Voorlopige editie
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
9 juli 2026 (*)
„ Prejudiciële verwijzing – Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens – Verordening (EU) 2016/679 – Werkingssfeer – Tegen betaling online beschikbaar stellen aan het publiek van informatie over strafrechtelijke veroordelingen – In overeenstemming brengen van het recht op bescherming van persoonsgegevens en het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie – Artikel 79 – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Reikwijdte – Artikel 85 – Begrip verwerking van persoonsgegevens ‚voor journalistieke doeleinden’ ”
In zaak C‑199/24,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Attunda tingsrätt (rechter in eerste aanleg Attunda, Zweden) bij beslissing van 1 maart 2024, ingekomen bij het Hof op 13 maart 2024, in de procedure
ND
tegen
Legal Newsdesk Sweden AB, voorheen Garrapatica AB,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan (rapporteur), D. Gratsias en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: M. Szpunar,
griffier: C. Strömholm, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 mei 2025,
gelet op de opmerkingen van:
– ND, vertegenwoordigd door ND en J. Södergren, advokat,
– Legal Newsdesk Sweden AB, vertegenwoordigd door J. Sundqvist, advokat,
– de Zweedse regering, vertegenwoordigd door F.‑L. Göransson, C. Meyer-Seitz, J. Olsson en A. M. Runeskjöld als gemachtigden,
– de Bulgaarse regering, vertegenwoordigd door R. Stoyanov en T. Tsingileva als gemachtigden,
– de Finse regering, vertegenwoordigd door A. Laine en H. Leppo als gemachtigden,
– de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Bouchagiar, H. Kranenborg en I. Söderlund als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 4 september 2025,
het navolgende
Arrest
1 Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 85, leden 1 en 2, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1, met rectificaties in PB 2018, L 127, blz. 2, en PB 2021, L 74, blz. 35; hierna: „AVG”).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen ND en Legal Newsdesk Sweden AB, voorheen Garrapatica AB, over de weigering van deze vennootschap om gevolg te geven aan het verzoek van ND om zijn persoonsgegevens uit de door die vennootschap beheerde Lexbase-databank te verwijderen.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 95/46
3 Artikel 9 („Verwerking van persoonsgegevens en vrijheid van meningsuiting”) van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L 281, blz. 31) bepaalde:
„De lidstaten voorzien voor de verwerking van persoonsgegevens voor uitsluitend journalistieke of voor artistieke of literaire doeleinden in uitzonderingen op en afwijkingen van de bepalingen van dit hoofdstuk en van de hoofdstukken IV en VI uitsluitend voor zover deze nodig blijken om het recht op persoonlijke levenssfeer te verzoenen met de regels betreffende de vrijheid van meningsuiting.”
4 Deze richtlijn is met ingang van 25 mei 2018 ingetrokken en vervangen bij de AVG.
AVG
5 In overweging 153 AVG staat te lezen:
„In de wetgeving van de lidstaten moeten de regels betreffende de vrijheid van meningsuiting en van informatie, met inbegrip van journalistieke, academische, artistieke en/of literaire uitdrukkingsvormen in overeenstemming worden gebracht met het recht op bescherming van persoonsgegevens uit hoofde van deze verordening. Voor de verwerking van persoonsgegevens enkel voor journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke en literaire uitdrukkingsvormen moeten afwijkingen van of uitzonderingen op een aantal bepalingen van deze verordening worden ingesteld, teneinde indien nodig het recht op bescherming van persoonsgegevens te verzoenen met het recht op de vrijheid van meningsuiting en van informatie, zoals dat in artikel 11 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‚Handvest’)] is vastgelegd. Dit dient met name te gelden voor de verwerking van persoonsgegevens voor audiovisuele doeleinden en in nieuws- en persarchieven. De lidstaten moeten derhalve wettelijke maatregelen treffen om de uitzonderingen en afwijkingen vast te stellen die nodig zijn om een evenwicht tussen die grondrechten tot stand te brengen. [...] Gelet op het belang van het recht van vrijheid van meningsuiting in elke democratische samenleving, dienen begrippen die betrekking hebben op die vrijheid, zoals journalistiek, ruim te worden uitgelegd.”
6 Artikel 4 („Definities”) AVG, dat is opgenomen in hoofdstuk I („Algemene bepalingen”) van deze verordening, luidt als volgt:
„Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
[...]
2) ‚verwerking’: een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;
[...]”
7 Artikel 10 („Verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten”) AVG, dat is opgenomen in hoofdstuk II („Beginselen”) van deze verordening, bepaalt het volgende:
„Persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen mogen op grond van artikel 6, lid 1, alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden. Omvattende registers van strafrechtelijke veroordelingen mogen alleen worden bijgehouden onder toezicht van de overheid.”
8 Krachtens artikel 55 („Competentie”), lid 1, AVG, dat is opgenomen in hoofdstuk VI („Onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten”) van deze verordening, heeft elke toezichthoudende autoriteit de competentie op het grondgebied van haar lidstaat de taken uit te voeren die haar overeenkomstig deze verordening zijn opgedragen en de bevoegdheden uit te oefenen die haar overeenkomstig deze verordening zijn toegekend.
9 In artikel 57 („Taken”), lid 1, onder h), AVG is bepaald dat elke toezichthoudende autoriteit op het grondgebied van haar lidstaat tot taak heeft onderzoeken te verrichten naar de toepassing van de AVG, onverminderd andere uit hoofde van deze verordening vastgestelde taken.
