ARREST VAN HET GERECHT (Zesde kamer)

23 oktober 2024 ( *1 )

„Gemeenschapsmodellen – Nietigheidsprocedure – Ingeschreven gemeenschapsmodel dat een wegmarkering weergeeft – Artikel 3, onder a), en artikel 25, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 6/2002 – Eenheid van het model – Coherentie van de perspectieven”

In zaak T‑25/23,

Orgatex GmbH & Co. KG, gevestigd te Langenfeld (Duitsland), vertegenwoordigd door G. Jacobs, M. Maybaum en M. Dümenil, advocaten,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door E. Markakis als gemachtigde,

verweerder,

andere partij in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënt voor het Gerecht:

Lawrence Longton, wonende te Brindle (Verenigd Koninkrijk), vertegenwoordigd door A. Haberl, advocaat,

wijst

HET GERECHT (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: M. J. Costeira, president, M. Kancheva (rapporteur) en E. Tichy-Fisslberger, rechters,

griffier: R. Ūkelytė, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 17 januari 2024,

het navolgende

Arrest

1

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Orgatex GmbH & Co. KG, vernietiging van de beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 17 november 2022 (zaak R 110/2022‑3) (hierna: „bestreden beslissing”).

Voorgeschiedenis van het geding

2

Op 23 oktober 2020 heeft interveniënt, L. Longton, bij het EUIPO een vordering ingesteld tot nietigverklaring van het gemeenschapsmodel dat onder nummer 1112155‑0001 is ingeschreven en op 14 april 2009 is gepubliceerd na een op 25 maart 2009 ingediende aanvraag. Verzoekster is houder van het litigieuze model, waarvan de inschrijving in 2014, 2019 en 2024 op haar verzoek is vernieuwd.

3

Het litigieuze model wordt in de volgende perspectieven weergegeven:

Image

Image

Perspectief 1.1

Perspectief 1.2

Image

Image

Perspectief 1.3

Perspectief 1.4

Perspectief 1.1:

Image

Perspectief 1.2:

Image

Perspectief 1.3:

Image

Perspectief 1.4:

Image

4

De voortbrengselen waarin het litigieuze model zal worden verwerkt, vallen onder klasse 20.03 in de zin van de Overeenkomst van Locarno van 8 oktober 1968 tot instelling van een internationale classificatie voor tekeningen en modellen van nijverheid, zoals gewijzigd, en krijgen de volgende indicatie: „Wegmarkering”.

5

De vordering tot nietigverklaring was gebaseerd op artikel 25, lid 1, onder a), van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende gemeenschapsmodellen (PB 2002, L 3, blz. 1), gelezen in samenhang met artikel 3, onder a), van deze verordening, alsook op artikel 25, lid 1, onder b), van deze verordening, gelezen in samenhang met de artikelen 4 en 6 van deze verordening.

6

Op 23 november 2021 heeft de nietigheidsafdeling de vordering tot nietigverklaring afgewezen. Die afdeling heeft in essentie vastgesteld dat er sprake is van eenheid van het litigieuze model en coherentie van de perspectieven ervan. In dit verband heeft zij geoordeeld dat het voorwerp van de bescherming duidelijk vast te stellen was alsook eenduidig en rechtstreeks was weergegeven in de vier ingediende perspectieven, namelijk perspectief 1.1, dat het perspectief van bovenaf (bovenkant van de wegmarkering) weergeeft, en de andere perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4, die het perspectief van onderaan (onderkant van de wegmarkering) weergeven. De nietigheidsafdeling heeft ook vastgesteld dat dit model een eigen karakter had en nieuw was.

7

Op 18 januari 2022 heeft interveniënt bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling.

8

Bij de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep het beroep toegewezen, de beslissing van de nietigheidsafdeling vernietigd en het litigieuze model nietig verklaard. In het bijzonder heeft zij geoordeeld dat de overgelegde perspectieven niet sluitend waren en ten minste twee verschillende modellen toonden. Ten eerste heeft zij geoordeeld dat de veronderstelling van interveniënt dat de perspectieven 1.1 en 1.2 de voorkant lieten zien en de perspectieven 1.3 en 1.4 de achterkant, op zich logisch en in overeenstemming met de algemene ervaring leek. Zij heeft overwogen dat de perspectieven 1.1 en 1.2 en de perspectieven 1.3 en 1.4 niet hetzelfde model konden weergeven. Ten tweede heeft zij geoordeeld dat de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 niet hetzelfde model konden weergeven, zelfs wanneer zij de veronderstelling van de nietigheidsafdeling en verzoekster aanvaardde dat perspectief 1.1 de voorkant en de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 de achterkant weergeven. Zij heeft vastgesteld dat uit de twee onderzochte veronderstellingen bleek dat het litigieuze model was ingeschreven in strijd met artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002.

9

De kamer van beroep heeft ook geoordeeld dat, aangezien het litigieuze model nietig moest worden verklaard overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder a), van verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 3, onder a), van deze verordening, niet kon worden onderzocht of dit model ook een eigen karakter of nieuwheid miste op grond van artikel 25, lid 1, onder b), van deze verordening, gelezen in samenhang met de artikelen 4 tot en met 6 van deze verordening.

Conclusies van partijen

10

Verzoekster verzoekt het Gerecht:

de bestreden beslissing te vernietigen;

het EUIPO te verwijzen in de kosten van de procedure bij het Gerecht en bij de kamer van beroep;

11

Het EUIPO verzoekt het Gerecht:

het beroep te verwerpen;

verzoekster te verwijzen in de kosten indien er een terechtzitting wordt gehouden.

12

Interveniënt verzoekt het Gerecht:

het beroep te verwerpen;

verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

Ontvankelijkheid van het beroep

13

Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid krachtens artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht op te werpen, voert interveniënt in zijn memorie van antwoord aan dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het niet binnen de gestelde termijn is ingesteld. Meer in het bijzonder voert hij aan dat volgens verzoekster zelf de bestreden beslissing van 17 november 2022 op 18 november 2022 aan haar is betekend. Het onderhavige beroep is echter pas op 27 januari 2023 bij het Gerecht binnengekomen, dat wil zeggen na het verstrijken van de in artikel 61, lid 5, van verordening nr. 6/2002 gestelde beroepstermijn van twee maanden. De beroepstermijn is dus niet in acht genomen.

14

In dit verband zij eraan herinnerd dat overeenkomstig artikel 61, lid 5, van verordening nr. 6/2002 een beroep tegen een beslissing van een kamer van beroep van het EUIPO bij het Gerecht moet worden ingesteld binnen twee maanden na kennisgeving van die beslissing.

15

Bovendien volgt uit artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering dat de procestermijnen voor bij het Gerecht ingestelde beroepen worden verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen. Volgens de rechtspraak is de in dit artikel bedoelde forfaitaire termijn wegens afstand van toepassing op het instellen van beroep tegen een beslissing van het EUIPO [zie arrest van 1 december 2021, Inditex/EUIPO – Ffauf Italia (ZARA), T‑467/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:842, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

16

In casu heeft verzoekster op 18 november 2022 kennisgenomen van de bestreden beslissing. De beroepstermijn, met inbegrip van de termijn wegens afstand, is dus verstreken op 30 januari 2023 om middernacht, overeenkomstig de regels voor de berekening van de termijnen als bedoeld in artikel 58 van het Reglement voor de procesvoering.

17

Het onderhavige beroep is door verzoekster ingesteld op 27 januari 2023.

18

Bijgevolg moet het door interveniënt opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen en moet het onderhavige beroep ontvankelijk worden verklaard.

