bij de openbare dienstverlening betrokken sectoren voor concurrentie kunnen worden opengesteld terwijl de beschikbaarheid, de kwaliteit en de betaalbaarheid van deze diensten gewaarborgd blijven en vaak zelfs verbeterd worden. Zo zijn in de Gemeenschap de kosten van interlokale vaste telefonie door de liberalisering van de telecommunicatiesector met 49 % gedaald, zonder dat de beschikbaarheid en de kwaliteit van de dienst is aangetast. Voorts is de beschikbaarheid van mobiele telefoons van 22 % tot 73 % gestegen en de internet-penetratiegraad van 8 % tot 3 6 % sedert de sector voor concurrentie is opengesteld. Het nieuwe wettelijke kader voor telecommunicatie moet voor meer concurrentie zorgen, terwijl de richtlijn inzake de universele dienst ervoor moet zorgen dat aan alle eindgebruikers tegen een betaalbare prijs een vastgesteld minimumaantal diensten wordt aangeboden (1).
De GATS houdt rekening met de diverse regelingen waarop de Leden een beroep doen om deze diensten te verlenen en laat de keuze van het te volgen model, volledig aan de Leden over.
Ten eerste vallen openbare diensten die noch op commerciële basis, noch in concurrentie met een of meer dienstverleners worden verleend, krachtens artikel I, 3, c) buiten het toepassingsgebied van de GATS.
Ten tweede beschikken de WTO-leden volgens de overeenkomst, zelfs voor openbare diensten die onder de GATS vallen, nog over verschillende beleidsopties, zoals:
|
— |
Zij kunnen die sectoren van hun verbintenissen uitsluiten waarin kan worden aangenomen dat een openstelling voor concurrentie afbreuk kan doen aan de beschikbaarheid, de kwaliteit en de betaalbaarheid van de dienst. De Leden kunnen de dienst als openbaar of particulier monopolie behouden. |
|
— |
Zij kunnen de dienst openstellen voor concurrerende leveranciers, maar de toegang beperken tot nationale ondernemingen. |
|
— |
Zij kunnen de dienst openstellen voor nationale en buitenlandse leveranciers, maar daarvoor geen GATS-verbintenissen vastleggen. |
|
— |
Zij kunnen GATS-verbintenissen vastleggen aangaande het recht van buitenlandse ondernemingen om naast nationale leveranciers de dienst te verlenen. Het staat de Leden vrij het sectorale toepassingsgebied en de concrete inhoud van dergelijke verbintenissen te bepalen in overeenstemming met andere legitieme beleidsdoelstellingen. De Leden kunnen elke activiteit waarin buitenlandse concurrentie ongewenst is van hun verbintenissen uitsluiten en beperkingen invoeren op het niveau van de markttoegang en de nationale behandeling waartoe zij zich verbonden hebben. |
|
— |
Zij kunnen binnenlandse regelingen goedkeuren, wetgeving en andere maatregelen vaststellen om het openbaar belang te beschermen. Zo kunnen de Leden een sector voor concurrentie openstellen en terzelfder tijd beleid formuleren en toepassen om de beschikbaarheid, de kwaliteit en de betaalbaarheid van essentiële openbare diensten te waarborgen, bijvoorbeeld via verplichte verlening van een universele dienst. |
De Gemeenschap en andere Leden hebben wanneer zij dat noodzakelijk achtten, gebruik gemaakt van de hiervoor beschreven flexibiliteit om hun openbare dienstverlening te waarborgen. Er is geen reden om aan te nemen dat de GATS afbreuk heeft gedaan aan de openbare dienstverlening in de Gemeenschap.
(1) Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten, PB L 108 van 24.4.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/594 |
(2004/C 88 E/0607)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0247/03
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(5 februari 2003)
Betreft: Mogelijk misbruik van de EU-associatieovereenkomst
De nieuwe EU-associatieovereenkomst met Chili, waaraan het Parlement vermoedelijk binnenkort zijn goedkeuring zal geven, heeft een grote reikwijdte en is in veel opzichten een zeer vernieuwende overeenkomst met een niet-kandidaatland, die aan beide zijde van de Atlantische Oceaan op warme instemming zal kunnen rekenen.
De Commissie heeft aangegeven dat naar haar oordeel de overeenkomst volledig in overeenstemming is met de WTO-verplichtingen.
Kan de Commissie echter aangeven welke controlemechanismen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat tariefvrije toegang niet wordt misbruikt door bedrijven die zijn gevestigd in landen die geen partij zijn bij de overeenkomst, doch de Europese Unie gebruiken als een tussenstation voor tariefvrije export naar Chili of Chili gebruiken als een doorvoerland voor tariefvrije export naar de Europese Unie?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(21 februari 2003)
Het handelsgedeelte van de associatieovereenkomst EU-Chili behoort tot de meest innovatieve en ambitieuze afspraken waarover de Gemeenschap ooit heeft onderhandeld met een niet-kandidaat-lidstaat. Het handelsgedeelte van de overeenkomst is op 1 februari 2003 (op voorlopige basis) in werking getreden.
Zoals het geachte parlementslid terecht opmerkt, is de Commissie van mening dat een dergelijke overeenkomst in overeenstemming is met de WTO-vereisten, met name met artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel (GATT) en artikel V van de Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS).
Zoals in alle overeenkomsten die een vrijhandelszone voor goederen omvatten, dient een geëxporteerd product, wil het kunnen profiteren van tariefpreferenties, te worden beschouwd als zijnde van oorsprong uit de Gemeenschap of Chili. Daartoe dient het te beantwoorden aan de oorsprongsregels die zijn vastgesteld in een aparte bijlage bij de overeenkomst (bijlage III en aanhangsels van die bijlage). In dit verband geldt dat, als een geëxporteerd product niet „geheel en al verkregen” is in een van beide partijen, goederen die zijn ingevoerd uit derde landen een toereikende be- of verwerking moeten hebben ondergaan overeenkomstig de specifieke oorsprongsregel die is vastgesteld voor het eindproduct dat wordt geëxporteerd (praktisch betekent dit dat het niet mogelijk is een product bijvoorbeeld van Brazilië naar Chili te exporteren en hetzelfde product vervolgens opnieuw uit te voeren naar de Unie onder toepassing van de preferentiële behandeling die krachtens de overeenkomst EU-Chili wordt verleend).
Wanneer goederen worden geacht van oorsprong te zijn, dienen zij bij invoer vergezeld te gaan van in de overeenkomst duidelijk omschreven „oorsprongsbewijzen”. Daarnaast bevat bijlage III regelingen voor „administratieve samenwerking”, die voorzien in een controle van de oorsprong van de producten, die wordt verricht in samenwerking tussen de autoriteiten van beide partijen (1).
Geschillen ten aanzien van de controleprocedures worden in de eerste plaats voorgelegd aan een specifiek comité (bijzonder comité inzake douanesamenwerking en de oorsprongsregels).
Verder omvat de associatieovereenkomst een algemeen geschillenbeslechtingsmechanisme, bedoeld voor gevallen van schending van uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen door een der partijen. Dit stelsel, dat vergelijkbaar is met de WTO-geschillenbeslechtingsregeling, voorziet in de benoeming van onafhankelijke scheidsrechters, wier uitspraak bindend is en gevolgd wordt door handelssancties.
Ook is vermeldenswaard dat de associatieovereenkomst een clausule (artikel 82) omvat over de tenuitvoerlegging van de preferentiële behandeling, die betrekking heeft op gevallen waarin sprake is van een vermoeden van fraude en/of het systematisch niet verlenen van administratieve medewerking met betrekking tot, onder andere, de oorsprong. Onder bepaalde voorwaarden en in bepaalde gevallen kan dit leiden tot tijdelijke schorsing van de preferentiële behandeling.
(1) Bijlage III, artikel 31, lid 1: „Bewijzen van oorsprong worden achteraf door middel van steekproeven gecontroleerd of wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van deze bijlage”.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/595 |
(2004/C 88 E/0608)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0264/03
van Joachim Wuermeling (PPE-DE) aan de Commissie
(30 januari 2003)
Betreft: Discriminatie van investeerders uit de EU in de Tsjechische Republiek
Sinds de opening van de grenzen proberen EU-staatsburgers kleine en middelgrote ondernemingen in de Tsjechische Republiek op te zetten. Met het oog op de voor mei 2004 te verwachten uitbreiding van de EU heeft de Tsjechische Republiek zich ertoe verplicht zich aan te passen aan de rechtsvoorschriften van de EU en een goed functionerend administratief- en gerechtelijk systeem op te zetten om te voldoen aan de criteria van Kopenhagen.
Is de Commissie op de hoogte van gevallen van discriminatie van personen uit andere EU-lidstaten ten opzichte van burgers van de Tsjechische Republiek bij het opzetten van bedrijven en ondernemingen in de dienstverlenende sector?
Is het juist dat het Tsjechische rechtsstelsel niet voorziet in een gerechtelijke procedure tegen besluiten van de overheid?
Is het juist dat inschrijvingen in het handelsregister door betaling van smeergeld met 1 jaar kunnen worden bespoedigd?
Is de Commissie op de hoogte van de zaak van de heer Engert in Bozi Dar die in het kader van de exploitatie van een skischool op alle mogelijke wijzen wordt tegengewerkt?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(28 februari 2003)
De Commissie deelt het geachte parlementslid mede dat bij de Commissie een klein aantal klachten is ingediend door EU-burgers of -bedrijven die ondernemingen willen opzetten of diensten willen verlenen in de Tsjechische Republiek. Meestal gaat het evenwel niet om klachten over discriminatie, maar om algemene problemen die verband houden met het wettelijke kader voor ondernemingen.
Gelet op het feit dat de Tsjechische Republiek de laatste jaren van de kandidaat-landen de grootste ontvanger van buitenlandse rechtstreekse investeringen per hoofd van de bevolking was, is het aantal klachten vanuit welke invalshoek dan ook opmerkelijk klein.
Elke klacht, op welke grond dan ook, wordt zorgvuldig en individueel behandeld. De Commissie is zich bewust van de onvolkomenheden van het Tsjechische wettelijke kader voor ondernemingen en heeft hierop gewezen in de periodieke verslagen. Het huidige wettelijke kader wordt verder aangepast met nieuwe wetgeving inzake handel en bedrijven, overheidsopdrachten en faillissement, die momenteel wordt voorbereid en door de Commissie van nabij wordt gevolgd teneinde de volledige aanpassing aan de Gemeenschapswetgeving te waarborgen.
Het is onjuist te beweren dat het Tsjechische wettelijke kader niet voorziet in de mogelijkheid beroep aan te tekenen tegen besluiten van de autoriteiten. Alle besluiten en andere maatregelen van bestuurlijke organen (centrale of lokale of andere entiteiten die een deel van het openbaar gezag uitoefenen) die een weerslag hebben op subjectieve rechten en verplichtingen van natuurlijke of rechtspersonen, moeten in beginsel door de rechter kunnen worden getoetst, tenzij de wet anders bepaalt. In besluit nr. 150/2002 Coll. inzake het wetboek van procesvoering voor de administratieve rechtbanken is slechts in enkele uitzonderingen voorzien, die dan nog meestal verband houden met geheime informatie en staatsveiligheid (bv. besluiten in verband met veiligheidsdoorlichting, die belangrijk zijn voor individuele personen om in aanmerking te komen voor een aantal openbare ambten).
De burgerlijke rechtbanken zijn bevoegd voor beroepen tegen besluiten van bestuurlijke organen in verband met burgerlijk recht, familierecht, arbeidsrecht en handelsverbintenissen (zie artikel 7 en artikel 244 e.v. van het wetboek van burgerlijke procesvoering), terwijl rechtbanken (in beginsel commissies van districtsrechtbanken) die uit hoofde van het wetboek van procesvoering voor de administratieve rechtbanken optreden als administratieve rechtbank, bevoegd zijn voor beroepen tegen besluiten, onwettig optreden dat geen besluit vormt en stilzitten van elke openbare of particuliere entiteit die als bestuurlijk orgaan optreedt (zie de artikelen 2-4 en artikel 65 e.v. van besluit nr. 150/2002 Coll).
Rechterlijke toetsing van administratieve besluiten is een relatief nieuw concept in het huidige Tsjechische wettelijke kader, zodat de basisteksten weliswaar duidelijk zijn, doch de uitvoering in de praktijk niet altijd gelijkloopt. Het administratief hooggerechtshof, dat moet zorgen voor uniformiteit in de rechtspraak van de districtsrechtbanken die als administratieve rechtbank optreden, begint operationeel te worden.
De Tsjechische Republiek heeft voorts een goed functionerende ombudsdienst, waarbij klachten over administratieve kwesties kunnen worden ingediend.
Wat de smeergelden betreft waarnaar het geachte parlementslid verwijst, beschikt de Commissie niet over materiële bewijzen van deze beweringen.
Er zijn verschillende initiatieven genomen om de werking van het handelsregister te verbeteren, maar voorlopig zijn deze niet succesvol. De Kamer van Afgevaardigden heeft in december 2001 een wetsontwerp van een parlementslid om het handelsregister te privatiseren (om het onafhankelijk en verantwoordingsplichtig te maken) verworpen.
Kwesties met betrekking tot het handelsregister worden regelmatig aangekaart door het bedrijfsleven (zowel het Tsjechische bedrijfsleven als dat van de Gemeenschap) en de kamers van koophandel van de Tsjechische Republiek. In het periodiek verslag van 2002 is gewezen op de belang van efficiënt functionerende handelsregisters en de Commissie blijft deze situatie nauwlettend volgen.
Ten slotte, de Commissie is niet op de hoogte van de zaak in Bozi Dar waarnaar het geachte parlementslid verwijst, maar zij is zeker bereid zich te buigen over een gegronde klacht van de heer Engert.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/596 |
(2004/C 88 E/0609)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0277/03
van Brian Simpson (PSE) aan de Commissie
(7 februari 2003)
Betreft: Invoer van dinatriumcarbonaat
Is de Commissie bereid na te gaan of de Verenigde Staten dinatriumcarbonaat dumpen op de EU-markt? Is zij verder voornemens tijdens de komende WTO-ronde de handhaving te steunen van importtarieven op dit product, maar erop toe te zien dat de afschaffing van tarieven, indien deze noodzakelijk is, geleidelijk en onder toezicht plaats vindt?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(10 maart 2003)
De Commissie deelt het geachte parlementslid mede dat antidumpingprocedures worden gevoerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), volgens welke verordening de betreffende bedrijfstak van de Gemeenschap bij de Commissie een klacht moet indienen. Deze klacht moet voldoende bewijsmateriaal bevatten inzake dumping en daaruit voortvloeiende schade. Tot nu toe heeft de Commissie geen klacht ontvangen over de invoer met dumping van dinatriumcarbonaat. Indien zij een dergelijke klacht ontvangt, zal zij deze uiteraard prompt onderzoeken.
Bij de lopende multilaterale besprekingen in het kader van de Doha Development Agenda heeft de Gemeenschap voorgesteld dat alle leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) vlakkere douanetarief-schalen invoeren om een einde te maken aan zeer hoge en hoge invoerrechten. Daar duurzame ontwikkeling het hoofddoel van deze ronde is en daar uitzonderingen en een verdere bescherming van bepaalde sectoren slechts tot verstoringen en kosten kunnen leiden die de ontwikkelingslanden zich moeilijk kunnen veroorloven, zal het mechanisme zonder uitzondering op alle sectoren van toepassing zijn. Dit belet evenwel niet dat de Gemeenschap, rekening houdend met economische gevoeligheden, tijdschema's voorstelt voor de tenuitvoerlegging van dit programma.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/597 |
(2004/C 88 E/0610)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0306/03
van Hanja Maij-Weggen (PPE-DE) aan de Commissie
(4 februari 2003)
Betreft: Mensenrechtensituatie in Zimbabwe
Is de Commissie op de hoogte van het feit dat Amani Trust, een NGO in Zimbabwe die ondersteuning verleent aan slachtoffers van marteling, op 22 januari met brandbommen is bedreigd, en weet de Commissie ook dat de Amani Trust derhalve haar werkzaamheden heeft moeten staken?
Is de Commissie ook op de hoogte van het lot van Job Shikala, lid van het parlement voor de MDC, Gabriel Shumba, jurist verbonden aan de mensenrechten-NGO Forum, Charles Mutama, bisschop Shumba en T. Magaya? Uit medisch onderzoek is gebleken dat deze vijf personen door middel van elektrische schokken gemarteld zijn.
Is de Commissie bereid om navraag te laten doen naar het lot van deze burgers en naar de huidige situatie van Amani Trust en de bevindingen bekend te maken via een antwoord op deze vraag?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(7 maart 2003)
De Commissie is op de hoogte van de door het geachte parlementslid vermelde feiten, welke kunnen worden beschouwd als concrete voorbeelden van de huidige verslechtering van de situatie op het gebied van de mensenrechten in Zimbabwe. In de van de delegatie van de Commissie in Harare ontvangen verslagen wordt de toename bevestigd van de gevallen van politiek gemotiveerd geweld, op sommige waarvan door het geachte parlementslid wordt gewezen.
De Unie heeft op 20 februari 2003 gereageerd met een verklaring waarin bezorgdheid wordt geuit over de recente arbitraire arrestaties, onmenselijke behandeling en marteling van leden van de oppositie en van organisaties uit de burgermaatschappij. De Unie verzoekt de Regering van Zimbabwe een einde te maken aan alle tegen hen gerichte pesterij, intimidatie en geweld, en dringt er bij haar en alle politieke belanghebbenden op aan een ernstige dialoog op gang te brengen, teneinde de huidige ontzaglijke problemen waarmee Zimbabwe op humanitair, sociaal en economisch gebied wordt geconfronteerd, te boven te komen.
Eerbied voor de mensenrechten is, als essentieel onderdeel van Cotonou, een van de voorwaarden waarop constant wordt toegezien in het kader van het Besluit van de Raad van 18 februari 2002 houdende afsluiting van het overleg krachtens artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou. De Commissie volgt derhalve de situatie op het gebied van de mensenrechten van nabij en heeft naar aanleiding van de verslechterende situatie in dat land passende maatregelen genomen, die zij zal blijven nemen. De Commissie is evenwel niet bij machte een onderzoek in te stellen naar en verslag uit te brengen over individuele gevallen.
De Commissie betreurt de pesterijen waarvan Amani Trust het voorwerp is geweest en naar aanleiding waarvan deze NGO haar werkzaamheden heeft moeten staken. Het was een onafhankelijke en achtenswaardige organisatie die bijstand verleende aan slachtoffers van alle soorten van georganiseerd geweld en waarvan het werk in moeilijke omstandigheden in Zimbabwe altijd werd gewaardeerd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/598 |
(2004/C 88 E/0611)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0401/03
van Roy Perry (PPE-DE) aan de Commissie
(17 februari 2003)
Betreft: Transparantie in de tenuitvoerlegging van omroepwetgeving in Tsjechië
In haar meest recente periodiek verslag over de Tsjechische Republiek (1), uit de Europese Commissie kritiek op het „aanhoudende gebrek aan transparantie en stabiliteit” in dat land „in verband met vraagstukken inzake de eigendom van en controle op commerciële tv-omroepen”. De Commissie merkt op dat er „nu een tweede soortgelijk conflict is ontstaan, en dat ook dit conflict wellicht door internationale scheidsgerechten beslecht zal moeten worden”. De Commissie merkt voorts op dat de Tsjechische Raad voor Radio- en Televisieomroepen „zorg dient te dragen voor de tijdige, objectieve en doelmatige toepassing van omroepwetgeving” en dat „het met name van belang blijft een transparant en voorspelbaar regelgevend kader op te zetten en daar effectief toezicht op uit te oefenen”.
Op welke manier denkt de Commissie te blijven bijhouden hoe de Tsjechische autoriteiten omgaan met problemen uit het verleden, zoals de zaak met TV3 die in het periodiek verslag wordt genoemd (het „tweede soortgelijk conflict”), waarbij de Tsjechische Raad voor Radio- en Televisieomroepen investeerders van de EG discrimineerde in zijn besluit inzake de overdracht van een licentie? Heeft de Commissie specifieke acties gepland?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(13 maart 2003)
In het periodiek verslag van 2002 (2) heeft de Commissie bezorgdheid geuit in verband met twee lopende geschillen over buitenlandse investeringen in Tsjechische commerciële televisiezenders en in verband met de onenigheid die midden 2002 in de Tsjechische Republiek is gerezen over de controle van de grootste commerciële zender (thans blijkbaar opgelost). Het feit dat deze drie kwesties konden ontstaan, wijst erop dat de Tsjechische autoriteiten maatregelen zouden moeten nemen om de situatie in de sector te verbeteren door de relevante wetgeving of de regelgevingspraktijk of beide te wijzigen.
In het periodiek verslag van 2002 werd tevens gewezen op de centrale rol van de regelgevende instantie in dergelijke omstandigheden, zeker wanneer (na de recente goedkeuring van wetgeving) precedenten worden geschapen en die instantie haar gezag moet vestigen.
Het audiovisuele acquis bevat geen specifieke vereisten voor de regelgeving in de omroepsector, noch voor de licentieprocedures waar het TV3-geschil om draaide. De „Televisie zonder grenzen”-richtlijn (3) bepaalt dat de lidstaten het acquis daadwerkelijk moeten kunnen uitvoeren, waardoor de Commissie een juridische basis heeft om haar bezorgdheid over de algemene stand van regelgeving in de sector te uiten en verbetering te eisen, doch niet om exacte modellen van regelgeving of licenties op te leggen.
Er zijn tal van contacten geweest tussen de ambtenaren van de Commissie en de partijen die bij het TV3-geschil zijn betrokken en de Commissie blijft de ontwikkelingen nauwgezet volgen. Vermeende discriminatie wordt door de Commissie zeer ernstig genomen, net zoals de taken in verband met het toezien op de kandidaat-landen. De Commissie zal de ontwikkelingen in de sector op gepaste wijze weergeven wanneer zij haar voortgangsverslag van 2003 indient.
In handelsgeschillen als deze kan de Commissie echter slechts in beperkte mate „specifieke acties” ondernemen, met name wanneer deze geschillen bij de rechtbank aanhangig zijn gemaakt. De buitenlandse investeerder heeft onmiddellijk tegen het betwiste besluit van de regelgevende instantie in de Tsjechische Republiek een procedure ingesteld; de arrondissementsrechtbank van Praag heeft de vordering afgewezen, en de beroepsprocedure loopt thans bij het Tsjechische Constitutionele Hof. Voorts is de buitenlandse investeerder van plan om een klacht in te dienen op basis van het bilaterale investeringsverdrag tussen België/Luxemburg en de Tsjechische Republiek. Deze gerechtelijke procedures moeten hun loop hebben. De Commissie zal de Tsjechische autoriteiten blijven wijzen op het belang van een effectief toezicht op een transparant en voorspelbaar wettelijk kader.
(1) SEC(2002) 1402, Hoofdstuk 20, pagina 99-101, d.d. 9 oktober 2002.
(2) COM(2002) 700 def.
(3) Richtlijn 89/225/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteit, PB L 298 van 17.10.1989.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/599 |
(2004/C 88 E/0612)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0796/03
van Concepció Ferrer (PPE-DE) aan de Commissie
(14 maart 2003)
Betreft: Ambtelijke geplogenheden bij het Europees Ontwikkelingsfonds
Verschillende belanghebbende niet-gouvernementele organisaties hebben onlangs hun beklag gedaan over de blokkering van 11,2 biljoen EUR van het Europees Ontwikkelingsfonds voor projecten in de strijd tegen aids, tbc en malaria, door administratieve problemen.
Kan de Commissie het feit en de cijfers bevestigen?
Wat heeft ze ondernomen, of wat onderneemt ze op dit ogenblik, om ervoor te zorgen, ten eerste dat de problemen opgelost geraken, en ten tweede, dat ze zich niet meer opnieuw voordoen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(28 april 2003)
Deze vraag biedt de Commissie een welkome gelegenheid een zaak toe te lichten die in de pers is verschenen en die kan worden gekwalificeerd als een groot misverstand over de werking van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF).
De Europese Ontwikkelingsfondsen worden door de Gemeenschap via vijfjaarlijkse financiële protocollen voor de ACS-landen (landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan) ingezet. In het kader van het 6e, 7e en 8e EOF, die nog steeds operationeel waren tot de inwerkingtreding van het 9e EOF op 1 april 2003, is een totaalbedrag van 32,4 miljard euro toegewezen aan ACS-landen (1). Eind februari 2003 was 29,7 miljard euro (92 %) van dit bedrag vastgelegd en 21,3 miljard euro (66 %) uitbetaald. Dit betekent dat 2,7 miljard euro nog beschikbaar was voor vastleggingen (die hoofdzakelijk in de loop van 2003 worden toegekend) en 11,1 miljard euro voor betalingen.
In tegenstelling tot de informatie waarnaar het geachte parlementslid verwijst, waren deze fondsen niet gereserveerd voor projecten ter bestrijding van aids, tuberculose en malaria. Er zijn fondsen van het 6e, 7e en 8e EOF toegewezen voor nationale programma's, diverse horizontale instrumenten (steun voor structurele aanpassing, schuldvermindering, spoedhulp enz), en regionale samenwerking en integratie.
Een klein deel van de voor regionale samenwerking toegewezen fondsen was in 2002 gereserveerd voor een bijdrage van 60 miljoen euro uit het EOF aan het Wereldfonds voor de bestrijding van aids, tuberculose en malaria. Dit bedrag is inderdaad nog niet uitbetaald, omdat het Wereldfonds en de Commissie momenteel over de bijdrageovereenkomst onderhandelen. In overeenstemming met de bepalingen van de Overeenkomst van Cotonou, moet in de bijdrageovereenkomst met het Wereldfonds worden gewaarborgd dat de bijdrage uit het EOF voor ACS-landen wordt gebruikt. Wij verwachten dat deze bijdrageovereenkomst spoedig zal worden gesloten.
In het kader van de communautaire begroting is ook een bijdrage van 60 miljoen euro aan het Wereldfonds vastgelegd.
(1) In het kader van het 6e, 7e en 8e EOF, die ook samenwerking met landen en gebieden overzee omvatten, bedraagt het totale beschikbare bedrag 32,8 miljard euro.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/600 |
(2004/C 88 E/0613)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0830/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(18 maart 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het programma Cultuur 2000 door de gemeente Frosinone
In september 2002 heeft het Comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken het verslag gepresenteerd over de aanwending van de door de EU beschikbaar gestelde gelden.
Uit dat onderzoek is gebleken op welke onrustwekkend trage en ondoeltreffende wijze de projecten door een aantal territoriale eenheden worden toegewezen.
De alarmerende situatie in verband met de ontoereikende aanwending van de Europese fondsen door de plaatselijke besturen is ook door de Europese Commissie al meermaals onderstreept.
Overwegende dat in het bijzonder enkele territoriale besturen, zoals de gemeente Frosinone, de Europese fondsen dringend moeten gebruiken om de gemeentelijke culturele ruimte in al haar diversiteit en met al haar tradities op te waarderen door de creatie en de beroepsmobiliteit, de toegang tot en de verspreiding van kunst en cultuur aan te moedigen, kan de Commissie zeggen:
|
1. |
of de gemeente Frosinone projecten voor het programma Cultuur 2000 heeft ingediend; |
|
2. |
of de gemeente voor die projecten financiële steun heeft gekregen; |
|
3. |
of die gelden zijn gebruikt? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/600 |
(2004/C 88 E/0614)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0892/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(21 maart 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het programma Cultuur 2000 door de gemeente Fiumicino
In september 2002 heeft het Comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken het verslag gepresenteerd over de aanwending van de door de EU beschikbaar gestelde gelden.
Uit dat onderzoek is gebleken op welke onrustwekkend trage en ondoeltreffende wijze de projecten door een aantal territoriale eenheden worden toegewezen.
De alarmerende situatie in verband met de ontoereikende aanwending van de Europese fondsen door de plaatselijke besturen is ook door de Europese Commissie al meermaals onderstreept.
Overwegende dat in het bijzonder enkele territoriale besturen, zoals de gemeente Fiumicino, de Europese fondsen dringend moeten gebruiken om de gemeentelijke culturele ruimte in al haar diversiteit en met al haar tradities op te waarderen door de creatie en de beroepsmobiliteit, de toegang tot en de verspreiding van kunst en cultuur aan te moedigen, kan de Commissie zeggen:
|
1. |
of de gemeente Fiumicino projecten voor het programma Cultuur 2000 heeft ingediend; |
|
2. |
of de gemeente voor die projecten financiële steun heeft gekregen; |
|
3. |
of die gelden zijn gebruikt? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/601 |
(2004/C 88 E/0615)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0978/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(27 maart 2003)
Betreft: Gebruik door de gemeente Ancona van subsidies in het kader van het „Cultuur 2000”-programma
In september 2002 heeft het Comité van Toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken verslag uitgebracht over de situatie met betrekking tot de uitgaven in het kader van het bovenvermelde cultuurprogramma van de EU.
Uit dit rapport komt naar voren hoe onrustbarend traag en inefficiënt sommige lokale besturen bij de toewijzing van middelen voor cultuurprojecten te werk gaan.
De Europese Commissie heeft er overigens reeds meerdere malen op gewezen dat plaatselijke besturen vaak onvoldoende gebruikmaken van de beschikbare gelden.
Daar staat tegenover dat sommige lokale besturen, zoals de gemeente Ancona, de EU-subsidies juist heel goed kunnen gebruiken om zich de gemeenschappelijke culturele dimensie in al haar aspecten en tradities ten nutte te maken door bevordering van professionele creativiteit en beroepsmobiliteit en door kunst en cultuur beter toegankelijk te maken en te verspreiden.
Kan de Commissie derhalve mededelen:
|
1. |
of de gemeente Ancona inderdaad reeds projecten in het kader van het cultuurprogramma 2000 heeft ingediend? |
|
2. |
of zij daarvoor al financiële steun heeft ontvangen? |
|
3. |
of die middelen ook effectief zijn gebruikt? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/601 |
(2004/C 88 E/0616)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0979/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(27 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Carrara van de subsidies uit hoofde van het programma „Cultuur 2000”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Carrara, hebben de Europese subsidies hard nodig om de diversiteit en tradities van de gemeenschappelijke cultuur te bevorderen door het stimuleren van creativiteit, beroepsmobiliteit, toegang tot en verbreiding van kunst en cultuur.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Carrara projecten heeft voorgesteld in het kader van het programma „Cultuur 2000”? |
|
2. |
of de gemeente Carrara subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/602 |
(2004/C 88 E/0617)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0980/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(27 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Florence van de subsidies uit hoofde van het programma „Cultuur 2000”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Florence, hebben de Europese subsidies hard nodig om de diversiteit en tradities van de gemeenschappelijke cultuur te bevorderen door het stimuleren van creativiteit, beroepsmobiliteit, toegang tot en verbreiding van kunst en cultuur.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Florence projecten heeft voorgesteld in het kader van het programma „Cultuur 2000”? |
|
2. |
of de gemeente Florence subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/602 |
(2004/C 88 E/0618)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0981/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(27 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Livorno van de subsidies uit hoofde van het programma „Cultuur 2000”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Livorno, hebben de Europese subsidies hard nodig om de diversiteit en tradities van de gemeenschappelijke cultuur te bevorderen door het stimuleren van creativiteit, beroepsmobiliteit, toegang tot en verbreiding van kunst en cultuur.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Livorno projecten heeft voorgesteld in het kader van het programma „Cultuur 2000”? |
|
2. |
of de gemeente Livorno subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/603 |
(2004/C 88 E/0619)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0982/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(27 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Macerata van de subsidies uit hoofde van het programma „Cultuur 2000”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Macerata, hebben de Europese subsidies hard nodig om de diversiteit en tradities van de gemeenschappelijke cultuur te bevorderen door het stimuleren van creativiteit, beroepsmobiliteit, toegang tot en verbreiding van kunst en cultuur.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Macerata projecten heeft voorgesteld in het kader van het programma „Cultuur 2000”? |
|
2. |
of de gemeente Macerata subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/603 |
(2004/C 88 E/0620)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0983/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(27 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Massa van de subsidies uit hoofde van het programma „Cultuur 2000”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Massa, hebben de Europese subsidies hard nodig om de diversiteit en tradities van de gemeenschappelijke cultuur te bevorderen door het stimuleren van creativiteit, beroepsmobiliteit, toegang tot en verbreiding van kunst en cultuur.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Massa projecten heeft voorgesteld in het kader van het programma „Cultuur 2000”? |
|
2. |
of de gemeente Massa subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/604 |
(2004/C 88 E/0621)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0984/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(27 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Perugia van de subsidies uit hoofde van het programma „Cultuur 2000”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Perugia, hebben de Europese subsidies hard nodig om de diversiteit en tradities van de gemeenschappelijke cultuur te bevorderen door het stimuleren van creativiteit, beroepsmobiliteit, toegang tot en verbreiding van kunst en cultuur.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Perugia projecten heeft voorgesteld in het kader van het programma „Cultuur 2000”? |
|
2. |
of de gemeente Perugia subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/604 |
(2004/C 88 E/0622)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0985/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(27 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Pesaro van de subsidies uit hoofde van het programma „Cultuur 2000”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Pesaro, hebben de Europese subsidies hard nodig om de diversiteit en tradities van de gemeenschappelijke cultuur te bevorderen door het stimuleren van creativiteit, beroepsmobiliteit, toegang tot en verbreiding van kunst en cultuur.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Pesaro projecten heeft voorgesteld in het kader van het programma „Cultuur 2000”? |
|
2. |
of de gemeente Pesaro subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/605 |
(2004/C 88 E/0623)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0986/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(27 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Pisa van de subsidies uit hoofde van het programma „Cultuur 2000”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Pisa, hebben de Europese subsidies hard nodig om de diversiteit en tradities van de gemeenschappelijke cultuur te bevorderen door het stimuleren van creativiteit, beroepsmobiliteit, toegang tot en verbreiding van kunst en cultuur.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Pisa projecten heeft voorgesteld in het kader van het programma „Cultuur 2000”? |
|
2. |
of de gemeente Pisa subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/605 |
(2004/C 88 E/0624)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0987/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(27 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Pistoia van de subsidies uit hoofde van het programma „Cultuur 2000”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Pistoia, hebben de Europese subsidies hard nodig om de diversiteit en tradities van de gemeenschappelijke cultuur te bevorderen door het stimuleren van creativiteit, beroepsmobiliteit, toegang tot en verbreiding van kunst en cultuur.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Pistoia projecten heeft voorgesteld in het kader van het programma „Cultuur 2000”? |
|
2. |
of de gemeente Pistoia subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/606 |
(2004/C 88 E/0625)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0988/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(27 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Prato van de subsidies uit hoofde van het programma „Cultuur 2000”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Prato, hebben de Europese subsidies hard nodig om de diversiteit en tradities van de gemeenschappelijke cultuur te bevorderen door het stimuleren van creativiteit, beroepsmobiliteit, toegang tot en verbreiding van kunst en cultuur.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Prato projecten heeft voorgesteld in het kader van het programma „Cultuur 2000”? |
|
2. |
of de gemeente Prato subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/606 |
(2004/C 88 E/0626)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0989/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(27 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Siena van de subsidies uit hoofde van het programma „Cultuur 2000”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Siena, hebben de Europese subsidies hard nodig om de diversiteit en tradities van de gemeenschappelijke cultuur te bevorderen door het stimuleren van creativiteit, beroepsmobiliteit, toegang tot en verbreiding van kunst en cultuur.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Siena projecten heeft voorgesteld in het kader van het programma „Cultuur 2000”? |
|
2. |
of de gemeente Siena subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/607 |
(2004/C 88 E/0627)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0990/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(27 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Terni van de subsidies uit hoofde van het programma „Cultuur 2000”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Terni, hebben de Europese subsidies hard nodig om de diversiteit en tradities van de gemeenschappelijke cultuur te bevorderen door het stimuleren van creativiteit, beroepsmobiliteit, toegang tot en verbreiding van kunst en cultuur.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Terni projecten heeft voorgesteld in het kader van het programma „Cultuur 2000”? |
|
2. |
of de gemeente Terni subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
Gecombineerd Aanvullend antwoord
van mevrouw Reding namens de Commissie op de schritftelijke vragen E-0830/03, E-0892/03, E-0978/03, E-0979/03, E-0980/03, E-0981/03, E-0982/03, E-0983/03, E-0984/03, E-0985/03, E-0986/03, E-0987/03, E-0988/03, E-0989/03 en E-0990/03
(30 juli 2003)
De Commissie maakt de geachte afgevaardigde er attent op dat het programma Cultuur 2000 een communautair programma is, dat op een besluit van het Parlement en de Raad stoelt. Het programma wordt rechtstreeks door de Commissie ten uitvoer gebracht en behoort niet tot de financieringsinstrumenten in het kader van de Structuurfondsen. Er moet dan ook op gewezen worden dat de financiële middelen van het programma Cultuur 2000 niet door regionale of lokale overheidsinstanties beheerd worden, maar aan de hand van de voorschriften en criteria uit het besluit tot invoering van het programma rechtstreeks door de Commissie toegekend worden.
Doel van het programma Cultuur 2000 is steun te verlenen aan projecten die ten uitvoer gebracht en gefinancierd worden door minimaal drie projectorganisaties uit ten minste drie landen die aan het programma deelnemen. De voorwaarden en criteria voor deelname aan het programma Cultuur 2000 worden ieder jaar gepubliceerd in een oproep tot het indienen van voorstellen. De voorstellen voor projecten worden rechtstreeks door de projectorganisaties bij de Commissie ingediend.
De toekenning van de subsidie is in dit kader rechtstreeks en op stringente wijze gebonden aan het verloop van de projecten (de verantwoordelijke projectorganisaties op cultureel gebied dienen voor een goed verloop van de geselecteerde projecten te zorgen), die gemonitord worden door de eenheid van de Commissie die met Cultuur 2000 belast is.
De Commissie maakt de geachte afgevaardigde er voorts attent op dat alle gegevens over de in het kader van Cultuur 2000 gesubsidieerde projecten te vinden zijn onder http://europa.eu.int/comm/culture/c2000.
De enige gemeente — van alle door de geachte afgevaardigde genoemde gemeenten — die in 2002 in het kader van het programma Cultuur 2000 een voorstel voor een door haar te leiden project ingediend heeft, was Pesaro. Het desbetreffende projectvoorstel is geselecteerd en heeft 82 987 EUR steun ontvangen.
Voor nadere informatie kan de geachte afgevaardigde zich overigens tot de regionale en lokale overheidsinstanties wenden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/608 |
(2004/C 88 E/0628)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0915/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(24 maart 2003)
Betreft: Cijfers bijdrage Europese Unie aan VN Wereld Voedsel Programma
Wat zijn de cijfers voor de bedragen die de EU heeft gegeven aan het VN Wereld Voedsel Programma voor noodhulp in zuidelijk Afrika (Malawi, Zambia, Zimbabwe en Lesotho) voor de jaren 2001 en 2002?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(29 april 2003)
De rechtstreekse toewijzingen in cash voor het Wereldvoedselprogramma (WVP) uit de begrotingslijn voedselzekerheid (B7-20) voor de aankoop van voedselproducten op lokaal en regionaal niveau voor zuidelijk Afrika zijn sinds april 2002 voor Zimbabwe en Zambia uit de begroting 2001 en 2002 gedaan voor een totaalbedrag van 72,5 miljoen euro, voor 157 900 ton voedselhulp die als volgt is verdeeld:
|
Land/begrotingsjaar |
Begroting 2001 (lijn B7-20) |
Begroting 2002 (lijn B7-20) |
Totaal (van begrotingslijn B7-20) |
|||
|
EUR |
miljoen ton |
EUR |
miljoen ton |
EUR |
miljoen ton |
|
|
Zimbabwe |
10 500 000 |
19 300 |
42 000 000 |
93 500 |
52 500 000 |
112800 |
|
Zambia |
|
|
20 000 000 |
45 100 |
20 000 000 |
45100 |
|
Totaal 2002 Zuidelijk Afrika |
10 500 000 |
19 300 |
62 000 000 |
138 600 |
72 500 000 |
157900 |
In Malawi wordt de communautaire voedselhulp toegekend aan de regering (rechtstreekse hulp) die voor acties van het WVP wordt gebruikt voor de distributie van producten; in 2002 heeft de regering van Malawi lokaal voor circa 6,0 miljoen euro aan contracten met het WVP gesloten afkomstig uit communautaire bijdragen.
In 2002 is uit de begrotingslijn B7-210 van de algemene begroting van de Gemeenschap een bedrag van 10,4 miljoen euro aan het Wereldvoedselprogramma als humanitaire hulp toegekend. In 2001 werd aan het WVP geen humanitaire hulp verstrekt voor de vijf landen in kwestie.
De humanitaire bijstand voor 2002 kan als volgt worden uitgesplitst:
|
— |
Malawi: 320 000 EUR werd aan het WVP toegewezen om 1 000 ton maïs te verrijken en deze te verdelen onder therapeutische voedingscentra; |
|
— |
Zambia: 5 000 000 EUR werd aan het WVP toegewezen om 12 000 ton voedselhulp te leveren aan 114 000 vluchtelingen in zes vluchtelingenkampen in Zambia; |
|
— |
Zimbabwe: 5 112 090 EUR werd aan het WVP toegewezen om de capaciteit van het WVP en zijn partners inzake voedseldistributie te versterken, in het bijzonder om beter de begunstigden te bereiken en te registreren, en voor een betere controle tijdens en na de verdeling. |
Bovendien zijn er door lidstaten bijdragen in cash via het WVP geleverd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/609 |
(2004/C 88 E/0629)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1117/03
van Bart Staes (Verts/ALE) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Etikettering levensmiddelen na de uitbreiding
Binnen zeer afzienbare tijd vindt de uitbreiding plaats. Na de uitbreiding telt de EU 19 officiële talen en verschillende letterschriften. Dit kan aanzienlijke problemen veroorzaken bij de etikettering van levensmiddelen. Productetiketten raken overvol en onoverzichtelijk en er bestaat een duidelijk gebrek aan uniformiteit inzake de gegevens op productetiketten.
Het lijkt dan ook aangewezen de reeds door Europese regelgeving verplichte indicaties aan te vullen met een reeks duidelijk herkenbare symbolen (pictogrammen) voor de aanduiding van productkwalificaties als: geschikt voor diabetici, vegetarisch, biologisch, vetarm, ambachtelijk bereid, streekspecialiteit, genetisch gemanipuleerd, niet getest op dieren, etc.
Kan de Commissie mij meedelen of ze van plan is zo'n uitgebreide lijst van „pictogrammen” op te stellen en het gebruik ervan te verplichten bij productetikettering? Zo neen, hoe denkt zij het probleem met potentieel overvolle etiketten op producten dan te ondervangen?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(8 mei 2003)
De Commissie wil er in de eerste plaats op wijzen dat veeltalige etiketten veelal voortvloeien uit de manier van doen van producenten van levensmiddelen en niet uit de vigerende regelgeving. Deze regelgeving, d.w.z. richtlijn 2000/13/EG (1) bepaalt in hoofdzaak dat de gegevens op de etiketten in een voor de consument gemakkelijk te begrijpen taal opgesteld moeten zijn en dat de lidstaat waar het product verkocht wordt, kan eisen dat op zijn grondgebied voor de gegevens op de etiketten gebruik wordt gemaakt van één of meer officiële talen die de lidstaat uit de officiële talen van de Gemeenschap kiest. In het merendeel van de lidstaten is slechts een enkele taal vereist.
Deze bepalingen vormen geen belemmering voor de vermelding van gegevens in verscheidene talen op de etiketten. Voorwaarde daarbij is evenwel, zoals in de richtlijn ook is vastgelegd, dat de gegevens begrijpelijk geformuleerd zijn en op een duidelijk zichtbare plaats en in duidelijk leesbare en onuitwisbare letters aangebracht zijn.
Het spreekt vanzelf dat deze grondbeginselen ook na de volgende uitbreiding van toepassing blijven.
De Commissie is het niettemin met de geachte afgevaardigde eens dat een teveel aan talen op de etiketten, vooral bij verpakkingen van kleine afmetingen, de duidelijkheid en leesbaarheid van de gegevens op het etiket kan aantasten. Deze omstreden manier van doen is geheel los van de uitbreiding reeds geconstateerd.
De Commissie acht het in het algemeen wenselijk dat de regelgeving van de Gemeenschap op een aantal punten aangepast wordt en dit geldt onder andere voor de duidelijkheid en leesbaarheid van de gegevens. In dit verband is onlangs een begin gemaakt met een evaluatie van de regelgeving, zodat de elementen in kaart kunnen worden gebracht waarop wijzigingen nodig zijn en er uitgangspunten worden verkregen voor de uit te werken voorstellen. Deze evaluatie moet eind 2003 afgerond zijn.
Tegen deze achtergrond zou ook het idee van de pictogrammen bekeken kunnen worden.
(1) Richtlijn 2000/13/EG van het Parlement en de Raad van 20 maart betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame, PB L 109 van 6.5.2000.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/610 |
(2004/C 88 E/0630)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1297/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(7 april 2003)
Betreft: Moordpartijen in Kasjmir
Volgens berichten in diverse media is de onrust in het Indiase deel van Kasjmir opnieuw toegenomen.
Op 24 maart 2003 werden in Nadi Marg ten zuiden van Srinagar 24 hindoes, waaronder 11 vrouwen en 2 kinderen, vermoord.
Naar verluidt werd met deze moordpartij wraak genomen voor de moord, de dag daarvoor, op Abdul Majid Dar, voormalig leider van de Hizbul Mujahedin, een van de belangrijkste anti-Indiase guerrillabewegingen.
Deze recente gebeurtenissen dreigen het conflict tussen India en Pakistan opnieuw te doen oplaaien, hoewel de aandacht van de wereld op dit moment vrijwel uitsluitend is gericht op het Iraakse conflict.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Over welke informatie over het gebeurde beschikt zij? |
|
— |
Hoe zullen de betrekkingen tussen India en Pakistan, die ongetwijfeld door de Commissie worden gevolgd, zich op middellange/lange termijn ontwikkelen? |
|
— |
Welke stappen onderneemt zij of is zij voornemens te ondernemen om de strijdende partijen met elkaar te verzoenen? |
|
— |
Welke rol zal de Europese Unie volgens haar kunnen spelen bij de oplossing van dit conflict? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(12 mei 2003)
De Commissie deelt de opvattingen van het geachte parlementslid dat de spanningen tussen India en Pakistan bijzonder zorgwekkend zijn. De Commissie is bovendien zeer goed op de hoogte van hetgeen in Nandimarg is voorgevallen en heeft in de allerduidelijkste termen deze daad van geweld en terrorisme die tot het tragische verlies van onschuldige levens heeft geleid, veroordeeld.
Het lid van de Commissie dat belast is met de buitenlandse betrekkingen heeft in een brief bij zijn Indiase collega, Minister van Buitenlandse Zaken Yashwant Sinha, zijn verontwaardiging en solidariteit geuit, terwijl het voorzitterschap dit namens de Unie heeft gedaan.
De Commissie is van mening dat een vreedzame bijlegging van het geschil tussen India en Pakistan de enig mogelijke uitweg is. Dit is altijd constant en consistent beleid van de EU geweest. De Commissie wijst India en Pakistan geregeld op hun onderscheiden verantwoordelijkheden; zij zal druk blijven uitoefenen om grensoverschrijdend terrorisme te beëindigen en een dialoog tussen de beide regeringen te laten hervatten.
De EU erkent het kritische belang van de betrekkingen tussen India en Pakistan voor de vrede en veiligheid in deze wereld, terwijl zij de aangelegenheid voortdurend en van harte volgt, ongeacht gebeurtenissen elders ter wereld. Bovendien heeft de Commissie haar volledige steun geboden aan de inspanningen van de internationale gemeenschap om beide partijen te binden in een snelle afbouw van de spanningen op de korte termijn en in het zoeken naar een vreedzame oplossing op de langere termijn. Een vreedzame bijlegging kan alleen door de partijen in het geschil zelf worden bereikt; de rol van de internationale gemeenschap is om de beide zijden ertoe aan te moedigen de noodzakelijke stappen in deze richting te zetten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/611 |
(2004/C 88 E/0631)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1342/03
van Benedetto Della Vedova (NI) aan de Commissie
(9 april 2003)
Betreft: Recht op vrijheid van godsdienst in India
Op 26 maart 2003 heeft het parlement van de noordwestelijke Indiase deelstaat Gujarat een door de regering opgestelde wet goedgekeurd over gedwongen religieuze bekeringen, de zogeheten „Freedom of Religion Bill”.
Het missionaire persagentschap MISNA heeft enkele van deze wetsbepalingen vooraf reeds gepubliceerd:
|
a) |
de persoon die verantwoordelijk gehouden wordt voor gedwongen bekeringen kan tot drie jaar gevangenis en een boete van 50 000 roepies (meer dan 1000 EUR) oplopen; |
|
b) |
een bekering kan enkel als wettelijk en niet vervolgbaar beschouwd worden indien deze door de autoriteiten erkend is en de districtsmagistraat er officieel toestemming voor heeft gegeven; |
|
c) |
een als oprecht en vrijwillig beschouwde bekering waarvoor de bevoegde magistraat echter geen toestemming gegeven heeft, kan voor de bekeerde leiden tot een gevangenisstraf tot één jaar en een boete van 1000 roepies (ongeveer 20 EUR). |
Tevens moet opgemerkt worden dat deze wet goedgekeurd is op het moment dat de politieautoriteiten een ongewone vorm van volkstelling houden waarbij ze gegevens moeten verzamelen over de aanwezigheid van christenen tussen 1998 en 2003, over het aantal en de reden waarom deze personen naar de deelstaat gekomen zijn, over het aantal bekeringen en geboortes in die periode en over de huwelijken tussen christenen en aanhangers van andere godsdiensten.
Deze wet — die volgt op de wetten die reeds van kracht zijn in andere Indiase deelstaten, zoals Tamil Nadu, Madhya Pradesh en Orissa — is tot stand gekomen in een klimaat van ernstige bedreigingen en spanningen ten opzichte van de minderheden, met name de christenen en moslims. In dit opzicht wekken de beslissingen van de Bharatiya Janata Party, de partij die India tegenwoordig leidt, hoegenaamd geen verbazing.
|
— |
Kan de Commissie meedelen wat zij weet over de gebeurtenissen in India en met name in de bovengenoemde deelstaten? |
|
— |
Is de Commissie voornemens druk uit te oefenen op de nationale regering van India opdat deze de autoriteiten van Gujarat verplicht onmiddellijk die activiteiten te staken die een duidelijke inbreuk vormen op de Indiase wetten, zoals de registratie van welbepaalde gemeenschappen of religieuze bewegingen? |
|
— |
Welke diplomatieke druk wil zij uitoefenen om ervoor te zorgen dat de Indiase burgers hun recht op vrijheid van godsdienst volledig kunnen doen gelden, zoals bepaald in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, waarin tevens het recht op bekering erkend wordt? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 mei 2003)
Het is de Commissie bekend dat het Parlement van Gujarat, zoals door het geachte parlementslid werd verklaard, voornemens is een „Freedom of Religion Bill” goed te keuren en dat deze wet ongunstige gevolgen voor de religieuze minderheden zou kunnen hebben. Zoals het geachte parlementslid heeft opgemerkt is dit probleem niet tot Gujarat beperkt, maar bestaan er ook in andere deelstaten zoals Tamil Nadu, Madhya Pradesh en Orissa soortgelijke maatregelen, waardoor de indruk ontstaat, dat dergelijke wetten op het niveau van de staat verdere uitbreiding zouden kunnen vinden. Op dit moment is de precieze tekst van de voorgestelde wet nog niet volledig beschikbaar, maar de Commissie zal uiteraard alle ontwikkelingen op de voet volgen
De Commissie deelt de bezorgdheid van het geachte parlementslid dat dit soort overheidswetgeving ertoe zou kunnen leiden dat de Indiase burgers hun recht op vrijheid van godsdienst niet volledig kunnen doen gelden.
De Commissie zal deze kwestie op dezelfde wijze behandelen als alle andere vraagstukken op het gebied van democratie en mensenrechten in India, d.w.z. via haar overeengekomen beleid van een constructieve en permanente dialoog met de Indiase regering.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/612 |
(2004/C 88 E/0632)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1507/03
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(5 mei 2003)
Betreft: Insolventie van Grandig AG en bescherming van de werkgelegenheid in Portugal
Op 14 april 2003 geraakte bekend dat Grandig AG aan de arrondissementsrechtbank van het Duitse Nürnberg surseance (opschorting) van betaling heeft aangevraagd.
Het is u wellicht bekend dat Grandig in Braga (Portugal) de firma „Car InterMedia System — CIS”, die 700 werknemers in dienst heeft, controleert en, naast de eigen productie van autoradio's, ook bepalend is voor eenderde van de productie van „Fehst Componentes Lds.”, dat meer dan 300 werknemers telt. Een en ander toont aan hoe levensvatbaar en selfsupporting CIS is.
De impact van Grundig op de werkgelegenheid en de ontwikkeling in de regio Braga is zeer aanzienlijk. Wij hebben dan ook met grote ongerustheid kennis genomen van de ontwikkelingen in Duitsland, temeer daar er geen werkgelegenheidsalternatieven voorhanden zijn en de recente overplaatsingen van bedrijfsactiviteiten van andere multinationals in het noorden van het land de arbeidsmarktsituatie nog verergeren.
Daarom wilde ik de Commissie het volgende vragen:
|
1. |
Welke communautaire steun heeft de Grundig-groep, en met name „Car InterMedia System” ontvangen, en op welke voorwaarden? |
|
2. |
Wat is de Commissie van plan om ervoor te zorgen dat CIS in Braga kan blijven werken en om de directe en indirecte werkgelegenheid die het bedrijf biedt veilig te stellen, rekening houdend met het feit dat Portugal momenteel het record op zijn naam heeft van de hoogste stijging van de werkloosheid in de Europese Unie? |
Aanvullend antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(2 december 2003)
De Commissie deelt het geachte parlementslid mede dat de Grundig-groep de volgende steun heeft ontvangen:
|
— |
In het kader van het Europees Sociaal Fonds (ESF) Communautair bestek I (CB I) Een overzicht wordt rechtstreeks aan het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement toegezonden. Communautair bestek II (CB II) De laatste geregistreerde procedure met betrekking tot de twee door de Grundig-groep ingediende projecten onder maatregel 1 — „Estimular a modernização empresarial do PRIME” was de goedkeuring door de minister van Economische Zaken van het volgende overzicht met de desbetreffende data en ESF-bedragen:
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
— |
In het kader van het Programa de Incentivos à Modernização Económica (PRIME) is voor de genoemde projecten geen enkele betaling verricht. Communautair bestek III (CB III) |
|
— |
In het kader van het Programa Estratégico de Dinamização e Modernização da Indústria Portuguesa (PEDIP II) is project nr. 42/4655 onder maatregel 3.3 „Inovação e Internacionalização de Estruturas Empresariais” ingediend, waarvan de afsluiting van de ESF-component op 16 augustus 2001 is goedgekeurd met een eindbedrag van 92 480 187 Esc. (EUR 461 289,23). Alle verschuldigde betalingen zijn verricht. |
|
— |
In het kader van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) De onderneming „Car InterMedia System” (CIS) ontving medefinancieringen uit het EFRO ten bedrage van EUR 1 473 867,72, te verdelen als volgt:
|
De EFRO-steun is door de lidstaat toegekend in het kader van een door de Commissie goedgekeurde steunregeling. De lidstaat moet toezien op de naleving van de communautaire voorschriften.
Wanneer er zich binnen vijf jaar na het besluit van de bevoegde nationale autoriteit over de bijdrage van de structuurfondsen een belangrijke verandering in een medegefinancierde verrichting voordoet die voortvloeit uit de beëindiging of de overbrenging naar een andere plaats van een productieve activiteit, zijn de lidstaten verplicht de Commissie daarvan op de hoogte te brengen. Artikel 30, lid 4, van de verordening van de Raad houdende algemene bepalingen inzake de structuurfondsen (voor de programmeringsperiode 2000-2006) bepaalt dat, wanneer zich een dergelijke verandering voordoet, artikel 39 inzake financiële correcties van toepassing is.
Teneinde problemen rond de overbrenging naar een andere plaats te voorkomen, bepalen de op 10 maart 1998 door de Commissie goedgekeurde richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen dat de investering en de geschapen arbeidsplaatsen gedurende ten minste vijf jaar na de investering waarvoor steun is verleend, behouden moeten blijven.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/613 |
(2004/C 88 E/0633)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1555/03
van Eija-Riitta Korhola (PPE-DE) aan de Commissie
(2 mei 2003)
Betreft: Voorkomen van alcoholproblemen in Finland
Ik dank commissaris Bolkestein voor het antwoord dat hij op 14 april 2003 namens de Commissie heeft gegeven op vraag nr. P-0870/03 (1).
Het geachte lid van de Commissie heeft evenwel niet geantwoord op de vraag die was gesteld over de mogelijkheden met betrekking tot het gebruik van de artikelen 30 en 95 van het EG-Verdrag.
Bijgevolg wordt hier het laatste deel van de vraag opnieuw gesteld:
|
— |
Als een lidstaat kan aantonen dat (het volledig wegnemen van de beperkingen voor de particuliere invoer van alcoholische dranken) voor ernstige problemen zorgt met betrekking tot de in artikel 30 van het EG-Verdrag genoemde openbare zedelijkheid, openbare orde, openbare veiligheid en gezondheid of de in artikel 95 bedoelde specifieke problemen doet ontstaan in verband met volksgezondheid, kan zij dan maatregelen nemen om hieraan te verhelpen? |
|
— |
Welke maatregelen zijn in dergelijk geval mogelijk? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(16 juni 2003)
In artikel 26 van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (2) worden Denemarken, Finland en Zweden gemachtigd beperkingen op te leggen ten aanzien van de hoeveelheid accijnsgoederen die reizigers voor eigen gebruik vanuit andere lidstaten op hun grondgebied mogen binnenbrengen zonder extra betaling van accijns. Deze derogaties lopen af eind 2003. Deze richtlijn is gebaseerd op artikel 99 (thans artikel 93) van het EG-Verdrag. Een verlenging van de derogaties die krachtens artikel 26 van deze richtlijn werden toegekend, zou een wijziging vereisen van deze bepaling op basis van dezelfde verdragsbepaling en kan bijgevolg niet op de artikelen 30 of 95 van het EG-Verdrag worden gebaseerd.
Buiten de fiscale sfeer zou iedere niet-fiscale maatregel die om redenen van de openbare gezondheid door een lidstaat op een niet-geharmoniseerd terrein wordt genomen en die aanleiding zou kunnen geven tot een beperking van de invoer van alcoholhoudende dranken, geval per geval moeten worden bekeken om na te gaan of hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 30 van het EG-Verdrag, of die van artikel 95, indien er op het terrein in kwestie sprake is van harmonisatiemaatregelen op communautair niveau.
(1) PB C 33 E van 6.2.2004, blz. 85.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/614 |
(2004/C 88 E/0634)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1690/03
van Anders Wijkman (PPE-DE) aan de Commissie
(21 mei 2003)
Betreft: Bushmeat (vlees uit de wildernis)
De Commissie werkt aan een milieuhandboek voor ontwikkeling s- en samenwerkingsprojecten „Integratie van het milieu in ontwikkeling en economische samenwerking”. De EU heeft zich ten doel gesteld het milieu in andere beleidssectoren te integreren, een bijzonder belangrijk proces.
Bushmeat staat momenteel niet in het handboek vermeld, hoewel bushmeat een wezenlijk deel uitmaakt van de thematiek op het gebied van bossen en armoede. Ontwikkelings- en samenwerkingsprojecten kunnen een zeer significante impact hebben op de stroperij en de kanalen voor de illegale handel.
Is de Commissie bereid om bushmeat op te nemen in het handboek?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(25 juli 2003)
Oerwoudvlees (bushmeat) is een zeer belangrijke aangelegenheid. Volgens sommige ramingen beschouwen tot 150 miljoen arme mensen (een achtste van de armsten van de wereld) in het wild levende dieren als een belangrijk element van hun levensonderhoud (in toenemende mate door de ontwikkeling van het toerisme). Waar de wildfauna inkrimpt, past de arme bevolking zich aan maar doet dat dikwijls afbreuk aan haar bestaansniveau in de zin van een inkomensvermindering, minder diversificatiemogelijkheden en grotere kwetsbaarheid.
Aangezien armoedevermindering het overkoepelend beginsel is voor de beleidsmaatregelen van de Commissie inzake ontwikkelingssamenwerking, streeft de Commissie naar een betere integratie van het bushmeat-aspect in het ontwikkelingsbeleid.