10 De onderzoeksbevoegdheden van deze autoriteit zijn opgesomd in artikel 58 („Bevoegdheden”), lid 1, AVG. In artikel 58, lid 2, worden de corrigerende maatregelen vermeld die door de autoriteit kunnen worden vastgesteld. In artikel 58, lid 3, worden de autorisatie- en adviesbevoegdheden van deze autoriteiten nader omschreven.
11 Hoofdstuk VIII („Beroep, aansprakelijkheid en sancties”) AVG bevat met name de artikelen 77 tot en met 79 en 82.
12 In artikel 77 („Recht om een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit”), lid 1, staat te lezen:
„Onverminderd andere mogelijkheden van administratief beroep of een voorziening in rechte, heeft iedere betrokkene het recht een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, met name in de lidstaat waar hij gewoonlijk verblijft, hij zijn werkplek heeft of waar de beweerde inbreuk is begaan, indien hij van mening is dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens inbreuk maakt op deze verordening.”
13 Artikel 78 („Recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen tegen een toezichthoudende autoriteit”), leden 1 en 2, bepaalt:
„1. Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep, heeft iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon het recht om tegen een hem betreffend juridisch bindend besluit van een toezichthoudende autoriteit een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen.
2. Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep heeft iedere betrokkene het recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen indien de overeenkomstig de artikelen 55 en 56 bevoegde toezichthoudende autoriteit een klacht niet behandelt of de betrokkene niet binnen drie maanden in kennis stelt van de voortgang of het resultaat van de uit hoofde van artikel 77 ingediende klacht.”
14 Artikel 79 („Recht om een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen tegen een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker”), lid 1, AVG, luidt:
„Onverminderd andere mogelijkheden van administratief of buitengerechtelijk beroep, waaronder het recht uit hoofde van artikel 77 een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, heeft elke betrokkene het recht een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen indien hij van mening is dat zijn rechten uit hoofde van deze verordening geschonden zijn ten gevolge van een verwerking van zijn persoonsgegevens die niet aan deze verordening voldoet.”
15 Artikel 82 („Recht op schadevergoeding en aansprakelijkheid”), lid 1, AVG bepaalt:
„Eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade.”
16 Artikel 85 („Verwerking en vrijheid van meningsuiting en van informatie”), lid 1, AVG luidt als volgt:
„1. De lidstaten brengen het recht op bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig deze verordening wettelijk in overeenstemming met het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, daaronder begrepen de verwerking voor journalistieke doeleinden en ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen.
2. Voor verwerking voor journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen stellen de lidstaten uitzonderingen of afwijkingen vast van hoofdstuk II (beginselen), hoofdstuk III (rechten van de betrokkene), hoofdstuk IV (de verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker), hoofdstuk V (doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen of internationale organisaties), hoofdstuk VI (onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten), hoofdstuk VII (samenwerking en coherentie) en hoofdstuk IX (specifieke gegevensverwerkingssituaties) indien deze noodzakelijk zijn om het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming te brengen met de vrijheid van meningsuiting en van informatie.
3. Elke lidstaat deelt de Commissie de overeenkomstig lid 2 vastgestelde wetgevingsbepalingen mee, alsook onverwijld alle latere wijzigingen daarvan.”
Zweeds recht
17 De bescherming van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting wordt geregeld door wetten van constitutionele rang, namelijk door de Tryckfrihetsförordningen (1949:105) [constitutionele wet inzake de persvrijheid (1949:105)] (SFS 1949, nr. 105; hierna: „wet op de persvrijheid”) en de Yttrandefrihetsgrundlagen (1991:1469) [constitutionele wet inzake de vrijheid van meningsuiting (1991:1469)] (SFS 1991, nr. 1469; hierna: „wet inzake de vrijheid van meningsuiting”).
18 Volgens de aanwijzingen in het verzoek om een prejudiciële beslissing waarborgt de wet inzake de vrijheid van meningsuiting die vrijheid onder meer voor radio- en televisieprogramma’s en bepaalde websites.
19 Vorderingen tot schadevergoeding wegens misbruik van de vrijheid van meningsuiting als gevolg van de inhoud van een programma kunnen – overeenkomstig hoofdstuk 9, § 1, van deze wet – uitsluitend worden gebaseerd op het feit dat dit programma inbreuk maakt op de vrijheid van meningsuiting. Wanneer wordt gesteld dat een persoon strafbaar of laakbaar gedrag vertoont of er anderszins informatie wordt verstrekt over die persoon waardoor hij aan de minachting van anderen kan worden blootgesteld, vormt dit smaad en is dit een schending van de vrijheid van meningsuiting op grond van hoofdstuk 5, § 1, van die wet en hoofdstuk 7, § 3, van de wet op de persvrijheid. Een dergelijke handeling is echter niet strafbaar indien het, gelet op de omstandigheden, gerechtvaardigd was om die informatie te verstrekken en de persoon die de informatie heeft verstrekt, kan aantonen dat die informatie juist was of dat hij redelijke gronden had om aan te nemen dat die informatie juist was.
20 Volgens hoofdstuk 1, § 4, van de wet inzake de vrijheid van meningsuiting geldt de bescherming van de vrijheid van meningsuiting voor bepaalde soorten databanken, indien voor de betrokken activiteit een publicatiecertificaat is afgegeven.