Ontvankelijkheid van de stukken die voor het eerst voor het Gerecht zijn overgelegd

19

Interveniënt betoogt dat de foto’s van het originele of daadwerkelijk verhandelde voortbrengsel die verzoekster „ter illustratie” in bijlage A7 bij het verzoekschrift heeft overgelegd, tardief en niet-ontvankelijk zijn.

20

In dit verband moet worden opgemerkt dat deze stukken geen deel uitmaken van het dossier van de administratieve procedure bij het EUIPO en voor het eerst bij het Gerecht zijn overgelegd.

21

Een beroep bij het Gerecht is gericht op toetsing van de rechtmatigheid van de beslissingen van de kamers van beroep van het EUIPO in de zin van artikel 61 van verordening nr. 6/2002, zodat het Gerecht niet tot taak heeft, de feiten opnieuw te onderzoeken tegen de achtergrond van documenten die voor het eerst voor hem zijn aangevoerd [zie in die zin arrest van 18 maart 2010, Grupo Promer Mon Graphic/BHIM – PepsiCo (Weergave van cirkelvormige reclamedrager), T‑9/07, EU:T:2010:96, punt 24].

22

Deze stukken dienen dus buiten beschouwing te worden gelaten omdat zij niet-ontvankelijk zijn en de bewijskracht ervan hoeft niet te worden onderzocht.

Gegrondheid van het enige middel

23

Tot staving van haar beroep voert verzoekster één middel aan, ontleend aan schending van artikel 25, lid 1, onder a), van verordening nr. 6/2002 juncto artikel 3, onder a), van deze verordening.

24

Verzoekster verwijt de kamer van beroep dat zij ten onrechte heeft geoordeeld dat het litigieuze model niet voldeed aan de vereisten van artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002 omdat de perspectieven ten minste twee verschillende modellen toonden wegens vermeende onoplosbare incoherenties tussen de perspectieven en er dus niet één voortbrengsel in de zin van dit artikel bestond. Volgens verzoekster kunnen deze vermeende onoplosbare incoherenties worden weggenomen indien aan deze verordening geen „rechtens onjuiste en voor inschrijving nadelige uitlegging” wordt gegeven. Verzoekster stelt dat uit de vier perspectieven 1.1 tot en met 1.4, in hun geheel beschouwd, ondubbelzinnig blijkt dat het om één voorwerp gaat, bestaande uit een omkaderingselement met een binnenkant, waarvan een zijde omtreklijnen ten opzichte van de andere zijde heeft. Zij betoogt dus dat aan de hand van de perspectieven van het litigieuze model duidelijk één model kan worden geïdentificeerd, dat de uiterlijke kenmerken van één enkel voortbrengsel in de zin van dat artikel heeft.

25

Ten eerste stelt verzoekster dat de eerste veronderstelling van de kamer van beroep, die in de punten 34 tot en met 38 van de bestreden beslissing is geformuleerd en volgens welke de perspectieven 1.1 en 1.2 de voorkant en de perspectieven 1.3 en 1.4 de achterkant tonen, onnauwkeurig en onjuist is. Volgens verzoekster heeft de kamer van beroep deze perspectieven uitgelegd op een wijze die „noodzakelijkerwijs tot nietigheid leidt”, terwijl het passender zou zijn om als uitleggingsbeginsel ten gunste van de aanvrager te veronderstellen dat deze een geldige, zinvolle aanvraag wenste in te dienen. In casu is het nochtans duidelijk dat perspectief 1.1 een zijde van het voortbrengsel laat zien en dat de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4, gezien de omtreklijnen, de andere zijde van het voortbrengsel laten zien. Gelet op dit uitleggingsbeginsel is er geen sprake van een onoplosbare incoherentie wat het verschil tussen de perspectieven 1.1 en 1.2 betreft. Dit verschil kan gemakkelijk worden verklaard door de perspectieven aldus uit te leggen dat ze het model zowel aan de ene zijde (perspectief 1.1) als aan de andere zijde (perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4) weergeven.

26

Ten tweede verwijt verzoekster de kamer van beroep ook dat zij onjuiste conclusies heeft getrokken uit haar tweede veronderstelling, die in de punten 39 tot en met 44 van de bestreden beslissing is geformuleerd en volgens welke perspectief 1.1 de voorkant toont en de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 de achterkant. Deze veronderstelling is weliswaar nauwkeurig en juist, maar leidt niet tot een onoplosbare incoherentie tussen deze perspectieven.

27

In de eerste plaats voert verzoekster op dit punt aan dat er geen sprake is van een onoplosbare incoherentie als gevolg van de nuances (schaduweffecten) in de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4. Volgens haar blijkt uit de uitlegging dat deze perspectieven verschillende nuances (schaduweffecten) van een en hetzelfde oppervlak van hetzelfde voortbrengsel weergeven, als gevolg van andere belichtingsomstandigheden. Dergelijke belichtingsverschillen zijn het gevolg van de hoek en de positie waaruit het perspectief is weergegeven. Ten eerste voert verzoekster aan dat er geen sprake is van een incoherentie wegens de positie waaruit het perspectief is weergegeven, aangezien perspectief 1.2 het voortbrengsel met tegenlicht laat zien en perspectief 1.4 het belicht laat zien. Eenzelfde voortbrengsel wordt gewoonweg getoond onder andere belichtingsomstandigheden. Ten tweede stelt zij dat er geen sprake is van een incoherentie wegens de vermeende afwezigheid van een lichtbron. Het is gebruikelijk dat nuances worden gebruikt bij computergegenereerde afbeeldingen en dit wordt gesimuleerd met een virtuele lichtbron. Ten derde voert zij aan dat er geen sprake is van een incoherentie wegens de lichteffecten. In de tweede plaats voert verzoekster aan dat er geen sprake is van een onoplosbare incoherentie als gevolg van de omtreklijnen in de perspectieven 1.2 en 1.4. Er kan slechts één voortbrengsel worden geïdentificeerd. In de derde plaats voert verzoekster aan dat er geen sprake is van een onoplosbare incoherentie wat betreft de „diepte” van de omtreklijnen in de perspectieven 1.2 en 1.4 in vergelijking met perspectief 1.3. Het verschil kan gemakkelijk worden verklaard door de weergave in perspectief. In de vierde plaats voert verzoekster aan dat er geen sprake is van een onoplosbare incoherentie wegens de nuances (schaduweffecten) van het „venster” of „binnenwerk” in de perspectieven 1.2 en 1.4 ten opzichte van perspectief 1.3. Dit binnenwerk is een venster in de wegmarkering, waarin verschillende inhouden kunnen worden ingevoegd. De verschillen zijn ook te wijten aan de verschillende oogpunten. De perspectieven 1.2 en 1.4 tonen het voortbrengsel rechtopstaand, quasi met een blik door het doorzichtige venster, in effen wit, terwijl perspectief 1.3 het voortbrengsel al liggend op een virtueel oppervlak toont, met nuances. Deze nuances zijn te wijten aan andere lichteffecten en hebben geen enkele invloed op de vorm en de configuratie van een voortbrengsel.

28

Verzoekster komt tot de slotsom dat uit de uitlegging van de perspectieven hoe dan ook blijkt dat de gestelde verschillen, die met name te wijten zijn aan nuances (schaduweffecten), niet in aanmerking mogen worden genomen om het voorwerp van de bescherming te bepalen, dat duidelijk en goed zichtbaar is. Er is slechts één voortbrengsel en dus één enkel geldig model in de zin van artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002.