Zij overweegt daartoe de volgende drie stappen:
|
— |
de milieuhandleiding voor ontwikkelings- en samenwerkingsprojecten met als titel „de integratie van milieudoelstellingen in ontwikkelings- en economische samenwerking” wordt eind 2003 — begin 2004 herzien en het bushmeat-aspect wordt in deze handleiding geïntegreerd; |
|
— |
milieueffectbeoordelingen (MEB) en strategische milieubeoordelingen (SMB) zullen slechts als correct uitgevoerd worden beschouwd, indien daarin met betrekking tot wildernisvlees de risico's en eventuele risicobeperkende maatregelen worden aangewezen; op sectoraal niveau uitgevoerde strategische milieubeoordelingen zouden het ideale instrument vormen; de herziene handleiding moet garanderen dat in de SMB voldoende aandacht aan wildernisvlees wordt gegeven; |
|
— |
verschillende met communautaire middelen gefinancierde projecten of programma's hebben betrekking op bushmeat-aangelegenheden; daartoe behoren met name Ecofac (Ecosystèmes forestiers d'Afrique centrale), gefinancierd uit de regionale middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), MIKE (Monitoring illegal killing of elephants) gefinancierd uit de kredieten van begrotinslijn Β7 6200 en „Développement d'un mode de gestion faune dans les grands massifs forestiers d'Afrique Centrale — Projet pilote au nord-est du Gabon”, een nieuw project gefinancierd uit de kredieten van begrotinslijn B7 6200; van de resultaten van deze projecten kan gebruik worden gemaakt als casestudy en voor het bevorderen van goede praktijken. |
Er werden eveneens stappen ondernomen om het handelsverkeer naar de Unie van onwettig oerwoudvlees te beperken. Zo werden onlangs bij beschikking van de Commissie (1) nieuwe regels geïntroduceerd ter voorkoming van de individuele invoer in de Unie van alle vlees en melk uit derde landen. Hiermee worden eerdere afwijkingen afgeschaft waarbij de invoer van kleine hoeveelheden vlees en melk voor persoonlijk gebruik werd toegestaan. De introductie van de nieuwe regels voor individuele invoer wordt ondersteund met een veeltalige postercampagne. De affiches staan op in het oog springende punten aan de grenzen met de Europese Unie om de reizigers van deze nieuwe regels op de hoogte te brengen.
(1) 2002/995/EG: Beschikking van de Commissie van 9 december 2002 houdende vaststelling van voorlopige vrijwaringsmaatregelen met betrekking tot de invoer van producten van dierlijke oorsprong voor persoonlijke consumptie (Voor de EER relevante tekst) (kennisgeving geschied onder nummer C(2002) 4873) PB L 353 van 30.12.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/615 |
(2004/C 88 E/0635)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1706/03
van Gabriele Stauner (PPE-DE) aan de Commissie
(22 mei 2003)
Betreft: Programma's Medstat en Medstat II
Voor de programma's Medstat en Medstat II heeft de Commissie sinds 1996 een bedrag van 50 miljoen euro op de communautaire begroting uitgetrokken.
Met het geld dienen de statistische systemen van de partnerlanden in het Middellandse-Zeegebied gesteund en bevorderd te worden.
Kan de Commissie mij een gedetailleerde lijst van de ontvangers van de beschikbare fondsen doen toekomen en per geval aangeven hoeveel is uitgekeerd?
Kan de Commissie meedelen, wie in het kader van dit programma de besluiten over de kredietverstrekking neemt en volgens welke criteria en procedures de begunstigden worden geselecteerd?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(15 juli 2003)
Medstat — Euro-mediterrane samenwerking op statistisch gebied — fase 1: 20 miljoen euro
Medstat — Euro-mediterrane samenwerking op statistisch gebied — fase 2: 30 miljoen euro
Medstat-fase 1.
Het Medstat-programma heeft geen betrekking op directe steun maar op de verstrekking van technische bijstand, de overdracht van know-how, de harmonisatie en uitwisseling van gegevens, enz.
De begunstigden in het kader van het Medstat-programma zijn de Nationale Instituten voor de Statistiek (NIS's) van de 12 mediterrane partnerlanden. Andere begunstigden zijn de mediterrane instellingen die zich bezighouden met het verzamelen, samenstellen en verspreiden van definitieve statistische gegevens en metadata, en die aldus — tezamen met de NIS's — deel uitmaken van de mediterrane nationale statistische systemen (NSS's). Het programma is eveneens nuttig voor de belangrijkste gebruikers van statistische gegevens, met inbegrip van regeringen in verband met de uitwerking van economische, sociale en sectorale beleidslijnen.
De indicatieve verdeling opgenomen in het door de Commissie in juli 1996 goedgekeurde financierings-voorstel betreffende directe bijstand aan de statistische systemen (in de eerste plaats de bureaus voor de statistiek) van de mediterrane partnerlanden zag er als volgt uit:
|
(in euro) |
|
|
Regionale projecten en task forces |
6 305 000 |
|
Studiebezoeken en adviesbureaus |
4 320 000 |
|
Informatica en infrastructuur |
3 000 000 |
|
Opleiding |
2 466 000 |
|
Studiebijeenkomsten en werkgroepen |
806 000 |
|
Management en stuurcomités |
622 200 |
|
Programmabeheer |
1 800 000 |
|
Databanken en verspreiding |
680 800 |
|
Totaal |
20 000 000 |
Een gedetailleerde tabel met de lijst van projecten, de namen van de consulenten, en de geraamde en tot dusver uitgekeerde bedragen evenals het resterende saldo (bijlage 1) worden rechtstreeks naar het geachte parlementslid en naar het Secretariaat van het Parlement gezonden.
Medstat-fase 2.
Medstat 2 voorziet in de voortzetting van de in het kader van Medstat 1 opgezette acties en in het in 2001 opgestelde projectdocument werd de volgende indicatieve verdeling opgenomen:
|
(in euro) |
|
|
MED — Opleiding |
3 000 000 |
|
MED-IS (informatiesysteem) |
2 700 000 |
|
MED-Comext (externe handel) |
3 000 000 |
|
MED-NA (nationale rekeningen) |
3 000 000 |
|
MED-ENV (milieu) |
2 000 000 |
|
MED-MIGR (migratie) |
2 000 000 |
|
MED-TOUR (toerisme) |
1 800 000 |
|
MED-TRANS (vervoer) |
1 500 000 |
|
MED-AGRI (landbouw) |
2 500 000 |
|
MED-SOC (sociale statistieken) |
2 500 000 |
|
Eventuele aanvullende projecten |
2 000 000 |
|
Eindbeoordeling |
500 000 |
|
Beheer van het programma |
1 000 000 |
|
Onvoorzien |
2 500 000 |
|
Totaal |
30 000 000 |
Het Comité van directeuren samengesteld uit de voorzitters en directeuren-generaal van de statistische diensten van de Euro-mediterrane partnerlanden, met inbegrip van van de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA), de directeuren-generaal (DG) van Buitenlandse Betrekkingen, EuropeAid en Eurostat, komt tenminste eenmaal per jaar bijeen. De gesprekken binnen dit comité concentreren zich op de goed te keuren besluiten en strategische richtsnoeren. De werkzaamheden omvatten eveneens een kritisch rapport over de activiteiten sedert de vorige vergadering, en richtsnoeren voor de werkzaamheden op korte en middellange termijn. De aldus vastgelegde prioriteiten en richtsnoeren vormen de uitgangspunten voor het beheer van het programma en omvatten aanwijzingen met betrekking tot de middelen die moeten worden toegewezen. Voor de Commissie vormen zij eveneens basisinformatie voor haar besluiten over het al dan niet financieren van de behandelde acties.
Medstat-fase 1. In punt V (Procedures voor de tenuitvoerlegging) van het door de Commissie in juli 1996 goedgekeurde financieringsvoorstel werd bepaald dat het regionale programma voor statistische samenwerking zou worden gecoördineerd door de Commissie (Eurostat en DG EuropAid) in samenwerking met de Nationale Bureaus voor de Statistiek van de EU-lidstaten, en dat het programma zou worden uitgevoerd door het CESD-netwerk (Centre Européen de Statistiques et de Développement).
Medstat-fase 2. Voor de tweede fase van het programma werd besloten na te gaan of voor een speciale opdracht als deze met goed resultaat gebruik kon worden gemaakt van aanbestedingsprocedures. Bijgevolg werd in de tweede helft van 2002 een niet-openbare offerteaanvraag georganiseerd. De inschrijvingsprocedure is nog steeds aan de gang.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/617 |
(2004/C 88 E/0636)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1716/03
van Mogens Camre (UEN) aan de Commissie
(23 mei 2003)
Betreft: Uitspraken van Poul Nielson over de aanwezigheid van de Verenigde Staten in Irak
Vrijdag 9 mei 2003 deed het commissielid van de EU voor ontwikkeling een aantal uitspraken waarin hij twijfel zaaide omtrent de bedoelingen van de Verenigde Staten in Irak. Hij verklaarde daarbij onder meer het volgende: „Ik geloof dat de VS door middel van dit hier op weg zijn lid van de OPEC te worden. Ze eigenen zich de olie toe. Het is erg moeilijk een andere samenhang te zien.”
Deze uitspraken zijn volkomen ontoelaatbaar. De aanwezigheid van de VS in Irak moet ervoor zorgen dat het land niet ineenstort en dat de inkomsten van de Iraakse olie worden gebruikt om Irak te veranderen in een moderne, democratische samenleving zonder islamitisch fundamentalisme. De wereld kan niet leven met dictatuurstaten die naar binnen en naar buiten toe terreur uitoefenen. Iedereen met een minimum aan inzicht weet dat het een ramp zou zijn voor de Irakezen als de coalitie het land thans zou verlaten en de onderling strijdende partijen de toekomst van het land zouden laten vernietigen.
Aangezien de Commissie een college is dat haar leden niet toestaat er een afwijkende houding tegenover politieke kwesties op na te houden, verzoek ik haar mede te delen of de uitspraken van Poul Nielson het officiële standpunt van de Commissie tegenover de aanwezigheid van de internationale coalitie in Irak weergeven?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(4 augustus 2003)
De onderliggende redenering van wat het voor ontwikkeling bevoegde Commissielid in feite heeft gezegd, is: als de Verenigde Naties geen beslissende rol in de fase van de wederopbouw krijgen, zal het voor de Verenigde Staten zeer moeilijk zijn om niet in de rol van machtsdrager en controleur van de olie te vervallen. De fundamentele boodschap is dat het probleem alleen kan worden vermeden door ondubbelzinnig in te zetten op multilateralisme en legitimiteit. Dit is slechts mogelijk als het niet de bezettingsmacht is die regeert. Als de bezettingsmacht geen stap achteruitzet bij de oprichting van het nieuwe regime en de toewijzing van de aanzienlijke oliereserves (beide kunnen alleen worden gelegitimeerd door de Verenigde Naties daarbij te betrekken), bestaat het risico dat de door de Verenigde Staten aangestelde Iraki's door de andere Iraki's niet als de juiste keuze worden beschouwd, en brede steun vanuit de Iraakse bevolking is de sleutel voor stabiliteit en normalisering van het toekomstige Irak.
Zijn verklaring strookt volledig met de omschrijving van de rol van de bezettingsmacht („de autoriteit”) die de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (UNSCR) op 22 mei 2003 heeft gegeven.
Natuurlijk was deze verklaring van het Commissielid de weergave van zijn persoonlijke analyse van de situatie, — en als dusdanig noch zeer origineel, noch omstreden. De heer Camre zou ook lering hebben kunnen trekken uit het diepgaande en constructieve debat over Irak in de plenaire vergadering van het Parlement van 14 mei 2003 in Straatsburg, waar het Commissielid de Commissie vertegenwoordigde.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/618 |
(2004/C 88 E/0637)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1768/03
van John Cushnahan (PPE-DE) aan de Commissie
(28 mei 2003)
Betreft: Rehabilitatie van slachtoffers van marteling
Is de Commissie niet van mening dat in het na-oorlog se Irak een van de voornaamste prioriteiten moet zijn om te voorzien in de noden van het Iraakse volk, met name van degenen die het slachtoffer waren van marteling en onmenselijke behandeling, wat onder het regime van Saddam Hoessein op grote schaal voorkwam? Er zijn buiten Irak tal van rehabilitatiecentra die zorg bieden aan Irakezen die de martelingen hebben overleefd. Meent de Commissie niet dat het van essentieel belang is dat deze centra dit belangrijke werk kunnen voortzetten? Er heeft in de EU echter een beleidswijziging plaatsgevonden. De prioriteit ligt nu niet meer zozeer op rehabilitatie van slachtoffers van marteling als wel op preventie. Het gevolg daarvan is een drastische verlaging van de middelen die de EU voor rehabilitatie uittrekt, van EUR 14,5 miljoen tot EUR 8,2 miljoen tussen 2001 en 2002, i.e. een verlaging van 45 %. Erkent de Commissie dat het belangrijk is dat de EU beleidsmaatregelen financiert die erop zijn gericht om marteling te voorkomen en slachtoffers van marteling te rehabiliteren? Is de Commissie bereid de verlaging van de middelen voor de rehabilitatie van slachtoffers van marteling te heroverwegen om te waarborgen dat dit vitale werk nog kan worden gedaan?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(2 juli 2003)
De Commissie deelt de mening van het geachte parlementslid dat een mogelijke humanitaire interventie vooral gericht dient te zijn op de behoeften van het Iraakse volk, met name van de personen die hebben geleden onder foltering en onmenselijke behandeling tijdens het regime van Saddam Hoessein. De Commissie onderzoekt momenteel welke activiteiten op de korte en middellange termijn in Irak kunnen worden ondersteund, zodra het passende politieke kader is opgezet voor de bijdrage van de Commissie tot de wederopbouw van Irak na afloop van de oorlog. De mensenrechten, waaronder de rehabilitatie van slachtoffers van foltering, worden beschouwd als één van de mogelijke prioritaire gebieden.
De Commissie heeft besloten tot een meer strategische aanpak van de financiering in het kader van het Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR). In de mededeling van de Commissie over de mensenrechten en de democratisering van mei 2001 (1) werden daartoe vier thema's als prioriteit aangemerkt voor toekomstige steun in het kader van het EIDHR, waaronder de bestrijding van foltering. Conform de noodzaak de beperkte middelen gerichter aan te wenden werd in de mededeling verder benadrukt dat de Unie moet proberen zich zo veel mogelijk te richten op het voorkomen van foltering in plaats van op het ondersteunen van rehabilitatiecentra. In het ter zake doende programmeringsdocument voor het Europees Initiatief voor de democratie en de mensenrechten (EIDHR) voor de periode 2002-2004 is bepaald dat bij de aanwending van de begrotingsmiddelen op de langere termijn voorrang zal worden gegeven aan het voorkomen van foltering.
De verminderde beschikbaarheid van begrotingsmiddelen voor rehabilitatiecentra is vergezeld gegaan van maatregelen om deze centra geleidelijk minder afhankelijk te maken van communautaire financiering door hen te stimuleren fondsen uit andere bronnen aan te trekken. In de oproep tot het indienen van voorstellen voor 2001 werd bijvoorbeeld het maximumpercentag e dat voor steun aan rehabilitatieprojecten kon worden uitgekeerd, verminderd tot 60 % voor centra in de Unie en tot 80 % voor projecten buiten de Unie. In de oproep voor 2002 werden deze percentages verder verlaagd tot respectievelijk 50 % en 75 %. In dit opzicht is een andere bepalende factor voor de financiering van besluiten door de Commissie het gewicht dat bij de evaluatie wordt toegekend aan duurzaamheidsaspecten. In 2001 en 2002 kwam „institutionele versterking”, waaronder de ontwikkeling van het vermogen om financiële middelen aan te trekken, voorts uitdrukkelijk in aanmerking voor financiering.
De oproep tot het indienen van voorstellen voor 2002 was bedoeld om dit proces voort te zetten. Het beschikbare bedrag van 25 miljoen euro was bestemd voor de financiering van projecten ter voorkoming van foltering en voor rehabilitatiecentra, waarbij het de bedoeling was de middelen in een verhouding van 1/3 en 2/3 over deze twee actieterreinen te verdelen. Alle ingediende projecten zijn geëvalueerd door twee deskundigen: een deskundige met ervaring in projectbeheer en een deskundige op psychiatrisch/psychologisch gebied. De projecten werden gerangschikt in volgorde van de behaalde score en geselecteerd met het oog op een evenwichtige geografische spreiding van de voorgestelde activiteiten.
De kwaliteit van projecten die werden ingediend door de rehabilitatiecentra in de Unie (begrotingslijn Β5-813) was dusdanig dat het nagestreefde evenwicht kon worden gehandhaafd. De projecten die werden ingediend door centra buiten de Unie scoorden evenwel slechter (en bleven soms onder het vereiste minimum), waardoor het niet mogelijk was voldoende rehabilitatieprojecten te selecteren om tot een verdeling 2/3-1/3 te komen. Circa 4,5 miljoen euro werd toegewezen aan centra buiten de Unie (voor de periode 2002-2003), waarvan circa 8 miljoen euro voor projecten ter voorkoming van foltering. Ongeveer 4 miljoen euro werd toegewezen aan rehabilitatiecentra in de Unie, plus 2 miljoen euro aan projecten met aspecten inzake de ondersteuning van slachtoffers van foltering.
De mogelijke sluiting van centra wegens het niet verkrijgen van communautaire steun moet worden bezien in het licht van de beleidskeuze om bij de aanwending van de middelen voorrang te geven aan preventie boven revalidatie en de hiervoor beschreven flankerende maatregelen bij deze beleidswijziging. Steun aan centra kan alleen worden verleend volgens concurrerende regels die zijn ontworpen om ervoor te zorgen dat de belastingbetaler in de Unie waarde voor zijn geld krijgt doordat alleen de beste voorstellen worden gefinancierd en aan minimale kwaliteitsvereisten is voldaan.
Het is niet mogelijk alsnog begrotingsmiddelen van de begroting voor 2003 toe te wijzen aan revalidatiecentra. Dit zou leiden tot de vermindering van begrotingsmiddelen voor andere belangrijke prioriteiten op het gebied van de mensenrechten in het kader van het EIDHR, zou strijdig zijn met de programmering van het EIDHR en niet stroken met de regels van het herziene Financieel Reglement (2). Wel is in 2003 nog een oproep tot het indienen van voorstellen voor centra in de Unie gepland, waarvoor 5,5 miljoen euro is uitgetrokken.
(1) COM(2001)252 def.
(2) Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, PB L 248 van 16.9.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/619 |
(2004/C 88 E/0638)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1891/03
van Margrietus van den Berg (PSE) en Jan Wiersma (PSE) aan de Commissie
(6 juni 2003)
Betreft: De nucleaire activiteiten van Iran
De Europese Unie voert momenteel onderhandelingen over een handelsverdrag met Iran. Dit land houdt zich volgens het Internationaal Atoomagentschap (IAEA) bezig met ondoorzichtige nucleaire activiteiten. IAEA-medewerkers hebben in februari 2003 een bezoek gebracht aan Iran. Ze zijn echter nog niet tot een bevredigende conclusie gekomen en hebben Iran verzocht om hun vragen schriftelijk te beantwoorden.
Is de Commissie niet van mening dat volledige openheid over nucleaire activiteiten een absolute voorwaarde is voor een handelsverdrag?
Welke stappen zal de Commissie ondernemen indien geen volledige openheid wordt verschaft?
Is de Commissie bereid de onderhandelingen te beëindigen als geen openheid wordt gegeven?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(17 juli 2003)
De Europese Unie heeft herhaaldelijk verklaard dat er grote bezorgdheid bestaat over het onderwerp massavernietigingswapens in verband met Iran. Iran heeft als ondertekenaar van het non-proliferatieverdrag (NPV) het recht kernenergie op te wekken voor vreedzame doeleinden, maar de Commissie is het met de Europese Unie eens dat Iran overeenkomstig dit verdrag volledige openheid van zaken moet geven over de nucleaire activiteiten. In dit verband verheugt de Commissie zich over het rapport van het Internationaal Atoomagentschap (IAEA), maar constateert bezorgd dat Iran kennelijk niet aan enkele verplichtingen in het kader van de veiligheidscontroleovereenkomst van het NPV voldaan heeft. De Commissie vertrouwt erop dat Iran onmiddellijk iets zal doen aan deze tekortkomingen en zij hoopt dat het land stappen zal zetten om zich aan te sluiten bij de relevante internationale instrumenten, zodat meer transparantie gegarandeerd is.
De Europese Unie zal nauwlettend toezien op de vorderingen die Iran hiermee maakt. Als Iran in de nabije toekomst positieve maatregelen neemt met betrekking tot de nucleaire activiteiten, onder meer door volledige openheid van zaken te geven, zal dit ongetwijfeld een gunstige invloed hebben op de onderhandelingen over de handels- en samenwerkingsovereenkomst (TCA); het omgekeerde is eveneens waar.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/620 |
(2004/C 88 E/0639)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1902/03
van Lord Inglewood (PPE-DE) aan de Commissie
(11 juni 2003)
Betreft: BTW en de Europese kunstmarkt
Onderschrijft de Commissie de conclusies van de studie „BTW en de Europese kunstmarkt” die door de European Fine Art Foundation in 2003 werd gepubliceerd? Zo nee, waarom niet? Kan zij met name een voorstel indienen voor een uniform registratiesysteem, zoals in die studie wordt voorgesteld?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(14 juli 2003)
De studie „BTW en de Europese Kunstmarkt” is voor het grootste deel een gids voor kunsthandelaars waarin de door de lidstaten opgelegde BTW-verplichtingen zijn uitgelegd. Het is op initiatief van de European Fine Arts Federation dat deze gegevens zijn verzameld en gepubliceerd. De Commissie juicht dit initiatief van de federatie toe.
Na de goedkeuring van de Richtlijn inzake de BTW-behandeling van e-diensten (1), waarnaar wordt verwezen in de studie van de European Fine Art Federation, staat de Commissie geheel achter het concept van het „ene loket” waarbij bedrijven aan hun belastingverplichtingen kunnen voldoen in de lidstaat waar zij zijn gevestigd. De Commissie heeft een diepgaande studie laten verrichten over de verplichtingen van belastingplichtigen die in hun eigen en andere lidstaten wensen handel te drijven. Over de conclusies van deze studie vindt momenteel een openbare raadpleging plaats op de website „Uw stem in Europa” (2). De Commissie is voornemens in 2004 een voorstel in te dienen betreffende de vereenvoudiging van de verplichtingen, waaronder de registratieverplichtingen. Bij het opstellen van dit voorstel zal de Commissie rekening houden met de opmerkingen die in het kader van de openbare raadpleging zijn ontvangen.
(1) Richtlijn 2002/38/EG van de Raad van 7 mei 2002 tot wijziging, voor een gedeelte tijdelijk, van Richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de regeling inzake de belasting over de toegevoegde waarde die van toepassing is op bepaalde diensten die langs elektronische weg worden verricht alsook op radio- en televisieomroepdiensten, PB L 128 van 15.5.2002.
(2) http://europa.eu.int/yourvoice/consultations/index_en.htm
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/620 |
(2004/C 88 E/0640)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2041/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(19 juni 2003)
Betreft: Schendingen van de godsdienstvrijheid in Rusland door middel van exclusieve samenwerkingsovereenkomsten met de Russisch-orthodoxe kerk
Overwegende dat:
|
— |
in de grondwet van 1993 wordt bepaald dat Rusland een seculiere Staat is zonder staatsgodsdienst waarin alle godsdienstige organisaties van de Staat gescheiden zijn en gelijk zijn voor de wet; |
|
— |
in de federale wet op de godsdienst van 1997 wordt bepaald dat de godsdienstige organisaties niet de functie van staatsinstelling kunnen vervullen en dat ze de activiteiten van de bestuursorganen niet met godsdienstige plechtigheden kunnen begeleiden, |
gelet op de samenwerkingsakkoorden die werden gesloten tussen de Russisch-orthodoxe kerk en
|
— |
het Ministerie van Defensie, in 1997, om „samen te werken om de orthodoxe tradities van het Russische leger en de Russische marine nieuw leven in te blazen”; |
|
— |
het Ministerie van Onderwijs, in augustus 1999, om „de jongere generaties op te voeden in de geest van hoge morele waarden” (in het bijzonder wordt herinnerd aan de vele pogingen van de Russischorthodoxe kerk om haar invloed in het Russische onderwijsstelsel te versterken); |
|
— |
met het Ministerie van Gezondheid en het Ministerie van Buitenlandse Zaken, respectievelijk op 5 en 6 maar 2003; |
|
— |
met vele Russische plaatselijke besturen, |
en overwegende dat de voortdurende toename van het aantal concordaatsovereenkomsten tussen de Russisch-orthodoxe kerk en allerlei overheidsorganen op federaal en lokaal niveau die kerk een buitengewone en discriminerende macht ten aanzien van de andere godsdiensten heeft gegeven en haar bijzondere toegang heeft verleend tot gevangenissen, leger, scholen en ziekenhuizen,
kan de Commissie meedelen:
|
— |
of ze op de hoogte is van de voormelde samenwerkingsovereenkomsten tussen de Russisch-orthodoxe kerk en de Russische Staat die de andere godsdiensten discrimineren; |
|
— |
welke initiatieven ze wil nemen om de godsdienstvrijheid in Rusland te herstellen zoals in de grondwet en in de federale wet op de godsdiensten wordt bepaald? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 juli 2003)
De Commissie is zich bewust van de moeilijke situatie van religieuze groeperingen in Rusland.
Het partnerschap tussen de EU en Rusland is gebaseerd op kernwaarden zoals de volledige eerbiediging van de mensenrechten. In de context van de politieke dialoog met Rusland wijst de Commissie dit land herhaaldelijk op de noodzaak om de volledige eerbiediging van de mensenrechten te waarborgen.
De Commissie zal er bij de Russische autoriteiten op blijven aandringen de voornaamste door Rusland geratificeerde internationale en Europese Verdragen inzake de mensenrechten waarin wordt verwezen naar de vrijheid van godsdienst of geloofsovertuiging, na te leven. Sommige maatregelen lijken de Russisch Orthodoxe kerk in vergelijking met andere religieuze organisaties privileges te verlenen hetgeen in strijd zou zijn met het beginsel dat de staat zich neutraal opstelt ten opzichte van godsdienstige organisaties Voorts is Rusland een van de landen waarvoor het Europees Initiatief voor democratie en mensenrechten bestemd is, een programma dat ondermeer beoogt de mensenrechten te bevorderen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/621 |
(2004/C 88 E/0641)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2224/03
van Paulo Casaca (PSE) aan de Commissie
(2 juli 2003)
Betreft: Aanvullend protocol voor de bescherming van nucleair materiaal
In antwoord op mijn vraag H-0867/02 (1) stelt de Commissie dat „de Europese Unie Iran blijft aanmoedigen om het aanvullend protocol voor de bescherming van kernmateriaal van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie na te leven. Iran zou zich, in het algemeen gesproken, aan de regels blijken te houden, en ook inspectie van zijn nucleaire installaties aanvaarden”.
Nu bevestigt het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie op 17 juni 2003 de beschuldigingen van de Iraanse nationale weerstandsraad, de democratische oppositie tegen het theocratisch regime van Teheran, die ik overgenomen heb en die de Commissie op het ogenblik van haar antwoord maar al te goed bekend waren, zodat blijkt dat wat de Commissie zo voorkwam, in werkelijkheid niet was en niet is.
Hoe verklaart de Commissie dat ze, nog maar een paar maanden geleden, niet anders gedaan heeft als de propaganda van het dictatoriaal regime van Iran herhalen, terwijl het haar niet nodig leek om rekening te houden met de beschikbare informatie over de oorlogszuchtige bedoelingen van het onderdrukkingsregime in Iran, die vandaag bevestigd worden?
Acht de Commissie het niet geboden om meer aandacht te schenken aan objectieve informatie over de werkelijkheid in Iran in plaats van de propaganda van het regime onkritisch voor waarheid aan te nemen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(6 augustus 2003)
De EU heeft herhaaldelijk verklaard dat het thema massavernietigingswapens een groot punt van zorg is in de betrekkingen met Iran. De Commissie erkent dat Iran als ondertekenaar van het non-proliferatieverdrag (NPV) het recht heeft kernenergie te ontwikkelen voor vreedzame doeleinden, maar de Commissie is het met de EU eens dat Iran volledige openheid van zaken moet geven en aan het genoemde verdrag moet voldoen. In juni 2003 was de Commissie tevreden over het rapport van het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie (IAEA), maar constateerde met bezorgdheid dat Iran niet voldaan had aan bepaalde verplichtingen van de veiligheidscontroleovereenkomst van het non-proliferatieverdrag. Zij vertrouwt erop dat Iran deze tekortkomingen onmiddellijk zal aanpakken en hoopt dat het land stappen zal ondernemen om zich aan te sluiten bij relevante internationale instrumenten, zoals het aanvullende protocol van het IAEA, waardoor transparantie gegarandeerd is.
Het spreekt vanzelf dat de Commissie zich niet beperkt tot het „herhalen van de propaganda van een dictatoriaal regime met oorlogszuchtige intenties”, zoals het geachte parlementslid suggereert. De Commissie en de EU-lidstaten doen al het mogelijke om zich te baseren op objectieve informatie. In dit verband zou de Commissie de Iraanse nationale weerstandsraad (NCRI) niet willen betitelen als „de democratische oppoistie” tegen het regime in Teheran.
(1) Schriftelijke vraag van 14.1.2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/622 |
(2004/C 88 E/0642)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2266/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(9 juli 2003)
Betreft: Financiering en afspraken door de EU voor de bouw in toekomstige EU-lidstaten van opvangkampen voor vluchtelingen die toegang vragen in de huidige lidstaten
|
1. |
Wie bekostigt het aanleggen van elektriciteit, waterleiding en afvalwaterlozing ten behoeve van dertien barakken op de voormalige legerbasis in het dorp Trstenik bij de stad Dugo Selo op 50 km afstand van de Kroatische hoofdstad Zagreb? Gaat het om geld van de Europese Unie, van het Verenigd Koninkrijk of van beide gezamenlijk? |
|
2. |
Kwam al vóór 20 juni 2003 EU-geld beschikbaar voor zulke projecten of komt dit er na het Commissierapport over financiële en wettelijke gevolgen in 2004? |
|
3. |
Blijft naar de opvatting van de Commissie de bestemming van het kamp in Trstenik beperkt tot tijdelijke huisvesting voor 800 asielzoekers die zich willen vestigen in Groot-Brittannië en gaat het uitsluitend om het daarheen transporteren van mensen die afkomstig zijn uit Balkanstaten die zich aanmelden bij havens of luchthavens van het Verenigd Koninkrijk? |
|
4. |
Wie heeft over deze bestemming van het terrein en het binnenbrengen van vluchtelingen overeenstemming bereikt met de Kroatische regering? Is dit gebeurd namens het Verenigd Koninkrijk of namens enige instelling van de Europese Unie? Wanneer werd deze overeenkomst gesloten? |
|
5. |
Bestaan er ook soortgelijke afspraken vanuit de EU of haar afzonderlijke lidstaten voor de bouw van soortgelijke vluchtelingenkampen in Rusland, Belarus, Roemenië, Bulgarije, Oekraïne en Albanië? |
|
6. |
Wat gebeurt er met dergelijke opvangkampen en de daarin aanwezige bewoners op het moment dat Roemenië, Bulgarije en Kroatië toetreden tot de EU? Worden zij dan van het grondgebied van de EU verwijderd? |
|
7. |
Waarom zijn zulke afspraken tot 20 juni 2003 niet openbaar gemaakt? |
|
8. |
Moeten naar het oordeel van de Commissie ten behoeve van de uitvoering van deze afspraken het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (Raad van Europa) en het Vluchtelingenverdrag van 1951 worden gewijzigd? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(22 september 2003)
|
1. |
Deze schriftelijke vraag betreft het project „Hervorming van het asielbeleid” gefinancierd uit het programma CARDS 2001 voor Kroatië, gericht op het versterken van de bestuurlijke capaciteiten van de instanties in Kroatië, hoofdzakelijk die welke vallen onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken dat voor asielkwesties verantwoordelijk is. Het project zou moeten voeren tot een verbetering van de procedures om de vluchtelingenstatus vast te stellen en tot verbetering van de kwaliteit van de besluiten, zodat deze sporen met de internationale normen. Het eerste onderdeel van het project is een jumelageprogramma voor capaciteits- en institutionele opbouw op asielgebied. Het tweede onderdeel van het bedoelde project betreft de behoefte van Kroatië aan een opvangcentrum voor asielzoekers waarmee het verwerken van aanvragen voor asiel door het bieden een geschikte vorm van onderdak zal worden vergemakkelijkt. De totale begroting voor het opknappen van de hiertoe gekozen locatie bedraagt EUR 700 000 (voor de werken). Voor de aankoop van opleidingsmateriaal en uitrusting ten behoeve van het centrum voor documentatie en andere hulpbronnen is nog eens EUR 300 000 beschikbaar. Het aankoopgedeelte van het project is nog in voorbereiding. Om het complex „Trstenik” in gebruik te kunnen nemen als onderkomen voor asielzoekers dient ter plaatse allereerst nog te worden gewerkt aan:
De totale netto-oppervlakte van de gebouwen die in de eerste fase moeten worden aangepast om het complex „Trstenik” bruikbaar te maken voor de behoeften aan onderkomen als centrum voor asielzoekers bedraagt 2500 m2. De locatie „Trstenik” ligt naast de bestaande kiezelgroeve tussen Otok Nartski en Novaki Nartski, 35 km zuidoostelijk van het centrum van Zagreb. Het betreft hier alleen financieringen door de Gemeenschap; er is geen enkele vorm van medefinanciering bij betrokken. Het project is op generlei wijze verbonden met bilaterale initiatieven van het Verenigd Koninkrijk. Het kan van belang zijn erop te wijzen dat het Kroatische Parlement op 12 juni 2003 de asielwet heeft goedgekeurd. De daadwerkelijke tenuitvoerlegging van deze wet is tot 1 juli 2004 uitgesteld, totdat het centrum voor de opvang van asielzoekers operationeel zal zijn. Tussen de tenuitvoerlegging van de wet en het functioneren van het opvangcentrum zou er evenwel geen relatie mogen bestaan. |
|
2. |
De financiering door de Gemeenschap valt onder het programma CARDS 2001. Er is niet voorzien in enige follow-up van dit project wat de werken betreft; voor de tenuitvoerlegging van de onlangs goedgekeurde asielwet zal evenwel verdere steun worden verleend. |
|
3. |
Het programma is uitsluitend gericht op het verbeteren van de procedures voor de vaststelling van de status als vluchteling en het onderbrengen van asielzoekers wanneer zij Kroatië als land van eerste opvang binnenkomen. Door uitvoering van de werkzaamheden kan het centrum aanvankelijk tot 200 asielzoekers herbergen, en in de tweede fase van het project nog eens 300 asielzoekers. Het totale opvangvermogen zal bij beëindiging van de werkzaamheden derhalve 500 personen bedragen. |
|
4. |
Het besluit omtrent de locatie van het centrum is op 30 januari 2002 genomen door de regering van Kroatië. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken kreeg de locatie Trstenik Dugo Selo om daar een asielcentrum in te richten. De andere locaties waren al eerder in overweging genomen, maar vele daarvan waren te ver af van Zagreb, waren eigendom van de gemeente Zagreb of zouden te duur zijn geweest. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken heeft in april 2003 een haalbaarheidsstudie laten verrichten waarin werd bevestigd dat Trstenik een aanvaardbare locatie was. De Commissie zal via een dienstverleningscontract toezien op een correct ontwerp van het asielcentrum in Trstenik-Dugo Selo. Vervolgens zal worden begonnen met de aanbesteding van de werkzaamheden en van de aankoopcontracten. |
|
5. |
De Commissie helpt de genoemde landen hun systemen van asielverlening te doen sporen met internationale standaarden en beste gebruiken. Voor Rusland, Belarus en Oekraïne wordt in de Tacis Regionale Indicatieve Programma's 2000-2003 en 2004-2006, alsmede in de Tacis Nationale Indicatieve Programma's 2004-2006 voor Rusland en Oekraïne, verwezen naar samenwerking inzake migratie, asielkwesties en vluchtelingen teneinde, de normen in deze landen in overeenstemming met de internationale normen en beste gebruiken te verbeteren. De Commissie werkt nauw samen met de Hoge Commissaris voor vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR). Wanneer dat aan de orde is, zoals in het geval van Kroatië, kan ook hulp worden geleverd voor het oprichten van centra voor vluchtelingen of asielzoekers in genoemde landen. Albanië verkrijgt EUR 3 miljoen bijstand uit het programma CARDS, ten behoeve van projecten inzake asiel en migratie, voor de periode 2001 tot en met 2004. Het betreft hoofdzakelijk opleidingen, en het renoveren van de opvangcentra. Vermelding verdient tevens dat de Commissie thans met Albanië onderhandelt over een overnameovereenkomst. Het land heeft reeds bilaterale overeenkomsten voor terugname/overname met verscheidene landen. Bovengenoemde bijstand is bijzonder belangrijk om Albanië te helpen voldoen aan de verplichtingen die de toekomstige overeenkomst tussen de Unie en Albanië inzake overname met zich mee zullen brengen. Roemenië en Bulgarije worden door de Commissie gesteund via PHARE-bijstand, gebaseerd op jaarlijkse programmering. Tenuitvoerlegging van het acquis op het gebied van asiel is een van de onderwerpen van deze bijstand. |
|
6. |
Het proces van uitbreiding brengt de goedkeuring van het Europese acquis met zich mee, ook dat op het gebied van asiel. De in januari 2003 goedgekeurde Richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers (1) is deel van dit acquis. Opvangcentra kunnen voor lidstaten een mogelijkheid zijn om asielzoekers in overeenstemming met genoemde richtlijn op te vangen. Deze methode wordt door veel van de huidige lidstaten gebruikt. Er wordt hulp geboden aan de toetredingslanden om hun asielstelsels verder uit te bouwen of te hervormen om te bewerkstelligen dat zij in overeenstemming met het Verdrag van Genève zijn. Aangezien het opvangcentrum in Kroatië mensen zal herbergen die in Kroatië asiel zoeken, zal een toekomstige toetreding van Kroatië of andere staten tot de Unie in beginsel niet van invloed zijn op de locatie van opvangcentra. |
|
7. |
De jaarprogramma's van CARDS zijn door de lidstaten goedgekeurd; zij zijn beschikbaar op de Europa-website van de Commissie (http://europa.eu.int/comm/europeaid/projects/cards/publicati-ons_en.htm#4). Sedert januari 2003 staat op de website van de delegatie van de Commissie in Zagreb een prognose voor werkcontracten voor het asielcentrum in Trstenik Ook de indicatieve programma's van Tacis die hierboven zijn genoemd zijn openbaar; zij zijn te raadplegen op de Europa-website (http://europa.eu.int/comm/external_relations/ceeca/rsp/progs.htm). |
|
8. |
Door de hervorming van hun asielsysteem moeten die landen kunnen voldoen aan het Verdrag van Genève en de internationale instrumenten voor mensenrechten, zoals het Europees Mensenrechtenverdrag voor de landen die bij dit Verdrag partij zijn. De samenwerkingsprogramma's van de Gemeenschap voor asielkwesties zijn gericht op het totstandbrengen van algehele overeenstemming met het Verdrag van Genève. Voor de kandidaat-lidstaten is het de bedoeling om naleving te verzekeren van zowel het Verdrag van Genève van 1951 als het Europees Mensenrechtenverdrag. Het geachte parlementslid zal zeker kennis hebben genomen van de tien voorwaarden die de Commissie in haar mededeling van juni 2003 (2) heeft voorgesteld en waaraan dient te worden voldaan bij het uittekenen van nieuwe Europese benaderingen van asielsystemen, met vooral de noodzaak dat de internationale normen op het gebied van mensenrechten volledig worden gerespecteerd. Aanvullende achtergrondinformatie wordt het geachte parlementslid en het Secretariaat van het Parlement rechtstreeks toegezonden. |
(1) Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten, PB L 31 van 6.2.2003.
(2) COM(2003)315 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/625 |
(2004/C 88 E/0643)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2527/03
van Glenys Kinnock (PSE) aan de Commissie
(29 juli 2003)
Betreft: Rum
De EU erkent het belang van de rumsector voor de economische en sociale ontwikkeling van enkele ACS-landen. Ter ondersteuning van deze erkenning bevat de Overeenkomst tussen EU en VS inzake blanke-alcoholhoudende dranken bijzondere bepalingen ten aanzien van rum. Overeenkomstig het Bijzonder Memorandum inzake rum dat bij deze nul-nul-overeenkomst is gevoegd wordt een resttarief vastgesteld dat aan rumproducenten uit de ACS en de EU in de Franse overzeese departementen een geringe mate van aanhoudende preferentie op de Europese markt toekent totdat de traditionele leveranciers eventueel overstappen van de productie van basisrum op kwaliteitsproducten met toegevoegde waarde die kunnen concurreren met grote en veelal gesubsidieerde producenten in derde landen.
Kan de Commissie derhalve mededelen welke maatregelen zij tijdens de komende herziening van het SAP overweegt om te waarborgen dat haar toezeggingen aan de rumproducenten in de ACS worden nagekomen? Kan zij bevestigen dat rum wordt uitgesloten van de herziening van het SAP?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(22 augustus 2003)
In de Gemeenschappelijke verklaring over rum (Verklaring XXV), die deel uitmaakt van de Partnerschapsovereenkomst tussen de Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS) en de Europese Unie, wordt het belang van de rumsector voor de economische en sociale ontwikkeling van verscheidene ACS-landen en regio's erkend. De EU is zich bewust van de uitdagingen waarmee deze sector wordt geconfronteerd, o.m. wegens de vrijmaking van de Europese rummarkt.
Om aan de verklaring te voldoen en de exporteurs van rum uit de ACS-staten steun te verlenen zodat zij hun concurrentiepositie kunnen verbeteren, heeft de Unie een programma ten bedrage van 70 miljoen euro goedgekeurd. Deze bijstand gaat met name naar de rumindustrie van de ACS-staten om die ertoe aan te zetten zich over te schakelen van de productie van rum in bulk voor de grondstoffenmarkt naar duurdere rumproducten met merknaam. Dit programma is volledig operationeel nu de regionale vereniging van Caribische rumproducenten, Wirspa, extra personeel heeft gekregen voor het beheer van de verschillende activiteiten in het kader van het programma.
Rum is niet opgenomen in de algemene regelingen van het huidige Schema van Algemene Tariefpreferenties van de Unie (SAP), dat op 31 december 2004 afloopt, maar wel in de SAP-regeling voor de minst ontwikkelde landen die alle producten, behalve wapens en munitie, vrij van invoerrechten in de Gemeenschap mogen invoeren (in het kader van de zogenoemde „Alles behalve wapens-regeling”). De Commissie is niet van plan de situatie voor rum te wijzigen, zelfs niet na herziening van het huidige SAP.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/626 |
(2004/C 88 E/0644)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2622/03
van Philip Claeys (NI) aan de Commissie
(28 augustus 2003)
Betreft: Betrekkingen met Libië
De Libische leider, kolonel Kadaffi, nam eerder deze maand de verantwoordelijkheid op zich van de bomaanslag op Pan Am-vlucht 103 boven Lockerbie in 1988. Bij deze terreurdaad vielen 207 doden. Libië is nu bereid de nabestaanden financieel te vergoeden, en wil zo de internationale sancties laten opheffen.
Op 18 augustus had Commissievoorzitter Prodi een telefonisch gesprek met kolonel Kadaffi. Er werd gepraat over het normaliseren van de betrekkingen tussen Libië en de EU. Libië wordt uitgenodigd deel te nemen aan het Euro-Mediterrane proces.
De problemen in verband met Libische terreuraanslagen uit het verleden zijn echter nog niet volledig uitgeklaard. Zo is Frankrijk tegen het opheffen van de sancties tegen Libië, zolang de nabestaanden van de slachtoffers van de aanslag op een UTA-vliegtuig boven Nigeria in 1989 niet vergoed worden. Bij deze aanslag vielen 170 doden. Is de Commissie van plan de betrekkingen met Libië te normaliseren nog voor deze Franse vraag ingewilligd wordt?
Libië heeft een kwalijk verleden inzake het bedrijven en steunen van het internationaal terrorisme. Is het normaliseren van de betrekkingen met de EU gebonden aan voorwaarden en garanties terzake? Welke formele afspraken worden hier nagestreefd?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(19 september 2003)
In 1992 en 1993 werden door de Verenigde Naties (VN) sancties opgelegd aan Libië in verband met de bomaanslag boven Lockerbie. In 1999 hebben de VN deze sancties geschorst omdat Libië medewerking verleende aan het Lockerbie-onderzoek. Naar aanleiding van een overeenkomst inzake Lockerbie tussen de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Libië, werd door het Verenigd Koninkrijk en Bulgarije op 18 augustus 2003 een resolutie ingediend om de VN-sancties op te heffen.
Het was in dit verband dat kolonel Kadhafi telefonisch contact opnam met de heer Prodi, voorzitter van de Commissie. De heer Prodi drong er bij Libië op aan een oplossing te vinden voor Lockerbie en alle overige kwesties, op verzoek van de internationale gemeenschap. Wanneer de VN-sancties zouden worden opgeheven nadat een meerderheid van de VN-leden zich hiervoor heeft uitgesproken, hetgeen echter nog moet gebeuren, zal dit een belangrijke stap voorwaarts betekenen voor Libië naar een plaats binnen de internationale gemeenschap. Momenteel heeft Libië de rol van waarnemer bij het Proces van Barcelona en wordt het uitgenodigd een volwaardig lid te worden onder de strikte voorwaarde dat dit land het acquis van Barcelona onvoorwaardelijk aanvaard (tweede voorwaarde is dat de VN-sancties moeten zijn opgeheven). Libië is tevens opgenomen in het nieuwe nabuurschapsbeleid van de Unie waarbij wordt uitgegaan van een relatie waarin gemeenschappelijke waarden in acht worden genomen.
De kwestie van de aanslag op het UTA-vliegtuig waarover de Franse rechterlijke macht uitspraak heeft gedaan, wordt naar aanleiding van de overeenkomst inzake Lockerbie, opnieuw besproken (uitstel van sancties). Indien de VN-sancties zouden worden opgeheven, zouden de besprekingen tussen Frankrijk en Libië op bevredigende wijze moeten kunnen worden afgesloten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/627 |
(2004/C 88 E/0645)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2660/03
van Elisabeth Jeggle (PPE-DE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Controle van ongeldige TÜV-stickers in EU-lidstaten
Wij werden erop geattendeerd dat er in Griekenland steeds meer personenauto's met Griekse eigenaar rondrijden, die nog een Duits kenteken met een niet meer geldige TÜV-sticker dragen. Deze situatie geeft aanleiding tot de volgende vragen:
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Waarop moet men letten wanneer men een personenauto binnen de EU verkoopt? |
|
— |
Welke tijdslimiet geldt er voor het gebruik van een auto met Duits kenteken door Griekse burgers? |
|
— |
Wat zijn de consequenties wanneer men in Griekenland in een Duitse auto met een verlopen TÜV-sticker rijdt? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(5 november 2003)
Voor tweedehands voertuigen die vergezeld gaan van een certificaat van overeenstemming en in overeenstemming zijn met een type waarvoor de „EEG-typegoedkeuring” werd verkregen, is een controle door de autoriteiten van de Lidstaat waarvoor het voertuig bestemd was, niet gerechtvaardigd. Het voertuig moet zijn ingeschreven op basis van een in alle Lidstaten geldige „EEG-typegoedkeuring”.
De Lidstaten mogen de keuring en inschrijving van dat voertuig niet afwijzen om redenen die met technische kenmerken verband houden, doch alleen op grond van redenen die verband houden met de bescherming van de gezondheid van de mens en het leven of het milieu van, die zij dan nauwkeurig dienen aan te geven en te motiveren. Het feit dat een in een andere Lidstaat goedgekeurd en ingeschreven voertuig niet overeenkomt met een type dat in de Lidstaat van bestemming is goedgekeurd, of technische kenmerken vertoont die verschillen van die welke in de wetgeving van die Lidstaat zijn voorgeschreven, vormt op zichzelf geen adequate rechtvaardiging voor een weigering tot goedkeuring en tot inschrijving van dat voertuig.
Een technische controle van de materiële toestand van het voertuig is daarentegen wel toegelaten indien deze controle op niet-discriminerende basis wordt uitgevoerd, d.w.z. op dezelfde wijze en voorwaarden als de controle op een voordien in de Lidstaat van bestemming ingeschreven voertuig.
Een nieuwe of tweedehands personenwagen die definitief naar Griekenland wordt overgebracht moet aldaar worden ingeschreven indien Griekenland de gewone verblijfplaats is van de particulier die de eigenaar is van de wagen. Op grond van het Gemeenschapsrecht (1) wordt onder „gewone verblijfplaats” verstaan de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft, dat wil zeggen gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar, wegens persoonlijke en beroepsmatige bindingen. De betrokken lidstaat (in dit geval Griekenland) bepaalt binnen welk periode de inschrijving dient te geschieden (dit is over het algemeen een korte periode). Dit geldt tevens voor een in Duitsland ingeschreven voertuig dat definitief naar Griekenland wordt overgebracht wanneer de gewone verblijfplaats van de eigenaar van dat voertuig Griekenland wordt.
Een personenwagen met Duitse nummerplaten kan tijdelijk naar Griekenland worden overgebracht voor privé-gebruik van een particulier die zijn gewone verblijfsplaats in een andere lidstaat dan Griekenland heeft. In dit geval dient op grond van de communautaire bepalingen die van kracht zijn (2) te worden voldaan aan een aantal voorwaarden: zo mag de duur van de tijdelijke invoer over het algemeen bijvoorbeeld niet meer bedragen dan zes maanden per tijdvak van 12 maanden.
Richtlijn 1996/96/EG (3) inzake de verplichte technische controle houdt een aantal minimumvoorschriften in, met name een eerste verplichte technische controle van voertuigen na vier jaar en vervolgens ten minste om de twee jaar. Omdat het hier om minimumvoorschriften gaat zijn de lidstaten vrij zelf strengere normen vast te stellen. Griekenland en Duitsland hanteren de minimumeisen van de richtlijn met een controle om de twee jaar. De controle op de duur van de geldigheid van de certificaten alsmede eventuele sancties in geval van overtreding ressorteren onder de subsidiariteit.
(1) Richtlijn 83/183/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij definitieve invoer uit een Lidstaat van persoonlijke goederen door particulieren, PB L 105 van 23.4.1983.
(2) Richtlijn 83/182/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de belastingvrijstellingen bij de tijdelijke invoer van bepaalde vervoermiddelen binnen de Gemeenschap, PB L 105 van 23.4.1983.
(3) Richtlijn 96/96/EG van de Raad van 20 december 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten inzake de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens, PB L 46 van 17.2.1997.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/628 |
(2004/C 88 E/0646)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2697/03
van Francesco Fiori (PPE-DE) aan de Commissie
(2 september 2003)
Betreft: Misstanden rond tariefindeling en veterinaire controle bij invoer van kippen- en kalkoenvlees
De Commissie is reeds meermaals gewezen op misstanden rond de tariefindeling en veterinaire controle bij invoer van kippen- en kalkoenvlees, welk vlees, indien licht gezouten of toebereid, ontsnapt aan toepassing van tariefpost 0207 die voor alle bevroren pluimveevlees geldt.
Het voortduren van deze dubbelzinnige situatie veroorzaakt aanzienlijke schade aan de (Italiaanse en Europese) producenten die nadeel ondervinden van oneerlijke handelspraktijken, en grote risico's voor de consument die onvoldoende wordt beschermd tegen veterinaire gewoonten en voederpraktijken die niet aan de Europese norm beantwoorden.
De Commissie wordt daarom gevraagd:
|
1. |
de resultaten openbaar te maken van de veterinaire controles op partijen uit Thailand en Brazilië ingevoerd pluimveevlees, die de afwezigheid van nitrofuranen in het vlees en van dierlijke meelvoeders in de voeding van de in die landen gefokte, voor Europese export bestemde dieren moeten aantonen; |
|
2. |
het Parlement te informeren omtrent de maatregelen die zijn genomen om eventueel misbruik bij de productie in de betrokken landen en bij de verhandeling en invoer tegen te gaan, dat door de onjuiste tariefindeling door sommige Europese douaneinstanties in de hand wordt gewerkt; |
|
3. |
aan te geven welke urgente maatregelen zij denkt te nemen om ervoor te zorgen dat de werkelijke tariefpost voor alle in Europa ingevoerde, diepgevroren pluimveevlees overal in de Gemeenschap correct en uniform wordt toegepast, zoals in Duitsland thans reeds het geval is. |
Eventuele vertraging in de uitvoering van die maatregelen zou nog meer ongerechtvaardigde schade toebrengen aan de Europese producenten, van wie sommigen reeds onherstelbaar zijn benadeeld.
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(16 oktober 2003)
|
1. |
Wat de publicatie van de resultaten van de veterinaire controles bij de invoer betreft moet erop worden gewezen dat invoercontrole volledig onder de bevoegdheid van de lidstaten valt. De lidstaten zijn over het algemeen niet verplicht van elke zending een staal te nemen voor laboratoriumonderzoek en al evenmin om de resultaten hiervan bekend te maken of deze aan de Commissie door te geven. Alleen wanneer tijdens een controle wordt vastgesteld dat er sprake is van een risico zijn de lidstaten verplicht dit aan de andere lidstaten en de Commissie te melden via het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen (RASFF). De Commissie licht vervolgens het land van oorsprong in. In het geval van met nitrofuran besmet pluimveevlees uit Thailand en Brazilië, zijn de lidstaten op grond van specifieke beschikkingen van de Commissie verplicht elke zending van pluimveevlees bij invoer uit deze landen te controleren op de aanwezigheid van nitrofuranen en de resultaten van dit onderzoek via het RASFF aan de Commissie mee te delen. Deze beschikking blijft volledig van kracht ten aanzien van Brazilië terwijl bij de invoer uit Thailand momenteel 20 % wordt getest. Deze beschikkingen van de Commissie zijn vrijwaringsmaatregelen en derhalve per definitie van tijdelijke aard. Een samenvatting van de RASFF-kennisgevingen wordt wekelijks bekend gemaakt op de website van het Directoraat-generaal Gezondheid en Consumentenbescherming. De verwijzing in de vraag naar controle op het mogelijk gebruik van vlees- en beendermeel bij het fokken van dieren in derde landen is in deze context niet van toepassing. De EU-wetgeving inzake de invoer van pluimveeproducten houdt geen voerderverbod in voor derde landen zoals dat in de Unie geldt. Een doeltreffend voederverbod in een derde land is een belangrijk element bij het vaststellen van de geografische BSE-risico-analyse die op zijn beurt weer gevolgen kan hebben voor de invoereisen voor dierlijke producten van zoogdieren afkomstig uit dat derde land. De EU-wetgeving houdt geen verbod in op het gebruik van vlees- en beendermeel in de pluimveesector in een derde land dat vlees van pluimvee naar de Gemeenschap wil uitvoeren. Een verband tussen het voeren van vlees- en beendermeel aan pluimvee en een mogelijk risico van overdracht van BSE naar mensen is wetenschappelijk nog niet aangetoond. De Braziliaanse autoriteiten hebben de Commissie de verzekering gegeven dat voor de Braziliaanse pluimveeproductie geen vlees- of beendermeel wordt gebruikt omdat dit qua kosten niet kan concurreren met plantaardige eiwitten zoals soja. |
|
2. en 3. |
De Commissie is ervan op de hoogte dat grote hoeveelheden kippenvlees bij invoer in de Gemeenschap door de douaneautoriteiten van bepaalde lidstaten werden ingedeeld als gezouten vlees van tariefpost 0210 terwijl het ging om bevroren kippenvlees waaraan onvoldoende zout was toegevoegd om ervoor te zorgen dat dit geconserveerd bleef zodat dit kippenvlees derhalve onder post 0207 zou moeten worden ingedeeld (bevroren vlees van pluimvee) omdat dit vlees alleen lange tijd kan worden geconserveerd dankzij het diepvriesproces. Gezien de zeer belangrijke verschillen van de douanerechten tussen beide tariefposten en de productiekosten die in bepaalde derde landen aanzienlijk lager zijn dan die in Europa, betekent deze praktijk een zware druk op de Europese gevogelteproducenten. Omdat er uiteenlopende interpretaties zijn van de indelingsregels heeft de Commissie in juli 2002 juridische maatregelen genomen namelijk enerzijds Verordening (EG) nr. 1223/2002 (1) tot indeling van dit soort vlees onder post 0207 als bevroren vlees van pluimvee en anderzijds een Beschikking 2003/97/EG van de Commissie van 31 januari 2003 (2) tot intrekking van een reeks door de Duitse douaneadministratie afgegeven bindende tariefinlichtingen die deze producten indeelden als gezouten vlees van post 0210. De Commissie geeft het geachte parlementslid de verzekering dat het dossier voorturend wordt gevolgd door de bevoegde diensten en dat alle vereiste maatregelen zullen worden genomen indien zou blijken dat de reeds getroffen maatregelen niet volstaan om de tariefindelingen correct en uniform toe te passen, hetzij met behulp van verordeningen, hetzij door een wijziging van de vigerende aanvullende aantekeningen. |
(1) Verordening (EG) nr. 1223/2002 van de Commissie van 8 juli 2002 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur, PB L 179 van 9.7.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/629 |
(2004/C 88 E/0647)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2910/03
van Joan Valivé (ELDR) aan de Commissie
(2 oktober 2003)
Betreft: Problemen aan de Duits-Poolse grens
Op vrijdag 19 september 2003 is de werkgroep van de Europese grensregio's (WGEG) voor zijn volgens rooster voorziene presidiumvergadering bijeengekomen in het Duitse Burg (Spreewald).
In het kader hiervan werd de indiener van deze vraag als lid van het Europees Parlement over het volgende probleem ingelicht:
Om besparingsredenen en vooruitlopend op de toetreding van Polen tot de EU heeft de Duitse douaneadministratie de huurovereenkomst voor de file-opvangzone op het voormalige vliegveld van Preschen (district Spree-Neisse) langs de autosnelweg A15 aan de grensovergang Forst/Olszyna voor 1 oktober 2003opgezegd. De exploitant van deze file-opvangzone stelt hier momenteel parkeerplaatsen voor 700 vrachtwagens en bijkomende stroken voor ADR- en uitzonderlijk vervoer, lege voertuigen en aanhangers ter beschikking, evenals sanitaire voorzieningen en slaapplaatsen opdat de bestuurders de rusttijden zouden kunnen naleven. Verder wordt het vuil regelmatig opgehaald en is er een restaurant- en snackaanbod, wat de urenlange wachttijden van de chauffeurs aan de grens aangenamer moet maken.
Als er tegen 1 oktober 2003 geen akkoord wordt bereikt en de huurovereenkomst effectief opgezegd blijft, dan komt het op de autosnelweg aan de Duits-Poolse grens ongetwijfeld tot kilometerslange files van wachtende vrachtwagens, met alle bekende gevolgen van dien.
Afgezien van de nog steeds volkomen onbevredigende situatie aan de grensovergang Guben-Schlagsdorf, waar de vrachtwagens vrijwel dagelijks tot in de stad Guben zelf staan aan te schuiven, zal de sluiting van de file-opvangzone in Preschen de verkeerschaos gewoon nog veel meer doen toenemen.
Als lid van het Europees Parlement en voorzitter van de WGEG vraag ik de Commissie te willen mededelen of zij van plan is nieuwe maatregelen uit te werken om dit probleem aan de Duits-Poolse grens te vermijden?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(6 november 2003)
De Commissie heeft kennisgenomen van de opmerkingen van het geachte parlementslid over de problemen die wellicht binnenkort bij de Duits-Poolse grens, bij de grensovergang van Forst-Olszyna, gaan ontstaan. Daarbij is evenwel aan de hand van de beschikbare informatie niet duidelijk in welke mate de beschikbare voorzieningen voor douanecontroles rechtstreeks worden geraakt door het aflopen van het betrokken huurcontract. Bovendien vallen de administratieve en organisatorische aspecten van de douanediensten niet onder de bevoegdheid van de Commissie; zij vallen volledig onder de nationale bevoegdheid van de lidstaten. Daarom is, zelfs indien de lidstaten zich aan bepaalde communautaire beginselen dienen te houden, het bieden van dergelijke voorzieningen en infrastructuur louter een zaak van nationale bevoegdheid. De Commissie is ten slotte niet bevoegd in te grijpen bij plaatselijke, op contracten berustende regelingen waar de hogervermelde soort voorzieningen van afhankelijk kunnen zijn.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/630 |
(2004/C 88 E/0648)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2957/03
van Mogens Camre (UEN) aan de Commissie
(8 oktober 2003)
Betreft: Commissievoorstel tot wijziging van richtlijn 94/35/EG
In een rapport in het wetenschappelijk tijdschrift „Headache” van mei 2003 staat op blz. 555 dat mensen die daar gevoelig voor zijn van het consumeren van de stof sucralose een migraine-aanval kunnen krijgen.
De stof komt eventueel in aanmerking als nieuw levensmiddelenadditief op de EU-lijst van additieven die in voor menselijke voeding bestemde waren mogen worden gebruikt. De Commissie heeft in dit verband in een document van 16 mei 2003 een herzien voorstel ingediend tot wijziging van richtlijn 94/35/EG (1) inzake zoetstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt. Het wijzigingsvoorstel is erop gericht de actieve stof „Splenda” (sucralose) als E955 in de EU goed te keuren.
In het wijzigingsvoorstel komt ook de stof E962 (aspartaam-acesulfaamzout) aan de orde. Aspartaam is welbekend als migraineveroorzakende stof, maar er zijn geen onderzoekresultaten beschikbaar over aspartaam-acesulfaamzout.