21 Uit hoofdstuk 1, § 14, van de wet inzake de vrijheid van meningsuiting volgt dat geen enkel openbaar lichaam, behalve op grond van deze wet, kan optreden tegen een persoon die in een programma misbruik heeft gemaakt van de vrijheid van meningsuiting of heeft deelgenomen aan dergelijk misbruik, of om die reden maatregelen tegen dit programma kan nemen. Bovendien volgt uit hoofdstuk 1, § 11, van die wet dat het een openbaar lichaam niet is toegestaan de doorgifte, de publicatie of de verspreiding van een programma en soortgelijke opnamen onder het publiek op grond van de inhoud ervan te verbieden of te belemmeren, tenzij voor de betrokken maatregel een grondslag in die wet bestaat.
22 Overeenkomstig hoofdstuk 1, § 7, eerste alinea, van de lag (2018:218) med kompletterande bestämmelser till EU:s dataskyddsförordning (wet 2018:218 houdende aanvullende bepalingen bij de door de Europese Unie vastgestelde AVG) van 19 april 2018 (SFS 2018, nr. 218), is de AVG niet van toepassing wanneer deze toepassing in strijd zou zijn met de wet op de persvrijheid of de wet inzake de vrijheid van meningsuiting. Krachtens hoofdstuk 1, § 7, tweede alinea, zijn bepaalde artikelen van de AVG niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor onder meer journalistieke doeleinden.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
23 Legal Newsdesk Sweden beheert de Lexbase-databank, waarmee onder meer kan worden gezocht naar personen en bedrijven die voor een Zweedse rechterlijke instantie strafrechtelijk zijn vervolgd. Deze databank bevat persoonsgegevens.
24 ND, verzoeker in het hoofdgeding, is bij vonnis van 17 januari 2011 strafrechtelijk veroordeeld.
25 Legal Newsdesk Sweden heeft dit vonnis opgenomen in de Lexbase-databank, waar het tot februari 2024 te vinden was. Hoewel verzoeker in het hoofdgeding Legal Newsdesk heeft verzocht om zijn persoonsgegevens te wissen, zijn die gegevens niet onmiddellijk maar pas later gewist, op grond van haar interne beleid inzake gegevensbewaring.
26 ND heeft bij de Attunda tingsrätt (rechter in eerste aanleg Attunda, Zweden), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld en verzocht om Legal Newsdesk Sweden wegens schending van de AVG te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 300 000 kronen (SEK) (ongeveer 26 000 EUR), vermeerderd met rente.
27 Legal Newsdesk Sweden heeft deze vordering betwist en zich daarbij beroepen op het door de Myndighet för press, radio och tv (Zweedse pers- en omroepautoriteit) in het belang van de vrijheid van meningsuiting afgegeven certificaat tot verlening van grondwettelijke bescherming, het zogenoemde utgivnigsbevis, waaronder de in de Lexbase-databank opgenomen informatie valt. De verwijzende rechter merkt op dat de AVG volgens het Zweedse recht in een dergelijke situatie niet van toepassing is, aangezien het recht op bescherming van persoonsgegevens met name wordt gewaarborgd door de wet op de persvrijheid en de wet inzake de vrijheid van meningsuiting, die als enige rechtsmiddelen voorzien in de mogelijkheid om een strafrechtelijke procedure wegens smaad te starten en een civielrechtelijke aansprakelijkheidsvordering wegens smaad in te stellen.
28 Na de inhoud van artikel 85, leden 1 en 2, AVG en overweging 153 ervan in herinnering te hebben gebracht, merkt de verwijzende rechter in dat verband op dat deze verordening de lidstaten uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om uitzonderingen of afwijkingen vast te stellen voor de verwerking van persoonsgegevens, met name voor „journalistieke doeleinden”.
29 De verwijzende rechter wijst erop dat de AVG echter niet definieert wat onder verwerking van persoonsgegevens voor „journalistieke doeleinden” moet worden verstaan. Verder merkt hij op dat het Hof weliswaar heeft geoordeeld dat dit begrip ruim moet worden uitgelegd en dat activiteiten die de openbaarmaking aan het publiek van informatie, meningen of ideeën tot doel hebben, ongeacht het overdrachtsmedium, moeten worden geacht te zijn verricht voor journalistieke doeleinden, hetgeen ook geldt voor gegevens uit documenten die volgens de nationale wetgeving openbaar zijn, maar dat niet nader is verduidelijkt of die openbaarmaking een bepaalde vorm van be- of verwerking van deze informatie impliceert.
30 Daarop heeft de Attunda tingsrätt de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Kunnen de lidstaten op grond van artikel 85, lid 1, AVG, naast de wettelijke maatregelen die zij moeten treffen op grond van artikel 85, lid 2, van die verordening, dergelijke maatregelen treffen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen?
2) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord: laat artikel 85, lid 1, AVG het toe dat het recht op bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig die verordening, op zodanige wijze in overeenstemming wordt gebracht met de vrijheid van meningsuiting en van informatie dat een persoon wiens persoonsgegevens in die zin worden verwerkt dat informatie over strafrechtelijke veroordelingen van hem tegen betaling op internet aan het publiek beschikbaar wordt gesteld, hiertegen uitsluitend in rechte op kan treden met een strafrechtelijke procedure wegens smaad of een schadevergoedingsvordering wegens smaad?
