14.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 433/16


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzgericht (Oostenrijk) op 6 augustus 2020 — QY / Finanzamt Wien für den 8., 16. und 17. Bezirk

(Zaak C-372/20)

(2020/C 433/20)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzgericht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: QY

Verwerende partij: Finanzamt Wien für den 8., 16. und 17. Bezirk

Prejudiciële vragen

Eerste prejudiciële vraag:

Dient artikel 11, lid 3, onder e), van verordening (EG) nr. 883/2004 (1) aldus te worden uitgelegd dat die bepaling ziet op een situatie waarin een werkneemster die onderdaan is van een lidstaat waar zij en haar kinderen ook woonachtig zijn, met een in een andere lidstaat gevestigde werkgever een arbeidsverhouding als ontwikkelingswerker aangaat die volgens de wetgeving van de staat van vestiging onderworpen is aan het verplichte verzekeringsstelsel, en die werkneemster door de werkgever weliswaar niet onmiddellijk na de indiensttreding, maar na afloop van een voorbereidende trainingsperiode in de lidstaat van vestiging naar een derde land wordt uitgezonden en na de uitzending voor een periode van re-integratie weer in de lidstaat van vestiging verblijft?

Tweede prejudiciële vraag:

Is een nationale bepaling als § 53, lid 1, van het Familienlastenausgleichsgesetz (Oostenrijkse wet betreffende de compensatie van gezinslasten; hierna: “FLAG”), die onder meer voorziet in een zelfstandige regeling betreffende de gelijkstelling met Oostenrijkse staatsburgers, in strijd met het omzettingsverbod van verordeningen in de zin van artikel 288, tweede alinea, VWEU?

De derde en de vierde vraag hebben betrekking op het geval dat de situatie van verzoekster wordt bestreken door artikel 11, lid 3, onder e), van verordening nr. 883/2004 en volgens het Unierecht uitsluitend de woonlidstaat verplicht is om gezinsuitkeringen te verstrekken.

Derde prejudiciële vraag:

Dient het met betrekking tot werknemers in artikel 45, lid 2, VWEU, subsidiair in artikel 18 VWEU, neergelegde verbod van discriminatie op grond van nationaliteit aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale bepaling als § 13, lid 1, van het Entwicklungshelfergesetz (wet inzake ontwikkelingswerkers) in de tot 31 december 2018 geldende versie (hierna: “oude versie”), die het recht op gezinsuitkeringen in de naar Unierecht niet-bevoegde lidstaat afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de ontwikkelingswerker reeds voorafgaand aan de indiensttreding het centrum van zijn levensbelangen respectievelijk zijn gebruikelijke verblijfplaats op het grondgebied van de lidstaat van vestiging had, met dien verstande dat ook ingezetenen aan dat vereiste dienen te voldoen?

Vierde prejudiciële vraag:

Dienen artikel 68, lid 3, van verordening nr. 883/2004 en artikel 60, leden 2 en 3, van verordening (EG) nr. 987/2009 (2) aldus te worden uitgelegd dat het orgaan van de lidstaat waarvan verzoekster vermoedt dat deze als prioritair bevoegde lidstaat van tewerkstelling moet worden beschouwd en waar de aanvraag om gezinsuitkeringen is ingediend — met dien verstande dat de wettelijke bepalingen van die lidstaat prioritair noch subsidiair van toepassing zijn, maar er een recht op gezinsuitkeringen bestaat uit hoofde van een alternatieve bepaling van die lidstaat — de bepalingen betreffende de verplichting tot doorzending van de aanvraag, tot informatie van de betrokkene, tot vaststelling van een voorlopig besluit over de toepasselijke prioriteitsregels en tot voorlopige verstrekking van een geldbedrag naar analogie dient toe te passen?

Vijfde prejudiciële vraag:

Rust de verplichting tot vaststelling van een voorlopig besluit over de toepasselijke prioriteitsregels uitsluitend op de verwerende instantie als het “bevoegde orgaan” of ook op de bestuursrechter bij wie beroep is ingesteld?

Zesde prejudiciële vraag:

Op welk tijdstip is de bestuursrechter verplicht een voorlopig besluit over de toepasselijke prioriteitsregels te nemen?

De zevende vraag heeft betrekking op het geval dat de situatie van verzoekster wordt bestreken door artikel 11, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004 en de lidstaat van tewerkstelling en de woonlidstaat volgens het Unierecht gezamenlijk verplicht zijn gezinsuitkeringen te betalen.

Zevende prejudiciële vraag:

Dienen de zinsnede “zendt dat orgaan de aanvraag […] door” in artikel 68, lid 3, onder a), van verordening nr. 883/2004 en de zinsnede “zendt het [orgaan] de aanvraag […] door” in artikel 60 van verordening nr. 987/2009 aldus te worden uitgelegd dat die bepalingen een zodanige verbinding tot stand brengen tussen het orgaan van de prioritair bevoegde lidstaat en het orgaan van de subsidiair bevoegde lidstaat dat de twee lidstaten gezamenlijk één (enkele) aanvraag om gezinsuitkeringen in behandeling moeten nemen of dient de eventueel vereiste, door het orgaan van de subsidiair bevoegde lidstaat te verstrekken aanvullende toeslag door de aanvrager apart te worden aangevraagd in die zin dat deze bij twee organen van twee lidstaten twee fysieke aanvragen (formulieren) moet indienen, hetgeen uiteraard uiteenlopende termijnen tot gevolg heeft?

De achtste en de negende vraag hebben betrekking op de periode vanaf 1 januari 2019, het tijdstip waarop Oostenrijk tegelijkertijd met de invoering van de indexering van de gezinsuitkeringen de gezinsuitkeringen voor ontwikkelingswerkers heeft afgeschaft door de intrekking van § 13, lid 1, EHG, oude versie.

Achtste prejudiciële vraag:

Dienen artikel 4, lid 4, VWEU, de artikelen 45 en 208 VWEU, artikel 4, lid 3, VEU en de artikelen 2, 3 en 7 en titel II van verordening nr. 883/2004 aldus te worden uitgelegd dat zij er algemeen aan in de weg staan dat een lidstaat de gezinsuitkeringen afschaft voor ontwikkelingswerkers die op de plaats van uitzending in het derde land worden vergezeld door hun gezin?

Subsidiair, negende prejudiciële vraag:

Dienen artikel 4, lid 4, VWEU, de artikelen 45 en 208 VWEU, artikel 4, lid 3, VEU en de artikelen 2, 3 en 7 en titel II van verordening nr. 883/2004 aldus te worden uitgelegd dat zij een ontwikkelingswerker die reeds voor eerdere tijdvakken een recht op gezinsuitkeringen heeft verworven, in een situatie als die in het hoofdgeding er de waarborg voor bieden dat dat recht individueel en concreet blijft voortbestaan alhoewel de lidstaat de gezinsuitkeringen voor ontwikkelingswerkers heeft afgeschaft?


(1)  Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2004, L 166, blz. 1).

(2)  Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB 2009, L 284, blz. 1).