Zal de Commissie maatregelen nemen om deze stoffen (en andere levensmiddelenadditieven) grondig te laten onderzoeken op eventuele migraineveroorzakende effecten voordat ze in de lijst van goedgekeurde additieven worden opgenomen?
Aanvullend Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(11 november 2003)
De Commissie wenst het geachte parlementslid gerast te stellen dat alle levensmiddelenadditieven inclusief zoetstoffen door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding op hun veiligheid werden onderzocht voordat ze werden goedgekeurd. Deze taak wordt nu door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid uitgevoerd.
Er worden inderdaad twee nieuwe zoetstoffen voor goedkeuring voorgesteld in het voorstel tot wijziging van Richtlijn 94/35/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 30 juni 1994 inzake zoetstoffen die in levensmiddelen mogen worden gebruikt (2): sucralose en aspartaam-acesulfaamzout. Beide stoffen werden door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding op hun veiligheid onderzocht voordat ze door de Commissie voor goedkeuring werden voorgesteld.
Het advies over sucralose werd door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding in september 2000 goedgekeurd. Het comité concludeerde dat sucralose als zoetstof voor gebruik in algemene levensmiddelen aanvaardbaar is en stelde een aanvaardbare dagelijkse inname van 0-15 milligram per kilogram (mg/kg) lichaamsgewicht vast.
Aspartaam-acesulfaamzout werd in maart 2000 door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding onderzocht. Het comité concludeerde dat het zout geen aanleiding geeft tot extra veiligheidsoverwegingen aangezien het slechts een alternatieve bron van aspartaam en acesulfaam vormt. Aspartaam en acesulfaam zijn krachtens Richtlijn 94/35/EG beide reeds als zoetstoffen goedgekeurd.
Op verzoek van de Commissie werd aspartaam door het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding opnieuw beoordeeld in samenwerking met het Britse en het Franse bureau voor voedselveiligheid. Daartoe hebben de wetenschappers al de wetenschappelijke literatuur onderzocht die sinds het laatste advies over aspartaam werd gepubliceerd, wat neerkomt op ongeveer 150 artikelen. In het daaruit voortvloeiende advies, dat in december 2002 werd goedgekeurd, werd volledig herbevestigd dat aspartaam veilig is en dat de inname van deze zoetstof, ook bij consumenten met een hoge inname, inclusief volwassenen, kinderen en diabetici van alle leeftijden, duidelijk onder de aanvaardbare dagelijkse inname blijft. De door het comité onderzochte gegevens over hoofdpijn waren van uiteenlopende kwaliteit, maar het enige goed gecontroleerde dubbelblind cross-overonderzoek toonde aan dat er voor aspartaam niet meer kans was dan voor placebo dat het met hoofdpijn in verband werd gebracht.
Bovendien heeft de Commissie zich er tijdens de tweede lezing van de wijziging van Richtlijn 94/35/EG toe verbonden binnen twee jaar na de inwerkingtreding van die wijziging een voortgangsverslag over de herbeoordeling van levensmiddelenadditieven voor te leggen, met name betreffende de twee pas goedgekeurde zoetstoffen.
Om de bovenbeschreven redenen acht de Commissie het niet nodig nog meer herbeoordelingen van deze zoetstoffen uit te voeren.
(1) PB L 237 van 10.9.1994, blz. 3.
(2) PB L 237 van 10.9.1994, blz. 3.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/631 |
(2004/C 88 E/0649)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2992/03
van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE) aan de Commissie
(6 oktober 2003)
Betreft: Productie van verdovende middelen in Afghanistan
Volgens officiële gegevens van de ter zake bevoegde commissie van de Verenigde Naties heeft Afghanistan vorig jaar een recordoogst aan verdovende middelen geproduceerd. De productie van verdovende middelen was twee keer zo groot als tijdens het bewind van de Taliban omdat het nieuwe bestuur de boeren geen interessante alternatieve gewassen, zoals granen en maïs, kon aanbieden en geen garanties kon geven betreffende de afzet van de productie.
In zijn antwoord op een eerdere vraag van mij over ditzelfde onderwerp (E-3357/01 (1)) deelde commissaris Nielson mij mee dat de Commissie had besloten om in het kader van begrotingslijn B7-302 (2) prioritair financiering ten belope van EUR 90 miljoen toe te kennen aan alternatieve culturen en alternatieve inkomstenbronnen in de provincies die het meest door het verbod op de papaverteelt zijn getroffen.
Heeft de Commissie de tot nu toe toegekende (periode 2001-2004) subsidies en de gevolgen ervan voor de boeren geëvalueerd? Waaraan schrijft de Commissie het niet halen van de doelstelling toe? Zet de Commissie de toekenning van deze subsidie voort en zo ja, wie zullen de voornaamste bestemmelingen zijn? Welke aanvullende maatregelen gaat de Commissie nemen teneinde deze betreurenswaardige ontwikkeling van productie en verspreiding van verdovende middelen tot staan te brengen en om te keren?
Antwoord van de heer Patten Namens de Commissie
(4 november 2003)
Context:
In 1999 was Afghanistan de grootste producent van opiumpapavers ter wereld, met een geschatte productie van 4600 ton opium, wat overeenkomt met 70 % van de productie wereldwijd. Nadat de Taliban de teelt van opiumpapavers verbood, liep de productie in 2001 enorm terug (het voornaamste doel van het verbod was de prijzen hoog te houden, niet om de productie terug te dringen). In 2002 was de productie echter wederom op het hoge niveau van 1999.
Voor 2003 wordt een zeer grote oogst verwacht, die samenvalt met een hoge prijs af boerderij voor ruwe opium (volgens informele bronnen 100 tot 300 dollar per kg. voor een gemiddelde opbrengst van 35 tot 40 kg. ruwe opium per hectare). Dit maakt de productie van opiumpapavers uiterst winstgevend voor boeren en landbouwarbeiders. NGO's rapporteren dat landbouwarbeiders in de opiumpapaverproductie tot wel 9 US dollar per dag verdienen, terwijl het normale dagloon voor landbouwarbeiders op 1 a 2 US dollar per dag ligt. De zeer hoge prijzen, in combinatie met de verwachte recordoogst, wijzen op een groeiende vraag naar opium buiten Afghanistan.
Onder deze omstandigheden is het bijna onmogelijk om op korte termijn gewassen aan te duiden of activiteiten buiten het boerenbedrijf te ontwikkelen die kunnen concurreren met de teelt van opiumpapaver. Het feit dat de Afghaanse Overgangsregering slechts controle over een beperkt deel van het land heeft, belemmert efficiënte wetshandhaving, nog een reden waarom er tot nog toe geen vooruitgang is geboekt op het gebied van de bestrijding van de papaverteelt.
Beïnvloeding door regelgeving op het gebied van prijssubsidies of opkoopprogramma's door de Afghaanse Overgangsregering om een stabiele afzetmarkt voor graan te garanderen, zou geen alternatief zijn. Ten eerste wordt papaver meestal op zeer kleine percelen verbouwd, terwijl het graan, dat moeilijk afgezet kan worden, meestal op grootschalige boerderijen geteeld wordt. Ten tweede zou beïnvloeding door middel van regelgeving in strijd zijn met de geformuleerde doelstelling van de Overgangsregering om te komen tot een particuliere en liberale economie. Daarnaast zou dergelijke beïnvloeding vereisen dat de Afghaanse Overgangsregering kon beschikken over de benodigde infrastructuur en opkoopcapaciteit, wat niet het geval is.
Acties van de Commissie en andere donoren:
De Commissie, de gehele donorgemeenschap en de Afghaanse Overgangsregering beschouwen de toegenomen teelt van opiumpapavers als een bedreiging van de sociaal-economische en politieke wederopbouw van Afghanistan, aangezien deze een belangrijke bron van inkomsten vormt voor bepaalde groeperingen die de Overgangsregering niet steunen (voornamelijk lokale bevelhebbers en Al Qaida). Ondertussen is het duidelijk geworden dat alternatieve middelen van bestaan slechts één wapen zijn in de strijd tegen de illegale productie van opiumpapavers. Wetshandhaving maar ook onderwijs zou de bevolking duidelijk kunnen maken dat de productie van opiumpapavers illegaal is en, niet minder belangrijk, dat opiumconsumptie zeer negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid en het sociale leven van de gebruiker.
Als reactie op de complexe aard van de strijd tegen de illegale productie van opiumpapavers heeft de Afghaanse Overgangsregering de Afghaanse nationale strategie voor drugsbestrijding opgesteld. Deze is ontwikkeld met technische steun van het Verenigd Koninkrijk, de belangrijkste donor voor drugsbestrijding, en de Commissie. In het kader van deze strategie, die gebaseerd is op de bovengenoemde elementen, verleent de Commissie steun aan de wederopbouw van rurale productiesystemen, die zijn vernietigd door de burgeroorlog en de recente droogte. Voor dit doel is voor 2002/2003 EUR 140 miljoen beschikbaar gesteld. Meer gegevens over de acties zijn te vinden in de tabel die rechtstreeks aan het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement wordt verstuurd.
Deze steun zou echter nutteloos zijn als de wethandhaving, als onderdeel van de strategie, niet ook aangepakt zou worden. Daarom heeft de Commissie besloten om met meer dan EUR 70 miljoen steun (gefinancierd uit de begrotingslijnen B7-300 en B7-304 in 2002 en 2003) eraan bij te dragen dat de wet en de openbare orde weer gehandhaafd worden en verzekert dat de nationale politie salaris, uitrustingen en opleidingen ontvangt. Dit is een directe aanvulling op de bijdragen van Duitsland, dat de belangrijkste donor is voor de wederopbouw van de nationale politiemacht.
Voorlopige effecten en toekomstige actie door de Commissie:
De bestrijding van de opiumpapaverproductie neemt een aanzienlijke periode in beslag. In Pakistan en Thailand duurde het bijvoorbeeld 15 jaar voordat bevredigende resultaten geboekt werden. Door de onveilige situatie en het feit dat de Afghaanse Overgangsregering slechts in beperkte mate controle over het land heeft, heerst er een gunstig klimaat voor de teelt van illegale gewassen. Bovendien wordt de strijd in Afghanistan bemoeilijkt door de groeiende vraag naar opium in de buurlanden, die zwakke regeringen hebben. Deze omstandigheden, naast de enorme armoede op het platteland en het feit dat de meeste mensen niet weten dat de teelt van opiumpapavers illegaal is en dat het gebruik van opium gevaarlijk is, zijn de voornaamste redenen dat het programma dat door de Commissie en de internationale gemeenschap gesteund wordt tot nog toe weinig effect gesorteerd heeft. De Gemeenschap en andere partners (met name het Verenigd Koninkrijk en Duitsland) zullen hun steun aan de regering op dit vlak echter voortzetten, want alleen door duurzame inzet zal de Afghaanse regering in staat zijn om de doelstellingen te behalen die beschreven zijn in de Afghaanse nationale strategie voor drugsbestrijding, dat het uitgangspunt van alle inspanningen zal blijven.
Aangezien er meer inzicht dient te worden verworven in de belangrijkste sociaal-economische factoren van drugsproductie, bereidt de Commissie momenteel een project voor om deze kwesties te evalueren en de resultaten in projecten te verwerken.
Daarnaast is de Commissie voornemens de strijd tegen plattelandsarmoede, een van de belangrijkste redenen van de teelt van opiumpapaver, voort te zetten. De wederopbouw van irrigatiesystemen en steun aan de tuinbouw (voor de burgeroorlog was Afghanistan een zeer belangrijke exporteur van fruit en noten) zijn de belangrijkste factoren waarmee andere landbouwsystemen weer voet aan de grond kunnen krijgen waardoor boeren meer aantrekkelijke alternatieven geboden worden. De Gemeenschap wordt beschouwd als de belangrijkste stuwende kracht achter dit aspect van alternatieve middelen van bestaan binnen de Afghaanse nationale strategie voor drugsbestrijding. Als aanvullende actie draagt de Commissie samen met andere donoren (de Wereldbank en de Verenigde Staten) bij aan de medische hulp voor de plattelandsbevolking.
Een andere essentiële voorwaarde voor de antidrugsstrategie is dat de Afghaanse Overgangsregering het land beter onder controle krijgt en dat de veiligheidssituatie snel verbetert, om een eind te maken aan de anarchie in bepaalde regio's. Op dit terrein wordt steun verleend door Duitsland (opleiding en wederopbouw van de nationale politie) en door de Gemeenschap via het Law and Order Trust Fund for Afghanistan (LOTFA) waaruit politiesalarissen en -uitrustingen worden uitbetaald en dat voorziet in steun aan de grenspolitie om drugssmokkel aan te pakken. De uitbreiding van ISAF naar de provincies en de vorming van provinciale wederopbouwteams zoals de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties onlangs besloten heeft, naast de wederopbouw van het nationale leger met de hulp van Frankrijk en de Verenigde Staten, zou de veiligheidssituatie in de toekomst ook kunnen verbeteren.
Een kopie van de tabel die een overzicht geeft van de programma's van de Commissie voor Afghanistan wordt rechtstreeks aan het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement toegestuurd.
(1) PB C 277 E van 14.11.2002, blz. 2.
(2) B7-302: „Hulp aan de ontwortelde bevolkingsgroepen in de landen in Azië en Latijns-Amerika”. Geplande steun voor acties in Afghanistan voor de periode 2001-2004: ongeveer EUR 90 miljoen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/633 |
(2004/C 88 E/0650)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3021/03
van Anna Karamanou (PSE) aan de Commissie
(14 oktober 2003)
Betreft: Handel in minderjarigen in Afghanistan
Onlangs werd — op grond van een communiqué van Unicef — de aandacht gevestigd op het probleem van handel in minderjarigen in Afghanistan, dat steeds grotere dimensies aanneemt. Meer bepaald heeft de Afghaanse politie een groep van ongeveer 50 kinderen ontdekt — onder wie enkele vierjarige kleuters — die afkomstig waren uit de noordoostelijke provincie Badachsjan en via de weg werden overgebracht naar een onbekende bestemming in de aangrenzende provincie Takar. De autoriteiten vermoeden dat deze kinderen bestemd waren voor onderricht in religieuze scholen in Pakistan en Iran, of zouden worden verkocht om in het buitenland in circuits van illegale arbeid of prostitutie terecht te komen. Een vertegenwoordiger van Unicef maakte tevens gewag van onbevestigde bronnen in het zuiden van het land, waar eveneens kinderen zouden worden vermist.
Volgens een hooggeplaatste officier van de Afghaanse politie zijn er gevallen bekend van Pakistani die Afghanistan binnenkomen en naar afgelegen gebieden reizen, waar ze de arme dorpelingen in ruil voor wat geld hun kinderen ontnemen. Daarbij beloven ze hen dat hun kinderen een goede religieuze opvoeding en de „goddelijke verlichting” zullen krijgen. Deze kinderen uiten evenwel de vrees dat ze bestemd zijn voor religieuze scholen, waar ze worden gehersenspoeld en vervolgens de rangen van de Pakistaanse geheime diensten en religieuze groeperingen moeten versterken. In enkele gevallen worden ze als arbeidskracht verkocht of vallen ze ten prooi aan seksuele uitbuiting.
Welke acties denkt de Commissie te ondernemen en welke programma's zal zij financieren om de centrale regering in Afghanistan te steunen en de werking van de politie in geheel het land te verbeteren, met de bedoeling de uitbuiting van de bevolking en met name de handel in kinderen uit te roeien?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(6 november 2003)
De Commissie is ook verontrust over recente meldingen vanuit Afghanistan over ontvoeringen van jonge kinderen en is zeer verheugd over het besluit van het Kinderfonds van de Verenigde Naties (Unicef) om een deskundige op het gebied van de rechten van het kind naar Noord-Afghanistan te sturen.
De Commissie en haar Lidstaten zetten zich vol overtuiging in voor de opbouw van een sterk rechtsstelsel en een politiemacht zodat er in geheel Afghanistan sprake kan zijn van een doeltreffende rechtshandhaving:
Duitsland is de voornaamste donor op het gebied van de politiehervorming. In december 2003 zullen in totaal 5 000 nieuwe en bestaande politiemensen een opleiding hebben ontvangen en zal Duitsland de politie-opleiding ook uitbreiden tot de provincies. Ter ondersteuning hiervan verleende de Commissie in 2002 een bijdrage van 10 miljoen euro aan het Trustfund voor openbare orde en veiligheid (dat de bezoldiging van politiemensen en hun opleiding betaalt), en nog eens 15,5 miljoen euro in 2003. Daarnaast heeft zij nog eens 60 miljoen euro gereserveerd voor het Trustfund voor openbare orde en veiligheid voor Afghanistan (LOTFA) in 2003-2004.
Italië is de voornaamste donor op het gebied van justitiële hervorming. Tot op heden werd 20 miljoen USD uitgegeven voor de hervorming van het justitiële stelsel, met inbegrip van de sanering van gebouwen in Kabul en de opleiding van 120 juristen. Voor 2003 zullen de Commissie en Italië gezamenlijk 6 miljoen euro bijdragen aan de sanering van districtsrechtbanken en de opleiding van plaatselijk personeel.
Ook de nieuwe grondwet heeft een belangrijke rol. In de verklaring op de Conferentie van 21 september 2003 in Dubai werd benadrukt hoe belangrijk het is de mensenrechten voor iedereen, met inbegrip van vrouwen en kinderen, te verankeren. Zo werd verklaard dat de EU ervan op de hoogte is dat Afghanistan zijn verplichtingen erkent uit hoofde van het internationaal recht met name op het gebied van de mensenrechten en ernaar uitziet deze verplichtingen volledig na te leven in de nieuwe grondwet. De Trojka die op 19-20 oktober 2003 een bezoek bracht aan Afghanistan onderstreepte hoe belangrijk het is deze verplichtingen na te komen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/634 |
(2004/C 88 E/0651)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3031/03
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(17 oktober 2003)
Betreft: Europese subsidies voor de culturele sector
Het verenigingswezen is een van de hoekstenen van de sociale ontwikkeling van een land, niet alleen omdat het de actieve deelneming en de zelfbeschikking van de burgers belichaamt, maar ook wegens de diensten die de verenigingen verlenen, in het bijzonder op het vlak van de cultuur en de sport. De recreatieve verenigingen zijn dikwijls de voornaamste actoren van de verspreiding en de instandhouding van het culturele erfgoed van vele regio's en leveren een waardevolle bijdrage aan de rijkdom en de culturele diversiteit van de Europese Unie. De verenigingen zijn het medium bij uitstek voor amateurtoneel, folkloristische groepen, muziekgezelschappen, muziekscholen en tentoonstellingsruimtes. De meeste van deze verenigingen hebben gebrek aan middelen en vooral aan geld, om hun werk voor de maatschappij te kunnen blijven verrichten, met name op het gebied van de vrijetijdsbesteding. Ik word persoonlijk vaak geconfronteerd met deze realiteit en ook met het gebrek aan informatie over de beschikbare steun, met name op het niveau van de Europese Unie.
Ik wilde graag een antwoord van de Commissie op de volgende vragen:
|
— |
welke communautaire instrumenten ter ondersteuning van de cultuur en in het bijzonder van de verenigingen bestaan er? |
|
— |
Wat het specifieke geval van de recreatieve muziekgezelschappen betreft, welke communautaire steunregelingen bestaan er, met name voor de aanschaf van instrumenten, leermiddelen voor muziekscholen, en voor de inrichting van auditoria en zalen? |
|
— |
Wat is het totale bedrag dat in de Europese begroting is uitgetrokken en effectief uitgegeven voor cultuur? Hoe is deze cultuurbegroting geëvolueerd van 1994 tot 2003? Wat is de distributie van deze kredieten per lidstaat en het aantal gefinancierde projecten? |
Aanvullend antwoord van mevrouw Mme Reding namens de Commissie
(23 januari 2004)
De Commissie moet het geachte parlementslid attenderen op het feit dat het moeilijk is een algemeen standpunt ten aanzien van de vele activiteiten en programma's van de Unie op het culturele vlak in te nemen. In feite hebben naast het programma Cultuur 2000, dat specifiek is gewijd aan culturele samenwerking en waarvan het doel is projecten die geproduceerd en gefinancierd zijn door minimaal drie instellingen, talrijke Europese programma's op vele werkterreinen een cultureel aspect: steun aan de culturele branche, technologisch onderzoek, educatie en vorming op het gebied van kunst, regionale ontwikkeling, samenwerking met andere landen...
Deze programma's vallen onder verschillende directies en instellingen van de Commissie, die op hun eigen manier werken en subsidies verlenen. Teneinde de gegevensverwerking van culturele informatie die bedoeld is om alle burgers toegang te verlenen tot Europese culturele content te stimuleren heeft de Commissie in maart 2002 een portaal gelanceerd dat gewijd is aan Europa en Cultuur. Dit portaal is bedoeld om de burger, de culturele instelling, lokale, regionale en nationale instituten te leiden door het werkgebied van de Unie met betrekking tot cultuur in welke vorm dan ook (1).
Wat betreft de programma's die zijn gebaseerd op artikel 151 van het EC-verdrag (eerst de oude programma's Raphaël, Ariane en Kaléidoscope, vervolgens sinds het jaar 2000 Culture 2000), en de bedragen die in het kader van deze programma 's zijn toegekend, moeten we opmerken dat het gezien de Europese dimensie en de verplichte transnationale aard van de gefinancierde projecten niet mogelijk is de in de vorm van subsidies toegekende bedragen exact per lidstaat uit te splitsen. Maar op basis van de tussentijdse beoordeling van het programma Cultuur 2000 (die op internet beschikbaar is (2)) en de beoordeling van de programma's Raphaël, Ariane en Kaléidoscope (waarvan de resultaten binnenkort op internet zullen worden gepubliceerd) zijn wij in staat het impact en de voordelen te evalueren.
Wat betreft het culturele aspect van de structuurfondsen moeten we erop wijzen dat cultuur op zich niet een doelstelling van de structuurfondsen is. De activiteiten die op het terrein van de cultuur worden ondernomen, kunnen profiteren van een medefinanciering door de structuurfondsen naarmate deze direct of indirect (met name door het creëren van banen) bijdragen aan het realiseren van de doelstelling economische en sociale samenhang. In het algemeen moet worden benadrukt dat de financieringen die op cultureel gebied door de structuurfondsen worden verleend, zich moeilijk in cijfers laten uitdrukken gezien de relatief ruime definitie van deze sector. De Commissie bereidt momenteel een werkdocument over deze dienstverlening voor dat betrekking heeft op het gebruik van structuurfondsen in de culturele sector in de periode 1994-1999. Dit document is gebaseerd op de gegevens die over de aan cultuur gewijde structuurfondsen tijdens de periode 1994-1999 door de lidstaten werden verstrekt.
(1) http://europa.eu.int/comm/culture
(2) http://europa.eu.int/comm/culture/eac/sources_info/studies_evaluation/studies_en.html
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/636 |
(2004/C 88 E/0652)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3091/03
van Glenys Kinnock (PSE) aan de Commissie
(14 oktober 2003)
Betreft: Peter Shaw/Georgia
Kan de Commissie bevestigen dat de autoriteiten in Georgia alsmede de openbare aanklager zich actief inzetten voor een onderzoek naar de omstandigheden waaronder Peter Shaw werd ontvoerd?
Is dit het geval waarbij twee personen die bij kidnapping betrokken waren, in vrijheid zijn gesteld wegens gebrek aan bewijs? In een eerder antwoord (E-2700/03 (1)) inzake het geval Peter Shaw heeft de Commissie laten weten dat de autoriteiten in Georgia een schriftelijk verslag van hun onderzoek zouden publiceren. Is dit gebeurd en heeft de Commissie dit gedetailleerde verslag ontvangen?
Antwoord van de heer Patten Namens de Commissie
(7 november 2003)
De Commissie benut iedere gelegenheid om de Georgische autoriteiten erop te wijzen dat zij grote waarde hecht aan de identificatie en berechting van de ontvoerders van Peter Shaw. De Commissie verwacht dat de Georgische autoriteiten zich zal blijven inzetten voor het onderzoek naar deze ontvoering.
De Commissie kan geen antwoord geven op de vraag van het geachte parlementslid of de twee personen die met de ontvoering te maken hebben, zijn vrijgelaten.
De Commissie bevestigt dat zij de Georgische autoriteiten heeft verzocht om een gedetailleerd schriftelijk verslag over de stand van zaken van het onderzoek naar de ontvoering. De Georgische autoriteiten hebben aangegeven dat zij aan dit verzoek zullen voldoen zodra zij voldoende informatie hebben verzameld om een rechtszaak te beginnen. De Commissie zal op een dergelijk verslag blijven aandringen.
Het lid van de Commissie dat verantwoordelijk is voor Externe Betrekkingen zal deze zaak op de voet blijven volgen en heeft de zaak, en de noodzaak van een schriftelijk verslag, onlangs persoonlijk aan de orde gesteld bij de Georgische minister van Buitenlandse Zaken, de heer Irakli Menagarashvili, tijdens de bijeenkomst van de Samenwerkingsraad tussen de Europese Unie en Georgië.
(1) Zie blz. 433.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/636 |
(2004/C 88 E/0653)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3117/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(22 oktober 2003)
Betreft: Illegale import van textiel uit China
Gezien de volgende feiten:
|
— |
Op 10 oktober 2003 uitte de Associazione Tessili van Barletta (Italië) met een protestactie haar grote ongerustheid over de illegale import van textielproducten uit China en drong zij bij de Europese Unie aan op concrete maatregelen. |
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Over welke informatie beschikt zij met betrekking tot de controles aan de grenzen en op het grondgebied van de Unie op alle vormen van overtredingen (ontduiking, belastingvlucht, namaak), de naleving van de internationale overeenkomsten betreffende invoer uit niet-EU-landen, in het bijzonder het Verre Oosten, en de betaling van de voorgeschreven heffingen? Welke initiatieven is de Commissie van plan te nemen om die controles te intensiveren? |
|
— |
Wat is de Commissie voornemens om ervoor te zorgen dat in de landen van het Verre Oosten erop wordt toegezien of zij de internationale verdragen inzake de mensenrechten en de beloning van de werknemers naleven? |
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(8 december 2003)
De Commissie is op de hoogte van beschuldigingen zoals het niet-respecteren van fundamentele arbeidsrechten, valse verklaringen van oorsprong en het ontwijken van quota's, het niet-respecteren van intellectuele-eigendomsrechten van de kant van bepaalde exporterende landen, waarbij de verplichtingen of verbintenissen krachtens met de Gemeenschap gesloten bilaterale textielovereenkomsten worden genegeerd.
Wat de volgens de bilaterale overeenkomsten van kracht zijnde kwantitatieve beperkingen aan de export van textiel en kleding betreft, vindt dit plaats in het kader van een dubbel controlesysteem volgens hetwelk importvergunningen door communautaire instanties alleen worden verleend na overlegging van verleende geldige uitvoervergunningen en onder de voorwaarde dat de corresponderende hoeveelheid binnen de quota beschikbaar is. Bovendien zijn certificaten van oorsprong vereist om het ontwijken van quota's te voorkomen, hetgeen ten nadele is van zowel de Gemeenschap als het partnerland. In gevallen waarbij het ontwijken van quota's wordt vermoed, kan er door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding OLAF een onderzoek worden gestart. Als ontwijking wordt aangetoond, wordt getracht de quota's aan te passen om de situatie te herstellen.
Door Verordening (EG) nr. 1383/2003 van de Raad van 22 juli 2003 (1) heeft de Gemeenschap haar douaneacties op het gebied van goederen waarvan wordt vermoed dat zij inbreuk maken op bepaalde intellectuele-eigendomsrechten en de te nemen maatregelen tegen goederen die op dergelijke rechten daadwerkelijk inbreuk hebben gemaakt, verbeterd.
De kwestie van grenscontroles aan de buitengrenzen is voor de Commissie van uitermate groot belang en heeft geleid tot de recente mededeling betreffende „De rol van de douane in het geïntegreerde beheer van de buitengrenzen” (2). Hierin worden de gekozen strategie en aanpak geschetst en worden verschillende aanbevelingen gedaan om de douanecontrole door lidstaten te verbeteren. Wat het specifieke probleem van namaakproducten betreft, is een aantal activiteiten ondernomen. Een nieuwe douanewet (Verordening (EG) nr. 1383/2003 van 22 juli 2003) zal leiden tot een versterkte douanecontrole, met name op het gebied van de intellectuele-eigendomsrechten. Via het programma „Douane 2007” wordt er een verbeterde samenwerking opgezet met zowel nieuwe lidstaten als ondernemingen die te maken hebben met vervalsingen en namaak.
In haar handelsbeleid is de Gemeenschap tegenstander van een op sancties gebaseerde aanpak en van initiatieven om arbeidsrechten te gebruiken voor protectionistische doeleinden. Dienovereenkomstig pleit de Gemeenschap voor de effectieve toepassing van fundamentele arbeidsnormen door middel van positieve instrumenten en een aanpak op basis van stimulerende maatregelen. Voorbeelden hiervan zijn het communautaire algemene preferentiestelsel (APS), dat begunstigde landen in staat stelt van extra voordelen te profiteren als zij zich houden aan de normen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), en de Cotonou-overeenkomst tussen de Gemeenschap, haar lidstaten en de landen van Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS-staten), waarin een specifieke bepaling is opgenomen over handel en arbeidsnormen.
(2) COM(2003)452 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/637 |
(2004/C 88 E/0654)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3220/03
van Christopher Heaton-Harris (PPE-DE) aan de Commissie
(31 oktober 2003)
Betreft: Financieel Reglement en het DG Uitbreiding
Krachtens het nieuw Financieel Reglement van de Commissie bedraagt de termijn voor betalingen 45 dagen „vanaf de datum van inschrijving van een ontvankelijk verzoek om betaling”.
Kan de Commissie toelichten wanneer het DG Uitbreiding niet aan deze termijn heeft voldaan? Is er sinds de inwerkingtreding van het nieuw Financieel Reglement op 1 januari 2003 een controle uitgevoerd binnen dit DG? Zo ja, kan de Commissie details verstrekken over de controleverslagen, met name over de periode waarin de betalingen zijn uitgevoerd? Welke procedures hanteert het DG Uitbreiding om te verzekeren dat betalingen binnen de termijn van 45 dagen worden verricht?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(18 december 2003)
Het geachte parlementslid stelt de toepassing van het nieuwe Financieel Reglement aan de orde met betrekking tot de bepalingen inzake de betalingstermijnen en inzake de audit bij verschillende diensten van de Commissie. Het is het geachte parlementslid wellicht bekend dat de voorschriften inzake betalingstermijnen uitsluitend van toepassing zijn op juridische verbintenissen van de Commissie die na 1 januari 2003 zijn ondertekend. Op grond van het oude Financieel Reglement, dat tot die datum van toepassing was, waren er geen specifieke bepalingen inzake de termijn voor het verrichten van betalingen.
De voorschriften inzake betalingstermijnen zijn vastgesteld bij artikel 106 van de uitvoeringsvoorschriften voor het Financieel Reglement (1). De algemene regel is: 45 dagen vanaf de datum van inschrijving van een ontvankelijk verzoek om betaling, of 30 dagen voor betalingen in verband met opdrachten voor diensten of leveringen.
Verder zijn voorschriften opgenomen in artikel 106, lid 3, voor betalingen met betrekking tot contracten of overeenkomsten waarin de betaling afhankelijk wordt gesteld van de goedkeuring door de Commissie van een verslag. De betalingstermijn begint in dergelijke gevallen pas te lopen na de goedkeuring van het verslag. Voor contracten voor technische prestaties die bijzonder moeilijk te evalueren zijn, mag de termijn voor goedkeuring van het verslag tot 60 dagen bedragen.
Overeenkomstig artikel 106, lid 4, van de uitvoeringsvoorschriften kan worden besloten tot opschorting van de betalingstermijn als de overgelegde bewijsstukken geen rechtvaardiging vormen voor het verzoek om betaling of als de Commissie twijfels heeft over de subsidiabiliteit van de in een verzoek om betaling opgenomen uitgaven. In zulke gevallen begint de rest van de betalingstermijn pas te lopen als het correct opgestelde verzoek om betaling is ingeschreven. Volgens de Commissie is deze bepaling essentieel om ervoor te zorgen dat niet-subsidiabele betalingen worden voorkomen en om een deugdelijk financieel management te garanderen.
Het directoraat-generaal Uitbreiding van de Commissie doet zijn uiterste best om de betalingen zo snel mogelijk en overeenkomstig de uit het nieuwe Financieel Reglement voortvloeiende verplichtingen uit te voeren, en wel met inachtneming van de beschikbare personele middelen. Op elk niveau hebben de ambtenaren duidelijke aanwijzingen gekregen waarbij met nadruk is gewezen op het belang prompt, en in elk geval binnen de in het Financieel Reglement vastgestelde termijn, te betalen. Het management heeft de nodige aandacht aan deze kwestie besteed en er is een uitgebreidere follow-up procedure ingesteld om ervoor te zorgen dat de betalingen zo snel mogelijk worden uitgevoerd zonder afbreuk te doen aan deugdelijk financieel management. De gegevens betreffende de termijnen voor betalingen door het directoraat-generaal Uitbreiding worden het geachte parlementslid rechtstreeks toegezonden.
(1) Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, PB L 357 van 31.12.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/638 |
(2004/C 88 E/0655)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3221/03
van Christopher Heaton-Harris (PPE-DE) aan de Commissie
(31 oktober 2003)
Betreft: Financieel Reglement en het DG Ontwikkeling en humanitaire hulp
Krachtens het nieuw Financieel Reglement van de Commissie bedraagt de termijn voor betalingen 45 dagen „vanaf de datum van inschrijving van een ontvankelijk verzoek om betaling”.
Kan de Commissie toelichten wanneer het DG Ontwikkeling en humanitaire hulp niet aan deze betalingstermijn heeft voldaan? Is er sinds de inwerkingtreding van het nieuw Financieel Reglement op 1 januari 2003 een controle uitgevoerd binnen dit DG? Zo ja, kan de Commissie details verstrekken over de controleverslagen, met name over de periode waarin de betalingen zijn uitgevoerd? Welke procedures hanteert het DG Ontwikkeling en humanitaire hulp om te verzekeren dat betalingen binnen de termijn van 45 dagen worden verricht?
Antwoord van de heer Nielson Namens de Commissie
(17 februari 2004)
De huidige bepalingen inzake betalingstermijnen zijn vastgesteld in artikel 106 van de uitvoeringsvoorschriften voor het Financieel Reglement (1). Algemeen geldt dat de termijn 45 kalenderdagen bedraagt vanaf de datum van inschrijving van een ontvankelijk verzoek om betaling, of 30 kalenderdagen voor betalingen in verband met opdrachten voor diensten of leveringen, behalve wanneer in het contract anders is bepaald.
Overeenkomstig artikel 106, lid 4, van de uitvoeringsvoorschriften kan worden besloten de betalingstermijn op te schorten als de overgelegde bewijsstukken het verzoek om betaling niet rechtvaardigen of als de Commissie twijfels heeft over de subsidiabiliteit van het verzoek om betaling. In deze gevallen begint de betalingsperiode opnieuw te lopen op de datum waarop een correct opgesteld verzoek om betaling is ingeschreven. De Commissie is van mening dat deze bepaling noodzakelijk is om betalingen van niet-subsidiabele uitgaven te voorkomen en een gezond financieel beheer te garanderen.
Directoraat-generaal (DG) Ontwikkeling (DEV) doet er alles aan om de betalingen overeenkomstig het nieuw Financieel Reglement binnen de kortst mogelijke termijn af te handelen. Aan alle operationele eenheden zijn richtsnoeren in verband met de naleving van de betalingstermijnen gestuurd. Die richtsnoeren bevatten een tijdschema met de maximumtermijnen die op elk niveau van het interne financiële circuit moeten worden nageleefd. Om toezicht te houden op de betalingstermijnen is gebruik gemaakt van een financiële indicator voor de betalingen, die is gebaseerd op gegevens van het boekhoudkundig systeem van de Commissie. Voor 2003 bedraagt de gemiddelde betalingstermijn voor DG DEV (termijn tussen de datum van inschrijving van de factuur en de valutadatum van de bank) 44 dagen voor de posten van deel A van de begroting (huishoudelijke uitgaven) en 22 dagen voor de posten van deel Β van de begroting (beleidsuitgaven). Voor datzelfde jaar bedraagt de gemiddelde betalingstermijn voor DG DEV voor beide soorten begrotingsposten samen 32,13 dagen. De betalingen die DG Personeelszaken en administratie (ADMIN) voor twee begrotingslijnen van deel A (dienstreizen; vergaderingen met deskundigen) heeft verricht, zijn hierin niet meegerekend.
Het enige verslag dat DG DEV heeft gemaakt over het tijdschema voor de in 2003 verrichte betalingen is „Reporting on financial indicators”, dat is gemaakt om informatie over het beheer te verstrekken. Dit verslag over de financiële indicatoren geeft het management, de gesubdelegeerde ordonnateurs en de financiële cel van het DG belangrijke feedback over de financiële prestaties.
(1) Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, PB L 357 van 31.12.2002.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/639 |
(2004/C 88 E/0656)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3257/03
van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Commissie
(3 november 2003)
Betreft: BTW kringloopbedrijven
Kringloopbedrijven beschouwen het onderkennen en benutten van hergebruiksmogelijkheden als een van hun hoofdtaken. Zij geven daaraan invulling door het ophalen, selecteren, repareren en opnieuw aanbieden van afgedankte producten. In België mag de kringloopbranche het 6 % BTW-tarief hanteren op basis van sociale argumenten. In Nederland zijn herhaalde pogingen gedaan om ook daar de kringloopbranche op basis van sociale en milieutechnische argumenten onder het 6 % BTW-tarief te laten vallen. Tot nu toe zonder succes. Inmiddels heeft de Commissie een mededeling over een geïntegreerd productbeleid (1) voorgelegd aan Parlement en Raad. Hierin wordt op een aantal punten gesproken over belastingvoordelen voor milieugerichte concepten. Echter, de kringloopbranche wordt niet specifiek genoemd.
|
1. |
Is de Commissie in gesprek met de Europese belangenorganisatie van kringloopbedrijven (RREUSE) over dit onderwerp? |
|
2. |
Zo ja, wat zijn de concrete resultaten van die dialoog? Zo nee, waarom vindt een dergelijke dialoog niet plaats? |
|
3. |
Is de Commissie ook niet van mening dat de kringloopbranche een waardevolle bijdrage levert aan een duurzame samenleving? |
|
4. |
Wat is de Commissie voornemens te doen om de kringloopbranche te betrekken bij het geïntegreerde productbeleid? |
|
5. |
Is de Commissie ook niet van mening dat de kringloopbranche op basis van sociale en milieutechnische argumenten aanspraak moet kunnen maken op belastingvoordelen, dat wil zeggen een verlaagd BTW-tarief van 6 %? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(19 december 2003)
De Commissie is thans bezig haar overleg met belanghebbenden af te ronden over de Thematische Strategie inzake Afvalpreventie en Afvalrecycling. In dit verband heeft zij contacten gelegd met Rreuse, onder andere belanghebbenden, vooral over aangelegenheden als herstelling en hergebruik van artikelen en uitrusting sstukken.
Op 30 november 2003 is de periode van overleg over de Thematische Strategie inzake Afvalpreventie en Afvalrecycling (2) juist beëindigd. Onder de onderwerpen in de medeling waren ook economische instrumenten. Over de bijdragen van individuele betrokkenen zijn er evenwel nog geen concrete conclusies binnengekomen.
Zoals in haar mededeling is vermeld, stelt de Commissie de waardevolle bijdrage van de recyclage-bedrijfstak aan een duurzame ontwikkeling zeer op prijs. De mededeling bespreekt een groot aantal recyclage-kwesties die in het algemene concept voor een duurzaam beheer van hulpbronnen potentieel wel sleutelrollen vervullen.
Het Geïntegreerd Productiebeleid (IPP) richt zich op de milieukwaliteiten van artikelen gedurende de gehele levenscyclus daarvan. Recyclage en hergebruik zijn daarom voor IPP erg belangrijk. Technologieën en procedures die bij recyclage worden gebruikt kunnen helpen negatieve milieugevolgen aan het einde van het leven van een artikel te vermijden, energie en hulpbronnen besparen en wellicht bijdragen aan een ecologisch vriendelijker productontwerp.
Zoals zij dit had aangekondigd in haar mededeling over de BTW-strategie die in 2000 was goedgekeurd (3), heeft de Commissie op 23 juli 2003 het voorstel goedgekeurd voor de richtlijn betreffende de herziening en de rationalisering van de regels en afwijkingen op het gebied van de verlaagde BTW-tarieven (4). Haar voornaamste doel daarbij was het verbeteren van de interne markt en dit vooral door een vereenvoudiging en een meer eenvormige toepassing van de BTW na te streven.
Genoemd voorstel bevat geen bijzondere bepaling voor de beroepsgroep van de uitdragers: daarvoor zijn namelijk reeds in de Zesde BTW-Richtlijn (5) gunstige maatregelen vastgesteld.
Allereerst valt dit beroep in de meeste gevallen onder de bijzondere regeling die van toepassing is op het gebied van gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten van artikel 26 bis van genoemde richtlijn. Dit betekent dat de verkopen van gebruikte goederen door de personen van deze beroepsgroep — aangemerkt als belastingplichtige wederverkopers — slechts over de behaalde winstmarge worden belast. Deze winstmarge is gelijk aan het verschil tussen de verkoopprijs die voor het goed door de belastingplichtige wederverkoper wordt gevraagd en de prijs bij aanschaf.
Bovendien is in bijlage H, categorie 14, van deze richtlijn bepaald dat de lidstaten een verlaagd BTW-tarief (van ten minste 5 % ) kunnen toepassen op „de levering van goederen en diensten die door organisaties die door de lidstaten als liefdadige instellingen zijn erkend en die betrokken zijn bij activiteiten op het gebied van bijstand en sociale zekerheid, voorzover deze handelingen niet zijn vrijgesteld uit hoofde van artikel 13”. Dit betekent bijvoorbeeld dat een lidstaat een verlaagd BTW-tarief zou kunnen toepassen op de wederverkoop van goederen die zijn ingezameld door organisaties die door de lidstaten als liefdadige instellingen zijn erkend.
Er zij desondanks op gewezen dat op het gebied van de BTW-tarieven het leidend beginsel de toepassing van de gewone tarieven is. De toepassing van een verlaagd recht is een mogelijkheid die aan de lidstaten wordt opengelaten, hetgeen ertoe kan leiden dat bepaalde lidstaten op dit gebied een verlaagd recht vaststellen en andere lidstaten niet.
Het lijkt kortom niet nodig in deze sector andere bijzondere maatregelen van verlaging van de BTW-tarieven door te voeren.
(1) COM(2003) 302.
(2) COM(2003) 301 def.
(3) COM(2000) 348 def.
(4) COM(2003)397 def.
(5) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, PB L 145 van 13.6.1977.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/641 |
(2004/C 88 E/0657)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3305/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(10 november 2003)
Betreft: Mensenrechten in Tunesië
Volgens artikel 2 van het associatieverdrag met Tunesië zijn de betrekkingen tussen de verdragsluitende partijen, alsook het verdrag zelf, gebaseerd op eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen die gelden voor hun binnenlands en internationaal beleid en die een wezenlijk deel vormen van het verdrag. Desondanks en ondanks de toezegging van president Zine El Ben Ali de mensenrechtensituatie te verbeteren, worden deze rechten voortdurend met voeten getreden.
Kan de Commissie mededelen via welke maatregelen eventueel wordt gewaarborgd dat deze toezeggingen om de mensenrechten te eerbiedigen door de autoriteiten in Tunesië daadwerkelijk worden gehandhaafd?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(12 december 2003)
De associatieovereenkomst EU-Tunesië bevat een artikel met de essentiële waarden en beginselen die volgens de partijen ten grondslag liggen aan deze overeenkomst.
De associatieovereenkomst voorziet in de noodzakelijke structuren om alle aspecten van de overeenkomst te bespreken: een Associatieraad (ministers), een Associatiecomité (hoge ambtenaren) en, sedert september 2003, een reeks van specifieke sectorale subcomité's (deskundigen). Al deze fora zijn bevoegd om de vraagstukken in verband met de mensenrechten en de democratie op de juiste manier te behandelen.
Bovendien is tijdens de recente Associatieraad van 30 september 2003 afgesproken dat, indien de partijen zulks besluiten, deze vraagstukken ook besproken kunnen worden door een specifieke werkgroep of subcomité van het Associatiecomité. De mensenrechten zijn eveneens aan de orde geweest tijdens de politieke dialoog die op 29 september 2003 in Tunis heeft plaatsgevonden, in de marge van de Associatieraad.
In deze context heeft de Unie eraan herinnerd dat zij groot belang hecht aan de voortzetting en uitdieping, op gestructureerde wijze, van de besprekingen met Tunesië over de mensenrechten en de democratisering, opdat op bepaalde punten van deze vraagstukken een gemeenschappelijk begrip tot stand wordt gebracht (Verklaring van de Unie op de 4de Associatieraad). Er zijn al dergelijke specifieke subcomités ingesteld met Marokko en Jordanië. Deze overlegprocedures komen naast de traditionele diplomatieke instrumenten — zoals demarches en verklaringen van de Unie — voor de bevordering van de doelstellingen op het gebied van de mensenrechten.
Het effect van dit overleg hangt natuurlijk af van de kracht waarmee dit wordt gevoerd (de Commissie treedt bij dergelijke vraagstukken altijd in nauwe coördinatie met de lidstaten op) en van de manier waarop de partnerlanden dit ontvangen. Men gaat ervan uit dat zowel het initiatief van de Commissie met betrekking tot een nabuurschapbeleid voor een groter Europa als haar mededeling over de versterking van de mensenrechten in het Middellandse Zeegebied (1) nuttige stimulansen zullen zijn voor onze partners om hun formele verbintenissen gepaard te doen gaan met meer actie.
Afgezien daarvan stelt de Commissie momenteel door MEDA gefinancierde samenwerkingprogramma's op voor de ondersteuning van de Tunesische media (scholing van journalisten) en de modernisering van het gerechtelijk apparaat. Niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor de bevordering van de mensenrechten in Tunesië hebben toegang tot financiering uit hoofde van het Europees Initiatief voor Democratie en Mensenrechten 2002-2004, waarin Tunesië momenteel een van de „focuslanden” is.
(1) COM(2003)294 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/642 |
(2004/C 88 E/0658)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3310/03
van Philip Claeys (NI) aan de Commissie
(10 november 2003)
Betreft: Oliepijplijn Baku-Tbilisi-Ceyhan, overtredingen acquis communautaire door Turkije
De aanleg van een oliepijlijn tussen Baku (Azerbeidian) over Tbilisi (Georgië) naar Ceyhan (Turkije) zou gepaard gaan met een aantal overtredingen op het vlak van milieu en mensenrechten als de Europese regelgeving van toepassing zou zijn op Turkije. Er is sprake van het ontbreken van een serieuze milieu-effectrapportage, van onrechtmatige onteigeningen, enzovoort. Meerdere NGO's kwamen hiertegen al in het geweer.
Turkije is als staat één van de voornaamste partners in het consortium dat de pijpleiding wil aanleggen. Als kandidaat-lidstaat mag evenwel van Turkije verwacht worden dat het de criteria van Kopenhagen overneemt, dus ook het „acquis communautaire”. Naar aanleiding van het hoger genoemde project blijkt dat geenszins het geval te zijn.
In hoeverre volgt de Commissie het dossier van de pijpleiding Baku-Tbilisi-Ceyhan? Werd hierover al contact opgenomen met de Turkse autoriteiten? Zo ja, wat waren de resultaten van deze besprekingen?
Turkije krijgt van de Europese Unie pre-toetredingssteun. Overweegt de Commissie deze steun (eventueel gedeeltelijk) te bevriezen mocht Turkije de criteria van Kopenhagen met de voeten blijven treden? Bestaat er in dat verband een concrete kalender?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(5 december 2003)
In haar periodiek verslag over de vorderingen van Turkije op de weg naar toetreding, dat op 5 november 2003 is gepubliceerd, doet de Commissie verslag van de evaluatie van de ontwikkelingen in het afgelopen jaar en de algemene situatie wat betreft de mensenrechten en de bescherming van minderheden.
Wat betreft de specifieke vragen van het geachte parlementslid over de aanleg van de oliepijplijn Baku-Tbilisi-Ceyhan, dienen alle potentiële schendingen van de mensenrechten tijdens de uitvoering van dit project te worden beoordeeld in het licht van de politieke criteria van Kopenhagen.
Turkije is in deze fase niet gebonden aan het milieu-acquis, maar het is de Commissie bekend dat er voor dit project milieu-effectrapportages zijn uitgevoerd, bijvoorbeeld om te voldoen aan de voorwaarden van internationale kredietinstellingen.
De Commissie zal de ontwikkelingen met betrekking tot dit project blijven volgen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/642 |
(2004/C 88 E/0659)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3331/03
van Anne Van Lancker (PSE) aan de Commissie
(5 november 2003)
Betreft: Het stopzetten van de financiering van programma's ter preventie van HIV/AIDS onder vluchtelingen
Op 27 augustus 2003 kondigde het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken aan de financiering van een programma ter preventie van HIV/AIDS onder vluchtelingen, dat wordt beheerd door het RHR-consortium, te zullen stopzetten. De leden van het consortium zijn: het American Refugee Committee (ARC), CARE, het Heilbrunn Center for Population en Family Health van de Columbia University, het International Rescue Committee (IRC), het JSI Research and Training Institute (JSI R&T), Marie Stopes International (MSI) en de Women's Commission for Refugee Women and Children (WCRWC).
Vervolgens deed president Bush op 29 augustus 2003 een memorandum uitgaan waarin de Mexico City Policy, die tot dan toe slechts werd toegepast op programma's die onder beheer staan van het U.S. Agency for International Development (USAID), wordt verruimd tot alle vrijwillige bevolkingsplanningprogramma's die door het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden beheerd. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is nog bezig na te gaan welke andere programma's en organisaties onder de uitbreiding van dit Amerikaanse beleid zouden kunnen vallen.
Is de Commissie, in het licht van de recente ontwikkelingen, andermaal bereid om middelen ter beschikking te stellen om de schade die aan de programma's ter preventie van HIV onder vluchtelingen wordt toegebracht, te beperken?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(11 december 2003)
De Commissie is bezorgd over de beslissingen die door de Amerikaanse overheid worden genomen om de zogenaamde Mexico City Policy toe te passen. Dit beleid ondermijnt op ernstige wijze de inspanningen van verschillende organisaties die een efficiënte aanpak willen waarborgen van het menselijke immunodefi-ciëntie virus/Acquired Immune Deficiency Syndrome (HIV/AIDS) dat de gezondheid en het leven van de mensen in de ontwikkelingslanden en de ontwikkeling in het algemeen in gevaar brengt. In het kader van haar actieprogramma inzake overdraagbare aandoeningen dat gericht is op de bestrijding van HIV/AIDS, tuberculose en malaria ondersteunt de Commissie op zeer actieve wijze de HIV/AIDS-preventie o.a. door aanzienlijke schenkingen aan het Wereldfonds (GFATM).
Om bepaalde belangrijke organisaties te helpen, die ten gevolge van beslissingen van de Verenigde Staten met een gebrek aan middelen kampen, heeft de Commissie besloten het Bevolkingsfonds van de Verenigde Naties (United Nations Fund for Population Activities (UNFPA)) te steunen door extra middelen ter beschikking te stellen. Er werden geen specifieke middelen toegewezen om met name het probleem van HIV/AIDS onder vluchtelingen aan te pakken. In het kader van de gezondheidsprogramma's in de vluchtelingenkampen stelt de Commissie evenwel middelen voor een verscheidenheid van activiteiten ter beschikking. Bij de activiteiten waarvoor in een specifiek land middelen ter beschikking worden gesteld wordt rekening gehouden met een aantal factoren zoals de omstandigheden in dat land, de dialoog met de nationale autoriteiten en de situatie van de vluchtelingen ten opzichte van de lokale bevolking om discrepanties tussen de levensomstandigheden van beide groepen te vermijden.
Het Europees Bureau voor Humanitaire Hulp (ECHO) heeft in dit verband middelen ter beschikking gesteld voor activiteiten, zoals „theaterstukken”, die de bevolking bewuster moeten maken van het HIV/AIDS-probleem alsmede middelen voor genormaliseerd opleidingsmateriaal bestemd voor plaatselijke personeelsleden in vluchtelingenkampen en transfercentra en voor vluchtelingen die naar hun land van oorsprong terugkeren. De Commissie heeft ook steun verleend voor maatregelen met het oog op veilige bloedtransfusies en de toepassing van universele voorzorgsmaatregelen, voor de verdeling van condooms en de opsporing van sexueel overdraagbare aandoeningen (SOA's). Alle vluchtelingen die zich in het gezondheidscentrum van een kamp aanbieden worden getest en krijgen advies maar voor verzorging en behandeling worden ze doorverwezen naar de nationale ziekenhuizen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/643 |
(2004/C 88 E/0660)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3357/03
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(13 november 2003)
Betreft: Profanatie van de Aghia Sofia-kerk in Istanbul
De Aghia Sofia-kerk in Istanbul (deel van het cultureel werelderfgoed en een symbool bij uitstek van het christendom, los van elk dogma) is nog maar eens het doelwit van het destructief en provocerend beleid van de Turkse overheid. De laatste dagen verschijnen in de internationale pers artikelen over een zeer onesthetische „vitrine” van plastic die binnen in deze kerk (!) is opgetrokken, waarin „kunstwerken” van een of andere Aziatische kunstenaar worden tentoongesteld die gemaakt zijn van … sla (!). Bovendien zijn op diverse plaatsen in de kerk, ter aanvulling van deze „plastische interventie”, televisieschermen opgesteld die zeer luidruchtig islamitische erediensten uitzenden. Deze kleinerende houding van de Turkse overheid ten aanzien van een kerk (die een eeuwenlange geschiedenis heeft en het symbool is van een groot christelijk keizerrijk, het Byzantijnse rijk, dat een bloeitijd van meer dan 1 000 jaar heeft gekend) is nog maar eens een bewijs van de manier waarop Turkije (kandidaat voor toetreding tot de EU) het respect tegenover symbolen van andere godsdiensten opvat.
Hoe zou de Commissie dringende maatregelen kunnen nemen om deze christelijke kerk, die tegelijk een symbool is, onder de bescherming te plaatsen van een Europees orgaan (waaraan eventueel ook de DG cultuur en onderwijs van de Commissie zou deelnemen) zodat zij wordt beschermd tegen de hoger omschreven profanatie en vernieling?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(22 december 2003)
In haar antwoord op schriftelijke vragen E-2962/03 van de heer Alavanos (1) en E-2995/03 van mevrouw Kratsa-Tsagaropoulou (2) is de Commissie ingegaan op vergelijkbare zorgen als die welke door het geachte parlementslid worden geuit. De Commissie ziet toe op de vorderingen die Turkije boekt bij de overname van het desbetreffende acquis op het gebied van cultuur, als onderdeel van de voorbereidingen op 's lands toetreding. De bescherming van het nationale erfgoed valt niet onder de bevoegdheid van de Gemeenschap.
Wat een mogelijk optreden betreft, zij erop gewezen dat het financiële steunprogramma van de Gemeenschap voor Turkije geen steun toelaat voor de instandhouding en restauratie van religieuze of culturele werken, zoals die welke in de Hagia Sofia worden bewaard.
(1) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 771.
(2) Zie blz. 125.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/644 |
(2004/C 88 E/0661)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3366/03
van Avril Doyle (PPE-DE) aan de Commissie
(14 november 2003)
Betreft: Mensenrechtensituatie in Tsjetsjenië
Kan de Commissie aangeven wat de Europese Unie heeft ondernomen om de aandacht te vestigen op de schendingen van de mensenrechten en de overtredingen van het internationaal humanitair recht in Tsjetsjenië, met name ten aanzien van de lotgevallen van Said-Khoesein Imakajev en zijn vader Said Khoesein?
Kan de Commissie tevens aangeven of deze onderwerpen besproken worden op de top EU-Rusland in Rome op 6 november, alsmede een kort verslag geven van de resultaten van deze bijeenkomst, met name ten aanzien van Tsjetsjenië.
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(18 december 2003)
De Commissie volgt de ontwikkelingen in Tsjetsjenië op de voet. Zij is voor een politieke oplossing voor het conflict, waarbij de territoriale integriteit van Rusland wordt gerespecteerd, en steunt elke serieuze inspanning om een duurzame vrede te bewerkstelligen.
De verontrustende berichten over schendingen van de mensenrechten in Tsjetsjenië zijn de Commissie bekend en hebben bij haar grote bezorgdheid gewekt. Ook het genoemde geval, dat is voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de mens, is haar bekend. Helaas staat dit geval niet alleen: volgens de gegevens van het bureau van de heer Sultygov, presidentieel vertegenwoordiger voor de mensenrechten in Tsjetsjenië, zijn sinds augustus 1999 in totaal 2 343 personen verdwenen. Mensenrechtenorganisaties melden dat in 2003 in Tsjetsjenië enkele honderden personen vermist werden (in veel gevallen betreft het gedwongen verdwijning).
De Commissie heeft de Europese Raad van 6 november 2003 in Rome als gelegenheid aangegrepen om uiting te geven aan haar bezorgdheid naar aanleiding van de berichten over voortdurende schendingen van de mensenrechten. Zij blijft erop hameren dat er een einde moet worden gemaakt aan de straffeloosheid van mensenrechtenschenders, bij alle partijen in het conflict.
De Commissie heeft ook haar bezorgdheid uitgesproken over de sluiting van kampen voor interne ontheemden in Ingoesjetië. Zij acht het van het grootste belang dat die ontheemden niet slechts één enkele keuze wordt gelaten, namelijk terug te keren naar Tsjetsjenië, vooral omdat de veiligheidssituatie in Tsjetsjenië sinds het constitutioneel referendum alleen maar is verslechterd, en gezien de erbarmelijke humanitaire situatie. Wat dit laatste punt betreft betreurt de Commissie het dat Rusland ondanks herhaalde verzoeken nog altijd geen concrete maatregelen heeft getroffen om de humanitaire hulpverlening te vergemakkelijken, nl. door non-gouvernementele organisaties (NGO's) toegang te verlenen tot VHF-communicatie van de Verenigde Naties, door hulpverleners veiligheid te garanderen (het geval van de ontvoerde humanitaire hulpverlener Arjan Erkel werd met name genoemd), en door het Bureau voor humanitaire hulp (ECHO) een kantoor te laten openen in Nazran, Ingoesjetië.
De Commissie zal gebruik blijven maken van bijeenkomsten in het kader van de politieke dialoog tussen de Unie en Rusland om er bij de Russische autoriteiten op aan te dringen de situatie in de noordelijke Kaukasus te verbeteren.
