02016R1139 — NL — 14.08.2019 — 003.001


Onderstaande tekst dient louter ter informatie en is juridisch niet bindend. De EU-instellingen zijn niet aansprakelijk voor de inhoud. Alleen de besluiten die zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie (te raadplegen in EUR-Lex) zijn authentiek. Deze officiële versies zijn rechtstreeks toegankelijk via de links in dit document

►B

VERORDENING (EU) 2016/1139 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 juli 2016

tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad

(PB L 191 van 15.7.2016, blz. 1)

Gewijzigd bij:

 

 

Publicatieblad

  nr.

blz.

datum

►M1

VERORDENING (EU) 2018/976 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 4 juli 2018

  L 179

76

16.7.2018

►M2

VERORDENING (EU) 2019/472 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 19 maart 2019

  L 83

1

25.3.2019

►M3

VERORDENING (EU) 2019/1241 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 20 juni 2019

  L 198

105

25.7.2019




▼B

VERORDENING (EU) 2016/1139 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 juli 2016

tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad



HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Bij deze verordening wordt een meerjarenplan („het plan”) vastgesteld voor de volgende, in de Uniewateren van de Oostzee aanwezige bestanden („de betrokken bestanden”) en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren:

a) kabeljauw (Gadus morhua) in de ICES-deelgebieden 22-24 (kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee);

b) kabeljauw (Gadus morhua) in de ICES-deelgebieden 25-32 (kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee);

c) haring (Clupea harengus) in de ICES deelgebieden 25, 26, 27, 28.2, 29 en 32 (haring in het centrale deel van de Oostzee);

d) haring (Clupea harengus) in ICES-deelgebied 28.1 (haring in de Golf van Riga);

▼M1

e) haring (Clupea harengus) in ICES-deelgebieden 30-31 (haring in de Botnische Golf);

▼M1 —————

▼B

g) haring (Clupea harengus) in de ICES-deelgebieden 22-24 (kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee);

h) sprot (Sprattus sprattus) in de ICES-deelgebieden 22-32 (sprot in de Oostzee).

2.  Deze verordening is ook van toepassing op de bijvangsten van schol (Pleuronectes platessa), bot (Platichthys flesus), tarbot (Scophthalmus maximus) en griet (Scophthalmus rhombus) in de ICES-deelgebieden 22-32 die bij de visserij op de bedoelde bestanden wordt gevangen.

▼M2

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities die zijn vastgesteld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2187/2005. Daarnaast wordt verstaan onder:

1.

„pelagische bestanden” : de in artikel 1, lid 1, onder c) tot en met h), van deze verordening bedoelde bestanden of een combinatie van daar bedoelde bestanden;

2.

„FMDO-bandbreedte” : een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en onder de actuele gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is zo bepaald dat bij de toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;

3.

„MDO Flower” : de laagste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;

4.

„MDO Fupper” : de hoogste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;

5.

„FMDO-puntwaarde” : de waarde van de geraamde visserijsterfte die bij een bepaald visserijpatroon en onder de actuele gemiddelde milieuomstandigheden de MDO op lange termijn oplevert;

6.

„lagere FMDO-bandbreedte” : een bandbreedte die de waarden van MDO Flower tot de FMDO-puntwaarde omvat;

7.

„hogere FMDO-bandbreedte” : een bandbreedte die de waarden van de FMDO-puntwaarde tot MDO Fupper omvat;

8.

„Blim” : het referentiepunt voor de paaibiomassa van een bestand, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waaronder er sprake kan zijn van een verminderde reproductiecapaciteit;

9.

„MDO Btrigger” : het referentiepunt voor paaibiomassa, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren;

10.

„betrokken lidstaten” : lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer, namelijk Denemarken, Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Finland en Zweden.

