|
ISSN 1725-2474 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 65E |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
47e jaargang |
|
NL |
|
I (Mededelingen)
EUROPEES PARLEMENT
SCHRIFTELIJKE VRAGEN MET ANTWOORD
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/1 |
(2004/C 65 E/001)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0547/02
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(27 februari 2002)
Betreft: Afschaffing van de „Access Fee” op vliegvelden
Een groot deel van de luchtvaartsector beschouwt de verplichte heffing voor het recht op het verlenen van diensten op de grond, naast de huur en de overige luchtvaartrechten die instanties en zelfstandigen reeds betalen, als onterecht en veel te hoog.
In Duitsland heeft Lufthansa middels een rechtzaak de afschaffing van deze zogenaamde Acces Fee bewerkstelligd. Naar verluidt overweegt Air France ook een rechtszaak aan te spannen.
Kan de Commissie een reactie geven op de uitspraak van de Duitse rechtbank?
Is de Commissie van plan desbetreffend wetgevingsinitiatieven te ontplooien?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(17 april 2002)
Het geachte parlementslid lijkt te verwijzen naar het vonnis van het Oberlandesgericht (Regionale Rechtbank) van Frankfurt am Main dat in 2001 werd gewezen in de gerechtelijke procedures tussen de luchthaven Hannover-Langenhagen en Lufthansa.
In dit conflict gaat het om de vraag, of de luchthaven Hannover het recht heeft om van Lufthansa te verlangen een Access Fee te betalen voor het zelf afhandelen van de incheckformaliteiten voor haar luchtpassagiers en het aanbieden van zulke diensten voor luchtpassagiers van andere luchtvaartmaatschappijen.
Het vonnis geeft nog geen oordeel over het geschil, maar de rechtbank houdt haar uitspraak aan en legt een aantal vragen voor aan het Hof van Justitie voor de Europese Gemeenschappen voor een prejudiciële beslissing op grond van artikel 234 van het EG-Verdrag. Deze vragen betreffen de interpretatie van Richtlijn 96/67/EG van de Raad van 15 oktober 1996 betreffende de toegang tot de grondafhandelings-markt op de luchthavens van de Gemeenschap (1) en zijn hoofdzakelijk bedoeld om van het Hof van Justitie opheldering te verkrijgen over de vraag of en in welke mate de Access Fee geheven kan worden van zelfafhandelaren en derde afhandelaren die al op een vliegveld aanwezig waren voordat de richtlijn van kracht werd.
De zaak werd op 24 september 2001 door het Hof van Justitie geregistreerd en de Commissie heeft haar opmerkingen over de zaak op 14 januari 2002 bij het Hof ingediend.
Er is wat betreft deze specifieke zaak geen wetgevingsinitiatief voorzien, maar de Commissie zal in 2003 een uitgebreid onderzoek naar de richtlijn instellen. Dit zal kunnen leiden tot voorstellen voor wijzigingen van gedeelten van de richtlijn.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/2 |
(2004/C 65 E/002)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0761/02
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(18 maart 2002)
Betreft: Schadevergoeding aan landbouwers
Volgens berichten in de Griekse pers heeft een landbouwster in Griekenland in het dorp Theopetra bij Kalambaka (departement Trikala) tot haar verbazing vastgesteld dat de schadevergoeding die de Griekse Landbouwverzekeringen hebben goedgekeurd voor de vernietiging van haar oogst door hagel, de astronomische som van 1,16 EUR bedroeg!
Kan de Commissie zeggen of zij kredieten geeft aan Griekenland om te gebruiken voor schadevergoedingen voor natuurrampen? Is er iets voorzien in de reserve voor natuurrampen van de EU-begroting of in de uitgaven die elk jaar voor de landbouw worden uitgetrokken? Zo ja, hoeveel bedragen deze kredieten? Is de Commissie op de hoogte over de manier waarop Griekenland deze kredieten beheert? Wat denkt zij over de hoger genoemde minimale compensatie aan de Griekse landbouwster? Zijn er minimumbedragen voor deze schadevergoedingen? Zijn er soortgelijke gevallen in andere EU-lidstaten?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(18 april 2002)
Naar aanleiding van de vraag van het geachte parlementslid werd de Commissie op deze zaak geattendeerd en heeft zij onderzoek gedaan naar de bijzonder lage vergoeding die door de ELGA (de Griekse verzekeringsmaatschappij voor de landbouw) in een specifiek geval in het dorp Theopetra, bij Kalambaka in het district Trikala is toegekend.
De ELGA is geen eindbegunstigde van de desbetreffende communautaire maatregel voor schadevergoeding bij natuurrampen, die kan worden toegekend in het kader van het nationaal operationeel programma voor plattelandsontwikkeling 2000-2006. De ELGA wordt gefinancierd door de leden die uit individuele boeren bestaan. De ELGA is voorts onderworpen aan de nationale wetgeving en aan de nationaal geldende procedures en schadedrempels. Op grond van de bestaande communautaire wetgeving worden nationale steunmaatregelen alleen ter goedkeuring aan de Commissie voorgelegd om verstoring van de concurrentieverhoudingen te voorkomen. De Commissie is in dit specifieke geval dan ook niet gerechtigd kanttekeningen te plaatsen bij de hoogte van het bedrag en de gevolgde procedures.
De communautaire bijdrage op dit gebied wordt verstrekt via het nationaal operationeel programma voor plattelandsontwikkeling 2000-2006, waarin een specifieke maatregel is opgenomen voor schadevergoedingen aan landbouwers na natuurrampen. De financiële compensaties voor de getroffen landbouwers mogen echter alleen betrekking hebben op de schade aan het productiepotentieel en niet op de gederfde inkomsten, zoals is geschied in het specifieke geval in Theopetra, bij Kalambaka in het district Trikala. De eindbegunstigde van deze maatregel is de PSEA, een onderdeel van het Griekse Ministerie van Landbouw dat belast is met de beleidsplanning in noodsituaties. De programmering, uitvoering en controle van deze specifieke maatregel zijn onderworpen aan de bepalingen van de communautaire wetgeving.
Als de voor dit doel vastgelegde middelen niet toereikend zijn om grote problemen in de Griekse plattelandsgebieden te overwinnen, kan de Gemeenschap extra middelen vrijmaken uit de kredieten van het derde communautair bestek 2000-2006 ten behoeve van Griekenland, inclusief bijbehorende programmareserve. Andere mogelijkheden voor specifieke financiële steun of compensaties van de Gemeenschap zijn er niet. Voor alle lidstaten zijn vergelijkbare regelingen ingesteld.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/2 |
(2004/C 65 E/003)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2725/02
van Camilo Nogueira Román (Verts/ALE) aan de Commissie
(30 september 2002)
Betreft: Schending van de communautaire milieuvoorschriften bij de aanleg van de autoweg A-9 tussen Spanje en Portugal
Bij de aanleg van de snelweg A-9, en meer in het bijzonder het tracé tussen het knooppunt Rebullón (Tui, Spanje) en de Portugese grens, wordt ernstige milieuschade aangericht in het gebied waar deze werkzaamheden plaatsvinden, waarbij met name aan verschillende waterlopen in deze regio schade wordt toegebracht. Voor het project is geen milieueffectbeoordeling verricht en in bestaande studies is geen aandacht besteed aan analyse van de grondwaterlagen die noodzakelijk zijn voor de drinkwatervoorziening en de irrigatie van aanpalende landbouwgronden. Er is sprake van onvoldoende drainage met als gevolg, in combinatie met de weersomstandigheden, onherstelbare schade aan deze zone. De bestuurlijke instanties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de werkzaamheden (Ministerie voor Infrastructuur, de regering van Galicië en de diverse gemeentebesturen) sluiten de ogen voor dit probleem en willen niets weten van de talloze en veelvuldige protesten van buurtverenigingen. Bovendien zijn er reeds twee doden gevallen: een vrachtwagenchauffeur werd getroffen door een neerstortende balk en een protesterende buurtbewoner kwam tijdens een protestbetoging om het leven. Naar beide gevallen is een gerechtelijk onderzoek gaande.
Kan de Commissie mededelingen verstrekken over de communautaire subsidie voor deze werkzaamheden? Kan de Commissie onderzoeken of de Spaanse overheid met deze werkzaamheden in strijd handelt met de bescherming van het milieu, voor wat betreft lozing van vervuilende stoffen?
Aanvullend Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(3 april 2003)
Dankzij schriftelijke vraag E-1924/02 van mevrouw Rosa Miguelez Ramos en mevrouw María Sornosa Martínez (1) is de Commissie op de hoogte van de door het geachte parlementslid te berde gebrachte feiten. Zij heeft in dat verband ambtshalve een dossier geopend met als referentienummer 2002/2199.
De Commissie heeft de Spaanse autoriteiten verzocht informatie te verstrekken over de aangeklaagde feiten teneinde de correcte toepassing van de relevante communautaire wetgeving in deze zaak te verifiëren.
Bij hun antwoord hebben de Spaanse autoriteiten het milieueffectrapport met betrekking tot het tracé van de autoweg gevoegd, alsmede de op 30 augustus 2000 afgeleverde vergunning.
Voorts hebben de Spaanse autoriteiten een afschrift toegezonden van het hydrologie-hoofdstuk van de milieueffectstudie inzake het project. Dit wordt momenteel bestudeerd door de Commissiediensten.
Wat de vraag van het geachte parlementslid inzake eventuele communautaire financiering betreft, kan de Commissie op basis van de haar door de Spaanse autoriteiten verstrekte gegevens mededelen dat de aanleg van het baanvak van de autoweg A-9, dat de „intercambiador de Rebullon” verbindt met de Portugese grens, volledig wordt gefinancierd door een consessiehoudermaatschappij en dat daarbij geen communautaire middelen worden gebruikt.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/3 |
(2004/C 65 E/004)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2820/02
van Marco Pannella (NI) aan de Commissie
(8 oktober 2002)
Betreft: Dr. Nguyen Dan Que
Vietnam heeft het Internationaal Verdrag inzake burger- en politieke rechten geratificeerd en in mei 1990 heeft Dr. Nguyen Dan Que, een arts, als vertegenwoordiger van de geweldloze Beweging voor de rechten van de mens, een manifest gepubliceerd met het verzoek aan de regering in Hanoi de fundamentele mensenrechten te respecteren, een meerpartijenstelsel te aanvaarden en het Vietnamese volk opnieuw het recht toe te kennen via vrije verkiezingen de gewenste regeringsvorm te kiezen.
Dr. Que is twee keer en in totaal 18 jaar gevangengezet, van februari 1978 tot februari 1988 en van juni 1990 tot augustus 1998, waarvan het grootste deel in isolement en hij is nu onder huisarrest geplaatst.
Op 19 september, aan de vooravond van de Werelddag van geweldloze strijd voor democratie en vrijheid, die in Vietnam op de steun kon rekenen van de transnationale radicale partij en in de Verenigde Staten gesteund werd door de broer van Dr. Que, namelijk Dr. Quan, zijn een twintigtal politiemannen het huis van Dr. Que, wiens gezondheidstoestand kritiek is, binnengedrongen onder leiding van de souschef van de veiligheidsdiensten van Saigon zonder gerechtelijke toestemming teneinde artikels en publicaties te vinden die als kritiek op de Staat beschouwd worden. De luitenant-kolonel wilde Dr. Que met geweld naar Saigon brengen waartegen deze zich verzette door zich op de grond te werpen om zo geweldloos te protesteren tegen deze beslissing. Ongeveer vier uur later verlieten de agenten het huis, maar kregen tien mensen de opdracht het te bewaken.
Is de Europese Commissie op de hoogte van deze schending van het beginsel van habeas corpus ten nadele van Dr. Que, die geviseerd wordt omdat hij in Vietnam wil blijven om er de democratie en vrijheid te bevorderen en die niet verbannen wil worden, hetgeen de regering van Hanoi wenst? Vindt de Commissie niet dat de ernstige en voortdurende schendingen van de mensen-, burger-, en politieke rechten in Vietnam, zoals in het geval van Dr. Que, een duidelijke inbreuk zijn op artikel 2 van het samenwerkingsakkoord tussen de Europese Commissie en de Vietnamese regering en vindt zij het niet nodig aan te geven welk orgaan bevoegd is toe te zien op de naleving van dit akkoord en de normen ervan?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(8 november 2002)
Samen met de in Vietnam vertegenwoordigde lidstaten houdt de Commissie nauwlettend toezicht op de ontwikkeling van de mensenrechten in Vietnam. Zij doet dat in het kader van het beleid van de Unie tot aanmoediging en ondersteuning van de inspanningen van de Vietnamese regering om vooruitgang te boeken op het gebied van de mensenrechten. De Commissie neemt tevens met de lidstaten deel aan de regelmatige dialoog en aan alle demarches bij de Vietnamese regering met betrekking tot mensenrechten-vraagstukken.
De Commissie is op de hoogte van de gehechtheid van de heer Nguyen Dan Que aan de bevordering van democratische meerpartijenverkiezingen in Vietnam met geweldloze middelen, en van de persberichten over het in de vraag genoemde incident. De delegatie van de Commissie in Hanoi is er tot dusver niet in geslaagd uit betrouwbare bron bevestiging te krijgen van deze berichten, maar zet haar onderzoek voort.
Artikel 1 van de in 1995 ondertekende samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Vietnam bepaalt dat de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen de grondslag is voor onze samenwerking. Artikel 2 van de overeenkomst bevat geen concrete verwijzing naar de mensenrechten. Tijdens de bijeenkomsten van de Gemengde Commissie, die in het kader van de samenwerkingsovereenkomst is opgericht, worden kwesties in verband met de eerbiediging en de bevordering van de mensenrechten aan de orde gesteld.
Rekening houdend met de algemene situatie in Vietnam sinds de ondertekening van de overeenkomst in 1995 en de inspanningen van de regering om verdere vooruitgang te boeken, is de Commissie van oordeel dat het in dit stadium voorbarig is te concluderen dat de overeenkomst is geschonden. Samen met de in Vietnam vertegenwoordigde lidstaten zal de delegatie van de Commissie de ontwikkelingen op het gebied van de mensenrechten nauwlettend blijven volgen, en specifieke kwesties en individuele gevallen die zorgen baren ter sprake blijven brengen via de daartoe geëigende diplomatieke kanalen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/4 |
(2004/C 65 E/005)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3067/02
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(25 oktober 2002)
Betreft: Accijnzen op wijn
In september verscheen in de Italiaanse pers het bericht dat de Europese Commissie overweegt in alle landen van de EU (met inbegrip van Italië), die tot nu toe vrijstelling genoten, een minimale accijnsheffing (boven nul) op wijn in te voeren. Zo zou zij van plan zijn om aanvankelijk, vanaf 1 januari 2003, 0,13 EUR per liter te heffen en vanaf 1 januari 2007 0,15 EUR per liter, waarbij degenen die minder dan 1000 hectoliter per jaar produceren zouden zijn uitgesloten.
De Italiaanse Bond van landbouwers heeft berekend dat de invoering van deze accijns op wijn de consumenten 500 miljoen euro per jaar zal kosten en gaat ervan uit dat daardoor het verbruik zal afnemen. Bovendien zou de invoering van een minimum accijnsheffing op wijn niet alleen een ongunstige weerslag hebben op de verkoop en de rentabiliteit van de bedrijven, maar ook leiden tot meer administratieve rompslomp. Dit druist in tegen het gemeenschappelijke landbouwbeleid, dat immers tot doel heeft de plattelandsontwikkeling te bevorderen en het milieu te beschermen.
Dit gezegd zijnde vraag ik de Commissie:
|
1. |
of de belastingharmonisatie op communautair niveau niet gericht moet zijn op de vermindering van de reeds bestaande accijnzen en niet op de invoering van nieuwe accijnzen; |
|
2. |
of niet alle landbouwproducten, met inbegrip van de producten van bijlage 1 bij het EU-Verdrag, uitgesloten zouden moeten zijn van accijns; |
|
3. |
of de geharmoniseerde Italiaanse wetgeving niet nu al precies beantwoordt aan de richtlijnen 92/83/EEG (1) (art.7) en 92/84/EEG (2) (art. 5)? |
(1) PB L 316 van 31.10.1992, blz. 21.
(2) PB L 316 van 31.10.1992, blz. 29.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/5 |
(2004/C 65 E/006)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3393/02
van Luciana Sbarbati (ELDR) aan de Commissie
(22 november 2002)
Betreft: Accijnsheffing op wijn
Het voorstel van de Commissie om de accijnzen op alcoholhoudende dranken „naar boven toe te harmoniseren” -hetgeen met name gevolgen zou hebben voor de wijnsector-, kan leiden tot een stijging van de inflatie en een daling van de consumptie, kan frauduleuze praktijken in de hand werken en zodoende de mededinging op de markt beperken, en zal in het kader van de uitbreiding een onvoorspelbaar effect hebben. Door dit voorstel, waarin geen rekening gehouden wordt met de levensstandaard in de kandidaat-lidstaten, wordt het voor de EU-producenten moeilijker om op deze markten een plaats te verwerven en dit zal ongunstige gevolgen hebben voor de lokale productie.
De beroepsorganisaties van wijnproducenten achten dit voorstel verkeerd en riskant omdat het de gehele sector zou treffen, welke in Italië 314 DOC- en 24 DOCG-wijnen (dit wil zeggen wijnen met gecontroleerde aanduiding van de oorsprong, respectievelijk gecontroleerde en gewaarborgde aanduiding van de oorsprong) telt, of 729 000 hectaren wijngaard en een nationale productie van meer dan 50 miljoen hectoliter.
In het voorstel wordt geen rekening gehouden met het feit dat de wijnbouwsector bestaat uit zeer kleine bedrijven, met een areaal van gemiddeld 4 à 5 hectaren, die een belangrijke rol spelen voor maatschappij, economie en milieu.
In tegenstelling tot de BTW, zouden de accijnzen moeten dienen om de externe kosten van de consumptie te bestrijden en geen aanvullende belasting mogen vormen, net zoals productiebelastingen geheven moeten worden op industriële en niet op natuurlijke producten.
Kan de Commissie aangeven:
|
— |
of het voorstel juridisch en economisch verantwoord is, |
|
— |
of het voorstel in strijd is met de nieuwe Gemeenschappelijke marktordening (GMO) voor wijn, in het kader waarvan wijngaarden bestemd moeten worden voor de teelt van producten waarvoor een afzetmarkt bestaat en niet braakgelegd moeten worden, |
|
— |
of vastgesteld is welke ongunstige gevolgen de heffing van accijnzen (een vast bedrag) zou hebben voor het doorsneeproduct en dus ook voor de consumenten? |
Gecombineerd Antwoord
van de heer Bolkestein namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-3067/02 en P-3393/02
(6 januari 2003)
Richtlijn 92/84/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 heeft betrekking op de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken en behelst de verplichting dat de in de richtlijn vastgestelde accijnstarieven op gezette tijden door de Raad worden herzien, op basis van een verslag van de Commissie.
De diensten van de Commissie bereiden momenteel een dergelijke herziening voor. Op 11 september 2002 heeft de Commissie een breed richtinggevend debat georganiseerd over de belasting van alcohol in de EU. Er werd nog geen definitief besluit genomen over het standpunt van de Commissie terzake. Overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 92/84/EEG zal rekening worden gehouden met de bredere doelstellingen van het Verdrag.
Wat belastingharmonisatie op Europees niveau betreft, is de Commissie de mening toegedaan dat dit van zowel de lidstaten met hoge belastingen als die met lage belastingen verdergaande toezeggingen vereist.
Anderzijds bestaat er geen verband tussen bijlage 1 bij het EG-Verdrag (de in artikel 32 genoemde lijst van producten die onder de bepalingen van de artikelen 33 tot en met 38 van het Verdrag vallen) en de vraag of een product al dan niet aan accijns onderworpen is.
De Italiaanse accijnswetgeving voorziet in een nultarief voor zowel mousserende als niet-mousserende wijnen. Dit is in overeenstemming met het huidige acquis communautaire.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/6 |
(2004/C 65 E/007)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3350/02
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(26 november 2002)
Betreft: Handelsovereenkomsten en de liberalisering van de textiel- enkledingsector
Op 6 november jl. heeft de Europese Commissie de ondertekening aangekondigd van het Memorandum van overeenstemming EU-Brazilië over de liberalisering van de handel in textielproducten, waarin de EU toezegt alle textielcontingenten die op Brazilië van toepassing zijn, te zullen afschaffen. De heer Pascal Lamy, lid van de Commissie, verklaarde dat „deze overeenkomst een duidelijk teken is dat de EU bereid is te anticiperen op het openstellen van haar markt van textielproducten daar de Wereldhandelsorganisatie hierin pas in 2005 voorziet”. De EU is, met andere woorden, bereid de afspraken van de textiel- en kledingovereenkomst op het spel te zetten, terwijl de Commissie, in antwoord op mijn vraag E-3079/01 (1), heeft verklaard dat deze bilaterale overeenkomsten het tijdschema van de textiel- en kledingovereenkomst niet in gevaar brengen. Op dezelfde dag diende de Commissie in het kader van de steun aan ontwikkelingslanden en naar aanleiding van de Doha-ronde van de Wereldhandelsorganisatie een voorstel in om de douanetarieven op alle niet-landbouwproducten met 70 % te verlagen, geflankeerd door een drastische vermindering van de contingenten en tarieven die op textiel- en kledingproducten van toepassing zijn. Daarbij heeft zij echter geen maatregelen voorgesteld om de betrokken sectoren schadeloos te stellen.
Bovengenoemde voorstellen komen nog eens bij andere recente overeenkomsten die bedoeld zijn om te anticiperen op de liberalisering van de handel in textiel- en kledingproducten, waarbij deze sector (evenals de landbouwsector) als ruilobject dient om de onderhandelingen over andere sectoren te openen, zoals de diensten-, de openbare markten- of de investeringssector. Het tijdschema van de kleding- en textielovereenkomst was bedoeld om de liberalisering van kwetsbaarste producten uit te stellen om de textiel- en kledingindustrie de tijd te gunnen om zich aan de nieuwe situatie aan te passen en herstructureringen door te voeren. Indertijd zijn er zelfs stemmen opgegaan die vonden dat de desbetreffende termijn van tien jaar te kort was om het hoofd te bieden aan de sociaal-economische gevolgen van de liberalisering, met name in de regio's die van deze sector afhankelijk zijn en in landen zoals Portugal, waar de textiel- en kledingindustrie een belangrijke rol vervult voor de productie, de uitvoer en de werkgelegenheid.
Kan de Commissie, gezien het voorafgaande, de volgende informatie verstrekken:
|
— |
wat zijn de sociaal-economische gevolgen voor de textiel- en kledingsector in de EU en met name in Portugal van de ondertekening van dit Memorandum van overeenstemming met Brazilië en het voorstel om de tarieven in het kader van de onderhandelingen van de Doha-ronde van de Wereldhandelsorganisatie met 70 % te verlagen? Heeft de Commissie een sociaal-economische effectrapportage uitgevoerd of laten uitvoeren? Heeft zij de sociale partners van de textiel- en kledingsector geraadpleegd? |
|
— |
Welk voordeel denkt zij te behalen door op de textiel- en kledingovereenkomst te anticiperen en wat zijn de sociaal-economische gevolgen van deze anticipatie? Op welke onderzoeken of hypotheses baseert zij zich om op deze weg voort te gaan? |
|
— |
Welke compenserende maatregelen denkt zij te treffen om de sociaal-economische gevolgen voor de textiel- en kledingsector tot een minimum te beperken? |
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(15 januari 2003)
De contingentvergroting voorgesteld voor Brazilië in het op 8 augustus 2002 geparafeerde en op 7 november 2002 ondertekende memorandum van overeenstemming zal Brazilië meer exportmogelijkheden verschaffen. De invoer van de Unie uit Brazilië komt evenwel overeen met slechts 0,9 % in kwantiteit en 0,3 % in waarde van de totale textiel- en kledinginvoer van de Unie (circa 72,5 miljard euro in 2001). Een toename naar aanleiding van het memorandum zal dus waarschijnlijk nooit een grote invloed op de totaalcijfers hebben. Aangezien bovendien de textiel- en kledingindustrie zich gespreid over de gehele Gemeenschap bevindt, verwacht de Commissie geen bijzondere moeilijkheden voor Portugal, dat 4,4 % van de productie in de Gemeenschap voor zijn rekening neemt en waar zich in 2001 10,9 % van de werkgelegenheid in de sector bevond. De concessies werden ook niet voor niets gedaan, want Brazilië verbindt zich als tegenprestatie ertoe met betrekking tot het tariefniveau voor de gehele textiel- en kledingssector bepaalde maxima niet te overschrijden (14 % voor garen, 16-18 % voor weefsels, en 20 % voor kleding). Een aanvullende heffing van 1,5 % moet worden weggelaten wanneer eind 2002 de toepassingstermijn verstrijkt. Bovendien komen beide partijen overeen af te zien van de invoering van niet-tarifaire maatregelen, die de handel in textiel- en kledingproducten zouden kunnen belemmeren. Dit zal met name een oplossing brengen voor het door de industrie in de Unie ter sprake gebrachte probleem betreffende de douanewaardebepaling in Brazilië. In de context van de aan de gang zijnde onderhandelingen tussen de Unie en MERCOSUR zijn beide partijen het erover eens dat moet worden gestreefd naar een spoedige opheffing van de op textiel- en kledingproducten toegepaste douanerechten, hetzij bij de inwerkingtreding hetzij uiterlijk in het eerste stadium van het tijdschema voor de afbraak van industrietarieven.
Bij het tot stand brengen van bilaterale overeenkomsten inzake markttoegang in de sector — tot dusver drie, te weten met Sri Lanka, Pakistan en nu Brazilië — geeft de Commissie uitvoering aan de onderhandelingsrichtsnoeren van de Raad van 9 november 2000, aangezien concessies inzake markttoegang in de textiel- en kledingsector van onze handelspartners worden verkregen (bijv. tariefreducties, verplicht in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), en verbintenissen inzake niet-tarifaire belemmeringen) in ruil waarvoor de Gemeenschap verbeteringen van de contingenteringsregelingen kan aanbieden. Gedurende het volledige onderhandelingsproces houdt de Commissie de lidstaten op de hoogte via het comité van artikel 133 (voor textiel) en met het standpunt van alle lidstaten wordt aldus nauwgezet rekening gehouden. Overigens wordt Euratex als de Europese vertegenwoordiger van de sector doorgaans nauw betrokken bij het uitwerken van het onderhandelingsstandpunt van de Commissie voor bilaterale overeenkomsten; dit was eveneens het geval voor het memorandum van de Unie met Brazilië, waarvoor een beroep werd gedaan op de steun van de industrie van de Unie en in feite van alle lidstaten.
De Commissie is niet van oordeel dat het oorspronkelijke tijdschema voor volledige liberalisatie en het wegwerken van alle contingenten door deze overeenkomsten in het gedrang wordt gebracht. De overeenkomsten zijn gericht op de uitbreiding of opheffing van contingenten ten opzichte van derde landen, per geval, op bilaterale basis en in ruil voor evenwichtige verbintenissen van deze landen inzake markttoegang, die op het gebied van de uitvoer van belang zijn voor de industrie van de Unie. Het oorspronkelijke tijdschema wordt gehandhaafd en 1 januari 2005 blijft de datum voor volledige liberalisatie zoals bepaald in de WTO-Overeenkomst inzake textiel- en kledingproducten. De Commissie is er zeker van overtuigd dat het tot stand komen van nog meer overeenkomsten in het kader van bovenomschreven onderhandelingsopdracht de Europese textiel- en kledingindustrie ten goede zou komen — door de verbeterde toegang tot de door deze overeenkomsten bestreken markten van derde landen — en derhalve in positieve zin bijdraagt aan het tot stand komen van de volledige liberalisatie over 25 maanden. En zoals door deze overeenkomst wordt aangetoond, voert de Commissie haar onderhandelingen geval per geval.
Met betrekking tot de inhoud van het WTO-voorstel van de Gemeenschap inzake markttoegang voor andere dan landbouwproducten lijkt er enig misverstand te bestaan. Het initiatief is in feite gericht op een zinvolle liberalisatie door wegwerking van tariefpieken en hoge tarieven alsook door vermindering van tariefescalatie in alle sectoren en door alle landen, maar het omvat geen specifiek percentage voor de tariefvermindering. Met betrekking tot textiel is het voorstel van de Gemeenschap erop gericht te komen tot volledige reciprociteit, aangezien de tarieven voor textiel en kleding door alle WTO-leden binnen dezelfde smalle marge dienen te worden gebracht. Voor de Unie moet deze ontwikkeling worden gecombineerd met een aanzienlijke vermindering van de niet-tarifaire belemmeringen door alle leden, ten einde te voorkomen dat deze belemmeringen de door tariefvermindering verkregen verbetering van de markttoegang tenietdoen. Het voorstel om pieken en hoge tarieven weg te werken heeft tot doel te komen tot een verbeterde effectieve toegang tot markten die van belang zijn voor de industrie van de Unie, alsook de zuid-zuid-handel te stimuleren door het verbeteren van de toegang tot de markten van ontwikkelingslanden, waarvan het toenemende belang voor de exporteurs van ontwikkelingslanden niet mag worden onderschat.
Aangezien de Commissie geen de facto anticipatie op het wegwerken van de contingenten bedoeld in de Overeenkomst inzake textiel-en kledingproducten (ATC) overweegt, is de vraag naar het besef van de gevolgen ervan niet relevant. Met betrekking tot de gevolgen van de definitieve opheffing van contingenten in 2005 zoals bepaald in de ATC heeft de Commissie opdracht gegeven tot het maken van een studie over de eventuele gevolgen, welke op dit ogenblik nog niet is voltooid. Bovendien organiseert de Commissie in mei 2003 een belangrijke conferentie met alle belanghebbende partijen (met name importeurs, exporteurs, de industrie, vakbonden, consumenten, vertegenwoordigers van regeringen) om de gevolgen van bedoelde opheffing en de toekomst in het algemeen van de textiel- en kledingindustrie te bespreken.
Aangezien de Commissie het niet overweegt te anticiperen op de volledige opheffing van de contingenten in 2005, hoeft er geen sprake te zijn van enige compensatie voor de industrie in de Unie, temeer omdat overeenkomsten zoals die met Brazilië gebaseerd zijn op een evenwicht inzake markttoegang tussen beide partijen.
Ten slotte wenst de Commissie het geachte parlementslid eraan te herinneren dat de ATC het moeilijk bereikte resultaat vormt van multilaterale handelsonderhandelingen waardoor een einde komt aan meer dan dertig jaar handelsbescherming, tijdens welke periode de industrie naar verhoopt de kans heeft gekregen winst te maken en te herstructureren en zich aldus op de komende liberalisatie voor te bereiden. Op dit keerpunt is het niet denkbaar nog terug te komen op deze belangrijke verwezenlijking van de Uruguay-Ronde. In het specifieke geval van Portugal, dat in de vraag wordt vermeld, is het van belang eraan te herinneren dat de Raad in 1995 een uitzonderlijke maatregel heeft genomen in de vorm van financiële bijstand ten belope van 400 miljoen ecu aan Portugal voor een specifiek moderniseringsprogramma voor de textiel- en kledingindustrie voor de periode 1995-1999 (2). Deze communautaire bijstand had tot doel de Portugese textielindustrie in staat te stellen zich aan te passen aan de nieuwe door de internationale situatie ontstane vereisten en de toenemende internationale concurrentie als gevolg van de ATC. De Commissie neemt aan dat dit initiatief ook het verwachte resultaat heeft opgeleverd.
(1) PB C 172 E van 18.7.2002, blz. 25.
(2) Verordening (EG) nr. 852/95 van de Raad van 10 april 1995 inzake de verlening van financiële bijstand aan Portugal voor een specifiek moderniseringsprogramma voor de textiel- en kledingindustrie, PB L 86 van 20.4.1995.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/8 |
(2004/C 65 E/008)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3416/02
van Christopher Heaton-Harris (PPE-DE) aan de Commissie
(2 december 2002)
Betreft: Godsdienstvrijheid
De wet 1990/IV „godsdienstige instellingen en vrijheid van geweten en godsdienst” is een hoeksteen in de verandering van regiem van 1989 in Hongarije. Ze gaat uit van de verklaring van de rechten van de mens en de burger en de scheiding van kerk en staat zoals gewaarborgd door de Hongaarse grondwet, en benadrukt de gelijkheid van alle Hongaren ongeacht hun levensbeschouwelijke opvattingen. Ze zorgt voor gelijke rechten en plichten voor alle godsdienstige organisaties en bepaalt dat overheidssubsidies voor godsdienstige instellingen aan objectieve criteria moeten beantwoorden.
De vorige Hongaarse regering heeft vorig jaar de wet 2001/LXXIV (PA 153) ingevoerd. Ze stelt een nieuwe manier van overheidsubsidiëring voor godsdienstige organisaties voor — ter vervanging van de jaarlijkse vrijwillige verklaring van de belastingbetalers — aan de hand van onduidelijke statistieken, die verkregen zijn tijdens een recente en omstreden volkstelling.
De nieuwe wet is klaarblijkelijk ongrondwettelijk, discrimineert 98 % van de godsdienstige organisaties, en is in strijd met de geest van de wet 1990/IV.
|
1. |
Vindt de Commissie dat de wet 1990/IV beantwoordt aan de zorg van de Europese Unie voor de rechten van de mens en de vrijheid van godsdienst? |
|
2. |
Is volgens haar de wet 2001/LXXIV (PA 153) in overeenstemming met de zorg van de Europese Unie voor de rechten van de mens en de vrijheid van godsdienst? |
|
3. |
Denkt ze er bij de Hongaarse regering op aan te dringen om de wet 2001/LXXIV (PA 153) in te trekken voor ze op 1 januari 2003 van kracht wordt? Denkt ze de Hongaarse regering aan te moedigen om trouw te blijven aan de princiepen van de wet 1990/IV, die model kan staan voor de wetgeving van andere lidstaten? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/9 |
(2004/C 65 E/009)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3459/02
van Christopher Heaton-Harris (PPE-DE) aan de Commissie
(6 december 2002)
Betreft: Godsdienstvrijheid in Hongarije
Aan de vooravond van zijn toetreding tot de Europese Unie handhaaft Hongarije nog altijd een vijftienjarige traditie van religieuze apartheid en schending van de rechten van de mens.
De vorige Hongaarse regering heeft de wet LXXIV/2001 (PA 153) ingevoerd, die de ondersteuning van religieuze instellingen door de belastingbetaler radicaal verandert. Ze vervangt de jaarlijkse uitdrukkelijke verklaring van de belastingplichtige door dubbelzinnige statistieken over het geloof van de burgers bij de geboorte, die onlangs uit de gegevens van een volkstelling verkregen zijn.
De wet is onrechtvaardig en ongrondwettelijk, en bedoeld om een paar gevestigde godsdiensten te bevoordelen ten nadele van de andere.
Denkt de Europese Commissie er bij de Hongaarse regering op aan te dringen om, als voorwaarde voor de toetreding, de wet in te trekken, gezien de principes van eerbied en verdraagzaamheid die de Europese Unie in het vaandel voert?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Verheugen namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-3416/02 en E-3459/02
(21 januari 2003)
De Hongaarse grondwet garandeert de vrijheid van godsdienst en de scheiding van kerk en staat (1). Er zijn momenteel in Hongarije 104 officieel erkende godsdiensten.
De wet inzake de financiële voorwaarden voor de godsdienstige en openbare activiteiten van kerkgenootschappen regelt de steun van de overheid voor de kerken. Volgens deze wet besteedt de Hongaarse staat ten minste 0,8 % van de opbrengsten van de inkomstenbelasting aan ondersteuning van de kerken. Belastingbetalers kunnen in hun aangifte voor de inkomstenbelasting een kerkgenootschap aangeven waaraan 1 % van hun inkomstenbelasting wordt uitgekeerd. Indien nodig stelt de staat aanvullende middelen beschikbaar om het cijfer van 0,8 % te halen. Als verdeelsleutel wordt daarbij de verhouding van de door de belastingbetalers aangegeven percentages toegepast.
Naast de staatssubsidie kunnen kerkgenootschappen sinds 1 januari 2001 voor de belasting aftrekbare giften ontvangen van natuurlijke personen en rechtspersonen. Strikte voorwaarden hiervoor zijn vastgesteld in een wet die in 2000 is aangenomen (2). De lijst van kerkgenootschappen die aan deze voorwaarden voldoen, wordt jaarlijks in het staatsblad van Hongarije gepubliceerd.
In november 2001 besloot de vorige regering de steunregeling voor de kerken te wijzigen. Zij legde daarom aan het parlement ter goedkeuring een algemene wet inzake financiën voor, waarvan artikel 153 de verdeling tussen de kerkgenootschappen met ingang van januari 2003 wijzigt. De nieuwe financieringsregeling was gebaseerd op de resultaten van de volkstelling van 2001, waarin naar aanleiding van een gezamenlijke aanbeveling van de Economische en Sociale Commissie van de Verenigde Naties en Eurostat in het kader van de komende volkstellingscampagne voor het eerst een facultatieve vraag over het lidmaatschap van een kerkgenootschap was opgenomen.
Voor zover de Commissie bekend was de vraag naar de godsdienst in de volkstelling van 2001 een open vraag, dat wil zeggen dat de respondent niet behoefde te kiezen uit een lijst van kerkgenootschappen, maar zelf een religie kon invullen. Beantwoording was echter niet verplicht.
De vraag naar de godsdienst is door circa negen miljoen personen beantwoordt, waarvan 7,6 miljoen personen aangaven aanhanger te zijn van in totaal 260 verschillende kerkgenootschappen/religies. De cijfers bevestigen de eerder geschatte gegevens.
Om mogelijke onduidelijkheid te vermijden heeft de regering besloten de financieringsregeling voor kerkgenootschappen van 1997 te handhaven door middel van een wijziging waarbij het in 2001 goedgekeurde artikel 153 wordt ingetrokken. De Commissie juicht deze wijziging toe, die in januari 2003 in werking zal treden na de stemming in het Hongaarse parlement in december 2002.
(1) Zie artikel 60 van de grondwet:
|
1. |
Iedereen in de Republiek Hongarije heeft het recht op vrijheid van gedachte, vrijheid van geweten en vrijheid van godsdienst. |
|
2. |
Dit recht omvat de vrije keuze of aanvaarding van een godsdienst of andere levensbeschouwelijke overtuiging, alsmede het recht voor iedereen om zijn godsdienst of overtuiging door middel van godsdienstige handelingen of rituelen of op andere wijze, alleen of samen met anderen, in het openbaar of in persoonlijke sfeer te uiten of niet te uiten, uit te oefenen of te onderwijzen. |
|
3. |
Er is in de Republiek Hongarije scheiding van kerk en staat. |
|
4. |
Voor de goedkeuring van de wet inzake de vrijheid van godsdienst en van levensbeschouwing is een tweederde meerderheid van stemmen in het Parlement vereist. |
(2) Wet CXXXIII 2000. Aan een of meer van de volgende drie voorwaarden moet zijn voldaan: het kerkgenootschap moet:
|
i) |
de voorgaande twee jaar ten minste 1 % van de inkomsten van het eenprocents-belastingsteunsteunprogramma hebben genoten, ofwel |
|
ii) |
ten minste honderd jaar een aanwezigheid in Hongarije hebben gehad, ofwel |
|
iii) |
ten minste dertig jaar officieel in Hongarije geregistreerd zijn geweest. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/10 |
(2004/C 65 E/010)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3443/02
van Roger Helmer (PPE-DE) aan de Commissie
(3 december 2002)
Betreft: Vervolging van aanhangers van de Falun Gong-beweging
Is de Commissie op de hoogte van de schendingen van de mensenrechten van vreedzame Falun Gong-aanhangers in China waar deze vreedzame levenswijze een gevaarlijke en subversieve cultus wordt genoemd?
Is de Commissie op de hoogte van de controversiële „artikel 23”-wet die spoedig in Hongkong zal worden ingevoerd? Het zal de Commissie bekend zijn dat de „anti-subversie” wetgeving Hongkong dwingt om elke organisatie die door China een nationaal veiligheidsrisico wordt genoemd te verbieden. Alle dissidente groeperingen, ook katholieken en democratische activisten worden daardoor getroffen. Vindt de Commissie dit niet ook een enorme schending van de autonomie van Hongkong waardoor de vervolging van onschuldige Falun Gong-aanhangers nog erger wordt?
Op welke wijze denkt de Commissie protest aan te tekenen tegen de invoering van artikel 23 die waarschijnlijk het recht van vrije meningsuiting en de persvrijheid in Hongkong zal beknotten?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(19 december 2002)
Eerbiediging van de mensenrechten is een centraal thema in de betrekkingen van de EU met China. In het kader van de bilaterale dialoog over de mensenrechten die de EU in 1996 met China is gestart, vestigt de Unie regelmatig de aandacht op individuele gevallen die reden tot ongerustheid geven, zoals ook gevallen van Falun Gong-aanhangers. Verder heeft de EU bij verschillende gelegenheden formele stappen ondernomen om haar bezorgdheid tot uitdrukking te brengen in verband met berichten over martelingen en mishandelingen van gearresteerde volgelingen van de Falun Gong-beweging, en heeft zij er bij China op aangedrongen de harde uitspraken tegen hen te herzien. Inzonderheid heeft de EU China gevraagd ervoor te zorgen dat alle individuen op een eerlijk proces kunnen rekenen, waarbij ook een adequate verdediging in rechte hoort. Ook in de conclusies die de Raad Algemene Zaken in maart 2002 inzake de mensenrechten in China heeft aangenomen, werd bezorgdheid tot uitdrukking gebracht over schendingen van de mensenrechten van de Falun Gong-volgelingen.
De Commissie heeft begrip voor het grote belang en de politieke gevoeligheid in de globale Chinese context van het initiatief van de regering van Hongkong om een raadplegingsprocedure te starten met het oog op de wijziging van artikel 23 van de basiswet. Aangezien het raadplegingsdocument in algemene bewoordingen is opgesteld, zullen de gevolgen voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van religie, evenwel pas juist kunnen worden beoordeeld of ingeschat, wanneer het wetsontwerp aan de Wetgevende Raad is voorgelegd. Dit zal gebeuren in februari 2003.
Voorlopig blijft de Commissie bij de conclusie van haar vierde jaarverslag over Hongkong van 5 augustus 2002 (1) dat viereneenhalf jaar na de overdracht het beginsel „één land, twee systemen” redelijk goed blijft werken, en dat Hongkong over het algemeen de rechtsstaat, de mensenrechten, de individuele vrijheden en haar vrije en open samenleving kunnen handhaven.
In het verslag wordt evenwel erkend dat de feitelijke implementatie van deze beginselen aanleiding heeft gegeven tot discussie en onzekerheid. De Commissie zal daarom de ontwikkelingen in Hongkong met grote aandacht blijven volgen, in het bijzonder de verdere ontwikkelingen inzake artikel 23.
(1) COM(2002)450 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/11 |
(2004/C 65 E/011)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3458/02
van Christopher Heaton-Harris (PPE-DE) aan de Commissie
(6 december 2002)
Betreft: Belastingregime voor biodiesel in Duitsland en Frankrijk
Wat is het belastingregime voor biodiesel uit raapzaadmethylester (RME) in vergelijking met normale minerale diesel in Duitsland en Frankrijk?
Total-Fina-Elf verkoopt diesel die een bepaald percentage RME bevat. Kan de Europese Commissie verklaren of dat toe te schrijven is aan een gunstig belastingregime waarmee de Franse regering de verkoop aanmoedigt, of aan een besluit van de Franse regering?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(16 januari 2003)
|
1. |
De normale accijnstarieven voor als motorbrandstof gebruikte diesel bedragen momenteel 389 EUR/1000 liter in Frankrijk resp. 440 EUR/1000 liter in Duitsland. Overeenkomstig §1, lid 2, van de wet op de belasting van minerale oliën (Mineralölsteuergesetz) juncto §1, lid 2, punt 1, van het uitvoeringsbesluit inzake de belasting van minerale oliën (Mineralölsteuerdurchführungsverordnung) verleent Duitsland volledige vrijstelling van belasting voor in Duitsland verkochte biodiesel met een zuiverheidsgraad van 97 %. In de praktijk is deze vrijstelling hoofdzakelijk van toepassing op methylesters van plantaardige oorsprong (inclusief raapzaad). De Duitse wetgeving is gebaseerd op artikel 8, lid 2, onder d), van Richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën (1). De Commissie heeft de toepasselijkheid van dit artikel nog niet in detail onderzocht; in haar voorstel voor een bijzondere regeling voor de belasting van biobrandstoffen, dat waarschijnlijk in de loop van de komende maanden wordt aangenomen, wordt evenwel rekening gehouden met deze specifieke situatie door middel van een zogenaamde „grootvaderclausule” (artikel 8 quater, lid 3). Op basis van deze clausule zouden lidstaten, die op 1 januari 2001 een volledige vrijstelling verleenden voor uitsluitend uit biobrandstoffen samengestelde producten, deze volledige vrijstelling mogen handhaven tot 31 december 2003. Frankrijk werd door de Raad gemachtigd vergunningen te verlenen voor de toepassing van een gedifferentieerde accijns op het als motorbrandstof gebruikte mengsel „gasolie/methylesters van plantaardige oliën”. Voor methylesters van plantaardige oliën mag de verlaging van de accijnsrechten niet meer bedragen dan 35,06 EUR/hl of 396,64 EUR/ton. De Franse wettelijke regeling is gebaseerd op artikel 25 van de rectificerende begrotingswet voor 1997, op Decreet nr. 98-309 van 22 april 1998 waarin de voorwaarden worden vastgesteld waaronder belangstellenden zich kunnen aanmelden voor het in het vrije verkeer brengen van biobrandstoffen op Frans grondgebied met een vermindering van van de binnenlandse verbruiksbelasting op aardolieproducten, alsmede op het besluit van 22 april 1998 waarmee de toetsingscommissie wordt ingesteld die de vergunningsaanvragen voor de productie-units van biobrandstoffen behandelt. |
|
2. |
Het is de Commissie niet bekend waarom Total-Elf-Fina heeft besloten diesel te verkopen met een percentage raapzaadmethylester. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/12 |
(2004/C 65 E/012)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3472/02
van Hanja Maij-Weggen (PPE-DE) aan de Commissie
(6 december 2002)
Betreft: Extra controle op goederen die via Europese havens naar de Verenigde Staten gaan
Kan de Commissie bevestigen dat zij bezwaren heeft gemaakt tegen contracten tussen de Amerikaanse douane en een aantal havenautoriteiten in de Europese Unie voor extra controle op goederen die via Europese havens naar de VS worden verscheept?
Vindt de Commissie het niet juist goed dat de Amerikaanse douane wil samenwerken met havenautoriteiten in de Europese Unie, dit om terroristische aanvallen via containers op zeeschepen in de TransAtlantische vaart te voorkomen?
Is het niet constructiever wanneer de Europese Commissie een bijeenkomst belegt tussen de Amerikaanse douane en alle relevante havenautoriteiten in de Europese Unie om tot een eensluidend systeem van controle tegen terroristische acties te komen?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(10 februari 2003)
Het geachte parlementslid is verontrust over het standpunt van de Commissie ten aanzien van de intensivering van de veiligheidscontroles in Europese havens door de Amerikaanse douane ter bestrijding van het terrorisme. De Commissie geeft het geachte parlementslid de verzekering dat zij zich grote inspanningen getroost om een communautaire oplossing te vinden voor dit probleem.
Het streven van de Gemeenschap is er evenzeer op gericht de veiligheid van het zeevervoer te verbeteren en het handelsverkeer te beschermen tegen alle mogelijke terroristische aanvallen. Wat het initiatief van de Verenigde Staten betreft, wordt opgemerkt dat de Commissie zich zorgen maakt over de gevolgen van dit initiatief, in het bijzonder voor het beleid van de Gemeenschap op het gebied van het vervoer, de handel en de douane. Om deze reden is de Commissie gekant tegen de sluiting van bilaterale overeenkomsten op gebieden waar een communautaire aanpak noodzakelijk is en de problemen beter door middel van onderhandelingen tussen de Gemeenschap en de Verenigde Staten dienen te worden opgelost. De Commissie heeft in dit verband in december 2002 aanmaningsbrieven gezonden aan de vier lidstaten die bilaterale overeenkomsten hebben gesloten op dit gebied.
De Commissie is van haar kant eveneens uitermate verontrust over de beveiligingsproblemen die aan het initiatief van de Verenigde Staten ten grond liggen liggen en erkent het belang van concrete maatregelen om zo spoedig mogelijk aan beide zijden van de Atlantische Oceaan eenzelfde niveau van veiligheidscontrole tot stand te brengen. Dit kan echter het best worden gerealiseerd door middel van een formele overeenkomst tussen de Gemeenschap en de Verenigde Staten die voorziet in onderling overeen te komen normen voor de controle van alle uitvoer van goederen en in een meer intensieve douanesamenwerking op het gebied van de beveiliging van het vervoer. De Amerikaanse douanediensten werd voorgesteld het Container Security Initiative (CSI) bij wijze van proefproject zo spoedig mogelijk uit te breiden tot alle havens in de Gemeenschap die aan onderling overeengekomen normen voldoen en tot de havens waarop bilaterale verklaringen van de Amerikaanse douane en de lidstaten van toepassing zijn. Dit proefproject is een experiment ter voorbereiding van de globale samenwerking op lange termijn tussen de Gemeenschap en de Verenigde Staten op het gebied van de veiligheid.
De Commissie heeft hierover reeds herhaaldelijk overleg gepleegd met de Amerikaanse douaneautoriteiten. Beide partijen erkennen het belang van samenwerking ter verhoging van de veiligheid en ter vereenvoudiging van het legitieme handelsverkeer. Tijdens dit overleg werd de nadruk gelegd op een aantal belangrijke beginselen die aan de toekomstige samenwerking ten grond moeten liggen, met name wederkerigheid en gemeenschappelijke normen voor de risico-analyse en de effectiviteit van de controles ter verbetering van de beveiliging en ter vereenvoudiging van het legitieme handelsverkeer.
Gehoopt wordt dat dit overleg op korte termijn in gemeenschappelijke beveiligingsmaatregelen resulteert.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/13 |
(2004/C 65 E/013)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3497/02
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(2 december 2002)
Betreft: Schending van de mensenrechten in Iran
Men maakt zich in de hele wereld zorgen over de toename van schending van de mensenrechten in Iran, vooral foltering en wreedheden, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, o.a. steniging, amputeren van ledematen en openbare terechtstellingen. Ook zijn er bewijzen dat de discriminatie van godsdienstige minderheden toeneemt, in het bijzonder de niet-aflatende vervolging van de Bahai-gemeenschap. Het aangaan van een „constructieve dialoog” met Iran zou hand in hand kunnen gaan met een transparant onafhankelijk instrument voor controle op en evaluatie van de mensenrechtensituatie in de vorm van een „speciale rapporteur” die vooruitgang objectief moet evalueren.
Welke specifieke stappen worden gezet om ervoor te zorgen dat Iran vooruitgang boekt op de weg naar een tolerantere en vreedzame samenleving met een meer open debat over mensenrechten? Welke plannen zijn er in de maak om vooruitgang effectief te kunnen meten?
Onlangs heeft de EU de betrekkingen met Iran op een hoger plan gebracht, ook al druist de Amerikaanse politiek in tegen het EU-beleid. Het commentaar hierop is dat de door de Verenigde Staten in de Perzische Golf gestationeerde troepen en het gebruik van economische sancties Iran onder een onmiddellijke dreiging plaatsen en dat het onder deze omstandigheden makkelijk voor de radicalen is om gehoor te vinden. Het zou wel eens buitengewoon lastig kunnen worden voor de EU om contact te leggen met de hervormingsgezinden in Iran, wanneer de Verenigde Staten Iran isoleren en bestempelen als onderdeel van een „as van het kwaad”.
Welke druk oefent de EU op de Verenigde Staten uit om wijziging te brengen in het Amerikaans standpunt over een isolatie- en sanctiebeleid ten aanzien van Iran en om zich te begeven in een meer „constructieve dialoog” met Iran, zoals het huidig beleid van de EU is?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(20 december 2002)
In haar beleid ten aanzien van Iran streeft de Unie naar nauwe betrokkenheid onder meer in haar halfjaarlijkse Comprehensive Dialogue Meetings (bijeenkomsten voor uitgebreide dialoog), in de bilaterale besprekingen op ministerieel niveau, in haar demarches en in haar standpunt in de Verenigde Naties (VN). Op 21 oktober 2002, hechtte de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen zijn goedkeuring aan een strategie om een dialoog over de mensenrechten aan te gaan met Iran op basis van de aanbevelingen van het verkennend bezoek van de Trojka aan Teheran van 30 september tot 1 oktober 2002. De Iraanse regering heeft een politieke bereidheid aan de dag gelegd om een dialoog over de mensenrechten te beginnen die regelmatig zou worden geëvalueerd aan de hand van benchmarks. Iran heeft zich bovendien bereid verklaard zijn deuren te openen voor thematische rapporteurs van de VN.
Onderhandelingen met Iran over een Handels- en Samenwerkingsovereenkomst gekoppeld aan instrumenten inzake politieke dialoog en terrorismebestrijding zullen onder meer worden gekoppeld aan vooruitgang op het gebied van de mensenrechten. Dat is de strekking van het politieke pakket dat werd uiteengezet door de Europese Raad van Sevilla (21 en 22 juni 2002) en dat formeel werd goedgekeurd op 12 juli 2002 (een „onverbrekelijk geheel” samengesteld uit de handels- en samenwerkingsovereenkomst en de afzonderlijke doch onderling verband houdende instrumenten op het gebied van politieke dialoog en terrorismebestrijding).
De Commissie blijft zich vanzelfsprekend zorgen maken over de situatie op het gebied van de mensenrechten in Iran. De repressieve maatregelen tegen democratische instellingen, de burgermaatschappij en de media, zijn verontrustend. Het gebrek aan rechtsorde, willekeurige inhechtenisnemingen en discriminatie van minderheden geven reden tot bezorgdheid. Het gebruik van wrede, onmenselijke en vernederende bestraffing is onaanvaardbaar.
De Unie, met inbegrip van de Commissie blijft actief gebruikmaken van de instrumenten waarover zij beschikt in het kader van de Comprehensive Dialogue en haar algemene beleid ten aanzien van Iran. Haar beleid ten aanzien van Iran bespreekt zij regelmatig met de Verenigde Staten, waarbij zij niet nalaat erop te wijzen dat zij het niet eens is met de Amerikaanse sancties tegen Iran, met name de sancties in het kader van de wet inzake sancties tegen Iran en Libië.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/14 |
(2004/C 65 E/014)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3502/02
van Robert Evans (PSE) aan de Commissie
(10 december 2002)
Betreft: Het houden van beren in China om hun gal
Kan de Commissie meedelen welke invloed zij uitoefent en welke hulp zij verleent aan de Chinese regering opdat deze een eind maakt aan de wrede praktijk waarbij beren worden gehouden vanwege hun gal?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(16 januari 2003)
China heeft een traditie in het gebruik van de gal van beren voor medische doeleinden. Sinds de jaren tachtig bestaan er commerciële „berenboerderijen” om de gal te kweken voor traditionele Chinese geneesmiddelen.
De Commissie beseft dat deze praktijk is ontstaan omdat het doden van wilde beren voor dit doeleinde aanleiding gaf tot bezorgdheid over het behoud. Desalniettemin deelt de Commissie de bezorgdheid van het geachte parlementslid over de mogelijke gevolgen van een dergelijke praktijk voor het welzijn van de dieren. In de Unie gelden normen inzake dierenwelzijn die tot de strengste in de wereld behoren en de publieke belangstelling voor dierenwelzijn is groot. Voorts is er een ruim wetgevingspakket vastgesteld op een groot aantal punten die verband houden met dierenwelzijn.
Met haar beleid ondersteunt de Commissie betere bescherming van en respect voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel, zowel intern als internationaal, aangezien zij van mening is dat wereldwijd strenge normen inzake dierenwelzijn moeten gelden.
De Gemeenschap zal actief wezenlijke onderhandelingen inzake dierenwelzijn blijven voeren en werkt op internationaal niveau samen om wereldwijd het beleid op dit vlak te verbeteren. Met het oog hierop streeft zij naar de opstelling van strenge multilaterale normen in het kader van specifieke internationale overeenkomsten, vooral in het kader van de Raad van Europa en het Internationaal Bureau voor besmettelijke veeziekten.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/15 |
(2004/C 65 E/015)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3525/02
van Concepció Ferrer (PPE-DE) aan de Commissie
(10 december 2002)
Betreft: Handelsbelemmeringen in de kandidaat-landen
In juli 2002 heeft het Spaans Staatssecretariaat voor de Handel een twintigtal klachten ontvangen van exporteurs over handelsbelemmeringen die samenhangen met problemen van administratieve en fiscale aard in de kandidaat-landen. Het betrof met name Polen, met 48 % van de klachten, en de Tsjechische Republiek met 28 %.
Het ging daarbij vooral om de sectoren landbouwproducten en levensmiddelen, chemische en farmaceutische producten, textiel, plastics, hout en meubels, schoeisel, bouwmaterialen, uitrustingsgoederen en auto-onderdelen.
Welke maatregelen neemt de Commissie, of gaat zij nemen, om te voorkomen dat wanneer de uitbreiding van de Unie definitief een feit zal zijn, het aantal van dergelijke handelsbelemmeringen toeneemt?
Antwoord van de heer Verheugen namens de Commissie
(30 januari 2003)
De Commissie acht het goed functioneren van de interne markt vanaf de eerste dag van de toetreding van de nieuwe lidstaten van essentieel belang. Om dit te bewerkstelligen wordt reeds intensief toezicht gehouden op de aangegane verbintenissen in het kader van de desbetreffende hoofdstukken van het acquis, hetgeen zal worden voortgezet tot de toetredingsdatum. Indien belangrijke verstoringen waarschijnlijk worden geacht, behoudt de Commissie zich het recht voor een beroep te doen op de „vrijwaringsclausule” die door de Commissie op 9 oktober 2002 werd aangekondigd en nu door alle partijen is geaccepteerd. De vrijwaringsclausule in het toetredingsverdrag staat de Commissie toe gedurende een periode van drie jaar na de toetreding, indien dit nodig wordt geacht, maatregelen te nemen om te zorgen voor een ordelijke tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving, met name op terreinen als de interne markt (met inbegrip van voedselveiligheid) en justitie en binnenlandse zaken. Besluiten kunnen reeds vóór de toetreding worden genomen.
Bij de toetreding zal de administratieve en informatie-architectuur die moet zorgen voor het vrije verkeer van goederen in de huidige lidstaten automatisch operationeel worden. Er zijn geen overgangsperioden afgesproken wat betreft het principe van wederzijdse erkenning en de artikelen 28-30 van het EG-Verdrag. De verplichtingen voor nieuwe lidstaten alle obstakels voor een vrij verkeer van goederen te verwijderen zijn daarom dezelfde als die welke momenteel gelden voor de huidige 15 lidstaten. Deze verplichtingen zijn van toepassing, of de goederen nu onder een geharmoniseerde productwetgeving vallen of niet. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan, zal de Commissie inbreukprocedures overwegen op dezelfde basis als momenteel het geval is bij de huidige lidstaten.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/15 |
(2004/C 65 E/016)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3539/02
van Chris Davies (ELDR) aan de Commissie
(11 december 2002)
Betreft: Illegale herinvoer in de Europese Unie van in het kader van hulprogramma's tegen lage prijzen verstrekte geneesmiddelen
Is het de Commissie bekend dat belangrijke hoeveelheden geneesmiddelen die op non-profit basis tegen lage prijs beschikbaar waren gesteld aan Afrikaanse landen tegen een hogere prijs in de EU worden heringevoerd? Zo ja, welke maatregelen worden er thans genomen om zorg te dragen voor een doelmatige toepassing van de douanecontroles aan de buitengrenzen van de EU? Is de Commissie voornemens voorstellen te doen voor extra maatregelen om iets te doen tegen dit groeiende probleem?
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(17 januari 2003)
De Commissie is zich inderdaad bewust van het probleem van de invoer in de Gemeenschap van goedkope geneesmiddelen die zijn bestemd voor de markten van de ontwikkelingslanden.
Voor de invoer in een lidstaat van geneesmiddelen die afkomstig zijn uit derde landen is een vergunning vereist als voorgeschreven bij Richtlijn 2001/83/EG van het Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (1).
Tegen de invoer zonder vergunning van goedkope geneesmiddelen kan thans alleen worden opgetreden wanneer het gaat om producten die worden beschermd door intellectuele-eigendomsrechten. Wanneer goederen die op een markt in de Gemeenschap onder de handelsmerk- of octrooibescherming vallen zonder toestemming van de octrooihouder in de handel worden gebracht, kan hij/zij bij de nationale rechtbanken een vordering instellen tegen de importeur en ervoor zorgen dat de goederen uit de handel worden genomen.
De Commissie heeft in het kader van het programma van de Gemeenschap inzake actie ter bestrijding van infectieziekten in het kader van de armoedebestrijding een voorstel gedaan voor een verordening van de Raad (2), door de Commissie op 30 oktober 2002 aangenomen, om te voorkomen dat geneesmiddelen met gedifferentieerde prijzen die aan de ontwikkelingslanden zijn verkocht op de markt van de Gemeenschap komen. Zodra deze verordening in werking treedt zullen de douane-autoriteiten goederen waarvan wordt vermoed dat het om geneesmiddelen met gedifferentieerde prijzen gaat (die al dan niet onder de bescherming van de intellectuele eigendom vallen) aan de grenzen van de Gemeenschap kunnen tegenhouden tot de nationale autoriteiten een besluit hebben genomen omtrent de aard van de goederen en het gebruik dat van die goederen kan worden gemaakt.
De Commissie is er vast van overtuigd dat betere middelen om de invoer van goedkope geneesmiddelen bestemd om op de markten van de Gemeenschap te worden verkocht, als hierboven omschreven, de farmaceutische industrie en de exporteurs zullen aanmoedigen om voldoende hoeveelheden essentiële geneesmiddelen tegen betaalbare prijzen aan de arme landen te leveren.
(2) COM(2002) 592 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/16 |
(2004/C 65 E/017)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3551/02
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(12 december 2002)
Betreft: Artikel 23-wetgeving in Hongkong en de rechten van Falungong-aanhangers in China
Wat vindt de Commissie van de invoering van de omstreden wet, uit hoofde van Artikel 23 van de Basiswet, waarmee subversie moet tegengegaan worden? Is de Commissie niet bezorgd over het gevaar dat vreedzame volgelingen van de Falungong in Hongkong of in de rest van China door deze wet hun overtuigingen niet langer ongestoord of zonder het risico van willekeurige aanhouding zullen kunnen aanhangen? Heeft de Commissie de kwestie van de Falungong bij de Chinese regering aangekaart? Is zij niet van oordeel dat de groeiende Falungong-aanhang niet zozeer als een bedreiging voor de politieke dominantie van de communistische partij moet gezien worden, maar eerder als een teken dat velen willen terugkeren naar de oudere, spirituele Chinese gedragscodes?
Heeft de Commissie eveneens haar bezorgdheid geuit over de bedreiging van de godsdienstvrijheid in China? Denkt de Commissie dat de nieuwe leider Hu Jintao deze kwestie in de toekomst met meer openheid zal aanpakken?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(9 januari 2003)
De Commissie is op de hoogte van het initiatief van de Regering van Hong Kong om een raadplegingsprocedure op gang te brengen met het oog op de vaststelling van artikel 23 van de basiswet. De Commissie is zich bovendien bewust van het belang en de politieke gevoeligheid van deze kwestie in de algemene Chinese context. Aangezien het raadplegingsdocument in algemene bewoordingen is opgesteld, zullen de gevolgen voor de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, waaronder de vrijheid van religie, evenwel pas juist kunnen worden beoordeeld wanneer het wetsontwerp aan de Wetgevende Raad is voorgelegd. Dit zou in februari 2003 moeten gebeuren. Ondertussen volgt de Unie deze kwestie en zij zal er bij de Regering van Hong Kong sterk op aandringen om rekening te houden met de mening van de bevolking van Hong Kong. Een eventuele demarche bij de regering van de SAR Hong Kong wordt op dit ogenblik onderzocht.
De eerbiediging van de mensenrechten staat centraal in de betrekkingen van de Unie met China. In het kader van de in 1996 tussen de Unie en China aangevatte bilaterale dialoog over de mensenrechten vestigt de Unie regelmatig de aandacht op individuele gevallen die reden tot ongerustheid geven, zoals ook gevallen van Falun Gong-aanhangers. Godsdienstvrijheid neemt een belangrijke plaats in op onze agenda met China. Deze kwestie is in dit kader geregeld aan de orde gesteld en dit zal ook in de toekomst gebeuren.
Verder heeft de Unie bij verschillende gelegenheden formele stappen ondernomen om haar bezorgdheid tot uitdrukking te brengen in verband met berichten over martelingen en mishandelingen van gearresteerde volgelingen van de Falun Gong-beweging en zij heeft er bij China op aangedrongen de harde uitspraken tegen hen te herzien. De EU heeft China inzonderheid gevraagd er voor te zorgen dat alle individuen op een eerlijk proces kunnen rekenen, waarbij ook een adequate verdediging in rechten hoort. Ook in de conclusies die de Raad Algemene Zaken in maart 2002 inzake de mensenrechten in China heeft aangenomen, werd bezorgdheid tot uitdrukking gebracht over schendingen van de mensenrechten van de Falun Gong-volgelingen.
Wat betreft de eventuele gevolgen van de Falun Gong voor de Chinese communistische partij, moge de Commissie het geachte parlementslid verwijzen naar het antwoord op schriftelijke vraag E-1969/02 van de heer Davies (1).
(1) PB C 137 E van 12.6.2003, blz. 38.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/17 |
(2004/C 65 E/018)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3573/02
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(13 december 2002)
Betreft: Lid 2 van artikel 299 en de economische en sociale samenhang op de Azoren
De ultraperifere regio's hebben te maken met specifieke handicaps die het gevolg zijn van hun ver verwijderde ligging, hun ver doorgevoerde economische specialisatie, natuurlijke omstandigheden, de omvang van hun markten en de productiekosten. Als deze factoren vormen obstakels voor het concurrerend vermogen van deze regio's en een duurzame ontwikkeling aldaar. Voor de Autonome Regio van de Azoren geldt bovendien dat de eilanden behalve ver van het vasteland ook nog eens ver van elkaar verwijderd liggen. Binnen het kader van het regionaal beleid en het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn voor deze regio's dan ook speciale programma's ontwikkeld. In het Verdrag van Amsterdam wordt gewag gemaakt van de mogelijkheid om, rekening houdend met de handicaps van de ultraperifere regio's, bijzondere maatregelen te ontwikkelen, met name op het gebied van de landbouw.
Zoals bekend is de melkproductie (en al de daarmee samenhangende activiteiten) één van de belangrijkste pijlers van de economie van de Azoren. Deze sector vormt — direct of indirect — de basis voor veel banen en diensten, en is daarom een onmisbaar element bij het handhaven van de sociale en economische samenhang. In het kader van het regionaal beleid van de EU moeten daarom maatregelen worden ontwikkeld om deze sector te onderhouden en te ontwikkelen, om aldus een duurzame ontwikkeling te verzekeren. De melksector ondervindt echter de negatieve gevolgen van het feit dat de quota's voor regionale melkproductie vastgelegd zijn op het nu geldende niveau. Bij overschrijding van de quota's — en dat is heel waarschijnlijk — zullen uit hoofde van de gemeenschappelijk marktordening voor melk boetes betaald moeten worden. Als het daarvan komt, dan zal dat zeker negatieve gevolgen hebben voor de economie van deze regio, die, zoals gezegd, vooral rond de melksector is opgebouwd.
Ik wil de Commissie met een verwijzing naar lid 2 van artikel 299 van het Verdrag daarom het volgende vragen:
|
— |
Welke maatregelen denkt de Commissie te nemen om iets te doen aan deze toestand? |
|
— |
Wat denkt de Commissie van het idee om deze sector met het oog op de ontwikkeling van de Azoren vrijstelling te verlenen van de door het algemeen landbouwbeleid opgelegde beperkingen, en een speciaal op deze regio gericht programma op te stellen voor het ontwikkelen van de melksector op deze eilandengroep? |
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(5 februari 2003)
De Gemeenschap heeft in het kader van Verordening (EG) nr. 1257/1999 (1) voor de regio Azoren plattelandsontwikkelingsmaatregelen uitgevoerd voor de periode 2000-2006. Het gaat daarbij vooral om een operationeel meerfondsenprogramma dat door de Structuurfondsen, en met name door het EOGFL-Oriëntatie (133 554 miljoen euro), wordt medegefinancierd, en om een plattelandsontwikkelingsprogramma dat door het EOGFL-Garantie (122 206 miljoen euro) wordt medegefinancierd.
In het kader van deze programma's heeft de steun voor plattelandsontwikkeling met name tot doel de productiestructuren te verbeteren en de landbouwproductie om te schakelen en te heroriënteren, de kwaliteit van de producten te verbeteren, duurzame ontwikkeling te bevorderen, de activiteiten te diversifiëren, enzovoorts. Voor sommige maatregelen in het kader van deze programma's zijn reeds structurele specifieke afwijkingsbepalingen gemaakt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1454/2001 (2).
De plattelandsontwikkelingsmaatregelen moeten worden geharmoniseerd met de andere maatregelen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, met inbegrip van de in het kader van de gemeenschappelijke marktordeningen genomen maatregelen.
Wat meer in het bijzonder de zuivelsector betreft, is bij artikel 26 van bovengenoemde Verordening (EG) nr. 1454/2001 voor de Azoren voor de periode 2002 tot en met 2006 een algemeen programma voor ondersteuning van de productie en de afzet van de plaatselijke veehouderij- en zuivelproducten op de Azoren vastgesteld. De ontwerpprogramma's worden in principe door de bevoegde autoriteiten aan de Commissie voorgelegd, die deze op haar beurt goedkeurt, maar de bevoegde autoriteiten hebben tot nu toe geen ontwerpprogramma's in het kader van deze bepaling ingediend.
Welnu, de zuivelproductie op de Azoren bedraagt momenteel meer dan 500 000 ton per jaar, een stijging van de productie in de laatste 10 jaar met 60 %; een dergelijk groeicijfer wordt in geen enkele andere regio van de Europese Unie gehaald. Het bijna onvermijdelijk resultaat van deze ontwikkeling is dat de prijs die aan de zuivelproducenten van de Azoren wordt betaald een van de laagste in Europa is. Ook de afzet van kaas, het belangrijkste afgeleide product, ondervindt moeilijkheden, en de prijzen voor kaas liggen heel wat lager dan voor vergelijkbare producten op het vasteland, bij gebrek aan een voldoende grote markt buiten de eilandengroep zelf en bij gebrek aan gezamenlijke inspanningen, bijvoorbeeld in het kader van bovengenoemd artikel 26 van Verordening (EG) nr. 1453/2001, om deze tot ontwikkeling te brengen.
De Portugese autoriteiten hebben de Commissie verzocht om verlenging van artikel 23 van bovengenoemde verordening betreffende de vaststelling van de melkquota in het kader van de vaststelling van de extra heffingen. Als motivatie verwezen zij daarbij naar de specifieke kenmerken van de productie in de ultraperifere regio's, met name van de zuivelproductie op de Azoren.
De Commissie onderzoekt dit verzoek en zal bij de behandeling ervan rekening houden met de bijzondere situatie van de Azoren als ultraperifere regio, maar zij zal er tegelijkertijd op toezien dat de samenhang van het Gemeenschapsrecht en de naleving van de integriteit daarvan in het kader van de toepasselijke regelgeving, in dit geval Verordening (EG) nr. 1453/2001, wordt gegarandeerd.
(1) Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen. PB L 160 van 26.6.1999.
(2) Verordening (EG) nr. 1453/2001 van de Raad van 28 juni 2001 houdende specifieke maatregelen voor bepaalde landbouwproducten ten behoeve van de Azoren en Madeira en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 1600/92 (Poseima). PB L 198 van 21.7.2001.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/18 |
(2004/C 65 E/019)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3608/02
van Cristiana Muscardini (UEN) aan de Commissie
(16 december 2002)
Betreft: Uitbreiding van de NAVO en defensiebeleid van de Europese Unie
Op de top van negentien staatshoofden en regeringsleiders van de NAVO in Praag (21-22 november jl.) waar de leiders aanwezig waren van de 27 landen die lid zijn van de Noordatlantische Verdragsorganisatie, verenigd in de Raad van het Euro-Atlantisch partnerschap, heeft men zich o.a. beziggehouden met twee fundamentele kwesties: de modernisering van de strategische capaciteit van de NAVO en de uitbreiding van de verdragsorganisatie drie jaar nadat de eerste drie voormalige Sovjetlanden zijn toegetreden.
Een nieuwe definitie van het politiek-strategisch profiel van het bondgenootschap is nodig door de diversifiëring van haarden van instabiliteit en onveiligheid (terwijl het vroeger vooral ging om de Sovjetdreiging) en door de uitbreiding van de aan de NAVO toevertrouwde taken door het strategisch concept uit 1991 en 1999 dat zich keerde tegen proliferatie van massavernietigingswapens, bestrijding van het internationale terrorisme en georganiseerde misdaad. Aan de in Praag behaalde resultaten zou men kunnen afleiden dat het bondgenootschap de politieke en militaire spil blijft voor de nieuwe Europese veiligheid, ook al is men er op de top niet in geslaagd om alle politieke en institutionele knooppunten door te hakken.
De vraag aan de Commissie luidt:
|
1. |
Beschouwt zij de NAVO nog steeds als een bondgenootschap in de traditionele betekenis van het woord of als het embryo van een nieuw efficiënter systeem voor collectieve veiligheid? |
|
2. |
Hoe is het gesteld met de betrekkingen tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten en hoe zullen deze zich ontwikkelen? |
|
3. |
Militair gezien: hoe kan de snelle task force van de Unie geplaatst worden in vergelijking met de task force van de NAVO, omdat van de negentien NAVO-landen er zeventien Europees zijn? |
|
4. |
Welke rol speelt de WEU in dit verband? |
|
5. |
Is het denkbaar dat de formule van „intensieve samenwerking” voor de landen die eraan meedoen, de noodzakelijke efficiency kan bieden die garant staat voor een zelfstandig defensiebeleid? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(17 januari 2003)
Aangezien de door het geachte parlementslid aan de orde gestelde kwesties niet tot de bevoegdheden van de Commissie behoren, kan de Commissie de gestelde vragen niet beantwoorden.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/19 |
(2004/C 65 E/020)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0025/03
van Dirk Sterckx (ELDR) aan de Commissie
(13 januari 2003)
Betreft: Lijst van producten waarvoor tegenmaatregelen kunnen worden genomen in het kader van de Amerikaanse Foreign Sales Corporation
Op 13 september 2002 heeft de Europese Commissie een ontwerplijst gepubliceerd van producten waarvoor tegenmaatregelen zouden kunnen worden genomen als reactie op de fiscale behandeling door de Verenigde Staten van de „Foreign Sales Corporation”. Een aantal invoerders van Amerikaanse producten die op deze lijst staan, is ontevreden met deze maatregel. Riskeert deze maatregel niet bepaalde Europese bedrijven ernstig te schaden? Heeft de Commissie al een zicht op de reacties van de belanghebbenden? Zal de Commissie de lijst wijzigen om rekening te houden met de reacties van belanghebbenden? Wanneer neemt de Commissie een definitieve beslissing?
Antwoord van Pascal Lamy namens de Commissie
(7 februari 2003)
Het geachte parlementslid verwijst in zijn vraag naar de bezorgdheid van importeurs in de Gemeenschap over de mogelijke negatieve gevolgen voor hun bedrijfstak van sancties tegen Amerikaanse producten.
In dit verband dient te worden herinnerd aan de omstandigheden rond de met de WTO-regels strijdige FSC/ETI-wetgeving (Foreign Sales Corporation/Extraterritorial Income), die een niet-geoorloofde belastingsubsidie op de export omvat voor Amerikaanse bedrijven ter hoogte van circa 4 miljard USD per jaar. Zo kreeg de Gemeenschap op 30 augustus 2002, na de rechtmatigheid van de FSC/ETI-wetgeving in de WTO met succes aan de orde te hebben gesteld, het recht voor eenzelfde bedrag tegenmaatregelen te nemen in de vorm van invoerheffingen op bepaalde goederen uit de Verenigde Staten. De Verenigde Staten hebben helaas nog geen concrete stappen gezet om zich te conformeren. Wel hebben de regering en enkele vooraanstaande leden van het Congres aangegeven dat dit hun voornemen is.
Tezelfdertijd dient duidelijk te worden gesteld dat de Commissie in dit geschil niet streeft naar tegenmaatregelen tegen Amerikaanse producten, maar naar intrekking van de niet-geoorloofde maatregelen die een ongunstig effect hebben op de belangen van bedrijven uit de Gemeenschap. Het doel van de Commissie is derhalve ervoor te zorgen dat de Verenigde Staten zich zo spoedig mogelijk houden aan de uitspraak van de WTO over de FSC. Doen de Verenigde Staten dit niet, dan rest de Gemeenschap niets anders dan haar WTO-rechten te doen gelden.
Om de mogelijke negatieve gevolgen van tegenmaatregelen voor de Europese industrie te beperken, is de Commissie een openbaar overleg gestart. In dat verband zijn alleen producten geselecteerd waarvoor de invoer uit de Verenigde Staten maximaal 20 % bedraagt van de totale invoer in de Gemeenschap. De Commissie analyseert momenteel de reacties die zij tijdens het openbaar overleg van de betrokkenen heeft ontvangen. Bij haar analyse zal de Commissie er bijzondere zorg voor dragen dat de belangen van de Gemeenschap niet worden geschaad, want dat is uiteindelijk het doel van de hele operatie. Een definitief besluit zal na raadpleging van de lidstaten in het eerste kwartaal van 2003 worden genomen. In dit stadium kunnen echter geen opmerkingen worden gedaan met betrekking tot het al dan niet opnemen van bepaalde specifieke producten op de uiteindelijke lijst van door sancties getroffen producten.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/20 |
(2004/C 65 E/021)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0180/03
van Glyn Ford (PSE) aan de Commissie
(30 januari 2003)
Betreft: Proeven genetisch gemodificeerde gewassen
Kan de Commissie mededelen of burgers van lidstaten tijdens en na proeven met genetisch gemodificeerde gewassen inzage krijgen in gegevens met betrekking tot de milieu-effectrapportageprocedure en de resultaten daarvan?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(14 maart 2003)
De experimentele introductie van genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) zoals genetisch gemodificeerde gewassen, valt thans onder deel Β van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2001 inzake de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu (1), die op 17 oktober 2002 in werking is getreden. Op dit ogenblik (20 februari 2003) zijn onder deze richtlijn 22 experimentele introducties uitgevoerd. Beknopte gegevens over deze introducties zijn toegankelijk voor het publiek via de website van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie op [http://gmosnif.jrc.it].
Richtlijn 2001/18/EG heeft Richtlijn 90/220/EEG van de Raad van 23 april 1990 (2) vervangen, die eveneens in deel Β voorschriften bevatte voor de experimentele introductie van GGO's waaronder genetisch gemodificeerde gewassen. Onder Richtlijn 90/220/EEG zijn ongeveer 1 700 experimentele introducties uitgevoerd vanaf de inwerkingtreding ervan in oktober 1991 tot de intrekking ervan op 17 oktober 2002. Beknopte gegevens over deze introducties zijn toegankelijk voor het publiek via de website van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Commissie op [http://biotech.jrc.it].
Onder Richtlijn 90/220/EEG droegen de instanties van de lidstaat waar de introductie was gepland, zorg voor de behandeling van aanvragen en de verlening van vergunningen voor experimentele introducties. Deze procedure is gehandhaafd onder Richtlijn 2001/18/EG.
Krachtens artikel 4 van Richtlijn 90/220/EEG moesten de lidstaten ervoor zorgen dat de bevoegde instantie inspecties organiseerde en eventueel andere controlemaatregelen trof om ervoor te zorgen dat aan de richtlijn werd voldaan. Deze bepaling is eveneens terug te vinden in Richtlijn 2001/18/EG.
Bijgevolg zijn het de bevoegde instanties van de lidstaten die toezien op inspecties ter plaatse, waaronder eventueel monitoring, van veldproeven met genetisch gemodificeerde gewassen. Zij beschikken over de relevante informatie.
In dit verband schrijft Richtlijn 2001/18/EG in artikel 9, lid 2, thans voor dat „de lidstaten informatie over alle introducties van GGO's van deel Β op hun grondgebied ter beschikking van het publiek stellen”.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/21 |
(2004/C 65 E/022)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0204/03
van Bert Doorn (PPE-DE) aan de Commissie
(3 februari 2003)
Betreft: Staatssteun Tsjechische banksector
Met grote belangstelling heb ik het rapport van de Europese Commissie betreffende „State Aid Scoreboard” voor tot de Europese Unie toetredende landen bestudeerd. Daarbij juich ik het initiatief van de Europese Commissie toe om verslag te doen van de staatssteun in de toekomstige EU-lidstaten. Dit is een noodzakelijke stap in de richting van volledige transparantie en van groot belang in verband met de toetreding.
Het rapport van de Europese Commissie maakt echter in verschillende gevallen duidelijk dat de verschafte informatie alleen betrekking heeft op gegevens die zijn aangedragen door de toetredende landen zelf en dus niet het resultaat is van door de Europese Commissie zelf uitgevoerd onderzoek.
Daarom zou ik de Commissie willen verzoeken om meer informatie over de volgende punten te verschaffen:
|
1. |
Is het de bedoeling om, en zo ja op welke manier, de juistheid van de verschafte informatie te verifiëren? Zo is bijvoorbeeld onder mijn aandacht gebracht dat de gegevens in het „State Aid Scoreboard” over de in het jaar 2000 aan de Tsjechische banken verschafte steun (euro 144 mln.) aanzienlijk lager zijn ingeschat dan de openbaar beschikbare bronnen in Praag weergeven. Deze bronnen spreken van enkele honderden miljoenen euro's aan staatssteun, die alleen al in 2000 zou zijn gegeven aan een geselecteerd aantal banken. |
|
2. |
De Commissie heeft geen oordeel uitgesproken of deze steun werd verleend in overeenstemming met de in de EU vigerende regelgeving voor het verlenen van staatssteun. Kan ongeacht dit feit de staatssteun, die na 10 december 1994 is verleend, worden aangeduid als bestaande steun en op de lijst worden geplaatst bij het Toetredingsverdrag (State Aid Score sectie 1.2.5)? |
|
3. |
Welke consequenties zal de Commissie verbinden aan de vaststelling dat de gegevens in het „State Aid Scoreboard” over de aan de Tsjechische banken verleende staatssteun fundamenteel onjuist zijn? |
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(19 maart 2003)
Scorebord voor staatssteun
|
1. |
De Commissie heeft de gegevens voor het scorebord voor staatssteun verzameld op basis van de door de Tsjechische autoriteiten verstrekte gegevens. Zij verifieert deze gegevens niet, evenmin als zij dit doet met de gegevens die door de huidige lidstaten worden aangedragen. De Commissie heeft, voor zover mogelijk, dezelfde methode getracht toe te passen als die welke voor de bestaande lidstaten wordt gebruikt. Aangezien dit echter een eerste dergelijke actie was, hebben zich bij het vergaren van alle nodige gegevens natuurlijk moeilijkheden voorgedaan omdat dit op een voor alle landen strikt vergelijkbare manier moest geschieden. Daardoor kunnen er enkele gebieden zijn waar het niveau van de staatssteun is ondergewaardeerd. |
Lijst van bestaande steunmaatregelen
|
2. |
Op de aan het Toetredingsverdrag gehechte lijst wordt geen staatssteun ten behoeve van de banksector vermeld. Opneming van door de Tsjechische autoriteiten verleende steun in de lijst van bestaande steun gebeurt in twee fasen: de eerste fase bestond uit het opstellen van een als bijlage aan het Toetredingsverdrag te hechten lijst van steunmaatregelen. Enkele maatregelen ten behoeve van de banksector waren voor deze lijst aangemeld, doch kwamen niet in aanmerking en werden er derhalve niet in opgenomen. De tweede fase bestijkt maatregelen die tussen 1 januari 2003 en de feitelijke datum van toetreding aan de Commissie zijn voorgelegd (de zogeheten „interimprocedure”). Deze procedure heeft betrekking op maatregelen die, voorafgaand aan de datum van toetreding, door de toezichthoudende autoriteit voor staatssteun van de nieuwe lidstaat zijn onderzocht en verenigbaar met het acquis zijn bevonden en waartegen de Commissie geen bezwaar maakt wegens ernstige twijfels over de verenigbaarheid van de maagtregel met de gemeenschappelijke markt. Verscheidene steunmaatregelen ten gunste van het bankwezen worden op dit ogenblik door de Tsjechische mededingingsautoriteiten (OPEC) onderzocht. Wanneer OPEC de maatregelen eenmaal heeft onderzocht, en indien deze instantie geen bezwaar maakt, kunnen de Tsjechische autoriteiten de verleende steun bij de Commissie aanmelden zodat deze op de lijst van bestaande steun wordt geplaatst. De Commissie zal vervolgens de steun beoordelen en alleen indien zij hiertegen geen bezwaar maakt op grond van ernstige twijfels over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt, zal de steun als bestaande steun worden beschouwd. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de lijst van bestaande steunmaatregelen en het scorebord voor staatssteun. Het scorebord voor staatssteun is niet bedoeld voor de beoordeling van de verenigbaarheid van het acquis, maar als informatie-instrument. |
|
3. |
De Commissie kan op dit ogenblik niet de conclusie trekken dat de cijfers fundamenteel onjuist zijn, omdat een aantal maatregelen nog door OPEC wordt onderzocht. Indien echter de cijfers onnauwkeurig blijken te zijn, moeten zij in het volgende scorebord worden bijgewerkt. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/22 |
(2004/C 65 E/023)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0260/03
van Giovanni Pittella (PSE) aan de Commissie
(29 januari 2003)
Betreft: „Verenigbare” projecten
In verordening (EG) nr. 1260/1999 (1) wordt bepaald dat de versterking van het cohesiebeleid, ondersteund door de Structuurfondsen, erop gericht moet zijn de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden te verkleinen. Tevens moet de gedecentraliseerde uitvoering van de acties van de Structuurfondsen door de lidstaten gepaard gaan met de nodige garanties inzake de wijze en de kwaliteit van uitvoering, inzake de resultaten en de evaluatie daarvan. De verwezenlijking van deze doelstellingen wordt gewaarborgd door de naleving van enkele beginselen (programmering, concentratie, integratie, additionaliteit), die het bestaan van een Europees cohesiebeleid rechtvaardigen.
Sinds 2002 is de regel van automatische annulering van kracht en voor wat betreft Italië, hebben de door de Italiaanse regio's vóór 31 december 2002 ingediende uitgavendeclaraties soms voor 70 à 80 % betrekking op de zogeheten „nevenprojecten” of „met de programma's samenhangende projecten”.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Kan de Commissie voor elk Italiaans programma van doelstelling 1 en voor elk Structuurfonds exact meedelen hoe groot het deel van de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven is dat betrekking heeft op projecten die niet geselecteerd zijn op basis van een krachtens de NOP's en ROP's uitgeschreven aanbesteding, en kan zij meedelen of de met deze projecten samenhangende uitgaven toch vergoed worden krachtens het EFRO, het ESF, het EOGFL en het FIOV? |
|
— |
Welke programma-aanvullingen zijn gewijzigd teneinde, met terugwerkende kracht, de bedragen te rechtvaardigen die reeds buiten het kader van de operationele programma's besteed zijn, enkel en alleen om de regel van de automatische annulering te omzeilen, en is de Commissie voornemens deze praktijken te aanvaarden? |
|
— |
Is de Commissie voornemens na te gaan hoe de fondsen aangewend zullen worden die mogelijk vrijgemaakt zijn middels „samenhangende” projecten en, zo dit het geval is, welke beperkingen zal zij opleggen? |
|
— |
Brengen de regio's door op zo'n grote schaal projecten uit te voeren die geselecteerd zijn op basis van aanbestedingen die niet uitgeschreven zijn ter uitvoering van de bepalingen van de door de Commissie goedgekeurde programma's, de verwezenlijking van de in het Communautair Bestek van Italië voor doelstelling 1 bepaalde ontwikkelingsdoelstellingen niet in gevaar? Is dit bovendien niet in strijd is met de communautaire wetgeving inzake additionaliteit, partnerschap, programmering en voorlichting en worden de doelstellingen en de samenhang van het cohesiebeleid hierdoor niet tenietgedaan? |
(1) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/23 |
(2004/C 65 E/024)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0261/03
van Giovanni Fava (PSE) aan de Commissie
(29 januari 2003)
Betreft: „Verenigbare” projecten
In verordening (EG) nr. 1260/1999 (1) wordt bepaald dat de versterking van het cohesiebeleid, ondersteund door de Structuurfondsen, erop gericht moet zijn de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden te verkleinen. Tevens moet de gedecentraliseerde uitvoering van de acties van de Structuurfondsen door de lidstaten gepaard gaan met de nodige garanties inzake de wijze en de kwaliteit van uitvoering, inzake de resultaten en de evaluatie daarvan. De verwezenlijking van deze doelstellingen wordt gewaarborgd door de naleving van enkele beginselen (programmering, concentratie, integratie, additionaliteit), die het bestaan van een Europees cohesiebeleid rechtvaardigen.
Sinds 2002 is de regel van automatische annulering van kracht en voor wat betreft Italië, hebben de door de Italiaanse regio's vóór 31 december 2002 ingediende uitgavendeclaraties soms voor 70 à 80 % betrekking op de zogeheten „nevenprojecten” of „met de programma's samenhangende projecten”.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Kan de Commissie voor elk Italiaans programma van doelstelling 1 en voor elk Structuurfonds exact meedelen hoe groot het deel van de bij de Commissie gedeclareerde uitgaven is dat betrekking heeft op projecten die niet geselecteerd zijn op basis van een krachtens de NOP's en ROP's uitgeschreven aanbesteding, en kan zij meedelen of de met deze projecten samenhangende uitgaven toch vergoed worden krachtens het EFRO, het ESF, het EOGFL en het FIOV? |
|
— |
Welke programma-aanvullingen zijn gewijzigd teneinde, met terugwerkende kracht, de bedragen te rechtvaardigen die reeds buiten het kader van de operationele programma's besteed zijn, enkel en alleen om de regel van de automatische annulering te omzeilen, en is de Commissie voornemens deze praktijken te aanvaarden? |
|
— |
Is de Commissie voornemens na te gaan hoe de fondsen aangewend zullen worden die mogelijk vrijgemaakt zijn middels „samenhangende” projecten en, zo dit het geval is, welke beperkingen zal zij opleggen? |
|
— |
Brengen de regio's door op zo'n grote schaal projecten uit te voeren die geselecteerd zijn op basis van aanbestedingen die niet uitgeschreven zijn ter uitvoering van de bepalingen van de door de Commissie goedgekeurde programma's, de verwezenlijking van de in het Communautair Bestek van Italië voor doelstelling 1 bepaalde ontwikkelingsdoelstellingen niet in gevaar? Is dit bovendien niet in strijd is met de communautaire wetgeving inzake additionaliteit, partnerschap, programmering en voorlichting en worden de doelstellingen en de samenhang van het cohesiebeleid hierdoor niet tenietgedaan? |
Gecombineerd Aanvullend antwoord
van de heer Barnier namens de Commissie
op de schritftelijke vragen P-0260/03 en P-0261/03
(14 april 2003)
De voorwaarden voor subsidiabiliteit van de uitgaven in verband met een operationeel programma zijn vastgesteld in artikel 30 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen.
In het communautaire bestek voor de Italiaanse doelstelling 1-regio's staat dat tijdens de „eerste fase van de tenuitvoerlegging” (2) in het belang van de continuïteit lopende acties kunnen worden gefinancierd via de programma's, op voorwaarde dat die acties stroken met de doelstellingen, strategieën en procedures van de programma's zelf (op het niveau van de maatregelen) en ook met de communautaire regelgeving en de voorschriften van de Structuurfondsen. Aangenomen wordt dat het geachte parlementslid op deze „eerste fase van de tenuitvoerlegging” doelt wanneer hij het in zijn vraag over zogeheten „nevenprojecten” heeft.
Informatie over de resultaten van deze „eerste fase van de tenuitvoerlegging” moet worden verstrekt in de jaarverslagen over de uitvoering voor het jaar 2002, die vóór juni 2003 door de toezichtcomités voor de programma's moeten worden goedgekeurd en bij de Commissie moeten worden ingediend.
Op grond van het voor de Structuurfondsen gehanteerde subsidiariteitsbeginsel worden de in het kader van de doelstelling 1-programma's gedane uitgaven gedeclareerd op het niveau van de maatregelen; de Commissie kan dus geen onderscheid maken tussen projecten die worden gefinancierd volgens de procedure van de „eerste fase van de tenuitvoerlegging”, en projecten waarvoor de in de programmacomplementen overeengekomen selectieprocedures en -criteria zijn toegepast.
Aangezien deze „eerste fase van de tenuitvoerlegging” beperkt blijft tot de aanloopfase van de goedgekeurde doelstelling 1-programma's en er in die fase geen projecten mogen worden gefinancierd die in strijd zijn met de programmadoelstellingen en de uitvoeringsvoorschriften, heeft de Commissie geen aanwijzingen dat deze gang van zaken afbreuk zal doen aan de ontwikkelingsdoelstellingen en -strategieën die in het kader van het communautaire bestek en de operationele programma's zijn overeengekomen.
Wat de additionaliteit betreft, is in Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 bepaald dat de inachtneming daarvan moet worden getoetst bij de herziening halverwege. Naar verwachting zal dat eind 2003 gebeuren. In dat kader zal de Commissie er zorg voor dragen dat het additionaliteitsbeginsel wordt nageleefd voor het hele communautaire bestek betreffende doelstelling 1 in Italië.
(1) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1.
(2) Gedurende deze periode, die in juni 2002 afliep, moesten de toezichtcomités voor de programma's criteria voor de selectie van de projecten in het kader van de programmacomplementen goedkeuren. Vervolgens worden deze criteria gebruikt voor de selectie van projecten in het kader van de verschillende maatregelen in de programma's.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/24 |
(2004/C 65 E/025)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0387/03
van Mario Mantovani (PPE-DE) aan de Commissie
(7 februari 2003)
Betreft: De toxischvuilverbrander „Fenice”
De problematiek rond de toxischvuilverbrander „Fenice”, waar de Fiat-groep een voorstander van is, gaat terug op het jaar 1994.
Het bedrijf Fenice heeft besloten om een vuilverbrandingsinstallatie voor „speciaal en gevaarlijk” afval te bouwen op het grondgebied van de gemeente Verrone in de provincie Biella, op basis van decreet/VIA 11/08/1995.
De door Fenice gepresenteerde milieueffectrapportage dateert van 1993. De windmetingsbasisgegevens zijn die van het weerstation van de luchthaven van Cameri in de provincie Novara. De onlangs door ARPA verstrekte gegevens, waar de provincie Biella over beschikt en die kunnen worden opgevraagd bij een in de gemeente Verrone gelegen centrale, laten heel andere resultaten zien dan die waar Fenice is gekomen. Daardoor wordt de verwezenlijking van dit project nog onaanvaardbaarder, wanneer men de speciale gesteldheid van het grondgebied van Biella in aanmerking neemt en de regenval, die de verspreiding belemmert van verontreinigende elementen in een sterk geïndustrialiseerd gebied waar een hoog sterftecijfer aan tumoren bestaat. De provincie Biella beschikt voor de verwerking van vast stedelijk afval al over een vuilverwerkingsinstallatie. De Fenice-installatie zou niet alleen een „Fremdkörper” zijn in dit gebied, maar zou ook de grootste installatie van deze soort zijn in Italië.
Bij de milieueffectrapportage was afval aangegeven van de Fiat-fabrieken in Piemonte en Lombardije. Inmiddels is een nieuw regionaal afvalplan goedgekeurd waarbij het niet meer gaat om een verwijzing naar afspraken tussen de regio Piemonte en de regio Lombardije, zoals aanbevolen in het VIA-decreet.
Is de Commissie op de hoogte van dit project? Is er een verzoek ingediend tot communautaire financiering van de bouw?
Kan de Commissie meedelen of in dit geval de volgende richtlijnen zijn toegepast:
|
— |
85/337/EEG (1) over milieueffectrapportage voor bepaalde overheids- en particuliere projecten; |
|
— |
91/156/EEG (2) tot wijziging van richtlijn 75/442/EEG (3) over afval, dat de lidstaten verplicht om het terugwinnen of verwerken van afval te waarborgen zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder gebruik te maken van procedures of methodes die het milieu schade zouden kunnen berokkenen; |
|
— |
84/156/EEG (4) over de bestrijding van atmosferische verontreiniging door industriële installaties? |
Gezien de enorme verschillen tussen het verrichte onderzoek en het potentiële gevaar voor de gezondheid van de inwoners van alle 82 gemeentes van de provincie Biella alsook voor het milieu en de toekomst van dit gebied, luidt de vraag aan de Commissie welke maatregelen zij denkt te nemen ter garantie van correcte toepassing van de EU-wetgeving en om te verhinderen dat deze vuilverbrandingsinstallatie er komt?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(10 maart 2003)
Volgens de informatie waarover de Commissie beschikt, betreft het hier een particulier project dat niet voldoet aan de subsidiabiliteitscriteria van het operationeel programma voor Piëmont; het komt dus niet in aanmerking voor communautaire medefinanciering via de structuurfondsen.
Krachtens Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, als gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (5), zijn de lidstaten ertoe gehouden maatregelen te treffen om te verzekeren dat een vergunning is vereist voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en dat een beoordeling van de effecten daarvan plaatsvindt alvorens een vergunning wordt verleend. De projecten waarop de richtlijn van toepassing is, worden in de bijlagen opgesomd. De projecten van bijlage I moeten in ieder geval aan een milieueffectbeoordelingsprocedure (MEB-procedure) worden onderworpen.
Het door het geachte parlementslid genoemde project valt onder bijlage I van Richtlijn 85/337/EEG, als gewijzigd. Bijgevolg moet het aan een MEB-procedure worden onderworpen.
Op basis van de door het geachte parlementslid verstrekte gegevens lijkt het zo te zijn dat met betrekking tot dit project in 1995 een MEB-procedure is uitgevoerd die heeft geresulteerd in een VIA-besluit van 11 augustus 1995; bij die MEB-procedure is gebruik gemaakt van een door de projectontwikkelaar in 1993 overgelegde studie van de milieueffecten. Recente studies van de plaatselijke autoriteiten lijken voorts tot conclusies te hebben geleid die totaal verschillen van de conclusies die oorspronkelijk door de projectontwikkelaar werden ingediend. In de tussentijd is geen vergunning voor de installatie in kwestie verleend, en de projectontwikkelaar heeft momenteel besloten de installatie op te zetten overeenkomstig het bepaalde in het VIA-besluit van 11 augustus 1995.
In het licht van een en ander benadrukt de Commissie dat in gevallen waarin een MEB-procedure werd afgerond maar nog geen vergunning werd afgegeven, het in het algemeen noodzakelijk kan zijn de milieueffectbeoordeling te actualiseren of aan te vullen indien de toestand van het milieu verandert of indien andersluidende conclusies betreffende de milieueffecten van het project worden bereikt in de loop van de periode tussen de voltooiing van de beoordeling en het verlenen van de vergunning. Bijgevolg moet nieuwe informatie over alle waarschijnlijke substantiële milieueffecten van het project in de vergunningsprocedure worden meegenomen. In het specifieke geval dat hier aan de orde is, lijkt dit stadium overigens nog niet te zijn bereikt: uit de informatie die door het geachte parlementslid werd verstrekt, kan worden afgeleid dat er nog geen administratieve procedure betreffende een vergunningsaanvraag voor het project op basis van het VIA-besluit van 11 augustus 1995 lopend is. Rekening houdend met dit alles, en gezien het feit dat er geen specifieke gronden voor een klacht wegens niet-naleving van de MEB-richtlijn voorhanden lijken te zijn, kan momenteel niet worden gesteld dat er een inbreuk op die richtlijn heeft plaatsgevonden. Indien de Commissie van het geachte parlementslid aanvullende gegevens ontvangt aan de hand waarvan zij een eventuele inbreuk op Richtlijn 85/337/EEG, als gewijzigd, kan vaststellen, zal zij de zaak verder onderzoeken.
Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, als gewijzigd bij Richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991, is van toepassing op handelingen gericht op de verwijdering of terugwinning van afvalstoffen, met inbegrip van afvalverbranding. Deze richtlijn bevat evenwel geen eisen met betrekking tot de planningsfase van verwijderings- of terugwinningsinstallaties.
Indien de geplande verbrandingsinstallatie voor gevaarlijk afval een capaciteit heeft van meer dan 10 ton per dag, is Richtlijn 84/360/EEG van de Raad van 28 juni 1984 betreffende de bestrijding van door industriële inrichtingen veroorzaakte luchtverontreiniging niet van toepassing. Deze richtlijn is immers vervangen door Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (6). Is de capaciteit van de installatie evenwel geringer, dan is Richtlijn 84/360/EEG van toepassing. Wat wellicht nog belangrijker is: Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (7) is eveneens van toepassing. Voor bestaande installaties, als omschreven in Richtlijn 2000/76/EG, geldt die richtlijn met ingang van 28 december 2005; op nieuwe installaties is zij van toepassing vanaf 28 december 2002. De verbranding van gevaarlijk afval ten slotte is geregeld bij Richtlijn 94/67/EG van de Raad van 16 december 1994 betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen (8), die bij Richtlijn 2000/76/EG zal worden ingetrokken.
(1) PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40.
(2) PB L 78 van 26.3.1991, blz. 32.
(3) PB L 194 van 25.7.1975, blz. 39.
(4) PB L 188 van 16.7.1984, blz. 20.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/26 |
(2004/C 65 E/026)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0411/03
van Eija-Riitta Korhola (PPE-DE) aan de Commissie
(17 februari 2003)
Betreft: Olietransporten in kwetsbare zeeregio's
In de Oostzee bevindt zich een aantal gebieden zoals de Botnische Golf, de Deense zee-engtes en de Alandeilanden, waar de natuur zeer kwetsbaar is voor de gevaren die het zeeverkeer met zich meebrengt. Waarschijnlijk zijn ook in de Noordelijke IJszee, de oostelijke Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee dergelijke gebieden aan te wijzen. Om de risico's voor deze gebieden te beperken kan het nodig zijn beperkingen op te leggen aan het vervoer over zee van gevaarlijke stoffen.
Is de Commissie bereid in de wateren van de EU zeegebieden aan te wijzen die uiterst kwetsbaar zijn, waarmee het mogelijk wordt om zo nodig het vervoer over zee van gevaarlijke stoffen door deze gebieden te beperken (bijvoorbeeld als weers- of andere omstandigheden daartoe aanleiding geven)?
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/27 |
(2004/C 65 E/027)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0536/03
van Samuli Pohjamo (ELDR) aan de Commissie
(26 februari 2003)
Betreft: Classificatie van de Oostzee als PSSA-gebied (Particularly Sensitive Sea Area)
Op de Oostzee en met name in de Botnische Golf lag de afgelopen winter bijzonder veel ijs. Het pakijs heeft veel schepen in benarde situaties gebracht en zonder ijsbrekers kwamen ze maar zeer moeizaam vooruit.
In de Botnische Golf varen ook schepen die uiterst slecht voor ijs zijn toegerust. Er is vooral aanleiding voor bezorgdheid met betrekking tot tankers die olie vervoeren vanuit de Russische haven Primorsk, waarvan een aantal onvoldoende versterkt zijn voor ijs. Sommige schepen hebben alleen een versterkte boeg maar geen versterkte zijkanten.
Naar verwachting zullen de olietransporten vanuit Primorsk de komende jaren verdubbelen. Verder is Rusland van plan om aan de oostzijde van de Botnische Golf twee nieuwe olieoverslaghavens aan te leggen.
Indien zich in de Botnische Golf een olieramp voordoet zouden de benodigde noodmaatregelen vanwege het grote aantal eilandjes en de kwetsbaarheid van de natuur veel moeilijker uit te voeren zijn dan bijvoorbeeld voor de kust van Spanje. Bovendien is de apparatuur voor het opruimen van olie in veel van de landen aan de Oostzee ontoereikend. Met uitzondering van Finland hebben de meeste landen geen apparatuur om olie op te ruimen wanneer de zee bevroren is.
Is de Commissie bereid zich ervoor in te zetten dat de Oostzee wordt geclassificeerd als PSSA-gebied (Particularly Sensitive Sea Area), hetgeen ten goede zou komen aan de veiligheid van het zeevervoer in het gebied?
Gecombineerd Antwoord
van mevrouw de Palacio namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-0411/03 en E-0536/03
(3 april 2003)
De Commissie vestigt de aandacht van het geachte parlementslid op het feit dat de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) de enige instantie is die bevoegd is om uiterst kwetsbare gebieden aan te wijzen.
Krachtens artikel 211 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee mogen kusstaten, wanneer de internationale regels niet volstaan, speciale dwingende maatregelen vaststellen met het oog op het voorkomen van verontreiniging door schepen die zeegebieden bevaren welke door de IMO als speciale gebieden zijn aangewezen.
Aanvragen daartoe zijn onderworpen aan bepaalde voorwaarden en moeten worden gericht aan de Internationale Maritieme Organisatie. Wanneer zij een dergelijke aanvraag, in de vorm van een mededeling, indienen, moeten de kusstaten de relevante gegevens betreffende de zone in kwestie vermelden en moeten zij een wetenschappelijke en technische rechtvaardiging van hun aanvraag toevoegen.
Binnen een termijn van 12 maanden beslist de IMO of de aanvraag wordt goedgekeurd en, wanneer dat het geval is, treedt de speciale beschermingsregeling in werking na het verstrijken van een termijn van 15 maanden.
Er zal een gecoördineerde actie nodig zijn ter ondersteuning van de met name door Frankrijk ingediende aanvragen met het oog op een snelle besluitvorming van de IMO inzake de identificatie en de bescherming van bijzonder kwetsbare gebieden, dit in het bijzonder wegens hun rijkdommen en de bijzondere aard van het relevante verkeer.
Overeenkomstig de conclusies van de Raad Vervoer van 6 december 2002 moet de Unie het initiatief nemen een herziening van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee voor te stellen, waardoor de kuststaten het recht zouden krijgen zich beter te beschermen tegen de risico's van verontreiniging door het verkeer van „risicoschepen”, inbegrepen binnen de exclusieve 200 mijlszone. De Commissie zal de Raad verzoeken haar mandaat te verlenen om onderhandelingen te starten over de herziening van dit Verdrag.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/28 |
(2004/C 65 E/028)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0461/03
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(19 februari 2003)
Betreft: Te koop aangeboden dieren
In speciaalzaken worden leguanen, slangen, spinnen en kleine krokodillen als huisdieren te koop aangeboden, alhoewel dergelijke dieren in de verste verte geen „huis”dieren genoemd kunnen worden. Hun gewoontes, lichaamsomvang en levensbehoeften maken ze totaal ongeschikt om in huizen of appartementen te worden gehouden, waar zij alleen maar lijden.
Kan de Commissie mij mededelen of er misschien een richtlijn of een andere wettelijke regeling bestaat uit hoofde waarvan wordt bepaald welke dieren als huisdieren verkocht mogen worden? Wat denkt zij te ondernemen om een eind te maken aan deze flagrante uitbuiting van dieren, die uitsluitend winst als oogmerk heeft?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(19 maart 2003)
Het is de Commissie bekend dat steeds meer exotische dieren, met name reptielen, in dierenwinkels worden verkocht. Er is geen specifieke communautaire wetgeving waarin is bepaald welke dieren als huisdier kunnen worden verkocht. Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (1) bevat echter een aantal bepalingen inzake het dierenwelzijn die in dit verband van belang zijn. De verordening omvat meer dan 30 000 verschillende dier- en plantensoorten, die zijn opgenomen in vier bijlagen op grond van de mate waarin zij bedreigd worden. Bijlage A bevat soorten die met uitsterven worden bedreigd, terwijl bijlage Β soorten bevat die momenteel niet noodzakelijkerwijs met uitsterven worden bedreigd, maar waarvan het voortbestaan wel in gevaar kan komen wanneer de handel niet strikt wordt gereguleerd. Wanneer de soorten in de bijlagen zijn opgenomen, gelden de volgende bepalingen:
In artikel 4 van de verordening is bepaald dat een invoervergunning voor levende specimens alleen mag worden gegeven wanneer vaststaat dat deze op de plaats van bestemming zullen worden ondergebracht in ruimten die beschikken over adequate voorzieningen om de specimens in stand te houden en goed te verzorgen. De bevoegde instanties van de lidstaten moeten ervoor zorgen dat deze bepaling wordt nageleefd;
Op enkele uitzonderingen na verbiedt de verordening alle commerciële activiteiten met specimens van in bijlage A vermelde soorten. Voorts is bepaald dat de lidstaten het houden van specimens, met name levende dieren, kunnen verbieden. Dit geldt ook voor specimens die zijn vermeld in bijlage Β en waarvoor niet kan worden bewezen dat zij in overeenstemming met de wetgeving inzake het behoud van wilde dieren plantensoorten zijn verkregen of binnengebracht in de Gemeenschap.
De verordening bevat ook voorschriften voor het verkeer van levende specimens binnen de Gemeenschap. Voor soorten van bijlage Β is bepaald dat degene die specimens in zijn bezit heeft, hiervan uitsluitend afstand mag doen indien de toekomstige ontvanger voldoende is ingelicht over het onderbrengen, de uitrusting en de handelingen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de specimens op gepaste wijze worden behandeld. Deze bepaling is van toepassing op handelaren in wilde soorten en eigenaren van dierenwinkels die geen levende planten en dieren zouden mogen verkopen zonder de koper de nodige voorlichting te geven over de juiste verzorging. Om de commerciële sector bewust te maken van zijn verplichtingen financiert de Commissie een voorlichtingscampagne in de lidstaten die later in 2003 van start zal gaan.
Tenslotte geeft de verordening de Commissie de mogelijkheid om beperkingen op te leggen ten aanzien van de invoer in de Gemeenschap van levende specimens van in bijlage Β genoemde soorten waarvan vaststaat dat zij in gevangenschap een drastisch verlaagde levensverwachting hebben. Op dit ogenblik gelden om deze reden invoerbeperkingen voor ongeveer 15 soorten. In verband met het houden van reptielen door particulieren heeft de wetenschappelijke studiegroep van de Unie, een orgaan dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van wetenschappelijke instanties in de lidstaten, besloten om mogelijkerwijze in de loop van 2004 de reeds vermelde soorten en andere soorten die voor vermelding in aanmerking zouden kunnen komen, opnieuw te bezien.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/29 |
(2004/C 65 E/029)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0464/03
van Antonio Di Pietro (ELDR) aan de Commissie
(19 februari 2003)
Betreft: Uitoefening van het beroep door afgestudeerden in informatica
In 1969 is in Italië in de faculteit der wetenschappen de vierjarige studie „Informaticawetenschappen” ingesteld; in 1992 is een doctoraalstudie „Informatica” opgericht.
De studies informaticawetenschap en informatica zijn in alle opzichten equivalent en onderling verwisselbaar, zoals erkend door de nationale universitaire raad in 1999. De afgestudeerden hebben volledig alle activiteiten kunnen uitvoeren op het gebied van informatica. In juni 2001 (hervorming van de Italiaanse opleidingen) heeft een nieuwe wet echter bepaald dat degenen die geregistreerd staan in het Witboek van ingenieurs/sector informatica de enigen zijn wier beroepsuitoefening wordt erkend op het gebied van „overdracht en verwerking van informatica” en de uitoefening van het beroep van informaticus.
In een circulaire van de MIUR van 28 mei 2002 worden afgestudeerden in informaticawetenschappen en afgestudeerden in de oude opleiding informatica uitgesloten van de mogelijkheid om het staatsexamen af te leggen, zich te laten inschrijven in het Witboek en het beroep uit te oefenen dat tot dan toe in alle opzichten voor hen openlag. Tevens is het voor afgestudeerden in informaticawetenschappen en afgestudeerden in informatica onmogelijk om aan concoursen mee te doen, als consultent op te treden, zich in te laten inschrijven in het Witboek of op te treden als uitoefenaar van een erkend beroep: dit is volstrekte discriminatie.
Welk initiatief denkt de Commissie te nemen ter bescherming van het recht van vestiging, de beginselen van vrij verkeer en beroepsuitoefening en in het algemeen van de beginselen van het EU-Verdrag, zodat discriminatie onmogelijk wordt ten nadele van afgestudeerden in informaticawetenschappen en informatica van de oude stempel die beroepsmatig werkzaam zijn en hun in staat te stellen om gebruik te maken van de nationale en communautaire mogelijkheden om binnen een interne markt diensten en/of counseling te ontvangen en/of een soortgelijke functie uit te oefenen?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(25 maart 2003)
Richtlijn 89/48/EEG (1) die van toepassing is op een grote reeks beroepen, met inbegrip van dat van ingenieur, heeft ten doel de vrijheid van vestiging, het vrije verkeer van werknemers en het vrij verrichten van diensten te vergemakkelijken. Deze richtlijn is geen harmonisatie van onderwijs en opleiding voor de verschillende beroepen in de lidstaten. Hierin is slechts een „algemeen stelsel” ingevoerd voor de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties die het Europese burgers die in het bezit zijn van een beroepskwalificatie in hun lidstaat van oorsprong in staat stellen hun beroep in een andere lidstaat uit te oefenen, zelfs wanneer zij niet de wettelijk in die lidstaat vereiste kwalificatie bezitten.
Krachtens de richtlijn zijn lidstaten slechts verplicht, wanneer aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, in andere lidstaten verworven beroepskwalificaties te erkennen. Lidstaten zijn evenwel verder vrij beroepen op hun grondgebieden te regelen en het niveau en soort voor een bepaald beroep vereiste kwalificatie (bijvoorbeeld duur opleiding, het afleggen van een proefperiode, het bezit van een diploma, toegang via vergelijkende examens enz), alsmede de verschillende activiteiten in elk beroep vast te stellen. De door het geachte parlementslid ter sprake gebrachte kwestie valt derhalve uitsluitend onder de bevoegdheid van de Italiaanse overheid.
(1) Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's, waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, PB L 19 van 24.1.1989.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/30 |
(2004/C 65 E/030)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0466/03
van Christa Randzio-Plath (PSE) aan de Commissie
(20 februari 2003)
Betreft: Arbeidsvoorwaarden van werkneemsters in de bloemensector
Europa is nog steeds de grootste afzetmarkt voor snijbloemen, vooral uit Latijns-Amerika en Afrika. De werkneemsters in deze sector werken voor lage lonen, met onzekere arbeidsovereenkomsten en vaak zonder adequate beschermende kleding ter voorkoming van vergiftigingen door pesticiden en andere ernstige gevaren voor hun gezondheid. De eerste successen in de strijd voor betere arbeidsvoorwaarden, zoals adequate beschermende kleding voor de vrouwen, kunnen bijvoorbeeld in Ecuador worden vastgesteld; in andere landen is sprake van betaald zwangerschapsverlof. Toch zijn de bovenbeschreven omstandigheden nog steeds de regel.
|
1. |
Is Commissie, gelet op deze situatie en gelet op de toepassing van het herziene stelsel van algemene preferenties van de EU als stimulans voor de bescherming van de sociale rechten, van mening dat voldoende vooruitgang is geboekt met betrekking tot de naleving van de fundamentele arbeidsvoorwaarden en/of is zij van plan verdere maatregelen te nemen teneinde in de handels- en samenwerkingsovereenkomsten te streven naar een verbetering van de arbeidsvoorwaarden van de werkneemsters in de bloemensector? |
|
2. |
Welke andere instrumenten worden door de Unie ingezet teneinde betere arbeids- en gezondheids-voorwaarden tot stand te brengen? |
|
3. |
In hoeverre worden de middelen voor ontwikkelingssamenwerking door de Europese Commissie gebruikt om niet alleen in het algemeen de arbeidsvoorwaarden te verbeteren, maar in het bijzonder ook de misstanden voor werkneemsters in de bloemensector te verminderen? |
Antwoord van de heer Lamy namens de Commissie
(1 april 2003)
|
1. |
Centraal-Amerikaanse en Andeslanden zijn erg gespecialiseerd geworden in de uitvoer van producten van Sector V (bomen, planten en snijbloemen) in het kader van het Stelsel van Algemene Preferenties (SAP) van de Gemeenschap en voornamelijk uit hoofde van de „bijzondere regelingen ter bestrijding van de vervaardiging van en de handel in verdovende middelen”. Ten gevolge hiervan en in overeenstemming met overeengekomen EU-regels die verband houden met het SAP, wordt voorgesteld landen zoals Costa Rica en Colombia buiten het SAP-schema voor deze sector te plaatsen. De „drugsregeling” heeft als bedoeling de begunstigde landen bij te staan in hun strijd tegen illegale productie door hen uitvoermogelijkheden te bieden voor vervangingsgewassen. Dit brengt mogelijk ook een verbetering van hun duurzame ontwikkeling met zich mee, aangezien zo de bescherming van het milieu en de eerbiediging van fundamentele sociale rechten kunnen worden bevorderd. De Commissie volgt de inspanningen van de begunstigde landen op het gebied van de strijd tegen de vervaardiging van en de handel in verdovende middelen. Bovendien is de Commissie verzocht om ook de sociale ontwikkeling van ieder land te evalueren, in het bijzonder de eerbiediging en de bevordering van de fundamentele arbeidsnormen, evenals het milieubeleid. De Commissie stelt de begunstigde landen in kennis van haar evaluatie en nodigt hen uit er commentaar op te leveren. Ze zal tevens rekening houden met de resultaten van deze beoordeling bij de vaststelling van richtsnoeren voor een schema van algemene tariefpreferenties voor de periode 2005-2014. Op die manier brengt de drugsregeling een dialoog met de begunstigde landen tot stand, wat de Unie de gelegenheid biedt om het belang van duurzame ontwikkeling te beklemtonen, alsook de noodzaak van eerbiediging van de beginselen van de drugsregeling. In deze context zal het pas op het einde van de huidige SAP-verordening (d.w.z. 31 december 2004) mogelijk zijn om een grondige beoordeling te geven van de vorderingen van deze landen inzake de eerbiediging van arbeidsnormen, in het bijzonder in sectoren zoals de bloementeelt. Wat bilaterale overeenkomsten betreft, werd in de mededeling van de Commissie „Bevordering van fundamentele arbeidsnormen en verbetering van de sociale governance in de context van de globalisering” (1) voorgesteld de fundamentele arbeidsnormen als integrerend onderdeel op te nemen. Hiermee wordt de aanpak gevolgd van de ACS-EG-partnerschapsovereenkomst met de Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (de Overeenkomst van Cotonou). Zo bevat de in november 2002 ondertekende overeenkomst tussen de Europese Unie en Chili een speciaal onderdeel (Titel V) over samenwerking op sociaal gebied. Laatstgenoemde overeenkomst geeft een duidelijke omschrijving van verbintenissen aangaande de fundamentele arbeidsrechten, daarbij rekening houdend met de regels van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO). Bij de samenwerking wordt met name prioritairiteit gegeven aan (artikel 44): bevordering van de menselijke ontwikkeling, bestrijding van armoede en sociale uitsluiting; ontwikkeling en modernisering van de arbeidsverhoudingen, de arbeidsvoorwaarden, het maatschappelijk welzijn en de arbeidszekerheid; en bevordering van onderwijs- en trainingsprogramma's die op kwetsbare bevolkingsgroepen zijn gericht. De overeenkomst met Chili zal in dit opzicht als voorbeeld dienen bij de huidige onderhandelingen met de Mercosur. Bovendien zijn de fundamentele arbeidsnormen opgenomen in de clausule betreffende de mensenrechten, die deel uitmaakt van bilaterale samenwerkingsovereenkomsten. In haar mededeling over de rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen (2), stelde de Commissie voor om in het kader van de politieke dialoog met partnerlanden te overleggen hoe de ratificatie van de instrumenten inzake de fundamentele mensenrechten en van andere op rechten gebaseerde internationale overeenkomsten (in het bijzonder IAO-conventies) en de doeltreffende tenuitvoerlegging ervan kunnen worden nagestreefd. De Commissie meent dat de eerbiediging van sociale rechten en fundamentele arbeidsnormen een duurzame en rechtvaardige sociale en economische ontwikkeling bevordert. |
|
2. |
In haar mededeling legde de Commissie een alomvattende strategie voor, waarin ze maatregelen op Europees en internationaal niveau voorstelt, door zowel de overheids- als de particuliere actoren en op alle relevante beleidsterreinen: sociale zaken, buitenlandse betrekkingen, ontwikkeling en handel. De strategie van de Gemeenschap heeft als doelstelling landen te stimuleren en in staat te stellen om fundamentele arbeidsnormen ten uitvoer te brengen en te eerbiedigen, wereldwijd en in alle economische sectoren, met inbegrip van de bloemensector in Latijns-Amerika en Afrika. Een concrete stap was de goedkeuring door de Raad van een herzien systeem van algemene preferenties (SAP). De sociale stimuleringsregeling — die bijkomende preferenties toekent aan landen die de fundamentele arbeidsnormen eerbiedigen — werd verbeterd en de basis voor tijdelijke intrekking van de algemene preferenties werd uitgebreid tot ernstige inbreuken op elk kernverdrag van de IAO, met inbegrip van de inbreuken die verband houden met kinderarbeid. |
|
3. |
Er zijn geen specifieke initiatieven in het kader van ontwikkeling en samenwerking om de arbeidsvoorwaarden van de werknemers in de bloemensector te verbeteren. In de mededeling van de Commissie over fundamentele arbeidsnormen werd echter in algemene termen voorgesteld om de financiële middelen vanwege bilaterale bronnen en IAO-programma's inzake technische bijstand voor de bevordering van fundamentele arbeidsnormen te verhogen. In het kader van het Europees initiatief voor de democratie en de mensenrechten (Hoofdstuk Β7-7 van de EU-begroting) zijn financiële middelen toegekend aan projecten die handel in verdovende middelen, kinderarbeid en slavernij aanpakken. Deze steun is een aanvulling op de bijstand via landspecifieke programma's, waarvan sociale ontwikkeling en arbeidsnormen integrerende onderdelen zijn. |
(1) COM(2001)416 def.