29

Ter terechtzitting heeft verzoekster meer in het bijzonder aangevoerd dat er in het Unierecht een beginsel van uitlegging ten gunste van inschrijving van een gemeenschapsmodel bestaat, dat voortvloeit uit de „onderliggende gedachte” van verordening nr. 6/2002, in het bijzonder overweging 24 ervan.

30

Het EUIPO en interveniënt betwisten de argumenten van verzoekster.

Rechtskader en rechtspraak

31

Krachtens artikel 25, lid 1, onder a), van verordening nr. 6/2002 moet een gemeenschapsmodel nietig worden verklaard indien het niet overeenstemt met de omschrijving van artikel 3, onder a), van deze verordening, volgens welke onder „model” wordt verstaan „de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan, die wordt afgeleid uit de kenmerken van met name de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur en/of de materialen van het voortbrengsel zelf en/of de versiering ervan”.

32

Hieruit volgt dat in de bij verordening nr. 6/2002 vastgestelde regeling de verschijningsvorm het doorslaggevende element van een model is (arresten van 21 september 2017, Easy Sanitary Solutions en EUIPO/Group Nivelles, C‑361/15 P en C‑405/15 P, EU:C:2017:720, punt 62; 8 maart 2018, DOCERAM, C‑395/16, EU:C:2018:172, punt 25, en 28 oktober 2021, Ferrari, C‑123/20, EU:C:2021:889, punt 30).

33

Het onderzoek van een model op grond van artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002 is beperkt tot de vraag of de afbeelding de verschijningsvorm van een voortbrengsel of een deel ervan laat zien. Indien het EUIPO in het kader van het onderzoek vaststelt dat het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd, niet overeenstemt met de omschrijving van dat artikel en dat de grond voor niet-inschrijving niet binnen de gestelde termijn wordt verholpen, wijst het EUIPO de aanvraag af overeenkomstig artikel 47, lid 1, van deze verordening en artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 2245/2002 van de Commissie van 21 oktober 2002 tot uitvoering van verordening nr. 6/2002 (PB 2002, L 341, blz. 28).

34

Het onderzoek van een model op grond van artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002 moet worden verricht op basis van de in het register ingeschreven afbeelding, te weten de bij de inschrijvingsaanvraag ingediende perspectieven, die het voorwerp en de omvang van de bescherming bepalen [zie in die zin arrest van 21 juni 2017, Kneidinger/EUIPO – Topseat International (Toiletbril), T‑286/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:411, punt 44]. De opmerkingen die de aanvrager of de houder in de loop van de procedure heeft geformuleerd, kunnen in beginsel slechts in aanmerking worden genomen indien zij blijken uit de afbeelding van het model.

35

Overeenkomstig artikel 36, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 en artikel 1, lid 1, onder c), van verordening nr. 2245/2002 moet de aanvraag tot inschrijving van een gemeenschapsmodel een voor reproductie geschikte afbeelding van het model bevatten.

36

Gelet op de letterlijke, teleologische en contextuele analyse van artikel 36, lid 1, onder c), van verordening nr. 6/2002 moet de afbeelding van een model waarvoor om inschrijving wordt verzocht, het mogelijk maken om dit model – waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt – duidelijk te identificeren (arrest van 5 juli 2018, Mast-Jägermeister/EUIPO, C‑217/17 P, EU:C:2018:534, punt 60). In het bijzonder heeft het vereiste van voorstelling met name ten doel, het model zelf af te bakenen, om aldus te bepalen wat precies de bescherming is die het ingeschreven model de houder ervan verleent ten opzichte van de bevoegde autoriteiten en marktdeelnemers (zie in die zin arrest van 5 juli 2018, Mast-Jägermeister/EUIPO, C‑217/17 P, EU:C:2018:534, punten 52 en 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie ook arrest van 28 oktober 2021, Ferrari, C‑123/20, EU:C:2021:889, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37

De bevoegde autoriteiten moeten zich een duidelijk en nauwkeurig beeld kunnen vormen van de aard van de elementen die een model vormen, teneinde te kunnen voldoen aan hun verplichtingen met betrekking tot het vooronderzoek van de inschrijvingsaanvragen en de publicatie en de instandhouding van een adequaat en nauwkeurig modellenregister. De marktdeelnemers moeten zich op hun beurt ervan kunnen vergewissen welke inschrijvingen precies zijn verricht of welke aanvragen door hun feitelijke of potentiële concurrenten precies zijn ingediend, en moeten aldus relevante informatie over de rechten van derden kunnen ontvangen. Een dergelijk vereiste van duidelijkheid en nauwkeurigheid beoogt dus de rechtszekerheid van derden te waarborgen (zie arrest van 2 maart 2023, Papierfabriek Doetinchem, C‑684/21, EU:C:2023:141, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38

Aangezien de afbeelding van een model waarvoor om inschrijving wordt verzocht, het mogelijk moet maken om dit model – waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt – duidelijk te identificeren (zie punt 36 supra), moet in het bijzonder worden onderzocht of de perspectieven die de afbeelding in haar geheel vormen, de verschijningsvorm laten zien van één voortbrengsel of van een voortbrengsel dat een geheel vormt, dat wil zeggen of er sprake is van eenheid van het model.

39

In dit verband impliceert het vereiste van coherentie van de perspectieven dat alle perspectieven de verschijningsvorm van een en hetzelfde voortbrengsel (of een deel ervan) tonen, zodat aan de hand daarvan een en hetzelfde model duidelijk kan worden geïdentificeerd. Incoherenties of tegenstrijdigheden tussen de overgelegde perspectieven kunnen leiden tot de conclusie dat de afbeelding verschillende voortbrengselen en dus meer dan één model toont. Perspectieven hebben met name op meer dan één model betrekking wanneer zij verschillende belichamingen („embodiments”) of versies van eenzelfde concept vormen, of wanneer het gebruik van lijnen die bedoeld zijn om het model te identificeren of het gebruik van uitsluitingen („disclaimers”) van bepaalde kenmerken niet in alle perspectieven coherent is.

40

Er kan geen sprake zijn van eenheid van het model wanneer de perspectieven die de afbeelding in haar geheel vormen onoplosbare incoherenties vertonen of onoverkomelijk tegenstrijdig zijn, zodat de verschijningsvorm van één enkel voortbrengsel niet kan worden bepaald en de afbeelding het dus niet mogelijk maakt om één enkel model duidelijk te identificeren. Omgekeerd kan de eenheid van het model worden vastgesteld ondanks kleine verschillen tussen de perspectieven, voor zover deze perspectieven niettemin met elkaar kunnen worden verzoend zodat er sprake is van één model. De instanties van het EUIPO zijn evenwel niet verplicht om alle mogelijke combinaties tussen de door de aanvrager bij de inschrijvingsaanvraag verstrekte perspectieven in aanmerking te nemen, maar enkel de combinaties die logisch en plausibel lijken in het licht van de algemene ervaring.

41

Een model dat niet één voorwerp vormt, stemt niet overeen met de omschrijving van artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002, zodat de inschrijving daarvan overeenkomstig artikel 47, lid 1, van deze verordening moet worden geweigerd (zie punt 33 supra) of het model nietig moet worden verklaard indien de nietigheidsgrond van artikel 25, lid 1, onder a), van deze verordening regelmatig is aangevoerd [zie in die zin arrest van 13 juni 2017, Ball Beverage Packaging Europe/EUIPO – Crown Hellas Can (Blikken), T‑9/15, EU:T:2017:386, punten 57 en 60].

