ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

15 januari 2026 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Overheidsopdrachten – Richtlijn 2014/24/EU – Artikel 12, lid 3 – Overheidsopdracht die rechtstreeks wordt gegund aan een rechtspersoon waar de aanbestedende diensten samen toezicht op uitoefenen – Voorwaarden – Drempel voor de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon die de uitvoering behelzen van taken die hem zijn toegewezen door de aanbestedende diensten – Artikel 12, lid 5 – Inaanmerkingneming van de omzet van de dochterondernemingen van de groep waarvan de gecontroleerde rechtspersoon de moedermaatschappij is – Boekhoudwetgeving van de Unie – Richtlijn 2013/34/EU – Artikelen 22 en 24 – Opstelling van geconsolideerde financiële overzichten”

In zaak C‑692/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het gerechtshof Den Haag (Nederland) bij beslissing van 14 november 2023, ingekomen bij het Hof op 17 november 2023, in de procedure

AVR-Afvalverwerking BV

tegen

NV BAR-Afvalbeheer,

Gemeente Barendrecht,

Gemeente Albrandswaard,

Gemeente Ridderkerk,

NV Irado,

Afvalsturing Friesland NV,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, J. Passer, E. Regan (rapporteur), D. Gratsias en B. Smulders, rechters,

advocaat-generaal: A. Rantos,

griffier: A. Lamote, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 februari 2025,

gelet op de opmerkingen van:

AVR-Afvalverwerking BV, vertegenwoordigd door P. F. C. Heemskerk en E. L. Vos, advocaten,

NV BAR-Afvalbeheer, Gemeente Barendrecht, Gemeente Albrandswaard en Gemeente Ridderkerk, vertegenwoordigd door L. Bozkurt, advocaat,

NV Irado, vertegenwoordigd door D. B. Zieren, advocaat,

Afvalsturing Friesland NV, vertegenwoordigd door L. E. J. Korsten en M. van Wanroij, advocaten,

de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door S. Fiorentino en G. Palmieri als gemachtigden, bijgestaan door M. Cherubini en C. Colelli, avvocati dello Stato,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch en J. Schmoll als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Biolan, L. Malferrari en G. Wils als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 april 2025,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), en artikel 12, lid 5, van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65, met rectificatie in PB 2015, L 184, blz. 31).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen, enerzijds, AVR-Afvalverwerking BV (hierna: „AVR”) en, anderzijds, NV BAR-Afvalbeheer (hierna: „BAR”), de Nederlandse gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk (hierna gezamenlijk: „BAR-gemeenten”), NV Irado (hierna: „Irado”) en Afvalsturing Friesland NV (hierna: „AF”) (hierna gezamenlijk: „verweersters in het hoofdgeding”) over overheidsopdrachten voor de inzameling en verwerking van huishoudelijk restafval van de BAR-gemeenten, die rechtstreeks zijn gegund aan rechtspersonen waar de aanbestedende diensten samen toezicht op uitoefenen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2013/34

3

Overweging 31 van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB 2013, L 182, blz. 19) bepaalt:

„Geconsolideerde financiële overzichten moeten de activiteiten van een moederonderneming en haar dochterondernemingen als activiteiten van één economische eenheid (een groep) presenteren. Ondernemingen die onder zeggenschap van de moederonderneming staan, moeten als dochterondernemingen worden beschouwd. Zeggenschap dient op het bezit van een meerderheid van de stemrechten te berusten, maar er kan ook zeggenschap bestaan die op overeenkomsten met medeaandeelhouders of met vennoten van de onderneming berust. In sommige gevallen kan er daadwerkelijke uitoefening van zeggenschap zijn hoewel de moederonderneming geen of een minderheid van de aandelen in de dochteronderneming in bezit heeft. De lidstaten moeten het recht hebben voor te schrijven dat ondernemingen waarover geen zeggenschap wordt uitgeoefend maar die onder centrale leiding staan of een gemeenschappelijk bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan hebben, in geconsolideerde financiële overzichten worden opgenomen.”

4

Artikel 22 van richtlijn 2013/34, met als opschrift „Het voorschrift geconsolideerde financiële overzichten op te stellen”, luidt als volgt:

„1.   Een lidstaat schrijft voor dat een onder zijn nationale recht vallende onderneming geconsolideerde financiële overzichten en een geconsolideerd bestuursverslag opstelt, indien die onderneming (een moederonderneming):

a)

de meerderheid bezit van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten in een andere onderneming (een dochteronderneming);

b)

het recht heeft de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudende orgaan van een andere onderneming (een dochteronderneming) te benoemen of te ontslaan, en tevens aandeelhouder of vennoot in die onderneming is;

c)

het recht heeft een overheersende invloed uit te oefenen op een onderneming (een dochteronderneming) waarvan zij aandeelhouder of waarin zij vennoot is, krachtens een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van die onderneming, indien het recht waaronder die dochteronderneming valt, toestaat dat zij aan de werking van dergelijke overeenkomsten of statutaire bepalingen onderworpen is.

