30.9.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 328/21


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Tribunal Supremo (Spanje) op 1 juli 2019 — Strafzaak tegen D. Oriol Junqueras Vies

(Zaak C-502/19)

(2019/C 328/22)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Tribunal Supremo

Partijen in de strafzaak

Oriol Junqueras Vies

Andere partijen:

Ministerio Fiscal

Abogacía del Estado

Acusación popular ejercida por el partido político VOX

Prejudiciële vragen

1)

Is artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie (1) vóór de aanvang van de „zitting” van toepassing op een persoon die wordt verdacht van ernstige strafbare feiten en die zich in voorlopige hechtenis bevindt op grond van een beslissing die is gegeven vóór het begin van het verkiezingsproces waarin de betrokkene is gekozen in het Europees Parlement, maar aan wie bij een rechterlijke beslissing een buitengewoon gevangenisverlof, dat hem in staat zou stellen om te voldoen aan de bepalingen van de nationale verkiezingswetgeving als bedoeld in artikel 8 van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, is geweigerd?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, houdt de ruime uitlegging van de term „zittingsperiode” dan stand indien het bij de nationale verkiezingswetgeving aangewezen orgaan, op grond van de vaststelling dat de gekozen afgevaardigde de in die verkiezingswetgeving neergelegde vereisten niet heeft vervuld (gezien de onmogelijkheid om de zetel in te nemen als gevolg van een beperking van zijn persoonlijke vrijheid die voortvloeit uit de voorlopige hechtenis waarin hij zich bevindt in het kader van een strafprocedure wegens ernstige strafbare feiten), het Europees Parlement heeft meegedeeld dat de betrokkene de hoedanigheid van afgevaardigde niet heeft verworven zolang hij niet aan die vereisten voldoet, niettegenstaande de tijdelijk gefnuikte verwachting van de betrokkene dat hij zijn zetel kan innemen?

3)

Indien het antwoord op de tweede vraag bevestigt dat een ruime uitlegging moet worden gegeven, is de rechterlijke autoriteit die de hechtenis heeft gelast dan gehouden, gezien de zinsnede „wanneer zij zich naar de plaats van de bijeenkomst van het Europees Parlement begeven of daarvan terugkeren” in artikel 9 van Protocol nr. 7, tot het opheffen van de hechtenis in absolute zin, op nagenoeg automatische wijze, teneinde de betrokkene in staat te stellen de formaliteiten voor het innemen van zijn zetel in het Europees Parlement te verrichten en zich te verplaatsen naar en van het Europees Parlement, indien de gekozene zich reeds sedert geruime tijd, van lang vóór de aanvang van het verkiezingsproces, in voorlopige hechtenis bevindt in het kader van de procedure die tegen hem wordt gevoerd wegens ernstige strafbare feiten, of moet die autoriteit een criterium toepassen van relatieve weging, tegen de achtergrond van de specifieke omstandigheden van de zaak, van de rechten en belangen die voortvloeien uit het belang van de rechtspleging en de behoorlijke procesgang enerzijds en die welke verband houden met de ingestelde immuniteit anderzijds, zowel met betrekking tot de inachtneming van de werking en onafhankelijkheid van het Parlement als ten aanzien van het recht van de gekozene om openbare ambten uit te oefenen?


(1)  PB 2012, C 326, blz. 266.