02005L0044 — NL — 26.07.2019 — 002.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

RICHTLIJN 2005/44/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 7 september 2005

betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap

(PB L 255 van 30.9.2005, blz. 152)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EG) Nr. 219/2009 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 11 maart 2009

  L 87

109

31.3.2009

►M2

VERORDENING (EU) 2019/1243 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 20 juni 2019

  L 198

241

25.7.2019


Gerectificeerd bij:

►C1

Rectificatie, PB L 344, 27.12.2005, blz.  52 (2005/44/EG)




▼B

RICHTLIJN 2005/44/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 7 september 2005

betreffende geharmoniseerde River Information Services (RIS) op de binnenwateren in de Gemeenschap



Artikel 1

Onderwerp

1.  Bij deze richtlijn wordt een kader vastgesteld voor de invoering en het gebruik van geharmoniseerde River Information Services (RIS) in de Gemeenschap, dat tot doel heeft het vervoer over de binnenwateren te ondersteunen door de veiligheid, beveiliging, doeltreffendheid en milieuvriendelijkheid van deze vervoerswijze te verbeteren en de koppeling met andere vervoerswijzen te vergemakkelijken.

2.  Bij deze richtlijn wordt een kader vastgesteld voor de vaststelling en verdere ontwikkeling van technische vereisten, specificaties en voorwaarden voor geharmoniseerde, interoperabele en vrij toegankelijke RIS op de binnenwateren in de Gemeenschap. Deze technische richtsnoeren, specificaties en voorwaarden worden vastgesteld en verder ontwikkeld door de Commissie, bijgestaan door het comité als bedoeld in artikel 11. De Commissie houdt in dit verband op passende wijze rekening met de maatregelen die ontwikkeld zijn door de op dit gebied relevante internationale organisaties, zoals de PIANC, de CCNR en de UNECE. De samenhang met de verkeersbeheersdiensten van andere vervoerswijzen, in het bijzonder met het maritieme verkeersbeheer en de informatiediensten van maritiem scheepsverkeer, wordt gegarandeerd.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze richtlijn is van toepassing op de invoering en het gebruik van RIS op alle binnenwateren van de lidstaten die tot klasse IV of hoger behoren en die via een vaarweg van klasse IV of hoger verbonden zijn met een vaarweg van klasse IV of hoger van een andere lidstaat, met inbegrip van de havens op zulke waterwegen waarnaar wordt verwezen in Beschikking nr. 1346/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 tot wijziging van Beschikking nr. 1692/96/EG ten aanzien van zeehavens, binnenhavens en intermodale terminals alsmede ten aanzien van project nr. 8 in bijlage III ( 1 ). Voor deze richtlijn geldt de classificatie van Europese binnenwateren die is vastgesteld in resolutie nr. 30 van 12 november 1992 van de UNECE.

2.  Een lidstaat mag deze richtlijn toepassen op niet in het eerste lid genoemde binnenwateren en binnenhavens.

Artikel 3

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) River Information Services (RIS): de geharmoniseerde informatiediensten ter ondersteuning van het verkeers- en vervoersmanagement voor de binnenvaart, inclusief technisch haalbare koppelingen met andere vervoerswijzen. RIS hebben geen betrekking op interne commerciële activiteiten tussen een of meer betrokken bedrijven, maar kunnen wel aan commerciële activiteiten worden gekoppeld. RIS omvat diensten als vaarweginformatie, verkeersinformatie, verkeersbeheer, ondersteuning van calamiteitenbestrijding, informatie voor vervoersmanagement, statistieken en douanediensten en waterwegheffingen en havengelden;

b) vaarweginformatie: geografische, hydrologische en administratieve informatie over de waterweg (vaarweg). Vaarweginformatie is informatie in één richting: van de wal naar het schip of van de wal naar kantoor;

c) tactische verkeersinformatie: informatie waarop onmiddellijke navigatiebeslissingen in de actuele verkeerssituatie en de nabije geografische omgeving zijn gebaseerd;

d) strategische verkeersinformatie: informatie waarop de RIS-gebruikers hun middellange- en langetermijnbeslissingen baseren;

e) RIS-toepassing: het verlenen van River Information Services via specifieke systemen;

