Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)

12 januari 2022 (*)

„Institutioneel recht – Nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie – Verordening (EU) 2017/1939 – Benoeming van de Europese aanklagers van het Europees Openbaar Ministerie – Benoeming van een van de door België voorgedragen kandidaten – Toepasselijke regels voor de benoeming van de Europese aanklagers”

In zaak T‑647/20,

Jean-Michel Verelst, woonachtig te Éghezée (België), vertegenwoordigd door C. Molitor, advocaat,

verzoeker,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door K. Pleśniak, R. Meyer en K. Kouri als gemachtigden,

verweerder,

ondersteund door:

Koninkrijk België, vertegenwoordigd door C. Pochet, M. Van Regemorter en M. Jacobs als gemachtigden,

interveniënt,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1117 van de Raad van 27 juli 2020 houdende benoeming van de Europese aanklagers van het Europees Openbaar Ministerie (PB 2020, L 244, blz. 18), voor zover daarbij Yves Van Den Berge tot Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie wordt benoemd en verzoekers kandidatuur wordt afgewezen,

wijst

HET GERECHT (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. J. Costeira, president, M. Kancheva (rapporteur) en T. Perišin, rechters,

griffier: E. Coulon,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoeker, Jean-Michel Verelst, is sinds 2010 substituut-procureur des Konings te Brussel (België), gespecialiseerd in fiscale zaken. Hij is sinds 2 januari 2017 tevens directeur van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring (hierna: „COIV”) binnen het Belgische Openbaar Ministerie, na hiervan sinds december 2013 adjunct-directeur te zijn geweest.

2        Op 12 oktober 2017 heeft de Raad van de Europese Unie verordening (EU) 2017/1939 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie („EOM”) (PB 2017, L 283, blz. 1) vastgesteld. Bij die verordening wordt het Europees Openbaar Ministerie ingesteld als orgaan van de Europese Unie en worden de regels betreffende het functioneren ervan vastgesteld.

3        Overweging 40 van verordening 2017/1939 luidt als volgt:

„De procedure voor de benoeming van de Europese hoofdaanklager en de Europese aanklagers dient hun onafhankelijkheid te garanderen. Zij dienen hun legitimiteit te ontlenen aan de instellingen van de Unie die bij de benoemingsprocedure betrokken zijn. [...]”

4        Overweging 41 van verordening 2017/1939 is als volgt verwoord:

„Een selectiecommissie dient een lijst van kandidaten op te stellen voor het ambt van Europese hoofdaanklager. De bevoegdheid tot bepaling van de werkwijze en tot samenstelling van de leden van de selectiecommissie dient aan de Raad te worden verleend, op basis van een voorstel van de [Europese] Commissie. Die uitvoeringsbevoegdheid is een afspiegeling van de uit hoofde van artikel 86 VWEU verleende specifieke bevoegdheden en strookt met de specifieke aard van het EOM, dat, hoewel het een orgaan van de Unie is, stevig in de nationale rechtsstructuren verankerd zal blijven. Het EOM zal handelen in een procedure waarin de meeste andere actoren nationaal zijn, zoals rechtbanken, politie en andere rechtshandhavende instanties; de Raad heeft er daarom specifiek belang bij nauw betrokken te zijn bij de benoemingsprocedure. Door deze bevoegdheden aan de Raad te verlenen wordt ook voldoende rekening gehouden met de mogelijk gevoelige aard van eventuele beslissingsbevoegdheden met directe gevolgen voor de nationale justitiële en strafvervolgingssystemen. [...]”

5        Overeenkomstig artikel 16, lid 1, van verordening 2017/1939 dient elke lidstaat die deelneemt aan de nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie, drie kandidaten voor het ambt van Europese aanklager voor te dragen, gekozen uit kandidaten die actief lid zijn van het openbaar ministerie of van de rechterlijke macht van de desbetreffende lidstaat, wier onafhankelijkheid buiten twijfel staat en die beschikken over de kwalificaties om in die lidstaat in een hoge vervolgende of rechterlijke functie te kunnen worden benoemd, en die ter zake dienende praktische ervaring met nationale rechtsstelsels, financiële onderzoeken en met internationale justitiële samenwerking in strafzaken hebben.

6        Artikel 16, lid 2, van verordening 2017/1939 bepaalt dat de Raad, nadat hij het gemotiveerde advies van de in artikel 14, lid 3, van die verordening bedoelde selectiecommissie (hierna: „selectiecommissie”) heeft ontvangen, één van de kandidaten selecteert en benoemt als Europese aanklager van de lidstaat in kwestie en dat indien de selectiecommissie van oordeel is dat een kandidaat niet aan de gestelde voorwaarden voldoet om de taken van een Europese aanklager uit te voeren, dat oordeel bindend is voor de Raad. Overeenkomstig artikel 16, lid 3, van verordening 2017/1939 selecteert en benoemt de Raad, die met gewone meerderheid van stemmen besluit, de Europese aanklagers voor een eenmalige termijn van zes jaar, en kan hij besluiten de ambtstermijn, na die zes jaar, met maximaal drie jaar te verlengen.

7        Overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening 2017/1939 stelt de Raad de werkwijze van de selectiecommissie vast, alsmede, op voorstel van de Europese Commissie, een besluit tot benoeming van de leden van de selectiecommissie.

8        Op 13 juli 2018 heeft de Raad uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1696 over de werkwijze van de selectiecommissie als bedoeld in artikel 14, lid 3, van verordening 2017/1939 (PB 2018, L 282, blz. 8) vastgesteld.

9        De bijlage bij uitvoeringsbesluit 2018/1696 heeft als titel „Werkwijze” (hierna: „Werkwijze van de selectiecommissie”). Overeenkomstig punt VI, lid 2, van die werkwijze, betreffende de procedure voor de benoeming van de Europese aanklagers, toetst de selectiecommissie de voordrachten van de lidstaten bij ontvangst ervan aan de vereisten van artikel 16, lid 1, van verordening 2017/1939 en nodigt zij de voorgedragen personen uit voor een gesprek, dat persoonlijk is. Punt VII, lid 2, eerste alinea, van die werkwijze luidt dat de selectiecommissie „[u]itgaande van haar bevindingen tijdens de toetsing en het gesprek [...] een [gemotiveerd] advies [opstelt] over de kwalificaties van de kandidaten om de taken van Europese aanklager uit te voeren, waarin zij uitdrukkelijk aangeeft of zij aan de voorwaarden van artikel 16, lid 1, van verordening [2017/1939] voldoen”. Overeenkomstig dat punt VII, lid 2, derde alinea, „rangschikt [de selectiecommissie] de kandidaten op basis van hun kwalificaties en ervaring”, welke rangschikking „de voorkeur van de selectiecommissie [weergeeft] en [...] niet bindend [is] voor de Raad”.

10      De Belgische autoriteiten hebben met het oog op de in artikel 16, lid 1, van verordening 2017/1939 bedoelde voordracht van drie kandidaten voor het ambt van Europese aanklager een oproep tot kandidaatstelling bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 januari 2019, waarop zes kandidaten, waaronder verzoeker, hebben gereageerd. Die kandidaten zijn uitgenodigd voor een gesprek met het College van procureurs-generaal en de federale procureur van België op 14 maart 2019. Het College van procureurs-generaal heeft met betrekking tot verzoekers kandidatuur voor het ambt van Europese aanklager in zijn advies van 20 maart 2019 aangegeven dat „[d]e vroegere en huidige taken van [verzoeker], met name op het gebied van de bestrijding van economische, financiële en fiscale criminaliteit, en zijn ervaring met het beheer van het COIV (Europese opdrachten – ARO – en internationale opdrachten – Carin), [...] troeven [waren] voor het uitvoeren van de taken van Europese aanklager binnen het Europees Openbaar Ministerie”. Het heeft er evenwel op gewezen dat „[verzoeker] het college er niet van [had] kunnen overtuigen dat [hij] een voldoende duidelijke visie [had] op de taken en opdrachten van het toekomstige Europees Openbaar Ministerie en [de Europese] aanklager [van een lidstaat]”. Concluderend heeft het College van procureurs-generaal ten aanzien van verzoeker „een gereserveerd advies (op een schaal zeer positief – positief – gereserveerd – negatief) voor het mandaat van Europese aanklager” uitgebracht.

