20.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 459/47


ARREST VAN HET HOF

van 17 september 2018

in zaak E-10/17

Nye Kystlink AS tegen Color Group AS en Color Line AS

(Artikel 53 EER-overeenkomst — Artikel 54 EER-overeenkomst — Gelijkwaardigheidsbeginsel — Doeltreffendheidsbeginsel — Nationale regels verjaringstermijn voor instellen schadevorderingen)

(2018/C 459/16)

In zaak E-10/17, Nye Kystlink AS tegen Color Group AS en Color Line AS — VERZOEK aan het Hof, overeenkomstig artikel 34 van de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie, door Borgarting lagmannsrett (gerechtshof Borgarting) betreffende de uitlegging van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid in het kader van nationale regels inzake de verjaringstermijnen voor het instellen van vorderingen in gevallen waarin op grond van de artikelen 53 en 54 van de Overeenkomst betreffende Europese Economische Ruimte geldboeten zijn opgelegd, heeft het Hof, samengesteld uit Páll Hreinsson, president en rechter-rapporteur, Per Christiansen en Bernd Hammermann, rechters, op 17 september 2018 een arrest gewezen, waarvan het dictum als volgt luidt:

1.

Het gelijkwaardigheidsbeginsel vereist dat een nationale verjaringsregel die een afzonderlijke verjaringstermijn van één jaar vaststelt om een vordering in te stellen tot vergoeding van schade voortvloeiend uit een strafbaar feit dat is komen vast te staan na een in kracht van gewijsde gegaan strafvonnis, overeenkomstig moet worden toegepast met betrekking tot een schadevordering voor inbreuken op de artikelen 53 en 54 van de EER-overeenkomst die zijn komen vast te staan na een eindbeschikking van de Toezichthoudende Autoriteit waarbij een geldboete is opgelegd, voor zover die vergelijkbaar zijn wat hun voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken betreft.

2.

Het doeltreffendheidsbeginsel is geen beperking van het recht van de EER-Staten om een verjaringstermijn van drie jaar te bepalen voor het instellen van een schadevordering voor inbreuken op de artikelen 53 en 54 van de EER-overeenkomst wanneer deze verjaringstermijn wordt gecombineerd met een onderzoeksplicht voor de gelaedeerde partij die ertoe kan leiden dat de verjaringstermijn afloopt voordat de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA tot een besluit is gekomen in een zaak met betrekking tot inbreuken op de artikelen 53 en 54 van de EER-overeenkomst die voortvloeit uit een klacht door de gelaedeerde partij, zolang de toepassing van dit soort verjaringstermijn het niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om een vordering wegens inbreuk op de EER-mededingingsregels in te stellen. Bij die beoordeling moeten de bijzondere kenmerken van mededingingszaken in aanmerking worden genomen.