42

Het onderzoek van de nietigheidsgrond van artikel 25, lid 1, onder a), van verordening nr. 6/2002 heeft daarentegen geen betrekking op de vormvereisten voor de afbeelding. In dit verband bepaalt artikel 4, lid 2, van verordening nr. 2245/2002 met name dat de afbeelding niet meer dan zeven perspectieven mag bevatten. Gebreken die verband houden met deze voorwaarde en die niet binnen de gestelde termijn door de aanvrager zijn opgeheven, leiden tot afwijzing van de aanvraag overeenkomstig artikel 45, lid 2, onder b), en artikel 46, lid 3, van verordening nr. 6/2002.

43

Artikel 4 van verordening nr. 2245/2002 staat uitdrukkelijk toe dat meerdere perspectieven van eenzelfde model worden ingediend. Het staat de verzoeker vrij te kiezen welke illustraties hij overlegt en of de gepresenteerde perspectieven foto’s van het werkelijke voorwerp, technische tekeningen of computergegenereerde afbeeldingen zijn. De ingediende perspectieven kunnen het model weergeven vanuit verschillende hoeken en oogpunten, met inbegrip van verschillende schalen. Gelet op het vereiste van coherentie van de perspectieven (zie punt 39 supra) is de aanvrager evenwel verplicht om ervoor te zorgen dat de perspectieven coherent zijn, dat wil zeggen dat zij met elkaar kunnen worden verzoend zodat er sprake is van één model (zie punt 40 supra), met als gevolg dus dat een en hetzelfde model duidelijk kan worden geïdentificeerd.

44

In het licht van deze beginselen moet worden onderzocht of de in casu ingediende perspectieven coherent zijn en het dus mogelijk maken om een en hetzelfde model duidelijk te identificeren.

Beoordeling van de coherentie van de perspectieven in de onderhavige zaak

– Vermeend bestaan van een uitleggingsbeginsel ten gunste van de aanvrager en de houder van een ingeschreven gemeenschapsmodel

45

Vooraf dient verzoeksters grief te worden onderzocht die in wezen is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting en volgens welke de kamer van beroep rekening had moeten houden met een uitleggingsbeginsel dat gunstig is voor de aanvrager en de houder van een ingeschreven gemeenschapsmodel en dat volgens verzoekster in het Unierecht bestaat en voortvloeit uit de „onderliggende gedachte” van verordening nr. 6/2002.

46

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat zelfs indien de onderzoeker tijdens de inschrijvingsprocedure heeft beslist om het litigieuze model in te schrijven, de kamer van beroep niet gebonden is door dit standpunt in het kader van een nietigheidsprocedure betreffende dit model (zie in die zin arrest van 13 juni 2017, Blikken, T‑9/15, EU:T:2017:386, punt 54).

47

Dit geldt zelfs wanneer de onderzoeker in het kader van het in artikel 47, lid 1, van verordening nr. 6/2002 bedoelde onderzoek reeds moet nagaan of het model waarvoor bescherming wordt aangevraagd, overeenstemt met de omschrijving van artikel 3, onder a), van deze verordening en er bijgevolg sprake is van een eenheid als gevolg van de coherentie van de perspectieven ervan, in tegenstelling tot de beschermingsvoorwaarden, zoals nieuwheid of eigen karakter in de zin van de artikelen 4 tot en met 6 van deze verordening, die in dat kader niet worden onderzocht.

48

Tevens dient te worden benadrukt dat niets in verordening nr. 6/2002 als beginsel voorschrijft dat deze verordening wordt uitgelegd ten gunste van de aanvrager van een gemeenschapsmodel in het kader van een onderzoeksprocedure of ten gunste van de houder van een dergelijk model in het kader van een nietigheidsprocedure, zoals in casu.

49

Overweging 24 van verordening nr. 6/2002, waarop verzoekster zich beroept, stelt eenvoudigweg dat het een fundamentele doelstelling van die verordening is dat de procedure voor het verkrijgen van een ingeschreven gemeenschapsmodel voor de aanvragers zo weinig mogelijk kosten en moeilijkheden met zich brengt, zodat het stelsel voor kleine en middelgrote ondernemingen en voor individuele ontwerpers gemakkelijk toegankelijk is. Vastgesteld moet worden dat het goedkope en gebruiksvriendelijke („user-friendly”) karakter van de inschrijvingsprocedure geenszins vooruitloopt op een beginsel van uitlegging ten gunste van de aanvrager van een gemeenschapsmodel in het kader van een onderzoeksprocedure of ten gunste van de houder van een dergelijk model in het kader van een nietigheidsprocedure.

50

Integendeel, aangezien een ingeschreven gemeenschapsmodel krachtens artikel 85, lid 1, van verordening nr. 6/2002 een vermoeden van geldigheid in inbreukprocedures geniet, is het des te belangrijker dat de geldigheid ervan concreet en strikt wordt beoordeeld in het kader van de nietigheidsprocedures voor het EUIPO en de reconventionele vorderingen tot nietigverklaring voor de rechtbanken voor het gemeenschapsmodel als bedoeld in artikel 24, lid 1, van deze verordening, overeenkomstig de nietigheidsgronden van artikel 25, lid 1, van deze verordening en de in artikel 25, leden 2 tot en met 4, van deze verordening vastgestelde voorwaarden voor inroepbaarheid ervan.

51

Overigens moet omwille van de rechtszekerheid en met het oog op behoorlijk bestuur elke vordering tot nietigverklaring van een ingeschreven gemeenschapsmodel in elk concreet geval strikt worden onderzocht om te voorkomen dat inschrijvingen ten onrechte worden gehandhaafd. Of de inschrijving van een model wordt gehandhaafd, hangt immers af van objectieve en specifieke criteria die gelden in de feitelijke omstandigheden van het concrete geval en aan de hand waarvan moet worden nagegaan of een nietigheidsgrond op het betrokken model van toepassing is (zie in die zin en naar analogie arrest van 10 maart 2011, Agencja Wydawnicza Technopol/BHIM, C‑51/10 P, EU:C:2011:139, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52

Hieruit volgt dat in het kader van een procedure tot nietigverklaring van een ingeschreven gemeenschapsmodel geen beginsel van uitlegging ten gunste van de houder van dat model bestaat.

53

Bijgevolg hoefde en kon de kamer van beroep in casu geen rekening houden met een dergelijk beginsel van uitlegging ten gunste van verzoekster als houder van het litigieuze model.

54

Verzoeksters grief dat dienaangaande in wezen blijk is gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, moet dus worden afgewezen.

55

In casu voert verzoekster in wezen aan dat het duidelijk mogelijk is om één model te identificeren in de perspectieven van het litigieuze model, die coherent zijn. De volgende grieven zijn dus ontleend aan een onjuiste beoordeling van de feiten door de kamer van beroep.

56

De twee mogelijke combinaties tussen de perspectieven die de kamer van beroep in overweging heeft genomen, dienen achtereenvolgens te worden onderzocht.

– Veronderstelling dat de perspectieven 1.1 en 1.2 de voorkant en de perspectieven 1.3 en 1.4 de achterkant van het litigieuze model tonen

57

In de punten 34 tot en met 38 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de veronderstelling dat de perspectieven 1.1 en 1.2 de voorkant toonden en de perspectieven 1.3 en 1.4 de achterkant, overeenkwam met die van interveniënt en dat deze veronderstelling „op zich logisch en in overeenstemming met de algemene ervaring” leek. Zo gaven twee perspectieven, een bovenaanzicht en een aanzicht in perspectief, elk de voorkant en de achterkant van het model weer.