11      Bij brief van 11 april 2019 heeft de Belgische minister van Justitie verzoeker in kennis gesteld van het feit dat hij op 29 maart 2019 overeenkomstig artikel 16, lid 1, van verordening 2017/1939 drie kandidaten voor het ambt van Europese aanklager had voorgedragen bij de voorzitter van de selectiecommissie, en daarbij aangegeven dat verzoeker een van hen was.

12      Op 24 mei 2019 is verzoeker door de selectiecommissie gehoord.

13      Op 20 juni 2019 heeft de selectiecommissie haar gemotiveerde advies met betrekking tot de door het Koninkrijk België voor het ambt van Europese aanklager voorgedragen kandidaten toegezonden aan de Raad.

14      De selectiecommissie heeft in dat advies allereerst verklaard dat zij op basis van het onderzoek van de curricula vitae en de schriftelijke motivatiebrieven alsmede op basis van de op 23 en 24 mei 2019 gehouden hoorzittingen van oordeel was dat de door het Koninkrijk België voor het ambt van Europese aanklager voorgedragen kandidaten voldeden aan de voorwaarden van artikel 16, lid 1, van verordening 2017/1939.

15      Vervolgens heeft de selectiecommissie aangegeven dat het de genoemde kandidaten in voorkeursvolgorde had gerangschikt, met verzoeker op de eerste plaats en Yves Van Den Berge op de derde plaats.

16      Wat verzoeker betreft, heeft de selectiecommissie die rangschikking als volgt gemotiveerd:

„De commissie is van oordeel dat van de voorgedragen kandidaten [verzoeker] het meest geschikt is om het ambt van Europese aanklager binnen het Europees Openbaar Ministerie uit te oefenen [...]. [Verzoeker], substituut-procureur des Konings te Brussel, is directeur van het [COIV] binnen de Federale Overheidsdienst Justitie van België. [Hij] heeft in de loop van zijn carrière ruime ervaring opgedaan in het onderzoek naar en de vervolging van grote financiële misdrijven, waaronder het witwassen van geld en ernstige carrouselfraude. Hij heeft ook waardevolle ervaring opgedaan met justitiële samenwerking in strafzaken. [Verzoeker] is lid van de stuurgroep en contactpunt van het Camden Asset Recovery Inter-agency Network (Carin), en neemt regelmatig deel aan werkgroepen van de [Unie] die zich bezighouden met de verbeurdverklaring van wederrechtelijk verkregen vermogensbestanddelen. [Verzoeker] heeft blijk gegeven van een groot vermogen om in een multiculturele omgeving te werken, waaronder het vermogen om om te gaan met andere rechtsstelsels dan het zijne, en van een gedegen kennis van het institutionele rechtskader van de Unie [...]. Hij heeft voorts een gedegen managementervaring.

[Verzoeker] heeft tijdens zijn verhoor een strategische visie gepresenteerd op de rol en de werking van de Europese aanklager binnen het Europees Openbaar Ministerie en zeer nauwkeurige antwoorden gegeven op de vragen van de commissie. Hij heeft blijk gegeven van een goed begrip van verordening [2017/1939] en van de uitdagingen waarmee het Europees Openbaar Ministerie kan worden geconfronteerd, en haalbare oplossingen voorgesteld om die aan te pakken. De commissie had waardering voor het feit dat nadruk werd gelegd op de noodzaak voor het Europees Openbaar Ministerie om bij zijn optreden de grondrechten en procedurele rechten te eerbiedigen. De commissie had met name waardering voor zijn gespecialiseerde deskundigheid op het gebied van verbeurdverklaring en ontneming van wederrechtelijk verkregen vermogensbestanddelen en voor zijn pragmatische aanpak bij het oplossen van potentiële conflicten. De commissie is ervan overtuigd dat [verzoeker] voldoet aan alle vereisten om een doeltreffende Europese aanklager te zijn.”

17      De kwestie van de selectie en benoeming van de Europese aanklagers is door de raadsadviseurs Justitie en Binnenlandse Zaken behandeld in zes opeenvolgende zittingen (hierna: „Copen-zittingen”), die zijn gehouden op 9 september, 26 november en 12 december 2019 en op 1, 20 en 22 juli 2020.

18      Op 18 september 2019 heeft het voorzitterschap van de Raad een document met de titel „Taken en procedures voor de selectie van Europese aanklagers” toegezonden aan het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper). In punt 8 van dat document staat het volgende:

„Het technische voorbereidende werk zal worden verricht door de bevoegde Raadsinstanties (Copen-werkgroep en/of JBZ-adviseurs, naargelang van het geval). Het onderzoek wordt verricht op basis van de door de selectiejury toegezonden gemotiveerde adviezen, rekening houdend met de voorkeursvolgorde blijkens de niet-bindende rangschikking van de selectiecommissie en het feit dat de verdiensten en de professionele kwaliteit [alsmede] de kwalificaties van de kandidaten op de shortlist reeds zorgvuldig door de selectiecommissie zijn beoordeeld. Na dit onderzoek zal het bevoegde Raadsorgaan de Europese aanklagers voordragen en hun benoeming aanbevelen aan het [Coreper]. Overeenkomstig artikel [16, leden 3 en 4,] van verordening [2017/1939] selecteert en benoemt de Raad, met gewone meerderheid van stemmen van de deelnemende lidstaten, de Europese aanklagers [...]”.

19      Tijdens de Copen-zitting van 26 november 2019 heeft de Belgische delegatie [vertrouwelijk](1) aangegeven.

20      Tijdens de Copen-zitting van 12 december 2019 [vertrouwelijk].

21      Op 27 februari 2020 heeft het Koninkrijk België de Raad een schriftelijke motivering verstrekt met betrekking tot [vertrouwelijk].

22      In die schriftelijke motivering heeft het Koninkrijk België [vertrouwelijk].

23      Vervolgens heeft het Koninkrijk België het standpunt van het College van procureurs-generaal en van de federale procureur als volgt verwoord:

„[vertrouwelijk]”

24      Het Koninkrijk België heeft voorts aangegeven waarom het van mening was dat in casu met het advies van het College van procureurs-generaal rekening moest worden gehouden:

„[vertrouwelijk]”

25      Het Koninkrijk België heeft er ook op gewezen dat het „[vertrouwelijk]”.

26      Tot slot van zijn schriftelijke motivering heeft het Koninkrijk België vermeld dat „[vertrouwelijk]”.

27      Tijdens de Copen-zitting van 1 juli 2020 heeft het voorzitterschap van de Raad erop gewezen dat [vertrouwelijk].

28      Derhalve is de kwestie van de selectie en de benoeming van de Europese aanklager van het Koninkrijk België besproken tijdens de vergadering van de „groep Antici” van 13 juli 2020.

29      Op 24 juli 2020 heeft het Coreper het ontwerpbesluit vastgesteld tot benoeming van de Europese aanklagers van het Europees Openbaar Ministerie.

30      Op 27 juli 2020 heeft de Raad uitvoeringsbesluit (EU) 2020/1117 vastgesteld houdende benoeming van de Europese aanklagers van het Europees Openbaar Ministerie (PB 2020, L 244, blz. 18; hierna: „bestreden besluit”).

31      De overwegingen 7 en 8 van het bestreden besluit zijn als volgt verwoord:

„(7)      De selectiecommissie heeft de gemotiveerde adviezen en de rangschikking opgesteld van elk van de voorgedragen kandidaten die aan de voorwaarden in artikel 16, lid 1, van verordening [2017/1939] voldoen, en deze aan de Raad voorgelegd die hen heeft ontvangen op 29 mei, 20 juni, 11 oktober, 18 november en 10 december 2019 en op 16 juli 2020.

(8)      Overeenkomstig de vierde alinea van punt [VII, lid 2,] van de werkwijze van de selectiecommissie heeft de selectiecommissie de kandidaten volgens hun kwalificaties en ervaring gerangschikt. Deze rangschikking geeft de voorkeur van de selectiecommissie weer en is niet bindend voor de Raad.”