f) RIS-centrum: de plaats waar de diensten worden beheerd door de operatoren;

g) RIS-gebruikers: alle verschillende gebruikersgroepen, waaronder schippers, RIS-operatoren, sluis- en/of brugwachters, waterwegautoriteiten, haven- en terminalexploitanten, operatoren van calamiteitencentra van nooddiensten, vlootbeheerders, scheepsagenten, verladers en tussenpersonen op het gebied van vervoer;

h) interoperabiliteit: zodanige harmonisatie van diensten, inhoud van gegevens, formaten voor gegevensuitwisseling en frequenties, zodat RIS-gebruikers in heel Europa toegang kunnen krijgen tot dezelfde diensten en informatie.

Artikel 4

Toepassing van RIS

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om RIS toe te passen op de binnenwateren, die onder het toepassingsgebied van artikel 2 vallen.

2.  De lidstaten moeten RIS zodanig ontwikkelen dat de RIS-toepassing doeltreffend, uitbreidbaar en interoperabel is, zodat ze aan andere RIS-toepassingen en eventueel aan systemen voor andere vervoerswijzen kan worden gekoppeld. Het moet ook mogelijk zijn de toepassing aan vervoerbeheerssystemen en commerciële activiteiten te koppelen.

3.  Voor het opzetten van RIS moeten de lidstaten:

a) alle relevante gegevens over de binnenvaart en reisplanning op de binnenwateren minstens in een toegankelijk elektronisch formaat ter beschikking stellen van de RIS-gebruikers;

b) verzekeren dat voor al hun binnenwateren die overeenkomstig de classificering van Europese binnenwateren tot klasse Va of hoger behoren, naast de onder a) vermelde gegevens ook elektronische navigatiekaarten geschikt voor navigatiedoeleinden beschikbaar zijn voor de RIS-gebruikers;

c) de bevoegde instanties in staat stellen om elektronische scheepsrapporten over de vereiste gegevens betreffende schepen te ontvangen, voorzover scheepsrapportering krachtens de nationale of internationale regelgeving vereist is. In het geval van grensoverschrijdend vervoer wordt deze informatie doorgestuurd naar de bevoegde instanties van de naburige lidstaat. De verzending van deze data moet zijn afgerond alvorens de schepen de grens bereiken;

d) verzekeren dat de berichten aan de scheepvaart, met inbegrip van meldingen van de waterstand (of maximaal toegestane diepgang) en van ijsvorming op hun binnenwateren, doorgeven in gestandaardiseerde, gecodeerde en downloadbare berichten. Het gestandaardiseerde bericht moet ten minste de informatie bevatten die nodig is om veilige navigatie mogelijk te maken. De berichten aan de scheepvaart moeten minstens in een toegankelijk elektronisch formaat worden meegedeeld.

Aan de in dit lid vermelde verplichtingen moet overeenkomstig de specificaties van de bijlagen I en II worden voldaan.

4.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaten richten RIS-centra op, op basis van regionale behoeften.

5.  Bij het gebruik van Automatische Identificatiesystemen (AIS) geldt de Regionale Regeling betreffende de radiotelefoondienst op binnenwateren, die op 6 april 2000 in Basel is afgesloten in het kader van de radioreglementen van de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU).

6.  De lidstaten stimuleren, zo nodig in samenwerking met de Europese Unie de schippers, de exploitanten, reders of eigenaren van de schepen die op hun binnenwateren varen, de verschepers of eigenaren van de vracht die aan boord van die schepen wordt vervoerd om volledig gebruik te maken van de in deze richtlijn beschikbaar gestelde diensten.

7.  De Commissie neemt passende maatregelen om de interoperabiliteit, de betrouwbaarheid en de veiligheid van RIS te controleren.

Artikel 5

Technische richtsnoeren en specificaties

1.  Om RIS te ondersteunen en, overeenkomstig artikel 4, lid 2, de interoperabiliteit van deze diensten te garanderen, stelt de Commissie overeenkomstig lid 2 technische richtsnoeren vast voor de planning, de toepassing en het operationele gebruik van de diensten (RIS-richtsnoeren). Zij stelt ook technische specificaties op de volgende gebieden vast:

a) Electronic Chart Display and Information System for Inland Navigation (Inland ECDIS);

b) elektronische scheepsrapportering;

c) berichten aan de scheepvaart;

d) tracking- en tracingsystemen;

e) compatibiliteit van de voor het gebruik van RIS noodzakelijke apparatuur.

