9.3.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 77/30


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (België) op 20 december 2019 – X/Belgische Staat

(Zaak C-930/19)

(2020/C 77/41)

Procestaal: Frans

Verwijzende rechter

Raad voor Vreemdelingenbetwistingen

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: X

Verwerende partij: Belgische Staat

Prejudiciële vraag

Levert artikel 13, lid 2, van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (1), schending op van de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, voor zover daarin is bepaald dat de scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of beëindiging van een geregistreerd partnerschap niet leiden tot het verlies van het verblijfsrecht van de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, met name indien bijzonder schrijnende situaties zulks rechtvaardigen, bijvoorbeeld wanneer een familielid tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap slachtoffer is geweest van huiselijk geweld, maar alleen op voorwaarde dat de betrokkenen aantonen dat zij werknemer of zelfstandige zijn, of voor zichzelf en hun familieleden over toereikende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van desocialebijstandsregeling van het gastland, dat zij een ziektekostenverzekering voor alle risico’s in het gastland hebben afgesloten, of dat zij lid zijn van de reeds in het gastland gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet, terwijl artikel 15, lid 3, van richtlijn 2003/86/EG van de Raad inzake het recht op gezinshereniging (2), dat in diezelfde mogelijkheid van behoud van het verblijfsrecht voorziet, daarvoor die voorwaarde niet oplegt?


(1)  Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77).

(2)  PB 2003, L 251, blz. 12.