32      In overweging 12 van het bestreden besluit wijst de Raad erop dat hij de respectieve verdiensten van de kandidaten heeft beoordeeld aan de hand van de gemotiveerde adviezen van de selectiecommissie. In overweging 13 van dat besluit preciseert de Raad dat hij naar aanleiding van die beoordeling de door de selectiecommissie aangegeven niet-bindende volgorde van voorkeur heeft gevolgd voor alle kandidaten die door de deelnemende lidstaten zijn voorgedragen, behalve voor de door het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije en de Portugese Republiek voorgedragen kandidaten, waarvoor hij zich heeft gebaseerd op een andere beoordeling van hun verdiensten die in de betrokken voorbereidende instanties van de Raad is verricht.

33      Artikel 1 van het bestreden besluit luidt:

„De volgende personen worden benoemd tot Europese aanklagers van het EOM als tijdelijk functionaris in rang AD 13 voor een niet-verlengbare termijn van zes jaar met ingang van 29 juli 2020:

De heer Yves Van Den Berge

[...]”

34      Bij brief van 7 oktober 2020 heeft de Raad verzoeker, net als alle andere niet-gekozen kandidaten, in kennis gesteld van het bestreden besluit en van de relevante informatie betreffende de redenen voor het besluit om een andere kandidaat, in casu Van Den Berge, te benoemen.

35      Aldus heeft de Raad erop gewezen [vertrouwelijk].

36      Dienaangaande heeft de Raad verscheidene verduidelijkingen aangebracht. Aldus heeft hij erop gewezen [vertrouwelijk].

37      Bovendien heeft de Raad benadrukt [vertrouwelijk].

38      Voorts heeft de Raad aangegeven [vertrouwelijk].

39      In dat schrijven heeft de Raad er ook op gewezen [vertrouwelijk].

40      Bij brief van 19 oktober 2020 heeft verzoeker de Raad verzocht hem alle documenten met betrekking tot het verloop van de hem betreffende selectieprocedure te sturen. Als antwoord heeft de Raad verzoeker op 25 november 2020 de volgende documenten verstrekt: de beoordeling van zijn kandidatuur door de selectiecommissie, de schriftelijke motivering van het Koninkrijk België om af te wijken van de voorkeursvolgorde die de selectiecommissie had vastgesteld met betrekking tot de door die lidstaat voor het ambt van Europese aanklager voorgedragen kandidaten, uittreksels uit de notulen van de Copen-zittingen van 26 november 2019, 12 december 2019 en 1 juli 2020, voor zover deze betrekking hadden op de selectie van de door die lidstaat voorgedragen kandidaten, document 12175/19 van de Raad van 18 december 2019, waarin de interne procedure wordt omschreven die binnen de Raad moet worden gevolgd voor de benoeming van de Europese aanklagers, en twee andere documenten inzake de betrokkenheid in die procedure van de „groep Antici”.

 Procedure en conclusies van partijen

41      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 21 oktober 2020, heeft verzoeker het onderhavige beroep ingesteld.

42      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 januari 2021, heeft het Koninkrijk België verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Raad. Bij beslissing van 23 februari 2021 heeft de president van de Negende kamer van het Gerecht dit verzoek ingewilligd. Het Koninkrijk België heeft zijn memorie neergelegd en de hoofdpartijen hebben het Gerecht binnen de gestelde termijnen meegedeeld dat zij op die memorie geen opmerkingen hadden.

43      Op 26 januari 2021 heeft de Raad het verweerschrift ter griffie van het Gerecht neergelegd.

44      Na op 11 februari 2021 daartoe, op basis van artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, een met redenen omkleed verzoek van de Raad te hebben ontvangen, heeft het Gerecht besloten om de inhoud van de brief van de Raad van 7 oktober 2020, die als bijlage bij het verzoekschrift was gevoegd, en die van de brief van de Raad van 25 november 2020 en de bijlagen daarbij, die als bijlage bij het verweerschrift waren gevoegd, weg te laten uit de openbare versie van het onderhavige arrest.

45      Verzoeker en de Raad hebben de repliek en de dupliek neergelegd op respectievelijk 12 maart en 19 april 2021.

46      Na het overlijden van rechter Berke op 1 augustus 2021 heeft de president van de Negende kamer een andere rechter aangewezen om de kamer te vervolledigen.

47      In het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering opgenomen maatregelen tot organisatie van de procesgang heeft het Gerecht schriftelijke vragen gesteld aan partijen. Zij hebben binnen de gestelde termijn op die vragen geantwoord.

48      Het Gerecht heeft krachtens artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering beslist om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling.

49      Verzoeker verzoekt het Gerecht:

–        het bestreden besluit nietig te verklaren, voor zover daarbij Van Den Berge wordt benoemd tot Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie met ingang van 29 juli 2020;

–        de Raad in de kosten te verwijzen.

50      De Raad verzoekt het Gerecht:

–        het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoeker in de kosten te verwijzen;

–        subsidiair, de gevolgen van het bestreden besluit overeenkomstig artikel 264, tweede alinea, VWEU te handhaven totdat deze handeling is vervangen door de nieuwe, volgens de regels vastgestelde handeling, doch uiterlijk tot 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van de beslissing van de rechterlijke instanties van de Unie waarbij in de onderhavige zaak definitief uitspraak wordt gedaan.

51      Het Koninkrijk België verzoekt het Gerecht het beroep te verwerpen.

 In rechte

52      Ter ondersteuning van het beroep voert verzoeker in wezen drie middelen aan. Het eerste middel is in wezen ontleend aan schending van de regels die van toepassing zijn op de benoeming van de Europese aanklagers, in het bijzonder de procedureregels die zijn vastgesteld in artikel 14, lid 3, en artikel 16, leden 1 tot en met 3, van verordening 2017/1939, alsmede artikel 1 van uitvoeringsbesluit 2018/1696, punt VI, lid 2, en punt VII, lid 2, van de werkwijze van de selectiecommissie en het non-discriminatiebeginsel. Het tweede middel is ontleend aan niet-nakoming van de in artikel 296 VWEU bedoelde en in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) neergelegde motiveringsplicht. Het derde middel is ontleend aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, aan niet-nakoming van de zorgvuldigheidsplicht en aan een kennelijke beoordelingsfout.

 Eerste middel, ontleend aan schending van de bepalingen inzake de procedure voor de benoeming van de Europese aanklagers en het non-discriminatiebeginsel

53      Het eerste middel bestaat uit twee onderdelen.

 Eerste onderdeel van het eerste middel

54      Met het eerste onderdeel van het eerste middel betoogt verzoeker in wezen dat de Raad de bepalingen inzake de procedure voor de vaststelling van het bestreden besluit heeft geschonden door de verdiensten van de drie door het Koninkrijk België voorgedragen kandidaten te vergelijken op basis van het advies van het College van procureurs-generaal en van de federale procureur van deze lidstaat, en niet op basis van het advies van de selectiecommissie.

55      Verzoeker voert in dat verband aan dat uit artikel 16 van verordening 2017/1939 naar voren komt dat de Raad, na ontvangst van het gemotiveerde advies van de selectiecommissie, een van de drie kandidaten selecteert en benoemt die zijn voorgedragen door elk van de lidstaten die deelnemen aan het Europees Openbaar Ministerie. Hieruit volgt dat de Raad zijn keuze van een van de betreffende drie kandidaten noodzakelijkerwijze moet baseren op het advies van de selectiecommissie. Volgens verzoeker kan de Raad het advies van de selectiecommissie dus niet vervangen door dat van de betrokken lidstaat of de bevoegde nationale autoriteit, die alleen tot taak hebben om drie kandidaten voor te dragen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 16, lid 1, van verordening 2017/1939.

56      Deze lezing van artikel 16 van verordening 2017/1939 wordt door de Raad zelf bevestigd in intern document 12175/19 van 18 september 2019 tot vaststelling van de binnen de Raad te volgen procedure voor de benoeming van de Europese aanklagers, dat als bijlage bij het verweerschrift is gevoegd.

