ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

17 oktober 2024 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 2008/48/EG – Toepassingsgebied – Kredietovereenkomsten voor consumenten – Uitzonderingen – Artikel 2, lid 2, onder f) – Kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten of met verwaarloosbare kosten – Achterafbetaaldienst „Koop nu, betaal later” – Betalingsachterstand – Vertragingsrente en buitengerechtelijke incassokosten”

In zaak C‑409/23,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden bij beslissing van 30 juni 2023, ingekomen bij het Hof op 4 juli 2023, in de procedure

Riverty GmbH, rechtsopvolgster van Arvato Finance BV,

tegen

MI,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: C. Lycourgos, president van de Derde kamer, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, S. Rodin en O. Spineanu-Matei (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Riverty GmbH, rechtsopvolgster van Arvato Finance BV, vertegenwoordigd door I. M. A. Lintel, advocaat,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en M. H. S. Gijzen als gemachtigden,

de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, S. Šindelková en J. Vláčil als gemachtigden,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en J. Simon als gemachtigden,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en M. Winkler-Unger als gemachtigden,

de Finse regering, vertegenwoordigd door M. Pere als gemachtigde,

de Noorse regering, vertegenwoordigd door K. H. Aarvik, M. I. R. Norum en S. Runde als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Ondrůšek en F. van Schaik als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, lid 2, onder f), en artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Riverty GmbH, als rechtsopvolgster van Arvato Finance BV (hierna: „Arvato”), een aanbieder van een achterafbetaaldienst, en MI, een consument die bij een onlineaankoop voor die dienst heeft gekozen.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

In de overwegingen 10 en 13 van richtlijn 2008/48 staat te lezen:

„(10)

De in deze richtlijn vervatte definities bepalen het toepassingsgebied van de harmonisatie. De verplichting voor de lidstaten om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze richtlijn dient derhalve te worden beperkt tot het toepassingsgebied zoals dat door deze definities is omschreven. Deze richtlijn mag de lidstaten evenwel niet beletten de bepalingen van de richtlijn overeenkomstig het gemeenschapsrecht toe te passen op gebieden die niet onder het toepassingsgebied ervan vallen. Derhalve kan een lidstaat met betrekking tot kredietovereenkomsten die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen nationale wetgeving handhaven of invoeren die overeenstemt met een aantal of alle bepalingen van de richtlijn, bijvoorbeeld nationale wetgeving inzake kredietovereenkomsten die betrekking hebben op bedragen van minder dan 200 EUR of van meer dan 75000 EUR. [...]

[...]

(13)

Deze richtlijn mag niet gelden voor bepaalde soorten kredietovereenkomsten, zoals kredietkaarten met uitgestelde betaling (deferred debit cards), waarbij het krediet binnen drie maanden dient terugbetaald te worden en slechts onbeduidende kosten worden aangerekend.”

4

Artikel 2 („Toepassingsgebied”) van deze richtlijn bepaalt:

„1.   Deze richtlijn is van toepassing op kredietovereenkomsten.

2.   Deze richtlijn is niet van toepassing op het volgende:

[...]

c)

kredietovereenkomsten voor een totaal kredietbedrag van minder dan 200 EUR of meer dan 75000 EUR;

[...]

f)

kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten, en kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en slechts onbetekenende kosten worden aangerekend;

[...]”

5

Artikel 3 („Definities”) van die richtlijn luidt:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

c)

‚kredietovereenkomst’: een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit, [...]

[...]

g)

‚totale kosten van het krediet voor de consument’: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten; dit omvat ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met name verzekeringspremies, indien, daarenboven, het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen;

[...]

i)

‚jaarlijks kostenpercentage’: de totale kosten van het krediet voor de consument, uitgedrukt in een percentage op jaarbasis van het totale kredietbedrag, indien toepasselijk te vermeerderen met de kosten bedoeld in artikel 19, lid 2;

[...]”

6

In artikel 5 („Precontractuele informatie”) van die richtlijn is bepaald:

„1.   Geruime tijd voordat de consument door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden, verstrekt de kredietgever en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar, op basis van de door de kredietgever aangeboden kredietvoorwaarden en, in voorkomend geval, de door de consument kenbaar gemaakte voorkeur en verstrekte informatie, de consument de nodige informatie om verschillende aanbiedingen te kunnen vergelijken en zo een geïnformeerd besluit te kunnen nemen over het sluiten van een kredietovereenkomst. Die informatie wordt, op papier of op een andere duurzame drager, verstrekt overeenkomstig het formulier ‚Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet’ in bijlage II. [...]