3) Indien de eerste of de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord: vormt een activiteit waarbij openbare documenten die betrekking hebben op strafrechtelijke veroordelingen tegen betaling op internet aan het publiek beschikbaar worden gesteld zonder dat deze op enigerlei wijze worden verwerkt of bewerkt, een verwerking van persoonsgegevens die plaatsvindt voor de doeleinden die zijn uiteengezet in artikel 85, lid 2, AVG?”
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
31 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 85, lid 1, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de lidstaten op grond van deze bepaling wettelijke maatregelen nemen die verder gaan dan hetgeen is bepaald in artikel 85, lid 2, van die verordening, door voor de verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen afwijkingen van bepaalde hoofdstukken van die verordening in te voeren op grond dat deze maatregelen noodzakelijk zijn om het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming te brengen met de vrijheid van meningsuiting en van informatie.
32 In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat de lidstaten krachtens artikel 85, lid 1, AVG het recht op bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig de AVG wettelijk in overeenstemming brengen met het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, daaronder begrepen de verwerking voor journalistieke doeleinden en ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen.
33 Vooraf zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een uitlegging van een bepaling van het Unierecht er niet toe kan leiden dat aan de duidelijke en precieze bewoordingen van die bepaling elk nuttig effect wordt ontnomen. Wanneer de betekenis van een bepaling van Unierecht ondubbelzinnig uit de bewoordingen ervan blijkt, mag het Hof dus niet afwijken van de uitlegging van die bepaling die uit de bewoordingen alleen voortvloeit (zie in die zin arrest van 25 januari 2022, VYSOČINA WIND, C‑181/20, EU:C:2022:51, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34 In casu zij opgemerkt dat artikel 85, lid 1, AVG uitsluitend bepaalt dat de lidstaten het recht op bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig deze verordening wettelijk in overeenstemming brengen met het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, maar dat daarin niet is aangegeven dat het in overeenstemming brengen tot gevolg kan hebben dat er uitzonderingen op of afwijkingen van die verordening worden ingevoerd.
35 Het is juist dat uit het gebruik van de woorden „daaronder begrepen” in artikel 85, lid 1, AVG ondubbelzinnig blijkt – zoals de advocaat-generaal in punt 17 van zijn conclusie in wezen heeft benadrukt – dat de verwerkingen voor de in deze bepaling genoemde specifieke doeleinden, te weten verwerkingen voor journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen, slechts een deel vormen van de verwerkingen waarop het in deze bepaling bedoelde in overeenstemming brengen betrekking kan hebben.
36 Artikel 85, lid 1, AVG moet echter worden gelezen in het licht van artikel 85, lid 2, van deze verordening. Krachtens die bepaling stellen de lidstaten voor de verwerking voor journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen uitzonderingen op of afwijkingen van de hoofdstukken II tot en met VII en hoofdstuk IX van deze verordening vast indien deze noodzakelijk zijn om het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming te brengen met de vrijheid van meningsuiting en van informatie.
37 Uit de bewoordingen van artikel 85, leden 1 en 2, AVG blijkt dus duidelijk dat lid 1 van dit artikel weliswaar een algemene regel bevat die de lidstaten verplicht om het recht op bescherming van persoonsgegevens met wettelijke maatregelen in overeenstemming te brengen met het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, daaronder begrepen voor de verwerking voor journalistieke doeleinden en ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen, maar dat de in lid 2 van dat artikel neergelegde bijzondere regel, volgens welke het aan de lidstaten is om te voorzien in uitzonderingen op of afwijkingen van bepaalde hoofdstukken van deze verordening indien dit noodzakelijk is om die rechten in overeenstemming te kunnen brengen, alleen voor deze specifieke doeleinden geldt.
38 Deze uitlegging wordt om te beginnen bevestigd door overweging 153 AVG. Volgens deze overweging heeft artikel 85 van deze verordening tot doel de lidstaten in staat te stellen om „enkel” voor de verwerking van persoonsgegevens voor journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke en literaire uitdrukkingsvormen uitzonderingen op of afwijkingen van een aantal bepalingen van deze verordening in te stellen.