(2) COM(2001)252 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/31 |
(2004/C 65 E/031)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0475/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(20 februari 2003)
Betreft: Fraudegevoeligheid elektronisch betalingsverkeer als gevolg van mogelijkheden voor criminelen om bankrekeningen leeg te halen
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat door criminelen telkens weer nieuwe methoden worden ontwikkeld om toegang te verkrijgen tot de geheime pincodes van houders van bankrekeningen, zoals tot nu toe:
|
|
2. |
Heeft de Commissie kennis genomen van een recent in Nederland opgedoken nieuwe variant die berust op het stelen van poststukken uit brievenbussen van woningen, het omzetten van bestaande rekeningen op naam van één persoon in rekeningen op naam van twee personen, het door die tweede persoon aanvragen van een eigen pinpas en toegang tot de rekening per telefoon of computer, het overboeken van geld van spaarrekeningen naar de betaalrekening en ten slotte het door middel van de verkregen pas leeghalen van de betaalrekening? |
|
3. |
Zijn er lidstaten waar deze problemen groter zijn dan in andere? Hoe valt dit te verklaren? |
|
4. |
Is de in vraag 2 bedoelde variant inmiddels ook opgedoken in andere EU-lidstaten? En is daartegen in die lidstaten een toereikende beveiliging ontwikkeld? |
|
5. |
Laat de Commissie het vinden van oplossingen en het regelen van een compensatie voor benadeelde rekeninghouders over aan afzonderlijke banken, nationale overlegorganen van banken en nationale wetgevers, of draagt zij bij aan het bundelen op EU-niveau van ervaringen op dit terrein en tot het ontwikkelen en vaststellen van veiligheidsmaatregelen die voor alle EU-lidstaten eenvormig en toereikend zijn? |
Bron: Het Nederlandse dagblad „De Volkskrant” van 7 februari 2003.
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(1 april 2003)
|
1. |
Ja, de Commissie is zich ten volle bewust van de door het geachte parlementslid genoemde praktijken, alsook van de andere wijzen waarop kaarten, PIN-codes en bankrekeningen worden misbruikt. De beschreven methoden zijn welbekend bij speurders uit de betaalsector en ordehandhavers. |
|
2. |
De gehanteerde technieken op het gebied van identiteitsdiefstal (misbruik van persoonsgegevens om zich voor te doen als iemand anders en misbruik te maken van de bankgegevens van die persoon) zijn in het algemeen welbekend bij speurders uit de betaalsector en ordehandhavers. De in dit specifieke geval gebruikte techniek (het stelen van poststukken uit brievenbussen om de persoonsgegevens te weten te komen en het aanvragen van een tweede kaart en PIN-code en van toegang tot de bankrekening via telefoon of computer om de rekening te kunnen leeghalen) is een van de varianten van identiteitsdiefstal. De Commissie geeft er zich rekenschap van dat identiteitsdiefstal in sommige lidstaten een van de snelst groeiende vormen van betalingsfraude is. Zij wist echter nog niet dat de beschreven methode vooral in Nederland wordt toegepast. |
|
3. |
Het probleem van de betaalkaartfraude doet zich met name voor in het Verenigd Koninkrijk en in landen zoals Duitsland, Spanje, Frankrijk, Italië en Nederland (d.w.z. de lidstaten waar de banken gevestigd zijn die de meeste kaarten uitgeven of waar buitenlandse vervalste kaarten het vaakst in winkels worden gebruikt). Het probleem van de identiteitsdiefstal is het grootst in het Verenigd Koninkrijk. |
|
4. |
De specifieke variant die in Nederland voorkomt, is ook reeds in het Verenigd Koninkrijk toegepast. De Commissie heeft geen weet van de toepassing van deze techniek in andere landen. In het Verenigd Koninkrijk houdt het Credit Industry Fraud Avoidance System (CIFAS) (1) zich bezig met de bestrijding van identiteitsdiefstal. Het British Cabinet Office heeft in juli 2002 een verslag over identiteitsdiefstal gepubliceerd. |
|
5. |
De Commissie is het met het geachte parlementslid eens dat er ondanks de aanzienlijke inspanningen van de particuliere en overheidssector in de lidstaten een beter gecoördineerde aanpak van het probleem nodig is. Naar aanleiding van Resolutie nr. C4 0455/98 van het Parlement onderneemt de Commissie tevens actie om de veiligheid van betalingstransacties te verhogen. Ter voorkoming van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten heeft de Commissie in februari 2001 haar goedkeuring gehecht aan een driejarig Actieplan voor fraudepreventie (2), gebaseerd op een partnerschap van alle belanghebbenden. Daarin worden vijf hoofdgebieden beschreven en 11 hoofdacties die de Commissie en de andere partijen moeten ondernemen. In het actieplan, dat tot doel heeft betalingen op een economisch haalbare wijze zo veilig mogelijk te maken, wordt de hoogste prioriteit gegeven aan het verhogen van de veiligheid. Tijdens de vergaderingen van de groep van deskundigen voor fraudepreventie van de Europese Unie, de stuurgroep voor de tenuitvoerlegging van het Actieplan voor fraudepreventie, worden geregeld vraagstukken in verband met identiteitsdiefstal en veiligheid besproken, waaronder ook de in de Unie gemaakte vorderingen op het gebied van de overschakeling op chipkaarten. In 2003 zal de Commissie een conferentie organiseren over de veiligheid van betalingen op de interne markt, met de bedoeling de voorlichting over de veiligheid van moderne betaalproducten en -systemen te verbeteren. Eind 2003 zal de Commissie verslag uitbrengen aan het Parlement en de Raad over de bij de tenuitvoerlegging van het Actieplan voor fraudepreventie geboekte vooruitgang en zonodig verdere maatregelen voorstellen. De Commissie heeft tevens een voorstel voor een kaderbesluit van de Raad betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten ingediend, dat op 28 mei 2001 (3) is aangenomen. Doel van dit kaderbesluit is ervoor te zorgen dat fraude en vervalsing van andere betaalmiddelen dan contanten (zoals onder meer kredietkaarten en andere kaarten die door financiële instellingen worden uitgegeven) in alle lidstaten als strafbare feiten worden erkend en aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties worden onderworpen. De lidstaten dienen de nodige maatregelen in werking te doen treden om uiterlijk op 2 juni 2003 aan dit kaderbesluit te voldoen. |
(1) [www.cifas.org.uk.]
(2) COM(2001) 254 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/33 |
(2004/C 65 E/032)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0516/03
van Miet Smet (PPE-DE) aan de Raad
(24 februari 2003)
Betreft: De vrouwenrechten in Nigeria
De samenwerking tussen de Europese Unie en Nigeria is gebaseerd op het ACP-EU-partnerschap. In het akkoord van Cotonou, dat het algemeen kader voor de ACP-EU-relaties voor de komende 20 jaar vormt, werd het respect van de mensenrechten en de gelijkwaardigheid van vrouwen en mannen herhaaldelijk door beide partijen onderschreven.
Ondanks het feit dat Nigeria deze principes onderschrijft, worden de rechten van de vrouw in Nigeria niet altijd gerespecteerd. AFP meldt dat in sommige provincies van Nigeria vrouwen gestenigd worden. Deze stenigingen worden uitgesproken door islamitische rechtbanken die de charia toepassen. Bovendien maakt Reuters gewag van het feit dat Nigeria één van de landen is waar vrouwenbesnijdenis nog steeds vaak voorkomt, vooral bij de moslimbevolking in het Noorden.
Heeft de EU reeds gereageerd op deze grove schendingen van de vrouwenrechten? Zo niet, heeft de EU dan de intentie om te reageren op deze schendingen?
Is er een mechanisme voorzien om op systematische wijze het respect van de vrouwenrechten in Nigeria te controleren en af te dwingen? En is er een mogelijkheid voorzien om de samenwerking tussen Nigeria en de EU op te schorten indien in dit land de vrouwenrechten, en meer in het algemeen de mensenrechten, voortdurend worden geschonden? Zo niet, zal de EU in de toekomst in deze mogelijkheden voorzien?
Als zowel de controle en het afdwingen van respect voor de vrouwenrechten geregeld zijn en een eventuele schorsing van de samenwerking tussen Nigeria en de EU voorzien is, geldt dit dan voor alle landen die het akkoord van Cotonou hebben ondertekend?
Antwoord
(17 november 2003)
Het blijft de EU zorgen baren dat de shariarechtbanken nog steeds doodstraffen door steniging uitspreken. Het voorzitterschap heeft namens de Europese Unie gereageerd op de schendingen waaraan het geachte parlementslid refereert. In haar verklaring van 27 maart 2002 toonde de EU zich verheugd over de vrijspraak van Safiya Hussaini nadat zij was veroordeeld tot de doodstraf door steniging. De EU volgde daarna nauwlettend het geval van Amina Lawal die eveneens tot de doodstraf door steniging was veroordeeld. De EU sprak in de verklaring van 21 augustus 2002 haar diepe bezorgdheid uit over de beslissing van het hof van beroep om het beroep van Amina Lawal te verwerpen, en zal de ontwikkelingen in deze zaak verder in het oog blijven houden.
In beide gevallen en in de politieke dialoog op het niveau van de missiehoofden blijft de EU haar standpunt over de doodstraf herhalen en moedigt zij de regering van Nigeria aan om te blijven ijveren voor de afschaffing van de doodstraf en de voorkoming van alle vormen van wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.
De Europese Unie zal de politieke dialoog met Nigeria blijven benutten om verdere vooruitgang op dit gebied te bewerkstelligen. Zij doet een dringend beroep op de Nigeriaanse autoriteiten om hun internationale verplichtingen, met name de mensenrechten en de menselijke waardigheid volledig te respecteren, in het bijzonder wat vrouwen betreft (1).
De EU hecht voorts veel belang aan de rol van de civiele samenleving en steunt met name mensenrechtenen andere niet-gouvernementele organisaties die op dit gebied actief zijn.
Zoals reeds aangegeven in de vraag, vindt de samenwerking tussen de EU en Nigeria plaats in het kader van de op 23 juni 2000 te Cotonou ondertekende ACS-EG-Partnerschapsovereenkomst. Zoals bepaald in artikel 9, vormt de eerbiediging van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden een essentieel element van deze overeenkomst. Artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou biedt de ondertekenende partijen van de Overeenkomst de mogelijkheid om in overleg te treden wanneer een partij een verplichting voortvloeiend uit onder andere de eerbiediging van de mensenrechten niet is nagekomen. Dit overleg vindt plaats wanneer de politieke dialoog heeft gefaald. Indien het overleg wordt geweigerd of mislukt, kunnen passende maatregelen worden genomen, waaronder eventueel de opschorting van de ontwikkelingssamenwerking.
(1) Europese Raad van Barcelona, 15 en 16 maart 2002.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/34 |
(2004/C 65 E/033)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0556/03
van María Izquierdo Rojo (PSE) aan de Commissie
(20 februari 2003)
Betreft: Europese financiering en geen toegang voor vrouwen tot de berg Athos
Het Europees Parlement heeft de afgelopen maanden twee ontwerpresoluties goedgekeurd (verslag-Swiebel en verslag-Izquierdo Rojo) waarin stelling wordt genomen tegen de uitsluiting van vrouwen op de berg Athos.
In verband met de steun aan de monnikengemeenschap op Athos bij het restaureren en renoveren van kloosters en het conserveren van cultuurschatten, die zowel voor mannen als voor vrouwen zou moeten gelden, luidt de vraag:
|
1. |
Hoeveel geld heeft de EU aan dit doel besteed? |
|
2. |
Meent de Commissie niet dat het acquis communautaire verplicht moet worden toegepast en dat aan de grondbeginselen van de EU moet worden voldaan? |
|
3. |
Welk financieringsmechanisme van de Europese Economische Ruimte is aangewend om deze regio economisch ter wille te zijn? |
|
4. |
In het kader van de communautaire steun aan Griekenland: hoe wordt deze steun uit de Structuurfondsen in concreto verleend? En: welke criteria zijn gehanteerd om structurele aanpassing en economische ontwikkeling te meten? |
Aanvullend antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(15 mei 2003)
|
1. |
Het geachte parlementslid zij verwezen naar: de tabel die haar en het secretariaat van het Parlement rechtstreeks is toegegaan, na voorlegging door de Griekse overheden, met daarin een lijst projecten in het kloostergebied van de berg Athos die van de Structuurfondsen medefinanciering hebben gekregen. |
|
2. |
Het geachte parlementslid wordt verwezen naar: het antwoord van de Commissie op schriftelijke vraag E-1055/01 van de heer Glyn Ford (1). |
|
3. |
Het geachte parlementslid wordt verwezen naar: de tweede tabel die het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement rechtstreeks is toegegaan, na voorlegging door het secretariaat van de Europese Economische Ruimte, met daarin een lijst projecten in het kloostergebied van de berg Athos die van haar Financieel mechanisme medefinanciering hebben gekregen. |
|
4. |
Krachtens het communautair bestek 2000-2006 voor Griekenland worden projecten die voor opneming bij de EG-programma's en voor medefinanciering door de Europese structuurfondsen worden voorgesteld, door de Griekse overheden uitgekozen overeenkomstig de procedures die zijn vastgelegd in het communautair bestek voor Griekenland en de individuele operationele programma's (die met de lidstaat zijn overeengekomen en door de Commissie zijn goedgekeurd), alsook de programma's die zijn beschreven in het document programma-aanvulling en de criteria voor de selectie van projecten (slechts door de lidstaat goedgekeurd). |
(1) PB C 318 E van 13.11.2001.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/35 |
(2004/C 65 E/034)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0576/03
van Mihail Papayannakis (GUE/NGL) aan de Commissie
(28 februari 2003)
Betreft: Onttrekking van bosgebieden in Griekenland
Onlangs werd in het wetsvoorbereidend comité van het Griekse parlement een wetsontwerp van het Ministerie van Landbouw uitgewerkt onder de titel „Bescherming van de ecosystemen van de bossen, opleiding tot houtvester, regeling van zakelijke rechten op bossen en bosachtige gebieden in het algemeen en andere bepalingen”.
Naar schatting van bosbouwdeskundigen zal dit wetsontwerp, indien aangenomen, tot gevolg hebben dat in iedere provincie een oppervlakte van 50 000 hectare aan het bosbestand of -gebied wordt onttrokken, wat neerkomt op een mogelijke onttrekking van in totaal 1 700 000 hectare bosgebied in heel Griekenland, ervan uitgaande dat 34 provincies van het land zijn bebost. Naar milieuorganisaties beweren, worden met het wetsontwerp honderdduizenden terreinen prijsgegeven aan wilde bebouwing door illegale landbezetters.
Naast het wetsontwerp van het Ministerie van Landbouw wordt er gewerkt aan een gemeenschappelijk ministerieel besluit door het YPECHODE (Ministerie van Milieu, Ruimtelijke Ordening en Openbare Werken) en het Ministerie van Financiën, waarbij illegaal in gebruik genomen terreinen „zodra zij krachtens het wetsvoorstel van het Ministerie van Landbouw zijn onttrokken, tegen een bepaalde prijs aan de bezetters kunnen worden overgedragen, en kunnen worden bebouwd als” buiten bestemmingsplan„, aangezien volgens het Ministerie van Milieu, Ruimtelijke Ordening en Openbare Werken, het begrip” bebouwing buiten bestemmingsplan „tegen 2004 zal worden afgeschaft”.
Acht de Commissie bedoeld wetsontwerp, gelet op de steeds nijpender schaarste aan bosgebieden en de thans reeds in Griekenland heersende chaos in de stedenplanning en -bebouwing, en in het licht van de eerdere verklaring van de Commissie dat „de lidstaten zich dienen te onthouden van ieder optreden dat de toestand van de bossen op hun grondgebied kan verslechteren”, verenigbaar met het communautair beleid ter bescherming van de bossen en van het milieu in het algemeen, en is zij voornemens aanbevelingen te richten tot de Griekse autoriteiten om te zorgen dat de verplichtingen worden nagekomen die zijzelf zowel in de Europese Unie als in internationale bijeenkomsten zijn aangegaan?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(3 april 2003)
De Commissie is niet in kennis gesteld (en dient dit ook niet te zijn) van het desbetreffende Griekse wetsontwerp, aangezien er geen algemeen bindende overeenkomst over de definitie van bossen op communautair niveau bestaat. Het Verdrag betreffende de Europese Unie voorziet niet in een algemeen gemeenschappelijk bosbouwbeleid. Bijgevolg behoren kwesties betreffende nationale boswetgeving en nationale definities met betrekking tot bossen tot de bevoegdheid van de lidstaten en valt een wijziging in de nationale boswetgeving van Griekenland onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat.
Wel zijn het beheer, het behoud en de duurzame ontwikkeling van bossen vitale elementen van bestaande beleidsterreinen van de Unie.
De Gemeenschap ondersteunt de lidstaten bij het beheer en de bescherming van bossen: Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (1), ondersteunt maatregelen voor het beheer en de bescherming van bossen. Voorts heeft de Commissie een zogenoemde „Forest Focus”-verordening (2) voorgesteld om bij te dragen tot de bescherming van de bossen in de Gemeenschap door middel van bewaking.
De Griekse autoriteiten moeten er dan ook voor zorgen dat een dergelijke wijziging in de nationale wetgeving in overeenstemming is met dat bestaande beleid en die wetgeving van de Unie.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/36 |
(2004/C 65 E/035)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0592/03
van Bernd Lange (PSE) aan de Commissie
(28 februari 2003)
Betreft: Steunbedragen van de Europese Unie voor Nedersaksen 2002
|
1. |
Welke steunbedragen uit EU-fondsen heeft Nedersaksen in 2002 ontvangen en wel uit:
|
|
2. |
Wie ontvingen de steun? |
|
3. |
Welke middelen werden als cofinanciering ter beschikking gesteld aan de deelstaat Nedersaksen resp. de Bondsrepubliek Duitsland? |
Aanvullend antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(11 november 2003)
Gezien de omvang van het antwoord, doet de Commissie het rechtstreeks aan het geachte parlementslid en aan het Secretariaat-generaal van het Parlement toekomen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/37 |
(2004/C 65 E/036)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0596/03
van Jonas Sjöstedt (GUE/NGL) aan de Commissie
(28 februari 2003)
Betreft: Follow-up van de economische ontwikkeling in de regio's van de Europese Unie
Het Zweedse instituut voor onderzoek naar beleid op het gebied van economische groei (ITPS) heeft onlangs een rapport gepubliceerd over de situatie in de communautaire regio's in 2002. Uit dit rapport blijkt dat de regionale ontwikkeling van de werkgelegenheid in de periode 1996-2001 van alle communautaire regio's het zwakst was in de Zweedse regio centraal Norrland. De ontwikkeling van het bruto regionaal product ziet er niet veel beter uit. Centraal Norrland ligt op dit punt op de 198ste plaats van de 204 regio's in de EU.
Deze cijfers zijn interessant aangezien ze aangeven hoe het Zweden is vergaan na de toetreding tot de EU.
Mijn vraag aan de Commissie luidt echter: houdt de Commissie bij het bespreken van de toekomstige structurele steun daadwerkelijk rekening met dergelijke informatie? Welke lessen kunnen worden geleerd van het geval van centraal Norrland na de toetreding tot de EU?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(10 april 2003)
De prestaties van de regio's in Zweden varieerden sterk gedurende de laatste jaren, hoewel uit de cijfers blijkt dat de regio Mellersta Norrland het minder goed heeft gedaan dan veel andere regio's in de Unie.
Het tweede voortgangsverslag over de economische en sociale cohesie (1), op 30 januari 2003 goedgekeurd door de Commissie, geeft de meest recente statistische gegevens over alle regio's in de 15 lidstaten en in de nieuwe lidstaten.
Het verslag toont aan dat het bruto binnenlands product (BBP) per hoofd, gecorrigeerd voor de verschillen in koopkracht, in Mellersta Norrland tussen 1995 en 2000 daalde in vergelijking met de rest van de Unie, van 108,6 % tot 97,1 % van het EU-gemiddelde. Voor heel Zweden steeg het percentage lichtjes in diezelfde periode van 106,1 % tot 106,6 % van het EU-gemiddelde.
Deze tendens lijkt te worden bevestigd in het Zweedse verslag „Regionernas tillstånd 2002” van het Zweeds Instituut voor Groeibeleidstudies.
Anderzijds is de werkloosheid in de regio afgenomen, van 11,5 % in 1996 tot 7 % in 2001. Dit betekent een ommekeer in vergelijking met de jaren voor de toetreding, toen het percentage onmiskenbaar aan het stijgen was — van net onder 4 % tot 10 % tussen 1991 en 1995.
Voor de periode na 2006 zal de Commissie bij het Parlement en de Raad een voorstel indienen tot hervorming van het Europees cohesiebeleid in het kader van het derde verslag over de economische en sociale cohesie dat voor eind 2003 wordt gepubliceerd.
(1) COM(2003) 34 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/37 |
(2004/C 65 E/037)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0616/03
van Lord Inglewood (PPE-DE) aan de Commissie
(25 februari 2003)
Betreft: Tabakssponsoring en -reclame
Kan de Commissie bevestigen dat het op het moment dat zij met haar voorstel voor een richtlijn inzake tabakssponsoring en -reclame kwam, niet in haar bedoeling lag het verdere gebruik tegen te gaan van oorspronkelijk voor niet-tabaksproducten gebruikte merknamen die nog steeds te goeder trouw worden gebruikt voor het adverteren en sponsoren van dergelijke producten, op voorwaarde althans dat daarbij op een andere manier te werk wordt gegaan dan bij tabaksproducten met dezelfde naam?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(13 maart 2003)
De Commissie kan bevestigen dat het bij de opstelling van het voorstel voor een richtlijn van het Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten (1), niet in haar bedoeling lag het verdere gebruik tegen te gaan van oorspronkelijk voor niet-tabaksproducten gebruikte merknamen die nog steeds te goeder trouw worden gebruikt voor het adverteren en sponsoren van niet-tabaksproducten, op voorwaarde dat daarbij op een andere manier te werk wordt gegaan dan bij tabaksproducten met dezelfde naam.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/38 |
(2004/C 65 E/038)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0637/03
van Baroness Sarah Ludford (ELDR) aan de Commissie
(4 maart 2003)
Betreft: Opvangvoorzieningen voor asielzoekers
Het Engelse hooggerechtshof oordeelde op 19 februari 2002 de toepassing van paragraaf 55, lid 1 van de Nationality, Immigration and Asylum Act 2002 van het Verenigd Koninkrijk in strijd met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Op grond van bedoelde bepaling kan de regering van het Verenigd Koninkrijk automatisch voedsel en onderdak weigeren aan een asielzoeker die zijn verzoek om asiel niet „zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk” heeft ingediend. Het Hof bepaalde dat het weigeren van voedsel en onderdak een schending is van de mensenrechten van de asielzoeker en het verbod op een onmenselijke en vernederende behandeling als dit leidt tot het reële gevaar dat de asielzoeker in behoeftige omstandigheden geraakt en dat zijn gezondheid wordt geschaad.
Aangezien de redactie van de wet van het Verenigd Koninkrijk hetzelfde is als die van artikel 16, lid 2 van richtlijn van de Raad 2003/9/EG (1) tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten, bestaat het risico dat andere lidstaten ook in conflict komen met het Europees Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden als zij eveneens bepalen dat voorzieningen automatisch vervallen bij een te laat ingediend asielverzoek. Zal de Commissie ervoor zorgen dat alle lidstaten de richting zullen volgen die met de uitspraak van dit Engelse Hof is ingeslagen, zodat asielzoekers niet in hun behoeftige situatie alleen worden gelaten?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(3 april 2003)
Naar aanleiding van een uitspraak van de High Court (Engeland) verzocht het geachte parlementslid de Commissie om opheldering over de toepassing van artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2003/9/EG van de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (1).
De Commissie is niet bevoegd om zich te mengen in kwesties waarvoor de gemeenschapswetgeving nog niet van kracht is. De lidstaten moeten de bepalingen van deze richtlijn nog omzetten. De uiterste omzettingstermijn is 6 februari 2005.
Het geachte parlementslid weet ongetwijfeld dat de minister van Binnenlandse Zaken hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de High Court en dat de Court of Appeal reeds een arrest heeft gewezen.
Uit een voorlopige lezing zou blijken dat in dit arrest dezelfde beginselen worden gehanteerd als in de richtlijn.
De richtlijn voorziet in de mogelijkheid om het verstrekken van opvangvoorzieningen te weigeren wanneer de asielzoeker niet kan bewijzen dat het asielverzoek zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk na de aankomst in de lidstaat werd ingediend. De richtlijn schrijft ook voor dat de beslissing om opvangvoorzieningen te weigeren individueel, objectief en onpartijdig wordt genomen en met redenen wordt omkleed Bovendien bepaalt de richtlijn dat dergelijke beslissingen op grond van de specifieke situatie van de betrokkene moeten worden genomen, met name met betrekking tot bepaalde categorieën kwetsbare personen, en dat tegen deze beslissingen beroep kan worden ingesteld.
(1) PB L 31 van 6.2.2003, blz. 18.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/39 |
(2004/C 65 E/039)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0649/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(5 maart 2003)
Betreft: Kritiek van de algemene Rekenkamer in Nederland op het ontbreken van inzicht in het beheer van EU-fondsen per geldstroom en per lidstaat
|
1. |
Heeft de Commissie er kennis van genomen dat de algemene Rekenkamer in Nederland op 18 februari 2003 zijn eerste jaarlijkse „EU-trendrapport” heeft gepubliceerd, bedoeld om de ontwikkelingen in het beheer van EU-gelden, het toezicht en de controle op de besteding daarvan en het inzicht in rechten doelmatigheid zowel in Nederland als EU-breed in kaart te brengen? |
|
2. |
Is het de Commissie bekend dat in EU-trendrapport 2003 aan de orde wordt gesteld dat u wel controles laat uitvoeren, maar dat de resultaten daarvan niet openbaar worden gemaakt, zodat de tekortkomingen in het financieel beheer niet publiekelijk kunnen worden herleid tot bepaalde landen of geldstromen, en dat tevens wordt bekritiseerd dat ook de Europese Rekenkamer in zijn onderzoeken naar de betrouwbaarheid van alle ontvangsten en uitgaven sinds 1994 geen uitspraken heeft gedaan per geldstroom of per land en daarom geen positieve verklaringen over EU-rekeningen kan afgeven? |
|
3. |
Beschikken alle lidstaten al over een wet die vergelijkbaar is met de, na fouten met betrekking tot het beheer van ESF-gelden in de periode 1994-1999, in Nederland ingevoerde wet Toezicht Europese Subsidies (TES), die ministers verplicht tot centraal toezicht op decentrale bestedingen? |
|
4. |
Beperkt het toezicht op nationaal niveau zich in de praktijk tot de lidstaten Oostenrijk, het Verenigd Koninkrijk en Nederland alsmede de kandidaat-lidstaten Estland, Letland, Hongarije en Roemenië? |
|
5. |
Waarom wordt nog geen openbaarheid gegeven aan de resultaten per geldstroom, met name ten aanzien van structuur- en cohesiefondsen en landbouwgelden? |
|
6. |
Waarom wordt nog geen openbaarheid gegeven aan de resultaten per lidstaat, ook van lidstaten die zelf geen of weinig onderzoek doen? |
|
7. |
Wat onderneemt u, mede naar aanleiding van dit trendrapport, om uw financiële gegevens beter in de openbaarheid te brengen en daarmee de mogelijkheden tot publieke controle op EU-geldstromen te vergroten? |
Aanvullend antwoord van mevrouw Schreyer namens de Commissie
(10 juli 2003)
|
1. |
De Commissie heeft kennis genomen van het eerste jaarlijkse „EU-trendrapport 2003” van de Algemene Rekenkamer. Zoals soortgelijke verslagen van ander nationale controle-instanties, is dit een goed voorbeeld van een nationale controle-instelling die de verbetering van het beheer van communautaire middelen door de lidstaten bevordert. De Commissie zal rekening houden met de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer die dit beheer kunnen verbeteren, en zij zal deze onder de aandacht van de lidstaten brengen. |
|
2. |
Overeenkomstig erkende controlenormen bekrachtigt de Commissie de bevindingen van controles pas nadat ze zijn bevestigd in gesprekken met degenen die zijn gecontroleerd. Indien nadat deze procedure is doorlopen blijkt dat geld uit de Structuurfondsen op onjuiste wijze is besteed, kan zij dit geld terugvorderen door zogenaamde „financiële correcties” op te leggen. Deze besluiten worden openbaar gemaakt. In vele gevallen neemt de lidstaat naar aanleiding van de bevindingen van controles echter al de nodige corrigerende maatregelen voordat het zover komt. Voorts publiceert de Commissie een jaarlijks verslag over de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap en de fraudebestrijding dat onder meer statistieken en analyses bevat over onregelmatigheden met betrekking tot het Cohesiefonds, de Structuurfondsen en de landbouwsubsidies, zoals die door de lidstaten worden gemeld. In de jaarverslagen van de Europese Rekenkamer sinds 1994 is, afgezien van enkele opmerkingen die hoofdzakelijk betrekking hadden op het periodetoerekeningsbeginsel, geconcludeerd dat de rekeningen een getrouw beeld geven van de inkomsten en uitgaven van de Gemeenschappen voor het betrokken jaar en van hun financiële positie aan het einde van het jaar. De Rekenkamer heeft echter geen volledige betrouwbaarheidsverklaring gegeven voor de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, onder meer op basis van bevindingen met betrekking tot betalingen voor de Structuurfondsen. Na ontvangst van het jaarverslag van de Rekenkamer stelt de Commissie de lidstaten onmiddelijk in kennis van de onderdelen van dat verslag die betrekking hebben op het beheer van de middelen waarvoor zij verantwoordelijk zijn. De lidstaten op hun beurt zijn verplicht binnen 60 dagen hun opmerkingen in te dienen. De Commissie zendt vervolgens een samenvatting van de antwoorden van de lidstaten aan de andere instellingen toe (artikel 143, lid 6, van het Financieel Reglement). De Commissie tracht deze situatie te verbeteren binnen de grenzen van het systeem van gedeeld beheer, waarbij de middelen van de Structuurfondsen in de lidstaten worden beheerd, terwijl de Commissie verantwoordelijk blijft voor de algemene uitvoering van de communautaire begroting. De Commissie heeft de vereisten voor de lidstaten inzake goed financieel beheer aanzienlijk verscherpt. |
|
3. |
De systemen van de lidstaten voor het toezicht op het beheer van communautaire middelen variëren naar gelang van hun staatsbestel en de verdeling van bevoegdheden over de verschillende bestuursniveaus. In sommige lidstaten zijn nationale ministers verantwoordelijk; in andere lidstaten hebben de nationale ministers geen of zeer beperkte bevoegdheden inzake het toezicht op de besteding van communautaire middelen op regionaal niveau. In ieder geval voorziet de toepasselijke verordening in een groot aantal maatregelen die de lidstaten moeten nemen voor de financiële controle van bijstand. (Zie met name artikel 38 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (1) en Verordening (EG) nr. 438/2001 van de Commissie van 2 maart 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad met betrekking tot de beheers- en controlesystemen voor uit de Structuurfondsen toegekende bijstand (2)). |
|
4. |
Alle lidstaten hebben, zoals reeds is vermeld onder punt 3, systemen voor het toezicht op het beheer van de Structuurfondsen. Dit is verplicht volgens de communautaire verordeningen (met name Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad en Verordening (EG) nr. 438/2001 van de Commissie). Het overheidsniveau waarop dit toezicht wordt uitgeoefend, varieert naar gelang van het staatsbestel van de lidstaten. |
|
5. |
De Commissie verwijst het geachte parlementslid naar het in punt 2 hierboven genoemde jaarverslag van de Commissie en naar het jaarlijks activiteitenverslag van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). |
|
6. |
Alle lidstaten moeten toezien op het beheer van de bijstand uit de Structuurfondsen en de landbouwsubsidies, en de Commissie zorgt ervoor dat zij dit doen. |
|
7. |
De controles van de Commissie zijn gericht op specifieke prioriteiten die van jaar tot jaar variëren, behalve voor de landbouwsubsidies, waar een jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen plaatsvindt, en die met het oog op de doeltreffendheid steeds meer betrekking hebben op de gebruikte systemen in plaats van op individuele transacties. De jaarverslagen van de Rekenkamer hebben betrekking op een groot aantal transacties, dat evenwel niet toereikend is om jaarlijkse vergelijkingen per land mogelijk te maken. Voorts zijn, zoals reeds is vermeld, gegevens over de financiële belangen van de Gemeenschappen te vinden in de jaarlijkse verslagen van OLAF en de Commissie. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/41 |
(2004/C 65 E/040)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0686/03
van Marie Isler Béguin (Verts/ALE), José Mendiluce Pereiro (PSE) en Alexander de Roo (Verts/ALE) aan de Commissie
(7 maart 2003)
Betreft: Spaanse nationaal waterbouwkundig plan, structuurfondsen en territoriale onevenwichtigheden
De Commissie is het verzoek van de Spaanse regering aan het onderzoeken om EU-kredieten toe te kennen voor de medefinanciering van de tenuitvoerlegging van het Spaanse nationaal waterbouwkundig plan, met name de werkzaamheden met betrekking tot de overheveling van water van de Ebro naar de stadszone van Barcelona en de oostkust van Spanje.
Volgens een groep wetenschappers zijn de gebieden die water zouden afstaan en het zwaarst onder de overheveling te lijden zouden hebben (gebieden in Aragón en Catalaanse gebieden aan de benedenloop van de Ebro) armer dan de gebieden die het water zouden ontvangen (stadszone van Barcelona, kustzones van de Autonome Gemeenschap Valencia, Murcia en Almería, en hoogvlakte van Murcia en Alicante). Op basis van het criterium van beschikbaar gezinsinkomen per hoofd is het inkomen van de welvarende zones van het kustgebied van bijvoorbeeld Murcia lager dan dat van minder welvarende zones in het Pyreneeënge-bied.
Deze vervorming van de indicator heeft twee oorzaken:
|
— |
het passieve inkomen van de verouderde bevolking in de armere zones blaast het berekende inkomensniveau op (1); |
|
— |
het hoge niveau van verdoken arbeid in de meest welvarende zones van de Spaanse oostkust (het hoogste niveau in Spanje en zelfs in Europa, gemiddeld meer dan 30 %) levert daarentegen een berekend inkomensniveau op dat lager is dan in werkelijkheid (2). |
Het feit dat de meest ontwikkelde gebieden ook de hoogste percentages van verdoken economie hebben is geen toeval en wijst op een zeker gebrek aan bestuur (niet alleen op het gebied van waterbeheer) dat eigen is aan het ontwikkelingsmodel in deze gebieden.
|
1. |
Is de Commissie niet van oordeel dat het overhevelingsbeleid van het Spaanse nationaal waterbouwkundig plan de territoriale onevenwichtigheden tussen de regio's van het Spaanse binnenland en de mediterrane kustzones nog zal vergroten, in plaats van ze te verkleinen? Volgens verordening (EG) nr. 1260/1999 (3) dient het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) bij te dragen aan de financiering van de in artikel 9 van deze verordening omschreven bijstandspakketten, teneinde de economische en sociale cohesie te bevorderen door de voornaamste regionale onevenwichtigheden te corrigeren. |
|
2. |
Is de Commissie niet van oordeel dat het overhevelingsbeleid van het Spaanse nationaal waterbouwkundig plan de territoriale onevenwichtigheden nog zal vergroten, en dus niet in aanmerking kan komen voor medefinanciering door de structuurfondsen, met name het EFRO? |
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(9 april 2003)
De Unie heeft twee instrumenten waarmee investeringen in infrastructuur, onder andere op het gebied van waterbeheer, kunnen worden gesteund: het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Cohesiefonds.
Het EFRO verleent steun aan programma's voor economische ontwikkeling in gebieden van doelstellingen 1 en 2 van de Structuurfondsen en in het kader van de communautaire initiatieven Urban en Interreg.
Met uitzondering van grote projecten worden individuele projecten geselecteerd door de autoriteiten in de lidstaten nadat de brede strategische doelstellingen door de Commissie zijn goedgekeurd. De door de autoriteiten geselecteerd projecten moeten echter wel in alle opzichten voldoen aan het Gemeenschapsrecht, met inbegrip van de communautaire bepalingen inzake het milieu.
Grote projecten en projecten die worden gesteund door het Cohesiefonds, moeten afzonderlijk door de Commissie worden goedgekeurd. Ook het milieu-effect van deze projecten moet worden beoordeeld.
De sociale en economische effecten van de huidige generatie programma's zal in de loop van 2003 worden beoordeeld bij de tussentijdse evaluatie van deze programma's, en op basis van de resultaten daarvan kunnen de lidstaten hun ontwikkelingsstrategie indien nodig aanpassen.
De betrokken wetgeving voorziet ook in een evaluatie achteraf zodra de programma's zijn voltooid. Op deze wijze kan een vollediger oordeel worden gegeven over het effect van de programma's in sociaal en economisch opzicht.
(1) Het ontvolkingsproces zet zich in de armste gebieden van Aragon door, en het hoge niveau van veroudering van de bevolking aan de benedenloop van de Ebro, vergeleken met de evolutie in de andere mediterrane kustzones, is de weerspiegeling van een veel lager sociaal-economisch niveau dan in het stadsgebied van Barcelona en de andere kustgebieden die van de overheveling zullen profiteren (Arrojo Agudo Ρ. y otros, Análisis y valoración socioeconómica de los trasvases del Ebro, WWF European Office, september 2002).
(2) Volgens een verslag van de Europese Commissie (S. Mateman, P.H. Rencoy: „Undeclared labour in Europe — Towards an integrated approach of combating undeclared labour, Regioplan Research Advice and Information”, Amsterdam, oktober 2001) vertegenwoordigt het zwart werk in Spanje naar schatting tussen 15 en 20 % van het nationale BBP, veel meer dan het Europese gemiddelde van 9 %. De oostkust van Spanje is de regio waar het percentage zwart werk het hoogst is: Murcia 32 %, Andalusië 29 %, Autonome Gemeenschap Valencia 24 % (Consejo económico y social, La economía sumergida en relación a la quinta recomendación del Pacto de Toledo, Colección Informes-CES, Madrid, 1999).
(3) PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/42 |
(2004/C 65 E/041)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0687/03
van Joan Vallvé (ELDR) en Carles-Alfred Gasòliba i Böhm (ELDR) aan de Commissie
(7 maart 2003)
Betreft: Maatregelen ter bescherming van in de Europese Unie geproduceerde hazelnoten
De Catalaanse productie van ontbolsterde hazelnoten schommelt tussen 20 000 en 25 000 ton per jaar, een relatief kleine hoeveelheid, vergeleken met de productie in Turkije van 600 000 ton (niet ontbolsterde) hazelnoten per jaar.
In het kader van de in 1998 tussen de EU en Turkije gesloten associatieovereenkomst heeft Turkije toegezegd niet onmiddellijk, na elke oogst, zijn hele hazelnotenproductie op de EU-markt te koop te bieden. Dank zij deze maatregel kon de prijs van ontbolsterde hazelnoten tijdens de periode 1998-2001 worden gehandhaafd op een niveau van 500 à 600 peseta per kilo.
De devaluatie van de Turkse lire in 2001 heeft de Turkse staat ertoe gebracht zijn productie niet meer gedeeltelijk vast te houden, maar integendeel zijn export te verhogen. Deze verhoging van de naar de EU geëxporteerde hoeveelheden heeft een sterke prijsdaling tot gevolg gehad.
De Spaanse regering heeft de Commissie een paar maanden geleden al verzocht maatregelen te treffen ter bescherming van de hazelnotenproductie, op grond van artikel 37 van verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit (1).
Is de Commissie van plan maatregelen te treffen ter bescherming van de EU-productie van hazelnoten, die zwaar te lijden heeft van de toegenomen export uit Turkije?
Vanaf wanneer zullen deze maatregelen worden toegepast?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(15 april 2003)
Momenteel wordt het Spaanse verzoek om beschermende maatregelen te treffen tegen hazelnoten van oorsprong uit Turkije bestudeerd en beoordeeld en wordt een analyse gemaakt van het ondersteunende statistische dossier.
Vanwege de complexiteit van het dossier en de noodzaak de verplichtingen na te komen die voortvloeien uit de door de Unie ondertekende internationale overeenkomsten (artikel 37, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad van 28 oktober 1996 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector groenten en fruit), heeft de Commissie overleg gevoerd met de Turkse autoriteiten en contact opgenomen met verschillende marktdeelnemers van de Gemeenschap in de hazelnootsector.
Op basis van de tot op heden door de Spaanse autoriteiten verstrekte gegevens, de op dit moment beschikbare statistieken en rekening houdend met de uitkomst van eerder genoemd overleg heeft de Commissie een uitgebreid dossier aangelegd over dit onderwerp. Het kan evenwel niet worden uitgesloten dat na bestudering van dit dossier het nodig wordt geacht de Spaanse autoriteiten om aanvullende informatie te vragen.
Na afronding van haar onderzoek besluit de Commissie of in dit geval maatregelen moeten worden getroffen om te voorkomen dat de doelstellingen van artikel 33 van het Verdrag in gevaar komen.
(1) PB L 297 van 21.11.1996, blz. 1.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/43 |
(2004/C 65 E/042)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0726/03
van Rosa Miguélez Ramos (PSE) aan de Commissie
(11 maart 2003)
Betreft: Prestige: Solidariteitsfonds
Het Europees Parlement heeft op 21 november 2002 een resolutie aangenomen over de ramp met de olietanker „Prestige” voor de kust van Galicië. Paragraaf 8 van die resolutie luidt als volgt:
|
|
Wenst dat de werknemers in de visserijsector en andere economische subjecten, plaatselijk en regionaal, die door het ongeluk zijn getroffen, de schade die zij lijden als gevolg van de te verwachten economische verliezen volledig en snel vergoed te krijgen; vraagt ook de steun van andere beleidsinstrumenten die daarvoor in aanmerking komen (solidariteitsfonds, structuurfondsen) om hulp te bieden aan de bevolkingsgroepen en economische activiteiten die getroffen zijn door de zwarte vloed en dringt aan op ecologisch herstel van de betrokken regio's. |
Het Europees Parlement heeft op 19 december 2002 een resolutie aangenomen over maritieme veiligheid op zee en maatregelen ter bestrijding van de gevolgen van de door de olietanker „Prestige” veroorzaakte ramp. Paragraaf 12 van die resolutie luidt als volgt:
|
|
Dringt aan op de onmiddellijke goedkeuring van maatregelen om de schade die door de getroffenen is geleden te verlichten, en wel door middel van het inzetten van het Solidariteitsfonds. |
Hoeveel middelen uit het Solidariteitsfonds zijn bestemd om de milieugevolgen van de ramp met de „Prestige” op te vangen?
Hoe verhoudt de som van alle communautaire steun zich percentagewijs tot de — geschatte — omvang van de schade?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(9 april 2003)
In januari 2003 ontving de Commissie een verzoek van de Spaanse autoriteiten om het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (SFEU) aan te spreken voor de ramp ten gevolge van het ongeluk met de tanker „Prestige” en de vervuiling van de kust van Galicië met weggelekte olie.
De Commissie heeft het verzoek getoetst aan de voorwaarden die door Verordening (EG) Nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (1), hierna de SFEU-Verordening, zijn gesteld. Op basis van de door de Spaanse autoriteiten verstrekte informatie heeft de Commissie geconcludeerd dat de ramp niet als „grote ramp” in de zin van de verordening te beschouwen is, omdat de veroorzaakte schade de drempel van 3 miljard euro of 0,6 % van het bruto nationaal inkomen (BNI) niet overschrijdt.
De SFEU-Verordening bepaalt evenwel dat een regio in uitzonderlijke gevallen steun kan ontvangen uit het Fonds, wanneer deze regio getroffen is door een buitengewone ramp die het grootste deel van de bevolking treft en ernstige en langdurige gevolgen voor de levensomstandigheden en de macro-economische stabiliteit van de regio heeft. Het SFEU mag slechts uitzonderlijk bijstand verlenen als is aangetoond dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2, lid 2, van de SFEU-Verordening. Voorts verplicht de verordening de Commissie om op grond van deze bepaling ingediende verzoeken zeer rigoreus te onderzoeken.
De Commissie bevestigt dat ze het Spaanse verzoek aan het onderzoeken is en dat ze, om tot een gefundeerd oordeel te komen, de Spaanse autoriteiten overeenkomstig de SFEU-Verordening om bijkomende informatie heeft gevraagd.
Pas na afloop van dit onderzoek kan de Commissie besluiten aan de begrotingsautoriteit voor te stellen om het Solidariteitsfonds van de Europese Unie in te zetten.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/44 |
(2004/C 65 E/043)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0756/03
van Joan Vallvé (ELDR) aan de Commissie
(12 maart 2003)
Betreft: Liberalisering van de elektriciteitssector op de Balearen
In schriftelijke vraag E-2260/00 (1) is de Commissie geattendeerd op een probleem waarmee de Balearen in verband met de liberalisering van de elektriciteitsprijzen te kampen hebben. Het valt namelijk niet uit te sluiten dat deze liberalisering niet tot de verwachte positieve gevolgen in de vorm van prijsverlagingen zal leiden, aangezien een volledig geliberaliseerde markt in geïsoleerde regio's vanwege de geografische ligging niet haalbaar is. Een volledige liberalisering van dergelijke geïsoleerde systemen kan zelfs negatieve effecten hebben, zoals prijsverhogingen ten gevolge van monopolistisch of oligopolistisch gedrag van het vanzelfsprekend beperkte aantal aanbieders.
De diensten van de Commissie hebben hierop geantwoord dat wanneer de Spaanse overheid het nuttig acht dergelijke kleine geïsoleerde systemen te liberaliseren, zij een beroep kan doen op artikel 24, lid 3, van richtlijn 96/92/EG van het Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (2) en een ontheffing kan aanvragen ten aanzien van de voornaamste bepalingen van de richtlijn. Tegelijkertijd zou zij ervoor kunnen zorgen dat door een doeltreffende regulering van de markt een passend prijsniveau voor de eindgebruiker wordt gewaarborgd.
De Commissie heeft verder verklaard zich ten volle bewust te zijn van de specifieke situatie van eilanden waar het gaat om de elektriciteitsvoorziening. Zij heeft aangekondigd de situatie te analyseren en mogelijke oplossingen en maatregelen te bestuderen, met name maatregelen ter bevordering van duurzame energiebronnen, die op eilanden waarvan de netwerken niet met de nationale netwerken zijn verbonden, doorgaans een groot expansiepotentieel hebben.
Heeft de Commissie de bestudering van het onderhavige geval afgerond? Heeft zij besloten met betrekking tot dit soort specifieke situaties maatregelen te nemen?
Heeft Spanje of een andere lidstaat reeds een beroep gedaan op artikel 24, lid 3 van voornoemde richtlijn 96/92/EG van het Parlement en de Raad van 19 december 1996 teneinde ontheffing aan te vragen ten aanzien van de voornaamste bepalingen van de richtlijn?
Voornoemde richtlijn wordt momenteel in het kader van de medebeslissingsprocedure aan een herziening onderworpen, en het Parlement dringt aan op volledige schrapping van artikel 24. Is de Commissie voornemens maatregelen te nemen om een volledige liberalisering van dergelijke kleine, geïsoleerde netwerken te bevorderen? Een en ander zou immers ook gelden voor de Balearen, die nog steeds in aanmerking zouden komen voor ontheffing terwijl zij hierop geen beroep zouden kunnen doen.
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(12 mei 2003)
De Commissie speelt een actieve rol bij de bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen op eilanden, met inbegrip van de Balearen, meer bepaald via de communautaire kaderprogramma's voor onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO) en het Altener-programma. Dit laatste programma is specifiek gericht op de bevordering van hernieuwbare energiebronnen en zal worden voortgezet als onderdeel van het programma „Intelligente energie voor Europa” zodra dit laatste is vastgesteld.
Voorts is er in Mallorca een partnership voor hernieuwbare energiebronnen opgericht dat het gebruik van windenergie zal bevorderen als onderdeel van de lanceercampagne van de Commissie om de daadwerkelijke invoering van duurzame energie in Europa te bevorderen.
De Commissie is niet op de hoogte van eventuele verzoeken van lidstaten om ontheffingen uit hoofde van artikel 24, lid 3, van Richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit.
In de nieuwe ontwerp-richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (3) wordt (in artikel 26, lid 1) de mogelijkheid voor de lidstaten gehandhaafd om een dergelijke ontheffing aan te vragen, zoals was voorzien in artikel 24, lid 3, van Richtlijn 96/92/EG. Deze mogelijkheid is ook opgenomen in de tekst van het Gemeenschappelijk standpunt (EG) nr. 5/2003, dat door de Raad op 3 februari 2003 is vastgesteld (4). Artikel 24 van bovengenoemd Gemeenschappelijk standpunt heeft daarentegen betrekking op beschermingsmaatregelen die moeten worden genomen in geval van noodsituaties.
Het is echter duidelijk dat pas een definitief antwoord op deze vraag kan worden gegeven wanneer de ontwerp-richtlijn definitief is goedgekeurd, wat naar verwachting weldra zal gebeuren.
(1) PB C 89 E van 20.3.2001, blz. 170.
(2) PB L 27 van 30.1.1997, blz. 20.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/45 |
(2004/C 65 E/044)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0797/03
van Paulo Casaca (PSE) aan de Commissie
(14 maart 2003)
Betreft: Objectieve informatie van de Europese Commissie over milieuschade door het kweken van vleesetende vis
In haar antwoord op mijn vraag E-0009/2003 (1) wijst de Europese Commissie nogmaals op haar standpunt dat zij in haar antwoord E-2675/02 (2) heeft weergegeven en op grond waarvan ik van mening zou zijn dat „de aquacultuur de belangrijkste bedreiging vormt voor de duurzame ontwikkeling van de visserij”, hetgeen niet in overeenstemming met de waarheid is, zoals ik in mijn vraag E-0009/2003 heb uitgelegd, en zoals ik hier nogeens herhaal.
Zo is het kweken van tweekleppige schelpdieren in Portugal van oudsher veel belangrijker dan de aquacultuur van vleesetende vis, verschaft het veel meer mensen arbeid — meestal mensen met een laag inkomen — en een veel hogere opbrengst. In het geval van de Ria Formosa wordt het kweken van tweekleppige schelpdieren thans met vervuiling door het toerisme bedreigd, maar hierover rept de Commissie met geen woord, ook niet in haar „strategie ten behoeve van de aquacultuur”.
De gegevens die afkomstig zijn uit de universitaire wereld, de belangrijkste milieuorganisaties en de pers ontzenuwen de argumenten die de Commissie ten behoeve van de aquacultuur van vleesetende vis in zowel haar parlementaire antwoorden als haar „strategie” aandraagt, volledig.
Kan de Commissie in het licht van het voorafgaande mededelen wanneer zij objectieve en neutrale informatie denkt te verstrekken over de schade die door het kweken van vleesetende vis aan de duurzame visserij wordt toegebracht?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(22 april 2003)
Zoals reeds is uiteengezet in de antwoorden op twee eerdere schriftelijke vragen van het geachte parlementslid over hetzelfde onderwerp (E-2675/02 en E-0009/03), zijn de opvattingen van de Commissie over aquacultuur, ongeacht of het gaat om intensieve visteelt dan wel om de extensieve teelt van tweekleppigen, weergegeven in haar mededeling over een communautaire strategie voor de duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur (3). De strategie is door zowel het Parlement als de Raad verwelkomd, respectievelijk op 16 en 28 januari 2003.
Wat de bezorgdheid betreft waaraan het geachte parlementslid uiting geeft met betrekking tot het effect dat aquacultuur kan hebben op het aquatische ecosysteem, wordt in de strategie aandacht besteed aan de betrokken problemen en ook aan de maatregelen die naar het oordeel van de Commissie nodig zijn om deze sector milieuvriendelijk te maken.
Het specifieke geval van de vervuiling van schelpdierwater door het toerisme valt onder Richtlijn 79/923/EEG van de Raad van 30 oktober 1979 inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater (4). In deze richtlijn wordt de lidstaten gevraagd wateren voor de teelt van schelpdieren aan te wijzen en programma's op te stellen om de vervuiling van die wateren te verminderen.
(1) PB C 161 E van 10.7.2003, blz. 167.
(2) PB C 155 E van 3.7.2003, blz. 40.
(3) COM(2002)511 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/46 |
(2004/C 65 E/045)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0802/03
van Marco Pannella (NI), Emma Bonino (NI), Marco Cappato (NI), Gianfranco Dell'Alba (NI), Benedetto Della Vedova (NI) en Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(17 maart 2003)
Betreft: Vervolging door de Vietnamese autoriteiten van de heer Que Nguyen en eerbiediging van de slotconclusies d.d. 27 juli 2002 van de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens
Dr. Que Nguyen is één van de meest vooraanstaande personen uit de democratische en vreedzame kringen in Vietnam en is op internationaal niveau erkend.
Dr. Que Nguyen heeft van 1978 tot 1988 voor de eerste maal in de gevangenis gezeten (ook in de isoleercel en met folteringen) wegens zijn onaflatende activiteiten.
Na in 1999 de „Vreedzame beweging voor de mensenrechten” te hebben opgericht en op 11 mei van hetzelfde jaar het manifest van deze beweging te hebben gepubliceerd, waarin om eerbiediging werd verzocht van de mensenrechten, het politieke pluralisme en vrije verkiezingen, werd hij gearresteerd en in afzondering opgesloten. In 1991 werd hij na een schertsproces tot 20 jaar gevangenis veroordeeld plus vijf jaar huisarrest wegens „pogingen om de regering omver te werpen”.
In 1995 heeft hij van de „Robert F. Kennedy Memorial” de prijs „Robert Kennedy Human Rights Award” ontvangen. Hij is meerdere malen kandidaat geweest voor de Nobelprijs voor de vrede en hij is opgenomen in de lijst van gewetensgevangen van Amnesty International.
In 1998 kreeg hij na amnestie door de regering huisarrest opgelegd en thans zit hij nog altijd in zijn woning gevangen, ook omdat hij geweigerd heeft om zijn land uitgezet te worden. Hij is evenwel nog altijd blootgesteld aan intimidaties, zijn recht op vrije meningsuiting wordt voortdurend geschonden door de Vietnamese veiligheidstroepen en hij mag geen telefoon en Internet gebruiken.
Op 20 september jl. aan de vooravond van de „Werelddag voor vrijheid en democratie ook in Vietnam”, die georganiseerd was door de Transnationale Radicale Partij, waarbij de broer van Dr. Que Nguyen, nl. Dr. Quan Nguyen, zich had aangesloten, is Dr. Que Nguyen in zijn woning aangevallen door de Vietnamese veiligheidstroepen, die naar zijn geschriften en artikelen gezocht hebben — waaronder ook het artikel waarin hij de behandeling van de „Montagnard-vluchtelingen” in Cambodja aan de kaak heeft gesteld, dat aan de autoriteiten van Hanoi van de Cambodjaanse regering is overgelegd en waarvan geen spoor meer te vinden is — en die vervolgens geprobeerd hebben hem te arresteren omdat hij zijn rechten opeiste.
Dr. Que Nguyen lijdt aan ernstige nierproblemen en hoge bloeddruk, en het aanhouden van de meer dan tienjarige vervolging door de Vietnamese regering dreigt zijn gezondheid voorgoed te schaden.
Kan de Commissie mededelen:
|
— |
of zij de behandeling waaraan Dr. Que Nguyen door de Vietnamese regering onderworpen wordt, aanvaardbaar acht en of zij vindt dat deze strookt met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat door Vietnam geratificeerd is? |
|
— |
of zij van plan is om Vietnam officieel te verzoeken de slotopmerkingen d.d. 27 juli 2002 van de VN-Commissie voor de Rechten van de Mens na te leven en om de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de met Vietnam gesloten samenwerkingsovereenkomst te onderwerpen aan de naleving van de door de VN-Commissie geformuleerde verlangens? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(24 april 2003)
De Commissie is ervan op de hoogte gebracht dat dr. Nguyen Dan Que niet langer huisarrest heeft, maar op 17 maart 2003 opnieuw is gearresteerd. Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft de arrestatie van de heer Que bevestigd.
Het beleid van de Commissie ten aanzien van Vietnam is erop gericht vorderingen op het gebied van mensenrechten en democratisering aan te moedigen en te steunen en eventuele misbruiken of een mogelijke verslechtering van de toestand aan de kaak te stellen. De Commissie werkt nauw samen met de lidstaten bij het volgen van de ontwikkelingen van de mensenrechten in Vietnam en neemt deel aan alle diplomatieke stappen die de Unie inzake mensenrechtenkwesties bij de Vietnamese regering onderneemt.
Hoewel de Commissie de bezorgdheid deelt waaraan de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties in juli 2002 uiting gaf met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten in Vietnam, merkt ze ook op dat Vietnam pogingen onderneemt om zijn binnenlandse rechtsorde te verbeteren en zijn internationale verplichtingen, met name inzake mensenrechten, na te leven. In deze context waardeert de Commissie de beslissing van de Vietnamese regering om een actieplan voor een wetshervorming uit te werken op grond van de evaluatie van de rechtsmiddelen (Legal Means Assessment), die met steun van de internationale donorgemeenschap is uitgevoerd.
De Commissie en de lidstaten hebben de regering van Vietnam reeds meermaals met aandrang verzocht zijn eerbiediging van politieke en godsdienstige vrijheden te bevorderen, alsook die van de economische en sociale vrijheden. De EU heeft dit verzoek gedaan in haar verklaring op de bijeenkomst van de Adviesgroep in december 2002 in Hanoi. De Commissie en de lidstaten hebben bovendien meegedeeld dat ze alle mogelijkheden verwelkomen om de Vietnamese regering te steunen in haar maatregelen om de hervorming van het bestuur en de overheid te bevorderen, de toestand van de mensenrechten te verbeteren en zich voor te bereiden op de ondertekening en de tenuitvoerlegging van bijkomende internationale conventies inzake mensenrechten en op andere gebieden waar bijstand nuttig zou kunnen zijn.
De verwijzing naar de eerbiediging van de mensenrechten en de democratische beginselen in artikel 1 van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en Vietnam vormt het kader dat de mensen-rechtendialoog van de Commissie met de Vietnamese regering mogelijk maakt. De Commissie zal samen met de lidstaten de toestand van de mensenrechten in Vietnam nauwgezet blijven volgen en zal passende maatregelen nemen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/47 |
(2004/C 65 E/046)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0811/03
van Alexander de Roo (Verts/ALE) en Bernd Lange (PSE) aan de Commissie
(17 maart 2003)
Betreft: Herziening van richtlijn 2000/14/EG betreffende de geluidsemissie door materieel voor gebruik buitenshuis
Richtlijn 2000/14/EG (1) van 8 mei 2000 strekt tot harmonisatie van de wetsbepalingen van de lidstaten betreffende standaarden voor geluidsemissie door en andere gegevens over materieel voor gebruik buitenshuis. Deze richtlijn is onder andere van toepassing op lawaaierige apparatuur als machines voor de bouw, compressoren, koelinstallaties, hydraulische hamers of grasmaaiers (zie Bijlage I).
In artikel 20, lid 3 van deze richtlijn wordt de Commissie verzocht uiterlijk op 3 juli 2002 aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor te leggen inzake de vraag of en in welke mate de technische vooruitgang een verlaging van de grenswaarden voor grasmaaiers en gazontrimmers mogelijk maakt. Dit verslag dient, waar passend, een voorstel tot wijziging van de indicatieve cijfers in artikel 12 van deze richtlijn te bevatten. Tot nog toe (februari 2003) heeft de Commissie geen verslag voorgelegd.
Kan de Commissie de redenen voor deze vertraging bij het voorleggen van een verslag en voorstel tot wijziging in overeenstemming met artikel 20, lid 3 van richtlijn 2000/14/EG toelichten? Wanneer verwacht de Commissie deze twee documenten voor te kunnen leggen?
Kan de Commissie een overzicht geven van haar huidige activiteiten, om te garanderen dat het verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn op 3 januari 2005 gereed zal zijn, zoals voorgeschreven in artikel 20, lid 1 van de richtlijn?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(2 mei 2003)
Bij Richtlijn 2000/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2000 inzake de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten betreffende de geluidsemissie in het milieu door materieel voor gebruik buitenshuis (2) wordt de wetgeving van de lidstaten inzake de geluidsemissienormen voor buitenshuis te gebruiken materieel geharmoniseerd. Voor grasmaaiers zijn grenswaarden vastgelegd die gelden met ingang van 2003, alsook een reeks indicatieve waarden die kunnen worden toegepast vanaf 2006.
Overeenkomstig artikel 20, lid 3, van deze richtlijn moet de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag voorleggen inzake de vraag of en in welke mate de technische vooruitgang een verlaging van de grenswaarden voor grasmaaiers en gazontrimmers/graskantensnijders mogelijk maakt, en, waar passend, een voorstel tot wijziging van deze richtlijn. De Commissie heeft een onderzoeksinstelling opdracht gegeven een rapport op te stellen over de technische vooruitgang bij de vermindering van de door grasmaaiers geproduceerde geluidsemissie. In 2002 heeft de Commissie bedoeld rapport ontvangen, alsmede een advies van een werkgroep die belast was met de evaluatie van het rapport. Tenslotte is er een studie opgezet inzake de economische effecten van de onderzoeksresultaten. Zodra deze studie is afgerond zal de Commissie bovengenoemd verslag voor het Europees Parlement en de Raad opstellen. Dit verslag is opgenomen in het werkprogramma van de Commissie voor 2003 en zal naar verwachting in de loop van dit jaar bij het Parlement en de Raad worden ingediend.
Met het oog op de in artikel 20 bedoelde wijziging van de richtlijn heeft de Commissie samen met het in het artikel 18 genoemde comité een begin gemaakt met de evaluatie van de ervaring bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn, verzamelt zij momenteel geluidsgegevens overeenkomstig artikel 16 en richt zij een werkgroep op van belanghebbenden en deskundigen uit de lidstaten die de Commissie zal bijstaan bij de beoordeling van de technische vraagstukken in het kader van dit evaluatieproces.
(1) PB L 162 van 3.7.2000, blz. 1.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/48 |
(2004/C 65 E/047)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0846/03
van María Herranz García (PPE-DE) aan de Commissie
(18 maart 2003)
Betreft: Kwaliteitsverbetering
Het voorstel van de Europese Commissie voor de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid bevat o.a. de intrekking van verordening (EG) nr. 2826/2000 voor de interne afzet van landbouwproducten (1) in 2005, hoewel de projecten die aan de hand van de verordening gefinancierd worden nauwelijks van start gegaan zijn. De Europese Commissie wenst de verordening, die bedoeld is om campagnes met algemene draagwijdte te financieren, te vervangen door een nieuw werkmiddel onder het hoofdstuk plattelandsontwikkeling om de invoering van kwaliteitsmerken te kunnen aanmoedigen; ze voert daarbij aan dat dubbele financiering voorkomen moet worden.
De verantwoording van de Europese Commissie houdt helemaal geen steek, aangezien beide maatregelen volledig verschillende doeleinden nastreven en zelfs als onderling tegengesteld beschouwd kunnen worden, maar afgezien daarvan: kan de Europese Commissie uitleggen waarom ze vooruitloopt op het besluit over de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid dat de vijftien nog moeten treffen door al in 2003 de middelen voor verordening (EG) nr. 2826/2000 te verminderen? Volgens argumenten die de diensten van de Europese Commissie al op voorhand meegedeeld hebben, is de bezuiniging op de uitgetrokken middelen het gevolg van de slechte kwaliteit van een groot aantal van de projecten die voor 2002 ingediend zijn. Denkt de Europese Commissie dat dat de beste manier is om de sector te motiveren en tot betere kwaliteit aan te sporen?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(15 april 2003)
In augustus 2002 is inderdaad een besluit genomen over een eerste serie afzetbevorderings- en voorlichtingsprogramma's voor landbouwproducten op grond van Verordening (EG) nr. 2826/2000 van de Raad van 19 december 2000 betreffende voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt. Dit is tevens de reden waarom van een bedrag van 50,3 miljoen euro aan begrotingskredieten voor afzetbevorderende maatregelen op de interne markt van de Gemeenschap slechts 15,448 miljoen euro (begrotingsjaar 2002) is opgebruikt. Voor 2003 zijn de begrotingskredieten vastgesteld op 46,5 miljoen euro (begrotingslijnen B1-3800 en B1-3810) en te voorzien valt dat hiervan dit jaar meer gebruik zal worden gemaakt.
De Commissie kan bevestigen dat de lage benuttingsgraad van de begrotingskredieten onder andere is te wijten aan de kwaliteit van de ingediende voorstellen tot bevordering van de afzet. Van de 120 ontvangen voorstellen konden er slechts 40, afkomstig van beroepsorganisaties uit 14 lidstaten, worden aanvaard als zijnde in overeenstemming met de verordening en met de richtsnoeren voor afzetbevorderingsprogramma's.
Wat betreft de vervanging van Verordening (EG) nr. 2826/2000 door een nieuwe maatregel op grond van het voorstel betreffende plattelandsontwikkeling in het kader van het voorstel inzake de hervorming van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) dient te worden opgemerkt dat, bij de huidige stand van de besprekingen betreffende dit voorstel in het Parlement en in de Raad, de Commissie de mogelijkheid onderzoekt om beide regelingen naast elkaar te laten bestaan, ervoor zorgend dat overlappingen worden uitgesloten.
(1) PB L 328 van 23.12.2000, blz. 2.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/49 |
(2004/C 65 E/048)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0854/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(20 maart 2003)
Betreft: Bedrijfseconomisch toezicht
|
1. |
is de Commissie er zeker van dat de huidige regelingen voor het bedrijfseconomisch toezicht op de verzekeringsmarkt van Lloyd's in overeenstemming met de richtlijnen van de Europese Unie zijn? |
|
2. |
Is ze er zeker van dat de regelingen van de laatste 20 jaar voor het bedrijfseconomisch toezicht op de verzekeringsmarkt van Lloyd's door het Verenigde Koninkrijk, op elk ogenblik in overeenstemming met de richtlijnen van de Europese Unie geweest zijn? |
|
3. |
Zo nee, zou de Britse regering enige verantwoordelijkheid moeten dragen tegenover degenen die op de markt geïnvesteerd hebben? |
|
4. |
Welke verhaalmogelijkheden zouden ze hebben volgens het Europees recht? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commission
(2 mei 2003)
|
1. |
De Commissie heeft de verenigbaarheid van het regelgevings- en toezichtskader op de verzekerings-markt van Lloyd's aan een nauwgezet onderzoek onderworpen en heeft in dit verband twee persberichten gepubliceerd (1). De Commissie heeft haar onderzoek nog niet afgerond en behandelt momenteel het antwoord van de Britse autoriteiten op de aanvullende schriftelijke aanmaning die in januari 2003 werd verstuurd. |
|
2. |
De inbreukprocedure krachtens het Gemeenschapsrecht heeft tot doel de verenigbaarheid van het nationale recht met het Gemeenschapsrecht tot stand te brengen of te herstellen. Dit betekent dat de Commissie de verenigbaarheid moet onderzoeken van het nieuwe regelgevings- en toezichtskader, dat voor Lloyd's is opgericht krachtens de Financial Services and Markets Act 2000 en het is dus niet haar taak uitspraak te doen over de verenigbaarheid of de onverenigbaarheid van het voorgaande regime. Bovendien bevestigt de algemene jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie dat inbreukprocedures krachtens artikel 226 van het EG-Verdrag slechts tot doel hebben een eind te stellen aan de niet-nakoming van het Gemeenschapsrecht door een lidstaat en niet het in abstracto constateren van een nalatigheid in het verleden. |
|
3. en 4. |
Op grond van de bepaling die door het Hof van Justitie is vastgesteld in de Francovich jurisprudentie (2) is het, bij gebreke aan een gemeenschapsregeling aangaande schadevergoeding, immers een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de bevoegde rechter aan te wijzen en de procesregels te geven voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten die de justitiabelen aan het Gemeenschapsrecht ontlenen, ten volle te beschermen. Er moet aan drie voorwaarden worden voldaan. In de eerste plaats moet het door de richtlijn voorgeschreven resultaat de toekenning van rechten aan particulieren inhouden, in de tweede plaats moet de inhoud van die rechten kunnen worden vastgesteld op basis van de bepalingen van de richtlijn, en ten slotte moet er een causaal verband bestaan tussen de schending, die voldoende gekwalificeerd moet zijn (3), van de op de staat rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade. Het begrip „voldoende gekwalificeerde schending” moet, samen met alle andere voorwaarden van de zaak Francovish, alleen worden bepaald door de nationale rechter, die beslist over de schade. |
(1) Persberichten van de Commissie IP/01/1880 en IP/03/97.
(2) Zie Arrest van het Hof van 19 november 1991, Andrea Francovich en Danila Bonifaci. Gevoegde zaken C-6/90 en C 9/90, jurisprudentie 1991, blz. I-5357.
(3) Zie Arrest van het Hof van 5 maart 1996, Brasserie du Pêcheur en The Queen tegen Secretary of State for Transport, ex parte: Factortame Ltd. en anderen. Gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93, jurisprudentie 1996, blz. I-1029.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/50 |
(2004/C 65 E/049)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0876/03
van Ioannis Marínos (PPE-DE) aan de Commissie
(21 maart 2003)
Betreft: Stijging van de rente op leningen in Griekenland
Ernstige ongerustheid is in Griekenland gewekt door het gerucht van een algemene verhoging met 2 procent van de rente op leningen met een variabele rentestand. Volgens Griekse persberichten zou deze stijging in volledige tegenspraak zijn met wat er in de andere landen van de eurozone gebeurt (waar de tendens in de richting van een daling van de rentestanden gaat). Het is bekend dat de banken in Griekenland op spaartegoeden renten van tussen de 1 % en 2 % uitkeren, maar dat zij aan de houders van kredietkaarten maar liefst 16 % in rekening brengen op hun debetsaldo, hetgeen betekent dat de „spread” in Griekenland de hoogste is van de gehele eurozone. Ook moet erop worden gewezen dat de rentestijging die consumenten tot wanhoop drijft, die een lening voor de aankoop van een huis hebben afgesloten, omdat zij geloofd hebben gehecht aan de verzekeringen van de regering dat „in de toekomst de rentetarieven zullen dalen”. Dit wordt ook benadrukt door de partij „Nieuwe Democratie”, die de aandacht vestigt op het ontbreken van volledige concurrentie tussen de banken in Griekenland. In dit verband moet ook worden gelet op de opmerking van de heer Alogoskouphis, het voor coördinatie van het economisch beleid bevoegde parlementslid van „Nieuwe Democratie”, dat in het Griekse banksysteem „het middenkader en de topadministrateurs van de banken door de regering worden benoemd”. In Griekenland heerst nu grote ongerustheid dat er een algemene stijging van de rentestanden zal optreden, met duidelijke gevolgen voor de consumenten en voor het ontwikkelingstempo van het land. De Griekse Vereniging van consumenten en hypotheeknemers heeft in een openbare standpuntbepaling gewezen op informatie van de Europese Centrale Bank als zou de gemiddelde rente op het consumptief krediet in Griekenland 3 punten hoger zijn dan in de overige landen van de eurozone. Ook moet gewezen worden op de verklaring van de administrateur van de Bank van Griekenland, de heer Garganas, dat de onlangs goedgekeurde wet inzake de zogeheten „piek-rentestanden” grote onduidelijkheden vertoont, die tot gevolg hebben dat de banken deze wet niet ten uitvoer leggen.
Wat is de mening van de Commissie m.b.t. de stijging van de rente op leningen in Griekenland? Wat is de reden waarom de rentestanden in Griekenland stijgen op hetzelfde moment dat er in de andere landen van de eurozone een tegenovergestelde tendens valt waar te nemen? Beschikt de Commissie over enige informatie van de kant van de Griekse autoriteiten over de zogeheten „piek-rentestanden”, die veel Griekse ondernemers en beroepsbeoefenaars tot de economische ondergang hebben gevoerd?
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(7 mei 2003)
In de context van een Gemeenschap met grotendeels geïntegreerde financiële markten, een gemeenschappelijke munt en één monetair beleid worden de concurrentievoorwaarden in deze markten steeds scherper. De individuele instellingen worden weliswaar door gemeenschappelijke factoren zoals een wijziging van de rentetarieven op de markt beïnvloed, maar bepalen nog steeds de voorwaarden die op hun klanten van toepassing zijn op grond van hun eigen strategie, balans en andere overwegingen. De financiële instellingen kunnen risico-overwegingen met name in tijden van zwakke economische groei sterker laten doorwegen. Recentelijk zijn ook in andere landen de verschillen tussen de rentetarieven groter geworden.
Hoewel enkele ad hoc-onderzoeken zijn gevoerd naar beweerde collusie of samenwerking tussen instellingen betreffende de voor de klanten geldende voorwaarden, werd in Griekenland nog geen bewijs gevonden van collusie of van misbruik van een machtspositie. De Griekse mededingingsautoriteit, de Helleense mededingingscommissie, is goed geplaatst om de concurrentie in de Griekse bankmarkt te controleren en wij zullen de gemelde bezorgdheid aan deze autoriteit meedelen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/51 |
(2004/C 65 E/050)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0881/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(21 maart 2003)
Betreft: Maatregelen ter ondersteuning van het gezin — voorstel van het regionale bestuur van Latium voor de constructie en aanpassing van gebouwen ten behoeve van de opvang van jonge kinderen
Naar aanleiding van de buitengewone bijeenkomst van het regionale bestuur van Latium, onder voorzitterschap van de president van de regio Latium Francesco Storace en in aanwezigheid van de voorzitter van de Commissie, Romano Prodi, die op 21 november 2002 in Brussel werd gehouden, is besloten de Europese Commissie te verzoeken communautaire acties te bevorderen voor de financiering van nieuwe gebouwen ten behoeve van de opvang van jonge kinderen.
De stijging van de werkloosheid onder vrouwen en de crisis van het huwelijk leiden tot snelle veranderingen in de gezinsstructuur en in de leefomstandigheden van kinderen. Een goed aanbod van efficiënte sociaal-pedagogische structuren voor gezinnen kan vrouwen helpen hun arbeidsplaats te behouden en gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor hen te creëren. Vrouwen zijn immers nog altijd degenen in het gezin die de meeste tijd steken in de verzorging en opvoeding van jonge kinderen. Daarnaast is het door de stijgende kosten van levensonderhoud moeilijk voor jonge stellen om te trouwen en een gezin te stichten, met als gevolg de daling van het geboortecijfer waarover in Europa al jaren wordt gediscussieerd. Daarom, en in het licht van het grote gebrek aan opvang voor jonge kinderen in Italië en andere lidstaten, is op dit terrein een gecoördineerde politiek nodig. Uit een vergelijkende studie in opdracht van de Britse regering, uitgevoerd in 2002 door de Universiteit van York, over maatregelen ter ondersteuning van minderjarigen in de 15 lidstaten van de Europese Unie, Noorwegen, de VS, Australië, Canada, Israël, Japan en Nieuw-Zeeland, blijkt dat het niveau van de ondersteuning in enkele lidstaten onvoldoende is, zowel uit oogpunt van de verstrekking van middelen als uit het oogpunt van de beschikbaarheid van structuren.
Op mijn vorige schriftelijke vraag E-1551/02 (1) van 3 juni 2002 antwoordde de Commissie op 15 juli 2002 dat zij belang stelde in gezinskwesties, hoewel een rechtsgrond ontbreekt die de Europese Unie specifieke bevoegdheid in die sector toekent. In artikel 308 van het Verdrag wordt echter de bevoegdheid toegekend om communautaire acties in te stellen die noodzakelijk blijken voor de werking van de gemeenschappelijke markt, ook ingeval het Verdrag daarin niet voorziet. Tot slot worden er talloze verzoeken om een optreden in gezinskwesties tot de Unie gericht en wordt in het Handvest van de grondrechten (artikel 9) groot belang gehecht aan het gezin.
Kan de Commissie, in het licht van het bovenstaande, mededelen:
|
1. |
of zij voornemens is deze lacunes aan te vullen? |
|
2. |
of er programma's bestaan die, hoewel zij niet voor gezinskwesties bestemd zijn, op de een of andere manier tegemoet kunnen komen aan het verzoek van het regionale bestuur van Latium om financiering van projecten voor de constructie en/of aanpassing van gebouwen ten behoeve van de opvang van jonge kinderen? |
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(7 mei 2003)
In antwoord op de vraag of de Commissie van plan is maatregelen voor het gezinsbeleid te treffen, herhaalt de Commissie dat er geen rechtsgrond is om op EU-niveau maatregelen op dit gebied te ontwikkelen en uit te voeren. Dergelijke maatregelen zijn een nationale bevoegdheid en worden uitsluitend door de lidstaten vastgesteld en uitgevoerd. Deze benadering sluit aan bij het arrest van het Hof van 1998 over de rechtsgrond (Verenigd Koninkrijk tegen Commissie, communautair actieprogramma tegen sociale uitsluiting, zaak C-106/96 van 12 mei 1998). In deze context is de Commissie, rekening houdend met het subsidiariteitsbeginsel, niet van plan initiatieven voor het gezinsbeleid te bevorderen of financieel te steunen.
Wat kinderopvangvoorzieningen betreft, heeft de Commissie zich in de context van de Europese werkgelegenheidsstrategie (door richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten voor te stellen) actief ingezet voor een voldoende aanbod aan betaalbare, toegankelijke en goede opvangmogelijkheden voor kinderen, ter bevordering van de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Voorts monitort de Commissie de verwezenlijking door de lidstaten van de doelstellingen voor kinderopvangvoorzieningen die door de Europese Raden van Stockholm en Barcelona zijn vastgesteld. In het kader van het sociale-integratieproces en de bestrijding van armoede worden ook het combineren van werk en gezin, zorgvoorziening en het wegwerken van sociale uitsluiting bij kinderen aan de orde gesteld en gemonitord.
Dit betekent dat de kwestie van kinderopvangvoorzieningen, zoals het geachte parlementslid eraan herinnert, hoog op de politieke agenda staat. Hoewel de Commissie de concrete maatregelen tot uitvoering van de beleidslijnen monitort, blijven deze echter de verantwoordelijkheid van de lidstaten.
Wat het verzoek om financiering van de bouw van kinderopvangvoorzieningen in de regio Latium betreft, wordt in de programma's die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd (en onder de regels voor overheidsopdrachten vallen) niet voorzien in mogelijkheden om de bouw van kinderopvangvoorzieningen te financieren. Dit soort voorzieningen komt echter wel in aanmerking voor financiering door de Structuurfondsen, mits zij deel uitmaken van een regionaal programma. Aangezien deze fondsen hoofdzakelijk op regionaal niveau worden beheerd, moet de mogelijkheid van financiering wel door de bevoegde regionale instantie worden onderzocht.
(1) PB C 301 E van 5.12.2002, blz. 177.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/52 |
(2004/C 65 E/051)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0888/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(21 maart 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het Financieel Instrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) door de gemeente Fiumicino
In september 2002 heeft het Comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken het verslag gepresenteerd over de aanwending van de door de EU beschikbaar gestelde gelden.
Uit dat onderzoek is gebleken op welke onrustwekkend trage en ondoeltreffende wijze de projecten door een aantal territoriale eenheden worden toegewezen.
De alarmerende situatie in verband met de ontoereikende aanwending van de Europese fondsen door de plaatselijke besturen is ook door de Europese Commissie al meermaals onderstreept.
Overwegende dat in het bijzonder enkele territoriale besturen, zoals de gemeente Fiumicino, de Europese fondsen dringend moeten gebruiken voor de ondersteuning van structurele acties in de sector van de visserij en aquacultuur en van de verwerking en afzet van de producten daarvan, kan de Commissie zeggen:
|
1. |
of de gemeente Fiumicino projecten voor het FIOV-programma heeft ingediend; |
|
2. |
of de gemeente voor die projecten financiële steun heeft gekregen; |
|
3. |
of die gelden zijn gebruikt? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/53 |
(2004/C 65 E/052)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1186/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Ancona van subsidies uit hoofde van het Financieel Instrument voor de Oriëntatie van de Visserij FIOV
In september 2002 heeft het Comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Ancona, hebben de Europese subsidies hard nodig om structurele maatregelen te steunen in de sector visserij, aquacultuur, en verwerking en afzet van de desbetreffende producten.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Ancona projecten heeft ingediend in het kader van het FIOV-programma; |
|
2. |
of de gemeente Ancona subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen; |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/53 |
(2004/C 65 E/053)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1187/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Carrara van subsidies uit hoofde van het Financieel Instrument voor de Oriëntatie van de Visserij FIOV
In september 2002 heeft het Comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Carrara, hebben de Europese subsidies hard nodig om structurele maatregelen te steunen in de sector visserij, aquacultuur, en verwerking en afzet van de desbetreffende producten.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Carrara projecten heeft ingediend in het kader van het FIOV-programma; |
|
2. |
of de gemeente Carrara subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen; |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/54 |
(2004/C 65 E/054)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1188/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Livorno van subsidies uit hoofde van het Financieel Instrument voor de Oriëntatie van de Visserij FIOV
In september 2002 heeft het Comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Livorno, hebben de Europese subsidies hard nodig om structurele maatregelen te steunen in de sector visserij, aquacultuur, en verwerking en afzet van de desbetreffende producten.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Livorno projecten heeft ingediend in het kader van het FIOV-programma; |
|
2. |
of de gemeente Livorno subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen; |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/54 |
(2004/C 65 E/055)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1189/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Massa van subsidies uit hoofde van het Financieel Instrument voor de Oriëntatie van de Visserij FIOV
In september 2002 heeft het Comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Massa, hebben de Europese subsidies hard nodig om structurele maatregelen te steunen in de sector visserij, aquacultuur, en verwerking en afzet van de desbetreffende producten.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Massa projecten heeft ingediend in het kader van het FIOV-programma; |
|
2. |
of de gemeente Massa subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen; |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/55 |
(2004/C 65 E/056)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1190/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Pesaro van subsidies uit hoofde van het Financieel Instrument voor de Oriëntatie van de Visserij FIOV
In september 2002 heeft het Comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Pesaro, hebben de Europese subsidies hard nodig om structurele maatregelen te steunen in de sector visserij, aquacultuur, en verwerking en afzet van de desbetreffende producten.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Pesaro projecten heeft ingediend in het kader van het FIOV-programma; |
|
2. |
of de gemeente Pesaro subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen; |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
Gecombineerd Antwoord
van de heer Fischler namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-0888/03, E-1186/03,
E-1187/03, E-1188/03, E-1189/03 en E-1190/03
(15 mei 2003)
De gemeenten Fiumicino, Livorno, Massa, Carrara, Ancona en Pesaro kunnen projecten indienen voor een financiering uit het Financieel Instrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV) in het kader van het enig programmeringsdocument „Visserij” (DOCUP), dat betrekking heeft op het hele grondgebied van Italië, met uitzondering van de gebieden van doelstelling 1, voor de periode 2000-2006.
De initiatieven waarvoor in het kader van dit programma medefinanciering mogelijk is, betreffen niet alleen maatregelen inzake de vissersvloot, maar ook projecten met betrekking tot de aanleg van kunstriffen ter bescherming van de aquatische hulpbronnen, de bouw en inrichting van aquacultuurinstallaties, de uitrusting van visserijhavens, de bouw en inrichting van installaties voor de verwerking en de afzet van visserijproducten, de verbetering van de binnenvisserij en de kleine kustvisserij, alsmede sociaal-economische maatregelen.
Het beheer van het DOCUP valt onder de bevoegdheid van het directoraat-generaal „Visserij en aquacultuur” van het Italiaanse ministerie voor Landbouw- en Bosbouwbeleid, dat het beheer van de niet op de visserijvloot betrekking hebbende maatregelen heeft gedelegeerd aan de diensten „Visserij” van de verschillende gewestelijke besturen. Aangezien het ministerie het DOCUP beheert, dient het vóór 30 april van elk jaar een jaarlijks uitvoeringsverslag in, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 366/2001 (1).
Volgens de informatie waarover het ministerie en de betrokken gewesten beschikken, heeft geen van bovengenoemde gemeenten op 31 december 2002 reeds een project ingediend als uiteindelijke begunstigde, terwijl in elk van die gemeenten wel projecten zijn ingediend door andere begunstigden (vissers, coöperaties en visserijbedrijven).
Voor aanvullende informatie kunt u zich wenden tot de volgende diensten:
|
— |
Ministero delle Politiche Agricole e Forestali Direzione genrale Pesca e Acquacoltura Viale dell'Arte, 16 00144 - Roma Tel. + 39 06 59084203 Fax +39 06 59084818 e-mail: pesca-dr@politicheagricole.it Contatto: Giovanni Granato |
|
— |
Regione Lazio Direzione generale Sviluppo Agricolo e Mondo Rurale — Area Pesca Via Rosa Raimondi Garibaldi, 7 00147 — Roma Tel +39 06 51684286 Fax +39 06 51683872 e-mail: abrunori@regione.lazio.it Contatto: A. Brunori |
|
— |
Regione Marche Servizio Attività Ittiche, Commercio, Caccia e Pesca soprtiva Via Tiziano, 44 60125 — Ancona Tel. +39 071 8063730 Fax +39 071 8063055 e-mail: uriano.meconi@regione.marche.it Contatto: Oriano Meconi |
|
— |
Regione Toscana Servizio Sviluppo Agricolo e Rurale, Caccia e Pesca Via di Novoli, 26 50127 — Firenze Tel. +39 055 4383712 Fax +39 055 4385090 e-mail: g.guarneri@mail.regione.toscana.it Contatto: Giovanni Guarneri |
(1) Verordening (EG) nr. 366/2001 van de Commissie van 22 februari 2001 betreffende de uitvoeringsbepalingen voor de acties waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad, PB L 55 van 24.2.2001.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/56 |
(2004/C 65 E/057)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-0901/03
van James Fitzsimons (UEN) aan de Commissie
(17 maart 2003)
Betreft: Filtreerapparatuur voor radongas in grondwater
Zoals de Commissie bekend zal zijn, komt in het grondwater van nature radioactief gas voor. Het is echter niet duidelijk hoe radon uit het water kan worden gefiltreerd. Is dit probleem de Commissie bekend en kent zij methoden of apparatuur voor het filtreren van een dergelijk gas?
Antwoord van de heer Busquin namens de Commissie
(10 april 2003)
De Commissie is op de hoogte van het probleem in verband met van nature in grondwaterbronnen voorkomend radon, met name wanneer dit water wordt gebruikt als drinkwater. In Aanbeveling 2001/928/Euratom van de Commissie wordt aanbevolen na te gaan of correctieve maatregelen nodig zijn voor de openbare watervoorziening indien de concentratie meer dan 100 Bq/1 bedraagt.
In het kader van het Euratom-programma inzake Veiligheid van kernsplijting is met betrekking tot dit specifieke probleem een onderzoeksproject, Tenawa, uitgevoerd. Algemeen doel van dit project, dat in 1999 werd beëindigd, was de studie van diverse verwijderingsmethoden en in de handel verkrijgbare apparatuur en het vermogen daarvan om natuurlijke nucleïden uit drinkwater te verwijderen. Het project bestudeerde een aantal technieken zoals beluchting, actieve kool in korrelvorm, ionenwisseling en membraantechnologie. Sommige van deze technieken bereikten voor de verwijdering van radon een efficiëntiegraad van meer dan 99 %. Verdere details over dit project zijn te vinden op de website van het project: [http://iwga-ig.boku.ac.at/project/tenawa/tenawa1_e.htm].
Uit hoofde van het vijfde kaderprogramma loopt momenteel een onderzoeksproject, Radwat, dat in het kader van het CRAFT-programma wordt gefinancierd via het deelprogramma Milieu en duurzame ontwikkeling, en dat zich concentreert op de ontwikkeling van innovatieve methodes voor het meten van radon en een monitoringsysteem voor gebruik in grondwater. In februari 2004 zal dit twee jaar durend project worden afgerond.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/57 |
(2004/C 65 E/058)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0920/03
van Antonio Tajani (PPE-DE) en Gerardo Galeote Quecedo (PPE-DE) aan de Commissie
(24 maart 2003)
Betreft: Vrijlating van mullah Krekar door de Nederlandse autoriteiten
Is het de Commissie bekend dat de Nederlandse autoriteiten mullah Krekar, leider van de internationale islamitische groepering Ansar al-Islam hebben vrijgelaten?
Is de Commissie op de hoogte van het feit dat mullah Krekar, die op de luchthaven van Amsterdam was gearresteerd na uit Iran te zijn uitgewezen, zich thans in Noorwegen bevindt waar hij asielrecht heeft verkregen?
Is het de Commissie bekend dat de door mullah Krekar geleide terroristische organisatie chemische en biologische wapens vervaardigd en beproefd zou hebben, waaronder ricine, een dodelijke giftige stof waartegen geen vaccin bestaat?
Welke initiatieven denkt de Commissie te nemen om de activiteiten van mullah Krekar te bestrijden en te verhinderen dat hij de Europese Unie binnenkomt en daar rondreist, zoals reeds het geval is geweest in de jaren die voorafgingen aan zijn arrestatie?
Welke stappen denkt de Commissie te ondernemen jegens Noorwegen, opdat dit land toezicht houdt op de activiteiten van mullah Krekar en zijn organisatie, die vele uit Afghanistan gevluchte aanhangers van Bin Laden schijnt te groeperen?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(28 mei 2003)
De Commissie is op de hoogte van het geval van de heer Krekar.
Na een wijziging door het Sanctiecomité van de Verenigde Naties van 24 februari 2003 is Ansar al-Islam bij Verordening (EG) nr. 350/2003 van de Commissie van 25 februari 2003 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 (1) van de Raad opgenomen in de lijst van „rechtspersonen, groepen en entiteiten” van welke de tegoeden en economische middelen worden bevroren.
Artikel 96 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (2) voorziet in de mogelijkheid om onderdanen van derde landen te verhinderen het grondgebied van de lidstaten binnen te komen door hen in het kader van het Schengen-informatiesysteem te signaleren. Aan een dergelijke signalering door een lidstaat moet in beginsel gevolg worden gegeven in alle 13 lidstaten die het Schengenacquis volledig hebben ingevoerd of in de lidstaten die zich hebben aangesloten, zoals Noorwegen en IJsland. Het besluit om de onderdaan van een derde land overeenkomstig artikel 96 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst te signaleren, kan gegrond zijn op het feit dat de betrokkene een gevaar voor de openbare orde en veiligheid of de nationale veiligheid vormt.
Om eventuele tegenstellingen tussen opeenvolgende besluiten van verschillende lidstaten te vermijden, voorziet artikel 25 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst in overlegprocedures tussen de lidstaten. Deze procedures worden toegepast wanneer een lidstaat overweegt een verblijfstitel af te geven of reeds een verblijfstitel heeft afgegeven aan een onderdaan van een derde land die in het kader van het Schengen-informatiesysteem is gesignaleerd overeenkomstig artikel 96. De overlegprocedures worden eveneens toegepast wanneer blijkt dat een lidstaat het voornemen heeft een onderdaan van een derde land die houder is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfstitel ter fine van weigering te signaleren overeenkomstig artikel 96.
Het mogelijke resultaat van het overleg overeenkomstig artikel 25 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst kan zijn:
|
— |
ofwel het intrekken van de signalering in het kader van het Schengen-informatiesysteem, met de mogelijkheid voor de lidstaat om de betrokkene op zijn nationale signaleringslijst op te nemen; |
|
— |
ofwel de intrekking van de verblijfstitel met bevestiging van de signalering in het kader van het Schengen-informatiesysteem. |
Indien er lidstaten zijn die de heer Krekar overeenkomstig artikel 96 van de Schengenuitvoering sovereenkomst hebben gesignaleerd, kan een dergelijk overleg worden gevoerd en tot een van deze twee mogelijkheden leiden.
Wat ten slotte mogelijke acties van de Commissie betreft om te waarborgen dat Noorwegen toezicht zou houden op de activiteiten van de heer Krekar en zijn organisatie, deelt de Commissie het geachte parlementslid mee dat deze aangelegenheid volledig binnen de bevoegdheid van de Noorse autoriteiten valt. De Commissie kan zelf geen personen signaleren, evenmin is zij ervan op de hoogte welke personen zijn gesignaleerd. Het Schengen-informatiessysteem wordt beheerd door de lidstaten en de autoriteiten van de lidstaten zijn bevoegd voor het nationaal signaleren van personen. In de hypothese dat de heer Krekar niet overeenkomstig artikel 96 werd gesignaleerd, zou hij niettemin „ter fine van onopvallende, hetzij ter fine van gerichte controle” overeenkomstig artikel 99 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst kunnen worden gesignaleerd door andere lidstaten.
(1) Verordening (EG) nr. 350/2003 van de Commissie van 25 februari 2003 tot dertiende wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met Usama bin Laden, het Al Qa'ida-netwerk en de Taliban, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 467/2001 van de Raad, PB L 51 van 26.2.2003.
(2) Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord, ondertekend op 19 juni 1990 (PB L 239 van 22.9.2000).
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/58 |
(2004/C 65 E/059)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-0946/03
van Jorge Hernández Mollar (PPE-DE) aan de Commissie
(26 maart 2003)
Betreft: Bijdrage van de Europese Unie aan de bouw van het Picasso-museum van Malaga
De autoriteiten van Malaga hopen, naar het voorbeeld van de invloed van het Guggenheim-museum op de modernisering en economische revitalisering van de stad Bilbao, dat het momenteel in aanbouw zijnde Picasso-museum in Malaga zal uitgroeien tot een stimulerend referentiepunt voor de modernisering van de stad.
Het feit dat Malaga hoopt eenzelfde ontwikkeling door te maken als Bilbao met het Guggenheim-museum, heeft de verschillende overheidsinstanties doen besluiten ertoe bij te dragen dat dit project inderdaad een referentiepunt van moderniteit wordt voor een stad die meer wil zijn dan zon en strand.
Kan de Commissie aangeven welke bijdrage zij levert aan de bouw van het Picasso-museum in Malaga en in welke mate zij van oordeel is dat dit project bijdraagt tot het cultureel erfgoed van de EU?
Antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie
(25 april 2003)
De Commissie wil de aandacht van de geachte afgevaardigde vestigen op het feit dat zij niet heeft bijgedragen aan de bouw van het Picasso-museum van Malaga.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/59 |
(2004/C 65 E/060)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1034/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(28 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Ancona van subsidies uit hoofde van het programma „Leader+”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Ancona, hebben de Europese subsidies hard nodig om innovatieve activiteiten op het gebied van plattelandsontwikkeling te steunen die ten doel hebben het culturele en natuurlijke erfgoed te exploiteren, nieuwe banen te creëren en daardoor het economisch klimaat te verbeteren, en het organisatievermogen van de plattelandsgemeenten te verbeteren.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Ancona projecten heeft ingediend voor het programma „Leader+”? |
|
2. |
of de gemeente Ancona subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/59 |
(2004/C 65 E/061)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1038/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(28 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Macerata van subsidies uit hoofde van het programma „Leader+”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Macerata, hebben de Europese subsidies hard nodig om innovatieve activiteiten op het gebied van plattelandsontwikkeling te steunen die ten doel hebben het culturele en natuurlijke erfgoed te exploiteren, nieuwe banen te creëren en daardoor het economisch klimaat te verbeteren, en het organisatievermogen van de plattelandsgemeenten te verbeteren.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Macerata projecten heeft ingediend voor het programma „Leader+”? |
|
2. |
of de gemeente Macerata subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/60 |
(2004/C 65 E/062)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1041/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(28 maart 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Pesaro van subsidies uit hoofde van het programma „Leader+”
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Pesaro, hebben de Europese subsidies hard nodig om innovatieve activiteiten op het gebied van plattelandsontwikkeling te steunen die ten doel hebben het culturele en natuurlijke erfgoed te exploiteren, nieuwe banen te creëren en daardoor het economisch klimaat te verbeteren, en het organisatievermogen van de plattelandsgemeenten te verbeteren.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Pesaro projecten heeft ingediend voor het programma „Leader+”? |
|
2. |
of de gemeente Pesaro subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen? |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/60 |
(2004/C 65 E/063)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1156/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Aanwending door de gemeente Ancona van de subsidies uit hoofde van het Europees Oriëntatie-en Garantiefonds voor de Landbouw
In september 2002 heeft het Comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag ingediend over de besteding van de door de EU beschikbaar gestelde middelen.
Dit onderzoek heeft o.a. de verontrustende traagheid en het gebrek aan efficiency aan het licht gebracht waarmee bepaalde plaatselijke overheden de projecten toewijzen.
Ook de EG-Commissie heeft herhaaldelijk haar bezorgdheid uitgesproken over de onderbesteding van de Europese subsidies door de plaatselijke overheden.
Sommige plaatselijke overheden, zoals b.v. de gemeente Ancona, hebben de Europese subsidies hard nodig voor de verwerking en verkoop van de landbouwproducten en voor de ontwikkeling van het platteland.
Kan de Commissie, gezien bovenstaande overwegingen, mededelen:
|
1. |
of de gemeente Ancona projecten heeft ingediend in het kader van het EOGFL; |
|
2. |
of de gemeente Ancona subsidies voor dergelijke projecten heeft ontvangen; |
|
3. |
of deze subsidies gebruikt zijn? |
Gecombineerd Antwoord
van de heer Fischler namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-1034/03, E-1038/03, E-1041/03 en E-1156/03
(24 april 2003)
De gestelde vragen betreffen de aanwending van de kredieten uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) door de gemeenten Ancona, Macerata en Pesaro. Het geachte parlementslid vraagt de Commissie met name mee te delen of de betrokken gemeenten projecten bij het EOGFL hebben ingediend, of zij voor die projecten subsidies hebben ontvangen en of die subsidies gebruikt zijn.
In het gewest Marche neemt het EOGFL, afdeling Garantie, deel in de financiering van het plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2000/2006 dat is goedgekeurd bij Beschikking nr. C(2000)2726 van de Commissie van 26 september 2000. Het plattelandsontwikkelingsprogramma betreft het volledige grondgebied van het gewest, met uitzondering van twee steunmaatregelen die alleen ten uitvoer worden gelegd in de gebieden die niet in aanmerking komen voor steun in het kader van doelstelling 2. Het gaat om maatregelen betreffende de renovatie en de ontwikkeling van dorpen en de verbetering van de infrastructuur ten behoeve van de ontwikkeling van de landbouw, op grond waarvan de gemeenten Macerata en Pesaro projecten kunnen indienen aangezien zij niet vallen onder de gebieden van doelstelling 2. De gemeenten Ancona, Macerata en Pesaro kunnen projecten indienen in het kader van de overige maatregelen van het plattelandsontwikkelingsprogramma aangezien overheidsorganisaties wel in aanmerking komen voor die steun.
Het EOGFL, afdeling Oriëntatie, neemt deel in de financiering van het communautaire programma Leader+ voor de periode 2000-2006, dat is goedgekeurd bij Beschikking nr. C(2001)4144 van de Commissie van 13 december 2001. Voor de toepassing van dit programma heeft het gewest Marche een aantal criteria vastgesteld voor de selectie van plattelandsgebieden, overeenkomstig de bepalingen van de mededeling van de Commissie aan de lidstaten van 14 april 2000 (1): op grond van deze criteria komen de gemeenten Ancona, Macerata en Pesaro niet in aanmerking voor het communautaire initiatief Leader+, aangezien de bevolkingsdichtheid groter is dan op grond van de mededeling is toegestaan.
De Commissie heeft de hierboven vermelde programma's goedgekeurd nadat zij had geconstateerd dat aan de desbetreffende communautaire voorschriften was voldaan; het praktische beheer valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten, op het daartoe meest geschikte geografische niveau. De bevoegde nationale en/of regionale autoriteiten moeten de programma's ten uitvoer leggen, waarbij zij met name moeten zorgen voor de selectie van de projecten die worden voorgesteld door potentiële begunstigden die aan de subsidiabiliteitsvoorwaarden voldoen en een steunaanvraag indienen. De Commissie wordt van de wijze waarop van het Fonds gebruik wordt gemaakt in het kader van het partenariaat, op de hoogte gehouden via de eindrapporten over de betrokken programma's en eventueel door de toezichtscomités waarvan zij deel uitmaakt. De inlichtingen die worden medegedeeld in de vorm van financiële en fysieke indicatoren betreffende het toezicht alsmede de elementen betreffende de evaluatie hebben evenwel geen betrekking op individuele gevallen van steunverlening, aangezien de Commissie op grond van het subsidiariteitsbeginsel niet bevoegd is om zich daarover uit te spreken.
De Commissie verzoekt het geachte parlementslid derhalve zich te wenden tot het gewest Marche, Assessorato all'Agricoltura, voor verdere inlichtingen over eventuele begunstigden van de steun in het kader van bovengenoemde programma's, in het bijzonder tot de gemeenten Ancona, Macerata en Pesaro.
(1) Mededeling van de Commissie aan de lidstaten van 14 april 2000 tot vaststelling van de richtsnoeren voor het communautaire initiatief voor plattelandsontwikkeling (Leader+), 2000/C 139/05, PB C 139 van 18.5.2000.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/61 |
(2004/C 65 E/064)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1176/03
van María Sornosa Martínez (PSE) aan de Commissie
(1 april 2003)
Betreft: Communautaire fondsen voor Spanje
Kan de Commissie een volledige lijst overleggen van de waterbouwkundige infrastructuurprojecten waarvoor door de Spaanse overheid financiële steun is aangevraagd uit hoofde van de structuurfondsen of het Cohesiefonds 2000-2006, en of het hier gaat om grote individuele projecten of projecten die onderdeel uitmaken van maatregelen in het kader van operationele programma's?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(12 mei 2003)
Zoals bepaald in artikel 14, lid 3, over „informatie en bekendmaking” van Verordening (EG) nr. 1164/94 van de Raad van 16 mei 1994, tot oprichting van een Cohesiefonds (1), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1264/1999 van de Raad van 21 juni 1999 (2) en Verordening (EG) nr. 1265/1999 van de Raad van 21 juni 1999 (2), maakt de Commissie jaarlijks in het Publicatieblad van de Europese Unie de belangrijkste punten bekend van de besluiten tot toekenning van financiële steun uit hoofde van de eerdergenoemde verordening.
Deze informatie wordt per land en steungebied gerangschikt. Waterbouwkundige infrastructuurprojecten die gefinancierd worden uit het Cohesiefonds vallen onder de categorieën „watervoorziening en waterkwaliteit” en „afvoer en bewerking van afvalwater”.
De gegevens over Spanje werden gepubliceerd in onderstaande Publicatiebladen van de Europese Unie:
|
— |
2000: PB C 361 van 17.12.2001 |
|
— |
2001: PB C 126 van 28.5.2002 |
De informatie over 2002, die binnenkort gepubliceerd zal worden vindt u in bijlage 1 bij dit antwoord, die rechtstreeks aan het geachte parlementslid en het secretariaat van het parlement wordt toegezonden.
Projecten waarvoor financiering aangevraagd is, maar die nog onderzocht worden of die in 2003 zijn goedgekeurd, staan in bijlage 2, die rechtstreeks aan het geachte parlementslid en het secretariaat van het parlement wordt toegezonden.
Wat betreft projecten die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999, houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (2), gefinancierd worden uit het Europees Regionaal Ontwikkelingsfonds, zijn lidstaten alleen verplicht de verzoeken tot cofinanciering van grote projecten aan de Commissie mee te delen. Informatie over dergelijke projecten is opgenomen in bijlage 3, die rechtstreeks aan het geachte parlementslid en het secretariaat van het parlement wordt toegezonden.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/62 |
(2004/C 65 E/065)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1206/03
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Europese onderwijsprogramma's en Turkije
Turkije neemt deel aan de programma's Socrates, Leonardo da Vinci en Jeugd. Voor 2004 hebben de Turkse regering en de Europese Unie overeenstemming bereikt over een hele reeks programa's, waarbij universiteiten, onderwijsorganisaties en jongerenorganisaties betrokken zijn. Kan de Commissie mededelen of er onder die programma's ook programma's in de Koerdische taal zijn en of er programma's in de Koerdische taal kunnen worden uitgevoerd in landen van de Europese Unie waar Koerdische immigranten wonen?
Antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie
(5 mei 2003)
Turkije neemt nog niet deel aan de programma's Socrates, Leonardo da Vinci en Jeugd. Momenteel worden voorbereidende maatregelen getroffen met het oog op de volwaardige deelname van Turkije in 2004. Turkije zal overeenkomstig de regels van de programma's onder dezelfde voorwaarden kunnen deelnemen als de andere kandidaat-lidstaten.
Overeenkomstig Besluit nr. 451/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 februari 2003 tot vaststelling van de tweede fase van het Socrates-programma (1) zijn de talen die in aanmerking komen voor acties ter bevordering van het leren van vreemde talen in het kader van Lingua en Comenius de officiële talen van de Gemeenschap, het Iers en het Letzeburgs. Talen die minder verbreid zijn of minder onderwezen worden, krijgen voorrang. Minderheidstalen of regionale talen komen niet voor deze acties in aanmerking.
Bij uitbreiding geldt dit principe ook voor de deelname van Turkije aan bovengenoemde programma's.
Let wel: buiten de taalprojecten in het kader van Lingua en Comenius kunnen regionale talen en minderheidstalen wel het samenwerkingsthema van andere projecten in het kader van Socrates of Leonardo da Vinci vormen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/63 |
(2004/C 65 E/066)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1210/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Ancona
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Ancona, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Ancona projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Ancona voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/63 |
(2004/C 65 E/067)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1211/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Carrara
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Carrara, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Carrara projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Carrara voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/64 |
(2004/C 65 E/068)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1212/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Florence
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Florence, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Florence projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Florence voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/64 |
(2004/C 65 E/069)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1213/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Livorno
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Livorno, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Livorno projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Livorno voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/65 |
(2004/C 65 E/070)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1214/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Macerata
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Macerata, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Macerata projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Macerata voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/65 |
(2004/C 65 E/071)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1215/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Massa
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Massa, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Massa projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Massa voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/66 |
(2004/C 65 E/072)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1216/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Perugia
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Perugia, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Perugia projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Perugia voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/66 |
(2004/C 65 E/073)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1217/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Pesaro
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Pesaro, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Pesaro projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Pesaro voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/67 |
(2004/C 65 E/074)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1218/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Pisa
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Pisa, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Pisa projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Pisa voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/67 |
(2004/C 65 E/075)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1219/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Pistoia
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Pistoia, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Pistoia projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Pistoia voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/68 |
(2004/C 65 E/076)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1220/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Prato
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Prato, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Prato projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Prato voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/68 |
(2004/C 65 E/077)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1221/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Siena
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Siena, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Siena projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Siena voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/69 |
(2004/C 65 E/078)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1222/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Terni
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Terni, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Terni projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Terni voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/69 |
(2004/C 65 E/079)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1223/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Fiumicino
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Fiumicino, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Fiumicino projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Fiumicino voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/70 |
(2004/C 65 E/080)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1224/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Aanwending van de fondsen van het „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” door de gemeente Frosinone
In september 2002 heeft het comité van toezicht van het Italiaanse Ministerie van Economische Zaken een verslag over de besteding van de door de Europese Unie ter beschikking gestelde fondsen ingediend.
Een zorgwekkende conclusie van dit verslag is dat sommige lokale en regionale overheden traag en ondoeltreffend te werk gaan bij de aanbesteding van projecten.
Meermaals is benadrukt, ook door de Europese Commissie, dat het verontrustend is dat de lokale overheden de Europese fondsen onvoldoende aanwenden.
Sommige lokale en regionale overheden, zoals bijvoorbeeld de gemeente Frosinone, hebben met name grote behoefte aan de Europese fondsen om een duurzame stedelijke ontwikkeling te bevorderen.
Kan de Commissie meedelen:
|
1. |
of de gemeente Frosinone projecten heeft ingediend voor het Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie? |
|
2. |
of de gemeente Frosinone voor deze projecten geld ontvangen heeft? |
|
3. |
of deze fondsen aangewend zijn? |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/70 |
(2004/C 65 E/081)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1235/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 april 2003)
Betreft: Gemeente Rome: besteding middelen EU-Actiekader voor duurzame stadsontwikkeling
In september 2002 diende het comité van toezicht van het Italiaanse ministerie van Economische Zaken zijn verslag in over de besteding van de middelen die door de EU ter beschikking zijn gesteld.
Onderzoek in het kader van dat verslag heeft onder meer op een verontrustende wijze aan het licht gebracht hoe traag en ondoeltreffend sommige territoriale overheden te werk gaan bij de toewijzing van de projecten.
Ook de Europese Commissie heeft herhaaldelijk gewezen op het probleem van het geringe bestedingspercentage van de Europese subsidies door de lokale overheden.
Aangezien sommige territoriale overheden, zoals het gemeentebestuur van Rome, de Europese subsidies zeer dringend nodig hebben voor duurzame stadsontwikkeling, wilde ik de Commissie het volgende vragen:
|
1. |
Heeft het gemeentebestuur van Rome projecten ingediend in het kader van het Actiekader voor duurzame stadsontwikkeling? |
|
2. |
Heeft het voor die projecten subsidies ontvangen? |
|
3. |
Zijn deze middelen besteed? |
Gecombineerd Antwoord
van de heer Barnier namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-1210/03, E-1211/03, E-1212/03, E-1213/03,
E-1214/03, E-1215/03, E-1216/03, E-1217/03, E-1218/03, E-1219/03,
E-1220/03, E-1221/03, E-1222/03, E-1223/03, E-1224/03 en E-1235/03
(21 mei 2003)
De Commissie verwijst het geachte parlementslid naar haar mededeling „Actiekader voor duurzame stedelijke ontwikkeling in de Europese Unie” (1), een discussiestuk over de vraag hoe de verschillende methodes die de Commissie heeft ontwikkeld voor haar talrijke sectorale beleidsmaatregelen die het stedelijk milieu betreffen, beter kunnen worden gecoördineerd.
Wat het gebruik van middelen uit de communautaire Fondsen door de steden betreft wordt in het actiekader met name aanbevolen dat de bevoegde instanties in de lidstaten bij de presentatie van de operationele programma's in het kader van de tenuitvoerlegging van de doelstellingen 1, 2 en 3 van de Structuurfondsen bijzondere aandacht besteden aan de stedelijke problematiek.
Er zijn geen middelen uit de communautaire Fondsen rechtstreeks toegekend op grond van het genoemde actiekader, noch aan de door het geachte parlementslid genoemde zestien steden, noch aan enig andere Europese stad.
(1) COM(98) 605 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/71 |
(2004/C 65 E/082)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1254/03
van Bernard Poignant (PSE) aan de Commissie
(3 april 2003)
Betreft: Statistisch overzicht van het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Europese Unie
De Europese Gemeenschap heeft met verordening nr. 3330/91 (1) statistieken over het handelsverkeer tussen de lidstaten in het leven geroepen. De verklaringen oefenen geen enkele beperkende invloed op het goederenverkeer uit maar worden door kleine bedrijven toch als hinderlijk ervaren, want het uitblijven van dergelijke verklaringen brengt een geldboete van bijna 1500 EUR met zich mee.
Uit de tekst van de verordeningen blijkt dat ondernemingen die zich beroepen op de artikelen 24 en 25 van richtlijn 77/338/EG (2) in aanmerking kunnen komen voor vrijstelling van verklaring over het goederenverkeer. De twee artikelen stellen dat fiscale verklaringen vergemakkelijkt en vereenvoudigd kunnen worden voor kleine ondernemingen.
Desondanks is in Frankrijk de verklaring over het handelsverkeer, die de omzetting van de verordening over de statistieken over het handelsverkeer binnen de Europese Gemeenschap vertegenwoordigt, verplicht voor alle ondernemers waarvan de aankopen meer dan 100 000 EUR bedragen. Maar naast die verklaring moeten de ondernemers ook BTW-verklaringen invullen, die naar dezelfde gegevens vragen.
Om de bedrijfsadministratie te vergemakkelijken vragen sommige handelaars om de drempel voor het verplicht stellen van de verklaring op te trekken tot 150 000 of zelfs 200 000 EUR.
Wat denkt de Commissie van dat voorstel? Welke oplossingen zijn er denkbaar om statistische gegevens over het handelsverkeer binnen de Europese Gemeenschap te blijven bijhouden en toch de administratie voor de bedrijven te vereenvoudigen?
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(15 mei 2003)
De statistieken over het goederenverkeer tussen de lidstaten worden verzameld op basis van Verordening (EEG) nr. 3330/91 van de Raad van 7 november 1991 betreffende de statistieken van het goederenverkeer tussen lidstaten (de zogenaamde Intrastatverordening).
Het toepassingsgebied van deze verordening is strikt beperkt tot de statistiek en in de meeste landen worden de statistische gegevens afzonderlijk verzameld, los van de gegevens die BTW-plichtigen aan de nationale belastinginstanties over hun intracommunautaire leveringen en aankopen moeten verstrekken. Aangezien in Frankrijk de Direction générale des douanes et droits indirects (algemeen bestuur douane en indirecte belastingen) bevoegd is voor Intrastat, heeft dit land geopteerd voor een statistische verklaring die ook voor belastingdoeleinden wordt aangewend.
De vrijstellingsdrempel van 100 000 EUR, waaronder Franse ondernemingen geen statistische gegevens hoeven te verstrekken, vloeit voort uit de toepassing van de Intrastatverordening waarin drempels zijn vastgesteld die ervoor zorgen dat de lasten voor de bedrijven, en met name het midden- en kleinbedrijf, in verhouding staan tot de statistische doelstellingen. Overeenkomstig diezelfde Intrastatverordening worden in Frankrijk ook andere drempels gebruikt om op basis van de grootte van de bedrijven te bepalen hoe gedetailleerd de in te dienen gegevens moeten zijn (vereenvoudigde gegevens).
Frankrijk heeft de vrijstellingsdrempel op 1 januari 2001 al eens verhoogd; voordien bedroeg die 38 000 EUR. Op basis van de informatie van de Direction générale des douanes françaises (algemeen bestuur van de Franse douane) leidde deze verhoging ertoe dat ongeveer 50 000 bedrijven die in 2000 onder de nieuwe drempel bleven, een vrijstelling konden krijgen. Voor eenderde van de informatieplichtige bedrijven volstaat tegenwoordig trouwens een vereenvoudigde verklaring.
De statistische drempels, die op door de Intrastatverordening vastgestelde kwaliteitseisen zijn gebaseerd, verschillen van de drempels voor belastingdoeleinden die de lidstaten eventueel toepassen overeenkomstig Richtlijn 77/388/EEG (3) en die voor bepaalde bedrijfstakken interessant kunnen zijn.
De Commissie zal het Parlement en de Raad binnenkort een voorstel voor een nieuwe Intrastatverordening voorleggen. De doelstelling om over gegevens te beschikken die aan de behoeften van de gebruikers voldoen terwijl de lasten voor de bedrijven beperkt blijven, wordt gehandhaafd. In het kader van deze nieuwe verordening, die in 2005 van kracht zou moeten worden, kan naar onze mening een nieuwe aanpassing van de Franse drempels worden overwogen.
(1) PB L 316 van 16.11.1991, blz. 1.
(2) PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1.
(3) Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/72 |
(2004/C 65 E/083)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1267/03
van Ioannis Marínos (PPE-DE) aan de Commissie
(3 april 2003)
Betreft: Communautair programma Odysseus
Volgens een bericht in het gezaghebbende informatieblad „Agence Europe” van 12 maart 2003 is de eerste fase van het communautair programma Odysseus voor de controle op de illegale immigratie mislukt wegens het ontbreken van een gemeenschappelijke werktaal en wegens problemen van technische compatibiliteit die de werkzaamheden hebben bemoeilijkt welke gezamenlijk moesten worden uitgevoerd door de vijf Spaanse, Italiaanse, Franse, Britse en Portugese schepen. Dat blijkt uit een document dat de Spaanse autoriteiten hebben gestuurd naar het Griekse voorzitterschap van de EU.
In het document staat ook te lezen dat tijdens de hele periode waarin het programma liep geen enkele illegale immigrant is opgespoord.
Intussen heeft commissaris Vitorino volgens datzelfde bericht voorgesteld de Middellandse Zee te verdelen in drie zones waar respectievelijk Italië, Griekenland en Spanje de illegale immigratie controleren.
Wat maakt de Commissie optimistischer over het welslagen van de communautaire initiatieven voor het voorkomen van illegale immigratie na de hoger genoemde mislukking? Welke speciale maatregelen zullen worden toegepast in de gevoelige regio van de Egeische Zee, die voor duizenden illegale immigranten een toegangspoort is naar Griekenland en de overige landen van de Europese Unie?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(15 mei 2003)
De Commissie heeft niet de gewoonte te reageren op krantenartikels.