57      Volgens verzoeker komt uit overweging 13 van het bestreden besluit alsmede uit de brief van de Raad van 7 oktober 2020 en de door de Raad in de bijlage bij het verweerschrift aangevoerde bewijzen evenwel naar voren dat de Raad, door met betrekking tot de benoeming tot Europese aanklager van een door het Koninkrijk België voorgedragen kandidaat het door het College van procureurs-generaal en de federale procureur van België uitgebrachte advies over te nemen, de door de selectiecommissie in haar gemotiveerde advies uitgevoerde vergelijking van de verdiensten van de door die lidstaat voorgedragen kandidaten in strijd met artikel 16 van verordening 2017/1939 terzijde heeft geschoven ten voordele van een andere vergelijking van de verdiensten, waarin verordening 2017/1939 niet voorziet en die door instanties is uitgevoerd die daartoe niet bevoegd zijn.

58      De Raad en het Koninkrijk België betwisten verzoekers argumenten.

59      Vooraf moet worden opgemerkt dat verzoeker niet betwist dat de procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid, in werkelijkheid is verlopen zoals omschreven in de punten 10 tot en met 30 hierboven.

60      Tevens moet erop worden gewezen dat verzoeker geen exceptie van onwettigheid ten aanzien van artikel 16 of artikel 14 van verordening 2017/1939 of ten aanzien van de werkwijze van de selectiecommissie heeft opgeworpen, doch aanvoert dat de Raad die bepalingen in casu heeft geschonden.

61      Wat betreft de bepalingen inzake de procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid, zij er dienaangaande aan herinnerd dat de Raad overeenkomstig artikel 16, lid 2, van verordening 2017/1939 een van de drie door de betrokken lidstaat voorgedragen kandidaten selecteert en tot Europese aanklager van die lidstaat benoemt nadat hij het gemotiveerde advies van de selectiecommissie heeft ontvangen. In dezelfde bepaling staat dat indien de selectiecommissie van oordeel is dat een kandidaat niet aan de gestelde voorwaarden voldoet om de taken van een Europese aanklager uit te voeren, dat oordeel bindend is voor de Raad.

62      Voorts zij eraan herinnerd dat in artikel 16, lid 3, van verordening 2017/1939 is bepaald dat „[d]e Raad, die met gewone meerderheid van stemmen besluit, [...] de Europese aanklagers [selecteert en benoemt] voor een termijn van zes jaar, die niet kan worden verlengd”.

63      De precieze omvang van de aan de selectiecommissie toevertrouwde taak wordt in de werkwijze van de selectiecommissie nader omschreven.

64      Zo toetst de selectiecommissie overeenkomstig punt VI, lid 2, van de werkwijze van de selectiecommissie de kandidaturen van de voorgedragen kandidaten aan de vereisten van artikel 16, lid 1, van verordening 2017/1939 en nodigt zij deze personen uit voor een gesprek, dat persoonlijk is. Overeenkomstig punt VII, lid 2, eerste alinea, van die werkwijze stelt de selectiecommissie, uitgaande van haar bevindingen tijdens de toetsing en het gesprek, een gemotiveerd advies op over de kwalificaties van de kandidaten om de taken van Europese aanklager uit te voeren, waarin zij uitdrukkelijk aangeeft of zij aan de voorwaarden van artikel 16, lid 1, van verordening 2017/1939 voldoen. Punt VII, lid 2, tweede alinea, van de werkwijze van de selectiecommissie luidt dat „[i]ndien de voorgedragen kandidaten niet aan [genoemde] voorwaarden [...] voldoen, [...] de selectiecommissie via het secretariaat de betrokken lidstaat [verzoekt] om een overeenkomstig aantal nieuwe kandidaten voor te dragen”. Ten slotte rangschikt de selectiecommissie overeenkomstig punt VII, lid 2, derde alinea, van die werkwijze de kandidaten op basis van hun kwalificaties en ervaring. Deze rangschikking geeft de voorkeur van de selectiecommissie weer en is niet bindend voor de Raad.

65      Uit deze bepalingen volgt dat de opdracht van de selectiecommissie met betrekking tot de procedure voor de benoeming van de Europese aanklagers, zoals de Raad terecht opmerkt, uit twee verschillende taken bestaat. De eerste taak bestaat erin een gemotiveerd advies op te stellen over de kwalificaties van de kandidaten om de taken van Europese aanklager uit te voeren, waarin uitdrukkelijk wordt aangegeven of zij aan de voorwaarden van artikel 16, lid 1, van verordening 2017/1939 voldoen. Dit advies, dat wordt uitgebracht na toetsing van de kandidaturen en een persoonlijk gesprek van de selectiecommissie met de kandidaten, is bindend voor de Raad wanneer daarin wordt geoordeeld dat een kandidaat niet voldoet aan de voorwaarden om de taken van Europese aanklager uit te voeren. In dat geval verzoekt de selectiecommissie de betrokken lidstaat een nieuwe kandidaat voor te dragen. De Raad, die overeenkomstig artikel 16, lid 2, van verordening 2017/1939 pas een van de drie door de betrokken lidstaat voorgedragen kandidaten kan kiezen en benoemen tot Europese aanklager na ontvangst van het gemotiveerde advies van de selectiecommissie over de kwalificaties van die kandidaten om die functie uit te oefenen, zal derhalve pas een besluit ter zake kunnen nemen wanneer de selectiecommissie over drie door de betrokken lidstaat voorgedragen kandidaten een positief gemotiveerd advies heeft uitgebracht. Hieruit volgt dat de selectiecommissie in de eerste plaats tot taak heeft ervoor te zorgen dat de Raad zal moeten kiezen tussen drie kandidaten die, gelet op hun kwalificaties, elk voldoen aan de voorwaarden om het ambt van Europese aanklager uit te oefenen.

66      De tweede taak van de selectiecommissie bestaat erin de door de betrokken lidstaat voorgedragen kandidaten te rangschikken op basis van hun kwalificaties en ervaring, dat wil zeggen de verdiensten van die kandidaten te vergelijken, waaruit een voorkeursvolgorde naar voren komt. Zoals in punt 64 hierboven in herinnering is gebracht, wordt in punt VII, lid 2, derde alinea, van de werkwijze van de selectiecommissie uitdrukkelijk bepaald dat die rangschikking niet bindend is voor de Raad. Hieruit volgt dat de tweede taak van de selectiecommissie erin bestaat om, louter adviserend, een vergelijking te maken tussen de verdiensten van de drie kandidaten die door de betrokken lidstaat zijn voorgedragen en voldoen aan de voorwaarden om de taken van Europese aanklager uit te voeren, en dat de Raad zijn besluit om een van die kandidaten in het ambt van Europese aanklager te benoemen, in voorkomend geval op die vergelijking zal kunnen baseren.

67      In casu blijkt uit het advies van de selectiecommissie van 20 juni 2020 met betrekking tot de drie door het Koninkrijk België voor het ambt van Europese aanklager voorgedragen kandidaten, waarvan de inhoud is uiteengezet in de punten 14 tot en met 16 hierboven, dat de selectiecommissie, na de kandidaturen te hebben onderzocht en die kandidaten te hebben gehoord, van oordeel was dat zij voldeden aan de in artikel 16, lid 1, van verordening 2017/1939 gestelde voorwaarden om de taken van Europese aanklager uit te voeren. Uit dit advies blijkt eveneens dat de selectiecommissie de kandidaten heeft gerangschikt in voorkeursvolgorde, waarbij verzoeker op de eerste plaats en Van Den Berge op de derde plaats zijn gerangschikt, en dat deze voorkeursvolgorde is gebaseerd op een vergelijking van de kwalificaties en de ervaring van die kandidaten.

68      Voorts blijkt uit de notulen van verschillende Copen-zittingen (zie de punten 19, 20 en 27 hierboven) dat de delegatie van het Koninkrijk België in de fase van het onderzoek van de kandidaturen voor de ambten van Europese aanklager erop heeft gewezen [vertrouwelijk].

69      Uit overweging 13 van het bestreden besluit (zie punt 32 hierboven) en de brief van de Raad van 7 oktober 2020 (zie de punten 34 tot en met 36 hierboven) volgt bovendien dat de Raad, wat de benoeming van de Europese aanklager van het Koninkrijk België betreft, zijn besluit niet heeft gebaseerd op de door de selectiecommissie opgestelde rangschikking, maar op „een andere vergelijking van de verdiensten”. Uit dezelfde elementen blijkt dat in het kader van deze vergelijking bijzondere aandacht is besteed aan de omstandigheid dat [vertrouwelijk].