Deze informatie heeft betrekking op:

[...]

g)

het jaarlijkse kostenpercentage en het totale door de consument te betalen bedrag, [...]

[...]

l)

de geldende rentevoet in geval van betalingsachterstand alsmede de wijzigingsmodaliteiten ervan en, in voorkomend geval, de kosten van niet-nakoming;

[...]”

7

Artikel 10 („In de kredietovereenkomst te vermelden informatie”) van richtlijn 2008/48 bepaalt in lid 2:

„In de kredietovereenkomst worden op duidelijke en beknopte wijze vermeld:

[...]

g)

het jaarlijkse kostenpercentage en het totale door de consument te betalen bedrag, [...]

[...]

l)

de op het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst geldende rentevoet in geval van betalingsachterstand daarvan alsmede de wijzigingsmodaliteiten en, in voorkomend geval, kosten van niet-nakoming;

[...]”

8

Artikel 19 („Berekening van het jaarlijkse kostenpercentage”) van deze richtlijn luidt:

„1.   Het jaarlijkse kostenpercentage, gelijk aan de contante waarde, op jaarbasis, van alle tussen de kredietgever en de consument overeengekomen of overeen te komen verbintenissen (kredietopnemingen, aflossingen en kosten), wordt berekend volgens de wiskundige formule in deel I van bijlage I.

2.   Om het jaarlijkse kostenpercentage te berekenen, bepaalt men de totale kosten van het krediet voor de consument, met uitzondering van kosten die hij moet betalen wegens niet-naleving van een in de kredietovereenkomst opgenomen verplichting en de andere kosten dan de aankoopprijs die hij bij het afnemen van goederen of diensten in elk geval moet betalen, ook indien contant wordt betaald.

De kosten voor het beheer van een rekening waarop zowel betalingen als kredietopnemingen worden geboekt, de kosten voor het gebruik van een betaalmiddel waarmee zowel betalingen als kredietopnemingen kunnen worden verricht, en de overige kosten voor betalingsverrichtingen worden in de totale kosten van het krediet voor de consument meegerekend, tenzij de opening van de rekening facultatief is en de kosten voor de rekening duidelijk en afzonderlijk in de kredietovereenkomst of een andere met de consument gesloten overeenkomst zijn vastgesteld.

3.   Bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage wordt uitgegaan van de hypothese dat de kredietovereenkomst voor de overeengekomen tijdsduur geldt en dat de kredietgever en de consument hun verplichtingen nakomen binnen de termijnen en op de data die in de kredietovereenkomst zijn bepaald.

[...]”

9

Artikel 22 („Harmonisatie en dwingend karakter van de richtlijn”) van die richtlijn bepaalt in lid 3:

„De lidstaten dragen er [...] zorg voor dat de bepalingen die zij ter uitvoering van deze richtlijn vaststellen, niet kunnen worden omzeild door overeenkomsten een bijzondere vorm te geven, met name door kredietopnemingen of kredietovereenkomsten die onder deze richtlijn vallen op te nemen in kredietovereenkomsten die, door de aard of het doel ervan, buiten de werkingssfeer ervan zouden kunnen vallen.”

10

Bijlage II („Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet”) bij die richtlijn bepaalt dat aan de consument een aantal gegevens moet worden verstrekt, waaronder de identiteit en de contactgegevens van de kredietgever of kredietbemiddelaar, de belangrijkste kenmerken van het kredietproduct en de kosten van het krediet en de daaraan verbonden kosten. Dit laatste punt omvat de kosten die de consument in geval van betalingsachterstand moet betalen.

Nederlands recht

11

Het Burgerlijk Wetboek bepaalt in artikel 57, lid 1, onder g), en lid 2, van Boek 7:

„1.   In deze titel wordt verstaan onder:

[...]

g.

totale kosten van het krediet voor de consument: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten;

[...]

2.   De totale kosten van het krediet voor de consument, bedoeld in lid 1, onderdeel g, omvatten ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met name verzekeringspremies, indien het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen.”

12

Artikel 58, lid 2, onder e), van Boek 7 van dit wetboek luidt:

„[...]