De lidstaten behoeven niet voor te schrijven dat de moederonderneming aandeelhouder van of vennoot in haar dochteronderneming moet zijn. Lidstaten waarvan het recht dergelijke overeenkomsten of statutaire bepalingen niet kent, behoeven deze bepaling niet toe te passen; of

d)

aandeelhouder van of vennoot in een onderneming is en:

i)

een meerderheid van de leden van het bestuurs-, het leidinggevend of het toezichthoudend orgaan van die onderneming (een dochteronderneming) die gedurende het boekjaar, gedurende het voorafgaande boekjaar en tot aan de opstelling van de geconsolideerde financiële overzichten in functie zijn, werden benoemd, enkel door de uitoefening van haar stemrechten, of

ii)

op grond van een overeenkomst met andere aandeelhouders van of vennoten in die onderneming (een dochteronderneming), als enige de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders van of vennoten in die onderneming beheerst. De lidstaten kunnen nadere eisen betreffende vorm en inhoud van die overeenkomst vaststellen.

De lidstaten schrijven ten minste de [in] subpunt ii) genoemde regeling voor. Zij kunnen de toepassing van het subpunt i) afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de stemrechten ten minste 20 % van het totaal vertegenwoordigen.

Subpunt i) is evenwel niet van toepassing indien een derde partij tegenover die onderneming de in de punten a), b) of c) bedoelde rechten heeft.

2.   In aanvulling op de in lid 1 genoemde gevallen kunnen lidstaten voorschrijven dat een onder hun nationaal recht vallende onderneming geconsolideerde financiële overzichten en een geconsolideerd bestuursverslag opstelt indien:

a)

die onderneming (een moederonderneming) op een andere onderneming (de dochteronderneming) een overheersende invloed of zeggenschap kan uitoefenen of feitelijk uitoefent; of

b)

die onderneming (een moederonderneming) en een andere onderneming (de dochteronderneming) onder centrale leiding van de moederonderneming staan.

3.   Voor de toepassing van lid 1, punten a), b) en d), worden de stemrechten en de rechten inzake benoeming en ontslag van enige andere dochteronderneming en van enige persoon die in eigen naam maar voor rekening van de moederonderneming of van een andere dochteronderneming handelt, bij de rechten van de moederonderneming geteld.

4.   Voor de toepassing van lid 1, punten a), b) en d), worden op de in lid 3 genoemde rechten in mindering gebracht de rechten:

a)

verbonden aan de aandelen die worden gehouden voor rekening van personen die noch de moederonderneming noch een dochteronderneming van die moederonderneming zijn, of

b)

verbonden aan de aandelen die:

i)

tot zekerheid worden gehouden, mits deze rechten in overeenstemming met de ontvangen instructies worden uitgeoefend, of

ii)

worden gehouden in verband met gewone transacties in het kader van leningverstrekkende activiteiten, op voorwaarde dat de stemrechten worden uitgeoefend in het belang van de persoon die de zekerheid stelt.

5.   Voor de toepassing van lid l, punten a) en d), worden het totaal van de stemrechten van de aandeelhouders van of de vennoten in de dochteronderneming vermindert met de stemrechten verbonden aan de aandelen die worden gehouden door deze onderneming zelf, door een dochteronderneming van deze onderneming of door een persoon die in eigen naam, maar voor rekening van deze ondernemingen handelt.

6.   Onverminderd artikel 23, lid 9, worden de moederonderneming en al haar dochterondernemingen in de consolidatie opgenomen, ongeacht de plaats van de zetel van die dochterondernemingen.

[...]”

5

Artikel 23 van deze richtlijn voorziet, overeenkomstig het opschrift ervan, in vrijstellingen van de in artikel 22 bedoelde verplichting om geconsolideerde financiële overzichten en een geconsolideerd bestuursverslag op te stellen.

6

Artikel 24 van deze richtlijn bevat, overeenkomstig het opschrift ervan, een geheel van regels voor de opstelling van geconsolideerde financiële overzichten.

Richtlijn 2014/24

7

De overwegingen 31 en 32 van richtlijn 2014/24 luiden als volgt:

„(31)

Er is een grote rechtsonzekerheid met betrekking tot de vraag in hoeverre de aanbestedingsregels moeten worden toegepast op opdrachten tussen entiteiten in de openbare sector. De desbetreffende rechtspraak van het Europees Hof van Justitie wordt door de lidstaten en zelfs door de aanbestedende diensten op uiteenlopende wijze geïnterpreteerd. Daarom moet worden verduidelijkt in welke gevallen de aanbestedingsregels niet van toepassing zijn op binnen de openbare sector gesloten overeenkomsten.

Hierbij moeten de beginselen die in de desbetreffende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden beschreven richtinggevend zijn. Het enkele feit dat beide partijen in een overeenkomst zelf overheidsdiensten zijn, sluit op zich de toepassing van aanbestedingsregels niet uit. De toepassing van aanbestedingsregels mag echter niet ten koste gaan van de vrijheid van overheidsdiensten om hun taken van algemeen belang te vervullen met gebruikmaking van hun eigen middelen, waaronder de mogelijkheid samen te werken met andere overheidsdiensten.

Er moet voor worden gezorgd dat vrijgestelde samenwerking tussen overheidsdiensten niet leidt tot vervalsing van de mededinging ten opzichte van particuliere ondernemers in die zin dat een particuliere dienstverlener bevoordeeld wordt ten opzichte van zijn concurrenten.

(32)

Overheidsopdrachten die worden gegund aan gecontroleerde rechtspersonen, zijn niet aan de bij onderhavige richtlijn vastgestelde procedures onderworpen indien de aanbestedende dienst over die rechtspersoon toezicht uitoefent zoals op zijn eigen diensten, mits de activiteit van de gecontroleerde rechtspersoon voor ten minste 80 % bestaat uit het uitvoeren van taken die hem zijn opgedragen door de controle uitoefenende aanbestedende dienst of door andere rechtspersonen waarover die aanbestedende dienst controle uitoefent, ongeacht de begunstigde van de uitvoering van de opdracht.