70      Derhalve moet worden vastgesteld dat de selectiecommissie na de rangschikking op basis van de kwalificaties en de ervaring van de drie door het Koninkrijk België voor het ambt van Europese aanklager voorgedragen kandidaten weliswaar van oordeel was dat verzoeker de meest geschikte kandidaat was om de betrokken taken uit te voeren, maar dat de Raad het bestreden besluit heeft gebaseerd op een andere vergelijking van de verdiensten, waarin het advies van het College van procureurs-generaal, dat hem door de Belgische autoriteiten was meegedeeld, een beslissende rol heeft gespeeld.

71      Ten eerste zij eraan herinnerd dat de rangschikking die de selectiecommissie op basis van de kwalificaties en de ervaring van de drie door de betrokken lidstaat voorgedragen kandidaten heeft opgesteld, overeenkomstig punt VII, lid 2, derde alinea, van de werkwijze van de selectiecommissie niet bindend is voor de Raad (zie punt 63 hierboven).

72      Ten tweede moet erop worden gewezen dat noch artikel 16, leden 2 en 3, van verordening 2017/1939, noch de werkwijze van de selectiecommissie eraan in de weg staan dat de Raad, bij de keuze die hij in het kader van de hem bij dat artikel 16, leden 2 en 3, toegekende bevoegdheid tussen de drie door een lidstaat voorgedragen kandidaten moet maken, rekening houdt met de informatie die hem door de regeringen van de in de Raad vertegenwoordigde lidstaten is verstrekt, in voorkomend geval door de betrokken lidstaat zelf.

73      Hieruit volgt dat verzoeker ten onrechte betoogt dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met de procedureregels voor de vaststelling van dat besluit, en met name met de artikelen 14 en 16 van verordening 2017/1939 en punt VI, lid 2, en punt VII, lid 2, van de werkwijze van de selectiecommissie.

74      Derhalve dient het eerste onderdeel van het eerste middel ongegrond te worden verklaard.

 Tweede onderdeel van het eerste middel

75      Met het tweede onderdeel van het eerste middel betoogt verzoeker dat de Raad het non-discriminatiebeginsel heeft geschonden door zijn besluit tot benoeming van de Europese aanklagers van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije en de Portugese Republiek te baseren op een vergelijking van de verdiensten door een daartoe niet bevoegde instantie, terwijl hij datzelfde benoemingsbesluit ten aanzien van de andere aan het Europees Openbaar Ministerie deelnemende lidstaten overeenkomstig verordening 2017/1939 heeft gebaseerd op het advies van de selectiecommissie.

76      Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat het algemene beginsel van non-discriminatie of gelijke behandeling enkel wordt geschonden wanneer vergelijkbare situaties verschillend of verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is (zie arresten van 5 december 2013, Solvay/Commissie, C‑455/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:796, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 juni 2021, Krajowa Izba Gospodarcza Chłodnictwa i Klimatyzacji/Commissie, T‑126/19, EU:T:2021:360, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

77      Anders dan verzoeker betoogt, kan in casu uit het feit dat de Raad zich niet heeft gehouden aan de rangschikking die door de selectiecommissie is opgesteld voor de benoeming van de Europese aanklagers voor het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije en de Portugese Republiek, niet worden afgeleid dat hij zijn besluit dienaangaande heeft gebaseerd op een vergelijking van de verdiensten door een daartoe niet bevoegde instantie.

78      Er zij immers aan herinnerd dat uit de bepalingen van verordening 2017/1939 en de werkwijze van de selectiecommissie volgt dat de door deze commissie opgestelde rangschikking van de kandidaten die door een aan het Europees Openbaar Ministerie deelnemende lidstaat zijn voorgedragen, niet bindend is voor de Raad en dat het de Raad vrijstaat om, in het kader van de vergelijking van de verdiensten van die kandidaten die hij uiteindelijk dient te maken, rekening te houden met de informatie die door de in hem vertegenwoordigde lidstaten is verstrekt (zie de punten 71 en 72 hierboven).

79      Dat de toepassing van de bij verordening 2017/1939 vastgestelde procedureregels ertoe heeft geleid dat de Raad in sommige gevallen de door de selectiecommissie opgestelde rangschikking heeft gevolgd en in andere gevallen van die rangschikking is afgeweken en zijn besluit op een andere vergelijking van de verdiensten heeft gebaseerd, is, zoals de Raad aanvoert, dan ook niet van dien aard dat daaruit zou blijken dat bepaalde kandidaten op discriminerende wijze zijn behandeld.

80      Het tweede onderdeel van het eerste middel moet dus ongegrond worden verklaard, en bijgevolg het eerste middel in zijn geheel.

 Tweede middel, ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht

81      Verzoeker betoogt dat in het bestreden besluit, zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, niet wordt gemotiveerd waarom de Raad ervoor heeft gekozen af te wijken van de door de selectiecommissie vastgestelde voorkeursvolgorde en zich te baseren op een andere vergelijking van de verdiensten, die is gemaakt door de voorbereidende instanties van de Raad.

82      Volgens verzoeker kan dat motiveringsgebrek niet worden ondervangen door de brief van de Raad van 7 oktober 2020. Ten eerste gaat het immers om een achteraf toegezonden motivering, die dus niet is opgenomen in het bestreden besluit zoals dat in het Publicatieblad is bekendgemaakt. De motivering van een besluit, die juist bedoeld is om de grondslag van het besluit vast te stellen en de keuze te rechtvaardigen die de Raad bij de vaststelling ervan heeft gemaakt, moet bestaan en worden aangegeven op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld.

83      Ten tweede zijn de in die brief aangevoerde redenen niet relevant, aangezien zij in strijd zijn met de bij verordening 2017/1939 ingevoerde regeling voor de beoordeling van de kandidaturen voor het ambt van Europese aanklager. Verzoeker verwijst in dit verband naar de omstandigheid dat de Raad de keuze van de kandidaat die is benoemd tot Europese aanklager van het Koninkrijk België heeft gerechtvaardigd met het feit dat [vertrouwelijk]. Verzoeker wijst er in dit verband ook op dat de Raad zijn keuze heeft gerechtvaardigd met het feit dat [vertrouwelijk]. Volgens verzoeker konden deze omstandigheden niet rechtvaardigen dat de Raad het advies van een nationale autoriteit laat prevaleren boven dat van de bevoegde instantie van de Unie, namelijk de selectiecommissie. Bovendien is het criterium inzake [vertrouwelijk] volgens verzoeker niet van dien aard dat het rechtvaardigt dat aan de kandidatuur van de benoemde persoon de voorkeur is gegeven boven die van verzoeker.

84      De Raad en het Koninkrijk België betwisten verzoekers argumenten.

85      Allereerst moet in herinnering worden gebracht dat de door artikel 296 VWEU en door artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest voorgeschreven motiveringsplicht afhangt van de aard van de betrokken handeling en de context waarin deze is vastgesteld. De motivering moet de redenering van de instelling duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen teneinde hun rechten te kunnen verdedigen en te kunnen nagaan of het besluit al dan niet gegrond is, en de Unierechter zijn rechtmatigheidstoezicht kan uitoefenen (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

86      Hieruit volgt dat de motivering in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene moet worden meegedeeld en dat het ontbreken van een motivering niet kan worden geregulariseerd door de omstandigheid dat de betrokkene tijdens de procedure voor de Unierechter kennis krijgt van de redenen van het besluit (arrest van 28 februari 2008, Neirinck/Commissie, C‑17/07 P, EU:C:2008:134, punt 50; zie ook arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

87      In casu zij erop gewezen dat de Raad bij het bestreden besluit een van de drie kandidaten die zijn voorgedragen door elk van de lidstaten die deelnemen aan de nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie, heeft geselecteerd en benoemd in het ambt van Europese aanklager.