Deze richtsnoeren en specificaties worden gebaseerd op de technische beginselen van bijlage II en houden rekening met de werkzaamheden van op dit gebied relevante internationale organisaties.

2.  De in lid 1 vermelde technische richtsnoeren en specificaties worden door de Commissie vastgesteld en, indien nodig, gewijzigd volgens de procedure van artikel 11, lid 3, overeenkomstig het volgende tijdschema:

▼C1

a) de RIS-richtsnoeren: uiterlijk 20 juli 2006;

▼B

b) de technische specificaties voor Inland ECDIS, de elektronische scheepsrapportering en de berichten aan de scheepvaart: uiterlijk 20 oktober 2006;

▼C1

c) de technische specificaties voor de tracking- en tracingsystemen: uiterlijk 20 januari 2007.

▼B

3.  De RIS-richtsnoeren en -specificaties worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Plaatsbepaling per satelliet

Wanneer voor RIS een nauwkeurige plaatsbepaling vereist is, wordt het gebruik van technologieën voor plaatsbepaling per satelliet aanbevolen.

Artikel 7

Typegoedkeuring van RIS-apparatuur

1.  Voorzover dit nodig is met het oog op de veiligheid van de scheepvaart en indien de relevante technische specificaties dit voorschrijven, krijgt de RIS-apparatuur voor terminals en netwerken en de softwaretoepassingen die met die specificaties overeenstemmen een typegoedkeuring voordat deze op de binnenwateren mogen worden gebruikt.

2.  De lidstaten moeten de nationale instanties die bevoegd zijn voor de typegoedkeuring aanmelden bij de Commissie. De Commissie bezorgt deze informatie aan de andere lidstaten.

3.  De typegoedkeuringen die door de erkende instanties van de andere lidstaten als bedoeld in lid 2 worden uitgereikt, worden door alle lidstaten erkend.

Artikel 8

Bevoegde instanties

De lidstaten wijzen bevoegde instanties aan voor de RIS-toepassingen en voor de internationale uitwisseling van gegevens. Deze instanties moeten bij de Commissie worden aangemeld.

Artikel 9

Regels inzake privacy, veiligheid en het hergebruik van informatie

1.  De lidstaten zien erop toe dat de verwerking van persoonsgegevens die gepaard gaat met het gebruik van RIS, plaatsvindt overeenkomstig de regels van de Gemeenschap ter bescherming van de individuele vrijheden en grondrechten, zoals onder meer vastgelegd in Richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG.

2.  De lidstaten voorzien in veiligheidsmaatregelen en in hun toepassing om de RIS-berichten en -archieven te beschermen tegen ongewenste gebeurtenissen of misbruik, met inbegrip van illegale toegang en wijziging of verlies van de gegevens.

3.  Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake het hergebruik van overheidsinformatie ( 2 ) is van toepassing.

▼M2

Artikel 10

Wijzigingen in de bijlagen I en II

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen I en II teneinde rekening te houden met de ervaring die bij de toepassing van deze richtlijn is opgedaan, en teneinde die bijlagen aan de technische vooruitgang aan te passen.

▼M2

Artikel 10 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 10 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 26 juli 2019. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 10 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven ( 3 ).

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 10 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

▼M1

Artikel 11

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het comité opgericht krachtens artikel 7 van Richtlijn 91/672/EEG van de Raad van 16 december 1991 inzake de wederzijdse erkenning van de nationale vaarbewijzen voor het besturen van schepen in het goederen- en personenvervoer over de binnenwateren ( 4 ).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

3.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

▼M2 —————

▼M1

5.  De Commissie raadpleegt regelmatig vertegenwoordigers van de sector.

▼B

Artikel 12

Omzetting

1.  De lidstaten met binnenwateren die onder het toepassingsgebied van artikel 2 vallen, doen de nodige wettelijke, regelgevende en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk in 20 oktober 2007 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de tekst van deze bepalingen.