2.   Deze titel is niet van toepassing op:

[...]

e)

kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten, en kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en slechts onbetekenende kosten worden aangerekend;”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13

Riverty is de rechtsopvolger van Arvato, die actief was onder de naam AfterPay. AfterPay was de aanbieder van de gelijknamige achterafbetaaldienst die werd aangeboden in ruil voor een betalingsprovisie van 1 EUR op online aankopen.

14

Volgens de door Arvato gehanteerde algemene betalingsvoorwaarden hield de keuze om via deze dienst te betalen in dat de winkelier, na acceptatie van het verzoek om van de dienst gebruik te maken, de rechten met betrekking tot het door de klant verschuldigde bedrag in verband met de online geplaatste bestelling overdroeg aan AfterPay. De klant kon enkel nog bevrijdend betalen aan AfterPay en ontving daarvoor een factuur waarop het verschuldigde bedrag was vermeld, los van de levering van die bestelling. De betaling moest worden verricht binnen 14 dagen na de factuurdatum, tenzij schriftelijk een andere termijn was overeengekomen.

15

Indien niet binnen de gestelde termijn werd betaald, was het verschuldigde bedrag onmiddellijk opeisbaar, zonder dat de klant nader in gebreke hoefde te worden gesteld. In dergelijke gevallen behield Arvato zich het recht voor administratiekosten in rekening te brengen, die werden verhoogd voor elke betalingsherinnering, alsook maandelijkse wettelijke rente over het verschuldigde bedrag en alle redelijke kosten die werden gemaakt om betaling langs gerechtelijke of buitengerechtelijke weg te verkrijgen. Het minimumbedrag dat in rekening werd gebracht voor buitengerechtelijke incassokosten was 40 EUR.

16

Op 27 februari 2019 of kort daarvoor kocht MI, als consument, drie producten bij een onlineverkoper voor een totaalbedrag van 37,97 EUR (hierna: „aankoopprijs van de producten”). Daarbij heeft zij de dienst AfterPay gekozen als betaalmethode.

17

Op dezelfde dag stuurde Arvato een betaaloverzicht naar het door de consument opgegeven e-mailadres voor een bedrag van 38,97 EUR, dat bestond uit de aankoopprijs van de producten en de betalingsprovisie van 1 EUR, waarbij de uiterste betaaldatum werd vastgesteld op 13 maart 2019. Arvato gaf ook aan dat bij niet-betaling binnen die termijn het verschuldigde bedrag zou worden verhoogd met 40 EUR aan buitengerechtelijke incassokosten, in overeenstemming met de toepasselijke Nederlandse regelgeving.

18

Tussen 15 maart en 6 december 2019 zijn er door Arvato zes betalingsherinneringen per e-mail verstuurd naar genoemde consument. Deze e‑mails vermeldden de verplichting om de aankoopprijs van de producten te betalen en specificeerden de administratiekosten die het niet nakomen van deze verplichting met zich meebracht, eerst voor een bedrag van 9,50 EUR en vervolgens voor een bedrag van 12,50 EUR. In de laatste e-mail, verzonden op 6 december 2019, eiste Arvato dat de consument de aankoopprijs van de producten binnen 15 dagen na ontvangst van die e-mail zou betalen, met dien verstande dat bij niet-betaling een extra bedrag van 40 EUR in rekening zou worden gebracht om de incassokosten te dekken.

19

Arvato heeft bij de kantonrechter Arnhem (Nederland) gevorderd dat MI wordt veroordeeld tot betaling van 80,20 EUR, te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van 38,97 EUR vanaf 9 oktober 2020. Arvato verlaagde vervolgens het gevorderde bedrag en zag af van de vergoeding van 1 EUR.

20

Overeenkomstig het nationale recht heeft de kantonrechter Arnhem verschillende „prejudiciële vragen” gesteld aan de Hoge Raad der Nederlanden, de verwijzende rechter. In die vragen ging het er onder andere om of de vertragingsrente, dus rente anders dan die voor de vergoeding van het ter beschikking gestelde krediet, en de buitengerechtelijke kosten die door een consument in geval van niet-nakoming van een kredietovereenkomst verschuldigd zijn, tot de kosten van het krediet behoren dan wel of met die rente en andere kosten rekening moet worden gehouden bij de beoordeling of de betrokken kredietovereenkomst een overeenkomst „zonder rente en andere kosten” is of een overeenkomst „waarbij slechts onbetekenende kosten worden aangerekend” in de zin van artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48, en ook of bij het onderzoek van die vragen rekening moet worden gehouden met de wettelijke dan wel contractuele aard van deze rente en andere kosten alsmede met de hoogte ervan ten opzichte van de wettelijke tarieven.