39 Verder is het zo dat, aangezien artikel 85, lid 2, van die verordening het kader waarbinnen de uitzonderingen op of afwijkingen van bepaalde hoofdstukken van die verordening moeten worden toegepast, uitputtend omschrijft, deze uitzonderingen of afwijkingen strikt moeten worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 30 april 2025, Inspektorat kam Visshia sadeben savet, C‑313/23, C‑316/23 et C‑332/23, EU:C:2025:303, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
40 Tot slot moet in herinnering worden gebracht dat het in overeenstemming brengen van verschillende door het Handvest gewaarborgde grondrechten, zoals het recht op bescherming van persoonsgegevens en het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, die respectievelijk door de artikelen 8 en 11 van het Handvest worden gewaarborgd, moet plaatsvinden binnen de grenzen van een billijk evenwicht tussen deze rechten [zie in die zin arrest van 6 oktober 2020, Luxemburgse Staat (Rechtsbescherming tegen een verzoek om inlichtingen in belastingzaken), C‑245/19 en C‑246/19, EU:C:2020:795, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41 Volgens vaste rechtspraak vereist het tot stand brengen van dat billijk evenwicht overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel dat rekening wordt gehouden met de functie van grondrechten in de samenleving [arresten van 2 maart 2023, Norra Stockholm Bygg, C‑268/21, EU:C:2023:145, punt 49, en 4 oktober 2024, Bezirkshauptmannschaft Landeck (Poging tot het verkrijgen van toegang tot op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens), C‑548/21, EU:C:2024:830, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
42 Zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel 85, lid 2, AVG, is het juist dat de Uniewetgever in casu heeft besloten om de lidstaten uitdrukkelijk te verplichten om voor verwerkingen voor journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen te voorzien in uitzonderingen op of afwijkingen van bepaalde hoofdstukken van deze verordening, waarvan de omvang echter van lidstaat tot lidstaat kan verschillen, alsmede ervoor heeft gekozen om een aanzienlijk aantal van de hoofdstukken te noemen waarop deze uitzonderingen of afwijkingen betrekking kunnen hebben. Hij heeft dit evenwel gedaan voor zover hij van mening was dat alleen de voor die doeleinden verrichte uitdrukkingsvormen, gelet op de functie daarvan in een democratische samenleving, dergelijke belangrijke uitzonderingen op of afwijkingen van de bepalingen van deze verordening rechtvaardigen.
43 Hieruit volgt dat het wettelijk in overeenstemming brengen van het recht op bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig de AVG met het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, waar de lidstaten krachtens artikel 85, lid 1, AVG voor moeten zorgen, er niet toe mag leiden dat zij op grond van deze bepaling voorzien in uitzonderingen op of afwijkingen van die verordening voor verwerkingen van persoonsgegevens die plaatsvinden voor andere doeleinden dan journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen.
44 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 85, lid 1, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de lidstaten op grond van deze bepaling wettelijke maatregelen nemen die verder gaan dan hetgeen is bepaald in artikel 85, lid 2, van die verordening, door voor de verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen afwijkingen van bepaalde hoofdstukken van die verordening in te voeren op grond dat deze maatregelen noodzakelijk zijn om het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming te brengen met de vrijheid van meningsuiting en van informatie.
Tweede vraag
45 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 85, lid 1, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de maatregelen die de lidstaten op grond van deze bepaling specifiek nemen om, zoals van hen wordt verlangd, het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming te brengen met het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, tot gevolg hebben dat een persoon die strafrechtelijk is veroordeeld, wanneer persoonsgegevens met betrekking tot die veroordeling tegen betaling online aan het publiek beschikbaar worden gesteld, hiertegen uitsluitend in rechte kan optreden door een strafrechtelijke procedure wegens smaad te starten of een schadevergoedingsvordering wegens smaad in te stellen.
46 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 85, lid 2, AVG de lidstaten toestaat om wettelijke maatregelen vast te stellen die afwijken van de hoofdstukken II tot en met VII en hoofdstuk IX van deze verordening, indien dit noodzakelijk is om het recht op bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig deze verordening in overeenstemming te brengen met de vrijheid van meningsuiting en van informatie.
47 Vastgesteld moet echter worden dat hoofdstuk VIII AVG artikel 77, lid 1, artikel 78, leden 1 en 2, artikel 79, lid 1, en artikel 82, lid 1, omvat. Die artikelen hebben betrekking op de rechtsmiddelen waarover een persoon moet beschikken met betrekking tot de verwerking van zijn persoonsgegevens als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover zij respectievelijk voorzien in, ten eerste, het recht van de betrokkenen om een klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit, ten tweede, het recht van een natuurlijke of rechtspersoon om tegen een hem betreffend bindend juridisch besluit van een toezichthoudende autoriteit een doeltreffende voorziening in rechte in te stellen, ten derde, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte van eenieder die van mening is dat zijn rechten uit hoofde van deze verordening zijn geschonden ten gevolge van een door een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker uitgevoerde verwerking van zijn persoonsgegevens die niet aan deze verordening voldoet en, ten vierde, het recht van eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker een vergoeding te ontvangen voor de geleden schade.
48 Daar hoofdstuk VIII niet wordt genoemd in artikel 85, lid 2, AVG, moet hieruit worden afgeleid dat aangezien artikel 85, lid 1, van deze verordening de lidstaten niet de mogelijkheid biedt om de in artikel 85, lid 2 bedoelde uitzonderingen of afwijkingen vast te stellen voor verwerkingen van persoonsgegevens voor andere dan de in lid 2 van dat artikel genoemde doeleinden, het hun op grond van artikel 85, lid 1, AVG a fortiori niet kan worden toegestaan om van artikel 77, lid 1, artikel 78, leden 1 en 2, artikel 79, lid 1, en artikel 82, lid 1, van die verordening af te wijken.
49 Bijgevolg staat het overeenkomstig het beginsel van procedurele autonomie, gelet op het feit dat de AVG geen aanwijzingen bevat over de procedureregels voor de uitoefening van de rechtsmiddelen waarin deze verordening voorziet, aan de lidstaten om deze regels vast te stellen, mits zij niet ongunstiger zijn dan die welke gelden voor soortgelijke situaties waarop het nationale recht van toepassing is (gelijkwaardigheidsbeginsel) en zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (zie in die zin arrest van 4 september 2025, Quirin Privatbank, C‑655/23, EU:C:2025:655, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50 Aangezien artikel 77, lid 1, artikel 78, leden 1 en 2, artikel 79, lid 1, en artikel 82, lid 1, AVG – die rechtstreeks toepasselijk zijn – de betrokkenen het recht verlenen om de daarin neergelegde rechtsmiddelen aan te wenden, mogen de lidstaten de uitoefening daarvan echter niet afhankelijk stellen van andere materiële voorwaarden dan die welke uit deze verordening voortvloeien.