Zij acht het om te beginnen evenwel belangrijk eraan te herinneren dat de operatie Ulysses, die onder de verantwoordelijkheid van de Spaanse autoriteiten is uitgevoerd, kadert in de gezamenlijke operaties aan de buitengrenzen waarin is voorzien in het door de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) op 13 juni 2002 goedgekeurde Plan voor het beheer van de buitengrenzen. De Europese Raad van Sevilla (21 en 22 juni 2002) heeft deze gezamenlijke operaties als prioritaire acties aangemerkt.
De bevoegde instantie van de Raad (de werkgroep SCIFA+) heeft onder meer het door het geachte parlementslid bedoelde Ulysses-project goedgekeurd, een door Spanje geleide gezamenlijke operatie met de medewerking van Frankrijk, Italië, Portugal, en het Verenigd Koninkrijk als deelnemende landen en van andere lidstaten (onder meer Griekenland en Nederland) of de toetredende landen (bijvoorbeeld Polen en Letland) als waarnemers. Volgens de door Spanje ingediende beschrijving had de operatie tot doel schepen van meerdere lidstaten te laten patrouilleren om de gezamenlijke bewaking van de buitengrenzen van de Schengenruimte te verzekeren en zo onder meer illegale immigranten af te schrikken.
Het doel van onder meer pilootprojecten en gezamenlijke operaties is vast te stellen met welke (juridische en praktische) problemen de lidstaten bij een dergelijke operatie worden geconfronteerd. Communicatieproblemen ingevolge de taal of problemen in verband met de compatibiliteit van installaties vormen reële moeilijkheden waarvoor een oplossing moet worden gezocht bij de gezamenlijke opleiding of de interoperabiliteit van installaties. Er zij aan herinnerd dat deze moeilijkheden reeds zijn aangehaald in de mededeling van de Commissie inzake een geïntegreerd beheer van de buitengrenzen (1).
Wat de door de Commissie overwogen oplossingen betreft, herinnert de Commissie eraan dat ter gelegenheid van de Europese Raad van Thessaloniki (20 en 21 juni 2003) zal worden nagegaan of de tijdens de Europese Raad van Sevilla in juni 2002 genomen besluiten correct zijn uitgevoerd. Tijdens de Europese Raad van Thessaloniki zal ook een algemene evaluatie worden verricht van de resultaten na één jaar uitvoering van het Plan voor het beheer van de buitengrenzen.
Het Griekse voorzitterschap bereidt een verslag voor dat tijdens deze Europese Raad zal worden voorgelegd en waarin onder meer zal worden ingegaan op de conclusies die moeten worden getrokken uit de in die periode opgezette gezamenlijke operaties en pilootprojecten. De Commissie heeft de intentie in haar bijdrage tot dit verslag een rationalisering van de geplande initiatieven voor te stellen.
Met betrekking tot het door het geachte parlementslid aangehaalde voorstel van het voor Justitie en Binnenlandse Zaken bevoegde lid van de Commissie om de samenwerking in de Middellandse Zee in drie zones te verdelen, kan de Commissie meedelen dat dit voorstel is ingediend door de consultant die belast is met het verrichten van een haalbaarheidsstudie betreffende de verbetering van de controles en de bewaking van de maritieme buitengrenzen van de Unie, overeenkomstig het verzoek van de Raad aan de Commissie. Het genoemde lid van de Commissie heeft op 27 en 28 februari 2003 verslag uitgebracht aan de Raad JBZ betreffende de voortgang van de werkzaamheden van de consultant ter zake. Het eindverslag van deze haalbaarheidsstudie zal in juni 2003 beschikbaar zijn.
Naargelang de conclusies die uit de verschillende initiatieven en de bovengenoemde haalbaarheidsstudie worden getrokken, zal de Commissie of zullen de lidstaten overeenkomstig hun respectievelijke bevoegdheden oordelen over de opportuniteit om wetgevende en/of uitvoerende initiatieven te nemen met het oog op de realisatie van de door het actieplan vastgelegde doelstellingen.
(1) COM(2002) 703 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/74 |
(2004/C 65 E/084)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1351/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(10 april 2003)
Betreft: Prijsconvergentie
Is de Commissie van mening dat de euro tot nog toe de prijsconvergentie binnen de eurozone heeft bevorderd, en zo heeft bijgedragen tot de interne markt en tot een grotere efficiëntie bij het toekennen van financiële middelen? Kan de Commissie een kort overzicht geven van de aanwijzingen daarvoor?
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(26 mei 2003)
De euro zou langs een aantal wegen tot prijsconvergentie moeten bijdragen. Ten eerste schakelt de euro wisselkoersschommelingen en verschillen in het monetaire beleid in de eurozone uit, waardoor deze oorzaken van prijsverschillen worden weggenomen. Ten tweede resulteert de uitschakeling van wisselkoersschommelingen in een daling van de transactiekosten en een vermindering van de aan grensoverschrijdende handel en investeringen verbonden risico's. Dit zou de grensoverschrijdende handel (1) en investeringen in de hand moeten werken, de concurrentiedruk in de eurozone moeten doen toenemen en zodoende de prijzen in neerwaartse zin moeten doen convergeren. Ten derde zou de invoering van eurobiljetten en -munten moeten leiden tot een grotere transparantie van de productenprijzen in de verschillende deelnemende landen, wat eveneens de concurrentiedruk zou moeten doen toenemen en tot een neerwaartse prijsconvergentie zou moeten bijdragen. In theorie zou het effect van deze toegenomen prijstransparantie ondernemingen evenwel ook beter in staat stellen hun prijzen te coördineren en aldus tot opwaartse prijsconvergentie aanleiding kunnen geven, maar een dergelijk gedrag druist in tegen de regels van het communautaire en nationale mededingingsbeleid.
De euro zal echter niet alle prijsverschillen in de eurozone doen verdwijnen. Deze verschillen zullen blijven bestaan als gevolg van een aantal factoren, zoals uiteenlopende indirecte-belastingtarieven en handelsbelemmeringen, die momenteel in het kader van het communautaire beleid worden aangepakt. Bovendien zal er zelfs ook op volledig geïntegreerde eurozonemarkten sprake blijven van prijsverschillen als gevolg van bijvoorbeeld smaakverschillen en vervoerskosten.
De voornaamste gegevens waarop de Commissie zich baseert om de prijsconvergentie in de economie als geheel te volgen, zijn de Eurostat-gegevens over de prijsindexcijfers. Daaruit blijkt dat de prijsconvergentie in de eurozone zich sinds de invoering van de euro in 1999 heeft voortgezet. In 1998 beliep de prijsspreiding (2) in de eurozone 12,9 %, maar in 2001 (recentste gegevens) was dit percentage gedaald tot 12,3 %. In de Gemeenschap als geheel is de prijsspreiding tussen 1998 en 2001 daarentegen iets groter geworden, waarbij zij bovendien een wisselvalliger beloop te zien gaf. Het feit dat de prijsspreiding in de eurozone en de Gemeenschap sinds 1998 een uiteenlopende ontwikkeling vertoont, kan toe te schrijven zijn aan de invoering van de euro, al moet worden bedacht dat het prijspeil nog door andere factoren wordt beïnvloed.
Tabel 1 — Prijsspreiding tussen EU- en eurozonelanden (3)
|
|
1992 |
1993 |
1994 |
1995 |
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
|
EU15 |
18,9 |
15,5 |
16,4 |
18,0 |
15,8 |
14,9 |
14,5 |
14,7 |
15,3 |
14,6 |
|
Eurozone |
13,7 |
13 |
15 |
16,9 |
13,8 |
12,7 |
12,9 |
12,8 |
12,4 |
12,3 |
De gegevens over de prijsindexcijfers vóór 2000 worden beïnvloed door de geleidelijke invoering van het nieuwe systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR 95) vanaf 1995 (4). Voor 2001 betreft het voorlopige gegevens.
Een tweede belangrijke vaststelling die op grond van de gegevens over de prijsspreiding kan worden gedaan, is dat er zich ondanks de invoering van de euro de afgelopen jaren een vertraging van de prijsconvergentie in de Gemeenschap en in de eurozone heeft voorgedaan (5). Deze langzamere prijsconvergentie kan toe te schrijven zijn aan het feit dat het initiële effect van de interne markt op de prijsspreiding is uitgewerkt. Voorts werd de invoering van de euro voorafgegaan door verscheidene jaren van toenemende wisselkoersstabiliteit van de valuta's van tal van leden van de eurozone, waardoor het effect van stabiele wisselkoersen op de prijsconvergentie zich al gedeeltelijk heeft laten gevoelen voordat de euro werd ingevoerd. In dit verband is het vermeldenswaard dat de prijsspreiding tussen België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Nederland en Oostenrijk, landen die een lange periode van onderlinge wisselkoersstabiliteit hebben gekend, in 2001 slechts 1,3 % bedroeg. Bovendien kan nu nog niet worden uitgemaakt of de invoering van eurobiljetten en -munten in januari 2002 een nieuwe impuls aan de prijsconvergentie zal geven, aangezien de thans beschikbare recentste gegevens van 2001 dateren.
De recentste gegevens over de prijsconvergentie van specifieke producten zijn vervat in de volgende publicaties van de Commissie:
|
— |
„Car price differentials within the European Union on 1 november 2002”, Europese Commissie, Directoraat-generaal Concurrentie; |
|
— |
„Economische hervorming: verslag over de werking van de product- en kapitaalmarkten in de EU” („Cardiff-verslag”) (6), december 2002, Europese Commissie, Directoraat-generaal Interne markt; |
|
— |
„Prijs van kruidenierswaren in de EU”, deel 3B van scorebord van de interne markt nr. 10, mei 2002, Europese Commissie, Directoraat-generaal Interne markt; |
|
— |
„Results from a Europe-wide price study”, deel 3A van scorebord van de interne markt nr. 8, mei 2001, Europese Commissie, Directoraat-generaal Interne markt; |
|
— |
„Price levels and price dispersions in the European Union”, European Economy, Supplement A, nr. 7, juli 2001, Europese Commissie, Directoraat-generaal Economische en financiële zaken. |
Uit deze publicaties kan worden opgemaakt dat er voor bepaalde producten weliswaar aanzienlijke prijsverschillen bestaan, maar dat er toch enige convergentie waarneembaar is. Zo blijkt uit het laatste verslag over de autoprijzen (gegevens van november 2002) dat er voor nieuwe wagens nog steeds sprake is van grote prijsverschillen, maar dat er zich toch enige convergentie aftekent, vooral in de eurozone. Uit het Cardiff-verslag blijkt dat hoewel de prijzen van diverse producten tussen 1992 en 2001 uiteenlopende ontwikkelingen te zien gaven, de vaakst voorkomende tendens convergentie in de richting van lagere prijzen was. Uit de scoreborden van de interne markt blijkt dat er voor kruidenierswaren, huishoud-artikelen, verse levensmiddelen en consumentenelektronica nog grote prijsverschillen tussen de lidstaten bestaan (in 1999-2000 verzamelde gegevens), maar dat er geen enkel land is waar voor alle producten alleen hoge of lage prijzen gelden. In Supplement A werd geconstateerd dat de prijsspreiding in de Gemeenschap voor alle onderzochte productencategorieën groter was dan in de Verenigde Staten (gegevens van 1998).
Kortom, er lijkt sprake te zijn van voortgaande prijsconvergentie in de eurozone sinds de euro in 1999 is ingevoerd, al moet daaraan worden toegevoegd dat deze convergentie in een trager tempo verloopt dan tijdens de jaren negentig. Tot dusver zijn er echter nog niet veel studies aan dit specifieke thema gewijd omdat het enige tijd vergt voordat gegevens beschikbaar komen en omdat het nog verscheidene jaren zal duren vooraleer de invloed van de euro zich ten volle zal laten gevoelen. De Commissie zal het effect van de euro op de prijsconvergentie in de toekomst op de voet blijven volgen.
(1) Zowel Bun en Klaasen (2002) als Micco, Stein en Ordoñez (2002) hebben op basis van empirische gegevens vastgesteld dat de EMU vanaf begin 1999 een gunstig effect sorteerde op de handel tussen de deelnemers aan de euro.
(2) De hier gehanteerde maatstaf voor de prijsspreiding is de variatiecoëfficiënt van het prijspeil in de deelnemende lidstaten.
(3) De prijsspreiding wordt hier gemeten als de variatiecoëfficiënt van het prijspeil binnen de lidstaten.
(4) Voor nadere bijzonderheden, zie Eurostat-publicatie „Statistics in Focus”, „Purchasing Power Parities and related economic indicators for EU, EFTA and Candidate Countries: Preliminary results for 2000”, 32/2002, gepubliceerd op 30 juli 2002.
(5) Deze bevinding wordt bevestigd door J. H. Rogers (2002), die gebruik maakte van een verschillend gegevensbestand over het prijspeil.
(6) COM(2002) 743 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/76 |
(2004/C 65 E/085)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1361/03
van Roger Helmer (PPE-DE) aan de Commissie
(4 april 2003)
Betreft: Netto bijdragen en/of ontvangsten van de lidstaten aan de Europese Unie
Kan de Commissie mededelen wat de netto-EU-bijdragen en/of ontvangsten van de 15 lidstaten zijn voor de jaren 1998, 1999, 2000, 2001 en 2002? Kan de Commissie ook mededelen wat de geschatte netto-bijdragen en/of -ontvangsten van de 15 lidstaten zijn in 2003 en 2004, en de geschatte netto-bijdragen en/of -ontvangsten voor de uitgebreide EU in 2005, 2006, 2007 en 2008?
Kan Commissie zich daarbij beperken tot gegevens betreffende rechtstreekse overmakingen en veronderstelde immateriële voordelen buiten beschouwing laten?
Antwoord van mevrouw Schreyer namens de Commissie
(5 mei 2003)
In antwoord op de vraag van het geachte parlementslid wordt de volgende informatie meegedeeld:
|
— |
Netto begrotingssaldo van de 15 lidstaten voor de periode 1998-2002 De Commissie publiceert jaarlijks een verslag over de toewijzing van de EU-uitgaven. Dit verslag bestaat hoofdzakelijk uit een gedetailleerde analyse van de uitgaven van de Unie per lidstaat. In de bijlage van het verslag is bovendien een statistisch overzicht opgenomen van de begrotingsuitgaven en -inkomsten per lidstaat, met inbegrip van het netto begrotingssaldo. Deze verslagen kunnen worden geraadpleegd op de website van de Commissie op het volgende adres: [http://europa.eu.int/comm/budget/agenda2000/reports_en.htm]. De tabel met de netto begrotingssaldi per lidstaat voor de periode 1995-2001 wordt het geachte parlementslid en het Secretariaat van het Parlement ter informatie toegezonden. Het netto begrotingssaldo voor het jaar 2002 is vanaf september 2003 beschikbaar. |
|
— |
Verwacht netto begrotingssaldo van de 15 lidstaten voor de periode 2003-2008 De Commissie publiceert geen ramingen van de netto begrotingssaldi van de lidstaten. De Commissie heeft evenwel de extra financiële last voor de lidstaten ingevolge de toetreding van de tien nieuwe lidstaten voor de periode 2004-2006 berekend. Gelet op de geschatte betalingen aan de nieuwe lidstaten en hun eigen bijdragen aan de begroting van de Unie, wordt de extra financiële last voor de huidige 15 lidstaten geraamd op:
Deze financiële last wordt proportioneel verdeeld onder de huidige lidstaten, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, dat aanzienlijk minder betaalt vanwege het correctiemechanisme voor het Verenigd Koninkrijk. |
|
— |
Verwachte netto begrotingssaldi voor de nieuwe lidstaten 2004-2006 Deze gegevens werden berekend met het oog op de toetredingsonderhandelingen. De tabel met de geschatte netto begrotingssaldi voor elk van de tien nieuwe lidstaten wordt het geachte parlementslid en het Secretariaat van het Parlement ter informatie toegezonden. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/77 |
(2004/C 65 E/086)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1394/03
van Caroline Lucas (Verts/ALE) aan de Commissie
(16 april 2003)
Betreft: Het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie in Ierland
Kan de Commissie meedelen welke bedrijven belast waren met het ontwerp en de bouw van de panden waarin het Voedsel- en Veterinair Bureau (VVB) in Ierland is gevestigd?
Kan de Commissie daarnaast de volgende informatie overleggen:
|
1. |
een lijst van alle hardhoutsoorten die in de panden van het VVB van de Commissie in Ierland zijn gebruikt, inclusief details betreffende a) de hoeveelheid van elke gebruikte soort; b) het land van oorsprong van elke gebruikte soort; en c) de bedrijven die het hout hebben geleverd; |
|
2. |
kopieën van alle contractuele referenties naar de legaliteit en duurzaamheid van het hout dat in de panden van het VVB van de Commissie in Ierland is gebruikt; |
|
3. |
kopieën van de bewijsstukken van de leveranciers van al het hout dat in de nieuwe panden van het VVB van de Commissie in Ierland is gebruikt waaruit blijkt dat al het hout afkomstig is van legale en duurzame bestanden? |
Antwoord van de heer Kinnock namens de Commissie
(19 juni 2003)
De aanbesteding voor het Voedsel- en Veterinaire Bureau in Grange, Ierland, werd uitgeschreven door het Office of Public Works (OPW) in Dublin. Het gebouw werd ontworpen door de architectuurafdeling van het OPW en het contract voor de bouw werd gegund aan Michael Mc Namara & Co.
|
1. |
De volgende hardhoutsoorten werden bij de bouw in Grange gebruikt:
Al dit hout was opgenomen in het bestek en werd geleverd door „Smee” in Liverpool. Door een in de loop van de uitvoering van het contract gemaakte technische wijziging was daarnaast een kleine hoeveelheid Iroko (2,72 m3) nodig. Via Smee is dit ook uit een duurzaam bestand afkomstig. |
|
2. |
De bouwwerkzaamheden in Grange werden in overeenstemming met de contractuele specificaties van de architectuurafdeling van het OPW uitgevoerd. Deze afdeling werkt al sinds 1987 met een specificatie voor duurzaam hout. Voor producten die niet worden gespecificeerd wordt verwezen naar: de Overeenkomst voor de internationale handel in bedreigde soorten. |
|
3. |
Smee in een geregistreerde en gecertificeerde importeur voor Amerikaans en Europees hardhout. In 2002 won het Voedsel- en Veterinaire Bureau in Grange de An Taisce-duurzaamheidsprijs. An Taisce is een niet-gouvernementele organisatie en een nationaal instituut dat gespecialiseerd is erfgoed en milieubescherming. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/78 |
(2004/C 65 E/087)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1405/03
van Herbert Bösch (PSE) aan de Commissie
(23 april 2003)
Betreft: Personeelsbeleid van de Commissie
Ongeveer twee jaar geleden kwam de vertegenwoordiging van de Commissie in Wenen in het nieuws naar aanleiding van het aldaar gevoerde aanwervingsbeleid. Mensen werden met contracten voor aanneming van werk en zonder dat de Commissie in Brussel daarvan op de hoogte was voor verschillende werkzaamheden in dienst genomen. Bij controles door de Commissie moesten deze werknemers „onderduiken”, in die zin dat hen werd opgedragen op de desbetreffende dagen niet naar de vertegenwoordiging te komen, maar thuis te werken. Ondertussen is de Commissie in één zaak reeds door de Oostenrijkse rechtbank (Arbeits- und Sozialgericht) veroordeeld; OLAF heeft onderzoeken ingesteld.
Sinds kort werkt het plaatsvervangend hoofd van de vertegenwoordiging van de Commissie in Wenen, Hatto Käfer, als perswoordvoerder bij het Europees Hof van Justitie en is daarmee van een A5-post naar een A3-post bevorderd. De heer Käfer was degene die in het geval van een controle van de vertegenwoordiging in Wenen door de Commissie de mensen met een contract voor aanneming van werk schriftelijk opdracht gaf thuis te blijven en daar verder te werken en niet naar de vertegenwoordiging te komen.
Alberto Hasson, die destijds voor de vertegenwoordigingen in de lidstaten verantwoordelijk was, is op dit moment interimdirecteur van de volledige administratie van het directoraat-generaal Pers en Communicatie en zal binnenkort definitief op die post worden benoemd. De heer Hasson is één van de personen die de hoofdverantwoordelijkheid voor de vertegenwoordiging van de Commissie in Wenen droegen, en is onder andere ook verantwoordelijk voor het ontslag op staande voet van het vrouwelijke lid van de ondernemingsraad van de vertegenwoordiging.
Is het bij de Commissie gebruikelijk ambtenaren die het onderwerp van een onderzoek zijn, te bevorderen?
Zo ja, in welke gevallen is dit in het verleden dan reeds eerder gebeurd?
Zo niet, welke maatregelen neemt de Commissie in dergelijke situaties?
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(15 juli 2003)
In de bovenvermelde vraag worden bepaalde feiten aangehaald tegen ambtenaren van de Commisse, die met naam en toenaam worden genoemd. Hierdoor worden ze in diskrediet gebracht en wordt er afbreuk gedaan aan het principe van het vermoeden van onschuld, dat elk individu beschermt. Bovendien zou de vraag nadelig kunnen zijn voor de administratieve situatie en de rechtspositie van de betrokken ambtenaren.
De Commissie wenst de volgende rechtzettingen aan te brengen ten aanzien van bepaalde punten die door het geachte parlementslid werden genoemd:
|
— |
De aanwervingsprocedure voor de post van directeur bij het directoraat-generaal Pers en communicatie loopt nog. |
|
— |
De tweede ambtenaar die in de vraag ter sprake komt, was verantwoordelijk voor personeel en administratie bij het directoraat-generaal Pers en communicatie (hoofdzetel en vertegenwoordigingen). Hij was niet specifiek verantwoordelijk voor de vertegenwoordigingen van de Commissie in de lidstaten. |
|
— |
De beslissing om een plaatselijke functionaris op staande voet te ontslaan werd genomen door het gezagsorgaan dat bevoegd is om aanstellingsovereenkomsten aan te gaan (GBAA). Hierbij werden de geldende regels strikt nageleefd. In tegenstelling tot wat wordt beweerd, had de plaatselijke functionaris geenszins het statuut van „personeelsvertegenwoordiger” (Betriebsrätin). |
|
— |
Met betrekking tot het voormalig plaatsvervangend hoofd van de vertegenwoordiging van de Commissie in Oostenrijk wijst de Commissie erop dat het niet passend zou zijn om zich uit te spreken over een benoemingsbesluit van een andere instelling. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/79 |
(2004/C 65 E/088)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1411/03
van Ioannis Marínos (PPE-DE) en Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Raad
(23 april 2003)
Betreft: Uitvoering van het Interreg-programma in Albanië
Vertegenwoordigers van de Griekse minderheid in Zuid-Albanië, zoals de Albanese parlementariër Karamelos, beweerden in een recente persconferentie (2 april 2003) in het Europees Parlement dat de middelen van het communautaire programma InterregII voor maatregelen aan beide zijden van de Grieks-Albanese grens slechts voor 30 % werden besteed, terwijl met de uitvoering van InterregIII (dat de periode 2000-2006 bestrijkt) nog niet eens een begin is gemaakt. Het gevolg hiervan is dat er uit communautaire bron geen steun meer wordt verleend aan projecten en initiatieven ter verbetering van de situatie van de internationaal erkende Griekse minderheid in Zuid-Albanië, een minderheid die decennia lang het slachtoffer is geweest van vervolgingen van de kant van het tyrannieke en totalitaire regime van Enver Hoxha. Bovendien is deze minderheid nog steeds niet in het genot van de fundamentele democratische rechten, zoals ook door de organen van de EU werd opgemerkt. Tijdens hun bezoek aan het Europees Parlement benadrukten de vertegenwoordigers van de Griekse minderheid dat er nog steeds — 12 jaar na de ineenstorting van het communistisch regime — geen telling van de Griekse bevolkingsgroep in Albanië is gehouden naar het model van de volkstellingen in alle goed bestuurde landen van Europa.
Kloppen bovengenoemde beweringen ten aanzien van de uitvoering van Interreg II en III? Zo ja, waaraan zijn de achterstanden bij de uitvoering te wijten, die zeer nadelig zijn voor de levensomstandigheden van duizenden Grieken en Albanezen in Zuid-Albanië? Hoe denkt de Raad bij Albanië aan te dringen op de uitvoering van een betrouwbare volkstelling naar Europees model, waarin ook de omvang wordt vastgesteld van de Griekse bevolkingsgroep en van de andere minderheden in dit land (zigeuners, Roma, Slaven enz)?
Antwoord
(17 november 2003)
|
1. |
De Raad kan de door de geachte parlementsleden gemelde beweringen niet bevestigen. Volgens titel II, hoofdstuk III „Communautaire initiatieven” van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen stelt de Commissie richtsnoeren vast waarin voor elk initiatief de doelstellingen, het toepassingsgebied en passende uitvoeringsbepalingen worden beschreven. In overeenstemming met deze regels heeft de Commissie op 28 april 2000 een mededeling goedgekeurd waarin de richtsnoeren voor Interreg III zijn vastgesteld. Volgens deze mededeling is de Commissie verantwoordelijk voor de follow-up, de uitvoering en de evaluatie van de onder dit communautair initiatief vallende acties. |
|
2. |
De Raad juicht het toe dat Albanië in de gezamenlijke adviserende task force heeft toegezegd dat het zal trachten uiterlijk eind 2003 accurate gegevens over de omvang van zijn minderheden ter beschikking te stellen. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/79 |
(2004/C 65 E/089)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1421/03
van Pernille Frahm (GUE/NGL) aan de Commissie
(15 april 2003)
Betreft: Landbouwbeleid
Hoeveel bedraagt naar de inschatting van de Commissie de „Producer Support Estimate” als gevolg van het landbouwbeleid van de EU, hoeveel hiervan is marktprijssteun en hoeveel van dit bedrag kan worden toegeschreven aan diverse producten als suiker, rundvlees, zuivelproducten, tarwe en groenten?
Aanvullend antwoord van de heer Fischler Namens de Commissie
(2 juni 2003)
De „Total Support Estimate” van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), waarin de Producer Support Estimate (PSE) het aandeel vertegenwoordigt van de economische overdrachten van consumenten en belastingbetalers in het bruto landbouwinkomen dat resulteert uit de geproduceerde goederen, is ontwikkeld om de steun te schatten die in een OESO-economie aan de landbouwsector wordt verleend als gevolg van beleidsmaatregelen, d.w.z. dat de financiële betalingen in het kader van de begroting er slechts een deel van zijn.
De gebruikte methodologie vertoont echter een aantal gebreken, omdat zij voor de berekening van deze economische overdrachten (uitgedrukt in theoretische EUR of USD of andere nationale valuta) uitgaan van het prijsverschil tussen de marktprijzen op de nationale markt en de wereldmarktprijzen, die tot stand zijn gekomen onder onvolmaakte marktomstandigheden. Ze houdt ook rekening met marktprijsschommelingen die zijn versterkt door de toepassing van wisselkoersen die de uitdrukking zijn van algemene economische gedragingen en van valutaspeculatie. Dat betekent dat zelfs bij een ongewijzigd beleid de PSE kan stijgen of dalen als gevolg van deze parameters.
De jongste jaren heeft de OESO vooral de nadruk gelegd op het verstorend effect van sommige steunmaatregelen (marktprijssteun, betalingen in verband met de input en output) op de productie, de afzet en de handel en heeft zij deze vergeleken met de veel minder of niet-verstorende regelingen van niet-productiegebonden steun, zoals areaalbetalingen, directe inkomenssteun, betalingen voor historische rechten enz.
Hoewel de Commissie steeds heeft gewezen op de onvolkomenheden en de onjuiste interpretaties van de huidige methodologie, d.w.z. de overschatting van economische overdrachten, is ze waakzaam gebleven voor het schadelijk effect van bepaalde beleidsmaatregelen op de nationale en wereldmarkten en het bedrag van deze steun dat rechtstreeks bij het landbouwbedrijf terecht komt (doelmatigheid van de inkomensoverdracht).
In „Hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) — een lange-termijn-perspectief op duurzame landbouw” stelt de Commissie maatregelen voor om het verstorend effect van steun zoveel mogelijk te beperken en tegelijk het voortbestaan van de landbouwproducenten te garanderen door niet-productiegebonden maatregelen, in ruil voor een ruime toepassing van goede landbouwpraktijken, met inbegrip van betere zorgen voor het milieu. Dankzij het loskoppelen van steun en productie zal het deel van het inkomen dat de landbouwer ontvangt in het kader van de steunmaatregel aanzienlijk toenemen, terwijl verstorende maatregelen, zoals de marktprijssteun, drastisch zullen worden beperkt.
Volgens de berekeningen van de OESO bedroeg het Total Producer Support Estimate in de jaren 2000-2002 gemiddeld 100 266 miljoen euro, waarvan 57 % of 56 820 miljoen euro marktprijssteun is en 40 % rechtstreeks is uitgekeerd in het kader van de prijssteun voor bepaalde producten. Dit cijfer is overschat als gevolg van een aantal factoren, zoals de referentieprijzen, wisselkoersen enz, en houdt geen rekening met 29 % van de landbouwproductie waarvoor geen of zeer weinig steun wordt verleend (bijvoorbeeld groenten en fruit, wijn, bloemen en sierplanten enz), d.w.z. het beleid voor de 71 % in aanmerking genomen producten wordt geëxtrapoleerd voor de andere landbouwproducties.
Wat de afzonderlijke landbouwproducten betreft zijn de bedragen van de marktprijssteun voor de gevraagde producten als volgt: voor suiker wordt de marktprijssteun door de OESO geraamd op 1 131 miljoen euro, voor rundvlees op 15 364 miljoen (vooral wegens de maatregelen in verband met de boviene spongiforme encephalopathie (BSE), voor melk op 7 710 miljoen euro en voor tarwe op 4 488 miljoen. Zoals eerder vermeld zijn groenten, behalve aardappelen, niet opgenomen in het PSE-cijfer van 71 %. Alle andere opgenomen landbouwproducties samen vertegenwoordigen slechts 5 674 miljoen euro.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/81 |
(2004/C 65 E/090)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1425/03
van Dorette Corbey (PSE) aan de Commissie
(15 april 2003)
Betreft: Richtlijn betreffende verpakking en verpakkingsafval
Momenteel wordt de richtlijn betreffende verpakking en verpakkingsafval (94/62/EG (1)) herzien. De richtlijn stelt in artikel 6 kwantitatieve doelstellingen vast voor de terugwinning en recycling van verpakkingsafval. De formulering van de aanhef van artikel 6 is als volgt:
|
|
Teneinde aan de doelstellingen van deze richtlijn te voldoen nemen de lidstaten maatregelen zodat voor hun hele grondgebied de volgende taakstellingen kunnen worden verwezenlijkt … |
Kan de Commissie bevestigen dat het verwezenlijken van de doelstellingen voor terugwinning en recycling een harde verplichting is voor de lidstaten?
Kan de Commissie bevestigen dat zij als hoedster van correcte implementatie, naleving en toepassing van het Gemeenschapsrecht lidstaten die de in artikel 6 genoemde doelstellingen niet verwezenlijken in gebreke zal stellen?
Is de Commissie het met mij eens dat de door de lidstaten te nemen maatregelen slechts een middel zijn om aan deze verplichting ex-artikel 6 te voldoen en niet het doel op zich?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(3 juni 2003)
De verwezenlijking van de doelstellingen voor terugwinning en recycling is een wettelijke verplichting voor de lidstaten, die is vereist in het kader van artikel 6 van Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval. De Commissie kan bevestigen dat zij haar rol als hoedster van het EG-Verdrag zal vervullen en gevolg zal geven aan gevallen van niet-verwezenlijking van de doelstellingen van de Richtlijn. Daartoe behoort ook, indien nodig, de inleiding van inbreukprocedures in het kader van artikel 226 van het EG-Verdrag.
Artikel 6 van Richtlijn 94/62/EEG schrijft voor dat de lidstaten de maatregelen nemen die nodig zijn om de in die bepaling genoemde taakstellingen te verwezenlijken. De lidstaten kunnen de middelen kiezen waarmee zij deze doelstellingen willen bereiken, als zij maar aan de communautaire wetgeving voldoen.
(1) PB L 365 van 31.12.1994, blz. 10.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/81 |
(2004/C 65 E/091)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1448/03
van Chris Davies (ELDR) aan de Commissie
(28 april 2003)
Betreft: Radioactieve brandstof en radioactief afval
Welke eisen stelt de Commissie om de veiligheid van transporten van radioactieve brandstof en radioactief afval over zee in Europese wateren te waarborgen?
Heeft de Commissie specifieke eisen gesteld met betrekking tot transporten van gemengd-oxydesplijtstof (MOX) naar en van de nucleaire opwerkingsfaciliteit in Sellafield in Cumbria, Verenigd Koninkrijk?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(26 mei 2003)
De aandacht van het geachte parlementslid wordt gevestigd op eerdere antwoorden van de Commissie betreffende gelijksoortige of aanverwante vraagstukken, waarin aanvullende informatie kan worden gevonden (H-0398/01 van de heer Fitzsimons gedurende het vragenuurtje op de zitting van het Parlement van mei 2001 (1), E-3277/01 van mevrouw Breyer (2), H-0501/02 van de heer Fitzsimons gedurende het vragenuurtje op de zitting van het Parlement van juli 2002 (3) en P-1904/02 van mevrouw Doyle (4)).
Op het internationaal vervoer van radioactief materiaal is internationale wetgeving van toepassing, zoals de regels van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) betreffende het vervoer over zee, de communautaire wetgeving en de wetgeving en procedures in het land van verzender en ontvanger, alsmede in de doorvoerlanden in kwestie.
Daarnaast legt Richtlijn 93/75/EEG van de Raad van 13 september 1993 betreffende de minimumeisen voor schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren en die naar of uit de zeehavens van de Gemeenschap varen (5) de exploitant van een dergelijk schip de verplichting op de bevoegde autoriteiten van de lidstaat in kennis te stellen van de bestemming, de voorgenomen vaarroute en de aard van de vervoerde gevaarlijke goederen.
In het Verenigd Koninkrijk zal gemengd-oxidesplijtstof (MOX) onderworpen zijn aan de regelgeving van de „safeguards regime”. De Commissie dient door middel van de Euratomveiligheidscontroles op de uitvoering van de „safeguards regime” toe te zien.
Veiligheids- en beveiligingsregelingen voor dit type zending moeten voldoen aan de internationale en nationale voorschriften betreffende het vervoer van radioactief materiaal. Het is de taak van de nationale autoriteiten hierop toe te zien.
Het Office of Civil Nuclear Security (OCNS) in het Verenigd Koninkrijk is er verantwoordelijk voor dat exploitanten van kernenergie voor niet-militaire doeleinden zorgen voor een veilig transport van „gevoelige categorieën” kernmateriaal. In deze context is het OCNS, uit hoofde van de Conventie voor fysieke bescherming van nucleair materiaal, de aangewezen autoriteit van het VK voor zendingen naar en vanuit overzeese bestemmingen.
De veiligheidsvoorzieningen voor MOX-transporten tussen Japan en het Verenigd Koninkrijk zijn ook door de regelgevende autoriteiten van de Verenigde Staten en Japan geëvalueerd. Alle veiligheidsinstanties kwamen tot de vaststelling dat de veiligheidsvoorzieningen robuust genoeg waren om enige potentiële bedreiging het hoofd te kunnen bieden.
Gezien het bovenstaande lijken de met betrekking tot de MOX-transporten van en naar het Verenigd Koninkrijk getroffen veiligheids- en beveiligingsmaatregelen toereikend te zijn.
(1) Schriftelijk antwoord van 15.5.2001.
(3) Schriftelijk antwoord van 2.7.2002.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/82 |
(2004/C 65 E/092)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1463/03
van Paulo Casaca (PSE) aan de Commissie
(29 april 2003)
Betreft: Katoenteelt in het bevloeiingsgebied van de Alqueva-dam
Zoals sommige projecten in Spanje en Griekenland, biedt het nieuwe bevloeiingsgebied van de Alqueva-dam mogelijkheden voor het verbouwen van katoen in Portugal. De katoenteelt is een van de doelcultures van het hele project waar belangrijke investeringsplannen voor bestaan.
Is de Commissie van plan Portugal dezelfde voorwaarden aan te bieden als de andere hierboven genoemde lidstaten voor de ontwikkeling van deze teelt? Kan de Commissie haar antwoord hierop met redenen omkleden?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(5 juni 2003)
De Commissie is op de hoogte van de werkzaamheden in het irrigatiegebied van Alqueva en van de mogelijkheden die deze bieden voor de ontwikkeling van bepaalde teelten.
De maatregelen die de Raad heeft genomen in het kader van de hervorming van de bij Verordening (EG) nr. 1051/2001 (1) ingestelde steunregeling waren met name bedoeld om de uitbreiding van de katoenteelt, die een ongunstige invloed op het milieu kan hebben, te ontmoedigen. De Commissie kan derhalve, mede gelet op het niveau van de steun in de begrotingskosten per hectare, moeilijk wijzigingen in de wetgeving voorstellen die een uitbreiding van deze teelt beogen.
De Commissie is echter voornemens om hoe dan ook een debat over de toekomst van de steunregeling voor katoen te organiseren.
(1) Verordening (EG) nr. 1051/2001 van de Raad van 22 mei 2001 betreffende de steun voor de katoenproductie, PB L 148 van 1.6.2001.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/83 |
(2004/C 65 E/093)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1508/03
van Gabriele Stauner (PPE-DE) aan de Commissie
(28 april 2003)
Betreft: Begrotingspost A-1090 — salarisverhogingen voor leden van de Commissie
Leden van de Commissie hebben jarenlang geprofiteerd van hogere salarissen doordat zij delen van hun salaris niet op een rekening in hun werklocatie Brussel kregen uitbetaald, maar lieten overmaken naar andere lidstaten, en daarmee profiteerden van de zogeheten aanpassingscoëfficiënten. Ter verdediging van deze praktijk voerde de Commissie onder meer aan (zie het antwoord op schriftelijke vraag P-1805/02 (1)), dat de Raad en het Parlement de voor deze overmakingen benodigde extra middelen jaarlijks hebben vrijgemaakt en in de betreffende toelichtingen op de begroting uitdrukkelijk hebben genoemd.
Tot aan het begrotingsjaar 2002 was de desbetreffende begrotingspost (A-1090 — Aanpassingscoëfficiënten) voorzien van de volgende toelichting: „Tevens dient het ter dekking van de aanpassingscoëfficiënt op het gedeelte van de emolumenten dat naar een ander land dan dat van tewerkstelling wordt overgeboekt.” Deze toelichting werd door de Commissie in haar voorontwerp van begroting 2003 opnieuw voorgesteld. De Raad schrapte deze tekst echter, waarna het Parlement de schrapping bevestigde.
Welke conclusie trekt de Commissie uit het besluit van de Begrotingsautoriteit om deze toelichting te schrappen?
Is de Commissie van mening dat haar leden desondanks kunnen blijven profiteren van aanpassingscoëfficiënten indien zij een deel van hun emolumenten laten overmaken naar een ander land dan het land van tewerkstelling?
Welke conclusies trekt de Commissie in dit verband uit het feit dat de mogelijkheid van een dergelijke overmaking van salarissen met toepassing van de aanpassingscoëfficiënt ook in de desbetreffende verordening inzake de emolumenten van leden van de Commissie niet is vastgelegd en met geen woord wordt genoemd?
Antwoord van de heer Kinnock namens de Commissie
(23 juni 2003)
Zoals de geachte afgevaardigde uit antwoorden op vorige vragen zal weten, golden de overmakingen met toepassing van een aanpassingscoëfficiënt steeds voor de leden van het Hof van Justitie en van de Rekenkamer, alsook voor de leden van de Commissie. De geachte afgevaardigde is ervan op de hoogte dat de wettigheid van die regeling door het Hof van Justitie in een administratief besluit is bevestigd. Het is de geachte afgevaardigde niet onbekend dat de leden van het Hof van Justitie en van de Rekenkamer vervolgens opnieuw gebruik zijn gaan maken van deze regeling. Het besluit van de Commissie van juni 2002 dat de regeling inzake de overmakingen met toepassing van een aanpassingscoëfficiënt opschort, is nog steeds van kracht.
Toen de Raad heeft beslist om de opmerking waarnaar de geachte afgevaardigde in haar vraag verwijst, te schrappen, en aangezien de Commissie niet was geraadpleegd of ingelicht en in de toelichting geen uitleg werd verstrekt, heeft de directeur-generaal voor begroting op 7 mei 2002 aan de voorzitter van het begrotingscomité van de Raad gemeld dat de Commissie deze procedure als niet normaal beschouwde. Het is niettemin duidelijk dat de opmerking over de desbetreffende begrotingspost geen gevolgen had voor de wettigheid van de regeling. De schrapping van de opmerking had daarop evenmin een invloed, zoals blijkt uit het feit dat het krediet (vergelijkbaar met dat voor de vorige jaren) is behouden.
(1) PB C 309 E van 12.12.2002, blz. 164.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/84 |
(2004/C 65 E/094)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1515/03
van André Brie (GUE/NGL) aan de Commissie
(6 mei 2003)
Betreft: Ingrijpend kappen van bomen en struikgewas in beschermde fauna-, flora- en habitatgebieden in de Landkreis Elbe-Elster in de Duitse deelstaat Brandenburg
Sedert geruime tijd worden aan de rivieren Schwarze Elster, Pulsnitz en Röder (Landkreis Elbe-Elster in de deelstaat Brandenburg) veel bomen en struikgewas gekapt waarvoor de bevoegde instanties (Land-esumweltamt Brandenburg) als reden de noodzaak van sanerings-, respectievelijk onderhoudsmaatregelen aan de plaatselijke dijken opgeven.
Deze maatregelen werden/worden in de volgende beschermde fauna-, flora- en habitatgebieden doorgevoerd:
|
— |
FFH-gebied 509 „Pulsnitz en laagvlakten”, |
|
— |
FFH-gebied 495 „Middenloop van de Schwarze Elster”, |
|
— |
FFH-gebied 231 „Overstromingsgebieden van de Arnsnestea”, |
|
— |
FFH-gebied 498 „Kleine Röder”. |
Het Landesumweltamt Brandenburg is van mening dat het hierbij om onderhoudsmaatregelen (om dringende redenen van bescherming tegen overstromingen) gaat, hoewel noch tijdens de overstromingen in augustus 2002 noch tijdens de overstromingen in januari 2003 rond deze rivieren acuut gevaar bestond. Door het ingrijpend kappen van bomen en struikgewas in deze FFH-gebieden wordt aanzienlijke schade toegebracht aan het beschermde leefmilieu en aan beschermde diersoorten.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
Is zij van deze maatregel op de hoogte is gesteld? |
|
— |
Is zij bereid na te gaan of het inderdaad slechts om sanerings-, respectievelijk onderhoudsmaatregelen gaat, zoals het Landesumweltamt Brandenburg beweert? |
|
— |
Is zij bereid na te gaan (eventueel ter plaatse) of hier mogelijk sprake is van een schending van de communautaire richtlijnen (bescherming van de flora, fauna en habitat)? |
Aanvullend antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(18 september 2003)
Het geachte parlementslid weet dat krachtens artikel 6, leden 3 en 4 van Richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (1) voor elk plan of project dat significante gevolgen kan hebben voor een gebied van communautair belang een passende beoordeling moet worden gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. In geval van een negatieve beoordeling mag uitsluitend toestemming worden verleend als er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn en er geen alternatieve oplossingen bestaan. De lidstaten dienen dan compenserende maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
In het onderhavige geval is de Commissie niet geïnformeerd over de door het geachte parlementslid beschreven ontwikkelingen. De documenten die zij van het geachte parlementslid heeft ontvangen, hebben de Commissie evenwel aanvullende gegevens verschaft.
Uit deze informatie blijkt het volgende:
|
— |
Voor het kappen van bomen en struiken waarop het geachte parlementslid doelt, is door de bevoegde Duitse instanties (Kreisverwaltung) vergunning verleend. Dit is gebeurd op basis van een toetsing van de gevolgen van het kappen aan de instandhoudingsdoelstellingen voor de betrokken gebieden. Daarbij werd geconcludeerd dat er significante gevolgen zouden zijn voor de betrokken gebieden en dat daarom compenserende maatregelen nodig waren. In weerwil van de significante gevolgen werd toestemming gegeven voor het kappen om redenen van openbare veiligheid, namelijk het voorkomen van overstromingen. Het is evenwel niet duidelijk welke compenserende maatregelen zijn vastgesteld en of die ook zijn doorgevoerd. |
|
— |
De Commissie zal zelf een onderzoek in dezen instellen en contact opnemen met de Duitse autoriteiten teneinde na te gaan of aan artikel 6, leden 3 en 4, van Richtlijn 92/43/EEG is voldaan, met name voor wat betreft de compenserende maatregelen. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/85 |
(2004/C 65 E/095)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1585/03
van Joan Vallvé (ELDR) aan de Commissie
(8 mei 2003)
Betreft: Taalkundige verscheidenheid
Ik kan mij volledig vinden in de woorden van commissaris Viviane Reding die in Agence Europe van 12 april een pleidooi hield voor de taalkundige diversiteit en van mening zei te zijn dat Engels niet noodzakelijkerwijze de hoogste prioriteit heeft. Mevrouw Reding gaf als voorbeeld haar eigen land, Luxemburg, waar „de moedertaal het Luxemburgs is, waar de talen van onze Duitssprekende en Franssprekende buren overal worden gehoord, en waar men ook de talen van de grote Italiaanse en Portugese gemeenschap hoort. Engels wordt er ook geleerd. En wij zijn goed uitgerust voor een leven in een multilinguïstische samenleving (…). Denkt u echt dat het voor de Luxemburgse bevolking beter is eerst Engels te leren en dan pas de talen van hun buren? En heeft het leren van Engels voor degenen die een minderheidstaal spreken echt de hoogste prioriteit?”, vroeg mevrouw Reding, waarbij zij opmerkte dat de linguïstische situatie in de verschillende regio's van Europa zo verschillend is, dat het onmogelijk is om voor iedereen dezelfde keuze te maken.
Comenius-taalprojecten beoogt de participatie aan te moedigen van alle taalkundige groepen, zoals dat is geformuleerd in de leidraad voor aanvragers voor het jaar 2000 onder het hoofdstuk „Bevordering van de taalkundige diversiteit”: Comenius-taalprojecten beoogt de bevordering van de taalkundige diversiteit in Europa door het gebruik van alle officiële talen van de Europese Unie (plus Iers en Luxemburgs) aan te moedigen, in het bijzonder de minst verspreide en minst onderwezen talen van de Europese Unie. De nationale talen van de EVA- en EER-landen en de kandidaatleden voor toetreding die aan Socrates deelnemen, komen ook in aanmerking als doeltaal.
In Comenius-taalprojecten zal normaal gesproken ten minste een van de twee partners een van de minder verspreide en minder onderwezen talen vertegenwoordigen. Veel leerlingen zullen derhalve in de gelegenheid zijn kennis te maken met een taal die niet in hun studiepakket zit. Dit wordt gezien als een van de voornaamste aspecten van de Europese toegevoegde waarde van deze projecten. Verder wordt in bijlage 3 van diezelfde richtsnoeren onder het hoofdstuk „Uitvoering van het beginsel van gelijke kansen in de tweede fase van Socrates” gezegd: „Ook maatregelen ter bevordering van de volledige en actieve deelname van personen uit alle etnische en taalkundige groepen aan het programma zullen worden aangemoedigd”.
Acht de Commissie, rekening houdend met al deze hierboven genoemde goede voornemens, alsmede met de resolutie van het Europees Parlement over de voorlichtings- en communicatiestrategie van de EU (P5_TA-PROPV(2003)0187, Straatsburg, 10 april 2003), waarin wordt benadrukt dat alle in de lidstaten erkende officiële talen in aanmerking moeten worden genomen, de mogelijkheid aanwezig om in de nieuwe editie van de kandidatenleidraad voor Socrates een verwijzing op te nemen naar alle officiële talen in de aangrenzende landen?
Antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie
(19 juni 2003)
Besluit nr. 253/2000/EG van het Parlement en de Raad van 24 januari 2000 tot vaststelling van de tweede fase van het communautaire actieprogramma op onderwijsgebied „Socrates” (1) stelt de doeltalen vast voor projecten die met name het onderricht en de verwerving van talen moeten bevorderen: te weten de officiële talen van de Gemeenschap plus het Iers en het Luxemburgs (bijlage bij Besluit nr. 253/2000/EG: actie nr. 1: Comenius schoolonderwijs, actie 1.1 punt 2b).
Bij gevolg kunnen in de nieuwe leidraad voor aanvragers niet alle officiële talen van aangrenzende gebieden voor taalprojecten in het kader van Comenius worden opgenomen.
Schoolprojecten in het kader van Comenius die de samenwerking tussen scholen bevorderen (bijlage bij Besluit nr. 253/2000/EG: actie 1: Comenius schoolonderwijs, actie 1.1, punt 2a) kunnen deze talen als onderwerp van gemeenschappelijk belang voor alle deelnemende scholen hebben.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/86 |
(2004/C 65 E/096)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1622/03
van Patricia McKenna (Verts/ALE) aan de Commissie
(13 mei 2003)
Betreft: Peroratie op de nitraatrichtlijn
De Ierse regering heeft de Ierse landbouworganisaties onlangs beloofd dat ze een afwijking zal vragen op de voorgestelde beperkingen op de verspreiding van drijfmest die door de nitraatrichtlijn 91/676/EEG (1) worden opgelegd.
Hoe zal de Commissie reageren op die belofte, die werd gedaan tijdens onderhandelingen over een nieuw nationaal akkoord (ondersteuning van de vooruitgang)?
Als een welvarend land als Ierland, dat al lang lid is van de EU, nog altijd uitwegen zoekt om de EU-wetgeving niet te moeten toepassen, vindt de Commissie dan niet dat die houding een verkeerd signaal is voor de kandidaat-landen?
(1) PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/87 |
(2004/C 65 E/097)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1623/03
van Patricia McKenna (Verts/ALE) aan de Commissie
(13 mei 2003)
Betreft: Toepassing van EU-richtlijnen in Ierland
Ierland dient nog altijd EU-richtlijn 91/676/EEG (1) ten uitvoer te leggen en heeft nog geen normen vastgesteld voor de verspreiding van drijfmest en meststoffen op akkerland om de waterkwaliteit te beschermen. Ierland is de enige lidstaat die dat nog niet heeft gedaan.
Welke maatregelen zal de Commissie nemen om ervoor te zorgen dat Ierland de richtlijn naleeft? Is de Commissie het ermee eens dat Ierland ook in het verleden al vaak de EU-milieuwetgeving niet heeft toegepast en dat nu krachtige maatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat die wetgeving spoedig en naar behoren wordt toegepast?
(1) PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/87 |
(2004/C 65 E/098)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1624/03
van Patricia McKenna (Verts/ALE) aan de Commissie
(13 mei 2003)
Betreft: Aanwijzing van voor nitraat kwetsbare gebieden in Ierland
Ierland dient nog altijd voor nitraat kwetsbare gebieden aan te wijzen zoals in de nitraatrichtlijn 91/676/EEG (1) wordt voorgeschreven. Twee jaar geleden beloofde de toenmalige minister van Milieu dat te zullen doen, maar er is niets gebeurd. Welke stappen onderneemt de Commissie om ervoor te zorgen dat Ierland zijn verplichtingen in overeenstemming met de nitraatrichtlijn nakomt? Dreigt de Commissie ermee de uitkering van landbouwbedrijfsteun te onderbreken als Ierland de richtlijn niet naleeft? Heeft de Ierse regering bijzonderheden meegedeeld over de remediërende maatregelen die ze voorstelt, en een tijdschema voor de uitvoering daarvan?
Gecombineerd Antwoord
van mevrouw Wallström namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-1622/03, E-1623/03 en E-1624/03
(26 juni 2003)
De Commissie streeft er voortdurend naar te verzekeren dat alle lidstaten, en dus ook Ierland, zich houden aan de bepalingen van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen. Op 10 oktober 2001 heeft zij Ierland voor het Hof van Justitie gedaagd wegens het verzuim van dit land om aan deze vereisten te voldoen (2). Meer in het bijzonder heeft de Commissie de aandacht gevestigd op het feit dat er te weinig voor nitraten kwetsbare gebieden worden aangewezen en dat er geen actieprogramma's voor deze zones worden vastgesteld. De uitspraak van het Hof wordt afgewacht.
Wat de communautaire fondsen en in het bijzonder plattelandsontwikkeling betreft (Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen (3)), zijn in mei 2000 richtsnoeren van de Commissie betreffende de tenuitvoerlegging van Richtlijn 91/676/EEG naar de lidstaten gestuurd. In deze richtsnoeren wordt vereist dat de documenten inzake de planning van de plattelandsontwikkeling voor de landen in kwestie duidelijke en definitieve verbintenissen bevatten om te waarborgen dat hun programma's consistent zijn met de bescherming van kwetsbare zones als bepaald in Richtlijn 91/676/EEG.
In documenten inzake de planning van plattelandsontwikkeling dient sprake te zijn van:
|
— |
een verbintenis tot het maken van grote vorderingen om te bereiken dat de aanwijzing van voor nitraten kwetsbare zones zo spoedig mogelijk kan worden afgerond; |
|
— |
een verbintenis tot het maken van voldoende vorderingen bij de vaststelling en uitvoering van de dwingende maatregelen van de nitratencode van de goede landbouwpraktijken (GLP) en/of het actieprogramma en de aanpassing en/of voltooiing van de algemene goede landbouwmethoden, als gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1750/1999 van de Commissie van 23 juli 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) (4). |
In de richtsnoeren gaf de Commissie aan dat zij een formele kennisgeving tot de lidstaten zou richten, wanneer zij op het punt zou staan onmiddellijke en passende maatregelen te nemen in het geval van onregelmatigheden bij de uitvoering van de Richtlijn, zulks in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (5), waarbij het in dit geval specifiek zou gaan om niet-naleving van de verbintenis tot het aanwijzen van voor nitraten kwetsbare zones.
Ierland is deze verbintenissen aangegaan in zijn plattelandsontwikkelingsplan, dat eind 2001 door de Commissie werd goedgekeurd.
Op 23 februari 2003 hebben de Ierse autoriteiten laten weten voornemens te zijn op het gehele grondgebied van Ierland een actieplan toe te passen, zoals toegestaan is bij artikel 3, lid 5, van Richtlijn 91/676/EEG. Er was sprake van dat dit actieplan tegen juni 2003 zou zijn uitgewerkt.
Wat eventuele afwijkingen van zo'n actieplan betreft, is het nog te vroeg voor opmerkingen dienaangaande, daar het actieprogramma in kwestie nog geen gestalte heeft gekregen.
Wat de toetredingslanden aangaat, zij erop gewezen dat deze alle, in de context van de onderhandelingen over de toetreding, hebben toegezegd de Richtlijn, uiterlijk ten tijde van de toetreding, volledig om te zullen zetten en te zullen uitvoeren, waarbij dan ook actieprogramma's zullen worden vastgesteld. De Commissie volgt de voorbereidingen op de voet.
(1) PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.
(2) Zaak C-2001/396, Commissie tegen Ierland.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/88 |
(2004/C 65 E/099)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1684/03
van Jens-Peter Bonde (EDD) aan de Commissie
(20 mei 2003)
Betreft: Definitie van „contract met de Commissie”
Kan de Commissie, in aansluiting op haar antwoord van 11 februari op mijn vraag betreffende het vergelijkend onderzoek (vraag E-2968/02 (1)) mededelen wat de term „contract met de Commissie” precies betekent?
Het antwoord luidt als volgt: „Er werden χ kandidaten opgeroepen voor het mondeling gedeelte. Hiervan hebben of hadden er χ een contract met de Commissie”.
Kan de Commissie mededelen of de kwalificatie jong nationaal deskundige valt onder de definitie „contract met de Commissie”?
Antwoord van de heer Kinnock namens de Commissie
(20 juni 2003)
In het antwoord van de Commissie van 11 februari 2003 betekende de verwijzing naar kandidaten die een contract hebben of hadden met de Commissie, dat die kandidaten met de Commissie een contract als „ambtenaar”, „tijdelijk functionaris” of „hulpfunctionaris” hebben of hadden overeenkomstig de bepalingen van artikel 1 (18) en artikel 2 (18) van Titel I van de „Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen”.
Contracten voor „gedetacheerd nationaal deskundige” worden niet opgenomen in de gegevensbank van de Commissie en deze informatie wordt ook niet gevraagd van de personen die aan vergelijkende onderzoeken deelnemen.
(1) PB C 192 E van 14.8.2003, blz. 88.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/89 |
(2004/C 65 E/100)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1713/03
van Ioannis Marínos (PPE-DE) en Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(23 mei 2003)
Betreft: Werking van de kapitaalmarkt in Griekenland
In de periode 1999-2001 heeft zich in Griekenland via de beurs een herverdeling van het inkomen voorgedaan, welke geschat wordt op 10 miljard euro. De scherpe daling van de algemene prijsindex op de Griekse aandelenmarkt (die in 2000 is ingezet en zich met een versneld tempo heeft voortgezet in 2001 en 2002) heeft geleid tot sociale spanningen en uitzichtloosheid bij honderdduizenden Griekse burgers die hun spaargeld belegd hadden (of geleend hadden om te beleggen) op de beurs. Deze hele toestand heeft vanzelfsprekend vragen doen rijzen over de werking van en de controle op de kapitaalmarkt in Griekenland en ook over de manier waarop een dergelijke situatie in de toekomst kan worden voorkomen.
Wat is de mening van de Commissie over de structuur en de werking van de kapitaalmarkt in Griekenland, met name in de periode 1999-2001? Heeft zich in andere EU-landen een even ingrijpende herverdeling van het inkomen via de beurs voorgedaan?
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(26 juni 2003)
De Commissie kan het door de geachte parlementsleden geciteerde cijfer betreffende de door de beleggers op de Griekse aandelenmarkten geleden verliezen niet bevestigen, maar deelt niettemin hun bezorgdheid omtrent de gevolgen van de daling van de aandelenkoersen op de Griekse beurs.
Er moet evenwel ook worden bedacht dat de scherpe daling van de algemene koersindex van de Griekse aandelenbeurs volgde op een zeer forse toename ervan tussen 1996 en 2000. De modernisering van de beurs en het vooruitzicht van de toetreding tot de economische en monetaire unie (EMU) wekten aan het einde van de jaren negentig hoge verwachtingen bij de beleggers ten aanzien van het rendement op aandelen. De algemene koersindex van de Atheense beurs steeg tussen 1996 en 1999 dan ook met ongeveer 600 %. Nadien is de index met zowat 65 procent teruggelopen. Dit is ontegenzeglijk een scherpe daling, maar zij ligt in de lijn van de tendens op het merendeel van de aandelenmarkten. Zo is sinds januari 2000 de voornaamste Franse index met circa 50 % gedaald, de Duitse index met ongeveer 55 % en de Britse index met zowat 40 %.
Na het leeglopen van de zeepbel in de technologie-, media- en telecommunicatiesector, heeft de koersdaling zich over alle sectoren verspreid omdat beleggers zich zorgen maakten over de winstvooruitzichten van het bedrijfsleven tegen de achtergrond van zowel een zwakke wereldeconomie en de heersende geopolitieke onzekerheid als een vertrouwenscrisis in het ondernemingsbestuur en de marktintegriteit. De Commissie zou willen benadrukken dat de snelle en volledige tenuitvoerlegging van alle maatregelen van het Actieplan voor financiële diensten, van de initiatieven op het gebied van goed ondernemingsbestuur en van de rationalisering van het regelgevings- en toezichtkader op EU-niveau in aanzienlijke mate zullen bijdragen tot het verbeteren van de beleggersbescherming en tot de versterking van de stabiliteit en efficiëntie van het financiële stelsel, wat zowel aan beleggers als ondernemingen ten goede zal komen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/89 |
(2004/C 65 E/101)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1758/03
van María Sornosa Martínez (PSE) aan de Commissie
(20 mei 2003)
Betreft: Epidemiologisch onderzoek naar de gevolgen van de ramp met de olietanker Prestige voor de gezondheid
Enkele maanden na de milieuramp met de olietanker Prestige kan worden vastgesteld dat openbare cijfers over de mate van besmetting van de betrokken personen ontbreken. Er is geen enkele meting verricht van de concentratie van giftige bestanddelen van de weggelekte olie in het bloed en de urine en zo is kostbare tijd verloren zonder dat is vastgesteld wat de gevolgen van de ramp voor de bevolking zijn.
Het was al meteen duidelijk dat personen die direct of indirect in contact zijn gekomen met olie uit de Prestige last kregen van oogontsteking, hoofdpijn, misselijkheid en ademhalingsmoeilijkheden, maar het is nog onbekend welke gevolgen de chronische blootstelling aan potentieel giftige stoffen op langere termijn kan hebben.
De Spaanse afdeling van Greenpeace heeft in samenwerking met het Gemeentelijk Instituut voor geneeskundig onderzoek en de Universidad Autónoma van Barcelona een verslag gepubliceerd met de titel „De gevolgen van uit de Prestige weggelekte olie voor de menselijke gezondheid en de volksgezondheid”, waarin wordt voorgesteld in twee fasen te onderzoeken welke gevolgen de besmetting op korte en lange termijn voor de betrokkenen zal hebben.
Volgens de Verdragen valt de bevordering van de gezondheid door communautaire actieprogramma's en door aan te zetten tot onderzoek ter verkrijging van gezondheidsindicatoren en epidemiologische controle tot de bevoegdheid van de Gemeenschap.
Heeft de Commissie in het verleden steun verleend aan het verrichten van onderzoek naar de korte- en langetermijngevolgen van de besmetting met aardolie voor de gezondheid van de mens?
Is de Commissie voornemens om gehoor te geven aan de eisen die in het verslag van Greenpeace Spanje worden gesteld en onderzoek naar de gevolgen van de ramp met de Prestige te bevorderen?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(19 juni 2003)
In verband met de vraag van het geachte parlementslid naar het bestaan van communautaire actieprogramma's voor de bestudering van de gezondheidseffecten van milieufactoren wil de Commissie haar meedelen dat het Parlement en de Raad in het kader van Besluit 1296/1999/EG (1) een communautair actieprogramma inzake met de milieuverontreiniging samenhangende ziekten binnen het actiekader op het gebied van de volksgezondheid (1999-2001) hebben goedgekeurd.
Geen van de in het kader van dit programma gefinancierde projecten heeft betrekking op studies naar de gezondheidseffecten als gevolg van besmetting door olie, aangezien deze effecten wetenschappelijk goed gedocumenteerd zijn en reeds zijn gebruikt als wetenschappelijk basis voor de ontwikkeling van wetgeving met betrekking tot het milieu en de veiligheid op het werk
Als de leden van het comité voor het nieuwe actieprogramma inzake volksgezondheid, dat op 23 september 2002 is goedgekeurd (2) (Besluit nr. 1786/2002/EG), de gezondheidseffecten op de lange termijn van oliebesmetting als een prioritair gebied beschouwen, zal de Commissie dit onderwerp opnemen in de prioritaire acties van het werkprogramma 2004.
(1) Besluit nr. 1296/1999/EG van het Parlement en de Raad van 29 april 1999 tot vaststelling van een communautair actieprogramma inzake met de milieuverontreiniging samenhangende ziekten binnen het actiekader op het gebied van de volksgezondheid, PB L 155 van 22.6.1999.
(2) Besluit nr. 1786/2002/EG van het Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid, PB L 271 van 9.10.2002.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/90 |
(2004/C 65 E/102)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1760/03
van Mario Borghezio (NI) aan de Commissie
(27 mei 2003)
Betreft: Turijn — Lyon: een prioriteit voor Europa
De Franse regering heeft meegedeeld dat met de aanleg van de TGV-treinverbinding tussen Turijn en Lyon niet vóór 2015 zal kunnen worden begonnen.
De lijn Turijn — Lyon is essentieel, niet alleen voor de belangrijke geo-economische regio van de Piëmont, maar ook als aansluiting van het Zuid-Europese op het Noord-Europese spoornet en van Padanië op Oost-Europa.
Is de Europese Unie niet van plan om met name de Franse regering te herinneren aan de prioriteit van de verwezenlijking van de spoorwegtunnel op de lijn tussen Turijn en Lyon ter voltooiing van corridor 5, een prioriteit die herhaaldelijk door de vervoerscommissaris is onderstreept?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(17 juli 2003)
De Franse regering heeft zich nog niet officieel uitgesproken over het project Lyon-Turijn. Wel is er op haar verzoek door de diensten van het Ministerie van Economie en Financiën en het Ministerie van Vervoer een audit uitgevoerd. Deze audit is eind mei 2003 gevolgd door een debat in de Assemblée Nationale en in de Franse Senaat. Op basis van de conclusies van de audit en het debat zal de Franse regering in het najaar een besluit nemen aangaande de prioriteit die zij aan het project wil geven. In dit verband heeft de Commissie zowel in het Parlement als ten aanzien van de Franse autoriteiten herhaaldelijk gewezen op het kapitale belang van het project Lyon-Turijn, met het oog op het herstel van het evenwicht tussen de verschillende vervoerswijzen, op een strategische hoofdlijn waarlangs westelijk en oostelijk Europa via de Alpen en Italië met elkaar worden verbonden. Deze steun krijgt concreet gestalte in de vorm van een aanzienlijke financiële bijdrage voor het studieprogramma ten belope van 100 miljoen euro over de periode 2001-2006, uit de begroting van de trans-Europese netwerken.
Voorts valt het project Lyon-Turijn onder het toepassingsgebied van het door de Commissie ingediende voorstel om het niveau van de medefinanciering uit de begroting voor de trans-Europese netwerken (TEN) voor grensoverschrijdende spoorwegprojecten die natuurlijke grenzen overschrijden, te verhogen tot 20 %. Het na de stemming in eerste lezing van het Parlement in juli 2002 gewijzigde voorstel (1) is echter nog steeds in behandeling in de Raad, zonder dat nu gezegd kan worden wanneer de bijdrage van 20 % effectief van kracht wordt.
(1) COM(2003) 38 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/91 |
(2004/C 65 E/103)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1792/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(28 mei 2003)
Betreft: De Conventie en het non-discriminatiebeginsel
Wat is de mening van de Commissie ten aanzien van de opneming van het non-discriminatiebeginsel in de toekomstige grondwet van de EU in het kader van de werkzaamheden van de Conventie?
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(18 juli 2003)
De Commissie is van mening dat het non-discriminatiebeginsel over het algemeen op bevredigende wijze is opgenomen in de ontwerp-grondwet die werd opgesteld door de Conventie.
Zij vestigt de aandacht van het geachte parlementslid met name op:
|
— |
artikel I-2 (de waarden van de Unie), waarin de gelijkheid wordt genoemd als een van de fundamentele waarden van de Unie; |
|
— |
artikel I-3 (de doelstellingen van de Unie), waarin is bepaald dat de Unie zich ten doel stelt haar waarden te bevorderen en waarin wordt gepreciseerd dat zij sociale uitsluiting en discriminatie bestrijdt en sociale rechtvaardigheid en bescherming, de gelijkheid van mannen en vrouwen en de solidariteit tussen generaties bevordert; |
|
— |
artikel I-4 (fundamentele vrijheden en het verbod van discriminatie), waarbij iedere discriminatie op grond van nationaliteit wordt verboden; |
|
— |
de opname in de ontwerp-grondwet van het Handvest van de grondrechten, dat met name een titel over gelijkheid bevat; |
|
— |
de artikelen III-1, III-4, III-5, waarin het huidige artikel 3, lid 2, alsmede de artikelen 12 en 13 van het EG-Verdrag zijn gehandhaafd. |
|
— |
artikel III-1bis, waarin is vastgesteld dat de Unie er bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en maatregelen naar streeft iedere discriminatie te bestrijden. |
De Commissie betreurt echter dat de Conventie artikel III-5 niet in zijn geheel heeft onderworpen aan de stemming met gekwalificeerde meerderheid. De handhaving van de unanimiteitsregel in lid 1 van dat artikel zal in de toekomst een belangrijke belemmering vormen voor de goedkeuring van de maatregelen die noodzakelijk zijn om elke discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden.
De Commissie betreurt voorts dat racisme en vreemdelingenhaat in het ontwerp niet zijn vermeld onder de vormen van criminaliteit die in artikel III-167 van afdeling 4 inzake justitiële samenwerking in strafzaken (Deel III) zijn genoemd. Het is betreurenswaardig dat dit belangrijke aspect van de actie van de Unie aan zichtbaarheid inboet en nadeel ondervindt van het ontbreken van een duidelijke juridische basis, terwijl deze verachtelijke fenomenen zowel in de huidige als in de toekomstige lidstaten de kop blijven opsteken.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/92 |
(2004/C 65 E/104)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1794/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(28 mei 2003)
Betreft: Software-octrooien
In recent onderzoek ten aanzien van bovengenoemd onderwerp (1) wordt aangevoerd dat een octrooistelsel mededinging en innovatie in de weg kan staan. Dit argument berust op de theorie dat innovatie zowel „sequentieel” (d.w.z. elke uitvinding bouwt voort op zijn voorganger) als „complementair” (d.w.z. een diversiteit aan innovators verhoogt de kansen op ontdekking) is. Dit argument druist derhalve in tegen het traditionele pleidooi voor een octrooistelsel.
Onderschrijft de Commissie dit argument? Hoe reageert de Commissie hierop in verhouding tot het Gemeenschapsoctrooi?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(19 juni 2003)
De Commissie is op de hoogte van het genoemde onderzoek van James Bessen en Eric Maskin. De auteurs van het stuk beweren dat het een kenmerk van bedrijfstakken als de computerindustrie (software en hardware) is dat ze sequentieel een complementair zijn. Wellicht is dit het geval, maar in geen geval druist het in „tegen het traditionele pleidooi” voor een octrooistelsel. In feite gaat het hierbij tot op zekere hoogte om kenmerken die altijd voor innovatie opgaan, hoewel de mate van interdependentie tussen uitvindingen van sector tot sector sterk uiteenloopt.
De Commissie verwelkomt alle onderzoek dat bijdraagt tot het debat over de reikwijdte en het nut van octrooibescherming, met name in hightechsectoren. Het werk van Bessen en Maskin op dit gebied is inderdaad zeer interessant en het model dat de auteurs in hun stuk ontwikkelen is ongetwijfeld elegant en gesofisticeerd. Zoals al dergelijke modellen werkt ook dit model met vereenvoudigingen, zodat bij de toepassing van de resultaten ervan in de prakrijk voorzichtigheid moet worden betracht.
Na lang en rijp beraad is de Commissie tot de conclusie gekomen dat er op het gebied van software-uitvindingen onvoldoende reden is om het gebied van wat als octrooieerbaar moet worden beschouwd aanzienlijk uit te breiden of te beperken. Met name waren er maar weinig harde bewijzen voor de bewering dat octrooien innovatie in de weg staan. Daarom worden in het voorstel voor een richtlijn over in computers geïmplementeerde uitvindingen weliswaar bepaalde aspecten van de wetgeving geharmoniseerd en verduidelijkt, maar in wezen is het voorstel gebaseerd op de huidige praktijk. De voorgestelde richtlijn bevat evenwel een bepaling dat de Commissie verslag moet uitbrengen over de gevolgen die de richtlijn zou kunnen hebben op innovatie, mededinging en handel.
Met het Gemeenschapsoctrooi wordt beoogd om voor de gehele Gemeenschap een unitaire titel te creëren die wordt verleend door het Europees Octrooibureau en wordt gehandhaafd met behulp van communautaire rechtspraak. Het is evenwel niet de bedoeling de essentiële voorwaarden voor octrooieerbaarheid, zoals die thans zijn neergelegd in het Europees Octrooiverdrag en in de nationale octrooiwetgeving van de lidstaten, te veranderen.
(1) Sequential Innovation, Patents and Imitation, door James Bessen en Eric Maskin, juli 2002, Harvard University en MIT.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/93 |
(2004/C 65 E/105)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1809/03
van Anna Karamanou (PSE) aan de Raad
(2 juni 2003)
Betreft: Irak — Niet-geruimde mijnen en plunderingen groot gevaar voor burgerbevolking
Human Rights Watch meldt dat het aantal burgerslachtoffers in Irak met name na afloop van de recente oorlog zeer sterk is gestegen. De voornaamste oorzaak hiervan zijn de grote hoeveelheden niet-geëxplodeerde munitie — landmijnen, handgranaten en andere explosieven — die in bewoonde gebieden zijn achtergebleven. Dit verschijnsel wordt hoofdzakelijk toegeschreven aan de plotselinge ineenstorting van de bevel- en controlestructuren van het Iraakse leger en de daarop volgende ongeordende vlucht van militairen, met achterlating van hun uitrusting. Onder de slachtoffers zijn veel kinderen, die met de explosieven spelen en daarbij ernstig gewond raken. Tegelijkertijd gaan de plunderingen voort, alsook de acties van sluipschutters, naar verluidt aanhangers van de Baath-partij, die het land willen destabiliseren. Er vallen grote aantallen onschuldige slachtoffers onder de bevolking en ontelbare belangrijke documenten van overheidsdiensten gaan verloren. Volgens Amnesty International zijn Britse militairen betrokken bij de massale vernietiging van documenten van de elektriciteitsmaatschappij van Bassora.
Op hetzelfde moment weigeren de Amerikaanse troepen die in Irak de controle uitoefenen, in te gaan op de verzoeken om de mijnen te ruimen en op grotere schaal te surveilleren. Hetzelfde geldt voor de verzoeken van internationale mensenrechtenorganisaties om een minimumniveau van politietoezicht te garanderen.
Wat is de Raad van plan te gaan doen teneinde te bewerkstelligen dat de bezettings- en toezichtseenheden in Irak zich aan de internationale overeenkomsten houden en de Iraakse bevolking tegen de bovenvermelde gevaren beschermen, aangezien deze gevaren niet alleen hun gezondheid en hun leven, maar ook de organisatie van hun land zelf bedreigen?
Antwoord
(17 november 2003)
De Raad is het met het geachte parlementslid eens dat de niet-geëxplodeerde landmijnen en andere munitie een ernstig gevaar vormen voor de Iraakse bevolking. De Raad is zich terdege bewust van de veiligheidssituatie in Irak, die zowel de Iraakse bevolking als de bezettingsmacht in het land, op wie momenteel de taak rust het land veilig te maken en de bevolking te beschermen, voor ernstige problemen stelt. De Europese Raad van Thessaloniki toonde zich ingenomen met de verbeterde humanitaire situatie, maar maakte zich er zorgen over dat het verschaffen van veiligheid aan de burgerbevolking een moeilijke taak blijft.
De Raad heeft echter geen reden om eraan te twijfelen dat de bezettingsmacht de internationale overeenkomsten en verplichtingen betreffende de bescherming van het Iraakse volk nakomt.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/94 |
(2004/C 65 E/106)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1828/03
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(2 juni 2003)
Betreft: Boetes en hangende zaken voor het Europees Hof van Justitie tegen Griekenland
Kan de Commissie mij meedelen in hoeveel en in welke gevallen Griekenland sinds 1994 door het Europees Hof van Justitie tot het betalen van een boete is veroordeeld? Om welk totaalbedrag gaat het bij deze boetes? Hoeveel van deze boetes zijn door Griekenland tot nu toe niet betaald? In hoeveel en in welke gevallen is tegen Griekenland voor het Europees Hof van Justitie een zaak aanhangig gemaakt en wat is het tijdschema betreffende de behandeling van deze zaken?
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(16 juli 2003)
Griekenland is één keer veroordeeld door het Hof van Justitie krachtens artikel 228 van het EG-Verdrag in zaak C-387/97 die verband houdt met de ongecontroleerde verwijdering van afvalstoffen uit het gebied van Chania (Kreta) en met het ontbreken van plannen voor het beheer van de verwijdering van afvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen. Bij arrest van 4 juli 2000 (arrest gewezen krachtens artikel 228 van het EG-Verdrag) is Griekenland veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van 20 000 EUR per dag vertraging bij de uitvoering van de noodzakelijke maatregelen om te voldoen aan het arrest van 7 april 1992, Commissie tegen Griekenland (zaak C-45/91, arrest gewezen krachtens artikel 226 van het EG-verdrag). Totdat dit laatste arrest daadwerkelijk was uitgevoerd, moest Griekenland een dwangsom van 20 000 EUR per dag betalen voor de periode van 4 juli 2000 tot 26 februari 2001 (datum waarop Griekenland zich heeft gevoegd naar het arrest). In totaal ging het om een bedrag van 5 400 000 EUR, dat door de Griekse autoriteiten tijdig werd betaald.
De Commissie heeft Griekenland ook voor het Hof van Justitie gedaagd krachtens artikel 228 van het EG-verdrag wegens niet-naleving van het arrest van Hof van Justitie van 23 mei 1995 (1). Op 27 mei 1998 werd er beroep ingesteld bij het Hof van Justitie onder het nummer C-197/98. Aangezien de betreffende richtlijn werd omgezet door het presidentieel decreet van 23 juni 2000, heeft de Commissie op 3 augustus 2000 haar beroep ingetrokken en werd de zaak doorgehaald.
De Commissie had beslist drie andere zaken aanhangig te maken bij het Hof van Justitie krachtens artikel 228 van het EG-verdrag. Aangezien de lidstaat zich gevoegd had naar de arresten van het Hof van Justitie, werden de zaken als afgedaan beschouwd vooraleer beroep werd ingesteld bij het Hof van Justitie.
Het ging om niet-naleving van arresten in de volgende zaken:
|
— |
C-328/90 (nationaliteitsvereiste voor het openen van particuliere scholen), |
|
— |
C-290/94 (toegang tot betrekkingen in de openbare sector, discriminatie op grond van nationaliteit), |
|
— |
C-311/95 (niet-mededeling van nationale maatregelen ter omzetting van Richtlijn 92/50/EEG betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening). |
Op dit ogenblik lopen geen procedures meer tegen Griekenland krachtens artikel 228 van het EG-Verdrag.
Op dit ogenblik lopen er 22 procedures tegen Griekenland bij het Hof van Justitie krachtens artikel 226 van het EG-verdrag. In zes van deze zaken heeft de Commissie haar beroep ingetrokken en wordt er gewacht op de doorhaling. Een overzichtstabel met de resterende 16 procedures, met vermelding van het nummer van de zaak, een beknopte titel en de fase waarin de procedure zich bevindt, wordt rechtstreeks naar het geachte parlementslid en het Secretariaat-generaal van het Parlement gestuurd.
(1) Zaak C-365/93, niet-mededeling van nationale maatregelen ter omzetting van de Richtlijn 89/48/EEG betreffende de erkenning van hoger-onderwijsdiploma's.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/95 |
(2004/C 65 E/107)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1847/03
van Luigi Vinci (GUE/NGL) aan de Commissie
(3 juni 2003)
Betreft: Naleving richtlijn milieueffectbeoordeling bij aanleg nieuwe autosnelweg Milaan-Bergamo-Brescia
In de onlangs door de Commissie gepubliceerde richtlijn betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (1) wordt voorgeschreven dat voor alle grootschalige plannen voor nieuwe vervoersinfrastructuur eerst alle mogelijke alternatieven moeten worden bestudeerd, om uiteindelijk te opteren voor het plan met het geringste milieueffect, en dat de betrokken bevolking en haar verenigingen alsook de lokale overheden geïnformeerd en geraadpleegd moeten worden.
Dit recht op informatie en raadpleging is en wordt nog steeds volstrekt genegeerd in verband met de plannen van de Italiaanse regering voor de aanleg van de nieuwe autosnelweg Milaan-Bergamo-Brescia. De bevolking, de verenigingen en de lokale overheden moeten zich tevreden stellen met wat in de pers verschijnt.
Wat de media tot nu toe hebben gemeld is trouwens uitermate zorgwekkend: door de aanleg van de autosnelweg zouden het cultureel erfgoed en het milieu — onder meer vier regionale parken — ernstige en in sommige gevallen zelfs onherstelbare schade oplopen. Een van de meest waardevolle, het „Naviglio Martesana”, een vier eeuwen oud bevaarbaar kanaal, zou binnenkort door de Unesco als werelderfgoed worden erkend.
Acht de Commissie het niet aangewezen om er bij de Italiaanse regering op aan te dringen dat zij in verband met de hierboven genoemde snelweg de richtlijn inzake de milieueffectbeoordeling en, meer in het algemeen, de Europese milieuwetgeving zou naleven en uitvoeren?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(17 juli 2003)
Artikel 13 van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's bepaalt dat de lidstaten de wetten, verordeningen en bestuursrechtelijke bepalingen van kracht doen worden die noodzakelijk zijn om uiterlijk tegen 21 juli 2004 aan de richtlijn te voldoen.
Bijgevolg is deze richtlijn in dit stadium nog niet van toepassing en heeft Italië aan de Commissie ook nog geen kennisgeving gedaan van maatregelen die het heeft vastgesteld om eraan te voldoen.
Afgezien van bovengenoemde richtlijn zijn uit de door het geachte parlementslid verstrekte informatie geen specifieke gronden gebleken voor een klacht inzake de toepassing van andere communautaire milieuvoorschriften op dit specifieke geval. Daarom kan, gelet op het bovenstaande, momenteel geen inbreuk op de communautaire milieuwetgeving worden vastgesteld.
(1) Richtlijn 2001/42/EG - PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/95 |
(2004/C 65 E/108)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1866/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(6 juni 2003)
Betreft: Prijsspreiding
Kan de Commissie cijfers verstrekken met betrekking tot de prijsspreiding in de monetaire unie van de Verenigde Staten om een vergelijking te kunnen maken met de prijsspreiding in de Europese Unie als geheel (zoals vermeld in verslagen over de interne markt), in de eurozone en in de lidstaten die niet aan de euro deelnemen?
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(14 juli 2003)
In een publicatie van de Commissie van 2001 (European Economy, Supplement A, nr. 7 juli 2001) werd per productgroep een vergelijking gemaakt tussen de prijsspreiding in de Unie en de Verenigde Staten (VS) voor het jaar 1998. De prijsspreiding in de VS bleek in totaal ongeveer drie procentpunten kleiner te zijn dan in de Unie in 1998, d.w.z. vóór de invoering van de euro. De conclusie in de publicatie luidde dat er in de Unie ruimte bestond voor een verdere afname van de prijsspreiding tot het niveau van die in de VS. Volgens de berekeningen van de Commissie was de totale prijsspreiding in de eurozone in 1998 nauwelijks kleiner dan in de Unie.
Wanneer de verschillende sectoren worden bekeken, blijkt dat de prijzen voor huisvesting in de eurozone verder uit elkaar lagen dan in de Unie als geheel. Voor alle andere productgroepen was de prijsspreiding in de eurozone kleiner dan in de Unie.
In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de gegevens uit deze publicatie, waaraan gegevens over de prijsspreiding in de eurozone zijn toegevoegd. De Europese en Amerikaanse gegevens zijn op verschillende bronnen gebaseerd en zijn niet volledig vergelijkbaar (zie noten bij de tabel). De Commissie is voornemens deze analyse te actualiseren en de gegevens over de eurozone nader te onderzoeken.
Prijsspreiding binnen de Europese Unie, de eurozone en de Verenigde Staten in 1998 (1)
|
|
Totaal |
Levensmiddelen |
Huisvesting |
Nutsvoorzieningen |
Vervoer |
Gezondheidszorg |
Varia |
|
EU |
14,6 |
10,5 |
31,2 |
24,4 |
17,9 |
35,5 |
9,1 |
|
Eurozone |
14,5 |
9,4 |
34,1 |
20,7 |
13,8 |
30,3 |
8,2 |
|
VS |
11,8 |
5,6 |
26,5 |
19,3 |
9,3 |
14,3 |
5,6 |
De gegevens inzake de Verenigde Staten betreffen de prijsspreiding in 14 steden. De gegevens inzake de Europese Unie betreffen de prijsspreiding in de 15 lidstaten. De gegevens inzake de eurozone hebben betrekking op de 12 leden van de eurozone.
De gegevens betreffende de VS zijn exclusief de indirecte belastingen verzameld. De gegevens betreffende de EU zijn gecorrigeerd om de BTW en accijnzen uit te sluiten.
De Amerikaanse gegevens hebben betrekking op afzonderlijke producten. Voor de gegevens betreffende de EU is gebruik gemaakt van de productgroep uit de gegevens van Eurostat over de koopkrachtpariteit die daarmee het beste kan worden vergeleken.
Behalve deze publicatie van de Commissie zijn er twee recente studies waarin een vergelijking wordt gemaakt van de prijsspreiding in de eurozone en in de VS, waarbij gebruik is gemaakt van een andere gegevensbron (de „Intelligence service” van „The Economist”):
|
— |
J. H. Rogers, G. Hufbauer en E. Wada (2001) „Price level convergence and inflation in Europe”, working paper 01-1, Institute for International Economics, Washington DC. |
|
— |
J. H. Rogers (2002) „Monetary union, price level convergence, and inflation: How close is Europe to the United States?”, Board of governors of the Federal Reserve System, International Finance Discussion Papers, nr. 740, oktober 2002. |
Uit de eerste van deze studies bleek dat de prijsspreiding voor verhandelbare producten in de eurozone (exclusief Griekenland) in 1999 groter was dan in de VS. Uit de tweede studie, die een jaar later werd uitgevoerd, bleek dat de prijsspreiding voor verhandelbare producten in de eurozone (exclusief Griekenland) tegen 2001 bijna het niveau van de VS had bereikt. In beide studies werd vastgesteld dat de prijsspreiding voor niet-verhandelbare producten in de eurozone (exclusief Griekenland) kleiner was dan in de VS. De gegevens waarop beide studies zijn gebaseerd dateren van voor de invoering van eurobankbiljetten en -munten.
(1) Prijsspreiding gemeten als variatiecoëfficiënt van het prijspeil.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/97 |
(2004/C 65 E/109)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1874/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(6 juni 2003)
Betreft: Goedkeuring van het prospectus
Kan de Commissie voor elke lidstaat mededelen hoeveel tijd er momenteel gewoonlijk verstrijkt tussen indiening en goedkeuring van een prospectus, zowel wat obligatie- als aandelenprospectussen betreft?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(30 juni 2003)
De Commissie heeft niet geprobeerd voor elke lidstaat een schatting te maken van de tijd die gewoonlijk verstrijkt tussen de indiening en de goedkeuring van obligatie- en aandelenprospectussen. De Commissie is van mening dat uit een dergelijk gemiddelde toch geen nuttige conclusies kunnen worden getrokken, zelfs niet op het niveau van de lidstaten.
De cijfers zouden niet vergelijkbaar zijn omdat de goedkeuringsprocedure van lidstaat tot lidstaat verschilt (in de praktijk wordt in sommige gevallen gewoon gecontroleerd of het document naar de bevoegde autoriteit is gezonden, zonder dat het gelezen wordt, in andere gevallen is er een uitgebreide controle van de duidelijkheid, objectiviteit, nauwkeurigheid en samenhang van alle delen van het prospectus, waaronder de jaarrekening). Die verschillen vloeien met name voort uit de verschillen in burgerrechtelijke en wettelijke aansprakelijkheid tussen de lidstaten.
Ook op nationaal niveau zal de termijn voor de uiteindelijke goedkeuring verschillen van geval tot geval, al naargelang de kwaliteit van het betreffende ontwerp-document, de grootte ervan, de inhoud, het vermogen van de uitgever om een dergelijk document op te stellen, zijn kennis van de noodzakelijke procedures, het bestaan van een eerder goedgekeurd prospectus, het soort aanbiedingen (bv. eerste beursgang of herhaaldelijke aanbieding), de middelen van de bevoegde autoriteit, enz.
Daarom heeft de Commissie geen eenvormige wetgeving voorgesteld. De Commissie heeft voor deze onderzoeks- en goedkeuringsprocedure geopteerd voor verschillende termijnen. Het doel is te voorkomen dat bevoegde autoriteiten de uitgevers zouden confronteren met abnormaal lange vertragingen, maar hen toch voldoende tijd en ruimte te gunnen om hun taak naar behoren te volbrengen.
Vooraleer haar gewijzigde voorstel goed te keuren, heeft de Commissie de verschillende maximumtermijnen voor de goedkeuring van een prospectus onderzocht en de bestaande situatie in de lidstaten in overweging genomen. De Commissie heeft er ook rekening mee gehouden dat de beoogde maximumtermijnen korter waren dan die van de Verenigde Staten, 's werelds grootste kapitaalmarkt. De voorgestelde termijnen zijn ook korter dan die van België, Griekenland, Spanje, Frankrijk, Italië, Luxemburg, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk. In Duitsland, Nederland en Finland echter zijn de termijnen over het algemeen strikter. In sommige lidstaten (met name Denemarken, Ierland, Portugal en Zweden) legt de wetgeving geen bepaalde maximumtermijn op.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/97 |
(2004/C 65 E/110)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1876/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(6 juni 2003)
Betreft: Prospectus — nominale waarde van emissies
Kan de Commissie een schatting maken van het aantal obligatieleningen, en van het totale emissievolume, met een nominale waarde van 5 000 EUR of minder, 1 000 EUR of minder, 500 EUR of minder en 100 EUR of minder?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(14 juli 2003)
De Commissie heeft geen poging ondernomen om het aantal obligatie-emissies te schatten. Evenmin heeft zij getracht het totale emissievolume te ramen van obligaties met een nominale waarde per eenheid van 5000 EUR of minder, 1 000 EUR of minder, 500 EUR of minder en 100 EUR of minder. Zij is immers van oordeel dat uit dergelijke gegevens geen conclusies kunnen worden getrokken ten aanzien van het nut van een drempelbedrag voor een nominale waarde per eenheid.
Bij wijze van achtergrondinformatie zij erop gewezen dat het concept van effecten met een hoge nominale waarde per eenheid is ingevoerd met de bedoeling een duidelijk onderscheid te maken tussen effecten bestemd voor professionele beleggers en effecten bedoeld voor kleine beleggers.
De Commissie weet dat er gegevens voorhanden zijn over de nominale waarde per eenheid van bestaande obligaties (het betreft gegevens van de International Primary Market Association (IPMA), die ook door de European Banking Federation worden gebruikt).
Zij is evenwel de mening toegedaan dat dergelijke gegevens geen toegevoegde waarde hebben, en wel om de volgende twee hoofdredenen:
|
— |
De bestaande nominale waarden per eenheid zijn thans om praktische redenen op een laag niveau vastgesteld. Zo is het bijvoorbeeld gebruikelijk dat nominale waarden per eenheid van één euro worden gehanteerd omdat obligaties in procenten worden genoteerd. |
|
— |
In het licht van de voorgenomen wetgeving betreffende met name obligaties die voor professionele beleggers zijn bestemd, zijn de bestaande statistieken van geen nut om in te schatten hoe emittenten van obligaties in de toekomst de nominale waarde per eenheid van hun emissies zullen vaststellen. De Commissie is van oordeel dat de keuze tussen voor professionele beleggers bestemde effecten zal primeren op de optie om voor elke emissie de bevoegde autoriteit vast te stellen. Zij meent immers dat emittenten van voor kleine beleggers bedoelde obligaties (met een nominale waarde per eenheid van minder dan 50 000 EUR) slechts zelden gebruik zullen maken van de geboden flexibiliteit bij de bepaling van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst omdat dergelijke effecten meestal door kredietinstellingen uitsluitend aan hun cliënten worden aangeboden en doorgaans niet aan de beurs genoteerd zijn. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/98 |
(2004/C 65 E/111)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1877/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(6 juni 2003)
Betreft: Prospectusdelegatie
Kan de Commissie beoordelen welk percentage van de in het afgelopen kalenderjaar in de lidstaten goedgekeurde prospectussen rechtstreeks werd goedgekeurd door een bevoegde autoriteit en welk percentage werd goedgekeurd door autoriteiten als beurzen of bemiddelaars aan wie deze taak was gedelegeerd? Kan de Commissie in beide gevallen een schatting geven van het aantal klachten dat er wegens onvolledigheid of onnauwkeurigheid van het prospectus werd ingediend?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(30 juni 2003)
De Commissie heeft niet getracht een schatting te maken van het aantal prospectussen dat rechtstreeks door een bevoegde autoriteit werd goedgekeurd en evenmin van het aantal dat werd goedgekeurd door autoriteiten zoals beurzen of intermediairs aan wie deze taak werd gedelegeerd. Momenteel is deze kwestie voor de meeste lidstaten overigens niet relevant. Voor zover de Commissie weet, bestaat er enkel in Oostenrijk specifieke regelgeving op dit vlak (accountants en banken hebben van de beurs de volmacht gekregen om prospectussen te onderzoeken).
De Commissie heeft echter wel zorgvuldig de aard onderzocht van de verschillende bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de controle en de goedkeuring van prospectussen in de lidstaten. In Denemarken, Duitsland, Griekenland, Ierland, Luxemburg, Oostenrijk en Zweden zijn het de beurzen die de prospectussen controleren. Prospectussen voor de uitgifte van niet-beursgenoteerde effecten worden over het algemeen wel onderzocht door een andere bevoegde autoriteit, meestal een openbare instantie.
In Nederland worden de prospectussen niet langer gecontroleerd door Euronext NV maar door de Autoriteit Financiële Markten. Ierland is van plan dat voorbeeld te volgen.
De Commissie heeft geen schatting gemaakt van het aantal klachten per bevoegde entiteit wegens onvolledigheid of onnauwkeurigheid van het prospectus. Ten eerste denkt zij niet dat op basis van het aantal door de bevoegde autoriteiten ontvangen klachten wegens ontbrekende of verkeerde informatie in de prospectussen nuttige conclusies kunnen worden getrokken. Ten tweede is ze van mening dat de kwaliteit van het onderzoek niet noodzakelijkerwijze wordt bepaald door de aard van de entiteit die de controle uitvoert.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/99 |
(2004/C 65 E/112)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1880/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(6 juni 2003)
Betreft: Kapitaalstromen tussen landen in de eurozone
Kan de Commissie, ten vervolge op het antwoord op vraag E-1134/01 (1) onderzoek doen naar de omvang van de bruto (en niet netto) kapitaalstromen tussen de landen in de eurozone sinds de invoering van de euro in vergelijking met de periode daarvoor en meedelen of deze stromen in omvang zijn toegenomen en, zo ja, met hoeveel?
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(14 juli 2003)
Toenemende grensoverschrijdende kapitaalstromen kunnen een positieve bijdrage leveren tot de verhoging van de economische groei en de efficiëntie. De invoering van de eenheidsmunt heeft niet alleen de wisselkoersrisico's voor kapitaalstromen binnen de eurozone uitgeschakeld, maar ook de totstandkoming van een gemeenschappelijke kapitaalmarkt in het eurogebied in de hand gewerkt. Beide effecten hebben grensoverschrijdende kapitaalstromen binnen de eurozone vergemakkelijkt, waardoor mag worden aangenomen dat de euro een positieve invloed op de omvang van dergelijke stromen heeft uitgeoefend. Tegelijkertijd zijn echter ook andere factoren van invloed op kapitaalstromen. Het lijkt dan ook zeer moeilijk, zo niet onmogelijk, om door het analyseren van tijdreeksen over kapitaalstromen uit te maken welk effect de euro daarop sorteert. Zo heeft bijvoorbeeld de succesvolle convergentie van de rentetarieven op lange termijn in de economieën van de eurozone ertoe geleid dat er bij de beleggers minder animo bestaat om hun beleggingen te spreiden over de overheidsobligaties die door de verschillende economieën van het eurogebied worden uitgegeven (eind 2002 was het rendementsverschil tussen Duitse tienjarige overheidsobligaties en soortgelijke activa van andere economieën van de eurozone teruggelopen tot minder dan 20 basispunten).
Een andere moeilijkheid houdt verband met de onbevredigende beschikbaarheid van gegevens. Er bestaat immers geen enkele gegevensbank die volledige en tijdige informatie over alle deelnemende economieën bevat. De waarnemingen zijn grotendeels gebaseerd op door Eurostat ontvangen en gepubliceerde gegevens over buitenlandse directe investeringen (BDI) en op door nationale instellingen (bv. nationale centrale banken) bekendgemaakte betalingsbalansgegevens, zoals met name gegevens over de kapitaalrekeningen.
Voor de meeste landen van de eurozone zijn tot 2001 gegevens over buitenlandse directe investeringen beschikbaar in de NewCronos-gegevensbank van Eurostat, maar voor sommige landen zijn alleen gegevens over investeringen in aandelenkapitaal en „ander kapitaal” (leningen tussen moedermaatschappij en dochterondernemingen) beschikbaar (waardoor voor sommige lidstaten geen gegevens over geherinvesteerde winsten beschikbaar zijn). Onderstaande vergelijkingen hebben betrekking op buitenlandse directe investeringen in aandelenkapitaal. Er zij op gewezen dat de interpretatie van deze gegevens op het niveau van de lidstaten enigszins kan worden bemoeilijkt door het grote effect dat van individuele transacties uitgaat (bv. grensoverschrijdende fusies en overnames van telecommunicatiemaatschappijen in 2000). Wanneer de BDI-stromen tussen individuele lidstaten en de rest van de eurozone worden vergeleken, kunnen evenwel enige verschillen tussen de jaren vóór en na de totstandkoming van de eurozone worden geconstateerd.
De kwalitatieve veranderingen tussen de laatste drie jaar van de tweede fase (1996-1998) en de eerste drie jaar van de derde fase (1999-2001) kunnen wijzen op een zekere toename van de omvang van de kapitaalstromen. In alle rapporterende landen is het bedrag van de uitgaande buitenlandse directe investeringen (d.w.z. in andere economieën van de eurozone) gestegen, terwijl in alle landen met uitzonderling van Nederland en Finland ook de inkomende directe investeringen uit andere economieën van de eurozone zijn toegenomen. Wanneer afzonderlijke jaren met elkaar worden vergeleken, is het beeld echter minder eenduidig.
Veranderingen in BDI-stromen binnen de eurozone (1996-2001) (2)
|
|
Uiīgaande BDI, aandelenkapitaal (in andere economiën v.d. eurozone) |
Inkomende BDI, aandelenkapiīaal (uit de eurozone) |
||||
|
1999-2001 t.ο.v. 1996-1998 |
2001 t.ο.v. 1996 |
2001 t.ο.v. 2000 |
1999-2001 t.ο.v. 1996-1998 |
2001 t.o.v. 1996 |
2001 t.ο.v. 2000 |
|
|
B-L |
+ |
+ |
- |
+ |
+ |
+ |
|
D |
+ |
. |
. |
+ |
+ |
- |
|
GR |
. |
. |
+ |
. |
. |
+ |
|
E |
+ |
+ |
- |
+ |
+ |
+ |
|
F |
+ |
+ |
+ |
+ |
+ |
- |
|
IRL (3) |
+ |
. |
+ |
+ |
. |
- |
|
I (4) |
+ |
+ |
+ |
+ |
+ |
+ |
|
NL |
+ |
- |
- |
- |
- |
- |
|
A |
+ |
- |
- |
+ |
- |
- |
|
P |
+ |
+ |
+ |
+ |
+ |
- |
|
FI |
+ |
+ |
- |
- |
- |
+ |
De groei van de kapitaalstromen tussen de economieën van de eurozone in de driejarige periodes vóór en na de invoering van de eenheidsmunt moet worden gezien tegen de achtergrond van een forse toename van de fusie- en overname-activiteit in de wereldeconomie in de jaren 1999 en 2000, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de jaarlijkse Direct Investment Reports van de United Nations Conference on Trade and Development (Unctad). Het zou derhalve voorbarig kunnen blijken de stijging van de kapitaalstromen in 1999 en 2000 aan de gevolgen van de invoering van de eenheidsmunt toe te schrijven. Soortgelijke voorbehouden gelden ook ten aanzien van de interpretatie van gegevens over de scherpe mondiale daling van de buitenlandse directe investeringen in 2001 (meer dan 50 %; alle tussen haakjes vermelde gegevens zijn afkomstig van de Unctad) en 2002 (ongeveer 27 %). In 2002 is de daling van de buitenlandse directe investeringen in de eurozone (-16 %) veel geringer uitgevallen dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten (-75 %) en het Verenigd Koninkrijk (- 67 %), maar dat verschil kan moeilijk alleen aan de eenheidsmunt worden toegeschreven omdat ook andere factoren (bv. de boekhoudschandalen in de VS) een rol hebben gespeeld.
In de kapitaalrekeningen kunnen er aanwijzingen worden gevonden voor de verschillende ontwikkeling van de stromen tussen de lidstaten van de eurozone onderling enerzijds en tussen de afzonderlijke lidstaten en de rest van de wereld anderzijds.
|
— |
Voor Duitsland brengt de Bundesbank regelmatig verslag uit over de herkomst en bestemming van de Duitse kapitaalstromen (bv. Bundesbank, International Capital Links, mei 2002). Zij verstrekt lange tijdreeksen in een on line voor het publiek toegankelijke gegevensbank. Volgens de gegevens van de Bundesbank is de kapitaaluitvoer (volume) van Duitsland naar de rest van de eurozone in 2002 meer dan verdubbeld (van 72 miljard euro in 2001 tot 160 miljard euro in 2002), terwijl de totale omvang van de Duitse kapitaaluitvoer naar alle landen in 2002 is teruggelopen (van 282 miljard euro in 2001 tot 256 miljard euro in 2002). Jaarlijkse stijgingen kunnen evenwel in belangrijke mate worden beïnvloed door omvangrijke individuele transacties, waardoor ook vergelijkingen op basis van periodes van meerdere jaren aangewezen zijn. Ook de kapitaaluitstroom naar landen van de eurozone is in de periode 1999-2002 (jaargemiddelde van 142 miljard euro) ruimschoots verdubbeld in vergelijking met de periode 1995-1998 (jaargemiddelde van 65 miljard euro). De kapitaalinstroom uit andere economieën van de eurozone laat een ander patroon zien (in het geheel geen toename). Een nadere beschouwing van de componenten (aanzienlijke veranderingen in het relatieve belang van directe en portefeuilleinvesteringen over de jaren) leert tevens dat voorzichtig te werk moet worden gegaan bij de interpretatie van de gegevens. |
|
— |
Voor Nederland publiceert De Nederlandsche Bank gegevens over de regionale componenten van de directe investeringsstromen. In elk van de beginjaren van het bestaan van de eurozone was er sprake van een grotere instroom uit de economieën van de eurozone dan in om het even welke andere jaar vóór 1999. Uitgedrukt in gemiddelden over vier jaar is de instroom toegenomen van 5,2 miljard euro (1995-1998) tot 19,3 miljard euro (1999-2003). In dezelfde periode is het gemiddelde aandeel van de buitenlandse directe investeringen uit de economieën van de eurozone in de totale instroom gestegen van 39 % tot 43 %. Bij de Nederlandse buitenlandse directe investeringen in andere economieën van de eurozone heeft zich een vergelijkbare toename voorgedaan: de jaarlijkse gemiddelde uitstroom groeide van 8 miljard euro (1995-1998) tot 24 miljard euro (1999-2002), terwijl het aandeel van de uitgaande directe investeringen naar economieën van de eurozone in de totale Nederlandse uitgaande investeringen opliep van 35 % (1995-98) tot 44 % (1999-2002). |
(1) PB C 261 E van 18.9.2001, blz. 228.
(2) Waar zulks nodig bleek, zijn de vergelijkingen gebaseerd op periodegemiddelden. Wanneer gegevens ontbraken, is gebruik gemaakt van de beschikbare gegevens voor het verrichten van de berekeningen.
(3) Totale directe investeringen.
(4) Aandelenkapitaal en ander kapitaal.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/101 |
(2004/C 65 E/113)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1881/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(6 juni 2003)
Betreft: Directe buitenlandse investeringen binnen de Europese Unie
Kan de Commissie de cijfers die in het antwoord op vraag E-0033/02 (1) worden gegeven aanvullen met die over het laatst beschikbare jaar, en wel op een wijze die vergelijkbaar is met de statistieken over de Europese Unie voor directe buitenlandse investeringen binnen de EU (zie grafiek 12), vervat in het verslag van de Commissie „Economische hervorming: verslag over de werking van de product- en kapitaalmarkten in de EU” (2)? Kan zij ook cijfers verstrekken over geherinvesteerde verdiensten? Kan zij ook cijfers verstrekken voor elke lidstaat van de EU afzonderlijk die nog niet aan de eurozone deelneemt?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(17 juli 2003)
De tabellen 1 en 2 bevatten gegevens over de waarde in lopende prijzen van de directe buitenlandse investeringen (DBI) uit diverse bronnen naar diverse doelen tussen 1996 en 2001. Ze worden rechtstreeks naar het geachte parlementslid en naar het secretariaat van het Parlement gestuurd. Ook worden cijfers gegeven voor iedere lidstaat die nog geen deel uitmaakt van de eurozone. Evenals vorig jaar worden de lidstaten die wel en de lidstaten die niet tot de eurozone behoren, onderscheiden om statistieken te krijgen die vergelijkbaar zijn met die in figuur 12 van het verslag van de Commissie „Economische hervorming: Verslag over de werking van de product- en kapitaalmarkten in de EU”.
Tabel 1 bevat gegevens over de waarde in lopende prijzen van de directe buitenlandse investeringen met uitzondering van de ingehouden winsten (de standaardaanpak van Eurostat in zijn jaarverslagen en in het Cardiff-verslag).
Tabel 2 bevat gegevens over de waarde in lopende prijzen van de directe buitenlandse investeringen met inbegrip van de ingehouden winsten. Voor sommige landen ontbreken voor diverse jaren de cijfers; dit is te wijten aan het feit dat sommige lidstaten om redenen van geheimhouding, methoden of actualiteit geen gedetailleerde gegevens verstrekken, met name niet over de ingehouden winsten. Wanneer een verordening over de levering van betalingsbalansgegevens door de lidstaten zal zijn goedgekeurd, verbetert de beschikbaarheid van DBI-gegevens, aangezien die verordening de huidige herenovereenkomst tussen de lidstaten en de Commissie dan vervangt.
Waar in beide tabellen bij de investeringsbronnen „Extra EU15” staat, wordt het buitenland buiten de vijftien lidstaten bedoeld.
Met het oog op de samenhang gaat het in beide tabellen bij bijna alle cijfers om stromen van de investeerders naar elders. De enige uitzondering vormt de DBI-stroom uit het buitenland, waarbij de instroom, zoals geregistreerd door het doel, wordt gebruikt.
(1) PB C 160 E van 4.7.2002, blz. 171.
(2) COM(2001) 736 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/102 |
(2004/C 65 E/114)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1884/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(6 juni 2003)
Betreft: Intensiteit van de handel in de eurozone
Kan de Commissie een beoordeling maken van de relatie tussen de groei van de handel en die van het BBP in elk van de lidstaten en mededelen of de komst van de euro heeft geleid tot een toename van de handelsintensiteit ten opzichte van de groei van het BBP in de deelnemende lidstaten, vergeleken met de niet-deelnemende lidstaten, sinds de invoering van de euro op 1 januari 1999?
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(16 juli 2003)
In het verleden heeft de Commissie onderzoek verricht naar de gevolgen van de totstandkoming van de interne markt voor de toename van het handelsverkeer en de groei van het bruto binnenlands product (BBP). Deze ramingen werden recentelijk niet bijgewerkt.
De Commissie heeft op dit ogenblik nog geen ramingen opgesteld over de specifieke invloed van de invoering van de euro op het handelsverkeer. Zoals werd medegedeeld in het antwoord van de Commissie op schriftelijke vraag 1883/03 (1) van het geachte parlementslid, wijzen een aantal studies erop dat de invoering van de euro heeft geleid tot een aanzienlijke toename van de handel.
(1) PB C 58 E van 6.3.2004, blz. 106.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/102 |
(2004/C 65 E/115)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1919/03
van Herbert Bösch (PSE) aan de Commissie
(12 juni 2003)
Betreft: Verhoor van de bij de Eurostat-affaire betrokken ambtenaren
In een brief van 19 maart 2003 heeft de directeur-generaal van OLAF de Franse justitie ervan op de hoogte gebracht dat hoge ambtenaren van Eurostat mogelijk bij frauduleuze praktijken betrokken zijn.
Uit een verklaring van de Commissie over Eurostat (IP 03/709) van 19 maart 2003 blijkt dat de in het OLAF-dossier vermelde ambtenaren door OLAF nog altijd nog niet zijn gehoord over de tegen hen geuite beschuldigingen.
Kan de Commissie meedelen hoe dat in overeenstemming kan worden gebracht met artikel 4 van het besluit van de Commissie van 2 juni 1999 betreffende de voorwaarden voor en de wijze van uitvoering van interne onderzoeken op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit, waarin zulk een verhoor wordt voorgeschreven, voordat OLAF conclusies trekt waarin de betrokken ambtenaar met name wordt genoemd?
Alleen in gevallen waarin met het oog op het onderzoek absolute geheimhouding is vereist of waarin gebruik moet worden gemaakt van opsporingsmiddelen die tot de bevoegdheid van een nationale rechterlijke instantie behoren, kan volgens artikel 4 van voormeld besluit het verhoor in overeenstemming met de voorzitter of de secretaris-generaal van de Commissie worden opgeschort.
Kan de Commissie meedelen wanneer en door wie het besluit werd genomen om het verhoor van de betrokkene op te schorten en hoe dat besluit werd verantwoord?
Kan de Commissie meedelen wanneer, door wie en op welke wijze de secretaris-generaal van de Commissie ervan op de hoogte werd gebracht dat OLAF de Parijse justitie had ingeschakeld?
Kan de Commissie meedelen wanneer, door wie en op welke wijze de voorzitter van de Commissie daarvan op de hoogte werd gebracht?
Kan de Commissie voorts meedelen wanneer, door wie en op welke wijze de voor tuchtzaken bevoegde vice-voorzitter, het voor fraudebestrijding bevoegde en het voor Eurostat bevoegde lid van de Commissie daarvan op de hoogte werden gebracht?
Antwoord van mevrouw Schreyer namens de Commissie
(4 september 2003)
De gestelde vragen werden reeds behandeld tijdens de vergadering van de Commissie begrotingscontrole (Cocobu) op 17 juni 2003, maar de Commissie wil toch een duidelijk antwoord geven op alle vragen van het geachte parlementslid.
Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Besluit 1999/396/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 2 juni 1999 betreffende de voorwaarden voor en de wijze van uitvoering van interne onderzoeken op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit die schadelijk is voor de belangen van de Gemeenschappen (1), mogen na afloop van het onderzoek geen conclusies worden getrokken waarin een lid, een ambtenaar of een personeelslid van de Commissie met name wordt genoemd zonder dat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld zich over alle hem betreffende feiten uit te spreken. De Commissie weet dat het onderzoek van OLAF nog niet is afgerond. Overeenkomstig artikel 4 van het besluit van de Commissie van 2 juni 1999 moeten ambtenaren niet worden gehoord in omstandigheden als die waaronder de documenten naar het Parijse gerecht werden gezonden. Op 12 mei 2003 heeft het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) de Commissie medegedeeld dat de toegezonden documenten enkel betrekking hadden op het externe gedeelte van het onderzoek.
Op 3 april 2003 heeft OLAF eerst de Commissie (secretariaat-generaal) op de hoogte gebracht van het onderzoek naar de datashops, zonder daarbij nader in te gaan op zijn bevindingen. OLAF vermeldde — zonder namen te noemen — dat er mogelijkerwijs ambtenaren bij betrokken waren, dat betrokken partijen met het oog op de bescherming van het onderzoek geen toegang mochten hebben tot informatie over dat onderzoek en dat het dossier werd voorgelegd aan de openbare aanklager in Parijs. Elk besluit om de hoorzitting van de betrokken ambtenaren te verdagen is dus genomen door OLAF, op grond van de hem door de verordening verleende bevoegdheden.
Op 22 april 2003 heeft OLAF, met het oog op een schadeloosstelling voor het totale financiële verlies, de juridische dienst verzocht bij het openbaar ministerie in Parijs een klacht in te dienen tegen X. OLAF heeft het secretariaat-generaal op 8 mei 2003 een kopie van de mededeling toegezonden.
Op 29 april 2003 heeft de secretaris-generaal de kabinetschef van de voorzitter in vertrouwen ingelicht over de hem toen bekende gegevens.
Op 14 mei 2003 heeft de secretaris-generaal de kabinetchefs van de heren Prodi, Kinnock en Solbes en van mevrouw Schreyer op de hoogte gebracht, evenals het hoofd van de juridische dienst. OLAF had immers op 12 mei 2003 verklaard dat de secretaris-generaal vanaf dat moment gebruik mocht maken van de hem ter beschikking gestelde informatie. De kabinetchefs hebben diezelfde dag contact opgenomen met hun commissieleden.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/103 |
(2004/C 65 E/116)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1926/03
van Roberto Bigliardo (UEN) aan de Commissie
(13 juni 2003)
Betreft: Kengetal „709”
In Italië worden ten gevolge van de hoge telefoonrekeningen voor internetaansluitingen met kengetal 709 (te betalen verbindingen naast het telefoonabonnement) vele gezinnen te gronde gericht.
Hierdoor worden vele gebruikers getroffen, die verklaren nog nooit vrijwillig van internetverbindingen met dit kengetal gebruik te hebben gemaakt. Deze verbindingen zouden geschieden via het gebruik van een dialer die de doorgaans door de abonnee gebruikte verbinding verbreekt om de modem van de gebruiker automatisch op een computer of server van een internetprovider aan te sluiten waarvoor toegang betaald moet worden. Deze interproviders hebben hun bestuurlijke, fiscale en logistieke hoofdkantoor buiten Italië.
De gebruiker verneemt voor het eerst van deze verbinding wanneer hij de rekening krijgt gepresenteerd.
|
1. |
Is de Commissie hiervan op de hoogte? |
|
2. |
Kan de Commissie stappen ondernemen om te voorkomen dat degenen die niet van dit initiatief van Telecom Italia op de hoogte zijn, deze ten onrechte ontstane kosten moeten betalen? |
|
3. |
Kan de Commissie maatregelen treffen opdat de beheerder van het telefoonnet in het contract een informatieve clausule opneemt, zodat de gebruiker schriftelijke toestemming moet verlenen voor elke dienstverlening die buiten het gewone abonnement betaald moet worden, mede ter verdediging van de bevolkingsgroepen die toch al financiële problemen hebben? |
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(23 juli 2003)
De door het geachte parlementslid aangehaalde kwesties hebben betrekking op de toegangkosten tot het internet met behulp van kengetal 709, die zonder toestemming van de abonnee worden aangerekend; de dienst lijkt te worden verleend buiten de door de abonnee en de dienstverlener overeengekomen standaardcontractvoorwaarden.
|
1. |
De Italiaanse pers heeft over deze kwestie bericht (bron: Il Sole 24 Ore, 14 juni 2003). Medio juni 2003 heeft de Italiaanse post- en communicatiepolitie vier telecommunicatie-exploitanten beboet na indiening van een groot aantal klachten door abonnees (ongeveer 25 000). De boetes die aan de vier exploitanten zijn opgelegd belopen in totaal ongeveer 860 000 EUR (bron: persmededeling van de postpolitie). |
|
2. |
Zoals hierboven uiteengezet, is de kwestie op nationaal niveau reeds aangepakt. Voorts blokkeert Telecom Italia (TI), op verzoek van een consumentenvereniging, de betaling van diensten met betrekking tot internettoegang met behulp van kengetal 709 wanneer de abonnee meldt dat er kosten voor internettoegang worden aangerekend die niet zijn opgenomen in het standaardcontract dat met de exploitant is ondertekend. TI heeft ermee ingestemd klanten terug te betalen als zij dergelijke kosten, die op hun telefoonrekeningen waren vermeld, al hadden betaald. Bij de aanpassing van het nummeringplan, die momenteel wordt afgerond, overweegt de nationale regelgever AGCOM passende maatregelen te nemen. Dit zou onder meer kunnen betekenen dat een plafond wordt ingesteld voor de totale kosten die voor dit soort diensten moeten worden betaald. Het ziet er dus naar uit dat op nationaal niveau passende maatregelen zijn genomen. |
|
3. |
Tot slot moet worden opgemerkt dat in het algemeen de voorschriften van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1) hier van toepassing zijn, met name wat betreft de transparantie van prijzen, tarieven en voorwaarden. Wat de sectorale wetgeving betreft, wordt met ingang van 25 juli 2003 de „Universeledienstrichtlijn” (2) van kracht. Deze richtlijn houdt evenwel geen verplichting in om voor het verlenen van internettoegang een contract te sluiten; zij schrijft wel voor dat, als er contracten worden gesloten, de verleende diensten en de bijzonderheden van prijzen en tarieven erin moeten worden opgenomen. De telecommunicatiewet biedt de Commissie dan ook niet de mogelijkheid om te eisen dat de in de vraag van het geachte parlementslid vermelde voorwaarden in contracten worden opgenomen. Wel vestigt de Commissie de aandacht van het geachte parlementslid op het feit dat zij op 18 juni 2003 een voorstel heeft aangenomen voor een richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken (3). Met deze richtlijn zouden met name „misleidende” en „agressieve” praktijken worden aangepakt. Wat „misleidende” praktijken betreft, zouden ondernemingen ertoe verplicht worden geen „essentiële” informatie achter te houden die de gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit over een transactie te nemen, voor zover deze informatie niet uit de context blijkt. |
(2) Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische communicatienetwerken en -diensten, PB L 108 van 24.4.2002.
(3) COM(2003) 356 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/105 |
(2004/C 65 E/117)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1950/03
van Daniel Cohn-Bendit (Verts/ALE) en Monica Frassoni (Verts/ALE) aan de Commissie
(13 juni 2003)
Betreft: De zaak Eurostat
Kan de Commissie, gezien de grote problemen bij Eurostat betreffende het beheer van externe contracten, een actieplan presenteren om te waarborgen dat er zich bij de gunning van contracten geen belangenconflicten kunnen voordoen?
Kan de Commissie een tijdschema overleggen met betrekking tot de administratieve en disciplinaire maatregelen die zij gaat nemen om de procedures te verbeteren en het verantwoordelijkheidsbesef te bevorderen?
Welke maatregelen zal de Commissie nemen om te waarborgen dat de aanbevelingen in auditrapporten worden uitgevoerd en dat de bevindingen naar het juiste niveau worden gecommuniceerd, teneinde vast te stellen wie voor welk handelen of nalatigheid tot handelen verantwoordelijk is?
