15.10.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 349/9


OPROEP TOT HET INDIENEN VAN VOORSTELLEN — EACEA 33/2019

IN HET KADER VAN HET PROGRAMMA ERASMUS+

KA3 — Ondersteuning van beleidshervormingen

Kenniscentra voor beroepsopleiding

(2019/C 349/09)

1.   Doelstelling

Het algemene doel van deze oproep is het ondersteunen van de oprichting en ontwikkeling van transnationale samenwerkingsplatformen van kenniscentra voor beroepsopleiding (kenniscentra) om centra die binnen een bepaalde lokale context actief zijn, op Europees niveau met elkaar te verbinden.

Via deze transnationale samenwerkingsplatformen zullen kenniscentra bij elkaar worden gebracht die:

betrokken zijn bij dezelfde specifieke sector of bedrijfstak (bv. luchtvaart, e-mobiliteit, gezondheidszorg, toerisme enz.), of

samen innovatieve methoden ontwikkelen om maatschappelijke, technologische en economische uitdagingen het hoofd te bieden (bv. klimaatverandering, digitalisering, kunstmatige intelligentie, doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, integratie van migranten, ondersteuning van leerlingen met een handicap/bijzondere behoeften, bijscholing van laagopgeleiden enz.).

De platformen zullen referentiepunten van wereldklasse vormen voor beroepsopleiding. Ze zullen inclusief zijn en ofwel bestaande kenniscentra voor beroepsopleiding uit verschillende landen bij elkaar brengen ofwel het model uitbreiden door gevestigde kenniscentra in het ene land te koppelen aan partners in andere landen voor de ontwikkeling van de kenniscentra in hun lokale ecosysteem en daarmee bij te dragen aan de “opwaartse convergentie” van beroepsonderwijs en -opleiding (Vocational education and training — VET) van topkwaliteit.

De kenniscentra voor beroepsopleiding zullen een bottom-up-benadering van kwaliteit hanteren, waarbij VET-instellingen zich snel kunnen aanpassen aan veranderende lokale behoeften aan vaardigheden. Het doel van de centra is om een reeks lokale/regionale partners, zoals aanbieders van initieel en voortgezet beroepsonderwijs en -opleiding, instellingen voor tertiair onderwijs zoals toegepaste wetenschappen aan universiteiten en hogescholen, onderzoeksinstellingen, wetenschapsparken, bedrijven, sociale ondernemingen, kamers en bijbehorende verenigingen, sociale partners, raden voor sectorvaardigheden, beroeps-/sectorale verenigingen, nationale en regionale autoriteiten en ontwikkelingsinstanties, openbare diensten voor arbeidsvoorziening enz., bij elkaar te brengen.

Er moet worden aangetoond dat een project tot doel heeft:

op zowel lokaal als transnationaal niveau sterke en duurzame relaties op te bouwen tussen de VET-gemeenschap en bedrijven, waarbij het contact wederzijds is en voor beide partijen voordeel oplevert, en

activiteiten te integreren, reflexieve relaties tot stand te brengen tussen de verschillende activiteiten en diensten, en

sterk te zijn verankerd in bredere kaders van regionale ontwikkeling, innovatie en/of slimme specialisatiestrategieën. Daarbij kan het gaan om bestaande strategieën (die duidelijk moeten worden beschreven) of om strategieën die in het kader van het project worden ontwikkeld (waarbij moet worden beschreven welke bijdrage het project levert aan deze strategieën).

2.   Partnerschappen

De partnerschappen moeten bestaan uit ten minste acht volwaardige partners uit minimaal vier landen die deelnemen aan het programma Erasmus+ (waaronder ten minste twee lidstaten van de Europese Unie).

Van elk land moeten de volgende actoren betrokken zijn:

a)

ten minste één bedrijf, bedrijfstak of sectorvertegenwoordiger (bv. kamers of handelsverenigingen), en ).

b)

ten minste één aanbieder van beroepsonderwijs en -opleiding (op secundair en/of tertiair niveau (1)

Eén van de bovenstaande partners is de coördinerende organisatie, die namens het partnerschap een aanvraag doet voor de Erasmus+-subsidie.

De verdere samenstelling van het partnerschap moet de specifieke aard van deze oproep weerspiegelen.

Landen die deelnemen aan het programma Erasmus+ zijn:

de 28 lidstaten van de Europese Unie: België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Kroatië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Zweden, Verenigd Koninkrijk (2);

de bij het programma aangesloten niet-EU-landen: IJsland, Liechtenstein, Noord-Macedonië, Noorwegen, Servië, Turkije.

Organisaties uit landen die deelnemen aan het programma Erasmus+ en/of uit partnerlanden (3) kunnen betrokken partners zijn, mits wordt aangetoond dat hun deelname van toegevoegde waarde is voor het kenniscentrum voor beroepsopleiding. In verband met het contractbeheer worden betrokken partners, uit landen die deelnemen aan het programma of uit partnerlanden, niet als projectpartners beschouwd en ontvangen zij geen financiering. Hun betrokkenheid bij en rol binnen het project en de verschillende activiteiten moet echter duidelijk worden omschreven.

3.   Activiteiten

De activiteiten moeten van start gaan op 1 oktober 2020 of 1 november 2020. De looptijd van de projecten is vier jaar.