Deze uitzondering geldt niet voor situaties waarin sprake is van directe participatie door een particuliere ondernemer in het kapitaal van de gecontroleerde rechtspersoon. Bij het gunnen van een overheidsopdracht zonder mededingingsprocedure zou de particuliere ondernemer met een deelname in het kapitaal van de gecontroleerde rechtspersoon dan namelijk onrechtmatig voordeel verkrijgen ten opzichte van zijn concurrenten. Gelet op de specifieke kenmerken van overheidsorganen met verplicht lidmaatschap, zoals organisaties die belast zijn met het beheer of de uitvoering van bepaalde openbare diensten, is het bovenstaande niet van toepassing in gevallen waarin de deelname van bepaalde particuliere ondernemingen in het kapitaal van de gecontroleerde rechtspersoon verplicht is gesteld krachtens nationale wet- en regelgeving die in overeenstemming is met de verdragen, mits die deelneming geen controle of blokkerende macht oplevert en geen beslissende invloed uitoefent op de besluiten van de gecontroleerde rechtspersoon. Voorts moet worden verduidelijkt dat alleen de directe participatie van particuliere ondernemingen in het kapitaal van de gecontroleerde rechtspersoon het beslissende element is. Wanneer derhalve sprake is van participatie door particuliere ondernemers in het kapitaal van de controlerende aanbestedende dienst(en), betekent dit niet dat geen overheidsopdrachten kunnen worden gegund aan de gecontroleerde rechtspersoon zonder toepassing van de procedures van deze richtlijn, aangezien die participaties de concurrentie tussen particuliere ondernemingen niet negatief beïnvloeden.

Ook moet worden verduidelijkt dat aanbestedende diensten zoals publiekrechtelijke instellingen, waar sprake kan zijn van participatie van privaat kapitaal, zich moeten kunnen beroepen op de uitzondering wegens horizontale samenwerking. Indien aan alle overige voorwaarden inzake horizontale samenwerking is voldaan, moet de uitzondering wegens horizontale samenwerking bijgevolg ook gelden voor de aanbestedende diensten waarbij de opdracht uitsluitend tussen aanbestedende diensten wordt gegund.”

8

Artikel 12 van deze richtlijn, met als opschrift „Overheidsopdrachten tussen entiteiten in de overheidssector”, bepaalt in de leden 3 en 5:

„3.   Een aanbestedende dienst die op een privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon geen controle uitoefent in de zin van lid 1, kan niettemin zonder deze richtlijn toe te passen een overheidsopdracht gunnen aan die rechtspersoon, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de aanbestedende dienst oefent samen met andere aanbestedende diensten op die rechtspersoon toezicht uit zoals op hun eigen diensten;

b)

meer dan 80 % van de activiteiten van die rechtspersoon behelst de uitvoering van taken die [hem] zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten of door andere, door diezelfde aanbestedende diensten gecontroleerde rechtspersonen, en

c)

er is geen directe participatie van privékapitaal in de gecontroleerde rechtspersoon, met uitzondering van geen controlerende of blokkerende macht opleverende vormen van participatie van privékapitaal, vereist krachtens de nationale wet- en regelgeving, in overeenstemming met de verdragen, die geen beslissende invloed uitoefenen op de gecontroleerde rechtspersoon.

[...]

5.   Het percentage van de activiteiten als bedoeld in lid 1, eerste alinea, onder b), lid 3, eerste alinea, onder b), en lid 4, onder c), wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde totale omzet, of een geschikte alternatieve op activiteit gebaseerde maatstaf zoals de kosten die door de betrokken rechtspersoon of de aanbestedende dienst zijn gemaakt met betrekking tot diensten, leveringen en werken over de laatste drie jaren voorafgaand aan de gunning van de opdracht.

[...]”

Nederlands recht

9

De artikelen 22 tot en met 24 van richtlijn 2013/34 zijn in Nederlands recht omgezet door bepalingen in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, getiteld „Rechtspersonen”.

10

Richtlijn 2014/24 is in Nederlands recht omgezet bij de Aanbestedingswet van 1 november 2012 (Stb. 2012, 542), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „Aanbestedingswet”).

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11

In 1995 hebben de gemeenten van de provincie Friesland (Nederland) AF opgericht als gezamenlijke afvalverwerker. Na die datum zijn ook andere, buiten deze provincie gelegen Nederlandse gemeenten aandeelhouder geworden.

12

De verwijzende rechter wijst erop dat AF de moedermaatschappij is van een groep dochtervennootschappen die voor een deel actief zijn op een ander gebied dan ter uitvoering van de taken aan AF of die dochtervennootschappen is toegewezen door de gemeenten die aandelen houden in AF.

13

Overeenkomstig de nationale regeling tot omzetting van de artikelen 22 tot en met 24 van richtlijn 2013/34 stelt AF geconsolideerde jaarrekeningen op waarin zij op grond van deze nationale regeling haar eigen financiële gegevens consolideert met die van haar dochterondernemingen, andere groepsmaatschappijen en andere rechtspersonen waarover zij zeggenschap kan uitoefenen of waarover zij de centrale leiding heeft. Onderdeel van die geconsolideerde jaarrekeningen zijn winst- en verliesrekeningen waarin AF aan de batenkant de omzet van deze entiteiten consolideert, met uitsluiting van onderlinge transacties.