Wanneer de lidstaten deze maatregelen aannemen, wordt in die maatregelen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de maatregelen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om uiterlijk 30 maanden na de inwerkingtreding van de in artikel 5 vermelde relevante technische richtsnoeren en specificaties aan de voorschriften van artikel 4 te voldoen. De technische richtsnoeren en specificaties treden in werking op de dag volgende op die van hun publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie.

3.  Op verzoek van een lidstaat kan de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 11, lid 2, de in lid 2 vermelde termijn voor de toepassing van een of meer voorschriften van artikel 4 verlengen met betrekking tot binnenwateren die binnen het toepassingsgebied van artikel 2 vallen, voorzover de verkeersdichtheid op deze waterwegen laag is, of met betrekking tot binnenwateren waarvoor de kosten van een dergelijke toepassing niet in verhouding staan tot de voordelen. Deze termijn kan door middel van een eenvoudig besluit van de Commissie worden verlengd en de verlenging kan worden herhaald. In de motivering die de lidstaat samen met zijn verzoek moet indienen, moet worden verwezen naar de lage verkeersdichtheid en naar de economische omstandigheden op de desbetreffende waterweg. Tot het moment waarop de Commissie een besluit neemt, mag de lidstaat die verlenging heeft aangevraagd, zijn operaties voortzetten alsof de verlenging zou zijn goedgekeurd.

4.  De lidstaten delen de Commissie de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

5.  De lidstaten zijn elkaar bij de toepassing van deze richtlijn zo nodig wederzijds behulpzaam.

6.  De Commissie ziet toe op de invoering van RIS in de Gemeenschap en legt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk in 20 oktober 2008 een verslag terzake voor.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 14

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten met binnenwateren die onder het toepassingsgebied van artikel 2 vallen.




BIJLAGE I

MINIMUMVEREISTEN VOOR DE GEGEVENS

Zoals aangegeven in artikel 4, lid 3, onder a), worden met name de volgende gegevens verstrekt:

 as van de waterweg, met kilometeraanduiding,

 beperkingen met betrekking tot de lengte, breedte, diepgang en hoogte boven de waterlijn van schepen en konvooien,

 bedieningstijd van sluizen, bruggen en andere structuren die de binnenvaart belemmeren,

 plaats van havens en overslaginstallaties,

 referentiegegevens voor waterstanden met betrekking tot de binnenvaart.




BIJLAGE II

BEGINSELEN VOOR DE RIS-RICHTSNOEREN EN TECHNISCHE SPECIFICATIES

1.   RIS-richtsnoeren

Bij het opstellen van de in artikel 5 vermelde RIS-richtsnoeren moeten de volgende beginselen in acht worden genomen:

a) de technische vereisten voor de planning, de toepassing en het gebruik van de diensten en aanverwante systemen moeten worden aangegeven;

b) de architectuur en organisatie van RIS;

c) met het oog op de individuele diensten en de stapsgewijze ontwikkeling van RIS, moeten schepen worden aangemoedigd om deel te nemen aan RIS.

2.   Inland ECDIS

Bij het opstellen van de in artikel 5 vermelde technische specificaties voor een Electronic Chart Display and Information System (Inland ECDIS) moeten de volgende beginselen in acht worden genomen:

a) Inland ECDIS moet compatibel zijn met maritieme ECDIS om het verkeer van binnenschepen in gemengde verkeerszones als riviermondingen en het zee-binnenwaterverkeer te vergemakkelijken;

b) er moeten minimumvoorschriften met betrekking tot Inland ECDIS-apparatuur en de inhoud van elektronische navigatiekaarten worden vastgesteld om de veiligheid van de binnenvaart te bevorderen, met name met betrekking tot:

 een hoog niveau van betrouwbaarheid en beschikbaarheid van de gebruikte Inland ECDIS-apparatuur;

 de mate waarin de Inland ECDIS-apparatuur bestand is tegen de omstandigheden die aan boord van een schip heersen, zonder dat de kwaliteit of de betrouwbaarheid achteruitgaat,

 het opnemen in de elektronische navigatiekaarten van diverse soorten geografische objecten (bv. vaarweggrenzen, walconstructies, bakens) die bijdragen tot de veiligheid,