51 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 85, lid 1, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de maatregelen die de lidstaten op grond van deze bepaling specifiek nemen om, zoals van hen wordt verlangd, het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming te brengen met het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, tot gevolg hebben dat een persoon die strafrechtelijk is veroordeeld, wanneer persoonsgegevens met betrekking tot die veroordeling tegen betaling online aan het publiek beschikbaar worden gesteld, hiertegen uitsluitend in rechte op kan treden door een strafrechtelijke procedure wegens smaad te starten of een schadevergoedingsvordering wegens smaad in te stellen.
Derde vraag
Ontvankelijkheid
52 De Bulgaarse regering betoogt dat de derde vraag niet-ontvankelijk is, aangezien de feiten in de verwijzingsbeslissing niet toelaten de doeleinden van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verwerkingen van persoonsgegevens duidelijk vast te stellen, noch te beoordelen of die verwerkingen in overeenstemming zijn met artikel 10 AVG.
53 Volgens vaste rechtspraak rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen [arrest van 18 juni 2024, Bundesrepublik Deutschland (Gevolgen van een beslissing tot toekenning van de vluchtelingenstatus), C‑753/22, EU:C:2024:524, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
54 Wat in het bijzonder dit laatste geval betreft, is het vaste rechtspraak, die naar voren komt in artikel 94, onder a) en b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat de noodzaak om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen met name vereist dat deze rechter ten eerste de relevante feiten zoals die door hem zijn vastgesteld uiteenzet of, ten minste, een summier overzicht geeft van de feitelijke gegevens waarop de vragen berusten, en ten tweede de wettelijke context omschrijft waarbinnen de gestelde vragen moeten worden geplaatst (arrest van 12 maart 2026, Marhaux, C‑150/25, EU:C:2026:188, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 In casu heeft de derde vraag betrekking op de uitlegging van het begrip „journalistieke doeleinden” in artikel 85, lid 2, AVG en dus op de uitlegging van een bepaling van Unierecht. Om die vraag te beantwoorden, is het niet noodzakelijk om de doeleinden van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verwerkingen van persoonsgegevens te kennen, noch om te beoordelen of deze verwerkingen in overeenstemming zijn met artikel 10 AVG.
56 Aangezien uit het dossier bovendien niet duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, moet de derde vraag ontvankelijk worden verklaard.
Ten gronde
57 Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 85, lid 2, AVG aldus moet worden uitgelegd dat een activiteit waarbij openbare documenten die betrekking hebben op strafrechtelijke veroordelingen tegen betaling online aan het publiek beschikbaar worden gesteld zonder dat deze op enigerlei wijze worden be- of verwerkt, kan worden beschouwd als een verwerking van persoonsgegevens voor „journalistieke doeleinden” in de zin van deze bepaling.
58 Gelet op de rechtspraak van het Hof dat het begrip „verwerking” in de zin van artikel 4, punt 2, AVG, een ruime strekking heeft (arrest van 5 december 2023, Nacionalinis visuomenės sveikatos centras, C‑683/21, EU:C:2023:949, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak), moet om te beginnen worden vastgesteld dat het online aan het publiek beschikbaar stellen van openbare documenten die betrekking hebben op strafrechtelijke veroordelingen moet worden beschouwd als een verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG.
59 Zoals in punt 36 van dit arrest in herinnering is gebracht, bepaalt artikel 85, lid 2, AVG dat de lidstaten voor de verwerking voor journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen uitzonderingen op of afwijkingen van hoofdstuk II tot en met VII en hoofdstuk IX van deze verordening vaststellen indien deze noodzakelijk zijn om het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming te brengen met de vrijheid van meningsuiting en van informatie.
60 Het is juist dat noch artikel 85, lid 2, AVG, noch enige andere bepaling van deze verordening een definitie geeft van het begrip „journalistieke doeleinden” en evenmin uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten om de betekenis of reikwijdte van dit begrip te bepalen.
61 Niettemin moet worden vastgesteld dat volgens de rechtspraak van het Hof over het begrip „journalistiek” in artikel 9 van richtlijn 95/46, die kan worden geacht ook van toepassing te zijn op de uitlegging van het begrip „journalistieke doeleinden” in artikel 85, lid 2, AVG, activiteiten als „journalistieke activiteiten” kunnen worden aangemerkt indien zij de bekendmaking aan het publiek van informatie, meningen of ideeën tot doel hebben, ongeacht het overdrachtsmedium (arrest van 16 december 2008, Satakunnan Markkinapörssi en Satamedia, C‑73/07, EU:C:2008:727, punt 61).
62 Verder komt uit overweging 153 AVG naar voren dat, gelet op het belang van het recht van vrijheid van meningsuiting en van informatie in elke democratische samenleving, begrippen die betrekking hebben op die vrijheid, zoals het begrip „journalistiek”, ruim dienen te worden uitgelegd.