De Commissie steunt de NGO's in het gebied via het Europees initiatief voor de democratie en de bescherming van de mensenrechten, met de bedoeling de ontwikkeling van een goed functionerende burgermaatschappij te stimuleren. Verder zijn in samenwerking met de Raad van Europa verschillende opleidingsprogramma's ten uitvoer gelegd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/645 |
(2004/C 88 E/0662)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3377/03
van Elisabeth Schroedter (Verts/ALE) en Inger Schörling (Verts/ALE) aan de Commissie
(14 november 2003)
Betreft: Olieboringen door Rusland in de Oostzee, nabij het Kursiu Nerija Nationaal Park (Curonian Spit) (olieveld D6)
De Russische oliemaatschappij Loekoil zal vóór eind 2003 beginnen met olieboringen in olieveld D 6. D 6 ligt slechts 22 km uit de Russische kust en 6 km van de Litouwse kust. Olie vervuiling zou het Kursiu Nerija Nationaal Park in Rusland en Litouwen in gevaar brengen en mogelijk ook de Finse en Zweedse kust. Het Kursiu Nerija Nationaal Park staat op de lijst van het Unesco-Werelderfgoed en zal na de toetreding van Litouwen deel uitmaken van Natura2000. Het gebied ontvangt nu al LIFE-financiering en staat bekend om zijn kwetsbare milieu. Toerisme, dat het moet hebben van schone stranden, is een belangrijke economische factor in het gebied. Een transparante, internationale milieueffectrapportage is nog niet uitgevoerd door de Russische autoriteiten. In het Tweede actieplan voor de Noordse dimensie dat medio oktober is goedgekeurd wordt aangedrongen op samenwerking met de Russische autoriteiten om te voldoen aan het Espoo-Verdrag en om grensoverschrijdende samenwerking op milieugebied te implementeren.
|
1. |
Is de Commissie van mening dat het project uit milieuoogpunt veilig is?
|
|
2. |
Gebruikt de Commissie alle beschikbare kanalen om deze eis kracht bij te zetten, zoals de Helcom en de CBSS, alsmede de verschillende fora voor samenwerking met Rusland in het kader van de PSO, bijvoorbeeld de subcommissie voor energie, milieu en nucleaire veiligheid? Hoe gaat de Commissie gebruik maken van de uitgelezen gelegenheid die het olieveld D 6 biedt om het tweede actieplan voor de Noordse dimensie te activeren? |
|
3. |
Is de Commissie zich ervan bewust dat een EBWO-lening aan Loekoil gebruikt is voor het D6-project zonder nadere voorwaarden ten aanzien van de naleving van de verdragen van Espoo en Helsinki die een internationale MER verplicht stellen? Wat heeft de Commissie ondernomen om de financiering van Loekoil op te schorten totdat voldaan is aan de internationale wetgeving? Is de Commissie zich ervan bewust dat de EU deze financiering zou kunnen tegenhouden als zij gebruik zou maken van haar meerderheid in de Raad van Bestuur van de EBWO? |
|
4. |
Is de EU van plan olie te importeren die geproduceerd wordt door het D6-platform? |
Antwoord van de heer Patten Namens de Commissie
(19 december 2003)
|
1. |
De Commissie deelt de zorgen van het geachte parlementslid over het Russische voornemen om naar olie te boren in het kwetsbare gebied bij het Kursiu Nerija Nationaal Park aan de Oostzee, zonder een milieu-effectrapportage (MER) uitgevoerd te hebben die aan hoge, internationale normen voldoet. De Commissie is van mening dat alleen een MER voldoende, gedetailleerde gegevens zou kunnen opleveren over de mogelijke gevolgen voor huidige en toekomstige lidstaten en milieuveiligheid. Daarom zal de Commissie haar inspanningen combineren met die van de huidige en toekomstige lidstaten en pogen de Russische Federatie ervan te overtuigen dat het voor de veiligheid van alle landen rond de Oostzee, waaronder Rusland, noodzakelijk is dat er een transparante MER wordt uitgevoerd die aan hoge, internationale normen voldoet, en dat alle betreffende voorzorgsmaatregelen om calamiteiten het hoofd te bieden, moeten worden genomen. Volgens een aanbeveling van deskundigen van het Unesco-Werelderfgoedcentrum in een verslag van 5 november 2003 aan zowel Russische als de Litouwse specialisten dient Rusland, voordat het begint met de boringen en de exploitatie van het olieveld bij het Kursiu Nerija Nationaal Park, de volgende noodzakelijke stappen te nemen: de uitvoering van een milieu-effectrapportage en een onderzoek naar de operationele risico's, alsmede de ontwikkeling van een bilateraal calamiteitenplan en een controlesysteem. De Commissie merkt ook op dat Rusland het Verdrag van Espoo van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake grensoverschrijdende milieu-effecten nog niet heeft ondertekend. |
|
2. |
Dit onderwerp is besproken in het kader van de Helsinki-commissie (Helcom). Alle staten rond de Oostzee en de Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Commissie, hebben zich aangesloten bij de Conventie van Helsinki (1). Er zijn stappen ondernomen voor een doeltreffende uitwisseling van informatie en de delegatie van de Russische Federatie heeft gedetailleerde informatie over hun plannen voorgelegd die in juli 2003 gerouleerd heeft onder alle delegatievoorzitters van de Helcom. Bovendien zijn er voortdurende contacten binnen een gezamenlijke Russisch-Litouwse commissie. De Commissie zal erop aandringen dat het subcomité voor milieu, dat deel uitmaakt van de partnerschaps-en samenwerkingsovereenkomst tussen de Unie en Rusland, snel bijeenkomt om o.a. deze zaak verder te bespreken. Het Actieplan voor de noordelijke dimensie biedt een operationeel kader waarbinnen de strategische doelstellingen worden geformuleerd. Een van de prioritaire doelstellingen is te bereiken dat de internationale milieuconventies volledig worden nageleefd. Volgens het Actieplan dienen alle partners zich meer in te zetten voor de tenuitvoerlegging van de Verklaring van Kopenhagen van de Helcom, inzake maritieme veiligheid. Echter, aangezien de noordelijke dimensie in juridische zin een niet-bindend initiatief is, is het succes ervan afhankelijk van de actieve en bereidwillige inzet van alle betrokkenen. |
|
3. |
De lening van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) aan Loekoil in 2000 was bedoeld als werkkapitaal voor de middellange termijn. Voor zover bij de Commissie bekend is, bestaat er geen verband tussen deze lening en het project D6/Kursiu Nerija Nationaal Park (een project dat een ander soort financiering voor de lange termijn vereist). Bovendien blijkt uit een verslag van de EBWO dat de in 2000 verstrekte lening toentertijd slechts een minimaal deel uitmaakte van de totale schuldenlast van Loekoil. De lening is momenteel in de aflossingsfase: USD 62,5 miljoen is tijdig afgelost en de gehele lening dient medio/eind 2004 te zijn afgelost. De EBWO heeft geen financieringsaanvragen voor degelijke, nieuwe projecten van Loekoil in behandeling en meer specifiek, geen financieringsaanvragen voor de ontwikkeling van olievelden. De Commissie blijft zich ervoor inzetten dat de EBWO de hoogste milieunormen hanteert voor zijn investeringsprojecten. In deze context is het van belang op te merken dat de EBWO in het verleden een positieve invloed heeft gehad op de milieupraktijken van de ondernemingen die door de bank gefinancierd werden, waaronder Loekoil. |
|
4. |
In de Unie kiezen alle raffinaderijen of inkoopmaatschappijen autonoom en onafhankelijk waar zij hun ruwe olie inkopen. |
(1) Relevante aanbevelingen van de Helcom in dit opzicht zijn met name Aanbeveling 18/2 (van 12 maart 1997) inzake offshore-activiteiten en Aanbeveling 19/17 (van 24 maart 1998) inzake maatregelen om vervuiling door offshore-installaties te bestrijden. Naar aanleiding van een verzoek van Litouwen is tijdens een recente bijeenkomst van de delegatiehoofden van de Helcom te Helsinki op 27 en 28 oktober 2003 overeengekomen dat deze aanbevelingen zullen worden herzien in samenwerking met de desbetreffende deskundigen van de OSPAR-commissie en de International Association of Oil and Gas Producers (OGP).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/647 |
(2004/C 88 E/0663)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3380/03
van Christos Zacharakis (PPE-DE) en Konstantinos Hatzidakis (PPE-DE) aan de Commissie
(14 november 2003)
Betreft: Stappen bij de Egyptische autoriteiten voor toepassing van de beginselen van democratie en respect voor mensenrechten
In 1989 arresteerde de Egyptische regering in Suez drie Griekse zeelieden van de „Thanasis” op verdenking van (nooit bewezen) illegale handel en veroordeelde hen tot de doodstraf, een straf die naderhand onder Europese druk in levenslange gevangenisstraf werd omgezet.
Dit onderwerp kreeg in de Griekse geschreven pers en op de radio en televisie zeer veel aandacht, terwijl er ook een boek verscheen over de ongelooflijke veroordeling van de drie en de erbarmelijke omstandigheden in de Egyptische gevangenis waar zij verblijven. Twee van de drie zijn ondertussen in de gevangenis gestorven en de derde, Konstantinos Kastantás, in de El Kanatergevangenis, is ernstig ziek en heeft niet lang meer te leven.
De EU heeft herhaaldelijk gewezen op de noodzaak van versterking van de democratie in Egypte (resoluties P5_TA(2002)0378 en P5_TA(2002)0410) en heeft in het onderhavige geval gerefereerd aan de erbarmelijke detentie-omstandigheden van Konstantinos Kastantás, en de Egyptische autoriteiten gevraagd in te stemmen met de overbrenging, om gezondheidsredenen, van Kastantás naar Griekenland (resolutie P5_TA-PROV(2003)0192 van 10 april 2003). Welke maatregelen is de Commissie tegen de achtergrond van het bovenstaande van plan te nemen teneinde te bewerkstelligen dat aan het verzoek van de EU gehoor wordt gegeven, in het bijzonder in het kader van de samenwerking met Egypte op basis van artikel 2 van de associatie-overeenkomst tussen de Gemeenschap en Egypte, waarin aangedrongen wordt op naleving van de mensenrechten en de democratische beginselen, alsook de verklaring van commissaris Chris Patten in de plenaire vergadering van het Europees Parlement op 5 september 2002, waarin hij Egypte opriep goede gerechtelijke en democratische normen te hanteren voor het verwezenlijken van haar ambities op ontwikkelings- en politiek vlak.
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(11 december 2003)
Het is de Commissie bekend dat de heer Konstantinos Kastanias in een Egyptische gevangenis opgesloten zit op verdenking van drugshandel, dat hij aanvankelijk ter dood werd veroordeeld en dat deze straf is omgezet in levenslange gevangenisstraf. Het is haar ook bekend dat de Egyptische autoriteiten in 1996 de heer Nikos Zagelidis, een van de twee anderen die tot dezelfde straf werden veroordeeld, op humanitaire gronden hebben gerepatrieerd.
De Commissie blijft deze zaak volgen en heeft al contacten gehad met de Griekse en de Egyptische autoriteiten.
Zij is bereid haar steun te verlenen voor eventuele verdere diplomatieke stappen die door Griekenland of door het voorzitterschap van de Unie worden ondernomen om te bewerkstelligen dat de heer Kastanias op humanitaire gronden naar Griekenland wordt overgebracht, dit op grond van de bestaande bilaterale overeenkomst inzake de uitwisseling van gedetineerden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/648 |
(2004/C 88 E/0664)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3391/03
van Luigi Vinci (GUE/NGL) aan de Commissie
(10 november 2003)
Betreft: Onderhandelingen tussen Turkije en de Europese Commissie over het proces tegen Leyla Zana
In een recent artikel in het gezaghebbende Turkse dagblad Hürriyet van de hand van de correspondent in Brussel wordt melding gemaakt van onderhandelingen tussen Turkije en de Europese Commissie op basis van het Turkse voorstel om ter afsluiting van het proces tegen Leyla Zana tot een gunstig vonnis te komen in ruil voor de opneming van KADEK op de Europese lijst van terroristische organisaties.
Kan de Commissie mededelen of dit bericht klopt en zo niet, kan zij dit bericht dan officieel ontkennen?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(5 december 2003)
De Commissie kan het geachte parlementslid mededelen dat het genoemde artikel in feite geen basis heeft. Er is geen sprake van onderhandelingen tussen de Commissie en de Turkse regering over de in de vraag genoemde onderwerpen.
De Commissie heeft haar beoordeling van het nog immer voortdurende en heropende proces in de zaak Sadak, Zana, Dicle en Dogan gegeven in haar periodieke verslag over 2003 dat op 5 november 2003 is uitgegeven (1) en zal dit op de voet blijven volgen.
(1) COM(2003)676 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/648 |
(2004/C 88 E/0665)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3396/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(17 november 2003)
Betreft: Het niet-betalen van schadeloosstelling aan de Italiaanse ontheemden uit het voormalige Joegoslavië
De culturele vereniging Movimento nazionale Istria Fiume Dalmazia zet zich reeds vele jaren in voor de erkenning van de rechten van de Italiaanse ontheemden, zo'n 350 000, die Joegoslavië om de bekende historische redenen hebben moeten verlaten.
In twee akkoorden, dat van Osimo uit 1975 en dat van Rome uit 1983, wordt een billijke schadeloosstelling aan de Italiaanse ontheemden toegekend, die al hun ontroerend goed hebben moeten achterlaten. Na het uiteenvallen van Joegoslavië hebben de nieuw ontstane landen, Slovenië en Kroatië, zich niet gehouden aan de betaling van de overeengekomen opeenvolgende termijnen. Volgens een recent onderzoek van de technische commissie die door de provincie Triëst in samenwerking met de provincie Rome en de stad Triëst is ingesteld, moeten de akkoorden van 1983 worden herzien om een einde te maken aan de uitsluiting van buitenlandse burgers van de zogenaamde „denationalisatie”-wetten en de bureaucratische hinderpalen bij de aankoop van ontroerend goed op Sloveens grondgebied weg te ruimen.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
1. |
Is zij, in het licht van dit alles, niet van oordeel dat deze akkoorden in strijd zijn met de artikelen 44, lid 2, letter e, en 49 en 56 van het EG-Verdrag? |
|
2. |
Zijn deze akkoorden niet in strijd met artikel 6 van het EU-Verdrag, waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de grondrechten, en met name met artikel 14 van genoemd Verdrag? |
|
3. |
Zijn deze akkoorden niet strijdig met de artikelen 17 en 19 van het Handvest van de grondrechten? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(9 januari 2004)
De in 1975 en 1983 door Italië en Joegoslavië gesloten overeenkomsten zijn bilaterale akkoorden over eigendomskwesties tussen twee soevereine staten. Slovenië heeft de Commissie meegedeeld dat het- als een van de opvolgerstaten van de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië (SFRJ) — verplichtingen heeft overgenomen inzake de betaling van compensatie overeenkomstig het akkoord.
Het EG-Verdrag en het Verdrag betreffende de Europese Unie laten de eigendomsstelsels in de lidstaten onverlet en eigendomskwesties vallen derhalve onder de nationale wetgeving. De beginselen van de Verdragen kunnen bijgevolg niet worden toegepast op eigendomskwesties.
Wat de bepalingen van het Europees Handvest van de grondrechten betreft, zij erop gewezen dat het Handvest alleen op instellingen van de Unie en lidstaten ziet wanneer deze EU-wetgeving ten uitvoer leggen. Aangezien eigendomsregelingen buiten de werkingssfeer van de EU-wetten vallen, is het Handvest op dit gebied niet van toepassing.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/649 |
(2004/C 88 E/0666)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3401/03
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(11 november 2003)
Betreft: Zaak Loizidou
De tijd die is verstreken sedert het Europees Hof voor de Rechten van de Mens arrest heeft gewezen in de zaak Loizidou zonder dat Turkije hieraan gevolg heeft gegeven, doet afbreuk aan het gezag van het Hof.
Turkije heeft thans twee voorwaarden gesteld voor de tenuitvoerlegging van het arrest, te weten:
|
— |
dat de zaak Loizidou geen precedent mag zijn voor andere reeds bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanhangig gemaakte zaken en dat deze zaken eerst worden voorgelegd aan de schadeloosstellingscommissie die onlangs door het illegale Denktash-bewind is ingesteld, en |
|
— |
dat de bepalingen van het arrest volgens welke Turkije mevrouw Loizidou vreedzaam van haar eigendom gebruik moet laten maken, niet ten uitvoer worden gelegd en haar slechts een schadeloosstelling wordt uitbetaald. |
Kan de Commissie — wanneer ervan wordt uitgegaan dat de versterkte politieke dialoog tussen de Europese Unie en Turkije impliceert dat de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden nageleefd en dat de tenuitvoerlegging van het in de zaak Loizidou gewezen arrest sedert 1996 op zich laat wachten — mededelen welke maatregelen zij voornemens is te treffen om ervoor te zorgen dat Turkije zonder repercussies of onaanvaardbare compromissen het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ten uitvoer legt?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(5 december 2003)
De Commissie heeft de zaak van Loizidou vs. Turkije waarnaar het geachte parlementslid verwijst, op de voet gevolgd. Zoals de Commissie heeft benadrukt in haar periodieke verslag over 2003 (1) heeft er, ondanks de garantie van Turkije in juni 2003 dat het land de aan mevrouw Loizidou door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens toegekende rechtmatige schadeloosstelling in oktober 2003 zou betalen, tot op heden nog geen enkele betaling plaatsgevonden.
De oplossing van deze zaak is duidelijk een prioriteit van de afgevaardigden van de ministers van de Raad van Europa, die deze zaak in de loop van hun recente wekelijkse vergaderingen vaak hebben behandeld. De Raad van Europa is Turkije dringend blijven verzoeken de door het Hof toegekende rechtmatige schadeloosstelling onvoorwaardelijk uit te betalen.
Een van de prioriteiten die worden geschetst in het partnerschap voor de toetreding met Turkije is respect voor de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Als zodanig zal de Commissie de uitspraken waaraan door Turkije geen gevolg is gegeven, waaronder begrepen deze zaak, op de voet blijven volgen.
(1) COM(2003)676 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/650 |
(2004/C 88 E/0667)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3467/03
van John Bowis (PPE-DE) aan de Commissie
(21 november 2003)
Betreft: Oliepijpleiding Tsjaad-Kameroen
Kan de Commissie de meest recente informatie verstrekken over het project voor de aanleg van de pijpleiding Tsjaad-Kameroen, met inbegrip van de voordelen voor de plaatselijke gemeenschappen en de milieubescherming van het desbetreffende gebied? Wat zijn de plannen voor de aanwending van de opbrengsten van het project? Welke gevolgen heeft de stijgende economische activiteit die met de pijpleiding gepaard gaat op sociaal vlak en voor de volksgezondheid in de twee landen?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(19 december 2003)
In juni 2003 is in Tsjaad met olieproductie begonnen, en in juli 2003 begon de olie door de nieuwe pijplijn te stromen. Op 9 oktober 2003 heeft de president van het land, Idriss Deby, officieel de 1000 km lange pijplijn van Tsjaad naar Kameroen ingehuldigd, in aanwezigheid van vier andere staatshoofden van de regio.
De totale kosten van de winning van olie in Tsjaad en het doorpompen daarvan naar Kameroen worden geraamd op 3,7 miljard USUSD, daarmee één van de grootste particuliere investeringen in Afrika vormend. De Europese Investeringsbank (EIB) neemt met een bedrag van EUR 144 miljoen deel aan de financiering, en daarvan zijn EUR 35,7 miljoen voor de regering van Kameroen en EUR 20,3 miljoen voor Tsjaad als risicokapitaal van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF). Het project zal naar verwachting 225 000 barrels olie per dag opleveren terwijl de inkomsten uit het project als geheel 12 miljard USUSD zullen bedragen. Naar verwachting zullen de inkomsten voor de regering van Tsjaad 1,7 miljard USUSD zijn en 505 miljoen USUSD voor de regering van Kameroen, over een werkingsduur van 28 jaar.
De reden voor de ontwikkeling van dit project is dat het inkomsten zal opleveren waarmee de regeringen meer kunnen investeren in programma's van armoedebestrijding, zoals programma's voor de volksgezondheid, voor onderwijs en plattelandsontwikkeling.
Afgaande op de wet Opbrengstenbeheer zal 85 % van de opbrengsten in de eerste tien productiejaren worden geïnvesteerd in urgente sociale sectoren zoals onderwijs, volksgezondheid, sociale dienstverlening en landbouw. Deze inkomsten zullen niet in de plaats komen van de overheidsuitgaven op deze gebieden maar bijkomende geldmiddelen vormen.
Wat dit project tot een nieuw soort project in de winningsindustrie maakt is de gedetailleerdheid en de zorg waarmee het programma voor opbrengstbeheer wordt beschreven en ingericht. De betrokkenheid van de Wereldbank heeft hierbij de ontwikkeling van een degelijk programma voor opbrengstbeheer ondersteund, de toepassing van de strikte beleidslijnen op milieu- en sociaal gebied in gang gezet en voor breed overleg in de genoemde twee landen en elders ter wereld gezorgd.
Als gevolg hiervan zal het project voor het natuurlijke en het menselijke milieu geringe netto gevolgen hebben. De pijplijn ligt grotendeels onder de grond, volgt bestaande infrastructuur en voegt zich naar het beleid van beschermingsmaatregelen van de Wereldbank, daaronder begrepen die welke betrekking hebben op milieu-evaluaties, natuurlijke habitats, inheemse bevolkingsgroepen, culturele eigenheid en eigendomsrechten, hervestiging en bossen. De aanleg van de pijplijn heeft slechts tot een gering verlies aan tropisch regenwoud geleid. Ter compensatie hiervan zijn twee nieuwe grote nationale parken in Kameroen in het leven geroepen. Door het olieconsortium is een algemeen plan opgezet om eventuele lekkages van olie te verhelpen. Dit plan is op het niveau van de internationale goede praktijken.
Er is een actieplan ten uitvoer gelegd om de plaatselijke bevolking in het gebied van de olievelden nog meer te benaderen met informatie, onderwijs en communicatie. Bovendien leggen de twee regeringen aanvullende programma's ten uitvoer om de capaciteit van de gedecentraliseerde diensten van gezondheidszorg te versterken, daaronder maatregelen die betrekking hebben op het verworven immunodeficiëntie-syndroom (AIDS). Contracten zijn gesloten met gekwalificeerde niet-gouvernementele organisaties (NGO's) om de gemeenschappen langs het traject van de pijplijn te helpen de gemeenschapsprojecten in de sectoren volksgezondheid en onderwijs voor te bereiden, in te dienen en ten uitvoer te leggen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/651 |
(2004/C 88 E/0668)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3676/03
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(9 december 2003)
Betreft: Petitie van de CNASTI
Op het in Dakar gehouden forum over onderwijs in de wereld stelde de internationale gemeenschap zich als hoofddoel ervoor te zorgen dat uiterlijk in 2015 alle kinderen ter wereld toegang hebben tot degelijk en kosteloos basisonderwijs, en bovendien tegen 2005 alle discriminatie op het gebied van onderwijs voor beide geslachten weg te werken. Deze doelstellingen werden hetzelfde jaar nog overgenomen in de Ontwikkelingsdoelstellingen voor het millennium van de VN.
In het kader van de campagne „Da exploração à educação” (van ondekking naar onderwijs) die in Portugal op gang is gebracht door de CNAST, de nationale Portugese confederatie voor acties tegen kinderarbeid, werd een petitie ingediend waarin de Europese Commissie onder meer werd verzocht het nodige te doen om in het kader van haar ontwikkelingssamenwerking meer geld vrij te maken voor onderwijs; haar volledige steun toe te kennen aan het spoedinitiatief ten voordele van het onderwijs en het programma uit te breiden tot alle landen die een solide onderwijsproject kunnen voorleggen; ervoor te zorgen dat het onderwijs uitdrukkelijk wordt uitgesloten van de sectoren die geliberaliseerd gaan worden in de Algemene Overeenkomst inzake handel en diensten in het kader van de Wereldhandelsorganisatie.
Welke maatregelen heeft de Commissie al genomen naar aanleiding van het hierboven genoemde eisenpakket?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(20 februari 2004)
De in Dakar vastgestelde doelstellingen om „Onderwijs voor iedereen” (EFA) te verwezenlijken alsook de „Millennium Development Goals” van de VN op onderwijsgebied vormen de basis van het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap op het gebied van het onderwijs, zoals is vastgelegd in de Mededeling van de Commissie van maart 2002 (1) betreffende „Onderwijs en scholing in het kader van de armoedebestrijding in ontwikkelingslanden”. In de mededeling wordt ook benadrukt dat er door de Gemeenschap meer middelen uitgetrokken moeten worden voor onderwijs, met name voor lager onderwijs.
In totaal heeft de Commissie in een periode van vijfjaar naar schatting 1,3 miljard euro geprogrammeerd voor het onderwijs in ontwikkelingslanden. Dit cijfer vertegenwoordigt niet alle inspanningen, aangezien daarin niet rekening is gehouden met een bedrag van ongeveer 1,7 miljard euro dat in het kader van het negende Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) is uitgetrokken voor landen in Afrika, het Caraïbisch Gebied en de Zuidzeeregio (ACS) in de vorm van macro-economische steun die gekoppeld is aan sociale resultaten, in het bijzonder onderwijs en gezondheidszorg.
Aangezien de ontwikkelingssamenwerking van de Gemeenschap gebaseerd is op een meerjarenprogram-mering, is er tot de volgende fase van de programmering maar weinig speelruimte om meer geld voor onderwijs vrij te maken. Toch is er in de ACS-staten sprake van enige flexibiliteit doordat niet uitgegeven bedragen van vorige EOFs opnieuw worden vastgelegd, en dankzij de tussentijdse herziening 2004. Overeenkomstig het beginsel van eigendom („ownership”) is het uiteraard zo dat de ontvangende landen uiteindelijk zelf besluiten op welke wijze de hun toegewezen middelen worden gebruikt.
Tegen deze achtergrond juicht de Commissie het Fast Track Intitiative (FTI) toe als een mogelijkheid om de steun voor het lager onderwijs te vergroten. Met het FTI zal ook rekening worden gehouden in de volgende programmeringsfase van niet ACS-staten die voor het FTI in aanmerking komen. Bovendien heeft de Commissie een succesvolle rol gespeeld in de tweede pijler betreffende de harmonisatie van het FTI wat betreft de procedures met de andere donors, met name de lidstaten van de EU.
Wat de specifieke kwestie van de onderwijsdiensten en de Algemene overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS) betreft, zijn de Gemeenschap en haar lidstaten in het kader van de GATS Uruguay-ronde al enkele verplichtingen aangegaan met betrekking tot particulier gefinancierde onderwijsdiensten. Deze verplichtingen betreffen de mogelijkheid voor buitenlandse leveranciers om in zekere mate toegang te hebben tot het grondgebied van de Unie, zonder dat hiermee afbreuk wordt gedaan aan het recht van de lidstaten om over de meest geschikte organisatie voor het verstrekken van onderwijsdiensten te beslissen. Dit is in overeenstemming met de bepalingen van de GATS, op grond waarvan alleen die diensten van het toepassingsgebied worden uitgesloten, die door een overheidsinstantie worden verleend, terwijl de leden van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) de noodzakelijke flexibiliteit kunnen behouden alsook het recht om alleen in de toepassingsgebieden ervan, de meest passende structuur voor de organisatie van iedere sector vast te stellen.
(1) COM(2002)116 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/652 |
(2004/C 88 E/0669)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3857/03
van Raffaele Costa (PPE-DE) aan de Commissie
(16 december 2003)
Betreft: Ontwikkelingshulpprogramma voor India
In het kader van het ontwikkelingshulpprogramma voor India, dat in 2001 84 miljoen euro beliep, zijn een reeks projecten gefinancierd. Kan de Commissie laten weten hoeveel projecten dat exact waren en of voor elk project is gecontroleerd of de gelden naar behoren zijn besteed en of het project tot een goed einde is gebracht?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(2 februari 2004)
Het door het geachte parlementslid genoemde bedrag behelst het totaal van de ten gunste van India in 2001 betaalde bedragen (EUR 84 miljoen). In 2002 daarentegen beliepen deze betalingen ruim EUR 103 miljoen en in 2003 ongeveer hetzelfde bedrag.
In 2001 behoorden de belangrijkste communautaire maatregelen in het kader van de ontwikkelingssamenwerking EU-India grosso modo tot de volgende drie categorieën:
|
— |
twaalf projecten voor landbouw- en plattelandsontwikkeling, die door regeringsinstanties werden uitgevoerd; |
|
— |
twee programma's voor sectorale ondersteuning (één voor onderwijs en één voor gezin en gezondheid); |
|
— |
vier projecten die door grote niet-gouvernementele organisaties (NGO's) werden uitgevoerd (drie voor plattelandsontwikkeling en één voor onderwijs). |
In zijn laatste verslag (Speciaal Verslag nr. 10/2003 over de „Doeltreffendheid van het beheer door de Commissie van de ontwikkelingshulp aan India wat betreft de gerichtheid op de armen en het bereiken van duurzame resultaten”) stelde de Rekenkamer vast dat de Commissie erin geslaagd is zich op de armen te richten en duurzame resultaten te bereiken. Bovendien zorgt de Commissie ervoor dat er minstens één maal per jaar op al haar belangrijke projecten (d.w.z. ter waarde van meer dan EUR 1 miljoen) extern toezicht wordt uitgeoefend.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/653 |
(2004/C 88 E/0670)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3868/03
van Piia-Noora Kauppi (PPE-DE), Riitta Myller (PSE), Samuli Pohjamo (ELDR) en Ari Vatanen (PPE-DE) aan de Commissie
(16 december 2003)
Betreft: Accijnsberekeningstemperatuur voor brandstoffen
In Finland is de laatste jaren een voortdurende discussie gaande over de juiste interpretatie van EU-richtlijn 92/81/EEG (1) van de Raad betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën. In de vroegere wetgeving betreffende brandstofbelastingen fungeerde het in liters uitgedrukte volume als uitgangspunt, hetgeen erop neerkwam dat brandstoffen werden belast op basis van de temperatuur van de brandstof bij het overladen in een tankwagen op het overslagpunt. Die temperatuur bedroeg gemiddeld 8 °C.
De nieuwe richtlijn is evenwel gebaseerd op de zgn. belasting op „normale” liters (15°C). Artikel 3, lid 1 van richtlijn 92/81/EEG van de Raad stipuleert in dat verband dat in elke lidstaat een specifieke accijns op minerale oliën wordt geheven die wordt berekend per 1 000 liter product bij een temperatuur van 15 °C.
Volgens paragraaf 5 van de vigerende Finse wet inzake de accijnzen op vloeibare brandstoffen (nr. 1472 van 29.12.1994), die op deze richtlijn is gebaseerd, dient bij de berekening van de accijns en van de conservatoire vaste heffing op het product te worden uitgegaan van een temperatuur van 15 °C. De gemiddelde temperatuur in Finland is echter 8 °C, en niet 15 °C zoals in Midden- en Zuid-Europa. In fiscaal opzicht is hier dus een temperatuurverschil van 7 °C in het geding.
Diverse Noordse landen, zoals Zweden, Denemarken en Noorwegen interpreteren de richtlijn ieder op hun eigen manier. Denemarken was al lid van de EU toen de belastingregeling werd gewijzigd, zodat het bij de berekening van de brandstofbelasting moest uitgaan van normale liters (15°C). Denemarken heeft de nieuwe belastingrichtlijn zo geïnterpreteerd dat de Deense belastingwet voldoet aan het minimale heffingsniveau dat door de EU-richtlijn wordt voorgeschreven en heft nog steeds belastingen op basis van het volume in liters. Zweden en Finland werden echter beide lid van de EU in 1995. Zweden was op de hoogte van het Deense systeem en interpreteerde de regeling zo dat de brandstofbelasting ook kan worden geheven op basis van het volume in liters, m.a.w. op basis van de reële temperatuur. Ook in Noorwegen wordt de belasting berekend op basis van het volume in liters.
Kan de Commissie in het licht van het bovenstaande laten weten of Finland op grond van de bewuste EU-richtlijn paragraaf 5 van wet nr. 1472 van 29 december 1994 inzake de accijnzen op brandstoffen zo kan interpreteren dat de belasting op brandstoffen in Finland kan worden berekend bij een temperatuur van 8 °C?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(15 januari 2004)
De Commissie wenst te verwijzen naar haar antwoord op de door de heer Vatanen gestelde schriftelijke vraag P-2439/01 (2).
In dit antwoord heeft de Commissie erop gewezen dat artikel 3, lid 1, van Richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën (3) voorziet in een specifieke accijns die wordt berekend per 1000 liter product bij een temperatuur van 15°C. Richtlijn 92/81/EEG is met ingang van 1 januari 2004 ingetrokken bij Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (4), maar ook in artikel 12, lid 2, van deze nieuwe richtlijn is bepaald dat voor deze energieproducten, waarvan het belastingniveau wordt bepaald op grond van volumes, het volume bij een temperatuur van 15 °C wordt gemeten.
Tijdens de aan de goedkeuring van Richtlijn 2003/96/EG voorafgaande besprekingen heeft de Raad een verklaring in de notulen van de Raad (5) laten opnemen, die luidt als volgt: „De Raad verklaart dat de lidstaten bij de berekening van het belastingniveau niet bij iedere handeling het volume naar de normale temperatuur hoeven te herleiden, maar vereenvoudigde nationale procedures mogen vaststellen om met temperatuurwisselingen rekening te houden. Herleidingen naar de normale temperatuur worden berekend op grond van de ISO-referentietabellen 91/1 — 1982 of latere wijzigingen daarvan.”
Overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (6) wordt de accijns op accijnsgoederen verschuldigd bij de uitslag tot verbruik, d.w.z. op het tijdstip waarop de minerale oliën een belastingentrepot verlaten of op het tijdstip waarop zij worden ingevoerd. De Commissie is het er volledig mee eens dat het belangrijk is erop toe te zien dat de berekening van het volume van minerale oliën voor belastingdoeleinden op het tijdstip van uitslag tot verbruik niet aan temperatuursinvloeden onderhevig is en niet afhankelijk is van het seizoen of van de plaats waar de uitslag tot verbruik plaatsvindt. Tijdens de contacten die de Commissie regelmatig met alle lidstaten heeft, zowel op bilaterale basis als in het kader van het Accijnscomité, heeft geen enkele lidstaat tot dusver te kennen gegeven moeilijkheden te ondervinden bij de toepassing van deze bepaling.
In de praktijk wordt in de hele Gemeenschap een gemeenschappelijke formule toegepast waarmee het volume van een minerale olie bij eender welke dichtheid en gemeten bij eender welke omgevingstemperatuur wordt omgezet in het volume dat overeenstemt met dat bij de standaardtemperatuur van 15°C. De Richtlijnen 92/81/EEG en 2003/96/EG omvatten geen methode of leidraad voor de omzetting ten behoeve van de nationale overheden, klaarblijkelijk omdat de bestaande internationale normen (7) van gespecialiseerde internationale organisaties deze omzetting op voldoende wijze regelen. Deze organisaties hebben immers gedetailleerde wetenschappelijke tabellen opgesteld met correctiecoëfficiënten voor het volume bij een gegeven temperatuur en dichtheid van een minerale olie.
Een wijziging van de standaardtemperatuur van 15 °C naar 8 °C lijkt ongegrond, aangezien de lidstaten eender welk volume van een minerale olie bij eender welke omgevingstemperatuur gemakkelijk kunnen omzetten in het volume dat overeenstemt met dat bij de standaardtemperatuur van 15 °C. Daarom is de Commissie van oordeel dat deel 5 van de Finse wet inzake de accijns op vloeibare brandstoffen (29 december 1994/1472), waarin het beginsel van de belastingberekening bij een temperatuur van 15°C is vastgesteld, in principe in overeenstemming is met de bovengenoemde richtlijnen.
(1) PB L 316 van 31.10.1992, blz. 12.
(5) Document van de Raad 14140/03, PV/CONS 60 Add 1 van 24.11.2003.
(7) Met name de tabellen van de American Society for Testing and Materials (ASTM) of de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) 91.1.1982.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/654 |
(2004/C 88 E/0671)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3880/03
van Emmanouil Bakopoulos (GUE/NGL) aan de Commissie
(16 december 2003)
Betreft: Paspoort voor huisdieren
De Commissie heeft bepaald dat het paspoort voor huisdieren wordt ingevoerd met ingang van juli 2004. Het paspoort gaat de functie hebben van gezondheidscertificaat voor het huisdier en biedt de eigenaar van het huisdier de mogelijkheid zijn dier zonder belemmeringen met zich mee te nemen door heel Europa, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Zweden. Tot voor kort echter moest elke huisdierbezitter die met zijn huisdier binnen de EU wilde reizen in het bezit zijn van een geldig bewijs van inenting tegen hondsdolheid, dat so wie so in het gezondheidsboekje van het dier wordt vermeld.
Kan de Commissie aangeven wat er met de invoering van het paspoort voor huisdieren inhoudelijk verandert bij reizen binnen de Europese Unie?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(26 januari 2004)
Verordening (EG) No 998/2003 van het Parlement en van de Raad van 26 mei 2003 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en houdende wijziging van Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (1) is van kracht sinds 3 juli 2003. Het besluit van de Commissie aangaande de bepaling het model van het paspoort, dat werd genomen overeenkomstig Artikel 17, tweede alinea van deze verordening, is dan ook vanaf dezelfde datum van toepassing.
De voorwaarden die van toepassing zijn op de verplaatsing van carnivore huisdieren, zijn vastgelegd in de verordening (EG) No 998/2003. De algemene regel die geldt voor verkeer tussen de lidstaten met uitzondering van Ierland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, is een geldige inenting tegen hondsdolheid.
Het doel van het paspoort is de invoering van een uniek, gestandaardiseerd veterinair document op het niveau van de Unie, zodat mogelijke controle van katten, honden en fretten die over het Europese grondgebied reizen vereenvoudigd wordt. Het is de bedoeling de verschillende documenten te vervangen die momenteel in de lidstaten bestaan en die zowel uiteenlopende moeilijkheden van taalkundige aard met zich meebrengen als verschillend zijn uitgevoerd, wat het gebruik tijdens reizen door de Unie niet makkelijker maakt.
Het paspoort kan worden ingevuld door de dierenarts indien het dier van plaats zal veranderen. Het is een Europees veterinair certificaat dat een leven lang bij het dier blijft en waarop alle gebeurtenissen die betrekking hebben op zijn gezondheid, worden vermeld.
Ten slotte zal het paspoort ook gelden voor reizen naar Ierland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. De rubrieken die overeenkomen met de speciale bepalingen waarvan deze drie lidstaten gedurende een periode van vijf jaar gebruik kunnen maken, moeten dienovereenkomstig worden ingevuld.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/655 |
(2004/C 88 E/0672)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3920/03
van Graham Watson (ELDR) aan de Commissie
(17 december 2003)
Betreft: ECHO
Kan de Commissie, gezien de protesten van journalisten, overwegen haar beleid te herzien en journalisten toe te staan mee te vliegen met ECHO-vluchten naar Mogadishu, in Somalië?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(30 januari 2004)
De Commissie is zich bewust van de argumenten van de heer Alberizzi, correspondent van de Corrierre della Sera, die heeft gevraagd of journalisten die naar Somalië wensen te reizen gebruik zouden kunnen maken van ECHO Flight.
Zoals zij reeds heeft verklaard in haar antwoord op de open brief van de heer Alberizzi (1), verkeert de Commissie niet in een positie om haar beleid inzake het gebruik van ECHO Flight te herzien. ECHO Flight is een humanitaire dienst ter ondersteuning van humanitaire en wederopbouwprojecten in Somalië, Noord-Kenia en de Democratische Republiek Congo voor het vervoer van personeel en vracht die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze projecten. Gezien de humanitaire aard, en om toegang te blijven houden tot conflictgebieden is het van het grootste belang dat ECHO Flight zich te allen tijde neutraal en onpartijdig opstelt. Door zich te associëren met politieke boodschappen, missies van politici, politieke ambtenaren en journalisten zouden deze elementaire principes wellicht gevaar kunnen lopen.
Dit betekent dat de hand moet worden gehouden aan een restrictief beleid met betrekking tot het gebruik van ECHO Flight.
(1) http://europa.eu.int/comm/echo/pdf_files/letter_echo_flight.pdf
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/656 |
(2004/C 88 E/0673)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3936/03
van Christopher Heaton-Harris (PPE-DE) aan de Commissie
(16 december 2003)
Betreft: Italtrend
Als gevolg van recente berichten in de pers over het Italiaanse bedrijf voor overheidsopdrachten Italtrend, de volgende vragen:
|
— |
wat is de totale waarde van de transacties van Italtrend met de Commissie sinds 1999; |
|
— |
hoeveel contracten heeft de Commissie Italtrend sinds 1999 toegekend; |
|
— |
hoe is elk van deze contracten toegekend, met een gedetailleerde uitsplitsing; |
|
— |
zijn contracten toegekend via een restrictieve aanbestedingsprocedure; |
|
— |
zijn contracten toegekend via een rechtstreeks akkoord met het bedrijf? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(18 februari 2004)
Onder verwijzing naar de antwoorden die de Commissie al inzake deze kwestie heeft gegeven aan European Voice; alsook op schriftelijke vraag E-3586/03 van de heer Borghezio (1), zij erop gewezen dat, op 31 december 2003, de totale waarde van de transacties van Italtrend met de Commissie sinds 1 september 1999 in de sector buitenlandse hulp EUR 7.97 miljoen bedraagt, overeenkomend met de waarde van de contracten die in deze sector met Italtrend zijn gesloten sinds de hiervoor genoemde datum. Het aantal in diezelfde periode gesloten contracten is 49.
Van die 49 contracten zijn 43 dienstcontracten ter waarde van minder dan EUR 200 000 die toegekend werden in het kader van het zogenaamde kadercontract dat via een aanbesteding in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt. Via deze procedure, die openstond voor concurrentie, werden 58 bedrijven geselecteerd voor verdere raadplegingen met het oog op de toekenning van kortlopende servicecontracten ter waarde van minder dan EUR 200 000.
Van de zes andere contracten werd één toegekend via een verzoek tot het indienen van voorstellen, twee zijn toekend via een restrictieve aanbestedingsprocedure in het Publicatieblad van de Europese Unie, één werd via een onderhandelde procedure en twee werden via een rechtstreeks akkoord toegekend.
(1) PB C 84 E van 3.4.2004, blz. 508.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/656 |
(2004/C 88 E/0674)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3959/03
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(5 januari 2004)
Betreft: Afrika — voedselschaarste en voedselzekerheid
De landbouw- en voedselorganisatie van de Verenigde Naties (FAO) heeft alarm geslagen over de voedselschaarste, veroorzaakt door misoogsten en oorlogen, die 23 Afrikaanse landen, waaronder Angola, Kaapverdië, Ivoorkust, Kenia en Somalië, teistert.
In het FAO-rapport wordt gewezen op de uitermate ernstige gevolgen van de droogte in sommige gebieden. Met name Somalië wordt getroffen door een ernstige humanitaire crisis op de Sool-hoogvlakte, waar niet minder dan 93 000 mensen wachten op dringende voedsel- en humanitaire hulp. Ook in Eritrea verslechtert de toestand zodanig dat 1,4 miljoen mensen voedselhulp nodig zullen hebben.
Wat westelijk Afrika betreft, meent de VN-organisatie dat ook in Guinee-Bissau en Mauritanië het gevaar van voedselschaarste blijft bestaan.
Hetzelfde geldt voor Ivoorkust, terwijl in Liberia en Sierra Leone de voedselsituatie aan het verbeteren is dank zij de terugkeer van de vluchtelingen, die de landbouw in beide landen een nieuwe impuls geven.
In de Democratische Republiek Congo en in Burundi blijft het probleem acuut, mede doordat de onveiligheid een dominantie blijft.
Voorts blijkt uit de gegevens van de FAO dat Zimbabwe een van de landen is die het ergst onder de voedselschaarste te lijden hebben.
Wat Angola betreft voorziet de FAO dat 1,4 miljoen mensen voedselhulp nodig hebben.
Bovendien wordt er in het rapport op gewezen dat de Aids-epidemie op het Afrikaanse continent vernietigende gevolgen heeft voor de voedselzekerheid in de landen ten zuiden van de Sahara.
Kan de Commissie mij antwoorden op de volgende vragen:
|
— |
Over welke informatie beschikt de Commissie in verband met de gegevens uit het FAO-rapport? |
|
— |
Heeft de Europese Unie aanvullende of bijkomende humanitaire maatregelen genomen om in te spelen op de noodoproep van de FAO? |
|
— |
Wat is de beste bijdrage die de Europese Unie kan leveren om aan deze noodsituatie het hoofd te bieden? |
|
— |
Welke contacten onderhoudt de Commissie met de regeringen uit de regio om ervoor te zorgen dat de eventuele noodhulp effectief bij de noodlijdende bevolking terechtkomt? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(23 februari 2004)
|
1. |
De Commissie heeft weet van de evaluatie vervat in het rapport „Situatie van de voedselvoorziening in Sub-Sahara Afrika” van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties (VN) dat in december 2003 is uitgekomen. De Commissie heeft namelijk sedert 1999 jaarlijks wel 5 miljoen euro bijgedragen aan de activiteiten van de FAO in de beoordeling van de voedselzekerheid in ontwikkelingslanden, en met name aan het Systeem voor het in kaart brengen van de voedselzekerheid en -kwetsbaarheid, alsmede aan het Systeem van tijdige waarschuwing en informatie inzake voedselzekerheid. De FAO is daarom een belangrijk element van de informatie die de Commissie inzet om de toestand in elk land te weten te komen en een reactie voor te bereiden. De Commissie heeft sedert 1996 deskundigen inzake voedselzekerheid aangeworven ten behoeve van haar delegaties in de meeste landen in de regio's van zuidelijk Afrika en in de hoorn van Afrika waar noodsituaties dreigen. Deze deskundigen dienen zicht te krijgen op de voedselzekerheidssituatie in het land waar zij verblijf houden. Aangezien de gezamenlijke behoeftenevaluatie van de FAO/Wereldvoedselprogramma (WFP) in de landen waar noodsituaties dreigen voor de programmering van de communautaire voedselhulp het beginpunt is, geeft de Commissie grote aandacht aan inhoud en kwaliteit van het evaluatieverslag. Sedert vorig jaar heeft de Commissie verdere uitwerking gegeven aan een strategische dialoog met WFP en FAO inzake missies tot evaluatie van de oogsten en voedselvoorziening (CFSAM) en evaluaties van hoogdringende behoeften (ENA) om bij een crisis over een betrouwbaarder evaluatie te beschikken. Sedert 2003 hebben de Europese deskundigen inzake voedselzekerheid als „waarnemers” deelgenomen aan de groepsmissies van de WFP/FAO-evaluatie. Hun rapportage wordt besproken in het land zelf en in de hoofdkwartieren en draagt bij tot de strategische dialoog van Commissie en FAO-WFP met aanvullende informatie en analyses. Daarenboven worden gegevens over de voedselzekerheidssituatie ook plaatselijk door haar delegaties en haar deskundigen te velde verzameld en geanalyseerd. De humanitaire behoeften van de landen worden eveneens geregeld bekeken door het personeel van het Bureau voor humanitaire hulp van de Europese Gemeenschap (ECHO) dat de landen bezoekt die in het FAO-rapport worden genoemd. De inbreng van deze deskundigen helpt de Commissie met aanvullende meningen. Deze werkwijze beoogt de progammering van de interventies van de Commissie nog te verbeteren. |
|
2. |
De Commissie stelt jaarlijks een lijst van landen op die bij de programmering van noodhulp voor voedselzekerheid voorrang hebben. Bij het opstellen van zo'n lijst wordt wel degelijk met de FAO-evaluaties rekening gehouden. |
|
3. |
De Commissie wil voor degenen die onder voedseltekorten lijden de beste aanpak om zo spoedig mogelijk naar een normale voedselsituatie terug te keren. Reacties op dergelijke noodsituaties zijn tweeërlei:
Beslissingen over middelenallocatie worden per geval genomen. Ter illustratie gelieve het geachte parlementslid hieronder enkele recente landenvoorbeelden aan te treffen:
|
|
4. |
Door de Commissie ondersteunde acties van voedselhulp en voedselzekerheid worden ten uitvoer gelegd door NGO's en internationale organisaties, in nauwe samenwerking met de nationale regeringen. Het toezicht op en het blijven volgen van deze acties is in handen van deze organisaties, die ook als taak hebben rapportage aan de donoren te verstrekken. Op de resultaten en gevolgen voor de begunstigde bevolkingsgroepen wordt toegezien door de EG-deskundigen in de delegaties van de Commissie. De Commissie is van oordeel dat hoewel er af en toe problemen optreden bij de tenuitvoerlegging, de doelgroepen op bevredigende wijze worden bereikt. De Commissie is het er volledig mee eens dat de omvang van de HIV/AIDS-pandemie, vooral in zuidelijk Afrika, voor de landbouwproductie, levensverwachting, mate van ondervoeding en het sterftecijfer aanzienlijke gevolgen zal hebben. Secundaire aandoeningen die gewoonlijk met AIDS worden geassocieerd zullen impliceren dat de systemen van volksgezondheid in die reeds onder druk staande landen, met nog meer vreesaanjagende uitdagingen te doen zullen krijgen. In dit verband heeft de Commissie in 2000 een ambitieus Actieplan inzake AIDS, malaria en tuberculose goedgekeurd dat een holistische benadering van bestrijding van pandemieën voorstaat, waaronder specifieke maatregelen in alle sectoren van de samenleving, daaronder ook de landbouw. Regeringen nemen deze benadering in hun sectorieel beleid en strategieën steeds meer in aanmerking. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/659 |
(2004/C 88 E/0675)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3972/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(5 januari 2004)
Betreft: Campagne in Bulgarije tegen verdeling en beheer van gelden voor „Civil Society Development” door EU-delegatie in Sofie en antwoord op deze ergernissen
|
1. |
Heeft de Commissie kennis genomen van de toenemende verontrusting in Bulgarije over de verdeling en het beheer van de EU-gelden ten behoeve van „Civil Society Development”, wat tot uiting komt in een actie van parlementsleden onder de naam „Schone handen voor de non-profitsector”, de voorbereiding van een wet inzake transparantie en betrokkenheid van NGO's bij de verdeling van EU-gelden, publiciteit in Bulgaarse kranten, een e-mail-bombardement onder de titel „Isabel moet opstappen”, plannen voor een aanklacht tegen de betrokken functionaris en voorgenomen bredere acties in januari 2004? |
|
2. |
Is het de Commissie bekend dat de in vraag 1 bedoelde verontrusting en de daaruit voortvloeiende acties in het bijzonder zijn gericht op het functioneren van de „Advisor Civil Society” bij de EU-delegatie in Sofia, die wordt verweten dat zij zich onnodig bemoeit met interne afwegingen van Bulgaarse NGO's, dat zij haar eigen voorkeuren een overheersende rol toekent bij de toewijzing van gelden, dat zij critici van haar beleid bij de toedeling van gelden bij voorbaat overslaat en dat zij arrogant en intimiderend gedrag vertoont tegenover ieder die het met haar oneens is? |
|
3. |
Deelt de Commissie mijn mening dat de positieve kant van het optreden van deze adviseur, namelijk dat zij Bulgaren, Turken en Roma verenigt in een gemeenschappelijke stellingname, beter op een andere manier zou kunnen worden bereikt dan door het oproepen van een gemeenschappelijke verontwaardiging over de wijze van optreden van een of meer functionarissen namens de EU? |
|
4. |
Wat onderneemt de Commissie om op zo kort mogelijke termijn de toenemende ergernissen over de gang van zaken met betrekking tot de EU-bemoeienissen in Bulgarije zo veel mogelijk weg te nemen? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/659 |
(2004/C 88 E/0676)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3973/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(5 januari 2004)
Betreft: Het negeren van de Nationale Raad voor Etnische en Demografische Aangelegenheden (NCEDI) bij de toewijzing van EU-gelden voor sociale participatie in Bulgarije
|
1. |
Is de Commissie bekend met de omstreden gang van zaken inzake het Sociale Participatieprogramma BG 0102.06 dat tot doel heeft de sociale en economische integratie van de Roma, van andere etnische minderheden en van mensen met een handicap in Bulgarije te ondersteunen, waarbij zonder de voorgeschreven raadpleging van de Nationale Raad voor Etnische en Demografische Aangelegenheden (NCEDI) en het Ministerie van Cultuur de EU-delegatie in Sofia eigenmachtig een eindbeslissing nam met betrekking tot de toedeling van 7 miljoen euro, te weten 2 500 000 EUR voor Civil Society Development en 4 500 000 EUR voor integratie van Roma en mensen met een handicap? |
|
2. |
Waarom heeft de in vraag 1 bedoelde beslissing ertoe geleid dat uit de 20 voorgestelde projecten niet de verbetering van de 12 beste Roma Cultuur- en Informatiecentra werd geselecteerd maar een centrum in Sofia, een centrum in Siiven en twee centra in de kustplaats Varna, waarbij met name de urgentie van die laatste keuze verbazing opriep en de teleurstelling vooral in 's lands tweede stad Plovdiv met een grote Roma-bevolking ernstig was? |
|
3. |
Leidt dit ertoe dat vanaf 1 december 2003 door het Bulgaarse Ministerie van Sociale Zaken betalingen moeten worden uitgevoerd ten gunste van projecten die door anderen worden beschouwd als subsidie voor de maffia? |
|
4. |
Is het nog mogelijk om deze uiterst omstreden keuze terug te draaien of om de door deze beslissing achtergestelde projecten op een andere wijze te compenseren? Wat onderneemt de Commissie om de schade te beperken? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/660 |
(2004/C 88 E/0677)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4011/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(9 januari 2004)
Betreft: Toepassing PHARE-project BG 0102.06 in Bulgarije: Sterke afwijking tussen de voorbereide voorstellen en de werkelijke toedeling
|
1. |
Kan de Commissie bevestigen dat ter voorbereiding van het Socialeparticipatieprogramma BG 0102.06 voor 2001 bij de EU-delegatie in Sofia 20 tot 30 bladzijden voorstellen voor een „project fiche” werden aangemeld, waarmee uit de Phare-gelden een bedrag van 966 000 EUR zou worden besteed aan versterking van twaalf reeds bestaande Cultuur- en Informatiecentra van Roma en aan onderwijs in lezen, schrijven en rekenen voor 4500 Roma? |
|
2. |
Waarom kreeg onder meer de in de voorstellen opgenomen Napredak-stichting in de stad Pazardžik, waar volgens de officiële waarschijnlijk veel te lage statistiek 24 000 Roma wonen, niets terwijl daarentegen naar verhouding veel geld ging naar Varna waar slechts 13 000 Roma zijn geregistreerd? |
|
3. |
Waarom werden ook de voorstellen met betrekking tot de centra in de steden Plovdiv (volgens de statistiek 26 000 Roma) en die voor kleinere plaatsen waar veel arme Roma wonen, afgewezen? |
|
4. |
Waarom werden de Nationale Raad voor Etnische en Demografische Aangelegenheden (volgens de hoofd-deskundige Lalo Kamenov) en het Ministerie van Cultuur door deze beslissing volledig verrast, terwijl aan hen tot nu toe een belangrijke rol was toebedeeld in de te maken afwegingen? |
|
5. |
Is de rol van de in vraag 4 bedoelde Raad beperkt tot het opstellen van criteria voor toedeling, waarna de afwegingen op grond van deze criteria geheel buiten dit orgaan om plaatsvinden? Wie oefent dan controle uit op deze afwegingen? |
|
6. |
Welke verbeteringen ten opzichte van de in de bovenstaande vragen beschreven situatie acht de Commissie mogelijk en gewenst? |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/660 |
(2004/C 88 E/0678)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4012/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(9 januari 2004)
Betreft: Uitvoering PHARE-project BG 0102.06 in Bulgarije: Late bekendmaking van beslissingen en omstreden manieren van uitbetaling
|
1. |
Waarom is de start van de goedgekeurde projecten van het Socialeparticipatieprogramma BG 0102.06 uitgesteld van november 2002 tot december 2003, en kregen de organisaties waarvan de projecten waren goedgekeurd op de ochtend van 1 december 2003 slechts de gelegenheid om de contracten voor 17.00 uur op dezelfde dag te ondertekenen? |
|
2. |
Werd de Roma Jeugdorganisatie in Siiven op 300 km van Sofia diezelfde dag pas om 14.00 uur geïnformeerd over de toekenning van subsidie, en heeft dit ertoe geleid dat een deel van het beschikbare geld op die dag is meegegeven aan anderen buiten de controle van deze organisatie? |
|
3. |
Wordt er geld voor het scheppen van werkgelegenheid verstrekt aan personen van wie alleen hun uitbundige levensstijl als „nieuwe rijken” bekend is maar niet hun bekwaamheid om normale vormen van productieve werkgelegenheid mogelijk te maken? |
|
4. |
Komt het voor dat Roma-organisaties die vragen naar de mogelijkheden tot medefinanciering door de EU worden uitgenodigd om ten behoeve van privé-personen eerst auto's te repareren of goedkoop te leveren, waarbij de indruk ontstaat dat zij de verantwoordelijke personen eerst moeten omkopen, waarna deze organisaties overigens het gevraagde geld niet krijgen? |
|
5. |
In haar antwoord op schriftelijke vraag nr. E-1647/03 (1) schreef de Commissie onder meer: „Een passende betrokkenheid van de Roma en de organisaties die hen vertegenwoordigen, bij het identificeren van de behoeften en de voorbereiding en de uitvoering van de projecten, is essentieel voor het succes van deze projecten”. Acht de Commissie dit uitgangspunt reeds van toepassing op de gang van zaken tot nu toe? |
|
6. |
Welke verbeteringen ten opzichte van de in de bovenstaande vragen beschreven situatie acht de Commissie mogelijk en gewenst? |
(1) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 378.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/661 |
(2004/C 88 E/0679)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4013/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(9 januari 2004)
Betreft: Uitvoering PHARE-project BG 0102.06 in Bulgarije: Het ontbreken van informatie over wie verantwoordelijk is voor beheer, beslissingen en evaluatie
|
1. |
Waarom staan op de op 1 oktober 2003 geopende website van de Nationale Raad voor etnische en demografische vraagstukken (NCEDI) en op andere websites, waarnaar de Commissie verwees in haar antwoord van 16 juni 2003 op schriftelijke vraag nr. E-1647/03 (1) of op de project-website www.cscbg.com nog steeds (op 14.12.2003) niet de namen vermeld van de leden van de nationale stuurgroep, die is samengesteld uit de NCEDI en 35 Roma-NGO's? |
|
2. |
Waarom is nergens te vinden uit welke drie personen de evaluatie-commissie bestaat, hoewel ieder vermoedt dat een bij de projecten betrokken persoon, Teodor Vladov, daarvan de voorzitter is? |
|
3. |
Bestaan er naast de lijsten van gesubsidieerde organisaties en hun projecten ook lijsten van de bedragen per afzonderlijk project en van de daarvoor verantwoordelijke personen? Zijn deze lijsten openbaar? Waar kunnen belangstellenden en belanghebbenden die verkrijgen? |
|
4. |
Welke verbeteringen ten opzichte van de in de bovenstaande vragen beschreven situatie acht de Commissie mogelijk en gewenst? |
(1) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 378.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/661 |
(2004/C 88 E/0680)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4014/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(9 januari 2004)
Betreft: Uitvoering PHARE-project BG 0102.06 in Bulgarije: Vertraging in de uitvoering en onduidelijkheid over de besteding van de daardoor ontstane overschotten
|
1. |
Waarom is de nationale stuurgroep („Projects Steering Committee”), waarin een lid van de EU-delegatie in Sofia moet zijn opgenomen, zijn werk niet begonnen op het overeengekomen tijdstip van december 2001 of januari 2002? Waarom is deze stuurgroep pas in september 2003 voor het eerst bijeengekomen en is het doen van voorstellen uitgesteld van het voorgenomen tijdstip in juni 2002 tot 6 november 2003? |
|
2. |
Waarom is door de verantwoordelijke functionaris binnen de EU-delegatie in maart 2003 niet ingegaan op de uitnodiging van de betrokken vakcommissie van het Bulgaarse parlement om de redenen voor het uitstel toe te lichten? |
|
3. |
Is het waar dat binnen de thans goedgekeurde bestedingen slechts 33 % van het in dit project tussen 2001 en 2003 beschikbare geld kan worden uitgegeven omdat het aantal goedgekeurde aanvragen slechts een derde bedraagt van het aantal waarvoor geld beschikbaar was? |
|
4. |
Vloeit het niet bestede bedrag terug naar de middelen van de EU? Of komt het beschikbaar voor een vrije besteding volgens de eigen voorkeuren van de EU-delegatie in Sofia? |
|
5. |
Bestaat de mogelijkheid dat het niet bestede bedrag in afwijking van het antwoord van de Commissie op vraag 4 na afloop van de contractperiode op 30 november 2003 nog tot het einde van de terugbetalingstermijn op 30 november 2004 kan worden gebruikt voor de oorspronkelijke doelstellingen met toepassing van de thans genegeerde maar eerder toegezegde Bulgaarse medebeslissing? |
|
6. |
Welke verbeteringen ten opzichte van de in de bovenstaande vragen beschreven situatie acht de Commissie mogelijk en gewenst? |
Gecombineerd Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie op de schritftelijke vragen E-3972/03, E-3973/02, E-4011/03, E-4012/03, E-4013/03 en E-4014/03
(25 februari 2004)
Het geachte parlementslid heeft zes vragen ingediend over een dertigtal kwesties in verband met aanbestedingsprocedures voor twee projecten in Bulgarije in het kader van Phare.
De Commissie wenst er opnieuw aan te herinneren dat het Phare-programma in Bulgarije, overeenkomstig de voorschriften voor het gedecentraliseerde beheer van de pretoetredingssteun, door de Bulgaarse autoriteiten wordt beheerd in het kader van het gedecentraliseerde uitvoeringssysteem (DIS).
De procedurevoorschriften voor alle Phareprojecten zijn vastgesteld in de Praktische gids voor de aanbestedingsprocedures bij Phare, ISPA en Sapard (PRAG). In de twee gevallen waarnaar het geachte parlementslid verwijst, hebben de bevoegde Bulgaarse autoriteiten deze voorschriften, zoals gewoonlijk, strikt gevolgd. De projecten die na afloop van de procedure werden geselecteerd, zijn ter goedkeuring voorgelegd aan de delegatie van de Europese Commissie in Bulgarije, die in Sofia is gevestigd. Vervolgens heeft de delegatie deze aanbevelingen van de aanbestedende diensten bekrachtigd.
De projecten waarnaar het geachte parlementslid verwijst, zijn „sociale insluiting” (BG 0102.06 voor een totaalbedrag van 4 863 000 EUR, inclusief nationale cofinanciering) en het project „ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld” (BG 0104.03 voor een totaalbedrag van 2 500 000 EUR), dat los staat van het eerste project. Voor het project „sociale insluiting” is de bevoegde aanbestedende dienst het ministerie van Regionale Ontwikkeling en voor het project „ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld” het ministerie van Financiën. Deze ministeries hebben open oproepen tot het indienen van voorstellen gelanceerd, projecten geselecteerd en toezicht gehouden op de uitvoering van de projecten.