21

De verwijzende rechter merkt op dat het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” van artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 „zoveel mogelijk letterlijk” in Nederlands recht is omgezet in artikel 57, lid 1, onder g), en lid 2, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens deze rechter neemt artikel 58, lid 2, onder e), van Boek 7 van dat wetboek de bewoordingen van artikel 2, lid 2, onder f), van deze richtlijn over wat betreft de uitsluiting van kredietovereenkomsten „zonder rente en andere kosten” en van overeenkomsten „waarbij het krediet binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en slechts onbetekenende kosten worden aangerekend” in de zin van laatstgenoemde bepaling.

22

In antwoord op een deel van de vragen die hem door de kantonrechter Arnhem zijn gesteld, is de verwijzende rechter van oordeel dat een overeenkomst waarbij uitstel van betaling wordt bedongen, een kredietovereenkomst is wanneer zij voldoet aan de voorwaarden van de toepasselijke nationale regeling om als zodanig te worden gekwalificeerd, en dat voor het begrip „andere kosten” in de zin van artikel 58, lid 2, onder e), van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek moet worden „aangesloten” bij het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” als bedoeld in artikel 57, lid 1, onder g), van Boek 7 van dat wetboek.

23

De verwijzende rechter meent evenwel dat noch richtlijn 2008/48 noch de rechtspraak van het Hof over deze richtlijn een antwoord biedt op de vraag of vertragingsrente en buitengerechtelijke incassokosten moeten worden beschouwd als kosten van het krediet en of daarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen of de betrokken overeenkomst een kredietovereenkomst „zonder rente en andere kosten” is dan wel een kredietovereenkomst „waarbij slechts onbetekenende kosten worden aangerekend” in de zin van artikel 2, lid 2, onder f), van deze richtlijn.

24

Wat in de eerste plaats de toepasselijke nationale regeling betreft, preciseert de verwijzende rechter dat de vertragingsrente en buitengerechtelijke incassokosten in het hoofdgeding betrekking hebben op de rente en de kosten die de kredietgever heeft moeten maken om zijn vordering langs buitengerechtelijke weg af te dwingen. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat wanneer de schuldenaar een natuurlijke persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, de gevorderde vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten overeenstemt met een percentage van de hoofdsom en niet minder dan 40 EUR en niet meer dan 6775 EUR mag bedragen.

25

Uit dat verzoek blijkt ook dat de Nederlandse wettelijke regeling de kredietgever verbiedt om voor kredietovereenkomsten waarop richtlijn 2008/48 van toepassing is, een hogere kredietvergoeding aan te rekenen dan de wettelijk toegestane maximumvergoeding, en dat deze maximumvergoeding de vertragingsrente en de buitengerechtelijke incassokosten omvat, zodat de kredietgever geen aanspraak kan maken op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten waardoor de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding wordt overschreden.

26

Wat in de tweede plaats de relevante bepalingen van richtlijn 2008/48 betreft, leidt de verwijzende rechter uit artikel 5, lid 1, onder l), juncto artikel 10, lid 2, onder l), van deze richtlijn en bijlage II erbij af dat de in geval van betalingsachterstand verschuldigde kosten, waaronder de in casu gevorderde vertragingsrente en buitengerechtelijke incassokosten, moeten worden opgenomen in de „totale kosten van het krediet voor de consument” in de zin van artikel 3, onder g), van die richtlijn.

27

De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat uit artikel 19, lid 3, van die richtlijn weliswaar volgt dat de kosten wegens niet-naleving van een contractuele verplichting niet in aanmerking worden genomen bij de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage (JKP), maar dat dit niet betekent dat deze kosten geen deel kunnen uitmaken van de totale kosten van het krediet voor de consument.

28

Hij preciseert evenwel dat ook kan worden aangenomen dat er pas grond bestaat om die kosten onder de „totale kosten van het krediet voor de consument” te scharen als de voorwaarden waaronder het krediet is verleend en de overige omstandigheden van de sluiting van de overeenkomst grond opleveren om ervan uit te gaan dat de verschuldigdheid van die kosten deel uitmaakt van het verdienmodel van de kredietgever.