63 Uit deze overweging komt tevens naar voren dat afwijkingen of uitzonderingen als bedoeld in artikel 85, lid 2, AVG tot doel hebben om het recht op bescherming van persoonsgegevens en het in artikel 11 van het Handvest neergelegde recht op de vrijheid van meningsuiting en van informatie in overeenstemming te brengen met elkaar.
64 Hoewel het begrip „journalistieke doeleinden” in artikel 85, lid 2, AVG ruim moet worden uitgelegd, neemt dit niet weg dat deze uitlegging niet elke uitdrukkingsvorm kan omvatten, maar zodanig moet worden opgevat dat rekening wordt gehouden met de verschillen tussen journalistiek en andere uitdrukkingsvormen wat betreft de wijze waarop zij tot stand komen, en dit gelet op de rol die dit begrip speelt in de algemene opzet van deze bepaling.
65 Bij de uitlegging van artikel 11 van het Handvest moet volgens artikel 52, lid 3, ervan rekening worden gehouden met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over artikel 10 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66 Ten eerste staat vast dat het begrip „journalistiek” werk inhoudt dat informatie, meningen of ideeën die openbaar worden gemaakt op regelmatige of beroepsmatige wijze worden be- of verwerkt, of in elk geval dat die informatie, meningen of ideeën beschikbaar worden gesteld in overeenstemming met redactionele keuzen (zie naar analogie en in die zin EHRM, 17 januari 2023, Axel Springer SE tegen Duitsland, CE:ECHR:2023:0117JUD000896418, § 33, en EHRM, 5 april 2022, NIT S.R.L. tegen Republiek Moldavië, CE:ECHR:2022:0405JUD002847012, § 193).
67 Ten tweede veronderstelt journalistiek werk – ook wanneer dit bestaat in het verspreiden van meningen of ideeën – dat feitelijke beweringen waarop die meningen of ideeën gebaseerd zijn, op juistheid zijn geverifieerd zodat zij voldoende betrouwbaar zijn (zie naar analogie EHRM, 21 januari 1999, Fressoz en Roire tegen Frankrijk, CE:ECHR:1999:0121JUD002918395, §§ 52 en 54, en EHRM, 16 maart 2017, Ólafsson tegen IJsland, CE:ECHR:2017:0316JUD005849313, § 53).
68 Ten derde moeten de uitgeoefende werkzaamheden, om als „journalistiek” te kunnen worden beschouwd, onderworpen zijn aan de morele en ethische regels van het journalistieke beroep (zie naar analogie EHRM, 27 juni 2017, Satakunnan Markkinapörssi Oy en Satamedia Oy tegen Finland, CE:ECHR:2017:0627JUD000093113, §§ 183 en 186, en EHRM, 28 juni 2018, M.L. en W.W. tegen Duitsland, CE:ECHR:2018:0628JUD006079810, § 105).
69 Aangezien het begrip „journalistiek” ruim moet worden uitgelegd, zoals blijkt uit punt 62 van het onderhavige arrest, kan daarentegen noch het feit dat de betreffende werkzaamheden, die bestaan in het verwerken van gegevens, tegen betaling online worden uitgeoefend (zie in die zin arrest van 16 december 2008, Satakunnan Markkinapörssi en Satamedia, C‑73/07, EU:C:2008:727, punten 59‑62), noch het feit dat de verwerking betrekking heeft op strafrechtelijke veroordelingen, uitsluiten dat de verwerking mogelijkerwijs voor „journalistieke doeleinden” wordt verricht.
70 Het is namelijk juist dat de aard van de persoonsgegevens die worden verwerkt, in het bijzonder het eventueel gevoelige karakter ervan, en de aard en de concrete wijze van de verwerking, met name het aantal personen dat toegang heeft tot deze gegevens en de wijze waarop toegang tot de gegevens wordt verkregen, in aanmerking moeten worden genomen om te beoordelen of de bescherming van het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie – en met name de bescherming die journalisten genieten – kan rechtvaardigen dat van een aantal bepalingen van de AVG wordt afgeweken (zie in die zin arrest van 21 maart 2024, Landeshauptstadt Wiesbaden, C‑61/22, EU:C:2024:251, punt 106), in het bijzonder van artikel 10 van die verordening, dat voorziet in een bijzondere bescherming voor de verwerking van persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten. Dat een verwerking betrekking heeft op dergelijke gegevens is evenwel niet van belang om te bepalen of de verwerking, voorafgaand aan deze beoordeling, kan worden geacht te zijn verricht voor „journalistieke doeleinden”.
71 Wel moet nog worden opgemerkt dat artikel 85, lid 2, AVG niet verwijst naar de verwerking van persoonsgegevens in het kader van journalistieke werkzaamheden, maar naar de verwerking van persoonsgegevens voor „journalistieke doeleinden”. Het begrip „doeleinden” impliceert dat de verwerking van persoonsgegevens die onder deze bepaling kan vallen, niet beperkt is tot de verwerking die plaatsvindt bij de openbaarmaking van informatie, meningen of ideeën en die in dit verband bestaat in het beschikbaar stellen van persoonsgegevens aan het publiek, maar ook de verwerking omvat die noodzakelijk is voor de openbaarmaking (zie naar analogie arrest van 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers, C‑302/20, EU:C:2022:190, punten 64 en 67‑69).