Het aantal inschrijvingen waarmee op elke oproep tot het indienen van voorstellen is gereageerd, was groot. Voor financiering zijn evenwel alleen die projecten geselecteerd die overeenkomstig de Praktische gids voor de aanbestedingsprocedures bij Phare, ISPA en Sapard (PRAG) aan de vereiste kwaliteitsnormen voldoen, ongeacht de geografische ligging ervan. Dit leidt tot een zeker onevenwicht in het aantal subsidies dat de verschillende regio's hebben ontvangen. De Commissie heeft geen klachten ontvangen over een foute verdeling van de middelen en kan bijgevolg geen commentaar geven op het specifieke geval waarnaar wordt verwezen.
Meer in het bijzonder bevestigt de Commissie met betrekking tot het Phare-project „sociale insluiting” (BG 0102.06 Phare) dat een totaalbedrag van 966 000 EUR aan kredieten (inclusief nationale cofinanciering door Bulgarije) (1) beschikbaar was om aan ten hoogste 12 bestaande cultuur- en informatiecentra voor Roma steun te verlenen en om 4 500 Roma te leren lezen, schrijven en rekenen. Er is evenwel slechts een relatief klein aantal voorstellen geselecteerd.
Nadat de subsidies door de Europese Commissie zijn goedgekeurd, is het aan de Bulgaarse aanbestedende dienst om de nodige kennisgevingen te doen en/of over te gaan tot de ondertekening van de contracten. De Commissie beseft dat de hiervoor toegekende termijn kort is en heeft er bij de Bulgaarse autoriteiten herhaaldelijk op aangedrongen de procedures te versnellen.
De resultaten van de selectieprocedure zijn bekendgemaakt op de website van de betrokken instanties, namelijk van het ministerie van Regionale Ontwikkeling (2) — de aanbestedende dienst — en van het ministerie van Arbeid en Sociaal Beleid — de eenheid die voor de uitvoering van het project verantwoordelijk is.
Zoals bepaald in de beschrijving van het project voor sociale insluiting (BG0102.06), heeft de aanbestedende dienst een stuurgroep voor de algemene coördinatie van het project opgericht. Het bijeenroepen van deze groep behoort uitsluitend tot de bevoegdheid van de aanbestedende dienst. In de projectfiches die op de betrokken websites (3) zijn bekendgemaakt, is de samenstelling van deze stuurgroep beschreven. De groep bestaat uit de betrokken ministeries en instanties, en uit de Bulgaarse Industriële Vereniging, de Bulgaarse Kamer van Koophandel, de Confederatie van de vakbonden in Bulgarije, de vakbond „Podkrepa”, het Bulgaars Verbond van personen met een handicap, de Nationale Raad voor etnische en demografische aangelegenheden en de delegatie van de Europese Commissie in Sofia.
De namen van de leden van de evaluatiecommissie, met inbegrip van die van de assessoren, worden niet openbaar gemaakt. De Europese Commissie is niet bij machte te bevestigen dat een bepaald lid van de evaluatiecommissie ook betrokken was bij afzonderlijke projecten die in het kader van BG0102.06 worden gefinancierd.
Zoals gebruikelijk is bij de Phare-projecten voor de Romaminderheid, wordt erop toegezien dat bij de uitvoering nauw wordt samengewerkt met vertegenwoordigers van de Roma. De Commissie handhaaft het standpunt dat zij heeft ingenomen in haar antwoord op de door het geachte parlementslid gestelde schriftelijke vraag E-1647/03 (4), namelijk dat een passende betrokkenheid van de Roma en de organisaties die hen vertegenwoordigen, bij het identificeren van de behoeften en de voorbereiding en de uitvoering van de projecten essentieel is voor het succes van deze projecten.
De Commissie is met betrekking tot de beslissingen waarnaar in schriftelijke vraag E-4011/03 wordt verwezen, noch door de Nationale Raad voor etnische en demografische aangelegenheden, noch door het ministerie van Cultuur benaderd.
De periode voor het sluiten van contracten in het kader van het project voor sociale insluiting is verstreken. Daarom kunnen eventuele resterende vastleggingskredieten niet meer worden gebruikt. Eventuele niet-uitgegeven betalingskredieten zullen naar de begroting van de Gemeenschap moeten terugvloeien. De Commissie zal de sociale insluiting in Bulgarije evenwel verder ondersteunen via pretoetredingssteun, en het spreekt vanzelf dat organisaties die dit maal geen succes hadden, een aanvraag zullen kunnen indienen voor eventuele soortgelijke projecten in de toekomst. Elk voorstel zal op zijn verdiensten worden beoordeeld.
De Commissie betreurt dat zij niet bij machte is de algemene beweringen waarnaar het geachte parlementslid verwijst, te verifiëren of te beoordelen, aangezien zij betrekking hebben op aanbestedingsprocedures die door de Bulgaarse autoriteiten zijn uitgevoerd. De Commissie is evenwel vastbesloten erop toe te zien dat de middelen op transparante en correcte wijze worden toegewezen, en ervoor te zorgen dat gegronde en met bewijsstukken gestaafde informatie over frauduleuze of corrupte praktijken naar behoren wordt onderzocht, waar die praktijken zich ook voordoen.
Het project voor de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld (BG 0104.03), waarover het geachte parlementslid ook vragen stelt, staat volkomen los van het project voor sociale insluiting. Het is een programma dat gericht is op de ontwikkeling van de niet-gouvernementele organisaties (NGO's) en dat door het ministerie van Financiën en het ministerie van Buitenlandse Zaken wordt beheerd (noch de Nationale Raad voor etnische en demografische aangelegenheden, noch het ministerie van Cultuur zijn bij dit project betrokken). De Commissie heeft geen gegevens over wanpraktijken waarvoor een personeelslid van de delegatie verantwoordelijk zou zijn. Zij kan het geachte parlementslid verzekeren dat de delegatie van de Commissie zeer nauw samenwerkt met de Parlementaire commissie voor het maatschappelijk middenveld in het Bulgaarse Parlement, en dat die samenwerking productief is.
(1) Zie ook http://europa.eu.int/comm/enlargement/fiche_projet/document/bg0102-06-social_inclusion.pdf
(2) http://www.mrrb.government.bg/pdocs/doc_618.htm
(3) Bijvoorbeeld http://europa.eu.int/comm/enlargement/fiche_projet/index.cfm?page=399702&c=BULGARIA&a=2001
(4) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 378.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/663 |
(2004/C 88 E/0681)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3974/03
van Paulo Casaca (PSE) aan de Commissie
(5 januari 2004)
Betreft: Herziening van de steunregeling voor bananenproducenten in ACS-landen
In het debat van de vergaderperiode van september van het Europees Parlement, in het kader van het verslag over de bijzondere kaderregeling voor bijstand ten behoeve van de traditionele ACS-leveranciers van bananen (A5-0164/2003) is duidelijk gebleken dat de huidige steunregeling ten behoeve van bananenleveranciers in ACS-landen geen elementaire regels voor transparantie en objectiviteit bevat, hetgeen een onaanvaardbare benadeling betekent voor de bananenproducenten in Ivoorkust.
Wanneer denkt de Commissie de nodige wijzigingen aan te brengen in de geldende verordening?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(23 februari 2004)
De individuele hoeveelheden die jaarlijks aan elke traditionele bananenleverancier uit staten in Afrika, het Caraïbische Gebied en het gebied van de Stille Oceaan (ACS) worden toegewezen, worden berekend overeenkomstig de criteria van Verordening (EG) nr. 1609/1999 van de Commissie (1). Met name de CIF-prijs (kosten, verzekering en vracht) uit de statistieken van Eurostat wordt gebruikt als referentiepunt voor de meting van het verschil in concurrentievermogen tussen de leveranciers uit de ACS-landen en die uit derde landen, terwijl het belang van de bananensector in de economie van de betrokken landen tot uiting komt in vaste berekeningselementen die in de verordening van de Commissie worden opgesomd. Het gaat hierbij om een uniforme berekeningsgrondslag voor alle begunstigden, zodat de transparantie en de objectiviteit dus gewaarborgd is.
Enkele vertegenwoordigers van de bananenproducenten van Ivoorkust hebben onlangs de Commissie benaderd en hun bezorgdheid tot uitdrukking gebracht over de methode die gebruikt wordt om de relevante data betreffende de invoer in de Gemeenschap vast te stellen. De Commissie onderzoekt de zaak op dit moment uitvoerig en zal er binnenkort ook beprekingen over voeren met de douaneadministraties van de lidstaten.
Dit is de organisatie van bananenproducenten in Ivoorkust (OCAB) in een recente briefwisseling meegedeeld.
(1) Verordening (EG) nr. 1609/1999 van de Commissie van 22 juli 1999 tot vaststelling van gedetailleerde bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 856/1999 van de Raad tot instelling van een bijzondere kaderregeling voor bijstand ten behoeve van de traditionele ACS-leveranciers van bananen, PB L 190 van 23.7.1999.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/664 |
(2004/C 88 E/0682)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3992/03
van Giles Chichester (PPE-DE) en Geoffrey Van Orden (PPE-DE) aan de Commissie
(7 januari 2004)
Betreft: „Peer review” Kozloduy-kerncentrale
In een brief aan de Raad en de Commissie van 24 oktober 2002 vroeg de president van Bulgarije, de heer Parvanov, om een „peer review” betreffende de veiligheid van de eenheden 3 en 4 van de Kozloduy-kerncentrale; de beschrijving van de opdracht voor dat onderzoek werd op 28 januari 2003 aan de Commissie bekendgemaakt en vervolgens vond de „peer review” plaats op 16 en 17 november 2003. Kan de Commissie thans bevestigen dat de verwachte positieve resultaten van het onderzoek onverwijld ter kennis van zowel de Raad ais de Bulgaarse regering zullen worden gebracht met de aanbeveling om niet langer aan te dringen op sluiting van deze eenheden, omdat daarvoor geen technische of economische gronden meer zijn, en dat er wat betreft de toetreding van Bulgarije tot de Europese Unie geen sprake meer is van de voorwaarde dat eerst de centrale moet worden gesloten?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/664 |
(2004/C 88 E/0683)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3993/03
van Giles Chichester (PPE-DE) en Geoffrey Van Orden (PPE-DE) aan de Commissie
(7 januari 2004)
Betreft: Herziening data sluiting eenheden Kozloduy-kerncentrale
De overeenkomst van 29 november 1999 tussen de Raad en de Bulgaarse regering (tot stand gekomen op initiatief van de Commissie) betreffende de sluiting van vier eenheden van de Kozloduy-kerncentrale als voorwaarde voor de toetreding van Bulgarije tot de EU, was gebaseerd op tien jaar oude criteria. In 2002 heeft het IAEA verklaard dat deze eenheden nu in overeenstemming zijn met het hogere niveau waarvan ook sprake is in soortgelijke centrales op andere plaatsen. Kan de Commissie, nu wij in afwachting zijn van de resultaten van de „peer review” van de Raad van november 2003, mededelen of zij ook van mening is dat een positief resultaat van dat onderzoek zou moeten leiden tot een advies van haar kant aan de Bulgaarse regering en de Raad om de voor sluiting overeengekomen data te herzien op grond van het feit dat daaraan niet langer technische gegevens ten grondslag liggen?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Verheugen namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-3992/03 en E-3993/03
(11 februari 2004)
Bulgarije heeft zich, in het kader van de toetredingsonderhandelingen, ertoe verbonden de Eenheden 1 en 2 van de kerncentrale van Kozloduy vóór 2003 te sluiten. Voorts heeft het land zich ertoe verbonden de Eenheden 3 en 4 van de centrale in 2006 te sluiten. Met betrekking tot het zogenoemde „peer review”-mechanisme, de intercollegiale toetsing, onder auspiciën van de Raad, heeft de Unie opdracht verleend tot het zenden van een deskundigenmissie naar Bulgarije, zoals in de toetredingsonderhandelingen was overeeng ekomen.
Bulgarije is zijn verbintenissen met betrekking tot de sluiting van de Eenheden 1 en 2 nagekomen: het heeft deze twee Eenheden (reactoren van de soort WER-440/320) gesloten met een buitengebruikstelling eind 2002.
De deskundigenmissie, uitgegaan onder auspiciën van de Raad van de Unie in de periode 16-19 november 2003, was samengesteld uit vertegenwoordigers van lidstaten. De Commissie heeft als waarnemer hieraan deelgenomen. De opdracht van de missie, zoals door de Raad vastgesteld, was hoofdzakelijk om ter plekke de stand te controleren en te verifiëren van de tenuitvoerlegging der relevante aanbevelingen die waren vervat in het in 2001 opgestelde rapport over nucleaire veiligheid in de context van de uitbreiding, gevolgd door een intercollegiale toetsing van de stand van zaken; de beide verslagen hiervan zijn opgesteld door de Groep Atoom- en Onderzoekvraag stukken (AQG) in het kader van de Raad van de Unie. De deskundigenmissie was derhalve niet alleen beperkt tot het toezien op de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen voor de Eenheden 3 en 4 van de kerncentrale van Kozloduy, maar was onder meer ook belast met kwesties aangaande de Bulgaarse Autoriteit voor Nucleaire Veiligheid.
Het werk van de deskundigenmissie is onderdeel van de intercollegiale toetsing die voor Bulgarije is opgezet en moet worden gezien als verlengstuk van eerdere werkzaamheden in het kader van de Raad via de Groep Atoom- en Onderzoekvraag stukken en zijn ad hoc-formatie, de Werkgroep Nucleaire Veiligheid. De intercollegiale toetsing is een voortdurend proces, gebaseerd op de uitwisseling van informatie tussen kandidaat-lidstaten en de Unie. De technische beoordeling door de deskundigenmissie vormt niet een volledig nieuwe evaluatie van de toestand inzake de nucleaire veiligheid in Bulgarije.
De Commissie herinnert eraan dat de evaluatie van nucleaire veiligheid in de kandidaat-lidstaten, zoals mag blijken uit de bovengenoemde AQG-verslagen, is geschied om voor de Unie een „hoog niveau van nucleaire veiligheid” vast te stellen; het was het resultaat van een aanmerkelijke gezamenlijke inspanning gedurende verschillende voorzitterschappen van de Unie. In de Unie is een hoge mate van convergentie inzake de inhoud van technische en organisatorische vereisten en van goede praktijken bereikt. Op verschillende gebieden gaan deze vereisten verder dan welke er in internationale instrumenten zijn vervat. Dit gezamenlijke standpunt van de Unie is af te lezen aan de evaluatie met betrekking tot kerncentrales.
Zowel de Eenheden 3 en 4 van de kerncentrale van Kozloduy (reactoren van het type VVER-440/230) als de resterende nucleaire inrichtingen in de kandidaat-lidstaten zijn op consistente en geharmoniseerde wijze geëvalueerd, waarbij in de AQG-verslagen voor deze Eenheden het belang van hun definitieve sluiting in 2006 is benadrukt. De voor deze Eenheden vastgestelde programma's ter verbetering van de veiligheid dienen daarom te worden gezien tegen de achtergrond van deze sluitingsdatum. De intercollegiale toetsing, die het opereren van deskundigenmissies omvat, is daarom geenszins bedoeld om opnieuw de haalbaarheid van het in werking blijven van de Eenheden 3 en 4 na 2006 te beoordelen.
Bulgarije dient voort te gaan met de tenuitvoerlegging van alle aanbevelingen in de AQG-verslagen met betrekking tot de vastgestelde prioriteiten, daaronder ook de algehele tenuitvoerlegging van de bestaande programma's tot verbetering van de veiligheid. Gelet op de resultaten van de deskundigenmissie zal de met atoomvraagstukken belaste groep bij de Raad overeenkomstig mandaat en reikwijdte van de intercollegiale toetsing een volledig verslag opstellen. Dit verslag zal naar verwachting eind april 2004 zijn afgerond en een bijgewerkte versie van het AQG-verslag van 2002 vormen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/666 |
(2004/C 88 E/0684)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4019/03
van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Commissie
(9 januari 2004)
Betreft: Birma Forum
Op 15 december vond de door de regering van Thailand georganiseerde bijeenkomst plaats in Bangkok over de Road map voor Birma. De EU (en kritische landen als Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Scandinavische landen) zijn niet uitgenodigd om te participeren in deze bijeenkomst. Alleen enkele EU-lidstaten waren uitgenodigd omdat zij in praktijk altijd zwaardere strafmaatregelen tegen het Birmese regime hebben tegengehouden (Duitsland, Frankrijk, Italië en Oostenrijk).
Het is van het grootste belang dat het gemeenschappelijk standpunt van de EU over Birma als leidraad is gehanteerd door de aanwezige EU-landen. Ook dient de EU te verzoeken om bij de follow-up betrokken te worden. Tenslotte is het van het grootste belang duidelijk te maken aan alle Aziatische landen dat er geen oplossing voor de problemen in Birma bestaat zonder de actieve participatie van zowel de democratische oppositie (NLD) als de etnische minderheden. De EU dient zich niet te laten verdelen doordat landen tegen elkaar worden uitgespeeld.
|
1. |
Welke stappen zet de Commissie om het bovenstaande te bevorderen? |
|
2. |
Kan de Commissie informatie geven over de uitkomst van de recente herziening van het gemeenschappelijk standpunt van de EU over Birma, ten aanzien van de impact van de huidige sancties? |
|
3. |
Kan de Commissie bevorderen dat de EU-delegaties in met name China en India overleg tussen beide regeringen en relevante Birmese democratische en etnische oppositie faciliteren, op welke wijze dan ook (eventueel low-profile)? Nu hebben deze regeringen met name contact met de junta. Wil de EU haar contacten met deze landen beter benutten om ze concreet te vragen druk uit te oefenen op het regime c.q. hun goede contacten te gebruiken? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(11 februari 2004)
De Commissie en alle lidstaten blijven een beroep doen op de regering van Birma/Myanmar om met Aung San Suu Kyi, met de Nationale Liga voor Democratie en met etnische minderheidsgroepen een wezenlijke dialoog aan te gaan. Dit was ook de gedragslijn die gevolgd werd door de lidstaten die op 15 december 2003 deelgenomen hebben aan de bijeenkomst te Bangkok.
Het gemeenschappelijk standpunt dient vóór 29 april 2004 vernieuwd te worden. Nu dat er in de terzake doende werkgroepen van de Raad hierover gesproken wordt, zal het geachte parlementslid begrijpen dat de Commissie thans niet in een positie verkeert om op de uitkomst van deze discussies commentaar te leveren dan wel daarop vooruit te lopen.
De Europese Unie heeft bij verschillende gelegenheden ten overstaan van de Aziatische buurlanden, daaronder ook India en China, blijk gegeven van haar bezorgdheid met betrekking tot de toestand in Birma/Myanmar, waarbij zij deze landen ertoe heeft aangemoedigd hun invloed aan te wenden om het bewind in Birma tot enkele duidelijke stappen in de richting van een nationale verzoening en een terugkeer tot de democratie te brengen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/666 |
(2004/C 88 E/0685)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4038/03
van Herbert Bösch (PSE) aan de Commissie
(12 januari 2004)
Betreft: Opwerking van radioactief afval in Oekraïne
Op 10 november 2003 heeft het met buitenlandse betrekkingen belaste lid van de Commissie Chris Patten in Kiew deelgenomen aan een conferentie over het initiatief „Groter Europa/Nieuwe buren in de EU”. Hij heeft toen ook de kerncentrale in Tsjernobyl bezocht en de eerste steen gelegd voor een industrieel centrum voor de opwerking van radioactief afval.
|
1. |
Kan de Commissie meedelen hoe duur het project in totaal is? |
|
2. |
Kan de Commissie meedelen wie het project financiert en met welk bedrag elke financier het project steunt? |
|
3. |
Met welke projecten en voor welk bedrag is de Europese Unie in derde landen betrokken bij de financiering van de opwerking van radioactief afval? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(24 februari 2004)
|
1. |
Het met de buitenlandse betrekkingen belaste lid van de Commissie heeft de eerste steen gelegd voor het industriecomplex voor het beheer van vast radioactief afval (Industrial Complex for Solid Radioactive Waste Management — ICSRM). Het ICSRM is een onderdeel van het industriecomplex dat in Tsjernobyl wordt gebouwd om het cruciale vraagstuk van het radioactieve afval aan te pakken. Het totale budget voor het ICSRM bedraagt 44 miljoen euro. Tot de overige installaties — gefinancierd door de Nuclear Safety Account (nucleaireveiligheidsrekening), die wordt beheerd door de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) — behoren de verwerkingsinstallatie voor vloeibaar radioactief afval (Liquid Radwaste Treatment Plant — LRTP — 25,7 miljoen euro) en de installatie voor de verwerking en de opslag van bestraalde splijtstof (ISF — 95,3 miljoen euro). |
|
2. |
De middelen voor het ICSRM worden verstrekt door het Tacis-programma van de EU voor nucleaire veiligheid (41,3 miljoen euro) en de Oekraïense regering (2,7 miljoen euro). Voorts zijn er middelen uitgetrokken voor de financiering van een coördinatie-eenheid die ter plaatse het project moet beheren. Tot juli 2004 is hiervoor een bedrag vrijgemaakt van 4,25 miljoen euro. De kosten voor de waarschijnlijke voortzetting van deze opdracht tot het ICSRM is afgewerkt, bedragen 3,5 miljoen euro. |
|
3. |
De Commissie volgt de strategie die in de Tacis-verordening nr. 99/2000 werd vastgelegd. Een van de prioriteiten die hierin wordt aangegeven, is de verbetering van de nucleaire veiligheid door de „ondersteuning van de ontwikkeling en uitvoering van strategieën voor gebruikte splijtstoffen, ontmanteling, en beheer van nucleaire afvalstoffen, waaronder in Noordwest-Rusland in het kader van een ruimere internationale samenwerking”. Naast de in punt 1 vermelde projecten voor Tsjernobyl worden door het Tacis-programma middelen verstrekt voor projecten waarmee het probleem van het nucleaire afval in Noordwest-Rusland moet worden aangepakt. De Commissie heeft onder meer volgende initiatieven ontplooid:
In Kazachstan zal via het Tacis-programma een project in twee fasen worden uitgevoerd om een oplossing uit te werken voor de kernafvalproblemen op de nucleaire testlocatie van Semipalatinsk, waar tijdens de periode 1949-1989 meer dan 460 proeven met kernwapens werden uitgevoerd. In het jaarprogramma 2003 is een bedrag van 1 miljoen euro uitgetrokken voor dit project. Voorts voorziet het indicatieve meerjarenprogramma voor de periode 2004-2006 in een bedrag van maximaal 4 miljoen euro. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/667 |
(2004/C 88 E/0686)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4051/03
van Hiltrud Breyer (Verts/ALE) aan de Commissie
(12 januari 2004)
Betreft: Export van kerninstallaties naar de Volksrepubliek China
Het plutonium in splijtstofelementen van civiele Chinese kernreactors kan bij gebrek aan een opwerkings-installatie niet voor MOX-productie worden gebruikt. De voor militaire doeleinden beoogde hoeveelheid plutonium is voor een economische exploitatie van de MOX-fabriek ontoereikend. Het is bovendien de vraag of de bestaande kernreactors in staat zijn op MOX-splijtstofelementen te werken. Vooraanstaande experts zijn van mening dat het mogelijk is de installatie geschikt te maken voor de verwerking van plutonium voor kernkoppen.
De IAEO is van mening dat zij niet de juridische bevoegdheid bezit, noch qua personeel en financiën in staat is een doeltreffende controle op ingevoerde kerninstallaties te garanderen.
|
1. |
Over welke informatie beschikt de Commissie in verband met de bestemming, in de Volksrepubliek China, van de splijtstofelementenfabriek in Hanau, de SNR-300 en de reactorkern daarvan? |
|
2. |
Is de Commissie van mening dat een rechtstreeks of indirect militair gebruik van de in het kader van de beoogde transactie te leveren installaties, onderdelen en kernsplijtstoffen mogelijk is? |
|
3. |
Hoe beoordeelt de Commissie momenteel de verenigbaarheid van de bestaande exportplannen met verordening (EG) nr. 1334/2000 van de Raad (1), met het nog geldende wapenembargo van de EU ten aanzien van China en met verdere internationale verplichtingen om de levering van militair bruikbare goederen te voorkomen? |
|
4. |
Deelt de Commissie de opvatting van de IAEO dat een doeltreffende controle op het militair gebruik van de installatie niet mogelijk is, en welke conclusies trekt zij daaruit in verband met toepassing van het wapenembargo ten aanzien van China? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(24 februari 2004)
Het is de Commissie bekend dat Duitsland wellicht een MOX-fabriek naar China zal uitvoeren. Voorts is de Commissie ervan op de hoogte dat China SNR 300 splijtstofelementen wenst te verkrijgen. De Commissie beschikt evenwel niet over officiële informatie waarin wordt aangegeven waarom China belangstelling heeft voor deze splijtstoffen en deze installatie. Het MOX-productieproces is niet geschikt voor de productie van kernwapens, maar wel een belangrijke stap voor verwerking van plutonium door het gebruik ervan in lichtwaterreactoren.
De desbetreffende uitvoer valt onder Verordening (EG) nr. 1334/2000 van de Raad van 22 juni 2000 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik, hierna te noemen Dual-use verordening, en is daarom onderworpen aan een uitvoervergunning. Het product is opgenomen in bijlage I (0B005). De relevante bepalingen in dit verband zijn de artikelen 3 en 8 van de Dual use verordening.
Op grond van artikel 3, lid 1, van de Dual Use verordening is een vergunning vereist voor alle producten die voorkomen op de lijst in bijlage I. De Commissie is van oordeel dat de MOX-fabriek waarnaar in de vraag wordt verwezen, technisch gezien overeenstemt met het product dat wordt vermeld in de lijst onder rubriek 0B005 van bijlage I van de Dual Use verordening. Bijgevolg is op grond van artikel 3, lid 1 een vergunning vereist.
Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, heeft de Duitse onderneming Siemens aan de Duitse vergunningverlenende autoriteit gevraagd of een vergunning zou worden verleend voor de uitvoer van de fabriek naar China. Voor zover de Commissie bekend, is hierover nog geen beslissing genomen. De beslissing om de vergunning te verlenen of te weigeren is evenwel een soeverein besluit van de lidstaat. In artikel 8 van de verordening is een niet-beperkende lijst opgenomen met bepaalde overwegingen waarmee de lidstaten bij het nemen van hun besluit rekening moeten houden. De Commissie is niet bevoegd om op te treden. Slechts wanneer het besluit is genomen, zouden andere lidstaten eventueel een dergelijk besluit in twijfel kunnen trekken, maar de voorwaarden voor een dergelijke actie zijn strikt afgebakend door de verordening.
De Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA) is de instantie die verantwoordelijk is voor de controle op nucleaire installaties en de Commissie is niet op de hoogte gebracht van de verklaring van de IAEA. China is echter een van de vijf in het non-proliferatieverdrag vermelde kernmachten. Bijgevolg kan de IAEA slechts controles uitvoeren indien beide partijen hiermee vrijwillig instemmen. Bovendien moet op basis van een kosten-batenanalyse worden beoordeeld hoe doeltreffend dergelijke controles zijn. Voorts merkt de Commissie op dat China lid is van het Zangger-comité, dat bevoegd is voor de controle op de uitvoer van nucleair materiaal.
Wat het wapenembargo van de EU tegen China betreft, heeft de Europese Raad van 12 december 2003 de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen verzocht dit wapenembargo opnieuw te bezien. Tijdens de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van januari 2004 werd deze kwestie voor de eerste maal besproken. De werkzaamheden worden voortgezet in de desbetreffende groepen van de Raad. Vóór maart 2004 wordt geen beslissing verwacht.
(1) PB L 159 van 30.6.2000, blz. 1.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/669 |
(2004/C 88 E/0687)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4058/03
van Elspeth Attwooll (ELDR) aan de Commissie
(13 januari 2004)
Betreft: Wapenwetgeving in Turkije
In de eerste vijf maanden van 2003 kwamen in Turkije 1 094 mensen om het leven en werden 10 513 mensen gewond door vuurwapens. Op 7 juli 2003 werd Alistair Grimason, twee en een half jaar oud, door een verdwaalde kogel gedood terwijl hij in zijn kinderwagen in een café sliep. Sindsdien heeft de Turkse regering stappen ondernomen om de wetgeving inzake misdaden met vuurwapens aan te scherpen.
Is de Commissie op de hoogte van deze statistieken, en kan zij bevestigen of zij kwesties als de versprediding van vuurwapens en de wetgeving inzake het vuurwapenbezit en -gebruik in aanmerking zal nemen bij de behandeling van de aanvragen van landen tot lidmaatschap van de EU?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(20 februari 2004)
De Commissie is op de hoogte van de verontrustende feiten die door het geachte parlementslid werden genoemd en deelt haar bezorgdheid over het aantal mensen dat door het gebruik van vuurwapens in Turkije is gedood of gewond geraakt.
De kwestie van de controle op vuurwapens wordt niet specifiek behandeld in de politieke criteria van Kopenhagen. Alle kandidaat-landen moeten echter toetreden tot het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit (de Overeenkomst van Palermo) en de bijbehorende protocollen. Turkije is toegetreden tot de Overeenkomst en heeft op 28 juni 2002 het protocol ondertekend tot bestrijding van de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, met inbegrip van delen en onderdelen, en munitie. Turkije heeft dit protocol nog niet geratificeerd. De Commissie zal de ontwikkelingen op dit gebied aandachtig blijven volgen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/669 |
(2004/C 88 E/0688)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4077/03
van Chris Davies (ELDR) aan de Commissie
(14 januari 2004)
Betreft: NGO's
Aan welke voorwaarden moet een organisatie voldoen alvorens te worden erkend als NGO die over voldoende legitimiteit beschikt om in aanmerking te komen voor EU-middelen ten behoeve van humanitaire hulpverlening in bijzondere omstandigheden?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(3 maart 2004)
Financiering voor niet-gouvernementele organisaties (NGO's) die worden aangezocht voor noodhulp bij natuurrampen of door de mens teweeggebrachte humanitaire crises wordt door de Commissie verstrekt via haar Bureau voor Humanitaire Hulp (ECHO).
Om in aanmerking te komen voor middelen van ECHO moeten NGO's die humanitaire hulp verstrekken een selectieprocedure doorlopen, die kan uitmonden in de ondertekening van een kaderovereenkomst voor partnerschap met ECHO. In een dergelijke overeenkomst worden de beginselen van de samenwerking tussen ECHO en de humanitaire organisatie vastgelegd, de respectieve taken, rechten en verplichtingen uiteengezet en de wettelijke bepalingen opgenomen die op de door ECHO gefinancierde humanitaire hulpverlening van toepassing zijn. De overeenkomst bevat tevens een beschrijving van de vereisten waaraan NGO's moeten voldoen om ECHO-partners te worden en te blijven, alsmede van de selectieprocedure die door het Bureau voor Humanitaire Hulp bij NGO's wordt toegepast.
Bij de selectie van partner-NGO's worden welomschreven subsidiabiliteits- en geschiktheidscriteria toegepast, waarvan sommige hun oorsprong vinden in de regelgeving van de Commissie en andere voortvloeien uit de noodzaak normen te hanteren op het gebied van kwaliteit en verantwoording. Deze zijn het resultaat van beraadslagingen die in de loop jaren binnen de civiele samenleving en tussen ECHO en zijn partners hebben plaatsgehad.
Voor de wettelijke subsidiabiliteits- en geschiktheidscriteria vormen drie verordeningen de basis: de verordening van de Raad betreffende humanitaire hulp (1), de verordening van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (2) en de uitvoeringsbepalingen van laatstgenoemde verordening (3).
Met name bij de subsidiabiliteitscriteria wordt rekening gehouden met de lidstaat waarin de NGO is opgericht (artikel 7, lid 1 van Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad), de morele integriteit van de organisatie (artikel 93 van Verordening (EG) nr. 1605/2002 van de Raad) en de verplichting een extern controleverslag voor te leggen, dat is opgesteld door een erkende externe accountant (artikel 173, lid 4 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002). Ook moet de organisatie een gedragscode toepassen waarbij de beginselen van neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid bij de hulpverlening centraal staan. Bij de geschiktheidscriteria wordt rekening gehouden met de capaciteiten van de NGO op operationeel gebied en op het gebied van administratief en financieel beheer (artikel 7, lid 2 van Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad) en vooral met haar ervaring en specialisatie op het terrein van humanitaire hulp. Zo wordt onder meer gekeken naar het percentage van de begroting dat door de NGO aan humanitaire hulp wordt besteed en naar het gebruik dat zij op verschillende niveaus maakt van minimumkwaliteitsnormen.
Alvorens een kaderovereenkomst voor partnerschap met een NGO wordt gesloten, verifieert ECHO op een aantal manieren of de NGO aan de subsidiabiliteits- en geschiktheidscriteria voldoet; onder andere zijn dit de door de organisatie ter beschikking gestelde informatie en documentatie, overleg met de relevante autoriteiten van de lidstaat alsmede audits met het oog op verificatie die door personeelsleden van ECHO in de kantoren van de organisatie worden uitgevoerd. Zodra de overeenkomst voor partnerschap is gesloten, worden de NGO's jaarlijks gecontroleerd om na te gaan of zij aan de subsidiabiliteitscriteria blijven voldoen. Zodra middelen worden toegekend, worden de partner-NGO's en de individuele projecten waarvoor ECHO middelen ter beschikking stelt regelmatig, gewoonlijk ten minste eenmaal per jaar, door ECHO gecontroleerd; deze controle geschiedt zowel op het hoofdkantoor van de organisatie als op de plaats waar het project wordt uitgevoerd.
Alle gegevens over de procedure die ECHO bij de selectie van NGO's toepast, zijn bekendgemaakt op de website van het Bureau voor Humanitaire Hulp (4). De tekst van de kaderovereenkomst voor partnerschap is eveneens beschikbaar op het web. De vereisten waaraan NGO's moeten voldoen, zijn opgenomen onder titel II, artikelen 6-14 van de bepalingen.
(1) Verordening (EG) nr. 1257/96 van de Raad van 20 juni 1996 betreffende humanitaire hulp, PB L 163 van 2.7.1996.
(2) Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, PB L 248 van 16.9.2002.
(3) Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, PB L 357 van 31.12.2002.
(4) http://europa.eu.int/comm/dgs/humanitarian_aid/index_nl.htm
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/670 |
(2004/C 88 E/0689)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4081/03
van Chris Davies (ELDR) aan de Commissie
(14 januari 2004)
Betreft: Tuberculose
De „Global Drugs Facility” (GDF) heeft in de afgelopen twee jaar in 46 landen betrouwbare, goedkope en kwalitatief hoogwaardige medicijnen tegen tuberculose kunnen leveren, waardoor bijna 2 miljoen zieken konden worden geholpen.
Op het ogenblik heeft de GDF echter dringend behoefte aan nieuwe financiële middelen om haar werkzaamheden te kunnen voortzetten.
Erkent de Commissie dat de GDF een grote rol speelt bij de bestrijding van tuberculose en is zij voornemens de organisatie de middelen te verschaffen om haar werk te kunnen voortzetten?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(20 februari 2004)
De Commissie erkent het belang van de rol die de Global Tuberculosis (TB) Drug Facility (GDF) speelt in het kader van het Stop TB partnerschap om de toegang tot en de beschikbaarheid van kwalitatief hoogwaardige medicijnen tegen tuberculose te verruimen teneinde de expansie van DOTS (= directly observed treatment short-regime) te vergemakkelijken zodat TB over de hele wereld kan worden uitgeroeid.
De Commissie levert al bijstand voor de strijd tegen TB in het kader van het programma voor een versnelde actie ter bestrijding van (HIV/AIDS), malaria en tuberculose als onderdeel van de armoedebestrijding, waarin een brede, samenhangende aanpak van de Gemeenschap werd uitgewerkt voor de periode 2001-2006. Voor de periode 2003-2006 beloopt de geprogrammeerde hulp van de Gemeenschap via de verschillende financiële instrumenten voor de strijd tegen HIV/AIDS, malaria en tuberculose, circa EUR 1,2 miljard. Dit bedrag omvat de steun ten gunste van het Wereldfonds voor de bestrijding van HIV/AIDS, tuberculose en malaria. De Commissie heeft voor 2002 EUR 120 miljoen in het Fonds gestoken en steunmaatregelen geprogrammeerd voor EUR 340 miljoen voor de jaren 2003-2006, waarvan EUR 170 miljoen al is betaald. 17 % van de middelen die al in de eerste fasen werden toegewezen zijn bestemd voor programma's voor de beheersing van tuberculose. Naar verwachting zullen deze projecten een DOTS-behandeling aanbieden voor 2,8 miljoen patiënten (tegenover 830 000 in 2000). Bovendien wordt 46 % van de middelen voor alle ziekten toegewezen voor de levering van medicijnen en medische artikelen. Gezien het bovenstaande is de Commissie niet voornemens de GDF directe steun te verlenen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/671 |
(2004/C 88 E/0690)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4083/03
van Bob van den Bos (ELDR) en Johanna Boogerd-Quaak (ELDR) aan de Commissie
(14 januari 2004)
Betreft: Birma
De mensenrechtensituatie in Birma is nog altijd uitermate slecht.
|
1. |
De Amerikaanse regering heeft inmiddels een wet uitgevaardigd die nieuwe investeringen in Birma verbiedt. De Europese Unie heeft tot op heden nog geen economische maatregelen genomen. Alhoewel investeringen van Europese bedrijven in Birma worden ontmoedigd, zijn er nog altijd Europese firma's aanwezig (b.v. de Franse multinational TotalFinaElf). Hun activiteiten leveren een inkomstenbron op voor de junta. Is de Commissie bereid een verbod in te stellen op joint ventures met Birmese staatsbedrijven en de producten die uit een dergelijke samenwerking tussen Europese bedrijven en staatsbedrijven voortvloeien toegang tot de EU markt te verbieden? Zo ja, per wanneer en hoe? Zo nee, waarom niet? |
|
2. |
Op grote schaal vinden leveranties van wapens aan Birma plaats. De wapens blijken afkomstig uit een tiental landen waaronder Rusland, India, China, Israël en Oekraïne. Wetende dat de EU in het recente verleden Bosnische wapenleveranties heeft kunnen tegenhouden, is de Commissie bereid dit ook te trachten te bewerkstelligen voor de leveranties uit genoemde landen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet? |
Antwoord van heer Patten namens de Commissie
(17 februari 2004)
|
1. |
De Commissie en de lidstaten blijven de ontwikkelingen in Birma/Myanmar op de voet volgen en het is hen niet ontgaan dat de Amerikaanse regering aanvullende handels- en investeringssancties heeft ingevoerd. Met het oog op het komende besluit inzake een verlenging van het gemeenschappelijk standpunt 2003/297/GBVB vóór 29 april 2004 zijn de Commissie en de lidstaten bezig met een evaluatie van de situatie in Birma/Myanmar en kunnen zij met eenparigheid van stemmen verdere maatregelen in te voeren. De geachte parlementsleden zullen begrijpen dat de Commissie momenteel geen commentaar kan leveren of vooruit kan lopen op de resultaten van deze besprekingen. |
|
2. |
De EU heeft een krachtig gemeenschappelijk standpunt ingenomen met betrekking tot Birma/Myanmar dat in 1996 werd goedgekeurd en daarna herhaaldelijk werd versterkt. Het gemeenschappelijke standpunt omvat een EU-visumverbod en bevriezing van fondsen in EU-landen voor leden en familie van de regering, hooggeplaatste militairen en leden van de veiligheidsdienst en andere personen of lichamen die profiteren van het regeringsbeleid. Alle bilaterale steun, met uitzondering van strikt humanitaire bijstand, wordt geschorst. In 1997 trok de EU als protest tegen de dwangarbeid haar preferentiële handelsconcessies bovendien in. Het gemeenschappelijke standpunt omvat tevens een wapenembargo dat in 1990 werd vastgesteld en sedert 1991 opschorting van de defensiesamenwerking. Het wapenembargo werd in 2003 verder uitgebreid en omvat nu ook een verbod op technische opleiding of bijstand in verband met wapens en militaire uitrusting. De Commissie en haar lidstaten hebben zich er bovendien toe verbonden alles in het werk te stellen om andere landen die wapens uitvoeren ertoe aan te zetten de beperkende beginselen van de EU-Gedragscode inzake wapenuitvoer van mei 1998 te onderschrijven. Voorts moedigt de Commissie een aantal derde landen aan initiatieven te vermijden die de militaire macht in Rangoon zouden kunnen versterken. |
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/672 |
(2004/C 88 E/0691)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-4084/03
van Miet Smet (PPE-DE) aan de Commissie
(14 januari 2004)
Betreft: De opschorting van samenwerkingsovereenkomsten en uitstel van de ondertekening van samenwerking sovereenkomsten
In zijn antwoord op mijn vraag E-0520/03 (1) van 24 februari 2003 omtrent het respect van de vrouwenrechten in Pakistan, informeerde de Raad me dat tot op heden geen enkele overeenkomst met een derde land waarin een mensenrechtenclausule als „essentieel element” was opgenomen, werd opgeschort.
In een aantal gevallen waarbij de essentiële elementen van de overeenkomst werden geschonden, schortte de EU sommige bepalingen van een overeenkomst op. Dit was het geval voor de financiële bepalingen van de Overeenkomst van Cotonou met Zimbabwe (2002), de Comoren (2000), Ivoorkust (2000), Fiji (2000), Haïti (2000) en Liberia (2001). Via mijn vraag E-2903/03 (2) aan de Commissie van 1 oktober 2003 wilde ik te weten komen welke schendingen van de essentiële elementen van de Overeenkomst aan de basis lagen van deze opschorting. Het antwoord van de Commissie van 25 november 2003 is niet bevredigend aangezien niet ingegaan wordt op mijn specifieke vraag.
Hetzelfde geldt voor de vraag over Kroatië (1995), Pakistan (1999), Algerije (1998) en Rusland (1995) waar de ondertekening van de samenwerkingsakkoorden uitgesteld werd vanwege de bezorgdheid op het gebied van mensenrechten. Over welke specifieke schendingen van de mensenrechten ging het hier? Ging het om schendingen op gebied van geweld tegen vrouwen? Welke?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(19 februari 2004)
De Commissie verwijst naar haar antwoorden op schriftelijke vraag E-2903/03 van mevrouw Smet en E-3343/03 van de heer Camre (3), en naar het antwoord van de Raad op schriftelijke vraag E-0520/03 van mevrouw Smet.
Uit de mededeling van de Commissie over de bepalingen inzake de eerbiediging van de democratische beginselen en de rechten van de mens in de overeenkomsten tussen de gemeenschap en derde landen uit 1995 (4) blijkt duidelijk dat er verschillende maatregelen zijn die overwogen kunnen worden in geval van een schending van de clausule, op voorwaarde dat de toegepaste maatregelen in verhouding staan tot de schending (5).
De EU heeft nog nooit een samenwerkingsovereenkomst volledig opgeschort. Het besluit om zich te beroepen op de „essentiële elementen” wordt genomen door de Raad van de Europese Unie. In dit verband moet opgemerkt worden dat er nog nooit een beroep is gedaan op de clausule inzake de essentiële elementen vanwege geweld specifiek tegen vrouwen, maar eerder als gevolg van een algemene verslechtering van de mensenrechtensituatie in een bepaald land.
Met betrekking tot de specifieke vragen van het geachte parlementslid over de gedeeltelijke opschorting of uitstel van de ondertekening van samenwerkingsovereenkomsten kan de Commissie de volgende inlichtingen geven:
|
— |
Zimbabwe: Voorafgaand aan overleg op grond van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou sprak de Raad in een gemeenschappelijk standpunt zijn „grote bezorgdheid” uit over de situatie in Zimbabwe, met name over „de recente escalatie van het geweld, de intimidatie van politieke tegenstanders en tegenwerking van de onafhankelijke pers” en ook over „recente wetgeving in Zimbabwe die bij daadwerkelijke toepassing ernstig inbreuk zou maken op het recht van vrije meningsuiting, vergadering en vereniging” (6). |
|
— |
Ivoorkust: Volgens het besluit van de Raad moest het overleg afgesloten worden als gevolg van „de beperkte toelating tot de presidents- en parlementsverkiezingen, die respectievelijk in oktober en december 2000 gehouden zijn, alsook door de gewelddaden tegenover burgers tijdens de overgang naar de democratie. Bovendien zijn de Ivoriaanse autoriteiten hun verplichtingen in het kader van het overleg uit hoofde van artikel 366 bis van de Overeenkomst van Lomé niet nagekomen” (7). |
|
— |
Fiji-eilanden: Na de staatsgreep in mei 2000 schortte de EU alle investeringsprojecten in het kader van programma's van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) op totdat eerlijke en vrije verkiezingen gehouden zouden worden en een legitieme regering aan de macht zou zijn. Volgens het besluit van de Raad was „het herstel van de democratische regering van Fiji nog niet volledig voltooid” (8). |
|
— |
Haïti: De EU heeft de ontwikkelingssamenwerking met Haïti in 2001 opgeschort als gevolg van verschillende onregelmatigheden en fraudegevallen tijdens de verkiezingsperiode in 2000. Volgens het besluit van de Raad werden „de democratische beginselen nog steeds niet gerespecteerd op Haïti”. |
|
— |
Liberia: De basis van de EU-aanpak ligt in resolutie nr. 1343 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties inzake de betrokkenheid van Liberia bij het conflict in Sierra Leone. In deze resolutie wordt voorgesteld een aantal sancties tegen Liberia in te stellen als dat land het Revolutionary United Front (RUF) in Sierra Leone en andere gewapende rebellengroeperingen in de regio blijft steunen. Het EU-wapenembargo was noodzakelijk om gevolg te geven aan de resolutie van de VN-veiligheidsraad inzake het verbod op dienstverlening in verband met wapens en andere militaire uitrusting of activiteiten. |
|
— |
Comoren: Na de veroordeling van de staatsgreep van 30 april 1999 in de Islamitische Republiek van de Comoren, besloot de EU overleg te openen met de militaire regering op grond van artikel 366 bis van de Overeenkomst van Lomé. |
|
— |
Rusland: Het ratificatieproces van de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PCA) werd bemoeilijkt door een aantal omstandigheden, en werd zelfs tijdelijk opgeschort door de EU als gevolg van het militaire optreden van het Russische leger in Tsjetsjenië. Het ratificatieproces werd hervat na de start van de vredesonderhandelingen in de Tsjetsjeense Republiek. De Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst trad op 1 december 1997 in werking. Nadat in 1999 het tweede conflict in Tsjetsjenië uitbrak en het besluit van de Europese Raad in december 1999, schortte de Commissie het gewone Tacis-programma voor technische bijstand op, en voerde in plaats daarvan in 2000 en specifiek programma uit voor steun aan maatschappelijke organisaties, de democratie en de eerbiediging van de mensenrechten. |
|
— |
Kroatië: De Gemeenschap erkende Kroatië in januari 1992, wat echter niet meteen tot economische hulp of de totstandkoming van contracten leidde vanwege de oorlog en omdat het land niet in staat was aan de democratische vereisten te voldoen. Daarom werd het besluit tot onderhandelingen over een samenwerkingsovereenkomst en de uitbreiding van het Phare-programma opgeschort totdat Kroatië zich aantoonbaar inzette voor de eerbiediging van democratische beginselen en mensenrechten. Pas in het jaar 2000, toen de nieuwe regering zich hiertoe duidelijk verplichtte, besloot de EU onderhandelingen te openen over een stabilisatie- en associatieovereenkomst en communautaire steun te verlenen. |
|
— |
Pakistan: De ondertekening van de „Samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de Gemeenschap en Pakistan” werd vier keer uitgesteld, vanwege
Uiteindelijk werd de overeenkomst op 24 november 2001 in Islamabad ondertekend, vergezeld van een gezamenlijke verklaring waarin Pakistan herhaalde te streven naar de terugkeer van democratisch bestuur, overeenkomstig de door president Musharraf op 14 augustus 2001 aangekondigde routekaart. |
|
— |
Algerije: In 1998 volgde de EU de politieke ontwikkelingen in Algerije nauwgezet, en sprak verschillende malen haar bezorgdheid uit over de situatie in het land. De EU veroordeelde met name terroristische daden en betuigde haar steun aan de inspanningen van de regering om de democratie te consolideren en de burgers te beschermen tegen terrorisme en tegelijkertijd de nationale wetgeving en de mensenrechten te respecteren. De ondertekening van de associatieovereenkomst tussen de EU en Algerije werd toen echter niet officieel uitgesteld, maar het proces werd wel vertraagd: in 2002 werden de onderhandelingen afgesloten en werd de overeenkomst ondertekend. |
(1) PB C 280 E van 21.11.2003, blz. 62.
(2) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 441.
(3) PB C 78 E van 27.3.2004, blz. 526.
(4) COM(95)216 def.
(5) Zie bijlage 2 van de eerdergenoemde mededeling voor een lijst van maatregelen die genomen kunnen worden bij ernstige schendingen van de mensenrechten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/675 |
(2004/C 88 E/0692)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-4088/03
van Dana Scallon (PPE-DE) aan de Commissie
(8 januari 2004)
Betreft: Definitie van „reproductieve gezondheid”
Op 16 december 2003 verklaarde de Raad van de EU dat onder de term „reproductieve gezondheid” niet het volgende dient te worden verstaan: verlening van ondersteuning en hulp bij, dan wel het vergemakkelijken, bevorderen, sponsoren of aanmoedigen van abortus („die Förderung von Abtreibung”).
Op welke wijze zal de Commissie rekening houden met deze definitie bij de selectie van EU-partnerorganisaties die belast worden met de uitvoering van EU-beleid op het gebied van reproductieve gezondheid en rechten?
Kan de Commissie bevestigen dat zich aanmeldende organisaties die geen abortus verzorgen of met abortus samenhangende activiteiten uitvoeren een kans maken bij het aanvragen van EU-steun op het gebied van reproductieve gezondheid en rechten?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(1 maart 2004)
Tijdens de zitting van het Parlement van 16 december 2003 heeft de vertegenwoordiger van de Raad, in antwoord op de vraag van de geachte Afgevaardigde, verwezen naar overweging 16 van Verordening (EG) nr. 1567/2003 van het Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende steun voor beleid en maatregelen op het gebied van reproductieve en seksuele gezondheid en rechten in ontwikkelingslanden (1) waarin duidelijk wordt gesteld dat regelingen ter bevordering van abortus niet in aanmerking komen voor steun uit hoofde van die verordening.
De Commissie steunt het beleid van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling (ICPD) en het ICPD-actieprogramma inzake seksuele en reproductieve gezondheid volledig. De selectie van partnerorganisaties is geregeld in de bovenstaande verordening.
De Commissie acht het wel degelijk mogelijk dat organisaties die geen abortus verzorgen of met abortus samenhangende activiteiten uitvoeren succes hebben bij een van de door de Commissie uitgeschreven open oproepen op het gebied van reproductieve gezondheid en rechten.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/675 |
(2004/C 88 E/0693)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0002/04
van Bernd Posselt (PPE-DE) aan de Commissie
(9 januari 2004)
Betreft: Definitie „seksuele en reproductieve gezondheid”
Op 16 december 2003 heeft het Italiaanse voorzitterschap van de Raad de vraag of in het begrip „seksuele en reproductieve gezondheid” de mogelijkheid tot het financieren van abortus ligt opgesloten met „neen” beantwoord. Strookt zulks ook met de definitie van de Commissie?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(23 februari 2004)
In overweging 16 van Verordening (EG) nr. 1567/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2003 betreffende steun voor beleid en maatregelen op het gebied van reproductieve en seksuele gezondheid en rechten in ontwikkelingslanden (1) wordt bepaald dat regelingen ter bevordering van sterilisatie of abortus niet in aanmerking komen voor steun uit hoofde van deze verordening. Dit standpunt is in overeenstemming met het actieprogramma dat werd aangenomen in 1994 tijdens de internationale conferentie over bevolking en ontwikkeling te Cairo. Dit actieprogramma ligt ten grondslag aan het communautaire beleid.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/676 |
(2004/C 88 E/0694)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0007/04
van Philip Claeys (Nl) aan de Commissie
(16 januari 2004)
Betreft: Toetreding van Cyprus, officiële talen
Cyprus kent twee officiële talen, het Grieks en het Turks. De Grondwet schrijft ook voor dat één van de beide vice-presidenten een Turkse Cyprioot moet zijn. Wegens de Turkse bezetting van het noordelijke gedeelte van het eiland zijn deze grondwettelijke bepalingen echter niet operationeel. In de huidige omstandigheden zou een erkenning van het Turks als officiële taal in de Europese Unie kunnen geïnterpreteerd worden als een impliciete erkenning van de Turkse bezetting van het noordelijke deel van Cyprus.
Zou de toetreding van Cyprus op 1 mei 2004 — zonder wijziging van de institutioneel-politieke situatie — desondanks kunnen betekenen dat het Turks een officiële taal wordt van de Europese Unie? Zo dit het geval is, welke argumenten acht de Commissie doorslaggevend?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(1 maart 2004)
Volgens het Toetredingsverdrag van 2003 is Turks niet een officiële taal van de Europese Unie, omdat daar niet om is verzocht.
Ingeval van een politieke regeling van de kwestie Cyprus en de eenmaking van het eiland mag de Verenigde Republiek Cyprus vragen het Turks als een officiële communautaire taal te erkennen. De Raad zou dan de Verordeningen nrs. 1/1958/EEG en 1/1958/Euratom tot vaststelling van de regeling van het taalgebruik van de twee Gemeenschappen (1) moeten wijzigen. De rechtsgrond voor deze aanpassing en de desbetreffende modaliteiten zijn opgenomen in artikel 4 van protocol nr. 10 van de Toetredingsakte, waarin bepaald is dat de Raad, in geval van een regeling, een besluit neemt over de aanpassingen die met betrekking tot de Turks-Cypriotische gemeenschap worden aangebracht in de voorwaarden betreffende de toetreding van Cyprus.
Er zij op gewezen dat de Commissie in 1999 besloot EUR 3 miljoen toe te kennen voor de vertaling van het acquis in het Turks om het proces waarbij het noordelijk deel van Cyprus dichter bij de Unie wordt gebracht, voor te bereiden en te vergemakkelijken.
(1) PB B 17 van 6.10.1958.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/676 |
(2004/C 88 E/0695)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0032/04
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(20 januari 2004)
Betreft: Een langdurige status als statenloze voor een deel van de permanente inwoners van de drie toekomstige EU-lidstaten die tot 1991 deelstaat van de Sovjetunie waren
|
1. |
Kan de Commissie bevestigen dat op het moment van de start van Estland, Letland en Litouwen in 1991 als onafhankelijke staten niet alle daar permanent gevestigde inwoners in staat zijn gesteld om de nationaliteit van de opgeheven Sovjetunie tijdig in te ruilen voor die van hun nieuwe staat, zodat deze mensen statenloos zijn geworden? |
|
2. |
Kan de Commissie bevestigen dat in deze drie voormalige deelstaten van de Sovjetunie alleen de afstammelingen van Russische kolonisten uit de periode van het tsarenrijk tot 1917 als staatsburgers zijn geaccepteerd, maar niet diegenen die zijn gekomen in de sovjet-periode 1939-1991 en hun afstammelingen omdat zij worden gezien als buitenlandse bezetters en verantwoordelijk worden gesteld voor de toenmalige regeringspolitiek? |
|
3. |
Wordt de mogelijkheid voor de uitgesloten groep om op grondslag van hun kennis van de huidige officiële staatstaal alsnog de nationaliteit van hun land van inwoning te verwerven onnodig beperkt door ze te onderwerpen aan examens die onder meer selecteren op grondslag van de kennis van technische en juridische termen die niet algemeen bekend zijn en die geen deel uitmaken van het dagelijkse taalgebruik? |
|
4. |
Kan de Commissie inzicht geven in de percentages statenlozen onder de bevolking van Estland, Letland en Litouwen afzonderlijk in 1993 en in 2003? Wat zijn haar prognoses voor de nabije toekomst? Verwacht zij dat deze percentages duurzaam hoger blijven dan in andere EU-lidstaten? |
|
5. |
Hoe ziet de Commissie de toekomst van de statenlozen? Gaat zij ervan uit dat alle inwoners in principe recht hebben op het staatsburgerschap? Of moeten ze kiezen tussen vertrek uit hun land van inwoning en berusten in duurzame uitsluiting van rechten zoals politieke participatie en vrij reizen? |
|
6. |
Hoe stimuleert de Commissie dat in deze staten die op 1 mei 2004 toetreden tot de Europese Unie binnen enkele jaren het percentage statenlozen niet langer hoger is dan het gemiddelde in andere EU-lidstaten? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(1 maart 2004)
Toen Estland en Letland in 1991 opnieuw onafhankelijk werden bestond ongeveer een vierde van hun bevolking uit immigranten die uit andere Sovjetrepublieken afkomstig waren na een bewust beleid van bevolkingswijziging onder het Sovjetregime. Omdat dat niet in dezelfde mate het geval was in Litouwen vormde de kwestie van het staatsburgerschap in dat land geen probleem.
Ingezetenen en hun nakomelingen die in 1940 de nationaliteit van deze staten hadden, werden beschouwd als onderdanen van deze landen toen deze in 1991 opnieuw onafhankelijk werden. Andere inwoners die permanent op het grondgebied van deze landen verbleven — hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend, inwoners die uit andere Sovjetrepublieken afkomstig waren — werden, en worden nog steeds, in de gelegenheid gesteld om naturalisatie aan te vragen. De voorwaarden voor naturalisatie in Estland en Letland werden aangepast na advies van terzake bevoegde internationale instanties zoals de Hoge Commissaris voor Nationale Minderheden van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Zoals werd vastgesteld in de periodieke verslagen over de vooruitgang van deze landen bij de voorbereiding op de toetreding tot de EU, is de Commissie ervan overtuigd dat de rechten van de mens in deze kwesties worden geëerbiedigd.
Volgens de gegevens waarover de Commissie beschikt bezit momenteel ongeveer 12 % van de in Estland verblijvende bevolking niet de Estlandse, noch een andere nationaliteit, terwijl ongeveer 21 % is van de in Letland verblijvende bevolking noch de Letse noch een andere nationaliteit heeft. Deze mensen hebben verblijfsvergunningen en kunnen werken, studeren, een beroep doen op sociale voorzieningen en naar het buitenland reizen. Om buitenlandse reizen mogelijk te maken worden speciale paspoorten afgegeven die internationaal worden aanvaard. De Commissie moedigt deze landen evenwel aan om moeite te blijven doen om deze mensen in hun maatschappij te integreren en de naturalisatie te vergemakkelijken. De Commissie is van oordeel dat van alle betrokkenen inspanningen vereist zijn. Er wordt financiële steun verstrekt om dit doel te bereiken. Verwacht wordt dat het aandeel van „niet-staatsburgers” na de toetreding verder, en sneller dan in het verleden, zal dalen. Meer mensen zullen immers een aanvraag tot naturalisatie indienen wanneer zij beseffen dat het in hun belang is om in de betrokken landen en in de EU te integreren en dat zij toch hun culturele identiteit kunnen behouden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/678 |
(2004/C 88 E/0696)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0034/04
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(20 januari 2004)
Betreft: Verkoop van belastingvrije sigaretten voor halve prijs door middel van internet-bestellingen in Roemenië en verzending door particulieren
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat in EU-lidstaten de mogelijkheid blijkt te bestaan om door middel van internet in Roemenië maximaal 160 sigaretten van verschillende westerse merken te bestellen, welke vervolgens door particulieren in dat land worden gekocht en worden verzonden als kleine zending zonder handelskarakter, welke op grond van de communautaire regeling douanevrijstelling is vrijgesteld van belasting op de toegevoegde waarde en invoerrechten en daardoor kan worden geleverd voor ongeveer de helft van de prijs die in het land van ontvangst voor dezelfde hoeveelheid sigaretten moet worden betaald? |
|
2. |
Is het de Commissie tevens bekend dat de bemiddeling tussen kopers en verkopers in opdracht van de onderneming „Cigarom.com” plaatsvindt vanuit EU-grondgebied door Spaanse tussenpersonen en dat er plannen in voorbereiding zijn om in EU-lidstaten „administratiecentra” te stichten vanwaaruit deze wijze van verkoop zal worden gestimuleerd op een wijze waardoor zij in juridische zin niet als winkels kunnen worden beschouwd? Is het thans onmogelijk om deze sigaretten in beslag te nemen? |
|
3. |
Wat verandert in de juridische grondslag voor deze handelwijze vanaf de datum waarop Roemenië lidstaat van de EU wordt? |
|
4. |
Vindt de Commissie deze handel, waarbij de combinatie van winst maken en verkoop tegen een lage prijs alleen mogelijk wordt door middel van belastingontduiking, toelaatbaar of gaat het naar haar oordeel om strafbare feiten die door gaten in huidige regelingen of door gebrek aan douanecontrole vooralsnog ongestraft moeten blijven? |
|
5. |
Op welke wijze kunnen deze gaten in wetgeving en/of douanecontrole worden gedicht? |
|
6. |
Welke maatregelen heeft de Commissie in voorbereiding om deze wijze van verkoop vanuit niet-lidstaten van de EU tegen te gaan? |
Bron: TV Nederland 3, „Nova” van 30.12.2003.