58

Het is juist dat de verschillende afbeelding van de nuance verklaard kon worden door het verschil wat de hoek betreft. Het was echter niet mogelijk te verklaren dat er in perspectief 1.1 geen omtreklijnen te zien waren, terwijl deze in perspectief 1.2 goed zichtbaar waren.

Image

Image

Detailopname van de rechterbovenhoek – Perspectief 1.1

Detailopname van de rechterbovenhoek – Perspectief 1.2

59

Hetzelfde gold voor de perspectieven 1.3 en 1.4. Hoewel de lijnen in perspectief 1.3 vaag te zien waren, waren ze in perspectief 1.4 duidelijk zichtbaar. Zij waren zelfs zo duidelijk dat zij „stippellijnen” leken te zijn.

Image

Image

Detailopname van de rechterbovenhoek – Perspectief 1.3

Detailopname van de rechterbovenhoek – Perspectief 1.4

60

Met betrekking tot deze twee standpunten heeft de kamer van beroep geoordeeld dat het verschil in nuance niet uitsluitend werd verklaard door het verschillende aanzicht. Volgens haar kon dit verschil niet het gevolg zijn van de weerkaatsing van licht op het oppervlak, gezien de afwezigheid van een lichtbron.

61

De kamer van beroep is tot de slotsom gekomen dat de perspectieven 1.1 en 1.2 enerzijds en de perspectieven 1.3 en 1.4 anderzijds dus niet hetzelfde model konden weergeven, zodat het litigieuze model in strijd met artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002 in het register was ingeschreven.

62

Verzoekster stelt dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat de perspectieven 1.1 en 1.2 de voorkant toonden en de perspectieven 1.3 en 1.4 de achterkant. Volgens verzoekster legt die kamer de perspectieven uit op een wijze die „noodzakelijkerwijs tot nietigheid leidt”.

63

Om te beginnen dient in navolging van de kamer van beroep te worden vastgesteld dat het feit dat de perspectieven 1.1 en 1.2 de voorkant en de perspectieven 1.3 en 1.4 de achterkant tonen, elk vanuit een bovenaanzicht en een aanzicht in perspectief, logisch en plausibel lijkt in het licht van de algemene ervaring (zie punt 40 supra).

64

Vervolgens zij opgemerkt dat in de perspectieven 1.1 en 1.2 de omkaderingselementen van de wegmarkering soortgelijke donkere kleuren hebben, terwijl in de perspectieven 1.3 en 1.4 de omkaderingselementen daarentegen lichtere kleuren hebben. De keuze van het aanzicht leidt er ook toe aan te nemen dat de perspectieven 1.1 en 1.2 bedoeld zijn om de voorkant vanuit twee verschillende hoeken te tonen en de perspectieven 1.3 en 1.4 bedoeld zijn om de achterkant vanuit deze twee hoeken te tonen. Verzoeksters hypothese dat de perspectieven 1.2 en 1.4 beide de achterkant vanuit hetzelfde aanzicht tonen, is niet logisch of plausibel, aangezien zij niet kan verklaren waarom een kant tweemaal vanuit hetzelfde aanzicht zou worden getoond en waarom de perspectieven 1.2 en 1.4 toch verschillend zijn.

65

Bovendien kan het kleurverschil aan de binnenkant van het „venster” tussen de perspectieven 1.1 en 1.2 en tussen de perspectieven 1.3 en 1.4 eventueel worden verklaard door het feit dat deze binnenkant van het venster van de wegmarkering een transparante ruit bevat die slechts zichtbaar is dankzij een aanzicht in perspectief van opzij. In het kader van deze eerste veronderstelling kan echter niet worden verklaard waarom perspectief 1.1 geen omtreklijnen tussen de omkaderingselementen bevat. Deze omtreklijnen zijn nochtans duidelijk zichtbaar in perspectief 1.2. Er is dus sprake van een onoplosbare incoherentie tussen de perspectieven 1.1 en 1.2.

Perspectief 1.1

Perspectief 1.2

Image

Image

66

Dit geldt ook voor de perspectieven 1.3 en 1.4. Terwijl de omtreklijnen in perspectief 1.3 nauwelijks zichtbaar zijn aan de rechterkant, zowel in het voorste als in het achterste gedeelte, zijn zij in perspectief 1.4 duidelijk zichtbaar en strekken zij zich uit over de gehele lengte van de laterale omkaderingselementen alsook in het binnenste gedeelte van de bovenste en onderste omkaderingselementen. In perspectief 1.4 wordt de binnenkant van het venster duidelijk omkaderd door omtreklijnen. Er is dus sprake van een onoplosbare incoherentie tussen de perspectieven 1.3 en 1.4.

Perspectief 1.3

Perspectief 1.4

Image

Image

67

Verder moet worden opgemerkt dat, zoals de kamer van beroep in punt 37 van de bestreden beslissing heeft gedaan, bij het ontbreken van een lichtbron het verschil in nuance tussen de perspectieven 1.3 en 1.4 niet uitsluitend kan worden verklaard door het verschil in aanzicht tussen een schuin zijaanzicht in perspectief 1.3 en een bovenaanzicht in perspectief 1.4. Zelfs indien wordt aangenomen dat de belichting anders is, is het niet mogelijk om het afwijkende kleurverloop te verklaren in perspectief 1.3, dat namelijk van lichtgrijs linksonder overgaat in een donkerder grijs rechtsboven, en in perspectief 1.4, waarbij het lichtgrijs in het volledige bovenste gedeelte overgaat in een donkerder grijs onderaan. Verzoekster slaagt er niet in uit te leggen wat de positie van de vermeende virtuele lichtbron zou zijn. Er is dus sprake van een onoplosbare incoherentie tussen de perspectieven 1.3 en 1.4.

68

Ten slotte blijkt het betoog van verzoekster, in antwoord op een vraag van het Gerecht ter terechtzitting, dat de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 op de achterkant verwijderbare vellen voor de wegmarkeringssticker hebben die niet zichtbaar zijn op perspectief 1.1, niet duidelijk uit de bij de inschrijvingsaanvraag overgelegde perspectieven, zoals vereist door de in punt 34 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, en kan het dus niet slagen.

69

In de punten 34 tot en met 38 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep dus terecht onderzocht of de perspectieven van het litigieuze model een eenheid vormden op basis van de veronderstelling dat de perspectieven 1.1 en 1.2 de voorkant van dit model en de perspectieven 1.3 en 1.4 de achterkant ervan toonden, en heeft zij dus terecht vastgesteld dat deze perspectieven onoplosbare incoherenties vertoonden.

70

Vastgesteld dient te worden dat de perspectieven 1.1 en 1.2 alsmede de perspectieven 1.3 en 1.4 niet één model tonen, zodat het litigieuze model in strijd met artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002 in het register van het EUIPO is ingeschreven.

71

Volledigheidshalve acht het Gerecht het opportuun om ook de beoordelingen te onderzoeken die de kamer van beroep heeft verricht met betrekking tot de tweede veronderstelling wat de combinatie tussen de perspectieven betreft, aangezien verzoekster zich op deze veronderstelling beroept als zijnde gunstiger voor haar.

– Veronderstelling dat perspectief 1.1 de voorkant en de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 de achterkant van het litigieuze model tonen

72

In de punten 39 tot en met 44 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep opgemerkt dat de nietigheidsafdeling en verzoekster ervan uitgingen dat perspectief 1.1 de voorkant en de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 de achterkant weergeven. Zij heeft daarop beslist om het beroep ook op basis van deze premisse te onderzoeken, ook al was er geen reden om categorisch te concluderen dat deze uitlegging van het litigieuze model de enige juiste was.