88      Ten eerste moet worden vastgesteld dat een dergelijk benoemingsbesluit niet kan worden aangemerkt als een handeling van algemene strekking, aangezien het geen betrekking heeft op categorieën van personen die op algemene en abstracte wijze kunnen worden bepaald, en alle justitiabelen van de Unie die onder de bevoegdheid van het Europees Openbaar Ministerie vallen, evenmin kunnen worden beschouwd als personen die bij het benoemingsbesluit worden beoogd. Bovendien wordt het rechtskarakter van het bestreden besluit niet anders door de bekendmaking ervan in het Publicatieblad (zie beschikking van 8 juli 2021, Mendes de Almeida/Raad, T‑75/21, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2021:424, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89      Ten tweede zij erop gewezen dat het besluit waarbij bepaalde kandidaten die zijn voorgedragen door de lidstaten die deelnemen aan de nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie, zijn benoemd in het ambt van Europese aanklager, onlosmakelijk is verbonden met de impliciete weigering om de andere door die lidstaten voorgedragen kandidaten in dat ambt te benoemen (zie beschikking van 8 juli 2021, Mendes de Almeida/Raad, T‑75/21, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2021:424, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

90      Hieruit volgt dat het bestreden besluit moet worden beschouwd als een geheel van individuele handelingen die bezwarend zijn voor andere personen dan die tot wie zij zijn gericht, namelijk de kandidaten die zijn voorgedragen door de lidstaten die deelnemen aan het Europees Openbaar Ministerie, en die door de Raad niet tot Europese aanklager zijn benoemd (zie beschikking van 8 juli 2021, Mendes de Almeida/Raad, T‑75/21, niet gepubliceerd, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2021:424, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

91      Gelet op de in de punten 85 en 86 hierboven aangehaalde rechtspraak moet dus worden geoordeeld dat de motivering van het bestreden besluit, voor zover daarbij verzoekers kandidatuur voor het ambt van Europese aanklager van het Koninkrijk België impliciet is afgewezen, in beginsel tegelijk met het bestreden besluit aan hem had moeten worden meegedeeld.

92      Dienaangaande moet worden vastgesteld dat de enige motivering in het bestreden besluit, zoals bekendgemaakt in het Publicatieblad, is te vinden in overweging 13 ervan. Daarin wordt namelijk aangegeven dat „[w]at de door België, Bulgarije en Portugal voorgedragen kandidaten betreft, [...] de Raad niet de niet-bindende volgorde van voorkeur van de selectiecommissie [heeft] gevolgd, op basis van een andere beoordeling van de verdiensten van die kandidaten die in de betrokken voorbereidende instanties van de Raad is verricht”.

93      Verzoeker betoogt dat hij op grond van deze motivering niet heeft kunnen achterhalen waarom de Raad ervoor heeft gekozen af te wijken van de voorkeursvolgorde van de selectiecommissie, die hem had aangewezen als de kandidaat die van de door het Koninkrijk België voorgedragen kandidaten het meest geschikt was om de taken van Europese aanklager uit te voeren. Volgens verzoeker had de Raad immers, gelet op de inhoud van het advies van de selectiecommissie, moeten motiveren waarom hij had besloten van die voorkeursvolgorde af te wijken.

94      Dienaangaande moet erop worden gewezen dat het niet noodzakelijk is dat alle relevante gegevens, feitelijk of rechtens, in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de eisen van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 6 september 2006, Portugal/Commissie, C‑88/03, EU:C:2006:511, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

95      Zoals opgemerkt in punt 66 hierboven, blijkt evenwel duidelijk uit punt VII, lid 2, derde alinea, van de werkwijze van de selectiecommissie dat de rangschikking die de selectiecommissie met betrekking tot de drie door het Koninkrijk België voor het ambt van Europese aanklager voorgedragen kandidaten had opgesteld op basis van de kwalificaties en de ervaring van die kandidaten, niet bindend was voor de Raad. Het stond de Raad derhalve vrij deze rangschikking over te nemen, dan wel zijn besluit te baseren op een andere vergelijking van de verdiensten van de kandidaten.

96      Verzoeker betoogt dus ten onrechte dat hij op grond van de motivering van het bestreden besluit had moeten kunnen achterhalen waarom de Raad had besloten om de door de selectiecommissie opgestelde voorkeursvolgorde niet te volgen.

97      Evenwel moet worden opgemerkt dat verzoeker noch het Gerecht, anders dan de Raad stelt, op grond van de motivering in overweging 13 van het bestreden besluit op zich kunnen achterhalen waarom de Raad van mening was dat de in het ambt van Europese aanklager van het Koninkrijk België benoemde kandidaat meer verdiensten had dan verzoeker.

98      Het argument van de Raad dat verzoeker, gelet op het feit dat hij het advies van het College van procureurs-generaal van België en het advies van de selectiecommissie, voor zover deze documenten hem betroffen, had ontvangen, kon begrijpen waarom aan de kandidatuur van de benoemde kandidaat de voorkeur was gegeven boven de zijne, kan aan deze vaststelling niet afdoen, aangezien het bestreden besluit geen aanwijzing bevat over het feit dat de Raad zijn besluit heeft gebaseerd op de informatie die het Koninkrijk België had verstrekt met betrekking tot het advies van het College van procureurs-generaal en de federale procureur over de meest geschikte kandidaat om de taken van Europese aanklager uit te voeren.

99      Vastgesteld zij evenwel dat de Raad in zijn brief van 7 oktober 2020, waarvan de inhoud is weergegeven in de punten 34 tot en met 36 hierboven, voldoende uitvoerig heeft uiteengezet waarom hij van mening was dat de benoemde kandidaat beter geschikt was om de taken van Europese aanklager uit te voeren dan de twee andere kandidaten.

100    Ofschoon het dus wenselijk zou zijn geweest dat de aanvullende redenen voor de afwijzing van verzoekers kandidatuur gelijktijdig met de bekendmaking van het bestreden besluit in het Publicatieblad aan hem waren meegedeeld, moet erop worden gewezen dat verzoeker van die redenen kennis heeft kunnen nemen bij brief van de Raad van 7 oktober 2020, dat wil zeggen vóór de instelling van het beroep, en dat die mededeling hem in casu in staat heeft gesteld de gegrondheid van dat besluit te beoordelen en zijn rechten te verdedigen, hetgeen blijkt uit de ter ondersteuning van het derde middel aangevoerde argumenten, die uitdrukkelijk verwijzen naar de door de Raad in zijn brief van 7 oktober 2020 aangevoerde motivering.

101    Hieruit volgt dat verzoeker dienaangaande niet op goede gronden kan betogen dat de motiveringsplicht, zoals verduidelijkt in de in de punten 85 en 86 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, niet is nagekomen.

102    Voorts moet erop worden gewezen dat het middel dat is ontleend aan schending van artikel 296, tweede alinea, VWEU verschilt van het middel dat is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout. Terwijl het eerste middel – dat betrekking heeft op het ontbreken van motivering of ontoereikende motivering – schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 263 VWEU betreft en een middel van openbare orde is dat ambtshalve door de Unierechter moet worden opgeworpen, betreft het tweede middel – dat op de wettigheid ten gronde van een besluit betrekking heeft – namelijk schending van een rechtsregel inzake de toepassing van het VWEU in de zin van hetzelfde artikel, en kan het door de Unierechter slechts worden onderzocht indien het door de verzoeker is aangevoerd. De motiveringsplicht is dus een andere kwestie dan die van de gegrondheid van de motivering van het bestreden besluit (zie in die zin arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67).

103    De argumenten waarmee verzoeker aanvoert dat de motivering van de Raad in de brief van 7 oktober 2020 in strijd is met de bij verordening 2017/1939 ingevoerde regeling voor de beoordeling van de kandidaturen voor het ambt van Europese aanklager op grond dat de Raad het advies van het College van procureurs-generaal van België heeft laten prevaleren boven dat van de selectiecommissie, moeten bijgevolg als niet ter zake dienend worden afgewezen, voor zover zij worden aangevoerd ter ondersteuning van een middel dat is ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht.

104    Aangezien deze argumenten grotendeels samenvallen met de argumenten die verzoeker aanvoert ter ondersteuning van zijn derde middel, voor zover dit middel is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout, worden zij hoe dan ook in het kader van dat middel onderzocht.

105    Hieruit volgt dat het tweede middel, ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, ongegrond moet worden verklaard.

