11.5.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 136/8


ARREST VAN HET HOF

van 23 januari 2012

in zaak E-2/11

STX Norway Offshore AS en anderen tegen de Noorse Staat, vertegenwoordigd door de Tariefcommissie

(Vrijheid van dienstverrichting — Richtlijn 96/71/EG — Terbeschikkingstelling van werknemers — Minimumlonen — Maximumarbeidsduur — Vergoeding voor werkopdrachten waarbij overnachting nodig is — Vergoeding van kosten)

2012/C 136/05

In zaak E-2/11 STX Norway Offshore AS en anderen tegen de Noorse staat, vertegenwoordigd door de Tariefcommissie — VERZOEK aan het Hof overeenkomstig artikel 34 van de Overeenkomst tussen de EVA-Staten voor de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie, ingediend door Borgarting lagmannsrett (Hof van Beroep van Borgarting, Noorwegen), betreffende de verenigbaarheid met het EER-recht van arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden als bepaald in een collectieve arbeidsovereenkomst die algemeen verbindend is verklaard binnen de scheepsbouwindustrie en inzake de uitlegging van artikel 36 van de EER-Overeenkomst en artikel 3 van het besluit waarnaar wordt verwezen in punt 30 van bijlage XVIII bij de EER-Overeenkomst, namelijk Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten, zoals aangepast aan de EER-Overeenkomst bij Protocol 1, heeft het Hof, samengesteld uit Carl Baudenbacher, voorzitter, Per Christiansen en Páll Hreinsson (rechter–rapporteur), rechters, op 23 januari 2012 een arrest gewezen, waarvan het dictum als volgt luidt:

1.

De term „maximale werk- en minimale rustperioden” in de zin van artikel 3, lid 1, eerste alinea, onder a), van Richtlijn 96/71/EG heeft betrekking op de voorwaarden inzake „maximumaantal arbeidsuren”, zoals is omschreven in het verzoek om een advies.

2.

Artikel 3, lid 1, eerste alinea, onder c), van Richtlijn 96/71/EG, zoals uitgelegd in samenhang met artikel 36 van de EER-overeenkomst, verzet zich er in beginsel tegen dat een EER-staat een in een andere EER-staat gevestigde onderneming die op het grondgebied van de eerste staat een dienst verricht, ertoe verplicht haar werknemers het bij de nationale regels van de eerstbedoelde EER-staat voorgeschreven minimumloon te betalen voor werkopdrachten waarvoor niet thuis kan worden overnacht, tenzij de regels inzake dat aanvullend loon een doelstelling van algemeen belang nastreven en de toepassing daarvan niet onevenredig is. De nationale autoriteiten of eventueel de rechterlijke instanties van de ontvangende EER-staat hebben tot taak na te gaan of deze regels een doelstelling van algemeen belang nastreven en of er daarvoor passende middelen worden gebruikt.

3.

Krachtens Richtlijn 96/71/EG is het voor een EER-staat niet toegestaan om werknemers die vanuit een andere EER-staat op zijn grondgebied ter beschikking zijn gesteld, te vergoeden voor reiskosten, kosten voor maaltijden en overnachting in geval van werkopdrachten waarvoor niet thuis kan worden overnacht, tenzij dit op basis van bepalingen van openbare orde kan worden gerechtvaardigd.

4.

Het aantal werknemers waarop de desbetreffende collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing was voordat deze algemeen verbindend werd verklaard, is niet relevant voor de beantwoording van de vragen 1(a), 1(b) en 1(c).