Antwoord van mevrouw Schreyer namens de Commissie
(8 september 2003)
|
1. |
De Commissie werkt aan de volledige tenuitvoerlegging van het nieuwe Financieel Reglement (1) (FR), dat specifieke bepalingen bevat betreffende belangenconflicten die zich bij haar personeelsleden en contractanten kunnen voordoen. Ten aanzien van contractanten/begunstigden Artikel 94 van het FR verbiedt de gunning van opdrachten aan gegadigden of inschrijvers (en artikel 114, lid 2, de toekenning van subsidies aan aanvragers) die in een belangenconflict verkeren. De uitvoeringsvoorschriften (UV) van het FR (artikel 135, lid 2, onder a), van de UV) verplichten de ordonnateur ertoe om bij elke procedure voor het plaatsen van opdrachten na te gaan of sprake is van een belangenconflict en in het eindresultaat van de evaluatie (artikel 147, lid 2, onder b), van de UV) eventuele uitsluitingen om deze reden te vermelden (inclusief de naam van de betrokken gegadigden en de redenen). Dezelfde regels zijn ook van toepassing op de toekenning van subsidies (artikel 178, lid 4, onder c), van de UV). Ten aanzien van haar personeelsleden Betreffende de financiële actoren hebben artikel 52 van het FR en artikel 34 van de UV het volgende geïntroduceerd:
|
|
2. |
Het witboek over de hervorming van de Commissie van maart 2000 had onder andere tot doel een duidelijker beeld te geven van de taken van de voornaamste actoren die communautaire middelen beheren. De Commissie heeft een grondige herziening van haar disciplinaire maatregelen en structuren achter de rug. Ten eerste werd er in het kader van de administratieve hervorming bij besluit van de Commissie van 19 februari 2002 een gespecialiseerd Bureau voor onderzoek en disciplinaire maatregelen (IDOC) opgericht. In artikel 6, lid 6, van dat besluit wordt bepaald dat IDOC over elk onderzoek verslag moet uitbrengen en bij een eventuele overtreding van de geldende regels, waaronder het Financieel Reglement, moet aangeven in hoeverre de betrokken ambtenaren individueel aansprakelijk zijn. IDOC heeft de bevoegdheid om zaken te onderzoeken die niet binnen het bevoegdheidsterrein van OLAF vallen. Om bevoegdheidsconflicten te voorkomen, bepaalt artikel 5, lid 2, van hetzelfde besluit dat OLAF eerst moet worden geraadpleegd voordat een administratief onderzoek wordt ingeleid. Als blijkt dat OLAF al een onderzoek heeft ingesteld of van plan is dat te doen, dan geniet OLAF prioriteit. Bovendien heeft de Commissie een voorstel ingediend tot wijziging van het Statuut om de tuchtprocedures te verbeteren. Krachtens het besluit van de Commissie van 19 februari 2002 moet de permanente Tuchtraad worden voorgezeten door een gewezen lid van een van de andere instellingen van de Unie of een gewezen ambtenaar; momenteel wordt het voorzitterschap waargenomen door een gewezen voorzitter van het Gerecht van eerste aanleg. Op 24 juli 2003 heeft de Commissie een memorandum opgesteld met gedetailleerde ontwerprichtlijnen voor de toepassing van artikel 22 van het Statuut betreffende sancties ter vergoeding en herstel van schade aan de Gemeenschap die het gevolg is van onverantwoordelijkheid of nalatigheid op financieel gebied. Het vernieuwde Financieel Reglement, dat op 25 juni 2002 werd goedgekeurd, legt de taken vast van de financiële actoren, die in de uitvoeringsvoorschriften van december 2002 worden beschreven. Artikel 66, lid 4, van het FR creëerde de rechtsgrond en de verplichting voor elke instelling om een functioneel onafhankelijke instantie op te richten die bevoegd is op het gebied van onregelmatigheden van financiële aard en die als voornaamste taak heeft — onverminderd de bevoegdheid van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) — het tot aanstelling bevoegde gezag te voorzien van deskundig advies inzake eventuele financiële onregelmatigheden. Op 9 juli 2003 heeft de Commissie de oprichting goedgekeurd van een interne gespecialiseerde instantie voor financiële onregelmatigheden, die mogelijke overtredingen van het Financieel Reglement zal onderzoeken. Sinds de hervorming van de Commissie moeten de gedelegeerde ordonnateurs, namelijk de directeuren-generaal en de diensthoofden, voor hun bevoegdheidsterrein jaarlijkse activiteitenverslagen en betrouw-baarheidsverklaringen overleggen, samen met eventuele opmerkingen en bedenkingen. De Commissie bereidt hierover een syntheseverslag voor en dient dit samen met de jaarlijkse activiteitenverslagen in bij het Europees Parlement en de Rekenkamer. De eerste verslagen, voor het jaar 2001, werden in juli 2002 ingediend. |
|
3. |
Op de vergaderingen van de parlementaire Commissie begrotingscontrole, van 17 juni 2003 en 30 juni 2003, werd dieper ingegaan op vragen betreffende de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen uit auditverslagen. a) Met de huidige procedures wordt gestreefd naar een betere follow-up. Alle verslagen van de dienst Interne audit gaan naar het Comité follow-up audit, die de gecontroleerde dienst normaal gezien hoort, vooral over de door die dienst voorgestelde follow-up van de bevindingen en aanbevelingen van de audit. Het Comité follow-up audit kan het College advies geven over de follow-upmaatregelen die moeten worden genomen. b) Sinds 2002 moeten alle directeuren-generaal en diensthoofden een deel van hun jaarlijkse activiteitsverslag wijden aan de werking van hun interne auditfunctie en een deel aan de follow-up van de bevindingen van de interne auditfunctie, de dienst Interne audit en de Rekenkamer. Overeenkomstig artikel 86 van het FR dient de dienst Interne audit bij het College een jaarlijks verslag in waarin het aantal en het soort verrichte interne controles, de belangrijkste gedane aanbevelingen en het aan die aanbevelingen gegeven gevolg worden vermeld. Naar aanleiding van de indiening van de jaarlijkse activiteitsverslagen voor het jaar 2002, heeft de Commissie op 9 juli 2003 een aantal maatregelen getroffen om de beheerssystemen van de Commissie verder te moderniseren. Directeuren-generaal moeten twee keer per jaar de stand van zaken op het gebied van de interne controle en de interne audits van hun diensten bespreken met hun commissaris. Directeuren-generaal moeten hun commissaris op de hoogte houden van alles wat hun directoraat aan OLAF toezendt. c) Om de samenwerking tussen OLAF en de Commissie te verbeteren, en om de Commissie de kans te geven vroegtijdig en resoluut op te treden, heeft het College op 23 juli 2003 een ontwerp-gedragscode goedgekeurd betreffende informatiestromen tussen OLAF en de Commissie. Deze ontwerp-gedragscode, die reeds voorlopig van kracht is, zal zijn definitieve vorm krijgen nadat kennis is genomen van het advies van het Comité van toezicht van OLAF en de controle door het Parlement en andere communautaire instellingen. |
(1) Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, PB L 248 van 16.9.2002.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/107 |
(2004/C 65 E/118)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1964/03
van Proinsias De Rossa (PSE) aan de Commissie
(13 juni 2003)
Betreft: Gerechtelijke stappen krachtens artikel 226 van het EG-verdrag wegens het niet nakomen van artikel 292 van het EG-verdrag
Kan de Commissie een overzicht verstrekken van alle gerechtelijke stappen die zij de afgelopen vijf jaar krachtens artikel 226 van het EG-verdrag tegen lidstaten heeft geïnitieerd wegens het niet nakomen van artikel 292 van het EG-verdrag, volgens hetwelk de lidstaten zich ertoe verbinden, een geschil betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag niet op andere wijze te doen beslechten dan in dit Verdrag is voorgeschreven?
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(16 juli 2003)
De afgelopen vijf jaar heeft de Commissie twee inbreukprocedures ingeleid wegens het niet-nakomen van artikel 292 van het EG-Verdrag. De inbreukprocedures werden ingeleid tegen Ierland. Voor verdere informatie verwijst de Commissie naar haar antwoord op mondelinge vraag H-0256/03 van het geachte parlementslid tijdens het vragenuur van de vergaderperiode van mei 2003 (1).
(1) Schriftelijk antwoord, 13.5.2003.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/107 |
(2004/C 65 E/119)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-1994/03
van Pietro-Paolo Mennea (PPE-DE) aan de Commissie
(10 juni 2003)
Betreft: Televisierechten
In de lidstaten bestaan sportverenigingen die niet hetzelfde juridische statuut hebben als de sportfederaties waar ze lid van zijn. Deze verenigingen organiseren sportevenementen die op televisie uitgezonden worden.
In het verslag over sport dat het Europees Parlement op 7 september 2000 aangenomen heeft (A5-0208/2000), wordt in paragraaf nr. 27 het volgende bepaald: „dringt erop aan dat de gunning van televisierechten plaatsvindt conform de antitrustwetgeving en dat de exploitatierechten die daaraan zijn verbonden ten goede komen aan degenen die de bewuste sportevenementen organiseren en daarvan de risico's dragen; dringt voorts aan op transparantie bij de gunning van tv-rechten.”
De verkoop van televisierechten voor sportevenementen is een economische activiteit en daarom is het Gemeenschapsrecht, en met name het mededingingsrecht, hierop van toepassing.
De Europese Unie heeft herhaaldelijk bevestigd dat de rechtssubjecten die het ondernemingsrisico en de bijbehorende gevolgen, waaronder het faillissementsrisico, dragen, de houders zijn van de televisierechten.
Kan de Commissie, gezien het voorgaande, meedelen wat zij wil ondernemen en hoe zij wil nagaan of de lidstaten voor de verkoop en de gunning van televisierechten voor de uitzending van sportevenementen, en in het bijzonder van atletiekwedstrijden, de mededingingsregels naleven? Kan zij ook nagaan of de televisierechten worden toegekend aan de sportverenigingen die het organiseren van sportevenementen op zich genomen hebben, en niet aan de sportfederaties, indien deze de evenementen niet organiseren? Wil zij tevens nagaan of deze gunning op een transparante manier gebeurt?
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(10 juli 2003)
De Commissie is het eens met het geachte parlementslid dat de verkoop van televisierechten voor sportevenementen een economische activiteit is, waarop het mededingingsrecht van toepassing is.
In principe is de verkoop van televisierechten voor atletiekevenementen een aangelegenheid die kan vallen onder het communautaire mededingingsrecht. Wat evenwel het vraagstuk betreft dat hier ter sprake wordt gebracht, namelijk het probleem inzake de toekenning van televisierechten aan sportverenigingen die het organiseren van sportevenementen op zich hebben genomen, moet de aandacht erop gevestigd worden dat op grond van artikel 295 van het EG-verdrag het Gemeenschapsrecht de regeling van het eigendomsrecht onverlet laat.
Wat verder de uitoefening van televisierechten voor atletiekevenementen en de naleving van communautaire mededingingsvoorschriften betreft, zijn er bij de Commissie geen lopende procedures, die hetzij op grond van een klacht of op initiatief van de Commissie werden ingeleid.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/108 |
(2004/C 65 E/120)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1999/03
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(16 juni 2003)
Betreft: Lek van Clophen (PCB) in het centrum van Athene
In de Griekse pers zijn berichten verschenen over een rapport van de universiteit van Kreta waarin gewag wordt gemaakt van een PCB-lek dat zich heeft voorgedaan in een station van de Openbare Elektriciteitsmaatschappij (DEI), in de kelderverdieping van het ministerie van Economische Zaken, dat gelegen is in het centrum van Athene. PCB's staan bekend als zeer gevaarlijk en kankerverwekkend. Uit artikelen in gerenommeerde medische tijdschriften blijkt dat PCB's neurologische storingen in embryo's van zwangere vrouwen veroorzaken, het endocriene stelsel ontregelen, enz.
Hierbij zij vermeld dat het niet de eerste keer is dat gewag wordt gemaakt van een PCB-lek in een station van de Openbare Elektriciteitsmaatschappij in Griekenland. De PCB-concentratie was in het geval van het station in het gebouw van het Griekse ministerie van Economische Zaken echter 9000 keer hoger dan in de lucht in Athene.
Worden PCB's gebruikt in andere lidstaten van de EU? Welke informatie heeft de Commissie ontvangen van de Griekse autoriteiten over bovengenoemd, door de universiteit van Kreta in het centrum van Athene geregistreerd geval? Weet de Commissie of zich in de afgelopen tien jaar meer van dergelijke gevallen hebben voorgedaan in Griekenland?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(17 juli 2003)
De Commissie veronderstelt dat de vraag in het algemeen betrekking heeft op PCB's, want Clophen is een handelsnaam voor PCB's in handelsformulering. Beperkingen op het gebruik van PCB's zijn neergelegd in Richtlijn 85/467/EEG van de Raad van 1 oktober 1985 houdende zesde wijziging (PCB's/PCT's) van Richtlijn 76/769/EEG betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten (1). Overeenkomstig Richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's) (2) moeten apparaten die meer dan 5 kubieke decimeter (dm3) PCB's bevatten uiterlijk tegen eind 2010 zijn uitgevoerd gereinigd en/of verwijderd. Daarom zijn er momenteel in de lidstaten nog enkele apparaten die PCB's bevatten in gebruik.
Op 16 juni 2003 stelde de Commissie voor dat de Unie twee internationale overeenkomsten bekrachtigt over persistente organische verontreinigende stoffen (Persistent Organic Pollutants — POP's), waarbij onder de 12 genoemde POP's ook PCB's zijn opgenomen. Deze internationale overeenkomsten, het Verdrag van Stockholm en het Protocol van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE) inzake POP's, beogen de geleidelijke uitbanning van deze uiterst giftige chemische stoffen door de productie, het gebruik, de invoer, de uitvoer, de uitstoot en de verwijdering ervan te reglementeren. Tegelijkertijd heeft de Commissie een verordening voorgesteld om intern te voldoen aan de verplichtingen van de internationale overeenkomsten en een snelle bekrachtiging ervan door de Unie mogelijk te maken (zie: http://europa.eu.int/comm/environment/pops/index_en.htm].
In het algemeen is de Commissie niet in kennis gesteld van incidenten met betrekking tot het gebruik van PCB's en is er evenmin door de Griekse overheid contact met haar genomen met betrekking tot dit specifieke incident noch over een soortgelijk ongeval in het verleden.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/109 |
(2004/C 65 E/121)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2003/03
van Salvador Garriga Polledo (PPE-DE) aan de Commissie
(16 juni 2003)
Betreft: Vrij verkeer van eurobiljetten
Het verkeer van eurobiljetten heeft van bij het prille begin te kampen met een hinderlijk en zorgwekkend obstakel, namelijk de beperking van het verkeer van bepaalde eurobiljetten, met name die vanaf honderd euro.
In verschillende handelszaken en bedrijven hangt een bordje met de melding dat biljetten vanaf 100 EUR niet worden aanvaard.
Kan de Commissie meedelen of er bepalingen bestaan die het niet accepteren van eurobiljetten, van welke waarde ook, mogelijk maken, en kunnen de consumenten die van dergelijke diensten gebruik willen maken dan gerechtelijke stappen ondernemen tegen de bepalingen die het verkeer van bepaalde eurobiljetten beperken?
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(23 juli 2003)
Overeenkomstig artikel 106, lid 1, derde zin, van het EG-Verdrag en artikel 10 van Verordening (EG) nr. 974/98 van 3 mei 1998 van de Raad over de invoering van de euro (1) hebben alle eurobankbiljetten de hoedanigheid van wettig betaalmiddel. Genoemde verordening voorziet in een beperking (artikel 11) van het maximumaantal muntstukken dat een partij verplicht is te aanvaarden, maar inzake bankbiljetten zijn geen nadere regels vastgelegd. De verschillende coupures van de eurobankbiljetten zijn vermeld in een besluit van de Raad van bestuur van de Europese Centrale Bank (ECB). Het begrip wettig betaalmiddel is niet gedefinieerd in het Gemeenschapsrecht en moet bijgevolg overeenkomstig de nationale regels en praktijken worden uitgelegd.
Er bestaat geen Europese regelgeving op grond waarvan gerechtelijke stappen kunnen worden ondernomen tegen de beperkte aanvaarding van bepaalde bankbiljetten. Afhankelijk van het monetair en burgerlijk recht van de lidstaten kunnen verschillende wettelijke bepalingen van toepassing zijn.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/109 |
(2004/C 65 E/122)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2072/03
van Brigitte Langenhagen (PPE-DE) aan de Commissie
(24 juni 2003)
Betreft: Regelingen met betrekking tot scheepsbemanningen
Vanwege de nationale wetgeving in Denemarken voor de nationale vloot is het onmogelijk om als bijvoorbeeld Duitse kapitein op een schip onder Deense vlag te worden aangesteld. Daardoor wordt het in de Europese Verdragen verankerde recht van vrij verkeer van werknemers voor zeelieden aanzienlijk beperkt. Voor veel Europese zeelieden, in het bijzonder voor die uit landen met een kleine vloot, blijft er dan ook niet veel anders over dan uit te wijken naar goedkopevlagschepen, met een dienovereenkomstig verlies van aanzien en slechtere arbeids- en salarisvoorwaarden.
Kan de Commissie derhalve een antwoord geven op de volgende vragen:
|
1. |
Is de Commissie zich bewust van de precaire concurrentiesituatie in het segment van de Europese zeelieden? |
|
2. |
Wat denkt de Commissie te ondernemen om dergelijke concurrentiedistorsies in Europa weg te nemen? |
|
3. |
Zou de invoering van een EU-vlag, resp. een Europees register hier uitkomst kunnen bieden? Welke argumenten pleiten voor, welke tegen? |
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(29 augustus 2003)
De Commissie wil de volgende informatie verstrekken:
|
— |
In verband met de kwestie van het vrij verkeer van werknemers verwijst de Commissie het geachte parlementslid naar haar antwoord op schriftelijke vraag E-1740/02 van de heer Pronk, mevrouw Martens, mevrouw Peijs en de heer Maat (1). Aangezien de twee prejudiciële vragen (2), die betrekking hebben op de nationaliteitsvoorwaarde voor kapiteins en eerste officieren, nog steeds hangende zijn bij het Hof van Justitie, blijft de Commissie zich verder onthouden van het doen van enige voorspelling over de mogelijke uitkomst daarvan. |
|
— |
De Commissie is van mening dat de invoering van een communautair register onder meer had kunnen bijdragen aan het vrij verkeer van zeelieden in de Gemeenschap. Haar voorstel inzake de oprichting van het „Euros”-register voor handelsschepen (3) werd echter niet door de lidstaten aanvaard en werd daarna verlaten. Sindsdien heeft de Commissie andere maatregelen voorgesteld ter bevordering van het concurrentievermogen van de Europese scheep sindustrie, met name de communautaire richtsnoeren betreffende overheidssteun voor het zeevervoer, die thans worden herzien. |
(2) Zaak C-405/01 Colegio de Oficiales de la Marina Mercante Española tegen Administración del Estado en zaak C-47/02 Albert Anker tegen Bondsrepubliek Duitsland, de advocaat-generaal gaf haar conclusies over beide zaken op 12.6.2003.
(3) COM(89)266, PB C 263 van 16.10.1989 - COM(91)483, PB C 19 van 25.1.1992.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/110 |
(2004/C 65 E/123)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2082/03
van Rodi Kratsa-Tsagaropoulou (PPE-DE) aan de Raad
(24 juni 2003)
Betreft: Schendingen Griekse luchtruim door Turkse vliegtuigen/Veiligheid bewoners eilanden Egeïsche Zee
Tijdens mijn recente bezoek aan de perifere eilanden Samos en Ikaria heb ik vastgesteld hoe groot de ongerustheid onder de bewoners is in verband met de voortdurende provocerende schendingen van het luchtruim boven de Egeïsche Zee door Turkse gevechtsvliegtuigen, en in verband met de gevolgen van deze schendingen voor hun leven, hun veiligheid en het toerisme in het gebied.
Met name na het recentste incident, waarbij een vliegtuig van Olympic Airways op het traject Athene-Konstantinopel door twee Turkse F-16 gevechtsvliegtuigen werd gehinderd, neemt de ongerustheid verder toe.
Hoe beoordeelt de Raad dit Turkse gedrag, en welke maatregelen is de Raad van plan te gaan nemen teneinde een eind aan deze schendingen van het Griekse luchtruim door Turkse vliegtuigen te maken?
Welke maatregelen is de Raad van plan te gaan nemen om de veiligheid van Europese burgers, inwoners van de eilanden in de Egeïsche Zee en mensen die er tijdelijk verblijven, alsook de vrede in het hele gebied, te waarborgen?
Antwoord
(17 november 2003)
|
1. |
De Raad is op de hoogte van de door het geachte parlementslid vermelde incidenten. Hij is tevens op de hoogte van de berichten over een stijgend aantal schendingen van het Griekse luchtruim door Turkse militaire vliegtuigen, en hij is zich bewust van de gevoeligheid van deze kwestie in Griekenland. Deze incidenten staan helaas in contrast met de algemene verbetering die gedurende de jongste jaren, en wel sinds 1999, in de nabuurschapsbetrekkingen tussen Griekenland en Turkije is opgetreden. |
|
2. |
De Raad is van oordeel dat Turkije, als kandidaat-lidstaat, krachtens het beginsel van vreedzame regeling van geschillen overeenkomstig het Handvest van de VN gehouden is alles in het werk te stellen om spanningen te voorkomen, zulks in de geest van punt 4 van de conclusies van de Europese Raad van Helsinki. Dit standpunt komt tot uiting in een specifieke prioriteit van het herziene partnerschap voor de toetreding met Turkije. Overeenkomstig de conclusies van Helsinki zal de Europese Raad de situatie op dit gebied, met inbegrip van de gevolgen voor het toetredingsproces, voor eind 2004 moeten evalueren. |
|
3. |
In het kader van de politieke dialoog spoort de Raad Turkije regelmatig aan zich ervoor te blijven beijveren om spanningen te voorkomen — bijvoorbeeld door middel van vertrouwenwekkende maatregelen op gevoelige gebieden — en samen te werken met zijn buurland, teneinde tot overeenstemming te komen over vraagstukken ten aanzien waarvan de wederzijdse standpunten uiteenlopen en de beide landen het desbetreffende internationale recht verschillend interpreteren. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/111 |
(2004/C 65 E/124)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2097/03
van Paul Lannoye (Verts/ALE) aan de Commissie
(25 juni 2003)
Betreft: Gefedereerde entiteiten in België — Waals gewest — debudgetteringspraktijk
De Waalse regering heeft in een perscommuniqué van 3 april 2003 bekendgemaakt dat ze een nieuw financieel ontwikkelingsplan voor de Waalse luchthavens aangenomen heeft. Daarmee geeft ze haar instemming met het dubbel financieel plan dat de Raad van bestuur van de Société Wallonne des Aéroports (Sowaer, NV) op 20 maart 2003 voorgelegd is; Sowaer is een maatschappij van openbaar nut die belast is met de uitbouw van de infrastructuur van de Waalse luchthavens en de uitvoering en financiering van begeleidende milieumaatregelen voor de omwonenden (overname van gebouwen en geluidsisolatie). Uit het dubbel financieel plan blijkt dat de totale kosten van het Waals luchthavenbeleid van vandaag tot 2024 754,7 miljoen euro belopen, en dat die kosten niet gedragen worden door de begroting van het Waals gewest, maar met leningen die voor het grootste deel vanaf 2009 en 2015 terugbetaald worden. Uit die gegevens blijkt een onrustwekkende debudgetteringspraktijk voor een bedrag van meer dan 750 miljoen euro.
|
1. |
Is de Commissie op de hoogte van de debudgetteringswerkwijze? |
|
2. |
Brengt die praktijk geen valse berekening van de Belgische openbare schuld met zich mee? |
|
3. |
Is ze in overeenstemming met de letter en de geest van het stabiliteitspact zoals het vastgelegd is in de resolutie van 17 juni 1997 (1) van de Raad, verordening (EG) 1466/97 (2) van 7 juli 1997 en verordening (EG) 1467/97 (3) van 7 juli 1997? |
|
4. |
Brengt ze niet het advies van 18 februari 2003 van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2003-2005 voor België opnieuw in het gedrang? |
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(4 augustus 2003)
De definities van het overheidstekort en de overheidsschuld die relevant zijn in het kader van het stabiliteits- en groeipact, zijn vastgelegd in het Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten en in Verordening (EG) nr. 3605/93 van de Raad van 22 november 1993 (4), als gewijzigd (5), in de vorm van verwijzingen naar het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR 95). Volgens het protocol is de relevante sector „de algemene overheid, dat wil zeggen de centrale overheid, de regionale of lokale overheid en de fondsen voor sociale zekerheid onder uitsluiting van commerciële transacties”.
De sector overheid wordt gedefinieerd op institutionele basis en niet op functionele basis. Alleen eenheden waarvan de hoofdfunctie bestaat in de levering van niet-marktdiensten of herverdeling van het nationale inkomen en vermogen, worden dus opgenomen. Bijgevolg behoren overheidseenheden die commerciële transacties verrichten, zoals overheidsondernemingen, niet tot de overheid en worden ze ingedeeld bij de financiële instellingen of de niet-financiële vennootschappen.
In de Belgische nationale rekeningen, die worden samengesteld op grond van de ESR 95-regels, wordt de Société wallonne des aéroports (Sowaer, SA) ingedeeld bij de sector van de niet-financiële vennootschappen en niet bij de sector overheid. Bijgevolg hebben de investeringsuitgaven van Sowaer geen enkel rechtstreeks effect op de schuld van de Belgische algemene overheid en zijn de financiële verplichtingen van Sowaer geen overheidsschuld. De eventuele subsidies, kapitaaloverdrachten en andere bijdragen van de Belgische overheid aan Sowaer worden evenwel geboekt als overheidsuitgaven en leiden dus wel tot een toename van het overheidstekort en de overheidsschuld.
(1) PB C 236 van 2.8.1997, blz. 1.
(2) PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.
(3) PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.
(5) Verordening (EG) nr. 475/2000 van de Raad van 28 februari 2000 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 3605/93 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten, PB L 58 van 3.3.2000.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/112 |
(2004/C 65 E/125)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2126/03
van Bart Staes (Verts/ALE) aan de Commissie
(25 juni 2003)
Betreft: Verplichte basisbankdiensten voor alle EU-burgers
In België wordt in september 2003 de wet op de basisbankdiensten van kracht. Vanaf dan moet iedereen die dat wenst een rekening kunnen openen bij een bank naar keuze voor maximaal 12 EUR per jaar. In ruil daarvoor biedt de bank een aantal minimumdiensten aan. De Belgische wetgever achtte deze regeling nodig, onder meer omdat nogal wat minder-begoeden door banken als klant geweigerd werden. Voor deze mensen betekende dat te worden afgesloten van het als normaal geacht modern betalingsverkeer.
Kent de Commissie dit Belgisch initiatief en overweegt zij vanuit die kennis om een soortgelijk, sociaal waardevol initiatief op Europees vlak in te voeren, zodat alle burgers van de Unie een minimumdienst-verlening van banken mogen verwachten en zo deel kunnen blijven nemen aan het modern betalingsverkeer? Zo ja, welke initiatieven zal zij nemen? Zo neen, welke argumenten gebruikt zij om deze maatregel niet door te voeren?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(31 juli 2003)
De Commissie is op de hoogte van de Belgische wet waarbij basisbankdiensten op nationaal niveau worden ingevoerd.
Hoewel de toegang tot basisbankdiensten een belangrijke aangelegenheid is, is de Commissie op het ogenblik niet van plan een rechtsinstrument voor te stellen tot invoering van een soortgelijke verplichting in de financiële-dienstensector in de gehele Unie. De kwestie is reeds besproken tijdens een workshop die in februari 2001 door de Commissie werd georganiseerd. Het denkbeeld van toegang tot basisbankdiensten is ook niet opgenomen in het groenboek van de Commissie over diensten van algemeen belang dat in mei 2003 is gepubliceerd (1).
Uit de beschikbare informatie blijkt dat de nationale economische en sociale context en bijgevolg de nationale benadering van basisbankdiensten van lidstaat tot lidstaat verschillen. Het betreft hier dan ook een aangelegenheid die best aan de nationale wet- en regelgever wordt overgelaten.
Wegens het ontbreken van enige harmonisatie, staat het de lidstaten vrij wetten zoals de Belgische aan te nemen of te handhaven, mits de nationale maatregelen stroken met de algemene beginselen van het EG-Verdrag en voldoen aan de eisen inzake evenredigheid en non-discriminatie.
(1) COM(2003)270 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/113 |
(2004/C 65 E/126)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2163/03
van Joan Vallvé (ELDR) aan de Commissie
(30 juni 2003)
Betreft: Betrekkingen Europese Unie-Irak
De Catalaanse voetbalbond was van plan op 25 juni in Barcelona een vriendschappelijke wedstrijd te organiseren tussen de selecties van Catalonië en Irak. Volgens de voorzitter van de voetbalbond had deze wedstrijd tot doel bij te dragen aan het verzamelen van middelen voor de wederopbouw van het door de oorlog geteisterde Irak.
Volgens berichten in de media heeft het Spaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken geen visa verleend aan de Iraakse spelers die deze wedstrijd in Barcelona zouden spelen.
Is de Commissie van plan te onderzoeken om welke redenen de Spaanse regering de organisatie van de voetbalwedstrijd Catalonië-Irak heeft verhinderd, terwijl deze wedstrijd ongetwijfeld zou hebben bijgedragen aan het verbeteren van de betrekkingen en de verstandhouding tussen de Europese burgers en het Iraakse volk?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(3 september 2003)
De Commissie deelt de positieve beoordeling van het geachte parlementslid ten aanzien van de betrokken vriendschappelijke wedstrijd en de doelstellingen ervan.
De Commissie herinnert er evenwel aan dat beslissingen betreffende de toegang van onderdanen van derde landen tot het grondgebied van de Schengenstaten (1) onder de bevoegdheid van de betrokken nationale administraties vallen, die op basis van de relevante bepalingen van het Schengenacquis beslissen.
Om tot het grondgebied van de Schengenstaten te worden toegelaten voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, moet een onderdaan voldoen aan de in artikel 5 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (2) genoemde voorwaarden voor toegang. Hij moet in het bezit zijn van een geldig reisdocument en, zo nodig, de documenten overleggen ter staving van het doel van het voorgenomen verblijf en van de verblijfsomstandigheden, niet ter fine van weigering van toegang gesignaleerd staan, niet worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van één van de Schengenstaten. Voor de onderdanen van derde landen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 539/2001 (3) aan de visumplicht zijn onderworpen, worden de voorwaarden voor toegang aanvankelijk gecontroleerd bij het onderzoek van de visumaanvraag. De vaststelling dat niet is voldaan aan één van de voorwaarden voor toegang, leidt in beginsel tot de afwijzing van de visumaanvraag. In uitzonderlijke gevallen kan een Schengenstaat, indien hij dit nodig acht, van dit beginsel afwijken op grond van humanitaire overwegingen, om redenen van nationaal belang of wegens internationale verplichtingen. In dat geval geeft hij een visum af dat alleen geldig is voor zijn grondgebied.
Wat het door het geachte parlementslid genoemde geval betreft, beschikt de Commissie niet over gegevens betreffende de omstandigheden of redenen die tot de afwijzing van de visumaanvragen van de Iraakse spelers hebben geleid. Aangezien de Spaanse autoriteiten op grond van het Schengenacquis over een beoordelingsvrijheid beschikten om over de betrokken visumaanvragen te beslissen, is de Commissie van oordeel dat zij het dossier zonder gevolg kan afsluiten.
(1) Alle lidstaten, met uitzondering van Ierland en het Verenigd Koninkrijk, alsmede IJsland en Noorwegen.
(3) Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, PB L 81 van 21.3.2001. Irak is opgenomen in bijlage I bij de verordening (lijst van derde landen waarvan de onderdanen in het bezit moeten zijn van een visum).
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/114 |
(2004/C 65 E/127)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2171/03
van Johanna Boogerd-Quaak (ELDR) aan de Raad
(30 juni 2003)
Betreft: Steun voor plattelandsontwikkeling
Kan de Raad onder verwijzing naar de resolutie van het Europees Parlement van 5 juni 2003 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1257/1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2826/2000 en kennis genomen hebbende van het advies van het Europees Parlement onder paragraaf 1 antwoord geven op de volgende vragen?
|
1. |
Is hij voornemens objectieve nieuwe criteria voor plattelandsgebieden in te voeren? |
|
2. |
Zo ja, is hij met mij van oordeel dat tot op heden weinig aandacht wordt geschonken aan een categorie plattelandsgebieden in de nabijheid van grote steden als specifieke categorie? |
|
3. |
Onderkent hij de zeer specifieke problemen die moeten worden opgelost om evenwicht te brengen in de behoeften van de stedelijke bevolking en de daartoe noodzakelijke overschakelingen op het platteland zoals meer grond voor recreatie, dagtoerisme en natuurontwikkeling? |
|
4. |
Is hij met mij van mening dat het noodzakelijk is bij de ontwikkeling van nieuwe criteria een specifiek type plattelandsbeleid in de nabijheid van sterk verstedelijkte gebieden te ontwikkelen? |
Antwoord
(17 november 2003)
|
1. |
In de ontwerp-verordening inzake plattelandsontwikkeling, waarover de Raad in het kader van de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid onlangs een politiek akkoord heeft bereikt, worden geen objectieve criteria vastgesteld voor de definiëring van plattelandsgebieden. Gelet op de zeer uiteenlopende kenmerken en het gebrek aan homogeniteit is het moeilijk objectieve criteria vast te stellen voor plattelandsgebieden in de EU. Op dit ogenblik is er op Europees niveau geen enkele definitie van dit begrip beschikbaar. In het kader van de hervorming worden wel nieuwe maatregelen getroffen die rechtstreeks bedoeld zijn voor bedrijfshoofden en voor producentenorganisaties. Gehandhaafd blijven daarbij bepaalde verplichtingen ten aanzien van de te tellen gewassen en de wijze van veehouderij, alsook de maatregelen ter bevordering van bebossing en de financiering van adviseringsdiensten op het gebied van productkwaliteit en productiemethoden. |
|
2. |
Dat plattelandsgebieden in de nabijheid van stedelijke gebieden als een specifieke categorie zouden moeten worden beschouwd, is onlangs tijdens de besprekingen in de Raad wel aan de orde gesteld, maar in dit stadium is hierover nog geen enkel besluit genomen. Dit betekent dat de lidstaten bevoegd zijn om in het kader van hun nationale programma's voor plattelandsontwikkeling zelf een definitie van plattelandsgebieden te geven voor wat hun eigen grondgebied betreft. |
|
3. |
Het is het geachte parlementslid ongetwijfeld bekend dat de Europese landbouw uitgaat van een multifunctioneel model, dat onder meer gericht is op de ontwikkeling van de primaire sector met aandacht voor duurzame ontwikkeling, dierenwelzijn en de ontwikkeling van het platteland in zijn geheel. In dat model is ook ruimte voor acties op de gebieden waarnaar het geachte parlementslid verwijst, zoals recreatie, toerisme en natuurontwikkeling. Op 13 en 14 november 2003 vindt in Salzburg (Oostenrijk) een conferentie plaats over plattelandsontwikkeling in het vooruitzicht van een EU met 25 lidstaten. Hierdoor zal ongetwijfeld een belangrijke bijdrage worden geleverd aan het debat. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/115 |
(2004/C 65 E/128)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2208/03
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(2 juli 2003)
Betreft: Etikettering van eieren van hennen met vrije uitloop
Kan de Commissie zeggen wat de minimumvoorwaarden zijn voor het etiketteren van eieren als „eieren van hennen met vrije uitloop”?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(1 augustus 2003)
Bij Verordening (EEG) nr. 1274/91 van de Commissie van 15 mei 1991 houdende bepalingen ter toepassing van Verordening (EEG) nr. 1907/90 van de Raad betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (1) zijn de criteria vastgesteld die moeten worden nageleefd voor eieren die zullen worden geëtiketteerd als „eieren van hennen met vrije uitloop”.
De betrokken bepalingen van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1274/91 luiden als volgt:
|
|
Minimumvoorwaarden waaraan de pluimveebedrijven voor de verschillende houderijsystemen moeten voldoen
|
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/116 |
(2004/C 65 E/129)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2213/03
van Marco Pannella (NI) aan de Raad
(2 juli 2003)
Betreft: Onmenselijke en vernederende omstandigheden voor 75 Cubaanse gevangenen, onder wie Martha Beatriz Roque Cabello
Overwegende dat:
|
— |
in april laatstleden 75 opposanten, intellectuelen en onafhankelijke journalisten, na een summier proces zijn veroordeeld; |
|
— |
zoals „Human Rights Watch” verklaarde, „de enige misdaad van die gedetineerden de promotie van in Cuba verboden ideeën was”; |
|
— |
tot die groep één enkele vrouw behoort, de 58-jarige Martha Beatriz Roque Cabello, directeur van het Cubaans instituut van onafhankelijke economen „Manuel Sánchez Herrero”, schrijfster, econoom en politiek activiste; |
|
— |
Martha Beatriz Roque Cabello — veroordeeld tot 27 jaar gevangenis en gedetineerd in de gevangenis van Manto Negro, onder het strengste veiligheidsregime -, opgesloten zit in een cel van 1,5 bij 3 m zonder venster, met een gat voor haar behoeften, waar het licht voortdurend brandt, waar knaagdieren en kevers zitten en waar het drinkwater besmet is; |
|
— |
Martha Beatriz Roque Cabello zware reumaproblemen en een maagzweer heeft en bovendien ook een hoge bloeddruk, de linkerzijde van haar lichaam is verlamd en ze meer dan 14 kilo is vermagerd sedert april, het ogenblik vanaf hetwelk ze geen passende medische hulp en ook niet de nodige geneesmiddelen meer krijgt; |
|
— |
Martha Beatriz Roque Cabello bij de Cubaanse dissidenten zeer bekend is: in 2002 ontving ze de prijs van de „Wetenschappers voor de mensenrechten” van de Academie van wetenschappen van New York; onlangs werd ze door een aantal internationale organisaties „gewetensgevangene” genoemd; sinds de jaren '80 is ze lid van de Radicale transnationale partij, |
kan de Raad mededelen:
|
— |
of hij op de hoogte is van bovenvermelde feiten en, zo ja, welke initiatieven hij al heeft genomen? Zo neen, welke initiatieven wil de Raad dan nemen ten aanzien van de Cubaanse autoriteiten om de 75 veroordeelden vrij te krijgen en om er in elk geval voor te zorgen dat hun detentievoorwaarden met de fundamentele mensenrechten stroken? |
|
— |
of hij heeft gevraagd dat de gevangenen -in elk geval Martha Beatriz Roque Cabello — kunnen worden bezocht door een Europese delegatie en door elke andere daartoe geschikte en derhalve erkende internationale organisatie en, zo niet, of en wanneer hij dat zal vragen? |
Antwoord
(17 november 2003)
De Raad kent de zorgwekkende omstandigheden en gezondheidssituatie waarin een aantal politieke gevangenen in Cuba zich bevindt, en heeft verscheidene demarches ondernomen om de Cubaanse autoriteiten te verzoeken alle politieke gevangenen onmiddellijk vrij te laten en ervoor te zorgen dat zij in de tussentijd niet nodeloos lijden of onmenselijk behandeld worden. Ter ondersteuning van dit beleid zijn stappen gezet, in het bijzonder op 26 maart 2003, toen de lokale trojka in Havana uiting heeft gegeven aan de diepe bezorgdheid over de opsluiting van tientallen Cubaanse dissidenten door de Cubaanse autoriteiten. Op 5 juni 2003 heeft de EU in een tweede verklaring aan de Cubanen diepe bezorgdheid geuit over de schending van de mensenrechten van oppositieleden, en de Cubaanse autoriteiten opnieuw gevraagd alle politieke gevangenen vrij te laten. De EU vroeg voorts dat gevangenen niet onmenselijk worden behandeld en dat de toegang voor het Rode Kruis gewaarborgd wordt. Op 1 augustus 2003 was er een derde specifieke demarche van het EU-voorzitterschap in Rome bij de Cubaanse ambassadeur waarbij bezorgdheid is geuit over de verslechterende gezondheidstoestand van Marta Beatriz Roque en Oscar Espinosa Chepe en waarbij verzocht is om deze gevangenen volledige medische zorg te bieden. De hoofden van de missies in Cuba blijven de situatie volgen.
Voor een vollediger beeld van zijn inspanningen ten gunste van de Cubaanse dissidenten verwijst de Raad naar de antwoorden die hij recentelijk op verscheidene parlementaire vragen heeft gegeven (vragen H-243/03, H-313/03, H-396/03). Voorts herinnert de Raad het geachte parlementslid aan de conclusies die hij in zijn zitting van 21 juli 2003 over de meest recente toetsing van het gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake Cuba heeft aangenomen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/117 |
(2004/C 65 E/130)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2214/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(2 juli 2003)
Betreft: Project Europese veiligheid
De culturele vereniging „Gruppo Atlante 2000” spant zich al sinds vele jaren in voor de uitvoering van een project Europese veiligheid op basis van het programma-Equal en nu ook van het recente programma-Agis. De hoofdpunten van dat project kunnen als volgt worden samengevat: de hoeveelheid asielzoekers vaststellen en nagaan wie van hen werkelijk tot die categorie behoort; opvangcentra oprichten in verhouding tot de behoefte aan huisvesting en bijstand; de EU-burgers in een ruimte van vrijheid en rechtvaardigheid een hoog niveau van veiligheid bieden.
De jongste jaren blijkt uit de voortdurende toename van het aantal asielzoekers in Italië dat de overheid een eenvormige strategie moet ontwikkelen om de kwaliteit van de opvang te verbeteren en tegelijkertijd de clandestiniteit te bestrijden. Daarnaast moet ook worden voorkomen dat asielzoekers terechtkomen in de netten van de georganiseerde criminaliteit of het zwartwerk.
Kan de Commissie in het licht van het voorgaande mededelen:
|
1. |
welke bijdrage die vereniging aan het werk van Europol en Eurojust kan leveren? |
|
2. |
of er in de EU nog soortgelijke initiatieven zijn? |
|
3. |
wat het algemene kader van de Europese veiligheid is? |
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(22 augustus 2003)
De lidstaten zullen moeten zorgen voor materiële opvangvoorzieningen voor onderdanen van derde landen en staatlozen die een asielverzoek indienen aan de grens of op het grondgebied van een lidstaat zodat hen na de deadline voor de omzetting van richtlijn 2003/9/EC — richtlijn van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers (1) — een levensstandaard wordt geboden die hoog genoeg is om hun gezondheid te waarborgen en de nodige bestaansmiddelen ter beschikking te stellen. De deadline voor de omzetting is 6 februari 2005.
Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 stelt criteria en instrumenten vast om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (2). Dat instrument voorkomt dat asielzoekers meerdere procedures inleiden en dat nieuwe opvangfaciliteiten moeten worden opgericht. De omzetting van deze verordening wordt vergemakkelijkt door het Eurodac-systeem, zoals ingesteld bij Verordening (EG) nr. 2725/2000 van de Raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin (3). Overeenkomstig deze verordening moeten de lidstaten onverwijld vingerafdrukken nemen van elke asielzoeker en van elke in verband met illegale overschrijding van de buitengrens van een lidstaat aangehouden vreemdeling, voorzover deze 14 jaar is of ouder.
Ter bestrijding van illegale immigratie keurde de Raad op 28 februari 2002 een actieplan inzake illegale immigratie (4) goed. Een correcte omzetting van deze maatregelen door de lidstaten kan de illegale migratiestromen beperken en op lange termijn de behoefte aan nieuwe opvangmogelijkheden voor asielzoekers verminderen.
Het AGIS-programma is in eerste instantie een programma ter bevordering van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. In het kader van de strijd tegen de georganiseerde misdaad en, meer bepaald de strijd tegen mensenhandel, overweegt het genoemde programma een financiële bijdrage voor de coördinatie van projecten tussen politieonderzoeken en administratieve controlemaatregelen. Het overweegt tevens de medefinanciering van projecten ter bestrijding van organisaties, criminele netwerken en criminelen die actief zijn op het gebied van illegal immigratie in de lidstaten en hun buurlanden.
Europol werd opgericht om de wetshandhavingsinstanties van de lidstaten bij te staan in hun strijd tegen ernstige grensoverschrijdende misdrijven, meer bepaald de georganiseerde misdaad, en heeft geen enkele zeggenschap over asielzoekers. Eurojust is een orgaan dat bestaat uit magistraten, tot belangrijkste taak heeft de nationale vervolgingsinstanties bij te staan en te adviseren inzake juridische vervolgingen en in feite geen politieke of administratieve taken heeft. Als „Gruppo Atlante 2000” deskundig advies nodig heeft betreffende justitiële of politiële zaken, kan ze rechtstreeks contact opnemen met Eurojust of Europol om de kwestie en een eventuele samenwerking te bespreken.
De tweede ronde van EQUAL gaat in 2004 van start. EQUAL zal blijven instaan voor de financiering van ontwikkelingspartnerschappen die streven naar sociale en professionele integratie van asielzoekers. De Commissie bepaalt het algemene kader van het initiatief, terwijl de beheersautoriteiten in de lidstaten hun prioriteiten vaststellen en doeltreffende ontwikkelingspartnerschappen sluiten. Gegevens over de nationale contactpunten zijn terug te vinden op de website van EQUAL: [http://europa.eu.int/comm/equal].
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/118 |
(2004/C 65 E/131)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2220/03
van Bart Staes (Verts/ALE) aan de Commissie
(2 juli 2003)
Betreft: Taalgebruik persmededelingen Commissie — Midday Express
Op donderdag 19 juni 2003 verspreidde de Commissie een persbericht (IP/03/866) over het onderzoek dat zij laat voeren naar de praktijken bij de distributie van Pokemonkaarten en -stickers. Het bericht werd meteen verspreid in alle officiële talen van de Europese Unie.
Erkent de Commissie dat de onmiddellijke verspreiding van persberichten in alle officiële talen van de Europese Unie eerder uitzonderlijk is en zeker 10 % van het totaal niet overschrijdt?
Kan de Commissie mededelen uit welke overwegingen zij dit specifieke bericht heeft laten vertalen in de officiële talen van de Europese Unie en andere berichten niet, zoals de berichten over de goedkeuring van nieuwe BSE-testen (19/06/03), de top van Thessaloniki, die nochtans een „mijlpaal” wordt genoemd in de relaties van de EU met de westelijke Balkan (18/06/03), de uitnodiging aan alle Europese burgers om deel te nemen aan de discussie over de aanpassing van de richtlijn „Televisie zonder Grenzen” (18/06/03), een Europese code voor het voorkomen van kanker door het veranderen van de levenswijze (17/06/03) en de manier waarop vee het best over lange afstanden wordt getransporteerd (17/06/03)?
Heeft de Commissie bij het verspreiden van de mededeling over Pokemonstickers in de eerste plaats aandacht gehad voor de mediagenieke aspecten?
Schat de Commissie de maatschappelijke relevantie van een onderzoek naar het verspreiden van Pokemonstickers hoger in dan bv. Europese voorlichting over een levenswijze die preventief is ten aanzien van het krijgen van kanker en verspreidt zij daarom het eerstgenoemde bericht in alle officiële talen?
Indien dit niet zo is, zal zij voortaan dan ook alle persberichten die relevant zijn voor alle Europeanen vertalen in alle officiële talen van de Europese Unie, zodat alle Europeanen in hun eigen taal niet alleen op de hoogte worden gebracht van een mogelijk verkeerde prijszetting van Pokemonstickers, maar ook van andere minstens even relevante Europese en maatschappelijke thema's? Zo neen, waarom niet?
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(12 augustus 2003)
De Commissie verwijst het geachte parlementslid naar haar antwoord op schriftelijke vraag E-1972/03 (1).
De door de dienst van de woordvoerder van de Commissie verspreide persberichten werden uiteraard ter beschikking gesteld van de burgers, andere instellingen van de Unie, bedrijven, regeringen en niet-gouvernementele organisaties. De persberichten zijn echter bedoeld om de informatie hoofdzakelijk via de media zo snel mogelijk naar het publiek te laten doorstromen. De door de dienst van de woordvoerder toegepaste methode beoogt dan ook de informatiestroom naar de journalisten te vergemakkelijken. Aangezien een persbericht tot doel heeft verschillende doelgroepen via de media te informeren past de dienst van de woordvoerder dit systeem op een soepele wijze toe en wordt rekening gehouden met het feit dat de persberichten snel moeten worden verspreid.
Persberichten over besluiten van de Commissie worden vertaald in alle officiële talen. Wanneer in uitzonderlijke omstandigheden de betreffende maatregel op korte termijn werd goedgekeurd kan een persbericht enkel in het Engels of het Frans worden verspreid. In deze gevallen worden de vertalingen in de andere talen zo snel mogelijk ter beschikking gesteld.
Persberichten over andere aangelegenheden worden vertaald in de in de perskamer van de Commissie gebruikte talen (Engels en Frans) en in de taal van het betrokken land.
Deze praktijken zijn goedgekeurd door de Internationale Persassociatie.
De Commissie verwijst het geachte parlementslid ook naar de andere instrumenten waarvan zij gebruik maakt om informatie aan het grote publiek door te spelen (internetsites, publicaties, enz.) en die in alle officiële talen beschikbaar zijn.
(1) PB C 51 E van 26.2.2004, blz. 169.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/119 |
(2004/C 65 E/132)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2222/03
van Bart Staes (Verts/ALE) aan de Commissie
(2 juli 2003)
Betreft: Europese harmonisatie terrorismeverzekeringen
Sinds de aanslag in New York op 11 september 2001 is duidelijk geworden dat terrorisme ongekend grote gevolgen kan hebben. Allereerst voor de slachtoffers en hun directe omgeving. Maar niet het minst ook in economische zin. De schade komt in grote mate voor rekening van verzekeraars. De claims kunnen enorm zijn.
Verzekeraars in Nederland hebben besloten om het terrorismerisico gezamenlijk te dragen omdat de gevolgen zo enorm groot kunnen zijn. Daartoe is de Nederlandse Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden (NHT) opgericht. Daarin brengen verzekeraars gezamenlijk de dekking van gevolgen van terrorisme onder.
Het totaal uit te keren bedrag zal voor 2003 in Nederland beperkt worden tot 1 miljard euro. Dit bedrag is, zo leert het meertalige [www.terrorismeverzekerd.nl], „echt een maximum, dus meer zal er niet worden uitgekeerd”. Het bedrag is samengesteld door verzekeraars, herverzekeraars en overheid. Verzekeraars en herverzekeraars brengen in 2003 samen 700 miljoen euro in. De Nederlandse overheid voorziet in de resterende 300 miljoen euro. Dat laatste, zo meldt [www.terrorismeverzekerd.nl], „gebeurt op basis van een herverzekering door de overheid aan de verzekeraars tegen de betaling van een premie.”
De Belgische verzekeringssector kent het initiatief, maar vindt dat „een Europese regeling van terreurschade nog het beste zou zijn. Zo wordt opbod tussen de lidstaten vermeden. Anderzijds zou het vervelend zijn als België alleen achterblijft.” (De Morgen, 23 juni 2003).
Is de Commissie op de hoogte van de Nederlandse terrorismeverzekering? Is de bijdrage van de Nederlandse overheid in overeenstemming met de Europese wetgeving inzake eerlijke concurrentie?
Zo ja:
|
1. |
is er een maximum dat overheden van lidstaten kunnen inbrengen in deze constructies met particuliere verzekeraars; |
|
2. |
klopt het dat lidstaten onderling aan opbod kunnen doen ten voordele van hun verzekeringssector; |
|
3. |
is de Commissie bereid om een Europese harmonisering door te voeren zodat niet alleen verzekeraars, maar ook de verzekerden (a) overal in de Unie terecht kunnen tegen dezelfde voorwaarden en (b) de werknemers en de investeerders in de verzekeringssector zich op een redelijke wijze beschermd weten tegen de onvoorspelbaarheid van de economische schade van terrorisme? |
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(19 september 2003)
In reactie op de gebeurtenissen van 11 september 2001 zijn in Europa verscheidene pools van verzekeraars in het leven geroepen, die zich elk concentreren op het verzekeren van risico's welke zich binnen een nationaal grondgebied bevinden. Dit zou vragen kunnen opwerpen op het gebied van antitrustwetgeving en, wanneer er sprake is van ondersteuning door de staat, ook op het gebied van de wetgeving inzake staatssteun.
Wat de antitrustaspecten betreft is de Nederlandse pool, voor zover de Commissie weet, bij de Nederlandse mededingingsautoriteit aangemeld. De Duitse pool Extremus en de Oostenrijkse pool hebben hun overeenkomsten aangemeld bij de Commissie, die deze thans onderzoekt.
De Commissie onderhoudt nauwe contacten met de nationale autoriteiten om te zorgen voor een gemeenschappelijke aanpak ten aanzien van de evaluatie en de behandeling van deze pools.
De Commissie heeft tevens nauwe contacten onderhouden met de nationale verzekeringsautoriteiten om, onder andere, de situatie op de markten te peilen en na te gaan of er op communautair niveau een initiatief op het gebied van de verzekering van terrorismerisico's moet worden gelanceerd. Verreweg de meeste lidstaten vonden dit niet noodzakelijk. De Commissie zal niettemin waakzaam blijven ten aanzien van ontwikkelingen in deze kwestie.
Er is geen maximumbedrag dat de regeringen van de lidstaten aan deze pools kunnen bijdragen. Doorgaans dekken pools die door de overheid gesteund worden alleen risico's die op het grondgebied liggen van de staat die deze pool ondersteunt. Deze pools concurreren derhalve niet met elkaar.
Wanneer deze stelsels door de staat worden gesteund, zouden zij ook aanleiding kunnen geven tot problemen op het gebied van staatssteun. De Commissie heeft een aantal stelsels van terrorismeverzekering van na 11 september 2001, met name voor luchtvaart in bijna alle lidstaten, aan de regels inzake staatssteun getoetst. In haar beoordeling heeft de Commissie gelet op de mogelijkheid dat er sprake kan zijn van marktfalen. De Commissie heeft twee mededelingen (1) gepubliceerd over de gevolgen van deze terroristische aanslagen en heeft een voorstel voor een verordening (2) ingediend om voor minimum-verzekeringseisen te zorgen. Dit voorstel moet nog worden goedgekeurd.
Buiten de luchtvaartsector heeft de Commissie nog geen aanmeldingen ontvangen van staatssteun voor stelsels van het door het geachte parlementslid genoemde soort.
(1) COM(2001) 574 def. COM(2002) 320 def.
(2) COM(2003)454 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/121 |
(2004/C 65 E/133)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2232/03
van Sebastiano Musumeci (UEN) aan de Raad
(3 juli 2003)
Betreft: De Euromediterrane Bank op Sicilië
Op verzoek van de Europese Raad van Laken van december 2001 hebben de Commissie en de Raad zich bezonnen op de mogelijkheid een euromediterrane bank op te richten. De Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002 heeft de oprichting goedgekeurd van een Euromeditterraan Investeringsfonds in het kader van de EIB dat meer continuïteit moet vertonen en worden geïntegreerd door een euromediterrane partnerschapsovereenkomst en een kantoor te plekke dat de EIB vertegenwoordigt.
Kan de Raad meedelen:
|
1. |
welke criteria zullen worden gehanteerd bij de keuze van het land waar dit euromediterraan filiaal van de EIB wordt gevestigd? |
|
2. |
of hij niet van mening is dat Italië het meest in aanmerking komt als vestigingsplaats van deze bank door zijn politiek-geografische ligging in het euro-afro-aziatische bekken en door zijn millennium oude cultuurhistorische en godsdienstige traditie? |
Antwoord
(17 november 2003)
Zoals het geachte parlementslid in zijn vraag opmerkt, heeft de Europese Raad in Barcelona op 15/16 maart 2002, onder punt 52 van zijn conclusies, zijn goedkeuring gehecht aan het besluit van de Raad Ecofin tot oprichting van een versterkte Euro-mediterrane investeringsfaciliteit bij de EIB. Deze faciliteit is, overeenkomstig het besluit van de Raad, door de Europese Investeringsbank opgericht onder de naam „Europees-mediterrane investerings- en partnerschapsfaciliteit” of „FEMIP”.
Met inachtneming van alle door het geachte parlementslid in zijn vraag genoemde elementen is de FEMIP opgericht met een financiële faciliteit, aangevuld met de Europees-mediterrane partnerschapsregeling, waarmee via het „Comité coördinatie en beleidsdialoog” samenwerking in de regio wordt nagestreefd, en waarbij de samenwerking verder moet worden versterkt door de vestiging van een vertegenwoordiging van de EIB in de Europees-mediterrane regio.
Een dergelijk regionaal bureau is in juli 2003 in Caïro geopend.
Bij dezelfde gelegenheid heeft de Europese Raad, onder punt 52 van zijn conclusies, tevens opgemerkt dat „op basis van een evaluatie van de prestaties van de faciliteit, een jaar na de lancering van de faciliteit een besluit wordt overwogen en genomen, rekening houdend met het resultaat van het overleg met onze partners in het proces van Barcelona, over de oprichting van een EIB-dochter met meerderheidsbelang van de EIB ten behoeve van onze mediterrane partnerlanden”. Aangezien de FEMIP in oktober 2002 gelanceerd werd, zal de evaluatie van het eerste jaar van zijn werking naar verwachting dit najaar worden afgerond, in het licht waarvan dan een besluit zal worden genomen over de oprichting van een EIB-dochter.
De Raad zal de evaluatie en het resultaat van het overleg met de partners in het proces van Barcelona waarschijnlijk in november bespreken en bij die gelegenheid kan de kwestie van de oprichting van een EIB-dochter met meerderheidsbelang van de EIB aan de orde komen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/122 |
(2004/C 65 E/134)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2261/03
van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Commissie
(8 juli 2003)
Betreft: Inventarisatie overheidssteun aan betaaldvoetbalorganisaties
Naar aanleiding van de brief van de Commissie (DG Concurrentie H3/NTI/amv D(2002) 0422) van 11 juli 2002 aan de Nederlandse regering heeft deze laatste de aard en omvang laten inventariseren van de financiële relaties tussen 33 gemeenten enerzijds en betaaldvoetbalorganisaties (bvo's) en hun thuisstadions anderzijds. De uitkomsten van deze inventarisatie hebben ertoe geleid dat de Nederlandse regering momenteel maatregelen neemt om de onduidelijkheden weg te nemen die er bestaan over de relatie tussen overheid en bvo's, gelet op de maatschappelijke functie die zij vervullen. Dit gebeurt in overleg met de rijksoverheid, provincies, gemeenten, de KNVB en de Europese Commissie.
Deze onduidelijkheden zijn echter niet voorbehouden aan Nederland alleen. Een soorgelijk overzicht van de situatie in heel Europa is dan ook bijzonder welkom.
Heeft de Commissie aan meerdere lidstaten zijn zorg uitgesproken over vermoedelijke staatssteun? Zo ja, aan welke?
Hoe denkt de Commissie over een Europa-brede inventarisatie van overheidssteun aan bvo's? Is de Commissie bereid een dergelijke inventarisatie te laten uitvoeren?
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(13 augustus 2003)
De Commissie onderzoekt momenteel verscheidene potentiële steunmaatregelen. Tot nu toe werden aan de Italiaanse regering vragen gesteld over een besluit waarbij het beroepssportorganisaties toegestaan is boekhoudregels op een klaarblijkelijk gunstige wijze toe te passen. Op het ogenblik worden de antwoorden op die vragen beoordeeld. Terzelfder tijd wordt, naar aanleiding van een klacht, de verkoop van onroerend goed aan voetbalclub AZ in Nederland aan een onderzoek onderworpen. In deze zaak heeft de Commissie op 23 juli 2003 een formele procedure ingeleid. De Commissie herinnert er tevens aan dat zij de aanmelding door de Franse regering van overheidssubsidies voor beroepssportclubs in 2001 heeft onderzocht en dat zij besloot geen bezwaar te maken omdat de maatregelen erop gericht waren onderwijs en initiële opleiding te ondersteunen en als zodanig een onderwijsregeling of soortgelijke regeling vormden, maar geen staatssteun in de zin van het EG-Verdrag.
De Commissie is van oordeel dat haar beleid moet worden ontwikkeld op basis van individuele gevallen. Bijgevolg is de Commissie in deze fase niet van plan een Europa-breed onderzoek in te stellen naar overheidssteun aan betaaldvoetbalorganisaties.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/122 |
(2004/C 65 E/135)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2270/03
van Adriana Poli Bortone (UEN) aan de Commissie
(7 juli 2003)
Betreft: Bari: zetel van de Europese Bank voor het Middellandse-Zeegebied
Het zuiden van Italië is een broedplaats aan het worden van ontwikkelingsprojecten en van menselijke hulpbronnen met een steeds grotere professionaliteit.
Het openbaar bestuur is in het zuiden ongetwijfeld verbeterd en is in staat antwoorden te geven op de vraag naar minder bureaucratie en snellere procedures.
Vooral Apulië heeft aangetoond in staat te zijn tot werkelijk integratie in de Europese programma's.
Is de Commissie van plan de kandidaatstelling van Bari te steunen als zetel van de Europese Bank voor het Middellandse-Zeegebied gezien de strategische geopolitieke positie van Apulië in het Middellandse-Zeebekken?
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(30 juli 2003)
Op 14-15 maart 2002 namen de Ecofin-Raad en de Europese Raad de beslissing om een investeringsfaciliteit op te richten om de activiteiten van de Europese Investeringsbank (EIB) in de partnerlanden van het Middellandse Zeegebied te versterken en vooral om er de particuliere sector te ontwikkelen. Er werd ook beslist om een jaar na de oprichting te onderzoeken of deze faciliteit kon worden ondergebracht in een dochteronderneming van de EIB waarin de EIB een meerderheidsbelang bezit.
De faciliteit werd opgericht in het najaar van 2002. In samenspraak met de Commissie en de EIB en na overleg met de partnerlanden van het Middellandse-Zeegebied zal de Raad vermoedelijk in het najaar van 2003 een besluit nemen over de eventuele oprichting van een dochteronderneming van de EIB waarin de EIB een meerderheidsbelang bezit.
De Commissie is verheugd over de interesse van het geachte parlementslid in deze zaak en in de eventuele vestiging van een dergelijke bank in Bari. Momenteel is het nog te vroeg om een vestigingsplaats te kiezen, maar als in het najaar 2003 wordt besloten een dochteronderneming op te richten zal bij die keuze zeker rekening moeten worden gehouden met de respectieve voordelen van de mogelijke vestigingsplaatsen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/123 |
(2004/C 65 E/136)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2272/03
van Pedro Marset Campos (GUE/NGL) aan de Raad
(7 juli 2003)
Betreft: De positie van de werknemers van het bedrijf Sintel (Spanje)
De werknemers van het failliet verklaarde bedrijf Sintel zijn nu bijna twee jaar verder nadat het voorstel en de voorwaarden van de regering aanvaard zijn (overeenkomst van 3 augustus 2001) waarvan het doel was toepassing van het maatregelenpakket om de crisis rond Sintel op te lossen in overeenstemming met alle betrokken partijen, maar de werknemers verkeren nog steeds in dezelfde weerloze positie als aan het begin van het conflict.
De wettige vertegenwoordigers van de werknemers zijn tot op heden voor geen enkele vergadering uitgenodigd noch door de instanties die het faillissement afwikkelen noch door het Bestuur noch door Teléfónica, wat de opzet was van het proces ter afwikkeling van het faillissement omdat de werknemers de voornaamste belanghebbenden zijn. Zolang de werknemers niet bijeen worden geroepen kan er moeilijk sprake zijn van toepassing van de overeenkomst.
Sinds het faillissement (officieel afgekondigd op 28 mei 2001) zijn er nu twee jaar verstreken en de belanghebbenden zijn nog steeds niet geconvoceerd om hun vertegenwoordigers aan te wijzen waardoor de rechten van de werknemers niet kunnen worden uitgeoefend terwijl zij de belangrijkste belanghebbenden zijn. Aangezien er allerlei bepalingen van de overeenkomst niet zijn nageleefd en aangezien de rechten van de werknemers met voeten worden getreden, luidt de vraag:
|
1. |
Draagt de Raad kennis van deze wantoestand? |
|
2. |
Meent de Raad ook niet dat de Spaanse regering garanties moet geven voor de naleving van de overeenkomst met de Sintel-werknemers? |
|
3. |
Kan de Raad informatie verschaffen over de follow-up door de EU in de zaak Sintel en de nalatigheid van de Spaanse regering? |
Antwoord
(17 november 2003)
De Raad is zich ervan bewust dat de toepassing van het maatregelenpakket tot redding van het failliete telecommunicatiebedrijf Sintel in Spanje een bijzonder gevoelig onderwerp is.
Uit Gemeenschapswetgeving van recente jaren blijkt dat informatie en raadpleging van werknemers en hun vertegenwoordigers voor de Raad een belangrijk punt van aandacht is.
Bepalingen betreffende informatie en raadpleging van werknemers staan in Richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (1), Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (2) en Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (3). Een ander cruciaal instrument in dit verband is Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (4), die uiterlijk op 23 maart 2005 door de lidstaten moet worden omgezet.
De verantwoordelijkheid voor het toezicht op en, waar van toepassing, de handhaving van de toepassing van de betreffende richtlijnen door de lidstaten berust echter bij de Commissie. De Raad kan zich derhalve niet uitspreken over dit specifieke geval.
(1) PB L 254 van 30.9.1994, blz. 64.
(2) PB L 225 van 12.8.1998, blz. 16.
(3) PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16.
(4) PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/124 |
(2004/C 65 E/137)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2278/03
van Roger Helmer (PPE-DE) aan de Commissie
(9 juli 2003)
Betreft: Nationaal staatsburgerschap
Is de Commissie de woorden van Onze Heer indachtig dat een man niet twee meesters kan dienen, daar hij de een zal beminnen en de ander haten of vice versa?
Waar halen de instellingen van de EU het recht vandaan te veronderstellen dat zij een nieuw en aanvullende staatsburgerschap kunnen opdringen aan de burgers van de lidstaten van de EU, die voor het merendeel een dergelijk aanvullend staatsburgerschap niet willen of vragen of erin toestemmen?
Over welke mechanismen beschikken de burgers van de lidstaten om dit zogenaamde burgerschap te verwerpen en af te wijzen, en te bevestigen dat hun burgerschap, identiteit en loyaliteit geheel en onverdeeld blijft voorbehouden aan hun eigen land?
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(18 september 2003)
Het Verdrag betreffende de Europese Unie (Verdrag van Maastricht), dat door een conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten werd opgesteld en door alle lidstaten overeenkomstig hun grondwettelijke bepalingen is geratificeerd, heeft aan het EG-Verdrag de volgende bepaling toegevoegd:
|
1. |
Er wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. |
|
2. |
De burgers van de Unie genieten de rechten en zijn onderworpen aan de plichten die bij dit Verdrag zijn vastgesteld (artikel 17 van het EG-Verdrag). |
Het Verdrag van Amsterdam, dat volgens dezelfde procedure werd opgesteld en geratificeerd, heeft lid 1 van dat artikel aangevuld met de volgende zin:
|
|
Het burgerschap van de Unie vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan. |
De genoemde bepaling is zonder belangrijke wijzigingen overgenomen in artikel I-8 van de door de Europese Conventie opgestelde ontwerp-grondwet. Aan die Conventie namen vooral vertegenwoordigers van de nationale parlementen en regeringen deel.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/125 |
(2004/C 65 E/138)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2279/03
van Koenraad Dillen (NI) aan de Raad
(9 juli 2003)
Betreft: Veroordeling van twee journalisten in Laos
Met ontzetting hebben de media vandaag 30 juni 2003 vernomen dat de Belgische onafhankelijke journalist Thierry Falise, zijn Franse fotograaf Vincent Reynaud en hun Amerikaanse tolk, alle drie gearresteerd in Laos op 4 juni jl, na een schijnproces waarbij geen enkele rechtsprincipe gegarandeerd werd, tot 15 jaar cel veroordeeld werden wegens „illegaal wapenbezit” en „obstructie jegens een overheidsambtenaar”.
Thierry Falise maakte een reportage over de Hmong-minderheid die zich verzet tegen het totalitaire communistisch regime in Laos.
Heeft de Raad hierover enige veroordeling uitgesproken?
Heeft de Raad reeds enige diplomatieke stappen ondernomen bij de autoriteiten van Vientiane? Met welk resultaat? Over welke drukking smiddelen beschikt de Raad om dit vonnis zo snel mogelijk ongedaan te maken?
Acht de Raad het niet wenselijk om via de autoriteiten in Beijing druk uit te oefenen op het regime in Vientiane? Laos leunt immers nauw aan bij China.
Antwoord
(17 november 2003)
|
1. |
De Raad was net zo bezorgd over de arrestatie en de aansluitende veroordeling tot 15 jaar gevangenisstraf van de Belgische journalist Thierry Falise, de Franse fotograaf Vincent Reynaud en hun Amerikaanse tolk als de geachte afgevaardigde. De Raad heeft echter geen officiële diplomatieke stappen bij de regering van Laos gedaan, om de bilaterale inspanningen die de Franse en de Belgische regering destijds ondernamen om de vrijlating van de beide journalisten te bewerkstelligen, niet te doorkruisen. |
|
2. |
De Raad kan tot zijn genoegen constateren dat deze bilaterale inspanningen succesvol zijn geweest, en dat de journalisten begin juli 2003 zijn vrijgelaten. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/125 |
(2004/C 65 E/139)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2282/03
van Elspeth Attwooll (ELDR) aan de Commissie
(9 juli 2003)
Betreft: Vangstmogelijkheden
Kan de Commissie gegevens verstrekken over de omvang van de door Britse vissers binnen en buiten 200 mijl uit de Britse kust gebruikte vangstmogelijkheden?
Kan zij voorts gegevens verstrekken over de omvang van de door andere vissers uit de EU en niet uit de EU afkomstige vissers in hetzelfde gebied gebruikte vangstmogelijkheden?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(12 augustus 2003)
Het is de Commissie niet mogelijk de gevraagde informatie samen te stellen.
Op grond van de controleverordening (1) moet elke lidstaat de Commissie maandelijks de hoeveelheden melden die in de voorafgaande maand zijn aangevoerd uit elk bestand of elke groep bestanden waarvoor een TAC (totaal toegestane vangst) of quotum geldt. Voor andere bestanden (d.w.z. niet aan een TAC of quotum onderworpen bestanden waarop is gevist in communautaire wateren, in wateren van derde landen of op volle zee) moeten de lidstaten de Commissie op kwartaalbasis melden welke hoeveelheden zijn aangevoerd. Een en ander maakt het de Commissie mogelijk om te volgen in hoeverre de lidstaten gebruik hebben gemaakt van vangstmogelijkheden.
In de van de lidstaten ontvangen meldingen van aangevoerde hoeveelheden wordt geen onderscheid gemaakt tussen vangsten binnen de 200-mijlszone van een lidstaat en vangsten buiten die zone omdat deze meldingen zijn gebaseerd op de zones zoals begrensd bij de verordening tot vaststelling van de TAC's en quota.
De bij die verordening begrensde visserijzones komen doorgaans overeen met hele sectoren of subsectoren van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) of met vangstgebieden zoals deze voor statistische doeleinden zijn omschreven door de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties. 200-mijlszones spelen in die begrenzing geen rol.
(1) Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid, PB L 261 van 20.10.1993.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/126 |
(2004/C 65 E/140)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2283/03
van Elspeth Attwooll (ELDR) aan de Commissie
(9 juli 2003)
Betreft: Ontwikkeling van kabeljauwkwekerijen
Heeft de Commissie de eventuele voordelen overwogen van het kweken van door middel van kuit van in het wild levende kabeljauw geproduceerde kabeljauw in kwekerijen, en deze vervolgens uit te zetten in zee? Welke plannen heeft de Commissie ter bevordering van het onderzoek naar uitvoerbaarheid en (positieve en negatieve) gevolgen van deze aanpak?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(1 augustus 2003)
Met het in zee uitzetten van gekweekte kabeljauw kunnen verschillende doeleinden worden nagestreefd: visteelt op zee (d.w.z. kabeljauw uitzetten in zones waar geen of slechts zeer kleine natuurlijke kabeljauwbestanden voorkomen), bestandsverbetering (d.w.z. pogen om bestaande kabeljauwbestanden te verbeteren) en bestandsherstel (d.w.z. met uitputting bedreigde bestanden helpen zich te herstellen).
In het verleden was er vooral aandacht voor bestandsverbetering en er zijn ook enkele pogingen daartoe ondernomen, hoofdzakelijk in Noorwegen. Op het mariene biologische station bij Arendal in Zuid-Noorwegen is 100 jaar lang gekweekte kabeljauw uitgezet. De daarmee opgedane ervaring is samengevat tijdens een internationaal symposium in 1993 en geconcludeerd werd dat er geen meetbare voordelen waren. Tijdens een gedeeltelijk door de Commissie gefinancierde workshop van de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee (ICES) in 1994 („Workshop to evaluate the potential of stock enhancement as an approach to fisheries management” — workshop ter beoordeling van de mogelijkheden die bestandsverbetering op het gebied van het visserijbeheer biedt) werd geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk was dat bestandsverbetering bij kabeljauw in het algemeen succesvol zou zijn. Gedurende deze workshop werd ook een Canadees voorstel beoordeeld om kabeljauw te kweken ten behoeve van het herstel van het met uitputting bedreigde Newfoundlandbestand, maar ook in dit opzicht waren de conclusies negatief.
De oorzaken van het mislukken van bestandsverbetering bij kabeljauw worden niet volledig begrepen, maar een aantal factoren kan daarin een rol spelen, bv. problemen van gekweekte kabeljauw om zich aan te passen aan natuurlijke omstandigheden, concurrentie met de natuurlijke populaties en de beperkte capaciteit van het ecosysteem. Ook dient te worden opgemerkt dat, ook al zou met bestandsverbetering bij kabeljauw enig succes worden geboekt, het nagenoeg onmogelijk zou zijn om dit effect te onderscheiden van de natuurlijke populatieschommelingen. Bovendien is het kweken van kabeljauw duur en zijn de kostenvoordelen van een verbeteringsprogramma twijfelachtig ook al zou dat programma succesvol zijn.
Gezien de beschikbare informatie over bestandsverbetering, die hierboven is samengevat, beschouwt de Commissie bevordering van onderzoek op dit gebied niet als een prioriteit.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/127 |
(2004/C 65 E/141)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2288/03
van Ozan Ceyhun (PSE) aan de Commissie
(11 juli 2003)
Betreft: Behandeling van onderdanen van derde landen in gevangenissen in EU-lidstaten
In een artikel in het Turkse dagblad Hürriyet werd erop gewezen dat onderdanen van derde landen die zich in gevangenissen binnen de EU bevinden in de uitoefening van verschillende rechten worden beperkt.
Het betreft hier het bezoekrecht, het recht klachten in te dienen en het recht op bewegingsvrijheid overdag.
In hoeverre is de Commissie hiervan op de hoogte? Op welke gebieden hebben deze beperkingen betrekking en hebben ze gevolgen? Als er sprake is van beperkingen van rechten, op welke rechtsgrondslag berusten deze dan? Worden deze beperkingen in het kader van de aanpassing van de interne politieke ontwikkeling behandeld, of zullen ze per nationale staat verschillend blijven?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(18 september 2003)
De Commissie heeft geen exemplaar van het artikel waarnaar het geachte parlementslid verwijst en kan bijgevolg geen concreet antwoord geven op vragen die betrekking hebben op informatie uit dat artikel. De tenuitvoerlegging van straffen (waaronder voorwaardelijke invrijheidsstelling) zal worden behandeld in een groenboek (inzake de harmonisatie, erkenning en tenuitvoerlegging van straffen in de Unie) dat de Commissie waarschijnlijk in oktober 2003 zal goedkeuren. Momenteel kent het recht van de Unie geen specifieke regels voor het recht van gevangenen om klachten in te dienen, maar valt dat recht voornamelijk onder het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van de Raad van Europa (artikel 6), en de nationale wetgeving van de lidstaten.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/127 |
(2004/C 65 E/142)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2295/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(11 juli 2003)
Betreft: Door de Europese Unie gefinancierde projecten
Kan de Commissie vermelden voor welke projecten het afgelopen begrotingsjaar in Hampshire, Kent, Surrey, West Sussex, East Sussex, Isle of Wight, Oxfordshire, Berkshire en Buckinghamshire EU-middelen (met inbegrip van eventuele EIB-leningen) zijn vastgelegd, en voor welke projecten kredieten zijn uitbetaald?
Aanvullend antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(11 november 2003)
Gezien de omvang van het antwoord, doet de Commissie het rechtstreeks aan het geachte parlementslid en aan het Secretariaat-generaal van het Parlement toekomen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/128 |
(2004/C 65 E/143)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2298/03
van Esko Seppänen (GUE/NGL) aan de Commissie
(11 juli 2003)
Betreft: Emissierechten in de balans van de bedrijven
Bij de behandeling door het Europees Parlement van de richtlijn over de handel in emissierechten (verslag A5-0207/2003) in de plenaire vergadering van 1 juli, antwoordde commissaris Margot Wallström niet precies op de vraag hoe de administratief verdeelde emissierechten moeten worden opgenomen in de boekhouding van een bedrijf en in de balans, op basis waarvan de beurskoers van het bedrijf tot stand komt. Op welk manier kan de Commissie garanderen dat de emissierechten in alle lidstaten en in alle bedrijven op dezelfde manier worden opgenomen en welke richtsnoeren is zij van plan hierover te vast te stellen?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(10 september 2003)
De Commissie is zich bewust van het belang van geharmoniseerde standaarden voor jaarrekeningen voor een efficiënte werking van de communautaire kapitaalmarkt en interne markt. Boekhoudkundige kwesties worden geregeld bij de vierde richtlijn van de Raad op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag (Richtlijn 78/660/EEG van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (1)) en de zevende richtlijn van de Raad op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g) van het Verdrag (Richtlijn 83/349/EEG van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening (2)). Deze richtlijnen bevatten geen specifieke regels voor emissierechten als zodanig, maar de aanbeveling van de Commissie van 30 mei 2001 betreffende de verantwoording, waardering en vermelding van milieuaangelegenheden in de jaarrekeningen en jaarverslagen van ondernemingen (3) behandelt dit specifieke thema. In deze aanbeveling beveelt de Commissie de lidstaten aan ervoor te zorgen dat ondernemingen die onder de twee richtlijnen vallen, de bepalingen van de aanbeveling — met inbegrip van de regels inzake emissierechten — toepassen.
Bovendien moeten ondernemingen uit de Gemeenschap waarvan de aandelen in enige lidstaat op een gereglementeerde markt verhandeld mogen worden, krachtens Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (4), vanaf 2005 hun geconsolideerde jaarrekening opstellen overeenkomstig de internationale standaarden voor jaarrekeningen die door de Commissie zijn aangenomen. Lidstaten mogen andere ondernemingen toestaan of verplichten om zulke standaarden voor jaarrekeningen voor hun jaarrekeningen en/of geconsolideerde jaarrekeningen te gebruiken. Een en ander werd vergemakkelijkt door de op 6 mei 2003 vastgestelde richtlijn van het Parlement en de Raad die de boekhoudkundige regels moderniseert en bijwerkt (5).
De Commissie neemt internationale standaarden voor jaarrekeningen aan volgens de comitologieprocedure van Verordening (EG) nr. 1606/2002. Daarin staat dat de Commissie internationale standaarden voor jaarrekeningen (IAS), internationale standaarden voor financiële verslaglegging (IFRS) en de daarmee verband houdende interpretaties (SIC-IFRIC- interpretaties) kan aannemen in de mate dat hun toepassing leidt tot een waarheidsgetrouw en eerlijk beeld van de financiële positie en prestaties van een onderneming, bevorderlijk is voor het Europees algemeen belang en voldoet aan fundamentele criteria ten aanzien van de kwaliteit van de voor jaarrekeningen vereiste informatie, die nuttig moet zijn voor de gebruiker (artikel 3 van de verordening).
Onlangs, in mei 2003, publiceerde het International Financial Reporting Interpretations Committee (IFRIC) van de International Accounting Standards Board's (IASB) zijn eerste ontwerp-interpretatie (D1) van de bestaande standaarden, waarin de boekhoudkundige verwerking van emissierechten behandeld wordt.
Eens de IASB zijn interpretatie over emissierechten gepubliceerd heeft, zal de Commissie de invoering daarvan op Gemeenschapsniveau in overweging nemen.
(1) PB L 222 van 14.8.1978; richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 mei 2003, PB L 120 van 15.5.2003.
(2) PB L 193 van 18.7.1983; richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/38/EG.
(5) [http://register.consilium.eu.int/pdf/nl/03/st03/st03611nl03.pdf].
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/129 |
(2004/C 65 E/144)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2311/03
van Luciana Sbarbati (ELDR) aan de Raad
(8 juli 2003)
Betreft: Vrijheid en pluralisme van de communicatiemiddelen en verlening van de desbetreffende bevoegdheden aan de Unie middels de Europese grondwet
Gezien de volgende feiten:
|
— |
De massacommunicatiemiddelen, met name de televisie, worden steeds belangrijker voor de informatie van de burgers, hun culturele en civiele ontwikkeling, en uiteindelijk het creëren van consensus. |
|
— |
De effecten van deze rol van de media kunnen bepaald worden door het sociale, politieke en culturele stempel dat er door de eigenaars en beheerders van deze media op gedrukt wordt. |
|
— |
In democratische samenlevingen zijn pluraliteit en onpartijdigheid van de informatie- en cultuur-bronnen van fundamenteel belang voor het correct functioneren en het voortbestaan van de instellingen en dus van het democratisch stelsel, zoals ook benadrukt is in de Verklaring van Rome die op 30 november 2002 is aangenomen door de Europese Vereniging van voormalige parlementsleden van de lidstaten van de Raad van Europa of de Europese Unie (punt 5). |
|
— |
De vereiste om het pluralisme van de media te waarborgen en om te voorkomen dat deze geconcentreerd worden in één of enkele politiek-economische belangencentra die in feite de nationale politiek bepalen, is van zodanig belang dat deze in de grondwet moet worden vastgelegd. Overigens is deze vereiste reeds opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. |
Is de Raad van plan ervoor te zorgen dat de vrijheid en het pluralisme van de communicatiemiddelen in de Europese ontwerp-grondwet worden opgenomen onder de waarden van de Unie (artikel 2 van het voorontwerp) en dat de bescherming ervan wordt opgenomen onder de doelstellingen van de Unie (artikel 3 van het voorontwerp), te samen met de vermelding van de voorwaarden die geacht worden noodzakelijk te zijn voor het voortbestaan van vrijheid en pluralisme en de middelen om deze na te streven en in stand te houden, alsmede de verlening van desbetreffende bevoegdheden aan de Unie alleen of aan de Unie te samen met de lidstaten?
Antwoord
(17 november 2003)
De Raad is niet bevoegd om de vraag van de geachte afgevaardigde te beantwoorden. Het is aan de Intergouvernementele Conferentie voor de herziening van de verdragen, die volgens de planning vanaf oktober 2003 bijeen zal komen, om eventueel een besluit ter zake te nemen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/130 |
(2004/C 65 E/145)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2312/03
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(8 juli 2003)
Betreft: Melkquota van de Autonome Regio der Azoren
De Europese Landbouwministers bereikten op 25-26 juni 2003 een politiek akkoord over de hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Voor de melkquota van de Azoren hield het akkoord de voortzetting in van de vrijstelling van 73 000 ton tijdens het verkoopjaar 2003/2004, een vrijstelling van 61 500 ton voor 2004/2005 en vanaf het verkoopjaar 2005/2006 een bijkomende referentiehoeveelheid van 50 000 ton. Dit resultaat is manifest ontoereikend gelet op de situatie van de zuivelsector op de Azoren en het verzoek van Portugal om zijn quota met 100 000 ton op te trekken, terwijl landen als Griekenland een verhoging met 120 000 ton werd toegestaan.
In mijn vorige schriftelijke vragen E-2538/99 (1) en E-3573/02 (2) had ik de Commissie om een reactie verzocht omtrent de specifieke situatie van de melksector op de Azoren en het statuut van de Azoren als ultraperifere regio. De zuivelsector is voor de archipel van strategisch belang, zowel „stroomopwaarts” als „stroomafwaarts”: hij is goed voor 80 % van het regionaal bruto landbouwproduct, 25 % van de melkopbrengsten en vertegenwoordigt met 5 000 personen ruim 13 % van het aantal nationale producenten. De Commissie zelf heeft in haar verslag over de situatie van de Portugese landbouw (3) het bijzondere economische belang van de sector voor de Azoren erkend. Volgens de Commissie verdienen de problemen in verband met de ontwikkeling van de melkproductie in de regio bijzondere aandacht en moeten zij met passende maatregelen worden aangepakt.
Wat meent de Commissie over de conclusies van de Raad dienaangaande, tegen de achtergrond van de specifieke vereisten van de sector in de regio en in het licht van haar verslag over de specificiteit van de Portugese landbouw? Welke maatregelen is de Commissie van plan te nemen om overeenkomstig het verslag de problemen op te lossen die voor de Azoren uit deze beperkende beslissing van de Raad kunnen voortvloeien?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(1 augustus 2003)
Het geachte parlementslid verwijst naar het op 26 juni 2003 in de Raad bereikte politieke akkoord, dat heeft geleid tot een verhoging van het melkquotum voor de Azoren met 50 000 ton vanaf het melkprijsjaar 2005/2006. De Raad heeft ook besloten de in 2001 verleende vrijstelling van de heffing te verlengen voor 73 000 ton in 2003/2004 en 61 500 ton in 2004/2005, zulks om een herstructurering van de sector mogelijk te maken.
Zonder een oordeel over het in de Raad bereikte politieke akkoord te willen geven, is de Commissie van mening dat het resultaat in belangrijke mate tegemoetkomt aan het Portugese verzoek rekening te houden met het specifieke karakter van de Azoren als ultraperifere regio.
De Commissie brengt het geachte parlementslid in herinnering dat de gegarandeerde hoeveelheden worden toegewezen op het niveau van elke lidstaat.
De Commissie zet haar overleg met de Portugese autoriteiten voort met het oog op de indiening van passende voorstellen als bedoeld in het verslag over de situatie in de Portugese landbouw dat in Thessaloniki (19 en 20 juni 2003) aan de Europese Raad is voorgelegd.
(1) PB C 330 E van 21.11.2000, blz. 19.
(2) Zie blz. 17.
(3) COM(2003) 359 van 19.6.2003.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/131 |
(2004/C 65 E/146)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2323/03
van Christopher Heaton-Harris (PPE-DE) aan de Commissie
(8 juli 2003)
Betreft: Eenheid voor de coördinatie van de fraudebestrijding UCLAF
Na overleg met de Commissie begrotingscontrole is een aantal personeelsleden dat voorheen bij UCLAF werkte, van OLAF weer overgeplaatst naar de Commissie zelf.
Op welke afdelingen zijn zij terechtgekomen? Welke posities hebben zij bekleed en bekleden zij sindsdien?
Hebben enige van deze werknemers banden met Eurostat gehad of hebben zij die op dit moment?
Antwoord van mevrouw Schreyer namens de Commissie
(22 september 2003)
In het voorjaar van 2001 hebben twee leidinggevende ambtenaren het Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) verlaten. Midden 2001 zijn tien ambtenaren overgeplaatst naar het directoraat-generaal (DG) Personeelszaken en algemeen beheer (ADMIN) in het kader van de herindeling van het personeel.
|
1. |
Op welke afdelingen zijn ze terechtgekomen? De twee leidinggevende ambtenaren werden in het voorjaar van 2001 overgeplaatst van OLAF naar respectievelijk DG Pers en communicatie (PRESS) en DG ADMIN. De tien overige ambtenaren kwamen terecht bij de volgende DG's: vijf bij DG ADMIN, een bij DG Belastingen en douane-unie (TAXUD), een bij DG Buitenlandse betrekkingen (RELEX), een bij DG Regionaal beleid (REGIO), een bij DG Visserij (FISH) en een bij DG Landbouw (AGRI). |
|
2. |
Wat de overige ambtenaren betreft:
De zes overige ambtenaren, die werden overgeplaatst naar DG ADMIN, DG TAXUD, DG RELEX, DG REGIO, DG FISH en DG AGRI, zijn nog steeds administrateur. |
|
3. |
Hebben deze werknemers banden gehad met Eurostat of hebben ze die op dit moment? Vier van bovengenoemde ambtenaren waren werkzaam in de afdeling Interne onderzoeken van UCLAF/OLAF, die ook bij Eurostat onderzoeken uitvoerde. Sinds ze OLAF hebben verlaten, is geen enkele van de twaalf ambtenaren naar Eurostat gegaan. De Commissie wijst het geachte parlementslid erop dat geen van de ambtenaren sinds het vertrek bij OLAF zaken heeft behandeld of behandelt die betrekking hebben op Eurostat. De Commissie herinnert het geachte parlementslid er bovendien aan dat de directeur-generaal van OLAF bevoegd is voor de aanstelling van het personeel van OLAF. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/132 |
(2004/C 65 E/147)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2325/03
van Pedro Marset Campos (GUE/NGL) en Laura González Álvarez (GUE/NGL) aan de Commissie
(14 juli 2003)
Betreft: Herstel van het milieu in de Portman-baai
Tussen 1959 en 1989 zijn miljoenen tonnen mijnafval, volgens berekeningen wel 13 miljoen kubieke meter modder, gestort in de Portman-baai, waardoor het strand vergeleken bij 1957 wel 300 meter is teruggetrokken.
Volgens geraadpleegde deskundigen bevat dit mijnafval sulfiden, arsenicum, cadmium, koper, kwik, lood en zink.
De Commissie moet op de hoogte zijn van de situatie, want de regering van de autonome gemeenschap Murcia heeft de EU in het verleden om financiële steun gevraagd voor projecten tot herstel van het milieu in de baai.
De bewonersvereniging van Portman heeft tegenover ons blijk gegeven van haar bezorgdheid over plannen voor woningbouw in het gebied op vervuilde grond die niet of slechts gedeeltelijk is gezuiverd.
Is de Commissie bekend met de woningbouwplannen in de vervuilde Portman-baai? Zijn er Europese middelen voor dit nieuwe project aangevraagd? Kan de Commissie in het geval dat ons bezighoudt meedelen of de bevoegde instanties de communautaire milieuwetgeving correct toepassen?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(18 september 2003)
De Commissie is op de hoogte van de door de geachte parlementsleden te berde gebrachte feiten.
Zij heeft in het verleden immers al een klacht behandeld tegen het eventuele gebruik van mijnafval uit de baai van Portmán als ophogingsmateriaal voor de uitbreiding van de op enkele kilometer van de baai gelegen haven van Escombreras, waarvoor de Spaanse autoriteiten financiële steun hadden aangevraagd.
In het kader van de behandeling van deze klacht heeft de Commissie de Spaanse autoriteiten erover geïnformeerd dat dit afval niet mocht worden gebruikt voor bedoelde uitbreidingswerken en dat zij dus geen communautaire steun voor dit project kon verlenen. In reactie daarop heeft de Spaanse overheid de Commissie verzekerd dat bij de geplande uitbreiding van de haven geen afval, afkomstig van de baai, zou worden gebruikt. De Commissie heeft deze zaak daarop geklasseerd.
Vervolgens is een nieuwe klacht toegekomen bij de Commissie betreffende het milieubederf in de „Sierra de Cartagena” ten gevolge van het in voornoemde baai gestort mijnafval.
In het kader van de behandeling van deze nieuwe klacht hebben de Spaanse autoriteiten, na de uitwisseling van brieven tussen de Commissie en deze autoriteiten, een uitgebreide studie toegezonden over het project tot sanering van de baai, waarin drie alternatieven werden behandeld. Ongeacht welk alternatief voor de sanering van de baai uiteindelijk door de Spaanse autoriteiten zal worden gekozen, betreft het hier, juridisch gesproken, om een oude stortplaats waarop het gemeenschapsrecht niet van toepassing is. Er is dus geen inbreuk omdat de baai niet in zijn oorspronkelijke staat is gebracht. De indiener van de klacht is hierover geïnformeerd en is op de hoogte gebracht van het voornemen van de diensten om de Commissie voor te stellen de klacht te klasseren wegens het gebrek aan elementen die het mogelijk maken een inbreuk op de geldende communautaire wetgeving aan te tonen.
De Commissie heeft de Spaanse overheid verzocht haar informatie toe te zenden inzake de mogelijkheden van cofinanciering van het project uit middelen van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling of het Cohesiefonds. Zij heeft op dit verzoek echter nog geen antwoord gekregen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/133 |
(2004/C 65 E/148)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2327/03
van Konstantinos Hatzidakis (PPE-DE) aan de Commissie
(16 juli 2003)
Betreft: Stelsel van compenserende vergoedingen voor berg- en achtergestelde gebieden in Griekenland
Naar verluidt is er in het kader van de betaling van de compenserende vergoedingen voor berg- en achtergestelde gebieden in Griekenland een systeem voor de meting van de landbouwoppervlakten goedgekeurd dat geen rekening houdt met de morfologie van de bodem. De boeren en veehouders zijn van oordeel dat dit systeem hen benadeelt omdat het geen rekening houdt met glooiingen en hellingen in de bodem, waardoor de totale berekende oppervlakte veel kleiner is dan in de realiteit.
Kan de Commissie mededelen wat haar standpunt terzake is en of dit systeem werd goedgekeurd op haar initiatief dan wel op initiatief van de Griekse regering?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(18 september 2003)
De bovengenoemde vraag heeft betrekking op het systeem dat wordt gehanteerd voor de meting van de landbouwoppervlakten in het kader van de betaling van compenserende vergoedingen voor berg- en probleemgebieden in Griekenland. Doordat geen rekening wordt gehouden met de morfologie van het gebied, lijkt het systeem nadelig te zijn voor landbouwers en veehouders in gebieden met heuvels en valleien, die bij de meting van het gebied namelijk niet in aanmerking worden genomen.
In de eerste plaats zij opgemerkt dat het probleem van de meting van gebieden niet uitsluitend de compenserende bedragen voor probleemgebieden betreft, doch meer in het algemeen alle soorten op basis van oppervlakte landbouwgrond betaalde communautaire steun. Het controlesysteem voor de vaststelling van de voor steun in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in aanmerking komende gebieden is gebaseerd op een geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) — en met name op een landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) — dat op grond van de Gemeenschapswetgeving verplicht is voor alle lidstaten.
Op grond van de specifieke verordeningen die betrekking hebben op het GBCS (Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (1) en Verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (2)) zijn de lidstaten verplicht percelen te meten. In artikel 22, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2419/2001 met betrekking tot het GBCS is het volgende bepaald:
|
|
De oppervlakte van de percelen landbouwgrond wordt bepaald met behulp van ieder door de bevoegde instantie omschreven geschikt middel dat een meetnauwkeurigheid garandeert die ten minste overeenkomt met die welke volgens de nationale bepalingen voor officiële metingen is vereist. De bevoegde instantie stelt een tolerantiemarge vast met inachtneming van de gebruikte meettechniek, de nauwkeurigheid van de beschikbare officiële documenten, de plaatselijke situatie, zoals de helling of de vorm van de percelen, en het bepaalde in lid 2. |
De Commissie is in dit verband echter voorstander van een projectiesysteem voor de meting van gebieden waarbij inderdaad geen rekening wordt gehouden met hellingen. Dit principe wordt sinds 1993 besproken in deskundigengroepen en is sindsdien in diverse documenten geformuleerd. In hoofdstuk 2 van het werkdocument met richtsnoeren voor controles ter plaatse van percelen — doc. VI/8388/94 rev. 6, sinds 16 mei 2003 vervangen door doc. AGRI/2254/2003 — is dan ook het volgende bepaald:
|
|
De te meten oppervlakte is gebaseerd op de oppervlakte zoals die is geïdentificeerd in het nationale systeem dat voor GBCS-GIS wordt gebruikt. |
Bij de projectiemethode worden hellingen en valleien weliswaar niet in aanmerking genomen, maar bij de vaststelling van de voor bepaalde steunregelingen in aanmerking komende gebieden of van de verschillende percentages van de betaling per hectare (op basis van „hellingsklassen” bijvoorbeeld) wordt wel rekening gehouden met de algemene hellingsgraad.
In dit verband zij erop gewezen dat de plattelandsontwikkelingsmaatregel „compenserende vergoedingen in de probleemgebieden” steun betreft die is ingevoerd ter compensatie van door landbouwers in bepaalde gebieden geleden nadelen, waarbij bijvoorbeeld rekening wordt gehouden met het eventuele heuvelachtige of bergachtige karakter van het gebied.
Met betrekking tot de tweede vraag van het geachte parlementslid aan de Commissie zij benadrukt dat de definitie van bergachtige en andere probleemgebieden in Griekenland uitsluitend gebaseerd is op parameters die op initiatief van de Griekse regering zijn vastgesteld met inachtneming van de voorwaarden van hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen (3).
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/134 |
(2004/C 65 E/149)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2333/03
van Bart Staes (Verts/ALE) aan de Commissie
(16 juli 2003)
Betreft: Meer geboorteafwijkingen in omgeving van crematoria
Het risico van aangeboren afwijkingen en doodgeboorte ligt hoger bij baby's van zwangere vrouwen die in de buurt van crematoria en verbrandingsovens wonen. Dat blijkt uit een studie die de University of Newcastle upon Tyne onlangs publiceerde. De Britse wetenschappers bestudeerden 245 000 geboortes in Cumbria van 1956 tot 1993. De studie bracht aan het licht dat het risico van afwijkingen aan het ruggenmerg (voornamelijk spina bifida) 17 % hoger ligt bij vrouwen die hun zwangerschap hebben doorgebracht in de buurt van crematoria. Ook de kans op hartafwijkingen bij de baby's nam gevoelig toe.
Is de Commissie op de hoogte van de verhoogde risico's die de baby's lopen wier moeder in de buurt van een crematorium woont?
Heeft de Commissie al stappen ondernomen om die risico's te verminderen, of welke initiatieven staan er terzake nog op stapel?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(11 september 2003)
De Commissie is niet op de hoogte van de resultaten van deze epidemiologische studie van de universiteit van Newcastle-upon-Tyne.
Er bestaat regelgeving op Europees niveau ter voorkoming van negatieve gevolgen voor de gezondheid van afvalverbrandingsinstallaties, in het kader van de Richtlijnen 89/429/EEG, 89/369/EEG, 94/67/EG en 2000/76/EG (1). Er zijn al enkele communautaire initiatieven ondernomen op dit terrein.
In het kader van Besluit nr. 1296/1999/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 1999 tot vaststelling van een communautair actieprogramma inzake met de milieuverontreiniging samenhangende ziekten binnen het actiekader op het gebied van de volksgezondheid (1999-2001) (2), is subsidie toegekend voor een project dat was ingediend door het Imperial College of Science, Technology and Medicine, onder de naam „European Health Information System for Exposure and Diseases Mapping and Risk Assessment” (Euroheis). Dit project is gericht op het verbeteren van informatie en analyses in verband met de volksgezondheid, teneinde de verbanden tussen milieuverontreiniging en ziekte te kunnen beoordelen, en op het reageren op bedreigingen van de volksgezondheid door verbetering van kennis en begrip van risicomanagement. De gezondheidseffecten van afvalverbrandingsinstallaties vormden een van de onderzochte scenario's; daarbij kwamen echter geen directe oorzakelijke verbanden aan het licht, veeleer werd bevestigd dat veel verschillende — ook sociaal-economische — factoren een rol kunnen spelen bij dergelijke misvormingen en afwijkingen bij pasgeboren kinderen.
De publicatie van de Wereldgezondheidsorganisatie en het Europees Milieuagentschap (WGO/EMA) over „Children's health and environment: a review of evidence” (2002) stelt „ … tot dusver is nog bij weinig vormen van milieublootstelling vastgesteld dat deze waarschijnlijke oorzakelijke factoren van geboorteafwijkingen zijn. Onderzoek op dit terrein wordt bemoeilijkt door een aantal factoren, zoals multi-causaliteit, en veel gepubliceerde studies vertonen tekortkomingen ten aanzien van de opzet en de vooronderstellingen”.
Er bestaat geen duidelijk wetenschappelijk aangetoond oorzakelijk verband tussen het wonen in de nabijheid van crematoria en geboorteafwijkingen. In feite is het vaak nauwelijks mogelijk een duidelijk oorzakelijk verband te leggen tussen negatieve gezondheidseffecten en milieufactoren.
Op 11 juni 2003 heeft de Commissie de „Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité — Een Europese strategie voor milieu en gezondheid” (3) goedgekeurd.
Deze strategie is gericht op een beter begrip van de bedreigen voor de menselijke gezondheid in het milieu, op het vaststellen van de ziektelast die door milieufactoren in de EU wordt veroorzaakt, en beleid te plannen om op de vastgestelde uitdagingen te reageren.
De doelstellingen van de voorgestelde strategie zijn:
|
— |
de ziektelast die door milieufactoren in de EU wordt veroorzaakt te verminderen; |
|
— |
signalering en preventie van nieuwe door milieufactoren veroorzaakte bedreigingen voor de gezondheid; |
|
— |
verbetering van de capaciteit van de EU voor beleidsvorming op dit gebied. |
Het uiteindelijke doel van de voorgestelde strategie is de ontwikkeling van een „oorzaak/gevolg-kader” voor milieu en gezondheid, dat de nodige informatie oplevert voor de formulering van communautair beleid om de bronnen en de effect-routes van gezondheid-stressoren aan te pakken. Hiervoor is een geïntegreerde aanpak nodig. Voor meer details over deze strategie wordt de geachte afgevaardigde verwezen naar: de volgende website: [http://europa.eu.int/comm/environment/health/index_en.htm].
(1) Richtlijn 89/429/EEG van de Raad van 21 juni 1989 ter vermindering van door bestaande installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging, PB L 203 van 15.7.1989. Richtlijn 89/369/EEG van de Raad van 8 juni 1989 ter voorkoming van door nieuwe installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging, PB L 163 van 14.6.1989. Richtlijn 94/67/EG van de Raad van 16 december 1994 betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen, PB L 365 van 31.12.1994. Richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval, PB L 332 van 28.12.2000.
(3) COM(2003) 338 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/136 |
(2004/C 65 E/150)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2364/03
van Salvador Garriga Polledo (PPE-DE) aan de Commissie
(17 juli 2003)
Betreft: Steun voor Spanje bij de aanleg van meer passen over de Pyreneeën
De Spaanse autoriteiten zijn verontrust over het uitblijven van een reactie van de Franse autoriteiten op hun verzoek om steun voor een zestal wegenprojecten ter verbetering van de passen over de Pyreneeën.
Een Spaans-Frans akkoord is absoluut noodzakelijk voor een verzoek aan de EU inzake financiering van 20 % van de door Spanje gewenste projecten: een verbinding met een grote capaciteit tussen Pamplona en Orthez of de verbindingen Lleida-Viella-Toulouse en Barcelona-Puigcerdà-Toulouse.
Kan de Commissie aangegeven wat in concreto de voorwaarden zijn voor de communautaire financiering van 20 % van de genoemde projecten en op welke voorwaarden zij de Spaanse verzoeken kan steunen nu een reactie van de Franse autoriteiten is uitgebleven?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(12 september 2003)
De groep op hoog niveau, die door de Commissie belast is met het opstellen van aanbevelingen inzake nieuwe prioritaire projecten in het kader van de trans-Europese netwerken (1), heeft zich gebogen over de problemen die veroorzaakt worden door de barrière van de Pyreneeën. Een van de aanbevelingen, als prioritair project, was een nieuwe hogecapaciteits-spoorwegverbinding door de Pyreneeën aan te leggen, zoals reeds door de Commissie voorgesteld in haar voorstel tot wijziging van de communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet (2). Onder de andere projecten die belangrijk zijn voor de territoriale cohesie heeft de groep voorts ook aangedrongen op een verbetering van de wegverbindingen over de Pyreneeën.
De vervoersinfrastructuurprojecten die kans maken op financiële steun van de Gemeenschap uit hoofde van de begroting voor trans-Europese netwerken moeten worden geselecteerd overeenkomstig Beschikking nr. 1692/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet (3). Van de door het geachte parlementslid bedoelde verbindingen maakt momenteel alleen de verbinding Barcelone-Puigcerdà-Toulouse deel uit van het trans-Europese vervoersnetwerk.
Overeenkomstig de momenteel geldende verordening tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken (Verordening (EG) nr. 2236/95 (4), als gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1655/99 (5)) kan het steunbedrag maximaal oplopen tot 10 % van de totale kosten van een project.
In oktober 2001 heeft de Commissie voorgesteld dit financieel reglement te wijzigen om de maximums-teun op 20 % van de totale kosten te brengen, maar het toepassingsgebied te beperken tot uitsluitend de grensoverschrijdende spoorwegprojecten over natuurlijke hindernissen en de grensoverschrijdende verbindingen met de kandidaat-lidstaten. Op zijn zitting van 2 juli 2002 heeft het Parlement dit voorstel met een aantal amendementen goedgekeurd. Het voorstel zelf hangt nu vast bij de Raad die nog geen overeenstemming heeft kunnen bereiken, noch over de hoogte van de steun, noch over het toepassingsgebied voor deze verhoogde steun.
(1) Zie het verslag van de groep op de website van DG TREN: [http://europa.eu.int/comm/ten/transport/revision/hlg_fr.htm].
(2) Voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Beschikking nr. 1692/96/EG betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een trans-Europees vervoersnet. COM(2001) 544 def.
(4) Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad van 18 september 1995 tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken, PB L 228 van 23.9.1995.
(5) Verordening (EG) nr. 1655/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 1999 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2236/95, PB L 197 van 29.7.1999.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/137 |
(2004/C 65 E/151)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2369/03
van Jorge Hernández Mollar (PPE-DE) aan de Commissie
(17 juli 2003)
Betreft: Registratie van EU-burgers in gemeenten in een ander dan hun eigen land
Vrij verkeer en vrije vestiging stellen miljoenen EU-burgers in staat zich in andere EU-landen dan hun eigen land te vestigen, daar een nieuw leven te beginnen en concreet gestalte te geven aan een van de belangrijkste verworvenheden van de Europese Unie.
Vaak laten EU-burgers die zich in een gemeente in een andere EU-lidstaat vestigen zich niet in de betreffende gemeente inschrijven, zodat zij de gemeente benadelen, aangezien deze de nieuwe inwoner niet kan meetellen en daardoor het haar toekomende deel van de belastinginkomsten misloopt.
Hoe kan naar het oordeel van de Commissie een einde worden gemaakt aan de lakse houding van de EU-burgers die zich in hun nieuw gekozen gemeente in een andere EU-lidstaat niet laten registreren, ter ondersteuning van de betreffende gemeenten die de nieuwe inwoner anders moeten dulden zonder dat zij de hen toekomende bijdragen van de centrale en regionale overheid ontvangen?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(16 september 2003)
Krachtens het gemeenschapsrecht inzake het vrije verkeer en verblijf moeten de lidstaten het recht van verblijf op hun grondgebied toekennen aan personen die aan bepaalde voorwaarden voldoen: met name als werknemer of als zelfstandige werkzaam zijn of over toereikende bestaansmiddelen beschikken. Dit recht wordt vastgesteld door de afgifte van een verblijfskaart. Voor verblijven van minder dan drie maanden dan wel voor grens- of seizoenarbeiders moet het gastland geen verblijfskaart afgeven aan burgers van de Unie maar kan het de betrokkene vragen om zijn verblijf op het grondgebied te melden.
Sommige lidstaten hebben in hun nationale wetgeving tot uitvoering van deze gemeenschapsbepalingen reeds op eigen initiatief de verplichting om een verblijfskaart te verkrijgen voor burgers van de Unie, met uitzondering van niet-werkenden, geschrapt of overwegen dit te doen.
Het gewijzigde voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht van de burgers van de Unie en hun familieleden om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven (1) gaat nog verder en stelt voor om de verblijfskaart af te schaffen voor alle categorieën burgers van de Unie; in plaats daarvan zou het gastland de burgers van de Unie kunnen verplichten om zich bij de bevoegde autoriteiten te laten inschrijven. Overeenkomstig het voorstel kan het gastland de betrokkene evenwel verplichten zijn aanwezigheid op het grondgebied te melden. Niet-inachtneming van de verplichtingen inzake inschrijving en melding kan worden gestraft met niet-discriminerende en evenredige sancties.
Wanneer een lidstaat een burger van de Unie verplicht om een verblijfskaart te verkrijgen of om zijn aanwezigheid op het grondgebied te melden, staat het aan deze lidstaat om een stelsel van doeltreffende en afschrikkende sancties vast te stellen in geval deze verplichting niet wordt nageleefd, maar deze sancties moeten evenredig en niet-discriminerend zijn in vergelijking met die welke gelden voor soortgelijke overtredingen door eigen onderdanen.
(1) COM(2003) 199 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/137 |
(2004/C 65 E/152)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2378/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(18 juli 2003)
Betreft: Transparantievereisten
Kan de Commissie, in aansluiting op haar antwoord op vraag E-1885/03 (1) van 3 juli, nu ook, zoals gevraagd, een lijst van alle individuele personen en organisaties geven die schriftelijke opmerkingen op de transparantievereisten ingediend hebben, en in elk afzonderlijk geval aangeven of de opmerkingen voor, tegen of onverschillig staan tegenover driemaandelijke rapportering in een of andere vorm? Denkt ze het samenvattend document over de resultaten van de raadpleging, dat voor de bevoegde commissaris opgesteld is, voor te leggen en te publiceren?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(4 september 2003)
In aansluiting op haar antwoord op schriftelijke vraag E-1885/03 van het geachte parlementslid kan de Commissie het volgende meedelen:
|
— |
Voorafgaand aan haar voorstel voor een richtlijn (2) inzake transparantieverplichtingen voor uitgevers van effecten, hielden de diensten van de Commissie twee overlegrondes. |
|
— |
Tijdens de eerste overlegronde stelde de Commissie voor om uitgevers van aandelen en van obligaties te verplichten tot driemaandelijkse verslaglegging voor elk kwartaal van het boekjaar. Een overzicht van de reacties daarop is sinds december 2001 (3) terug te vinden op de website van de Commissie. |
|
— |
Tijdens de tweede overlegronde die duurde van mei tot juli 2002, stelde de Commissie voor om uitgevers van aandelen te verplichten tot driemaandelijkse verslaglegging voor de eerste drie kwartalen van het boekjaar van een onderneming; kleinere uitgevers van aandelen zouden moeten voldoen aan minder strenge verslagleggingsvereisten, de andere emittenten zich zouden evenwel moeten houden aan de internationale standaarden voor jaarrekeningen (Internationale Accounting Standards — IAS) voor tussentijdse financiële verslaglegging (IAS 34). In totaal heeft de Commissie 93 reacties ontvangen. De voor- en nadelen van de driemaandelijkse financiële verslaglegging werden al grondig behandeld in de toelichting bij het voorstel van de Commissie. Louter statistisch gezien was het resultaat op basis van het aantal reacties als volgt:
|
(1) PB C 51 E van 26.2.2004, blz. 152.
(2) COM(2003)138 def.
(3) [http://europa.eu.int/comm/internal_market/en/finances/mobil/transparancy.htm].
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/138 |
(2004/C 65 E/153)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2384/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(18 juli 2003)
Betreft: Beoordeling van staatssteun
|
1. |
De regeling voor vrijstelling van zegelrecht die door het Verenigd Koninkrijk ingevoerd wordt, komt naar verluidt 23 % van de Britse bevolking ten goede, en bijna de helft van het gebied dat ze bestrijkt, valt buiten de streken die in aanmerking komen voor regionale steun. Waarom acht de Commissie het geografisch bereik van de vrijstelling van zegelrecht dan verenigbaar met de beleidsopties voor regionale steunverlening? |
|
2. |
Kan de Commissie uitleggen waarom ze van mening is dat het financieel centrum Canary Wharf in Londen een probleemgebeid is dat in aanmerking komt voor staatssteun? |
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(12 september 2003)
|
1. |
De Commissie wijst het geachte parlementslid op de desbetreffende alinea's in beschikking 2003/433/EG van de Commissie van 21 januari 2003 betreffende de steunmaatregel „Vrijstelling van zegelrecht voor onroerendgoed voor zakelijk gebruik in achterstandsgebieden” aangemeld door het Verenigd Koninkrijk (1), meer bepaald overwegingen 38 tot 41 (onder „Verenigbaarheid met de richtsnoeren inzake nationale steunmaatregelen”) en overwegingen 42 tot 45 (onder „Verenigbaarheid met de kaderregeling inzake achtergestelde stadswijken”). In de overwegingen onder „Verenigbaarheid met de richtsnoeren inzake nationale steunmaatregelen”, stelt de Commissie dat de regionale-steunkaart voor het Verenigd Koninkrijk niet gebaseerd is op NUTS III-gebieden maar op het begrip „werkgelegenheidszones”, die elk meer dan 100 000 inwoners tellen. De gebieden die worden vrijgesteld van zegelrecht zijn echter geïsoleerde microgebieden. Overweging 41 luidt als volgt: „De autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk zijn het ermee eens dat de richtsnoeren inzake nationale steunmaatregelen niet van toepassing zijn op de vrijstelling van zegelrecht, ook al vallen vele van de gekozen achtergestelde wards binnen de regionale-steunkaart.” Voorts vormde de mededeling van de Commissie betreffende het verstrijken van de kaderregeling inzake overheidssteun voor ondernemingen in achtergestelde stadswijken volgens de overwegingen onder „Verenigbaarheid met de kaderregeling inzake achtergestelde stadswijken” de aanvankelijke rechtsgrond voor haar beoordeling. Volgens die mededeling betekent de niet-verlenging van de kaderregeling niet dat staatssteun voor achtergestelde stadswijken niet langer mogelijk zou zijn (de kaderregeling inzake overheidssteun voor ondernemingen in achtergestelde stadswijken was tijdens de procedure verstreken). Afhankelijk van de specifieke omstandigheden kan dergelijke steun rechtstreeks worden goedgekeurd op grond van artikel 87, lid 3, onder c), van het Verdrag. De Commissie zal zulke gevallen dan ook onderzoeken in het licht van de communautaire doelstellingen. Bijgevolg heeft de Commissie de steunregeling getoetst aan de communautaire doelstellingen en aan de invloed ervan op de concurrentie en het handelsverkeer. |
|
2. |
De Commissie verwijst het geachte parlementslid naar overweging 10 onder „beschrijving van de steunmaatregel” van de bovenvermelde beschikking van de Commissie. Overeenkomstig deze alinea's zijn de begunstigde geografische eenheden in Engeland wijken („wards”) die voor electorale doeleinden worden gebruikt of districten die worden geselecteerd op basis van de achterstandsindexen van het Verenigd Koninkrijk. Zoals in welvarende regio's achtergestelde gebieden voorkomen die niet vermeld staan op de regionale-steunkaart, zo zijn er evengoed aantrekkelijke plaatsen in de meest achtergestelde gebieden van het Verenigd Koninkrijk. In overweging 10 van de beschikking van de Commissie wordt ook duidelijk gesteld dat het Verenigd Koninkrijk de begunstigde gebieden op de voet zal blijven volgen. Bovendien moeten er op grond van de beschikking van de Commissie van 21 januari 2003 onder andere gedetailleerde verslagen worden ingediend op basis waarvan de tenuitvoerlegging van de steunregeling kan worden geëvalueerd. Artikel 2, lid 3, luidt als volgt: „Het Verenigd Koninkrijk dient bij de Commissie jaarverslagen in over de uitvoering van de maatregel. Deze verslagen zijn voldoende gedetailleerd om een evaluatie van de gevolgen van de maatregel voor de materiële rehabilitatie van de begunstigde gebieden mogelijk te maken.” |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/139 |
(2004/C 65 E/154)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2388/03
van Raffaele Costa (PPE-DE) aan de Commissie
(18 juli 2003)
Betreft: Uitvoering Sapard-programma
Het op 1 januari 2000 opgerichte communautaire Sapard-programma heeft dat tot doel systemen in te voeren voor beheer en controle in sommige kandidaat-landen (Cyprus, Malta en Turkije doen niet mee) voor een totaal bedrag van meer dan 1 miljard euro in 2001.
De Commissie heeft verzocht om het beheer van het programma, d.w.z. de beslissingen over de selectie van projecten, aanbestedingsprocedures en de inhoud van de contracten met de kandidaat-landen.
Kan de Commissie meedelen hoeveel geld voor elk afzonderlijk land is uitgetrokken? Welke specifieke acties zijn gefinancierd? Hoe wordt gecontroleerd of het programma in de praktijk operatief is?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(17 september 2003)
De indicatieve verdeling over de begunstigde landen van de maximale jaarlijkse financiële steun van de Gemeenschap is weergegeven in de bijlage bij Beschikking 1999/595/EG van de Commissie van 20 juli 1999 (1). De informatie betreffende de uitsplitsing van kredieten naar land is te vinden in het jaarverslag Sapard-2000 van de Commissie aan het Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. Voor elk jaar van 2000 tot 2003 is de uitsplitsing naar land gebeurd overeenkomstig de in punt 3.1 van dat verslag beschreven procedure en in de jaarlijkse financieringsovereenkomsten die elk jaar met elk land worden gesloten, is de maximale financiële verbintenis van de Gemeenschap vastgelegd. Voor het jaar 2003, is aan de begunstigde landen 560 miljoen euro toegekend.
Zoals aangegeven door het geachte parlementslid wordt het Sapard-programma, in tegenstelling tot de overige pretoetredingsinstrumenten, op een gedecentraliseerde basis ten uitvoer gelegd, en derhalve is de Commissie niet betrokken bij de keuze van de projecten waarvoor steun wordt verleend. De projecten moeten evenwel verenigbaar zijn met de maatregelen („acties”) in het programma dat is goedgekeurd door de Commissie die, zoals de lidstaten, alle nuttige informatie mag opvragen, in het bijzonder voor controledoeleinden.
Wat het systeem van toezicht betreft (toezichtcomité, evaluaties, toezichtindicatoren), dit is beschreven in Punt 5 van het Sapard-verslag voor 2001. Het verslag voor 2002 wordt weldra bij het Parlement ingediend.
Indicatieve verdeling over de begunstigde landen van de maximale jaarlijkse financiële steun, in prijzen van 1999
|
(in euro) |
|
|
Land |
Bedrag |
|
Hongarije |
38 054 000 |
|
Letland |
21 848 000 |
|
Slovenië |
6 337 000 |
|
Bulgarije |
52 124 000 |
|
Tsjechië |
22 063 000 |
|
Litouwen |
29 829 000 |
|
Slovakije |
18 289 000 |
|
Polen |
168 683 000 |
|
Estland |
12 137000 |
|
Roemenië |
150 636 000 |
|
TOTAAL |
520 000 000 |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/140 |
(2004/C 65 E/155)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2390/03
van Mogens Camre (UEN) aan de Commissie
(21 juli 2003)
Betreft: Overheidssteun aan Duitse ambachtslieden die in Denemarken gaan werken
Op 20 maart stelde ik de Commissie een vraag (E-1225/03 (1)) over Duitse overheidssteun aan ambachtslieden die werkzaamheden in andere EU-landen uitvoeren. De Commissie zegde toe te onderzoeken of de Duitse subsidies wel of niet in strijd zijn met de regels inzake staatssteun.
De Deense minister van werkgelegenheid, Claus Hjort Frederiksen, heeft sedertdien zijn Duitse collega, minister van economische zaken en werkgelegenheid Wolfgang Clement, een dergelijke vraag gesteld. De Duitse minister antwoordde dat de staatssubsidie van circa zestig kroon per uur uitsluitend was bestemd voor werkloze Duitse ambachtslieden die een aanstelling in een Duitse firma kregen.
Dit is echter een schrale troost voor de vakverenigingen en meester-ambachtslieden met kleinere bedrijven in Zuid-Jutland, aangezien het bij deze regeling niet uitgesloten is dat Duitse meester-ambachtslieden langdurig werkloze Duitse ambachtslieden in dienst nemen en hen later naar Denemarken sturen om daar werkzaamheden voor hun Duitse werkgevers te verrichten, waarbij ze met Deense meester-ambachtslieden concurreren. Vanwege deze Duitse overheidssteun moeten de Deense meester-ambachtslieden derhalve relatief hogere lonen betalen dan hun Duitse collega's. Dit is een evidente concurrentievervalsing en dit kan nauwelijks stroken met de regels inzake staatssteun van de EU.
Ik verzoek de Commissie, zoals zij toezegt in haar antwoord op vraag nr. E-1225/03, de informatie voor te leggen die zij over deze zaak van de Duitse autoriteiten heeft ontvangen, en ik verzoek haar te onderzoeken in hoeverre het voor Duitse bedrijven mogelijk is Duitse ambachtslieden voor specifieke arbeidstaken met subsidie van de Duitse overheid naar Denemarken te sturen.
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(15 september 2003)
De Commissie verwijst naar haar antwoord op de schriftelijke vraag E-1225/03.