 de controle van de elektronische kaart aan de hand van radarbeeld-overlay, wanneer het schip op basis van deze kaart wordt bestuurd;

c) het opnemen van informatie over de diepte van de vaarweg in de elektronische navigatiekaart en het weergeven tot een vooraf bepaald of werkelijk waterpeil;

d) het opnemen van aanvullende informatie (bv. van andere partijen dan de bevoegde instanties) in de elektronische navigatiekaart en het weergeven van deze informatie op de Inland ECDIS, zonder dat dit ten koste gaat van de informatie die nodig is om de veiligheid van de navigatie te garanderen;

e) de beschikbaarheid van elektronische navigatiekaarten voor RIS-gebruikers;

f) het beschikbaar stellen van de gegevens van elektronische navigatiekaarten aan alle fabrikanten van toepassingen, indien passend en tegen een redelijke, aan de kosten gerelateerde prijs.

3.   Elektronische scheepsrapportering

Bij het opstellen van de technische specificaties voor elektronische scheepsrapportering in de binnenvaart, overeenkomstig artikel 5, moeten de volgende beginselen in acht worden genomen:

a) de elektronische uitwisseling van gegevens tussen de bevoegde instanties van de lidstaten, de deelnemers aan binnenvaart, de zeevaart en het multimodaal vervoer, voorzover de binnenvaart er deel van uitmaakt, moet worden vergemakkelijkt;

b) om informatie over het vervoer door te sturen van het schip naar de bevoegde instantie, van de bevoegde instantie naar het schip en van bevoegde instantie naar bevoegde instantie moet gebruik worden gemaakt van gestandaardiseerde berichten, die compatibel moeten zijn met de berichten die in de zeevaart worden gebruikt;

c) er dienen internationaal aanvaarde codelijsten en classificaties te worden gebruikt, eventueel met aanvullende informatie om tegemoet te komen aan specifieke behoeften van de binnenvaart;

d) er dient een uniek Europees scheepsidentificatienummer te worden gebruikt.

4.   Berichten aan de scheepvaart

Bij het opstellen van de technische specificaties voor berichten aan de scheepvaart, overeenkomstig artikel 5, met name wat vaarweginformatie, verkeersinformatie, verkeersbeheer en reisplanning betreft, moeten de volgende beginselen in acht worden genomen:

a) de gestandaardiseerde gegevensstructuur moet gebruikmaken van vooraf gedefinieerde tekstmodules die in grote mate gecodeerd zijn, zodat de belangrijkste inhoud automatisch in andere talen kan worden vertaald en de berichten aan de scheepvaart gemakkelijk in reisplanningssystemen kunnen worden geïntegreerd;

b) de gestandaardiseerde gegevensstructuur moet compatibel zijn met de gegevensstructuur van Inland ECDIS, om de integratie van de berichten aan de scheepvaart in Inland ECDIS te vergemakkelijken.

5.   Tracking- en tracingsystemen van schepen

Bij het opstellen van de technische specificaties voor tracking- en tracingssystemen van schepen, overeenkomstig artikel 5, moeten de volgende beginselen in acht worden genomen:

a) er dient te worden nagegaan welke vereisten tracking- en tracingssystemen van schepen stellen aan systemen en er moeten standaardberichten en -procedures worden vastgesteld, zodat deze automatisch kunnen worden doorgegeven;

b) er moet een onderscheid worden gemaakt tussen systemen die aan de vereisten van tactische verkeersinformatie voldoen en systemen die aan de vereisten van strategische verkeersinformatie voldoen, zowel wat de nauwkeurigheid van de plaatsbepaling als de vereiste bijwerkingssnelheid betreft;

c) de relevante technische tracking- en tracingssystemen van schepen, zoals inland-AIS (automatisch identificatiesysteem), moeten worden omschreven;

d) de verenigbaarheid van de dataformaten met het AIS-systeem voor de zeevaart.



( 1 ) PB L 185 van 6.7.2001, blz. 1.

( 2 ) PB L 345 van 31.12.2003, blz. 90.

( 3 ) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

( 4 ) PB L 373 van 31.12.1991, blz. 29.