29

Voorts zou volgens deze rechter de uitzondering van artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48 kunnen worden uitgehold indien zou worden geoordeeld dat de in deze bepaling bedoelde rente en andere kosten ook zien op de rente en de buitengerechtelijke incassokosten die in geval van wanbetaling wettelijk verschuldigd zijn.

30

Tegen die achtergrond heeft de Hoge Raad der Nederlanden de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Behoren vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten tot de totale kosten van het krediet voor de consument in de zin van artikel 3, onder g, richtlijn [2008/48] en moeten zij in aanmerking worden genomen bij de beoordeling of sprake is van een kredietovereenkomst ‚zonder rente en andere kosten’ of ‚waarbij slechts onbetekenende kosten worden aangerekend’ in de zin van artikel 2 lid 2, onder f, richtlijn [2008/48]?

2)

Maakt het voor het antwoord op vraag 1 verschil of de vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd zijn op grond van de wet of zijn bedongen? Maakt het – indien sprake is van bedongen vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten – verschil of deze rente en kosten hoger zijn dan hetgeen zonder het beding op grond van de wet verschuldigd zou zijn?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Opmerkingen vooraf

31

Vooraf zij opgemerkt dat uit de opmerkingen van de Nederlandse regering blijkt dat richtlijn 2008/48 door de Nederlandse nationale wettelijke regeling van toepassing is verklaard op kredietovereenkomsten waarvan het totale kredietbedrag minder dan 200 EUR bedraagt.

32

Het is ook belangrijk erop te wijzen dat er voor de beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter twee aspecten moeten worden onderzocht. Het eerste aspect betreft in essentie de uitlegging van de begrippen „rente” en „andere kosten” in de zin van artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48 en de vraag of de wettelijke dan wel contractuele aard van de vertragingsrente en de buitengerechtelijke incassokosten die door de kredietgever worden gevorderd ingeval de consument de krachtens een kredietovereenkomst op hem rustende betalingsverplichting niet nakomt, en, in voorkomend geval, de hoogte ervan, nuttige criteria vormen voor de uitlegging van die begrippen. Het tweede aspect betreft de uitlegging van het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” in de zin van artikel 3, onder g), van deze richtlijn.

33

Zoals blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing, legt de verwijzende rechter een verband tussen het begrip „andere kosten” in de zin van artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48 en het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” in de zin van artikel 3, onder g), van deze richtlijn, en vraagt hij zich af of vertragingsrente en buitengerechtelijke incassokosten onder zowel dit eerste als dit tweede begrip vallen.

34

Artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48 speelt evenwel een rol bij de afbakening van de werkingssfeer van deze richtlijn zodat het eventueel overbodig wordt om te antwoorden op de vraag of vertragingsrente en buitengerechtelijke incassokosten onder het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” in de zin van artikel 3, onder g), van die richtlijn vallen.

35

Bijgevolg moet eerst artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48 worden uitgelegd en moet worden onderzocht in hoeverre de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming en, eventueel, het bedrag ervan relevant zijn voor deze uitlegging, alvorens vervolgens, in voorkomend geval, de draagwijdte van het begrip „totale kosten van het krediet voor de consument” in de zin van artikel 3, onder g), van deze richtlijn te onderzoeken.

Tweede onderdeel van de eerste vraag en tweede vraag

36

Met het tweede onderdeel van de eerste vraag en met de tweede vraag, die samen en eerst moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat vertragingsrente en buitengerechtelijke incassokosten die een consument verschuldigd is ingeval hij de krachtens een kredietovereenkomst op hem rustende betalingsverplichting niet of niet tijdig nakomt, onder de begrippen „rente” en „andere kosten” in de zin van die bepaling vallen. Deze rechter wenst tevens te vernemen of de wettelijke dan wel contractuele aard van die rente en andere kosten en het feit dat die rente en andere kosten van contractuele aard in voorkomend geval hoger zijn dan hetgeen wettelijk verschuldigd zou zijn, relevante factoren zijn voor deze uitlegging.

37

In dit verband zij opgemerkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vertragingsrente en buitengerechtelijke incassokosten, zoals de verwijzende rechter preciseert, rente en kosten van niet-nakoming vormen.