73

Om te beginnen heeft de kamer van beroep vastgesteld dat de perspectieven 1.2 en 1.4 afbeeldingen van bovenaf (bovenaanzichten) zijn en heeft zij opgemerkt dat het niet relevant was of het om de voor- of achterkant van de wegmarkering ging. Anders dan de nietigheidsafdeling en verzoekster, was zij van mening dat de verschillende nuances niet konden worden toegeschreven aan verschillende belichtingsomstandigheden als gevolg van de invalshoek, aangezien de twee foto’s van bovenaf waren genomen. Volgens haar gaf perspectief 1.3 het model weer in een extra nuance die niet noodzakelijkerwijs aan de hoek te wijten was.

Image

Image

Image

Detailopname van de rechterbovenhoek – Perspectief 1.2

Detailopname van de rechterbovenhoek – Perspectief 1.3

Detailopname van de rechterbovenhoek – Perspectief 1.4

74

Dienaangaande heeft de kamer van beroep opgemerkt dat er geen lichtbron bestaat die een verschillende afbeelding van een en dezelfde kleur zou verhinderen. Zij leidde daaruit af dat in deze drie illustraties drie verschillende nuances waren gebruikt.

75

Vervolgens heeft de kamer van beroep vastgesteld dat de lijnen van de perspectieven 1.2 en 1.4 verschillende vormen hadden. Terwijl de lijn in perspectief 1.2 een volle lijn was, was die lijn in perspectief 1.4 een stippellijn.

Image

Image

Detailopname van de rechterbovenhoek – Perspectief 1.2

Detailopname van de rechterbovenhoek – Perspectief 1.4

76

Voorts heeft de kamer van beroep opgemerkt dat de lijnen in de perspectieven 1.2 en 1.4 alle even diepliggend waren. Dat was echter niet het geval bij perspectief 1.3, waar de lijnen in de linkerhoeken beter zichtbaar waren dan die in de rechterhoeken.

Image

Perspectief 1.3

77

Volgens de kamer van beroep konden de verder weg gelegen lijnen of omtrek in bepaalde omstandigheden minder zichtbaar zijn indien de lijnen of omtrek vanuit een aanzicht in perspectief waren weergegeven. Volgens haar was er dus ook hier sprake van een onoplosbare incoherentie.

78

Ten slotte heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de redenen waarom de binnenkant donkere nuances had in perspectief 1.3 terwijl de binnenkant in de perspectieven 1.2 en 1.4 – die ook de achterkant van het litigieuze model lieten zien – transparant of wit leek, niet overtuigend waren.

79

De kamer van beroep is tot de slotsom gekomen dat de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 dus niet hetzelfde model konden weergeven, zodat het litigieuze model in strijd met artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002 in het register was ingeschreven.

80

In dit verband moet om te beginnen worden vastgesteld dat de tweede veronderstelling inzake de combinatie van de perspectieven, waarvan verzoekster stelt dat zij gunstiger is voor haar, in het licht van de algemene ervaring nauwelijks logisch noch plausibel is. Afgezien van bijzondere omstandigheden, die in casu niet zijn aangetoond en ontbreken, lijkt het onlogisch en niet-plausibel om één enkel perspectief van de voorkant en drie perspectieven van de achterkant te tonen.

81

Voor zover verzoekster in wezen betoogt dat een beginsel van uitlegging ten gunste van de aanvrager bij de inschrijving van een model vereist dat de instanties van het EUIPO bij het onderzoek van de mogelijke combinaties van de perspectieven aannemen dat de betrokkene een geldige, zinvolle aanvraag wenste in te dienen (zie punt 25 supra), dient er om te beginnen aan te worden herinnerd dat er in het kader van een procedure tot nietigverklaring van een ingeschreven gemeenschapsmodel geen beginsel van uitlegging ten gunste van de houder van dat model bestaat (zie punt 52 supra) en dat die instanties bovendien niet verplicht zijn om alle mogelijke combinaties tussen de door de aanvrager bij de inschrijvingsaanvraag verstrekte perspectieven in aanmerking te nemen, maar enkel de combinaties die logisch en plausibel lijken in het licht van de algemene ervaring (zie punt 40 supra).

82

In casu waren de instanties van het EUIPO dus niet verplicht om deze tweede veronderstelling inzake de combinatie van de perspectieven in overweging te nemen.

83

Hoe dan ook moet worden benadrukt dat zelfs deze tweede veronderstelling leidt tot onoplosbare incoherenties tussen de perspectieven en dat verzoeksters beweringen ook om de volgende redenen moeten worden afgewezen.

84

In de eerste plaats voert verzoekster aan dat de tweede veronderstelling van de kamer van beroep, dat perspectief 1.1 de voorkant toont en de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 de achterkant tonen, weliswaar juist is, maar niet leidt tot een onoplosbare incoherentie tussen deze perspectieven. Zij betoogt dat er geen sprake is van een onoplosbare incoherentie als gevolg van de nuances (schaduweffecten) in de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4, en evenmin wegens het vermeende ontbreken van een lichtbron, noch wegens lichteffecten. Zij stelt in wezen dat er een virtuele lichtbron was.

85

In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat verzoekster geen enkel bewijs heeft aangedragen dat er in een virtuele omgeving altijd een lichtbron is die dergelijke effecten kan veroorzaken. Bij gebreke van bewijs van het tegendeel dient in navolging van de kamer van beroep te worden geoordeeld dat er geen lichtbron was. Om die reden heeft de kamer van beroep uitgesloten dat de verschillen op het gebied van nuance en lichtsterkte van de omkadering (perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 in de tweede veronderstelling) kunnen worden verklaard door een lichteffect of door verschillende posities en invalshoeken.

86

Vervolgens dient in navolging van de kamer van beroep te worden vastgesteld dat de verschillende nuances (schaduweffecten) niet kunnen worden toegeschreven aan verschillende belichtingsomstandigheden als gevolg van de invalshoek, aangezien de perspectieven 1.2 en 1.4 allebei van bovenaf zijn vastgelegd (dezelfde invalshoek), terwijl perspectief 1.3 het model met een andere nuance weergeeft, te weten donkerder aan de binnenkant, hetgeen niet kan worden toegeschreven aan de invalshoek. In de veronderstelling dat de perspectieven 1.2 en 1.4 beide de achterkant laten zien, geven deze hetzelfde aanzicht (bovenaanzicht) weer, terwijl perspectief 1.3 het model weergeeft in zijaanzicht, enigszins schuin. Bovendien merkt de kamer van beroep terecht op, zonder dat verzoekster dit betwist, dat de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 elk verschillende kleurconfiguraties vertonen van de omkaderingselementen.

Perspectief 1.3

Image

Perspectief 1.2

Perspectief 1.4

Image

Image

87

Bovendien moet worden opgemerkt dat de omkaderingselementen in de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 verschillende nuances (schaduweffecten) of kleuren vertonen, maar dat de transparante binnenkant van het venster in de perspectieven 1.2 en 1.4 op dezelfde wijze is afgebeeld, namelijk in het wit. Verzoekster slaagt er niet in om deze incoherentie te verklaren. Volgens haar uitleg zijn de verschillende nuances (schaduweffecten) van de omkaderingselementen het gevolg van de verschillende positie van een vermeende lichtbron. Dit zou echter tot gevolg moeten hebben dat de transparante binnenkant van het venster ook verschillende nuances (schaduweffecten) heeft. Wat in het bijzonder perspectief 1.4 betreft, zou belichting van bovenaf moeten zorgen voor een reflectie op de transparante ruit binnenin die, gezien de gekozen afbeeldingsvorm – die is gerealiseerd door middel van een computertekening –, tot een donkerdere nuance van die ruit had moeten leiden.