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(16 februari 2004)
|
1. |
De specifieke situatie die het geachte parlementslid in zijn vraag beschrijft, is de Commissie niet bekend. Haar standpunt is evenwel dat sigaretten die op deze manier door particulieren in de EU worden ingevoerd, niet als kleine zendingen goederen zonder commercieel karakter kunnen worden aangemerkt, aangezien er steeds een handelstransactie aan de verzending ten grondslag ligt. Bijgevolg kunnen deze zendingen niet in aanmerking komen voor de vrijstelling die van toepassing is bij de invoer van kleine zendingen goederen zonder commercieel karakter, omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in de EU-wetgeving, met name de artikelen 29 tot en met 31 van Verordening (EEG) nr. 918/83 (1) van de Raad, wat douanerechten betreft, en Richtlijn 78/1035/EEG (2) van de Raad, wat BTW en accijnzen betreft. Voor sigaretten zijn deze vrijstellingen hoe dan ook beperkt tot 50 stuks per zending en de lidstaten mogen dit aantal nog verminderen of de BTW- en accijnsvrijstelling voor tabaksproducten zelfs helemaal afschaffen. |
|
2. |
De Commissie heeft tot dusver geen informatie ontvangen dat dergelijke activiteiten in de EU zouden worden opgezet. Zoals hierboven uiteengezet is zij evenwel van mening dat deze zendingen een commercieel karakter hebben en dus bij invoer in de EU aan douanerechten, BTW en accijnzen zijn onderworpen. De lidstaten kunnen derhalve passende wettelijke maatregelen onder nationaal recht nemen indien de goederen bij invoer niet correct worden aangegeven. |
|
3. |
Na de toetreding van Roemenië tot de EU zullen deze zendingen moeten worden aangemerkt als afstandsverkopen, waarover accijns wordt geheven in de lidstaat van bestemming. Voor nadere informatie over de op afstandsverkopen toepasselijke accijnsregeling wordt verwezen naar het antwoord van de Commissie op schriftelijke vraag E-3449/03 (3). |
|
4. t/m 6. |
De Commissie is van mening dat er geen mazen in de EU-wetgeving zijn, maar erkent wel dat er een probleem is met het toezicht op en de handhaving van de betaling van rechten en heffingen op tabaksproducten die via het internet aan de eindverbruiker worden aangeboden en hem rechtstreeks vanuit derde landen of een andere lidstaat per post worden toegezonden. Dit probleem wordt actief onderzocht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding van de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, teneinde maatregelen te ontwikkelen om dit soort fraude te bestrijden. |
(1) Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (PB L 105 van 23.4.1983). Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 355/94 van de Raad van 14 februari 1994 (PB L 46 van 18.2.1994).
(2) Richtlijn 78/1035/EEG van de Raad van 19 december 1978 inzake de belastingvrijstellingen die van toepassing zijn bij invoer van uit derde landen afkomstige kleine zendingen goederen zonder commercieel karakter (PB L 366 van 28.12.1978). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 85/576/EEG van de Raad van 20 december 1985 (PB L 372 van 31.12.1985).
(3) Zie blz. 146.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/679 |
(2004/C 88 E/0697)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0085/04
van Matti Wuori (Verts/ALE) aan de Commissie
(20 januari 2004)
Betreft: Geen juridisch kader voor NGO's in Malta
Malta, dat op 1 mei aanstaande lid wordt van de EU, heeft geen juridisch kader voor de regulering van niet-gouvernementele organisaties. Dit verhindert gevestigde NGO's, inclusief niet-gouvernementele organisaties voor ontwikkeling met een uitstekende staat van dienst, om hun capaciteiten ten volle te ontwikkelen. Door een dergelijk kader zouden ze zinvol kunnen deelnemen aan samenwerkingsverbanden met andere Europese NGO's.
Moet de Commissie geen druk uitoefenen op de Maltese regering om zo spoedig mogelijk het nodige juridische kader op te stellen? Dat zou een stap in de goede richting zijn bij het erkennen van de bekwaamheid en het mandaat van alle gevestigde NGO's, inclusief NGOO's die actief zijn op het gebied van internationale ontwikkeling, en het zou de noodzakelijke steun geven aan NGO's en NGOO's om hun wereldwijde solidariteitswerk voort te zetten en uit te breiden.
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(25 februari 2004)
De Gemeenschapswetgeving verplicht de lidstaten niet om een juridisch kader voor niet-gouvernementele organisaties (NGO's) op te zetten. De lidstaten kunnen hier zelf over beslissen. De Commissie heeft op dit punt dus niet het recht om „druk uit te oefenen op de Maltese regering”.
De Commissie heeft gedurende de pretoetredingsperiode, en steeds wanneer dit relevant en mogelijk was, erop aangedrongen om NGO's te betrekken bij door de Gemeenschap gefinancierde projecten. De Commissie is in het kader van haar ondersteuning van NGO's bereid om specifieke projecten die verband houden met de tenuitvoerlegging van communautaire voorschriften en beleidsmaatregelen in Malta in overweging te nemen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/679 |
(2004/C 88 E/0698)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0096/04
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(21 januari 2004)
Betreft: Wapenleveranties Israël aan Turkije in ruil voor water
Volgens berichten in de media van maandag 5 januari jl. zijn tijdens de ontmoeting tussen de Israëlische premier, Ariel Sharon, en de Turkse minister van Energie, Zeki Tsakan, overeenkomsten gefinaliseerd voor de levering door Israël van een groot aantal Israëlische tanks met hoogwaardige technologie aan de Turkse luchtmacht in ruil voor 50 miljoen kubieke meter water per jaar uit de rivier Manavgat in Anatolië. Het water zal vervoerd worden door een vloot supertankers die op dit moment in Israël wordt gebouwd. Israël ondervindt grote problemen met de watervoorziening doordat de watervoorraden van het land geleidelijk aan brak worden.
Turkije is een kandidaatland voor toetreding tot de Europese Unie. Wat weet de Commissie over de inhoud van de hierboven vermelde overeenkomsten? Gaat de Commissie het Europees Parlement hierover informeren?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(25 februari 2004)
De Commissie beschikt niet over specifieke informatie noch is zij officieel geïnformeerd over de inhoud van de door het geachte parlementslid genoemde overeenkomsten.
In 1993 werd in de Europese Raad van Kopenhagen verklaard: „Het lidmaatschap vereist dat een kandidaatland is gekomen tot stabiele instellingen die de democratie, de rechtsorde, de mensenrechten en het respect voor en de bescherming van minderheden garanderen”. In het licht van deze criteria zal de Commissie in haar volgende periodiek verslag de door Turkije op weg naar de toetreding geboekte vooruitgang beoordelen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/680 |
(2004/C 88 E/0699)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0104/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(22 januari 2004)
Betreft: Namibië — Dreigende bezetting van boerderijen
Na het vastlopen van de onderhandelingen tussen de Vakbond van Landarbeiders in Namibië (NAFWU) en de Namibische Landbouwbond (NAU), waarin de meeste eigenaren van landbouwbedrijven in het land zijn vertegenwoordigd, heeft de NAFWU aangekondigd enkele boerderijen te zullen bezetten, waarbij zich eenzelfde situatie zou kunnen gaan voordoen als in Zimbabwe, met dien verstande dat de regering in dit geval de bezetters niet steunt. Een en ander was te lezen in de krant „The Namibian” en enkele internationale krantenberichten.
De situatie is zeer gespannen nu de NAFWU heeft aangekondigd deze maand met de acties te beginnen.
Sinds de onafhankelijkheid van Namibië heeft het land geprobeerd evenwicht te brengen in het grondbezit door de vaststelling van een programma dat als motto heeft „willing seller, willing buyer”. In het kader van dit programma wordt gestreefd naar vrijwillige verkoop van de eigenaar zonder dat enige maatregel wordt getroffen voor gewelddadige of gedwongen onteigening.
Nu de campagne nadert voor de komende verkiezingen, waarin de opvolger zal worden gekozen voor president Sam Nujoma, die nu 17 jaar aan de macht is, zal naar verwachting dit thema worden gebruikt om demagogie te bedrijven, met alle nadelen en gevaren vandien.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Beschikt zij over betrouwbare informatie over dit onderwerp en hoe ziet zij de ontwikkelingen? |
|
— |
Heeft zij hierover contact opgenomen of denkt zij hierover contact op te nemen met de autoriteiten of met de vakbonden of Namibische werkgeversorganisaties? Welke maatregelen heeft zij genomen of denkt zij te nemen om te voorkomen dat deze conflictsituatie zich verder verscherpt en overslaat op andere Afrikaanse landen? |
|
— |
Is de Commissie van oordeel dat Europese belangen in Namibië hierdoor worden bedreigd? Heeft zij van de Namibische regering veiligheidsgaranties gekregen of gaat zij hierom vragen? |
|
— |
Is zij bereid om met de Namibische regering samen te werken indien deze hierom vraagt? Hoe ziet zij de rol van de Europese Unie in deze kwestie, met name als eventuele bemiddelaar tussen de conflictpartijen? |
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(4 maart 2004)
De Commissie is zich bewust van de problematiek met betrekking tot de eigendom van commercieel boerenland in Namibië en de enkele individuele arbeidsgeschillen in dit verband waar de plaatselijke media ruime aandacht aan hebben gegeven.
Met betrekking tot toekomstige ontwikkelingen ten deze vertrouwt de Commissie erop dat de regering de wet zal blijven handhaven en onrechtmatige acties zal voorkomen. De zorgvuldige maar krachtige verklaringen van de regering betreffende de individuele gevallen wijzen erop dat zij volledig staat achter de toepassing van het overeengekomen beginsel van „willing buyer -willing seller” (dat onrechtmatig optreden uitsluit).
Via haar delegatie in Namibië heeft de Commissie goede contacten met de verantwoordelijke regeringsinstanties aangeknoopt, vooral met de ministers van Landhervormingen en van Landbouw maar ook met de Unie van commerciële boeren (NAU) en de Namibische Nationale unie van boeren (NNFU). Uit de lopende dialoog met deze partners leidt de Commissie af dat de regering ervoor zal blijven zorgen dat conflicten vreedzaam en in overeenstemming met de bestaande wetgeving zullen worden bijgelegd en dat zij zich zeer zal inspannen om confrontaties te vermijden. Negatieve gevolgen voor buurlanden (of het gevaar dat Namibië de weg van Zimbabwe op zal gaan) lijken derhalve ongegrond.
Namibië tekende in het recente verleden met een aantal lidstaten „overeenkomsten inzake investeringsbescherming”; deze zullen voor eigendommen en investeringen bijkomende juridische garanties bieden.
In het kader van de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou en het daarop betrekking hebbende Commissie-landenstrategiedocument voor Namibië is overeengekomen dat „plattelandsontwikkeling” voor toekomstige ontwikkelingssamenwerking in dit land de meeste aandacht zal krijgen, daaronder ook de zaak van de landhervormingen. De Commissie heeft daadwerkelijk erkend dat deze aangelegenheid in de ontwikkeling van Namibië van groot belang is en heeft verklaard dat een succesvol programma van landhervormingen zeer effectief kan zijn om in dit land het proces van verzoening en democratie te bestendigen. Aan voorbereidingen voor een dergelijk soort bijstand wordt gewerkt. Het niet willen inzien van de noodzaak van landhervormingen — daaronder ook het bevorderen van een evenwichtiger spreiding van het landbezit — zou een fout zijn en de bestrijding van armoede verzwakken. Dit geldt niet alleen voor de rol van de Commissie als partner in Namibië maar geldt uiteraard voor heel de betreffende regio.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/681 |
(2004/C 88 E/0700)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0116/04
van Dana Scallon (PPE-DE) aan de Commissie
(26 januari 2004)
Betreft: Leader II-projecten — de zaak Blue Dragon
|
1. |
Kan de Commissie in verband met Leader II-projecten bevestigen dat het Koninkrijk Spanje 30 % van de Europese subsidies ontvangt? Is het de Commissie bekend dat bij de zaak Blue Dragon 2000 de rekeningen van de plaatselijke actiegroep, GAL Salines-Bassegoda, door de Spaanse regering zijn gecontroleerd en goedgekeurd? Is het de Commissie bekend dat een bedrag van EUR 43 000 in Frankrijk werd overgeboekt? Is het de Commissie bekend dat de regiominister, de heer Josep Grau, belast met de plaatselijke controle, de mensen van Blue Dragon 2000 als slachtoffers heeft erkend maar dat er nooit een klacht bij enige strafhof aanhangig is gemaakt? |
|
2. |
Is de Commissie, wetend dat de mensen van Blue Dragon OLAF hebben geholpen met bewijsstukken die aanleiding waren voor een strafrechtelijke behandeling van de zaak tussen september 2000 en november 2001, ervan op de hoogte dat OLAF weliswaar onregelmatigheden heeft toegegeven, maar zich bij de Spaanse conclusies heeft aangesloten? Kan de Commissie verklaren waarom geen onderzoek op zowel Spaans als Frans grondgebied werd ingesteld? |
|
3. |
Wat is de uitleg van de Commissie, wetend dat op 9 maart 2002 door de mensen van Blue Dragon een klacht tegen het Koninkrijk Spanje werd ingediend, van het feit dat nog steeds niet is beslist over de geldigheid van de ingediende klacht? |
|
4. |
De eigenaars van Blue Dragon 2000 hebben in de afgelopen vijf jaar buitengewoon veel moeilijkheden ondervonden en schade geleden, wat zij beschreven als moorddadig vanwege belangrijke gebreken van de procedure voor een gedeeld beheer. Wat is het advies van de Commissie aan deze eigenaars, Europese burgers die bereid waren het Europese systeem te vertrouwen en te handelen om te trachten de veroorzaakte morele en financiële te herstellen? |
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(2 april 2004)
Het programma Leader II, dat liep van 1994 tot 1999, wordt momenteel afgesloten. Derhalve zijn nog geen definitieve gegevens beschikbaar over de bedragen die daadwerkelijk aan elke lidstaat zijn uitgekeerd.
De aanvankelijke middelen die aan Spanje worden toegewezen in het kader van het programma Leader II, voor de periode 1994-1999 bedroegen 1162 miljoen euro, d.i. 30 % van de totale begroting.
Volgens de informatie verkregen van het Europees bureau voor fraudebestrijding (OLAF) is het onderzoek door het bureau gestart op 1 februari 2001 en afgesloten op 12 december 2002.
Nadat het onderzoek was gestart, hebben de Commissie en het OLAF informatie over deze zaak uitgewisseld ondanks de opschorting van onderzoeksinitiatieven wegens reeds lopende nationale controles.
Naar aanleiding van de uitgevoerde controles hebben de Spaanse autoriteiten de terugvordering gevraagd van 46 874,42 EUR van de GAL, in verband met de bij het beheer van het project van de maatschappij Blue Dragon geconstateerde onregelmatigheden.
Volgens de gegevens waarover de Commissie beschikt, hebben de juridische ontwikkelingen, zowel in Frankrijk als in Spanje, niet geleid tot een strafrechtelijk onderzoek. De Franse autoriteiten achten zich op territoriale gronden niet bevoegd. De Spaanse autoriteiten hebben geen gevolg gegeven aan de klacht vanwege het ontbreken van steun van civiele partijen.
De Commissie begrotingscontrole (CoCoBu) zal zeer binnenkort gedetailleerde informatie over dit dossier ontvangen van het OLAF.
De andere punten genoemd in de schriftelijke vraag van het geachte parlementslid, met name de punten 3 en 4, betreffen bepaalde bezwaren die door de maatschappij Blue Dragon naar voren zijn gebracht in de bij de Commissie ingediende klacht, die momenteel wordt behandeld. In dit kader is aan de Spaanse autoriteiten meer gedetailleerde informatie gevraagd. Aangezien het antwoord hierop spoedig wordt verwacht, acht de Commissie het gepast de informatie met betrekking tot dit dossier pas mee te delen nadat het antwoord van Spanje is onderzocht.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/682 |
(2004/C 88 E/0701)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0118/04
van Monica Frassoni (Verts/ALE) en Daniel Cohn-Bendit (Verts/ALE) aan de Commissie
(26 januari 2004)
Betreft: Verwijdering van kiezers van de Maltese kieslijsten
Tot vorig jaar was het gebruikelijk dat de twee grote politieke partijen op Malta tweemaal per jaar zorgden voor verwijdering van kiezers van de kieslijsten, waarbij duizenden kiezers van rivaliserende partijen uit het kiezersregister werden verwijderd op grond van interpretatie van residentie, geestelijke gezondheid, enz.
Op 21 maart 2003 gaf het Constitutionele Hof van Malta, op verzoek van een benadeelde partij, een definitie van „residentie” (de zaak Cassola, rechter Tonio Mallia, Zaak Harry Vassallo versus de Kiesraad en John Mary Magro, nr. 6/2003/1). De door het Maltees de Constitutionele Hof gegeven definitie luidt: „het woord „residentie” houdt geen fysieke aanwezigheid in het land in”.
Bovendien bepaalt de nieuwe wet voor de Europese verkiezingen op Malta (Wet nr. XVI van 2003 die op 26 november 2003 in de Maltese Staatscourant is gepubliceerd) uitdrukkelijk dat alle Maltese burgers die in de 25 EU-landen wonen, het recht hebben om te stemmen en zich voor verkiezingen op Malta kandidaat te stellen.
Is het de Commissie bekend dat, ondanks de grondwettelijke definitie en de bestaande wetgeving inzake de Europese verkiezingen, de Socialistische Partij van Malta opnieuw heeft verzocht om 1684 Maltese burgers uit het kiezersregister te verwijderen? Deze rechtszaak wordt in de laatste weken van januari door de Maltese rechtbanken behandeld en Maltesen die bij de EU-Iistellingen werkzaam zijn, vormen een van de doelgroepen.
Wat overweegt de Commissie te doen tegen de illegale poging van de Socialistische Partij van Malta om Maltese onderdanen te verhinderen deel te nemen aan de aanstaande Europese verkiezingen op Malta?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(26 februari 2004)
In de Maltese grondwet worden alle fundamentele mensenrechten en burgerrechten erkend. Het recht van Maltese burgers om bij algemene verkiezingen te stemmen is afhankelijk van staatsburgerschap, leeftijd en eisen ten aanzien van de woonplaats. Het is de Commissie bekend dat het Constitutionele Hof van Malta naar aanleiding van een recente klacht van een Maltese burger wiens stemrecht door een bepaalde partij werd betwist, heeft uitgesproken dat het begrip „woonplaats” niet impliceert dat iemand fysiek in het land aanwezig moet zijn, maar dat perioden van verblijf buiten Malta daaronder begrepen en toegestaan zijn.
Daarom moet elke betwisting van het stemrecht van een burger door een politieke partij door een bevoegde Maltese rechtbank worden behandeld, daarbij rekening houdend met de interpretaties van het Constitutionele Hof van Malta. Het is niet aan de Commissie om zich met het functioneren van de Maltese rechterlijke macht te bemoeien, of om commentaar te leveren op de houding van een bepaalde politieke partij. De Commissie is van mening dat het Maltese rechtsstelsel ervoor kan zorgen dat het stemrecht van burgers, zoals gespecificeerd in de Maltese wetgeving, volledig wordt nageleefd. De Commissie merkt op dat Maltese rechtbanken in het verleden onwettige pogingen om Maltese burgers hun stemrecht te ontnemen, hebben kunnen afwenden.
De Commissie merkt ook op dat in de pas goedgekeurde wet inzake de Europese verkiezingen in Malta is bepaald dat alle Maltese burgers die in de 25 lidstaten wonen, actief en passief kiesrecht hebben voor de verkiezingen van de Maltese leden van het Europees Parlement. Dit was mogelijk omdat de Maltese grondwet wel betrekking heeft op de nationale verkiezingen, maar niet op de Europese verkiezingen. De Commissie neemt deze ontwikkeling, die lijkt te passen in Malta's ruimere internationale betrokkenheid, met interesse waar.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/683 |
(2004/C 88 E/0702)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0120/04
van Adriana Poli Bortone (UEN) aan de Commissie
(26 januari 2004)
Betreft: Dood van 20 Albanese burgers
Kort geleden is opnieuw een rubberboot die afkomstig was van Albanië vergaan, waarbij 20 Albanese burgers om het leven zijn gekomen.
Uit Italiaanse krantenberichten valt af te leiden dat de Albanese autoriteiten onder een hoedje zouden spelen met de mensensmokkelaars. Als dat waar is, zou dat de goede betrekkingen die Italië heeft met Albanië en die het steeds verder wil ontwikkelen, om bij te dragen tot het reële democratiseringsproces in Albanië, op het spel zetten.
Kan de Commissie mededelen of, en zo ja op welke wijze, zij opheldering zal verschaffen over dit tragisch voorval dat, in het gunstigste geval, heeft aangetoond dat er tekortkomingen zijn bij de controles op Albanees grondgebied en aan de kusten?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(25 februari 2004)
De Commissie betreurt het ongeluk van 9 januari 2004 waarbij meer dan 20 Albanezen die op onwettige wijze Italië trachtten te bereiken om het leven zijn gekomen in de Ionische Zee. Hoewel de Albanese regering herhaaldelijk heeft verzekerd dat het aantal speed- en rubberboten dat de oversteek naar Italië waagt aanmerkelijk is gedaald toont deze gebeurtenis toch aan dat een strengere controle door de Albanese autoriteiten absoluut noodzakelijk is. Dit was de niet mis te verstane boodschap van de Voorzitter van de Commissie aan premier Nano tijdens hun bijeenkomst van 20 januari 2004 in Brussel.
Uit een eerste onderzoek blijkt dat leden van de Albanese politie rechtstreeks bijdragen aan het vergemakkelijken van mensensmokkel. De Albanese autoriteiten reageerden in dit geval meteen: er volgden prompt aanhoudingen en andere maatregelen tegen organisatoren en deelnemers aan mensensmokkel. De Albanese autoriteiten moeten evenwel nog het bewijs leveren dat zij tot een grondiger aanpak in staat zijn en ervoor kunnen zorgen dat de betrokkenen gerechtelijk worden vervolgd. Zij moeten ook aantonen dat de reacties op deze tragedie de start betekenen van een ernstig en vastberaden optreden tegen georganiseerde misdaad en mensensmokkel.
De Commissie hecht het grootste belang aan toezicht op de vooruitgang die Albanië boekt op het gebied van justitie en binnenlandse zaken. De Commissie zal de gebeurtenissen in dit bijzondere geval en ook de algemene situatie in Albanië op de voet volgen om, eventueel, de nodige politieke druk uit te oefenen om Albanië te helpen bij de aanpak van deze ernstige problemen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/684 |
(2004/C 88 E/0703)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0137/04
van Jillian Evans (Verts/ALE) aan de Commissie
(26 januari 2004)
Betreft: Het geval van mevrouw Siham Qandah uit Jordanië
Is de Commissie op de hoogte van het geval van mevrouw Siham Qandah, een burgeres van Jordanië? Zij is christin en dreigt de voogdij over haar kinderen te verliezen omdat deze niet als islamieten worden opgevoed.
Toen mevrouw Qandah in 1994 weduwe werd, is haar meegedeeld dat zij niet in aanmerking kwam voor het pensioen van haar echtgenoot die in het leger had gediend omdat hij in 1991 (zonder haar medeweten) tot de Islam was overgegaan, hetgeen moest blijken uit documenten die duidelijk vervalst waren. De Jordaanse gerechtshoven hebben mevrouw Qandah blijkbaar gedreigd met gevangenisstraf en pogingen in het werk gestgeld om de voogdij over de kinderen over te dragen op haar broer die tot de Islam is overgegaan, en met wie zij nauwelijks contact heeft.
Welk beleid voert de Commissie in dergelijke gevallen van blijkbaar toegelaten overheidsinmenging, die in strijd is met het Internationale Verdrag over de Rechten van de Mens (artikel 18)?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(23 februari 2004)
De Commissie volgt nauwlettend de zaak van mevrouw Siham Qandah. De situatie van mevrouw Qandah is te zien in het licht van het meer omvattende probleem van de verenigbaarheid van de Shari'ah-wetgeving en de verdragen die betrekking hebben op de internationale mensenrechten die Jordanië heeft ondertekend maar niet volledig in nationale wetgeving heeft omgezet. De Commissie deelt de zorg van het geachte parlementslid dat de toepassing van de Shari'ah — wetgeving in Jordanië groot leed kan berokkenen in gemengde huwelijken waarbij de gezinsleden het christelijke en het mohammedaanse geloof belijden, en resultaten opleveren die met de genoemde verdragen onverenigbaar zijn.
Het zal het geachte parlementslid bekend zijn dat Jordanië ondertekenaar is van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De Commissie heeft Jordanië gewezen op de noodzaak zijn verbintenissen met betrekking tot de internationale overeenkomsten inzake mensenrechten daadwerkelijk ten uitvoer te leggen, en daaronder ook die welke de rechten van vrouwen en kinderen beschermen. De vraag van de bescherming van mensenrechten en met name die van vrouwen en kinderen wordt door de Commissie van het allerhoogste belang geacht. De Commissie zal het belang daarvan in haar toekomstige contacten met de autoriteiten van Jordanië blijven benadrukken.
In het kader van de associatieovereenkomst tussen de EU en Jordanië wordt tussen de beide partijen op het hoogste niveau een voortdurende politieke dialoog tot stand gebracht die onder meer gericht is op het verbeteren van de toestand der mensenrechten in Jordanië. Dit omvat samenwerking in welbepaalde kwesties die op mensenrechten betrekking hebben en omvat ook het streven naar verbetering van de toepassing van internationale verdragen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/685 |
(2004/C 88 E/0704)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0144/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(26 januari 2004)
Betreft: Cuba — delegatie van de Commissie
In zijn antwoord op mijn eerdere vraag P-2303/03 (1) schreef commissaris Nielson dat de Cubaanse regering op 14 april 2003 haar instemming had betuigd met de benoeming van het hoofd van de delegatie van de Commissie in Cuba.
Tot op de datum van dat antwoord was echter nog geen termijn vastgesteld voor de indiening van de geloofsbrieven van de betrokkene.
Kan de Commissie mij antwoorden op de volgende vragen:
— Zijn er inmiddels veranderingen opgetreden in deze situatie? Zo ja, is er al een datum bekend voor de indiening van de geloofsbrieven?
— Welke maatregelen zijn er genomen om de situatie te regulariseren?
— Hebben de Cubaanse autoriteiten een reden opgegeven voor deze vertraging?
— Hoe interpreteert de Commissie deze situatie en welk commentaar wenst de Commissie erover te verstrekken?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(20 februari 2004)
Voor het overhandigen van de geloofsbrieven is nog geen tijdstip vastgesteld, ondanks dat er reeds driemaal officiële aanwijzingen waren dat de ceremonie op korte termijn aanstaande was. Opmerkenswaard is dat het hoofd van de delegatie van de Commissie te Santo Domingo reeds voorkomt in de onlangs gepubliceerde „lijst van het op Cuba geaccrediteerde diplomatiek en consulair corps” van 2004 als „aangewezen” niet-residerend Hoofd van de delegatie van de Europese Gemeenschappen te Havana.
De zaakgelastigde van de Commissie te Havana heeft in de laatste maanden herhaaldelijk de autoriteiten om een datum voor de overhandiging van de geloofsbrieven verzocht. De laatste keer dat deze aangelegenheid officieel ter attentie van de autoriteiten werd gebracht, was op 24 november 2003 in een bijeenkomst met het Cubaanse ministerie van Buitenlandse Zaken. Bij de Cubaanse ambassades te Santo Domingo en te Brussel zijn soortgelijke demarches verricht.
Tot op heden is op het verzoek om een welbepaalde datum geen antwoord ontvangen.
De Commissie veronderstelt dat de Cubaanse autoriteiten de huidige stand van de bilaterale betrekkingen niet van dien aard vinden dat zij formalisering wensen van de accreditatie van het niet-residerende Hoofd van de delegatie van de Commissie te Havana. Er zij aan herinnerd dat met alle EU-missies op Cuba die dissidenten en politieke tegenstanders op hun respectieve nationale feestdagen hebben uitgenodigd, de diplomatieke contacten werden bevroren. Voor de receptie in Havana ter gelegenheid van Schumandag op 9 mei 2003 waren er Cubaanse dissidenten uitgenodigd.
(1) Zie blz. 76.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/686 |
(2004/C 88 E/0705)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0146/04
van José Ribeiro e Castro (UEN) aan de Commissie
(26 januari 2004)
Betreft: Venezuela — referendum
De Venezolaanse Grondwet voorziet in de mogelijkheid om een referendum te organiseren om staatshoofden tot aftreden te dwingen na minstens de helft van hun ambtstermijn. Elk verzoek tot het organiseren van een dergelijk referendum moet ondertekend zijn door ten minste 20 % van de 11 miljoen stemgerechtigde Venezolanen, d.w.z. ongeveer 2,6 miljoen.
Zoals bekend leverde de oppositie van Venezuela afgelopen augustus bij de Nationale Kiesraad in totaal 120 dozen af met ongeveer 3 miljoen handtekeningen met het oog op het organiseren van een referendum over een eventueel aftreden van president Hugo Chávez.
Volgens de media zou de overheid pas recentelijk met de verificatie van de ingezamelde handtekeningen zijn begonnen, hetgeen duidelijk bewijst dat krachten aan het werk zijn die de volledige democratisering van het land willen afremmen.
De oppositie stelt zich hierbij vragen over de geschiktheid van de Nationale Kiesraad, gelet op de voortdurende pogingen om de procedure op de lange baan te schuiven. Er zijn ook al protestmanifestaties voor de zetel van dit orgaan gemeld.
Kan de Commissie mij antwoorden op de volgende vragen:
|
— |
Beschikt zij over informatie in verband met deze feiten? |
|
— |
Heeft zij bij de Venezolaanse autoriteiten aangedrongen op waarborgen voor een vrij en correct verloop van de verificatie van de handtekeningen? |
|
— |
Is de Commissie bereid, afgezien van de verkiezingswaarnemers die zij wil sturen, maatregelen te nemen om, ingeval haar dit wordt voorgesteld of zij hierom wordt verzocht, de controle vooraf op de juistheid van de handtekeningen te begeleiden en te evalueren? Kan de aangekondigde verkenningsmissie zich met die taak bezighouden? Of denkt de Commissie dat het cumuleren van die functie met haar oorspronkelijke taak, namelijk na te gaan of het raadzaam, nuttig en haalbaar is dat de EU waarnemers stuurt, een negatief effect zou kunnen hebben op de actie van de verkenningsmissie? |
|
— |
Hoe evalueert de Commissie de politieke gebeurtenissen van de laatste maanden in Venezuela? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(2 maart 2004)
De Venezolaanse grondwet voorziet in de mogelijkheid van een referendum om verkozen functionarissen die de helft van hun ambtstermijn hebben bereikt, af te zetten. Deze mogelijkheid is tevens opgenomen in de overeenkomst die de regering en de oppositie op 29 mei 2003 hebben gesloten. De oppositie heeft daarom handtekeningen verzameld om een referendum aan te vragen voor het afzetten van president Chávez en 27 regeringsgezinde leden van de Nationale Vergadering. Aanhangers van de regering hebben handtekeningen verzameld voor een referendum tegen 37 leden van de Nationale Vergadering die tot de oppositie behoren.
De Nationale Kiesraad (CNE) controleert momenteel de handtekeningen die op 19 december 2003 door de oppositie zijn ingediend en de handtekeningen die eerder door regeringsaanhangers zijn aangeboden. Dit werk had op 13 februari 2004 moeten zijn voltooid, maar zal nu tot eind februari of begin maart 2004 duren. Is het aantal handtekeningen voldoende (meer dan 2,4 miljoen handtekeningen zijn vereist om de president af te zetten), dan moet de CNE binnen 97 dagen een referendum of referenda organiseren, dat wil zeggen eind mei 2004. Het verifiëren van de handtekeningen is daarom van het allergrootste belang. De CNE staat bij het uitvoeren van de verificatie onder grote druk, maar heeft sterke internationale steun gekregen, ook van de EU. Het werk gaat gestaag voort en ondervindt kleine problemen, hoewel de oppositie enkele leden van de CNE ervan heeft beschuldigd het werk opzettelijk te vertragen.
De Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) en het Carter Center zijn op verzoek van de regering waarnemers bij de verificatie van de handtekeningen, zulks om te garanderen dat het proces transparant verloopt en te laten zien dat het op eerlijke wijze wordt uitgevoerd. De OAS en het Carter Center waren in eerste instantie alleen uitgenodigd om twee van de zes stadia van de verificatie bij te wonen, maar op verzoek van de OAS is de uitnodiging uitgebreid tot alle stadia.
De Commissie steunt de OAS financieel bij de uitvoering van de overeenkomst van 29 mei 2003 met een bedrag van 600 000 EUR. De Commissie speelt echter geen enkele andere rol bij het proces, aangezien zij niet is uitgenodigd om als waarnemer op te treden bij het verzamelen van de handtekeningen of om het verificatieproces te ondersteunen.
De Commissie steunt de inspanningen die de CNE zich getroost om te voldoen aan zijn grondwettelijke taak om de handtekeningen te controleren en ziet geen reden om aan te nemen dat de CNE zijn verplichtingen niet zal vervullen. Het is van groot belang dat zowel de aanhangers van de regering als de oppositie zich er publiekelijk toe verbinden elk besluit te aanvaarden dat in overstemming is met de grondwet en de democratische beginselen. De EU heeft er bij beide partijen publiekelijk (in haar verklaring van 22 december 2003) op aangedrongen in deze zin te handelen. President Chávez en enkele oppositieleden hebben dit gedaan en zo bijgedragen tot het verminderen van mogelijke politieke spanningen.
Indien de CNE besluit dat er een referendum over het afzetten van de president moet worden gehouden, en de Venezolaanse autoriteiten de Europese Unie uitnodigen het referendum als waarnemer bij te wonen, zal de Commissie een verkenningsmissie inzake waarneming naar Venezuela uitzenden. Deze zal aanbevelingen doen inzake de wenselijkheid, het nut en de haalbaarheid van het zenden van een volwaardige EU-waarnemingsmissie, zulks overeenkomstig de praktijk die is neergelegd in de Mededeling van de Commissie over verkiezingsondersteuning en verkiezingswaarneming door de EU (1).
De Commissie is verheugd dat het verzamelen van de handtekeningen in een sfeer van tolerantie en zelfbeheersing heeft plaatsgevonden en hoopt dat deze geest van tolerantie ook zal heersen bij het verificatieproces en bij het aankondigen van de resultaten door de CNE.
(1) COM(2000)191 def.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/687 |
(2004/C 88 E/0706)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0148/04
van Cees Bremmer (PPE-DE) aan de Commissie
(26 januari 2004)
Betreft: Mensenrechten in Birma
Is de Commissie op de hoogte van de zeer ernstige mensenrechtenschendingen in Birma, waaraan de militaire junta zich sinds de laatste democratische verkiezingen in 1990 schuldig maakt? Het gaat hierbij om onderdrukking van diverse bevolkingsgroepen, hetgeen onder andere heeft geleid tot het probleem van de Birmese vluchtelingen in Noordoost-India (met name christenen van de Chin bevolkingsgroep) die vluchten voor de terreur van het Birmese leger, en tot het probleem van de Birmese Rohingya-Moslim-vluchtelingen in Bangladesh?
Deelt de Commissie de opvatting dat Birma ernstig tekort schiet in het nakomen van de verplichtingen die het lidmaatschap van de VN met zich meebrengt en dat de internationale gemeenschap, en de Europese Gemeenschap in het bijzonder, de taak heeft Birma hierop te wijzen?
Deelt de Commissie de opvatting dat de problematiek van de mensenrechten in Birma slechts kan worden opgelost wanneer, via een dialoog tussen de militaire junta, de democratische oppositie en de etnische groeperingen, een proces van democratisering op gang wordt gebracht?
Is de Commissie, gelet op het vorige punt, bereid een bijdrage te leveren aan de versterking van de — nog in een pril stadium verkerende — civil society? Bijvoorbeeld op het gebied van de gezondheidszorg, het onderwijs en het milieu, waar door gebrek aan financiële middelen en georganiseerde initiatieven de noden het grootst zijn?
Is de Commissie voorts bereid bij te dragen aan de oplossing van het vluchtelingenvraagstuk, door de Indiase autoriteiten te verzoeken de Birmese ontheemden in Noordoost-India niet verder onder druk te zetten en humanitaire hulp te faciliteren? Is de Commissie verder bereid tot het uitoefenen van druk op de autoriteiten van Bangladesh en de UNHCR, zodat de Birmese Rohingya-Moslim-vluchtelingen in de erkende officiële vluchtelingenkampen in Zuid-Bangladesh niet gedwongen worden terug te keren en zodat de niet-erkende Rohingya-Moslim-vluchtelingen enigerlei vorm van humanitaire hulp ontvangen?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(25 februari 2004)
De Commissie is zeer goed op de hoogte van berichten van beweerde vervolgingen van etnische minderheidsgroepen door het militaire bewind in Birma/Myanmar en heeft herhaaldelijk haar ernstige bezorgdheid ten overstaan van de Birmeese regering geuit over de toestand van de mensenrechten in het land, met name in gebieden met etnische minderheden.
De Commissie heeft altijd verklaard ervan overtuigd te zijn dat een duurzame oplossing voor de politieke situatie, een noodzaak voor de verbetering van de toestand van de mensenrechten in Birma, dient te berusten op een overeenkomst tussen de Nationale Raad voor Vrede en Ontwikkeling (SPDC), de democratisch verkozen „oppositie” en de etnische minderheden.
Overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake Birma/Myanmar blijft de niet-humanitaire hulp of de ontwikkelingsbijstand voor Birma geschorst. Uitzonderingen kunnen evenwel worden gemaakt voor programma's die in overleg met democratische groeperingen worden vastgesteld, op gebieden zoals basisonderwijs, volksgezondheid en verlichting van armoede met de betrokkenheid van deze groeperingen. Initiatieven ten bate van de mensenrechten en de democratie kunnen eveneens steun krijgen.
De humanitaire steun van de Commissie aan Birma/Myanmar, die ongeveer EUR 10 miljoen per jaar bedraagt, wordt thans voornamelijk besteed voor vluchtelingen, teruggekeerden en in eigen land ontheemden. De activiteiten omvatten voedselhulp, eerstelijnsgezondheidszorg en zorg betreffende het humane immunodeficiëntievirus/verworven immunodeficiëntiesyndroom (HIV/AIDS), watervoorziening en sanitatie. Alle humanitaire programma's worden door niet-gouvernementele organisaties (NGO's) of internationale organisaties tenuitvoergelegd.
Met betrekking tot de toestand van Birmeese vluchtelingen in Bangladesh en India zij gezegd dat de Commissie bij verschillende gelegenheden haar bezorgdheid terzake bij de overheden in India en Bangladesh kenbaar heeft gemaakt.
Daarenboven verstrekt de Commissie aanzienlijke financiële bijstand aan de Rohingya-bevolking, zowel in Bangladesh als in Rakhine in Birma. Deze bijstand geschiedt met de volledige medewerking van de Hogere Commissaris voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR). De Commissie zal op de toestand van de Rohyinga-vluchtelingen nauwkeurig blijven toezien om ervoor te zorgen dat er geen gedwongen repatriëringen plaatsvinden; zij is bereid zo nodig tot verdere actie over te gaan.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/688 |
(2004/C 88 E/0707)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0188/04
van Marco Cappato (Nl) aan de Commissie
(29 januari 2004)
Betreft: De zaak van twee Ivoriaanse burgers
Op 4 december 2003 werden Gbane Aboubacar en zijn broer Soule Ouattara meegenomen door een gewapend commando in de buurt van het cultureel centrum van Treichville in Ivoorkust terwijl ze in hun voertuig zaten, een grijze Peugeot 405 met nummerplaat 2532CE01.
Sindsdien zijn de pogingen van hun familie die in Koumassi woont om ze terug te vinden zonder gevolg gebleven. De onderzoeken in de commissariaten en de brigades van de rijkspolitie van de hoofdstad Abidjan hebben tot nu toe niets opgeleverd. De ouders van de slachtoffers en hun politieke partij, de democratische partij van Ivoorkust (PDCI RDA), zijn geschokt door deze nieuwe episode van geweld in hun land.
Beschikt de Commissie over informatie betreffende deze ontvoering die zich onder mysterieuze omstandigheden heeft voorgedaan?
Zou de Commissie overleg kunnen plegen met de Ivoriaanse autoriteiten zodat er binnen de kortst mogelijke tijd een positieve oplossing gevonden kan worden voor deze vrijheidsberoving?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(26 februari 2004)
De Commissie is op de hoogte van de zaak van de heer Gbane Aboubacar en zijn broer de heer Soule Quattara. Over hun ontvoering werd in verschillende kranten waaronder „le Nouveau Réveil” en „Le Libéral” bericht.
De partij waarvan de heer Aboubacar lid is, de PDCI-RDA, deed navraag in politiekantoren in de buurt en in de centrale gevangenis, het „Maison d'Arrêt et de Correction” in Abidjan, maar werd niet wijzer.
Het Comité van het Internationale Rode Kruis werd noch door de familie noch door de PDCI op de hoogte gebracht en wist dus van deze zaak niets af.
De „Ligue Ivoirienne des Droits de l'Homme” (LIDHO) vernam de zaak via de krant. De raad van deze liga besprak de kwestie op 26 januari 2004 maar besloot geen verder onderzoek in te stellen omdat noch de familie noch de PDCI de liga om hulp had verzocht.
De „Mouvement Ivoirien des Droits Humains” (MIDH) verzocht familieleden om nadere inlichtingen maar deze wensten geen verdere details te verstrekken en stelden voor om de PDCI te vragen. Ondertussen verhuisde de familie naar een onbekend adres.
De delegatie van de Commissie in Ivoorkust zal deze zaak bij de Regering ter sprake brengen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/689 |
(2004/C 88 E/0708)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0213/04
van Sir Robert Atkins (PPE-DE) aan de Commissie
(30 januari 2004)
Betreft: Overeenkomst inzake opheffing van tarieven voor farmaceutische producten (Nul voor nul)
De Overeenkomst inzake opheffing van tarieven voor farmaceutische producten is tijdens de Uruguay-Ronde vastgesteld door 22 (1) landen en op 1 januari 1995 van kracht geworden. Hierdoor zijn de tarieven op duizenden farmaceutische producten opgeheven, de overeenkomst bevat een toezegging dat de tariefmuren niet worden vervangen door niet-tarifaire belemmeringen, en hij omvat zelfs producten die afkomstig zijn uit staten die de Overeenkomst niet hebben ondertekend. Alle farmaceutische eindproducten (2) vallen automatisch onder de Overeenkomst; actieve bestanddelen en halffabrikaten (die worden gebruikt bij de vervaardiging van farmaceutische eindproducten) komen echter niet automatisch in aanmerking voor nultarieven en moeten officieel aan de lijst van in aanmerking komende producten worden toegevoegd.
Tijdens de Uruguay-Ronde hebben de landen die deze Overeenkomst hebben ondertekend zich verplicht de lijst van producten die onder deze Overeenkomst vallen ten minste om de drie jaar bij te werken, zodat nieuwe actieve bestanddelen en halffabrikaten die zijn ontwikkeld sinds de ondertekening van de Overeenkomst hierin kunnen worden opgenomen. De tweede bijwerking is in juli 1999 (3) van kracht geworden, hetgeen inhoudt dat de derde bijwerking (Bijwerking III) 18 maanden geleden haar beslag had moeten krijgen. Sinds de bijwerking van 1999 zijn duizenden nieuwe producten ontwikkeld die thans wachten op erkenning om voor het nultarief in aanmerking te komen.
Tegelijkertijd zouden de WTO-onderhandelaars kunnen overwegen de methode te vereenvoudigen opdat bijwerkingen in de toekomst niet langer noodzakelijk zijn en om meer WTO-landen aan te moedigen tot de Overeenkomst toe te treden. Dit initiatief zou deel vormen van de nieuwe handelsronde en het mag, hoewel het met instemming wordt begroet, geen belemmering of verdere vertraging inhouden voor de snelle vastlegging van de tijdens de Uruguay-Ronde toegezegde bijwerking die reeds ver over tijd is.
Kan de Commissie mededelen welk stadium de EG heeft bereikt in verband met de derde bijwerking van de Overeenkomst inzake opheffing van tarieven voor farmaceutische producten, die volgens het tijdens de Uruguay-Ronde vastgestelde tijdschema 18 maanden geleden haar beslag had moeten krijgen? Wanneer is het bijwerkingsproces naar verwachting afgerond?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(10 maart 2004)
De „Overeenkomst inzake opheffing van tarieven voor farmaceutische producten” is een niet-bindende overeenkomst tussen de belangrijkste farmaceutica producerende landen om hun geconsolideerde WTO-rechten voor bepaalde farmaceutische producten, inclusief actieve bestanddelen en halffabrikaten, tot nul te verlagen. Omdat voortdurend nieuwe farmaceutische producten worden ontwikkeld, voorziet de regeling in periodieke herzieningen van de lijst van deze producten. Hoewel de EU de twee vorige bijwerkingen heeft voorgesteld en er de drijvende kracht achter was, had elke deelnemer de derde herziening (bijwerking III), die in 2002 haar beslag had moeten krijgen, op gang kunnen brengen. Gezien het belang voor de farmaceutische industrie in de Europese Unie overweegt de Commissie momenteel om bijwerking III te starten.
Wat de vereenvoudiging van de bijwerkingsprocedures alsook de uitbreiding van de overeenkomst tot andere leden van de WTO betreft, zal de Commissie zeker dergelijke denksporen overwegen indien ze in het kader van de ontwikkelingsagenda van Doha in het belang zijn van de EU.
(1) Australië, Canada, Tsjechische Republiek, Europese Gemeenschappen, Japan, Noorwegen, Slowaakse Republiek, Zweden, Zwitserland, Verenigde Staten.
(2) In de Overeenkomst wordt verwezen naar producten die zijn gecategoriseerd in hoofdstuk 30 van het Geharmoniseerd Tariefstelsel (waarin alle farmaceutische eindproducten zijn opgenomen).
(3) Behalve in Japan, waar zij in juni 2000 van kracht werd.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/690 |
(2004/C 88 E/0709)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0216/04
van Marco Pannella (Nl) aan de Commissie
(30 januari 2004)
Betreft: Schending van de vrijheid van godsdienst in Vietnam
Volgens het door het Amerikaans ministerie van Buitenlandse Zaken opgesteld internationaal jaarverslag 2003 over de godsdienstvrijheid zijn in Vietnam de activiteiten van niet door de regering erkende godsdienstige groeperingen zwaar aan banden gelegd.
De communistische partij legde de hoogwaardigheidsbekleders en geestelijken van de godsdienstige groeperingen ernstige beperkingen op.
De Vietnamese regering ondernam met name de volgende acties:
|
1) |
ze maakte gebruik van wettelijke middelen om controle uit te oefenen op religieuze hoogwaardigheidsbekleders en georganiseerde religieuze activiteiten; |
|
2) |
ze onderdrukte de „Assemblies of God” door de volgelingen te dwingen hun baan op te geven, door hun kinderen de toegang tot de scholen te verbieden of door hun bezittingen in beslag te nemen; |
|
3) |
ze bleef bepaalde religieuze leiders isoleren door hun bewegingsvrijheid te beperken en hun volgelingen en familieleden onder druk te zetten; een duidelijk voorbeeld hiervan is Tchich Huyen Quang, opperpatriarch van de verenigde boeddhistische kerk van Vietnam, die van 1982 tot maart 2003 een vorm van huisarrest kreeg opgelegd; |
|
4) |
ze gebruikte eind december 2002 een schadelijk gas om de deelnemers van een protestantse hmongviering in de provincie Lau-Chau uiteen te drijven, wat ertoe leidde dat een zwangere vrouw een miskraam had en verschillende personen medisch moesten worden verzorgd. |
Mua Bua Senh en Vang Seo Gioa, hmong-protestanten, stierven in juli 2002 ten gevolge van geweldplegingen door de autoriteiten.
Bovendien werden gevallen genoteerd van personen die waren veroordeeld voor het „onwettig belijden van godsdienst”, krachtens artikel 258 van het strafwetboek (tot 3 jaar gevangenisstraf). Bepaalde maatregelen van de wet krachtens welke om godsdienstige redenen gevangen genomen personen worden berecht, houden een schending in van de internationale rechtsmiddelen, zoals de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.
Het Bureau voor religieuze zaken schendt de vrijheid van godsdienst door de regeringsambtenaren en de veiligheidsdiensten willekeurig gelovigen te laten vervolgen en oppakken.
Het personeel van de Amerikaanse ambassade waarschuwde de regeringsleden dat het gebrek aan vooruitgang op het vlak van godsdienstkwesties en mensenrechten een hinderpaal vormt voor volledige normalisatie van de bilaterale betrekkingen.
De Europese Commissie heeft er bij de Vietnamese regering op aangedrongen de eerbiediging van de politieke en religieuze vrijheid te consolideren, maar heeft daartoe geen enkele bijkomende maatregel getroffen en blijft vasthouden aan de methode van „follow-up”, waardoor zij een ander standpunt inneemt dan de Verenigde Staten.
Kan de Commissie, in het licht van het bovengenoemde, de volgende vragen beantwoorden?
|
— |
Heeft zij, na de gezamenlijke verklaring van de Commissie en de lidstaten op de vergadering van de adviesgroep in december 2002 te Hanoi, maatregelen genomen met betrekking tot de eerbiediging van de politieke en religieuze vrijheid, alsook van de toekomstige economische en sociale vrijheid? |
|
— |
Heeft de Commissie maatregelen overwogen of getroffen om een eind te maken aan de schending en beknotting van de godsdienstvrijheid van concrete personen als Tchich Huyen Quang, Tchich Quang Do of priester Nguyen Van Ly? |
|
— |
Indien de Vietnamese regering niets onderneemt om de situatie te verbeteren, overweegt de Commissie dan om hetzelfde standpunt als de Verenigde Staten in te nemen en Vietnam als een land, dat nauwlettend in de gaten moet worden gehouden, te beschouwen, overeenkomstig de internationale wet op godsdienstvrijheid? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(25 februari 2004)
In het kader van de dialoog over de mensenrechten met de Vietnamese autoriteiten en in andere omstandigheden zoals de missies van de Europese Troika naar de Centrale Hooglanden — waarvan de laatste in december 2003 heeft plaatsgevonden — heeft de EU steevast de ernstige beperkingen van de godsdienstvrijheid in Vietnam ter sprake gebracht. De EU heeft meer bepaald haar bezorgdheid geuit over de situatie van de protestantse gemeenschappen in de Centrale Hooglanden en over de maatregelen die tegen de Verenigde Boeddhistische Kerk van Vietnam. De EU heeft om de vrijlating verzocht van aangehouden protestantse dominees en gelovigen, leiders en monniken van de Verenigde Boeddhistische Kerk van Vietnam en heeft de Vietnamese regering aangespoord de dialoog met de Verenigde Boeddhistische Kerk van Vietnam te hervatten.
De EU heeft ook om de vrijlating verzocht van andere gevangenen waarover zij bezorgd is en die werden aangehouden omdat ze op vreedzame wijze uitdrukking hadden gegeven aan hun persoonlijke overtuiging, hetgeen strijdig is met de internationale rechtsinstrumenten waarbij Vietnam partij is. De EU heeft haar bezorgdheid tot uiting gebracht over de vaagheid en de willekeurige toepassing van sommige Vietnamese wetten en om hun herziening verzocht; dit geldt onder meer voor een aantal bepalingen van het strafwetboek zoals die waarnaar het geachte parlementslid verwijst alsmede voor decreet nr. CP/31 dat het mogelijk maakt burgers zonder tussenkomst van een rechter tot twee jaar onder huisarrest te plaatsen. In verband met dat decreet heeft de EU Vietnam voorgesteld deskundigen van de VN-werkgroep Willekeurige Detentie uit te nodigen.
De EU heeft op de Vietnamese regering druk uitgeoefend met het oog op een grotere transparantie in kwesties die verband houden met mensenrechten en heeft hierbij verwezen naar de schade die het internationale imago van Vietnam door het huidige gebrek aan openheid lijdt. In dit opzicht heeft de EU Vietnam om onbeperkte toegang tot het land en tot de Centrale Hooglanden verzocht voor controlemissies van VN-rapporteurs inzake mensenrechten, met name de Speciale VN-rapporteur inzake Godsdienstvrijheid en de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen (UNHCR) en gereputeerde niet-gouvernementele organisaties (NGO's) inzake mensenrechten. Zij heeft de Vietnamese regering ook verzocht diplomaten van de lidstaten van de EU toe te staan gevangenen te bezoeken en aanwezig te zijn bij processen van dissidenten.
De EU zal verder iedere gelegenheid en onder meer vergaderingen van Adviesgroepen te baat nemen om Vietnam te verzoeken de situatie op het gebied van de mensenrechten te verbeteren en het land in de vorm van samenwerkingsprogramma's steun aanbieden die ter plaatse concrete wijzigingen moeten bewerkstelligen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/692 |
(2004/C 88 E/0710)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0218/04
van Eija-Riitta Korhola (PPE-DE) aan de Commissie
(30 januari 2004)
Betreft: Praktische maatregelen in het kader van het Tsjetsjenië-beleid van de Europese Unie
De Europese Unie vestigt in de dialoog met Rusland vaak en zeer consequent de aandacht op de kwestie Tsjetsjenië, maar tot een veroordeling van mensenrechtenschendingen buiten deze dialoog is het nog niet gekomen.
De mensenrechtenorganisatie Memorial heeft erop gewezen dat het onderzoek naar ernstige mensenrechtenschendingen in Tsjetsjenië veel tekortkomingen kent. Memorial beschikt over informatie over tenminste 2 800„verdwijningen”. Er wordt echter voor zover bekend naar slechts 47 gevallen gerechtelijk onderzoek verricht. De organisatie kent slechts drie of vier gevallen waarin soldaten tot lange straffen zijn veroordeeld.
Over welke mogelijkheden beschikt de Europese Unie om meer druk uit te oefenen op de Russische autoriteiten om ze te overreden de media en leden van de Duma die kritiek uitoefenen op het tot nu toe gevoerde Tsjetsjenië-beleid meer ruimte te geven?
Leidt de afhankelijkheid van de Gemeenschap van energie uit Rusland ertoe dat de EU het zich niet kan veroorloven om op het gebied van het buitenlands beleid de gebruikelijke diplomatieke beleefdheid achterwege te laten?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(5 maart 2004)
Helaas zijn er nog geen tekenen van „normalisatie” van het huidige conflict in Tsjetsjenië. Er komen inderdaad verontrustende meldingen binnen over voortdurende schendingen van de mensenrechten, en de veiligheidssituatie is alleen maar verslechterd in het gebied dat zich sinds het constitutionele referendum in maart 2003 uitstrekt tot ten noorden van de Kaukasus.
De Commissie is van mening dat herstel van de rechtsstaat en het respect voor de mensenrechten (inclusief persvrijheid) in Tsjetsjenië van cruciaal belang is voor het vinden van een duurzame oplossing voor het conflict. Eén van de specifieke kwesties die de Commissie bij de Russische autoriteiten aan de orde heeft gebracht, is het recht van toegang tot Tsjetsjenië. De Commissie heeft dit in het bijzonder gedaan voor niet-gouvernementele organisaties (NGO's) die betrokken zijn bij de humanitaire hulpverlening, maar de Commissie is ook bezorgd over het feit dat het voor journalisten steeds moeilijker, zo niet onmogelijk is geworden om naar de republiek te reizen om verslag te doen van de situatie ter plaatse.
De Commissie is op de hoogte van het gebrek aan verslaggeving in Rusland over de situatie in Tsjetsjenië. Naast het feit dat de Russische media steeds meer beperkingen worden opgelegd, waaronder in 2003 de sluiting van TVS, het laatste nationale particuliere televisiekanaal, hebben tal van Russische journalisten gemerkt dat de Russische media opzettelijk alle kritiek op het Russische beleid in Tsjetsjenië afzwakken, uit angst voor represailles van de autoriteiten.
Onder deze omstandigheden vindt de Commissie dat het van essentieel belang is een open en eerlijke dialoog in stand te houden, om te onderstrepen dat Rusland, als lid van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en de Raad van Europa, bepaalde waarden dient te respecteren, waaronder respect voor de mensenrechten en de persvrijheid. Zoals uiteengezet in haar recente mededeling aan de Raad en het Parlement inzake de betrekkingen met Rusland, is de Commissie van mening dat de EU de ontwikkelingen in Rusland kan beïnvloeden als zij bereid is moeilijke kwesties op een heldere en oprechte manier bij de Russische autoriteiten ter sprake te brengen. Voorgesteld wordt dat de EU in haar geheel bevestigt dat de gemeenschappelijke Europese waarden de basis blijven voor verdieping van de betrekkingen, en dat de EU en haar lidstaten krachtig en gezamenlijk hun bezorgdheid uitspreken over de mensenrechtenschendingen.
De resolute houding van de Commissie op het gebied van de mensenrechtensituatie in Rusland wordt op geen enkele manier beperkt door haar betrekkingen met Rusland op het gebied van economie of energie.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/693 |
(2004/C 88 E/0711)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0221/04
van Maurizio Turco (Nl) aan de Commissie
(30 januari 2004)
Betreft: Onderzoek van het parket van Milaan naar de accountantsbedrijven Grant Thornton en Deloitte in verband met het schandaal rond Parmalat
In verband met het schandaal rond Parmalat stelt het parket van Milaan een onderzoek in naar de accountantsbedrijven Grant Thornton en Deloitte. Volgens het parket is er sprake van een inbreuk op wet nr. 231 inzake de rechtspersoonlijkheid, die voortvloeit uit een richtlijn van de Europese Gemeenschap. Op 31 december 2003 zijn twee accountants van Thornton aangehouden, vervolgens is een onderzoek ingesteld naar twee accountants van Deloitte & Touche op beschuldiging van beursspel, vervalste controle van de boekhouding, het verstrekken van vervalste bedrijfsgegevens en ernstige fraude.
Is de Commissie op de hoogte van deze feiten?
Is de Commissie, indien de bedrijven Grant Thornton en/of Deloitte banden met de Commissie hebben, voornemens contact op te nemen met het parket van Milaan om de redenen van de onderzoeken te achterhalen, alsmede de aard van eventuele inbreuken op de wet en de betrokkenheid van de bedrijven, mede om eventuele inbreuken ten koste van de communautaire instellingen te voorkomen?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(11 maart 2004)
De Commissie volgt de ontwikkelingen rond het faillissement van Parmalat op de voet. Maar aangezien het gerechtelijk onderzoek nog steeds loopt, is het te vroeg om definitieve conclusies te trekken uit deze zeer ingewikkelde zaak.
De Commissie zal toezicht blijven houden op de auditwerkzaamheden die Grant Thornton en Deloitte moeten uitvoeren met betrekking tot specifieke door de Commissie gefinancierde projecten, opdat deze werkzaamheden aan de hoogste eisen voldoen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/693 |
(2004/C 88 E/0712)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0248/04
van Glenys Kinnock (PSE) aan de Commissie
(3 februari 2004)
Betreft: Roma-kinderen in Bulgarije
Is de Commissie ervan op de hoogte dat een zeer groot aantal kinderen die Bulgarije verlaten naar het buitenland gezonde kleine kinderen zijn met tenminste één opspoorbare ouder en dat 90 % van het totale aantal tot etnische minderheden behoort? Bovendien is 65 % van de kinderen in de instellingen van Roma-afkomst.
De partnerschapsovereenkomst inzake de toetreding tot de EU van 2003 bepaalt dat Bulgarije moet „verzekeren dat het systeem voor jeugdzorg hervormd wordt zodat het aantal kinderen in instellingen aanzienlijk verminderd wordt, met name door de ontwikkeling van alternatieve maatschappelijke hulpverlening voor kinderen en gezinnen”.
Kan de Commissie specifieke gegevens verstrekken over de wijze waarop het toetredingsproces van Bulgarije helpt om te waarborgen dat er steun zal worden gegeven, in het bijzonder aan de Roma-kinderen en hun families, en welke stappen stelt de Commissie voor als er geen aantoonbare verbeteringen in de situatie worden geconstateerd tijdens de periode vóór de toetreding in 2007?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(1 maart 2004)
De Commissie is bekend met de informatie die het geachte parlementslid geeft over het hoge percentage Roma-kinderen in een aantal instellingen. De Commissie is tevens bekend met de situatie wat internationale adoptie in Bulgarije betreft.
In het Periodiek Verslag voor 2003 over de vorderingen van Bulgarije op de weg naar toetreding beschrijft de Commissie de situatie en de problemen met betrekking tot kinderzorg en de Roma-minderheid. De Commissie volgt nauwlettend de vorderingen die op deze gebieden worden gemaakt en pleegt met de Bulgaarse autoriteiten regelmatig overleg hierover. De Bulgaarse autoriteiten hebben maatregelen genomen om het grote aantal kinderen in instellingen te verminderen. De wetgeving inzake kinderbescherming en het antidiscriminatiebeleid zijn aangepast. Het is nu zaak te zorgen voor volledige tenuitvoerlegging van deze nieuwe wetgeving en uitvoering van het recentelijk goedgekeurde actieplan om het aantal kinderen in instellingen terug te dringen. Een nieuw actieplan voor de uitvoering van het „Kaderprogramma voor de volwaardige integratie van Roma in de Bulgaarse samenleving” biedt verder specifieke begrotingssteun voor maatregelen als verbetering van toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs aan Roma-kinderen en sociale bescherming van Roma-gezinnen. De Commissie benadrukt dat vastberaden, aanhoudende inspanningen nodig zijn om de wijdverbreide sociale achterstelling van de Roma-gemeenschap te bestrijden.