14

Bovendien exploiteert AF zelf een afvalstortplaats (hierna: „stortplaats”) in opdracht van de gemeenten van de provincie Friesland. Op de stortplaats wordt niet-huishoudelijk restafval gestort, waaronder bedrijfsafval en afval afkomstig uit gemeentelijke projecten zoals grondsanering bij woningbouw of asbestsanering.

15

Irado is in 2000 door drie gemeenten van de provincie Zuid-Holland (Nederland) opgericht als uitvoeringsorganisatie voor met name afvalbeheer. Irado is in 2017 aandeelhouder geworden van AF en laat sinds 1 januari 2017 het huishoudelijk restafval dat zij in deze drie Zuid-Hollandse gemeenten inzamelt, door AF verwerken.

16

De BAR-gemeenten zijn eveneens in deze provincie gelegen. In 2015 hebben zij BAR opgericht voor de uitvoering van hun afvalbeheer.

17

Tot en met 31 december 2019 had iedere BAR-gemeente een overeenkomst met verschillende afvalverwerkingsbedrijven en verwerkte AVR, een in deze sector gespecialiseerd commercieel bedrijf, op grond van die overeenkomsten deels als onderaannemer het huishoudelijk restafval van die gemeenten.

18

In de loop van 2019 hebben de BAR-gemeenten besloten BAR te laten deelnemen in Irado en laatstgenoemde op te dragen hun huishoudelijk restafval in te zamelen en te verwerken.

19

Op 13 december 2019 hebben Irado en AF een overeenkomst gesloten voor de levering, het transport en de verwerking van het huishoudelijk restafval van de BAR-gemeenten met ingang van 1 januari 2020.

20

Op 20 december 2019 hebben BAR en Irado een dienstverleningsovereenkomst gesloten die mede betrekking heeft op de verwerking van het huishoudelijk restafval van de BAR-gemeenten.

21

Op 31 december 2019 is BAR aandeelhouder geworden van Irado.

22

AVR heeft voor de rechtbank Den Haag een vordering ingesteld die primair strekte tot vernietiging of subsidiair tot opzegging of verbod van uitvoering van de in de punten 19 en 20 van het onderhavige arrest genoemde opdrachten waarbij een verbintenis tot stand kwam tussen BAR en Irado en tevens tussen Irado en AF, welke vordering erop was gegrond dat niet was voldaan aan de voorwaarden waaronder een aanbestedende dienst, wanneer hij samen met andere aanbestedende diensten toezicht uitoefent op de betrokken rechtspersoon, een overheidsopdracht rechtstreeks aan die rechtspersoon kan gunnen. Deze vordering strekte er tevens toe te gelasten dat deze opdrachten werden aanbesteed, indien de BAR-gemeenten die nog wensten te vergeven.

23

Nadat haar vordering door de rechtbank Den Haag was afgewezen, heeft AVR hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag, de verwijzende rechter.

24

Deze rechter zet uiteen dat tussen partijen niet in geschil is dat de opdracht van BAR aan Irado en die van Irado aan AF in beginsel onder de aanbestedingsplicht van richtlijn 2014/24 vallen, tenzij die opdrachten rechtstreeks kunnen worden gegund op grond van het toezicht dat de aanbestedende dienst samen met andere aanbestedende diensten uitoefent op de rechtspersoon waaraan de opdracht wordt gegund.

25

Bijgevolg moet volgens deze rechter voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding onder meer worden nagegaan of AF in haar verhouding tot de haar controlerende aanbestedende diensten voldoet aan de voorwaarde van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van deze richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 5, eerste alinea, van die richtlijn. Volgens deze bepaling moet meer dan 80 % van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon de uitvoering behelzen van taken die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten. Dit percentage wordt met name vastgesteld aan de hand van het criterium van de omzet.

26

In dit verband zet de verwijzende rechter uiteen dat verweersters in het hoofdgeding aanvoeren dat, aangezien deze bepalingen uitdrukkelijk verwijzen naar de activiteiten van de rechtspersoon waaraan de overheidsopdracht wordt gegund, de relevante omzet alleen die kan zijn welke door die rechtspersoon zelf wordt behaald.

27

AVR betoogt daarentegen dat de omzet van de groep waartoe deze rechtspersoon behoort, in aanmerking moet worden genomen, omdat alleen op die manier rekening kan worden gehouden met de economische werkelijkheid. In het andere geval zou een door aanbestedende diensten gecontroleerde rechtspersoon de in artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24 neergelegde voorwaarde kunnen omzeilen door zijn activiteiten kunstmatig op te splitsen, zodat hij zelf binnen de groep voor meer dan 80 % werkzaam is ten behoeve van die controlerende aanbestedende diensten en het aan een of meer groepsvennootschappen wordt overgelaten om op de vrije markt actief te zijn.

28

De verwijzende rechter vraagt zich dan ook af welke omzet in aanmerking moet worden genomen voor de beoordeling of aan de voorwaarde van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van deze richtlijn is voldaan, wanneer het in die bepalingen bedoelde percentage van de activiteiten wordt bepaald op basis van het criterium van de omzet en de gecontroleerde rechtspersoon aan het hoofd staat van een groep.

29

In dit verband wijst hij erop dat in het kader van het bij hem aanhangige geding aan deze voorwaarde is voldaan indien alleen de omzet van AF in aanmerking wordt genomen, maar niet indien die omzet wordt beoordeeld aan de hand van de geconsolideerde omzet van de groep met AF aan het hoofd.