88

Derhalve dient te worden vastgesteld dat verschillende lichtbronnen, aangenomen dat die bestaan, niet kunnen verklaren waarom de transparante ruit binnenin het litigieuze model op identieke wijze in het wit is weergegeven in de perspectieven 1.2 en 1.4, noch waarom het bestaan van een andere lichtbron de dikte van de omtreklijnen niet heeft gewijzigd, die op dezelfde manier zichtbaar zijn in de perspectieven 1.2 en 1.4.

89

Uit de beoordelingen in de punten 37 en 40 van de bestreden beslissing (zie punten 60 en 74 supra) blijkt dat de kamer van beroep deze verschillen niet als onoplosbare incoherenties of als onoverkomelijke tegenstrijdigheden zou hebben aangemerkt indien zij over de geringste aanwijzing had beschikt op grond waarvan kon worden geoordeeld dat deze verschillen louter lichteffecten waren. Dit geldt ook wanneer kleine verschillen tussen de perspectieven niet in de weg staan aan de vaststelling van eenheid van het model, waartoe op zijn minst is vereist dat deze perspectieven met elkaar kunnen worden verzoend zodat er sprake is van één model (zie punt 40 supra). In casu is een dergelijke vaststelling van eenheid uitgesloten door de vaststelling van de kamer van beroep dat er geen lichtbron was.

90

Bijgevolg dient de vaststelling van de kamer van beroep te worden bevestigd dat de verschillende nuances (schaduweffecten) in de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 niet toe te schrijven zijn aan een – in voorkomend geval virtuele – lichtbron, maar dat in deze perspectieven drie verschillende nuances grijs zijn gebruikt.

91

Aan deze vaststelling kan niet worden afgedaan door verzoeksters overige beweringen.

92

Aldus dient te worden opgemerkt dat de printers in het verzoekschrift niet vergelijkbaar zijn met de platte wegmarkeringen die in het litigieuze model worden weergegeven. Deze printers hebben een sterk gestructureerd oppervlak, terwijl de wegmarkeringen slechts een geringe hoogte hebben, zodat een variatie in de belichtingshoek niet het in de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 weergegeven effect kan hebben.

93

Ook de door verzoekster naar voren gebrachte vergelijking van het litigieuze model met de fotografische weergaven van een scherm is irrelevant. Met betrekking tot een foto weten ingewijden immers dat verschillen zoals de weerspiegeling van de gebruikte lichtbron rechtstreeks voortvloeien uit de keuze van deze wijze van afbeelding. Daarentegen weten deze ingewijden ook dat er voor een computergegenereerde afbeelding geen lichtbron nodig is om deze te creëren en dat, anders dan bij een foto, voor een dergelijke afbeelding geen blootstelling aan licht vereist is. Verzoeksters stelling dat de verschillende nuances in de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 in wezen aan verschillende lichtbronnen zijn toe te schrijven, is in zoverre ongegrond.

94

Hieruit volgt dat er sprake is van een onoplosbare incoherentie als gevolg van de verschillen op het vlak van de nuances (schaduweffecten) en lichtsterkte in de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4.

95

In de tweede plaats voert verzoekster aan dat er geen sprake is van een onoplosbare incoherentie als gevolg van de omtreklijnen in de perspectieven 1.2 en 1.4 en dat slechts één voortbrengsel kan worden geïdentificeerd.

96

In dit verband moet worden vastgesteld, zoals de kamer van beroep heeft gedaan, dat in de perspectieven 1.2 en 1.4 de omtreklijnen verschillende vormen aannemen. Terwijl de lijn in perspectief 1.2 een volle lijn is, is die lijn in perspectief 1.4 een stippellijn.

Perspectief 1.2

Perspectief 1.4

Image

Image

97

Ook dient met de kamer van beroep te worden vastgesteld dat de omtreklijnen in de perspectieven 1.2 en 1.4 even sterk zichtbaar zijn. Dit is echter niet het geval bij perspectief 1.3, waar de omtreklijnen van de linkerhoeken beter zichtbaar zijn dan die van de rechterhoeken.

Perspectief 1.3

Image

98

Zelfs wanneer rekening wordt gehouden met het feit dat verder weg gelegen omtreklijnen vanwege de afstand minder zichtbaar kunnen zijn, stemt dit niet overeen met de omtreklijnen die in perspectief 1.3 worden getoond. De omtreklijn rechts onderaan, die zich het dichtst bij het gezichtspunt van de waarnemer bevindt, is immers minder uitgesproken dan de omtreklijn links bovenaan, die het verst verwijderd is van de waarnemer.

99

Vastgesteld moet dus worden dat de omtreklijnen in de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 onderling verschillen vertonen die niet kunnen worden verklaard door een ander aanzicht of door een andere belichtingshoek.

100

Aan deze vaststellingen kan niet worden afgedaan door verzoeksters betoog inzake de „ter illustratie” overgelegde foto’s van het originele of daadwerkelijk in de handel gebrachte voortbrengsel.

101

Afgezien van het feit dat de stukken van bijlage A7 bij het verzoekschrift niet-ontvankelijk zijn (zie punten 19‑22 supra), zij eraan herinnerd dat een model moet worden onderzocht op basis van de in het register ingeschreven afbeelding, te weten de bij de inschrijvingsaanvraag ingediende perspectieven. Verzoeksters opmerkingen kunnen slechts in aanmerking worden genomen indien deze blijken uit de afbeelding van het model (zie punt 34 supra).

102

Bijgevolg kan in casu geen rekening worden gehouden met verzoeksters stelling dat het litigieuze model transparante kleefstrips bevat op de omkaderingselementen aan de achterkant van een wegmarkering en dat het verschil in zichtbaarheid van de omtreklijnen te wijten is aan deze transparante kleefstrips, aangezien een dergelijke omstandigheid niet blijkt uit de afbeelding van het litigieuze model. De vermeende kleefstrips zijn namelijk op geen van de vier perspectieven van dit model te zien. Evenmin bestaat er een beschrijving die een dergelijke hypothese zou kunnen staven. Dat de omtreklijnen zijn toe te schrijven aan kleefstrips op de omkaderingselementen van dit model is dus geenszins duidelijk en deze bewering kan niet slagen.

103

Bovendien is het weliswaar juist dat de daadwerkelijk verhandelde voortbrengselen die overeenstemmen met een model, in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling van de totaalindruk, maar dit mag niet dienen als basis voor de beoordeling van de totaalindruk, alleen als bevestiging van een beoordeling op basis van de in het register ingeschreven afbeeldingen. De vergelijking met daadwerkelijk verhandelde waren kan namelijk slechts ter illustratie worden gebruikt om de reeds getrokken conclusies te bevestigen (zie in die zin arrest van 20 oktober 2011, PepsiCo/Grupo Promer Mon Graphic, C‑281/10 P, EU:C:2011:679, punt 74).

104

Ten slotte gaat het in casu niet om de beoordeling of twee conflicterende modellen bij de geïnformeerde gebruiker dezelfde algemene indruk wekken, rekening houdend met de daadwerkelijk verhandelde voortbrengselen, maar om de vraag of een model op basis van de in het register ingeschreven afbeelding een eenheid of een geheel vormt. Bijgevolg kunnen de onoplosbare incoherenties tussen de ingediende afbeeldingen niet worden overwonnen door een vergelijking met voortbrengselen die in de handel zouden zijn gebracht.