De Commissie heeft gewezen op de noodzaak van verbetering van de bepalingen betreffende adoptie, met inbegrip van internationale adoptie. Door wijziging van de gezinswet is in 2003 een duidelijker stelsel tot stand gekomen. Er zijn echter nog verdere inspanningen nodig om te bewerkstelligen dat internationale adoptie een laatste redmiddel blijft, dat alleen wordt toegepast indien de belangen van het kind daarom vragen.
De Commissie heeft de inspanningen van Bulgarije op dit terrein gesteund met pretoetredingsfinanciering in het kader van het Phare-programma. Op het gebied van het welzijn van kinderen is bijstand verleend ter verbetering van het beleid en de zorg voor sociaal gemarginaliseerde kinderen, waaronder een aanzienlijk aantal Roma-kinderen. Zij heeft steun verleend en opleiding verstrekt aan het Staatsbureau voor kinderbescherming, de nieuwe Bulgaarse instantie die belast is met het toezicht op de hervorming van de kinderzorg, alsmede aan de plaatselijke afdelingen voor kinderbescherming. Zij streeft er ook naar de Bulgaarse regering te helpen bij het opzetten van alternatieve vormen van kinderzorg en bij het hervormen van het management en de zorg voor kinderen in een aantal tehuizen. Er worden ook projecten uitgevoerd om de sociale dienstverlening aan gehandicapten te verbeteren, de scholingsgraad van Roma-kinderen te verbeteren en de sociale integratie van kwetsbare groepen te versterken.
Andere relevante pretoetredingssteun ten behoeve van Roma-kinderen en hun gezinnen zal worden verleend in het kader van de meerjarenprogrammering voor de periode 2004-2006, waarover met de Bulgaarse autoriteiten besprekingen gaande zijn.
De Commissie blijft de eerbiediging van de mensenrechten en vrijheden in Bulgarije nauwgezet volgen, ook wat de Roma-gemeenschap en de kinderzorg betreft.
De beoordeling van de vorderingen die Bulgarije maakt in de richting van de toetreding en de toetredingsonderhandelingen wordt op dezelfde basis en volgens dezelfde beginselen voortgezet als voor de tien toetredende landen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/694 |
(2004/C 88 E/0713)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0312/04
van Elspeth Attwooll (ELDR) aan de Commissie
(2 februari 2004)
Betreft: Ontwikkelingshulp
Welk bedrag is op de begroting in het totaal voor ontwikkelingshulp opgenomen, in cijfers en als percentage van het bruto nationaal product (BNP)? Kan de Commissie vergelijkbare cijfers noemen voor de Verenigde Staten?
Hoe hoog is de totale bijdrage van de Unie aan ontwikkelingshulp, de begrotingen van de lidstaten en van de Unie bij elkaar opgeteld, in cijfers en als percentage van het Europese BNP?
Hoe hoog is het Britse budget voor ontwikkelingshulp als percentage van het BNP, in vergelijking met dat van de andere veertien lidstaten en de tien toetredende lidstaten?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(10 maart 2004)
In 2002 beliep de totale bijdrage van de EU aan ontwikkelingshulp 29 949 miljoen dollar, ofwel 0,365 % van het bruto nationaal product (BNP). De totale bijdrage van de Verenigde Staten aan officiële hulp beliep 13 290 miljoen dollar, ofwel 0,13 % van het BNP. Deze twee percentages liggen onderscheidenlijk boven en onder het gemiddelde van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling/Directoraat Ontwikkelingssamenwerking (OESO/DOS) dat (tegen een wisselkoers van EUR/USD 1,28) op 0,23 % van het BNP ligt.
De door de Europese Commissie beheerde begroting omvatte in 2002 EUR 6 962 miljoen, door de lidstaten in hun statistieken opgenomen op basis van hun verdeelsleutels voor de begroting en het Europees Ontwikkelingsfonds.
De ranglijst van de lidstaten in % van hun BNP was voor 2002:
|
1. |
Denemarken 0,96 % |
|
2. |
Zweden 0,83 % |
|
3. |
Nederland 0,81 % |
|
4. |
Luxemburg 0,77 % |
|
5. |
België 0,43 % |
|
6. |
Ierland 0,40 % |
|
7. |
Frankrijk 0,38 % |
|
8. |
Finland 0,35 % |
|
9. |
Verenigd Koninkrijk 0,31 % |
|
10. |
Duitsland 0,27 % |
|
11. |
Portugal 0,27 % |
|
12. |
Oostenrijk 0,26 % |
|
13. |
Spanje 0,26 % |
|
14. |
Griekenland 0,21 % |
|
15. |
Italië 0,20 % |
De tien toetredende landen hebben tezamen een gemiddeld percentage aan officiële ontwikkelingsbijstand (ODA)/BNP van ongeveer 0,03 % van hun BNP.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/695 |
(2004/C 88 E/0714)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0401/04
van Concepció Ferrer (PPE-DE) aan de Commissie
(16 februari 2004)
Betreft: Wateroverheveling uit de Ebro-rivier
Uit recente berichten valt op te maken dat Brussel heeft vastgesteld dat Spanje de richtlijn volgens welke de milieugevolgen van bepaalde projecten moeten worden geanalyseerd alvorens een project wordt goedgekeurd en volgens welke hierover eerst advies moet worden ingewonnen, niet correct heeft toegepast. De Commissie heeft een klacht hierover ingediend bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap en zich hierbij geconcentreerd op het project van wateroverheveling uit Ebro in het kader van het Spaans nationaal waterbeheersplan. Kan de Commissie aangeven in hoeverre de niet-naleving van de Spaanse overheid gevolgen kan hebben voor de verdere uitwerking van het nationaal waterbeheersplan, nu bronnen rond het Spaanse Ministerie van Milieu hebben verklaard dat „zelfs als zou het Europese Hof van Justitie besluiten dat wij dit aspect van de wet moeten aanpassen, een en ander geen gevolgen zou hebben voor de reeds genomen besluiten”?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(23 maart 2004)
Zoals door het geachte parlementslid wordt gezegd, heeft de Commissie onlangs besloten bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen tegen Spanje beroep wegens verzuim in te stellen, uit hoofde van artikel 226 van het EG-Verdrag, wegens incorrecte omzetting in de Spaanse rechtsorde van enkele bepalingen van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (1), zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (2).
Wel moet erop worden gewezen dat dit besluit is genomen in het kader van een inbreukprocedure die door de Commissie is ingeleid om de overeenstemming van de Spaanse wetgeving tot omzetting van Richtlijn 97/11/EG te onderzoeken. Het betreft een algemene procedure die niets te maken heeft met specifieke gevallen, zoals het door het geachte parlementslid aangehaalde geval. De punten van bezwaar in dit besluit hebben betrekking op de niet-naleving van de bij Richtlijn 97/11/EG vastgestelde overgangsregeling, alsook de niet-naleving van de uit de artikelen 3 en 9 van de richtlijn voortvloeiende verplichtingen, aangezien zij niet duidelijk in het Spaanse recht zijn opgenomen.
Dat deze inbreukprocedure is ingeleid betekent niet dat de milieu-effectrichtlijn altijd incorrect wordt toegepast in Spanje. De eventuele gevolgen voor specifieke projecten zullen geval per geval volgens de procedure moeten worden onderzocht.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/696 |
(2004/C 88 E/0715)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0409/04
van Carlos Coelho (PPE-DE) aan de Commissie
(6 februari 2004)
Betreft: Rechten i.v.m. het Europese burgerschap
In het Verdrag van Amsterdam wordt de definitie van het concept „Europees burgerschap” aangevuld. Zo vervangt het Europees burgerschap niet het nationaal burgerschap, maar vult zij deze aan. Daarnaast consolideert het Verdrag de rechten die verband houden met het Europees burgerschap.
Vervolgens zijn met de officiële afkondiging van het Handvest van de grondrechten in 2000 (in Nice) in een enkele tekst alle individuele, burger- en politieke rechten neergelegd, alsmede de economische en sociale rechten die voor de Europese burger gewaarborgd zijn.
Onder deze rechten valt o.m. het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen van het EP of bij gemeenteraadsverkiezingen in de EU-landen waar men verblijft.
Ik was dan ook zeer verbaasd toen ik via een brief van de heer Jason Azzopardi, internationaal secretaris van de Nationalistische Partij van Malta, op de hoogte werd gesteld van een ernstige schending van de rechten van honderden Maltese burgers. Zij mogen bij de volgende verkiezingen van het Europees Parlement in juni namelijk hun stem niet uitbrengen omdat zij vanwege hun beroep, opleiding of studie tijdelijk buiten Malta hebben verbleven.
Is de Commissie op de hoogte van deze situatie? Welk standpunt neemt zij in met betrekking tot deze situatie die een duidelijke schending vormt van een recht dat voor iedere Europese burger erkend wordt?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(15 maart 2004)
De Commissie verwijst het geachte parlementslid naar haar antwoord op schriftelijke vraag E-0118/04 van mevrouw Frassoni en de heer Cohn-Bendit (1).
(1) Zie blz. 682.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/697 |
(2004/C 88 E/0716)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0427/04
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(17 februari 2004)
Betreft: Staatsburgers die in een andere lidstaat wonen
Kan de Europese Commissie aangeven hoeveel staatsburgers van elke lidstaat er in elk van de andere lidstaten wonen voor elk van de laatste 10 jaar waarvoor er cijfers beschikbaar zijn?
Kan ze ook het aantal staatsburgers van landen buiten de Europese Unie in elke lidstaat aangeven voor elk van de laatste 10 jaar, en zo mogelijk afzonderlijk het aantal Amerikaanse staatsburgers?
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(16 maart 2004)
In de tabellen die rechtstreeks naar het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement worden gestuurd, is voor elke lidstaat aangegeven hoeveel burgers uit een andere lidstaat er woonden in de jaren 1994 tot en met 2003. Voorzover mogelijk is ook aangegeven uit welke lidstaat deze burgers afkomstig waren, hoeveel burgers van landen buiten de EU er in totaal woonden en hoeveel Amerikaanse burgers er woonden. Om de gegevens zo volledig mogelijk te maken, bevat de tabel voor 1994 ook cijfers voor Oostenrijk, Finland en Zweden, hoewel deze landen toen nog geen deel uitmaakten van de EU.
De cijfers in deze tabellen zijn gebaseerd op de gegevens waarover Eurostaat momenteel beschikt. Deze gegevens worden door de nationale bureaus voor de statistiek aan Eurostat geleverd in het kader van de jaarlijkse vraag naar gegevens over migratiestromen en aantallen migranten.
Om onderstaande redenen kunnen deze vragen slechts gedeeltelijk worden beantwoord. Er zijn niet voor alle lidstaten en alle jaren statistieken over de niet-nationale bevolking beschikbaar en als ze wel beschikbaar zijn, moeten ze met de nodige omzichtigheid worden geïnterpreteerd. In Europa worden immers verschillende gegevensbronnen en definities van „verblijf” gebruikt en dit kan de vergelijkbaarheid van de statistieken van de lidstaten bemoeilijken.
De tabel voor 2001 is de volledigste. De volkstellingen van 2001 bevatten aanvullende gegevens die niet elders beschikbaar zijn of die kunnen worden gebruikt om de cijfers uit andere gegevensbronnen te controleren. De statistieken over de niet-nationale bevolking in Luxemburg en Oostenrijk zijn gebaseerd op deze volkstelling en zijn dan ook alleen beschikbaar voor 2001. Voor Frankrijk zijn deze statistieken dan weer alleen beschikbaar voor 1999, het jaar van de laatste volkstelling.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/698 |
(2004/C 88 E/0717)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0496/04
van María Sornosa Martínez (PSE) en María Valenciano Martínez-Orozco (PSE) aan de Commissie
(23 februari 2004)
Betreft: Onderzoek naar studiebeurzen van het Spaanse Ministerie van Arbeid
De Commissie heeft in haar antwoord op vraag E-2188/03 (1) van deze afgevaardigden in verband met eventuele discriminatie van zwangere vrouwen door het Spaanse Ministerie van Arbeid bij het toekennen van beurzen erkend dat er mogelijk sprake is van overtreding van het communautair recht voor gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Zij heeft toegezegd de zaak in onderzoek te zullen nemen.
Kan de Commissie meedelen hoe het staat met dit onderzoek alsook op welke termijn de Spaanse autoriteiten op dit verzoek hebben gereageerd als zij dit al gedaan hebben?
Aanvullend antwoord van de heer Dimas namens de Commissie
(29 juni 2004)
In de schriftelijke vragen E-2188/03 en E-0496/04 hebben de geachte parlementsleden gevraagd of de Commissie van mening is dat het reglement voor de toekenning van beurzen van het Instituut voor de vrouw in overeenstemming is met Richtlijn 92/85/EEG (2).
Zoals reeds aangegeven, heeft de Commissie over deze kwestie contact opgenomen met de Spaanse autoriteiten. De Spaanse autoriteiten hebben te kennen gegeven dat artikel 12 van ministerieel besluit nr. 939/2003 inzake de procedure voor de toekenning van beurzen voor opleiding in het Instituut voor de vrouw voor 2003 voorziet in de mogelijkheid van het opschorten en daarna opnieuw opnemen van de beurs bij moederschap, adoptie of permanente verzorging van een kind. Bij wet nr. 39/1999 van 5 november inzake de combinatie van werk en gezin wordt dit recht ook uitgebreid tot vaders die een beurs ontvangen. De ontvanger van een beurs die gebruik maakt van de mogelijkheid om de beurs overeenkomstig deze bepaling op te schorten, kan naar de opleiding terugkeren en de volledige opleidingscursus voltooien na de periode gedurende welke de beurs wordt opgeschort.
De Spaanse autoriteiten wijzen erop dat de ontvangers van een beurs geen werknemers zijn die onder het arbeidsreglement of enige andere arbeidswetgeving vallen, aangezien de beurs niet als loon kan worden beschouwd en de verhouding tussen de ontvanger van de beurs en de toekennende organisatie niet kan worden beschouwd als een verhouding tussen een werkgever en een werknemer. In dit verband bepaalt artikel 7.2 van het ministerieel besluit dat overeenkomstig de wet de toekenning en de ontvangst van een beurs geen arbeids- of statutaire verhouding tussen de ontvanger van de beurs en het Instituut voor de vrouw creëert.
Richtlijn 92/85/EEG voorziet in een minimumbescherming, waaronder een recht op 14 opeenvolgende weken moederschapsverlof voor drie categorieën werkneemsters, namelijk zwangere werkneemsters, werkneemsters na de bevalling en werkneemsters tijdens de lactatie. Aangezien de ontvangers van de opleidingsbeurzen van het Spaanse Instituut voor de vrouw eerder stagiaires dan werknemers zijn, vallen zij niet onder de werkingssfeer van Richtlijn 92/85/EEG.
Bovendien bestaat er geen discriminatie op grond van geslacht, aangezien zowel vrouwen als mannen gebruik kunnen maken van de mogelijkheid tot opschorting van de beurs.
(1) PB C 33 E van 6.2.2004, blz. 232.
(2) Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie (tiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG), PB L 348 van 28.11.1992.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/699 |
(2004/C 88 E/0718)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0526/04
van Matti Wuori (Verts/ALE) aan de Commissie
(24 februari 2004)
Betreft: Uitbreiding van de haven van Arinaga (Gran Canaria, Spanje)
De havenautoriteiten van Las Palmas op Gran Canaria hebben het basisplan gepubliceerd (Boletín oficial de Canarias van 14 november 2003) voor de uitbreiding van de haven van Arinaga, die valt onder de gemeenten Agüimes en Santa Lucía. De toekomstige kade, die 2,2 km kustlijn zal beslaan, wordt aangelegd voor het lossen en laden van passagiers en goederen zoals gas en olie. De nadelen van de bouwwerkzaamheden voor de uitbreiding van de haven van Arinaga zijn veel groter dan de betwistbare sociaal-economische voordelen. Daarnaast zijn er de gevolgen voor de bedrijvenstructuur in de haven van La Luz en van Las Palmas tengevolge van de omleiding van een deel van het container- en scheepsverkeer naar de haven van Arinaga. Het project zal ernstige gevolgen hebben voor het ecosysteem van zeer productieve kustgebieden en voor de sebadales, door de inkrimping van de voortplantings- en teeltgebieden van voor de vissers van Agüimes (19 284 inwoners) en Santa Lucía (40 011 inwoners) belangrijke vissoorten. Bovendien heeft een en ander gevolgen voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het groene toerisme in het gebied. De milieueffectrapportage van het project is niet uitgevoerd met de vereiste methodologische striktheid en deskundigheid, zodat vele beweringen niet wetenschappelijk zijn verantwoord (zoals: de alternatieven voor deze haven, het feit dat er geen gevolgen zouden zijn voor de sedimentaire dynamiek van de kust, er zouden geen gevolgen zijn voor het Playa del Inglés en het Playa de Maspalomas; geen gevolgen voor de natuurlijke golfslag en wind zoals die zich voordoen in Pozo Izquierdo, de belangrijkste plaats in Europa voor de beoefening van de windsurfsport; afwezigheid ook van gegevens over de gevolgen voor een deel van het gebied van communautair belang het „Playa del Cabron” en voor de sebadales van de baai van Arinaga; het ontbreken van een kwantificering van de populatie beschermde soorten en van het belang van het gebied in de insulaire context; het werkelijke belang van het project voor de bevolking van de aangrenzende gemeenten; het verlies van mogelijkheden voor de recreatie en van de exploitatie van de rijkdommen van de zee.
Is de Commissie bereid te eisen dat alternatieve projecten worden bestudeerd die geen negatieve gevolgen inhouden voor de betrokken gebieden van communautair belang en IBA-gebieden (Important Bird Areas) en tevens geen obstakel zijn voor de ontwikkeling van duurzame activiteiten in het gebied (gebieden voor beoefening van de watersport: vissen, schelpenvissen, zwemmen en recreatie)?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/699 |
(2004/C 88 E/0719)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0527/04
van Matti Wuori (Verts/ALE) aan de Commissie
(24 februari 2004)
Betreft: Uitbreiding van de haven van Arinaga (Gran Canaria, Spanje)
De havenautoriteiten van Las Palmas op Gran Canaria hebben het basisproject gepresenteerd voor de uitbreiding van de haven van Arinaga, vallend onder de gemeenten Agüimes en Santa Lucía (Boletin Oficial de Canarias van 14 november 2003). De milieueffectrapportage van het project vertoont talloze in een dergelijke studie moeilijk te rechtvaardigen lacunes: o.a. het ontbreken van de eventuele negatieve gevolgen voor de toeristische stranden van het zuiden van het eiland na de declassering van een deel van het natuurgebied La Isleta en de uitbreiding van de haven van Las Palmas (niets rechtvaardigt de aanleg van een nieuw haven- en handelsgebied, en evenmin is er behoefte aan een haven van die omvang voor het lossen van gas); de lengte van de sebadales die er gevolgen van zullen ondervinden is groter dan de lengte van de sebalades die zijn opgenomen in bovengenoemd gebied van communautair belang; er wordt niet voldaan aan de voorwaarden van de effectbeoordeling van de eerste fase; de ernstige schade die is aangebracht door de bouwwerkzaamheden gedurende de eerste fase in de sebadales van het genoemde mariene gebied van communautair belang, waar bagger- en andere werkzaamheden zijn verricht, terwijl geen rekening is gehouden met de milieueffectbeoordeling noch met de voorgeschreven administratieve toestemming om gecatalogiseerde soorten te schaden; het bestaan van alternatieve havens of gebieden met minder gevolgen voor het milieu, en dus waarvoor milieutechnisch gezien een lagere prijs zou moeten worden betaald; Het project in kwestie zou de verwoesting tot gevolg hebben van een groot deel van het IBA (Important Bird Area) 351, een gebied van groot belang voor het behoud van diverse vogelsoorten en dat enige jaren geleden al is opgedeeld in verschillende delen door de bouw van een thermische centrale. De negatieve gevolgen die zijn opgetreden na de eerste bouwfase van het project in de sebadales van het gebied van communautair belang ES 7010053 zouden alleen maar worden verergerd. De windsurf- en surfsport die in dit gebied worden beoefend door ongeveer 10 000 windsurfers per jaar zullen ernstige schade ondervinden, in La Gaviota zal er een einde komen aan die sportbeoefening en er zullen beperkingen worden gesteld aan die in Pozo Izquierdo, een gebied van grote erkende waarde voor deze sport zoals blijkt uit de vele wereldkampioenschappen die daar 13 achtereenvolgende jaren zijn gehouden.
Kan de Commissie nagaan of bij de milieueffectrapportage rekening is gehouden met alle gevolgen van de uitbreiding van de haven en of gedacht is aan de opzet van een systeem ter compensering van de gevolgen voor een deel van een gebied van communautair belang, dat ook deel uitmaakt van een IBA, en of rekening is gehouden met de gevolgen voor het verlies van het stelsel van zoutmijnen en van een belangrijk sport- en recreatiegebied?
Gecombineerd Antwoord
van mevrouw Wallström namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-0526/04 en E-0527/04
(21 april 2004)
De Commissie is niet op de hoogte van de feiten zoals die worden beschreven door het geachte parlementslid.
Artikel 6 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (1) bepaalt: „Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.”
Voorts dienen haveninstallaties aan een milieueffectbeoordeling (MEB) te worden onderworpen krachtens Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 (2) betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (3).
Op basis van de beschikbare informatie is de Commissie niet in staat een inbreuk op de toepasselijke communautaire milieuwetgeving vast te stellen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/700 |
(2004/C 88 E/0720)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0569/04
van Herbert Bösch (PSE) aan de Commissie
(26 februari 2004)
Betreft: Programma Leonardo da Vinci
Het programma Leonardo da Vinci van de Europese Commissie dient een bijdrage te leveren aan het beroepsopleidingsbeleid van de EU. De EU moet haar burgers beter op de intrede op de arbeidsmarkt voorbereiden en op deze manier het aantal werklozen verminderen. Bovendien heeft het bedrijfsleven behoefte aan gekwalificeerde arbeidskrachten om gelijke tred te kunnen houden met de snelle wetenschappelijke en technologische veranderingen. Tegen deze achtergrond fungeert het programma Leonardo da Vinci van de Europese Commissie als een innovatielaboratorium op het gebied van levenslang leren.
Kan de Commissie een lijst van de projecten uit het programma Leonardo da Vinci voorleggen waarvoor in de afgelopen drie jaar toestemming werd gegeven, en wel met vermelding van de projectopdrachtgever, het steunbedrag en het reeds uitbetaalde en nog openstaande bedrag?
Zijn er tussen de landen en projectaftwikkelaars verschillen of opvallende asymmetrieën in verband met verschillende criteria, zoals omvang van het budget, steunaandeel en werkelijke resultaten van de prestaties?
Hoe zorgt de Commissie voor een snelle en onbureaucratische eindcontrole van de gesteunde projecten en hoeveel tijd verloopt er gemiddeld tussen het gereedkomen van het project en de eindcontrole?
In welke landen doen zich vaak moeilijkheden bij de eindcontrole voor?
Aanvullend antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie
(11 juni 2004)
De Commissie deelt de zorg van het geachte parlementslid wat de kwaliteit van de resultaten van de innoverende Leonardo da Vinci-projecten en de noodzaak van doeltreffende beheersprocedures betreft.
Tussen 2000 en 2003 heeft de Commissie bijna 1 100 innoverende projecten geselecteerd voor een totaal budget van ongeveer 350 miljoen euro. De lijsten van de geselecteerd projecten, die met name het budget van elk project en de naam van de projectontwikkelaars bevatten, zijn op grond van de comitologieregels aan het Parlement toegezonden op het ogenblik van de selectie.
Na de selectie door de Commissie wordt het beheer van de projecten (d.w.z. de ondertekening van de overeenkomsten met de projectontwikkelaars, het toezicht op de projecten, de analyse van de verslagen, de betalingen) in meer dan 90 % van de gevallen verzekerd door een netwerk van nationale agentschappen die door de nationale overheden van de deelnemende landen worden aangewezen. Slechts een klein deel van de projecten wordt rechtstreeks door de Commissie beheerd.
De eerste projecten gingen van start in december 2000. Ze hadden vaak een looptijd van 36 maanden. Het eindverslag van de projectontwikkelaar moet twee maanden na afloop van het project worden ingediend.
Met het oog op het goede beheer van de middelen van de Gemeenschap zijn de saldobetalingen onderworpen aan een evaluatie die gebaseerd is op een controle van uitgaven en bereikte resultaten. De Commissie of de nationale agentschappen moeten over de nodige bewijsstukken beschikken om een uitgave te aanvaarden.
Wanneer het eindverslag wordt ingediend, worden de resultaten door de Commissie of de nationale agentschappen en door een onafhankelijke deskundige onderzocht.
De nationale agentschappen behandelen momenteel de eindverslagen van de projecten die in 2000 zijn geselecteerd en zullen tijdens de zomer van 2004 voor het eerst hun eigen verslag aan de Commissie overleggen. De Commissie heeft nu reeds voldoende middelen aan de nationale agentschappen overgemaakt opdat zij, zodra zij de evaluatie hebben beëindigd en de eindverslagen hebben aanvaard, het saldo van de overeenkomsten aan de projectontwikkelaars zouden kunnen betalen.
Het is nog te vroeg om te kunnen zeggen of er in bepaalde landen meer probleemgevallen of meer verschillen in beoordeling tussen de agentschappen en de projectontwikkelaars voorkomen dan in andere landen.
Voor de projecten die de Commissie rechtstreeks beheert, heeft zij een dertigtal eindverslagen ontvangen. Voor de helft daarvan is de saldobetaling uitgevoerd. De overige dossiers worden momenteel onderzocht of worden binnenkort betaald. Het eindverslag en de resultaten van elk project worden tegelijkertijd onderzocht door een ambtenaar van de Commissie en een externe deskundige die voor die taak is aangetrokken, met de logistieke steun van het Bureau voor Technische Bijstand.
Vaak voegen de projectontwikkelaars niet de nodige documenten bij hun eindverslag, waardoor bijkomende documenten moeten worden opgevraagd en de behandeling van de dossiers langer aansleept.
De Commissie zal gebruik maken van de ervaring die bij de analyse van deze eerste dossiers is verworven om de evaluatietermijnen van de eindverslagen en de betalingstermijnen in te korten door een betere follow-up en een vereenvoudiging van de evaluatieprocedures.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/702 |
(2004/C 88 E/0721)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0661/04
van Alexander de Roo (Verts/ALE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Openbare aanbesteding met betrekking tot het wateroverhevelingsproject Júcar-Vinalopó
De Spaanse regering heeft in 1997 de zogenaamde „Sociedades Estatales del Agua” in het leven geroepen, zoals ze eerder ook al deed voor andere administratieve sectoren. Een van deze holdings was de „Aguas del Júcar, Sociedad Anónima” (AJUSA), met als doel het aanbesteden, bouwen en uitbaten van allerlei soorten waterwerken. Het gaat om een eenpersoonsvennootschap, met als enige partner de Spaanse staat. Een van de projecten die aan AJUSA werden toevertrouwd is de uitvoering van de omlegging van het water van de Júcar naar de Vinalopó. Voor de realisatie van dit project is een budget van 204 miljoen euro voorzien, waarvan 54 miljoen euro gefinancierd zou worden door Europese fondsen. Vanaf april 2001 heeft AJUSA diverse openbare aanbestedingen gehouden met betrekking tot dit project. In januari 2003 werd een openbare aanbesteding gehouden voor de technische bijstand bij de gedwongen onteigeningsprocedure die noodzakelijk was voor het uitvoeren van het overhevelingsproject. De aanbesteding werd gepubliceerd in het Boletín Oficial del Estado (BOE) nr. 20 van 23 januari 2003, en begroot op 417 600 EUR. Toch werd deze belangrijke aanbesteding niet in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd. Ook in het supplement van het Publicatieblad, geraadpleegd via Tenders Electronic Daily, is deze aanbesteding nergens te vinden. De toewijzing van dit contract werd gepubliceerd in het BOE nr. 87 van 11 april 2003 (bijlage I). Het gaat om een „overheidsopdracht voor dienstverlening”, die onderworpen is aan artikel 2, onder a), van Richtlijn 92/50/EEG (1) van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening.
Welke stappen zal de Commissie ondernemen om op te treden tegen deze niet-naleving van de communautaire wetgeving?
Heeft de Commissie hieromtrent al maatregelen genomen?
Vindt de Commissie niet dat het respecteren van de communautaire regels inzake overheidsopdrachten een conditio sine qua non moet zijn voor eender welke cofinanciering door de Gemeenschap van het wateroverhevelingsproject Júcar-Vinalopó?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(22 april 2004)
De Commissie heeft een klacht ontvangen over het plaatsen van een dienstverleningsopdracht betreffende de landonteigeningsprocedure voor de aanleg van infrastructuur voor de wateroverheveling van de rivier de Júcar naar de rivier de Vinalopó. Hoewel het aanbestedingsbudget boven de drempelwaarde van Richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening lag, blijkt de opdracht niet in het Publicatieblad van de Europese Unie te zijn aangekondigd. Diensten die tot de in bijlage IB bij die richtlijn vermelde categorieën behoren, zijn echter overeenkomstig artikel 9 vrijgesteld van een aantal verplichtingen van de richtlijn, waaronder de verplichting tot voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht in het Publicatieblad. Bijlage IB omvat de categorie „diensten van juridische aard”, alsmede de restcategorie „andere diensten”. Laatstgenoemde restcategorie moet echter restrictief worden uitgelegd, en alleen diensten waarvan aannemelijk gemaakt kan worden dat ze niet tot een van de andere categorieën van bijlage IA of IB bij Richtlijn 92/50/EEG behoren, mogen in die categorie worden ingedeeld.
De Commissie heeft nog onvoldoende informatie over het contract en kan daarom niet uitsluiten dat de diensten waarop de aanbesteding betrekking had, tot een van de in bijlage IB vermelde categorieën behoren. In dat geval zou het ontbreken van een aankondiging in het Publicatieblad niet in strijd zijn met Richtlijn 92/50/EEG. Indien echter blijkt dat betrokken diensten niet tot een van de categorieën van bijlage IB behoren, vormt het ontbreken van een aankondiging in het Publicatieblad een inbreuk op die richtlijn. De Commissie is van mening dat AJUSA in dit verband als „publiekrechtelijke instelling” en „aanbestedende dienst”, zoals gedefinieerd in de richtlijn, moet worden beschouwd.
De Commissie heeft de Spaanse autoriteiten om nadere informatie over de aard van de betrokken diensten en de omstandigheden van de aanbesteding gevraagd.
Het geachte parlementslid stelt terecht dat de naleving van de EU-regels voor overheidsopdrachten een essentiële eis is voor elk project dat met Gemeenschapsmiddelen wordt gefinancierd, zoals ook duidelijk blijkt uit het huidige regelgevende kader van de EU.
(1) PB L 209 van 24.7.1992, blz. 1.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/703 |
(2004/C 88 E/0722)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0669/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Beroepskwalificaties
Welk antwoord heeft de Commissie ontvangen van Ierland op het naar dit land gezonden met redenen omkleed advies, zoals aangekondigd in IP/03/1406, inzake het verzuim van Ierland om per 1 januari 2003 de richtlijn 2001/19/EG (1) om te zetten?
Welke maatregelen heeft de Commissie ondernomen of overweegt ze te ondernemen inzake deze materie?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(16 april 2004)
Ierland heeft intussen kennisgeving gedaan van de maatregelen voor alle beroepen, vermeld in Richtlijn 2001/19/EG van het Parlement en de Raad van 14 mei 2001 tot wijziging van de Richtlijnen 89/48/EEG en 92/51/EEG van de Raad betreffende het algemeen stelsel van erkenning van beroepskwalificaties en de Richtlijnen 77/452/EEG, 77/453/EEG, 78/686/EEG, 78/687/EEG, 78/1026/EEG, 78/1027/EEG, 80/154/EEG, 80/155/EEG, 85/384/EEG, 85/432/EEG, 85/433/EEG en 93/16/EEG van de Raad betreffende de beroepen van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger (verpleegkundige), beoefenaar der tandheelkunde, dierenarts, verloskundige, architect, apotheker en arts.
De bevoegde diensten van de Commissie zullen het College daarom weldra voorstellen de inbreukprocedure voor niet-mededeling van de nationale uitvoeringsmaatregelen te sluiten.
(1) PB L 206 van 31.7.2001, blz. 1.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/703 |
(2004/C 88 E/0723)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0676/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Bushmeat — toekenning van hulpmiddelen
Hoeveel geld werd vrijgemaakt of zal beschikbaar gesteld worden om het beheer van wilde flora en fauna te verbeteren, naar aanleiding van de steun van het Europees Parlement aan het verslag-De Rossa betreffende verzoekschrift 461/2000? Hoeveel middelen zijn uitgetrokken om de invoering van criteria inzake het beheer van wilde flora en fauna/bushmeat bij de beoordeling van armoede te steunen?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/704 |
(2004/C 88 E/0724)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0677/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Bushmeat: Beheer van wilde flora en fauna door de afgifte van houtkapvergunningen
Zal de Commissie de door de industrie en natuurbeschermings-NGO's voorgestelde maatregelen steunen om het beheer van wilde flora en fauna door de afgifte van houtkapvergunningen in Centraal- en West-Afrika in te voeren, nu het Europees Parlement zijn steun heeft uitgesproken voor het verslag-De Rossa betreffende verzoekschrift 461/2000? Is de Commissie voornemens bepaalde stappen te ondernemen om het duurzame beheer van wilde flora en fauna door houtkapondernemingen te bevorderen?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/704 |
(2004/C 88 E/0725)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0678/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Bushmeat — Actieplan biodiversiteit
Welke investeringen zijn naar aanleiding van de steun van het Europees Parlement aan het verslag-De Rossa over verzoekschrift 461/2000 en het biodiversiteitsactieplan 2000 gedaan om een beter beheer van de fauna te ondersteunen en de doelstellingen uit het biodiversiteitsactieplan te halen?
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/704 |
(2004/C 88 E/0726)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0681/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Bushmeat — armoedebeoordeling
Zal de Commissie naar aanleiding van de steun van het Europees Parlement aan het verslag-De Rossa over verzoekschrift 461/2000, onderzoek naar het belang van bushmeat/wilde fauna voor het levensonderhoud van de arme bevolking, voornamelijk in West- en Centraal-Afrika, financieren?
Welke maatregelen heeft de Commissie genomen om criteria die rekening houden met het belang van bushmeat/wilde fauna voor het levensonderhoud van de armen in West- en Centraal-Afrika in de armoedebeoordeling en landenstrategiedocumenten op te nemen? Zal de Commissie deze criteria publiceren? Zullen maatregelen genomen worden om deze overwegingen op te nemen in de bestaande strategieën en beoordelingen?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Nielson namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-0676/04, E-0677/04, E-0678/04 en E-0681/04
(27 april 2004)
Wat betreft de nationale strategiedocumenten moet in het kader van de tussentijdse evaluatie die momenteel gaande is, voor Staten in Afrika, het Caribische gebied en het gebied van de Stille Oceaan (ACS-staten) een nationaal milieuprofiel als bijlage bij de evaluatiedocumenten worden gevoegd. In dit milieuprofiel moeten belangrijke milieukwesties worden aangegeven, o.a. op het gebied van biodiversiteit en „bushmeat”, waardoor dit profiel een basis vormt voor verdere dialoog met het partnerland teneinde de problemen aan te pakken. Specifieke criteria moeten nog worden vastgesteld.
De Commissie voert geen eigen analyses van de armoede uit maar maakt gebruik van de analyses door andere donoren of nationale regeringen.
Er zij op gewezen dat de programmering van de middelen, in het bijzonder voor het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), al grotendeels was afgerond toen het Parlement het „De Rossa-verslag” goedkeurde, waardoor er slechts beperkte handelingsruimte was. In het negende EOF werden slechts geringe bedragen specifiek voor het milieu ter beschikking gesteld. Bij de middelentoewijzing staan begrotingssteun en steun voor sectorale programma's voorop. Specifieke onderzoekprogramma's met betrekking tot de in de schriftelijke vraag genoemde problemen dienen vanuit dit perspectief te worden onderzocht. Verder heeft een van de programma's binnen het Zesde Kaderprogramma voor Onderzoek en Technologische Ontwikkeling van de EU specifiek betrekking op biodiversiteit, zodat daarvan gebruik zou kunnen worden gemaakt voor onderzoek op het gebied van „bushmeat”. Details hierover en over de criteria voor deelneming zijn te vinden op http://europa.eu.int/comm/research/iscp/index_en.html.
In dit verband is echter al enige respons geweest in het kader van lopende acties of acties die weldra van start gaan, in het bijzonder de programma's voor alternatieven voor stropen (Congo, Kameroen, Gabon), de financiering van specifieke marktonderzoeken en de oprichting van een waarnemingspost, Ecopas (Benin, Niger, Burkina Faso) en Ecofac (zes landen in Centraal-Afrika). Van Ecofac is de voorbereiding van de vierde fase gaande en daarbij zal een aantal van deze aspecten specifiek in aanmerking worden genomen.
Voorts is bij de recente oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van de begrotingslijn voor milieu in het bijzonder gevraagd voorstellen in te dienen die relevant zijn voor maatregelen binnen het biodiversiteitsactieplan voor economische en ontwikkelingssamenwerking.
De Commissie is van oordeel dat bij de aanpak van de „bushmea”-crisis de aspecten natuurbeheer en houtkapvergunningen voorop moeten staan. Daarom steunt zij het Wereldnatuurfonds met een bedrag van 1,4 miljoen euro zodat in Gabon samen met particuliere houders van bosconcessies kan worden gezocht naar mogelijkheden om de jacht en de stroperij in bossen waarvoor aan particulieren een concessie is verleend, te bestrijden. Verder is in het kader van het programma voor ecosystemen van bossen in Centraal-Afrika (Ecofac) begonnen met het vaststellen van protocollen voor samenwerking met de particuliere sector om de niet-duurzame jacht op „bushmeat” in bossen waarvoor aan bedrijven een concessie is verleend, aan te pakken.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/705 |
(2004/C 88 E/0727)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0682/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Bushmeat: ontwikkelingsstrategieën
Welke discussies heeft de Commissie gevoerd met de regeringen van Kameroen en Ghana naar aanleiding van haar steun aan de ministeriële verklaring inzake tenuitvoerlegging en beheer van de wet over de Afrikaanse bossen, betreffende de implementatie van de voorgestelde maatregelen inzake bushmeat? Welke steun beoogt de Commissie te geven om deze landen te helpen de voorgestelde maatregelen inzake bushmeat in te voeren en ze in hun ontwikkelingsstrategieën te integreren?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(27 april 2004)
In de verklaring die werd afgelegd bij de aanvang van de Afrikaanse ministeriële conferentie inzake wetshandhaving en governance in de bosbouw (AFLEG) in Yaoundé in 2003, zijn voorstellen voor maatregelen in verband met bushmeat (vlees uit het oerwoud) opgenomen. Het belangrijkste doel van deze verklaring is een engagement om de governance op het gebied van bosbouw te versterken en de illegale houtkap te bestrijden. Tot nu toe heeft de Commissie met de regeringen van Ghana en Kameroen nog geen besprekingen gevoerd om de in de verklaring voorgestelde maatregelen in verband met bushmeat daadwerkelijk in te voeren. Buiten de bestaande samenwerking is geen specifieke steun gepland om landen te helpen de voorgestelde maatregelen in verband met bushmeat ten uitvoer te leggen en in hun ontwikkelingsstrategieën op te nemen.
De Commissie levert evenwel inspanningen om in dialoog met de partnerlanden toe te zien op de uitvoering van het AFLEG-proces, onder andere via financiële steun. De dialoog met de partnerlanden is gericht op de verwezenlijking van het algemene doel van de verklaring, namelijk versterking van de governance op het gebied van bosbouw in Afrika. De versterking van de governance op het gebied van bosbouw zal op haar beurt leiden tot een verbetering van diverse aspecten van het bosbeheer in Afrika, waaronder het probleem van bushmeat.
Het zijn de Afrikaanse regeringen, het Afrikaanse maatschappelijk middenveld en de particuliere sector die zich voor de tenuitvoerlegging van het AFLEG-proces moeten engageren. Voor hun activiteiten bestaat er een losse vorm van centrale coördinatie, maar de nadruk ligt sterk op de regeringen en de organisaties, die moeten deelnemen op de wijze die zij zelf het meest geschikt achten. De Commissie voorziet in technische, politieke en financiële steun voor deze activiteiten.
In Kameroen ontvangt een „Milieu- en bossencel” middelen uit het Europees Ontwikkelingsfonds. Deze cel biedt de regering steun in verband met de uitdagingen op het gebied van bos- en milieubeheer, waaronder het probleem van bushmeat.
In zeer veel Afrikaanse landen biedt de Commissie steun aan de regeringen, het maatschappelijk middenveld en lokale gemeenschappen om duurzaam beheer van beschermde gebieden, bosconcessies en de wilde fauna mogelijk te maken. Deze steun zal voortdurend beschikbaar blijven.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/706 |
(2004/C 88 E/0728)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0687/04
van Marcelino Oreja Arburúa (PPE-DE) aan de Commissie
(3 maart 2004)
Betreft: Schending van het beginsel van vrij verkeer van goederen
Verscheidene zuivelbedrijven in de diverse lidstaten produceren yoghurt overeenkomstig hun nationale wetgeving, in de vorm van na gisting gepasteuriseerde yoghurt, warmtebehandelde yoghurt en lang houdbare yoghurt. Enkele van deze bedrijven voeren yoghurt uit naar Portugal en andere kunnen dit in de toekomst gaan doen. Bijgevolg is de gepasteuriseerde yoghurt afkomstig uit de diverse lidstaten onderworpen aan de wetgeving van het land van bestemming. In het geval van Portugal houdt dit een wijziging in van de naam van „yoghurt” naar „zuiveldessert”, een benaming die helemaal niet naar de oorsprong verwijst. Een verschillende benaming voor hetzelfde product in de invoerende en uitvoerende lidstaat leidt in dit geval tot vormen van indirecte belastingen die de verspreiding bemoeilijken: in Spanje bv. bedraagt de belasting 5 % voor de Spaanse „yogur” en 19 % voor „zuiveldessert”, een benaming die in Portugal verplicht is en waarop het corresponderende tarief van toepassing is. Bovendien wordt, rekening houdend met de omvangrijke jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaken Cassis de Dijon (HJEG 120/78 van 20 februari 1979), Smanor (HJEG 298/87 van 14 juli 1988), Deserbais (HJEG 286/86 van 22 september 1988), Procureur du Roi vs Dassonville (HJEG 8/74 van 11 juli 1974), REWE (HJEG 120/76 van 20 februari 1979), Rau (HJEG 261/81 van 10 november 1982) en Commissie vs Duitsland (HJEG 178/84 van 12 maart 1987), het principe van de wederzijdse erkenning van de wetgeving van het land waar het product vandaan komt geschonden, want het op de markt brengen van ingevoerde yoghurt wordt veel moeilijker en duurder door de kosten voor het wijzigen van de etiketten en verpakkingen. Bovendien zal de consument in verwarring geraken door een algemene benaming als „zuiveldessert” en door de meertalige etiketten waarop in verschillende talen verschillende benamingen te lezen staan.
Is de Commissie van mening dat Portugal hiermee het in het Verdrag vastgelegde principe van het vrije verkeer van goederen schendt, alsmede artikel 5 en de overwegingen 2, 6, 8 en 14 van Richtlijn 2000/13/EG (1) inzake de etikettering van levensmiddelen? Zo ja, welke stappen zal zij hieromtrent ondernemen?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(21 april 2004)
Volgens de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is de verenigbaarheid van de Portugese etiketteringsvereisten met artikel 28 van het EG-Verdrag afhankelijk van de mate waarin:
|
— |
de kenmerken van de genoemde gepasteuriseerde yoghurt, met name wat het aantal bacteriën betreft, niet wezenlijk verschillen van de kenmerken van het verse product; en |
|
— |
passende etikettering toereikend is om de consumenten te informeren. |
De Commissie gaat momenteel na of regelgeving inzake yoghurt en yoghurtachtige producten waarbij rekening wordt gehouden met de door het geachte parlementslid genoemde aspecten, noodzakelijk is.
Indien uit dit onderzoek, dat binnenkort moet worden afgerond, blijkt dat aanvullende regelgeving vereist is, zal de Commissie een voorstel indienen bij het Parlement en de Raad.
(1) PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/707 |
(2004/C 88 E/0729)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0708/04
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(10 maart 2004)
Betreft: Het verdwijnen van de laatste inkomstenbronnen voor de Roma-bevolking in Oost-Slowakije en de gevolgen voor plunderingen, gewelddadige botsingen en migratie
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat de Roma-bevolking in het oosten van Slowakije, die daar in veel gemeenten de meerderheid van de bevolking uitmaakt en in de afgelopen vijftien jaar in steeds extremer mate is getroffen door werkloosheid, thans door bezuinigingen op de sociale uitkeringen volledig van elke inkomstenbron wordt beroofd? |
|
2. |
Is het de Commissie tevens bekend dat de door het verlies van inkomen ontstane wanhoop inmiddels leidt tot botsingen tussen de bevolking en de massaal aanwezige politie en tot het plunderen van winkels en tankstations? |
|
3. |
Zijn de bezuinigingen waartegen de volkswoede zich richt mede een gevolg van eisen waaraan de Slowaakse regering moest voldoen om voor haar land met ingang van 1 mei 2004 het lidmaatschap van de Europese Unie te verwerven, of staat het de Slowaakse regering vrij om de overheidsuitgaven zodanig te verhogen dat de redenen voor maatschappelijke onrust snel kunnen worden weggenomen? |
|
4. |
Verwacht de Commissie dat de huidige omstandigheden de druk op de Roma in Slowakije om hun woongebied tijdelijk of zelfs duurzaam te verlaten om in het westen van Europa geld te verdienen zullen versterken? Wat zijn hiervan de gevolgen nu de meerderheid van de huidige EU-lidstaten arbeidsmigratie in de eerste jaren na toetreding van de nieuwe lidstaten wenst tegen te gaan? |
|
5. |
Is de Commissie het met mij eens dat het onder de huidige voor de Roma uiterst moeilijke omstandigheden een dwaling zou zijn om de onlusten te verklaren uit de aanwezigheid van criminele groepen en dat er om de problemen op te lossen andere maatregelen nodig zijn dan het opsluiten van personen die worden betrapt op het overtreden van de wetten? |
|
6. |
Wat kan het beleid van de EU ertoe bijdragen dat de Slowaakse Roma in staat worden gesteld om op korte termijn in hun huidige woongebied een zodanig inkomen te verwerven dat zij daar kunnen blijven wonen zonder de noodzaak om terwille van hun overleven te plunderen of in opstand te komen tegen het overheidsgezag? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(29 april 2004)
Het is de Commissie bekend dat er in Slowakije een nieuw stelsel van sociale zekerheid is ingevoerd dat heeft geleid tot een sterke verlaging van de sociale zekerheidsuitkeringen met ingang van begin maart 2004. Zij vindt de onrust onder de Roma-bevolking en de plunderingen in Oost-Siowakije verontrustend en volgt de situatie ter plaatse op de voet.
De Commissie verwerpt uiteraard elke vorm van geweld als middel om sociale of andere voordelen op te eisen. Zij blijft het door de Slowaakse regering op gang gebrachte proces van uitgebreide economische hervormingen, dat op middellange termijn zou moeten leiden tot een verhoging van de productiviteit en de werkgelegenheid in het land, steunen.
De Commissie heeft hierover echter nauwe contacten met de Slowaakse autoriteiten gehad, en zij heeft de hoop uitgesproken dat de Slowaakse regering dringend gebruik zal maken van alle haar ter beschikking staande middelen om een redelijke en passende oplossing voor deze gevoelige kwestie te vinden. De Commissie heeft opgemerkt dat in het bijzonder moet worden getracht de situatie van de armste bevolkingsgroepen die wellicht het zwaarst worden getroffen door de verlaging van de sociale zekerheidsuitkeringen, te verlichten. De werkgelegenheid moet in de armste delen van het land, en in het bijzonder in Oost-Slowakije, worden uitgebreid. In deze context toont de Commissie zich verheugd over een onlangs door de Slowaakse regering gepresenteerd 14-punten document over de manier waarop de situatie van de meest achtergestelde burgers, in het bijzonder de Roma-bevolking, kan worden verbeterd. De Slowaakse autoriteiten hebben de Commissie tevens de verzekering gegeven dat zij het optreden van de politie in het oostelijk deel van het land van nabij zal volgen.
Wat de mogelijke migratie van Roma uit Slowakije betreft bestaat, zoals het geachte parlementslid opmerkt, uiteraard de mogelijkheid dat de Roma in Slowakije hun land tijdelijk of voor langere tijd verlaten om elders een bestaan op te bouwen. In deze context zij echter opgemerkt dat de huidige lidstaten gedurende de eerste twee jaar na de toetreding van de nieuwe lidstaten, werknemers uit de toekomstige lidstaten volgens nationale en niet volgens communautaire voorschriften zullen toelaten en dat er bepalingen zullen blijven gelden die grotendeels restrictief zijn.
De Commissie heeft zich ertoe verbonden de Slowaakse autoriteiten, voor zover dat binnen haar mogelijkheden ligt, te helpen om dit probleem zo snel mogelijk op te lossen. Er bestaat weliswaar geen oplossing op korte termijn voor het werkgelegenheidsprobleem van de Roma-bevolking in Oost-Slowakije, maar de Structuurfondsen zullen ongetwijfeld hun economische en sociale toestand via een mainstreamingaanpak verbeteren en zullen bijdragen tot het creëren van nieuwe werkgelegenheid ten behoeve van de Roma-gemeenschappen.
Met name in het communautair bestek voor Slowakije wordt aandacht besteed aan het probleem van de Roma en wordt de marginalisering van de Roma via een integratiestrategie aangepakt. Het bevat selectieve huisvestingsmaatregelen die worden uitgevoerd ter verbetering van het onderwijs, de gezondheidszorg, de watervoorziening, de afvalwaterbehandeling en de wegeninfrastructuur. Sommige maatregelen worden tot 80 % door de EU gefinancierd (normaliter is het maximum 75 % voor cofinancierng van overheidsuitgaven). Het is de bedoeling een proces op gang te brengen ter verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, en in het bijzonder een geïntegreerde aanpak te volgen op het gebied van onderwijs, begeleiding en opleiding, om bij te dragen tot het creëren van nieuwe mogelijkheden, vooral ten behoeve van jongeren. De Commissie zet samen met de Slowaakse autoriteiten een subcomité op binnen het toezichtcomité voor Roma-aangelegenheden in het kader van het communautair bestek (CB); dit subcomité zal advies verstrekken over financiering in Slowakije.
Voorts steunt het Europees Sociaal Fonds regelingen die achtergestelde groepen — waarvan er vele tot de Roma-minderheid behoren — uitzicht op werk bieden, die uiteindelijk tot stabiele werkgelegenheid zouden moeten leiden maar die via een „activeringspremie” de inkomenssituatie van de deelnemers onmiddellijk verbeteren. Verder werkt de regering aan een beurzensysteem voor leerlingen uit achtergestelde groepen, dat niet alleen is bedoeld om de participatie van Roma-kinderen in het middelbaar onderwijs te stimuleren maar dat ook extra financiële middelen zal verstrekken voor de gezinnen waarvan die leerlingen deel uitmaken. Deze regeling, die waarschijnlijk in mei 2004 van start gaat, wordt medegefinancierd door het Europees Sociaal Fonds.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/709 |
(2004/C 88 E/0730)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0721/04
van Daniela Raschhofer (Nl) aan de Commissie
(4 maart 2004)
Betreft: Decreet-Benes nr. 33/1945 — de zaak Hugo Salm
Voorafgaand aan het besluit inzake de toetreding van de Tsjechische Republiek tot de Europese Unie vond er in de publieke opinie een brede discussie plaats over de rechtskracht van de „decreten-Benes”, die wegens hun discriminerende karakter onverenigbaar zijn met het recht van de EU.
In een resolutie van de Tsjechische Nationale Raad van april 2002 werd met betrekking tot de decreten-Benes opgemerkt dat op grond van deze decreten voortaan geen nieuwe rechtsbetrekkingen kunnen ontstaan. Niet in de laatste plaats op basis hiervan verklaarde de Commissie dat de decreten-Benes geen belemmering waren voor de toetreding van Tsjechië tot de EU.
In het hier aan de orde gestelde geval gaat het om de erfgenamen van prins Hugo Salm.
De Opperste Administratieve Rechtbank van de Tsjechische Republiek bevestigde in november 2003 een door de Tsjechische minister van Binnenlandse Zaken, Stanislav Gross, in het jaar daarvoor op grond van decreet-Benes nr. 33/1945 genomen besluit.
Bij decreet nr. 33 van 2 augustus 1945 werd „aan alle Tsjechoslowaakse burgers van Duitse of Hongaarse nationaliteit het staatsburgerschap ontzegd”, behalve diegenen die konden aantonen dat zij de Tsjechoslowaakse Republiek trouw waren gebleven.
Met deze uitspraak van de Opperste Administratieve Rechtbank wordt bevestigd dat er op grond van deze decreten nog steeds nieuwe rechtsbetrekkingen ontstaan.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
1. |
Hoe beoordeelt zij een besluit op basis van decreet-Benes nr. 33, dat eigenlijk expliciet werd ingetrokken? |
|
2. |
Acht de Commissie, tegen de achtergrond van de toetreding van Tsjechië, bedoeld besluit van de Tsjechische minister van Binnenlandse Zaken verenigbaar met het acquis, hoewel de Tsjechische Nationale Raad verklaard heeft dat op grond van de decreten-Benes geen nieuwe rechtsbetrekkingen kunnen ontstaan, een verklaring waarop de Commissie zich bij haar besluit heeft gebaseerd? |
|
3. |
Welke stappen denkt de Commissie te ondernemen? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(7 april 2004)
De Commissie ontving onlangs het door het geachte parlementslid genoemde besluit van de hoogste bestuursrechter van Tsjechië van 27 november 2003. De Commissie heeft dit besluit nog niet grondig juridisch onderzocht. Aangezien het Parlement recht heeft op een snel antwoord kan de Commissie op basis van een eerste onderzoek en een nog niet officieel goedgekeurde vertaling het volgende zeggen.
Op 14 oktober 2002 presenteerde de Commissie de „Samenvattende resultaten” van een diepgaand onderzoek naar de betreffende Tsjechische presidentiële decreten van 1945 en 1946 en de daarmee verband houdende restitutiewetgeving. De conclusie was duidelijk: er kunnen tegenwoordig geen nieuwe onteigeningen meer plaatsvinden op basis van de decreten. Het besluit van de hoogste bestuursrechter van Tsjechië van 27 november 2003 is niet in strijd met deze bevindingen, maar bevestigt hun juistheid.
Het besluit van de hoogste bestuursrechter van Tsjechië betekent geen nieuwe toepassing van het betreffende decreet, en leidt ook niet tot nieuwe rechtsbetrekkingen. Het is belangrijk om te erkennen dat het hof geen uitspraak deed over de vraag of de eiser (wijlen graaf Hugo Salm) Tsjechoslowaaks staatsburger was, wat boven alle twijfel verheven is. Het hof onderzocht slechts de vraag of de eiser in 1945 zijn Tsjechoslowaakse staatsburgerschap had behouden overeenkomstig de op dat moment geldende wetgeving, te weten decreet 33/1945, waarop de verweerders zich beriepen. Naast een aantal juridische en procedurele overwegingen moest het hof bepaalde historische feiten vaststellen. Het hof besloot niet tot een nieuwe intrekking van staatsburgerschap, laat staan tot een nieuwe onteigening.
Het hof verwees naar de uitspraak van het constitutionele hof in een andere zaak (nr. 114/96). Hierbij werd de overheid opgedragen een administratieve procedure af te ronden (waarbij beweerd werd dat de persoon in kwestie het staatsburgerschap nooit was afgenomen) die in het kader van het decreet na de oorlog in gang gezet was, maar nooit voltooid was onder het communistische regime. Om te bepalen of een persoon op een bepaald moment het staatsburgerschap bezit, moet gekeken worden naar de regels die gelden op het moment dat die persoon het staatsburgerschap kreeg of verloor. Dit betekent in het geheel niet dat diezelfde regels nu gelden en toegepast kunnen worden om het staatsburgerschap in te trekken. Integendeel: het is in het belang van de slachtoffers van deze decreten om een dergelijk historisch onderzoek te doen en als de conclusie luidt dat het betreffende decreet op dat moment niet overeenkomstig de bepalingen van datzelfde decreet werd toegepast, kan een bestuurlijke handeling uit het verleden van nul en generlei waarde verklaard worden. Het staatsburgerschap kan dan met terugwerkende kracht bevestigd worden en de eigendommen kunnen worden teruggegeven, maar het staatsburgerschap kan niet worden ingetrokken op grond van een nieuwe wet op basis van het decreet. Het hof was inderdaad van mening dat hoewel decreet nr. 33/1945 in 1949 werd ingetrokken de bepalingen inzake de intrekking van het staatsburgerschap, met name met betrekking tot burgers, nog steeds van kracht waren en dat slachtoffers van een verkeerde toepassing van de presidentiële decreten zich hierop konden beroepen.
Op basis van een voorlopig onderzoek is de Commissie van mening dat het besluit in kwestie niet in strijd met het acquis communautaire of de beginselen van de rechtstaat lijkt omdat er serieus onderzoek naar de feiten heeft plaatsgevonden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/710 |
(2004/C 88 E/0731)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0756/04
van José García-Margallo y Marfil (PPE-DE) aan de Commissie
(11 maart 2004)
Betreft: Gevolgen van de integratie van de Europese financiële markten op nationaal en regionaal niveau
Heeft de Commissie studies laten uitvoeren om de gevolgen voor de nationale en regionale financiële markten te evalueren van de structurele aanpassingen die via de nieuwe Europese wetgeving inzake financiële diensten zijn ingevoerd, en met name de eventuele verzwakking van de regionale financiële centra ten opzichte van hun nationale tegenhangers?
Bestaat niet het risico dat de financiële operaties zich op termijn in een beperkt aantal centra (3 of 4) in Europa zullen concentreren?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(23 april 2004)
Hoewel de Commissie niet stelselmatig studies heeft laten uitvoeren over de gevolgen voor de nationale en regionale financiële markten van de aanpassingen die via de nieuwe wetgeving inzake financiële diensten zijn ingevoerd, is in ieder geval in het kader van diverse wetgevingsvoorstellen onderzoek verricht (zoals onderzoek naar aanvullende pensioenen (algemeen toegankelijk via de website van het directoraat-generaal (DG) Interne markt) en effectbeoordelingen in het kader van de binnenkort te verschijnen herverzekeringsrichtlijn en de richtlijn inzake kapitaaltoereikendheid, die bij het Commissievoorstel openbaar zullen worden gemaakt). Ook is op EU-niveau incidenteel onderzoek verricht naar de situatie binnen een bepaald marktsegment (zie bijvoorbeeld de studie over de totstandbrenging van de interne markt voor de banksector, met een evaluatie van de structurele aanpassingen als gevolg van de deregulering en de invoering van de euro).
Naast deze specifieke studies en effectbeoordelingen worden bij wetgevingsvoorstellen voor financiële diensten de belanghebbenden gewoonlijk op uitgebreide schaal geraadpleegd. Op deze wijze kan mede worden vastgesteld of een bepaalde wetgevingsmaatregel mogelijk een negatieve uitwerking heeft op een regionaal of nationaal marktsegment. Verder wil de Commissie in de toekomst meer belang hechten aan effectbeoordelingen in het kader van wetgevingsvoorstellen voor bepaalde marktsegmenten en/of regio's.
In een in opdracht van het DG Economische en financiële zaken uitgevoerde studie (1) wordt de conclusie getrokken dat alle lidstaten baat hebben bij een verdere integratie van de financiële markten in de EU, maar dat de voordelen ongelijkmatig verdeeld zijn. Terwijl in sommige landen de industriële sector het meest te winnen heeft bij toegang tot niet-binnenlandse financiële markten, profiteert in andere lidstaten de financiële sector het meest, dit als gevolg van de stijgende vraag.
In het voorjaar van 2004 zal de Commissie een eerste jaarverslag opstellen over de stand van zaken bij de integratie van de financiële markten in de EU. Uit dit verslag blijkt dat er bij het voortschrijden van de integratie natuurlijke regionale (ook grensoverschrijdende) clusters ontstaan, terwijl andere markten mogelijk aan belang inboeten. Er kan niet bij voorbaat worden uitgesloten dat bij een verdere integratie de marktconcentratie toeneemt. Er wordt echter van uitgegaan dat de regionale en nationale markten zich uiteindelijk reorganiseren om voordeel te kunnen trekken van markten die verder naar elkaar toegroeien en steeds liquider worden.
(1) „Financial Market Integration, Corporate Financing and Economic Growth” van Mariassunta Giannetti, Luigi Guiso, Tullio Jappelli, Mario Padula en Marco Pagano (2002).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/711 |
(2004/C 88 E/0732)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0811/04
van Enrique Monsonís Domingo (ELDR) en Joan Valivé (ELDR) aan de Commissie
(15 maart 2004)
Betreft: Parasieten in citrusvruchten
Uit derde landen afkomstige citrusvruchten passeren gemakkelijk de grenzen van de Europese Unie, gezien de zwakke controles en het gebrek aan inspecteurs die gespecialiseerd zijn in quarantaineparasieten in citrusvruchten.