30

De verwijzende rechter wijst echter ook op de mogelijkheid om, zoals AVR aanvoert, in voorkomend geval als relevante omzet te kijken naar de omzet van de entiteiten waarmee diezelfde rechtspersoon een economische eenheid vormt in de zin van het begrip „onderneming” in het mededingingsrecht van de Unie.

31

Ten tweede is deze rechter van oordeel dat, indien het Hof oordeelt dat alleen de omzet van de gecontroleerde rechtspersoon in aanmerking moet worden genomen, vervolgens moet worden vastgesteld of verweersters in het hoofdgeding in casu terecht de door AF behaalde omzet uit de stortplaats in aanmerking hebben genomen.

32

In deze omstandigheden heeft het gerechtshof Den Haag besloten om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:

„1)

Moet het activiteitencriterium van artikel 12 lid 3 eerste alinea onder b) van richtlijn [2014/24], gelezen in samenhang met artikel 12 lid 5 van die richtlijn,

aldus worden uitgelegd dat:

wanneer het daar bedoelde percentage van de activiteiten wordt bepaald op basis van omzet en de gecontroleerde rechtspersoon deel uitmaakt van een groep,

alleen de omzet van de gecontroleerde rechtspersoon zelf in aanmerking moet worden genomen of ook de omzet van al dan niet binnen de groep verbonden vennootschappen, zoals bijvoorbeeld:

(i)

de geconsolideerde omzet waarin de omzet van de betrokken rechtspersoon op grond van de nationale omzetting van de artikelen 22 en 24 van richtlijn [2013/34] bij die van andere groepsentiteiten moet worden opgeteld; of

(ii)

de omzet van de entiteiten waarmee de gecontroleerde rechtspersoon een economische eenheid vormt in de zin van het ondernemingsbegrip uit het mededingingsrecht van de Unie?

2)

Moet, in geval het antwoord op vraag 1 luidt dat alleen de omzet van de gecontroleerde rechtspersoon zelf in aanmerking moet worden genomen, het in die vraag bedoelde activiteitencriterium

in die zin worden uitgelegd dat

omzet afkomstig van derden-gebruikers die afvalstoffen storten op een stortplaats die de gecontroleerde rechtspersoon exploiteert in opdracht van controlerende aanbestedende diensten, moet worden aangemerkt als omzet behaald bij de uitvoering van taken die aan die rechtspersoon zijn toegewezen door die controlerende aanbestedende diensten, in aanmerking nemende dat de gecontroleerde rechtspersoon, bij die exploitatie onder andere concurreert met private partijen?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

33

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 5, eerste alinea, van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat, in het geval dat de voorwaarde volgens welke meer dan 80 % van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon de uitvoering moet behelzen van taken die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten vastgesteld wordt aan de hand van het criterium van de omzet, en deze gecontroleerde rechtspersoon de moedermaatschappij van een groep is, bij deze voorwaarde is vereist dat ook met de omzet van de andere tot deze groep behorende entiteiten rekening wordt gehouden, in voorkomend geval op basis van de geconsolideerde omzet die deze rechtspersoon moet vaststellen overeenkomstig de artikelen 22 en 24 van richtlijn 2013/34, of op basis van de gecumuleerde omzet van de entiteiten waarmee diezelfde rechtspersoon een economische eenheid vormt in de zin van het begrip „onderneming” in het mededingingsrecht van de Unie.

34

Artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/24 heeft betrekking op de situatie waarin een aanbestedende dienst niet alleen maar samen met andere aanbestedende diensten toezicht uitoefent op een privaat- of publiekrechtelijke rechtspersoon, en verduidelijkt aan welke voorwaarden die aanbestedende dienst moet voldoen om rechtsgeldig een overheidsopdracht rechtstreeks aan die rechtspersoon te kunnen gunnen.

35

Over slechts één van de cumulatieve voorwaarden waaronder een dergelijke gunning mogelijk is, verzoekt de verwijzende rechter het Hof om uitlegging, namelijk over de, gelet op artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van deze richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 5, eerste alinea, van die richtlijn, geldende voorwaarde betreffende het percentage van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon dat de uitvoering behelst van taken die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten.

36

Ter beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter moet derhalve in de eerste plaats worden bepaald of het bij de beoordeling of aan een dergelijke voorwaarde is voldaan, vereist is om behalve met de omzet van de gecontroleerde rechtspersoon ook rekening te houden met de omzet van de andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan deze rechtspersoon de moedermaatschappij is.

37

Overeenkomstig vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 22 december 2022, Sambre & Biesme en Gemeente Farciennes, C‑383/21 en C‑384/21, EU:C:2022:1022, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38

Ten eerste moet, wat de bewoordingen van de betrokken bepalingen betreft, om te beginnen worden opgemerkt dat artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24 vereist dat meer dan 80 % van de „activiteiten” van de gecontroleerde rechtspersoon de uitvoering behelst van taken die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende dienst of door andere, door diezelfde aanbestedende dienst gecontroleerde rechtspersonen.

39

Uit de bewoordingen van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), volgt dus niet dat de in die bepaling gestelde voorwaarde noodzakelijkerwijs uitsluitend moet worden beoordeeld op basis van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon zelf.

40

Het criterium van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), heeft immers geen betrekking op deze rechtspersoon als zodanig, maar op de door hem uitgeoefende activiteiten. Het is dus niet uitgesloten dat de activiteiten die relevant zijn om te beoordelen of aan de in deze bepaling gestelde voorwaarde is voldaan, zowel de activiteiten kunnen omvatten die rechtstreeks door die rechtspersoon worden uitgeoefend als de activiteiten die worden uitgeoefend door andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan diezelfde rechtspersoon de moedermaatschappij is.