38

Volgens artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48 vallen kredietovereenkomsten „zonder rente en andere kosten” en kredietovereenkomsten „waarbij het krediet binnen een termijn van drie maanden moet worden terugbetaald en slechts onbetekenende kosten worden aangerekend”, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn.

39

Voor de uitlegging van deze bepaling, en in het bijzonder van de begrippen „rente” en „andere kosten” daarin, moet volgens vaste rechtspraak niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met haar context en met de doelstellingen en het oogmerk van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arrest van 11 januari 2024, Inditex, C‑361/22, EU:C:2024:17, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40

Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48 betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling enkel verwijst naar „rente” en „andere kosten” zonder deze begrippen te definiëren en zonder te refereren aan andere begrippen die eveneens in het kader van deze richtlijn worden gebruikt, met name „kosten van niet-nakoming”, „kosten in geval van betalingsachterstand”, „kosten”, „commissielonen” of „belastingen”.

41

Het begrip „rente” heeft in zijn letterlijke betekenis zowel betrekking op lopende of verschuldigde rente over geïnvesteerd of uitgeleend kapitaal als op compenserende rente of vertragingsrente en heeft dus verschillende mogelijke betekenissen.

42

Ook het begrip „andere kosten” is een algemeen begrip dat verschillende uitgavencategorieën kan dekken, met als gevolg dat de inhoud van dit begrip varieert naargelang de context waarin het wordt gebruikt.

43

De vergelijking van de verschillende taalversies van artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48 biedt desondanks enkele aanwijzingen voor de uitlegging die moet worden gegeven aan de begrippen „rente” en „andere kosten” in de zin van deze bepaling. Met name zijn er versies die bondiger zijn geformuleerd en alleen verwijzen naar de afwezigheid van rente of andere kosten, zoals de Duitse („zins- und gebührenfreie Kreditverträge”), de Griekse („symvaseis pistosis oi opoies einai atokes kai choris alles epivarynseis”), de Franse („contrats de crédit sans intérêt et sans autres frais”) en de Nederlandse („kredietovereenkomsten zonder rente en andere kosten”). In andere taalversies, met name de Spaanse („los contratos de crédito concedidos libres de intereses y sin ningún otro tipo de gastos”), de Engelse („where the credit is granted free of interest and without any other charges”), de Kroatische („ugovore o kreditu prema kojima se kredit odobrava bez kamata i bez bilo kakvih drugih naknada”), de Italiaanse („contratti di credito che non prevedono il pagamento di interessi o altre spese”) en de Roemeense („contractele de credit în baza cărora creditul este acordat fără dobândă și fără alte costuri”), wordt uitdrukkelijk vermeld dat het krediet wordt verleend zonder dat in rente of andere kosten wordt voorzien.

44

Uit de bewoordingen van deze andere versies blijkt duidelijk dat de toepasselijkheid van artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48 moet worden onderzocht in het licht van de rente en andere kosten zoals die bij het sluiten van de kredietovereenkomst zijn bepaald. De niet-nakoming door een consument van zijn betalingsverplichting en de duur van een dergelijke eventuele niet-nakoming zijn op dat tijdstip in beginsel niet te voorzien. De rente en de kosten van niet-nakoming maken dus geen deel uit van de „rente” en de „andere kosten” in de zin van artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48, ongeacht of de toepassing en de hoogte van die rente en die kosten bij wet zijn voorzien dan wel in de kredietovereenkomst zijn vastgelegd.

45

Deze uitlegging vindt steun in zowel de context van deze bepaling als de doelstellingen van richtlijn 2008/48.

46

Zo moet met betrekking tot, in de tweede plaats, de context van die bepaling worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 19, leden 2 en 3, van richtlijn 2008/48 de kosten van niet-nakoming buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van het JKP. Deze berekening berust namelijk op de hypothese dat de kredietovereenkomst gedurende de overeengekomen periode geldig blijft en dat de kredietgever en de consument hun verplichtingen nakomen onder de voorwaarden en binnen de termijnen die in deze overeenkomst zijn vastgesteld. Bijgevolg moet voor de uitlegging van artikel 2, lid 2, onder f), van deze richtlijn van deze hypothese worden uitgegaan.