Zoals aangekondigd in haar antwoord verzocht de Commissie de Duitse autoriteiten op 8 mei 2003 om informatie. De Duitse autoriteiten antwoordden op 12 juni 2003 dat zij niet op de hoogte waren van een dergelijke steunregeling, maar verzochten tegelijk om aanvullende informatie teneinde elk eventueel misbruik van steunregelingen, die voor andere doeleinden zijn bestemd, te kunnen voorkomen. Dit antwoord werd aan het geachte parlementslid verstrekt bij brief van de directeur van Directoraat G „Overheidssteun I” van het Directoraat-generaal Concurrentie van 8 juli 2003. In deze brief werd het geachte parlementslid ook verzocht om de Commissie eventuele aanvullende informatie waarover hij beschikt te verstrekken, zodat deze de feitelijke situatie verder kan onderzoeken.
In dit verband wenst de Commissie het geachte parlementslid erop te wijzen dat een aantal werk-gelegenheidsmaatregelen geen staatssteun inhouden in de zin van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag omdat zij betrekking hebben op steun aan particulieren die niet bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen begunstigen, omdat zij het handelsverkeer tussen lidstaten niet ongunstig beïnvloeden of omdat het gaat om algemene maatregelen die de mededinging niet vervalsen of dreigen te vervalsen door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties. Dergelijke algemene maatregelen vallen derhalve niet onder de voorschriften inzake staatssteun. Dit is tevens het geval voor maatregelen waarvan wordt vastgesteld dat zij niet aan alle criteria van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag voldoen en die derhalve overeenkomstig Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de minimis-steun niet aan de aanmeldingsverplichting van artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag zijn onderworpen (2).
Met betrekking tot de aanvullende informatie die het geachte parlementslid in deze schriftelijke vraag heeft verstrekt, zal de Commissie de Duitse autoriteiten opnieuw verzoeken om informatie over de specifieke maatregelen en zal zij deze toetsen aan de voorschriften inzake staatssteun, en met name aan Verordening (EG) nr. 2204/2002 van de Commissie van 12 december 2002 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op werkgelegenheidssteun (3). Indien een inbreuk wordt vastgesteld, zal de Commissie de nodige maatregelen nemen om daaraan een eind te maken.
De Commissie wijst het geachte parlementslid erop dat alle bijzonderheden betreffende de precieze feitelijke omstandigheden van de zaak haar onderzoek aanzienlijk zouden kunnen versnellen.
(1) PB C 58 E van 6.3.2004, blz. 51.
(3) PB L 337 van 13.12.2002 (corrigendum: PB L 349 van 24.12.2002).
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/142 |
(2004/C 65 E/156)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2397/03
van Joan Vallvé (ELDR) aan de Commissie
(21 juli 2003)
Betreft: Wetgeving inzake gegiste zuivelproducten
In zijn antwoord P-0027/03 (1) op mijn schriftelijke vraag E-0873/03 (2) betreffende de Spaanse benaming „yogur” heeft de heer Fischler er namens de Commissie op gewezen dat „bij de Commissie verscheidene klachten over de Spaanse wet binnengekomen zijn, die met name waren gebaseerd op richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 (3) betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame” en dat „de Commissie een onderzoek ingesteld heeft naar deze klachten en naar de regelgeving in de lidstaten met betrekking tot de benamingen voor yoghurt”.
De in 1963 door de FAO en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) opgerichte Codex Alimentarius-commissie, een van de Verenigde Naties en de WHO afhankelijk, gezaghebbend orgaan, heeft op haar bijeenkomst van juni van dit jaar in Rome een regeling inzake gegiste zuivelproducten goedgekeurd, waarin wordt bepaald dat desserten op basis van na gisting gepasteuriseerde zuivelproducten de benaming „yoghurt” niet mogen dragen, althans niet in landen waar terzake geen wettelijke regeling bestaat.
Is de Commissie niet van oordeel dat om nog grotere verwarring te voorkomen moet worden voorzien in een communautaire regelgeving inzake gegiste zuivelproducten, waarbij de benaming „yoghurt” dient te worden beschermd?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(12 september 2003)
De Commissie heeft akte genomen van de door de Codex Alimentarius-commissie vastgestelde norm inzake gegiste melk. Sommige aspecten, zoals de aanwezigheid van karakteristieke bacteriën, toegestane basisproducten, verwijzingen naar de warmtebehandeling, gehalte aan niet-zuivelproducten en etikettering, moeten echter wellicht op een meer gedetailleerde wijze worden behandeld dan in de Codex-norm. De Commissie beraadt zich daarom momenteel over de noodzaak van een specifieke wetgeving over yoghurt en zal wellicht een voorstel indienen bij de Raad.
(1) PB C 192 E van 14.8.2003, blz. 147.
(2) PB C 242 E van 9.10.2003, blz. 209.
(3) PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/142 |
(2004/C 65 E/157)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2400/03
van Avril Doyle (PPE-DE) aan de Raad
(21 juli 2003)
Betreft: Vrijstelling van BTW op briefport voor liefdadigheidsinstellingen
De Commissie stelt voor om BTW op briefport te heffen, maar dat zou een zware financiële last betekenen voor liefdadigheidsinstellingen, die voor hun fondsenwerving afhankelijk zijn van persoonlijk geadresseerde brieven en niet zoals gewone ondernemingen de BTW kunnen terugvorderen.
Kan de Raad laten weten of het mogelijk is om liefdadigheidsinstellingen, die voor het specifiek probleem staan dat ze volgens de Ierse belastingwet geen BTW kunnen terugvorderen, van de nieuwe Europese wetgeving vrij te stellen?
Antwoord
(17 november 2003)
Het door het geachte parlementslid in haar vraag aangehaalde voorstel van de Commissie is thans in behandeling bij de Raadsinstanties.
Zolang deze werkzaamheden niet zijn afgerond, kan de Raad zich niet uitspreken over de vraag van het geachte parlementslid.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/143 |
(2004/C 65 E/158)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2410/03
van Freddy Blak (GUE/NGL) aan de Commissie
(21 juli 2003)
Betreft: Duitse tolheffing voor autosnelwegen
Volgens een bericht in het Deense dagblad Børsen van 10 juli 2003 (voorpagina) overweegt de Commissie een procedure tegen Duitsland aan te spannen vanwege de invoering door Duitsland van wegentol, aangezien dit tot ongelijke concurrentieomstandigheden zou leiden.
Kan de Commissie dit bevestigen?
Zo ja, kan de Commissie dan mededelen welke nieuwe omstandigheden haar tot deze overwegingen hebben gebracht?
In dit verband wijs ik op mijn schriftelijke vraag E-2684/02 (1), waarin onder meer wordt gewezen op het concurrentievervalsende karakter van de Duitse tolheffing voor autosnelwegen, hetgeen de Commissie in haar antwoord echter bestrijdt.
(1) PB C 110 E van 8.5.2003. blz. 89.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/143 |
(2004/C 65 E/159)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2608/03
van Peter Pex (PPE-DE) aan de Commissie
(25 augustus 2003)
Betreft: Invoering Duitse tolheffing
In de transportsector maakt men zich grote zorgen over de invoering van de tolheffing op de Duitse snelwegen. Deze zorg werd enigszins weggenomen door het bericht, dat de Commissie bevorderd heeft dat de invoering van de tolheffing zou worden uitgesteld. In tegenstelling tot dit bericht verneem ik uit de Duitse pers dat de Duitse Commissaris Verheugen verklaarde, dat het de Duitse regering volledig vrij staat de tolheffing zoals gepland in te voeren. Dit is in strijd met uitlatingen van zijn collega Commissaris Loyola de Palacio, die verklaarde dat het op 23 juli 2003 door de Europese Commissie ingestelde onderzoek naar de Duitse compensatiemaatregelen opschorting betekent van zowel de tolheffing als de Duitse compensatiemaatregelen die hier betrekking op hebben.
Wat is de positie van de Europese Commissie ten aanzien van de Duitse tolheffing? De Commissie lijkt met twee monden te spreken. Geldt de opschorting nu alleen voor de compensatie of ook voor het heffen van de tol zelf? Kan de Commissie met spoed de onduidelijkheid over haar positie wegnemen die door het optreden van de Duitse Commissaris is ontstaan?
Op welke manier gaat de Europese Commissie zorgen dat er bij de invoering van de Duitse tol geen strijd ontstaat met het Europees recht, zowel op het gebied van vrij verkeer van goederen als op het gebied van non-discriminatie?
Gecombineerd Antwoord
van mevrouw de Palacio namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-2410/03 en P-2608/03
(8 oktober 2003)
Duitsland overweegt de invoering van een kilometerheffing voor vrachtwagens die een autosnelweg gebruiken. De gebruikersheffing is vastgesteld op gemiddeld 12,6 cent per kilometer. Op 6 maart heeft Duitsland aan de Commissie zijn voornemen genotificeerd om een tolvergoedingssysteem op basis van accijnsrechten in te voeren teneinde compensatie mogelijk te maken voor een voorgenomen verhoging van de gebruikersheffing tot gemiddeld 15 cent.
De Commissie moet beoordelen of de genotificeerde maatregel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en volledig in overeenstemming is met de relevante communautaire wetgeving. Vanwege de door de genotificeerde maatregel gewekte twijfels besliste de Commissie op 23 juli 2003 de formele onderzoeksprocedure van artikel 88, lid 2, van het EG-Verdrag in te leiden om Duitsland en andere belangstellenden de gelegenheid te bieden opmerkingen te maken. Op 27 augustus 2003 is een beknopte versie van de beslissing met een samenvatting van alle relevante geschilpunten, feitelijk en rechtens, bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (1).
In dit stadium kan de Commissie niet uitsluiten dat de genotificeerde maatregel staatssteun aan wegvervoersbedrijven uitmaakt en kan zij derhalve niet uitsluiten dat deze de concurrentie vervalst of dreigt te vervalsen.
Voor wat de invoering van het tolsysteem zelf betreft werd de Commissie op de hoogte gesteld dat de Duitse regering op 31 augustus 2003 startte met een testfase op vrijwillige basis voor vrachtwagens die Duitse autosnelwegen gebruiken. De inning van de tol wordt evenwel tot 2 november 2003 uitgesteld. In dit verband besliste de Commissie op 26 augustus 2003 samen met de Duitse Bondsrepubliek tot oprichting van een werkgroep teneinde de overblijvende technische kwestie te onderzoeken vóór de formele invoering van de tol. De bedoeling van de Commissie is ervoor te zorgen dat het vrij verkeer van goederen niet wordt belemmerd en dat het systeem ten volle het beginsel van non-discriminatie respecteert (2).
(2) Met name artikel 28 van het EG-Verdrag en artikel 7, leden 4 en 5, van Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, PB L 187 van 20.7.1999.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/144 |
(2004/C 65 E/160)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2412/03
van Charlotte Cederschiöld (PPE-DE) aan de Commissie
(21 juli 2003)
Betreft: Netwerk- en informatiebeveiliging
Het Europees Parlement en de industrie waren verheugd over het voorstel van de Commissie voor een verordening tot oprichting van het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging.
Welke andere maatregelen overweegt de Commissie om de agenda van de Unie inzake netwerk- en informatiebeveiliging te bespoedigen? Kunnen we initiatieven verwachten voor een mondiale aanpak van deze kwesties?
Kunnen we verwachten dat de dialoog tussen beleidsmakers en belanghebbenden op dit terrein zal worden voortgezet of intensiever zal worden, bijvoorbeeld met forums zoals het Cybercrime Forum?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(18 september 2003)
De Commissie dankt het geachte parlementslid voor haar belangstelling voor de werkzaamheden inzake netwerk- en informatiebeveiliging. Zoals zij weet wordt het Commissievoorstel voor de oprichting van een Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging weldra in het Parlement besproken. De Commissie hoopt dat zij kan rekenen op de steun van het geachte parlementslid om bedoelde verordening snel te doen goedkeuren.
Na de publicatie van de mededelingen van de Commissie, „Netwerk- en informatieveiligheid: Voorstel voor een Europese beleidsaanpak” in juni 2001 en „De informatiemaatschappij veiliger maken door de informatie-infrastructuur beter te beveiligen en computercriminaliteit te bestrijden” in januari 2001 is al heel wat werk verzet op het gebied van de netwerk- en informatiebeveiliging en de strijd tegen de computercriminaliteit.
De desbetreffende activiteiten lopen van toegenomen aandacht voor beveiliging in de eEurope-actieplannen 2002 en 2005, over voortgezette onderzoeksinspanningen in de onderzoeksprogramma's voor informatiemaatschappijtechnologie en bij de herziening van de bestaande wetgeving (e.g. het nieuwe kader voor elektronische communicatie en de richtlijn betreffende elektronische handtekeningen (1)) tot ondersteuning van de normalisatie-inspanningen op Europees niveau en versterking van de beveiligingseisen voor de uitwisseling van gegevens tussen overheidsadministraties en indiening van het voorstel voor een Kaderbesluit van de Raad over aanvallen op informatiesystemen (2).
De door het geachte parlementslid bedoelde bredere aanpak voor netwerk- en informatiebeveiliging bestaat naar het oordeel van de Commissie uit drie categorieën acties, uitgevoerd respectievelijk op het gebied van het wettelijk kader voor de beveiliging van elektronische communicatie en gegevens, de netwerk- en informatiebeveiliging en het beleid inzake computercriminaliteit en bescherming van de informatieinfrastructuur.
Wat de computercriminaliteit betreft, heeft de Commissie het voornemen het overleg op het gebied van de veiligheid en beveiliging van de informatie-infrastructuur tussen de betrokken partijen uit de openbare en particuliere sector te intensifiëren via de organisatie van workshops en vergaderingen van deskundigen in gremia zoals het Forum voor de preventie van de georganiseerde misdaad. Een eerste workshop met de particuliere sector is gepland in oktober 2003.
(1) Richtlijn 1999/93/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende een gemeenschappelijk kader voor elektronische handtekeningen, PB L 13 van 19.1.2000.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/145 |
(2004/C 65 E/161)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2415/03
van Concepció Ferrer (PPE-DE) aan de Commissie
(21 juli 2003)
Betreft: Totstandbrenging van een geïntegreerde en concurrerende communautaire energiemarkt
De capaciteit van het elektriciteitskoppelnet ligt in Spanje nog steeds ver onder het wenselijke minimumniveau van 19 % van het nationale verbruik, dat werd vastgesteld op de bijeenkomst van de Europese Raad in Barcelona (15/16 maart 2002).
Welke maatregelen is de Commissie aan het treffen om landen zoals Spanje, die deze doelstelling nog lang niet hebben gehaald, ertoe te bewegen de komende maanden nieuwe koppelingen tot stand brengen met hun buurlanden, zodat de geïntegreerde en concurrerende communautaire energiemarkt werkelijkheid kan worden?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(12 september 2003)
De op de Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002 vastgelegde doelstelling inzake de minimumcapaciteit van het elektriciteitskoppelnet is in werkelijkheid 10 % van de nationale elektriciteitsproductie, maar het is waar dat de Spaanse interconnectiecapaciteit ver onder dat gewenste niveau ligt.
De Commissie is zich ten zeerste ervan bewust dat een sterk grensoverschrijdend netwerk cruciaal is, zowel om de veiligheid van de energievoorziening te waarborgen als om een efficiënte en concurrerende elektriciteitsmarkt tot stand te brengen, en dat het huidige interconnectienetwerk ver onder het optimale niveau ligt en moet worden uitgebreid. Om die reden heeft de Commissie onlangs een studie besteld over de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk, met vaststelling van de congestiepunten, en een mededeling gepubliceerd over de Europese energie-infrastructuur (1).
Ten gevolge daarvan heeft de Commissie een herziening voorgesteld van het programma inzake trans-Europese netwerken, wat heeft geleid tot Beschikking 1229/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 tot opstelling van richtsnoeren voor trans-Europese netwerken in de energiesector en houdende intrekking van Beschikking 1254/96/EG (2). In bijlage I van deze beschikking worden de 12 assen voor prioritaire projecten opgesomd. As EL.3. (Frankrijk — Spanje — Portugal) heeft specifiek betrekking op het probleem in kwestie, aangezien het gestelde doel voor deze as de uitbreiding is van „de onderlinge koppelcapaciteit van de elektriciteitsnetten tussen deze landen en voor het Iberisch schiereiland en ontwikkeling van het netwerk in de insulaire gebieden”. In bijlage II van diezelfde beschikking worden de projecten van gemeenschappelijk belang genoemd, waarvan er drie betrekking hebben op interconnecties tussen Spanje, Frankrijk en Portugal (2.8, 2.9 en 2.10), terwijl er negen andere betrekking hebben op nieuwe of gemoderniseerde nationale interconnecties, die ook nodig zijn voor een optimale benutting van de verbindingen tussen de lidstaten (3.18, 3.19, 3.20, 3.21, 3.22, 3.23, 3.41, 3.42 en 3.43) en twee tenslotte tot doel hebben de elektriciteitsinterconnectie tussen Spanje en Marokko te moderniseren (4.15) en een nieuwe directe verbinding te leggen tussen Spanje en Algerije (4.30), dit binnen het kader van de ontwikkeling van een energiebeleid voor de uitgebreide Unie en de buren en partners daarvan.
De recente elektriciteitspanne in de Verenigde Staten heeft duidelijk gemaakt hoe belangrijk het is te beschikken over een kwaliteitsvolle infrastructuur en over voldoende capaciteit om de veiligheid van de energievoorziening te kunnen waarborgen.
Zoals voorzien in haar werkprogramma zal de Commissie nog dit jaar een mededeling publiceren over de elektriciteitsinfrastructuur, waarin maatregelen zullen zijn opgenomen voor een versnelde ontwikkeling van die infrastructuur teneinde de veiligheid van de voorziening te waarborgen en de handel en concurrentie te vergemakkelijken.
Krachtens Richtlijn 2003/54/EG betreffende de interne markt voor elektriciteit (3) moeten de lidstaten alle nodige maatregelen treffen om de continuïteit van de energievoorziening te waarborgen, meer bepaald door te zorgen voor een voldoende niveau van onderhoud en ontwikkeling van de infrastructuur, met name van de interconnectiecapaciteit.
Tenslotte wenst de Commissie te herinneren aan haar beschikking van 19 maart 2002 (4) inzake de overeenkomst waarbij Energie Βaden-Württemberg (EnBW), Electricidade de Portugal S.A. (EDP) en Caja de Ahorros de Asturias (Cajastur) gemeenschappelijk de controle verwerven over de vierde grootste elektriciteitsmaatschappij van Spanje, Hidroeléctrica del Cantábrico (Hidrocantábrico). Als voorwaarde om deze concentratie te aanvaarden, heeft de Commissie Electricité de France (EDF) (dat EnBW controleert) en de exploitant van het Franse elektriciteitsnet, EDF-Réseau Transport Electricité (RTE), verzocht de commerciële capaciteit van de interconnector tussen Frankrijk en Spanje aanzienlijk op te trekken tot ongeveer 4 000 megawatt (MW).
(1) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad „Europese energie-infrastructuur”, COM(2001) 775 def.
(3) Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 96/92/EG, PB L 176 van 15.7.2003.
(4) Zaak nr. IV/M.2684 — EnBW/EDP/Cajastur/Hidrocantábrico — PB C 114 van 15.5.2002.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/146 |
(2004/C 65 E/162)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2416/03
van Concepció Ferrer (PPE-DE) aan de Commissie
(21 juli 2003)
Betreft: Mededeling over de strategie ten aanzien van PVC (polyvinylchloride)
In haar antwoord op mijn vraag H-0259/03 (1) voegt de Commissie niets toe aan wat wij reeds sinds twee jaar weten. Het in mijn vorige vraag ter sprake gebrachte thema van de strategie ten aanzien van PVC werd opgenomen in het werkprogramma van de Commissie voor 2002 en 2003. Kan de Commissie bekendmaken wanneer precies de specifieke mededeling over PVC zal worden gepubliceerd? Kan zij uitleggen waarom bij de herziening van het beleid inzake chemische stoffen en de thematische strategie ten aanzien van recycling alleen rekening wordt gehouden met PVC, en niet met andere materialen?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(18 september 2003)
Het is niet mogelijk om een nauwkeurige indicatie te geven van het tijdstip waarop de Commissie haar geplande mededeling inzake de milieuaspecten van polyvinylchloride (PVC) zal kunnen publiceren, maar wel kan worden gezegd dat over de ter sprake gebrachte kwesties momenteel werkzaamheden aan de gang zijn. Zo loopt er een studie waarbij de levenscyclusevaluaties van PVC worden vergeleken met die van potentiële vervangingsmaterialen in een groot aantal toepassingen. De resultaten hiervan worden in het komende voorjaar verwacht. Voorts houdt de Commissie zich permanent op de hoogte van de door de industrie gemaakte vorderingen bij de uitvoering van haar vrijwillige verbintenis om loodstabilisatoren in PVC tegen 2015 uit te bannen en de recycling van PVC met 200 000 ton op te trekken tegen 2010 en tegelijk een evaluatie te maken van de ambitie van deze verbintenis. Voor dat laatste doel komen hooggeplaatste ambtenaren van de Commissie samen met leden van het Europees Parlement in een toezichtsgroep die de uitvoering van dit convenant controleert. Wat de andere in het groenboek van de Commissie genoemde kwesties betreft, gaat de aandacht momenteel vooral uit naar de uitbanning van het gebruik van cadmium in PVC en lopen er studies over de risico's van ftalaten.
Hoewel de mededeling van de Commissie „Naar een thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling” (2) niet specifiek gericht is op PVC, wordt deze stof toch indirect behandeld in het kader van het thema van de preventie en recycling van afvalstoffen in het algemeen.
De kaderwetgeving over chemicaliën, die naar verwachting einde dit jaar zal worden aangenomen, is niet specifiek gericht op PVC, maar behandelt scheikundige stoffen en het gebruik daarvan in producten wel in het algemeen.
(1) Schriftelijk antwoord van 13.5.2003.
(2) COM(2003) 301 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/147 |
(2004/C 65 E/163)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2418/03
van Dominique Souchet (NI) aan de Commissie
(21 juli 2003)
Betreft: Duurzaam gebruik van pesticiden en sproeien vanuit de lucht
Onder punt 7 van zijn resolutie over een thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden (P5_TA-PROV(2003)0128) ondersteunt het Europees Parlement „de aanbeveling voor een verbod op het sproeien vanuit de lucht en de mogelijkheid om pesticidenvrije gebieden aan te wijzen ten volle”. Deze resolutie maakt deel uit van het verslag-Van Brempt dat het Europees Parlement tijdens zijn plenaire vergadering van 27 maart jl. in Brussel heeft goedgekeurd.
De behandeling van gewassen met een helikopter vormt slechts 1 % van de fytosanitaire bestrijding in Europa. Sommige pesticiden kunnen alleen vanuit de lucht worden verspreid en wel om verschillende redenen: de plaats waar de parasiet zich bevindt of de hoogte van de gewassen (bladvlekkenziekten bij bananen, processierupsen op naaldbomen, de laatste generatie maïsboorder, maïshaantjes), de plaats waar de gewassen geplant zijn (bepaalde wijngaarden op hellingen), klimatologische problemen (meeldauw in wijngaarden of bij aardappelen) of de toegangsproblemen bij bepaalde gewassen (rijstvelden).
Hoe denkt de Commissie gezien het voorafgaande over het verbod op het sproeien vanuit de lucht van pesticiden te verzoenen met de vereiste om op coherente wijze ziekten te bestrijden die gewassen aantasten maar soms ook schadelijk voor de mens zijn?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(10 september 2003)
De Commissie blijft bezorgd over speciefieke risico's die samenhangen met het sproeien van pesticiden vanuit de lucht, met name over de blootstelling van omstaanders en het milieu aan overwaaiende sproeimiddelen.
De Commissie wil de aandacht erop vestigen dat haar voorstellen in verband met het verbod op sproeien vanuit de lucht in haar mededeling „Op weg naar een thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden” (1) voorzien in de mogelijkheid tot ontheffing hiervan, indien sproeien vanuit de lucht, vergeleken met andere sproeimethoden, duidelijke voordelen biedt en gunstig is voor het milieu. Over de voorstellen zijn talrijke opmerkingen gemaakt door verschillende belanghebbenden, met zeer uiteenlopende standpunten. Ook bestaande en lopende onderzoeken van officiële instanties in lidstaten worden erbij betrokken. Alle bschikbare informatie wordt momenteel verder onderzocht.
In het licht van de resultaten van dit onderzoek zal de Commissie de meest passende maatregelen inzake sproeien vanuit de lucht voorstellen, rekening houdend met een hoge beschermingsgraad voor de menselijke gezondheid en het milieu, technische haalbaarheid en de noodzakelijke gewasbescherming.
(1) COM(2002) 349 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/148 |
(2004/C 65 E/164)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2426/03
van Maurizio Turco (NI) aan de Commissie
(21 juli 2003)
Betreft: Harmonisatie van de belasting over de inkomsten uit spaargelden van burgers van de Europese Unie in een ander dan hun eigen land
Gezien de volgende feiten:
|
— |
Op de Top van Feira van 19-20 juni 2000 kwamen de ministers van Financiën van de EU tot een akkoord over de harmonisatie van de belasting over de opbrengsten van spaargelden waarbij vanaf 2011 alle EU-lidstaten automatisch informatie gaan uitwisselen. |
|
— |
Op 21 januari 2003 hebben de ministers van Financiën van de EU een politiek akkoord geparafeerd, dat gekoppeld is aan de voorwaarde dat ook derde landen gelijkaardige maatregelen nemen. In dat akkoord wordt overeengekomen dat:
|
|
— |
Op 3 juni 2003 hebben de ministers van Financiën van de EU een overeenkomst dienaangaande gesloten met Zwitserland. |
Kan de Commissie mij antwoorden op de volgende vragen:
|
1. |
Waarom ontbreekt Vaticaanstad op de lijst van derde landen, ofschoon:
|
|
2. |
Welke regeling zal gelden voor de overzeese gebieden, met name de Britse? Wat is de huidige positie — afgezien van Zwitserland dat na onderhandelingen een overeenkomst heeft bereikt — van de VS, Liechtenstein, Andorra, San Maríno en Monaco betreffende de uitwisseling van informatie op basis van de OESO-parameters van 2002? |
|
3. |
Kan de Commissie bevestigen dat, ten minste tot in 2011, in Luxemburg, Oostenrijk en België het bankgeheim blijft bestaan en op welke voorwaarden kan het eventueel ook nog daarna blijven bestaan? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(5 september 2003)
|
1. |
Het geachte parlementslid wordt erop gewezen dat de definitieve tekst van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad van 3 juni 2003 betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling door de Raad op 3 juni 2003 is goedgekeurd en op 26 juni 2003 in alle talen is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (1). Het geachte parlementslid zal in die tekst de bevestiging kunnen vinden dat de richtlijn uitsluitend betrekking heeft op de belasting van rentebetalingen aan natuurlijke personen. Om het concurrentievermogen van de Europese financiële markten in stand te houden, hebben de ministers van Financiën van de lidstaten in de marge van de Europese Raad van Feira in juni 2000 een lijst opgesteld van derde landen en afhankelijke of geassocieerde gebiedsdelen waarvoor het wenselijk zou zijn, indien daar daadwerkelijk of potentieel in significante mate rentebetalingen aan natuurlijke personen plaatsvinden, dat de Commissie aandringt op invoering van maatregelen die gelijkwaardig of identiek zijn met de maatregelen in de richtlijn. Vaticaanstad komt op die lijst van de Raad niet voor. Indien het geachte parlementslid de reden daarvan wenst te weten, dient hij zich tot de Raad te wenden. De Commissie kan slechts opmerken dat de rol die het financiële stelsel van het Vaticaan speelt wat betreft rentebetalingen aan natuurlijke personen geen bedreiging lijkt te vormen voor het concurrentievermogen van de Europese financiële markten. |
|
2. |
Het geachte parlementslid noemt in zijn vraag de conclusies die de Raad op 21 januari 2003 heeft vastgesteld. In de laatste alinea van punt 6 van die conclusies wordt duidelijk gesteld dat de „Raad meent dat er voldoende waarborgen zijn verkregen dat dezelfde maatregelen — die dezelfde procedures inhouden als in de 12 lidstaten of Oostenrijk, België of Luxemburg — zullen worden toegepast in alle betrokken afhankelijke of geassocieerde gebieden (de Kanaaleilanden, het eiland Man en de afhankelijke en geassocieerde gebieden in het Caribisch gebied)”. Deze gebieden moeten dus ofwel deelnemen aan de automatische uitwisseling van gegevens met de lidstaten, ofwel een bronheffing instellen (met verdeling van de opbrengsten) op dezelfde voorwaarden als België, Luxemburg en Oostenrijk. In de verklaringen bij de goedkeuring van de richtlijn op 3 juni 2003 heeft de Raad Nederland en het Verenigd Koninkrijk verzocht om er, met inachtneming van hun grondwettelijke bepalingen, voor te zorgen dat alle betrokken afhankelijke en geassocieerde gebieden die maatregelen zullen toepassen vanaf de datum van inwerkingtreding van de richtlijn, dat wil zeggen 1 januari 2005. De Raad voegde daarbij: „met dien verstande dat indien en wanneer Oostenrijk, België en Luxemburg de automatische informatie-uitwisseling toepassen, elk gebied dat de bronbelasting toepast ook de automatische informatie-uitwisseling zal toepassen vanaf dezelfde datum als die lidstaten.” Hoewel alle lidstaten van de Unie ook lid zijn van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), kan de Commissie op de vragen van het geachte parlementslid geen antwoord geven namens de OESO. De Commissie beperkt zich tot de volgende opmerkingen:
|
|
3. |
Artikel 10 van de definitieve tekst van Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling geeft slechts de aanvangsdatum van de overgangsperiode waarin België, Luxemburg en Oostenrijk de bepalingen inzake automatische gegevensuitwisseling tussen de douanediensten nog niet hoeven toe te passen. Zoals blijkt uit lid 2 van artikel 10 is de duur van de overgangsperiode niet tevoren vastgesteld, omdat deze afhangt van de datum waarop Zwitserland, Liechtenstein, San Maríno, Monaco en Andorra zich ertoe verbinden met alle lidstaten op verzoek gegevens uit te wisselen volgens het in april 2002 door de OESO vastgestelde model. Voor de Verenigde Staten moet worden bevestigd dat deze zich daartoe hebben verbonden. De definitieve tekst van de richtlijn biedt derhalve geen zekerheid over de vraag hoelang België, Luxemburg en Oostenrijk nog beperkingen mogen toepassen op de toegang tot bankgegevens voor fiscale doeleinden. De laatste zin van lid 3 van artikel 10 biedt deze drie lidstaten ook de mogelijkheid om reeds vóór het einde van de overgangsperiode op eigen initiatief van deze beperkingen af te zien, en volwaardig deel te nemen aan het systeem van automatische gegevensuitwisseling met alle lidstaten. In dat geval hoeven zij niet langer een bronheffing toe te passen. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/150 |
(2004/C 65 E/165)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2427/03
van Niels Busk (ELDR) aan de Commissie
(16 juli 2003)
Betreft: Staatssteun aan Italiaanse melkproducenten
Kan de Commissie berekenen wat het bedrag is van de staatssteun die de Raad onlangs besloot ten goede te laten komen aan Italiaanse melkveehouders in het geval dat de superheffing voldaan zou zijn geweest op het moment waarop de steun moet worden uitbetaald?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(12 september 2003)
De Commissie is niet in staat een dergelijke berekening te maken.
De waarde van de staatssteun hangt af van verschillende variabelen, met name:
|
— |
de datum waarop een bepaalde superheffingsbetaling door de landbouwer had moeten verricht zijn; |
|
— |
het bedrag van de superheffing waarvoor de terugbetalingsfaciliteit, die bij de beschikking van de Raad is toegestaan, daadwerkelijk zal worden gebruikt; |
|
— |
het geldende referentietarief; en |
|
— |
de feitelijke terugbetalingsperiode die aangeboden wordt aan en gekozen wordt door de begunstigden van de faciliteit. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/150 |
(2004/C 65 E/166)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2430/03
van Niels Busk (ELDR) aan de Commissie
(22 juli 2003)
Betreft: Staatssteun aan Italiaanse veehouders
Zal de Commissie bij het Europese Hof van Justitie beroep instellen tegen het besluit van de Raad zijn goedkeuring te geven aan de Italiaanse staatssteun aan Italiaanse melkproducenten?
Zo neen, welke „buitengewone omstandigheden”, zoals bedoeld in artikel 88, lid 2, derde alinea van het EG-Verdrag, rechtvaardigen dan een dergelijk besluit?
Zal de Commissie een vergelijkbare staatssteun accepteren in andere lidstaten of nieuwe lidstaten als daar sprake is van dezelfde „buitengewone omstandigheden”?
Antwoord van de heer Fischler namens de Commissie
(12 september 2003)
De Commissie is niet voornemens de beschikking van de Raad aan te vechten bij het Hof van Justitie.
Wat de door de Raad erkende „uitzonderlijke omstandigheden” betreft, verwijst de Commissie naar Beschikking 2003/530/EG van de Raad (1).
De Commissie is van mening dat bedoelde beschikking van de Raad niet kan worden ingeroepen als precedent voor eventuele toekomstige problemen bij de tenuitvoerlegging van de regelgeving inzake de melkquotaheffing in Italië of in andere lidstaten.
(1) Beschikking 2003/530/EG van de Raad van 16 juli 2003 betreffende de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van steun die de Italiaanse Republiek wil verlenen aan melkproducenten. PB L 184 van 23.7.2003.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/151 |
(2004/C 65 E/167)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2437/03
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(22 juli 2003)
Betreft: Bouw van vervuilende fabriek
De bevolking van Tabacô, Arcos de Valdevez, Portugal, maakt zich zorgen over de bouw van een fabriek van de firma Sarreliber — Transformação de Plásticos e Metais, SA (plastic- en metaalverwerkingsbedrijf) die deel uitmaakt van het Franse concern ORIAL dat in Parijs zetelt.
Met toestemming van de gemeente Arcos de Valdevez wordt in het kader van het investeringsplan een fabriek gebouwd die in de beginfase werk zal bieden aan 105 werknemers. In de fabriek zouden beschietingen en plastic componenten ten behoeve van de automobiel-, parfum-, sanitaire en huishoudelijke apparatenindustrie worden geproduceerd.
De plaatselijke bevolking vreest dat het metaalverwerkende onderdeel van dit concern zware metalen als chroom en nikkel zal gaan gebruiken. Deze metalen zijn uiterst vervuilend en gevaarlijk voor de volksgezondheid en het milieu. Bovendien komt de fabriek vlakbij de rivier de Vez en sociale instellingen waar kinderen en bejaarden verblijven, te liggen.
Er zij opgewezen dat de rivier de Vez, een zijrivier van de rivier de Lima onder het natuurnetwerk 2000 valt. Daarnaast zij erop gewezen dat plannen om deze fabriek in Gallicië en het Verenigd Koninkrijk te bouwen, reeds zijn tegengehouden.
De plaatselijke milieuorganisatie heeft reeds een brief naar het lid van de Commissie gestuurd dat verantwoordelijk voor het milieu is. Kan de Commissie mededelen welk standpunt zij ten aanzien van deze kwestie inneemt?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(23 september 2003)
Met betrekking tot het bedoelde project voor de bouw van een fabriek heeft de Commissie reeds een aantal verzoeken om informatie alsook klachten ontvangen, die onder de nummers 2003/4425, 2003/4557 en 2003/4558 werden geregistreerd.
Op basis van de gegevens die in deze klachten werden verstrekt, lijkt het project te vallen onder bijlage II, punt 4, onder e), van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (1), als gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 (2). Daar is sprake van „installaties voor oppervlaktebehandeling van metalen en plastic-materiaal door middel van een elektrolytisch of chemisch procédé”. Krachtens artikel 4, lid 2, van genoemde richtlijn bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten door middel van een onderzoek per geval dan wel aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria, of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10. Tot de in bijlage III van die richtlijn genoemde selectiecriteria die bij een onderzoek per geval of bij de vaststelling van bovenbedoelde drempelwaarden of criteria in overweging moeten worden genomen, behoren met name de aanwezigheid van gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid en gebieden die worden beschermd krachtens Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (3) en Richtlijn 92/43/EG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (4).
De gegevens die in samenhang met de klachten werden verstrekt, wettigen het vermoeden dat het project gevolgen zou kunnen hebben voor een gebied van communautair belang dat door Portugal uit hoofde van artikel 4 van Richtlijn 92/43/EG werd voorgedragen, namelijk het gebied van de Rio Lima. Krachtens artikel 6, lid 3, van laatstgenoemde richtlijn wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een dergelijk gebied maar significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen met betrekking tot dat gebied.
Ten slotte lijkt het project ook te vallen onder punt 2.6 van bijlage I van Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (5), waar sprake is van „installaties voor oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procédé, wanneer de inhoud van de gebruikte behandelingsbaden meer dan 30 m3 bedraagt”. Overeenkomstig artikel 1 voorziet deze richtlijn in „maatregelen ter voorkoming en, wanneer dat niet mogelijk is, beperking van emissies door de (in bijlage I genoemde) activiteiten in lucht, water en bodem, met inbegrip van maatregelen voor afvalstoffen, om een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel te bereiken, onverminderd de bepalingen van Richtlijn 85/337/EEG en andere Gemeenschapsvoorschriften”.
In het licht van een en ander heeft de Commissie het, na analyse van bovenvermelde gegevens, noodzakelijk gevonden de aandacht van de Portugese instanties op het kwestieuze project voor de bouw van een fabriek te vestigen en terzake nadere verduidelijking te vragen, met name wat betreft de vraag of met betrekking tot dat project een passende milieueffectbeoordeling werd uitgevoerd en of de voorzorgsmaatregelen werden getroffen waarin bovenvermelde communautaire bepalingen voorzien.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/152 |
(2004/C 65 E/168)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2438/03
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(22 juli 2003)
Betreft: Afschaffing van het visum voor verplaatsingen van immigranten van derde landen die legaal in Zwitserland verblijven
De vakbond van industrie en bouwnijverheid van Zwitserland en het Zwitsers forum voor de integratie van migranten zijn van oordeel dat de visumplicht voor immigranten die afkomstig zijn uit een land dat niet tot de EU behoort en die in Zwitserland wonen, moet worden afgeschaft.
In Zwitserland wonen ongeveer een half miljoen mensen die afkomstig zijn uit landen die niet tot de EU behoren. Telkens wanneer zij naar hun land van herkomst willen reizen of naar een land dat deel uitmaakt van het Schengen-Verdrag moeten zij een visum aanvragen, hetgeen tijd en geld kost.
De situatie is thans wel beter dan vroeger omdat de visa nu langer geldig zijn maar dat neemt niet weg dat het grondprobleem blijft bestaan.
Kan de Commissie mededelen welke maatregelen zij overweegt te nemen naar aanleiding van de reeds deels opgeloste eerder gestelde vragen om de visumplicht af te schaffen voor inwoners van Zwitserland die afkomstig zijn uit landen die geen lid van de EU zijn? Het zou hier om wederkerigheidsmaatregelen moeten gaan omdat Zwitserland in augustus 2000 reeds de visumplicht heeft afgeschaft voor burgers van derde landen die legaal binnen de Europese Unie verblijven.
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(3 september 2003)
De aandacht van de Commissie werd al eerder gevestigd (1) op de situatie van de in Zwitserland verblijvende onderdanen van derde landen die, op grond van hun nationaliteit (2), in het bezit moeten zijn van een visum om zich op het grondgebied van een Schengen-lidstaat te mogen begeven of om, op weg naar hun land van herkomst, over het grondgebied van een Schengen-lidstaat te reizen.
Deze kwestie is onderzocht door de bevoegde werkgroep van de Raad, de werkgroep „visa”, die tot de conclusie is gekomen dat het bestaande Schengen-acquis geen belemmering vormt voor de afgifte van langlopende visa voor meervoudige binnenkomsten. De consulaire diensten van de lidstaten zijn op de hoogte gebracht van deze mogelijkheid, die volgens het geachte parlementslid een eerste verbetering is. Bij het consulaat worden daardoor al minder frequent visa aangevraagd.
Momenteel denkt de Commissie verder na over een oplossing om de onderdanen van derde landen met verblijfsvergunningen voor Zwitserland niet langer te verplichten in het bezit te zijn van een visum om over het grondgebied van de Schengen-lidstaten te reizen of zelfs om er kort te verblijven. Een dergelijke oplossing vereist in elk geval een wijziging van het Schengen-acquis.
(1) Schriftelijke vraag nr. E-0557/02 van de heer Imbeni en de heer Pittella, PB C 229 E van 26.9.2002.
(2) Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, PB L 81 van 21.3.2001.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/153 |
(2004/C 65 E/169)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2439/03
van Hiltrud Breyer (Verts/ALE) aan de Commissie
(16 juli 2003)
Betreft: Risico's voor de gezondheid ten gevolge van brandstoffen voor militair gebruik
In militaire installaties en pijpleidingen in de gehele Europese Unie worden grote hoeveelheden van de vliegtuigbrandstof Jet-Propellant 8 (JP 8) gebruikt waarvan wordt aangenomen dat zij zeer gevaarlijk is voor de volksgezondheid (zie bijvoorbeeld de New Scientist van 13 juni 2001).
|
1. |
Is de Commissie niet ook van mening dat de bevolking overeenkomstig de milieu-informatierichtlijn recht heeft op informatie over mogelijke risico's, te meer daar in dit geval geen bedrijfsgeheimen openbaar moeten worden gemaakt? |
|
2. |
Weet de Commissie welke toevoegsels JP-8 bevat en hoe de precieze chemische samenstelling en concentratie eruitzien? Bevat JP-8 enige vorm van 1,2-dibroomethaan of komt dit vrij? |
|
3. |
Welke weerslag heeft JP-8 op de gezondheid via uitlaatgassen, aërosolen en dampen? Aan welke onderzoeken en tests wordt de kennis hierover ontleend? |
|
4. |
Bevat JP-8 stoffen die bij civiel gebruik aan striktere grenswaarden zijn onderworpen of die grotendeels verboden zijn? |
|
5. |
Hoe worden werknemers op luchthavens en omwonenden tegen de gevaren van JP-8 beschermd? Welke veiligheidsmaatregelen worden genomen of gepland? |
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(11 september 2003)
Artikel 296, lid 1, punt b), van het EG-Verdrag heeft een opt-out ingebouwd op grond waarvan elke lidstaat de maatregelen kan nemen die hij noodzakelijk acht voor de bescherming van de wezenlijke belangen van zijn veiligheid en die betrekking hebben op de productie van of de handel in wapenen, munitie en oorlogsmateriaal.
Artikel 296 is systematisch ruim uitgelegd door de lidstaten. Zij willen immers alle aspecten van de productie en handel in defensiemateriaal onder strenge nationale controle houden, waardoor ze de militaire sector uitsluiten van het toepassingsgebied van de gemeenschapsregels.
Maar de jurisprudentie (1) van het Hof van Justitie legt deze afwijkingsclausule restrictiever uit:
|
— |
De lidstaten mogen zich niet beroepen op een „soevereiniteitsvoorbehoud” als bedoeld in het internationaal publiekrecht en beschikken niet over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid; |
|
— |
Het Hof van Justitie kan wanneer het wil controle uitoefenen op het gebruik van beroep op de bescherming van essentiële veiligheidsbelangen (zoals de controle op noodzakelijkheid, relevantie en evenredigheid); |
|
— |
Het artikel 296 legt geen beperkingen op voor communautaire bevoegdheden ratione materiae. |
Een recent arrest (2) van het Hof van Justitie heeft deze jurisprudentie bevestigd door concreet te verwijzen naar artikel 296.
Na deze verduidelijking kan de Commissie op de speciefieke vragen van het geachte parlementslid het volgende antwoorden:
|
1. |
Overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad van 7 juni 1990 inzake de vrije toegang tot milieu-informatie (3), dienen de lidstaten het publiek algemene informatie over de toestand van het milieu te verstrekken. Vanaf begin 2005 zal deze clausule vervangen worden door meer getedailleerde bepalingen over de actieve verspreiding van milieu-informatie, uiteengezet in artikel 7 van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 (4). De twee richtlijnen bepalen echter dat de lidstaten een verzoek om informatie kunnen weigeren, indien openbaarmaking van de informatie afbreuk doet aan de nationale defensie. In zulke gevallen zijn de lidstaten evenmin verplicht om de informatie actief te verspreiden. |
|
2. |
en 3. De Commissie beschikt niet over informatie betreffende de samenstelling van JP-8 of zijn additieven. Als JP-8 1,2-dibroomethaan bevat, moet worden vermeld dat deze stof in de geharmoniseerde indeling als kankerverwekkend is omschreven (categorie 2, dit geeft aan dat ze kanker kunnen verwekken bij de mens); de stof is giftig bij inademing, bij huidcontact en bij ingestie; veroorzaakt irritaties van ogen, luchtwegen en huid; 1,2-dibroomethaan is bovendien giftig voor aquatische organismen en kan op lange termijn schadelijke effecten hebben op het aquatisch milieu. De verbranding van JP-8 kan stoffen produceren die volkomen verschillend zijn van 1,2-dibromethaan en waarvan de toxiciteit ofwel veel hoger ofwel veel lager kan liggen. Wetenschappers hebben dergelijke effecten waargenomen bij hun onderzoek naar de „chemie van het vuur”. De Commissie beschikt wat dit onderwerp betreft niet over informatie. |
|
4. |
Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (5) stelt vast dat de werkgever in het kader van zijn verantwoordelijkheden de nodige maatregelen moet treffen voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers. Hij moet daarom in het bezit zijn van een evaluatie van de risico's voor de gezondheid en de veiligheid op het werk, beslissen over te nemen beschermende maatregelen en indien nodig de te gebruiken beschermingsmiddelen vastleggen. Deze verplichtingen worden in detail besproken in Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 (6) betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk en in Richtlijn 90/394/EEG van de Raad van 28 juni 1990 (7) betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene agentia op het werk. Momenteel is op Europees niveau geen limietwaarde vastgesteld wat de blootstelling aan 1,2-dibro-methaan op het werk betreft. |
|
5. |
De Commissie beschikt geen informatie over de genomen voorzorgs- en beschermingsmaatregelen in of rond militaire bases. |
(1) Arrest Johnston/Chief Constable van 15 mei 1986, zaak 222/84.
(2) Arrest van het Hof van 16 september 1999, zaak 414/97, Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk Spanje.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/155 |
(2004/C 65 E/170)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2443/03
van Geoffrey Van Orden (PPE-DE) aan de Commissie
(22 juli 2003)
Betreft: Op zee levende roofvogels
Sommige zeevogels zoals aalscholvers hebben verwoestende gevolgen voor in ondiepten in rivieren en riviermondingen in de EU levende blankschubbige vissen.
Ook wordt de voedselketen in negatieve zin beïnvloed waardoor tal van soorten vogels en grote vis schade ondervinden.
Zijn op zee levende roofvogels zoals aalscholvers op enigerlei wijze beschermd via de EU-wetgeving of hebben nationale overheden de bevoegdheid zo nodig tot ruiming over te gaan?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(23 september 2003)
Het geachte parlementslid uit zijn bezorgdheid over de invloed die sommige soorten visetende zeevogels, zoals aalscholvers, hebben op bepaalde visbestanden in rivieren en riviermondingen van de Unie.
Wat de beschermingstatus van deze vogels betreft, wil de Commissie benadrukken dat zoals alle andere wilde vogelsoorten, de aalscholver onder de algemene beschermingsregeling van de vogelrichtlijn (1) valt. Overeenkomstig de in de vogelrichtlijn vastgestelde regeling (artikel 9) mogen de lidstaten afwijken van het verbod om met om het even welke methode opzettelijk vogels te doden of te vangen, opzettelijk hun nesten en eieren te vernielen of te beschadigen of hun nesten weg te nemen.
Toen de vogelrichtlijn in 1979 werd aangenomen, werd de continentale ondersoort van de aalscholver, Phalacrocorax carbo sinensis, als bedreigd beschouwd en bijgevolg opgenomen in bijlage I van de richtlijn hetgeen inhoudt dat speciale habitatbeschermingsmaatregelen dienen te worden getroffen, met name ter bescherming van de leefgebieden.
De populatie van deze soort is echter sterk toegenomen en de soort blijkt zich momenteel in een gunstige staat van instandhouding te bevinden. Naar aanleiding van deze ontwikkelingen heeft de Commissie, na raadpleging van de lidstaten, de aalscholver uit bijlage I van de richtlijn geschrapt.
De Commissie is zich bewust van het bestaan van belangenconflicten tussen vissers en aalscholvers in bepaalde regio's van de Unie, en zij is met de lidstaten overeengekomen dat de voorschiften tot afwijking van de vogelrichtlijn ten volle kunnen worden toegepast om door aalscholvers veroorzaakte ernstige schade te voorkomen, voorzover dit gerechtvaardigd is en geen enkele andere afdoende oplossing kan worden gevonden.
Sinds de aalscholver in 1997 uit bijlage I van de vogelrichtlijn werd geschrapt, is de Commissie de situatie op de voet blijven volgen en heeft zij daarvoor overleg gepleegd met de voor de uitvoering van de vogelrichtlijn bevoegde autoriteiten in de lidstaten. De laatste besprekingen tijdens de bijeenkomst van het Orniscomité op 26 juni 2003 hebben uitgewezen dat de populaties in Europa thans betrekkelijk stabiel lijken te zijn: er bestaat geen eensgezindheid over de behoefte aan internationale samenwerking voor het beheer van de populaties van deze soort.
Ten slotte wordt momenteel in verschillende lidstaten en op Europees niveau onderzoek verricht naar de ontwikkeling van betere methodes om het probleem van de door aalscholvers veroorzaakte visserij schade aan te pakken (zoals bijvoorbeeld het project „Reducing the conflict between cormorants and fisheries on a Pan-European scale: Redcafe”, dat in het raam van het vijfde kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling wordt gefinancierd).
(1) Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, PB L 103 van 25.4.1979.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/156 |
(2004/C 65 E/171)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2453/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(23 juli 2003)
Betreft: Eurostat: Datum van eerste constatering van fraude en de simpele mogelijkheid voor inzicht in contracten met bedrijven alsmede bedragen per bedrijf
|
1. |
Sinds wanneer was de Commissie op de hoogte van contacten van Eurostat met dubieuze bedrijven, het via zwarte kassen binnenkomen van grote bedragen (inmiddels tenminste 900 000 EUR) voor verkoop van statistische gegevens via datashops en de mogelijkheid voor enkele ambtenaren om over deze gelden te beschikken? Was dit de Commissie bekend sinds 1997, sinds 1999 of pas sinds 2001? Is de Commissie het met mij eens dat interne correspondentie van de Commissie, te weten de brieven ESTAT/G-0/CD/sb/000347 en PRODI(2000)A/291246.--/1, de indruk oproept dat Commissievoorzitter Prodi al eerder op de hoogte was dan tot nog toe door de Commissie is bevestigd? |
|
2. |
Is het de Commissie bekend dat onregelmatigheden met contracten bij Eurostat zich mogelijk ook uitstrekken tot een groter aantal bedrijven, zoals Worldsystems, Eurocost, Eurogramme, TES, GIM, DEBA, Planistat en CESD, en dat het hierbij gaat om veel grotere bedragen? Is het de Commissie bekend dat zij met een simpele druk op de knop van het interne boekhoudsysteem „Sincom” precies kan aangeven over welke periode deze bedrijven contracten hebben genoten van Eurostat en voor welke bedragen per bedrijf dat het geval was? Is de Commissie bereid mij en de andere leden van het EP deze gegevens te verstrekken? |
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(22 september 2003)
De Commissie heeft deze vragen op de hoorzittingen van de commissie Begrotingscontrole (Cocobu) en met name op de hoorzittingen van 17 en 30 juni 2003 beantwoord. Nadat de informatie de Commissie bereikt had, zijn onmiddellijk passende maatregelen genomen. In dit verband verzoekt de Commissie de geachte afgevaardigde om kennis te nemen van de besluiten van de Commissie van 9 en 23 juli 2003.
De aan de Commissievoorzitter gerichte e-mail van 13 november 2000, waarnaar de geachte afgevaardigde verwijst, was in het algemeen polemisch van toon, terwijl niet goed duidelijk was wat concreet de bedoeling van het schrijven was. In zijn e-mail heeft de briefschrijver allerlei uiteenlopende overwegingen door elkaar heen gehaald. Zo gaan vergelijkingen van de moed van een aantal leden van de Commissie met die van vooraanstaande persoonlijkheden (Monnet, Schuman) bijvoorbeeld hand in hand met vaak vrij cryptisch geformuleerde op- en aanmerkingen van geheel andere aard. Kortom, voor iedere niet ter zake kundige lezer was de daadwerkelijke strekking van deze mail moeilijk te vatten. Zoals in zulke gevallen te doen gebruikelijk is de mail direct voor „passende verdere behandeling” naar de betrokken dienst (in dit geval Eurostat) doorgestuurd. Deze dienst heeft dat waarom het de briefschrijver in zijn mail eigenlijk „te doen” leek, namelijk zijn belangstelling voor de eventuele publicatie van een intern auditverslag over Eurocost opgepakt. In het hem gestuurde antwoord is de feitelijke stand van zaken bij de behandeling van het desbetreffende dossier tot op dat moment weergegeven, d.w.z. hem is medegedeeld dat het betrokken rapport doorgegeven was aan de hiervoor verantwoordelijke diensten, die het overeenkomstig de in dit soort gevallen toe te passen voorschriften vertrouwelijk zouden behandelen.
Op 11 juni 2003 heeft de Dienst Interne Audit van de Commissie opdracht gekregen om de Eurostat-contracten aan een audit te onderwerpen. Op 9 juli 2003 heeft de Commissie een eerste interimverslag van de Dienst Interne Audit (IAS) ontvangen, alsmede een door Directoraat-generaal Begroting gemaakte analyse van de auditverslagen van de interne auditvoorzieningen van Eurostat. De dienovereenkomstige besluiten zijn door de Commissie genomen en aan het Parlement medegedeeld. Er is met name een speciale Task Force in het leven geroepen, die onder leiding van de directeur van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) staat. Overeenkomstig het besluit van de Commissie van 23 juli 2003 heeft de Task Force Eurostat (TFES) tot taak om ten behoeve van de Commissie een verslag op te stellen over de verschillende administratieve aspecten van Eurostat-dossiers. De werkzaamheden van de Task Force Eurostat en van de Dienst Interne Audit duren nog voort. De Commissie heeft aangekondigd dat ze het Parlement regelmatig van de ontwikkelingen op de hoogte zal stellen.
In het kader van de kwijtingsprocedure voor het jaar 2001 heeft de Commissie reeds verklaard dat momenteel aan een centrale database voor contracten gewerkt wordt. De door de geachte afgevaardigde benodigde gegevens kunnen worden verkregen in het „data warehouse”, dat gegevens over de begrotingsmiddelen bevat waarvoor betalingsverplichtingen ten opzichte van derden zijn aangegaan. In haar antwoorden op andere recente vragen van het Parlement heeft de Commissie reeds gedetailleerde informatie verstrekt over de betalingsverplichtingen die ten opzichte van het merendeel van de door de geachte afgevaardigde genoemde organisaties zijn aangegaan en de betalingen die in dit verband gedaan zijn.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/157 |
(2004/C 65 E/172)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2458/03
van Concepció Ferrer (PPE-DE) aan de Commissie
(23 juli 2003)
Betreft: Hogesnelheidslijnen in Zuid-Europa
Zowel de lijn Genua-Marseille-Barcelona-Valencia als de lijn Lissabon-Madrid-Barcelona-Lyon-Parijs zijn van groot belang voor de Zuid-Europese economie. Er treedt voortdurend vertraging op bij de aanleg van de lijn Madrid-Lleida die eind 2002 klaar had moeten zijn, maar hier is nog geen sprake van terwijl dit een essentieel tracé is op de hogesnelheidslijn Madrid-Barcelona-Franse grens. De Franse regering toont weinig belangstelling voor het transformeren van de lijn Nimes-Spaanse grens in een hogesnelheidstracé. Welke maatregelen denkt de Commissie te nemen om, zoals vastgelegd in de Verdragen, het trans-Europese net verder te ontwikkelen?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(12 september 2003)
In het kader van de begroting voor de Trans-Europese vervoersnetwerken draagt de Gemeenschap bij aan de financiering van het onderzoek en de werken om de capaciteit van de bestaande lijn tussen Perpignan-Nîmes te verhogen en zo het hoofd te bieden aan de toename van het verkeer na de ingebruikname van de nieuwe lijn Figueras-Perpignan (verwacht rond 2008-2009).
De Gemeenschap draagt eveneens bij — opnieuw in het kader van de begroting voor de Trans-Europese vervoersnetwerken — aan het voorafgaand onderzoek in verband met de aanleg van een volledig nieuwe infrastructuur tussen de Spaanse grens en Nîmes die tussen 2010 en 2015 fasegewijs in gebruik zal worden genomen, naar gelang van de mate van verzadigdheid van baanvak.
Dit project heeft een zekere vertraging opgelopen ten opzichte van de vooropgestelde planning waarin de ingebruikname van de volledige lijn was vastgelegd voor 2010 — en de Commissie betreurt dit ten zeerste —, maar er dient op gewezen te worden dat de uitvoering van deze projecten volledig onder de bevoegdheid van de lidstaten valt. In het kader van de werkzaamheden van de Groep op Hoog Niveau die door de heer Karel Van Miert wordt voorgezeten, heeft de Commissie aan de Franse autoriteiten de bevestiging gevraagd en gekregen dat ze de hierboven vermelde data zullen naleven.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/158 |
(2004/C 65 E/173)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2459/03
van Concepció Ferrer (PPE-DE) aan de Commissie
(23 juli 2003)
Betreft: Spoorwegnet in Zuid-Europa
Volgens recent onderzoek is de afgelopen dertig jaar (1970-2000) het percentage van het goederenvervoer dat met het spoor wordt vervoerd gedaald van 21 naar 8,1 %. Deze daling is veroorzaakt door het vervoer over de weg dat bepaalde voordelen biedt ten opzichte van het vervoer over het spoor, vooral is het gemakkelijker de eindbestemming te bereiken.
In de artikelen 154 en 155 van het EG-Verdrag staat dat de Gemeenschap verplicht is bij te dragen aan het aanleggen en ontwikkelen van trans-Europese vervoersnetwerken in de vervoerssector.
Het vervoer over de rails is bij uitstek het meest milieuvriendelijke vervoermodel, daarom heeft de Commissie toegezegd het vervoer over de rails een nieuwe impuls te zullen geven in het kader van het gemeenschappelijk vervoerbeleid van de EU.
Welke maatregelen zijn genomen om het goederenvervoer over de Pyreneeën te waarborgen?
Welke maatregelen zijn genomen opdat dit vervoer over de Pyreneeën concurreren kan met andere vormen van goederenvervoer, vooral dat over de weg?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(12 september 2003)
Een van de centrale doelstellingen voor het geheel van de Unie is de spoorwegsector een nieuwe impuls te geven. Dit is een van de belangrijkste prioriteiten van het gemeenschappelijk vervoerbeleid van de Unie. In dat verband wil de Unie een geïntegreerde spoorwegomgeving tot stand brengen waarbinnen het vervoer per spoor, met name het vrachtvervoer, zijn efficiëntie en concurrentiekracht kan herwinnen. Deze initiatieven en de reeds lopende maatregelen dragen bij tot de integratie van de nationale railsystemen. Deze integratie berust op de ontwikkeling van de interoperabiliteit van de hogesnelheids- en conventionele spoorsystemen, wat een bijzonder belangrijke doelstelling is gezien de onderling zeer afwijkende kenmerken van de huidige Spaanse en Franse netten.
In die context en teneinde de aantrekkelijkheid van het goederenvervoer per spoor te vergroten, draagt de Gemeenschap bij tot de financiering van projecten ter verbetering van de capaciteit van de lijnen over de Pyreneeën die het Iberische schiereiland verbinden met de rest van Europa. De Gemeenschap is met name voornemens om, met middelen uit de begroting voor de trans-Europese transportnetwerken (TEN-T), de aanleg te ondersteunen (tot 10 % van de totale projectkosten) van het nieuwe spoorwegvak Perpignan-Figueras, dat Barcelona en de omliggende regio zal verbinden met het Franse net via een lijn met Europese standaardbreedte. Deze lijn, waarop zowel passagiers- als goederentreinen zullen kunnen rijden en die wellicht tegen 2008-2009 in gebruik kan worden genomen, zal aanzienlijke tijdwinst aan de grens opleveren doordat daar de assen niet langer zullen moeten worden omgewisseld.
Het prioritaire project nr. 3 (TGV Sud), waarvan het baanvak Perpignan-Figueras een onderdeel is, heeft ook betrekking op de aanpassing van een op Frans grondgebied gelegen baanvak tussen Perpignan, Montpellier en Nîmes, waarvoor de studies ook gedeeltelijk zijn gefinancierd met middelen uit hoofde van de TEN-T-begroting. Het is de bedoeling om tegen 2015 een nieuwe lijn aan te leggen op deze as, waardoor een belangrijke capaciteit, met name voor goederentreinen, zal vrijkomen op de bestaande lijn.
Tenslotte herinnert de Commissie eraan dat zij, onder de prioritaire projecten in het kader van TEN-T, ook de centrale spoorwegoversteek van de Pyreneeën en de aanleg van een Iberisch hogesnelheidsnet heeft voorgesteld. Dit voorstel is reeds in eerste lezing door het Parlement goedgekeurd.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/159 |
(2004/C 65 E/174)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2468/03
van Catherine Stihler (PSE) aan de Commissie
(24 juli 2003)
Betreft: Invoering van digitale tachografen
In verordening (EEG) 3820/85 (1) worden de voorschriften bepaald met betrekking tot aanvaardbare rij-, rust- en werktijden van bestuurders van bedrijfsvoertuigen en bussen. De werktijden van deze bestuurders worden, overeenkomstig verordening (EEG) 3821/85 (2) geregistreerd en gecontroleerd door middel van tachografen. Onlangs is verordening (EG) 2135/98 (3) gepubliceerd, die de weg vrijmaakt voor de invoering van digitale tachografen (die de gegevens op smartcards registreren) ter vervanging van de huidige tachografen (die de gegevens vastleggen op papieren kaarten).
Artikel 2, lid 1, letter a) van verordening 2135/98 luidt als volgt:
|
|
Voertuigen die vanaf vierentwintig maanden na de datum van bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van het besluit dat moet worden vastgesteld krachtens artikel 17, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3821/85, als gewijzigd bij onderhavige verordening, voor het eerst in het verkeer worden gebracht, moeten zijn uitgerust met een controleapparaat dat voldoet aan de voorschriften van bijlage 1B. |
Kan de Commissie bevestigen dat het op 5 augustus 2002 (4) als verordening (EG) 1360/2002 bekend gemaakte besluit het besluit in waarnaar in dit lid wordt verwezen?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(24 september 2003)
De Commissie bevestigt dat Verordening (EG) nr. 1360/2002 van de Commissie (5) het in artikel 2, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 2135/98 van de Raad (6) bedoelde besluit is.
(1) PB L 370 van 31.12.1985, blz. 1.
(2) PB L 370 van 31.12.1985, blz. 8.
(3) PB L 274 van 9.10.1998, blz. 1.
(4) PB L 207 van 5.8.2002, blz. 1.
(5) Verordening (EG) nr. 1360/2002 van de Commissie van 13 juni 2002 betreffende de zevende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer, PB L 207 van 5.8.2002.
(6) Verordening (EG) nr. 2135/98 van de Raad van 24 september 1998 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Richtlijn 88/599/EEG betreffende standaardprocedures voor de controle op de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3820/85 en Verordening (EEG) nr. 3821/85, PB L 274 van 9.10.1998.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/159 |
(2004/C 65 E/175)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2473/03
van Marie Isler Béguin (Verts/ALE), Charles Tannock (PPE-DE), Alima Boumediene-Thiery (Verts/ALE), Patsy Sörensen (Verts/ALE) en Miquel Mayol i Raynal (Verts/ALE) aan de Commissie
(24 juli 2003)
Betreft: Randgebieden aan de buitengrenzen van de uitgebreide Europese Unie
Het lopend uitbreidingsproces van de Europese Unie in oostelijke richting zorgt binnenkort voor een nieuwe afbakening van haar politieke, economische en sociale entiteit, die door harmonisering, bescherming en overgangssteun nu ook de kandidaatlanden van Midden-Europa en de Baltische landen omvat.
De oostelijke grensgebieden van de lidstaten, en vervolgens de kandidaatlanden, die bijzonder gevoelig zijn voor de continentale ontwikkeling in de richting van economische nivellering bij de achtereenvolgende uitbreidingsoperaties van de Europese Unie, hebben hulp kunnen krijgen van steunprogramma's en gerichte steunmaatregelen die tot doel hadden om de sociaal-economische ongelijkheden en gevolgen op hun grondgebied te voorkomen en op te vangen. De westelijke grensgebieden van de Europese buurstaten van de uitgebreide Europese Unie, zoals Wit-Rusland, Moldavië en de Oekraïne, zijn in wezen en op de eerste plaats afhankelijk van de interregionale economie en het handelsverkeer met hun vele partners aan hun westgrenzen. De drie Oost-Europese landen in kwestie, die een wezenlijk onderdeel van de geschiedenis en identiteit van ons continent vormen en waarvan de vorige regeringen — in Moldavië en Wit-Rusland — verklaard hebben dat ze door hun lotsbestemming geroepen zijn om tot de Europese Unie toe te treden — op het ogenblik nog altijd een prioriteit voor de Oekraïense regering — zullen de consequenties in alle opzichten van de uitbreidingsbeweging van de Europese Unie rechtstreeks te voelen krijgen.
Op 11 februari van dit jaar heeft het Europees Parlement een verslag van Pedro Marset Campos over de betrekkingen tussen de Europese Unie en Wit-Rusland — naar een nieuw partnerschap, aangenomen, waar het de Commissie vraagt, om elke economische en sociale breuk langs de toekomstige oostgrens van de uitgebreide Europese Unie te voorkomen en smokkelhandel en immigratie in toom te houden, om voor de grensgebieden van de nieuwe oostelijke buurlanden Oekraïne, Wit-Rusland en Moldavië Europese programma's en financiële steunmaatregelen op te stellen in dezelfde omvang als degene die nu al lopende zijn voor de oostgebieden van de aangrenzende kandidaat-lidstaten.
|
1. |
Welke herstelprogramma's voor het interregionaal evenwicht denkt de Commissie in te stellen om langs weerszijden van de toekomstige oostgrens een symmetrische sociale en economische ontwikkeling te stimuleren en te voorkomen dat er een opvallende breuklijn ontstaat tussen van de ene kant de nieuwe lidstaten en van de andere kant de Oekraïne, Moldavië en Wit-Rusland? |
|
2. |
Welke preventieve maatregelen denkt de Commissie te treffen om langs de oostgrens het grensoverschrijdend handelsverkeer te ontzien, dat in de Oekraïne 1/3 van de invoer en het levensonderhoud van 20 % van de bevolking vertegenwoordigt, en dat rechtstreeks bedreigd wordt door de invoering van de visumplicht per 1 juli a.s.? |
|
3. |
Eisen behoud en versteviging van de bestaande sociaal-economische verwevenheden tussen kandidaatlidstaten en hun Oost-Europese partnerlanden volgens de Commissie niet dat de coördinatie tussen de Europese programma's Phare en Tacis, en ook Interreg en Phare-CBC, geoptimaliseerd of zelfs volledig herzien wordt? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(17 september 2003)
|
1. |
Zoals uiteengezet is in de Mededeling van de Commissie „De grotere Europese nabuurschap: een nieuwe kader voor de betrekkingen met de oostelijke en zuidelijke buurlanden” (1), is het steeds duidelijk het doel van de Unie geweest om samen te werken om een zone van voorspoed en stabiliteit met de buren van de toekomstige uitgebreide Unie tot stand te brengen. In haar mededeling betreffende de follow-up ervan „De weg effenen voor een nieuw nabuurschapsinstrument” (2), stelt de Commissie de mogelijkheid voor om een nieuw nabuurschap sinstrument te creëren aan de hand waarvan kan worden voortgebouwd op de ervaring op het gebied van de grensoverschrijdende samenwerking in het kader van de PHARE-, Tacis- en Interreg-programma's. Het programma zou kunnen zorgen voor het degelijk functioneren en het veilige beheer van de toekomstige oostelijke en mediterrane grenzen, de bevordering van duurzame economische en sociale ontwikkeling in de aangrenzende regio's, en grensoverschrijdende, regionale en transnationale samenwerking. Aangezien een dergelijk instrument niet van de ene op de andere dag gecreëerd kan worden, stelt de Commissie een aanpak in twee afzonderlijke fasen voor, die begint met het concept van nabuurschapsprogramma's voor de periode 2004-2006, die fungeren als gemeenschappelijke programma's voor grensoverschrijdende en regionale samenwerking aan de buitengrenzen van de Unie met Wit-Rusland, Oekraïne en Moldavië (alsook met de westelijke Balkan en het Middellandse-Zeegebied) en waarin de hiervoor genoemde punten aan de orde komen. |
|
2. |
De buurlanden van de uitgebreide Unie lijken zich in een goede positie te bevinden om te profiteren van de directe toegang tot een interne markt met 450 miljoen inwoners. De uitgebreide Unie zal een open handelspartner blijven, met een stel regels en administratieve procedures, één enkel tarief, met een algemeen niveau van tariefbescherming dat na de uitbreiding lager wordt. Hierdoor zullen de activiteiten van actoren uit derde landen in de nieuwe lidstaten worden vereenvoudigd. De vereenvoudiging en standaardisering van de regels zullen met name kleine en middelgrote ondernemingen en individuele actoren ten goede komen, die vaak bij grensoverschrijdende handelsactiviteiten betrokken zijn, waarbij de kosten verbonden aan het voldoen aan handelsprocedure verhoudingsgewijs hoger zijn. Bovendien zal de uitbreiding naar verwachting een snellere economische groei in de nieuwe lidstaten bewerkstelligen, waardoor de invoerbehoeften zullen stijgen. Dit zal met name van belang zijn voor de grensregio's van de nieuwe lidstaten die in de goede positie verkeren om van deze economische groei te profiteren, waardoor het handelsverkeer met deze groeimarkten kan stijgen. Tenslotte is de grensoverschrijdende handel een kwestie die in het kader van de nabuurschapsprogramma's ter sprake is gebracht, waarbij een van de belangrijkste doelstellingen van het programma is te „zorgen voor efficiënte en veilige grenzen”, uit hoofde waarvan activiteiten gericht op vergemakkelijking van handel en grensovergang, zoals gebruikersvriendelijk klein grensverkeer, mogelijk zouden zijn. |
|
3. |
De Commissie stelt dit punt aan de orde in het kader van de huidige financiële vooruitzichten en de lopende programma's voor 2004/2006 door de invoering van nabuurschapsprogramma's. In de komende maanden zal de Commissie de mogelijkheid onderzoeken om een nieuw nabuurschapsinstrument te creëren vanaf 2007, dat aan weerszijden van de buitengrens van de EU op dezelfde voet moet kunnen opereren. |
(1) COM(2003)104 def.
(2) COM(2003)393 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/161 |
(2004/C 65 E/176)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2489/03
van Sérgio Marques (PPE-DE) aan de Commissie
(25 juli 2003)
Betreft: Stand uitvoering steun aan Venezuela
Na de tragische overstromingen van december 1999 in Venezuela had de Commissie aanzienlijke bedragen vrijgemaakt voor steun aan de wederopbouw van de getroffen gebieden, met name in de deelstaat Vargas, en anderzijds voor risicopreventie, d.w.z. het opstellen en uitvoeren van programma's voor de beheersing van natuurrampen in een uitgestrekte zone naast het rampgebied van 1999, in de deelstaten Falcón, Miranda en Yaracuy.
Wat de projecten „Steun aan de wederopbouw en de rampenpreventie in de deelstaat Vargas” (communautaire bijdrage: 25 miljoen euro) en „maatschappelijke wederopbouw in de deelstaat Vargas” (communautaire bijdrage: 10 miljoen euro) betreft, moeten de nationale Venezolaanse autoriteiten de financieringsovereenkomst nog ondertekenen vooraleer de kredieten effectief beschikbaar zijn.
Wat het programma „Preventie van overstromingen in de deelstaten Falcón, Yaracuy en Miranda” (communautaire bijdrage: 20 miljoen euro) moest de Commissie tijdens de eerste helft van 2003 een besluit nemen over de toewijzing van de kredieten.
Een delegatie van het Europees Parlement, waarvan ikzelf deel uitmaakte, heeft tijdens haar bezoek aan Venezuela van 7 t/m 9 juli van dit jaar de vertragingen bij de goedkeuring en de uitvoering van de projecten in kwestie kunnen vaststellen. Zij zijn onder meer het gevolg van meningsverschillen tussen de Commissie en de Venezolaanse autoriteiten over de belastingsregeling voor de projecten van de Gemeenschap (vrijstelling van BTW op goederen en diensten).
Ik zou de Commissie hierover de volgende vragen willen stellen:
|
1. |
Welke datum is voorzien voor de uitvoering van de twee projecten in de deelstaat Vargas? Zal het toegewezen krediet volledig kunnen worden besteed ondanks de aanzienlijke vertraging? Zijn er andere factoren die de uitvoering van de projecten belemmeren? |
|
2. |
Wat is het standpunt van de Commissie inzake het programma „Preventie van overstromingen in de deelstaten Falcón, Yaracuy en Miranda” en, voor het geval er al een positief besluit over is genomen, welke termijn is vastgesteld voor de uitvoering van het programma? |
Antwoord van de heer Patten Namens de Commissie
(24 september 2003)
|
1. |
De financieringsovereenkomsten voor de twee projecten die in de deelstaat Vargas zullen worden uitgevoerd, werden op 19 december 2002 door de Venezolaanse regering ondertekend. Met de twee projecten zal door Corpovargas, (Instituto Autónomo Corporación para la Recuperación y Desarrollo del Estado Vargas) worden begonnen, zodra de twee door de Commissie aangeworven Europese deskundigen voor de technische bijstand aankomen. De Commissie heeft harerzijds al het nodige gedaan om het opstarten van de projecten in september 2003 mogelijk te maken. Corpovargas heeft begin 2003 al een aanvang gemaakt met de gedetailleerde identificatie van de uit te voeren werkzaamheden, waardoor de startfase van de projecten kan worden beperkt. Contracten betreffende de financiële middelen van de projecten zullen worden gesloten met inachtneming van de voorwaarden en termijnen van de financieringsovereenkomsten. De met de Venezolaanse overheid gesloten kaderovereenkomst inzake samenwerking waarin het operationeel kader voor de samenwerking met de Gemeenschap werd vastgesteld is door het Venezolaanse Parlement nog niet geratificeerd. Volgens het presidentieel decreet nr. 2374 van 24 april 2003 zijn alle projecten in het kader van internationale samenwerking vrijgesteld van BTW. De Commissie is van oordeel dat de totale beschikbare middelen voor de uitvoering van de werkzaamheden in het kader van de twee vermelde projecten kunnen worden uitgegeven binnen de termijnen die bij de financieringsovereenkomsten zijn vastgesteld. |
|
2. |
In verband met het project „Preventie van overstromingen in de deelstaten Falcón, Yaracuy en Miranda” heeft de Commissie op 25 oktober 2002 een besluit genomen voor een bedrag van 20 miljoen euro. De technische bijlagen bij de financieringsovereenkomst worden momenteel voltooid en de overeenkomst zal door de partijen (Commissie, Regering van Venezuela) vóór 31 december 2003 worden ondertekend. De Commissie wijst het geachte parlementslid erop dat de vertraging bij de ondertekening van deze financieringsovereenkomst het gevolg is van moeilijkheden die de Venezolaanse overheid heeft ondervonden bij de aanwijzing van een instantie die toezicht moet uitoefenen op de uitvoering van dit project in drie verschillende deelstaten. De delegatie van de Commissie onderhandelt momenteel met de bevoegde autoriteiten over een werkbare oplossing. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/162 |
(2004/C 65 E/177)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2492/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(25 juli 2003)
Betreft: Openbaarheid in verband met de koop van aandelen
Kan de Commissie mededelen welke wettelijk of andere regelingen in iedere lidstaat worden ingesteld, door middel waarvan bedrijven kunnen trachten de daadwerkelijk eigendom vast te stellen van aandelen, zelfs indien deze op naam staan van gevolmachtigden, trusts of andere verhullende mechanismen van dit type? Is de Commissie op de hoogte van de betekenis van deze regelingen voor de bescherming van de rechten van minderheidsaandeelhouders door bij voorbeeld te waarborgen dat verplichte overnamebiedingen op gang moeten worden gebracht zodra een zeggenschap uitoefenend aandeelhouder meer dan een bepaald percentage van het eigen kapitaal in handen krijgt? Zo ja, welke maatregelen stelt de Commissie voor door middel waarvan bedrijven de daadwerkelijk eigendom van hun aandelen kunnen vaststellen, zelfs indien de eigenaar zich in een andere lidstaat bevindt? Zouden de lidstaten bij voorbeeld het recht hebben van ondernemingen te eisen dat zij de dividenden blokkeren van aandeelhouders die niet reageren op vragen inzake daadwerkelijke eigendom?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(16 september 2003)
De vraag van het geachte parlementslid heeft betrekking op de relatie tussen beursgenoteerde ondernemingen en hun aandeelhouders. Wat de aandeelhouders betreft, wordt in de vraag niet alleen verwezen naar: de wettelijke houders van de aandelen, maar ook naar de daadwerkelijke eigenaars. Volgens de Commissie gaat het bijgevolg om een vennootschapsrechtelijke kwestie.
Concreet beschikt de Commissie niet over de nodige gegevens om een gedetailleerd overzicht te verstrekken van de regelingen die in elke lidstaat zijn ingevoerd en op grond waarvan ondernemingen kunnen trachten de daadwerkelijke eigenaars van aandelen te identificeren, zelfs indien deze aandelen in het bezit zijn van gevolmachtigden, trusts of anderen. Zij heeft met name geen gegevens over de wijze waarop nationale systemen eventueel ook van toepassing zijn op investeerders uit derde landen.
De Commissie is van oordeel dat het recht voor ondernemingen om onderzoek te doen naar de identiteit van de daadwerkelijke eigenaars niet in de eerste plaats moet worden gezien in de context van overnames, maar wel als een instrument voor ondernemingen die met betrekking tot hun investeerders voorzichtigheid aan de dag willen leggen, waarbij naar behoren rekening moet worden gehouden met de vertrouwelijkheid van de gegevens en met het nationale eigendomrecht.
Wat overnames betreft, wenst de Commissie erop te wijzen dat de voorgestelde richtlijn betreffende het openbaar overnamebod alleen naar de wettelijke houders van de aandelen verwijst (zie artikel 2, lid 1, onder a, van de voorgestelde richtlijn) (1).
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/163 |
(2004/C 65 E/178)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2493/03
van Christopher Huhne (ELDR) aan de Commissie
(25 juli 2003)
Betreft: Toegezegde openbaarheid
Kan de Commissie ramen hoeveel aankondigingen van tijdige marktinformatie aan iedere nationale markt in de Europese Unie worden gedaan? Merkt zij een omgekeerde evenredigheid op tussen de hoeveelheid kwartaalverslagen van aan de beurs genoteerde ondernemingen in iedere lidstaat, en het aantal regulerende bekendmakingen van marktgevoelige gegevens? Indien deze omgekeerde evenredigheid bestaat, welke maatregelen overweegt zij voor te stellen om te waarborgen dat de hoeveelheid gegevens die aan investeerders wordt verstrekt niet afneemt indien haar voorstel voor verplichte kwartaalrapportage wordt aangenomen?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(4 september 2003)
De vraag van het geachte parlementslid houdt verband met het Commissievoorstel voor een richtlijn tot harmonisatie van de transparantievereisten voor effectenuitgevende instellingen (1). Het voorstel voorziet onder meer in de verstrekking van driemaandelijkse financiële informatie door beursgenoteerde vennootschappen die aandelen uitgeven die in de Unie tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten.
De Commissie is de informatie aan het vergaren die zij nodig heeft om uit te maken of het verrichten van de door het geachte parlementslid gevraagde raming redelijkerwijze mogelijk is. De Commissie is voornemens haar onderzoek toe te spitsen op lidstaten waar een overwegend gecentraliseerd systeem bestaat voor de verspreiding van gereglementeerde informatie of waar er sprake is van een gecentraliseerde indiening van dergelijke informatie bij de bevoegde autoriteit of bij de exploitant van een gereglementeerde markt. Voorts dient de Commissie na te gaan of een dergelijk gecentraliseerd systeem alleen betrekking heeft op de krachtens het Gemeenschapsrecht te verstrekken informatie of ook op informatie die op grond van aanvullende nationale maatregelen moet worden verstrekt. Om die reden is het onmogelijk een evaluatie te maken die alle lidstaten bestrijkt.
In dit stadium zou de Commissie hoe dan ook de aandacht van het geachte parlementslid willen vestigen op het volgende.
|
— |
De term „aankondigingen van tijdige marktinformatie” is te algemeen om een redelijke evaluatie te kunnen maken van de verhouding tussen driemaandelijkse en andere soorten informatieverstrekking. Dit begrip zou bijvoorbeeld ook de communicatie tussen beleggingsmaatschappijen en beleggers bestrijken, een aspect dat niets te maken heeft met gereglementeerde effectenmarkten. Het zou ook slaan op effecten (zoals obligaties) en financiële instrumenten (zoals warrants), waarvoor de Commissie geen driemaandelijkse financiële informatieverstrekking heeft voorgesteld. |
|
— |
Bovendien heeft de voorgestelde financiële informatieverstrekking uiteraard geen gevolgen voor de verplicht te verstrekken gereglementeerde informatie, waarvan de openbaarmaking door de uitgevende instelling niet kan worden vermeden of uitgesteld. Het betreft bijvoorbeeld informatie over:
|
De Commissie zal haar eventuele bevindingen zo spoedig mogelijk mededelen.
(1) COM(2003) 138 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/164 |
(2004/C 65 E/179)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2502/03
van Martin Callanan (PPE-DE) aan de Commissie
(29 juli 2003)
Betreft: Ontwerp-EU-verordening „REACH” (registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen)
Kan de Commissie meedelen of het commentaar van commissaris Wallström naar aanleiding van het BBC radio 4-programma „Today” van 10 juli jl:
|
|
Natuurlijk zullen we niet elke chemische stof onderzoeken, alleen diegene die moeten worden getest en diegene die risico's kunnen opleveren voor de gezondheid en het milieu … |
het nieuwe Commissiebeleid weerspiegelt inzake de ontwerp-EU-verordening „REACH”?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(16 september 2003)
Het antwoord van de Commissaris voor Milieu weerspiegelt inderdaad het beleid van de Commissie inzake registratie, evaluatie en vergunningverlening (autorisatie) van chemische stoffen (REACH), zoals dit werd uiteengezet in het Witboek over de strategie voor een toekomstig beleid voor chemische stoffen van februari 2001 (1) en verder ontwikkeld in het ontwerp dat aan de basis lag van de recente internetraadpleging. Er is geen behoefte aan tests voor chemische stoffen waarvan de geschikte informatie reeds beschikbaar is of waarvan de geschikte informatie op een andere manier kan worden verkregen. Wanneer de blootstelling aan chemische stoffen bovendien erg beperkt blijft, zoals voor bepaalde soorten tussenproducten, is in het licht van het mogelijke risico meestal geen uitvoering van tests nodig.
(1) COM(2001)88 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/164 |
(2004/C 65 E/180)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2506/03
van Mauro Nobilia (UEN) aan de Commissie
(29 juli 2003)
Betreft: Governance — tripartiete overeenkomsten op milieugebied
Gezien de volgende feiten:
|
— |
Op 11 december 2002 publiceerde de Europese Commissie de mededeling „Een kader voor tripartiete doelstellingencontracten en -overeenkomsten tussen de Gemeenschap, de lidstaten en de regionale en lokale autoriteiten” |
|
— |
Deze mededeling beantwoordt echter niet volledig aan het vooropgestelde doel (1). |
|
— |
Ondanks mondelinge beloften van de Commissie, schijnen de maatregelen die door de commissaris en het bevoegde DG zijn genomen een averechtse werking te hebben. |
|
— |
De Europese Commissie had ook twee initiatieven geselecteerd met als doel voor eind 2002 proefovereenkomsten op milieugebied te realiseren, op zich een lovenswaardig initiatief, dat echter veel geld en personeel vergt. |
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
hoe wil de Commissie het Europees Parlement betrekken bij de kwestie van de tripartiete overeenkomsten? |
|
— |
gelet op het feit dat het Witboek de nationale regeringen een sleutelrol toebedeelt bij het opstellen en het uitvoeren van de tripartiete overeenkomsten, hoe denkt de Commissie de centrale regeringen bij een en ander te betrekken? |
|
— |
hoe denkt de Commissie dit project concreet uit te voeren? Met welke directoraten-generaal en units? |
|
— |
hoe denkt zij de bevoegdheden en de personele middelen te verdelen over de verschillende directoraten-generaal en units opdat iedereen die erbij betrokken is optimaal kan functioneren? |
|
— |
wanneer denkt de Commissie de verplichtingen die de commissaris voor milieuzaken op 2 oktober 2002 ten aanzien van het Europees Parlement is aangegaan, in praktijk te brengen? |
|
— |
hoe denkt de Commissie die projecten te financieren? |
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(19 augustus 2003)
De Commissie heeft het voorstel over tripartiete doelstellingencontracten- en overeenkomsten gelanceerd in haar Witboek over Europese Governance (2) en zij heeft het verder uitgewerkt in haar mededeling van december 2002, waarnaar het geachte parlementslid verwijst. Nu moeten de lidstaten, hun regio's en hun steden initiatieven ontwikkelen om dat voorstel te verwezenlijken. Het Comité van de Regio's heeft de Commissie al duidelijk zijn steun voor het voorstel toegezegd. Het Parlement bereidt momenteel een resolutie voor over de mededeling van december 2002 en de Raad zal die in het tweede semester van 2003 behandelen.
De resolutie van het Parlement moet te zijner tijd door de Commissie worden onderzocht. Het Parlement krijgt de kans om de Commissie mede te delen hoe zij wenst betrokken te zijn bij de uitwerking van het voorstel. Ook de lidstaten zullen in de Raad of unilateraal kunnen aangeven in hoeverre zij geïnteresseerd zijn in het voorstel en tot de uitwerking ervan willen bijdragen.
Uit het Witboek over Europese Governance van de Commissie is gebleken dat de directoraten-generaal wiens maatregelen een sterke territoriale impact hebben, het grootste aandeel zullen krijgen in de projecten inzake tripartiete doelstellingencontracten- en overeenkomsten. Bij de herverdeling van bevoegdheden en menselijke hulpbronnen tussen de directoraten-generaal, en de financiering van deze genoemde projecten moet worden uitgegaan van de algemene richtlijnen in het Witboek en de mededeling van december 2002.
Op milieugebied is de Commissie van plan vóór eind 2003 een standpunt in te nemen aangaande de verschillende projecten van bepaalde entiteiten.
(1) COM(2002) 709 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/166 |
(2004/C 65 E/181)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2510/03
van Roberto Bigliardo (UEN) aan de Commissie
(29 juli 2003)
Betreft: Huur van het „City Center”-gebouw
Het bureau van de Commissie voor de infrastructuur in Brussel zou binnenkort het „City Center”'-gebouw in de buurt van het Noordstation huren, tegen het negatieve advies van de Unit hygiëne en veiligheid van de instelling in.
Tegen de achtergrond van het feit dat de Brusselse vastgoedlobby de Commissie al jaren lang probeert ertoe over te halen een derde ontwikkelingszone voor de Europese instellingen te creëren in het noorderkwartier, wilde ik de Commissie de volgende vragen stellen:
|
1. |
Is het huren van het „City Center” de voorbode van de overplaatsing van een groot aantal personeelsleden naar de noorderwijk? |
|
2. |
Zo ja, hoe rechtvaardigt de Commissie de overplaatsing van ambtenaren naar een wijk met ernstige problemen op het vlak van de leefbaarheid en de veiligheid? |
|
3. |
Kan de Commissie in ieder geval meedelen wat zij van plan is om er alsnog voor te zorgen dat het „City Center” toch niet wordt gehuurd? |
Antwoord van de heer Kinnock namens de Commissie
(3 november 2003)
Het „City Center” is als mogelijke locatie voor personeelsleden van de Commissie in overweging genomen omdat de administratieve diensten van het Parlement de Commissie hebben verzocht het „Montoyer 75”-gebouw (MO 75) te mogen gebruiken. De Commissie heeft dit verzoek ingewilligd en heeft OIB gevraagd een nieuw gebouw te zoeken voor de ambtenaren van het Directoraat-generaal Onderzoek en Technologische Ontwikkeling (DG RTD), die momenteel in MO 75 zijn gehuisvest.
Het Parlement voerde zelf al enige tijd onderhandelingen over de huur van het City Center voor eigen gebruik, mocht een ruil met de Commissie niet mogelijk blijken. OIB heeft deze onderhandelingen overgenomen omdat de Commissie geen andere mogelijkheid restte om MO 75 tegen de door het Parlement gevraagde datum te kunnen vrijmaken. Na grondig onderzoek bleek dat het City Center ongeschikt was en ging OIB op zoek naar betere alternatieven in of dicht bij de Europese wijk. Ondanks enkele complicaties zijn de besprekingen over een meer geschikt gebouw op gang gekomen. De diensten van de Commissie hebben de promotoren van het City Center meegedeeld dat zij dit gebouw niet zullen huren.
Er zij op gewezen dat het Comité voor arbeidsveiligheid en -hygiëne van de Commissie in Brussel noch een negatief, noch een positief advies over de geschiktheid van het City Center heeft uitgebracht en dat de Eenheid hygiëne en veiligheid op de arbeidsplaats een aantal voorwaarden heeft gesteld aan een eventuele ingebruikname van dit gebouw. Strikt genomen is het dus niet correct te stellen dat een eventuele huur van het City Center in strijd was geweest met het advies van de gezondheids- en veiligheidsdeskundigen van de Unie.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/166 |
(2004/C 65 E/182)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2511/03
van Mario Borghezio (NI) aan de Commissie
(29 juli 2003)
Betreft: Onderbreking spoorverbinding Ventimiglia-Monaco — optreden Commissie ten aanzien van Frankrijk
De onderbreking van de spoorlijn tussen Ventimiglia en Monaco wegens werkzaamheden in de tunnel van Roquebrune veroorzaakt aanzienlijke economische schade in Ventimiglia. De problemen dreigen nog toe te nemen doordat de werkzaamheden tot eind 2003 zouden duren.
Welke stappen kan de Commissie ondernemen bij de Franse overheid opdat de duur van de herstelling van de schade in de tunnel in kwestie zoveel mogelijk wordt beperkt en het spoorverkeer op het traject kan worden hervat?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(12 september 2003)
De onderbreking van de spoorverbinding Ventimiglia-Monaco is het gevolg van een instorting in een tunnel onder Monaco, die plaatsvond midden juni 2003. Hoewel de herstelwerkzaamheden — uit te voeren door de beheerder van de infrastructuur in kwestie (Réseau Ferré de France) zeer omvangrijk zijn — wordt verwacht dat het spoorverkeer geleidelijk opnieuw op gang kan komen tegen het jaareinde. Aangezien het om onderhoudswerkzaamheden ging en niet om de aanleg van een nieuwe infrastructuur of de aanpassing van een bestaande infrastructuur, zou de cofinanciering van dit project uit middelen van de begroting voor trans-Europese transportnetwerken (TEN-T) — als die al zou zijn aangevraagd door de Franse overheid — onmogelijk zijn geweest.
Anderzijds kan de tijdelijke blokkering van een belangrijke verbinding door een lidstaat een belemmering vormen voor het vrije verkeer van goederen. Het Hof van Justitie heeft al geoordeeld dat maatregelen die het verkeer van goederen tussen de lidstaten vertragen een belemmering zijn van het vrije verkeer van goederen en onverenigbaar zijn met artikel 28 van het EG-Verdrag (1).
Net als advocaat-generaal Jacobs in de zaak Schimdberger (2) is de Commissie echter van oordeel dat er geen absolute verplichting kan bestaan om te waarborgen dat goederen op gelijk welk moment en tegen gelijk welke prijs kunnen passeren, en dat bij ontstentenis daarvan er automatisch een inbreuk zou zijn gemaakt op het gemeenschapsrecht. Vertragingen ten gevolge van, bij voorbeeld, noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden, zijn inherent aan het spoorwegvervoer en kunnen onvermijdelijk zijn, met name wanneer de veiligheid van de gebruikers op het spel staat.
Gezien het voorafgaande en de verstrekte informatie meent de Commissie dat de onderbreking van de spoorwegverbinding tussen Ventimiglia en Monaco ten gevolge van onderhoudswerken in de tunnel van Roquebrune geen aantasting vormt van het vrije verkeer van goederen in de zin van artikel 28 van het EG-Verdrag.
(1) Vonnis van 26 september 2000, Commissie/Frankrijk, C-23/99, Rec. p. I-7653, punt 22.
(2) C-112/00, Rec. 2003.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/167 |
(2004/C 65 E/183)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2520/03
van Carles-Alfred Gasòliba i Böhm (ELDR) aan de Raad
(29 juli 2003)
Betreft: Taalkundig pluralisme op paspoorten in Spanje
Ter uitvoering van de resolutie van 10 juli 1995 (1) moeten alle lidstaten hun paspoorten aanpassen en de vermelding „Europese Gemeenschappen” vervangen door „Europese Unie”.
In het kader van deze aanpassing is in het Spaanse parlement een voorstel ingediend dat is gebaseerd op de erkenning van het pluralisme van de officiële talen in het paspoort van een burger die woont in een autonome regio met meer dan één officiële taal. De Spaanse regering wijst dit voorstel echter onder verwijzing naar de resolutie van 23 juni 1981 (2) van de hand.
In dit verband zij verwezen naar: artikel I-3 van het ontwerpverdrag voor een grondwet van de Europese Unie dat als volgt luidt: „De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal”, naar artikel II-22 dat als volgt luidt: „De Europese Unie eerbiedigt de verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal”, welke zinsnede ook is opgenomen in het Handvest van de grondrechten, en naar de conclusies van het Europees Jaar van de Talen krachtens besluit van het Parlement en de Raad. Is de Raad voornemens de genoemde resolutie te wijzigen en in het paspoort de officiële talen van een EU-lidstaat op te nemen?
(1) PB C 200 van 4.8.1995, blz. 1.
(2) PB C 241 van 19.9.1981, blz. 1.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/168 |
(2004/C 65 E/184)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2547/03
van Joan Vallvé (ELDR) aan de Raad
(31 juli 2003)
Betreft: Taalkundig pluralisme op Spaanse paspoorten
Ter uitvoering van de resolutie van 10 juli 1995 (1) moeten alle lidstaten hun paspoorten aanpassen en de vermelding „Europese Gemeenschappen” vervangen door „Europese Unie”.
In het kader van deze aanpassing is in het Spaanse parlement een voorstel ingediend dat is gebaseerd op de erkenning van het pluralisme van de officiële talen in het paspoort van een burger die woont in een autonome regio met meer dan één officiële taal. De Spaanse regering wijst dit voorstel echter onder verwijzing naar de resolutie van 23 juni 1981 (2) van de hand.
In dit verband zij verwezen naar: artikel I-3 van het ontwerpverdrag voor een grondwet van de Europese Unie dat als volgt luidt: „De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal”, naar artikel II-22 dat als volgt luidt: „De Europese Unie eerbiedigt de verscheidenheid van cultuur, godsdienst en taal”, welke zinsnede ook is opgenomen in het Handvest van de grondrechten, en naar de conclusies van het Europees Jaar van de Talen krachtens besluit van het Parlement en de Raad. Is de Raad voornemens de genoemde resolutie te wijzigen en in het paspoort de officiële talen van een EU-lidstaat op te nemen?
Gecombineerd Antwoord
op de schritftelijke vragen E-2520/03 en E-2547/03
(17 november 2003)
De Raad wijst de geachte parlementsleden erop dat het Verdrag betreffende de Europese Unie de Gemeenschap ter zake geen bevoegdheid verleent.
(1) PB C 200 van 4.8.1995, blz. 1.
(2) PB C 241 van 19.9.1981, blz. 1.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/168 |
(2004/C 65 E/185)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2523/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(29 juli 2003)
Betreft: De waarde voor andere delen van de Europese Unie van het succesvolle Vlaamse model om het openbaar vervoer uit te breiden, passagiers te winnen en financiën te regelen
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat — mede als gevolg van een streven naar lagere belastingen en lagere overheidsuitgaven — het sinds de opkomst van de auto verliesgevende openbaar vervoer verder inkrimpt en passagiers verliest, waardoor bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid van dorpen en stadswijken afnemen terwijl het ruimtebeslag, de vervuiling en de overlast van het verkeer groeien? |
|
2. |
Is het de Commissie tevens bekend dat tegen deze negatieve trend binnen de EU in bij het stads- en streekvervoersbedrijf „De Lijn” van de Belgische deelstaat Vlaanderen een omgekeerde ontwikkeling plaatsvindt, waarbij na een dalende trend in vier jaar tijd het aantal reizigers is gegroeid met 47 % en sinds 1990 met meer dan 50 %? |
|
3. |
Is het de Commissie bekend dat dit goede resultaat wordt bereikt doordat: |
|
a) |
sinds 1998 de tarieven zijn vereenvoudigd en verlaagd; |
|
b) |
in een decreet het recht op basismobiliteit is afgekondigd, waardoor vanaf 2006 in woongebieden een bus- of tramhalte binnen 500 tot 750 meter beschikbaar moet zijn en de frequentie in landelijk gebied tenminste één keer per uur is en in steden vijf keer per uur; |
|
c) |
een aantal doelgroepen, zoals jongeren, ouderen en de inwoners van de stad Hasselt, kunnen beschikken over gratis openbaar vervoer; |
|
d) |
gemeenten via een „menukaart” bovenop het standaardpakket van De Lijn extra diensten of kortingen voor doelgroepen kunnen inkopen; |
|
e) |
aan bedrijven collectieve abonnementen voor hun personeel worden verkocht als alternatief voor individuele reiskostenvergoedingen, waarbij ook partners van werknemers een gratis abonnement krijgen; |
|
f) |
de Lijn een actieve rol vervult bij de beleidsvoorbereiding en het inhuren van kleine concurrenten voor 50 % van de busdiensten? |
|
4. |
Is de Commissie bereid om dit succesvolle Vlaamse model aan andere hiervoor verantwoordelijke overheden binnen de EU positief onder de aandacht te brengen en eventuele belemmeringen voor navolging weg te nemen? |
Bron: OV-Magazine (Nederland), 10 juli 2003.
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(12 september 2003)
De Commissie is zich terdege bewust van het belang van hoogwaardig openbaar vervoer. In verband hiermee onderneemt zij een aantal initiatieven terzake.
Eén van haar belangrijkste activiteiten was de voorbereiding van het in 2000 goedgekeurde voorstel (1) betreffende het optreden van de lidstaten ten aanzien van openbare-diensteisen en de gunning van openbare-dienstcontracten op het gebied van het personenvervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren. Bij recente rechtszaken is gebleken dat het de hoogste tijd is dat er wat meer vooruitgang met dit dossier wordt geboekt.
Er zijn een aantal voorbeelden van succesvolle groei van het openbaar vervoer in de Unie, en de Commissie is blij met de succesvolle aanpak van „De Lijn”.
Er zijn velerlei factoren die tot gewenste ontwikkelingen op dit gebied kunnen bijdragen. Soms is dat goed management door de openbaar vervoermaatschappijen, en in andere gevallen is er de steun van een geschikt wettelijk kader. De plaatselijke autoriteiten moeten voldoende vrijheid hebben om hun plaatselijke problemen te regelen, maar zij moeten zich wel houden aan de kaderregels van de Unie.
De Commissie vindt ook de specifieke maatregelen voor bepaalde doelgroepen (jongeren, ouderen en gehandicapten) een goede zaak.
De Commissie promoot van harte voorbeelden van good practice in het openbaar vervoer. De Unie geeft financiële steun aan de Europese dienst voor informatie over plaatselijk vervoer (2), omdat dit project voorziet in informatieuitwisseling over voorbeelden van good practice.
De Commissie steunt best practice ook nog op een andere manier, en wel door een benchmarkingexercitie in het stadsvervoer, door middel van een reeks projecten. Men is nu aan het derde project toe en de Commissie moedigt van harte de overheden aan daaraan deel te nemen.
(2) [www.ELTIS.org].
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/169 |
(2004/C 65 E/186)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2528/03
van David Bowe (PSE) aan de Raad
(29 juli 2003)
Betreft: Piercing
Acht de Raad het, ter bescherming van de volksgezondheid en om onnodige tragedies, zoals de dood van Daniel Hindle in Sheffield, VK, die onlangs heeft plaatsgevonden, te voorkomen noodzakelijk gemeenschappelijke minimumnormen voor te stellen voor het verlenen van vergunningen voor het op commerciële basis aanbieden van tatoeage- en piercingdiensten in de EU? Zo niet, waarom niet?
Antwoord
(17 november 2003)
De Raad herinnert het geachte parlementslid eraan dat het de taak van de Commissie is hem in het kader van de in het Verdrag genoemde bevoegdheden voorstellen voor te leggen.
Tot heden is hem geen voorstel op dit gebied voorgelegd.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/170 |
(2004/C 65 E/187)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2532/03
van Gabriele Stauner (PPE-DE) aan de Commissie
(29 juli 2003)
Betreft: Belangenconflicten van de rekenplichtige van de Commissie
Sinds 1 januari 2003 fungeert Brian Gray als rekenplichtig e van de Commissie. De heer Gray is gelijktijdig adjunct-directeur-generaal van het Directoraat-generaal begroting.
Acht de Commissie deze dubbele functie verenigbaar met de voorschriften van het nieuwe Financieel Reglement, dat een strikte functionele scheiding van de uitvoering van de begroting en de boekhouding vereist?
Uit het op Internet te raadplegen organigram van het Directoraat-generaal begroting valt op te maken dat weliswaar enkele afdelingshoofden van dit directoraat-generaal rechtstreeks onder toezicht van de heer Gray staan, maar niet de diensten die met de boekhouding zijn belast.
Kan de Commissie meedelen of het hierbij om een omissie gaat? Zo nee, onder wiens toezicht werken dan de met de boekhouding belaste diensten?
Uit het organigram valt voorts op te maken dat de heer Gray het toezicht heeft op het secretariaat van de boekhoudkundige controlecommissie van de Commissie. Daarmee heeft de heer Gray aanzienlijke invloed op de door de interne boekhoudkundige controledienst van de Commissie uit te voeren controles en op de beoordeling van de resultaten van deze controles.
Deel de Commissie de mening dat daardoor een mogelijk belangenconflict voor de heer Gray ontstaat, met name indien de interne controledienst de boekhouding en het beheer van de kasmiddelen wil controleren?
Antwoord van mevrouw Schreyer namens de Commissie
(30 september 2003)
Omdat de Commissie het belang erkent van de rol die door de rekenplichtige wordt gespeeld, heeft zij beslist dat die functie op A1-niveau moet worden uitgeoefend en de heer Brian Gray, adjunct-directeur-generaal van het directoraat-generaal (DG) Begroting, aangesteld. De uitvoering van de begroting is de verantwoordelijkheid van de gedelegeerde ordonnateurs in de DG's die beleidskredieten uitgeven. DG Begroting is verantwoordelijk voor de eigen middelen en zijn eigen administratieve uitgaven. De heer Gray heeft geen subdelegaties voor ontvangsten- en uitgavenverrichtingen en de diensten die rechtstreeks onder zijn verantwoordelijkheid vallen, met name directoraat C en eenheid 01, evenmin. De Commissie is bijgevolg van mening dat hier sprake is van een strikte scheiding van functies.
De werkzaamheden in verband met de taken van de rekenplichtige, die in de artikelen 61 en 63 van het Financieel Reglement (1) zijn vastgelegd, worden uitgevoerd door directoraat C van DG Begroting, waarvan de directeur rechtstreeks verantwoording aflegt aan de adjunct-directeur-generaal. Dit wordt verduidelijkt door het organisatieschema.
Op 9 juli 2003 heeft de Commissie beslist het secretariaat van het Comité follow-up audit onder te brengen in het secretariaat-generaal om de organisatie van de vergaderingen van het comité, waarbij verschillende diensten van de Commissie en externe deskundigen betrokken zijn, te vergemakkelijken. Het organisatieschema zal worden aangepast zodra de administratieve procedures ter uitvoering van deze beslissing zijn afgerond.
(1) Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, PB L 248 van 16.9.2002.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/171 |
(2004/C 65 E/188)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2539/03
van Karl-Heinz Florenz (PPE-DE) aan de Commissie
(29 juli 2003)
Betreft: Beleid voor chemische stoffen — REACH-systeem
De volgende vragen betreffen de door de Commissie voorgestelde verordening voor de registratie, beoordeling en goedkeuring van chemische stoffen (REACH).
De voedingsindustrie wordt door het voorstel voor een verordening geconfronteerd met een getrapte aanpak:
|
a) |
omdat het toepassingsgebied (punt 1) een algemeen karakter heeft, brengt dit in ieder geval een verplichte risicobeoordeling met zich mee (beoordeling/verslag chemische veiligheid — CSA/CSR — en eventueel een veiligheidsinformatieblad). |
|
b) |
bovendien moet voor alle stoffen die niet door de regelingen van de punten 8 tot en met 11 zijn uitgezonderd, een registratie- en vergunningsprocedure worden uitgevoerd. |
Ad a)-Algemeen toepassingsgebied
|
— |
Kan de Commissie meedelen in hoeverre levensmiddelen, diervoeders en meststoffen gaan vallen onder het REACH-systeem en onder de plicht om een CSA/CSR uit te voeren? Worden levensmiddelen verschillend behandeld, afhankelijk van het feit of ze als kant-en-klaar product voor de eindconsument, als tussenproduct of in de non-foodsector worden gebruikt? |
|
— |
Kan de Commissie meedelen waarom levensmiddelen- en diervoederadditieven niet vallen onder de werkingssfeer van de regelingen? |
Ad b)-Registratie- en vergunningsplicht
|
— |
In bijlage II van hoofdstuk II van het voorstel zijn enkele stoffen uitgezonderd van de registratieplicht. Kan de Commissie meedelen welke criteria van doorslaggevend belang waren voor de uitzondering? Waarom is sacharose uitgezonderd van de registratieplicht, maar fructose niet? |
|
— |
In het voorstel voor een verordening wordt bepaald dat tussenproducten aan een aangepaste registratieplicht worden onderworpen. Waarom wordt deze beperkt tot slechts twee standplaatsen? |
|
— |
Waarom zijn slechts proteïnehoudende, maar niet andere diervoeders uitgezonderd van de registratieplicht? |
|
— |
Kan de Commissie meedelen hoe de definitie en de toepassing van het begrip „beoogd gebruik” moet worden opgevat? |
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(16 september 2003)
Naar aanleiding van de reacties op de recente internetraadpleging, herziet de Commissie momenteel het ontwerp voor de REACH-wetgeving. Ten gevolge van deze herziening is het mogelijk dat de Commissie sommige delen van het ontwerp herziet die betrekking hebben op de in de vraag aangehaalde kwesties. De algemene doelstelling van deze herziening is ervoor te zorgen dat de ontwerpwetgeving haar doel op de meest rendabele en doeltreffende manier bereikt.
|
a) |
Er dient op te worden gewezen dat REACH zo ontworpen is dat het de voorschriften van andere wetgeving niet overlapt. Het raakvlak met andere wetgeving wordt bijgevolg afgestemd aan de hand van de werkingssfeer en de inhoud van andere relevante wetgeving. |
|
b) |
Er dient eveneens op te worden gewezen dat de in bijlage II opgenomen uitzonderingen zijn overgenomen uit bestaande wetgeving inzake chemische stoffen. |
Aangezien de herziening van het ontwerp nog aan de gang is, is het niet mogelijk om meer gedetailleerde antwoorden te geven op andere door het geachte parlementslid aangehaalde kwesties.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/172 |
(2004/C 65 E/189)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2544/03
van Antonio Di Pietro (ELDR) aan de Commissie
(30 juli 2003)
Betreft: De aanleg van infrastructuur in het regionale natuurpark Partenio
Het gebied van de gemeenten Summonte en Ospedaletto d'Alpinolo (in de provincie Avellino) bevindt zich in het regionale natuurpark Partenio en is derhalve onderworpen aan talrijke milieuverplichtingen.
Met name:
|
a) |
Het gehele grondgebied van de gemeente Ospedaletto d'Alpinolo en het grondgebied van de gemeente Summonte boven de provinciale weg zijn vanwege hun bijzondere panoramische ligging onderworpen aan landschappelijke en milieuverplichtingen, in het bijzonder uit hoofde van wet 1497/39. |
|
b) |
Het grootste gedeelte van het grondgebied van beide gemeenten, dat bedekt is met bos, is onderworpen aan landschappelijke en milieuverplichtingen uit hoofde van artikel 1, onder g) van wet 431/85, alsmede aan hydrogeologische beperkingen en aan maatregelen ter bescherming van het grond- en oppervlaktewater uit hoofde van het buitengewone plan ter beperking van de belangrijkste risico's dat is opgesteld door de instantie die verantwoordelijk is voor het stroomgebied van de rivieren Volturno en Liri Garigliano. |
|
c) |
Het hoogstgelegen gedeelte van het grondgebied van beide gemeenten valt bovendien onder het gebied van communautair belang IT 8040006, genaamd „Dorsale Monti del Partenio”, dat beschermd wordt krachtens richtlijn 92/43/EEG (1) en artikel 5 van presidentiële beschikking 357 van 8/9/97. |
Ondanks deze verplichtingen en in strijd met het bepaalde in artikel 6, lid 3 van richtlijn 92/43/EEG zijn de gemeentelijke overheden van Ospedaletto d'Alpinolo en Summonte naar aanleiding van een financiering door de regio Campanië bezig met de uitvoering van omvangrijke werken die ingrijpende gevolgen hebben voor dit beschermde gebied zonder dat de noodzakelijke milieueffectrapportage is verricht, die door deze richtlijn is voorgeschreven.
Is de Commissie het er niet mee eens dat, indien genoemde communautaire wet niet wordt nageleefd, de door de bevoegde Italiaanse autoriteiten afgegeven vergunningen voor de uitvoering van deze werken onwettig zijn?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(11 september 2003)
Krachtens artikel 6, lid 3, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, geldt met betrekking tot de gebieden die overeenkomstig de in de richtlijn uiteengezette procedure op de lijst van gebieden van communautair belang zullen staan en dus aangewezen worden als speciale beschermingszones, het volgende:
|
|
Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. |
In dit bepaalde geval bevat de door het geachte parlementslid verstrekte informatie echter geen specifieke gegevens in verband met een mogelijke inbreuk op Richtlijn 92/43/EEG. Er wordt met name geen enkele bijzonderheid vermeld over de werken waarvan wordt gezegd dat ze significante gevolgen hebben op het gebied van communautair belang IT 8040006 „Dorsale Monti del Partenio”. Daarom kan momenteel, in het licht van het bovenstaande, geen inbreuk op bovenstaande richtlijn worden vastgesteld. Indien het geachte parlementslid gedetailleerde informatie verschaft aan de hand waarvan de Commissie de kwestie kan beoordelen in het kader van Richtlijn 92/43/EEG, kan de Commissie de zaak onderzoeken.
(1) PB L 206 van 22.7.1992, blz 7.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/173 |
(2004/C 65 E/190)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2545/03
van Olle Schmidt (ELDR) aan de Commissie
(30 juli 2003)
Betreft: Zweedse regels in strijd met interne markt
In Zweden bestaan twee wettelijke regelingen betreffende het hergebruik of terugwinnen van materialen. In de eerste regeling wordt de eis gesteld dat producenten hun verpakkingen op de een of andere manier recycleren. De producenten van verpakkingen participeren meestal ook in recycleringsondernemingen. Voor dranken die voor consumptie gereed zijn, bestaan echter andere regels die inhouden dat de producenten hun verpakkingen moeten terugnemen. Dit gebeurt via een statiegeldsysteem dat de branche opbouwt. De producenten moeten zelf voor de verwerking door het systeem een kostenbedrag per fles betalen.
Het probleem is dat de beide recyclingssystemen elkaar uitsluiten. Produceert of importeert men een gebruiksklare drank, dan mag men zich niet bij het goedkopere eerstgenoemde systeem aansluiten. Op grond van het tweede recyclingssysteem moet men zich aan bepaalde regels houden die inhouden dat alle flessen omgeëtiketteerd moeten worden, omdat het Zweedse systeem gebruikmaakt van streepjescodes.
Dit brengt hoge kosten voor de importeurs met zich mee. Als verwerkingskosten per fles voor het statiegeldsysteem wordt aan importeurs ca. 77 öre in rekening gebracht. De grote brouwerijen profiteren sterk van dit systeem. Geconcludeerd kan worden dat het Zweedse statiegeldsysteem in de praktijk als handelsbelemmering functioneert.
Zijn deze regelingen niet in strijd met de regels van de interne markt?
Het Zweedse Ministerie voor Milieuzaken introduceert nu in een voorstel aan de Rijksdag de mogelijkheid sancties op te leggen aan winkeliers die flessen buiten het statiegeldsysteem om verkopen. Dit betekent dat het Ministerie voor Milieuzaken eventueel een verbod kan uitvaardigen op frisdrank die parallel wordt geïmporteerd. Deze parallel geïmporteerde frisdranken houden de prijzen op de Zweedse markt laag. Heeft de Zweedse Rijksdag de bevoegdheid de overdracht en verkoop te verbieden van verpakkingen die niet onder een statiegeldsysteem vallen? Dit zou het einde van de parallel geïmporteerde frisdranken kunnen betekenen.
Tenslotte zou ik willen onderstrepen dat ik voorstander ben van terugwinnings- en statiegeldsystemen. Deze moeten echter wel zodanig zijn opgezet dat ze billijk zijn voor allen en de concurrentie niet vervalsen.
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(18 september 2003)
Krachtens artikel 7 van Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (1) (de „verpakkingsrichtlijn”) moeten de lidstaten de nodige maatregelen nemen om te zorgen voor systemen voor „a) de terugname en/of inzameling van gebruikte verpakkingen (…)” en „b) het hergebruik of de terugwinning, met inbegrip van recycling, van ingezamelde verpakkingen en/of verpakkingsafval”. De Commissie ziet geen redenen waarom het opzetten van gescheiden systemen voor de terugwinning en recycling voor verschillende types verpakkingsafval zou indruisen tegen de verpakkingsrichtlijn of de regels inzake de interne markt waarnaar de richtlijn verwijst. Het is haar ook niet duidelijk welke elementen van de twee systemen onderling tegenstrijdig zijn. De bepalingen van artikel 7 van de verpakkingsrichtlijn sluiten verplichte terugnamesystemen voor gebruikte verpakkingen niet uit, op voorwaarde tenminste dat deze systemen in overeenstemming zijn met de relevante communautaire wetgeving.
Hetzelfde artikel stelt echter ook: „Deze systemen staan open voor deelneming van de ondernemingen van de betrokken sectoren en voor de deelneming van de bevoegde overheidsinstanties. Zij gelden ook voor ingevoerde producten onder niet-discriminerende voorwaarden, waaronder de regels en eventuele tarieven voor toegang tot de systemen, en worden zo opgezet dat handelsbelemmeringen of concurrentieverstoringen overeenkomstig het Verdrag voorkomen worden”.
Of de Zweedse voorschriften al dan niet strijdig zijn met de regels van de interne markt, met name het beginsel van het vrije verkeer van goederen als neergelegd in de artikelen 28 tot en met 30 van het EG-Verdrag, hangt derhalve af van de vraag of deze systemen open staan voor ingevoerde producten, en dit onder niet-discriminerende voorwaarden in rechte en feite. Het systeem moet als een handelsbelemmering, verboden krachtens artikel 28 van het EG-Verdrag, worden beschouwd als de Zweedse producenten lagere behandelingsvergoedingen moeten betalen dan importeurs of wanneer een ander aspect van de regels of van de toepassing daarvan een discriminerend effect heeft in de zin van artikel 28 van het EG-Verdrag. Zelfs wanneer een maatregel indruist tegen artikel 28 van het EG-Verdrag, kan die onder bepaalde omstandigheden toch nog worden gerechtvaardigd door de Zweedse autoriteiten uit hoofde van artikel 30 van het EG-Verdrag of bepaalde door het Europese Hof van Justitie vastgestelde bindende eisen. De in de schriftelijke vraag verstrekte informatie maakt geen volledige juridische analyse van de nationale maatregel in het licht van de artikel 28 en 30 van het EG-Verdrag mogelijk. De Commissie zal deze kwestie dus nader onderzoeken en verzoekt het geachte parlementslid haar eventuele aanvullende informatie toe te zenden.
Wat het Zweedse voorstel betreft om sancties op te leggen aan Zweedse winkeliers die flessen buiten het statiegeldsysteem om verkopen, heeft de Commissie aanvullende informatie nodig om deze maatregel overeenkomstig de communautaire wetgeving te beoordelen. Strafrechtelijke sancties tegen ingevoerde goederen worden doorgaans als een inbreuk op artikel 28 van het EG-Verdrag beschouwd. Er moet ook worden opgemerkt dat de Zweedse autoriteiten elke maatregel van die aard moeten aanmelden, overeenkomstig Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (2), als gewijzigd, alvorens hij definitief kan worden vastgesteld.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/174 |
(2004/C 65 E/191)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2549/03
van Michl Ebner (PPE-DE) aan de Commissie
(4 augustus 2003)
Betreft: Gedifferentieerde tol — ecogevoelige zones
Met behoud van de vrije markteconomie en met inachtneming van de regeling van het vervoer in de zin van het Witboek van 12 september 2001 (1) is het dringend noodzakelijk ecogevoelige zones in Europa aan te wijzen en daarbij rekening te houden met landschappelijke, landbouwtechnische, ecologische, archeologische, kunsthistorische en economische aspecten.
Voor deze ecogevoelige zones zou een verhoogd tarief voor het gebruik van de wegen ten bedrage van 1 EUR per vrachtauto vanaf 3,5 ton per gereden kilometer moeten worden gevraagd. Deze inkomsten zouden dan voor een bepaald doel moeten worden bestemd, namelijk ter bevordering van alternatieve vervoersmogelijkheden in het betrokken gebied (railvervoer, enz.) waarbij milieu en natuur worden ontzien.
Thans wordt in Italië ongeveer 10 cent per vrachtauto vanaf 3,5 ton per gereden kilometer geheven.
In Duitsland zal vanaf 2004 ongeveer 15 cent per vrachtauto vanaf 12 ton per gereden kilometer worden verrekend.
In Oostenrijk zal vanaf 2004 ongeveer 12 cent per vrachtauto vanaf 3,5 ton per gereden kilometer worden gevraagd.
In Oostenrijk wordt op het traject Innsbruck tot Brenner (afstand: 34,5 kilometer) voor vrachtauto's met meer dan 3 assen een speciaal tarief (de zogenoemde Brennertol) van 2,4 EUR per voertuig en gereden kilometer in rekening gebracht.
Kan de Commissie concreet haar standpunt tegenover het bovengenoemde voorstel uiteenzetten?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(17 september 2003)
Op 23 juli 2003 heeft de Commissie een voorstel (2) aangenomen tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG (3). Het voorstel voorziet in een kader dat, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, de lidstaten de mogelijkheid biedt de juiste financiële prikkels te geven voor de vervoersactiviteiten, via een prijsstelling die een betere afspiegeling vormt van de kosten die de samenleving in haar geheel moet dragen. Het is niet zozeer het bedrag van de vervoersheffingen, maar wel het heffingstelsel zelf en de manier waarop de heffingen worden toegepast op de verschillende categorieën weggebruikers die moeten worden gewijzigd.