41

Voorts moet volgens artikel 12, lid 5, eerste alinea, van richtlijn 2014/24 het percentage van de activiteiten als bedoeld in artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van deze richtlijn met name worden bepaald aan de hand van de gemiddelde totale omzet, zonder hierbij voor te schrijven dat de enige omzet die geschikt is om dergelijke activiteiten adequaat weer te geven, de omzet is die volgt uit de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon.

42

De bewoordingen van deze bepaling bevestigen dus dat het relevante criterium bij de beoordeling of aan de voorwaarde van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van deze richtlijn is voldaan, niet beperkt is tot de eigen activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon, maar zich ook uitstrekt tot de activiteiten die in ruimere zin daaraan kunnen worden verbonden. Indien voor een dergelijke beoordeling het criterium van de gemiddelde totale omzet wordt gehanteerd, zoals op grond van artikel 12, lid 5, eerste alinea, van deze richtlijn mogelijk is, moet deze omzet dus geschikt zijn om dergelijke activiteiten adequaat weer te geven. Hieruit volgt dat de omzet van de andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan de gecontroleerde rechtspersoon de moedermaatschappij is, ook relevant is voor een dergelijke beoordeling.

43

Ten tweede wordt deze uitlegging ondersteund door de context van deze bepalingen. Wat de cumulatieve voorwaarden voor de toepassing van artikel 12, lid 3, van richtlijn 2014/24 betreft, is in de eerste alinea, onder c), van deze bepaling immers voorgeschreven dat er in beginsel geen directe participatie van privékapitaal in de gecontroleerde rechtspersoon mag zijn.

44

In dit verband staat in overweging 32 van deze richtlijn te lezen dat met name indien een aanbestedende dienst samen met andere aanbestedende diensten toezicht uitoefent op de betrokken rechtspersoon, de uitzondering op de toepassing van de in die richtlijn vastgestelde procedures niet geldt voor situaties waarin sprake is van directe participatie door een particuliere ondernemer in het kapitaal van de gecontroleerde rechtspersoon. Bij het gunnen van een overheidsopdracht zonder mededingingsprocedure zou de particuliere ondernemer met een deelname in het kapitaal van deze rechtspersoon dan namelijk onrechtmatig voordeel verkrijgen ten opzichte van zijn concurrenten.

45

Hieruit volgt dat de Uniewetgever heeft gewild dat bij de beoordeling van de mogelijkheid om een overheidsopdracht rechtstreeks te gunnen, rekening wordt gehouden met de economische context van alle entiteiten die bij een dergelijke gunning betrokken zijn. Bijgevolg moet niet alleen rekening worden gehouden met de kwestie van de betrekkingen tussen de gecontroleerde rechtspersoon en de aanbestedende diensten die samen toezicht op die rechtspersoon uitoefenen, maar ook met de ruimere economische context waarin deze rechtspersoon zelf actief is. In dit verband kan niet worden voorbijgegaan aan het bestaan van een groep waarvan die rechtspersoon aan het hoofd staat.

46

Een contextuele uitlegging van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 5, eerste alinea, ervan, lijkt dus te bevestigen dat voor de toepassing van deze bepalingen rekening moet worden gehouden met de omzet van de entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan de betrokken rechtspersoon de moedermaatschappij is.

47

Ten derde worden de voorgaande overwegingen bevestigd door de ontstaansgeschiedenis van artikel 12, lid 3, van die richtlijn.

48

In artikel 12 van deze richtlijn is immers de door het Hof ontwikkelde rechtspraak inzake rechtstreekse gunning van overheidsopdrachten gecodificeerd en verduidelijkt (arrest van 22 december 2022, Sambre & Biesme en Gemeente Farciennes, C‑383/21 en C‑384/21, EU:C:2022:1022, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49

De Uniewetgever heeft, zoals blijkt uit overweging 31 van richtlijn 2014/24, opgemerkt dat er een grote rechtsonzekerheid was met betrekking tot de vraag in hoeverre de aanbestedingsregels moesten worden toegepast op opdrachten tussen entiteiten in de openbare sector, en er derhalve behoefte was aan verduidelijking in dat verband, en overwogen dat die verduidelijkingen moesten worden gebaseerd op de beginselen uit de relevante rechtspraak van het Hof en er dus niet toe dienden die rechtspraak ter discussie te stellen (arrest van 22 december 2022, Sambre & Biesme en Gemeente Farciennes, C‑383/21 en C‑384/21, EU:C:2022:1022, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50

In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof vóór de vaststelling van deze richtlijn heeft geoordeeld dat een overheidsopdracht alleen rechtstreeks aan een gecontroleerde entiteit kan worden gegund als deze entiteit het merendeel van haar werkzaamheden verricht ten gunste van de aanbestedende dienst/diensten die haar aandelen houdt/houden, hetgeen moet worden beoordeeld aan de hand van alle – zowel kwalitatieve als kwantitatieve – omstandigheden van de zaak (zie in die zin arrest van 8 december 2016, Undis Servizi, C‑553/15, EU:C:2016:935, punten 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51

Door in artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van die richtlijn het percentage van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon dat de uitvoering moet behelzen van taken die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende dienst vast te stellen op 80 %, heeft de Uniewetgever het criterium dat in dit verband in de rechtspraak van het Hof is opgenomen dus willen preciseren. Uit de bepalingen van deze richtlijn blijkt echter niet dat diezelfde wetgever van mening was dat bij de in dit verband te verrichten beoordeling geen rekening meer hoefde te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.