47

In de derde plaats beantwoordt de in punt 44 van dit arrest gegeven uitlegging aan het doel van artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48, dat net als de andere bepalingen van dat artikel, ertoe strekt de werkingssfeer van deze richtlijn af te bakenen. Indien de rente en kosten van niet-nakoming wel in aanmerking zouden moeten worden genomen om vast te stellen of een overeenkomst binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt, zou deze bepaling grotendeels haar inhoud en nuttig effect worden ontnomen, aangezien zij alleen van toepassing zou zijn in het zeer onwaarschijnlijke geval dat de betalingsachterstand of het uitblijven van betaling geen rechtsgevolgen voor de kredietnemer met zich zou meebrengen, dat wil zeggen wanneer er geen vertragingsrente of andere kosten zouden worden opgelegd als gevolg van de niet-nakoming van de betalingsverplichting.

48

In deze zaak vordert Arvato betaling van de aankoopprijs van de producten, 37,97 EUR, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2024, en de wettelijke buitengerechtelijke incassokosten van 40 EUR, te weten het laagste punt binnen de bandbreedte van de Nederlandse wet. Die rente en kosten vallen in beginsel niet onder de begrippen „rente” en „andere kosten” in de zin van artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48 en mogen dus niet in aanmerking worden genomen om te bepalen of de betrokken kredietovereenkomst binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt.

49

De verwijzende rechter en de Nederlandse regering stellen evenwel dat niet kan worden uitgesloten dat op grond van de omstandigheden rond de sluiting van de betrokken overeenkomst kan worden aangenomen dat de verschuldigdheid van kosten van niet-nakoming deel uitmaakt van het verdienmodel van de kredietgever en dat die kosten derhalve in aanmerking moeten worden genomen bij het onderzoek of artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48 van toepassing is.

50

In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 22, lid 3, van richtlijn 2008/48 de lidstaten verplicht ervoor te zorgen dat de bepalingen die zij ter uitvoering van deze richtlijn vaststellen, niet kunnen worden omzeild door overeenkomsten een bijzondere vorm te geven (arrest van 11 september 2019, Lexitor, C‑383/18, EU:C:2019:702, punt 30).

51

Het is dus aan de verwijzende rechter om na te gaan of de kredietgever in werkelijkheid zijn verplichtingen uit hoofde van richtlijn 2008/48 niet tracht te omzeilen door er vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst al op te anticiperen dat de consument zijn betalingsverplichting niet zal nakomen, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen uit de verschuldigdheid van rente en kosten van niet-nakoming. Daartoe is het aan die rechter om alle omstandigheden rond de sluiting van de betrokken overeenkomst en andere relevante factoren te onderzoeken, zoals met name de wettelijke dan wel contractuele aard van de rente en de kosten van niet-nakoming, de termijnen waarbinnen die rente en kosten opeisbaar worden en het bedrag van deze rente en kosten.

52

Gelet op een en ander moet op het tweede onderdeel van de eerste vraag en op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat, behoudens gevallen waarin de kredietgever, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, er vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst al op anticipeert dat de consument de betalingsverplichting niet zal nakomen, de vertragingsrente en de buitengerechtelijke incassokosten die een consument verschuldigd is ingeval hij zijn betalingsverplichting op grond van een kredietovereenkomst niet of niet tijdig nakomt, niet onder de begrippen „rente” en „andere kosten” in de zin van deze bepaling vallen, in beginsel ongeacht of deze rente en andere kosten van wettelijke dan wel contractuele aard zijn en ongeacht of die rente en andere kosten, zo zij van contractuele aard zijn, hoger zijn dan hetgeen wettelijk verschuldigd zou zijn.

Eerste onderdeel van de eerste vraag

53

Gelet op het antwoord op het tweede onderdeel van de eerste vraag en op de tweede vraag, hoeft het eerste onderdeel van de eerste vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

54

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 2, lid 2, onder f), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad

 

moet aldus worden uitgelegd dat,

 

behoudens gevallen waarin de kredietgever, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, er vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst al op anticipeert dat de consument de betalingsverplichting niet zal nakomen, de vertragingsrente en de buitengerechtelijke incassokosten die een consument verschuldigd is ingeval hij zijn betalingsverplichting op grond van een kredietovereenkomst niet of niet tijdig nakomt, niet onder de begrippen „rente” en „andere kosten” in de zin van deze bepaling vallen, in beginsel ongeacht of deze rente en andere kosten van wettelijke dan wel contractuele aard zijn en ongeacht of die rente en andere kosten, zo zij van contractuele aard zijn, hoger zijn dan hetgeen wettelijk verschuldigd zou zijn.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Nederlands.