▼B



HOOFDSTUK II

DOELSTELLINGEN EN STREEFDOELEN

Artikel 3

Doelstellingen

1.  Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), en met name de toepassing van de voorzorgsbenadering bij het visserijbeheer, en beoogt ervoor te zorgen dat de mariene biologische rijkdommen zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

2.  Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi door ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de uitvoering van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de onder onderhavige verordening vallende soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden.

3.  Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum wordt beperkt. Het is coherent met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken.

Het plan beoogt met name:

a) ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de in beschrijvend element 3 van bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG beschreven voorwaarden, en

b) bij te dragen tot de vervulling van andere relevante beschrijvende elementen in bijlage I bij die richtlijn, in verhouding tot de rol die visserij voor de vervulling ervan speelt.

4.  De maatregelen uit hoofde van het plan worden genomen op basis van het best beschikbare wetenschappelijke advies.

▼M2

Artikel 4

Streefdoelen

1.  Het streefdoel voor visserijsterfte binnen de FMDO-bandbreedtes zoals gedefinieerd in artikel 2, wordt voor de in artikel 1, lid 1, genoemde bestanden zo spoedig mogelijk en, geleidelijk toenemend, uiterlijk in 2020 bereikt en wordt van dan af in overeenstemming met dit artikel gehandhaafd binnen de FMDO-bandbreedtes.

2.  Met name de ICES of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau wordt verzocht de FMDO-bandbreedtes op basis van het plan te verstrekken.

3.  Wanneer de Raad overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de vangstmogelijkheden voor een bestand vaststelt, stelt hij die mogelijkheid vast binnen de lagere FMDO-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is voor dat bestand.

4.  Niettegenstaande de leden 1 en 3 kunnen de vangstmogelijkheden worden vastgesteld op een niveau dat lager ligt dan de FMDO-bandbreedte.

5.  Niettegenstaande de leden 3 en 4 kunnen de vangstmogelijkheden voor een in artikel 1, lid 1, genoemd bestand worden vastgesteld binnen de hogere FMDO-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is voor dat bestand, mits dat bestand zich boven MDO Btrigger bevindt:

a) indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserij;

b) indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te beperken, of

c) om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.

6.  De vangstmogelijkheden worden in elk geval zodanig vastgesteld dat de waarschijnlijkheid dat de paaibiomassa onder de Blim belandt, minder dan 5 % bedraagt.

▼M2

Artikel 4 bis

Instandhoudingsreferentiepunten

Op basis van dit plan worden bij met name de ICES of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, de volgende instandhoudingsreferentiepunten aangevraagd om de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden niet aan te tasten:

a) MDO Btrigger voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden;

b) Blim voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden.

▼B



HOOFDSTUK III

INSTANDHOUDINGSREFERENTIEPUNTEN

▼M2

Artikel 5

Vrijwaringsmaatregelen

1.  Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden voor een bepaald jaar lager is dan MDO Btrigger, worden alle passende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder worden de vangstmogelijkheden, niettegenstaande artikel 4, lid 3, vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht tot een waarde onder de hogere FMDO-bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa.

2.  Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden lager is dan Blim, worden aanvullende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, niettegenstaande artikel 4, lid 3, inhouden dat de gerichte visserij op het bestand wordt opgeschort en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.

3.  De in dit artikel bedoelde herstelmaatregelen kunnen onder meer bestaan in:

a) noodmaatregelen overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b) maatregelen krachtens de artikelen 7 en 8 van deze verordening.

4.  Bij de keuze van de in dit artikel bedoelde maatregelen wordt rekening gehouden met de aard, de ernst, de duur en de herhaling van de situatie waarin de paaibiomassa zich onder de in artikel 4 bis bedoelde niveaus bevindt.