 Derde middel, ontleend aan schending van het beginsel van behoorlijk bestuur, niet-nakoming van de zorgvuldigheidsplicht en een kennelijke beoordelingsfout

106    Volgens verzoeker is, uit hoofde van het recht op behoorlijk bestuur, in artikel 41, lid 1, van het Handvest het recht op een onpartijdige en billijke behandeling verankerd. Dit beginsel heeft op het gebied van de openbare dienst, met name wat de benoeming in of voordracht voor een openbare functie of een openbaar ambt betreft, geleid tot het ontstaan van een zorgvuldigheidsplicht, die inhoudt dat de administratie bij het onderzoek van een zaak, a fortiori in geval van een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, alle haar voorgelegde elementen objectief dient te onderzoeken. Verzoeker herinnert eraan dat het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie heeft geoordeeld dat een instelling, door in het kader van een aanwervingsprocedure in concreto geen gebruik te maken van haar beoordelingsbevoegdheid en geen rekening te houden met elementen in het belang van de verzoekende partij die verband hielden met de aanwervingsregels en de kwalificaties en verdiensten van de betrokkene, en door aldus te verzuimen haar beoordelingsbevoegdheid concreet en in het licht van alle relevante elementen van het geval uit te oefenen, het beginsel van behoorlijk bestuur had geschonden, haar zorgvuldigheidsplicht niet was nagekomen en een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt.

107    Aangezien in casu het besluit van de Raad om een van de kandidaten te kiezen voor en te benoemen in het ambt van Europese aanklager van de betrokken lidstaat pas kon worden vastgesteld na ontvangst van het gemotiveerde advies van de selectiecommissie en die commissie tot taak had de kandidaten te rangschikken op basis van hun kwalificaties en ervaring, stond het hoe dan ook aan de Raad de keuze en de benoeming van een kandidaat te rechtvaardigen door de verdiensten van de kandidaten effectief en concreet te vergelijken, waartoe kon worden overgegaan door te verwijzen naar het advies van de selectiecommissie of door op basis van de aanwijzingen in dat advies zelf een vergelijking te maken.

108    Voorts betoogt verzoeker dat de Raad zijn besluit had moeten baseren op een vergelijking van de verdiensten op basis van objectieve gegevens, namelijk de vergelijking van de inhoud van de kandidaturen met de vereiste kwalificaties om de taken van Europese aanklager uit te voeren. Volgens verzoeker had de Raad, gelet op de omvang van zijn beroepservaring, zowel op het gebied van het onderzoek naar en de vervolging van financiële misdrijven als op het gebied van de strafrechtelijke samenwerking, bij een dergelijke vergelijking van de verdiensten moeten vaststellen dat hij relatief gezien een uitgebreidere ervaring had dan de benoemde kandidaat, hetgeen duidelijk blijkt uit het advies van de selectiecommissie. De Raad heeft de verdiensten evenwel niet in die zin vergeleken, maar louter de elementen van de door de Belgische autoriteiten overgelegde schriftelijke motivering overgenomen, welke betrekking hadden op de verdiensten van de gekozen kandidaat, zonder deze te vergelijken met die van de andere kandidaten, met name verzoeker.

109    Verzoeker verwijt de Raad ook dat hij het advies van het College van procureurs-generaal van België heeft laten prevaleren boven dat van de selectiecommissie, zonder zich over de inhoud van dat laatste advies uit te spreken en te rechtvaardigen waarom hij ervan was afgeweken.

110    Verzoeker stelt bovendien dat de bewering dat het standpunt van het College van procureurs-generaal en van de federale procureur onder meer is gebaseerd op een algemene beoordeling van de prestaties van de kandidaten gedurende hun loopbaan, niet blijkt uit het dossier. De selectiecommissie daarentegen heeft haar beoordeling volgens verzoeker wel gebaseerd op onder meer de loopbaanontwikkeling van de voorgedragen kandidaten, waarbij verzoeker zich overigens, zoals de selectiecommissie in haar advies heeft beklemtoond, kon beroepen op een aanzienlijke managementervaring, hetgeen niet het geval was voor de twee andere door het Koninkrijk België voorgedragen kandidaten.

111    Verzoeker voert eveneens aan dat de bewering van de Raad in het verweerschrift dat hij „bijzondere waarde heeft gehecht aan de bekwaamheden en de ervaring van de kandidaten met betrekking tot de bepaling en de coördinatie van de uitvoering van het strafbeleid op het centrale niveau van de lidstaten, waaronder de justitiële samenwerking in strafzaken, en aan de bekwaamheid om een grote verantwoordelijkheid te dragen op coördinerend en toezichthoudend vlak”, niet blijkt uit het dossier, met name uit de motivering van het bestreden besluit, en evenmin kan rechtvaardigen dat de voorkeur wordt gegeven aan de benoemde kandidaat, aangezien verzoeker op deze gebieden een relatief uitgebreidere beroepservaring heeft.

112    Voorts betoogt verzoeker dat de verklaring van de Raad dat „hij heeft vastgesteld dat het College van procureurs-generaal met betrekking tot de twee andere door [het Koninkrijk] België voorgedragen kandidaten, waaronder verzoeker, vrij ernstige bedenkingen heeft geuit”, niet overeenstemt met de feiten in het dossier. Verzoeker wijst erop dat in punt E van het hem betreffende advies is vermeld dat „[zijn] vroegere en huidige taken [...], met name op het gebied van de bestrijding van economische, financiële en fiscale criminaliteit, en zijn ervaring met het beheer van het COIV (Europese opdrachten – ARO – en internationale opdrachten – Carin) [...] troeven [zijn] voor het uitvoeren van de taken van Europese aanklager binnen het Europees Openbaar Ministerie”.

113    Ten slotte wijst hij erop dat de eveneens in punt E van hetzelfde advies vervatte verklaring dat hij „het College [van procureurs-generaal] er niet van [had] kunnen overtuigen dat [hij] een voldoende duidelijke visie heeft op de taken en opdrachten van het toekomstige Europees Openbaar Ministerie en zijn nationale aanklager”, met name gelet op het feit dat die verklaring afkomstig is van een nationale autoriteit, hoe dan ook moet worden gerelativeerd vergeleken met de beoordeling van verzoekers kandidatuur door de selectiecommissie in haar gemotiveerde advies.

114    De Raad en het Koninkrijk België betwisten verzoekers argumenten.

115    Opgemerkt moet worden dat verzoeker de Raad verwijt dat hij het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op de elementen in de schriftelijke motivering die door de Belgische autoriteiten zijn verstrekt tot staving van het standpunt om af te wijken van de door de selectiecommissie vastgestelde voorkeursvolgorde, terwijl deze elementen enkel betrekking hebben op de verdiensten van de benoemde kandidaat en geen vergelijking bevatten van de verdiensten van deze kandidaat met die van de twee andere kandidaten, waaronder verzoeker. Bovendien had de Raad volgens verzoeker op grond van zijn relatief uitgebreidere beroepservaring dan die van de benoemde kandidaat moeten oordelen dat hij de beste kandidaat was om de taken van Europese aanklager uit te voeren.

116    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat een instelling over een ruime beoordelingsmarge beschikt bij de beoordeling en vergelijking van de verdiensten van de kandidaten voor een te vervullen ambt en dat de elementen van die beoordeling niet alleen afhangen van de bekwaamheid en de beroepswaarde van de betrokken personen, maar ook van hun karakter, gedrag en algemene persoonlijkheid (zie arrest van 3 februari 2005, Mancini/Commissie, T‑137/03, EU:T:2005:33, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

117    Dat is des te meer het geval wanneer het te vervullen ambt een grote verantwoordelijkheid inhoudt (arrest van 3 februari 2005, Mancini/Commissie, T‑137/03, EU:T:2005:33, punt 98).

118    In casu zij erop gewezen dat volgens artikel 9 van verordening 2017/1939 de Europese aanklagers samen met de Europees hoofdaanklager het college van het Europees Openbaar Ministerie vormen, dat belast is met het nemen van besluiten over strategische aangelegenheden, zoals het bepalen van de prioriteiten en het onderzoeks- en strafvervolgingsbeleid van het Europees Openbaar Ministerie (zie overweging 24 van die verordening), alsmede over algemene aangelegenheden die voortvloeien uit individuele zaken, in het bijzonder teneinde de coherentie, efficiëntie en consistentie van het strafvervolgingsbeleid van het Europees Openbaar Ministerie in alle lidstaten te verzekeren. Dat college stelt het reglement van orde van het Europees Openbaar Ministerie vast, alsmede andere besluiten met betrekking tot de interne organisatie en de verschillende administratieve aspecten van de werking ervan.