Het voorgestelde kader heeft betrekking op het trans-Europese vervoersnetwerk en op iedere andere verbinding in de richting waarvan de verkeersstromen op het trans-Europese wegennet zich kunnen verplaatsen en die rechtstreeks concurreert met bepaalde delen van dit wegennet. Zulke verkeersstromen hebben nadelige gevolgen voor de regeling en doorstroming van het verkeer alsook voor het aantal ongevallen; daarom was het passend om ze in te bouwen in de werkingssfeer van de Gemeenschapsrichtlijn. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel behouden de lidstaten de vrijheid tolgelden te heffen op wegen die niet onder het voorstel tot richtlijn vallen, zolang zij de regels en beginselen van het EG-Verdrag respecteren.
De huidige wetgeving legt enkel een vaag verband tussen de heffingen en de schade aan infrastructuurvoorzieningen, de mate van congestie of de ongevallenrisico's. In het voorstel voor een richtlijn wordt de lidstaten daarom de mogelijkheid geboden de tolgelden te variëren op basis van verschillende factoren: de afgelegde afstand; de aan de wegen toegebrachte schade naar gelang van het type voertuig; het milieueffect op basis van de EURO-emissienormen voor vrachtauto's; het tijdstip van de dag en de mate van congestie op de betrokken weg. Terwijl de bestaande Gemeenschapsregels enkel van toepassing zijn op zware vrachtvoertuigen van minstens 12 ton, heeft het door de Commissie voorgestelde systeem betrekking op alle voor goederentransport gebruikte vrachtwagens van meer dan 3,5 ton.
De opbrengsten uit de infrastructuurheffingen dienen te worden aangewend voor de vervoerssector. In bepaalde gevallen moet kruisfinanciering mogelijk zijn van infrastructuurvoorzieningen die een alternatief voor het wegvervoer bieden. Daartoe bepaalt het voorstel van de Commissie dat de opbrengsten uit het heffingenstelsel aangewend dienen te worden voor het onderhoud van de wegeninfrastructuur waarop die heffingen worden toegepast, alsmede ten behoeve van de vervoerssector in zijn geheel, onder waarborging van een evenwichtige uitbreiding van de vervoersnetwerken.
Het voorstel voor een richtlijn staat lidstaten toe hogere tolgelden op te leggen voor routes in bijzonder kwetsbare gebieden, met name de berggebieden. Dergelijke verhogingen zullen worden toegepast met het oog op kruisfinanciering van de investeringskosten voor andere vervoersinfrastructuur van aanmerkelijk Europees belang. De aanleg van dergelijke infrastructuur is meer dan nodig, gezien het aanbod en de toename van het verkeer in deze gebieden.
Naast het werk dat de Commissie verricht omtrent tarifering van het infrastructuurgebruik, leidt zij momenteel een onderzoek op het gebied van kwetsbare gebieden en vervoer. Het onderzoek moet einde 2003 afgerond zijn. De Commissie zal dan de resultaten publiceren en overwegen welke actie hieruit moet voortvloeien.
(1) COM(2001)370 def.
(2) COM(2003) 448 def.
(3) Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen, PB L 187 van 20.7.1999.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/175 |
(2004/C 65 E/192)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2554/03
van Marco Cappato (NI) aan de Commissie
(4 augustus 2003)
Betreft: De zaak van de Tunesische journalist Abdallah Zouari
De rechtbank in de Tunesische stad Zarzis heeft op 18 juli 2003 de journalist Abdallah Zouari tot vier maanden gevangenisstraf veroordeeld. De rechtbank was van oordeel dat het beroep van de journalist tegen het feit dat hij geweerd werd uit een cybercafé kon worden uitgelegd als „smaad” jegens de eigenares van dit lokaal.
Abdallah Zouari is maandenlang lastig gevallen en bespioneerd. Nadat hem op 19 april toegang was ontzegd tot een cybercafé in Zarzis heeft Zouari gezegd dat hij zich tot zijn advocaat zou wenden. Vervolgens heeft de eigenares een klacht wegens smaad ingediend.
De veroordeling van Zouari is het meest recente voorbeeld van de druk waaronder de vrijheid van meningsuiting in Tunesië staat.
Twee zaken kunnen als symptomatisch worden beschouwd:
|
— |
die van de journalist Sihem Ben Sedrine die nadat hij een online-publicatie onder de naam Kalima had gelanceerd omdat hij geen krant mocht uitgeven, bestookt is door de politie van president Zine el -Abidine ben Ali die elke vorm van dissidentie op internet wil verhinderen, |
|
— |
die van Zouhair Yahyaoui, die de Tunesische site TuneZine beheert en vorig jaar is gearresteerd en op 10 juli tot twee jaar gevangenisstraf is veroordeeld wegens „verspreiding van onjuiste berichten”. Yahyaoui heeft als eerste online een brief gepubliceerd aan president Ben Ali van de rechter Makhtar Yahyaoui (een oom van Zouhair Yahyaoui) waarin kritiek werd geoefend op de geringe onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Tunesië. |
Aangezien in Tunesië in 2005 de Wereldtop van de informatiesamenleving zal worden gehouden (WSIS), luidt de vraag: welke maatregelen denkt de Commissie te treffen ten opzichte van de Tunesische regering om deze ertoe te brengen dat zij een eind maakt aan de repressie jegens journalisten en gebruikers van internet?
Is de Commissie niet van mening dat elk instrument van politieke, diplomatieke en economische druk moet worden aangewend om de Tunesische regering zo ver te krijgen dat de perswetten worden teruggeschroefd en in Tunesië het recht op vrijheid van meningsuiting wordt gegarandeerd?
Acht de Commissie het opportuun het besluit tot het houden van de tweede vergadering van de Wereldtop voor de informatiesamenleving in Tunis in 2005 op te schorten zolang het recht op volledige vrijheid van meningsuiting door de Tunesische wetgeving niet effectief wordt gegarandeerd?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(22 september 2003)
De Commissie is op de hoogte van de drie door het geachte parlementslid genoemde gevallen die betrekking hebben op de vrijheid van meningsuiting in Tunesië.
In al deze gevallen gaat het onder meer om problemen om toegang te krijgen tot het Internet. Alvorens deze problemen te koppelen aan de Wereldtop van de informatiesamenleving (WSIS) dient men een aantal elementen in aanmerking te nemen.
Het besluit om de tweede WSIS in Tunesië te organiseren werd genomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zodat de Commissie hier alleen onrechtstreeks bij was betrokken.
In de tweede plaats wordt de top georganiseerd volgens het model van Johannesburg, hetgeen betekent dat de Tunesische samenleving waarschijnlijk zal kunnen profiteren van talrijke positieve neveneffecten: zowel bij de voorbereiding als bij de top zelf zullen tal van uiteenlopende actoren worden betrokken.
In de derde plaats wijst de Commissie er in haar Mededeling (1) aan de Raad en het Parlement „Naar een wereldwijd partnerschap in de informatiemaatschappij: EU-standpunten voor de Wereldtop over de informatiemaatschappij van de Verenigde Naties” op dat de volgende beginselen in de informatiemaatschappij „strikt gerespecteerd en verder uitgebreid moeten worden: het recht op vrije meningsvorming en meningsuiting overeenkomstig de bepalingen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN”.
De Commissie zal zeker gebruik maken van de WSIS om problemen in verband met mensenrechten en democratie in Tunesië aan de orde te stellen. Op de komende Associatieraad van 30 september 2003 zal de voortdurende dialoog tussen de Unie en Tunesië over dit onderwerp worden voortgezet.
Om de vrijheid van meningsuiting te bevorderen is de Commissie voorts bezig met het opzetten van een programma ter ondersteuning en vorming van de Tunesische media (2,15 EUR).
(1) COM(2003) 271 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/177 |
(2004/C 65 E/193)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2555/03
van Robert Evans (PSE) aan de Commissie
(4 augustus 2003)
Betreft: Exploitanten van de veerdiensten over het Kanaal
Er zijn al eerder vragen gesteld aan de Commissie over de mogelijke kartelpraktijken van de exploitanten van de veerdiensten over het Kanaal en de Eurotunnel (P-3419/00 (1)). In zijn antwoord geeft Commissielid Monti aan dat er werkelijke concurrentie tussen de exploitanten van de veerdiensten over het Kanaal zou moeten zijn.
Verschillende kiezers hebben mij erop gewezen dat de exploitanten van de veerdiensten en de Eurotunnel feitelijk een kartel vormen. Hoewel er verschillende prijzen vermeld staan moet er gedurende het zomerseizoen £300 worden betaald voor een vijfdaags retourbiljet. Zij hebben de indruk dat zij voor dit traject meer moeten betalen dan voor andere verbindingen in de EU (die worden verzorgd door Griekse en Italiaanse veerdiensten). Meer informatie kan worden verkregen op de website die is samengesteld door mensen die hier hun beklag over doen, [http://www.channelpirates.com].
Zou de Commissie commentaar kunnen leveren op de prijsvorming van de exploitanten van de veerdiensten en de Eurotunnel? En is zij van mening dat deze exploitanten in strijd met de mededinging handelen?
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(22 september 2003)
Het geachte parlementslid is er wellicht van op de hoogte dat de Commissie onlangs onaangekondigde gelijktijdige inspecties heeft gehouden bij enkele exploitanten van veerdiensten over het Kanaal (2). Het doel van deze inspecties was na te gaan of deze ondernemingen onder andere afspraken maken inzake prijzen en handelsvoorwaarden, zoals wordt gesuggereerd door de informatie waarnaar het geachte parlementslid verwijst.
Zulke onaangekondigde inspecties vormen de voorbereiding van het onderzoek inzake vermoedelijke kartels. Zoals het geachte parlementslid zal begrijpen, kan de Commissie in deze fase van het onderzoek nog geen verdere uitspraken doen.
(1) PB C 151 E van 22.5.2001, blz. 164.
(2) MEMO/03/168 van 3 september 2003; Verklaring van de woordvoerder betreffende inspecties bij veerdiensten over het Kanaal.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/177 |
(2004/C 65 E/194)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2564/03
van Mario Borghezio (NI) aan de Commissie
(4 augustus 2003)
Betreft: Schending door Poolse autoriteiten van de algemene beginselen van het communautair recht
In augustus 1999 heeft de Italiaans-Poolse Paetz Karoline, die getrouwd was met de Italiaanse burger Paolo Pozza, besloten niet terug te keren naar Italië en de twee dochters Federica en Annamaria Pozza bij zich te houden. De meisjes zijn resp. 2 en 7 jaar oud en hebben het Italiaanse staatsburgerschap.
De kinderrechter in Venetië heeft bij twee vonnissen de dochters toegewezen aan hun vader Paolo Pozza. De rechtbank van Poznan heeft vervolgens 19 vonnissen gewezen ten gunste van de vader, daarbij vaststellend dat de meisjes naar Italië moesten terugkeren en steeds weer hamerend op het bezoekrecht van de vader dat Karolina Paetz nooit heeft toegestaan.
De terugkeer van de meisjes naar Italië is elke keer verijdeld door het achterhouden van kennisgevingen, verwijtbaar aan de Poolse autoriteiten, waardoor mevrouw Karolina Paetz tevoren wordt op de hoogte gesteld van de door de rechter vastgestelde data. Daarmee kon zij zich onttrekken aan de oproep.
Vindt de Commissie ook niet dat in dit geval Polen — dat de Conventie van Den Haag heeft ondertekend over repatriëring van minderjarigen en dat de Conventie van Luxemburg heeft ondertekend over wederzijdse erkenning van in andere landen gewezen vonnissen — ernstig in overtreding is van de algemeen aanvaarde rechtsregels en zich daarmee schuldig maakt aan een ernstige inbreuk op de algemene beginselen van het communautair recht en de rechten van de mens?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(17 september 2003)
De door het geachte parlementslid aan de orde gestelde moeilijkheden in verband met de tenuitvoerlegging van beslissingen waardoor de terugkeer van ongeoorloofd overgebrachte of vastgehouden kinderen wordt gelast, zijn de Commissie bekend. De Commissie wijst het geachte parlementslid er echter op dat het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen geen deel uitmaakt van het Gemeenschapsrecht en het Verdrag van Luxemburg van 20 mei 1980 betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen evenmin. Bijgevolg is de Commissie niet bevoegd voor de controle en tenuitvoerlegging van genoemde verdragen.
De rechten van het kind om regelmatig contacten te onderhouden met zijn ouders zijn vastgelegd in artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Unie, dat gebaseerd is op het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989. Het Handvest van de grondrechten is echter in dit geval niet van toepassing, aangezien het beperkt is tot de toepassing van het Gemeenschapsrecht.
Momenteel bestaat er geen communautaire wetgeving over ontvoering van kinderen. De Commissie wijst het geachte parlementslid wel op het voorstel voor een verordening betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (1), die in de komende maanden zal worden goedgekeurd. Een van de belangrijkste doelstellingen van de toekomstige verordening is ontvoering van kinderen door hun ouders binnen de Europese Unie te ontmoedigen door ervoor te zorgen dat de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het kind vóór zijn ontvoering zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd blijven voor het nemen van een definitieve beslissing betreffende het gezag. Tevens zal de verordening een aanvulling vormen op het Verdrag van 's-Gravenhage inzake internationale ontvoering van kinderen en de toepassing ervan in de Gemeenschap verbeteren door strikte procedureregels op te leggen die de terugkeer van het kind versnellen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/178 |
(2004/C 65 E/195)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2577/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(6 augustus 2003)
Betreft: Tegenwerking bij toevoeging van glucose en koolstof aan drijfmest ter bescherming van agrarische bodems tegen verontreiniging en ammoniakuitstoot
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat een groep van 100 veehouders in Nederland aan de op hun bedrijf geproduceerde dierlijke uitwerpselen een mengsel van glucose en koolstof met de naam „FIR” toevoegt, met het doel om daarmee in plaats van de door hen als giftig beschouwde drijfmest een stof te verkrijgen die als voeding over het land kan worden verspreid zonder omvangrijke uitstoot van ammoniak in de buitenlucht? |
|
2. |
Is het de Commissie tevens bekend dat deze boeren van oordeel zijn dat de sinds het begin van de jaren '90 gangbare methode, waarbij drijfmest in de bodem wordt geïnjecteerd om uitstoot van ammoniak in de lucht te voorkomen, leidt tot vernietiging van het bodemleven in veenweidegebieden, waardoor regenwormen niet langer een stof uitscheiden die opname van fosfaat in plantenwortels bevordert? |
|
3. |
Heeft de Commissie vernomen dat Nederlandse rechters deze boeren weliswaar veroordelen omdat zij mest over het land verspreiden in plaats van deze te injecteren, maar dat zij geen daadwerkelijke straf opleggen omdat zij van oordeel zijn dat deze werkwijze in het belang is van een goed milieu? |
|
4. |
In welke mate staan door de EU voorgeschreven en in het Nederlandse Besluit gebruik meststoffen opgenomen voorschriften in de weg dat in ruimere mate en op legale wijze met de FIR-methode wordt geëxperimenteerd, teneinde vast te stellen of deze methode op veenbodems ruime navolging verdient? |
|
5. |
Wat kan de Commissie bijdragen aan het bevorderen of wegnemen van belemmeringen voor experimenten met de FIR-methode? |
Bron: TV Nederland-3, NOVA 22 juli 2003.
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(29 oktober 2003)
De landbouw is de belangrijkste oorzaak van de emissie van ammoniak in de atmosfeer, en ammoniak is een van de verontreinigende stoffen die verantwoordelijk zijn voor de overschrijding van de kritische belasting voor verzuring en eutrofiëring.
Krachtens Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (1) moeten de lidstaten programma's opstellen met maatregelen om de emissie van verzurende en eutrofiërende verontreinigende stoffen te beperken, teneinde ervoor te zorgen dat de kritische belastingen en kritische niveaus niet worden overschreden en dat het milieu en de volksgezondheid beter worden beschermd. In bijlage I bij de richtlijn zijn nationale emissieplafonds vastgesteld die uiterlijk in 2010 moeten worden bereikt.
In de richtlijn zijn evenwel geen specifieke maatregelen vastgesteld om dat doel te bereiken; de verantwoordelijkheid hiervoor ligt volledig bij de lidstaten, die zelf programma's moeten vaststellen naargelang van de na te streven vermindering. Er zij op gewezen dat een vermindering met meer dan 40 % ten opzichte van 1990, zoals in Nederland vereist is, inhoudt dat een hele reeks maatregelen voor de vermindering van de emissie van ammoniak moet worden uitgevoerd, inclusief specifieke maatregelen om de emissie van ammoniak als gevolg van het uitrijden van drijfmest sterk te verminderen.
Het verminderen van de emissie van ammoniak is ook een van de verbintenissen waartoe de partijen (inclusief alle lidstaten) die het Gothenburg-Protocol van 1 december 1999 bij de „UN/ECE-LRTAP” (United Nations-Economic Commission for Europe Convention on long range transboundary air pollution), gericht op de vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon, hebben ondertekend. Het protocol bevat een specifieke bijlage (bijlage IX) met een lijst van maatregelen om de ammoniakemis sie in de landbouw te verminderen, gebaseerd op de werkzaamheden van een panel van deskundigen van de diverse partijen bij de „Convention”. Met betrekking tot het uitrijden van drijfmest op landbouwgrond zijn methoden vereist die een minimale doeltreffendheid van 30 % garanderen, waaronder het injecteren van de mest.
Met betrekking tot de maatregelen om de emissie in de intensieve veehouderij, inclusief de ammoniake-missie in de lucht, te verminderen, heeft de Commissie, teneinde de tenuitvoerlegging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (2) te stimuleren, in samenwerking met de lidstaten, zowel het onderzoek naar de bestaande technieken als de identificatie van de beste beschikbare technieken gestimuleerd.
In het „Best Available Technique Reference Document (BREF)” inzake de intensieve pluimvee- en varkenshouderij, dat in juli 2003 officieel is goedgekeurd, is een lijst opgenomen van de beste beschikbare technieken voor de vermindering van de emissies bij huisvesting, opslag en verspreiding, gebaseerd op de grondige werkzaamheden van een panel van deskundigen, gecoördineerd door het IPPC-Bureau in Sevilla. Mestinjectie behoort tot de beste beschikbare technieken om emissie van ammoniak bij het verspreiden van mest te voorkomen; de vermindering bedraagt 80 % in vergelijking met het referentiesysteem (gewoon uitrijden van de mest).
Op grond van bovenstaande overwegingen kan worden geconcludeerd dat, bij de huidige kennis op het betrokken gebied, mestinjectie de meest efficiënte manier is om de emissie van ammoniak te verlagen wanneer drijfmest op het land wordt verspreid, op voorwaarde dat deze techniek juist wordt toegepast. De programma's met maatregelen om de ammoniakemissie te verminderen, behoren evenwel tot de bevoegdheden van de lidstaten, die een hele reeks maatregelen kunnen toepassen in de verschillende opeenvolgende stadia van het mestbeheer: huisvesting van de dieren, opslag van de mest en verspreiding van de mest.
Voor het verspreiden van de mest kunnen diverse technieken worden gebruikt naargelang van het gewastype, de verwachte vermindering van de ammoniakemissie, en de eigenschappen en kenmerken van de grond; de technieken kunnen worden aangepast aan de plaats, met inachtneming van goed onderbouwde wetenschappelijke constateringen inzake nadelige effecten van bepaalde technieken in bepaalde gevallen.
Met betrekking tot het gebruik van additieven in het kader van het mestbeheer is uitgebreid wetenschappelijk onderzoek verricht om na te gaan of dergelijke additieven doeltreffend zijn om de ammoniakemissie en geurhinder tegen te gaan.
De resultaten van het onderzoek zijn de Commissie bekend. In een recent overzicht van experimenten die door de diverse onderzoeksinstellingen zijn uitgevoerd naar verschillende soorten additieven om ammoniak- en geuremissie tegen te gaan (3) zijn onder andere de resultaten opgenomen van proeven naar de gevolgen van labiele koolstofbronnen, zoals glucose, als mogelijke oorzaak van verzuring. Die bronnen, die leiden tot een verlaging van de pH in drijfmest als gevolg van organische zuurvorming door anaërobe bacteriën, kunnen resulteren in een verlaging van de vervluchtig ing van ammoniak, die sterk afhankelijk is van de pH. De auteurs komen tot de conclusie dat de hoeveelheid substraat die normaliter vereist is om een aanzienlijke daling van de pH uit te lokken, ertoe leidt dat het gebruik dit type additief economisch niet rendabel is. Zij merken evenwel op dat, wanneer de zuurproductie uit glucose kan worden geoptimaliseerd, dat een doeltreffend en veilig middel zou zijn om vervluchtiging van NH3 te voorkomen.
De Commissie zou in elk geval graag zien dat in de verschillende lidstaten verder wetenschappelijk onderzoek wordt verricht aangaande het gebruik van additieven met het oog op vermindering van de emissie, met toepassing van verantwoorde en stringente proefnormen ten einde ervoor te zorgen dat de resultaten betrouwbaar zijn.
Met betrekking tot additieven om het mestbeheer te verbeteren, kan er ook worden aan herinnerd dat de Commissie (directoraat-generaal Onderzoek) in het kader van de „European Co-operative Research Action for Technology (CRAFT)” van het Programma BRITE EURAM (dat gericht is op het stimuleren van technologische innovatie in het MKB via onderzoek en technologische ontwikkeling) een proefproject heeft gefinancierd inzake additieven voor de vermindering van ammoniak- en geuremissie van dierlijke mest (RAPID-QLK5-CT-2001-70429), dat in december 2003 zal voltooid zijn.
(3) McCrory and Hobbs, JEQ, 2001. 30: 345-355.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/180 |
(2004/C 65 E/196)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2583/03
van Graham Watson (ELDR) aan de Commissie
(8 augustus 2003)
Betreft: Statuut van de Europese scholen
Is de Commissie van oordeel dat de contracten van de regering van het Verenigd Koninkrijk voor docenten uit dit land aan de Europese scholen in Brussel conform is aan artikel 12 van het Statuut van de Europese scholen, waarbij alle lidstaten partij zijn?
Wat denkt de Commissie over de recente uitspraken van het Employment Tribunal van het Verenigd Koninkrijk in dit verband?
Antwoord van de heer Kinnock namens de Commissie
(22 september 2003)
Zoals de geachte afgevaardigde weet, vallen de Europese Scholen onder een specifiek intergouvernementeel verdrag, het „Verdrag houdende het Statuut van de Europese Scholen”. Een herziene versie daarvan is op 1 oktober 2002 van kracht geworden. Onderwijzend personeel dat bij de scholen gedetacheerd is, is onderworpen aan het „Statuut van het bij de Europese Scholen gedetacheerd personeel” dat op 1 september 2000 van toepassing is geworden, maar zij blijven in dienst van de autoriteiten van de detacherende lidstaat.
Artikel 12, lid 4, onder a) van het Verdrag houdende het Statuut van de Europese Scholen bepaalt: „Dezen (leerkrachten en pedagogische adviseurs) behouden de door hun nationale rechtspositie gewaarborgde rechten op bevordering en pensionering”, en artikel 49, lid 2, onder a) van het Statuut van het personeel bepaalt: „De bevoegde nationale overheid betaalt de nationale emolumenten aan het personeelslid en deelt de Directeur van de School de betaalde bedragen mee. Daarbij worden alle elementen, die bij de berekening ten grondslag hebben gelegen, vermeld …”.
Zoals de geachte afgevaardigde zonder twijfel weet, betaalt het Verenigd Koninkrijk een speciale „opstap" aan leraren die in Engeland of Wales werken. Volgens het Britse Department for Education and Skills (DFES) is dit een aanwervings- en personeelsbindingsmaatregel die niet relevant is voor leraren die bij de Europese Scholen zijn gedetacheerd. In de recente beslissing van het Employment Appeal Tribunal (EAT/0884/02) in het Verenigd Koninkrijk moest het tribunaal de arbeidsovereenkomst tussen bepaalde Britse leraren aan de Europese Scholen en hun werkgever, de DFES, interpreteren. Het tribunaal concludeerde dat volgens dat contract de leraren na hun aanstelling aan de Europese Scholen geen aanspraak konden maken op bepaalde aanvullende incrementele salarisverhogingen. Het EAT werd echter niet verzocht zich uit te spreken over de vraag of de arbeidsovereenkomsten, aldus geïnterpreteerd, wel compatibel waren met het hierboven geciteerde artikel 12, lid 4, onder a) van het Verdrag houdende het Statuut van de Europese Scholen.
De Commissie heeft haar Juridische Dienst opgedragen te onderzoeken of de voorwaarden van de Britse arbeidsovereenkomst in overeenstemming zijn met dit Artikel 12, lid 4, onder a).
De Commissie zal ervoor zorgen dat deze kwestie verder uitgezocht wordt, en zal graag antwoord geven op eventuele verdere vragen van de geachte afgevaardigde zodra de juridische analyse gereed is.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/181 |
(2004/C 65 E/197)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2592/03
van Gerhard Schmid (PSE) aan de Commissie
(14 augustus 2003)
Betreft: Bekeuring voor het ontbreken van een nationaliteitskenteken op motorvoertuigen in de Tsjechische Republiek
In de lidstaten van de Europese Unie volstaat op motorvoertuigen voor verplaatsingen naar het buitenland de gewone Europese nummerplaat, waarop het nationaliteitskenteken op een blauwe achtergrond is geïntegreerd. Bij verplaatsingen naar landen die niet tot de Europese Unie behoren, is bovendien een ovalen nationaliteitskenteken vereist, zoniet hangt er de bestuurder een bekeuring boven het hoofd. Ook in de Tsjechische Republiek worden dergelijke bekeuringen opgelegd wanneer een ovalen nationaliteitskenteken op het voertuig ontbreekt.
Is de Commissie van plan met de Tsjechische Republiek te onderhandelen om ervoor te zorgen dat de Europese nummerplaat daar reeds vóór 1 mei 2004 als nationaliteitskenteken wordt erkend?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(18 september 2003)
Bij Verordening (EG) nr. 2411/98 van de Raad van 3 november 1998 inzake de erkenning van het onderscheidingsteken van de lidstaat van inschrijving van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan in het verkeer binnen de Gemeenschap (1) is een zogenaamd „Europees onderscheidingsteken” ingevoerd dat de lidstaten moeten erkennen als een alternatief voor het „ovalen teken” dat is ingevoerd door het Verdrag van Wenen van 1968 (2).
Het Verdrag van Wenen is geratificeerd door de Tsjechische Republiek en het ovalen teken is er nog steeds geldig. Landen die niet tot de Unie behoren, zijn niet gebonden door de verordening van de Raad die uitsluitend betrekking heeft op het intra-communautaire verkeer. Daarom is er geen rechtsgrond om de Tsjechische Republiek te verzoeken het Europese teken vóór 1 mei 2004 te erkennen. Na die datum zal dit land het Europese teken moeten erkennen als onderdeel van het communautair acquis.
(2) Verdrag van Wenen van 8 november 1968 inzake het wegverkeer, gesloten onder de auspiciën van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/182 |
(2004/C 65 E/198)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2603/03
van Olivier Dupuis (NI) aan de Raad
(20 augustus 2003)
Betreft: Mogelijke uitwijzing uit Frankrijk naar de Russische Federatie van een vooraanstaande Tsjetsjeen
Volgens berichtgeving van het Tsjetsjenië-Comité hebben de heer Rouslan Maigov, zijn echtgenote en hun vier kinderen een asielaanvraag in Frankrijk ingediend. De heer Rouslan Maigov is een broer van Aslambek Maigov, de vertegenwoordiger van Aslan Mashkadov, de president van Tsjetsjenië, in Moskou. De heer Rouslan Maigov is in Rusland en Tsjetsjenië verscheidene malen gearresteerd en mishandeld. Bij zijn laatste arrestatie in december 2001 is losgeld ten bedrage van 160 000 roebel voor zijn vrijlating betaald. De heer Rouslan Maigov is des te meer in gevaar, omdat hij cassettes in zijn bezit heeft gehad waarop president Maskhadov opdrachten gaf aan zijn broer. Zowel het Franse Bureau voor vluchtelingen als de commissie van beroep hebben echter de door de heer Rouslan Maigov en zijn gezin ingediende asielaanvraag afgewezen op grond van het feit dat, wanneer Aslambek Maigov blijkbaar zonder problemen in Moskou kan verblijven, ook diens broer en zijn gezin in Rusland kunnen wonen. In de argumentatie van de Franse autoriteiten is kennelijk geen rekening gehouden met de eerdere arrestaties en mishandelingen van de heer Rouslan Maigov door de Russische autoriteiten, noch met het feit dat het in Rusland helaas courant is dat als waarschuwing aan het adres van vooraanstaande Tsjetsjenen hun familieleden worden geïntimideerd en het slachtoffer worden van geweldpleging. De heer Rouslan Maigov, zijn echtgenote en hun vier kinderen worden weldra uitgewezen uit het opvangcentrum voor asielzoekers (CADA) in Marseille en zullen Frankrijk moeten verlaten.
Is de Raad op de hoogte van de situatie van de heer Rouslan Maigov en diens gezin? Is de Raad van oordeel dat het besluit van de bevoegde Franse autoriteiten overeenkomt met de geldende Gemeenschapswetgeving op het gebied van asiel als vastgelegd in de akkoorden van Schengen? Is de Raad — gezien de ernstige bedreiging van Tsjetsjenen in de Russische Federatie — meer in het algemeen niet van mening dat onverwijld maatregelen moeten worden genomen om elk besluit tot uitwijzing van Tsjetsjenen die in bij de Schengenakkoorden aangesloten landen verblijven, moet worden tegengegaan?
Antwoord
(17 november 2003)
De Raad kan niet optreden in afzonderlijke asielverzoeken in de lidstaten, noch in andere individuele gevallen zoals die welke in de vraag vermeld worden.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/182 |
(2004/C 65 E/199)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2626/03
van Olivier Dupuis (NI) aan de Commissie
(2 september 2003)
Betreft: Verzoek om herziening van het ruimtelijke ordeningsplan voor Lhasa
Het comité dat toeziet op de tenuitvoerlegging van het Unesco-Verdrag betreffende de bescherming van het cultureel en natuurlijk werelderfgoed heeft de Chinese autoriteiten dringend verzocht hun ruimtelijke ordeningsplan voor de stad Lhasa, de hoofdstad van Tibet, te herzien. Dit besluit is genomen op de 27 vergadering van het Comité van het werelderfgoed van de Unesco, die van 30 juni tot 1 juli jl. is gehouden te Parijs. Het comité heeft een reeks aanbevelingen gedaan aan de Chinese autoriteiten, „ten einde de negatieve impact van de ontwikkelingsdruk op de waarde van het werelderfgoed op dergelijke bebouwing te verzachten”, en heeft verzocht om de tenuitvoerlegging van een nationaal beleid ter bescherming van alle traditionele historische gebouwen die nog in Lhasa staan. In 2002 hadden de Chinese autoriteiten historische Tibetaanse huizen laten slopen in Lhasa [www.savetibet.org/News], wat tot ernstige bezorgdheid leidde over de wil van Peking om zich aan de verplichtingen uit hoofde van het Unesco-Verdrag te houden. Het comité heeft tevens verzocht de sloop van huizen in het Shöl-gebied te staken. Korte tijd later, respectievelijk in oktober en april 2003, hebben deskundigen van Unescoen Icomos (International Council on Monuments and Sites) werkbezoeken gebracht aan Lhasa.
Welke initiatieven heeft de Commissie ontplooid of is zij voornemens te ontplooien om ervoor te zorgen dat de Chinese autoriteiten zich aan hun verplichtingen houden en gevolg geven aan de verzoeken van de Unesco? Is de Commissie voornemens de financiering van projecten in Tibet op te schorten als de Chinese autoriteiten blijven weigeren gevolg te geven aan de verzoeken van de internationale gemeenschap met betrekking tot de bescherming en het behoud van de Tibetaanse cultuur en het Tibetaanse erfgoed?
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(3 oktober 2003)
De bescherming van de rechten van minderheden, en met name het behoud van hun culturele identiteit, is één van de thema's die regelmatig door de Unie aan de orde worden gesteld in haar bilaterale dialoog met China over de rechten van de mens. De Unie zal haar standpunt in de context van deze dialoog onder de aandacht van de Chinese autoriteiten blijven brengen.
Momenteel ziet de Commissie erop toe dat de samenwerkingsprogramma's die in de autonome regio Tibet worden uitgevoerd in de eerste plaats in het belang zijn van de plaatselijke bevolking van Tibetaanse origine, terwijl zij anderzijds graag wil zorgen voor een aanwezigheid van de Unie in deze regio. Onder deze omstandigheden is zij van oordeel dat een eventuele onderbreking van deze programma's alleen maar negatief zou uitwerken voor de plaatselijke bevolking.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/183 |
(2004/C 65 E/200)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2643/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Schipbreuk Deens vrachtschip „Karin Cat” door het schuiven van de lading
|
1. |
Op 18 februari 2003 leed het Deense vrachtschip „Karin Cat” met zeven bemanningsleden aan boord in de Middellandse Zee ter hoogte van Griekenland schipbreuk. Gelukkig kon de bemanning het schip tijdig verlaten en werd zij opgepikt door het Maleisische schip de „Bunga Pelangi Dua”. Over dit ongeluk is door de Deense Maritieme Autoriteit op 29 juli 2003 een rapport uitgebracht. Heeft de Commissie kennis genomen van dit rapport? |
|
2. |
Het schip heeft in verschillende havens vracht aan boord genomen. Eén van de havens was Antwerpen waar de „Karin Cat” op 25 januari naast andere vracht ook 2, elk 18 meter lange laadarmen en 2 kleinere, 13 meter lange laadarmen laadde. Uit het rapport van de Deense Maritieme Autoriteit blijkt dat het sjorren van de lading in de haven van Antwerpen gebeurde door de bemanning van de „Karin Cat”. Kan de Commissie dit bevestigen? In het rapport wordt uitgebreid ingegaan op de mogelijke oorzaken van de schipbreuk. Het rapport stelt dat het schuiven van de bovengenoemde laadarmen het gat veroorzaakte in de romp van de „Karin Cat” waardoor er zoveel zeewater in de romp liep dat het schip zonk. De reden voor het schuiven van de lading, zo stelt het rapport, was dat die onvoldoende was vastgezet om weerstand te kunnen bieden aan de bewegingen van het vaartuig in het ruwe water waarin het verkeerde (Zie conclusie op pagina 20 van het rapport). |
|
3. |
Kan de Commissie bevestigen dat deze conclusie wordt getrokken in het rapport van de Deense Maritieme Autoriteit? |
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(14 oktober 2003)
De Commissie heeft geen specifieke informatie ontvangen over de schipbreuk van het Deense vrachtschip „Karin Cat” op 18 februari 2003.
Het is overigens niet aan de Commissie om uitspraken te doen over de conclusies van het door de Deense autoriteiten verrichte technische onderzoek van het ongeval. Dit soort onderzoek behoort tot de bevoegdheid van de nationale autoriteiten, die de exacte omstandigheden van de ongevallen dienen te bepalen om, indien nodig, verbetering van de regelgeving voor te stellen.
In dit verband is in Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (1) bepaald dat een van de taken van dit Agentschap erin bestaat de samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken bij het ontwerpen van een gemeenschappelijke methodologie voor het onderzoeken van ongevallen op zee en ondersteuning te bieden aan de nationale overheidsdiensten die belast zijn met onderzoeken betreffende ernstige ongevallen op zee.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/184 |
(2004/C 65 E/201)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2644/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Vermijden van ongelukken door zeeschepen te laten laden door gekwalificeerd personeel
|
1. |
Is de Commissie het met mij eens dat de schipbreuk van het Deense vrachtschip „Karin Cat” aantoont dat het laden van schepen met grote risico's gepaard gaat en dat dus alles in het werk gesteld moet worden om de veiligheid van de bemanning en ook van de vracht te verzekeren, en dat daarbij een absolute voorwaarde is dat lading op een deskundige manier wordt geladen en gesjord en dat dit door gekwalificeerd havenpersoneel dient te gebeuren? |
|
2. |
Kan de Commissie verklaren waarom, terwijl de Belgische wet Major nadrukkelijk verbiedt dat havenwerk door niet-havenwerkers wordt uitgevoerd, dit hier toch op deze wijze heeft plaatsgevonden en ziet zij mogelijkheden tegen de overtreding van deze nationale wetgeving maatregelen te nemen? |
|
3. |
Heeft het niet naleven van de wetgeving volgens de Commissie gevolgen voor de verantwoordelijkheidsvraag van het ongeluk? |
|
4. |
Is deze gang van zaken voor de Commissie aanleiding om, in het belang van de veiligheid van bemanning en schip, haar standpunt waarin zij zich voorstander toont van de mogelijkheid van „selfhandling” van vracht door de bemanning van een schip, te heroverwegen in het kader van de nu in conciliatie zijnde richtlijn Havendiensten of op enigerlei andere wijze, en de regelgeving aan te scherpen in plaats van te versoepelen? Zo ja, hoe doet de Commissie dit? Zo nee, waarom doet de Commissie dit niet? |
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(21 oktober 2003)
De Commissie verwijst naar haar antwoord op vraag E-2643/03 (1) van het geachte parlementslid.
Ook wijst zij het geachte parlementslid erop dat de veiligheid en de gezondheid van werknemers op de werkplek is geregeld in een aantal communautaire richtlijnen, met name de kaderrichtlijn 89/391/EEG (2) en onder andere de bijzondere richtlijnen 89/655/EEG (3), 89/656/EEG (4) en 90/269/EEG (5).
Volgens deze richtlijnen is het de verantwoordelijkheid van de werkgever ervoor te zorgen dat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers in elk met het werk gerelateerd opzicht worden gegarandeerd en moet hij een risicoanalyse uitvoeren en de nodige voorzorgsmaatregelen nemen.
De lidstaten moeten de richtlijnen omzetten in nationale wetgeving en zorgen voor passende controles en toezicht.
Voorts wijst de Commissie erop dat in de voorgestelde richtlijn inzake markttoegang voor havendiensten, waarvan de behandeling zich thans in de slotfase bevindt, is bepaald dat zelfafhandeling door de bemanning alleen kan worden toegestaan indien de citeria die worden gehanteerd door de verleners van vergelijkbare diensten in een haven in acht worden genomen.
Deze criteria kunnen betrekking hebben op de beroepskwalificaties van het personeel dat de dienst verleent, en daarnaast ook op de maritieme veiligheid of de veiligheid van de haven of van de toegang tot die haven, de installaties, uitrusting en personen.
(1) Zie blz. 183.
(2) Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk, PB L 183 van 29.6.1989.
(3) Richtlijn 89/655/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats, PB L 393 van 30.12.1989.
(4) Richtlijn 89/656/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor het gebruik op het werk van persoonlijke beschermingsmiddelen door de werknemers, PB L 393 van 30.12.1989.
(5) Richtlijn 90/269/EEG van de Raad van 29 mei 1990 betreffende de minimum veiligheids- en gezondheidsvoorschriften voor het manueel hanteren van lasten met gevaar voor met name rugletsel voor de werknemers, PB L 156 van 21.6.1990.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/185 |
(2004/C 65 E/202)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2648/03
van Dirk Sterckx (ELDR) aan de Commissie
(28 augustus 2003)
Betreft: Verlaagd aardgastarief voor de glastuinbouw
Tot vorig jaar genoten de Belgische glastuinbouwers op basis van een gentlemen's agreement van een verlaagd tarief voor het gebruik van aardgas. Deze maatregel was er gekomen om de zeer energie-intensieve glastuinbouw te doen omschakelen naar het meer milieuvriendelijke gas. Ongeveer één vijfde van de glastuinbouwbedrijven zijn intussen overgeschakeld, maar worden nu plots geconfronteerd met een zeer hoge aardgasfactuur. Het verlaagd tarief werd immers afgeschaft, naar verluidt om in overeenstemming te zijn met de regels betreffende de interne markt voor aardgas. Een van de doelstellingen van de Vlaamse Regering in haar actieplan „naar een duurzamere glastuinbouw in Vlaanderen” is er voor te zorgen, dat binnen 10 jaar 75 % van de glastuinbouwers aardgas gebruikt.
|
1. |
Onder welke voorwaarden kan een lidstaat in het kader van de Europese liberaliseringsrichtlijn voor aardgas een gunstiger tarief geven aan bepaalde sectoren of groepen? |
|
2. |
Kan het bevorderen van milieuvriendelijke energie een criterium zijn om bepaalde tariefvoordelen te verlenen? |
|
3. |
Belet de Europese liberaliseringsrichtlijn de toepassing van een verlaagd aardgastarief voor glastuinbouw in een lidstaat? |
|
4. |
Zijn er lidstaten die momenteel tariefvoordelen toekennen voor aardgas aan de glastuinbouwsector? |
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(29 september 2003)
Krachtens de Europese richtlijnen tot liberalisering van de Europese aardgassector kunnen in aanmerking komende gebruikers hun leveranciers nu vrij kiezen doordat de netwerken zijn opengesteld voor derden en verticaal geïntegreerde bedrijven moeten ontbundelen. De aardgasprijzen die door de consument worden betaald, vallen niet onder het toepassingsgebied van de richtlijnen, waarin wel is bepaald dat de transporttarieven voor aardgas niet-discriminerend en transparant moeten zijn. De regelgevende instanties van de lidstaten zijn verantwoordelijk voor effectieve concurrentie en de efficiënte werking van de markt. Bijgevolg zouden aardgasgebruikers ook van de concurrentie moeten profiteren via lagere prijzen aan de consument.
Voor de Commissie zijn de aardgasprijzen aan de consument afhankelijk van de markt. Overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van Richtlijn 98/30/EG (1) kan een lidstaat het aangewezen achten om in het algemeen economisch belang aan bedrijven die in de gassector actief zijn openbare-dienstverplichtingen op te leggen welke ondermeer betrekking kunnen hebben op de prijs van de aardgasleveringen. Deze verplichtingen moeten echter duidelijk omschreven, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar zijn.
De Commissie sluit niet a priori uit dat het bevorderen van milieuvriendelijke energie een rechtvaardiging kan zijn voor het verlenen van prijsverlagingen. De gevallen waarin voordelen aan ondernemingen worden verleend, moeten in het kader van de artikelen 87-88 van het EG-Verdrag aan de Commissie worden medegedeeld en door haar worden onderzocht.
In dat opzicht kunnen de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming (2) en de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun in de landbouwsector (3) van nut zijn.
Richtlijn 98/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (4) noch Richtlijn 2003/55/EG hebben betrekking op de aardgasprijzen die door de consument worden betaald. De aardgasprijzen worden als een zaak voor de markt beschouwd en zijn niet onderworpen aan regulering, tenzij de regulering of beheersing van de aardgasprijzen aan de consument beschouwd wordt als een kwestie van consumentenbescherming. Richtlijn 2003/55/EG maakt het opleggen van openbare-dienstverplichtingen aan aardgasondernemingen mogelijk, als deze openbare-dienstverplichtingen betrekking hebben op zekerheid, met inbegrip van voorzienings- en leveringszekerheid, regelmaat, kwaliteit en prijs van de leveringen, en milieubescherming, waaronder energie-efficiëntie en klimaatbescherming, en als de openbare-dienstverplichtingen duidelijk gedefinieerd, transparant, niet-discriminerend en controleerbaar zijn.
De Commissie onderzoekt momenteel belastingsverlagingen voor glastuinbouwers in Duitsland en Italië.
Hierbij moet ook worden opgemerkt dat in Nederland een preferentieel tariefsysteem voor aardgas aan de glastuinbouw van toepassing was tot eind 1998 (staatssteun N 464/94). De desbetreffende overeenkomst is vernieuwd voor de periode 1998-2002. In dit geval besloot de Commissie dat het tarief zoals aangemeld door de Nederlandse autoriteiten geen economisch voordeel verleende aan de glastuinbouw ten opzichte van andere sectoren van de Nederlandse economie, die hetzelfde tarief konden krijgen als zij dezelfde hoeveelheden gas gebruikten. Daarom werd besloten dat deze regeling geen steun in de zin van artikel 87 van het EG-Verdrag vormde.
Tot slot merkt de Commissie op dat de toekomstige richtlijn betreffende energiebelasting (zoals vastgelegd in het politieke compromis van de Raad van maart 2003, momenteel ter raadpleging in het Parlement) bepaalt dat de lidstaten hun belastingvoet mogen verlagen tot nul voor energieproducten en elektriciteit die gebruikt worden in landbouw-, tuinbouw- of viskweekbedrijven, en in de bosbouw.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/186 |
(2004/C 65 E/203)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2658/03
van Manuel Pérez Álvarez (PPE-DE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Allseas Group
Nu het Parlement de nieuwe richtlijn inzake het minimale opleidingsniveau van zeevarenden aan het behandelen is, maken de media gewag van het voornemen van het Zwitserse aardolieconcern Allseas Group Galicische bemanningsleden te vervangen door Filippijnen. Van de 600 werknemers hebben er reeds 50 een ontslagbrief ontvangen. Volgens de media werd tot deze vervanging besloten omdat Filippijnen goedkopere arbeidskrachten zijn.
|
1. |
Is de Commissie op de hoogte van het ontslag van deze werknemers? |
|
2. |
Kan de Commissie mededelen of in de contracten is voorzien in betaling van sociale zekerheid, ontslag wegens ziekte en vergoeding bij ontslag? Welke wettelijke arbeidsregeling is hier van toepassing? |
|
3. |
Welke maatregelen is de Commissie van plan voor te stellen om dergelijke situaties, waarbij opleiding en vakbekwaamheid, en bijgevolg ook kwaliteit van de arbeid en veiligheid worden geofferd op het altaar van de economische belangen, te voorkomen? |
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(22 oktober 2003)
|
1. |
De Commissie betreurt de door het geachte parlementslid gemelde feiten met betrekking tot het beheer van schepen in derde landen; zij was niet op de hoogte van deze feiten. |
|
2. |
Bij gebrek aan voldoende informatie kan de Commissie zich niet uitspreken over dit concrete geval, maar zij herinnert eraan dat personen die een beroepsactiviteit aan boord van een schip uitoefenen in eerste instantie onder de internationale privaatrechtelijke regels vallen van de staat waar de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. In de meeste gevallen houden deze regels in dat de zaak wordt doorverwezen naar: de staat waar het schip is geregistreerd en waarvan het de vlag voert (cf. artikel 6, lid 2, van het Verdrag van Rome van 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst). Bemanningen van zeeschepen vallen niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (1). Bij het opstellen van deze richtlijn heeft de Commissie voorgesteld hen wel in de richtlijn op te nemen, maar zij heeft de andere instellingen hiertoe niet kunnen overhalen. |
|
3. |
Gezien de huidige context van mondiale economische concurrentie is de Commissie voorstander van een versterking van de sociale wetgeving die van toepassing is op zeevarenden, ongeacht hun nationaliteit. Het sociale kader van dit beroep is niet alleen vastgesteld in het acquis communautaire, maar verder ook in de verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), die een belangrijk instrument vormen om de belangen van de zeevarenden en hun werkgevers met elkaar te verzoenen. De goedkeuring van 30 van de ongeveer 180 verdragen en 23 van de 192 aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie die betrekking hebben op de scheepvaartsector, blijkt vaak ontoereikend te zijn, met name in derde landen, waardoor hun toepassingsgebied wordt beperkt. De Internationale Arbeidsorganisatie werkt momenteel aan de consolidering van de verdragen die betrekking hebben op het sociale scheepvaartrecht, met de bedoeling alle bepalingen van deze teksten samen te voegen tot één verdrag. Staten die hun vlag waardig willen voeren, kunnen dan niet meer om de goedkeuring van dit verdrag heen. De Commissie benadrukt dat zij haar volledige steun verleent aan dit initiatief. In afwachting van de goedkeuring van dit verdrag moedigt de Commissie de lidstaten aan om de goedkeuring van de internationale scheepvaartverdragen die in het kader van de IAO zijn opgesteld, voort te zetten en desgevallend te versnellen. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/187 |
(2004/C 65 E/204)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2673/03
van Georges Berthu (NI) aan de Commissie
(2 september 2003)
Betreft: BTW over reparatiewerkzaamheden aan oude gebouwen
Op 31 december 2003 komt er een einde aan de proefperiode gedurende welke de lidstaten gemachtigd zijn een verlaagd BTW-tarief toe te passen op arbeidsintensieve diensten, zoals de reparatie van oude gebouwen.
De conjuncturele problemen, en in het bijzonder de stijging van de werkloosheid in de Europese Unie, pleiten er sterk voor om aan dit experiment een permanent karakter te geven. Het heeft trouwens nauwelijks aanleiding gegeven tot concurrentiedistorsies tussen de lidstaten, want dit soort diensten is hoofdzakelijk van lokale aard, zodat er nauwelijks sprake is van dienstverrichting op grote afstand.
Kan de Commissie mededelen of zij — hetgeen mij wenselijk zou lijken — tegen het einde van dit jaar een voorstel zal indienen om het de lidstaten op permanente basis mogelijk te maken het verlaagde BTW-tarief toe te passen op reparaties van gebouwen?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(25 september 2003)
Op 23 juli 2003 heeft de Commissie een voorstel goedgekeurd voor een richtlijn met betrekking tot verlaagde BTW-tarieven (1). Zij stelt voor de lidstaten de mogelijkheid te bieden een verlaagd tarief toe te passen op de levering, bouw, verbouwing, renovatie, herstelling, het onderhoud en het schoonmaken van woningen. Dit betekent dat, zo als nu reeds het geval is, een verlaagd tarief kan worden toegepast voor de reparatie van oude gebouwen mits het om particuliere huisvesting gaat.
Aan het facultatieve karakter van de verlaagde tarieven wordt niet getornd zodat de lidstaten zelf kunnen bepalen in welke sectoren zij de verlaagde tarieven wensen toe te passen.
Het is nu aan de Raad om, nadat het Parlement zijn advies heeft uitgebracht, met eenparigheid van stemmen een besluit te nemen over het toekomstig toepassingsgebied van de verlaagde BTW-tarieven.
(1) COM(2003)397 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/188 |
(2004/C 65 E/205)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2675/03
van Concepció Ferrer (PPE-DE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: EU-subsidie voor trans-Europese netwerken
De afgelopen 20 jaar heeft de Commissie een deel van haar begrotingsmiddelen bestemd voor hetgeen wordt genoemd de ontwikkeling van trans-Europese netwerken.
Uit een recente universitaire studie over de bestemming van deze middelen in Spanje blijkt dat 43 % van deze investeringen rechtstreeks naar de autonome regio Madrid is gegaan. Als hierbij alle investeringen worden opgeteld die de afgelopen 20 jaar direct of indirect aan de autonome regio Madrid ten goede zijn gekomen, stijgt dit percentage tot 80,2 % (138,67 miljoen euro).
In dezelfde periode heeft de zogenoemde mediterrane as (Spaans/Franse grens — Barcelona-Valencia-Murcia) 13,4 % van de subsidies (25,18 miljoen euro) ontvangen. Terwijl Barcelona (installatie van een stemcontrolesysteem op de luchthaven Prat) in 2000 en Valencia (verbetering van de toegang tot de haven van de stad) in 2001 voor het laatst subsidie voor de trans-Europese netwerken hebben ontvangen, ontvangt Madrid elk jaar dit soort subsidies.
Kan de Commissie meedelen welke criteria zijn (worden) gehanteerd voor de verdeling van deze subsidies?
Kan de Commissie mededelingen doen over de oorzaken van deze zeer onevenwichtige verdeling van de subsidies?
Hoe denkt de Commissie over de zogenoemde „mediterrane as” (Frankrijk-Barcelona-Valencia-Murcia)?
Antwoord van de heer Barnier Namens de Commissie
(30 oktober 2003)
De Gemeenschap kan steun verlenen voor de ontwikkeling van het Trans-Europees vervoersnet (TEN) uit hoofde van de Structuurfondsen, het Cohesiefonds en het Indicatieve meerjarenprogramma (IMP). Het voor Spanje begrote bedrag uit het Cohesiefonds bedroeg 9,251 miljoen euro voor de periode 1993-1999 en 11,160 miljoen euro voor de periode 2000-2006 (prijzen van 1999). De helft van deze middelen is besteed aan vervoersprojecten die tot TEN gerekend worden.
Voor de periode 2000-2006 zijn de middelen uit de Structuurfondsen toegewezen aan lidstaten op basis van de criteria in de verordeningen. De inspanningen zijn in financiële zin toegespitst op de minst ontwikkelde regio's volgens doelstelling 1. De regio Madrid voldoet niet aan de criteria en komt dus niet in aanmerking voor steun in het kader van doelstelling 1.
De middelen uit het Cohesiefonds worden jaarlijks toegewezen op basis van de desbetreffende verordening en binnen een algemeen kader voor vervoers- en milieuontwikkeling dat door de Spaanse autoriteiten wordt opgesteld. Wat betreft vervoer waren de inspanningen de afgelopen jaren toegespitst op het traject Madrid-Barcelona-Franse grens en de hogesnelheidsspoorwegcorridors van Madrid tot Valladolid, in het kader van het project Hogesnelheidslijn Zuid, één van de prioritaire projecten die door de Europese Raad van Essen zijn vastgesteld.
De criteria voor de selectie van projecten die in aanmerking komen voor het financieel instrument dat speciaal op TEN gericht is, zijn uiteengezet in de „communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een transeuropees vervoersnet” (1) van de Gemeenschap uit 1996, waarin het toepassingsgebied wordt vastgesteld, inclusief gedetailleerde kaarten van het netwerk, doelstellingen, prioriteiten en definities van projecten van algemeen belang. Het besluit om individuele TEN-projecten al dan niet te financieren wordt genomen op basis van periodieke verzoeken van de lidstaten die worden onderzocht aan de hand van de bepalingen in Verordening (EG) nr. 1655/1999 (2).
De selectie van projecten voor financiering uit het Cohesiefonds en de Structuurfondsen valt onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten.
Wat betreft de financiering van de trajecten Frankrijk-Barcelona-Valencia-Murcia (de zgn. „mediterrane corridor”) zijn er sinds het begin van de jaren 1990 middelen beschikbaar gesteld om met name de spoorlijn tussen Barcelona en Valencia te verbeteren. Meer recentelijk zijn er, in het kader van TEN, in 2002 en 2003 projecten voor de mediterrane corridor gefinancierd, die van belang zijn voor Barcelona en Valencia (met name de HSL Madrid-Castila-La Mancha Comunidad Valenciana-Murcia (diverse studies) en de studies naar de HSL Zaragoza-Barcelona). Naast de twee hierboven genoemde projecten is in 1999 ook steun verleend aan de herstructurering en aanpassing van het spoorwegnet in de gebied rond Valencia, ter voorbereiding op de HSL.
De Unie heeft van 1986 tot heden een totaalbedrag van 498 miljoen euro toegewezen aan de verbetering van de mediterrane spoorcorridor (Frankrijk-Barcelona-Valencia-Murcia).
(1) Beschikking Nr. 1692/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 1996 betreffende communautaire richtsnoeren voor de ontwikkeling van een transeuropees vervoersnet, PB L 228 van 9.9.1996.
(2) Verordening (EG) Nr. 1655/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 1999 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2236/95 van de Raad tot vaststelling van de algemene regels voor het verlenen van financiële bijstand van de Gemeenschap op het gebied van trans-Europese netwerken. PB L 197 van 29.7.1999.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/189 |
(2004/C 65 E/206)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2679/03
van Jacques Poos (PSE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Douane-unie tussen Turkije en de pseudo-staat „Turkse Republiek Noord-Cyprus”
Kan de Commissie mededelen of de kaderovereenkomst voor een douane-unie, die enerzijds is ondertekend door Turkije en anderzijds door de autoriteiten van de pseudo-staat „Turkse Republiek Noord-Cyprus” (TRNC), verenigbaar is met de overeenkomst betreffende de douane-unie die de Europese Unie en Turkije sinds 1996 bindt?
Deze laatste overeenkomst bepaalt immers dat de douanerechten tussen Turkije en de Europese Unie zijn afgeschaft en dat Turkije voor alle invoer vanuit derde landen het gemeenschappelijk douanetarief moet toepassen.
Als de TRNC volgens de definitie van het Europees Hof voor de rechten van de mens echter geen derde land is, maar een provincie van de Cypriotische republiek, die weliswaar tijdelijk door Turkije wordt bezet en bestuurd, moet de Commissie er dan niet op toezien dat alle goederen die vanuit de bezette zone naar de Europese Unie worden uitgevoerd, vergezeld zijn van herkomstcertificaten die door de erkende autoriteiten van het eiland zijn opgesteld?
Kan de Commissie waarborgen dat alle Turkse uitvoer naar de Europese Unie volgens de gemaakte afspraken verloopt? Zoniet, welke middelen denkt de Commissie aan te wenden om ervoor te zorgen dat het recht wordt nageleefd?
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/190 |
(2004/C 65 E/207)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2731/03
van Mihail Papayannakis (GUE/NGL) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Kaderovereenkomst voor een douane-unie tussen Turkije en het noordelijk deel van Cyprus
De Turkse regering heeft een „kaderovereenkomst” ondertekend voor een douane-unie met de door haarzelf in het leven geroepen „Turkse Republiek Noord-Cyprus”, die geen onafhankelijke staat is en evenmin een erkende entiteit volgens het internationaal recht en de resoluties van de Verenigde Naties.
De ondertekening van deze overeenkomst vormt niet alleen een regelrechte schending van de beginselen van het internationaal recht, van het Handvest en de Veiligheidsraad van de VN en van de beginselen en de besluiten van de EU, maar is tevens in strijd met het institutioneel kader voor de betrekkingen tussen de EU en de Cypriotische Republiek en de EU en Turkije, dat zelf kandidaat is om toe te treden. Kan de Commissie mededelen of zij vóór de ondertekening van deze „kaderovereenkomst” werd geraadpleegd, of deze in overeenstemming is met de beginselen en de bepalingen van de associatieovereenkomst en de overeenkomst tot oprichting van de douane-unie tussen Turkije en de EU, en of zij van mening is dat deze stap een invloed zal hebben op de weg naar toetreding van Turkije en op de beoordeling van zijn kandidatuur door de bevoegde communautaire instellingen?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Verheugen namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-2679/03 en P-2731/03
(1 oktober 2003)
De Commissie betreurt de ondertekening van de zogenaamde „kaderovereenkomst voor een douane-unie” tussen Turkije en Noord-Cyprus („TRNC”) op 8 augustus 2003. Deze „overeenkomst” heeft geen internationale rechtsgeldigheid en is gesloten zonder voorafgaand overleg met de Unie. De Unie heeft de Turkse overheid laten weten dat ratificatie van deze zogenaamde „kaderovereenkomst” in strijd is met de douane-unie tussen Turkije en de Unie en van negatieve invloed zou zijn op de regeling van de Cypriotische kwestie.
Wat betreft de bezorgdheid van de geachte parlementsleden inzake de export uit Noord-Cyprus wijst de Commissie erop dat goederen uit Cyprus vergezeld moeten gaan van certificaten van oorsprong die zijn afgegeven door de erkende autoriteiten overeenkomstig het besluit van het Hof van Justitie uit 1994 (Anastasiou Pissouri Ltd en anderen) om in aanmerking te komen voor de voorkeursbehandeling waarin het Associatieverdrag tussen de EU en Cyprus voorziet. De certificaten van oorsprong worden gecontroleerd door de douaneautoriteiten van de lidstaten. Mochten producten, vergezeld van niet-correcte certificaten, in het vrije verkeer worden gebracht, dan kunnen de Commissie en de lidstaten op douaneniveau passende maatregelen nemen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/191 |
(2004/C 65 E/208)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2684/03
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: De problemen van de zigeuners in Griekenland
In Griekenland hebben zigeuners te maken met sociale en economische uitsluiting en huisvestingsproblemen. In het kader van het beheersprogramma „Bestrijding van de uitsluiting van de arbeidsmarkt” van het tweede communautair bestek voor Griekenland, werden projecten tot uitvoering gebracht met acties ter bestrijding van problemen voor zigeuners, zoals elementair onderwijs (met bestrijding van analfabetisme), scholing, bevordering van werkgelegenheid en dienstverlening in de vorm van begeleiding en ondersteuning.
Kan de Commissie gegevens verschaffen aan de hand waarvan dit beheersprogramma van het tweede communautair bestek zich vanuit gezichtspunt van de doelgroep laat evalueren? Voorziet het derde communautair bestek in acties voor de problemen van zigeuners? Zo ja, met welke beheersprogramma 's en hoe hoog zijn de daarvoor gereserveerde uitgaven? Hoe verlopen deze programma's tot dusver?
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(15 oktober 2003)
Volgens de van de Griekse autoriteiten ontvangen informatie zijn in het kader van het tweede en derde communautair bestek (CB II en III) de volgende, speciaal op zigeuners gerichte acties gefinancierd:
|
I. |
Programma: Bestrijding van uitsluiting van de arbeidsmarkt van Communautaire Bestek II.
|
|
II. |
Wat de andere programma's van Communautaire Bestek II en de uit Communautaire Bestek III gefinancierde programma's betreft, is de situatie als volgt:
|
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/192 |
(2004/C 65 E/209)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2687/03
van Giovanni Pittella (PSE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Project tegen kusterosie Maríne di Ugento
Het Regionaal Operatief Programma (ROP) voor de regio Apulië voorziet in communautaire kredieten voor een project voor het tegengaan van de erosie van de zandkust bij Maríne di Ugento (Maatregel 1.3 „maatregelen ter bescherming van de bodem” — Actie 2 „Uitvoering werken ter bescherming van de kust”).
Het voor financiering goedgekeurde project, uitgevoerd door de onderneming Etacons s.r.l. omvat:
|
a) |
de aanleg van drie palissades langs het strand, te bouwen na lichting van de resten van vier andere palissades die zich nog in hetzelfde gebied bevinden; |
|
b) |
wegzuigen van het zand uit de baai tussen de twee thans bestaande pieren, te gebruiken voor ophoging van het aangrenzende deel van het strand; |
|
c) |
verwijdering van de baai door „lichting” van het voorste deel van de pier en verwijdering van de golfbreker, die als voornaamste oorzaak van de erosie worden beschouwd; |
|
d) |
aanleg in genoemde baai van een ongeveer 220 meter lange en 24 meter brede pier. |
In verband met dit project moet het volgende onder de aandacht worden gebracht:
|
1. |
de aanleg van een pier van meer dan 220 meter lengte in een gebied waarvoor tal van natuurbeschermingsmaatregelen gelden, is in strijd met het in het ROP genoemde doel van milieuherstel; |
|
2. |
de nieuwe pier helpt niet tegen de kusterosie, aangezien die erosie nu juist mede wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van 2 andere pieren in het gebied; |
|
3. |
het project is niet onderworpen aan een milieueffectbeoordeling, een essentieel vereiste voor communautaire financiering van het werk. |
Meent de Europese Commissie niet dat dit project, een en ander in aanmerking genomen, oneigenlijk gebruik oplevert van gemeenschapsgelden die voor de milieubescherming zijn bestemd?
Meent de Europese Commissie niet dat de betrokken autoriteiten moeten nagaan of het werk wettig en toelaatbaar is, aangezien hier sprake is van oneigenlijk gebruik van de structuurfondsen?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(20 oktober 2003)
Het is de verantwoordelijkheid van de regionale autoriteiten van Apulië die het programma waar het geachte parlementslid naar verwijst beheren, om de projecten voor het regionale programma te selecteren en na te gaan of de middelen uit de structuurfondsen gebruikt zullen worden op een manier die overeenkomt met de communautaire regelgeving inzake milieubescherming.
De regionale autoriteiten van Apulië hebben de Commissie meegedeeld dat voor dit project een dergelijke selectieprocedure inderdaad gevolgd is.
Daarnaast heeft de afdeling Ecologie van het departement van milieuzaken van de regio Apulië op basis van een milieueffectrapportage een positief advies over het project afgegeven, echter op enkele voorwaarden:
|
— |
uitvoering zonder de toegang naar het gebied uit te breiden, aangezien dat de schade aan de duinen nog zou verergeren, |
|
— |
verplaatsing van zand door opspuiten, niet door vervoer met vrachtwagens, |
|
— |
uitvoering van de werkzaamheden zonder invloed op het strandtoerisme in de zomer. |
De werkzaamheden in het kader van dit project zijn op 10 juni van dit jaar onderbroken door het OM om na te kunnen gaan of dit inderdaad de geplande werkzaamheden waren en of er geen kans op nog ernstigere erosie bestond. De werkzaamheden konden op 29 augustus 2003 weer worden hervat.
De Commissie heeft een klacht ontvangen inzake dezelfde punten als het geachte parlementslid naar voren brengt en de informatie die hij aanbrengt is toegevoegd aan het dossier. De klacht wordt momenteel beoordeeld en indien de Commissie concludeert dat de communautaire wetgeving overtreden wordt, zal zij, als hoedster van het EG-Verdrag, niet aarzelen om passende actie te ondernemen, waaronder een inbreukprocedure overeenkomstig artikel 226 van het Verdrag, om naleving van de communautaire wetgeving te verzekeren.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/194 |
(2004/C 65 E/210)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2692/03
van Christopher Heaton-Harris (PPE-DE) aan de Commissie
(2 september 2003)
Betreft: Begrotingsrekeningen
Wanneer zal de Commissie in haar begrotingsrekeningen het dubbele boekhoudingssysteem invoeren?
Antwoord van mevrouw Schreyer namens de Commissie
(2 oktober 2003)
Volgens artikel 137 van het Financieel Reglement (1) en de internationale standaarden voor jaarrekeningen in de overheidssector (IPSAS) is het niet verplicht de begrotingsboekhouding te voeren volgens de methode van dubbel boekhouden. Niettemin onderzoekt de Commissie momenteel of het in het kader van de modernisering van haar boekhoudsysteem mogelijk is uiterlijk in 2005 het dubbele boekhoudingssysteem voor begrotingsrekeningen in te voeren. Als dit haalbaar is en een toegevoegde waarde inhoudt, zal het in 2005 worden ingevoerd.
Overeenkomstig artikel 134 van het Financieel Reglement wordt de algemene boekhouding van de Commissie gevoerd volgens de methode van dubbel boekhouden.
(1) Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, PB L 248 van 16.9.2002.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/194 |
(2004/C 65 E/211)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2694/03
van Mathieu Grosch (PPE-DE) aan de Commissie
(2 september 2003)
Betreft: Invoering tolheffing in Duitsland
Naar aanleiding van het laatste besluit van de Commissie stel ik vast dat het essentiële probleem van de invoering van een tolheffing in Duitsland nog niet is opgelost.
Alle betrokkenen en de Duitse ministeries zijn het erover eens dat OBU („On Board Unit”) het beste en goedkoopste instrument is om de tolheffing te voldoen.
Aangetoond is dat de Duitse regering niet aan de vraag van de vervoerders kan voldoen, hetgeen de markt verstoort en de eerlijke concurrentie belemmert.
Erger nog, Toll Collect heeft een Belgisch bedrijf onlangs laten weten dat het slechts 75 % van het wagenpark van de nodige apparatuur kan voorzien.
Op grond van betrouwbare bronnen kan ik bevestigen dat een groot aantal apparaten die o.a. aan Belgische en Nederlandse vervoersbedrijven zijn geleverd, niet goed functioneren. Daarbij komt nog dat van sommige Duitse firma's het gehele wagenpark al zou zijn uitgerust.
Kan de Commissie onderzoeken hoe het komt dat Toll Collect niet aan de vraag van de Europese vervoerders kan voldoen en de vervoerssector het ernstige verwijt hebben geuit dat sommige firma's ten opzichte van andere een voorkeursbehandeling krijgen?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(2 oktober 2003)
Uit verschillende bronnen blijkt dat de wegvervoerders door het tolsysteem in Duitsland moeilijkheden kunnen ondervinden in het verkeer: onvoldoende beschikbaarheid van OBU-instrumenten („On Board Units”), de wachttijden aan de betaalpunten, bijkomende administratieve kosten voor de ondernemingen, discriminatie tussen Duitse exploitanten en exploitanten uit andere lidstaten, enz.
Volgens Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen (1), ook wel de „Eurovignet”-richtlijn genoemd, moeten tolgelden zodanig worden geheven en geïnd en de betaling ervan zodanig worden gecontroleerd, „dat de doorstroming van het verkeer zo min mogelijk wordt gehinderd”. De richtlijn bepaalt bovendien dat de tolgelden zonder rechtstreekse of onrechtstreekse discriminatie moeten worden geheven, ongeacht de nationaliteit van de vervoerder of de oorsprong of bestemming van het vervoer.
De Commissie heeft op 23 juli 2003 de staatssteunprocedure ingeleid met betrekking tot de maatregel in kwestie (2). Eind augustus 2003 zijn de Commissie en de Duitse regering daarenboven overeengekomen een tijdelijke werkgroep op te richten, samengesteld uit vertegenwoordigers van de Commissie en van Duitsland en waarbij ook de wegvervoersector zal worden betrokken, om de verschillende technische aspecten van dit dossier te onderzoeken.
Deze werkgroep zal de verschillende stappen bij de invoering van het tolsysteem in Duitsland op de voet volgen, zodat de technische voorzieningen in de praktijk in overeenstemming zijn met Richtlijn 1999/62/EG en het EG-Verdrag, en zal er met name op toezien dat de beginselen van vrij verkeer van goederen en van non-discriminatie worden nageleefd.
De oprichting van deze werkgroep doet natuurlijk geen afbreuk aan het recht van de Commissie om uit hoofde van het EG-Verdrag indien nodig een inbreukprocedure tegen Duitsland in te leiden. Dit initiatief biedt echter duidelijk het voordeel dat alle moeilijkheden bij de toepassing van het nieuwe systeem in samenspraak met de betrokkenen worden ondervangen, nog vóór het begin van de tolheffing op 2 november 2003.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/195 |
(2004/C 65 E/212)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2710/03
van Kathleen Van Brempt (PSE) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Wierook
In Ierland is een discussie aan de gang over de gezondheidseffecten over het verbranden van wierook. De Ierse minister Jim McDade heeft een waarschuwing uitgezonden over de mogelijke kankerverwekkende effecten van wierookdampen.
Is de Commissie op de hoogte van deze discussie?
Wat zijn de gezondheidsrisico's van het inademen van wierook volgens de Commissie?
Als dit schadelijk blijkt te zijn, wat zijn de stappen die de Commissie zal nemen om het publiek hiervoor te waarschuwen?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(3 november 2003)
Er bestaat geen speciale Europese regelgeving inzake gezondheidswaarschuwingen op handelsproducten die wierook bevatten, zoals wierookkegeltjes of -kaarsen.
De Commissie is op de hoogte van sporadische berichten in de media waarin bezorgdheid wordt geuit over hoge gehaltes aan mogelijk kankerverwerkende stoffen in de lucht als gevolg van het verbranden van wierook in Azië. Er zijn geen wetenschappelijke gegevens die duiden op een vergelijkbare situatie in de Europese Unie.
De Commissie is op dit ogenblik dan ook niet voornemens op dit punt een waarschuwing aan het publiek te doen uitgaan.
Mocht het geachte parlementslid echter over wetenschappelijke bewijzen beschikken, dan zal de Commissie die graag laten onderzoeken.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/196 |
(2004/C 65 E/213)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2712/03
van Kathleen Van Brempt (PSE) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Vals geld
De introductie van de euro zorgde in het eerste jaar niet voor een grote hoeveelheid vals geld. Dat lijkt nu echter te veranderen.
Kan de Commissie een overzicht geven van de evolutie van valsmunterij van de euro sinds haar introductie? Graag had ik precieze cijfers over euro-vervalsingen.
Wat onderneemt de Commissie om valsmunterij tegen te gaan?
Antwoord van mevrouw Schreyer namens de Commissie
(23 oktober 2003)
De volgende informatie is gebaseerd op gegevens van de Europese Centrale Bank (ECB), Europol en de Commissie.
In 2002 zijn in totaal 167 118 valse eurobankbiljetten en 2 339 valse euromunten uit de omloop genomen. Het aantal biljetten bedraagt minder dan een vierde van het totale aantal nationale valse biljetten waarvan in 2001 melding werd gemaakt bij de nationale centrale banken in de eurozone.
De tabellen waarin voor het jaar 2002 een overzicht naar waarde wordt gegeven van de valse biljetten en munten, worden het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement rechtstreeks toegezonden.
In de eerste helft van 2003 werden 230 534 valse eurobankbiljetten en 7 875 valse euromunten uit de omloop genomen.
Zoals verwacht is het aantal vervalste eurobiljetten in 2003 gestegen ten opzichte van 2002. De laatste maanden is het aantal gestagneerd. Momenteel zijn 8,2 miljard authentieke eurobiljetten in omloop. Het aantal valse biljetten is dus erg klein en zal het vertrouwen van de mensen in de bankbiljetten in omloop dan ook niet doen wankelen.
Ook het aantal vervalste euromunten is gestegen. Dat blijkt uit het hoge aantal valse munten die in 2003 in omloop werden aangetroffen. Niettemin is het aantal valse munten erg klein in vergelijking met de 41 miljard authentieke munten die in omloop zijn en ook hier zal het vertrouwen van de mensen niet worden geschonden.
De tabellen waarin voor de eerste helft van 2003 een overzicht naar waarde wordt gegeven van de valse biljetten en munten worden het geachte parlementslid en het secretariaat van het Parlement rechtstreeks toegezonden.
Sinds de invoering van eurobankbiljetten en -munten zijn twaalf illegale drukkerijen gesloten, tien in de eurozone en twee erbuiten. Drie illegale drukkerijen die over de nodige uitrusting voor valsmunterij beschikten werden eveneens gesloten, twee in Italië en een in Portugal. In een van de illegale drukkerijen in Italië zijn meer dan 70 000 valse munten van 50 cent en de productie-installatie in beslag genomen.
In totaal zijn 1 031 personen verantwoordelijk gesteld voor de productie en/of distributie van valse eurobiljetten. Ze staan onder verdenking of onder arrest.
De bescherming van eurobankbiljetten en -munten is de taak van de bevoegde nationale autoriteiten, de Europese Centrale Bank, Europol en de Commissie.
De Commissie is bevoegd op de volgende drie terreinen:
|
— |
wetgeving, waarbij ze passende initiatieven neemt (bv. Verordening (EG) nr. 1338/2001 (1)) om biljetten en munten te beschermen en de nodige controles uitvoert. De Commissie keurde onlangs haar tweede verslag goed over de tenuitvoerlegging van het kaderbesluit van 29 mei 2000 inzake de bescherming van de euro door strafrechtelijke sancties; |
|
— |
opleiding en technische bijstand door financiering of cofinanciering van projecten ter bescherming van eurobankbiljetten en -munten in het kader van het Pericles-programma; |
|
— |
coördinatie van maatregelen van de lidstaten voor de technische bescherming van munten tegen vervalsing, waaronder het beheer van het Europees Technisch en Wetenschappelijk Centrum, dat instaat voor de analyse van valse munten. |
Om haar taken te volbrengen, werkt de Commissie nauw samen met de lidstaten en met de andere Europese instellingen en heeft ze meerdere werkgroepen opgericht.
(1) Verordening (EG) nr. 1338/2001 van de Raad van 28 juni 2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij, PB L 181 van 4.7.2001.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/197 |
(2004/C 65 E/214)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2713/03
van Kathleen Van Brempt (PSE) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Tispol-verkeerscontroles
Tispol, het Europese verkeerspolitienetwerk, organiseert regelmatig nationale verkeerscontroles op hetzelfde moment in verschillende EU-lidstaten. In een antwoord op vraag E-2276/02 (1) kondigde de Commissie acties aan voor de periode medio 2002 tot medio 2003.
Kan de Commissie al meer informatie verschaffen over de resultaten van deze Tispol-acties? Hoeveel mensen werden gecontroleerd en beboet? Wat zijn de kosten van deze controles en wat is de financiële bijdrage van de EU?
Kan de Commissie de resultaten geven van de de Tispol-acties op Belgisch grondgebied?
Hoe evalueert de Commissie de voorbije Tispol-acties en wat zijn de toekomstplannen? Volgen er de komende jaren meer Europees gecoördineerde verkeerscontroles? Zo ja, kan ze hierover wat meer informatie geven?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(21 oktober 2003)
De Commissie heeft informatie ontvangen over de resultaten van gecoördineerde Tispol-verkeerscontroles in heel Europa in de periode medio 2002-medio 2003.
Deze handhavingsacties waren toegespitst op de volgende drie gebieden: alcohol en drugs, controle van vrachtwagens en controle van bussen en touringcars.
De belangrijkste resultaten van deze acties waren de volgende:
|
— |
Alcohol- en drugscontroles: er zijn drie controles uitgevoerd, namelijk op 2 en 3 november 2002, 14 en 15 februari 2003 en 20 en 21 juli 2003. In totaal zijn 259 974 chauffeurs gecontroleerd, waarvan er 9924 op een delict zijn betrapt en zijn gearresteerd. De controles zijn uitgebreid tot drugsgebruik en daaruit voortvloeiende rijongeschiktheid omdat gebleken is dat dit een steeds groter probleem wordt. Bij de controles bleken 188 personen zich schuldig te hebben gemaakt aan drugsdelicten. Alle Tispol-lidstaten hebben aan deze acties deelgenomen (2). Tijdens deze campagne is ook aandacht besteed aan het dragen van de veiligheidsgordel en aan snelheidsovertredingen. |
|
— |
Controles op vrachtwagens: Tispol heeft in het kader van Operation Mermaid drie campagnes uitgevoerd, namelijk op 13 september 2002, 21 maart 2003 en 10 juni 2003, waarbij 120 926 commerciële voertuigen (vrachtwagens) zijn gecontroleerd. Bij deze campagnes, die in samenwerking met Euro Control Route, de Europese organisatie van handhavingsambtenaren voor de transportsector, plaatsvonden, is een grote verscheidenheid aan overtredingen geconstateerd; 46 927 chauffeurs hadden een of meer overtredingen begaan, onder andere in de sfeer van rijtijden, alcoholgebruik, snelheid, rijonbevoegdheid of -ongeschiktheid, overbelading of onveilige belading; 3232 personen werden gearresteerd. |
|
— |
Controles op bussen en touringcars: Tispol heeft in het kader van Operation Bus drie campagnes georganiseerd, namelijk op 27 augustus 2002, 10 tot en met 16 februari 2003, en 19 juli 2003. Deze waren met name gericht op het controleren van buschauffeurs die lange internationale ritten maken, aangezien uit de gepubliceerde dienstregelingen van een aantal busmaatschappijen duidelijk bleek dat de wetgeving onvermijdelijk moest worden overtreden om op tijd te kunnen rijden. De handhavings-ambtenaren controleerden 28 470 voertuigen voor passagiersvervoer en constateerden 3835 overtredingen, gaande van inbreuken op de rijtijdenregeling tot het inzetten van onveilige voertuigen. In totaal werden 138 personen gearresteerd. |
Over de resultaten voor het Belgische grondgebied zijn de volgende gegevens aan de Commissie meegedeeld: bij de alcoholcontroles zijn 4518 chauffeurs gecontroleerd en zijn naar aanleiding daarvan 225 personen gearresteerd. Bij de controles op vrachtwagens zijn 3530 voertuigen gecontroleerd en 1 195 overtredingen vastgesteld. In het kader van Operation Bus zijn 711 voertuigen gecontroleerd en 315 overtredingen geconstateerd.
Wat de kosten van deze controles betreft, verwijst de Commissie naar haar antwoord op schriftelijke vraag E-2276/02 (3) van het geachte parlementslid over hetzelfde onderwerp. Aangezien deze controles als onderdeel van de normale politietaken zijn uitgevoerd, zouden gegevens over de kosten moeten worden opgevraagd bij de politieinstanties van de deelnemende lidstaten.
Op grond van bovenvermelde resultaten concludeert de Commissie dat de Tispol-acties de verkeersveiligheid helpen verbeteren. Enerzijds wordt daardoor aangetoond dat gecoördineerde acties van handhavingsorganen uit twee of meer lidstaten een zeer efficiënt middel zijn om problemen op de door de campagnes bestreken gebieden aan het licht te brengen, en anderzijds dat deze acties een afschrikkend effect hebben op potentiële overtreders. De in het kader daarvan uitgevoerde steekproefsgewijze en onverwachte controles, in combinatie met de gerichte aanpak van deze gecoördineerde campagnes en de daardoor gegenereerde publiciteit, bieden een duidelijke meerwaarde en bevorderen de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten.
Gezien de positieve resultaten van de Tispol-acties, overweegt de Commissie wetgevingsvoorstellen ter zake te doen die naar zij hoopt onder het Italiaanse voorzitterschap zullen worden besproken.
(1) PB C 52 E van 6.3.2003, blz. 148.
(2) Deze landen zijn momenteel: België, Duitsland, Griekenland, Spanje (incl. Kanarische eilanden), Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal, Finland, Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zwitserland, Tsjechische Republiek, Slovenië en Polen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/199 |
(2004/C 65 E/215)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2717/03
van Kathleen Van Brempt (PSE) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Fietsroutenetwerken
België kent een uitgebreid fietsroutenetwerk. Heel wat van deze fietsroutes kunnen verwezenlijkt worden dankzij Europese subsidies. Graag zou ik meer informatie krijgen over de subsidies voor Belgische fietsroutes.
Kan de Commissie de bedragen van de Europese subsidies tijdens het jaar 2002 en 2003 voor Belgische fietsroutes meedelen?
Kan de Commissie meedelen welk bedrag hiervan besteed werd voor fietsroutes op het grondgebied van de provincie Antwerpen?
Kan de Commissie meedelen wat haar plannen zijn voor het toekennen van Europese gelden in 2004 en de daaropvolgende jaren? Kan zij meedelen of er geld wordt ingetrokken voor initiatieven op het grondgebied van de provincie Antwerpen?
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/199 |
(2004/C 65 E/216)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2718/03
van Anne Van Lancker (PSE) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Fietsroutenetwerken
België kent een uitgebreid toeristisch, recreatief fietsroutenetwerk. Heel wat van deze fietsroutes kunnen verwezenlijkt worden dankzij Europese subsidies. Graag zou ik meer informatie krijgen over de subsidies voor Belgische fietsroutes.
Kan de Commissie de bedragen van de Europese subsidies tijdens het jaar 2002 en 2003 voor Belgische fietsroutes meedelen?
Kan de Commissie meedelen welk bedrag hiervan besteed werd voor fietsroutes op het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen?
Kan de Commissie meedelen wat haar plannen zijn voor het toekennen van Europese gelden in 2004 en de daaropvolgende jaren? Kan zij meedelen of er geld wordt uitgetrokken voor initiatieven op het grondgebied van de provincie Oost-Vlaanderen?
Gecombineerd Antwoord
van de heer Barnier namens de Commissie
op de schritftelijke vragen E-2717/03 en E-2718/03
(10 oktober 2003)
Volgens de huidige regelgeving van het regionaal beleid, met name betreffende de cofinanciering van projecten uit middelen van de structuurfondsen, kunnen projecten uitsluitend worden geselecteerd door de beheerautoriteit van elk programma, met inachtneming van de in het programmeringsdocument en het bijbehorend complement omschreven prioriteiten en maatregelen.
Dit betekent dat de toekenning van Europese middelen uit hoofde van het structuurbeleid veeleer moet worden gezien als cofinanciering van door een lidstaat geselecteerde projecten dan een feitelijke subsidie van de Commissie.
Voor het Vlaamse Gewest werden in 2002 en 2003 projecten in verband met fietspaden goedgekeurd waarmee een bedrag van in totaal 5 582 503,81 EUR was gemoeid en waaraan het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) 1 268 302,96 EUR heeft bijgedragen.
In de provincie Antwerpen werd het project „Recreatief fietsroutenetwerk” in het gebied van de grote Nethe gecofinancierd voor een bedrag van 277 099 EUR (totale kosten 1 108 394 EUR); in de provincie Oost-Vlaanderen werd het project voor de aanpassing van het fietspad „Schaarse Wegel” in Bassevelde gecofinancierd voor een bedrag van 20 834,11 EUR (op een totaal bedrag van 83 336,40 EUR).
Mochten in de toekomst projecten worden ingediend die beantwoorden aan de doelstellingen van het programma en verband houden met fietspaden, dan zal het EFRO deze vanzelfsprekend cofinancieren met inachtneming van het in het programmacomplement vastgestelde cofinancieringspercentage.
Voor het Waalse Gewest is de beheerautoriteit van het programma Meuse-Vesdre voornemens voor de totale programmeringsperiode haar goedkeuring te hechten aan projecten die verband houden met het fietsroutenetwerk voor een totaalbedrag van 13 218 470,38 EUR, waaraan EFRO 6 654 735,19 EUR zal bijdragen.
In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tenslotte hebben de structuurfondsen noch in 2002 noch in 2003 financiële steun verleend aan projecten die verband houden met fietspaden. Gezien de beschrijving van de maatregelen in het programma ligt het niet voor de hand dat hier in de toekomst verandering in zal komen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/200 |
(2004/C 65 E/217)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2720/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Uitholling van de ambities van de Europese Unie voor een dynamische kennismaatschappij in 2010 en het daarvoor benodigde onderwijs en onderzoek als gevolg van het Stabiliteitspact
|
1. |
Kan de Commissie berichten in het Duitse dagblad „Handelsblatt” en daarna in de Nederlandse „Staatscourant” van 14 augustus 2003 bevestigen volgens welke haar lid Diamantopoulou van oordeel is dat het Europese Groei- en Stabiliteitspact in de komende jaren de budgetten voor onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in de EU-lidstaten ernstig dreigt te beperken als gevolg van de 3 % -grens voor begrotingstekorten, waardoor de in 2000 in Lissabon uitgesproken ambitie om de EU in 2010 tot de meest dynamische kennismaatschappij ter wereld te maken onuitvoerbaar wordt? |
|
2. |
Heeft de Commissie er mede kennis van genomen dat haar lid Diamantopoulou ervoor pleit om dit ernstige probleem op te lossen door overheidsinvesteringen in onderwijs en onderzoek niet meer mee te tellen bij de toepassing van de in het Stabiliteitspact gestelde grenzen? |
|
3. |
Kan de Commissie bevestigen dat er een vrijwel onoplosbare situatie dreigt te ontstaan nu Duitsland, Frankrijk, Italië en Portugal voor langere tijd niet aan de 3 % -norm lijken te kunnen voldoen, nieuwe lidstaten met een zwakke begrotingspositie toetreden en de zware boetes die moeten worden opgelegd aan overtreders de situatie nog verder dreigen te verergeren? |
|
4. |
Is de Commissie het met haar commissaris Diamantopoulou eens dat thans niemand het noodzakelijke initiatief durft te nemen om het onwerkbaar geworden dogma van 3 % tijdig te hervormen en dat daardoor lidstaten overgaan tot eenzijdige acties ten nadele van de economie van de EU? |
|
5. |
Gebruikt de Commissie zelf haar recht van initiatief om deze vastgelopen situatie te doorbreken, of wacht zij op initiatieven van het Italiaanse voorzitterschap of volgende voorzitterschappen van de Raad? |
|
6. |
Hoelang gaat het naar verwachting nog duren voordat de dringend noodzakelijke wijzigingen van het Stabiliteitspact, bijv. door middel van de methode-Diamantopoulou, daadwerkelijk tot stand komen? |
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(5 november 2003)
|
1. |
De Commissie is van oordeel dat de lidstaten de kwaliteit van hun uitgaven moeten verhogen om de toegezegde investeringen in onderzoek en onderwijs te realiseren binnen de grenzen van het Stabiliteits- en groeipact. |
|
2. |
De Commissie is zich bewust van het persoonlijk standpunt van het Commissielid verantwoordelijk voor werkgelegenheid en sociale zaken. Volgens de Commissie zou het buiten beschouwing laten van een specifieke uitgavencategorie bij de toepassing van de in het pact vastgestelde grenzen evenwel niet stroken met de bestaande regelgeving. Het zou ook op economische gronden niet gerechtvaardigd zijn aangezien alle uitgaven hoe dan ook moeten worden gefinancierd. De niet-toepassing van de begrotingsregels van de Unie op één of meerdere uitgavencategorieën zou tot hogere tekorten leiden en aldus de houdbaarheid van de overheidsfinanciën in het gedrang brengen. Alle lidstaten worden immers met enorme uitdagingen geconfronteerd als gevolg van de verouderende bevolking, waardoor het van cruciaal belang is de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te waarborgen. Bovendien zou elke beslissing over mogelijke prioritaire uitgavencategorieën schadelijk kunnen blijken voor andere uitgaven die evenzeer tot de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon kunnen bijdragen. |
|
3. |
De verslechtering van de begrotingssituatie is tot op zekere hoogte het gevolg van de huidige zwakke economische situatie. Het groeitempo van het bruto binnenlands product (BBP) is trager uitgevallen dan in het voorjaar werd verwacht en diverse landen van de eurozone bevonden zich technisch gesproken in een recessie. De ontsporing is echter ook grotendeels toe te schrijven aan het feit dat in het verleden een laks beleid is gevoerd of dat tekortverhogende maatregelen zijn genomen. Bijzonder zorgwekkend is de situatie in de drie lidstaten waartegen een procedure bij buitensporige tekorten is ingeleid. De Raad heeft overeenkomstig artikel 107, lid 4, aanbevelingen gericht tot Duitsland, Frankrijk en Portugal. In deze aanbevelingen werden uiterste termijnen vastgesteld voor het nemen van corrigerende maatregelen en een termijn voor het wegwerken van het buitensporige tekort van Portugal voor 2003 en de buitensporige tekorten van Duitsland en Frankrijk voor 2004. De Commissie dient de situatie in Duitsland en Portugal te beoordelen op grond van de recentste gegevens over de begrotingsresultaten voor 2003 en de begrotingen voor 2004. De uiterste datum waarop Frankrijk volgens de overeenkomstig artikel 104, lid 7, door de Raad gedane aanbeveling effectieve corrigerende maatregelen diende te nemen, was 3 oktober 2003. Op basis van de aanbeveling van de Commissie van 8 oktober 2003 moet de Raad thans uitmaken of Frankrijk uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomstig artikel 107, lid 7, door hem gedane aanbeveling. Indien de Raad tot de bevinding komt dat er aan zijn aanbevelingen geen effectief gevolg is gegeven, kan hij besluiten de betrokken lidstaat aan te manen (artikel 104, lid 9) binnen een voorgeschreven termijn maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die de Raad nodig acht om de situatie te verhelpen. In dat geval kan de Raad de betrokken lidstaat verzoeken verslag uit te brengen, teneinde na te gaan welke aanpassingsmaatregelen die lidstaat heeft getroffen. Indien een lidstaat zich niet voegt naar de overeenkomstig artikel 104, lid 9, door de Raad gedane aanbevelingen, kan de Raad sancties opleggen (artikel 104, lid 11). In dat geval zal de sanctie bestaan in het verlangen van een niet-rentedragend deposito. De omvang van dit deposito is vastgelegd bij artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad (1) over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten. Uit financieel oogpunt kan een dergelijk deposito niet als een zware sanctie worden aangemerkt. Het zou immers pas na twee jaar in een boete worden omgezet indien het tekort niet is gecorrigeerd. Zoals uit het bovenstaande kan worden afgeleid, worden niet onmiddellijk sancties opgelegd zodra een lidstaat een tekort van meer dan 3 % van het BBP boekt. Het EG-Verdrag bepaalt immers dat er tussen de Raad en de betrokken lidstaat een interactie plaatsvindt waarbij de lidstaat ruim voldoende tijd krijgt om het tekort te corrigeren. Het EG-Verdrag voorziet in een alsmaar grotere „peer pressure” door de Raad om de betrokken lidstaat ertoe aan te zetten het tekort terug te dringen tot onder de referentiewaarde van 3 % van het BBP. Wat de toetreding van de nieuwe lidstaten tot de Unie betreft, zij erop gewezen dat achter geaggregeerde gegevens veelal enorme verschillen tussen de begrotingssituaties in de individuele landen schuilgaan. In 2001 werd de zogeheten procedure voor het begrotingstoezicht in de pretoetredingsfase ingesteld om de kandidaat-lidstaten voor te bereiden op de deelneming aan de multilaterale toezichtprocedures die momenteel in de Unie bestaan. De meeste toetredingslanden zijn voornemens hun begrotingstekort op middellange termijn te reduceren: in de pretoetredingsprogramma's op economisch gebied wordt uitgegaan van een vermindering van het gezamenlijke tekort voor de toetredingslanden van 3,8 % van het BBP in 2001 tot 2,7 % van het BBP in 2005. Vermeldenswaard is ook dat de gemiddelde overheidsschuld van de toetredingslanden met 36,9 % van het BBP in 2001 lager ligt dan die van de huidige lidstaten (62,8 % van het BBP in 2001). |
|
4. |
Volgens de Commissie blijven de begrotingsdoelstellingen en -regels van het EG-Verdrag en het stabiliteits- en groeipact onverkort gelden. Een begrotingssituatie die „vrijwel in evenwicht is of een overschot vertoont”, verschaft immers een adequaat kader voor een prudent begrotingsbeheer dat in het economisch eigenbelang is van alle landen. De doelstelling van een begroting die „vrijwel in evenwicht is of een overschot vertoont”, laat tevens voldoende ruimte voor de volledige werking van de automatische stabilisatoren om conjunctuurverzwakkingen en de budgettaire gevolgen van verregaande hervormingen op te vangen. Het is ook een adequate middellange- en langetermijndoelstelling in het licht van de hoge schuldniveaus in vele landen, de aanzienlijke latente verplichtingen van de overheid en de vergrijzing van de bevolking die tot hogere uitgaven voor pensioenen en gezondheidszorg zal leiden. Aan al deze uitdagingen kan alleen het hoofd worden geboden indien de landen volgehouden inspanningen leveren om de overheidsschuld in de komende tien jaar terug te dringen. Voorts zijn de Commissie en de Raad het erover eens dat zowel de openbare als de particulier sector moet meewerken aan de realisatie van de doelstellingen van Lissabon. Wat de openbare financiën betreft, kunnen regeringen bijdragen door overheidsgelden zo efficiënt mogelijk te besteden, door overheidsuitgaven te heroriënteren naar groeibevorderende kosteneffectieve uitgaven met inachtneming van de algemene budgettaire beperkingen, en door overheidssteun meer als hefboom voor particuliere investeringen te gebruiken. Dit is de redenering achter richtsnoer nr. 14 van de op 26 juni 2003 door de Raad aangenomen globale richtsnoeren voor het economisch beleid. Een van de diverse wijzen waarop de openbare sector in het kader van dit richtsnoer haar bijdrage tot de groei dient te verhogen is door „de overheidsuitgaven — met inachtneming van de algemene budgettaire beperkingen — om te buigen naar kosteneffectieve groeibevorderende investeringen in materieel en menselijk kapitaal en in kennis” (2). |
|
5. |
De Commissie heeft actie ondernomen om het kader voor het voeren van het begrotingsbeleid in de economische en monetaire unie (EMU) te verbeteren in het licht van de ervaring die in de eerste vier jaar van het bestaan van de EMU is opgedaan. Op 27 november 2002 heeft zij haar goedkeuring gehecht aan een mededeling over de verbetering van de coördinatie van het begrotingsbeleid (3). In deze mededeling worden concrete voorstellen gedaan om bij de evaluatie van de begrotingssituaties beter met de conjunctuurcyclus rekening te houden, het voeren van een procyclisch begrotingsbeleid in goede tijden te vermijden, de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te verzekeren, erop toe te zien dat de overheidsfinanciën een grotere bijdrage leveren tot groei en werkgelegenheid, en een betere handhaving van de regels te bewerkstelligen. De Raad (Ecofin) deelde grotendeels de mening van de Commissie en was het met haar eens dat het bestaande rechtskader geen wijziging behoeft en dat eventueel verbeteringen kunnen worden aangebracht om een doelmatige toepassing van de regels te waarborgen. De overeengekomen aanpak wordt thans door zowel de Commissie als de Raad ten uitvoer gelegd. |
|
6. |
De Commissie verwijst het geachte parlementslid naar de bovenstaande antwoorden. |
(1) Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten, PB L 209 van 2.8.1997.
(2) Deze boodschap werd met name benadrukt in de mededeling van de Commissie van 10 januari 2003 met als titel „Doeltreffend investeren in onderwijs en opleiding: een vereiste voor Europa”.
(3) COM(2002) 668 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/202 |
(2004/C 65 E/218)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2728/03
van Ewa Hedkvist Petersen (PSE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Norrbottniaspoorweg
Uit het op 30 juni van dit jaar gepresenteerde werkstuk van de werkgroep op hoog niveau blijkt dat geen van de TEN-T-infrastructuurprojecten waaraan voorrang wordt verleend zich in het meest noordelijke deel van Zweden bevinden. Het project Norrbottniaspoorweg is een „ontbrekende schakel” en een grensoverschrijdend project dat van betekenis is voor de lidstaten Zweden en Finland en eveneens voor derde landen zoals Noorwegen en Rusland. De afstanden in Noord-Europa zijn lang en veelal zijn er geen alternatieve soorten vervoer en routes beschikbaar. Daardoor is de industrie gevoeliger voor storingen dan in Midden-Europa, waar op transportgebied andere mogelijkheden bestaan.
Het is van belang erop toe te zien dat de TEN-T-korridors ook het noorden van Zweden en Finland omvatten. Een goede infrastructuur maakt ontwikkeling in de hele Unie mogelijk en het is voor industrie en samenleving van belang te kunnen beschikken over goede verbindingen met de hele Unie en met het gebied van de Barenszee. Door de Norrbottniaspoorweg moet de mobiliteit tussen de lidstaten dan ook worden vergemakkelijkt en de samenleving worden geconsolideerd.
Is het denkbaar dat de Commissie van de Norrbottniaspoorweg één van de TEN-T-projecten maakt waaraan voorrang wordt gegeven?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(6 oktober 2003)
De Groep op hoog niveau inzake het trans-Europees vervoersnet kreeg van de Commissie de opdracht om voor de zomer van 2003 de prioritaire projecten voor het trans-Europees vervoersnet tot 2020 te bepalen op basis van de voorstellen van lidstaten en kandidaat-lidstaten.
Het verslag kan op internet worden geraadpleegd: [http://europa.eu.int/comm/ten/transport/revision/hlg/2003_report_kvm_en.pdf].
Deze oefening maakt deel uit van een bredere herziening van de Gemeenschapsrichtsnoeren voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnet. De Groep op hoog niveau, die door de heer Karel Van Miert werd voorgezeten, bestond uit één vertegenwoordiger per lidstaat, één waarnemer per kandidaatlidstaat en een waarnemer van de Europese Investeringsbank.
Uit de voorstellen van de huidige en toekomstige lidstaten heeft de groep nieuwe prioritaire projecten geselecteerd die voor 2020 moeten worden uitgevoerd.
De voornaamste criteria die de groep bij de selectie van de projecten hanteerde, waren onder meer: behoort het project tot een belangrijke verbindingsas van het trans-Europees vervoersnet of overbrugt het natuurlijke barrières; biedt het project een oplossing voor verkeersknelpunten of ontbrekende schakels in het vervoersnet; ook de mogelijke economische haalbaarheid en andere sociaal-economische voordelen werden in overweging genomen. In een tweede fase onderzocht de groep de Europese toegevoegde waarde van het project, de versterking van de samenhang en de bijdrage tot duurzame ontwikkeling.
Het verslag van de Groep op hoog niveau vermeldt de spoorweglijn in de Zweedse regio Norrbotten niet.
Wat Zweden en Finland betreft, heeft de Groep op hoog niveau wel bevestigd dat aan de projecten met betrekking tot de corridors in de Noordse driehoek prioriteit wordt verleend. Bovendien is het voorstel tot ontwikkeling van zeeroutes een nieuw concept dat kan helpen om knelpunten te omzeilen of om de verbindingen met de perifere gebieden en eilanden van de Unie te verbeteren. In een aantal gevallen kan het een echt concurrerend alternatief vormen voor het vervoer over land, met name in het Baltische-Zeegebied.
De Commissie werkt momenteel aan een voorstel voor de herziening van de richtsnoeren inzake het trans-Europees vervoersnet op basis van de werkzaamheden en bevindingen van de Groep op hoog niveau.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/203 |
(2004/C 65 E/219)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2729/03
van Toine Manders (ELDR) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Onjuist invoeren aangepast statiegeldsysteem Duitsland
Naar aanleiding van de eerder gestelde vraag inzake het onjuist invoeren van het statiegeldsysteem in Duitsland (E-1549/03 (1)) en het antwoord van Commissaris Wallström namens de Commissie van 3 juli 2003, wil ik graag in aansluiting daarop het volgende onder uw aandacht brengen.
De Duitse regering heeft de Europese Commissie op haar eerdere vragen geantwoord dat er per 1 oktober 2003 een nationaal inzamel- en verrekensysteem in Duitsland operationeel zal zijn, zodat de huidige exportblokkade voor eenmalige verpakkingen vanzelf zal verdwijnen. In de tussentijd zegt de regering zogenaamde „eilandoplossingen” te accepteren: Als een verpakking voldoende afwijkend is van de ander, kan toestemming worden verleend voor een „eilandoplossing” voor de verpakking gekoppeld aan een specifieke winkelketen. Bij aankoop van een verpakking verkrijgt de consument een statiegeldbonnetje, dat slechts bij de winkel van aankoop weer ingeleverd kan worden. Deze oplossing, gebonden aan diverse onduidelijke criteria vormt geen reële optie voor producenten, noch importeurs. Voor blikjes wordt tot nu toe zelfs helemaal geen toestemming gegeven voor een dergelijke eilandoplossing.
Als gevolg hiervan is de export naar Duitsland vanuit Nederland, Frankrijk, Oostenrijk en Luxemburg van frisdranken en waters en voor een gedeelte van het bier, volledig stil gevallen, met desastreuze economische gevolgen voor de sector van dien. Door middel van het huidige in Duitsland gehanteerde Groene Punt-systeem wordt al zo'n 80 à 90 % van de verpakkingen efficiënt gerecycled. Deze nieuwe maatregel lijkt derhalve te worden ingevoerd teneinde de eigen markt te beschermen, waardoor de werking van de interne markt wordt gefrustreerd.
|
1. |
Is de Commissie bereid om met een voorstel te komen voor een Europees werkend systeem voor inzameling en statiegeldverrekening voor eenmalige verpakkingen dat zal bijdragen tot een verdere vervolmaking van de interne markt zonder handelsbelemmeringen? Zo ja, op welke termijn denkt de Commissie een dergelijk voorstel te presenteren? Zo nee, waarom is de Commissie van mening dat daarvan moet worden afgezien? |
|
2. |
Is de Commissie bereid om, indien geen afdoende Europees cq landelijk systeem voor inzameling en statiegeldverrekening kan worden gerealiseerd, de Duitse regering te verplichten om het op 1 januari 2003 gestarte statiegeldsysteem voor eenmalige verpakkingen af te schaffen en wederom het goed functionerende Groene Punt-systeem te hanteren? Zo nee, waarom is de Commissie van mening dat hiervan moet worden afgezien? |
|
3. |
Is de Commissie bereid om, indien het antwoord en de medewerking van de Duitse regering niet bevredigend zijn, op kortere termijn dan 1 oktober 2003 een inbreukprocedure te starten, mede gezien de urgentie van de zaak en de daarmee gemoeide economische belangen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet? |
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(17 oktober 2003)
De oprichting van een Europees statiegeld- en inzamelsysteem is geen doelstelling van Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (2) of van de voorgestelde herziening daarvan (3). De communautaire wetgeving behelst algemene doelstellingen waaraan de lidstaten moeten voldoen. Binnen dit kader is het aan de lidstaten om te bepalen hoe zij deze doelstellingen het best kunnen behalen, met inachtneming van de communautaire wetgeving, met name die inzake de interne markt en de mededinging. Bijgevolg overweegt de Commissie momenteel niet om een dergelijk systeem op communautaire schaal in te voeren.
Het standpunt van de Commissie over het Duitse statiegeldsysteem is uiteengezet in haar antwoord van 3 juli 2003 op schriftelijke vraag E-1549/03 (4) van het geachte parlementslid en van 29 augustus 2003 op schriftelijke vraag E-2519/03 van Mevr. Oomen-Ruijten en Mevr. Grossetête (5). In Duitsland worden momenteel maatregelen voorbereid met het oog op de invoering van een inzamel- en verrekensysteem voor eenmalige verpakkingen die onder het huidige Duitse statiegeldsysteem vallen. De Commissie kijkt toe op dit proces en zal niet aarzelen passende maatregelen te treffen om de naleving van de communautaire wetgeving te waarborgen.
(1) PB C 11 E van 15.1.2004, blz. 192.
(4) PB C 11 E van 15.1.2004, blz. 192.
(5) PB C 33 E van 6.2.2004, blz. 267.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/205 |
(2004/C 65 E/220)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2730/03
van Herbert Bösch (PSE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Naleving van de Europese bepalingen bij de privatisering van het VOEST-concern in Oostenrijk
Volgens berichten in de media zouden er bij de aanstaande privatisering van het VOEST-concern via de beurs afspraken zijn gemaakt met afzonderlijke belanghebbenden. In het Oostenrijkse dagblad „Der Standard” van 1 september 2003 wordt gemeld dat er een „geheime bijeenkomst” zal plaatsvinden van de huidige Oostenrijkse VOEST-aandeelhouders om ervoor te zorgen dat zij bij de verkoop van de aandelen maximale aandelenpakketten krijgen toegewezen. Voor deze bijeenkomst zou o.a. het bestuur van de Weense aandelenbeurs, bankiers, de VOEST-directie, de VOEST-ondernemingsraad, alsmede politici uit Oberösterreich zijn uitgenodigd.
Zijn dergelijke interne afspraken voorafgaand aan een privatisering van een publiekrechtelijke onderneming via de beurs in overeenstemming met het Europees recht?
Zo neen, welke maatregelen overweegt de Europese Commissie dan te treffen?
Voorziet het EU-recht in regelingen die beletten dat een publiekrechtelijke onderneming beneden de waarde van de onderneming -en dus ten nadele van de gemeenschap- wordt verkocht?
Bestaat er op EU-niveau een juridisch kader dat bindend is voor Oostenrijk wanneer het het VOEST-concern of andere publiekrechtelijke ondernemingen wenst te privatiseren?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(23 oktober 2003)
De Commissie beschikt niet over voldoende gegevens om de vraag van het geachte parlementslid naar behoren te beantwoorden. Bij gebrek aan precieze aanduidingen en erkende feiten die de Commissie in staat stellen het nodige onderzoek in te stellen naar een eventuele niet-naleving van het Gemeenschapsrecht inzake beurstransacties en het Gemeenschapsrecht inzake mededinging, betreurt de Commissie voor het ogenblik niet op de eerste en de derde vraag te kunnen antwoorden. Daarom verzoekt zij het geachte parlementslid haar de informatie toe te zenden waarover het in dit verband beschikt.
De Commissie kan de tweede vraag niet beantwoorden omdat een antwoord op de eerste vraag niet mogelijk is.
Wat de vierde vraag betreft, laat artikel 295 van het EG-Verdrag aan de lidstaten de mogelijkheid om te bepalen of een gegeven onderneming onder de openbare sector dan wel de particuliere sector valt.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/205 |
(2004/C 65 E/221)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2738/03
van Glyn Ford (PSE) aan de Commissie
(11 september 2003)
Betreft: Doorreisvisa in de Europese Unie
Is de Commissie op de hoogte van het feit dat sommige lidstaten een nieuwe praktijk toepassen, door te eisen dat reizigers die niet op hun grondgebied halt houden, een doorreisvisum kopen van veertig GBP? Kan de Commissie mededelen of zij niet van mening is dat deze heffing (a) geheel ongerechtvaardigd is en (b) dreigt het reispatroon van de reizigers te veranderen, doordat deze bij hun verplaatsingen in de EU deze lidstaten zullen vermijden?
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(20 oktober 2003)
De Commissie is niet op de hoogte van de feiten waarnaar het geachte parlementslid verwijst. Aangezien de Commissie niet over de nodige informatie beschikt om dit probleem te onderzoeken, betreurt zij het dat zij deze vraag momenteel niet kan beantwoorden.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/206 |
(2004/C 65 E/222)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2749/03
van Jan Dhaene (PSE) aan de Commissie
(15 september 2003)
Betreft: Terugbetaling Duitse „LKW-maut” door regering van het Vlaamse Gewest
De regering van het Vlaamse Gewest heeft een compensatie gepland voor vrachtrijders die op Duitsland rijden. Er wordt een deel van de kosten van het eurovignet teruggestort. Voor vrachtrijders die kunnen aantonen dat ze minstens dertig dan wel zestig dagen op het Duitse wegennet hebben gereden, volgt een teruggave van 1/12 of 2/12 van de prijs van het eurovignet. Deze korting komt bovenop de bestaande regeling van teruggave van 2/12 op het eurovignet. In de praktijk wil dit dus zeggen dat sommige Vlaamse vrachtvervoerders 1/3 van de kosten van het eurovignet recupereren. Daarnaast adviseert de Belgische Federatie van Transporteurs Febetra zijn leden om de LKW-maut door te rekenen aan klanten.
Is de terugbetaling door het Vlaams Gewest van een deel van het eurovignet legaal binnen het Europees recht?
Schept deze vergoeding geen precedent: kunnen lidstaten vergoedingen uitkeren aan inwoners of rechtspersonen voor het betalen van milieubelastingen die in andere lidstaten geheven worden?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(21 oktober 2003)
De Commissie beschikt niet over informatie betreffende een plan van de regering van het Vlaamse Gewest om een deel van de heffing te vergoeden die wordt betaald door vrachtvervoerders die gebruik maken van de Duitse autowegen.
Wat het principe betreft, kan de Commissie zich alleen uitspreken over de vraag of vergoeding van in een lidstaat betaalde gebruiksrechten in overeenstemming is met het Europees recht indien zij over gedetailleerde gegevens beschikt. Een dergelijke maatregel loopt in ieder geval het risico te worden aangemerkt als staatsteun in de zin van artikel 87 van het EG-Verdrag, aangezien deze met staatsmiddelen wordt bekostigd en daarbij bepaalde ondernemingen worden begunstigd, waardoor de maatregel kan dreigen de concurrentie te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig te beïnvloeden. Elke lidstaat dient de Commissie te gelegener tijd in kennis te stellen van elke nieuwe steunmaatregel en de Commissie beoordeelt in voorkomend geval of deze verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/206 |
(2004/C 65 E/223)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2750/03
van Jan Dhaene (PSE) aan de Commissie
(15 september 2003)
Betreft: Fietsen als bagage op internationale treinen
Tijdens mijn vakantie ervaarde ik dat het problematisch is om mijn fiets mee te nemen op internationale treinen en op TGV's. Op heel wat internationale treinen is het vervoer van fietsen niet meer toegestaan. Enkele van deze lijnen zijn zelfs gecofinancieerd door de EU in het kader van het TENs-T-programma.
Heeft de Commissie plannen voor een inpassing van de voorwaarde van intermodaliteit en toegankelijkheid van fietsen tot treinen op het TENs-netwerk?
De Commissie werkt momenteel samen met de aanbieders van personenvervoer per spoor aan een handvest voor rechten van de reiziger. Is toegankelijkheid van fietsen tot het spoorvervoer hierin een thema?
Antwoord van mevrouw de Palacio namens de Commissie
(21 oktober 2003)
De Commissie heeft geen plannen om in haar besluiten of haar voorstel inzake richtsnoeren voor de trans-Europese netwerken (TEN) als voorwaarde op te nemen dat treinexploitanten het vervoer van fietsen op internationale trajecten moeten toestaan, aangezien het hier financieringsbesluiten betreft die betrekking hebben op investeringen in de spoorweginfrastructuur en niet op de dienstverlening op het TEN-netwerk.
De Community of European Railways heeft een handvest voor passagiersdiensten ontwikkeld dat zij heeft besproken met de representatieve consumenten- en passagiersorganisaties. In dit handvest wordt echter alleen aandacht besteed aan het aspect beschikbaarheid van informatie over treinen — en ook andere vervoermiddelen — waarop fietsen kunnen worden meegenomen. Overeenkomstig haar werkprogramma voor 2003 werkt de Commissie aan een verordening over de rechten en verplichtingen van passagiers op internationale spoorverbindingen; daarin zullen verschillende aspecten worden geregeld, onder andere de verplichting voor spoorwegmaatschappijen om van tevoren reisinformatie te verstrekken, onder andere over de mogelijkheid fietsen op de trein mee te nemen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/207 |
(2004/C 65 E/224)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2752/03
van Kathalijne Buitenweg (Verts/ALE) en Joost Lagendijk (Verts/ALE) aan de Commissie
(15 september 2003)
Betreft: Associatie-overeenkomst EEG-Turkije — Nederlandse verhoging leges verblijfsvergunningen
|
|
12 jaar en ouder |
jonger dan 12 jaar |
||||
|
oud |
1/5/02 |
1/1/03 |
oud |
1/5/02 |
1/1/03 |
|
|
Verblijfsvergunning voor bepaalde tijd |
56,72 |
258 |
430 |
22,69 |
169 |
285 |
|
Verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd |
226,89 |
539 |
890 |
n.v.t. |
n.v.t. |
n.v.t. |
|
Wijziging verblijfsvergunning |
0 |
258 |
430 |
0 |
169 |
285 |
|
Verlenging verblijfsvergunning |
0 |
169 |
285 |
0 |
169 |
285 |
|
Aanvraag toetsing gemeenschapsrecht Europese Unie |
15,88 |
26 |
28 |
15,88 |
26 |
28 |
Zoals uit bovenstaande tabel blijkt, zijn in het afgelopen jaar de Nederlandse leges voor het verlenen, verlengen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor niet EU-onderdanen tot tweemaal toe ingrijpend verhoogd. Deze stijging treft dus ook migranten met de Turkse nationaliteit. Door de legesverhogingen wordt het voor burgers van Turkse nationaliteit die als werknemer, zelfstandige of dienstverlener in Nederland willen werken moeilijker om dat doel te verwezenlijken. Artikel 41 lid 1 Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG/Turkije en artikel 13 van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije verbieden het invoeren van respectievelijk „nieuwe beperkingen met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten” en „nieuwe beperkingen met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn”.
|
1. |
Sluit de Commissie uit dat de legesverhoging in de mate zoals deze bij de laatste twee verhogingen heeft plaatsgevonden een „nieuwe beperking” vormt zoals door de artikel 41 lid 1 Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG/Turkije en artikel 13 van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije wordt verboden? |
|
2. |
Zo nee, is de Commissie voornemens actie te ondernemen, bijvoorbeeld door een onderzoek in te stellen om duidelijkheid te krijgen over de verenigbaarheid van de legesverhogingen met de onder 1 genoemde bepalingen? |
|
3. |
Heeft de Commissie van Turkse zijde opmerkingen gekregen/met de Turkse autoriteiten overleg gevoerd over de Nederlandse legesverhogingen in relatie tot de Associatieovereenkomst? |
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(30 oktober 2003)
De Commissie is op de hoogte van de Nederlandse legesverhogingen voor verblijfsvergunningen, aangekaart door het geachte parlementslid. Om vast te stellen of die een nieuwe beperking vormen in de zin van de Associatieovereenkomst EEG/Turkije, zal de Commissie Nederland schriftelijk om nadere gegevens verzoeken.
De Commissie heeft hierover nog geen opmerkingen ontvangen van Turkije.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/208 |
(2004/C 65 E/225)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2756/03
van Marjo Matikainen-Kallström (PPE-DE) aan de Commissie
(15 september 2003)
Betreft: Gegevens van passagiers op vluchten tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten
De EU heeft besloten om aan de VS de gegevens van passagiers op vluchten van de EU naar de VS te verstrekken. Deze gegevens zijn zo gedetailleerd dat ze zelfs creditcardnummers omvatten.
Verlangt de EU op haar beurt van de VS dezelfde gegevens van passagiers op vluchten naar de EU? Indien dit niet het geval is, waarom verlangt de EU dan niet dezelfde informatie van de VS als dit land van de EU verlangt? Is de EU voornemens om passagiersgegevens te vragen die net zo gedetailleerd zijn als de gegevens waar de VS om verzoeken?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(18 november 2003)
De Commissie heeft niet besloten dat gegevens van passagiers aan de Verenigde Staten verstrekt mogen worden. In werkelijkheid hebben de Amerikaanse autoriteiten luchtvaartmaatschappijen die van, naar en over de Verenigde Staten vliegen eenzijdig de verplichting opgelegd toegang te verlenen tot PNR-informatie (Passenger Name Record), die waarschijnlijk persoonlijke gegevens bevat van passagiers alsmede gegevens over de reservering en de vlucht.
De Commissie is van mening dat deze verplichting mogelijk in strijd is met de EG-voorschriften inzake gegevensbescherming. Zij pleegt overleg met de bevoegde autoriteiten van de VS om tot een oplossing te komen die volledig strookt met zowel het Amerikaanse als het communautaire recht en het legitieme streven van de VS om terrorisme te bestrijden — een streven waar de Unie volledig achter staat — verenigbaar maakt met de noodzaak de grondrechten van de burgers, met inbegrip van hun persoonlijke gegevens, te beschermen.
Tijdens het overleg met de Amerikaanse autoriteiten heeft de Commissie erop gewezen dat zij bepaalde aspecten van het Amerikaanse verzoek om toegang tot passagiersgegevens in de huidige bewoordingen buiten proporties acht. Ook het Parlement en sommige nationale gegevensbeschermingsinstanties in de lidstaten zijn deze mening toegedaan.
Er zijn momenteel gesprekken gaande tussen de Commissie en de lidstaten om vast te stellen hoe bij de bestrijding van het terrorisme op een correcte manier gebruik kan worden gemaakt van PNR-data en wat daarbij de grenzen zijn. De Commissie heeft in haar overleg met de Amerikaanse autoriteiten bij voortduring aangedrongen op eerbiediging van het beginsel van wederkerigheid.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/209 |
(2004/C 65 E/226)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2758/03
van Werner Langen (PPE-DE) aan de Commissie
(10 september 2003)
Betreft: Inwerkingtreding van de generieke vrijstellingsverordening voor autodealers
Op 1 oktober 2003 komt er een einde aan de overgangstermijn van de nieuwe generieke vrijstellingsverordening voor de automobielsector. Enkele automobielfabrikanten hebben alle contracten met hun handelaars opgezegd en willen nieuwe contracten met hen afsluiten. Volgens de beschikbare informatie is het overwegende aantal van de ontwerpcontracten zo opgesteld dat ze diametraal ingaan tegen de bedoelingen van de generieke vrij stellingsverordening. Het doel was te zorgen voor een liberalisering van de autohandel en zo „de positie van de handelaars en werkplaatsen (te) versterken en hen in staat (te) stellen hun activiteiten in het belang van de consumenten uit te breiden” (persbericht van de Commissie van 25 juli 2003 — IP/03/1117). Uit verklaringen van een groot aantal handelaarsorganisaties blijkt echter dat het tegenovergestelde het geval is. Door verregaande regelingen, normen en voorschriften wordt geprobeerd de concurrentie te beperken en ad absurdum tegen de liberaliseringseffecten in te gaan.