72 Aangezien journalistiek werk een selectie en prioritering van de verzamelde informatie veronderstelt, kunnen dus niet alleen de verschillende verwerkingen van persoonsgegevens die nodig zijn om informatie, meningen of ideeën openbaar te maken, maar ook die welke betrekking hebben op persoonsgegevens die zijn opgenomen in informatie waarvan na de selectie uiteindelijk is besloten om deze niet te gebruiken, worden aangemerkt als verwerking voor „journalistieke doeleinden” in de zin van artikel 85, lid 2, AVG.
73 Om onder het begrip „journalistieke doeleinden” in de zin van deze bepaling te vallen, moet een verwerking van persoonsgegevens dan ook tot doel hebben om informatie, meningen of ideeën openbaar te maken voor het publiek en moet de openbaarmaking plaatsvinden met inachtneming van de morele en ethische regels van het journalistieke beroep, na een vorm van be- of verwerking of ten minste overeenkomstig een redactionele lijn, en na verificatie van de juistheid van de betreffende feitelijke beweringen.
74 Een werkzaamheid als die in het hoofdgeding, die erin bestaat tegen betaling openbare documenten betreffende strafrechtelijke veroordelingen online beschikbaar te stellen aan het publiek, lijkt geen vorm van be- of verwerking te vereisen en lijkt evenmin te zijn verricht in overeenstemming met een redactionele lijn, hetgeen de verwijzende rechter evenwel dient na te gaan. Verder blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt niet dat Legal Newsdesk Sweden zich moet houden aan de morele en ethische regels van het journalistieke beroep, hetgeen de verwijzende rechter eveneens dient na te gaan.
75 Het is juist dat die documenten nuttige informatie kunnen vormen voor de uitoefening van journalistieke werkzaamheden. Dit neemt echter niet weg dat de verwerking van persoonsgegevens waarbij met name sprake is van het beschikbaar stellen van dergelijke documenten aan het publiek, alleen kan worden geacht te zijn verricht voor „journalistieke doeleinden” in de zin van artikel 85 AVG, indien de documenten uitsluitend bestemd zijn voor journalistieke werkzaamheden.
76 In het hoofdgeding blijkt evenwel uit de gegevens van het dossier waarover het Hof beschikt – het staat evenwel aan de verwijzende rechter om dit na te gaan – dat eenieder door gebruik te maken van de betrokken databank toegang kan krijgen tot de documenten betreffende de strafrechtelijke veroordelingen van de betrokkenen, mits daarvoor wordt betaald. De verwerking van persoonsgegevens die ertoe strekt die toegang mogelijk te maken, zoals het beschikbaar stellen van de in die documenten vervatte persoonsgegevens, kan derhalve niet worden geacht te zijn verricht voor „journalistieke doeleinden”.
77 Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 85, lid 2, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het tegen betaling online aan het publiek beschikbaar stellen van openbare documenten die betrekking hebben op strafrechtelijke veroordelingen, alleen kan worden beschouwd als een verwerking van persoonsgegevens voor „journalistieke doeleinden” in de zin van deze bepaling indien de verwerking tot doel heeft om informatie, meningen of ideeën openbaar te maken en de openbaarmaking plaatsvindt met inachtneming van de morele en ethische regels van het journalistieke beroep, na een vorm van be- of verwerking of ten minste overeenkomstig een redactionele lijn, en na verificatie van de juistheid van de betreffende feitelijke beweringen.
Kosten
78 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 85, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich ertegen verzet dat de lidstaten op grond van deze bepaling wettelijke maatregelen nemen die verder gaan dan hetgeen is bepaald in artikel 85, lid 2, van die verordening, door voor de verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan journalistieke doeleinden of ten behoeve van academische, artistieke of literaire uitdrukkingsvormen afwijkingen van bepaalde hoofdstukken van die verordening in te voeren op grond dat deze maatregelen noodzakelijk zijn om het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming te brengen met de vrijheid van meningsuiting en van informatie.
2) Artikel 85, lid 1, van verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich ertegen verzet dat de maatregelen die de lidstaten op grond van deze bepaling specifiek nemen om, zoals van hen wordt verlangd, het recht op bescherming van persoonsgegevens in overeenstemming te brengen met het recht op vrijheid van meningsuiting en van informatie, tot gevolg hebben dat een persoon die strafrechtelijk is veroordeeld, wanneer persoonsgegevens met betrekking tot die veroordeling tegen betaling online aan het publiek beschikbaar worden gesteld, hiertegen uitsluitend in rechte op kan treden door een strafrechtelijke procedure wegens smaad te starten of een schadevergoedingsvordering wegens smaad in te stellen.
3) Artikel 85, lid 2, van verordening 2016/679
moet aldus worden uitgelegd dat
het tegen betaling online aan het publiek beschikbaar stellen van openbare documenten die betrekking hebben op strafrechtelijke veroordelingen, alleen kan worden beschouwd als een verwerking van persoonsgegevens voor „journalistieke doeleinden” in de zin van deze bepaling indien de verwerking tot doel heeft om informatie, meningen of ideeën openbaar te maken en de openbaarmaking plaatsvindt met inachtneming van de morele en ethische regels van het journalistieke beroep, na een vorm van be- of verwerking of ten minste overeenkomstig een redactionele lijn, en na verificatie van de juistheid van de betreffende feitelijke beweringen.
ondertekeningen
* Procestaal: Zweeds.