105

Hieruit volgt dat er sprake is van een onoplosbare incoherentie als gevolg van de omtreklijnen in de perspectieven 1.2 en 1.4, enerzijds, en perspectief 1.3, anderzijds, alsook tussen de perspectieven 1.2 en 1.4 zelf.

106

In de derde plaats voert verzoekster aan dat er geen sprake is van een onoplosbare incoherentie wat de „diepte” van de omtreklijnen in de perspectieven 1.2 en 1.4 in vergelijking met perspectief 1.3 betreft. Volgens verzoekster had de kamer van beroep moeten erkennen dat het verschil gemakkelijk kan worden verklaard door de weergave in perspectief.

107

In dit verband dient met de kamer van beroep te worden vastgesteld dat, terwijl de lijnen in de perspectieven 1.2 en 1.4 allemaal dezelfde diepte hebben, dit niet het geval is in perspectief 1.3. Daar zijn de lijnen in de linkerhoeken beter zichtbaar dan in de rechterhoeken.

108

Met betrekking tot perspectief 1.4 moet ten minste worden opgemerkt dat het, anders dan verzoekster stelt, niet mogelijk is om een verschillende diepte van de omtreklijnen waar te nemen wegens het aanzicht en de belichtingshoek. In dit perspectief zijn alle omtreklijnen identiek, hetgeen niet het geval zou mogen zijn met belichting van bovenaf. Verzoekster slaagt er niet in om deze incoherentie te verklaren.

109

Hieruit volgt dat er sprake is van een onoplosbare incoherentie met betrekking tot de „diepte” van de omtreklijnen in de perspectieven 1.2 en 1.4, enerzijds, en perspectief 1.3, anderzijds.

110

In de vierde plaats voert verzoekster aan dat er geen sprake is van een onoplosbare incoherentie als gevolg van de nuances (schaduweffecten) in de binnenkant van het „venster” in de perspectieven 1.2 en 1.4 ten opzichte van perspectief 1.3. Deze verschillen zijn te wijten aan andere lichteffecten en hebben geen enkele invloed op de vorm en de configuratie van het voortbrengsel.

111

In dit verband dient in navolging van de kamer van beroep te worden vastgesteld dat de redenen waarom de binnenkant van het venster in perspectief 1.3 donkere nuances vertoont, terwijl in de perspectieven 1.2 en 1.4 – die ook worden geacht de achterkant van het model weer te geven – de binnenkant van het venster transparant of wit lijkt, niet overtuigend zijn. De perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 kunnen dus niet hetzelfde model weergeven.

112

Hieruit volgt dat er sprake is van een onoplosbare incoherentie wegens de nuances van de binnenkant van het venster in de perspectieven 1.2 en 1.4, enerzijds, en perspectief 1.3, anderzijds.

113

Bovendien slaagt verzoekster er evenmin in uit te leggen waarom de omkadering van het venster binnenin, die naar buiten toe wordt afgebakend door de omtreklijnen, in perspectief 1.4 sterker aanwezig is dan in perspectief 1.2. Indien het aanzicht hetzelfde is, kan dit niet worden verklaard door een vermeende andere belichting.

114

Hieruit volgt dat er sprake is van een onoplosbare incoherentie wegens de nuances van de omkadering tussen de perspectieven 1.2 en 1.4.

115

De kamer van beroep heeft in de punten 39 tot en met 44 van de bestreden beslissing dus terecht geoordeeld dat, zelfs indien wordt uitgegaan van verzoeksters veronderstelling dat perspectief 1.1 de voorkant en de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 de achterkant van het litigieuze model tonen, er onoverkomelijke tegenstrijdigheden of onoplosbare incoherenties tussen de perspectieven bestaan, zodat deze niet één model weergeven.

116

Zelfs in de tweede veronderstelling, die verzoekster aanvoert als zijnde gunstiger voor haar, dient dus te worden vastgesteld dat er geen sprake is van coherentie van de perspectieven of van eenheid van het litigieuze model.

117

De verschillende grieven inzake onjuiste beoordeling van de feiten moeten dus worden afgewezen.

Beslissing op het beroep

118

In de punten 25, 45 en 46 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep vastgesteld dat uit de twee onderzochte veronderstellingen bleek dat het litigieuze model in strijd met artikel 3, onder a), van verordening nr. 6/2002 in het register was ingeschreven. Zij merkte op dat andere combinaties tussen voor- en achterkant mogelijk waren, maar dat deze steeds zouden leiden tot de reeds uiteengezette tegenstrijdigheden of incoherenties. Zij heeft dus geoordeeld dat de overgelegde perspectieven niet sluitend waren en ten minste twee verschillende modellen toonden. In deze context heeft zij ook opgemerkt dat de nietigheidsprocedure ertoe strekte eventuele fouten in de inschrijvingsprocedure te verhelpen, zodat de beslissing die de onderzoeker destijds had genomen om bovengenoemde redenen irrelevant was.

119

In de punten 47 en 48 van de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geoordeeld dat, aangezien het litigieuze model nietig moest worden verklaard overeenkomstig artikel 25, lid 1, onder a), van verordening nr. 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 3, onder a), van deze verordening, niet kon worden onderzocht of het litigieuze model ook een eigen karakter of nieuwheid miste op grond van artikel 25, lid 1, onder b), van deze verordening, gelezen in samenhang met de artikelen 4 tot en met 6 van deze verordening. Zij is tot de slotsom gekomen dat het litigieuze model nietig moest worden verklaard.

120

In het licht van de beoordelingen in de punten 45 tot en met 117 supra dient te worden vastgesteld dat verzoekster geen argumenten heeft aangevoerd die kunnen afdoen aan de rechtmatigheid van de bestreden beslissing, in het bijzonder de conclusies van de kamer van beroep.

121

Het enige middel moet dus ongegrond worden verklaard.

122

Gelet op een en ander moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.

Kosten

123

Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

124

In casu heeft interveniënt geconcludeerd tot verwijzing van verzoekster in de kosten. Het EUIPO heeft eveneens in die zin geconcludeerd, maar alleen in het geval dat er een terechtzitting wordt gehouden.

125

Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld en er een terechtzitting is gehouden, dient zij overeenkomstig de vorderingen van het EUIPO en van interveniënt te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van het EUIPO en interveniënt.

 

HET GERECHT (Zesde kamer),

rechtdoende, verklaart:

 

1)

Het beroep wordt verworpen.

 

2)

Orgatex GmbH & Co. KG wordt verwezen in de kosten.

 

Costeira

Kancheva

Tichy-Fisslberger

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 oktober 2024.

Ondertekeningen

Inhoud

 

Voorgeschiedenis van het geding

 

Conclusies van partijen

 

In rechte

 

Ontvankelijkheid van het beroep

 

Ontvankelijkheid van de stukken die voor het eerst voor het Gerecht zijn overgelegd

 

Gegrondheid van het enige middel

 

Rechtskader en rechtspraak

 

Beoordeling van de coherentie van de perspectieven in de onderhavige zaak

 

– Vermeend bestaan van een uitleggingsbeginsel ten gunste van de aanvrager en de houder van een ingeschreven gemeenschapsmodel

 

– Veronderstelling dat de perspectieven 1.1 en 1.2 de voorkant en de perspectieven 1.3 en 1.4 de achterkant van het litigieuze model tonen

 

– Veronderstelling dat perspectief 1.1 de voorkant en de perspectieven 1.2, 1.3 en 1.4 de achterkant van het litigieuze model tonen

 

Beslissing op het beroep

 

Kosten


( *1 ) Procestaal: Duits.