▼B



HOOFDSTUK IV

SPECIFIEKE INSTANDHOUDINGSMAATREGELEN VOOR SCHOL, BOT, TARBOT EN GRIET

Artikel 6

Maatregelen voor als bijvangst gevangen schol, bot, tarbot en griet

1.  Wanneer luidens wetenschappelijk advies herstelmaatregelen nodig zijn om ervoor te zorgen dat de schol-, bot-, tarbot- of grietbestanden in de Oostzee, die als bijvangst worden gevangen bij het vissen op de betrokken bestanden, overeenkomstig de doelstellingen van artikel 3 van deze verordening worden beheerd, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 16 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot:

a) de kenmerken van het vistuig, met name de maaswijdte, de haakgrootte, de constructie van het vistuig, de twijndikte en de afmetingen van het vistuig of het gebruik van voorzieningen voor selectiviteit, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren;

b) het gebruik van het vistuig, met name de onderwatertijd en de diepte waarop het vistuig wordt ingezet, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren;

c) een verbod op of beperking van het vissen in specifieke gebieden, om paaiende en jonge vis of vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere niet-doelvissoorten te beschermen;

d) een verbod op of beperking van het vissen of het gebruik van bepaalde soorten vistuig gedurende specifieke perioden, om paaiende vis of vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of andere niet-doelvissoorten te beschermen;

e) minimuminstandhoudingsreferentiegrootten, om jonge exemplaren van mariene organismen te beschermen;

f) andere kenmerken gerelateerd aan selectiviteit.

2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen.



HOOFDSTUK V

BEPALINGEN IN SAMENHANG MET DE AANLANDINGSVERPLICHTING

Artikel 7

Bepalingen in verband met de aanlandingsverplichting

1.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 16 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de volgende maatregelen:

a) vrijstellingen van de toepassing van de aanlandingsverplichting voor soorten waarvan wetenschappelijk vaststaat dat zij een hoge overlevingskans hebben, rekening houdend met de kenmerken van het vistuig, van de visserijpraktijken en van het ecosysteem, om de uitvoering van de aanlandingsverplichting te faciliteren;

b) de-minimisvrijstellingen, om de uitvoering van de aanlandingsverplichting te faciliteren; die de-minimisvrijstellingen worden verleend voor de gevallen bedoeld in, en zijn in overeenstemming met, artikel 15, lid 5, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

c) bijzondere bepalingen betreffende het documenteren van vangsten, in het bijzonder met het oog op het toezicht op de uitvoering van de aanlandingsverplichting, en

d) vaststelling van minimuminstandhoudingsreferentiegrootten, om jonge exemplaren van mariene organismen te beschermen.

2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen.

▼M2

3.  De in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 neergelegde aanlandingsverplichting is niet van toepassing op de recreatievisserij, met inbegrip van de gevallen waar de Raad beperkingen vaststelt voor recreatievissers.

▼B



HOOFDSTUK VI

TECHNISCHE MAATREGELEN

Artikel 8

Technische maatregelen

▼M3

1.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 16 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de volgende technische maatregelen, voor zover die niet onder Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 ):

▼B

a) de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

b) de specificatie van aanpassingen van of aanvullende hulpmiddelen voor vistuig, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

c) de beperking van of het verbod op het gebruik van bepaald vistuig en visserijactiviteiten in bepaalde gebieden of perioden, om paaiende vis, vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of niet-doelvissoorten te beschermen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

d) de vaststelling van minimuminstandhoudingsreferentiegrootten voor de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, om de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen te waarborgen.

▼M3

2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 van deze verordening genoemde doelstellingen en voldoen aan artikel 15, lid 4, van Verordening (EU) 2019/1241.

▼B



HOOFDSTUK VII

REGIONALISERING

Artikel 9

Regionale samenwerking

1.  Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in artikelen 6, 7 en 8 van onderhavige verordening bedoelde maatregelen.

2.  Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel kunnen de betrokken lidstaten gemeenschappelijke aanbevelingen indienen, voor de eerste keer niet later dan 21 juli 2017 en vervolgens twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 15. De betrokken lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer zij dat noodzakelijk achten, met name wanneer zich bij een van de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, een plotselinge verandering van de situatie voordoet. Gemeenschappelijke aanbevelingen met betrekking tot maatregelen betreffende een gegeven kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juli van het voorgaande jaar ingediend.