119    Voorts hebben de Europese aanklagers volgens artikel 12, leden 1, 3 en 5, van verordening 2017/1939 verschillende verantwoordelijkheden. Zij houden met name toezicht op de onderzoeken en strafvervolgingen waarvoor de gedelegeerd Europese aanklagers die een zaak behandelen in hun lidstaat van herkomst verantwoordelijk zijn. Zij mogen instructies geven aan de behandelende gedelegeerd Europese aanklager, fungeren als contactpersoon en informatiekanaal tussen de permanente kamers en de gedelegeerd Europese aanklagers in hun respectieve lidstaten van herkomst. Tevens monitoren zij de uitvoering van de taken van het Europees Openbaar Ministerie in hun respectieve lidstaat, onder meer om jurisdictiegeschillen tussen de nationale autoriteiten en het Europees Openbaar Ministerie te voorkomen. Anders dan de gedelegeerd Europese aanklagers, zijn de Europese aanklagers niet belast met het beheer van onderzoeken, strafvervolgingen en het voor de rechters van de lidstaten brengen van zaken.

120    Daarnaast dient het Europees Openbaar Ministerie, net als de centrale autoriteiten van de lidstaten, de functie van centrale autoriteit op zich te nemen met het oog op samenwerking op basis van de verschillende instrumenten voor internationale samenwerking in strafzaken, zoals bepaald in artikel 104 van verordening 2017/1939 (zie ook overweging 109 van die verordening).

121    Hieruit volgt dat de Europese aanklagers grote verantwoordelijkheden hebben, hetgeen overigens wordt bevestigd door rang AD 13 waarin zij worden benoemd, die volgens bijlage I bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie overeenkomt met de functie van adviseur of gelijkwaardig. De functie van Europese aanklager bevindt zich dus tussen die van directeur (AD 15-AD 14) en die van afdelingshoofd of gelijkwaardig (AD 9-AD 14).

122    Overeenkomstig de in de punten 116 en 117 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak beschikt de Raad derhalve over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling en de vergelijking van de verdiensten van de kandidaten voor het ambt van Europese aanklager van een lidstaat.

123    Verzoekers argumenten moeten dan ook worden beoordeeld in het licht van de ruime beoordelingsmarge waarover de Raad beschikte.

124    Wat ten eerste verzoekers argument betreft dat de Raad de verdiensten van de drie door het Koninkrijk België voorgedragen kandidaten niet heeft vergeleken, maar zich enkel heeft gebaseerd op door deze lidstaat verstrekte informatie die uitsluitend betrekking had op de verdiensten van de benoemde kandidaat, zij erop gewezen dat de Belgische autoriteiten in hun schriftelijke motivering van 27 februari 2020 aan de Raad hebben meegedeeld dat [vertrouwelijk].

125    Bovendien zij erop gewezen dat de Raad, alvorens de beroepservaring van de benoemde kandidaat nauwgezet te beschrijven, in zijn brief van 7 oktober 2020 heeft verklaard dat [vertrouwelijk].

126    Vastgesteld moet dus worden dat de motivering van het bestreden besluit, zoals aangevuld bij de brief van 7 oktober 2020, weliswaar geen gedetailleerde vergelijkende beoordeling van de verdiensten van elk van de drie door het Koninkrijk België voorgedragen kandidaten bevat, maar dat uit die motivering niettemin blijkt dat de Raad van oordeel was dat de verdiensten van de benoemde kandidaat, zoals in die brief nader uiteengezet, groter waren dan die van de twee andere kandidaten, waaronder verzoeker.

127    Verzoekers argument dat de Raad het bestreden besluit niet heeft gebaseerd op een vergelijking van de verdiensten van de drie door het Koninkrijk België voor het ambt van Europese aanklager voorgedragen kandidaten, moet dus worden afgewezen.

128    Wat ten tweede verzoekers argument betreft dat de Raad zich ten onrechte heeft gebaseerd op het advies van het College van procureurs-generaal van België zonder dat advies te vergelijken met dat van de selectiecommissie, volstaat het eraan te herinneren dat de door de selectiecommissie opgestelde rangschikking van de door het Koninkrijk België voorgedragen kandidaten, zoals in punt 63 hierboven is vastgesteld, niet bindend was voor de Raad.

129    Wat ten derde verzoekers argument betreft dat de Raad ten onrechte heeft aangegeven dat het College van procureurs-generaal van België ernstige bedenkingen ten aanzien van hem had geuit, zij erop gewezen dat het advies van dit college wel degelijk de volgende positieve beoordeling bevat: „De vroegere en huidige taken van [verzoeker], met name op het gebied van de bestrijding van economische, financiële en fiscale criminaliteit, en zijn ervaring met het beheer van het COIV (Europese opdrachten – ARO – en internationale opdrachten – Carin) zijn troeven voor het uitvoeren van de taken van Europese aanklager binnen het Europees Openbaar Ministerie.” In hetzelfde advies staat evenwel dat „[verzoeker] het College [van procureurs-generaal] er niet van [had] kunnen overtuigen dat [hij] een voldoende duidelijke visie heeft op de taken en opdrachten van het toekomstige Europees Openbaar Ministerie en zijn nationale aanklager”. Bovendien moet worden beklemtoond dat het College van procureurs-generaal ter afsluiting van zijn advies „een gereserveerd advies (op een schaal van zeer positief – positief – gereserveerd – negatief) voor het mandaat van Europese aanklager” heeft uitgebracht. De Raad heeft zich dan ook niet vergist door in de brief van 7 oktober 2017 aan te geven dat het College van procureurs-generaal grote bedenkingen had geuit ten aanzien van verzoekers kandidatuur voor het ambt van Europese aanklager.

130    Wat ten vierde verzoekers argument betreft dat zijn beroepservaring uitgebreider is dan die van de benoemde kandidaat, moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de brief van de Raad van 7 oktober 2020, [vertrouwelijk]. In die omstandigheden is het feit dat verzoekers beroepservaring op die gebieden uitgebreider was dan die van de benoemde kandidaat, ervan uitgaande dat dit vaststaat, niet van dien aard – gelet op de ruime beoordelingsmarge waarover de Raad beschikt – dat daaruit blijkt dat sprake is van een kennelijke beoordelingsfout van de Raad.

131    In het licht van de voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat verzoeker niet heeft aangetoond dat de Raad de grenzen van zijn ruime beoordelingsbevoegdheid in casu zou hebben overschreden door Van Den Berge te selecteren en te benoemen in het ambt van Europese aanklager.

132    Daarnaast moet er, zoals de Raad doet, op worden gewezen dat het argument dat verzoeker aanvoert om de gestelde schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en de gestelde niet-nakoming van de zorgvuldigheidsplicht aan te tonen, berust op het uitgangspunt dat verzoekers kandidatuur voor het ambt van Europese aanklager noodzakelijkerwijze zou zijn geselecteerd indien de Raad in casu de uit deze beginselen voortvloeiende verplichtingen was nagekomen. Evenwel moet worden vastgesteld dat een dergelijk argument samenvalt met de grieven die verzoeker heeft aangevoerd in het kader van het tweede middel, ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, en in het kader van het onderhavige middel voor zover het is ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout, welke grieven reeds zijn afgewezen.

133    In die omstandigheden moet het derde middel ongegrond worden verklaard.

134    Gelet op een en ander moet het beroep worden verworpen.

 Kosten

135    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van de Raad worden verwezen in zijn eigen kosten en in de kosten van de Raad.

136    Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. Het Koninkrijk België zal derhalve zijn eigen kosten dragen.

HET GERECHT (Negende kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Jean-Michel Verelst zal, naast zijn eigen kosten, de kosten van de Raad van de Europese Unie dragen.

3)      Het Koninkrijk België zal zijn eigen kosten dragen.

Costeira

Kancheva

Perišin

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 januari 2022.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.


1 Weggelaten vertrouwelijke gegevens.