In de zomer van 2003 werden in Spanje quarantaineparasieten ontdekt in uit Brazilië en Argentinië afkomstige citrusvruchten. Tijdens het vorige verkoopseizoen werd circa 190 000 ton citrusvruchten uit derde landen geïmporteerd, een groot deel daarvan uit Argentinië (59 000 ton) en Brazilië (25 000 ton). Bij inspecties werden drie soorten quarantaineziekten ontdekt die men niet in de Europese citruscultuur aantreft: Xanthomonas axonopodis pv. Citri, dat citruskanker veroorzaakt, Guignardia citricarpa, waarbij een „zwarte vlek” op de schil van citrusvruchten ontstaat, en de Elsinoe spp-schimmel.
Van de uit Argentinië afkomstige citrusvruchten werd in totaal 993 ton geweigerd, en van de Braziliaanse citrusvruchten 2 226 ton. Inspecties hebben in Spanje geleid tot het afwijzen van 83 zendingen uit deze landen. Het Spaanse Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening heeft uiteindelijk de import van uit deze twee landen afkomstige citrusvruchten verboden bij besluit APA/3151 van 12 november 2003. Het Europees Planteziektenkundig Comité behandelt momenteel een verzoek om dit verbod uit te breiden tot de rest van de Europese Unie. Dit comité zal naar verluidt op 22/23 maart e.k. terzake een besluit nemen.
Kan de Commissie mededelen of opschorting van de import van citrusvruchten uit Argentinië en Brazilië in de Europese Unie tijdens het komende verkoopseizoen van het zuidelijk halfrond wordt overwogen? Zo nee, zal dan worden voorzien in een specifiek importprotocol? Zouden in dat geval controles in het land van herkomst, in aanwezigheid van Europese inspecteurs, en de invoering van een markering s systeem verplicht worden gesteld? Welke maatregelen zullen worden voorgesteld om te voorkomen dat quarantaineparasieten en -ziekten in citrusvruchten naar de Europese Unie worden overgebracht? Wordt daarbij gedacht aan het aanwijzen van een aantal Europese havens voor de invoer van groente en fruit uit derde landen, met de nodige controle door in deze parasieten en/of ziekten gespecialiseerde inspecteurs?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(23 april 2004)
De Commissie kan het geachte parlementslid meedelen dat zij thans niet van plan is de invoer van citrusvruchten van Argentijnse en Braziliaanse oorsprong in de EU tijdens het komende verkoopseizoen op te schorten.
In maart 2004 heeft de Commissie tijdens de vergadering van het Permanent Plantenziektenkundig Comité aan de lidstaten een ontwerp-beschikking voorgelegd inzake tijdelijke noodmaatregelen ten aanzien van bepaalde citrusvruchten uit Argentinië of Brazilië. Deze ontwerp-beschikking kan worden beschouwd als een „specifiek importprotocol”, zoals het geachte parlementslid bedoelt.
De hoofdlijnen van deze ontwerp-beschikking, die door het comité gunstig is onthaald en nog door de Commissie zal worden goedgekeurd, kunnen als volgt worden samengevat. Vruchten van Citrus L, Fortunella Swingle, Poncirus Raf. en de hybriden daarvan (hierna „citrusvruchten” genoemd) van oorsprong uit Argentinië of Brazilië mogen slechts op het grondgebied van de Gemeenschap worden binnengebracht indien zij voldoen aan specifieke voorschriften, die bestaan uit twee mogelijkheden:
|
— |
de vruchten zijn van oorsprong uit een gebied dat erkend is als zijnde vrij van Xanthomonas campestris en Guignardia citricarpa en dat feit is op het fytosanitaire certificaat vermeld, of |
|
— |
in het kader van een officiële controle zijn sedert het begin van de laatste vegetatiecyclus op het productieperceel geen symptomen van deze ziekten waargenomen en het productieperceel, de verpakkingsvoorzieningen, de exporteurs en anderen die bij de hantering van de vruchten betrokken zijn, zijn officieel daartoe geregistreerd. Voor Xanthomonas campestris geldt naast de twee laatstgenoemde eisen bovendien de aanvullende voorwaarde dat de op het productieperceel geoogste vruchten volgens een officiële keurings- en controleregeling die passende tests omvat vrij moeten zijn van dit schadelijke organisme en dat deze vruchten een doeltreffende behandeling moeten hebben ondergaan die op het fytosanitaire certificaat is vermeld. |
Bovendien mogen de betrokken citrusvruchten slechts in de Gemeenschap worden binnengebracht indien zij afkomstig zijn uit een productiesysteem waarbij de traceerbaarheid gedurende het vervoer van de vruchten van het productieperceel naar de plaats van uitvoer naar de Gemeenschap is gewaarborgd en de informatie van het productiesysteem ter beschikking van de Commissie wordt gesteld.
Ten slotte moet elke lidstaat die citrusvruchten van Argentijnse of Braziliaanse oorsprong invoert aan de Commissie en de andere lidstaten een gedetailleerd technisch rapport overleggen met betrekking tot de resultaten van de fytosanitaire controles die op deze vruchten zijn uitgevoerd. De Commissie zal de situatie gedurende het hele exportseizoen 2004 op de voet volgen. Als blijkt dat de voorgenomen maatregelen ontoereikend zijn om het in de Gemeenschap binnenbrengen van de betrokken ziekten te voorkomen of dat de maatregelen niet in acht zijn genomen, kan de Commissie stringentere of alternatieve maatregelen nemen overeenkomstig de geldende fytosanitaire wetgeving (artikel 16, lid 3, van Richtlijn 2000/29/EG (1)).
De Commissie acht de voorgestelde maatregelen toereikend om het in de Unie binnenbrengen van quarantaineparasieten en -ziekten in citrusvruchten zo veel mogelijk te beperken.
Er zijn geen maatregelen genomen om controles van de oorsprong te laten uitvoeren door inspecteurs van het Voedsel- en Veterinair Bureau. Dit neemt niet weg dat overwogen kan worden dat dit inspectiebureau binnenkort een inspectiebezoek aan deze twee derde landen aflegt om de omstandigheden van de productie en de uitvoer naar de Gemeenschap van de betrokken citrusvruchten, alsmede de toepassing van de nieuwe regeling, zoals vastgesteld bij de genoemde ontwerp-beschikking, te controleren.
Evenmin zijn er maatregelen genomen om specifieke Europese havens aan te wijzen voor gespecialiseerde inspecties van groente en fruit uit derde landen.
(1) Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen, PB L 169 van 10.7.2000. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/116/EG van de Commissie, PB L 321 van 6.12.2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/712 |
(2004/C 88 E/0733)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0841/04
van Cristiana Muscardini (UEN) aan de Commissie
(9 maart 2004)
Betreft: Seksuele verminking van vrouwen
Meer dan honderd miljoen vrouwen in de wereld zijn het slachtoffer van ernstige vormen van seksuele verminking en elk jaar worden er nog eens twee en een half miljoen vrouwen onderworpen aan allerlei barbaarse praktijken, waarbij tal van meisjes het leven laten. Ook in de Europese Unie neemt dit soort verwerpelijke mutilatiepraktijken, waaraan de slachtoffers zowel lichamelijk als geestelijk zware littekens overhouden, hand over hand toe, hetgeen ten enenmale onverenigbaar is met de normen op het gebied van de mensenrechten en de waardigheid van de mens, alsook met alle wet- en regelgeving ter bescherming van de fysieke integriteit.
Kan de Commissie derhalve laten weten waarom 8 maart niet is uitgeroepen tot dag van strijd en verzet tegen seksuele verminking bij vrouwen?
Kan zij voorts aangeven waarom zij nog niet met een richtlijn is gekomen tot vaststelling van normen ter uitbanning van seksuele mutilaties bij vrouwen en voor het verstrekken van goede voorlichting over dergelijke gebruiken, met name ten behoeve van immigranten uit landen waar dit soort praktijken nog steeds is geoorloofd?
Kan zij tenslotte mededelen waarom in de met de regeringen van deze landen gesloten handels- en samenwerkingsakkoorden geen bindende clausule is opgenomen die voorziet in de verplichting om de verspreiding van dergelijke praktijken op hun grondgebied tegen te gaan?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(22 april 2004)
De Commissie en de internationale gemeenschap erkennen dat genitale verminking van vrouwen een ernstige schending van de mensenrechten van vrouwen inhoudt (Actieplatform van Peking en Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen).
Slechts drie Europese landen — Zweden, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen — kennen evenwel specifieke wetten die alle of bepaalde vormen van genitale verminking van vrouwen verbieden. Zweden voerde zijn wetgeving terzake reeds in in 1982. Het Verenigd Koninkrijk verbood de praktijk in 1985 door de „Prohibition of Female Circumcision Act” (wet inzake het verbod op de vrouwenbesnijdenis). Noorwegen volgde het voorbeeld van deze landen in 1998. De overige lidstaten beschikken slechts over algemene wetten die het toebrengen van ernstige lichamelijke verwondingen verbieden, maar niet uitdrukkelijk verwijzen naar genitale mutilatie van vrouwen.
Het verwezenlijken en verdedigen van de waarden van de Unie die gebaseerd zijn op rechtvaardigheid, de gelijkheid van vrouwen en mannen en de mensenrechten is een essentiële taak van de Commissie. Zij kan derhalve binnen de grenzen van de Unie of elders in de wereld geen praktijken als de genitale mutilatie van vrouwen dulden, omdat dergelijke praktijken geen plaats hebben in de moderne maatschappij en met name vrouwen in een positie van onderworpenheid plaatsen.
De Commissie is van oordeel dat genitale mutilatie van vrouwen slechts zal verdwijnen indien de overtuiging veld wint, ook bij de vrouwen zelf, dat zij van deze praktijk afstand kunnen doen zonder de ermee verbonden aspecten van hun cultuur op te geven. De Commissie oordeelt dat hiertoe een veelzijdige strategie noodzakelijk is, alsook maatregelen die op gezondheidswerkers en sociaal werkers gericht zijn. De verspreiding van passende informatie die de nadruk legt op de gevaren voor de gezondheid is een ander belangrijk instrument.
De genitale mutilatie van vrouwen werd twee achtereenvolgende jaren, namelijk in 2001 en 2002, als prioriteit opgenomen in het jaarprogramma (en in de oproep tot het indienen van voorstellen) van Daphne (2000-2003), het programma ter voorkoming van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen. Dat resulteerde in de financiering van tien projecten in verband met dit specifieke thema; zes van die projecten lopen over twee jaar, wat betekent dat deze acties de kwestie grondig zullen aanpakken. Voor deze acties heeft de Gemeenschap meer dan 1,6 miljoen euro uitgetrokken.
Door het inzetten van het Daphne-programma om deze praktijk te bestrijden, worden organisaties gesteund die vanuit de basis werken om niet alleen met elkaar, maar ook met de academische wereld en met de autoriteiten samen te werken zodat dit probleem op het terrein kan worden aangepakt en (in de meeste gevallen) de slachtoffers rechtstreeks bij de aanpak kunnen worden betrokken. Het Daphne II-programma (2004-2008) zal weldra worden goedgekeurd en in het kader daarvan zal deze strijd worden voortgezet.
Het algemene internationale thema voor 8 maart (Internationale Vrouwendag) wordt gekozen door de Verenigde Naties. De Commissie kiest ook jaarlijks een specifiek thema voor 8 maart: in 2003 was dat genitale mutilatie van vrouwen, maar het is niet de bedoeling om jaarlijks hetzelfde thema te herhalen.
In het algemeen vindt het grootste gedeelte van de genitale mutilaties plaats in ontwikkelingslanden en niet in Europa. De Commissie is zich daarvan bewust, en in deel III van de Overeenkomst van Cotonou, waarin de samenwerkingsstrategieën aan bod komen, is bepaald dat speciale aandacht moet worden geschonken aan de integratie van bevolkingsvraagstukken in de ontwikkelingsstrategieën ter verbetering van de reproductieve gezondheidszorg, de eerstelijnsgezondheidszorg, de gezinsplanning en het voorkomen van verminking van de genitaliën bij vrouwen (artikel 25, lid 1, onder c). In onze onderhandelingen met de landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) stellen we prioriteiten in verband met de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en dus ook in verband met de genitale mutilatie van vrouwen, en wij zullen dergelijke prioriteiten ook in de toekomst blijven stellen. Talrijke landen nemen reeds maatregelen om de praktijk van genitale mutilatie van vrouwen uit te bannen; onder meer wordt aangepaste wetgeving uitgevaardigd en worden geschikte voorlichtingsprogramma's opgezet. De Commissie meent dat een aanpak die is gebaseerd op dialoog en samenwerking de juiste is; een bindende clausule in handels- en samenwerkingsovereenkomsten die de landen tot actie verplicht, is volgens haar niet zinvol.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/714 |
(2004/C 88 E/0734)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0853/04
van Terence Wynn (PSE) aan de Commissie
(19 maart 2004)
Betreft: Nieuwe verordening inzake de uitvoer en distributie van suiker uit ultraperifere gebieden
Ik heb vernomen dat de Commissie op 20 januari aan het beheerscomité handel een voorstel heeft voorgelegd voor een wijziging van de verordening van de Commissie (EG) nr. 20/2002 (1) inzake de uitvoer- en distributievergunningen uit de ultraperifere gebieden voor producten die zijn opgenomen in de POSEI-regelingen (regelingen voor de ontwikkeling van plaatselijke landbouwproducten en bepaalde voedselvoorziening).
In dit voorstel worden een groot aantal producten in aanmerking genomen in het geval van Madeira, ofschoon Madeira niet beschikt over een inheemse suikerproductie of -raffinaderij.
De Azoren evenwel, die een actieve suikerproductie en raffinage-industrie hebben, krijgen het verbod hun lokale en artisanale producten waarin lokale suiker wordt gebruikt, zoals likeur, zuivelproducten en confituur, uit te voeren naar de VS en Canada (hun traditionele markten) of te distribueren naar Europese markten.
Kan de Commissie instemmen met de vroegere openbare verklaringen van een lid van het Europees Parlement, een vertegenwoordiger van de Azoren, dat de Commissie een partijdige houding blijft aannemen ten nadele van de suikerindustrie op de Azoren?
Kan de Commissie zeggen of Madeira normaal wordt bevoorraad via filialen of geassocieerde ondernemingen van British Sugar?
Kan de Commissie bevestigen dat een dochteronderneming van British Sugar tevergeefs pogingen heeft ondernomen om een meerderheidsbelang te verwerven in de enige suikerproducent en raffinaderij van de Azoren?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(30 april 2004)
De Commissie heeft, op 16 maart 2004, haar goedkeuring gehecht aan Verordening (EG) nr. 489/2004 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 20/2002 houdende bepalingen ter uitvoering van de bij de Verordeningen (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001 en (EG) nr. 1454/2001 van de Raad vastgestelde specifieke voorzieningsregelingen voor de ultraperifere regio's (2).
Met deze verordening heeft de Commissie de tenuitvoerlegging van de hervorming van de POSEI-regelingen van 2001 voltooid, door de voorwaarden te verduidelijken waarin de producten die in de Franse en Portugese ultraperifere regio's zijn verwerkt, in het kader van de regionale handel mogen worden uitgevoerd.
In het licht van het voorgaande kan de Commissie het geachte parlementslid antwoorden dat:
|
1) |
de regelgeving van de Commissie niet verder mag strekken dan de tenuitvoerlegging van de bepalingen van het Verdrag en de verordeningen van de Raad terzake. Wat, in het bijzonder, de vermeende discriminatie ten gunste van Madeira en ten nadele van de Azoren betreft, wenst de Commissie te wijzen op het volgende:
|
|
2) |
De Commissie weet niet welke bedrijven de ultraperifere regio's in het kader van de specifieke voorzieningsregeling bevoorraden. De door de lidstaten bij de Commissie ingediende gegevens voor de controle op de regeling zijn anoniem en samengevoegd. |
|
3) |
De Commissie is niet op de hoogte van lopende onderhandelingen met betrekking tot de overdracht van participaties in de agrolevensmiddelenindustrieën van de ultraperifere regio's; de controle op deze al dan niet bestaande onderhandelingen, valt in ieder geval niet onder de bevoegdheden die haar bij het Verdrag of het afgeleid recht zijn toegekend. |
(1) PB L 8 van 11.1.2002, blz. 1.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/715 |
(2004/C 88 E/0735)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0877/04
van Patricia McKenna (Verts/ALE) aan de Commissie
(22 maart 2004)
Betreft: Oplossing van het geschil in Soedan
De oorlog in Soedan heeft miljoenen levens gekost en heeft miljoenen mensen ontheemd. Thans is er hoop op een einde van het conflict. De aanwezigheid van een „eerlijke makelaar” bij de vredesonderhandelingen zou in belangrijke mate tot het welslagen bijdragen. Bij een vreedzame oplossing van het conflict in Soedan moeten alle mensen in Soedan zijn betrokken, met name de stammen die ver van het besluitvormingsproces en de machtscentra zijn verwijderd.
Overweegt de Commissie om de rol van „eerlijke makelaar” bij de vredesonderhandelingen te vervullen? Stemt zij in met beschikbaarstelling van middelen om te komen tot een succesvolle en duurzame vrede in de regio?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(27 april 2004)
Sinds 1993 zijn, onder auspiciën van de „Inter-governmental Authority on Development” (IGAD), met tussenpozen vredesbesprekingen tussen de regering van Soedan en de SPLM/A (1) gevoerd. Aanvankelijk gebeurde de waarneming uitsluitend via vertegenwoordiging van de leden van deze regionale organisatie van de Hoorn van Afrika, maar sinds medio 2002 is de groep waarnemers uitgebreid tot de „Soedan Troika” (Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten) en vervolgens tot de „uitgebreide Troika” (Italië, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie). Alleen dankzij deze combinatie van de directe buurlanden van Soedan met enkele van de belangrijkste internationale actoren kon wezenlijke vooruitgang worden geboekt. De laatste twee jaar zijn besprekingen gevoerd over een reeks documenten die kunnen worden beschouwd als „bouwstenen” voor een uitgebreide overeenkomst, met name het Machakos Protocol (20 juli 2002), een overeenkomst over veiligheid (25 september 2003), en een overeenkomst over welvaartsdeling (7 januari 2004). Op 18 november 2002 werd een memorandum van overeenstemming betreffende stopzetting van de vijandelijkheden ondertekend, en sindsdien zijn de gevechten in zuidelijk Soedan gestopt, enkele incidentele schermutselingen — voornamelijk tussen regeringsgezinde milities (SSDF) en de SPLM/A -daargelaten.
Bij andere conflicten is gebleken dat het vaak niet van de éne „eerlijke makelaar” afhangt maar dat veeleer een gezamenlijke en gecoördineerde inzet van de belangrijkste externe actoren bepalend is. De huidige formule van de vredesbesprekingen voor Soedan onder auspiciën van IGAD strookt met dit concept van ruime betrokkenheid van de verschillende actoren, en deze aanpak heeft al belangrijke resultaten opgeleverd. Volgens de huidige structuur van het vredesproces zijn er twee fasen. In de eerste fase zijn de twee belangrijkste oorlogspartijen betrokken; deze fase wordt afgesloten met een algemene overeenkomst. In de tweede fase zijn alle voor de constitutionele hervorming en de geleidelijke democratisering relevante politieke en maatschappelijke actoren van Soedan betrokken. De tweede fase loopt gedurende de overgangsperiode van zeseneenhalf jaar.
Inbreng van buitenaf kan geen alternatief vormen voor echte bereidheid van de partijen om aan een vreedzame regeling te werken. Door de frequente impasses in het Soedanese vredesproces rijst soms twijfel over de vraag of bij de twee belangrijkste partijen, nl. de regering van Soedan en de SPLM/A, wel het nodige engagement aanwezig is. Externe actoren zullen geduld moeten hebben en zullen continu een zekere druk moeten uitoefenen om de onderhandelingen voort te stuwen.
De Commissie verleent financiële en politieke steun aan het IGAD-vredesproces alsmede aan het verificatie-en monitoringteam, d.i. het mechanisme voor de controle op de stopzetting van de vijandelijkheden (1,5 miljoen euro in het kader van het mechanisme voor een snelle reactie („Rapid Reaction Mechanism”, RRM). Verder overweegt zij om via het RRM steun te verlenen aan de organisatie van besprekingen over een staakt-het-vuren onder de strijdende partijen in Darfur, Westelijk Soedan: daar brak begin 2003 een groot gewapend conflict uit dat aanvankelijk in de schaduw bleef van het langdurige conflict in zuidelijk Soedan, maar dat recentelijk zo sterk is geëscaleerd dat het inmiddels geldt als de op een na zwaarste humanitaire crisis in de Hoorn van Afrika en Oost-Afrika.
De ontwikkelingssamenwerking met Soedan is geschorst sinds 1990, naar aanleiding van de staatsgreep en van de verslechtering van de politieke toestand en de mensenrechtensituatie. Verwacht wordt dat de samenwerking wordt hervat zodra de regering van Soedan en de SPLM/A een vredesregeling hebben ondertekend. Er zijn echter voorbereidende werkzaamheden gaande die worden gefinancierd in het kader van diverse begrotingslijnen en van het „Humanitair Plus”-programma (18 miljoen euro). Verder zijn twee programmadocumenten afgerond, namelijk een voor herstel en capaciteitsopbouw (52 miljoen euro, zesde Europees Ontwikkelingsfonds (EOF)) en een dat wordt gefinancierd via Stabex (191 miljoen euro) met de nadruk op voedselveiligheid. Deze programma's vertegenwoordigen, samen met de toewijzing van het negende EOF (135 miljoen euro A-portefeuille, 20 miljoen euro B-portefeuille), het „vredesdividend” dat Soedan ter beschikking zal worden gesteld als een alomvattend vredesakkoord is gesloten en ten uitvoer is gelegd.
(1) Soedanese Peoples Liberation Movement/Soedanese Peoples Liberation Army.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/716 |
(2004/C 88 E/0736)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0901/04
van Graham Watson (ELDR) aan de Commissie
(24 maart 2004)
Betreft: Behandeling van dieren op veemarkten
Kan de Commissie zeggen welke inbreukprocedures ex-artikel 226 van het Verdrag tegen lidstaten zijn ingeleid met betrekking tot gebrekkige uitvoering van de EU-voorschriften inzake dierenwelzijn?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(22 april 2004)
De behandeling van dieren op veemarkten is slechts onderworpen aan het vigerende Gemeenschapsrecht in de mate waarin het thema binnen de werkingssfeer valt van Richtlijn 91/628/EEG van de Raad van 19 november 1991 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer (1), gewijzigd bij Richtlijn 95/29/EG (2).
Het vervoer naar en het uitladen van de dieren op de veemarkt valt onder de richtlijn als de reis naar de veemarkt meer dan 50 kilometer bedraagt. Zodra de dieren niet meer onder het toezicht van de vervoerder staan, is de richtlijn echter niet meer op de dieren van toepassing. Pas als dieren worden ingeladen voor het vertrek van de veemarkt vallen ze opnieuw binnen de werkingssfeer van de richtlijn.
Het voorstel van de Commissie voor een nieuwe verordening inzake de bescherming van vervoerde dieren beoogt vooral de door het Gemeenschapsrecht geboden bescherming uit te breiden tot dieren op veemarkten. Het personeel dat op de veemarkten voor de dieren verantwoordelijk is, zou de nodige opleidingen moeten volgen. De exploitanten van veemarkten zouden verantwoordelijk moeten zijn voor het welzijn van de dieren tijdens het verblijf op de veemarkt (inclusief tijdens het in- en uitladen). Verder zouden de exploitanten verantwoordelijk moeten zijn voor de invoering en de monitoring van adequate procedures om het naleven van de relevante voorschriften op hun bedrijfsterreinen te waarborgen.
In 2000 zijn inbreukprocedures tegen België ingeleid (onder meer) omdat het welzijn van dieren ernstig in het gedrang kwam bij het in- en uitladen van dieren op een veemarkt.
Na nog meer incidenten heeft België zijn wetgeving gewijzigd en strenge dwangmaatregelen goedgekeurd (zo zijn personen die voor een aantal incidenten verantwoordelijk werden geacht, gerechtelijk vervolgd). Nadat het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie een verbetering van de toestand had vastgesteld, besliste de Commissie de inbreukprocedure stop te zetten.
De Commissie is de afgelopen jaren op de hoogte gebracht van nog meer incidenten waarbij dieren op veemarkten in een aantal lidstaten zouden zijn mishandeld. Na tussenkomst van de diensten van de Commissie werden in de meeste gevallen maatregelen genomen om de situatie te verbeteren. Het werd daarom niet nodig geacht inbreukprocedures met betrekking tot deze incidenten in te leiden.
Wat het algemene standpunt van de Commissie inzake het inleiden van inbreukprocedures bij inbreuken op het Gemeenschapsrecht ter bescherming van het dierenwelzijn betreft, verwijzen we naar het antwoord op schriftelijke vraag E-2884/02 van de heer Erik Meijer van 20 november 2002 (3).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/717 |
(2004/C 88 E/0737)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0921/04
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(26 maart 2004)
Betreft: Israëlische kernwapens
Kan de Commissie haar standpunt mededelen over het feit dat Israël het verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens niet ondertekent en dat het kernprogramma van Israël door de IAEA, de nucleaire toezichthouder van de Verenigde Naties, niet nauwkeurig wordt onderzocht?
Welke stappen denken de Commissie en de lidstaten te ondernemen om een atoomvrije zone te creëren in het Midden-Oosten?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(29 april 2004)
Ondertekening van het Nonproliferatieverdrag geschiedt op vrijwillige basis.
De EU-strategie ter voorkoming van de verspreiding van massavernietigingswapens, die in december 2003 is goedgekeurd, is een bewijs van de zeer hoge prioriteit die de EU verleent aan multilaterale verdragen en overeenkomsten inzake nonproliferatie en ontwapening. Een van de maatregelen van de strategie heeft betrekking op een diplomatieke démarche om de ondertekening, inachtneming en universele toepassing van verdragen en overeenkomsten te stimuleren. De EU en de Commissie benutten iedere gelegenheid om Israël te herinneren aan het belang van vertrouwenwekkende maatregelen op regionaal niveau.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/718 |
(2004/C 88 E/0738)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0956/04
van Brian Crowley (UEN) aan de Commissie
(23 maart 2004)
Betreft: Loskoppeling, landbouwpensioenen en gezin
Kan de Commissie bevestigen dat zij een oproep heeft ontvangen van een aantal gepensioneerde landbouwers uit de regio west Cork in verband met de schadelijke effecten van de loskoppeling bij de overdracht van pachtgrond. Is de Commissie zich ervan bewust dat ernstig afbreuk wordt gedaan aan het recht van deze landbouwers — die in goed vertrouwen besloten deel te nemen aan de vervroegde pensioenregeling — om dit land over te dragen aan hun zonen en dochters als een erfdeel dat hun rechtens toekwam en door hen ten volle kon worden ontwikkeld? Welke maatregelen denkt de Commissie te nemen om ervoor te zorgen dat zonen en dochters landbouwondernemingen erven die hen een behoorlijk bestaan garanderen?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(21 april 2004)
De herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid is afgestemd op actieve landbouwers. Er zijn geen bepalingen vastgesteld om toeslagrechten toe te kennen aan grondbezitters die in de referentieperiode met pensioen zijn gegaan en die hun grond bijgevolg hebben verpacht. De toeslagrechten zullen worden gegeven aan de pachters die in de referentieperiode op de grond in kwestie een landbouwactiviteit hebben uitgeoefend. Zoals bevestigd door het Europese Hof van Justitie in een vaste rechtspraak, kunnen landbouwers er terecht van uitgaan dat een bestaande situatie die door de communautaire instellingen bij de uitoefening van hun discretionaire bevoegdheid kan worden gewijzigd, zal worden gehandhaafd.
Landbouwers kunnen produceren zonder toeslagrechten of, zonder daartoe verplicht te zijn, toeslagrechten kopen op de markt en vanzelfsprekend kunnen zij de grond blijven verpachten aan landbouwers die toeslagrechten hebben maar niet genoeg grond.
De bedoeling om dergelijke landbouwersfamilies uit te sluiten van toekomstige toeslagrechten of te voorkomen dat zonen en dochters boerderijen kunnen erven waarmee zij zich een behoorlijk bestaan kunnen verschaffen, bestaat evenwel niet.
De Commissie is er zich van bewust dat landbouwers die hebben deelgenomen aan programma's voor vervroegde uittreding, hun boerderij tijdelijk kunnen hebben verpacht met de gedachte dat een zoon of dochter uiteindelijk de boerderij zou overnemen.
Ten einde een vlot verloop van de overdracht van het bedrijf of een gedeelte daarvan binnen een familie te verzekeren, heeft de Commissie, in nauwe samenwerking met de Ierse autoriteiten, een oplossing uitgewerkt om te vermijden dat de kinderen een familiebedrijf dat in de referentieperiode was verpacht, niet zouden kunnen overnemen. Deze personen zullen worden geacht te verkeren in een bijzondere situatie in de zin van artikel 42, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (1). Dientengevolge zijn in de tenuitvoerleggingsverordening van de Commissie die momenteel in behandeling is met het oog op de goedkeuring ervan, bepalingen opgenomen voor de toewijzing aan personen in een dergelijke situatie, van toeslagrechten uit de nationale reserve indien zij het landbouwbedrijf overnemen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/718 |
(2004/C 88 E/0739)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0985/04
van Antonio Di Pietro (ELDR) aan de Commissie
(24 maart 2004)
Betreft: Verdwijning van kinderen in Mozambique
In Mozambique, met name in het gebied rond Nampula, verdwijnen sinds juli 2003 steeds weer straatkinderen, die vervolgens worden verkocht en vermoord, ook met het oog op de illegale orgaanhandel.
Deze ongehoorde feiten zijn afgelopen februari aan het licht gebracht door de missiezusters van het diocees Nampula, de Dienstmaagden van Maria, die aan bisschop Tomé hebben geschreven en de plaatselijke autoriteiten in kennis hebben gesteld van de bijzonderheden van deze vreselijke feiten, welke worden gestaafd door de verhalen van de familieleden en onderwijzers van de verdwenen kinderen.
Dat het hier om vreselijke feiten gaat en niet slechts om ernstige vermoedens wordt nog eens bevestigd door de video- en foto-opnames van Elida Dos Santos, een Braziliaanse lekenzuster die in het klooster van Nampula woont. Op de beelden zien we de zwaar verminkte lichamen van kinderen waaruit organen zijn verwijderd, terwijl andere kinderlichamen zijn teruggevonden in zakken die in afgelegen gebieden waren begraven.
Ten gevolge van de acties van de missionarissen van Mozambique tegen dit verschrikkelijke netwerk van barbaarse handelaren is op 24 februari jonstleden bovendien Doraci Edinger, een Braziliaanse lutherse missionaris die zich voor de kinderen van Nampula inzette, om het leven gebracht. Zij werd dood in haar appartement aangetroffen, vermoord door hamerslagen.
Ook paus Johannes Paulus II heeft officieel zijn hele morele autoriteit in de strijd geworpen door tijdens zijn preek op Aswoensdag erop aan te dringen dat in Mozambique iets wordt ondernomen om deze „verachtelijke handel in organen en mensen” tegen te gaan.
Kan de Europese Commissie, in het licht van deze dramatische berichten en de onverschilligheid van de internationale organisaties, concrete en urgente maatregelen treffen en bij de betrokken instanties in Mozambique stappen ondernemen, opdat middels passende maatregelen de veiligheid van de kinderen en de religieuzen in het gebied van Nampula wordt gegarandeerd?
Antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(29 april 2004)
De Commissie deelt de bezorgdheid van het geachte parlementslid naar aanleiding van de berichten over afschuwelijke misdrijven als de verdwijning van wezen en de illegale handel in hun organen in Mozambique.
De Commissie heeft in verband met deze misdrijven via haar delegatie in Maputo contact opgenomen met de openbare aanklager van de Republiek Mozambique. De openbare aanklager heeft bevestigd dat een onderzoek in gang is gezet door een multi-institutioneel team, waarin onder meer het bureau van de procureur-generaal, de recherche en de Nampula-tak van de Human Rights League vertegenwoordigd zijn, overigens niet alleen in de betrokken regio, maar ook in andere regio's van Mozambique. Het onderzoek is gaande en zal dieper ingaan op de beschuldigingen van illegale handel. In geen van de vermeende gevallen is het bewijs op tafel gebracht dat er sprake is geweest van illegale handel in menselijke organen. Verder is in Mozambique de politieke wil aanwezig om personen die zich schuldig hebben gemaakt aan deze misdrijven, voor de rechter te brengen. Over deze ernstige zaak is langdurig gedebatteerd in het parlement van Mozambique en de regering is verzocht meer te doen om deze kwestie volledig uit te zoeken en de schuldigen voor de rechter te brengen.
Deze kwestie zal ook aan de orde worden gesteld in het kader van de politieke dialoog EU-Mozambique.
De Commissie is zich bewust van de bezorgdheid over de veiligheid van zendelingen. Deze zaak valt strikt gezien buiten haar bevoegdheid en kan ook beter worden opgenomen door de verschillende ambassades, maar de Commissie zal in het kader van de EU-coördinatie en de politieke dialoog EU-Mozambique trachten dit vraagstuk op de meest passende wijze aan de orde te stellen bij de regering van Mozambique.
Mozambique ontvangt bijstand voor het rechtsstelsel (strategische planning, toegang tot justitie, mensenrechten, hervorming van penitentiaire instellingen, rechtsopleiding, civiele rechtbank van Maputo, politie van Mozambique). Het krijgt die bijstand van de EU (Denemarken, Spanje, Ierland, Italië, Nederland en Portugal), Noorwegen, het VN-ontwikkelingsprogramma (UNDP) en USAID.
Het geachte parlementslid kan verzekerd zijn dat de Commissie, op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen, steun zal blijven verlenen aan de regering van Mozambique om de onderzoekscapaciteit verder uit te breiden, zodat in dit land rechtvaardigheid kan heersen.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/720 |
(2004/C 88 E/0740)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1000/04
van Michiel van Hulten (PSE) aan de Commissie
(24 maart 2004)
Betreft: Publicatie van het boek „De grenzen van Europa” door Commissaris Bolkestein
Op woensdag 10 maart jl. heeft Commissaris Bolkestein het boek „De grenzen van Europa” gepubliceerd. In tv-programma Buitenhof zei Commissaris Bolkestein op 7 maart jl. over de totstandkoming van zijn boek: „Het afwerken, het uitwerken is buitengewoon tijdrovend en als ik niet verschillende secretaresses met verschillende talen in mijn kabinet had gehad, en als ik niet de vertaaldiensten van de Commissie had gehad, had ik het nooit gekund.”
|
1. |
Heeft Commissaris Bolkestein de voorzitter van de Europese Commissie van tevoren van de publikatie van zijn boek op de hoogte gesteld, zoals de gedragscode voor Europees Commissarissen voorschrijft? Zo ja, wanneer? |
|
2. |
Heeft hij aangegeven aan welk goed doel de opbrengsten uit de verkoop van het boek zullen worden geschonken, zoals de gedragscode voorschrijft? Zo ja, wanneer en aan welk goed doel? |
|
3. |
Heeft Commissaris Bolkestein inderdaad gebruik gemaakt van de diensten van de Europese Commissie voor het uitwerken en vertalen van (onderdelen van) zijn boek? Zo ja, wat was de precieze aard van de verleende ondersteuning en wat zijn hiervan de kosten geweest? |
|
4. |
Heeft de Commissie ervoor gezorgd dat de kosten van het inzetten van Commissie-ambtenaren binnen het kabinet van Commissaris Bolkestein en binnen de vertaaldienst worden afgetrokken van het aan het goede doel over te maken bedrag, of, in het geval van een negatief saldo, aan Commissaris Bolkestein in rekening worden gebracht? |
|
5. |
Is de Commissie in algemene zin van mening dat het Commissarissen vrij staat om de diensten van de Commissie in te schakelen bij het schrijven van boeken of het uitvoeren van andere activiteiten die niet rechtstreeks voortvloeien uit hun takenpakket? |
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(27 april 2004)
Bij de voorbereiding en publicatie van het boek „De grenzen van Europa” werd de gedragscode voor Commissarissen gerespecteerd. Commissaris Bolkestein heeft de voorzitter op 3 februari 2004 meegedeeld voornemens te zijn het boek in kwestie te publiceren. Bovendien worden de auteursrechten voor dit werk, dat in het kader van zijn functie is geschreven, aan een liefdadigheidsinstelling van zijn keuze overgemaakt. Uit discretie-overwegingen vindt de Commissaris het niet gepast de naam van de begunstigde organisatie bekend te maken.
De totstandkoming van dit boek vormt een integrerend deel van zijn werk als Europees Commissaris. Hij wil hiermee het debat over Europese thema's, zoals de Europese integratie en de toekomst van Europa, aanzwengelen. Met dit boek wil hij ook de aandacht van de burger vestigen op de Europese verkiezingen en dus bijdragen aan een grotere opkomst bij deze verkiezingen. Overigens moet erop worden gewezen dat de voorbereiding van het boek de uitvoering van zijn andere taken als Commissaris nooit in het gedrang heeft gebracht.
Logischerwijze kreeg de heer Bolkestein technische steun van de diensten van de Commissie bij de voorbereiding van zijn boek, aangezien het om de uitvoering van een taak ging die onder zijn functie als Commissaris viel. Bovendien heeft deze steun de uitvoering van andere taken van deze diensten nooit in de weg gestaan.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/721 |
(2004/C 88 E/0741)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1007/04
van Manuel Medina Ortega (PSE) aan de Commissie
(25 maart 2004)
Betreft: Uitsplitsing van het POSEI-deel in de begroting 2004
Tot 2004 bevatte de jaarlijkse begroting van de Gemeenschap in het kader van het EOGFL-Garantie een begrotingslijn voor elk POSEI-programma, bestaand uit twee gedeelten: een post „Voorziening” en een post „Overige maatregelen”, d.w.z. ter ondersteuning van de lokale productie. Hierbij ging het om de posten B1-320 Poseidom (B1-3200 Voorziening en B1-3201 Overige maatregelen), Bl-321 Poseima (B1-3210 Voorziening en B1-3211 Overige maatregelen), en Bl-322 Poseican (B1-3220 Voorziening en B1-3221 Overige maatregelen).
Als gevolg van de wijzigingen die in de structuur van de begroting 2004 zijn aangebracht zijn de begrotingslijnen voor POSEI nu gestroomlijnd en samengevoegd, en zijn zij ondergebracht in Titel 05 „Landbouw en plattelandsontwikkeling”, post 05 02 11 04, waarin ook opgenomen zijn de bedragen voor de eilanden in de Egeïsche Zee en andere zaken, bijvoorbeeld subsidie voor rijst aan het eiland Reunion, die voorheen separaat werden vermeld. Door dit systeem zijn de vroegere duidelijkheid en transparantie verloren gegaan en zijn de bedragen voor elk afzonderlijk POSEI-programma niet meer te zien, evenmin als de bedragen voor elk onderdeel daarvan. Hierdoor, en omdat ook de uitvoering van de begroting 2002 gestroomlijnd is, valt niet meer na te gaan wat er binnen elk POSEI-programma is uitgevoerd.
Welk bedrag is er in de begroting 2004 voor Poseican uitgetrokken?
Welk deel van dit bedrag is bestemd voor de speciale voorzieningsregeling, en welk deel voor steunmaatregelen ten behoeve van de lokale productie?
Welke bedragen zijn er in 2002 en 2003 uitbetaald uit hoofde van de speciale voorzieningsregeling, en welke uit hoofde van de „overige maatregelen” van Poseican?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(21 april 2004)
De voor het begrotingsjaar 2004 aan het programma Poseican toegewezen kredieten bedragen 137 miljoen euro, waarvan 103 miljoen euro is uitgetrokken voor de speciale voorzieningsregeling en 34 miljoen euro voor de steunmaatregelen voor lokale producties.
De in 2002 et 2003 geconstateerde effectieve uitgaven belopen:
|
— |
Specifieke voorzieningsregeling:
|
|
— |
Overige maatregelen:
|
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/721 |
(2004/C 88 E/0742)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1064/04
van André Brie (GUE/NGL) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: Tegenstrijdigheden bij de aanleg van de regionale weg S 282 A in de vrijstaat Saksen
Steller van de vraag wil de Commissie wijzen op de problematiek van de aanleg van de regionale weg S 282 A in de vrijstaat Saksen, die o.a. ook voorwerp is van een verzoekschrift (364/2000) aan het Europees Parlement. Dit verzoekschrift werd reeds op 25 mei 2000 geregistreerd, voor het laatst op 20 februari 2003 behandeld door de Commissie verzoekschriften, en sindsdien is het wachten op de inlichtingen die gevraagd zijn aan de desbetreffende autoriteiten in Duitsland.
Sinds de indiening van het verzoekschrift, nu ongeveer vier jaar geleden, en de tussentijdse voltooiing van de regionale weg S 282 A is steeds meer tegenstrijdige informatie aan het licht gekomen, die hierna wordt uiteengezet.
Eerst gaat het over tegenstrijdige gegevens betreffende de kosten.
In een schrijven aan de heer Nino Gemelli (voorzitter van de Commissie verzoekschriften) d.d. 23 mei 2003 bevestigt ambassadeur dr. Schönfelder (permanente vertegenwoordiging van Duitsland bij de EU), zich baserend op de Duitse autoriteiten, het bedrag van 50 miljoen euro voor de uitbreiding van de regionale weg S 282 Α.
In een schrijven aan de voorzitter van het Saksische parlement, de heer Iltgen, van 19 mei 2003, becijfert de minister van het Saksische Staatsministerie voor Economie en Arbeid de totale kosten voor de uitbreiding van de weg op 4,63 miljoen euro, en slechts enkele weken later (4 juli 2003) noemt hij naar aanleiding van dezelfde vraag aan de voorzitter van het parlement Iltgen nog slechts een bedrag van 4,3 miljoen euro.
Voorts bestaat de verdenking dat de aanleg van de regionale weg S 282 A op bewust misleidende wijze als „uitbreiding” werd opgegeven, want reeds een jaar na voltooiing van de weg werd deze van oorspronkelijk „supraregionaal” (categorie II) tot „regionaal” (categorie III) gedegradeerd.
Kan de Commissie meedelen in hoeverre zij op de hoogte is van deze tegenstrijdige feiten, en of zij, wanneer dit niet het geval is, voornemens is, zulks ter plaatse te onderzoeken of op te helderen?
Aanvullend antwoord van de heer Barrot namens de Commissie
(28 juni 2004)
Afgaande op gegevens die de Commissie op 16 april 2004 heeft ontvangen van de beheersautoriteit in Saksen, is de toestand met betrekking tot de investeringen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) in het project dat door het geachte parlementslid wordt genoemd, als volgt:
Met steun van het EFRO is de bedoelde weg, de Staatsstrasse 282 A, heraangelegd. De planning ging uit van totale kosten van EUR 9,081 miljoen. Tot op heden is er EUR 5,3 miljoen uitbetaald en zal er nog ongeveer EUR 0,705 miljoen volgen. Het EFRO draagt 75 % van de totale kosten bij.
De Commissie is ervan op de hoogte dat bij de aanbieding van de cijfers voor dit project tegenstrijdigheden aan het licht kunnen zijn gekomen omdat zij op verschillende tijdstippen werden gegeven en daarom een weerspiegeling vormen van de toestand in verschillende stadia van de tenuitvoerlegging.
Wat de statuswijziging van de weg aangaat, de beheersautoriteit van het programma heeft de Commissie laten weten dat de betrokken weg in 1997 van plaatselijke weg is opgewaardeerd tot regionale weg. Er heeft dus geen afwaardering plaatsgevonden.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/722 |
(2004/C 88 E/0743)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1081/04
van Maria Sanders-ten Holte (ELDR) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: De kleinere Europese scholen
In zijn resolutie van 17 december 2002 stelde het Europees Parlement dat de Europese scholen bijdragen tot de versterking van de Europese gedachte en tot de Europese integratie. Toch worden verschillende kleinere Europese scholen met opheffing bedreigd. Het Europees Parlement heeft er ook op gewezen dat er gekeken zou moeten worden naar mogelijkheden om (financieel) met plaatselijke, regionale of nationale autoriteiten samen te werken, waarbij vooral de taaiverscheidenheid hoog in het vaandel moet blijven staan.
In mei 2003 heeft de Raad van Bestuur van de Europese scholen werkgroepen ingesteld die de leefbaarheid van elk van de kleine scholen moet onderzoeken.
|
1. |
Hebben de werkgroepen hun onderzoek afgerond en een eindrapport opgesteld? Zo nee, waarom komt de Europese Commissie dan nu al met voorstellen om de Europese bijdrage aan de scholen te verminderen? |
|
2. |
Wat is het standpunt van de Europese Commissie met betrekking tot het openstellen van het Europese Baccalaureaat voor een veel breder publiek door samenwerking met lokale, regionale of nationale scholen en door meer leerlingen van buitenaf op de Europese school toe te laten? |
|
3. |
Door de komende uitbereiding van de EU zal het onderwijs in de moedertaal op de Europese scholen, toch een van de kenmerken van deze scholen, zwaar onder druk komen te staan, omdat er vooral op de kleine scholen te weinig leerlingen zouden zijn voor het opzetten van een aparte taaisectie of omdat de infrastructuur het niet toelaat. Hoe denkt de Commissie het onderwijs in de moedertaal in de toekomst te garanderen? |
|
4. |
Is de Europese Commissie bereid om de lidstaten aan te moedigen een docent moedertaal te detacheren voor die talen waar geen aparte taaisectie voor opgezet is/wordt? |
Antwoord van de heer Kinnock Namens de Commissie
(30 april 2004)
De begrotingsprocedures waar het geachte parlementslid naar verwijst zijn dezelfde, ongeacht de omvang van een Europese School. In de bijeenkomst van het Administratieve en Financiële Comité van de Raad van Bestuur van eind maart 2004 werden de ontwerp-begrotingen voor 2005 voor elke Europese School met eenstemmigheid goedgekeurd, met instemming van de directeur van elke Europese School. Het bedrag aan subsidie dat van de EU-begroting wordt gevraagd werd de Commissie medegedeeld; dit bedrag zal door de Commissie aan de begrotingsautoriteit worden voorgelegd.
De verslagen van de werkgroep over de levensvatbaarheid op lange termijn van de kleine Europese Scholen werden niet aan de ontwerp-begroting van 2005 gekoppeld, doch voorgelegd als een afzonderlijke kwestie voor de vergadering eind januari 2004 van de Raad van Bestuur. Vanwege het schijnbaar gebrek aan innovatieve en werkbare alternatieven, vooral met betrekking tot de samenwerking met plaatselijke, gewestelijke of nationale scholen, werd de werkgroepen een laatste gelegenheid geboden om in hun verslag nog nadere toelichting te geven en om in de vergadering van de Raad van Bestuur van eind april 2004 een herziene versie voor te leggen.
Over het onderwerp van de bredere toegankelijkheid van het Europees baccalaureaat in andere dan de Europese Scholen zij gezegd dat de Commissie actief deelneemt in een Werkgroep van de Raad van Bestuur om de haalbaarheid en modaliteiten van dit voorstel na te gaan. De Commissie vindt evenwel niet dat het toelaten tot de sterk gesubsidieerde Europese Scholen van meer leerlingen van buitenaf een geschikt middel is om het Europees baccalaureaat open te breken. Het geachte parlementslid beseft ongetwijfeld dat aangezien nationale onderwijsstelsels binnen de bevoegdheden van de lidstaten blijven, de Commissie op dit gebied geen daadwerkelijke bevoegdheid tot initiatief bezit.
De Commissie is het met het geachte parlementslid eens dat de taaiverscheidenheid als gevolg van de aanstaande uitbreiding in de Europese Scholen tot druk op het onderwijs in de moedertaal zal leiden. De door de Raad van Bestuur in oktober 2002 vastgestelde criteria voor het aantal leerlingen dat nodig is om een nieuwe taaiafdeling te beginnen, rechtvaardigen de opening van Poolse, Hongaarse en Tsjechische afdelingen in Brussel en Luxemburg, met ingang van september 2004. De Europese Scholen zijn evenwel bezig zowel voltijdse als deeltijdse leraren aan te trekken om onderwijs in de moedertaal te bieden aan kinderen van EU-personeel van andere nationaliteiten voor wie er nog geen afdeling in de eigen taal is.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/724 |
(2004/C 88 E/0744)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1125/04
van Daniela Raschhofer (Nl) aan de Commissie
(6 april 2004)
Betreft: EU-programma's met Turkije — eventuele gevolgen van een volledig lidmaatschap
Voordat de Europese Raad in december 2004 zijn besluit neemt over het begin van toetredingsonderhandelingen met Turkije, zouden de volgende vragen moeten worden beantwoord, die ik hierbij aan de Commissie stel:
|
— |
In het kader van welke programma's werden aan Turkije reeds EU-middelen ter beschikking gesteld? |
|
— |
Welke omvang hebben de reeds ter beschikking gestelde middelen? |
|
— |
Met welke financiële gevolgen dan wel verplichtingen zou de EU in het geval van een volledig lidmaatschap van Turkije rekening moeten houden? |
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(29 april 2004)
Tot 2002 ontving Turkije steun uit hoofde van het MEDA-programma en twee verordeningen ter ondersteuning van de douane-unie (1) en de economische en sociale ontwikkeling (2). De Raad hechtte op 17 december 2001 zijn goedkeuring aan een verordening betreffende financiële pretoetredingssteun voor Turkije. Die verordening trad in januari 2002 in werking en vormt tot op heden de rechtsgrond voor onze financiële samenwerking met Turkije.
In de periode 2000-2003 bedroeg de jaarlijkse financiële bijstand aan Turkije gemiddeld 177 miljoen euro. In april 2003 bereikten het Parlement, de Raad en de Commissie een akkoord over het opnemen van Turkije in de rubriek pretoetreding van de financiële vooruitzichten en over de substantiële verhoging van de financiële bijstand voor de periode 2004-2006 tot in totaal 1,05 miljard euro voor drie jaar (250 miljoen euro in 2004, 300 miljoen euro in 2005 en 500 miljoen euro in 2006).
Er dient in dit verband aan te worden herinnerd dat het besluit van de Europese Raad in december 2004 gebaseerd zal zijn op de vraag of Turkije voldoet aan de politieke criteria van Kopenhagen. Duidelijk is dat de toetreding van een land met een omvang en inwoneraantal als Turkije een grote impact zal hebben op de EU, het EU-beleid en de EU-instellingen. De concrete financiële gevolgen en/of verplichtingen voor de EU zijn afhankelijk van het resultaat van de onderhandelingen.
(1) Verordening (EG) nr. 764/2000 van de Raad van 10 april 2000 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter verdieping van de douane-unie EG-Turkije (PB L 94 van 14.4.2000).
(2) Verordening (EG) nr. 257/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 januari 2001 betreffende maatregelen ter bevordering van de economische en sociale ontwikkeling van Turkije (PB L 39 van 9.2.2001).
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/724 |
(2004/C 88 E/0745)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1190/04
van Joan Valivé (ELDR) aan de Commissie
(14 april 2004)
Betreft: Forum van de culturen 2004
Op mijn vraag over het forum van de culturen dat op 9 mei as. in Barcelona wordt geopend (11-0539/03 (1)) heeft de Commissie op 21 oktober 2003 geantwoord dat zij de voorbereidende werkzaamheden van het forum aandachtig zal volgen en een aantal maatregelen zal nemen om de dialoog tussen de culturen te bevorderen.
Nu bovengenoemde datum snel nadert, wordt de Commissie verzocht mee te delen welke maatregelen zij denkt te nemen en of in het kader van de genoemde dialoog over de culturen rekening zal worden gehouden met de specifieke culturele kenmerken van Catalonië, met name de Catalaanse taal, de officiële taal in de documenten van het forum.
Antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie
(30 april 2004)
In haar recente mededeling over actief burgerschap heeft de Commissie de hoofdlijnen van het toekomstige cultuurprogramma beschreven. Zij stelt voor om in dit programma veel aandacht te besteden aan de bevordering van interculturele dialoog, aangezien dit een belangrijke meerwaarde van het communautaire cultuurbeleid vormt.
Wat betreft het forum dat van mei tot september 2004 wordt georganiseerd in Barcelona, herhaalt de Commissie dat zij de werkzaamheden van het forum aandachtig zal volgen, maar dat dit initiatief niet van haar uitgaat. Wat de eventuele officiële talen van dit evenement betreft, stelt de Commissie dan ook voor om contact op te nemen met de organisatoren, namelijk de Unesco, de Spaanse staat, de Catalaanse regering en de stad Barcelona. De website van het forum (http://www.barcelona2004.org) blijkt in ieder geval drietalig te zijn (Engels, Catalaans en Spaans).
(1) Schriftelijk antwoord van 21.10.2003.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/725 |
(2004/C 88 E/0746)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1200/04
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(14 april 2004)
Betreft: Erkenning door de EU van de vorderingen van de Oekraïne bij het verwerven van de Status van de markteconomie
De beoordeling van de verenigbaarheid van de economie van de Oekraïne met de door de antidumping wetgeving van de EU verlangde criteria lijkt te stagneren. Dit proces werd begonnen in september 2000, toen de Oekraïne de bijzondere Status van markteconomie werd verleend, en in oktober 2000 werden onderhandelingen begonnen over het verkrijgen van de volledige Status van markteconomie. De Europese Commissie heeft, zoals de gebruikelijke praktijk verlangt, de naleving van de Oekraïne onderzocht van een aantal hoofdstukken van de Status van markteconomie, en met name de niet-inmenging door de staat in het besluitvormingsproces van ondernemingen en de verdeling van het ondernemingsvermogen, een duidelijke ondernemingsboekhouding en procedures voor onafhankelijke accountantscontrole, het voortbestaan van marktdistorsies ter gevolgen van de centraal geleide economie in de periode van de Sovjetunie, wettelijke zekerheid omtrent rechtsaanspraken en faillissementsprocedures overeenkomstig internationale normen, alsmede het hebben van een vrij, door de markt bepaald wisselkoersmechanisme.
In september 2002 heeft de heer Prodi de heer Leonid Kuchma van de Oekraïne ontmoet en hem verzekerd dat de EG, binnen zes maanden na het verkrijgen van uitvoerige antwoorden van de regering van de Oekraïne over de marktstatus van de Oekraïense economie, haar besluit kenbaar zal maken. Ondanks verdere navraag tijdens de vierde en zesde Samenwerkingscommissie EU-Oekraïne en nadere verzekeringen door het lid van de Commissie, de heer Lamy, van de bereidheid van de Oekraïne in oktober 2003, heeft de Oekraïne nog steeds geen antwoord gehad over de vraag of het land de volledige Status van markteconomie wordt toegekend. Bovendien zijn de afgelopen drie jaar verdere verbeteringen van de Oekraïense economie tot stand gekomen. Het BNP bijvoorbeeld is tussen 2002 en 2003 met 8,5 % gestegen, er is thans geen overheidsbemoeiing meer met het besluitvormingsproces van ondernemingen, er bestaande gelijke rechten voor de bedrijvigheid van ondernemingen ongeacht hun eigendomsvorm, de prijzen worden vrijwel geheel bepaald door het vrije marktmechanisme en niet langer door de staat, en meer dan 90 % van de markt is in particuliere handen terwijl minder dan 10 % van de markt in handen van de overheid is.
Draalt de Commissie, gezien deze objectieve feiten en het geopolitiek geïnspireerde besluit om Rusland de volledige Status van markteconomie toe te kennen, opzettelijk met haar besluit vanwege politieke redenen, in plaats van de vereiste economische criteria strikt toe te passen?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(30 april 2004)
De beoordeling of een land de status van markteconomie moet worden verleend ten behoeve van onderzoeken in het kader van de handelsbescherming is een technische analyse, met zeer specifieke praktische parameters die erop gericht zijn te garanderen dat voor onderzoeken in het kader van de handelsbescherming kan worden vertrouwd op de kosten en de prijzen van bedrijven.
Er zij op gewezen dat de Commissie elke aanvraag voor de status van markteconomie op zijn eigen merites beoordeelt en hiertoe liever geen vergelijkingen maakt met andere landen die een dergelijke aanvraag hebben gedaan.
De Commissie heeft de officiële aanvraag van Oekraïne om verkrijging van de status van markteconomie voor onderzoeken in het kader van de handelsbescherming in mei 2002 ontvangen. De voorlopige beoordeling van de Commissie is in maart 2003 uitgebracht. Daarin zijn vijf gebieden aangegeven waarop aanvullende informatie of verdere voortgang werd vereist. Oekraïne heeft de gevraagde informatie in drie fasen toegestuurd, namelijk in juni 2003, in december 2003 en in januari 2004.
Het lid van de Commissie dat Handel in zijn portefeuille heeft, heeft sindsdien nog geen garantie afgegeven dat Oekraïne klaar is om de status van markteconomie te krijgen. De diensten van de Commissie die zich bezighouden met handelsbescherming, hebben zich ertoe verbonden hun beoordeling over de voortgang op vijf in maart 2003 aangegeven problematische gebieden in april 2004 af te ronden. Dit document zal niet lang daarna beschikbaar worden gesteld aan de lidstaten en aan de Oekraïense autoriteiten.
De beoordeling van de status van markteconomie zal derhalve binnenkort volledig zijn afgerond. In dit verband verwelkomt de Commissie de voortgang die Oekraïne heeft geboekt bij zijn economische hervormingen, waarmee dat land een stap heeft gezet op weg naar beantwoording aan de criteria voor de status van markteconomie. De Commissie blijft zich onverminderd inzetten voor het verlenen van de status van markteconomie aan Oekraïne, zodra voldoende voortgang is geboekt op de aangegeven probleemgebieden en zodra aan de technische voorwaarden hiervoor is voldaan.
Ook moet in herinnering worden gebracht dat individuele Oekraïense bedrijven een aanvraag kunnen doen om te worden behandeld als marktgericht bedrijf.
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/726 |
(2004/C 88 E/0747)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1203/04
van Gianfranco Dell'Alba (Nl) aan de Commissie
(14 april 2004)
Betreft: Vermeende onregelmatigheden bij het beheer van de middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), bestemd voor project 8.ACP.PNG.003
|
1. |
Met betrekking tot de gunningsprocedure voor de selectie van het bedrijf dat de plaats zou innemen van de oorspronkelijke consulent (Studio Bichara s.r.l, hierna: „SB”) bij de aanbesteding van het project 8.ACP.PNG.003 zou ik de Commissie het volgende willen vragen:
|
|
2. |
Waarom is de leiding van de werkzaamheden die oorspronkelijk door SB werden gepland, na de ontbinding van de overeenkomst met SB, aan PAC/ETS gegund tegen een vergoeding van circa EUR 722 000, vergeleken met de EUR 660 000 die oorspronkelijk met SB waren bedongen voor dezelfde prestaties, plus EUR 100 000 voor aanvullende diensten en, na de kritiek van PAC/ETS zelf op het project voor Unitech van SB, een aanvullend beding met een waarde van circa EUR 420 000 voor het nieuwe ontwerp van alleen het Unitech-instituut (tegenover de EUR 600 000 bedongen met SB voor het ontwerp van alle negen bij het project betrokken instituten)? |
Aanvullend antwoord van de heer Nielson namens de Commissie
(8 juli 2004)
Na de aanvullende documentatie te hebben ontvangen van de delegatie in Papoea-Nieuw-Guinea kan de Commissie nu punt 2 van de bovenvermelde schriftelijke vraag beantwoorden.
De twee vermelde contracten kunnen niet geheel met elkaar worden vergeleken wat de omvang van de diensten betreft aangezien het tweede contract dat gegund werd aan PAC/ETS ook de ontwerp-evaluatie omvat die in het oorspronkelijk contract niet was voorzien. Dat verklaart het hogere bedrag van het tweede contract.
Vervolgens werd om bijkomende diensten verzocht om in sommige gebouwen geotechnische onderzoeken te kunnen verrichten.
In een later stadium verzocht de aanbestedende dienst om een nieuw ontwerp van het Unitech-gebouw omdat in het oorspronkelijk ontwerp enkele fouten waren ontdekt. Dat is de reden voor het aanvullend beding waarvan sprake is in de schriftelijke vraag.
De Commissie is evenwel met een nader onderzoek begonnen om na te gaan of de in het contract vermelde bedragen geheel gerechtvaardigd zijn.
Rectificaties
|
8.4.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 88/728 |
(2004/C 88 E/0748)
RECTIFICATIES
Rectificatie op het antwoord op schriftelijke vraag P-2323/03 van mevrouw Schreyer namens de Commissie
( „Publicatieblad van de Europese Unie” C 65 E van 13 maart 2004 )
Blz. 131, punt 2.b) als volgt lezen:
|
2. b) |
Welke functies vervullen ze sindsdien? Een van de twee leidinggevende ambtenaren werd aangesteld als hoofd van een eenheid bij DG PRESS. De andere werd, na een korte periode werkzaam te zijn geweest als raadadviseur bij DG ADMIN, benoemd tot hoofd van een eenheid bij DG ADMIN. |