3.  De op grond van artikelen 6, 7 en 8 van deze verordening toegekende bevoegdheden laten de bevoegdheden die op grond van andere bepalingen van het Unierecht, onder andere bij Verordening (EU) nr. 1380/2013, aan de Commissie zijn verleend, onverlet.



HOOFDSTUK VIII

CONTROLE EN HANDHAVING

Artikel 10

Verhouding tot Verordening (EG) nr. 1224/2009

De in dit hoofdstuk vastgestelde controlemaatregelen zijn van toepassing ter aanvulling van die van Verordening (EG) nr. 1224/2009, tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald.

Artikel 11

Voorafgaande kennisgevingen

1.  In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 geldt de in dat artikel vermelde verplichting tot voorafgaande kennisgeving voor kapiteins van vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van acht meter of meer die ten minste 300 kg kabeljauw of twee ton vis uit pelagische bestanden aan boord hebben.

2.  In afwijking van artikel 17, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedraagt de in dat artikel vermelde termijn voor voorafgaande kennisgeving ten minste één uur voor het geplande tijdstip van aankomst in de haven. De bevoegde autoriteiten van de kustlidstaten kunnen per geval toestemming geven om de haven op een vroeger tijdstip binnen te varen.

Artikel 12

Logboeken

In afwijking van artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 houden de kapiteins van op kabeljauw vissende vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van acht meter of meer overeenkomstig artikel 14 van die verordening een logboek van hun activiteiten bij.

Artikel 13

Tolerantiemarge in het logboek

In afwijking van artikel 14, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 geldt, in het geval van ongesorteerd aan te landen vangsten, voor de in het visserijlogboek vermelde ramingen van de in kilogram uitgedrukte hoeveelheden aan boord gehouden vis een tolerantiemarge van 10 % van de totale aan boord gehouden hoeveelheid.

Artikel 14

Aangewezen havens

De in levend gewicht uitgedrukte drempel voor de onder het meerjarenplan vallende soorten, bij overschrijding waarvan een vissersvaartuig zijn vangsten overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 in een aangewezen haven of op een plaats dicht bij de kust moet aanlanden, bedraagt:

a) 750 kg kabeljauw,

b) vijf ton vis uit pelagische bestanden.



HOOFDSTUK IX

FOLLOW-UP

Artikel 15

Evaluatie van het plan

Uiterlijk op 21 juli 2019 en vervolgens om de vijf jaar brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten en de effecten van het plan op de bestanden waarop deze verordening van toepassing is en op de visserijen die deze bestanden exploiteren, met name met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3. De Commissie kan op een vroegere datum verslag uitbrengen indien alle lidstaten of de Commissie zelf dat noodzakelijk achten.



HOOFDSTUK X

PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 16

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt overeenkomstig de voorwaarden van dit artikel toegekend aan de Commissie.

2.  De in artikelen 6, 7 en 8 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar met ingang van 20 juli 2016. Uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar brengt de Commissie verslag uit over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikelen 6, 7 en 8 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Voor een gedelegeerde handeling wordt vastgesteld, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundige in overeenstemming met de beginselen zoals bedoeld in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 inzake beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig de artikelen 6, 7 en 8 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van die termijn heeft meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.



HOOFDSTUK XI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 17

Steun van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

Maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken, worden voor de toepassing van artikel 33, lid 1, onder a) en c), van Verordening (EU) nr. 508/2014 als tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten beschouwd.

Artikel 18

Wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005

Verordening (EG) nr. 2187/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1) In artikel 13 wordt lid 3 geschrapt.

2) Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 16 bis

Gebieden waar beperkingen voor de visserij gelden

1.  Alle visserij is van 1 mei tot en met 31 oktober verboden binnen de gebieden die worden ingesloten door de punten met de volgende geografische coördinaten, gemeten volgens het WGS84-coördinatenstelsel, achtereenvolgens door middel van loxodromen met elkaar te verbinden:

a) Gebied 1:

 55° 45′ N.B., 15° 30′ O.L.

 55° 45′ N.B., 16° 30′ O.L.

 55° 00′ N.B., 16° 30′ O.L.

 55° 00′ N.B., 16° 00′ O.L.

 55° 15′ N.B., 16° 00′ O.L.

 55° 15′ N.B., 15° 30′ O.L.

 55° 45′ N.B., 15° 30′ O.L.

b) Gebied 2:

 55° 00′ N.B., 19° 14′ O.L.

 54° 48′ N.B., 19° 20′ O.L.

 54° 45′ N.B., 19° 19′ O.L.

 54° 45′ N.B., 18° 55′ O.L.

 55° 00′ N.B., 19° 14′ O.L.

c) Gebied 3:

 56° 13′ N.B., 18° 27′ O.L.

 56° 13′ N.B., 19° 31′ O.L.

 55° 59′ N.B., 19° 13′ O.L.

 56° 03′ N.B., 19° 06′ O.L.

 56° 00′ N.B., 18° 51′ O.L.

 55° 47′ N.B., 18° 57′ O.L.

 55° 30′ N.B., 18° 34′ O.L.

 56° 13′ N.B., 18° 27′ O.L.

2.  In afwijking van lid 1 is de visserij met kieuwnetten, warnetten en schakelnetten met een maaswijdte van 157 mm of meer of met vrije beuglijnen toegestaan. Er mag geen ander vistuig aan boord worden gehouden.”.

3) Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 28 bis bis

Procedure voor de vaststelling van technische maatregelen in het kader van meerjarenplannen

De Commissie is bevoegd om, met het oog op de vaststelling van de in artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad ( *1 ) bedoelde handelingen en gedurende de looptijd daarvan, technische maatregelen vast te stellen. Die technische maatregelen worden vastgesteld bij overeenkomstig artikel 28 ter van onderhavige verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde gedelegeerde handelingen en kunnen in voorkomend geval afwijken van:

a) de in bijlagen II, III en IV bij deze verordening vervatte en in artikelen 3 en 4 en artikel 14, lid 1, van deze verordening bedoelde bepalingen inzake doelsoorten, maaswijdten en minimuminstandhoudingsreferentiegrootten;

b) de in artikel 5, leden 2, 3 en 4, en artikel 6 van en de in bijlage II bij deze verordening vastgestelde structuur, kenmerken en regels voor het gebruik van actief vistuig;

c) de in artikel 8 van deze verordening vastgestelde structuur, kenmerken en regels voor het gebruik van passief vistuig;

d) de lijst(en) van coördinaten van gebieden en perioden waarin verboden of beperkingen gelden zoals neergelegd in de artikelen 16 en 16 bis van deze verordening;

e) de soorten waarop artikel 18 bis, lid 1, van deze verordening van toepassing is, alsook de geografische gebieden en toepassingsperioden waarvoor de in dat lid vastgestelde beperkingen van de visserij op bepaalde bestanden gelden, alsmede de technische bijzonderheden van de in artikel 18 bis, lid 2, van deze verordening vervatte afwijking.

4) In artikel 28 ter, leden 2, 3 en 5, worden de woorden „artikelen 14 bis en 28 bis” vervangen door de woorden „artikelen 14 bis, 28 bis en 28 bis bis”.

Artikel 19

Intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007

Verordening (EG) nr. 1098/2007 wordt ingetrokken. Verwijzingen naar de ingetrokken verordening worden beschouwd als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 20

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de vijfde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

▼M2 —————



( 1 ) vallen: Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006, (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 105).

( *1 ) Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (PB L 191 van 15.7.2016, blz. 1).”.