52

Dergelijke omstandigheden omvatten het feit dat de gecontroleerde rechtspersoon de moedermaatschappij van een groep is, zodat bij de beoordeling van de activiteiten van deze rechtspersoon rekening moet worden gehouden met de activiteiten die hij uitoefent via de andere entiteiten die deel uitmaken van die groep, en dus met hun omzet, wanneer dit overeenkomstig artikel 12, lid 5, eerste alinea, van richtlijn 2014/24 het criterium is dat wordt gehanteerd om te bepalen of aan de voorwaarde van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van deze richtlijn is voldaan.

53

Ten vierde wordt deze uitlegging van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 5, eerste alinea, van die richtlijn, bevestigd door het doel dat met deze bepalingen wordt nagestreefd.

54

Zoals de advocaat-generaal in punt 52 van zijn conclusie heeft benadrukt, beogen deze bepalingen in dit verband vervalsing van de mededinging te voorkomen, in die zin dat zij tot doel hebben te waarborgen dat richtlijn 2014/24 van toepassing blijft wanneer een gecontroleerde rechtspersoon werkzaam is op de markt en dus met andere ondernemingen kan concurreren. Een dergelijke rechtspersoon verliest immers niet noodzakelijk zijn handelingsvrijheid vanwege het enkele feit dat op de beslissingen die hem aangaan toezicht wordt uitgeoefend door de overheidsinstantie(s) die zijn aandelen houdt/houden, indien hij althans een belangrijk deel van zijn economische activiteiten voor andere marktdeelnemers kan uitoefenen. Wanneer hij daarentegen aan de voorwaarden van deze bepalingen voldoet, die bedoeld zijn ter bescherming van de mededinging, zijn de dwingende bepalingen van deze richtlijn niet op hem van toepassing, omdat er in dat geval toch geen mededinging meer is (zie naar analogie arrest van 8 december 2016, Undis Servizi, C‑553/15, EU:C:2016:935, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

55

Of de economische activiteit die de gecontroleerde rechtspersoon voor dergelijke marktdeelnemers uitoefent, rechtstreeks door deze rechtspersoon wordt verricht of via de andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan hij de moedermaatschappij is, is niet relevant voor de verwezenlijking van de doelstelling om vervalsing van de mededinging te voorkomen. Om te bepalen welk deel van zijn activiteiten de gecontroleerde rechtspersoon verricht ten gunste van de aanbestedende diensten die toezicht op hem uitoefenen, moet derhalve, wanneer het erom gaat met welk criterium wordt vastgesteld of aan de voorwaarde van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24 is voldaan, rekening worden gehouden met de activiteiten van de andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan hij de moedermaatschappij is en dus met de omzet van die entiteiten.

56

Deze vaststelling wordt bevestigd door het feit dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 56 en 57 van zijn conclusie heeft opgemerkt, het ten eerste niet is uitgesloten dat de entiteiten die deel uitmaken van een groep indirect kunnen profiteren van de overheidsopdrachten die zonder mededingingsprocedure aan de moedermaatschappij van die groep zijn gegund, hetgeen, op overeenkomstige wijze als in de overwegingen in punt 44 van het onderhavige arrest, tot gevolg zou hebben dat zij een onrechtmatig voordeel verkrijgen ten opzichte van hun concurrenten. Ten tweede kan de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24, zoals in herinnering gebracht in punt 54 van het onderhavige arrest, niet afhangen van de structuur van deze groep, hetgeen het geval zou zijn indien geen rekening zou worden gehouden met de activiteiten van de andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan de gecontroleerde rechtspersoon de moedermaatschappij is. Dit zou immers tot gevolg hebben dat deze gecontroleerde rechtspersoon deze bepaling en de daarin gestelde voorwaarde gemakkelijk zou kunnen omzeilen door zijn activiteiten kunstmatig op te splitsen en sommige daarvan toe te wijzen aan de vennootschappen van deze groep waarvan hij de moedermaatschappij is.

57

In de tweede plaats moet worden geantwoord op de vragen van de verwijzende rechter over de wijze waarop de omzet van de groep waarvan de gecontroleerde rechtspersoon de moedermaatschappij is, kan worden bepaald teneinde te beoordelen of deze voldoet aan de voorwaarde van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24, en met name over de relevantie van de overeenkomstig richtlijn 2013/34 vastgestelde geconsolideerde omzet.

58

In dit verband blijkt uit overweging 31 van richtlijn 2013/34 dat de geconsolideerde financiële overzichten de activiteiten van een moederonderneming en haar dochterondernemingen, die overeenkomen met de ondernemingen waarover de moederonderneming zeggenschap heeft, als activiteiten van één eenheid moeten presenteren.

59

Daartoe bepaalt artikel 22 van die richtlijn onder welke omstandigheden de lidstaten, behoudens de in artikel 23 van die richtlijn bedoelde vrijstellingen, bepaalde ondernemingen die onder hun nationale recht vallen, moeten verplichten om onder meer geconsolideerde financiële overzichten op te stellen, welke opstelling het voorwerp is van artikel 24 van die richtlijn.

60

Wanneer een vennootschap op grond van die bepalingen verplicht is om geconsolideerde financiële overzichten op te stellen, is de uit dien hoofde vastgestelde geconsolideerde omzet, zoals de advocaat-generaal in wezen heeft benadrukt in punt 62 van zijn conclusie, van aard om een getrouw beeld te geven van de activiteiten die een moedermaatschappij uitoefent in het kader van de groep waarvan zij aan het hoofd staat, en kan aan de hand van die omzet dus adequaat worden beoordeeld of deze moedermaatschappij, indien een overheidsopdracht rechtstreeks aan haar wordt gegund, voldoet aan de voorwaarde van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 5, eerste alinea, ervan.