Kan de Commissie daarom de volgende vragen beantwoorden:
|
1. |
Is zij op de hoogte van de inhoud van de ontwerpcontracten van de diverse automobielfabrikanten en hoe beoordeelt zij de ontwikkeling in de autodealersystemen tegen de achtergrond van het aflopen van de overgangstermijn op 1 oktober 2003? |
|
2. |
Over welke mogelijkheden beschikt de Commissie om verkeerde ontwikkelingen die in strijd zijn met de doelen van de generieke vrijstellingsverordening voor de automobielsector tegen te werken? |
|
3. |
Welke maatregelen denkt de Commissie te nemen wanneer zij tot de conclusie komt dat de positie van de handelaars en werkplaatsen niet wordt versterkt en de bedrijfsactiviteiten niet ten voordele van de consument worden uitgebreid? |
|
4. |
Hoe denkt de Commissie verder te handelen in verband met de omzetting van de verordening en de controle op de omzettingsmaatregelen om de doelen van de generieke vrijstellingsverordening voor de automobielsector te bereiken, en denkt zij er eventueel ook over na de verordening in te trekken en de dealersystemen geheel vrij te geven? |
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(14 oktober 2003)
|
1. |
De Commissie heeft een aantal contracten onderzocht die ze van belanghebbende derden had gekregen. Sommige van die contracten bleken problemen op te leveren en daarom heeft de Commissie maatregelen getroffen om ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe regels. |
|
2. |
De Commissie ziet er op toe dat de overschakeling van het oude kader — zoals vastgelegd bij Verordening (EG) nr. 1475/95 van de Commissie van 28 juni 1995 betreffende de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen afzet- en klantenserviceovereenkomsten inzake motorvoertuigen (1) — naar het nieuwe beleid, vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1400/2002 van de Commissie van 31 juli 2002 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector (2), zo vlot mogelijk verloopt. In september 2002 heeft de Commissie een verklarende brochure uitgebracht om de belanghebbenden duidelijk te maken wat hun plichten zijn overeenkomstig de nieuwe regels. Bovendien is de Commissie altijd bereid geweest dealers, reparateurs en fabrikanten advies te verlenen in verband met de nieuwe verordening, en waar nodig heeft ze ingegrepen om ervoor te zorgen dat overeenkomsten worden aangepast aan de concurrentieregels. |
|
3. |
Momenteel is het nog te vroeg om uit te maken of de verordening de positie van dealers en reparateurs heeft versterkt. De verordening betekent een belangrijke verandering en de sector zal duidelijk tijd nodig hebben om zijn manier van zakendoen aan te passen aan de vrijheid die de nieuwe regels bieden. |
|
4. |
De Commissie zal haar onderzoeksbevoegdheid verder uitoefenen en zal regelmatig contact houden met ondernemers uit de sector om ook na de overgangsperiode die op 1 oktober 2003 is afgelopen, de situatie te blijven volgen overeenkomstig artikel 11 van de verordening. Wanneer zij op de hoogte wordt gebracht van misbruiken of praktijken die niet stroken met de nieuwe regels, zal de Commissie gepaste maatregelen treffen, zo nodig in samenwerking met de betrokken partijen. De Commissie wil hier ook benadrukken dat zij geen plannen heeft om Verordening (EG) nr. 1400/2002 te herroepen, of zelfs buiten werking te stellen of het voordeel ervan in te trekken. Volgens de Commissie is namelijk niet voldaan aan de voorwaarden voor intrekking of niet-toepassing, die zijn bepaald in artikel 6 en 7 van de verordening. De Commissie wijst het geachte parlementslid er ook op dat als Verordening (EG) nr. 1400/2002 zou worden ingetrokken, de algemene groepsvrijstelling die van toepassing is op verticale overeenkomsten (Verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen (3)) automatisch van toepassing zou worden op de afzet en de reparatie van motorvoertuigen. Die verordening biedt dealers en reparateurs meer garanties dan Verordening (EG) nr. 1400/2002. Zij bevat namelijk geen bepalingen inzake de minimumopzegtermijn voor overeenkomsten die met de dealer worden gesloten, verbiedt dealers de aftersales service uit te besteden, zorgt ervoor dat fabrikanten aan dealers daadwerkelijk kunnen verbieden merken van concurrerende leveranciers te verkopen, ontzegt de onafhankelijke reparateurs de toegang tot de technische informatie die ze nodig hebben om moderne voertuigen efficiënt en veilig te repareren. Als Verordening (EG) nr. 1400/2002 of Verordening (EG) nr. 2790/1999 niet van toepassing zou zijn op de sector van de motorvoertuigen, dan zouden dealers, fabrikanten en reparateurs veel minder rechtszekerheid hebben betreffende de verenigbaarheid van hun overeenkomsten met de concurrentieregels. Bijgevolg is de Commissie van mening dat een groepsvrijstelling de beste oplossing is voor deze sector, en ze denkt dat de meerderheid van de betrokkenen het hiermee eens is. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/210 |
(2004/C 65 E/227)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2761/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(16 september 2003)
Betreft: Sterke stijging van transporten van ongesorteerd bedrijfsafval van Nederland naar Duitsland om daardoor kosten voor scheiding en verwerking te verlagen
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat Nederland in het recente verleden een voorsprong had op het gebied van scheiden en hergebruik van bedrijfsafval door middel van speciaal daartoe gebouwde installaties? |
|
2. |
Is het de Commissie tevens bekend dat steeds grotere stromen ongesorteerd bedrijfsafval uit Nederland per vrachtauto naar de aangrenzende Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen worden vervoerd, dat de omvang hiervan in 2003 waarschijnlijk 3,8 miljoen ton zal bedragen en dat deze transporten in Duitsland veel lawaai en stank opleveren? |
|
3. |
Kan de Commissie de berichten in de TV-actualiteitenrubriek Nova (Nederland 3 op 14 augustus en 3 september 2003) bevestigen volgens welke deze stromen ontstaan doordat storten in Duitsland veel goedkoper is dan verwerken in Nederland, waardoor het voordeel per transport 1400 tot 3200 EUR bedraagt? |
|
4. |
Kan de Commissie tevens bevestigen dat de werkelijke samenstelling van het afval in de helft van de gevallen afwijkt van de in documenten vermelde samenstelling, zowel door het omwisselen van ladingen als doordat bijvoorbeeld houtsnippers en plastic of bouwafval en textiel onnodig gemengd worden aangeleverd op de stortplaats, waardoor een verantwoorde recycling vrijwel onmogelijk wordt? |
|
5. |
Is het de Commissie bekend dat deze gang van zaken dreigt te leiden tot het einde van een moderne en milieu-verantwoorde verwerking van bedrijfsafval in Nederland omdat de daarvoor gebouwde installaties steeds minder worden gebruikt en per jaar 300 miljoen euro omzetverlies boeken? |
|
6. |
Op welke wijze kan de Commissie bevorderen dat de door het bestaan van de EU geschapen mogelijkheid voor vrije handel en onbelast binnengrens-overschrijdend transport niet langer wordt misbruikt om het milieubeleid van lidstaten te ondermijnen en toekomstige generaties in een buurland onnodig op te schepen met de lasten van onverwerkbaar afval? |
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(29 oktober 2003)
|
1. |
De Commissie is op de hoogte van het Nederlandse beleid op het gebied van sorteren en recycling van bedrijfsafval. |
|
2. |
De Commissie weet ook dat er afval uit Nederland naar Duitsland wordt vervoerd. De Commissie is echter niet op de hoogte van de bijzonderheden van deze transporten, zoals bijvoorbeeld de exacte hoeveelheden, geluids- en geurhinder. |
|
3. |
De Commissie kan niet bevestigen of ontkennen dat het afval in Duitsland wordt gestort noch dat dit gebeurt vanwege bestaande kostenverschillen. Als het afval voor verwijdering bestemd is en de kennisgeving ervan correct is gebeurd overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 259/93 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (1), dan hebben de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen het transport, zoals bepaald in artikel 4, lid 3, van de verordening. |
|
4. |
De Commissie is niet op de hoogte van de bijzonderheden van de transporten en kan daarom noch bevestigen noch ontkennen of de informatie en beschuldigingen over de huidige samenstelling van het afval, verwisselde kennisgevingen en het mengen van afval tijdens het transport juist zijn. Handhaving en controle op de naleving van de Gemeenschapswetgeving, inclusief de afvalwetgeving, behoren tot de bevoegdheid van de lidstaten. De Commissie moedigt samenwerking tussen lidstaten aan om een correcte uitvoering van de verordening te garanderen. |
|
5. |
De Commissie beschikt niet over informatie met betrekking tot de sluiting van verwerkingsbedrijven in Nederland ten gevolge van deze transporten. |
|
6. |
Wat voor terugwinning bestemd afval betreft, erkent de Commissie dat door het ontbreken van verplichte afvalverwerkingsnormen op Europees niveau de totstandbrenging van een hoog beschermingsniveau in de hele Gemeenschap kan worden ondermijnd. Een en ander heeft ook geleid tot bezorgdheid over eco-dumping van afval in de Gemeenschap. In haar mededeling „Naar een thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling (2)”, waarover tot eind november 2003 een raadpleging wordt gehouden, stelt de Commissie mogelijke opties voor met het oog op een geleidelijke ontwikkeling van gemeenschappelijke spelregels voor afvalrecycling. Opties zijn onder meer de uitbreiding van de richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (3) naar de hele afvalsector en het vastleggen van kwaliteitsnormen voor recycling in bijlage IIA van Richtlijn 75/442/EEG (4). Bovendien kan het voor een beperkt aantal procédés noodzakelijk zijn dat voor de hele Unie geldende emissiegrenswaarden in wetgeving worden opgenomen. In het kader van de herziening van Verordening (EEG) nr. 259/93 betreffende de overbrenging van afvalstoffen pakt de Commissie momenteel ook de kwestie aan van het gestandaardiseerd storten. Zo stelt ze voor dat bezwaar kan worden gemaakt tegen transporten die bestemd zijn voor verwerking in bedrijven die wel onder de richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging vallen, maar die niet de best beschikbare technieken toepassen, zoals voorgeschreven in artikel 9, lid 4, van die richtlijn (5). |
(1) Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap, PB L 30 van 6.2.1993.
(2) COM(2003) 301 def.
(3) Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, PB L 257 van 10.10.1996.
(4) Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, PB L 194 van 25.7.1975.
(5) COM(2003)379 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/212 |
(2004/C 65 E/228)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2762/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(16 september 2003)
Betreft: Openbaarheid met betrekking tot volledige samenstelling en mutaties van de kabinetten van de leden van de Europese Commissie in verleden, heden en toekomst
|
1. |
Waarom staan in de ook via internet toegankelijke IDEA-gids „Wie is wie in de Europese Unie” alleen de chefs van de kabinetten van de leden van de Commissie en hun plaatsvervangers vermeld, en ontbreken de namen van de overige leden van deze kabinetten? |
|
2. |
Waarom zijn geen eenduidige gegevens, maar slechts met elkaar strijdige fragmenten vindbaar met betrekking tot de exacte samenstelling van kabinetten in het recente verleden, met name van de laatste bestuursperiode die aan de crisis in 1999 voorafging? |
|
3. |
Met welke andere functies is het lidmaatschap van een kabinet van een lid van de Commissie verenigbaar? Is het ook verenigbaar met een — al dan niet kortstondige — gelijktijdige uitoefening van een andere functie binnen het ambtelijk apparaat ten dienste van een der instellingen van de Europese Unie? |
|
4. |
Zijn de gegevens over de financiële belangen van de leden van de kabinetten openbaar? |
|
5. |
Is er sprake van geheimhouding van de samenstelling van de kabinetten of een deel daarvan? Zo ja, waarom? Of gaat de Commissie er van uit dat er passieve openbaarheid bestaat, waarbij alleen diegenen die nadrukkelijk vragen naar de samenstelling daarover eenmalig kunnen worden geïnformeerd, zonder dat zicht mogelijk is op de in de loop der tijd optredende mutaties? |
|
6. |
Indien het antwoord op vraag 5 inhoudt dat er geen of slechts een beperkte openbaarheid bestaat, is de Commissie dan bereid om daarin verandering te brengen? Ziet zij mogelijkheden voor een eenvoudige link op de website naar een eenvoudig aan te maken archiefje van (ex-)kabinetsleden per (ex-)Commissaris, of heeft zij andere oplossingen om dezelfde mate van openbaarheid te bereiken? |
Antwoord van de heer Kinnock namens de Commissie
(4 november 2003)
De inhoud van de IDEA-gids wordt door de administraties van de instellingen, organen of agentschappen van de Unie vastgesteld. De Commissie verstrekt alleen informatie op managementniveau. Toegepast op de kabinetten betekent dit dat alleen de chefs van de kabinetten en hun plaatsvervangers in deze publicatie worden vermeld.
Voor bijzonderheden over de regels die van toepassing zijn op kabinetten en een overzicht van de samenstelling van de kabinetten van de Commissieleden wordt het geachte parlementslid verwezen naar: twee websites die voor het brede publieke toegankelijk zijn:
|
— |
[http://europa.eu.int/comm/commissioners/prodi/president/code_nl.htm] voor de gedragscode voor Commissieleden; |
|
— |
[http://europa.eu.int/comm/commissioners/index_nl.htm] voor de samenstelling van de kabinetten van de Commissieleden. Van „geheimhouding” kan dus geen sprake zijn. |
Het is de ervaring van de Commissie dat de overgrote meerderheid van de bevolking geïnteresseerd is in de huidige kabinetsleden. De kosten voor het ontwikkelen en onderhouden van een aparte website met de gegevens van alle voormalige kabinetsleden zou dan ook niet in verhouding staan tot het nut ervan. Deze informatie is op verzoek wel beschikbaar. Indien het geachte parlementslid dit wenst, kan hij de wijzigingen in de samenstelling van de kabinetten ook bijhouden door bijvoorbeeld jaarlijks de bovengenoemde website te raadplegen of door contact op te nemen met het kantoor van het desbetreffende Commissielid.
De opgave van financiële belangen maakt deel uit van de gedragscode voor Commissieleden en is dus op hen van toepassing. Op kabinetsleden zijn de regels van het statuut van toepassing. Zij moeten de verplichtingen van het statuut naleven, met name de bepalingen van de artikelen 11 tot en met 17 met betrekking tot belangenverstrengeling en de plicht eerlijkheid, kiesheid en discretie te betrachten. Het statuut vereist niet dat ambtenaren opgave doen van hun financiële belangen en is in dat en vele andere opzichten vergelijkbaar met de regels voor de ambtenarij in democratieën over de hele wereld.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/213 |
(2004/C 65 E/229)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2763/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(16 september 2003)
Betreft: Ongeldigheid van buitenlandse diploma's voor onderwijsbevoegdheid in Frankrijk op grond van een ongewijzigde recrutering via een Frans examen
|
1. |
Kan de Commissie bevestigen dat het Franse Ministerie van Onderwijs zich op het standpunt stelt dat ondanks een EU-gelijkstelling van diploma's het volgens de Franse wet voor buitenlanders onmogelijk is en blijft om als ambtenaar te worden toegelaten zonder in het bezit te zijn van een diploma dat voortvloeit uit een Frans examen? |
|
2. |
Is het de Commissie bekend dat de praktijk ook een snelle en onbelemmerde instroming van bezitters van buitenlandse diploma's in het onderwijs uitsluit omdat buitenlandse sollicitanten naar banen in het Franse openbaar onderwijs als standaard-antwoord krijgen: „Comme tous les fonctionnaires, les enseignants sont recrutés par concours”? |
|
3. |
Is het de Commissie tevens bekend dat deze situatie ertoe leidt dat in Frankrijk wonende EU-onderdanen met een niet-Franse onderwijsbevoegdheid slechts als tijdelijk vervanger in het katholieke privé-onderwijs kunnen werken, dat personen met een buitenlandse opleiding pas na drie jaar werkervaring in het Franse privé-onderwijs een intern examen kunnen doen om door een jury bevoegd te worden verklaard en dat voordien steeds ontslag van betrokkenen plaatsvindt zodra een onderwijskracht met een binnenlandse Franse bevoegdheid beschikbaar komt? |
|
4. |
Doet een vergelijkbare situatie zich eveneens voor in Italië en Spanje, die nog steeds weigeren om onderwijsdiploma's gelijk te stellen? Hoeveel jaar duurt deze afwijking reeds? |
|
5. |
Welk perspectief kan de Commissie in dit verband bieden aan personen met een buitenlandse onderwijsbevoegdheid in weigerachtige lidstaten? Kunnen zij thans gebruik maken van een afdwingbaar recht op gelijkstelling van diploma's of dienen zij in de praktijk net als in het verleden opnieuw een opleiding te volgen en examen af te leggen? |
|
6. |
Hoe lang moeten belanghebbenden nog wachten op een eventuele dwingende uitspraak van het Europees Gerechtshof? Ziet u andere oplossingen? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(28 oktober 2003)
|
1.t/m |
3. In Frankrijk worden de leerkrachten van het openbaar en het door de overheid gesubsidieerde privé-onderwijs aangeworven via vergelijkende onderzoeken die open staan voor onderdanen van de Gemeenschap. Na het vergelijkend onderzoek lopen de succesvolle kandidaten bij het IUFM („Institut Universitaire de Formation des Maîtres”) een stage, die wordt gevalideerd door een examen. Nadat ze voor dat examen zijn geslaagd, ontvangen de kandidaten het onderwijsgetuigschrift („certificat d'aptitude à l'enseignement”). Momenteel moeten leerkrachten uit andere lidstaten volgens de Franse wetgeving deelnemen aan het vergelijkend onderzoek met het oog op aanwerving. Op grond van hun kwalificaties en de opleiding die ze reeds in hun lidstaat van oorsprong hebben genoten, zijn ze na het vergelijkend onderzoek evenwel vrijgesteld van de stage en het daarop volgende examen. De Commissie heeft deze situatie aanvaard aangezien niets in het Gemeenschapsrecht de lidstaten ervan weerhoudt hun ambtenaren via een vergelijkend onderzoek aan te werven en er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de erkenningsprocedure en de aanwervingsprocedure. Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (1), die onder meer van toepassing is op de erkenning van onderwijskwalificaties, verleent de migrerende werknemer in feite het recht op toegang tot of uitoefening van zijn beroep in de ontvangende lidstaat „onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden”, d.w.z. met dezelfde rechten en verplichtingen. Het voordeel voor leerkrachten in deze situatie is dat, hoewel ze aan het vergelijkend onderzoek moeten deelnemen, ze niet zijn onderworpen aan enige compenserende maatregel krachtens Richtlijn 89/48/EEG. Met betrekking tot de vraag of migrerende werknemers die reeds in het Franse privé-onderwijs werken pas na drie jaar werkervaring in het Franse privé-onderwijs kunnen deelnemen aan interne examens, wenst de Commissie de volgende informatie mee te delen. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (2) is de Commissie van mening dat het privé-onderwijs in Frankrijk voor de toegang tot een intern examen de tijdvakken van arbeid die door de migrerende werknemers op een vergelijkbaar activiteitsgebied in een andere lidstaat zijn vervuld, op dezelfde manier in aanmerking moet nemen als de in het Franse onderwijsstelsel verworven ervaring. De Franse overheid heeft de Commissie onlangs informatie verstrekt over de toegangsvoorwaarden voor de interne examens met het oog op de aanwerving van leerkrachten en onderwijzers voor privé-scholen onder contract: onder dezelfde voorwaarden als de Franse onderdanen moeten de kandidaten uit een andere lidstaat beschikken over de vereiste titels of diploma's én over de nodige ervaring. Wat de vereiste ervaring in overheidsdienst betreft, worden de tijdvakken in overheidsdienst in een andere lidstaat beschouwd als tijdvakken in overheidsdienst in Frankrijk. |
|
4. |
In Spanje en in Italië ligt de situatie anders. In Spanje worden de leerkrachten na hun opleiding via vergelijkende onderzoeken door de overheid aangeworven. Leerkrachten uit andere lidstaten die overeenkomstig Richtlijn 89/48/EEG zijn erkend en indien nodig een compenserende maatregel ondergaan, moeten deelnemen aan het vergelijkend onderzoek om als leerkracht te kunnen werken. In Italië worden de leerkrachten onderworpen aan een kwalificerend onderzoek („abilitazione”). De leerkrachten uit andere lidstaten die overeenkomstig Richtlijn 89/48/EEG zijn erkend, hoeven niet deel te nemen aan dat kwalificerend onderzoek. In de context van de erkenningsprocedure worden ze overeenkomstig de Richtlijn evenwel meestal onderworpen aan een compenserende maatregel (aanpassingsstage tot drie jaar of een proeve van bekwaamheid) om de verschillen in onderwijs en opleiding te compenseren. |
|
5. |
en 6. Het Hof van Justitie deed onlangs een uitspraak in een zaak over een prejudiciële vraag (Zaak C-285/01 „Burbaud”), die enige duidelijkheid kan scheppen met betrekking tot de situatie in Frankrijk. Het vonnis betreft het beroep van ziekenhuisdirecteur. De Commissie onderzoekt momenteel de gevolgen van deze jurisprudentie en gaat na of ze tot leerkrachten kan worden uitgebreid. Dat vereist een diepgaande analyse van deze zaken. De Commissie zal haar conclusies aan het geachte parlementslid meedelen zodra ze met deze analyse klaar is. De Commissie benadrukt evenwel dat het Hof heeft geoordeeld dat de verplichting om aan een vergelijkend onderzoek deel te nemen om bij de overheid in dienst te treden niet in strijd is met artikel 39 van het EG-Verdrag. Het heeft evenwel geoordeeld dat artikel 39 van het EG-Verdrag verbiedt dat een lidstaat een Europese burger die over de kwalificaties beschikt om een bepaald beroep in een lidstaat uit te oefenen ertoe verplicht deel te nemen aan een vergelijkend onderzoek om toegang te krijgen tot een school waar tot hetzelfde beroep wordt opgeleid, aangezien dit soort vergelijkende onderzoeken bedoeld is voor kandidaten die nog geen opleiding hebben genoten en de specifieke kwalificaties van de onderdanen van andere lidstaten die over de nodige kwalificaties beschikken in een dergelijk vergelijkend onderzoek niet in aanmerking kunnen worden genomen. |
(2) Zaak C-419/92 Scholz Jurispr. (1994) I-00505; zaak C-15/96 Schöning Jurispr. (1998) I-00047; zaak C-187/96 Commissie tegen Griekenland (1998) I-01095; zaak C-195/98 Österreichischer Gewerkschaftsbund Jurispr. (2000) I-10497; zaak C-224/01 Köbler, nog niet gepubliceerd.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/215 |
(2004/C 65 E/230)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2777/03
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(16 september 2003)
Betreft: Gebruik van het Aroemeens, Albanees, Slavisch-Macedonisch en Pomaaks in Griekenland
Commissaris Reding heeft in antwoord op mijn schriftelijke vraag E-1710/03 (1) over het Europees Bureau voor minderheidstalen (EBLUL) onder meer gesteld dat „de minderheidstaalgroepen in de Unie door onderzoekers zijn vastgesteld en de resultaten in 1996 in de Euromosaic-studie zijn gepubliceerd. Op bladzijde 41 van de Engelse versie van deze studie wordt verwezen naar: het bestaan van Aroemeens, Albanees en Slavisch-Macedonisch in Griekenland, waarvan er voor elk tussen de 50 000 en de 80 000 sprekers zijn.”
Op mijn vraag over de precieze status van de leden van de EBLUL-comités heeft mevrouw de commissaris mij verwezen naar: de website van dit Bureau.
Bijgevolg ben ik genoodzaakt op mijn vraag terug te komen en nog enkele nieuwe vragen te stellen:
|
1. |
Kent de Commissie (die dit Bureau ook financiert) de precieze status van de leden van de EBLUL-comités en weet zij of sommigen onder hen ooit verwikkeld zijn geraakt in een of ander conflict met de nationale autoriteiten van bepaalde lidstaten? |
|
2. |
Heeft de Commissie onderzocht wie de statistieken heeft opgesteld over de personen die in Griekenland „Aroemeens, Albanees en Slavisch-Macedonisch” spreken (die de commissaris uit de Euromosaic-studie citeert) en of deze volkomen betrouwbaar en officieel zijn? |
|
3. |
Houdt het EBLUL zich bezig met het promoten en het onderricht van het Pomaaks in Grieks-Thracië? Welke concrete stappen heeft het ondernomen om de Pomaakse kinderen hun moedertaal te onderrichten en niet het Turks, zoals reeds decennia lang en ook nu nog steeds gebeurt, ondanks het feit dat de Pomaken niet van Turkse afkomst zijn en hun taal (het Pomaaks) een van de oudste idiomen in deze regio is, een alfabet en een grammatica heeft en er reeds duizenden leesboeken voor de kinderen van de lagere school zijn gedrukt, die evenwel nog nooit zijn gebruikt? |
Antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie
(23 oktober 2003)
Met betrekking tot de eerste vraag verwijst de Commissie het geachte parlementslid naar de antwoorden die zij heeft gegeven op de schriftelijke vragen E-1140/03 (2) en E-1710/03 (1) van het geachte parlementslid. Het Europees Bureau voor minderheidstalen (EBLUL) is een onafhankelijke niet-gouver-nementele organisatie en de nationale comités van het Bureau zijn autonome organen die in elke lidstaat zijn opgericht.
De Euromosaic-studie is gefinancierd nadat een aanbesteding werd gehouden. De studie werd uitgevoerd door onafhankelijke wetenschappers wier naam in het gepubliceerde verslag wordt vermeld.
Wat de tweede vraag betreft, hebben de drie directeuren van het verslag, Peter Nelde (Onderzoekscentrum voor Meertaligheid, Katholieke Universiteit Brussel), Miquel Strubell (Direcció General de Política Lingüística, Barcelona) en Glyn Williams (Research Center Wales, Bangor) de medewerking gekregen van een wetenschappelijk comité dat was samengesteld uit tien leden uit de Unie, de Verenigde Staten en Canada.
Behalve het algemeen verslag dat in 1996 door de Commissie is gepubliceerd onder de titel „Euromosaic, Production and reproduction of minority linguistic groups in the European Union” en dat door de Commissie in de antwoorden op de vorige twee vragen van het geachte parlementslid wordt geciteerd, heeft dezelfde werkgroep meer dan vijftig individuele verslagen opgesteld, allemaal met dezelfde structuur, over elk van de taalgemeenschappen.
Wat de laatste vraag betreft, zij erop gewezen dat de rol van het Bureau op zijn webpagina wordt beschreven (3):
|
— |
een actief beleid van de Europese instellingen bevorderen ten gunste van regionale of minderheidstalen en de taalrechten van de personen die deze talen spreken; |
|
— |
bijdragen tot de bescherming van de talen van meer dan veertig miljoen personen die in hun land, dat lid is van de Unie, een minderheidstaal spreken; |
|
— |
regionale of minderheidstalen vertegenwoordigen bij de instellingen van de Unie en in andere internationale organisaties; |
|
— |
de werkzaamheden van de op het desbetreffende gebied gespecialiseerde instellingen en/of actieve verenigingen, alsmede de werkzaamheden van zijn comités in de lidstaten coördineren; |
|
— |
de gemeenschappen op de hoogte houden van het Europees beleid op het gebied van minderheidstalen en van de programma's inzake taalkwesties; |
|
— |
de communicatie tussen de betrokken gemeenschappen in stand houden en de onderlinge contacten en uitwisselingen vergemakkelijken; |
|
— |
culturele evenementen en conferenties organiseren, hetzij in Brussel, hetzij in lidstaten die te maken hebben met regionale of minderheidstalen; |
|
— |
op het niveau van de Unie en de lidstaten juridische en politieke steun zoeken voor minder verspreide talen. |
Aangezien op grond van artikel 149 van het EG-Verdrag de volledige verantwoordelijkheid voor onderwijs en de opzet van het onderwijsstelsel berust bij de lidstaten, behoort de schoolsituatie van de Pomaakse kinderen op Grieks grondgebied uitsluitend tot de bevoegdheid van de Griekse staat.
(1) PB C 11 E van 15.1.2004, blz. 218.
(2) PB C 268 E van 7.11.2003, blz. 176.
(3) [http://ww2.lingualia.net:8080/agares/eblul].
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/216 |
(2004/C 65 E/231)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2781/03
van Maurizio Turco (NI), Marco Pannella (NI), Marco Cappato (NI), Benedetto Della Vedova (NI), Gianfranco Dell'Alba (NI) en Olivier Dupuis (NI) aan de Commissie
(17 september 2003)
Betreft: Schending van de godsdienstvrijheid in China ten aanzien van de Falun Gong
Uit een bericht van het Chinese persbureau Xinhua blijkt dat de regering in Peking de strijd tegen de Falun Gong wil blijven voortzetten, een beweging die zij kwalificeert als een „cultus van het kwaad”, „antisociaal” en „anti-wetenschappelijk”. In het persbericht staat verder te lezen:
|
|
Wij beseffen dat de strijd lang, hard en moeilijk zal zijn. Daarom moeten we steeds waakzaam zijn en niet versagen. |
Waar deze strijd toe heeft geleid is dat 1 600 leden van de Falun Gong beweging zijn gefolterd en doodgeslagen, 500 zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen van meer dan twintig jaar, zo'n 1 000 zijn opgenomen in psychiatrische inrichtingen, 25 000 zijn opgesloten in werkkampen om een heropvoedingsprogramma te volgen en 100 000 leden vastzitten zonder vorm van proces.
Kan de Commissie gezien het bovenstaande antwoord geven op de volgende vragen:
|
— |
is zij bekend met deze intentieverklaringen van de Chinese regering? |
|
— |
weet zij dat bij een rechtbank in een land van de Unie — België — door leden van de Falun Gong beweging een klacht is ingediend tegen de voormalige Chinese president Jang Zemin, die nog steeds aan het hoofd staat van het leger, en twee van zijn naaste medewerkers vanwege „genocide, foltering en misdrijven tegen de mensheid”? |
|
— |
welke officiële stappen zal zij tegen de regering in Peking zetten, mede in het licht van de oproep in het verslag-Van den Bos van 5 september 2003 gericht aan de Raad, de Commissie en de lidstaten om „de vrijheid van godsdienst tot een prioriteit te maken in de betrekkingen van de EU met derde landen en bij schending daarvan sancties vast te stellen net als gebeurt in de Amerikaanse Wet op de vrijheid van godsdienst in de wereld (International Religious Freedom Act van 1998, Public Law 105-292/105th Congress)”? |
Antwoord van de heer Patten namens de Commissie
(22 oktober 2003)
De Commissie dankt de geachte parlementsleden voor de informatie met betrekking tot het door de Chinese autoriteiten tegenover de Falun Gong-beweging gevoerde beleid.
Eerbiediging van de mensenrechten is een fundamenteel element van het buitenlands beleid van de Unie. De situatie van de mensenrechten in China wordt dan ook met bijzondere aandacht door de Unie gevolgd, vooral in het kader van de bilaterale dialoog die sinds 1996 met dit land wordt gevoerd en waarin o.a. de vrijheid van godsdienst en van vereniging prioritaire gespreksthema's zijn. In het kader van haar contacten met de Chinese autoriteiten heeft de Unie regelmatig kwesties in verband met Falun Gong-aanhangers ter sprake gebracht die omwille van hun geloof vervolgd worden. De Commissie is op de hoogte van de Amerikaanse wet van 1998 op de vrijheid van godsdienst in de wereld. De Commissie blijft praten met China omdat zij de dialoog het meest geschikte middel achtom haar standpunt onder de aandacht van de Chinese vertegenwoordigers te brengen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/217 |
(2004/C 65 E/232)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2785/03
van Armando Cossutta (GUE/NGL) aan de Commissie
(17 september 2003)
Betreft: Dood door schuld
Dagelijks vinden ongevallen op het werk plaats en wel meer en meer. Steeds vaker komen hierbij mensen om het leven, raken zwaar gewond of worden invalide. Deze arbeidsongevallen zijn meestal te wijten aan het feit dat in veel ondernemingen de veiligheidsvoorschriften niet in acht worden genomen, terwijl ook de verhoging van het werktempo en de werklast een belangrijke rol speelt. Om die reden kunnen we terecht spreken van dood door schuld.
Als rechtsgrondslag voor haar ingrijpen kan de Commissie aanvoeren dat verschillen tussen veiligheidsvoorschriften en de strafrechtelijke aansprakelijkheid bij arbeidsongevallen tot verstoring van de concurrentie leiden.
Welke maatregelen zal de Commissie nemen met het oog op harmonisatie van de voorschriften betreffende de veiligheid op de arbeidsplek, de strafrechtelijke aansprakelijkheid van nalatige werkgevers die schuldig zijn aan dodelijke arbeidsongevallen en de schadeloosstelling van de gezinsleden van de slachtoffers?
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(15 oktober 2003)
De Commissie is het met het geachte parlementslid eens dat een verlaging van het aantal arbeidsongevallen, en met name die met dodelijke afloop, prioriteit verdient. Geheel in lijn hiermee is de werkgever op grond van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (1) verplicht de risico's voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te evalueren. Daarbij moet de werkgever de nodige maatregelen treffen voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, met inbegrip van de maatregelen ter preventie van beroepsrisico's, voor informatie en opleiding alsmede voor de organisatie en de benodigde middelen.
Bovendien dient de werkgever volgens de richtlijn een lijst bij te houden van arbeidsongevallen welke voor de werknemer hebben geleid tot een arbeidsongeschiktheid van meer dan drie werkdagen. De richtlijn bepaalt ook dat de werkgever overeenkomstig de nationale wetten en praktijken rapporten moet opstellen ten behoeve van de bevoegde autoriteiten over de arbeidsongevallen die zijn werknemers zijn overkomen.
In de preventie van arbeidsongevallen spelen nog andere veiligheids- en gezondheidsrichtlijnen een rol. Bijvoorbeeld: Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (2) en Richtlijn 89/655/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid bij het gebruik door werknemers van arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats (2).
Zoals het geachte parlementslid weet, moeten de richtlijnen van de Unie inzake veiligheid en gezondheid op het werk in nationaal recht worden omgezet. Het is de verantwoordelijkheid van de nationale autoriteiten om te zorgen voor passende controles en passend toezicht op de tenuitvoerlegging van de nationale wetgeving. De Commissie is niet bevoegd op het gebied van het strafrecht of in verband met schadeloosstellingsregelingen voor arbeidsongevallen, die volledig onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten vallen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/218 |
(2004/C 65 E/233)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2786/03
van Manuel dos Santos (PSE) aan de Commissie
(17 september 2003)
Betreft: Herziening van het Pact voor stabiliteit en groei
De Portugese autoriteiten hebben bekend gemaakt dat zij de Europese Commissie hebben meegedeeld dat het begrotingstekort dit jaar zal uitkomen op 2,944 % van het BBP.
Dit percentage kon alleen bereikt worden door een aantal buitengewone ontvangsten te boeken, een operatie die natuurlijk niet voor herhaling vatbaar is.
Een van deze ontvangsten betreft het voornemen van de regering om het „pensioenfonds” van de PTT bij de overheidsontvangsten te boeken ter hoogte van 930 miljoen euro, wat gelijk staat met 0,7 % van het BBP.
Voor deze financiële operatie zou de Europese Commissie reeds om toestemming zijn gevraagd.
Kan de Commissie daarom antwoord geven op de volgende vragen:
|
1. |
Heeft de Portugese regering de Commissie inderdaad om toestemming gevraagd voor deze financiële operatie? |
|
2. |
Zo ja, is overleg gepleegd met het algemeen burgerlijk pensioenfonds (Caixa Geral de Aposentações) over de langetermijngevolgen van de overdracht van deze sociale verplichtingen voor de staat? |
|
3. |
Is toegezegd dat er een zelfstandig kapitalisatiefonds gevormd zal worden dat garant staat voor de verplichtingen die de staat als gevolg van deze overdrachtsoperatie op zich heeft genomen? |
|
4. |
Heeft Eurostat terzake reeds advies uitgebracht en zo ja, is dit advies al toegezonden aan de Portugese regering? |
|
5. |
Indien toestemming wordt gegeven voor de boeking van deze ontvangsten, stelt de Commissie daaraan dan voorwaarden en zo ja, welke? |
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(13 oktober 2003)
Op 1 september 2003 heeft Portugal aan de Commissie gemeld dat voor dit jaar een overheidstekort van 2,9 % van het bruto binnenlands product (BBP) wordt verwacht. De Portugese autoriteiten hebben eveneens meegedeeld dat in deze prognose reeds rekening gehouden werd met 930 miljoen euro (0,7 % van het BBP) aan ontvangsten die door het overheidsbedrijf CTT aan Caixa Geral de Aposentações (het pensioenfonds voor ambtenaren) zal worden betaald. In ruil voor die betaling mag het bedrijf aan de overheid de pensioenverplichtingen overdragen ten opzichte van CTT-werknemers die het statuut van ambtenaar bezitten.
De tekortgegevens die door de lidstaten aan de Commissie worden meegedeeld en op grond waarvan de naleving van het stabiliteits- en groeipact wordt beoordeeld, moeten worden berekend volgens de regels van het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen (ESR95) (1). Wanneer de regels van het ESR95 een bepaalde transactie niet bestrijken, dan is het Eurostat dat namens de Commissie en overeenkomstig de op 18 februari 2003 door de Raad goedgekeurde gedragscode voor de opstelling en kennisgeving van gegevens door de lidstaten in het kader van de procedure bij buitensporige tekorten beslist hoe deze transactie in de overheidsrekeningen moet worden verwerkt. De procedure tot vaststelling van de boekhoudkundige behandeling van een transactie bestaat meestal in de oprichting van een kleine technische task force en de raadpleging van het Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek (CMFB). Deze procedure kan worden ingeleid op verzoek van de lidstaten of door de Commissie (Eurostat).
Het ESR95 bevat geen duidelijke leidraad voor de boekhoudkundige behandeling van transacties waarbij de overheid betalingen ineens ontvangt in ruil voor de overdracht van de verantwoordelijkheid voor toekomstige pensioenuitkeringen. Daarom is in april 2003 beslist meer duidelijkheid te scheppen over de boekhoudkundige behandeling van dergelijke transacties en de hierboven beschreven procedure in te leiden. In juni 2003 heeft er een vergadering plaatsgevonden van een task force waarvan een vertegenwoordiger van het Portugese instituut voor de statistiek deel uitmaakt, en binnenkort zal het CMFB worden geraadpleegd. Er is weliswaar nog geen precieze datum meegedeeld, maar in de loop van dit najaar zal worden bekendgemaakt op welke manier dergelijke transacties in de overheidsrekeningen moeten worden verwerkt.
(1) Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap, PB L 310 van 30.11.1996.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/219 |
(2004/C 65 E/234)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2798/03
van Alexander de Roo (Verts/ALE), Dorette Corbey (PSE) en Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE) aan de Commissie
(19 september 2003)
Betreft: Elektrische veiligheid caravans
Volgens twee berichten in het Algemeen Dagblad (d.d. 6 resp. 8 september 2003) voldoen de elektrische installaties in de meeste caravans niet aan de Europese veiligheidsvoorschriften. Het CE-keurmerk ontbreekt in 34 van de 40 merken caravans. In totaal telt Nederland 433 000 toercaravans. De meest voorkomende gebreken betreffen het ontbreken van aardlekschakelaars, omvormers die onvoldoende geventileerd worden, niet goed aangebrachte of onbeschermde elektrische bedrading, alsmede connectoren. Als gevolg hiervan kunnen zeer gevaarlijke situaties ontstaan voor de in de betreffende caravans verblijvende mensen, en kinderen in het bijzonder.
Is de Europese Commissie met ons van mening dat er in Nederland en in andere lidstaten op grote schaal wordt afgeweken van Richtlijn 93/68/EEG (1)?
Kan de Europese Commissie aangeven in hoeverre de richtlijn productaansprakelijkheid van toepassing is op caravans met dergelijke ondeugdelijke elektrische installaties, en wat de consequenties kunnen zijn wanneer er zich ongelukken voordoen?
Kan de Europese Commissie aangeven of, en hoe en door wie, in de diverse lidstaten gecontroleerd wordt op het voldoen aan Richtlijn 93/68/EEG en andere relevante wetgeving?
Welke stappen heeft de Commissie de afgelopen jaren ondernomen om te controleren of de lidstaten — en Nederland in het bijzonder — voldoen aan Richtlijn 93/68 en is het de Commissie opgevallen dat de Nederlandse instanties geen controle hebben uitgeoefend in de voor Nederlandse vakantiegangers zo belangrijke caravanbranche — en zo ja tot welke vervolgstappen heeft dit geleid?
Welke maatregelen richting de overheden, caravanbouwers en -importeurs denkt de Europese Commissie te nemen om deze gevaarlijke situatie te beheersen c.q. te voorkomen?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(20 oktober 2003)
Er zijn op het ogenblik geen specifieke EU-bepalingen betreffende de technische normen waaraan de elektrische installaties van caravans moeten voldoen. Dit aspect valt onder de nationale bepalingen van de lidstaten.
In het in de Nederlandse pers verschenen artikel worden de veiligheidsvoorschriften voor elektrische installaties en de veiligheidsvoorschriften voor elektrisch materiaal als zodanig op één hoop gegooid.
Zo is Richtlijn 73/23/EEG van de Raad van 19 februari 1973 (2) betreffende elektrische benodigdheden, zoals gewijzigd door Richtlijn 93/68/EG van de Raad van 22 juli 1993 (3), van algemene toepassing op elk elektrisch materiaal bestemd voor een nominale wisselspanning tussen 50 V en 1000 V of een nominale gelijkspanning tussen 75 V en 1500 V, ongeacht of het deel uitmaakt van de installatie van een caravan.
Overeenkomstig de algemene bepalingen van Richtlijn 73/23/EEG mag elektrisch materiaal alleen in de handel worden gebracht, wanneer het aan de technische voorschriften van de richtlijn voldoet en vervaardigd is volgens de regels van goed vakmanschap op het gebied van de veiligheid die in de Gemeenschap gelden en wanneer het bij correcte installatie en degelijk onderhoud en bij gebruik overeenkomstig de bestemming de veiligheid van mensen, huisdieren en goederen niet in gevaar brengt. De CE-markering geeft aan dat aan deze voorwaarden is voldaan.
Richtlijn 92/59/EEG van de Raad van 29 juni 1992 (4) inzake algemene productveiligheid is van algemene toepassing op alle producten, voor zover in een specifieke communautaire regeling geen bepalingen met betrekking tot bepaalde veiligheidsaspecten of risicocategorieën van die producten zijn vastgesteld. In dat geval zijn op de veiligheids- of risicoaspecten in kwestie die specifieke bepalingen van toepassing.
Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 (5) over de goedkeuring van motorvoertuigen betreft aspecten van de constructie van motorvoertuigen, gezien vanuit het oogpunt van de verkeersveiligheid. Wat in het bijzonder aanhangwagens betreft, heeft geen van de specifieke richtlijnen tot uitvoering van Richtlijn 70/156/EEG betrekking op de elektrische veiligheid, met uitzondering van de richtlijn inzake elektromagnetische compatibiliteit die alleen op elektronische remregelsystemen van toepassing is.
Richtlijn 70/156/EEG laat de toepassing van andere communautaire bepalingen, zoals die van Richtlijn 73/23/EG betreffende elektrische materiaal of die van Richtlijn 92/59/EG voor andere toepassingen of risico's, onverlet.
Wanneer de niet-naleving van Richtlijn 73/23/EEG of van Richtlijn 92/59/EG een ongeval tot gevolg heeft, moeten de deskundigen en bevoegde rechtbanken vaststellen wie er aansprakelijk is.
De lidstaten zijn belast met de praktische toepassing van de richtlijnen (dus in het bijzonder ook van Richtlijn 93/68/EG). Zij zijn verantwoordelijk voor de invoering van de bestuursrechtelijke en technische procedures die een juiste toepassing van de EU-wetgeving waarborgen.
Als blijkt dat de EU-wetgeving niet juist wordt toegepast, zal de Commissie de nodige maatregelen treffen overeenkomstig de bevoegdheden die haar door het EG-Verdrag zijn verleend.
(1) PB L 220 van 30.8.1993, blz. 1.
(2) Richtlijn 73/23/EEG van de Raad van 19 februari 1973 de betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen, PB L 77 van 26.3.1973.
(3) Richtlijn 93/68/EEG van de Raad van 22 juli 1993 tot wijziging van de Richtlijnen 87/404/EEG (drukvaten van eenvoudige vorm), 88/378/EEG (veiligheid van speelgoed), 89/106/EEG (voor de bouw bestemde producten), 89/336/EEG (elektromagnetische compatibiliteit), 89/392/EEG (machines), 89/686/EEG (persoonlijke beschermingsmiddelen), 90/384/EEG (niet-automatische weegwerktuigen), 90/385/EEG (actieve implanteerbare medische hulpmiddelen), 90/396/EEG (gastoestellen), 91/263/EEG (eindapparatuur voor telecommunicatie), 92/42/EEG (nieuwe olie- en gasgestookte centrale- verwarmingsketels) en 73/23/EEG (elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen), PB L 220 van 30.8.1993.
(4) Richtlijn 92/59/EEG van de Raad van 29 juni 1992 inzake algemene productveiligheid, PB L 228 van 11.8.1992.
(5) Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, PB L 42 van 23.2.1970.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/221 |
(2004/C 65 E/235)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2814/03
van Elisabeth Jeggle (PPE-DE) aan de Commissie
(19 september 2003)
Betreft: Kosten voor overmakingen tussen Duitsland en Groot-Brittannië
Met ingang van 1 juli 2003 is — althans in Duitsland — een EU-regeling omgezet die de kosten voor overmakingen naar het EU-buitenland gelijkstelt aan die in het binnenland. Daaruit zouden voor de consument besparingen moeten resulteren.
Een Duitse burger heeft 50 EUR naar Groot-Brittannië overgemaakt en daarvoor 3 EUR kosten aan de Duitse Bank maar bovendien 10 GBP (Britse ponden) aan „Alliance Leicester International” betaald.
De burger betaalde vóór 1 juli 2003 voor een overmaking van 50 EUR in totaal slechts 7,50 EUR.
Daaruit resulteren de volgende vragen:
|
1. |
Heeft Groot-Brittannië hier mogelijk EU-recht niet omgezet, respectievelijk omzeilt het dit door van „administratiekosten” in plaats van „overmakingskosten” te spreken? |
|
2. |
Zijn „administratiekosten” ten bedrage van 10 GBP (Britse ponden) voor de overmaking van geringe bedragen uit een oogpunt van „woeker” toelaatbaar? |
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(30 oktober 2003)
|
1. |
Het principe van gelijke kosten van grensoverschrijdende en nationale overmakingen van gelijke omvang, waarop deze vraag betrekking heeft, is ingevoerd door Verordening (EG) Nr. 2560/2001 van het Parlement en de Raad van 19 december 2001 betreffende grensoverschrijdende betalingen in euro (1). Aangezien de bepalingen van de verordening in de lidstaten rechtstreeks van toepassing zijn, is omzetting overbodig. De betreffende banken zijn al verplicht zich aan de bepalingen van de verordening te houden. Deze verordening moet ook in Groot-Brittannië worden nageleefd voor grensoverschrijdende betalingen in euro's. Evenwel kunnen bij grensoverschrijdende overmakingen in euro's van en naar Groot-Brittannië wisselkosten (pond/euro) berekend worden. In zoverre is een overmaking van Duitsland naar Groot-Brittannië dan duurder dan een nationale euro-overmaking, als wisselen in een andere valuta nodig is. Volgens de verordening zijn banken dan verplicht de klanten over de wisseltarieven te informeren. Of in dit concrete geval de bepalingen van de verordening door de betrokken banken zijn nageleefd, kan op grond van de gegevens in de schriftelijke vraag niet met zekerheid vastgesteld worden. De geachte parlementariër, of de betrokken burger, kan vanzelfsprekend nadere informatie (b.v. bankafschriften, prijslijsten, enz.) aan de Commissie toezenden ter informatie en voor nader onderzoek. Bovenden kan de betrokken burger zich bij geschillen die grensoverschrijdende financiële diensten betreffen, tot bij het „FIN-NET”-netwerk aangesloten bemiddelingsorganen wenden. Dit zijn niet-gerechtelijke organen die de burger hulp bieden bij problemen met financiële dienstverleners. Nadere informatie over mogelijke contactpunten is te vinden op: [http://europa.eu.int/comm/internal_market/de/finances/consumer/intro.htm]. Tenslotte zal de Commissie in het komende jaar een verslag opstellen over de werking in de praktijk van Verordening (EG) nr. 2560/2001, en zal daarin ook ingaan op de kwestie van de ontwikkeling van de nationale prijsniveaus voor overmakingen. |
|
2. |
In hoeverre administratiekosten van 10 GBP voor overmakingen juridisch als woeker aangemerkt kunnen worden, is een zaak van de betreffende nationale wetgeving en de Commissie kan zich hierover niet uitlaten. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/222 |
(2004/C 65 E/236)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2816/03
van Joan Vallvé (ELDR) aan de Commissie
(19 september 2003)
Betreft: Communautaire initiatieven
De Europese Raad van Berlijn keurde in maart 1999 de financiële toewijzingen goed voor de structuurfondsen en communautaire initiatieven voor de periode 2000-2006.
Door middel van de communautaire initiatieven wil de Unie het Europees beleid verstevigen. De Commissie biedt de lidstaten via deze initiatieven de mogelijkheid om specifieke problemen die op het hele grondgebied van de Unie voorkomen op te lossen. De initiatieven dienen ter vervollediging van de communautaire bestekken (CB) en de enkelvoudige programmeringsdocumenten (EDP), waarover de Commissie en de lidstaten hebben onderhandeld op basis van de regionale of nationale ontwikkelingsplannen.
Tijdens de periode 2000-2006 wil de Commissie de Europese dimensie van de communautaire initiatieven vergroten en de initiatieven beter afstemmen op de prioritaire doelstellingen.
Binnen dit tijdsbestek zullen vier communautaire initiatieven worden uitgevoerd, die elk door een van de structuurfondsen worden gefinancierd:
|
— |
Interreg III: Grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking (EFRO) |
|
— |
Urban II: Rehabilitatie van in crisis verkerende stadsgedeelten (EFRO) |
|
— |
Leader+: Plattelandsontwikkeling (afdeling Oriëntatie van het EOGFL) |
|
— |
Equal: Bestrijding van alle vormen van discriminatie en ongelijkheden op de arbeidsmarkt (ESF) |
Het risico bestaat dat enkele van deze communautaire initiatieven door de lidstaten worden opgeëist, omdat ze vinden dat ze deel uitmaken van het nationale beleid.
Kan de Commissie toelichten hoe zij staat tegenover een hernationalisering van de communautaire initiatieven, in het bijzonder van Interreg III, onderdeel A inzake de grensoverschrijdende samenwerking?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(23 oktober 2003)
De Commissie zal voorstellen doen voor het cohesiebeleid voor de periode na 2006 in het Derde Cohesieverslag, dat volgens plan voor het einde van dit jaar wordt gepubliceerd. Het is nog te vroeg om te speculeren over de aard van deze voorstellen, al zal daarbij rekening worden gehouden met de opmerkingen in het debat over het toekomstige cohesiebeleid dat de Commissie in januari 2001 op gang heeft gebracht met de publicatie van het Tweede Cohesieverslag. Het Parlement was volledig bij dit debat betrokken. Er zullen door de Commissie ook voorstellen worden gedaan met betrekking tot de toekomst van de communautaire initiatieven, rekening houdend met de toegevoegde waarde ervan ten opzichte van de maatregelen die gesteund worden in het kader van de algemene regionale ontwikkelingsprogramma's.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/223 |
(2004/C 65 E/237)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2818/03
van Konstantinos Hatzidakis (PPE-DE) aan de Commissie
(19 september 2003)
Betreft: Vastleggingen en opnames door Griekenland uit het Cohesiefonds voor 2003
Kan de Commissie mededelen hoe het momenteel zit met de vastleggingen en opnames door Griekenland van kredieten uit het Cohesiefonds voor 2003? Acht de Commissie de situatie bevredigend?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(21 oktober 2003)
De Commissie deelt het geachte parlementslid mee dat, op 30 september 2003, de vastleggingen voor Griekenland uit hoofde van het Cohesiefonds van 2003 167 miljoen euro belopen, waaraan 29 miljoen euro toegevoegd kunnen worden die nu worden geïnvesteerd en een extra bedrag van 53 miljoen euro voor nieuwe projecten waarvan het vooronderzoek momenteel wordt afgerond.
De Commissie heeft de Griekse autoriteiten gevraagd zo snel mogelijk nieuwe medefinancieringsverzoeken voor te leggen, teneinde de 612 miljoen euro die overeenstemmen met het indicatieve bedrag dat Griekenland op de begroting van 2003 zou moeten vastleggen, te kunnen investeren. De Griekse autoriteiten hebben opnieuw bevestigd voornemens te zijn op zeer korte termijn nieuwe verzoeken voor te leggen die het mogelijk maken het doel van de 612 miljoen euro te verwezenlijken.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/223 |
(2004/C 65 E/238)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2820/03
van Geoffrey Van Orden (PPE-DE) aan de Commissie
(19 september 2003)
Betreft: Aparte kentekens voor aanhangwagens
Nederland heeft in nieuwe wet bepaald dat op elke aanhangwagen (i.e. grote en kleine aanhangwagens, caravans, etc.) een aparte, specifieke nummerplaat moet zijn bevestigd op de normale plaats.
Het Verenigd Koninkrijk is een van de twee lidstaten van de EU zonder aparte registratie voor aanhangwagens.
Naar verluidt, zullen de Nederlandse instanties van Britse wegvervoerders eisen dat zij een tijdelijk Nederlands kenteken, BO-nummer genaamd, aanvragen om goederen/vracht door het land te mogen vervoeren.
Het Verenigd Koninkrijk beschikt over een uitstekend systeem van identificatienummers, met een apart nummer voor elke aanhangwagen dat de instanties in staat stelt om aanhangwagen en eigenaar op te sporen.
Is de Commissie van mening dat het opleggen van bijkomende registratievereisten door lidstaten aan wegvervoerders die voldoen aan de registratievereisten in hun eigen lidstaat, een belemmering inhoudt van het vrije verkeer van personen en goederen in de EU?
Zo ja, kan de Commissie meedelen hoe zij dit een halt wil toeroepen?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(29 oktober 2003)
De Commissie was nog niet op de hoogte van de nieuwe Nederlandse wet volgens welke voor elke aanhangwagen die niet van een apart kenteken is voorzien, een tijdelijk Nederlands kenteken moet worden aangevraagd om goederen/vracht door Nederland te mogen vervoeren. Bovendien ziet het er volgens de thans beschikbare informatie naar uit dat de registratieprocedure niet toegankelijk is voor vervoerders die in een andere lidstaat gevestigd zijn.
De Commissie moet deze nieuwe wet nader bestuderen om na te kunnen gaan of hij verenigbaar is met de beginselen van vrij verkeer van goederen en vervoersdiensten. Zo nodig zal de Commissie een inbreukprocedure tegen Nederland inleiden om een einde te maken aan de eventueel uit deze nieuwe wet voortvloeiende ongerechtvaardigde belemmeringen voor het vrije verkeer van goederen en vervoersdiensten.
De Commissie zal het geachte parlementslid van verdere belangrijke ontwikkelingen in deze aangelegenheid op de hoogte houden.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/224 |
(2004/C 65 E/239)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2822/03
van Theresa Villiers (PPE-DE) aan de Commissie
(19 september 2003)
Betreft: Welzijn van melkkoeien
Koeien worden met behulp van moderne teeltmethoden gekweekt om extreem grote hoeveelheden melk te produceren. Dit heeft een aantal ernstige gezondheids- en welzijnsproblemen bij koeien tot gevolg, waaronder: honger wegens een verhoogde stofwisseling — de koeien kunnen nauwelijks voldoende voedsel opnemen om de hoge melkproductie vol te houden -; spijsverteringsstoornissen; een groter risico op verlamming; dodelijke ziektes ten gevolge van de hoge melkproductie, etc. Nadat de koeien ongeveer vier jaar of korter melk hebben geproduceerd, vertonen ze vaak tekenen van chronische uitputting, gaat hun lichaamsconditie ernstig achteruit en worden ze afgemaakt.
Is de Commissie voornemens de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid te verzoeken om er bij het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid op aan te dringen een verslag over de gezondheid en het welzijn van melkkoeien op te stellen?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(22 oktober 2003)
Zoals het geachte parlementslid weet, is de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenhe-den (1) opgericht als onafhankelijk wetenschappelijk referentiepunt waaraan de Commissie wetenschappelijke adviezen kan vragen. Om deze wetenschappelijke adviezen te kunnen geven, heeft de Autoriteit een Wetenschappelijk Comité en verscheidene wetenschappelijke panels opgericht, waaronder een panel voor diergezondheid en dierenwelzijn.
Het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is een regelgevend comité dat advies geeft over de toepassing van de wetgeving. Het bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.
Het Wetenschappelijk Comité voor de gezondheid en het welzijn van dieren heeft in 1999 een verslag over de gevolgen van het gebruik van boviene somatotropine voor het welzijn van de dieren goedgekeurd. Daarin was een hoofdstuk aan problemen met het welzijn van hoogproductieve melkkoeien gewijd. Met steun van het vijfde kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling is ook een aantal onderzoeksprojecten verricht over de gezondheid en het welzijn van melkkoeien. Momenteel steunt de Commissie met name onderzoek naar verlamming bij melkkoeien en naar een beter gebruik van gras voor de voeding van melkkoeien. Zij steunt ook projecten over de genetische aspecten van melkklierontsteking en melkproductie. Ook onderzoek naar dierenwelzijn in het algemeen, bijvoorbeeld bij veevervoer, heeft belangrijke implicaties voor melkkoeien.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/225 |
(2004/C 65 E/240)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2825/03
van Nelly Maes (Verts/ALE) aan de Commissie
(23 september 2003)
Betreft: Taalverscheidenheid
Het actieplan 2004-2006 om het leren van talen en de taalverscheidenheid te bevorderen vermeldt herhaaldelijk ook het leren van „regionale” en „minderheidstalen”. Er wordt gesteld dat nationale en regionale autoriteiten worden gestimuleerd om aandacht te schenken aan de ondersteuning van taalgemeenschappen waarvan het aantal moedertaalsprekers („native speakers”) van generatie tot generatie daalt. Ook deze talen behoren tot het Europees cultureel erfgoed.
Mag het dan aan de goede wil van de lidstaten overgelaten worden om deze talen te beschermen?
Moet de Europese Unie zelf geen actieve rol spelen in het steunen van lerarenopleidingen en scholen die deze taak op zich nemen?
Over welke instrumenten beschikt de Europese Unie om de lidstaten te stimuleren, indien zij in gebreke blijven inzake steun aan dit cultureel erfgoed?
Antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie
(23 oktober 2003)
De Commissie deelt de mening van het geachte parlementslid dat de regionale en minderheidstalen deel uitmaken van het Europees cultureel erfgoed.
De Commissie kan op cultuurgebied echter alleen een rol spelen binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar zijn toegekend krachtens artikel 151 van het EG-Verdrag, waarin wordt gesteld dat het optreden van de Gemeenschap erop gericht is de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel zijn de lidstaten verantwoordelijk voor de bescherming van de regionale en minderheidstalen.
Krachtens artikel 149 van het EG-Verdrag draagt de Gemeenschap bij tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig hun activiteiten te ondersteunen en aan te moedigen. Het optreden van de Gemeenschap is er onder meer op gericht „de Europese dimensie in het onderwijs tot ontwikkeling te brengen, met name door onderricht in en verspreiding van de talen der lidstaten”. Onderwijsinstellingen die onderricht geven in een regionale of minderheidstaal hebben evenveel recht om deel te nemen aan de acties van het Socrates/Comenius-programma als andere onderwijsinstellingen. Om het onderricht in deze talen te bevorderen, kunnen door het Socrates/Comenius-programma gefinancierde samenwerkingprojecten worden opgezet tussen instellingen voor lerarenopleiding en opleidingsbeurzen aan leraren worden verstrekt. Activiteiten in het kader van het leren van een taal als vreemde taal zijn bij het besluit tot instelling van het Socrates-programma echter voorbehouden aan de officiële talen, het Iers en het Luxemburgs.
Punt III. 1.1 van het actieplan van de Commissie „Het leren van talen en de taalverscheidenheid bevorderen” voorziet bovendien in de organisatie van een conferentie om de samenwerking te bevorderen bij thema's die van belang zijn voor regionale en minderheidstalen in het onderwijs.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/226 |
(2004/C 65 E/241)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2828/03
van Kathleen Van Brempt (PSE) aan de Commissie
(23 september 2003)
Betreft: Leesbaarheid herschrijfbare cd-roms
Waardevolle gegevens op cd-roms zijn in de praktijk niet altijd lang houdbaar. Uit een praktijktest van het Nederlandse computertijdschrift PC-Active blijkt dat de data op een zelfgebrande cd (cd-r/rew) binnen twee jaar onleesbaar kunnen worden. PC-Active heeft dertig merken herschrijfbare cd's aan een kwaliteitstest onderworpen. De beschreven computerschijfjes zijn twintig maanden bewaard in de originele verpakking in een afgesloten kast. Daarna is met een professionele cd-analyzer bekeken wat de staat van de cd-rom is. Uit de test bleek dat een aantal cd-r's volledig en andere gedeeltelijk onleesbaar waren geworden. Gegevens die twintig maanden geleden op de cd gezet waren, waren onleesbaar geworden. Het ging daarbij om bekende en minder bekende fabrikanten. Nochtans claimen fabrikanten van cd-roms dat hun producten op z'n minst tien jaar houdbaar zijn. Sommige fabrikanten claimen zelfs een houdbaarheid van een eeuw.
Is de Commissie op de hoogte van dit onderzoek?
Is de Commissie van plan actie te ondernemen naar aanleiding van deze onderzoeksresultaten? Zo ja, welke?
Zo neen, waarom niet? Is de Commissie van mening dat de claims over de leesbaarheid van de cd-roms misleidend zijn?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(28 oktober 2003)
De Commissie was niet op de hoogte van dit onderzoek naar de houdbaarheid van cd-roms en is niet bevoegd in concrete gevallen op te treden.
De Commissie zou het geachte parlementslid er echter op willen wijzen dat door een verkoper, producent of diens vertegenwoordiger publiekelijk gedane mededelingen over de specifieke kenmerken van goederen in b2c-relaties bepalend kunnen zijn voor de vraag of goederen in overeenstemming zijn met de overeenkomst. Goederen moeten vooral overeenstemmen met de overeenkomst (overweging 7 van Richtlijn 1999/44/EG van het Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (1)). Artikel 2, lid 2, onder d), van de richtlijn bepaalt dat goederen in overeenstemming zijn met de overeenkomst wanneer zij de kwaliteit en prestaties bieden die voor goederen van dezelfde soort normaal zijn, gelet op de aard van de goederen en op de eventuele met name in reclame of etikettering publiekelijk gedane mededelingen over de bijzondere kenmerken ervan.
De levensduur van een cd-rom en de houdbaarheid van de daarop vastgelegde gegevens kunnen worden beschouwd als bijzondere kenmerken. Als niet aan deze bijzondere kenmerken wordt voldaan, kan de consument verlangen dat de goederen door herstelling of vervanging in overeenstemming met de overeenkomst worden gebracht, dat de prijs wordt verminderd of dat de koopovereenkomst overeenkomstig artikel 3 van de richtlijn wordt ontbonden. De consument geniet deze wettelijke garantie gedurende minimaal twee jaar vanaf de aflevering van de goederen.
Valse beweringen over de kwaliteitskenmerken van goederen zijn mogelijk ook misleidend op grond van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake misleidende reclame (2), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/55/EG van het Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 (3) teneinde ook vergelijkende reclame te regelen. Het is aan de nationale autoriteiten om uit te maken of de door het geachte parlementslid bedoelde beweringen inzake de leesbaarheid van cd-roms krachtens deze richtlijn misleidend zijn. Meer in het algemeen ligt het op de weg van de nationale autoriteiten en niet op die van de Commissie om de Gemeenschaps- en nationale wetgeving ter bescherming van de consument te handhaven.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/227 |
(2004/C 65 E/242)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2829/03
van Jan Mulder (ELDR) aan de Commissie
(23 september 2003)
Betreft: Kosten van uitbraken van mond- en klauwzeer (MKZ)
|
1. |
Staat de Europese Commissie garant voor eventuele economische schade van boeren door afzetproblemen van vlees- en zuivelproducten van tegen MKZ ingeënte dieren als bij een uitbraak van MKZ een lidstaat overeenkomstig de onlangs vastgestelde MKZ-richtlijn rondom een uitbraak MKZ-gevoelige dieren inent en laat leven? |
|
2. |
Zo nee, realiseert de Commissie zich dat afweging van kosten en baten kan leiden tot keuze voor ruiming, omdat de totale schade bij toepassing van vaccinatie waarschijnlijk groter zal zijn? Beseft de Commissie dat hierdoor de kosten voor de Europese begroting juist hoger zullen zijn? |
|
3. |
Is de Commissie van plan de regeling voor schadevergoeding bij MKZ te evalueren en aan te passen in het licht van het bovenstaande? |
|
4. |
Ziet de Commissie mogelijkheden om de (Europese) afzet van vlees- en zuivelproducten van tegen MKZ ingeënte dieren te garanderen of te bevorderen, gezien de terughoudende positie van de betrokken industrie? |
|
5. |
Blijft de Commissie bij een uitbraak van MKZ de kosten van het ruimen van MKZ-gevoelige dieren voor de bestrijding van die uitbraak voor een deel vergoeden? |
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(31 oktober 2003)
Met betrekking tot de door het geachte parlementslid aan de orde gestelde vragen zou de Commissie willen verwijzen naar de nieuwe richtlijn tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond- en klauwzeer, die op 29 september 2003 door de Raad werd goedgekeurd (1).
In de nieuwe richtlijn wordt rekening gehouden met de resolutie van het Parlement van 12 december 2002. Ook zijn er de aanbevelingen in opgenomen die het Parlement, het Comité van de Regio's en het Europees Economisch en Sociaal Comité tijdens het raadplegingsproces hebben gedaan.
Alvorens in te gaan op de afzonderlijke vragen, zij eraan herinnerd dat aan de nieuwe richtlijn dezelfde beginselen ten grondslag liggen als aan Richtlijn 85/511/EEG van de Raad van 18 november 1985 tot vaststelling van gemeenschappelijke maatregelen ter bestrijding van mond- en klauwzeer (2), zij het met een accentverschuiving wat het gebruik van noodvaccinaties betreft. Op zijn vergadering van 12 juni 2003 heeft de Raad van de Ministers van Landbouw daarom afgesproken de bestaande beginselen van de communautaire bijdragen in de door de lidstaten gemaakte kosten voor de bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer, zoals neergelegd in Beschikking 90/424/EEG van de Raad van 26 juni 1990 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (3), te handhaven.
|
1. |
De Commissie verwijst naar artikel 11, lid 4, onder a), punt v), van Beschikking 90/424/EEG van de Raad. Dit voorziet in de mogelijkheid van schadeloosstelling van veehouders voor de door hen geleden verliezen ingevolge de beperkingen op de handel in fokdieren en mestvee ingevolge de wederinvoering van de noodvaccinatie. Van deze bepalingen is tot op heden geen gebruik gemaakt. |
|
2. |
De Commissie zou willen benadrukken dat de keuze van de uitroeiing strategie niet aan de afzonderlijke veehouders is. De nieuwe richtlijn geeft de lidstaten meer verantwoordelijkheden voor het welslagen van de uitroeiingsmaatregelen, maar voorziet tevens in een grotere flexibiliteit voor de bevoegde autoriteiten bij de keuze van de meest aangewezen bestrijdingsmethoden. |
|
3. |
Het geachte parlementslid is stellig op de hoogte van de aankondiging die de Commissaris voor gezondheid en consumentenbescherming tijdens de Landbouwraad van 22 april 2002 heeft gedaan naar aanleiding van een verzoek van het Parlement om een studie te laten uitvoeren naar „verzekeringsregelingen voor veehouders”. Deze studie is thans goed gevorderd en de Commissie verwacht binnenkort het door haar bestelde rapport te ontvangen. In aanvulling op dat rapport zullen de verzekeringssector en andere belanghebbenden worden geraadpleegd. Daarom kan deze studie nog niet als afgerond worden beschouwd en moet in deze uiterst complexe aangelegenheid in de verschillende sectoren nog verder worden gewerkt. |
|
4. |
De Commissie zou het geachte parlementslid willen attenderen op de huidige veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van vlees en zuivelproducten uit derde landen. Vlees van gevaccineerde dieren die zijn gefokt en geslacht in bepaalde Zuid-Amerikaanse landen, wordt zonder problemen op de Europese markt verkocht. De Commissie heeft echter altijd gepleit voor de veiligheid van deze producten en hun geschiktheid voor menselijke consumptie, en zal dat ook blijven doen. |
|
5. |
De Commissie verwijst opnieuw naar Beschikking 90/424/EEG en met name artikel 11. |
(1) [http://register.consilium.eu.int/pdf/nl/03/st112/st 12430-ad01 nl03.pdf].
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/228 |
(2004/C 65 E/243)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2830/03
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(18 september 2003)
Betreft: De spoorwegen in Griekenland
De modernisering van de Griekse spoorwegen is een van de permanente doelstellingen van de structurele interventies en is opgenomen in alle vroegere steunprogramma's. Is de Commissie van oordeel dat het programma voor de spoorwegen uit het tweede communautair bestek op bevredigende wijze is uitgevoerd? Wat is het uiteindelijke opnamepercentage ten opzichte van de oorspronkelijke en de herziene begroting van het project? Over welke gegevens beschikt de Commissie met betrekking tot de realisatie van het natuurlijk kader? Welke projecten op het gebied van de spoorwegen worden medegefinancierd door het derde communautair bestek en door het Cohesiefonds voor de programmeringsperiode 2000-2006? Welk is het opnamepercentage terzake?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(16 oktober 2003)
Het Operationeel Programma (OP) van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) 1994-1999 voor de modernisering van de Griekse spoorwegen en de daarmee verband houdende projecten van het Cohesiefonds zijn momenteel — administratief gezien — in de afsluitingsfase. De totale geplande EFRO-bijdrage aan het OP Spoorwegen 1994-1999 bedroeg 394 miljoen euro, waarvan tot dusver ongeveer 92 % is betaald. In het kader van het Cohesiefonds 1994-1999 werd bijstand voor een bedrag van 546 miljoen euro ten behoeve van Griekse spoorwegprojecten goedgekeurd, waarvan zo'n 86 % is betaald. De projecten hadden hoofdzakelijk betrekking op de modernisering van belangrijke baanvakken van de spoorwegas Korinthe-Athene-Thessaloniki en enkele daarmee verbonden trajecten (zoals Thessaloniki-Alexandroupolis en Paleofarsala-Kalambaka).
De Commissie heeft de uitvoering en het contractbeheer van bepaalde grote projecten nauwlettend gevolgd, in samenwerking met de nationale autoriteiten. Het betrof daarbij in het bijzonder spoorwerk-zaamheden waaronder de aanleg van tunnels en bruggen (bijv. bij Kallidromo, Tembi, Platamon), en het project voor elektrificering van de lijn. De Commissie heeft een aantal audits uitgevoerd en heeft opdracht gegeven tot een reeks expertises, waarvan de resultaten ten volle in aanmerking worden genomen voor de afsluiting van het programma en van de projecten in kwestie; deze is momenteel gaande en aan de hand daarvan zullen de definitieve bestedingscijfers voor de periode 1994-1999 kunnen worden vastgesteld.
Met de meeste van de grote spoorwegprojecten die in de vorige financieringsperiode op gang warden gebracht, zijn belangrijke investeringen op lange termijn gemoeid. Deze projecten zullen dan ook pas geheel zijn afgerond in het kader van het Operationeel Programma „Spoorwegen, Vliegvelden, Stadsverkeer” van het EFRO voor de periode 2000-2006 en de spoorwegprojecten van het Cohesiefonds voor de financieringsperiode 2000-2006. Tot de nieuwe projecten in de huidige periode behoren de modernisering van het spoorwegtraject Korinthe-Patras en de aanleg van het voorstadsnet van Athene.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/229 |
(2004/C 65 E/244)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2836/03
van Ulla Sandbæk (EDD) aan de Commissie
(18 september 2003)
Betreft: HIV (Human Immunodficiency Virus) en steunmaatregelen van de Commissie voor de ontwikkeling van een betaalbaar microbicide
Kan de Commissie, met het oog op de alarmerende toename van HIV-besmettingen bij vrouwen en meisjes en de duidelijke behoefte aan preventie aan vrouwelijke zijde, toelichten hoeveel steun zij momenteel door middel van verschillende instrumenten verleent voor de ontwikkeling van een veilig, doeltreffend en betaalbaar microbicide?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(16 oktober 2003)
Prioriteit 1 „Biowetenschappen, genomica en biotechnologie voor de gezondheid” van het zesde Kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (2002-2006) bevat een actielijn die gericht is op de belangrijkste met armoede samenhangende besmettelijke ziekten.
Via twee verschillende pijlers van deze actielijn wordt het onderzoek naar microbiciden gesteund.
Ten eerste worden projecten gesteund die geselecteerd zijn via klassieke oproepprocedures, waarbij gebruik wordt gemaakt van de twee nieuwe instrumenten (topnetwerken en geïntegreerde projecten). Bij de eerste oproep tot indiening van voorstellen werden twee geïntegreerde projecten inzake microbiciden geëvalueerd en er wordt momenteel over onderhandeld met de Commissie. Deze projecten zouden een looptijd van 5 jaar hebben en moeten leiden tot de ontwikkeling van een tweede generatie van microbiciden. In één project is het de bedoeling een ontwikkelingspijplijn op te zetten om uit een breed veld van potentieel werkzame stoffen die te selecteren welke in aanmerking komen.
In een ander project wordt specifiek gewerkt rond een nieuwe soort microbiciden en is het de bedoeling die in de eerste fase van de klinische proeven te brengen.
Belangrijke spelers op het gebied van HIV-microbiciden zijn verenigd in deze consortia. De integratie en complementariteit van beide benaderingen plaatsen Europa in een sterke strategische positie.
Ten tweede is recentelijk een gemeenschappelijk programma met de lidstaten en Noorwegen opgezet, het „Partnerschap voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden” (EDCTP — European and Developing Countries Clinical Trials Partnership), om nieuwe klinische interventies voor de bestrijding van HIV/AIDS, malaria en tuberculose te ontwikkelen via een samenwerkingsverband op de lange termijn tussen Europa en de ontwikkelingslanden. In de toekomst zouden klinische proeven van HIV-microbiciden via het EDCTP-programma in Afrika kunnen worden verricht. De acties op grond van het volksgezondheidsprogramma van de Gemeenschap zijn niet bedoeld om de ontwikkeling van geneesmiddelen te steunen en daar bestaan ook geen plannen voor.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/230 |
(2004/C 65 E/245)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2838/03
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(25 september 2003)
Betreft: Vernieling van de weg tussen Paradissia en Tsakona in het departement Messinia
De weg tussen Paradissia en Tsakona in het departement Messinia (Griekenland), die 13 kilometer lang is, werd gefinancierd door het eerste en tweede communautair bestek en in april 2000 ingehuldigd. Reeds in 1995 werden bodemproblemen aan deze weg geconstateerd, waarop de bevoegde regionale diensten in juli 1995 het Grieks Ministerie van milieu, ruimtelijke ordening en openbare werken verzochten een bodemreparatiestudie te verrichten omdat was gebleken dat er sprake was van aardverschuivingsproblemen. Dit verzoek werd evenwel genegeerd.
Op 20 maart 2000 wijst een adviseur van het Ministerie van milieu, ruimtelijke ordening en openbare werken in een rapport op de ernst van het probleem. Hierop wordt een reparatiestudie besteld, die op 29 april 2002 klaar is en waarin wordt bevestigd dat er effectief sprake is van een aardverschuiving met een schuivende massa van 3 miljoen kubieke meter. Er wordt evenwel geen enkele herstelling uitgevoerd tot 15 januari 2003, de dag waarop de „berg naar beneden komt” en de weg onbruikbaar wordt.
|
1. |
Kan de Commissie de bovenstaande feiten bevestigen of ontkennen? Werden de studies voor de aanleg van de weg toegepast? Werden er voldoende bodemstudies verricht? |
|
2. |
Was er een rapport van de bijzondere raad voor kwaliteitscontrole („ESPEL”) wegens kwaliteitsgebreken aan bovengenoemde weg? Heeft de controledienst voor openbare werken gelijkaardige stappen ondernomen? |
|
3. |
Kan de Commissie de reparatie van de weg medefinancieren indien de lidstaat hierom verzoekt? |
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(12 november 2003)
Uit de informatie verstrekt door de Griekse autoriteiten die bevoegd zijn voor het dagelijks beheer van de door de Structuurfondsen gesteunde projecten blijkt dat op 29 april 2002 een verslag werd ingediend waarin wordt vermeld dat de betrokken weg door een grondverschuiving is beschadigd. Op basis van dit verslag werd een bijkomend onderzoek uitgevoerd teneinde onder meer na te gaan wat het efficiëntste en meest doeltreffende middel is om het probleem aan te pakken. In de loop van dit onderzoek werd op 12 januari 2003, 15 dagen voor de grondverschuiving, besloten de weg om veiligheidsredenen af te sluiten.
Het controleorgaan ESPEL bracht twee bezoeken aan het betrokken project, waarover twee verslagen zijn uitgegeven. Tijdens deze twee bezoeken werd het verschijnsel niet geconstateerd en werd het project ingedeeld als zijnde vrij van technische problemen of tekortkomingen. Na de grondverschuiving heeft het team van inspecteurs voor openbare werken een inspectie verricht van het project en de omstandigheden waarin de grondverschuiving zich had voorgedaan, en een rapport uitgebracht dat de projectmanagers vrijstelde van alle aansprakelijkheid voor de schade.
De wederopbouw van de weg dient geheel uit nationale middelen te worden gefinancierd.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/230 |
(2004/C 65 E/246)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2841/03
van Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE) aan de Commissie
(25 september 2003)
Betreft: Sociale bijstandsuitkering en verblijfsrecht
Er doet zich een probleem voor bij een in Nederland wonend Duits gezin, bestaande uit: een alleenstaande (gescheiden) moeder (50 jaar) en 3 kinderen (14,18 en 19 jaar). De 19-jarige dochter heeft een kind dat zowel de Nederlandse als Duitse nationaliteit heeft. Het gezin woont reeds 15 jaar in Nederland. De moeder heeft meer dan 8 jaar als grensarbeider in Duitsland gewerkt en is daarna onvrijwillig werkloos geworden. Op grond van artikel 71, lid 1 sub a, ii) van Verordening (EEG) 1408/71 (1) ontvangt zij een Nederlandse werkloosheidsuitkering. Deze werkloosheidsuitkering wordt zeer binnenkort beëindigd. Tijdens de werkloosheidsperiode heeft het gezin recht gehad op Nederlandse kinderbijslag en op sociale voordelen zoals huursubsidie, studiefinanciering, enz. Op de verblijfskaart van de moeder — vernieuwd tijdens haar onvrijwillige werkloosheidsperiode — staat vermeld dat zij „een economisch niet-actief Gemeenschapsonderdaan is” en dat „bij beroep op publieke middelen het verblijfsrecht vervalt”. De Nederlandse vreemdelingenpolitie is van mening dat er na het beëindigen van de wettelijke werkloosheidsuitkering géén aanspraak bestaat op een Nederlandse sociale bijstandsuitkering. Er bestaat wel recht op een Nederlandse sociale bijstandsuitkering indien de moeder en oudste dochter op grond van het nationale Nederlands recht een zgn. „vergunning tot vestiging (onbepaalde duur)” aanvragen. Daarvoor geldt dat een legesbedrag van 511 EUR per persoon betaald moet worden (voor nieuwe inkomende EU-onderdanen: 890 EUR).
|
1. |
Vallen de Duitse moeder en haar 19-jarige Duitse dochter (met Nederlands/Duits kind) onder de werkingssfeer van Verordening (EEG) 1251/70 (2) (art. 4 en art. 7), respectievelijk Verordening (EEG) 1612/68 (3) (art. 7)? |
|
2. |
Indien dit het geval is, kan de moeder en de dochter dan een Nederlandse socialebijstandsuitkering geweigerd worden? |
|
3. |
Mag op de verblijfskaart van een Gemeenschapsonderdaan vermeld worden dat „bij beroep op publieke middelen het verblijfsrecht vervalt”? |
|
4. |
Is het toegestaan om een EU/EER-onderdaan die 15 jaar in Nederland verblijft een verblijfsvergunning voor onbepaalde duur aan te bieden tegen een legesbedrag van 511 EUR? |
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(30 oktober 2003)
|
1. |
en 2. Blijkens de in de schriftelijke vraag verstrekte informatie werken noch de Duitse moeder, noch een van haar kinderen in Nederland of hebben zij daar gewerkt. Daarom hebben zij, toen zij naar Nederland verhuisden, geen gebruik gemaakt van hun recht op vrij verkeer van werknemers, doch van hun recht op vrij verkeer van personen als bedoeld in Richtlijn 90/364/EEG van de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht (4). Daarom vallen de Duitse moeder en haar 19-jarige dochter niet onder de werkingssfeer van Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (artikel 39 EG) en Verordening (EEG) nr. 1251/70 van de Commissie van 29 juni 1970 met betrekking tot het recht van werknemers om verblijf te houden op het grondgebied van een lidstaat na er een betrekking te hebben vervuld. De voorschriften van deze verordeningen inzake de gelijke behandeling van EU-onderdanen zijn derhalve niet van toepassing. |
|
3. |
Aangezien migrerende werknemers en gepensioneerden die voldoen aan de voorwaarden van Verordening (EEG) nr. 1251/70, met betrekking tot alle sociale voordelen (inclusief sociale bijstand) recht hebben op dezelfde behandeling als de onderdanen van het gastland, is het niet toegestaan dat aan deze burgers verleende verblijfsvergunningen de vermelding bevatten dat het „recht van verblijf vervalt bij beroep op publieke middelen”. De Commissie is ook van oordeel dat de Nederlandse praktijk in strijd is met Richtlijn 90/364/EEG van de Raad. Daarom heeft zij een inbreukprocedure tegen Nederland ingeleid en werd op 3 april 2003 aan de Nederlandse autoriteiten een met redenen omkleed advies ingevolge artikel 226 van het EG-Verdrag verzonden. |
|
4. |
Volgens het huidige Gemeenschapsrecht is een lidstaat slechts verplicht burgers van de Unie een verblijfsvergunning voor een beperkte duur te verlenen (de duur hangt af van het recht op grond waarvan de burger in de andere lidstaat woont, bv. ten minste vijf jaar voor een migrerend werknemer). Volgens het Gemeenschapsrecht moeten deze verblijfsvergunningen kosteloos of tegen betaling van een bedrag dat niet meer bedraagt dan de leges die voor de afgifte van een identiteitsbewijs aan de eigen onderdanen in rekening worden gebracht, worden afgegeven of vernieuwd. De Commissie is evenwel van mening dat alleen de lidstaten bevoegd zijn om permanente verblijfsvergunningen aan EU-onderdanen af te geven. Zolang gegarandeerd is dat iedere EU-onderdaan recht heeft op een verblijfsvergunning voor beperkte duur, is het aan de lidstaat om uit te maken of en onder welke voorwaarden hij permanente verblijfsvergunningen verleent. De Commissie is daarom van oordeel dat de Nederlandse wetgeving in kwestie geen inbreuk vormt op het Gemeenschapsrecht. |
(1) PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2.
(2) PB L 142 van 30.6.1970, blz. 24.
(3) PB L 257 van 19.10.1968, blz. 2.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/232 |
(2004/C 65 E/247)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2842/03
van Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE) aan de Commissie
(25 september 2003)
Betreft: Invoering Duits statiegeldsysteem
Is de Commissie bekend met het uitgelekte rapport van het onafhankelijke Duitse instituut Prognos betreffende de gevolgen van de invoering van een Duits statiegeldsysteem voor eenmalige verpakkingen van dranken (tot 1,2 miljard euro kosten en bijna 10 000 banen)?
Trekt de Commissie naar aanleiding van dit rapport de conclusie dat met nog meer kracht gewerkt moet worden aan een verbetering van, of het verdwijnen van dit Duitse statiegeldsysteem?
Antwoord van mevrouw Wallström namens de Commissie
(23 oktober 2003)
Het standpunt van de Commissie over het Duitse statiegeldsysteem is uiteengezet in haar antwoord van 3 juli 2003 op schriftelijke vraag E-1549/03 van de heer Manders (1) en van 29 augustus 2003 op schriftelijke vraag E-2519/03 van het geachte parlementslid en mevrouw Grossetête (2). Momenteel wordt in Duitsland gewerkt aan maatregelen ter invoering van een inzamelsysteem voor eenmalige verpakkingen die door de statiegeldregeling worden getroffen. De Commissie volgt dit proces op de voet. De door het geachte parlementslid genoemde studie zal bij de evaluatie van het Duitse systeem worden meegenomen. Op grond van de resultaten van deze evaluatie zal de Commissie niet aarzelen passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de Gemeenschapswetgeving wordt nageleefd.
(1) PB C 11 E van 15.1.2004, blz. 192.
(2) PB C 33 E van 6.2.2004, blz. 267.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/232 |
(2004/C 65 E/248)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2852/03
van Raffaele Costa (PPE-DE) aan de Commissie
(26 september 2003)
Betreft: Italiaanse projecten in het kader van het communautaire actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid
Uit cijfers van de Europese Commissie betreffende de projecten die worden gesubsidieerd in het kader van het communautaire actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid blijkt dat tussen 1996 en 2002in totaal 171 projecten zijn goedgekeurd en gefinancierd voor een bedrag van ongeveer 37 miljoen euro. Slechts twee daarvan, voor een bedrag van 500 000 EUR elk, waren afkomstig uit Italië.
Kan de Commissie mij meedelen hoeveel Italiaanse projecten in het kader van dat actieprogramma waren ingediend, zodat duidelijk wordt of er inderdaad in het algemeen weinig Italiaanse projecten zijn ingediend, dan wel of er telkens terugkerende redenen bestaan om die projecten af te wijzen?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(29 oktober 2003)
Overeenkomstig de tabel die als bijlage bij het antwoord op de schriftelijke vraag E-2386/03 (1) van het geachte parlementslid is gevoegd, waren er in de periode 1996-2002 inderdaad twee Italiaanse projecten die werden gefinancierd in het kader van het programma inzake gezondheidsbevordering:
|
— |
Interuniversitary Experimental Centre for Health Education voor het project „The contribution of Southern European Countries in the elaboration of a European multilingual thesaurus for Health Promotion and Education” voor een bedrag van 92 387,00 EUR in 1996; |
|
— |
IRCCS Burlo Garofolo voor het project „Breastfeeding Promotion in Europe” voor een bedrag van 364 945,91 EUR in 2002. |
In 2002 werden in het kader van het programma inzake gezondheidsbevordering 15 Italiaanse projecten ingediend (op een totaal van 78 ingediende projecten, waarvan er 18 werden aanvaard).
De selectie van de projecten na afloop van de oproepen tot het indienen van voorstellen is uitsluitend op basis van de kwaliteit van het voorgestelde project gebeurd, volgens de strikte criteria in de oproepen tot het indienen van voorstellen die in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn gepubliceerd. Bij de beoordeling van de projecten wordt geen enkele overweging van nationale aard in aanmerking genomen.
Niettemin vestigt de Commissie de aandacht van het geachte parlementslid op twee punten:
|
— |
in het geval van de twee bovengenoemde projecten had de projectcoördinator de Italiaanse nationaliteit. De meeste geselecteerde projecten hebben evenwel betrekking op het hele grondgebied van de Gemeenschap en dus is de kans erg groot dat er partners van Italiaanse nationaliteit betrokken waren bij andere projecten in het kader van het programma inzake gezondheidsbevordering. De Commissie beschikt evenwel niet over precieze gegevens over het budget dat aan alle partners van alle projecten is toegekend; |
|
— |
tijdens de programmaperiode 1996-2002 heeft de Commissie ook andere projecten op het gebied van volksgezondheid met een Italiaanse coördinator gefinancierd (104 om precies te zijn), naast de twee bovengenoemde projecten in het kader van het programma inzake gezondheidsbevordering:
|
(1) PB C 33 E van 6.2.2004, blz. 259.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/233 |
(2004/C 65 E/249)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2867/03
van Brice Hortefeux (PPE-DE) aan de Commissie
(26 september 2003)
Betreft: Achterstand op het gebied van hoger onderwijs
De afgelopen maanden zijn de moeilijkheden omtrent naleving van het groei- en stabiliteitspact duidelijk aan het licht gekomen. Er dient te worden geconstateerd dat de belangrijkste Europese politieke en economische doelstellingen op het gebied van de groei niet zijn gehaald.
Hetgeen echter nog erger is, is dat de Europese Unie niet de basis legt voor de groei van morgen: onze collectieve achterstand op de gebieden hoger onderwijs, onderzoek en innovatie is zeer verontrustend. Terwijl de Amerikanen 3 % van hun BBP aan hoger onderwijs uitgeven, trekken de Europeanen er slechts 1,4 % voor uit. Terwijl de Verenigde Staten 2,8 % van hun nationaal inkomen aan onderzoek besteden, geeft de EU er slechts 1,9 % aan uit en alles wijst erop dat elke euro minder doeltreffend gespendeerd wordt. Terwijl de Amerikanen zich inzetten om een kenniseconomie op te bouwen, beperken wij ons tot vrome beloften betreffende succes in de toekomst. De verwachting voor de toekomst is dan ook niet dat Europa de achterstand zal goedmaken, een wens van de staatshoofden in Lissabon in het voorjaar van 2000, maar juist een nog grotere achterstand zal oplopen, overeenkomstig de situatie op het vlak van de groei.
Overweegt de Commissie in dit verband een actieplan voor te leggen om deze negatieve ontwikkelingen te keren?
Antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie
(31 oktober 2003)
De Commissie deelt de bezorgdheid van het geachte parlementslid over de dubbele investeringsachterstand van de Unie op het gebied van hoger onderwijs en onderzoek en innovatie, maar is niet van mening dat hieruit kan worden besloten dat de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (GREB) op het gebied van de groei tekort zijn geschoten.
In verscheidene recente mededelingen (1) heeft de Commissie haar bezorgdheid uitgedrukt over de ontoereikende uitgaven op het gebied van onderwijs en onderzoek in Europa. Hieruit blijkt dat de Verenigde Staten beduidend meer investeren op deze gebieden (in procenten van het BBP) en dat de kloof dus hoofdzakelijk te wijten is aan de te lage investeringen door de private sector in Europa. De Commissie komt in deze mededelingen tot het besluit dat er behoefte is aan een gerichte verhoging van deze investeringen, doeltreffender openbare uitgaven op deze gebieden en een gunstiger regelgevingskader voor private investeringen.
In deze mededelingen wordt ook benadrukt dat deze situatie risico's inhoudt en dat het de verantwoordelijkheid van de lidstaten is te vermijden dat de kwaliteit en de relevantie van hun onderwijs-en onderzoeksystemen, de verwezenlijking van de interne doelstellingen van de Unie en het internationale concurrentievermogen van de Unie in het gedrang komen door te lage investeringen op deze gebieden. Ondanks deze risico's mogen we echter niet uit het oog verliezen dat de groeiperspectieven op middellange termijn gunstig zijn, met name dankzij de macro-economische strategie van de GREB.
De Commissie beseft dat er behoefte is aan hervormingen en meer investeringen om de situatie om te buigen en zal de lidstaten hiertoe blijven aansporen. Zij heeft reeds een actieplan voorgesteld om de investeringen in onderzoek en ontwikkeling tegen 2010 te doen stijgen tot 3 % van het BBP, het doel dat de Europese Raad zich in Barcelona heeft gesteld (2). Recentelijk heeft zij ook een reeks maatregelen voorgesteld om de groei aan te zwengelen door investeringen in netwerken en kennis. Ze herinnert er ook aan dat meer en betere investeringen in het hoger onderwijs nodig zijn (met name in het verslag over het „Werkprogramma voor de follow-up inzake de doelstellingen voor de onderwijs- en opleidingsstelsels” (3), dat ze in 2004 op de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad zal presenteren). Om de doelstellingen van Lissabon te verwezenlijken een groter beroep gedaan op de structuurfondsen en de Europese Investeringsbank (met name via het initiatief Innovatie 2010). Ook de toekomstige generaties communautaire programma's zullen zich in die zin ontwikkelen.
In het voorjaar van 2004 zal de Commissie bekendmaken welke conclusies ze trekt uit de reacties op de mededeling over de rol van de universiteiten in het Europa van de kennis. In dit stadium is het onmogelijk te zeggen of deze conclusies de vorm van een specifiek actieplan zullen aannemen of aanleiding zullen geven tot een versterking van de bovengenoemde convergente maatregelen.
(1) Naar een Europese onderzoekruimte, COM(2000) 6 def; Meer onderzoek voor Europa — Op weg naar 3 % van het BBP, COM(2002)499 def; De Europese onderzoekruimte: een nieuwe aanpak, COM(2002)565 def; Efficiënt investeren in onderwijs en beroepsopleiding: een dwingende noodzaak voor Europa, COM(2002) 779 def; De rol van de universiteiten in het Europa van de kennis, COM(2003) 58 def.
(2) Investeren in onderzoek: een actieplan voor Europa, COM(2003) 226 van 30 april 2003.
(3) Gedetailleerd werkprogramma voor de follow-up inzake de doelstellingen voor de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa, PB C 142 van 14.6.2002.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/235 |
(2004/C 65 E/250)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2869/03
van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Commissie
(26 september 2003)
Betreft: Partnerschap voor klinische proeven tussen Europese en ontwikkelingslanden (EDCTP)
Het EDCTP zal de uitvoering van klinische proeven steunen en de samenwerking tussen wetenschappers uit Europa en ontwikkelingslanden versterken. Hoe zullen de intellectuele eigendomsrechten op producten die uit dit gezamenlijke onderzoek voortkomen, beheerd/gedeeld worden?
Antwoord van de heer Busquin namens de Commissie
(24 oktober 2003)
Bij de besprekingen in het Parlement en de Raad die uitmondden in de goedkeuring van Beschikking 1209/2003/EG (1) van 16 juni 2003 betreffende de deelname van de Gemeenschap aan het EDCTP-programma, werd gepoogd een evenwicht te vinden tussen het bevorderen van deelname van de sector door een adequate bescherming van intellectuele eigendomsrechten enerzijds, en het streven de bevolking van de ontwikkelingslanden een gemakkelijke en betaalbare toegang tot de onderzoeksresultaten te verschaffen anderzijds. Het bepaalde in artikel 2, onder g), is de neerslag van dit compromis:
|
|
Voorwaarde voor de financiële bijdrage van de Gemeenschap is dat de bepalingen betreffende intellectuele eigendomsrechten aldus zijn geformuleerd, dat zij ook voorzien, voor de bevolking van de ontwikkelingslanden, in een gemakkelijke en betaalbare toegang tot de onderzoeksresultaten van activiteiten van het EDCTP-programma en tot de producten die rechtstreeks voortvloeien uit die resultaten. |
Deze bepaling is overgenomen door de nieuwe structuur (Europees Economisch Samenwerkingsverband (European Economic Interest Grouping — EEIG)) die op 27 juni 2003 in Nederland is opgericht om uitvoering te geven aan het EDCTP-programma.
De statuten van het EEIG bevatten reeds bepalingen die een weergave zijn van artikel 2, onder g), en in het contract tussen de Commissie en het EEIG zullen dezelfde eisen worden opgenomen. Het EEIG moet erop toezien dat deze bepaling wordt toegepast voor elk van de klinische proeven die het financiert.
De Commissie zal de toepassing van artikel 2, onder g), door het EEIG nauwlettend volgen.
(1) Beschikking nr. 1209/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2003 betreffende de deelname van de Gemeenschap aan een programma voor onderzoek en ontwikkeling met het oog op de ontwikkeling van nieuwe klinische interventies voor de bestrijding van hiv/aids, malaria en tuberculose door middel van een partnerschap op lange termijn tussen Europa en de ontwikkelingslanden, opgezet door verscheidene lidstaten, PB L 169 van 8.7.2003.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/235 |
(2004/C 65 E/251)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2872/03
van Margrietus van den Berg (PSE) aan de Raad
(22 september 2003)
Betreft: Berging veerboot Le Joola
Een jaar geleden zonk voor de Senegalese kust de veerboot Le Joola. 1863 mensen vonden daarbij de dood, waaronder tientallen Europeanen. Tot op de dag van vandaag ligt het schip met daarin de lichamen van de slachtoffers voor de kust. Ondanks lobby van nabestaanden en het Europees Parlement is nog altijd niet bereikt dat het schip geborgen wordt. De Senegalese president Wade heeft onlangs toegezegd dat hij berging niet langer zal aanvechten. Echter, de financiën ontbreken. Voor de nabestaanden is het van het grootste belang dat door middel van berging waardig afscheid kan worden genomen van hun familie en vrienden.
Kan de Raad aangeven wat hij het afgelopen jaar heeft ondernomen om deze Afrikaanse en Europese burgers te bergen? Is het niet de morele plicht van de Europese Unie, en dus de Raad, om in samenwerking met Senegal de berging te coördineren? Laat de Raad nabestaanden en slachtoffers alsnog in de steek? Wat denkt de Raad nog te kunnen doen?
Antwoord
(17 november 2003)
Verordening nr. 1257/96 van 20 juni 1996 van de Raad betreffende humanitaire hulp handelt niet over het verstrekken van hulp aan de nabestaanden van de slachtoffers van de onfortuinlijke schipbreuk van Le Joola, zoals Commissielid Nielson memoreert in zijn antwoord op schriftelijke vraag E-31666/02 (15 januari 2003).
De Europese Unie is door de Senegalese autoriteiten niet benaderd om te helpen bij de berging van de Joola. De EU heeft geen rechtstreekse financiële hulp geboden aan de slachtoffers en hun nabestaanden, maar zij verleent uit het Ontwikkelingsfonds geregelde hulp aan Senegal. De Europese Investeringsbank denkt eraan om een bijdrage te leveren (in samenwerking met Duitsland) voor de volledige herstelling van de scheepvaartlijn tussen Dakar en Ziguinchor, die door het ongeluk werd onderbroken.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/236 |
(2004/C 65 E/252)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2876/03
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(29 september 2003)
Betreft: Aanleren van voedingsgewoontes op de scholen
Volgens gezaghebbende medische onderzoeken wordt in de landen van de EU een grote stijging waargenomen van het aantal personen met hartaandoeningen en diabetes type 2, welke hoofdzakelijk te wijten zijn aan slechte voeding en overtollig gewicht.
Kan de Commissie, overwegende dat de voedingsgewoontes van kleins af worden aangeleerd en dat niet alleen het gezin een grote rol speelt maar ook de school en het eten dat in de schoolkantines wordt opgediend, antwoorden op de volgende vragen:
|
1. |
Hebben de diensten van de EU het probleem bestudeerd van het aanleren van voedingsgewoontes bij de schoolgaande jeugd? Is rekening gehouden met de verklaring die is afgelegd op de Winning Hearts-conferentie op 14 februari 2000 in het kader van het Europees initiatief voor een gezond hart? |
|
2. |
Is de Commissie voornemens initiatieven te nemen voor het opstellen van een wetgevend kader zodat de schoolkantines voedingsmiddelen opdienen die de gezondheid van de kinderen niet schaden en die niet leiden tot overconsumptie van verzadigde vetten, zout, suiker, koolzuurhoudende dranken, enz.? |
|
3. |
Financiert de Commissie programma's voor het aanleren van gezonde voedingsgewoontes in de scholen? |
|
4. |
Heeft de Commissie cijfers over de prestaties van elke lidstaat op dit gebied? |
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(16 oktober 2003)
De Commissie is zich ten zeerste bewust van het belang van de voeding voor een goede gezondheid. Dat is weerspiegeld in het actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008) dat voorziet in strategieën en maatregelen inzake voeding als een levensstijlgerelateerde gezondheidsdeterminant. Bovendien voorziet het werkprogramma voor 2003 voor dit programma in de ontwikkeling van innovatieve maatregelen en benaderingen om de gewoonten inzake voeding en lichaamsbeweging in alle bevolkingsgroepen te verbeteren.
De voedingsgewoonten van kinderen zijn een bijzondere zorg. Concreet heeft de Gemeenschap voorzien in permanente financiering van het Europees netwerk van gezondheidsbevorderende scholen (ENHPS), een gemeenschappelijk initiatief van de Raad van Europa, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Commissie. Eén van de doelstellingen van dit project is de bevordering van de voedingsgewoonten in de scholen in heel Europa. Meer informatie over dit project vindt u op de volgende internetsite: [http://www.who.dk/eprise/main/WHO/Progs/ENHPS/Home].
Een belangrijk nieuw project op dit gebied, waarvoor de Commissie momenteel de financiering overweegt, is het initiatief „Kinderen, zwaarlijvigheid en daarmee gepaard gaande vermijdbare chronische ziekten”, dat wordt gecoördineerd door het Europese hartnetwerk. Dit grootschalige pan-Europese project zal alle „obesogene” factoren in de omgeving van kinderen, ook in de schoolomgeving, onderzoeken.
Beide projecten volgen duidelijk de verklaring van de „Winning Hearts conference” van 2000 op, waarin staat te lezen dat elk kind dat in het nieuwe millennium wordt geboren het recht heeft om minstens 65 jaar te worden zonder te lijden aan vermijdbare hart- en vaatziekten. In deze context wil de Commissie ook onderstrepen dat de belangrijkste prioriteit van het komende Ierse voorzitterschap op het gebied van de volksgezondheid de preventie van hart- en vaatziekten is.
Wat de samenstelling van schoolmaaltijden betreft, is de Gemeenschap niet bevoegd om bindende wetgeving op dit gebied goed te keuren. De hierboven beschreven initiatieven en de verspreiding van hun resultaten zullen evenwel bijdragen tot de bewustmaking inzake de voeding van kinderen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/237 |
(2004/C 65 E/253)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2881/03
van Jan Dhaene (PSE) aan de Commissie
(29 september 2003)
Betreft: Fietsendiefstal
Jaarlijks worden immense hoeveelheden fietsen gestolen. Deze fietsen worden gestolen voor individueel gebruik, maar grote aantallen fietsen komen ook terecht in circuits van heling. Deze circuits zijn soms internationaal georganiseerd.
Uit Belgisch onderzoek blijkt ook dat fietsendiefstal het „dagelijks brood” is van criminelen die zwaardere criminaliteit opzetten. Fietsendiefstal is de meest verspreide vorm van criminaliteit in Europa.
De plannen die de industrie op verzoek van consumentenorganisaties en de Europese Wielrijdersbond wilde ontwikkelen rond uniformisering van serienummers, identity-chips en verplichting tot beugelslot, zijn afgesprongen.
Daarom de volgende vragen aan de Commissie:
|
— |
Beschikt de Commissie over accurate gegevens over de hoeveelheid fietsen die gestolen worden in de verschillende lidstaten en over de aard van bestemming van deze gestolen goederen? |
|
— |
Erkent de Commissie de impact van massale fietsendiefstal op de aantrekkelijkheid van fietsen als duurzame vervoerswijze, en op het onveiligheidsgevoel van burgers? |
|
— |
Plant de Commissie samen met de fietssector preventieve acties om fietsendiefstal te voorkomen? |
Antwoord van de heer Vitorino namens de Commissie
(29 oktober 2003)
De Commissie kan het geachte parlementslid het volgende meedelen.
Er zijn maar voor acht lidstaten gegevens beschikbaar inzake fietsendiefstal. Van die acht lidstaten wordt in België, Denemarken, Nederland en Zweden het grootste aantal fietsen per inwoner gestolen.
Alhoewel er geen harde bewijzen bestaan betreffende de bestemming van de gestolen fietsen, zijn er toch duidelijke aanwijzingen dat de meeste gestolen fietsen verkocht worden aan particulieren, en dat rechtstreeks of op zogenaamde „gesloten” markten.
Er lijken geen aanwijzingen te zijn dat de aantrekkelijkheid van fietsen als duurzaam transportmiddel vermindert omdat ze soms worden gestolen. Onderzoek bij de slachtoffers heeft echter aangetoond dat het onveiligheidsgevoel bij de bevolking toeneemt wanneer mensen het slachtoffer worden van een misdrijf, bijvoorbeeld fietsendiefstal. Het onveiligheidsgevoel in de Unie is tussen 1996 en 2002 gestaag toegenomen.
Fietsendiefstal is een grotendeels lokaal, regionaal of nationaal fenomeen. Daarom kunnen en moeten op die niveaus in de lidstaten efficiënte oplossingen worden gevonden. Verder kan het op communautair niveau nuttig zijn om via het Europees netwerk inzake criminaliteitspreventie na te gaan of in sommige lidstaten efficiënte maatregelen ter voorkoming van fietsendiefstal bestaan die ook in andere lidstaten kunnen worden toegepast.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/238 |
(2004/C 65 E/254)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2882/03
van Antonios Trakatellis (PPE-DE) aan de Commissie
(22 september 2003)
Betreft: Toepassing van Richtlijn 2000/35/EG in de EU en achterstand in de betalingen aan ziekenhuizen door de overheid en overheidsinstanties in Griekenland
Richtlijn 2000/35/EG (1) betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties bepaalt in artikel 3 onder meer dat de lidstaten ervoor zorgen dat interest verschuldigd is met ingang van de dag volgend op de datum voor betaling of op het verstrijken van de termijn voor betaling, welke zijn vastgesteld in de overeenkomst, en bevat tevens diverse andere bepalingen om dit fenomeen in de interne markt te bestrijden. Drie van de vijftien lidstaten van de Unie hebben deze richtlijn nog niet in nationaal recht omgezet. Naar verluidt bevinden heel wat ziekenhuizen in Griekenland zich in een zeer penibele financiële situatie als gevolg van de torenhoge schulden van de verzekeringsinstanties (hoofdzakelijk overheidsinstanties) die voor de verzorging van hun aangesloten leden moeten betalen. Alleen al aan het regionaal ziekenhuis van Poligiros (Halkidiki) bijvoorbeeld is 2,5 miljoen euro verschuldigd — waarvan 1,5 miljoen door OGA (socialezekerheidsorganisatie voor de landbouwsector), die tot de overheidssector in de ruime zin van het woord behoort. Verder zijn de openbare ziekenhuizen in Griekenland volgens recente cijfers meer dan 1,174 miljard euro aan hun leveranciers verschuldigd, dit amper twee jaar na de kwijtschelding van hun vorige schulden, met een verstoring van de markt, oligopolievorming, verzorging op concurrentiële basis en een tekort aan bepaalde middelen tot gevolg.
Welke landen hebben deze richtlijn nog niet in nationaal recht omgezet en welke maatregelen zal de Commissie als hoedster van de Verdragen treffen tegen de lidstaten die het communautair recht schenden om ervoor te zorgen dat dit volledig wordt nageleefd en dat de interne markt normaal functioneert?
De schulden van de overheid, de verzekeringsinstanties en de organisaties en ondernemingen uit de overheidssector in de ruime zin van het woord (bijv. banken e.a.) aan de ziekenhuizen zijn betalingen overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn. Welke maatregelen denkt de Commissie bijgevolg te nemen opdat in Griekenland de overeenkomsten die na 8 augustus 2002 zijn gesloten (datum van inwerkingtreding van de schuldenrichtlijn) worden uitgevoerd?
Hoe kan de normale werking van de interne markt worden gewaarborgd en de betalingsachterstand in het belang van de burgers, de ondernemingen en de beoefenaars van vrije beroepen worden bestreden als overheidsinstanties of een lidstaat binnen de Unie hun schulden niet betalen?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(10 oktober 2003)
De Griekse overheid heeft de Commissie meegedeeld dat ze Richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties heeft omgezet bij presidentieel decreet nr. 166/2003, gepubliceerd in de staatscourant nr. 138 van 5 juni 2003.
De Commissie gaat momenteel na of deze en door andere lidstaten meegedeelde omzettingswetgeving in overeenstemming is met de richtlijn.
Alleen Spanje en Luxemburg hebben geen omzettingsmaatregelen aan de Commissie meegedeeld. De Commissie heeft daarom in juni 2003 besloten deze inbreuken op het EG-Verdrag aanhangig te maken bij het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 226.
Door de omzetting van de richtlijn in Griekenland kunnen schuldeisers in die lidstaat nu op de bepalingen van de richtlijn een beroep doen wanneer zij acties ondernemen tegen schuldenaars. Op de website van de Commissie [http://europa.eu.int/comm/enterprise/regulation/late_payments/implementation.htm] staat meer informatie over de richtlijn en de economische doelstellingen ervan.
Naast de toepassing van de richtlijn betreffende bestrijding van betalingsachterstand zal de Commissie vóór eind 2003 ook een voorstel indienen voor een verordening betreffende een Europese procedure inzake betalingsbevelen, d.w.z. een uniforme Europese procedure voor de snelle en doeltreffende inning van niet-betwiste vorderingen in burgerlijke en handelszaken. Als een dergelijke procedure in de hele Gemeenschap beschikbaar wordt, beschikken schuldeisers over een waardevol instrument om betalingsachterstanden bij niet-betwiste vorderingen te bestrijden.
(1) PB L 200 van 8.8.2000, blz. 35.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/239 |
(2004/C 65 E/255)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2883/03
van Charles Tannock (PPE-DE) aan de Commissie
(22 september 2003)
Betreft: Beschuldigingen prijsafspraken Kanaalveerbootondernemingen
Terwijl het mogelijk is voor een zeer lage prijs het Engelse Kanaal per veerboot over te steken en dezelfde dag terug te keren, is de prijs van een overtocht bij alle veerbootmaatschappijen veel, en soms wel honderden ponden hoger, wanneer men langer wil blijven. Omdat het om precies dezelfde vorm van dienstverlening gaat, bestaat de indruk dat personen die een dagreis maken gesubsidieerd worden door passagiers die voor een langer verblijf kiezen; het feit dat alle maatschappijen deze praktijk blijken toe te passen, zou bovendien betekenen dat er sprake is van illegale prijsafspraken. Is de Commissie van oordeel dat dit inderdaad het geval is en, zo ja, heeft de Commissie alle Kanaalveerbootmaatschappijen gevraagd om een toelichting op hun prijsstellingsbeleid?
Verder zijn er aanwijzingen dat passagiers die bij veerbootmaatschappijen goedkope retourtickets kopen met een creditcard en die, om welke reden dan ook, geen gebruik maken van de terugreis, zonder hun toestemming enorm hoge extra kosten in rekening worden gebracht die gelijk zijn aan de prijs van het tarief voor een reis met een langere verblijfsduur. Bekend is dat luchtvaartmaatschappijen die van of naar Europese bestemmingen vliegen ook hogere bedragen in rekening brengen voor enkele reizen dan voor retourreizen, en ook aanzienlijk extra bedragen in rekening brengen bij passagiers die een retourticket kopen, maar slechts een enkele reis maken.
Is de Commissie van mening dat dergelijke tariefstructuren gerechtvaardigd zijn en is de Commissie van oordeel dat deze in overeenstemming zijn met de Europese mededingingsvereisten?
Antwoord van de heer Monti namens de Commissie
(20 oktober 2003)
In de Unie kunnen vervoerondernemers in principe vrij hun prijzen bepalen. Bijgevolg kunnen ze klanten voor verschillende soorten dienstverleningen andere prijzen aanrekenen. Vervoerdiensten kunnen worden ingedeeld op basis van verschillende objectieve factoren die afgestemd zijn op de specifieke behoeften van een bepaalde doelgroep. De Commissie kan geen bezwaar maken tegen een prijsstelsel waarbij dagretours, waarmee men nieuwe klanten wil lokken en dat zich richt tot een doelgroep die op korte termijn beslist, worden aangeboden onder andere voorwaarden en voor een andere prijs dan gewone retourdiensten.
Er zou echter wel sprake zijn van een inbreuk op het communautaire mededingingsrecht als twee of meer ondernemingen hadden afgesproken de beschikbaarheid van goedkopere tickets gezamenlijk te beperken. Ook als ondernemingen met een machtspositie discriminerende prijzen hanteren zou dit een schending kunnen betekenen van het communautaire mededingingsrecht. Deze regels gelden zowel voor de maritieme sector als de luchtvaartsector.
Wat betreft het vervoer over het Kanaal, waarnaar het geachte parlementslid verwijst, moet worden opgemerkt dat de Commissie onlangs inspecties heeft gehouden bij enkele exploitanten van veerdiensten over het Kanaal (1). Het doel van deze inspecties was na te gaan of deze ondernemingen onder andere afspraken maken inzake prijzen en handelsvoorwaarden. Tijdens het onderzoek van de Commissie zullen ook de tariefpraktijken waarnaar het geachte parlementslid verwijst, grondig worden onderzocht. De Commissie zal haar standpunt bekendmaken zodra dit onderzoek is afgerond.
(1) MEMO/03/168 van 3 september 2003; Persbericht betreffende inspecties bij exploitanten van veerdiensten over het Kanaal.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/240 |
(2004/C 65 E/256)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2892/03
van Mario Borghezio (NI) aan de Commissie
(29 september 2003)
Betreft: Efficiëntere systemen van certificering van constructiestaal afkomstig uit derde landen
Hoe efficiënter en strikter een systeem van certificering voor constructiestaal is, des te beter kan de veiligheid van bouwwerken worden gewaarborgd, vooral in landen en regio's met een aanzienlijk seismisch risico.
Nu voert de EU uit tal van derde landen (zoals Turkije, Oekraïne, enz.) grote hoeveelheden rondstaal voor gewapend beton en walsdraad in, afkomstig van producenten die in het bezit zijn van homologaties en certificaten die helaas niet altijd voldoende garanties inhouden voor een veilig gebruik van deze producten in bouwwerken en zelfs buitengewoon ernstige gevaren opleveren indien het staal wordt gebruikt in zones waar aardbevingen en/of overstromingen voorkomen.
Is de Commissie bereid maatregelen te nemen om de systemen van certificering en homologatie die in de lidstaten gelden op het meest strenge niveau te harmoniseren?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(28 oktober 2003)
De veiligheid van de constructie, zowel voor gebouwen als voor kunstwerken, is het eerste van de zes fundamentele voorschriften die de grondslag vormen van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 (1), de zogenoemde richtlijn bouwproducten, die het vrije verkeer moet garanderen van de producten, alsook hun geschiktheid om te worden aangewend in een zo veilig mogelijke context.
Deze richtlijn bepaalt dat de producten geschikt moeten zijn voor gebruik en dat die geschiktheid wordt bepaald aan de hand van technische specificaties, de zogenoemde „geharmoniseerde” normen en technische goedkeuringen.
De richtlijn bouwproducten bepaalt voorts dat wanneer er een geharmoniseerde norm of goedkeuring bestaat, dat element dwingend en verplicht wordt en moet worden beschouwd als de enige referentie om de conformiteit van de producten met de fundamentele voorschriften te bewijzen, en bijgevolg ook hun geschiktheid om te worden gebruikt en op de markt te worden gebracht met aanbrenging van het EG-merkteken.
Voor constructiestaal, dat een belangrijke groep van bouwproducten vertegenwoordigt, is een specifiek normalisatiemandaat — M 115 — vastgesteld door de Commissie en goedgekeurd door het Permanent Comité voor de bouw. Dat mandaat is aan het Europees Comité voor normalisatie (CEN) verleend opdat zeven geharmoniseerde normen voor het hoogste niveau van conformiteitsverklaring, niveau 1 genoemd, worden vastgesteld zodat zou kunnen worden beoordeeld of staal voor het wapenen van beton en staal dat als constructiestaal wordt gedefinieerd beantwoordt aan de fundamentele voorschriften van de richtlijn bouwproducten.
De richtlijn bouwproducten en de technische referenties voor de toepassing ervan, met name de geharmoniseerde technische specificaties, zijn het rechtsinstrument van de Europese wetgeving om het vrije verkeer van bouwproducten te garanderen door middel van een technische harmonisatie die het hoogste veiligheidsniveau verzekert en tezelfdertijd de mogelijkheid van een EG-merkteken biedt.
De nationale autoriteiten zijn evenwel belast met de controle van de certificatie en de homologatie van producten en materialen die van het EG-merkteken kunnen worden voorzien. Zij zijn als enigen verantwoordelijk voor de veiligheid van de werken.
De geharmoniseerde technische specificaties voor deze groep van producten zijn nog niet volledig beschikbaar: naarmate het Europees Comité voor normalisatie ze afwerkt zal de Commissie de referenties ervan bekendmaken in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.
(1) Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake voor de bouw bestemde producten, PB L 40 van 11.2.1989.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/241 |
(2004/C 65 E/257)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2896/03
van Patricia McKenna (Verts/ALE) aan de Commissie
(23 september 2003)
Betref: EU-programma voor vrede en verzoening
|
1. |
Is Brussel verantwoordelijk voor de follow-up van het EU-programma voor vrede en verzoening? |
|
2. |
Wie heeft de huidige voorwaarden opgesteld waaraan moet worden voldaan om in het kader van dit programma in aanmerking te komen voor financiële steun? |
|
3. |
Wordt het EU-programma voor vrede en verzoening aan een accountantsonderzoek onderworpen? |
|
4. |
Hoe is het mogelijk dat de instanties die in het kader van dit programma de voorwaarden hebben opgesteld waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor financiële steun ook verantwoordelijk zijn voor het beheer van dit fonds? De instanties in kwestie zijn de Special EU Programmes Body (SEUPB) en het Department of Environment and Local Government of Ireland (Ministerie van Milieubeheer en Plaatselijk Bestuur). |
|
5. |
Vormt de financiële steun voor de oprichting van het fonds voor vrede en verzoening een aanvulling op de vaste EU-bijdragen aan Ierland? |
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(20 oktober 2003)
Net als voor alle uit de Structuurfondsen gefinancierde maatregelen, geldt voor het PEACE-programma dat het binnen het wettelijke kader van de Structuurfondsenverordening (1) opereert. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel berust de voornaamste verantwoordelijkheid voor het dagelijkse beheer van en toezicht op het programma bij de uitvoeringsinstanties van het programma op regionaal niveau, en met name de beheersautoriteit — de Special EU Programmes Body (SEUPB) — en het toezichtcomité.
Het dagelijkse beheer vindt plaats in het kader van het OP-document dat tussen de Commissie en de regeringen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk is overeengekomen, en waarin de prioriteitsgebieden voor de uitgaven en de bijbehorende financiële toewijzingen zijn vastgesteld. In dat document zijn ook de algemene criteria voor de selectie van projecten vastgesteld. De details voor de toekomst van het programma zijn opgenomen in het programmacomplement, een document dat door het beheerscomité is opgesteld en dat door het toezichtcomité is goedgekeurd.
Voor het programma PEACE gelden de standaard controlevoorschriften, waarbij zowel de Commissie als de betrokken nationale en regionale auditinstanties zijn betrokken. De SEUPB doet dienst als de centrale beheersautoriteit van het programma en is derhalve verantwoordelijk voor alle administratieve aspecten van het programma, zoals de aanvraagformulieren, de coördinatie, en de begeleiding van de bemiddelende financieringsorganen of van de eindbegunstigden. De SEUPB voert ook een aantal specifieke maatregelen uit, terwijl het een duidelijke administratieve scheiding van taken handhaaft overeenkomstig de beginselen van goed beheer.
Het ministerie van Milieubeheer en Plaatselijk Bestuur heeft een adviseursrol binnen het beheerscomité van PEACE. Dit ministerie is verantwoordelijk voor de County Council Task Forces in het grensgebied van Ierland en is niet rechtstreeks betrokken bij de uitvoering van maatregelen.
Overeenkomstig de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad in Berlijn van maart 1999 is voor het PEACE-programma een extra financiële toewijzing uitgetrokken, naast de bestaande toewijzing uit de Structuurfondsen voor Ierland en het Verenigd Koninkrijk.