Kenniscentra voor beroepsonderwijs worden gekenmerkt door een systemische benadering, waarmee VET-instellingen een actieve bijdrage leveren aan de creatie van ecosystemen voor vaardigheden, samen met een breed scala aan lokale/regionale partners. Van deze kenniscentra wordt verwacht dat ze veel meer doen dan alleen het aanbieden van beroepsonderwijs van hoge kwaliteit.

Kenmerkend voor kenniscentra voor beroepsopleiding is een in drie clusters gegroepeerde reeks activiteiten (zie punt 2.2 van de richtlijnen voor aanvragers).

Het project moet relevante resultaten opleveren in verband met:

ten minste drie activiteiten in verband met Cluster 1 — Lesgeven en leren, en

ten minste drie activiteiten in verband met Cluster 2 — Samenwerking en partnerschap, en

ten minste twee activiteiten in verband met Cluster 3 — Beheer en financiering.

Deze lijst is niet uitputtend; aanvragers mogen andere activiteiten opnemen. Zij moeten echter wel aantonen dat die activiteiten bijdragen aan het behalen van de doelstellingen van de oproep en het tegemoetkomen van vastgestelde behoeften. Ook moeten ze als een samenhangende reeks activiteiten worden overwogen en gepresenteerd.

EU-brede hulpmiddelen moeten op ieder relevant punt worden toegepast binnen de projecten.

Ook moet de insteek zijn de projecten een inclusieve dimensie te geven door maatregelen op te nemen waarmee — met name via innovatieve en geïntegreerde benaderingen — diversiteit, gedeelde waarden, (gender)gelijkheid, non-discriminatie en sociale inclusie worden gestimuleerd, ook voor mensen met bijzondere behoeften/minder mogelijkheden.

Er zal in het bijzonder worden gelet op digitale vaardigheden, die steeds belangrijker worden voor alle banenprofielen op de gehele arbeidsmarkt, en op vaardigheden ter ondersteuning van de overgang naar een circulaire en groenere economie, om tegemoet te komen aan de opkomende professionele behoefte aan groene vaardigheden en duurzame ontwikkeling.

In aanvragen moet een actieplan voor de lange termijn worden opgenomen voor de geleidelijke invoering van projectresultaten na afloop van het project. Dit plan moet gebaseerd zijn op langdurige partnerschappen tussen aanbieders van onderwijs en opleiding en belangrijke stakeholders uit het bedrijfsleven op het geëigende niveau. Het moet de vaststelling van passende beheerstructuren omvatten, alsook plannen met het oog op schaalbaarheid en financiële duurzaamheid. Daarnaast moet het waarborgen dat het werk van de platformen voldoende zichtbaar is en in brede kring wordt verspreid.

De activiteiten moeten plaatsvinden in landen die deelnemen aan het programma Erasmus+.

4.   Toekenningscriteria

In aanmerking komende aanvragen worden op grond van de volgende criteria beoordeeld:

1.

relevantie van het project (maximaal 35 punten — minimumdrempel 18 punten);

2.

kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van het project (maximaal 25 punten — minimumdrempel 13 punten);

3.

kwaliteit van het projectconsortium en de samenwerkingsregelingen (maximaal 20 punten — minimumdrempel 11 punten);

4.

impact en verspreiding (maximaal 20 punten — minimumdrempel 11 punten).

Om voor financiering in aanmerking te komen moeten aanvragen minimaal 70 punten (van in totaal 100 punten) behalen, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzakelijke drempel voor elk van de vier toekenningscriteria.

5.   Begroting

De totale begroting die bestemd is voor de medefinanciering van projecten, wordt geraamd op maximaal 20 miljoen EUR. De financiële bijdrage van de EU kan niet hoger zijn dan 80 % van de totale subsidiabele kosten.

De maximale subsidie van de EU per project is 4 miljoen EUR.

Het Agentschap behoudt zich het recht voor niet alle beschikbare middelen uit te keren.

6.   Termijn voor het indienen van aanvragen

Aanvragen moeten uiterlijk op 20 februari 2020 om 17.00 uur (Belgische tijd) worden ingediend met gebruikmaking van het juiste officiële aanvraagformulier (eForm) en opgesteld in een van de officiële EU-talen.

7.   Volledige informatie

De richtslijnen en het elektronische aanvraagformulier zijn beschikbaar op het volgende internetadres: https://eacea.ec.europa.eu/erasmus-plus/funding/ka3-centers-of-vocational-excellence_en

Aanvragen moeten aan alle voorwaarden van de richtlijnen voldoen.


(1)  Het mag bij aanvragen echter niet uitsluitend gaan om activiteiten gericht op leerlingen op tertiair niveau; in aanvragen met de nadruk op VET op tertiair niveau (EKK-niveau 6 t/m 8) moet ten minste één ander VET-niveau voorkomen op EKK-niveau 3 t/m 5.

(2)  Voor aanvragers uit het Verenigd Koninkrijk: Wees u ervan bewust dat u gedurende de gehele looptijd van de subsidie aan de subsidiabiliteitscriteria moet voldoen. Indien het Verenigd Koninkrijk tijdens de projectperiode uit de EU treedt zonder met de EU een overeenkomst te hebben gesloten waarin met name wordt vastgelegd dat Britse aanvragers in aanmerking blijven komen, wordt de EU-financiering aan u stopgezet (terwijl u indien mogelijk blijft deelnemen) of moet u het project overeenkomstig artikel II.17.3.1, onder a), van de subsidieovereenkomst verlaten.

(3)  De partnerlanden van Erasmus+ staan vermeld in punt 6.2 van de richtlijnen voor aanvragers.