61

In casu zet de verwijzende rechter uiteen dat AF aan het hoofd staat van een groep dochterondernemingen en dat zij overeenkomstig de verplichting om geconsolideerde financiële overzichten op te stellen waaraan zij krachtens de nationale regeling tot omzetting van richtlijn 2013/34 is onderworpen, met name een geconsolideerde omzet vaststelt waarin de omzet van haar dochterondernemingen is opgenomen.

62

Hieruit volgt dat het voor een nuttig antwoord aan de verwijzende rechter niet nodig is om in te gaan op de relevantie van andere criteria, zoals het criterium van het bestaan van een economische eenheid in de zin van het begrip „onderneming” in het mededingingsrecht van de Unie, waarnaar de verwijzende rechter eveneens verwijst. Gelet op de door deze rechter verstrekte informatie kan namelijk op basis van een dergelijke geconsolideerde omzet worden vastgesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 5, eerste alinea, ervan.

63

Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 5, eerste alinea, van richtlijn 2014/24, aldus moet worden uitgelegd dat, in het geval dat de voorwaarde volgens welke meer dan 80 % van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon de uitvoering moet behelzen van taken die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten vastgesteld wordt aan de hand van het criterium van de omzet, en deze gecontroleerde rechtspersoon de moedermaatschappij van een groep is, bij deze voorwaarde is vereist dat ook met de omzet van de andere tot deze groep behorende entiteiten rekening wordt gehouden, in voorkomend geval op basis van de geconsolideerde omzet die deze rechtspersoon moet vaststellen overeenkomstig de artikelen 22 en 24 van richtlijn 2013/34.

Tweede vraag

64

Gelet op het antwoord op de eerste vraag hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

Beperking van de werking van het arrest in de tijd

65

Ter terechtzitting voor het Hof heeft AF het Hof verzocht om de werking in de tijd van het onderhavige arrest te beperken voor het geval het van oordeel zou zijn dat artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 5, eerste alinea, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat bij de beoordeling van de voorwaarde inzake de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon ook rekening moet worden gehouden met de omzet van de andere entiteiten die deel uitmaken van de groep waarvan deze rechtspersoon de moedermaatschappij is.

66

Ter ondersteuning van haar verzoek heeft AF aangevoerd dat deze uitlegging voor haar onvoorzienbaar was en dat zij evenmin verplicht was om met een dergelijke uitlegging rekening te houden.

67

In dit verband zij eraan herinnerd dat de uitlegging die het Hof aan een Unierechtelijk voorschrift geeft in de uitoefening van de bevoegdheid die het ontleent aan artikel 267 VWEU, volgens vaste rechtspraak de betekenis en strekking van dat voorschrift zoals het sinds de datum van de inwerkingtreding ervan moet of had moeten worden opgevat en toegepast, verklaart en preciseert. Hieruit volgt dat de rechter het aldus uitgelegde voorschrift kan en moet toepassen op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand zijn gekomen vóór de uitspraak van het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, indien tevens is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van het voorschrift in kwestie aanhangig kan worden gemaakt bij de bevoegde rechter (arrest van 16 maart 2023, Towercast, C‑449/21, EU:C:2023:207, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68

Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan het Hof op grond van een aan de rechtsorde van de Unie inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid besluiten om beperkingen te stellen aan de mogelijkheid waarover iedere belanghebbende beschikt om zich op een door het Hof uitgelegde bepaling te beroepen teneinde te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen ter discussie te stellen. Tot een dergelijke beperking kan slechts worden besloten indien is voldaan aan twee essentiële criteria, te weten de goede trouw van de belanghebbende kringen en het gevaar voor ernstige verstoringen (arrest van 16 maart 2023, Towercast, C‑449/21, EU:C:2023:207, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69

Dienaangaande moet worden vastgesteld dat AF geen concrete gegevens heeft verstrekt waarmee de gegrondheid van haar verzoek kan worden gerechtvaardigd, maar enkel heeft aangevoerd dat de in punt 65 van het onderhavige arrest bedoelde uitlegging onvoorzienbaar was.

70

Derhalve hoeft de werking van het onderhavige arrest niet te worden beperkt in de tijd.

Kosten

71

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 12, lid 3, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 5, eerste alinea, van richtlijn 2014/24,

 

moet aldus worden uitgelegd dat,

 

in het geval dat de voorwaarde volgens welke meer dan 80 % van de activiteiten van de gecontroleerde rechtspersoon de uitvoering moet behelzen van taken die hem zijn toegewezen door de controlerende aanbestedende diensten vastgesteld wordt aan de hand van het criterium van de omzet, en deze gecontroleerde rechtspersoon de moedermaatschappij van een groep is, bij deze voorwaarde is vereist dat ook met de omzet van de andere tot deze groep behorende entiteiten rekening wordt gehouden, in voorkomend geval op basis van de geconsolideerde omzet die deze rechtspersoon moet vaststellen overeenkomstig de artikelen 22 en 24 van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad.

 

Arastey Sahún

Passer

Regan

Gratsias

Smulders

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 januari 2026.

De griffier

A. Calot Escobar

De kamerpresident

M. L. Arastey Sahún


( *1 ) Procestaal: Nederlands.