(1) Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen, PB L 161 van 26.6.1999.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/242 |
(2004/C 65 E/258)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2897/03
van Roberta Angelilli (UEN) aan de Commissie
(25 september 2003)
Betreft: Werkgelegenheidscrisis bij Alcatel Italia
In juni 2003 heeft de leiding van Alcatel een nieuw economisch-financieel beleidskader voorgesteld dat onder meer voorziet in het ontslag van 1300 personeelsleden, hoofdzakelijk in twee Italiaanse vestigingen, die van Cittaducale in de provincie Rieti en van Battipaglia in de provincie Salerno.
Alcatel heeft vestigingen in 130 landen en is een van 's werelds grootste producenten van publieke telecommunicatie-infrastructuur en de grootste leverancier van satelliettechnologie in Europa.
De ontslagen zouden worden doorgevoerd via personeelsmobiliteit volgens de procedure van de Italiaanse wet nr. 223/91 en, wat nog ernstiger is, door het afstoten van de betrokken fabrieken, overeenkomstig artikel 47 van de wet nr. 428/90.
Dat alles zou ook voor alle kleine en middelgrote bedrijven in het „stroomgebied” van beide fabrieken ernstige gevolgen hebben zowel voor de werkgelegenheid als op sociaal vlak.
In ieder geval blijkt dat de werknemers tot nu toe niet adequaat zijn geraadpleegd, ofschoon de Italiaanse regering Richtlijn 94/45/EG (1) in nationaal recht heeft omgezet door middel van het wetsbesluit nr. 74/02.
Kan de Commissie antwoord geven op de volgende vragen:
|
1. |
Meent de Commissie niet dat het herstructureringsplan van Alcatel indruist tegen de artikelen 136, 137 en 138 van het EG-Verdrag, het communautaire handvest van de grondrechten van de werkenden van 1989, artikel 27 van het Handvest van de grondrechten van de EU en Richtlijn 98/59/EG (2) betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag? |
|
2. |
Meent de Commissie niet dat dit plan indruist tegen Richtlijn 94/45/EG, gewijzigd door Richtlijn 97/74/EG (3) inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers? |
|
3. |
Meent de Commissie niet dat het plan ook indruist tegen Richtlijn 2002/14/EG (4) tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap? |
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(23 oktober 2003)
De Unie heeft in de loop der jaren een veelomvattend beleid ontwikkeld om adequaat met de sociale gevolgen van bedrijfsherstructureringen om te gaan. Dit beleid impliceert dat elk herstructureringsproces dient te worden voorafgegaan door efficiënte informatie en raadpleging van vertegenwoordigers van de werknemers zodat sociale gevolgen vermeden of verzacht worden, in overeenstemming met de communautaire Richtlijnen inzake „Collectief ontslag” (5), „Overgang van ondernemingen” (6), „Europese ondernemingsraden” (7) en, sinds maart 2005, „Informatie en raadpleging” (8).
Desondanks heeft de Commissie geen specifieke informatie ontvangen over de wijze waarop de Alcatel-groep de sociale gevolgen van de herstructurering van het bedrijf zal aanpakken.
Nochtans zijn de door het geachte parlementslid vermelde richtlijnen in nationale wetten omgezet. Het is in deze fase dan ook de taak van de nationale autoriteiten, met name de gerechtelijke instanties, om te garanderen dat de in deze wetten vastgelegde rechten volledig kunnen worden uitgeoefend. De Commissie herinnert er overigens aan dat het uit 1989 daterende Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie niet juridisch bindend zijn. Ten slotte moet Richtlijn 2002/14/EG tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van werknemers uiterlijk op 25 maart 2005 in nationaal recht zijn omgezet.
In het algemeen gesproken is de Commissie een voorstander van de gedachte dat bedrijven in geval van een herstructurering altijd rekening dienen te houden met de gevolgen die een herstructurering heeft voor de werknemers en voor de sociale en regionale omstandigheden. Dit werd onlangs nog onderstreept in de Mededeling van de Commissie betreffende „Sociale verantwoordelijkheid van bedrijven — Een bijdrage van het bedrijfsleven aan een duurzame ontwikkeling” (9).
Voorts heeft de Commissie de Europese sociale partners uitgenodigd een dialoog aan te gaan over het voorzien en het beheren van veranderingen met het doel te komen tot een dynamische benadering van sociale aspecten van bedrijfsherstructureringen. De sociale partners staan dicht bij een overeenkomst hierover. De Commissie hoopt ten zeerste dat hun gezamenlijke inspanningen uitmonden in een communautair kaderprogramma voor de verspreiding van goede werkwijzen inzake bedrijfshervormingen in heel Europa, en dat ze aldus bedrijven en werknemers helpen op de juiste manier om te gaan met de sociale dimensie van bedrijfsherstructureringen.
(1) PB L 254 van 30.9.1994, blz. 64.
(2) PB L 225 van 12.8.1998, blz. 16.
(3) PB L 10 van 16.1.1998, blz. 22.
(4) PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29.
(5) Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag. (Bij deze richtlijn worden Richtlijn 75/129/EEG van de Raad van 17 februari 1975, PB L 48 van 22.2.1975, en Richtlijn 92/56/EEG van de Raad van 24 juni 1992, PB L 245 van 26.8.1992, geconsolideerd).
(6) Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen — PB L 82 van 22.3.2001.
(7) Richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers.
(8) Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap.
(9) COM(2002) 347 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/243 |
(2004/C 65 E/259)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2898/03
van Helmut Kuhne (PSE) aan de Commissie
(1 oktober 2003)
Betreft: Mogelijk ongerechtvaardigd gebruik van EU-middelen in Spanje
Een EU-burger wijst erop dat bij de uitbreiding van het particuliere bouwproject „Alhama Candela” aan de Spaanse kust, wellicht EU-geld is gebruikt voor andere doeleinden dan diegene waarvoor het bestemd was.
De burger stelt in zijn brief dat de vergunning voor het project dertig jaar geleden was verleend op voorwaarde dat de infrastructuur werd uitgebouwd en verbeterd. Het hiervoor door een Duitse koper van een perceel ter beschikking gestelde bedrag van wat toen nog 2 miljoen DM waren, zou niet zijn gebruikt. De werken zijn in 1997 wel gestart, maar niet afgemaakt. Niettemin wordt gewerkt aan een plan voor de uitbreiding van de wijk via een nieuw project met meer dan 64 wooneenheden.
De voorzieningen qua stroom en stratennet zijn catastrofaal, aangezien de stroomleverancier Iberdola weigert de aansluitingen te bedienen. Dit zou als oorzaak het ontbreken van EU-infrastructuurgeld hebben, dat niet zou zijn betaald zoals was toegezegd.
Gelet op de onduidelijkheden die hierover bestaan, wordt het volgende gevraagd:
|
— |
Kan de Commissie bevestigen dat voor dit project inderdaad in EU-subsidies was voorzien en dat deze ook zijn betaald? |
|
— |
Zo ja, was deze betaling afhankelijk gesteld van de hierboven genoemde voorwaarde en heeft de gemeente deze voorwaarde naar behoren vervuld? |
Antwoord van de heer Barnier Namens de Commissie
(3 november 2003)
Het project waarover het geachte parlementslid een vraag stelt kan op basis van de verstrekte informatie niet worden geïdentificeerd, noch aan de hand van de periode, noch op basis van de locatie (regio, plaats). De Commissie kan daarom geen onderzoek instellen of de Unie daadwerkelijk steun aan dit project heeft verleend.
Echter, gezien het feit dat het genoemde project woningbouw lijkt te betreffen, kan in algemene termen gezegd worden dat deze sector niet in aanmerking komt voor steun uit de Structuurfondsen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/244 |
(2004/C 65 E/260)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2912/03
van Joan Vallvé (ELDR) aan de Commissie
(2 oktober 2003)
Betreft: Cohesiebeleid van de Europese Unie
Het cohesiebeleid is sinds jaar en dag een fundamenteel onderdeel van het beleid van de Unie. Dit beleid omvat als belangrijkste solidariteitsinstrumenten de vier Structuurfondsen (EFRO, ESF, FIOV en EOGFL), het Cohesiefonds en de communautaire initiatieven (Interreg III, Urban II, Leader+ en Equal).
Van deze laatste heeft het communautaire initiatief Interreg III in die zin een Europese dimensie dat de effecten die de landsgrenzen eeuwenlang op ons continent hebben veroorzaakt erdoor worden verzacht. Het is het communautaire initiatief van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling ten behoeve van de samenwerking tussen Europese regio's. Doel van de nieuwe fase van Interreg is het vergroten van de economische en sociale samenhang in de Europese Unie door de bevordering van de grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking, alsmede een evenwichtige ontwikkeling van het grondgebied. De Unie heeft deze vier specifieke programma's opgezet, de communautaire initiatieven (waar 5,35 % van de middelen van de Structuurfondsen voor bestemd zijn) om gemeenschappelijke oplossingen te vinden voor problemen die op het gehele Europese grondgebied voorkomen.
Deze Europese dimensie is niet vergelijkbaar met de versterking van de cohesie die wordt bereikt met de Structuurfondsen en het Cohesiefonds. Het Cohesiefonds, dat een speciaal solidariteitsfonds is, werd in 1993 opgericht om de minst welvarende lidstaten te helpen: Griekenland, Portugal, Ierland en Spanje. Het fonds verschaft middelen op het gehele grondgebied van deze landen om grote projecten te financieren op milieu- en vervoersgebied. De Structuurfondsen richten zich meer op heldere prioritaire doelstellingen: 70 % van de kredieten is bestemd voor ondersteuning van de minst ontwikkelde regio's, waar 22 % van de bevolking van de Unie woonachtig is (doelstelling 1); 11,5 % van de kredieten dient om de economische en sociale omschakeling te steunen van in structurele moeilijkheden verkerende zones, waar 18 % van de bevolking van Europa woonachtig is (doelstelling 2); 12,3 % van de kredieten is bestemd voor de modernisering van de systemen op het gebied van opleiding en werkgelegenheid (doelstelling 3).
Heeft de Europese Commissie gedacht aan de mogelijkheid om het beleid van de Structuurfondsen en het Cohesiefonds en dat van de communautaire initiatieven in verschillende programma's onder te brengen?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(31 oktober 2003)
De interventies uit hoofde van de communautaire initiatieven staan momenteel volledig los van de projecten die ondersteund worden met middelen uit de doelstellingen 1 en 2 van de Structuurfondsen en projecten die het Cohesiefonds worden ondersteund.
Dit blijft het geval tot het einde van de financiële vooruitzichten voor de periode 2000-2006. Voor de volgende periode moet de Commissie nieuwe financiële vooruitzichten en nieuw beleid voor de Structuurfondsen en het Cohesiefonds aan het Parlement en de Raad voorleggen. Deze voorstellen worden naar verwachting voor het einde van het jaar door de Commissie goedgekeurd. Daarom is het te vroeg om nu al te speculeren over de regelingen voor de toepassing van nieuw beleid.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/245 |
(2004/C 65 E/261)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2913/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(29 september 2003)
Betreft: Tenuitvoerlegging van de arbeidstijdenrichtlijn met betrekking tot de offshore-sector
Er heerst enige bezorgdheid over de mogelijkheid dat lidstaten beslissen geen wetten uit te vaardigen voor bepaalde domeinen, zoals het recht op het minimum aantal vakantiedagen met behoud van loon, van Richtlijn 2000/34/EG (1) tot wijziging van Richtlijn 93/104/EG van de Raad betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd om de van deze richtlijn uitgesloten sectoren en activiteiten te bestrijken.
Het niet uitvaardigen van wetten voor deze domeinen is wellicht toe te schrijven aan het feit dat bepaalde situaties die in de offshore-sector voorkomen, zoals het bestaan van een gevarieerder en groter aantal contracten, in onshore-sectoren in eerste instantie minder lijken voor te komen. Maar zonder duidelijke wetgeving voor bijzondere situaties zou de doelstelling van de richtlijn, namelijk een veilige werkomgeving garanderen, ondermijnd kunnen worden.
Ziet de Commissie een mogelijkheid om het omzettingsproces van Richtlijn 2000/34/EG onder de loep te nemen? Zo ja, wanneer zou dit kunnen plaatsvinden?
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(27 oktober 2003)
Richtlijn 2000/34/EG (2) is goedgekeurd om de sectoren en activiteiten te bestrijken die van de toepassing van Richtlijn 93/104/EG (3) zijn uitgesloten, met name offshorewerkzaamheden. De lidstaten dienden uiterlijk op 1 augustus 2003 (1 augustus 2004 voor artsen in opleiding) de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking te doen treden om aan deze richtlijn te voldoen.
De Commissie heeft een inbreukprocedure ingeleid tegen de lidstaten die nog geen omzettingsmaatregelen hebben meegedeeld.
Bij Richtlijn 2000/34/EG worden offshorewerkzaamheden toegevoegd aan de activiteiten waarvoor de lidstaten, krachtens artikel 17, punt 2.1, van Richtlijn 93/104/EG, mogen afwijken van de artikelen 3 (dagelijkse rusttijd), 4 (pauzes), 5 (wekelijkse rusttijd), 8 (duur van de nachtarbeid) en 16 (referentieperioden), mits de betrokken werknemers gelijkwaardige compenserende rusttijden of, in de uitzonderlijke gevallen waarin dit op objectieve gronden niet mogelijk is, een passende bescherming wordt geboden.
Bij Richtlijn 2000/34/EG wordt bovendien een nieuw artikel 17 bis ingevoegd, waarbij de lidstaten, om objectieve of technische redenen of om redenen in verband met de werkorganisatie, de voor de berekening van de maximale wekelijkse arbeidstijd gebruikte referentieperiode (48 uur) tot twaalf maanden kunnen verlengen voor werknemers die hoofdzakelijk offshorewerkzaamheden verrichten.
Alle artikelen van Richtlijn 93/104/EG betreffende de arbeidstijd zijn dus van toepassing op offshorewerk-zaamheden, met inbegrip van de bovengenoemde mogelijkheden tot organisatie van de arbeidstijd.
Om ook rekening te kunnen houden met de toekomstige lidstaten zal het verslag over de omzetting van Richtlijn 2000/34/EG in beginsel pas na mei 2004 worden goedgekeurd.
(1) PB L 195 van 1.8.2000, blz. 41.
(2) Richtlijn 2000/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 2000 tot wijziging van Richtlijn 93/104/EG van de Raad betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd om de van deze richtlijn uitgesloten sectoren en activiteiten te bestrijken, PB L 195 van 1.8.2000.
(3) Richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd, PB L 307 van 13.12.1993.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/246 |
(2004/C 65 E/262)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2920/03
van Miquel Mayol i Raynal (Verts/ALE) aan de Commissie
(2 oktober 2003)
Betreft: Alternatieve en aanvullende geneeswijzen
De laatste tijd vragen steeds meer verenigingen en mensen die werkzaam zijn op het gebied van de niet-conventionele geneeskunde om verduidelijking en harmonisatie van het wettelijk kader voor hun activiteiten en diensten in de EU.
Welke maatregelen plant de Commissie om de gezondheid van de gebruikers van dergelijke diensten te beschermen, met name gezien het toenemend aantal oplichters in de sector, die zich uitgeven voor vaklui zonder een passende opleiding te hebben genoten?
Is de Commissie voornemens om de zeer uiteenlopende wetgeving ter zake op Europees niveau te harmoniseren? Hoe worden de eenheidsmarkt, het vrij verkeer van diensten en de vrijheid van vestiging in deze sector gewaarborgd?
Welke begrotingslijn is op Europees niveau bestemd voor alternatieve geneeskunde?
Aan welke verzoeken die het Europees Parlement in zijn resolutie A4-0075/97 (1) had geformuleerd, heeft de Commissie tot dusver gevolg gegeven?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(17 november 2003)
Het geachte parlementslid heeft een aantal thema's aan de orde gesteld. De eerste vraag betreft de kwalificatie- en opleidingseisen voor personen die alternatieve en aanvullende geneeskunde beoefenen in de Unie.
Krachtens het EG-Verdrag vallen de kwalificatie- en opleidingseisen onder de primaire bevoegdheid van de lidstaten. Op communautair niveau is een minimumaantal opleidingseisen met elkaar in overeenstemming gebracht voor enkele van de belangrijkste gezondheidsberoepen, maar de meeste beroepen, waaronder vele beroepen in de gezondheidssector, zijn niet aan dergelijke eisen onderworpen. De op EU-niveau goedgekeurde regelingen zijn hoofdzakelijk gericht op de vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van kwalificaties binnen de gereguleerde beroepen. Voor de goedkeuring van nieuwe wetgeving op dit terrein is een zeer groot draagvlak onder de beroepsbeoefenaren en de lidstaten vereist. De Commissie heeft geen aanwijzingen dat er een krachtig en breed draagvlak bestaat voor nieuwe maatregelen met betrekking tot alternatieve en aanvullende geneeskunde.
Wat de erkenning van beroepsopleidingen betreft zijn Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten (2) en Richtlijn 92/51/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende een tweede algemeen stelsel van erkenning van beroepsopleidingen (3) van toepassing op onderdanen van een lidstaat die een gereguleerd beroep willen uitoefenen in een gastlidstaat. In dit verband heeft het Europese Hof van Justitie in zijn arrest van 3 oktober 1990 (C-61/89 Bouchoucha) bevestigd dat artikel 43 van het EG-Verdrag zich er niet tegen verzet dat een lidstaat een paramedische werkzaamheid voorbehoudt aan de houders van een diploma van doctor in de geneeskunde.
Daarnaast heeft het Hof van Justitie met het oog op de waarborging van de gezondheidsbescherming in zijn arrest van 11 juli 2002 (C-294/00 Deutsche Paracelsus Schulen für Naturheilverfahren GmbH) de aandacht gevestigd op het feit dat de bescherming van de volksgezondheid één van de redenen is die krachtens artikel 46, lid 1, EG-Verdrag belemmeringen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten kunnen rechtvaardigen.
Het tweede thema betreft de Gemeenschapswetgeving inzake alternatieve geneesmiddelen. In zijn resolutie van 29 mei 1997 heeft het Parlement ervoor gepleit de veiligheid en werkzaamheid van alternatieve geneesmiddelen nader te bekijken. In dit verband heeft de Commissie in januari 2002 haar goedkeuring gehecht aan een voorstel voor een richtlijn betreffende traditionele kruidengeneesmiddelen (4). De stemming van het Parlement in eerste lezing vond plaats in november 2002. Na de goedkeuring van een gewijzigd voorstel (5) door de Commissie op 9 april 2003 en het door de Raad bereikte politieke akkoord in september 2003 kan een definitieve tekst voor eind 2003 worden goedgekeurd.
Het volksgezondheidsprogramma voorziet niet in uitgaven voor alternatieve geneesmiddelen. De financiering van communautair onderzoek op dit vlak maakt geen deel uit van prioriteit 1 „Levenswetenschappen, genomica en biotechnologie voor gezondheid” noch van het hoofdstuk betreffende beleidsgericht onderzoek in het zesde kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie voor de periode 2002-2006. Wel wordt er melding gemaakt van alternatieve of niet-conventionele geneeskunde in het gezondheidshoofdstuk van het zesde kaderprogramma betreffende steun voor de coördinatie van nationale activiteiten.
(1) PB C 182 van 16.6.1997, blz. 67.
(5) COM(2003)161 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/247 |
(2004/C 65 E/263)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2923/03
van Marianne Thyssen (PPE-DE) aan de Commissie
(2 oktober 2003)
Betreft: Het octrooistelsel en het midden- en kleinbedrijf (MKB)
Naar aanleiding van de discussie in het Europees Parlement over het voorstel voor een richtlijn betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen zijn vele opmerkingen gehoord waaruit blijkt dat de toepassing van de octrooiwetgeving in het algemeen geen eenvoudige zaak is voor het MKB. Nochtans heeft ook het innoverende MKB octrooibescherming nodig.
Kan de Commissie meedelen of zij weet heeft van bestaande mechanismen in de lidstaten die het MKB op hun octrooipad financieel of juridisch-administratief begeleiden? Vindt de Commissie het niet noodzakelijk, zowel bij de aanvraag als bij de verdediging van octrooi-aanspraken achteraf, de procedures minder duur en meer doeltreffend te maken? Acht de Commissie het niet wenselijk — met de komst van het gemeenschapsoctrooi in het vooruitzicht — om een dergelijk mechanisme op het niveau van de Europese Unie in het leven te roepen?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(17 november 2003)
De octrooimogelijkheden van het midden- en kleinbedrijf (MKB) worden als een belangrijke uitdaging gezien. De invoering van het Gemeenschapsoctrooi, dat in alle lidstaten geldig zou zijn, zou kleinere ondernemingen een groot voordeel opleveren: zij hoeven hun octrooi maar één keer voor de hele Unie af te dwingen in plaats van vijftien keer, namelijk in elke lidstaat afzonderlijk. Dat zou de toegang tot de Europese interne markt voor kleine ondernemingen en particulieren met innoverende producten sterk vereenvoudigen.
Over de steun voor het midden- en kleinbedrijf in de afzonderlijke lidstaten zijn onlangs twee studies verricht in opdracht van het directoraat-generaal Interne markt van de Commissie.
In de eerste studie werd de rol van de nationale octrooibureaus bij de bevordering van innovatie onderzocht. Uit die studie is gebleken dat de lidstaten via hun nationale octrooibureaus een aantal diensten aanbieden die bedoeld zijn om de kennis over en de toegankelijkheid van het octrooisysteem te verbeteren. Het verslag bevat een overzicht van de beschikbare diensten en een aantal aanbevelingen voor toekomstige activiteiten.
De tweede studie gaat over de mogelijke invoering van een rechtsbijstandsverzekering voor octrooigeschillen. Momenteel bestaan in geen lidstaat specifieke materieelrechtelijke bepalingen over een rechtsbijstandsverzekering voor octrooigeschillen, hoewel men zich privé enigszins kan indekken en in een aantal landen al over de mogelijkheid van wetgeving hierover is gesproken. Eén van de conclusies van de studie was dat de invoering van een rechtsbijstandsverzekering op EU-niveau werkelijke voordelen kan opleveren, met name voor ondernemingen met beperkte financiële middelen, maar dat een aantal problemen naar voren was gebracht, die verder werk vereisten. In het licht van deze bevindingen is de Commissie van plan een nadere, grondigere studie uit te voeren. Zodra die klaar is, zal de Commissie beslissen of er maatregelen moeten worden genomen en zo ja, welke.
De verslagen van beide studies zijn beschikbaar op de website van DG Interne markt op het volgende adres: [http://europa.eu.int/comm/internal_market/en/indprop/patent/index.htm].
Een andere studie („Enforcing small firm's patent rights”) is in opdracht van het directoraat-generaal Ondernemingen van de Commissie uitgevoerd en weerspiegelt de bezorgdheid van de Europese Unie erover dat het MKB minder dan het zou kunnen van octrooien gebruik maakt. Een enquête bij 4 000 kleine en middelgrote ondernemingen met octrooien en prototypes heeft aangetoond dat in twee op drie gevallen was geprobeerd om hun door octrooi beschermde uitvindingen te kopiëren. In de studie werd ook nagegaan hoe moeilijk de ondernemingen het vinden om hun rechten uit te oefenen en wat hun mening is over de verschillende mogelijkheden die worden geboden om die moeilijkheden te overwinnen.
Het verslag van deze studie is beschikbaar op [http://www.cordis.lu/innovation-policy/studies/im_study3.htm].
In het Verslag over de uitvoering van het Europees Handvest voor kleine bedrijven van 2003 (1) werden twee initiatieven genoemd die in de lidstaten werden genomen om het MKB in de octrooiprocedure bij te staan. Er zijn er nog meer, maar dit zijn twee nuttige en innoverende voorbeelden. Het eerste initiatief is een Ierse website voor on-lineverwerking van aanvragen van octrooien en handelsmerken als een voorbeeld van innoverende on-linediensten. Het tweede is het Duitse programma „Kennis creëert markten” („Wissen schafft Märkte”), dat universiteiten informeert over octrooien en de overdracht van onderzoeksresultaten.
Het Europees Handvest voor kleine bedrijven wil het MKB trouwens onder meer steunen door de versterking van de programma's ter bevordering van de verspreiding van technologie onder kleine bedrijven en van de mogelijkheden van kleine bedrijven om technologieën te onderkennen, te selecteren en aan te passen.
Wat communautaire mechanismen voor steun aan het MKB betreft, werd in 1998 de Intellectual Property Rights (IPR)-helpdesk opgestart. Dit proefproject van de Commissie wordt door DG Ondernemingen gefinancierd in het raam van het communautair kaderprogramma voor onderzoek. Potentiële en huidige deelnemers aan door de Gemeenschap gefinancierde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten kunnen er terecht met hun vragen over intellectuele-eigendomsrechten.
Sinds 1 januari 2002 helpt deze IPR-Helpdesk [http://www.cordis.lu/ipr-helpdesk/en/home.html] zijn doelgroep, waartoe ook het MKB behoort, bij problemen inzake intellectuele-eigendomsrechten. De klemtoon ligt op de communautaire verspreidings- en beschermingsregels en vragen betreffende de intellectuele eigendom in Europese technologische en onderzoeksprojecten.
Bovendien kunnen deelnemers aan door de Gemeenschap gefinancierde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, en met name kleine en middelgrote ondernemingen, in het raam van het zesde communautair kaderprogramma voor onderzoek een financiële bijdrage van de Gemeenschap krijgen voor hun kosten tijdens de looptijd van het project in verband met het octrooieren van uitvindingen die uit het project voortvloeien.
Enkele acties in het kader van het actieplan van de Commissie om meer in onderzoek te investeren (2) zijn gericht op het opstellen van Europese richtsnoeren, die met name betrekking hebben op IPR-regelingen bij samenwerkingen tussen universiteiten en het bedrijfsleven, en op het bevorderen van activiteiten om ondernemingen in heel Europa bewust te maken van en te informeren over IPR. Beide elementen zijn voor het MKB van groot belang.
Tot slot staat in de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek en ontwikkeling (3) dat rechtstreeks uit onderzoek en ontwikkeling voortvloeiende exploitatiekosten (zoals voor de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten) van kleine en middelgrote ondernemingen die nationale steun ontvangen, krachtens bovengenoemde regeling subsidiabel zijn en dat de toegekende steun — onder bepaalde voorwaarden — verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt.
(1) COM(2003)21 def.
(2) COM(2003)226 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/249 |
(2004/C 65 E/264)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2936/03
van Ria Oomen-Ruijten (PPE-DE) en Alexander de Roo (Verts/ALE) aan de Commissie
(6 oktober 2003)
Betreft: Elektrische aansluiting van caravans
In navolging op de schriftelijke vraag die is gesteld naar aanleiding van enkele berichten (Algemeen Dagblad, d.d. 6 en 8 september) dat de elektrische installaties in de meeste caravans niet voldoen aan de Europese veiligheidsvoorschriften, dient tevens aandacht te worden geschonken aan de elektrische aansluiting tussen caravan en de aansluitpaal of -kast op de camping. Het aansluitmateriaal van een caravan dient in Europa te voldoen aan de Europese norm CEE-17. Alhoewel het aansluitpunt op de camping moet voldoen aan de normen van de betreffende lidstaat, moet de contactdoos op de aansluitpaal in principe ook de CEE-aansluiting hebben. Onzorgvuldige toepassing van de regels op dit gebied levert een groot potentieel gevaar op voor de in de caravan verblijvende personen.
|
1. |
Is de Commissie op de hoogte van het feit dat in veel lidstaten de aansluitpunten op campings niet zijn voorzien van een contactdoos met een CEE-aansluiting? |
|
2. |
Deelt de Commissie de mening dat het aanbrengen van een contactdoos met CEE-aansluiting verplicht moet worden gesteld om het veiligheidsrisico tot een minimum te beperken? |
|
3. |
Is de Commissie bereid stappen te nemen om ervoor te zorgen dat alle Europese caravans en campings uitgerust zijn met aansluitmateriaal en contactdozen die voldoen aan de Europese CEE-norm? |
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(11 november 2003)
De veiligheid van de elektrische installaties in caravans valt momenteel niet onder enige communautaire wetgeving. De aansluiting van caravans op het elektriciteitsnet op campings valt daar evenmin onder. De elektrische installaties van caravans en hun aansluiting op het net worden geregeld door nationale installatieregels in de lidstaten, die vrij sterk van elkaar verschillen.
|
1. |
De Commissie is ervan op de hoogte dat stekkers en stopcontacten in Europa niet zijn geharmoniseerd. Alle pogingen, die hoofdzakelijk van de Commissie uitgingen, om stekkers en stopcontacten voor huishoudelijk gebruik (d.w.z. tot 16A) in de Unie te harmoniseren, zijn op niets uitgelopen. De meeste lidstaten zien geen noodzaak om tot een harmonisatie te komen. Het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (CENELEC) heeft diverse pogingen ondernomen om deze stekkers te standaardiseren, maar na verschillende jaren van intensief vergaderen kon geen consensus worden bereikt met de producenten van stekkers en stopcontacten. |
|
2. |
Gezien de huidige wettelijke situatie in Europa kan de Commissie niet beslissen over een geharmoniseerd aansluitingssysteem voor caravans. |
|
3. |
Het is de bevoegdheid van de lidstaten om te beslissen over het aansluitingssysteem voor caravans. De meeste lidstaten aanvaarden het Europese CEE 7-aansluitingssysteem voor caravans. Er is evenwel geen verplichting om deze norm op Europees vlak te gebruiken. |
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/250 |
(2004/C 65 E/265)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2961/03
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(8 oktober 2003)
Betreft: Werknemers van de Eenheid voor organisatie en beheer van het communautair bestek (MOD) A.E.
Bij wet nr. 2372/96 (Griekse staatsblad van 23 februari 1996) werd een publiekrechtelijke vennootschap opgericht onder de benaming „Eenheid voor organisatie en beheer van het communautair bestek (MOD) A.E.”. De levensduur van die vennootschap werd oorspronkelijk begrensd tot 2003, maar werd later verlengd tot 2010 met de mogelijkheid van verdere verlenging.
In de oprichtingswet wordt vermeld dat „het personeel van de MOD A.E. wordt aangeworven uit de particuliere sector of gedetacheerd door de overheid of de openbare sector in ruimere zin” (artikel 8, lid 1) en dat „de aanstelling van personeel geschiedt bij overeenkomsten voor bepaalde tijd, die kunnen worden hernieuwd … deze overeenkomsten kunnen niet worden omgezet in overeenkomsten voor onbepaalde tijd” (artikel 8, lid 2). De ongeveer 600 personeelsleden van MOD A.E. zijn afkomstig uit de particuliere sector, zijn allen tegelijk met een overeenkomst voor onbepaalde tijd aangeworven en hun overeenkomsten worden elke twee jaar vernieuwd. Tegelijkertijd weigert die vennootschap een collectieve arbeidsovereenkomst te sluiten.
|
1. |
Is het na de vaststelling van richtlijn 1999/70/EG (1) nog mogelijk dat een wettelijke bepaling wordt gehandhaafd die de omzetting van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in overeenkomsten voor onbepaalde tijd uitdrukkelijk verbiedt, voor de hier genoemde vennootschap of voor ongeacht welke andere publiekrechtelijke vennootschap? |
|
2. |
Kan als juridisch argumenten worden tegengeworpen dat de vennootschap een bepaalde taak moet volvoeren, d.w.z. het beheer van het communautair bestek, en kan hieraan het recht worden ontleend om met de werknemers uitsluitend overeenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan? |
|
3. |
Heeft de betrokken vennootschap het recht om geen collectieve arbeidsovereenkomst te sluiten voor regeling van zaken als loopbaanontwikkeling, overuren, scholingsmogelijkheden, arbeidsreglement enzovoort? |
|
4. |
Wat denkt de Commissie te ondernemen om te zorgen dat de MOD A.E. zich voegt naar richtlijn 1999/70/EG? |
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(20 november 2003)
|
1. |
Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd voorziet niet in de omzetting van overeenkomsten voor bepaalde tijd in overeenkomsten voor onbepaalde tijd. Ze bepaalt evenwel dat teneinde misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te voorkomen, de lidstaten minstens één van de volgende maatregelen dienen in te voeren:
Het zijn de lidstaten die, na raadpleging van de sociale partners, bepalen onder welke voorwaarden arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd als „opeenvolgend” worden beschouwd en wanneer ze geacht worden voor onbepaalde tijd te gelden. |
|
2. |
De autoriteiten in de lidstaten, en in laatste instantie het Europese Hof van Justitie, dienen te bepalen wat als objectieve redenen voor vernieuwing kan worden beschouwd. Als de vennootschap die de werknemers tewerkstelt van tijdelijke aard is, zou dat een objectieve reden kunnen zijn. |
|
3. |
Het onderhandelen over en het sluiten van collectieve overeenkomsten is een uiterst belangrijk instrument voor het regelen van arbeidsvoorwaarden. Het wordt als dusdanig erkend in het EG-Verdrag en in de communautaire wetgeving en het wordt eveneens vermeld in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De procedure voor het sluiten van collectieve overeenkomsten wordt echter bepaald door het nationale recht. Er bestaat geen communautaire wetgeving die een individuele werkgever ertoe verplicht een collectieve overeenkomst te sluiten. |
|
4. |
De Commissie onderzoekt momenteel de nationale maatregelen ter omzetting van Richtlijn 1999/70/EG. Mocht uit dit onderzoek blijken dat de omzetting niet correct of onvolledig is, dan zal de Commissie indien nodig inbreukprocedures instellen. |
(1) PB L 175 van 10.7.1999, blz. 43.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/251 |
(2004/C 65 E/266)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2974/03
van Helena Torres Marques (PSE) aan de Commissie
(6 oktober 2003)
Betreft: Gebrek aan belangstelling van Spanje voor de aanleg van de autoweg tussen Salamanca en Portugal
Wie per auto van het centrum van Europa naar Salamanca (Spanje) rijdt kan daarvoor altijd van een vierbaansautoweg gebruikmaken.
Vanaf Salamanca echter is er alleen nog maar een tweebaansweg waardoor alle automobilisten zich aan de snelheid van vrachtwagens moeten aanpassen.
Wanneer je Salamanca uitrijdt in de richting van Portugal zie je grote aanplakborden waarop de aanleg wordt aangekondigd van een nieuwe vierbaansautoweg die door de EU wordt gecofinancierd. Maar in werkelijkheid zijn de wegwerkzaamheden tot op de helft van de autoweg tussen Salamanca en Ciudad Rodrigo (de laatste Spaanse stad voor de Portugese grens) nog steeds aan de gang en de werkzaamheden vorderen gaandeweg zelfs zo langzaam dat in de buurt van Ciudad Rodrigo alleen nog maar de egalisatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd.
Hier komt nog eens bij dat er vanaf Ciudad Rodrigo helemaal niet meer aan de weg wordt gewerkt, terwijl vanaf de grens van Portugal tot Guarda werkzaamheden worden uitgevoerd om het aantal banen te verdubbelen.
Kan de Commissie in het licht van het voorafgaande mededelen:
|
— |
wanneer de vierbaansweg tussen Salamanca en Guarda zal worden geopend; |
|
— |
wat zij kan doen om erop toe te zien dat Spanje wat meer voortvarendheid aan de dag legt bij de aanleg van de circa 30 km nieuwe autobaan tussen Ciudad Rodrigo en de Portugese grens? |
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(30 oktober 2003)
De verbinding Salamanca-Fuentes de Oroño-Vilar Formoso-A Guarda is onderdeel van het trans-Europees vervoersnet (TEN) voor de weg. Het is tevens nummer 8 van de 14 prioritaire projecten van het TEN: de multimodale verbinding Portugal-Spanje-Centraal-Europa. Bovendien dient opgemerkt te worden dat de groep op hoog niveau inzake het trans-Europees vervoersnet onder voorzitterschap van de heer Van Miert (1), waarin vertegenwoordigers van alle lidstaten zitting hebben, overeengekomen zijn dat de werkzaamheden aan de verbinding Lissabon-Valladolid in het jaar 2010 zullen aanvangen.
De Commissie heeft vernomen dat de Spaanse nationale weg N-620 tussen de Franse en de Portugese grens, die deel uitmaakt van het Europese netwerk E80, over het gehele traject tussen Irún en het noorden van Salamanca uit een vierbaansautoweg bestaat. Het traject van Salamanca tot Fuentes de Oñoro aan de Portugese grens moet nog vierbaans gemaakt worden. Het traject ten westen van Salamanca tussen Aldehuela en Martín de Yeltes is al in gebruik genomen.
Onlangs is een groot project voor de aanleg van een vierbaansweg tussen Martín de Yeltes en Ciudad Rodrigo goedgekeurd voor financiële steun van de Gemeenschap uit hoofde van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), in het kader van het operationeel programma voor de Spaanse regio Castilla y León. De werkzaamheden bestrijken een traject van 32,9 km. en zullen volgens de planning in oktober 2003 afgerond worden. Het traject van Ciudad Rodrigo tot Fuentes de Oñoro (circa 29 km.) moet nog verbeterd worden. Daarnaast heeft de Commissie vernomen dat de Spaanse autoriteiten al plannen hebben opgesteld voor overeenkomstige projecten voor het volledige traject van Salamanca tot Fuentes de Oñoro.
Aangezien uitsluitend de nationale en regionale autoriteiten bevoegd zijn om de werkzaamheden te plannen, heeft de Commissie geen verdere informatie over de planning van dit project.
(1) [http://europa.eu.int/comm/ten/transport/revision/hlg_en.htm].
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/252 |
(2004/C 65 E/267)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-2977/03
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(6 oktober 2003)
Betreft: Hoge prijzen en het ontbreken van veterinaire controles in Griekenland
Volgens Griekse consumentenorganisaties en het Waarnemingscentrum voor prijzen van het Griekse Ministerie van Ontwikkeling stijgen de detailhandelsprijzen in Griekenland de laatste tijd explosief, terwijl ook steeds vaker melding wordt gemaakt van groothandelaren (voornamelijk in landbouwproducten) die rechtstreeks bij de producent en tegen lage prijzen inkopen en hun waar tegen veel hogere prijzen verkopen, met als resultaat een verdubbeling of zelfs een verdrievoudiging van de prijs die door de eindverbruiker moet worden betaald.
Er zij overigens op gewezen dat, overeenkomstig de meest recente gegevens van Eurostat, het inkomen per hoofd van de bevolking in Griekenland „met hangen en wurgen” tussen de 67 % en 69 % van het communautair gemiddelde bedraagt, terwijl ook bekend is dat de lonen en de pensioenen in Griekenland tot de laagste in de EU behoren.
Naast dit alles heeft Griekenland op dit moment te maken met een staking van onder meer veeartsen en andere landbouwdeskundigen. Deze leidt tot grote tekorten op de Griekse vleesmarkt doordat het slachten van dieren in de officiële slachthuizen stil is komen te liggen. Naar verluidt wordt er inmiddels illegaal geslacht in Griekenland (zonder de vereiste controle door veeartsen) en wordt ook op grote schaal vlees geïmporteerd (voornamelijk uit derde landen). Niemand kan met zekerheid zeggen of in de landen van herkomst van dit vlees voldoende controle op de slacht heeft plaatsgevonden.
Wat kan de Commissie op korte termijn doen om de Griekse autoriteiten ertoe te brengen niet alleen lippendienst te bewijzen aan het uitoefenen van toezicht op de prijzen (zoals tot nu toe), maar hieraan daadwerkelijk invulling te geven en de praktijk van het maken van woekerwinsten met zware boetes te bestraffen? Is de Commissie op de hoogte van de situatie op de vleesmarkt in Griekenland, tegen de achtergrond ook van het feit dat commissaris Byrne herhaaldelijk zijn bezorgdheid heeft uitgesproken over de sanitaire omstandigheden in de Griekse slachthuizen en het gegeven dat de vleesmarkten op een veel lager plan staan dan de vleesmarkten in de overige landen van de EU?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(4 november 2003)
De Commissie houdt voortdurend toezicht op de hygiëne op vlesmarkten en in slachthuizen in Griekenland. Zij verwijst het geachte parlementslid naar de antwoorden die zij dit jaar al heeft gegeven op zijn schriftelijke vraag E-1709/03 (1) en op de schriftelijke vragen E-691/03 van de heer Hatzidakis (2) en P-558/03 van de heer Papayannakis (3). De Commissie heeft geen bijzondere kennis van de gevolgen van de in de schriftelijke vraag van het geachte parlementslid beschreven situatie. Zij zal de betrokken lidstaat om informatie vragen en het geachte parlementslid van haar bevindingen op de hoogte stellen.
De consumentenwetgeving van de Gemeenschap kent geen middelen om toezicht uit te oefenen op de prijzen van aan de consument aangeboden producten. In Richtlijn 98/6/EG wordt alleen bepaald dat de aanduiding van de verkoopprijs en de prijs per meeteenheid die een verkoper aan de consument aanbiedt, de informatie aan de consument verbetert en prijsvergelijkingen vergemakkelijkt. Het communautaire consumentenrecht strekt zich evenwel niet uit tot inflatoire prijsstijgingen.
(1) PB C 11 E van 15.1.2004, blz. 217.
(2) PB C 222 E van 18.9.2003, blz. 228.
(3) PB C 161 E van 10.7.2003, blz. 226.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/253 |
(2004/C 65 E/268)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2981/03
van Mihail Papayannakis (GUE/NGL) aan de Commissie
(9 oktober 2003)
Betreft: Schending van richtlijn 89/49/EEG
Kan de Commissie zeggen welke hogeronderwijsdiploma's waarmee een opleiding rechten (of eventueel een andere universitaire faculteit of hogeronderwijsinstelling of een andere instelling van dit onderwijsniveau) van ten minste drie jaar wordt afgesloten, onder de bepalingen van richtlijn 89/48/EEG (1) vallen en bijgevolg toegang verlenen tot het beroep van advocaat, overeenkomstig de hoger genoemde richtlijn, ook in een andere lidstaat dan die waar het diploma is behaald?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(17 november 2003)
De Commissie beschikt niet over een lijst van diploma's die toegang verlenen tot het beroep van advocaat in de verschillende lidstaten en erkend kunnen worden in overeenstemming met Richtlijn 89/48/EEG (2). Deze richtlijn laat de lidstaten vrij eigen regelingen voor beroepen te treffen en het niveau en de aard van de kwalificaties vast te stellen die voor een bepaald beroep vereist zijn. Voor zover de Commissie weet, verlenen enkele lidstaten buitenlanders toegang tot het beroep van advocaat op voorwaarde dat zij een graad in de rechten hebben, een aanpassingsstage hebben doorlopen en een aanvullend examen hebben afgelegd. Informatie over het diploma dat in elk land wordt gevraagd kan worden opgevraagd bij de nationale „contactpunten” voor diploma's en erkenning van beroepsopleidingen. Van de contactpunten is een lijst opgesteld die te vinden is op de website van de Commissie: [http://europa.eu.int/comm/internal_market/en/qualifications/index.htm]. Tot slot bevat Richtlijn 98/5/EG (3) een lijst van in de lidstaten bestaande advocatentitels. In de richtlijn wordt echter geen melding gemaakt van diploma's die vereist zijn voor toegang tot het beroep van advocaat.
(1) PB L 19 van 24.1.1989, blz. 16.
(2) Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger-onderwijsdiploma's waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten.
(3) Richtlijn 98/5/EG van het Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven, PB L 77 van 14.3.1998.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/254 |
(2004/C 65 E/269)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-2987/03
van Erik Meijer (GUE/NGL) aan de Commissie
(9 oktober 2003)
Betreft: Tekortschietende bewaking van maximumresidugehalte (MRL) van gif en gifcocktails in nectarines en druiven afkomstig van binnen de Europese Unie
|
1. |
Is het de Commissie bekend dat onderzoek van de Nederlandse organisaties Stichting Natuur en Milieu, Vereniging Milieudefensie en alternatieve consumentenbond Goede Waar & Co heeft opgeleverd dat zich forse overschrijdingen voordoen van gifrestanten en van nog gevaarlijker cocktails van verschillende soorten gif in nectarines en druiven afkomstig uit de EU-lidstaten Spanje, Italië en Griekenland, zoals die in het bijzonder worden verkocht in de filialen van internationale prijsvechters? |
|
2. |
Heeft de Commissie speciale aandacht voor vruchten die met schil worden gegeten, waardoor het opgeslagen gif in sterkere mate dan bij geschilde vruchten in het menselijk lichaam terechtkomt? |
|
3. |
Kan de Commissie bevestigen dat de toevoeging van gif aan vruchtdragende bomen en struiken in EU-lidstaten weer toeneemt, evenals de kans op aanwezigheid van gif in geïmporteerd fruit van binnen of buiten de EU? |
|
4. |
In welk percentage wordt thans volgens actuele resultaten van nationale en door de Gemeenschap gecoördineerde bewakingsprogramma's voor residuen van bestrijdingsmiddelen in respectievelijk granen, groenten en fruit het maximumresidugehalte (MRL) overschreden? |
|
5. |
Wat ondernemen de Commissie en de lidstaten om — mede met behulp van het Rapid Alert System — door middel van geharmoniseerde richtsnoeren de rapportage door de lidstaten inzake overtreding van MRL's voor bestrijdingsmiddelen in levensmiddelen van plantaardige oorsprong verder te verbeteren en regelmatig in te grijpen teneinde alle consumenten binnen de EU een maximale graad van bescherming te bieden? |
|
6. |
Heeft de Commissie het voornemen aanvullende maatregelen te nemen om een mogelijke achteruitgang van de voedselveiligheid te stoppen en de controle op de voedselveiligheid te verbeteren? |
Bron: het Nederlandse dagblad „de Volkskrant” van 24 september 2003.
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(19 november 2003)
De Commissie is niet op de hoogte van het door het geachte parlementslid genoemde onderzoek.
In de risicobeoordeling die bij de vaststelling van MRL's (maximumgehalten aan residuen) wordt uitgevoerd, en bij de evaluatie van de resultaten in het kader van het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen maakt de Commissie een onderscheid tussen fruit dat met schil en fruit dat zonder schil wordt genuttigd.
Volgens het communautaire verslag over residuen van bestrijdingsmiddelen, dat op de website van de Commissie te vinden is, wordt in twee tot vijf procent van de gevallen het MRL overschreden. Er bestaat geen duidelijke aanwijzing dat het onjuiste gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de Gemeenschap of daarbuiten toeneemt.
Uit het meest recente communautaire verslag over 2001 blijkt dat gemiddeld in 3,9 % van de gevallen een overschrijding plaatsvindt en dat dit cijfer voor de lidstaten afzonderlijk uiteenloopt van 1,3 % tot 9,1 %.
MRL's zijn geen toxicologische grenswaarden. Bij overschrijding ervan is niet per definitie de voedselveiligheid in het geding. MRL's worden vastgesteld op basis van gegevens waaruit blijkt dat i) een juist gebruik van het gewasbeschermingsmiddel weliswaar tot een residu in het geoogste product leidt, maar dat ii) dit residu voor de consument geen gevaar oplevert. In de meeste gevallen ligt het MRL-niveau aanzienlijk beneden het niveau dat aanleiding tot bezorgdheid geeft. Als in het kader van het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen een overschrijding van het MRL wordt gemeld, vindt een risicobeoordeling plaats. Als wordt vastgesteld dat de consument direct gevaar loopt, wordt een waarschuwing gegeven. Namens de Commissie besteedt het Voedsel- en Veterinair Bureau bij zijn inspecties in de lidstaten stelselmatig aandacht aan waarschuwingen.
Daarnaast bevat het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in voedingsproducten (1) voorstellen om de controle- en toezichtmaatregelen in de lidstaten aan te scherpen.
(1) COM(2003)117 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/255 |
(2004/C 65 E/270)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3000/03
van Geneviève Fraisse (GUE/NGL) aan de Commissie
(14 oktober 2003)
Betreft: Uitvoering van de resolutie vrouwensport van 5 juni 2003 van het Europees Parlement
Op 15 september 2003, in de loop van de wereldbeker voetbal voor vrouwen, is het bericht gekomen dat het Amerikaans voetbalkampioenschap voor vrouwen opgeheven wordt. Hoewel er duidelijk vooruitgang is, heeft vrouwensport in haar geheel (op school, als vrijetijdsbesteding en beroepssport) nog altijd ondersteuning nodig.
In juni van dit jaar heeft het Europees Parlement op initiatief van mijzelf een resolutie over de problematiek van de sport voor de vrouw aangenomen (P5_TA(2003)0269). Zij bevat een oproep met 46 voorstellen aan de Europese Unie, de lidstaten en de sportwereld om daadwerkelijke gelijkheid van man en vrouw in de sport op hun politieke agenda te plaatsen. De Commissie heeft tot op vandaag nog geen enkele vorm van uitvoering aan de resolutie gegeven.
Het ontwerp van Europese grondwet bevat nu een rechtsgrondslag voor een steunbeleid voor de sport (art. 16) om de Europese dimensie van de sport te verdedigen, vooral gezien haar sociale functie en opvoedende waarde (art. III-182).
Welke uitvoering denkt de commissaris voor het sportbeleid, mevrouw Viviane Reding, aan de resolutie vrouwensport van het Europees Parlement te geven? Denkt de Commissie gebruik te maken van het nieuw juridisch raamwerk voor de sport om positief in te gaan op de verlangens die in de resolutie uitgesproken worden, en de studie over de positie van de vrouw in de sportbeoefening in Europa te laten uitvoeren zoals voorgesteld door de Raad van ministers van Sportzaken op 12 november 2001?
Welke initiatieven denkt de Commissie, en meer in het bijzonder haar Directoraat-generaal onderwijs en cultuur te nemen om de sportbeoefening door de vrouw te propageren en de lidstaten bewust te maken van het belang van dat beleidsonderdeel (Europese programma's en/of beleidsinitiatieven, mededeling, Witboek, …)?
Moet de Europese Unie de eerstvolgende Olympische Spelen van 2004 op haar grondgebied niet als gelegenheid aangrijpen om haar zienswijze op de sport bekend te maken en zich krachtig in te zetten, zoals zij het gedaan heeft voor de strijd tegen doping, voor gelijkheid van man en vrouw in de mogelijkheden en de praktijk van de sportbeoefening?
Antwoord van mevrouw Reding namens de Commissie
(30 oktober 2003)
De Commissie is zich bewust van de noodzaak om vrouwensport te bevorderen en ervoor te zorgen dat vrouwen en mannen gelijkelijk gelegenheid hebben om de sport van hun keuze te beoefenen. Zij is zich er ook van bewust dat er nog veel gedaan moet worden om de vrouwensport de de plaats te geven die deze toekomt. De Commssie heeft de resolutie over het thema „Vrouwen en sport” (1), die op initiatief van de geachte parlementariër is goedgekeurd, dan ook positief ontvangen.
Echter, de in het EG-Verdrag aangegeven bevoegdheden bieden de Commissie op dit moment geen mogelijkheden om gevolg te geven aan het merendeel van de in deze resolutie opgenomen voorstellen, die overigens ook hoofdzakelijk tot de lidstaten en de sportorganisaties gericht zijn. Wat de toekomst betreft, maakt de sport, zoals de geachte parlementariër opmerkt, in het ontwerp van een Europese grondwet deel uit van de gebieden waar „de Unie bevoegd (is) om om het optreden van de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen, zonder evenwel afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de lidstaten op die gebieden” (2).
Indien deze verankering van de sport in het EG-Verdrag bevestigd wordt in het kader van de Intergouvernementele Conferentie, zouden de voorstellen ter bevordering van de vrouwensport van nut kunnen zijn bij de voorbereiding van een eventuele communautaire actie op het terrein van de sport.
Wat de uitvoering van een studie betreft, meent de Commissie dat er al veel informatie beschikbaar is over deze kwestie en dat een nieuw onderzoek waarschijnlijk niet veel nieuwe elementen zou opleveren. Anderzijds zal de Commissie in 2003-2004 vier sectoriële studies financieren over onderwijs en sport, waarbij ook aandacht besteed zal worden aan aspecten in verband met vrouwensport. Wat de bevordering van sportieve waarden betreft, is 2004 uitgeroepen tot „Europees Jaar van opvoeding door sport”. De punten die de geachte parlementariër naar voren heeft gebracht, zijn terug te vinden in de doelstellingen van het Jaar en de acties die in de loop van 2004 georganiseerd zullen worden, zullen bijdragen tot het bevorderen van het educatieve imago van de sport.
Met de wensen van de geachte parlementariër zal dus ruimschoots rekening gehouden worden in het kader van het Europees Jaar en de genoemde vier studies.
(1) P5_TA(2003)0269.
(2) CONV 850/03 van 18.7.2003.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/256 |
(2004/C 65 E/271)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3009/03
van Arlene McCarthy (PSE) aan de Commissie
(8 oktober 2003)
Betreft: Vuurwerk
In heel Europa raken duizenden mensen gewond, worden eigendommen vernield, doorstaan dieren doodsangsten en wordt er geld verspild aan hulpdiensten die in actie moeten komen om het hoofd te bieden aan gevaren die geheel en al te voorkomen zijn.
Er bestaat geen duidelijke communautaire wetgeving betreffende het veilige gebruik van vuurwerk. Het valt expliciet niet onder richtlijn 93/15/EEG (1) van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik. De Commissie kon er niet van worden overtuigd dat een communautaire richtlijn betreffende het in de handel brengen en het gebruik van vuurwerk wat betreft de preventie van ongevallen een meer doeltreffende oplossing zou zijn dan plaatselijke voorschriften.
|
1. |
De Commissie stelde in antwoord op schriftelijke vraag P-4053/97 (2) dat het aantal ongelukken en de ernst ervan afhangen van plaatselijke gewoonten in verband met het gebruik van vuurwerk in het openbaar. Is de Commissie, gezien de verschillen die er tussen de lidstaten bestaan met betrekking tot het in handel brengen en het gebruik van vuurwerk, ook van mening dat een specifieke communautaire richtlijn doeltreffender zou zijn, zowel ter bescherming van de volksgezondheid als ter verzekering van gelijke concurrentievoorwaarden met betrekking tot het in de handel brengen en het gebruik van vuurwerk? |
|
2. |
Is de Commissie niet van mening dat de beperking van de vuurwerkverkoop tot verkooppunten met vergunning de verschillen tussen de lidstaten zou verminderen? |
|
3. |
Bepaalde soorten vuurwerk zijn gevaarlijker dan andere. Vuurwerk dat op de markt wordt gebracht in de Gemeenschap is onderworpen aan richtlijn 92/59/EEG (3) van de Raad van 29 juni 1992 inzake algemene productveiligheid. Niet alle lidstaten zijn het eens over het bereik van deze richtlijn. Zou het niet meer aangewezen zijn om de normen voor productveiligheid te verduidelijken door middel van specifieke wetgeving voor vuurwerk? |
|
4. |
Net als alle andere producten die goedgekeurd zijn voor legaal gebruik in een lidstaat, mag vuurwerk in beginsel vrij binnen de Gemeenschap circuleren (art. 28 (ex art. 30) van het EG-Verdrag). Op grond van artikel 30 (ex art. 36) van het EG-Verdrag kan grensoverschrijdend transport van vuurwerk verboden worden uit hoofde van openbaar beleid of ter bescherming van de openbare veiligheid. Is de Commissie het ermee eens dat het gemakkelijker is een product illegaal in te voeren in een EU-lidstaat met strengere productcontrole als het eenmaal legaal ingevoerd is in een lidstaat met mindere strenge beperkingen, dan te proberen het verboden product rechtstreeks in te voeren vanuit een derde land? Is het daarom niet gepaster de wetgeving betreffende legaal vuurwerk in de EU te harmoniseren? |
|
5. |
Wat doet de Commissie om de invoer van illegaal vuurwerk in de lidstaten van de EU tegen te houden? |
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(31 oktober 2003)
Momenteel wordt een communautair wetgevingsvoorstel over geharmoniseerde regels voor de goedkeuring en categorisering van vuurwerk opgesteld ter behandeling door de Commissie. Deze regels moeten de gebruikers een hoog beschermingsniveau bieden en garanderen dat in de Unie alleen goedgekeurd vuurwerk in de handel wordt gebracht. Het voorstel bevat essentiële veiligheidsvoorschriften waaraan vuurwerk moet voldoen. Op basis hiervan kan het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) geharmoniseerde veiligheidsnormen voor vuurwerk ontwikkelen.
De Commissie is niet van mening dat communautaire maatregelen moeten worden genomen om de verkoop van vuurwerk te beperken tot verkooppunten die hiervoor een vergunning hebben. Volgens het wetgevingsvoorstel zal vuurwerk echter in categorieën worden verdeeld, waarbij bepaalde categorieën aan professionele gebruikers zijn voorbehouden. Deze maatregelen zijn evenredig met het nagestreefde doel, namelijk de gebruikers een hoog beschermingsniveau bieden.
In de Unie bestaan er grote verschillen wat het gebruik van vuurwerk betreft, met name met betrekking tot de perioden van het jaar waarin de vraag naar vuurwerk het grootst is en de kenmerken van het vuurwerk (visuele en geluidseffecten). In de geplande maatregelen is dan ook bepaald dat de lidstaten de nodige voorzieningen moeten treffen om het gebruik van in de Unie goedgekeurd vuurwerk op deze lokale gewoonten af te stemmen.
In afwachting van deze maatregelen zijn de bepalingen van het EG-Verdrag en de beginselen van de interne markt van toepassing, alsook nationale maatregelen die tot beperkingen van de intracommunautaire handel in deze goederen kunnen leiden en die overeenkomstig de artikelen 28 tot en met 30 van het EG-Verdrag zijn beoordeeld.
De controle op illegaal in de Unie ingevoerd vuurwerk valt onder de bevoegdheid van de lidstaten. De goedkeuring van geharmoniseerde communautaire wetgeving inzake vuurwerk zou tot gevolg hebben dat voor ingevoerd vuurwerk dezelfde regels gelden als voor uit de Unie afkomstig vuurwerk.
(1) PB L 121 van 15.5.1993, blz. 20.
(2) PB C 187 van 16.6.1998, blz. 116.
(3) PB L 228 van 11.8.1992, blz. 24.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/258 |
(2004/C 65 E/272)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3016/03
van Ilda Figueiredo (GUE/NGL) aan de Commissie
(14 oktober 2003)
Betreft: Europees Jaar van de Gehandicapten
Nu het Europees Jaar van de Gehandicapten bijna afgelopen is, zwelt de kritiek van gehandicaptenorganisaties over het uitblijven van steun en financiële middelen, zowel op nationaal als op communautair vlak, aan, met name van Portugese organisaties als CNOD, om te participeren in diverse activiteiten ten bate van gehandicapten.
Een van de belangrijkste eisen is het opstellen van een ontwerprichtlijn overeenkomstig artikel 13 van het Verdrag met als doel de bestrijding van discriminatie op grond van een handicap, zoals bovendien is bepaald in het verslag over de uitvoering van de „Agenda voor het sociaal beleid: scorebord voor de uitvoering 2002” (A5-0247/2003), waarvan ik rapporteur was. Het verslag is op 3 september 2003 door het Europees Parlement goedgekeurd.
Welke initiatieven heeft de Commissie in dat verband genomen als antwoord op de hierboven genoemde kritiek?
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(20 november 2003)
Artikel 2 van het Besluit van de Raad 2001/903/EG van 3 december 2001 betreffende het Europees Jaar van personen met een handicap (1) stelt de doelstellingen van het Europees Jaar vast. Deze omvatten bewustmaking, uitwisseling van goede praktijken en versterking van samenwerking tussen de verschillende betrokken partijen. Ingevolgevartikel 11 was voor het Europees Jaar van personen met een handicap 12 miljoen euro beschikbaar.
Nu reeds kan worden gezegd dat de doelstellingen van het Europees Jaar van personen met een handicap met succes werden bekroond. Het enthousiasme van de niet-gouvernementele organisaties (NGO's) en andere betrokken partijen blijkt uit de duizenden activiteiten die in 2003 werden ontwikkeld. Een gevolg van de grote interesse in het Europees Jaar van personen met een handicap is dat niet alle activiteiten konden worden ondersteund binnen het voorziene financiële kader.
Het Europees Jaar van personen met een handicap is echter geen doel op zichzelf. De Commissie en alle lidstaten hebben als opdracht ervoor te zorgen dat het Europees Jaar van personen met een handicap naar behoren wordt opgevolgd. Portugal is bijvoorbeeld van plan om een nieuwe algemene basiswet betreffende handicaps en chronische ziekten in te dienen alsook een wet betreffende niet-gouvernementele organisaties die de belangen vertegenwoordigen van personen met een handicap en van personen met een chronische ziekte en een nationaal actieplan ter bevordering van toegankelijkheid (2004-2011).
De Commissie heeft een mededeling opgesteld over de follow-up van het Europees Jaar van personen met een handicap waarin een in etappen uit te voeren, meerjarig actieplan wordt ingevoerd, dat als einddatum het jaar 2010 heeft. Doel van dit actieplan is om gehandicaptenvraagstukken een plaats te geven in al het relevante beleid van de Gemeenschap en om op belangrijke terreinen concrete activiteiten ter bevordering van de integratie van personen met een handicap ten uitvoer te brengen. In de voorgestelde aanpak spelen de volgende drie algemene doelstellingen een centrale rol: volledige toepassing van Richtlijn (2000/78/EG) van de Raad (2), versterkte mainstreaming van gehandicaptenvraagstukken in al het relevante beleid van de Gemeenschap en verbetering van de toegankelijkheid voor iedereen.
Met betrekking tot een richtlijn betreffende personen met een handicap overeenkomstig artikel 13 is de Commissie van mening — zoals uiteengezet in haar antwoord op schriftelijke vraag E-2112/2003 van de heer de Rossa (3) — dat de huidige prioriteit erin bestaat te garanderen dat de bestaande communautaire wetgeving (Richtlijn 2000/78/EG) volledig wordt omgezet in nationaal recht.
Wat de toekomst van het EU-beleid inzake antidiscriminatie betreft, is de Commissie voornemens om in het voorjaar van 2004 het startsein te geven voor een openbare raadplegingsprocedure (Groenboek) over de strategie die in de toekomst bij de bestrijding van discriminatie gevolgd zou moeten worden. In het desbetreffende groenboek zal een inventarisatie worden gemaakt van de vooruitgang die bij het antidiscriminatiebeleid van de EU geboekt is en zullen vraagstukken over de toekomstige beleidsontwikkeling aan de orde worden gesteld. Daarnaast zal ook aandacht worden besteed aan de uitdagingen die de uitbreiding van de EU met zich meebrengt.
(2) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, PB L 303 van 2.12.2000.
(3) PB C 11 E van 15.1.2004, blz. 248.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/259 |
(2004/C 65 E/273)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3027/03
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(17 oktober 2003)
Betreft: Discriminatie van werknemers van de Griekse nationale telefoonmaatschappij
Bepaalde ondernemingen maken zich schuldig aan discriminatie van werknemers op grond van de leeftijd van hun aanwerving. Een van deze ondernemingen is de Griekse telefoonmaatschappij (OTE), die in haar advertenties voor de aanwerving van personeel met ervaring als telefonist en met een tijdelijk contract voor een deeltijdwerk, de leeftijdsgrens op 30 of 26 jaar legt. Met deze praktijk worden al tientallen jaren heel wat werknemers, voor het grootste deel vrouwen (95 procent van de telefonisten zijn vrouwen), verhinderd om met gebruikmaking van hun ervaring te blijven werken, omdat zij hun contract niet kunnen vernieuwen wanneer zij deze leeftijdsgrens overschrijden.
Deze praktijk vormt een schending van clausule 5, lid 1 van de richtlijn 97/81/EG (1), doordat belemmeringen worden gecreëerd voor de mogelijkheden voor deeltijdwerk, en ook van de richtlijn 76/207/EEG (2) betreffende de tenuitvoerlegging van beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Dit wordt ook bevestigd in het arrest van het Hof van Justitie zaak C-77/2002, waarin wordt gesteld dat: „aanzienlijk meer vrouwen dan mannen in deeltijd werken en derhalve op grond van dit voorschrift uitgesloten zijn van de regeling deeltijdarbeid voor oudere werknemers”.
Is er volgens de Commissie sprake van discriminatie wanneer in een advertentie voor een vacature een op het eerste gezicht neutrale bepaling, zoals die van de leeftijdgrens, voorkomt, welke leidt tot discriminatie van de bestaande werknemers die hun contract willen vernieuwen?
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(20 november 2003)
Het geachte parlementslid vraagt de Commissie of de Griekse telefoonmaatschappij zich door de toepassing van een leeftijdsgrens voor aanwerving schuldig maakt aan indirecte discriminatie op grond van geslacht gezien het feit dat vooral vrouwen worden getroffen.
Artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, van Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden verbieden directe en indirecte discriminatie op grond van geslacht. Volgens de definitie van indirecte discriminatie in Richtlijn 97/80/EG van de Raad van 15 december 1997 inzake de bewijslast in gevallen van discriminatie op grond van het geslacht en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie, is er sprake van indirecte discriminatie wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze een wezenlijk groter gedeelte van de leden van één geslacht benadeelt, tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze passend en noodzakelijk is en kan worden gerechtvaardigd door objectieve factoren die geen verband houden met het geslacht van de betrokkenen.
De aandacht van het geachte parlementslid wordt erop gevestigd dat Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (3) uiterlijk op 2 december 2003 door de lidstaten ten uitvoer moet zijn gelegd. Deze richtlijn verbiedt discriminatie op grond van godsdienst en overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid met betrekking tot arbeid en beroep. Artikel 6 van de richtlijn stelt evenwel dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, zoals legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de arbeidsmarkt.
De termijn voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2000/78/EG is nog niet verstreken en de Commissie heeft nog geen kennisgeving van Griekenland betreffende zijn uitvoeringsmaatregelen ontvangen. Zodra de Commissie hiervan in kennis is gesteld, zal zij nagaan of de maatregelen in overeenstemming zijn met de richtlijn en in het bijzonder of de door het geachte parlementslid vermelde praktijk gerechtvaardigd is op grond van de uitzondering in artikel 6 van de richtlijn.
Omdat de Griekse telefoonmaatschappij een overheidsinstantie is, zal de Commissie ondertussen contact met de Griekse autoriteiten opnemen om meer informatie te verkrijgen over de door het geachte parlementslid vermelde praktijk met als doel te bepalen of de praktijk een vorm van indirecte discriminatie tegen vrouwen inhoudt. De Commissie zal contact met het geachte parlementslid opnemen zodra zij in het bezit is van de vereiste informatie.
(1) PB L 14 van 20.1.1998, blz. 9.
(2) PB L 39 van 14.2.1976, blz. 40.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/260 |
(2004/C 65 E/274)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3033/03
van Marianne Thyssen (PPE-DE) aan de Commissie
(8 oktober 2003)
Betreft: Structuurfondsen — doelstelling 2-gebied — provincie Limburg (België)
Op 1 oktober jl. maakte de Europese directie van autoconstructeur Ford haar plannen bekend inzake de reorganisatie van haar Europese productienetwerk. De productiecapaciteit van de Ford-autofabriek te Genk (België — provincie Limburg) zal op korte termijn drastisch worden teruggeschroefd, met dramatische sociale gevolgen vandien. 3000 werknemers van Ford verliezen hun job. Ook in de toeleveringsbedrijven wordt het banenverlies op vele duizenden geraamd. Dit is opnieuw een zware klap voor het economisch en sociaal draagvlak van de provincie Limburg.
De Commissie erkende in het verleden de provincie Limburg als doelstelling 2-gebied (drie prioriteiten en negen maatregelen werden weerhouden) en hechtte haar goedkeuring aan een ontwikkelingsprogramma voor de provincie (periode 2000-2006) ten bedrage van 240 miljoen euro. Acties en projecten kunnen worden gerealiseerd via financiële tussenkomst van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds (ESF).
Kan de Commissie mededelen welke mogelijkheden er bestaan om bijkomende financiële middelen uit te trekken om de structurele, economische en sociale problemen van de provincie Limburg versneld aan te pakken. Heeft de Commissie terzake al een verzoek ontvangen van de Vlaamse regering? Zal de Commissie terzake zelf een initiatief nemen?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(3 november 2003)
Op 28 juni 2001 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan het enig programmeringsdocument voor de provincie Limburg uit hoofde van doelstelling 2 (periode 2000-2006) ten bedrage van in totaal 240 482 000 EUR. De gemeente Genk valt onder dit programma.
De Europese Structuurfondsen leveren een bijdrage van 92 696 000 EUR, dat wil zeggen 38 % van de totale uitgaven van het programma.
De eerste prioriteit van het programma bijvoorbeeld („Initiatieven ten behoeve van de economie en de werkgelegenheid”) vertegenwoordigt meer dan 50 % van de totale uitgaven en het ziet ernaar uit dat er door deze prioriteit nu al oplossingen kunnen worden gevonden voor de problemen op het gebied van de herstructurering van de regio. In overeenstemming met het subsidiariteitsprincipe is evenwel uitsluitend de beheersautoriteit van het programma (in het onderhavige geval het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap) bevoegd om, rekening houdend met de beschrijving van de maatregelen en de beschikbare middelen, de projecten te kiezen die zij wenst goed te keuren.
Bovendien zij eraan herinnerd dat de regio ook over een deel van de ESF-middelen kan beschikken die uit hoofde van doelstelling 3 voor het Vlaamse Gewest zijn toegewezen. Dit programma is met name bedoeld voor acties op het gebied van de wederinpassing en de opleiding van werkzoekenden alsook van de werknemers. De toewijzing van het ESF in dit kader bedraagt 376,2 miljoen euro op een totale begroting van 894 miljoen euro voor de periode 2000-2006.
Wat de mogelijkheid betreft om bijkomende financiële middelen uit te trekken zij erop gewezen dat er een prestatiereserve is ingevoerd, overeenkomend met 4 % van de indicatieve toewijzing van vastleggingskredieten aan elke lidstaat. De reserve wordt aan de programma's toegewezen op basis van een evaluatie van de prestaties van de verschillende programma's die effect sorteren op het bestreken gebied aan de hand van indicatoren waaruit de doelmatigheid, het beheer en de financiële uitvoering blijkt.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/261 |
(2004/C 65 E/275)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3034/03
van Marianne Thyssen (PPE-DE) aan de Commissie
(17 oktober 2003)
Betreft: Octrooitermijn voor in computers geïmplementeerde uitvindingen
Tijdens de plenaire vergadering van 24 september ll. stemde het Europees Parlement in eerste lezing over het voorstel voor een richtlijn betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen.
Op grond van artikel 8 (b) van het voorstel, zoals geamendeerd door het Parlement, dient de Commissie bij het Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de vraag of de regels betreffende de octrooitermijn en het bepalen van de octrooieerbaarheidseisen, meer bepaald nieuwheid, uitvinderswerkzaamheid en de passende omvang van de conclusies, adequaat zijn.
Kan de Commissie mededelen of zij de klassieke looptijd van een octrooi (20 jaar) werkelijk geschikt acht voor software-gelieerde uitvindingen? Meent de Commissie niet dat het wenselijk zou zijn om voor dit soort hoogtechnologische uitvindingen de standaardlooptijd in te korten? Denkt de Commissie niet dat een dergelijke beslissing de concurrentie op de Europese markt voor software-gelieerde uitvindingen zou kunnen bevorderen?
Antwoord van de heer Bolkestein namens de Commissie
(18 november 2003)
Een reeds lang bestaand kenmerk van het octrooirecht is dat de beschermingstermijn dezelfde is voor alle uitvindingen, op alle gebieden van de technologie. Dit beginsel is op internationaal niveau als wettelijke verplichting vastgelegd in de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS). De enige afwijking van deze regel die momenteel wordt toegestaan, is bedoeld om een langere beschermingstermijn mogelijk te maken voor bepaalde producten die door de regelgeving aan langdurige goedkeuringsprocedures zijn onderworpen en die daardoor, bij afwezigheid van een dergelijke bepaling, slechts gedurende betrekkelijk korte tijd daadwerkelijke bescherming op de markt zouden genieten.
Niettemin is de Commissie zich ervan bewust dat kan worden aangevoerd dat de vaste beschermingstermijn van twintig jaar niet geschikt is voor alle gebieden van de technologie, en om die reden heeft zij er in haar reactie op de amendementen die in eerste lezing in het voorstel zijn aangebracht, mee ingestemd de kwestie te onderzoeken. Bij dit onderzoek zou uiteraard rekening worden gehouden met de noodzaak om de innovatie en de concurrentie aan te moedigen. Het mag evenwel niet uit het oog worden verloren dat elke verandering op dit gebied aanzienlijke juridische en technische problemen zou opleveren, met name de praktische moeilijkheid om in voldoende nauwkeurige en waterdichte juridische bewoordingen de grenzen te bepalen van de materie waarvoor andere beschermingstermijnen kunnen worden toegepast. Bovendien zou dit, zelfs indien zou worden besloten dat het wenselijk en uitvoerbaar is om een dergelijke verandering aan te brengen, om de bovenvermelde redenen via internationale onderhandelingen als een beleidsdoel moeten worden verwezenlijkt.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/262 |
(2004/C 65 E/276)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3040/03
van Jo Leinen (PSE) aan de Commissie
(17 oktober 2003)
Betreft: Toepassing van richtlijn 2000/35/EG (betalingstermijnen) op betalingen voor projecten door het Europees Ontwikkelingsfonds
Klopt het dat richtlijn 2000/35/EG (1), die uiterlijk op 8 augustus 2002 door de lidstaten in nationaal recht moest worden omgezet en de bepaling bevat dat rekeningen binnen 30 dagen moeten worden voldaan, ook geldt voor het betalingsverkeer tussen EU-instanties (zoals het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF)) en hun contractuele partners?
Desgevraagd heeft een administratief medewerkster bij het EOF ons in maart 2003 meegedeeld dat de richtlijn haar niet bekend was en dat voor de afhandeling van de betalingsverplichtingen van het EOF nog steeds een termijn van 90 dagen gold. Wat denkt de Commissie te doen om te voorkomen dat de indruk postvat dat de Unie voor iedereen bindende regels vaststelt waaraan de eigen instanties zich niet gebonden achten?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(20 november 2003)
Richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties voorziet niet in de harmonisatie van de betalingstermijn op 30 dagen. De contracterende partijen mogen de betalingstermijn naar eigen wens vaststellen. Artikel 3, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat interest verschuldigd is met ingang van de dag volgend op de datum voor betaling of op het verstrijken van de termijn voor betaling, welke zijn vastgesteld in de overeenkomst. Indien er in de overeenkomst geen datum of termijn voor betaling is vastgesteld, is interest automatisch verschuldigd 30 dagen na de ontvangst van de factuur of 30 dagen na de ontvangst van de goederen of diensten.
De Richtlijn regelt alle handelstransacties, waaronder de transacties tussen ondernemingen en overheidsinstanties, zoals bepaald door de Richtlijnen inzake overheidsopdrachten (2) 92/50/EEG, 93/36/EEG, 93/37/EEG en 93/38/EEG. De Commissie heeft zich ertoe verbonden de voorwaarden van Richtlijn 2000/35/EG (3) toe te passen op haar eigen aanbestedingsprocedures, op grond van de bepalingen vastgesteld in de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (4).
Artikel 106 van de uitvoeringsvoorschriften bepaalt dat de verschuldigde bedragen worden betaald binnen een termijn van maximaal 45 kalenderdagen vanaf de datum van inschrijving van een ontvankelijk verzoek om betaling door de gemachtigde dienst van de bevoegde ordonnateur. De betalingstermijn wordt op 30 kalenderdagen vastgesteld voor betalingen in verband met opdrachten voor diensten of leveringen, behalve wanneer het contract anders bepaalt.
De uitvoeringsvoorschriften zijn evenwel uitsluitend van toepassing op de algemene begroting. Het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) valt buiten de begroting, maar wordt op intergouvernementele basis georganiseerd en gefinancierd. Het heeft zijn eigen specifieke financieel reglement, aangenomen op 27 maart 2003 en van toepassing op het 9e Europees Ontwikkelingsfonds (5). Het financieel reglement van het EOF moet voldoen aan de verplichtingen van de Gemeenschap opgenomen in de partnerschapsovereenkomst met de Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), ondertekend op 23 juni 2000 te Cotonou (Benin) (6).
In artikel 37, lid 6, van bijlage IV bij de overeenkomst wordt bepaald dat de procedures inzake betaalbaarstelling, betalingsopdrachten en betaling van de uitgaven binnen een termijn van ten hoogste 90 dagen na de vervaldag moeten zijn afgewikkeld.
In het kader van de overeenkomst van Cotonou wordt het financieel beheer overgedragen aan de autoriteiten van de ACS-staten. Hun nationale ordonnateurs beheren de EOF-programma's. Op grond van bovenvermeld artikel 37, lid 6, heeft de nationale ordonnateur 45 dagen om opdracht tot betaling te geven en het hoofd van de delegatie die verantwoordelijk is voor het land in kwestie, daarvan in kennis te stellen. De Commissie heeft dan, binnen de limiet van 90 dagen, 45 dagen om haar interne procedures af te ronden en de betaling te verrichten.
Deze regel, die vervat is in de overeenkomst van Cotonou, werd overgenomen in artikel 67 van het financieel reglement van het EOF.
(1) PB L 200 van 8.8.2000, blz. 35.
(2) Richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening, PB L 209 van 24.7.1992. Richtlijn 93/36/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen, PB L 199 van 9.8.1993. Richtlijn 93/37/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken, PB L 199 van 9.8.1993. Richtlijn 93/38/EEG van 14 juni 1993 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, PB L 199 van 9.8.1993.
(3) Richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties, PB L 200 van 8.8.2000. Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/263 |
(2004/C 65 E/277)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3041/03
van Stavros Xarchakos (PPE-DE) aan de Commissie
(17 oktober 2003)
Betreft: Ernstige tekortkomingen in Griekse ambulances
De partij „Nieuwe Democratie” heeft in het Griekse parlement herhaaldelijk de aandacht gevestigd op het thema van de aanschaf van ambulances voor het Centrum voor eerste hulp (EKAB), de voorschriften waaraan deze ambulances dienen te voldoen, de transparantie van de selectieprocedure voor deze ambulances en de uitrusting waarover ze dienen te beschikken voor hun moeilijke taak.
De werknemers van het EKAB hebben er reeds vaak op gewezen dat deze ambulances niet over de noodzakelijke draagbare apparatuur voor kunstmatige beademing beschikken (waarmee slachtoffers de eerste zuurstof wordt toegediend), noch over defibrillatie-apparatuur voor het toedienen van elektroshocks aan patiënten met een hartstilstand.
De partij „Nieuwe Democratie” heeft in de persoon van Nikitas Kaklamanis (bevoegd coördinator voor sociale zaken en voormalig lid van het Europees Parlement) ook reeds meerdere malen gewezen op het punt van de transparantie van de selectieprocedures voor de ambulances (die van tijd tot tijd gekocht worden met steun van middelen van het tweede en derde communautair bestek).
Kan de Commissie mij meedelen welke de precieze bedragen zijn die de EU tussen 1994 en nu ter beschikking heeft gesteld voor de aankoop van ambulances en andere mobiele eenheden voor eerste hulp, en via welke operationele programma's (communautair bestek of communautaire initiatieven) dit is gebeurd? Is de Commissie op de hoogte van de hierboven vermelde tekortkomingen op het gebied van uitrusting? Wat is het standpunt van de Commissie ten aanzien van de beschuldiging van de werknemers van het EKAB dat een stad als Athene (met 5 miljoen inwoners) over slechts 72 ambulances beschikt, d.w.z. 1 ambulance voor 70 000 inwoners, met ernstige incidenten tot gevolg, zoals op 30 september jl, toen een gewond geraakte motorrijder twee uur op straat heeft gelegen voordat er een ambulance beschikbaar was om hem naar het ziekenhuis te vervoeren?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(11 november 2003)
De Commissie is doende de ter beantwoording van de vraag nodige gegevens te verzamelen. Zij zal de resultaten van haar onderzoek zo spoedig mogelijk mededelen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/264 |
(2004/C 65 E/278)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3047/03
van Elspeth Attwooll (ELDR), Heinz Kindermann (PSE), John McCartin (PPE-DE) en Willi Görlach (PSE) aan de Commissie
(17 oktober 2003)
Betreft: Recreatievisserij en toerismestatistieken
Zoals de Commissie en de Raad allicht weten, is een verbetering van de gemeenschappelijke gegevensbank met toerismestatistieken noodzakelijk. Een gemeenschappelijk kennisplatform is een eerste vereiste voor vergelijkend onderzoek, voor de uitwisseling van standpunten, voor studie en voor het aanpakken van strategische problemen in de toeristische sector. Ook moeten statistisch geldige en vergelijkbare gegevens betreffende toerisme worden ontwikkeld. Als gemeenschappelijke doelstelling moet de tenuitvoerlegging van nationale satellietrekeningen inzake toerisme (TSA) in de lidstaten worden gezien. De recreatievisserij (hengelsporttoerisme) is een belangrijk onderdeel van de Europese toeristische sector.
Is de Commissie bereid te verzekeren dat de gegevens betreffende recreatievisserij worden vergaard en afzonderlijk worden vermeld binnen het algemene kader van toerismestatistieken?
Antwoord van de heer Solbes Mira namens de Commissie
(18 november 2003)
De Commissie vestigt de aandacht op het nut van de bestaande statistiekwetgeving (Richtlijn 95/57/EG) (1) voor de opstelling van internationaal vergelijkbare statistieken op het gebied van toerisme. De tenuitvoerlegging van deze richtlijn in de lidstaten heeft geleid tot een constante stroom van waardevolle en vergelijkbare gegevens op toeristisch gebied. Deze gegevens worden regelmatig door de Commissie gepubliceerd. De toetredende landen hebben grote vorderingen op dit vlak geboekt zodat zij bij toetreding tot de Unie op 1 mei 2004 informatie zullen leveren die op hetzelfde niveau ligt als die van de huidige lidstaten.
In bovengenoemde richtlijn wordt al gevraagd de gegevens in een groot aantal categorieën in te delen, onder meer naar nationaliteit, verblijfsduur of belangrijkste middel van vervoer. Er wordt niet gevraagd om een indeling naar het type vakanties. Hierdoor kunnen visvakanties (of een ander type vakantie) niet afzonderlijk in de toerismestatistieken worden vermeld. Om de responslast in te dammen, is besloten geen extra categorieën in te voeren.
(1) Richtlijn 95/57/EG van de Raad van 23 november 1995 betreffende de verzameling van statistische informatie op het gebied van het toerisme, PB L 291 van 6.12.1995.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/264 |
(2004/C 65 E/279)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3063/03
van Hiltrud Breyer (Verts/ALE) aan de Commissie
(17 oktober 2003)
Betreft: Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik
Het is wetenschappelijk bewezen dat geneesmiddelen bij vrouwen en mannen verschillend werken. Toch zijn vrouwen in klinische studies ondervertegenwoordigd en de verkregen gegevens worden niet systematisch naar geslacht geregistreerd.
De enquêtecommissie „Toekomst van een vrouwvriendelijke gezondheidsvoorziening in NRW” in de deelstaat Noordrijn-Westfalen heeft voorstellen voor een vrouwvriendelijke uitvoering van de richtlijn 2001/83/EG (1) gedaan. Zij acht een wijziging van de richtlijn noodzakelijk, zodat vrouwen bij het onderzoek worden betrokken.
|
1. |
Is de Commissie voornemens de richtlijn voor de gehele EU in die zin te veranderen dat vrouwen en mannen in klinische studies gelijkelijk vertegenwoordigd zijn en de verkregen gegevens systematisch naar geslacht worden geregistreerd? |
|
2. |
Of is de Commissie voornemens bij de lidstaten aan te dringen op een, voor beide geslachten eerlijkere omzetting? |
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(19 november 2003)
Bijlage I van Richtlijn 2001/83/EG, zoals gewijzigd door Richtlijn 2003/63/EG van de Commissie van 25 juni 2003 (2) betreft de analytische, toxicologisch-farmacologische en klinische normen en protocollen betreffende proeven op geneesmiddelen met het oog op het afgeven van een vergunning voor het in de handel brengen.
Deel I, punt 5.2.f) van deze bijlage stipuleert dat de klinische bevindingen voor elk onderzoek moeten worden samengevat, en dat daarbij moet worden vermeld:
|
1) |
het aantal behandelde patiënten en het geslacht van deze patiënten; |
|
2) |
de wijze van selectie voor en de leeftijdsverdeling van de groepen patiënten waarbij het onderzoek is uitgevoerd, en de vergelijkingsproeven … ( …) |
|
6) |
nadere gegevens over proefpersonen met een zekere gevoeligheid voor bepaalde aandoeningen (bejaarden, kinderen, zwangere of menstruerende vrouwen) … |
De algemene regel overeenkomstig Richtlijn 2001/83/EG is dan ook dat er een geschikte studieopzet moet worden gekozen en dat de klinische proef zodanig wordt uitgevoerd dat de resultaten van de proeven, met inbegrip van de statistische beoordeling, zorgen voor een positieve uitkomst met betrekking tot de indicatie, ter ondersteuning van een vergunning voor het in de handel brengen van het geneesmiddel zonder beperkingen naar geslacht.
Uitzonderingen op deze algemene verplichting worden enkel aanvaard voor vergunningen voor het in de handel brengen van geneesmiddelen met geslachtsspecifieke indicaties.
(1) PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/265 |
(2004/C 65 E/280)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3078/03
van Bart Staes (Verts/ALE) aan de Commissie
(14 oktober 2003)
Betreft: Europese norm EN-1078
Twee Vlaamse professoren van de Katholieke Universiteit Leuven (KUL) deden een onderzoek bij 86 fietsongevallen en daaruit bleek dat „het bij een valpartij weinig verschil uitmaakt of je al dan niet een fietshelm draagt. Ze pleiten dan ook voor een totaal nieuwe helm.”
De wetenschappers erkennen dat het dragen van de helmen in hun actuele vorm beter is dan fietsen zonder helm. Toch slagen de huidige helmen er niet in om de trillingen binnen de schedel die na een val ontstaan te stoppen. Voorts vormen ze een onvoldoende bescherming voor de slaapstreek.
Fietshelmen moeten voldoen aan de Europese norm EN-1078. De twee wetenschappers vinden deze norm evenwel „te vaag” en „wetenschappelijk absoluut niet onderbouwd” met „als gevolg dat de helmen niet doen wat ze moeten doen”.
Is de Commissie op de hoogte van het onderzoek van twee KUL-professoren?
Deelt zijn hun conclusie dat de EN-1078-norm te vaag is en wetenschappelijk niet onderbouwd en zo neen, op basis van welke argumenten?
Zal de Commissie middelen vrijmaken om wetenschappelijk onderzoek naar de productie van de voor de fietser meest veilige, meest comfortabele en meest betaalbare fietshelm te laten uitvoeren en zo neen, waarom niet?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(11 november 2003)
Norm EN 1078 is uitgewerkt door de Europese Commissie voor normalisatie (CEN). Dit houdt in dat een groep internationale deskundigen deze productnorm heeft opgesteld in het licht van de stand van de techniek en dat de CEN-partijen de norm na verificatie hebben goedgekeurd.
De Commissie heeft de referentie van deze norm bekendgemaakt overeenkomstig artikel 5, lid 4, van Richtlijn 89/686/EEG van de Raad van 21 december 1989 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen (1) (PBM). De norm is goedgekeurd in het kader van de uitvoering van deze richtlijn daar ze rechtstreeks verband houdt met de fundamentele gezondheids- en veiligheidsvoorschriften in bijlage II bij de richtlijn.
De vertegenwoordigers van de lidstaten hebben nog geen melding gemaakt van onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat de norm misschien niet tot de gewenste bescherming leidt. Deze vertegenwoordigers vergaderen tweemaal per jaar met de Commissie in de Groep PBM-deskundigen en de Groep administratieve samenwerking bij het markttoezicht. De dienst van de Commissie die over de richtlijn gaat, is niet op de hoogte van de door het geachte parlementslid genoemde studie.
De Commissie stelt veel belang in informatie over onderzoek waaruit blijkt dat een productnorm niet geheel voldoet en dat de Europese burgers gezondheids- en veiligheidsrisico's lopen.
Ze zal dit onderwerp op de agenda zetten van de volgende vergadering van de instanties voor markttoezicht van de lidstaten (gepland in december 2003) om na te gaan wat de Europese dimensie van het probleem is.
Ze zal de kwestie ook met de CEN bespreken om na te gaan of maatregelen nodig zijn. Het punt kan worden behandeld bij de standaardevaluatie van de productnormen door de CEN of worden opgenomen in de opdrachten die de Commissie de CEN geeft, via het kader waarin de Commissie een groot deel van het Europese normalisatiewerk financiert.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/266 |
(2004/C 65 E/281)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3093/03
van Harald Ettl (PSE) aan de Commissie
(14 oktober 2003)
Betreft: Opname van de werkzame stof paraquat op de positieve lijstvan richtlijn 91/414/EG
Op de vergadering van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid van 2 en 3 oktober 2003 werd opname van het gewasbestrijdingsmiddel paraquat op de positieve lijst (bijlage 1) van richtlijn 91/414/EG (1) betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen goedgekeurd.
Paraquat is voor mensen en dieren buitengewoon giftig, persistent en hoopt zich bij herhaaldelijk gebruik in de bodem op. Als gevolg van het giftige karakter is het gebruik van paraquat in 7 landen geheel verboden en in andere landen mag het slechts in zeer beperkte mate worden gebruikt.
Ongeacht de gevaren die paraquat voor de gezondheid van de mens en het milieu met zich meebrengt, heeft de Europese Commissie voorgesteld paraquat op de positieve lijst te zetten en aldus dit gewasbestrijdingsmiddel de toegang tot de markten van de EU en andere landen te verschaffen. Een versoepeling van de huidige beperkingen voor paraquat zou het streven naar hogere gezondheids- en veiligheidsnormen in de landbouw teniet doen en in plaats daarvan landbouwproductiemethoden zonder sociale en milieutechnische duurzaamheid bevorderen.
Het is voor het Europees Parlement en de burgers van bijzonder belang te weten wat de Europese Commissie en de Raad ertoe bewogen heeft de Europese bevolking dit giftige en gevaarlijke gewasbestrijdingsmiddel voor te schrijven.
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(12 november 2003)
Bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen is een geharmoniseerd kader voor de toelating en het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen opgesteld. Om in gewasbeschermingsmiddelen te mogen worden gebruikt, moeten werkzame stoffen op communautair niveau zijn beoordeeld en toegelaten en op de lijst van bijlage I bij de richtlijn zijn opgenomen. Krachtens geharmoniseerde regels zijn de lidstaten belast met de beoordeling en toelating van individuele gewasbeschermingsmiddelen die werkzame stoffen bevatten.
Volgens artikel 5 van de richtlijn worden werkzame stoffen op de lijst van bijlage I opgenomen indien op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis is aangetoond dat ze in beginsel geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de mens, noch voor het milieu.
De gegevens die de industrie over paraquat heeft verstrekt, zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid beoordeeld. Deze documenten en de aanvullende informatie zijn eveneens voorgelegd aan het Wetenschappelijk Comité voor planten, dat werd verzocht de mogelijke risico's voor consumenten, toedieners en het milieu (met name voor bodemorganismen, vogels en hazen) toe te lichten.
In zijn advies (2) concludeerde het Wetenschappelijk Comité dat paraquat, wanneer het overeenkomstig de aanbevelingen en met inachtneming van de gebruiksvoorschriften als gewasbeschermingsmiddel wordt gebruikt, waarschijnlijk geen gezondheidsrisico voor de toedieners inhoudt. Het Comité merkte ook op dat gebruik in de aanbevolen doseringen waarschijnlijk geen significant risico met zich meebrengt voor in de grond levende organismen. Het heeft echter om een gedetailleerdere beoordeling van de mogelijke effecten van paraquat op de afbraak van organisch materiaal in de grond verzocht. Deze informatie is vervolgens door de rapporterende lidstaat ingediend en beoordeeld en werd aanvaardbaar geacht. Voorts kwam het Wetenschappelijk Comité tot de conclusie dat de beschikbare studies op een gevaar voor op de grond broedende vogelsoorten wijzen, maar dat meer informatie over de werkelijke blootstelling vereist was alvorens het risico definitief kon worden beoordeeld. Uit de gegevens die vervolgens beschikbaar kwamen en in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid zijn geëvalueerd, bleek dat de blootstelling van op de grond broedende vogels in vele gevallen te verwaarlozen is, maar dat er toch scenario's zijn waarin blootstelling zich kan voordoen. De evaluatie in het Permanent Comité leidde tot de conclusie dat het risico aanvaardbaar is, op voorwaarde dat de nodige risicobeperkende maatregelen worden getroffen. Het Wetenschappelijk Comité kwam ten slotte tot de conclusie dat paraquat voor hazen weliswaar letale en subletale gevolgen kan hebben, maar dat de beschikbare gegevens ontoereikend zijn om te kunnen ramen hoeveel hazen erdoor worden getroffen. Bij de opstelling van de richtlijn en het evaluatieverslag is rekening gehouden met de mening van het Wetenschappelijk Comité.
In het algemeen leidde de evaluatie in het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid tot de conclusie dat het risico aanvaardbaar is op voorwaarde dat de nodige risicobeperkende maatregelen worden getroffen, dat aan de vereisten van artikel 5 van de richtlijn is voldaan en dat paraquat dus op de lijst van bijlage I bij de richtlijn moet worden opgenomen.
Gezien de erkende toxiciteit van paraquat is deze conclusie echter moeizaam tot stand gekomen. Het ontwerp dat in het Comité door de lidstaten werd besproken, bevat dan ook restrictieve bepalingen, een verplicht programma voor toezicht en verslaggeving en een voorstel voor een herziening van de doeltreffendheid van de risicobeperkende maatregelen.
Tijdens de besprekingen werd ook aandacht besteed aan het frequente gebruik van paraquat bij zelfmoordpogingen en aan ongevallen met deze stof in ontwikkelingslanden. De ontwerp-richtlijn voor het opnemen van paraquat op de lijst van bijlage I zal echter alleen van toepassing zijn in de Gemeenschap. Ze bevat technische voorschriften om het risico op ongevallen of zelfs opzettelijke inname tot een minimum te beperken. Om aan deze bezorgdheid tegemoet te komen zal de kennisgever voor zijn mondiale verkoop gebruik maken van de communautaire specificaties en een wereldwijd beheers-programma organiseren, dat met name betrekking heeft op opleiding in het veilig gebruik, een programma voor ongevallenpreventie en de ontwikkeling van formules die veiliger zijn voor de gebruiker.
De Commissie is van mening dat de risico's die met het gebruik van paraquat verbonden zijn, zodanig kunnen worden beheerd dat het gebruik ervan aanvaardbaar is. Naar verwachting zullen de risico's die verbonden zijn met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met paraquat over de hele wereld afnemen.
Het is eveneens belangrijk erop te wijzen dat de opname in bijlage I geen aanmoediging is om paraquat te gebruiken en geen versoepeling van de bestaande beperkingen in de Gemeenschap inhoudt. Het betekent alleen dat de lidstaten het gebruik van producten met paraquat mogen toestaan. In vergelijking met de huidige situatie zal de opname in bijlage I meer dan waarschijnlijk leiden tot een betere bescherming van het milieu en de mensen die met de stof omgaan. De lidstaten die besluiten ook in de toekomst producten met paraquat toe te staan, zullen zich immers moeten houden aan beperkingen die ruimer en strenger zijn dan die welke op dit ogenlik gelden.
Na vijf jaar zal de Commissie bovendien bij het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid een verslag indienen over de toepassing van de paraquatrichtlijn, waarbij zij zal aangeven of nog steeds aan de eisen voor opname in bijlage I is voldaan. Eventueel kan zij dan wijzigingen en, indien nodig, verwijdering van de lijst voorstellen.
(1) PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.
(2) Advies van het the Wetenschappelijk Comité voor planten betreffende specifieke vragen van de Commissie over de beoordeling van paraquat in het kader van Richtlijn 91/414/EEG; SCP/PARAQ/002, goedgekeurd op 20 december 2001.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/268 |
(2004/C 65 E/282)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3125/03
van Monica Frassoni (Verts/ALE) aan de Commissie
(17 oktober 2003)
Betreft: Structurele steun voor Valencia
In haar antwoord op mijn vraag E-2398/03 (1) betreffende structurele steun voor Valencia en de overheveling van het water van de Ebro wijst de Commissie erop dat zij op 26 maart 1999 slechts beschikte over de statistische gegevens inzake het BBP van de Autonome Gemeenschap Valencia voor de jaren 1994, 1995 en 1996. Op het ogenblik van de selectie van de regio's van doelstelling 1 werd op basis van deze gegevens berekend dat Valencia onder 75 % van het communautaire gemiddelde lag. De Commissie erkent evenwel dat uit een herziening van de gegevens voor deze drie jaren blijkt dat Valencia dit percentage in feite had overschreden. De Rekenkamer had er in haar speciaal verslag nr. 7/2003 reeds op gewezen dat indien was uitgegaan van de recentste statistieken (1996, 1997 en 1998) de Autonome Gemeenschap Valencia geen recht zou hebben gehad op steun in het kader van doelstelling 1 van de structuurfondsen 2000-2006, aangezien het BBP hoger lag dan 75 % van het communautaire gemiddelde. Alsof dit nog niet genoeg was verklaart de Commissie thans dat uit een herziening van de gegevens voor 1994, 1995 en 1996 blijkt dat Valencia ook in die periode boven de 75 % uitkwam.
Hoe is een dergelijke fout bij de berekening van het BBP voor 1994, 1995 en 1996 mogelijk geweest? Waarom waren op 26 maart 1999 alleen de gegevens tot en met 1996 beschikbaar?
Kan de Commissie onderzoeken of de cijfers niet werden gemanipuleerd, teneinde de schijn te wekken dat Valencia op 26 maart 1999 nog steeds onder de grens van 75 % lag?
Antwoord van de heer Barnier namens de Commissie
(14 november 2003)
Sinds de hervorming van de Structuurfondsen in 1988 heeft de Raad op voorstel van de Commissie twee keer de lijst van de onder doelstelling 1 vallende regio's met een ontwikkelingsachterstand vastgesteld, voor de programmeringsperioden 1989-1993 en 1994-1999.
De Europese Raad van Berlijn heeft voor de eerste keer de Commissie de verantwoordelijkheid toevertrouwd om de lijst met de regio's van doelstelling 1 voor de programmeringsperiode 2000-2006 vast te stellen.
In de wettelijke voorschriften (2) zijn daarvoor zeer precieze subsidiabiliteitscriteria vastgesteld, zoals:
|
— |
de strikte toepassing van de drempel van 75 % van het communautaire gemiddelde voor het criterium van het bruto binnenlands product (BBP) per inwoner in koopkrachtpariteiten; |
|
— |
het gebruik van uitsluitend communautaire gegevens; |
|
— |
de streefdatum van 26 maart 1999 voor wat betreft de cijfers die voor de opstelling van de lijst kunnen worden gebruikt. |
Op die basis heeft de Commissie de lijst van de regio's van doelstelling 1 opgesteld, zodra de nieuwe structuurfondsenverordeningen (3) in juli 1999 waren goedgekeurd. Dit besluit van de Commissie was gebaseerd op de gegevens van het BBP per inwoner die op 26 maart 1999 met betrekking tot de jaren 1994-1995-1996 beschikbaar waren. Volgens de huidige gewoonten en in overeenstemming met de nationale instituten voor de statistiek berekent Eurostat de preliminaire gegevens in kwestie voor het jaar Τ aan het eind van de maand T+12 maanden en de definitieve gegevens een het eind van de maand T+24 maanden. Daarom hadden, in maart 1999, de laatste beschikbare gegevens betrekking op het jaar 1996. Deze termijnen zijn opgenomen in de geldende bepalingen voor de opstelling van de nationale rekeningen.
Zoals bij de meeste statistische gegevens het geval is, ondergaan de reeksen periodieke herzieningen. Deze herzieningen zijn normaal en zijn niet het gevolg van vergissingen, ook niet in het geval van Valencia.
Er zijn drie redenen voor deze veranderingen:
|
— |
De methodologische verbeteringen als gevolg van de overgang van SER 79 naar SER 95. Alle statistische gegevens waarop de Commissie haar besluiten baseert waren tot dusverre door Eurostat opgesteld, op basis van een communautaire methodologie „Systeem van de economische rekeningen 79” (SER 79) genaamd. In de tussentijd is het SER hervormd. Een verordening van de Raad heeft SER 95 ingesteld, die een aantal methodologische wijzigingen aanbrengt om het systeem te verbeteren. Overeenkomstig diezelfde verordening (artikel 7, lid 1), werd SEC 95 toegepast voor de gegevens die vanaf april 1999 doorgegeven moeten worden; |
|
— |
De bijwerkingen van de indicatoren waarop de schattingen van het BBP gebaseerd zijn, met inbegrip van de resultaten van de volkstellingen; |
|
— |
De evolutie van de economische situatie in de regio's en de lidstaten. |
Er is geen enkele rechtsgrond om de subsidiabiliteit van een regio van doelstelling 1 opnieuw te bestuderen. Teneinde stabiele voorwaarden te creëren voor de planning van de structurele interventies voorzien de bepalingen van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 in de handhaving van de lijst met de in aanmerking komende regio's van doelstelling 1 tot 31 december 2006. De Commissie kan de indeling van de Comunidad Valenciana, of van de andere regio's met een ontwikkelingsachterstand van doelstelling 1 dus niet wijzigen, vooral omdat Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad niet toestaat dat de lijst in de loop van de programmeringsperiode 2000-2006 opnieuw onderzocht wordt.
(1) PB C 58 E van 6.3.2004, blz. 164.
(2) Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen, PB L 161 van 26.6.1999.
(3) Beschikking van de Commissie van 1 juli 1999 tot vaststelling van de lijst van de onder doelstelling 1 van de Structuurfondsen vallende regio's voor de periode 2000-2006.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/270 |
(2004/C 65 E/283)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3154/03
van Michael Cashman (PSE) aan de Commissie
(20 oktober 2003)
Betreft: Veiligheid van mobiele telefoons
Kan de Commissie, gezien de resultaten van recent onderzoek dat aantoont dat de nieuwe generatie mobiele telefoons de werking van diverse types pacemakers kan verstoren, in detail meedelen welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de gezondheid van EU-burgers wordt geschaad?
Naar verluidt zijn de nieuwere types pacemakers met keramisch filter bestand tegen de invloed van mobiele telefoons. Kan de Commissie bevestigen dat er stappen ondernomen worden om het gebruik van deze nieuwe types in de medische sector te stimuleren en er voor te zorgen dat het publiek op de hoogte is van het risico dat het gebruik van de oude types inhoudt?
Kan de Commissie ook in detail aangeven welke informatie zij sinds 1994 heeft verstrekt met betrekking tot de veiligheid van het gebruik van mobiele telefoons in combinatie met een pacemaker?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(3 november 2003)
De Commissie is doende de ter beantwoording van de vraag nodige gegevens te verzamelen. Zij zal de resultaten van haar onderzoek zo spoedig mogelijk mededelen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/270 |
(2004/C 65 E/284)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3161/03
van Raffaele Costa (PPE-DE) aan de Commissie
(20 oktober 2003)
Betreft: Italiaans voorstel voor aanpassing van Richtlijn 97/24/EG aan de technische vooruitgang
In 2000 heeft de Italiaanse regering voorgesteld een procedure op gang te brengen voor de aanpassing van Richtlijn 97/24/EG (1) aan de nieuwste stand van de techniek. Doel was meer in het bijzonder een afzonderlijke homologatie in te voeren voor katalysatoren als reserveonderdeel (voor vervanging). Deze aanpassing zou alle producenten van katalysatoren voor motorvoertuigen de mogelijkheid bieden hun producten te laten homologeren. Drie jaar na de indiening ligt het voorstel nog steeds bij de bevoegde diensten van de Commissie.
Kan de Commissie mij meedelen hoe ver zij staat met de behandeling van het voorstel? Hebben de bevoegde diensten van de Commissie zich een termijn gesteld voor de afronding van hun werkzaamheden? Is het de bedoeling dat het voorstel als een technische richtlijn wordt aangenomen?
Antwoord van de heer Liikanen namens de Commissie
(18 november 2003)
De Commissie werkt in het kader van de artikelen 5-8 van Richtlijn 2002/51/EG (2) (tot wijziging van Richtlijn 97/24/EG (3)) momenteel aan een zeer uitgebreid pakket wijzigingen betreffende emissies van motorvoertuigen. Vervangingskatalysatoren maken deel uit van dat pakket. De Commissie heeft wat deze specifieke kwestie betreft nauw samengewerkt met de Italiaanse autoriteiten, andere lidstaten en belanghebbende partijen.
Aanvankelijk werd gedacht dat het Italiaanse voorstel inzake vervangingskatalysatoren behandeld kon worden in het Comité voor de aanpassing aan de technische vooruitgang (CATP). Er moest echter meer tijd worden vrijgemaakt zodat belanghebbenden het voorstel nader konden bestuderen en aanvaardbare amendementen konden worden opgesteld. Overigens wordt de werkingssfeer van Richtlijn 97/24/EG uitgebreid tot eisen voor vervangingskatalysatoren. Hierover hoeft het CATP zich niet te buigen.
Vervangingskatalysatoren zullen dus behandeld worden als onderdeel van het algemene pakket maatregelen dat aan de wetgevers gepresenteerd zal worden en waarover het Parlement kan meebeslissen. Dit maatregelenpakket is onderworpen aan een uitgebreide effectbeoordeling die moet voorzien in een evaluatie van het Commissievoorstel. Dat voorstel zal begin 2004 bij het Parlement en de Raad worden ingediend.
(1) PB L 226 van 18.8.1997, blz. 1.
(2) Richtlijn 2002/51/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verlaging van het niveau van verontreiniging door uitlaatgassen van twee- of driewielige motorvoertuigen en tot wijziging van Richtlijn 97/24/EG, PB L 252 van 20.9.2002.
(3) Richtlijn 97/24/EG van het Europese Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/271 |
(2004/C 65 E/285)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3172/03
van Caroline Jackson (PPE-DE) aan de Commissie
(27 oktober 2003)
Betreft: Brandveiligheid in hotels
Uit een consumentenonderzoek van mei 2002 blijkt dat van de 80 geïnspecteerde hotels 82 % ten gevolge van verkeerd management (verkeerd gebruik van brandtrappen voor de opslag van onderhoudsmateriaal, vastgezette branddeuren, sluiting van branduitgangen) en van constructiefouten (enkelvoudige onbeschermde vluchtroutes, ontbreken van vuur- en rookcompartimenten, onvolledige en onduidelijke plaatsaanduidingen/bewegwijzering) onveilig is in het geval er brand zou uitbreken.
Is de Commissie, daar zij heeft vastgesteld dat niet alle lidstaten de aanbeveling inzake de brandveiligheid van hotels ten uitvoer hebben gelegd, bereid op basis van de bevindingen van het consumentenonderzoek, nu eindelijk te zorgen voor een richtlijn?
Heeft de Commissie overwogen of het voorgestelde wettelijke kader voor de „veiligheid van consumentendiensten” (1) kan worden toegepast op hotels, en zou de aanbeveling inzake de brandveiligheid van hotels hierdoor overbodig worden?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(20 november 2003)
De Commissie is op de hoogte van het onderzoek dat in tachtig hotels is verricht door de consumentenorganisaties van vijf lidstaten. Hoewel bij dit onderzoek niet te werk is gegaan volgens aanbeveling 86/666/EEG van de Raad betreffende brandbeveiliging in bestaande hotels (2), meent de Commissie te kunnen stellen dat de resultaten de bevindingen bevestigen die zijn neergelegd in haar verslag over de toepassing van deze aanbeveling (3).
De Commissie is dan ook voornemens verder te gaan op de weg die zij ingeslagen is overeenkomstig de in dit verslag neergelegde richtsnoeren:
|
— |
zorgen voor een beter kader voor de alternatieve oplossingen waarvoor in de in aanbeveling 86/666/EEG genoemde gevallen kan worden gekozen wanneer de technische richtsnoeren van de aanbeveling niet toegepast kunnen worden; |
|
— |
duidelijker aangeven wat er van de lidstaten verwacht wordt ten aanzien van de controle en follow-up van de toepassing van de aanbeveling; |
|
— |
onderzoeken of de technische richtlijnen van aanbeveling 86/666/EEG bijgewerkt en/of verbeterd moeten worden, gelet op de datum van aanneming van de aanbeveling; |
|
— |
nagaan in hoeverre het wenselijk is de identificatie en verspreiding van beste praktijken inzake preventie van brandveiligheidsrisico's te bevorderen en bekijken wat er in dit opzicht kan worden gedaan. |
De Commissie houdt vast aan deze richtsnoeren en is dus vooralsnog niet voornemens een specifieke richtlijn terzake voor te stellen.
Verder acht de Commissie het van zeer groot belang dat zij over objectieve en zo volledig mogelijke gegevens beschikt betreffende de situatie ter plekke. Met die gedachte voor ogen zal zij het onderzoek naar de bestaande wettelijke bepalingen terzake in de lidstaten afronden en een lijst opstellen van hotelbranden die zich tussen 1986 en 2003 op communautair grondgebied hebben voorgedaan, met een analyse van de oorzaken en gevolgen. Deze tweeledige aanpak maakt een betere risicobeoordeling mogelijk en zal ertoe leiden dat het optreden van de Gemeenschap beter onderbouwd en gerichter wordt.
Wat de lopende discussie over een juridisch kader voor de veiligheid van consumentendiensten betreft zou het prematuur zijn nu reeds de brandveiligheid in hotels daarbij te betrekken. In het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de veiligheid van consumentendiensten (4) wordt evenwel aangegeven dat de sectoren toerisme, sport en recreatie prioritair worden geacht in het kader van deze communautaire discussie. Het hotelwezen zal in dit verband zeker niet buiten beschouwing blijven.
(1) COM(2003)313.
(3) COM(2001) 348 def.
(4) COM(2003)313 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/272 |
(2004/C 65 E/286)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3194/03
van Säid El Khadraoui (PSE) aan de Commissie
(22 oktober 2003)
Betreft: Kankerverwekkende stof in babyvoedsel
Producenten van babyvoedsel moeten de deksels op hun potjes zo snel mogelijk vervangen. De deksels bevatten lage doses semicarbazide, een stof die bij muizen kanker kan veroorzaken. Dat zegt de European Food Safety Agency (EFSA). Uit onderzoek is gebleken dat een dosis die 40 000 keer zo groot is als wat een baby dagelijks binnenkrijgt, bij muizen tumoren kan veroorzaken. Volgens EFSA is het risico voor baby's verwaarloosbaar, maar anderzijds is hierover nooit onderzoek op mensen gedaan. Het probleem doet zich ook voor bij sommige merken vruchtensap, jam, groente, mayonaise en andere levensmiddelen in potten en flessen.
Wat is de mening van de Commissie over de onderzoeksresultaten van EFSA? Hoe ernstig schat ze het gevaar voor baby's en mensen?
Welke actie gaat de Commissie ondernemen? Kan de Commissie precies mededelen, met een tijdschema, welke stappen ze gaat zetten?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(18 november 2003)
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) is een onafhankelijke autoriteit die als taak heeft de communautaire instellingen en de lidstaten wetenschappelijk advies en technische bijstand te verlenen op het gebied van voedsel- en voederveiligheid. In de door de EFSA uitgevoerde risicobeoordeling betreffende semicarbazide (SEM) wordt geconcludeerd dat het risico voor de consument en voor baby's in het bijzonder zeer klein is, maar dat het voorzichtig zou zijn de blootstelling aan SEM te verminderen zo gauw de technische vooruitgang dit op veilige wijze mogelijk maakt. Het optreden van de Commissie is hierop gebaseerd.
Zodra de Commissie de verklaringen van de EFSA betreffende de veiligheidsbeoordeling van levensmiddelen en met name babyvoedsel in glazen potten en flessen heeft ontvangen, heeft zij in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid een vergadering met de lidstaten belegd, die op 14 oktober 2003 heeft plaatsgevonden.
Op die vergadering werd overeengekomen het blaasmiddel azodicarbonamide geleidelijk uit gebruik te nemen zo snel als dit uit technisch en juridisch oogpunt mogelijk is. Daartoe zal de Commissie tegen eind 2003 een ontwerp-wijziging van Richtlijn 2002/72/EG (1) (de richtlijn inzake kunststoffen) voorstellen aan het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid.
Op verzoek van de Commissie zullen de lidstaten verder toezien op de aanwezigheid van SEM in verpakte levensmiddelen, met name in babyvoedsel, en zullen zij de resultaten aan de Commissie melden voor doorgifte aan de EFSA. Op grond van die resultaten zal zo nodig een nieuwe beoordeling plaatsvinden.
Bovendien heeft de Commissie de EFSA verzocht het risico van de momenteel in diverse levensmiddelen geconstateerde SEM-niveaus met hoge prioriteit te beoordelen en de beoordeling van de risico's die verbonden zijn aan semicarbazide van diverse oorsprong en in alle soorten levensmiddelen, te completeren.
(1) Richtlijn 2002/72/EG van de Commissie van 6 augustus 2002 inzake materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen, PB L 220 van 15.8.2002. Rectificatie PB L 39 van 13.2.2003.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/273 |
(2004/C 65 E/287)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3202/03
van Alexandros Alavanos (GUE/NGL) aan de Commissie
(30 oktober 2003)
Betreft: Verbod op het gebruik van de stof paraquat
Onlangs heeft het Permanent comité voor de voedselketen en de diergezondheid zijn goedkeuring gehecht aan een voorstel van de Commissie betreffende het gebruik van de stof paraquat, die als onkruidverdelger wordt aangewend. Van deze stof is geweten dat ze bijzonder gevaarlijk is en bij de mens enorme, onherstelbare schade kan veroorzaken. In combinatie met te weinig antistoffen kan de toxiciteit van deze stof zelfs dodelijk zijn; uiteraard is ze even schadelijk voor dieren en vogels. In bepaalde lidstaten is het gebruik van paraquat zelfs verboden, terwijl tal van niet-gouvernementele organisaties zowel de EU-lidstaten als de ontwikkelingslanden hebben verzocht het gebruik ervan te verbieden.
Om welke redenen heeft de Commissie voorgesteld een stof die zo toxisch is, te blijven gebruiken? Heeft zij er rekening mee gehouden dat, door de ruime circulatie van paraquat toe te staan, zij het gebruik ervan opnieuw aanmoedigt in landen waar reeds een verbod gold alsook in de ontwikkelingslanden? Is zij van plan deze kwestie opnieuw te onderzoeken, te meer daar er veiligere stoffen bestaan die paraquat kunnen vervangen?
Antwoord van de heer Byrne namens de Commissie
(18 november 2003)
Het geachte parlementslid wordt verwezen naar: het antwoord dat de Commissie heeft gegeven op schriftelijke vraag P-3093/03 van de heer Ettl (1).
(1) PB Zie blz. 266.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/273 |
(2004/C 65 E/288)
SCHRIFTELIJKE VRAAG P-3290/03
van Claude Moraes (PSE) aan de Commissie
(3 november 2003)
Betreft: Beroepsziekten
Kan de Commissie aangeven waarom zij de lidstaten op 19 september bij de goedkeuring van haar voorstel voor een aanbeveling betreffende de Europese lijst van beroepsziekten heeft verzocht hun lijsten van officiële beroepsziekten uit te breiden?
Antwoord van mevrouw Diamantopoulou namens de Commissie
(20 november 2003)
De Commissie heeft op 19 september 2003 de aanbeveling betreffende de Europese lijst van beroepsziekten aangenomen (1). Deze aanbeveling is een bijgewerkte versie van een aanbeveling van 22 mei 1990 (2) over hetzelfde onderwerp; vervanging daarvan is met name nodig om de nieuwe inzichten die dankzij de wetenschappelijke en technische vooruitgang op dit gebied zijn verkregen in aanmerking te nemen, te beschikken over een bijgewerkt instrument in verband met de komende uitbreiding van de Unie en uitwerking te geven aan de in de „nieuwe communautaire strategie inzake de gezondheid en de veiligheid op het werk 2002-2006” (3) neergelegde doelstelling meer aandacht te besteden aan de preventie van beroepsziekten.
In de nieuwe aanbeveling worden de lidstaten opgeroepen „zo spoedig mogelijk in hun wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de wetenschappelijk erkende beroepsziekten die voor schadeloosstelling in aanmerking kunnen komen en waarvoor preventieve maatregelen moeten worden getroffen, de in bijlage I vervatte Europese lijst van beroepsziekten op te nemen”.
In deze bijlage I is de lijst van rechtstreeks met het uitgeoefende beroep verband houdende agentia en ziekten zoals die opgenomen was in de oude aanbeveling uitgebreid met zestien andere ziekten waarvan het verband met het uitgeoefende beroep in wetenschappelijke kring inmiddels algemeen erkend wordt.
In de periode die is verstreken sinds de aanneming van de aanbeveling uit 1990 is dankzij de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen namelijk meer inzicht verkregen in het ontstaansmechanisme van bepaalde beroepsziekten en in de causale verbanden.
De Commissie zou de geachte afgevaardigde erop willen wijzen dat de lidstaten nauw betrokken zijn geweest bij de voorbereidende werkzaamheden in het kader van de opstelling van de nieuwe aanbeveling door de Commissie, in het bijzonder ten aanzien van bijlage I, de Europese lijst van beroepsziekten.
Daarnaast heeft de ervaring die sinds 1990 is opgedaan dankzij de follow-up van voornoemde aanbeveling in de lidstaten duidelijk gemaakt welke aspecten verbeterd kunnen worden om de doelstellingen van de aanbeveling beter te verwezenlijken, met name wat betreft de preventie en de verzameling en vergelijkbaarheid van gegevens. Ook deze aspecten zijn meegenomen in de nieuwe aanbeveling.
De Commissie is van mening dat deze nieuwe aanbeveling bij uitstek het instrument voor preventie van beroepsziekten in de Unie dient te zijn.
(3) COM(2002)118 def.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/274 |
(2004/C 65 E/289)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3504/03
van Hiltrud Breyer (Verts/ALE) aan de Commissie
(24 november 2003)
Betreft: Informatie over de hoogte van de aan Rijnland-Palz van januari 1997 tot en met december 2002 toegekende EU-subsidies
|
1. |
Voor welke maatregelen zijn in de jaren 1997 tot en met 2002 EU-middelen aan Rijnland-Palz toegewezen en hoe hoog waren de bedragen uit
|
|
2. |
Hoeveel geld is van de desbetreffende programma's en fondsen terecht gekomen in grensoverschrijdende projecten met Rijnland-Palz cq. Luxemburg, België, Lotharingen en Elzas? Om welke projecten ging het daarbij? |
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(2 december 2003)
De Commissie is doende de ter beantwoording van de vraag nodige gegevens te verzamelen. Zij zal de resultaten van haar onderzoek zo spoedig mogelijk mededelen.
|
13.3.2004 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 65/275 |
(2004/C 65 E/290)
SCHRIFTELIJKE VRAAG E-3505/03
van Hiltrud Breyer (Verts/ALE) aan de Commissie
(24 november 2003)
Betreft: Informatie over de hoogte van de aan Saarland van januari 1997 tot en met december 2002 toegekende EU-subsidies
|
1. |
Voor welke maatregelen zijn in de jaren 1997 tot en met 2002 EU-middelen aan Saarland toegewezen en hoe hoog waren de bedragen uit
|
|
2. |
Hoeveel geld is van de desbetreffende programma's en fondsen terecht gekomen in grensoverschrijdende projecten met Saarland c.q. Luxemburg, België, Lotharingen? |
Antwoord van de heer Prodi namens de Commissie
(2 december 2003)
De Commissie is doende de ter beantwoording van de vraag nodige gegevens te verzamelen. Zij zal de resultaten van haar onderzoek zo spoedig mogelijk mededelen.