ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

17 december 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Vrij verkeer van personen – Artikel 45 VWEU – Burgerschap van de Unie – Richtlijn 2004/38/EG – Verblijfsrecht voor meer dan drie maanden – Artikel 14, lid 4, onder b) – Werkzoekenden – Redelijke termijn om kennis te nemen van mogelijkerwijs voor de werkzoekende geschikte vacatures en om maatregelen te nemen die hem in staat stellen te worden aangesteld – Verplichtingen die het gastland gedurende deze termijn aan de werkzoekende oplegt – Voorwaarden voor het verblijfsrecht – Verplichting om nog immer werk te zoeken en een reële kans te maken te worden aangesteld”

In zaak C‑710/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Raad van State (België) bij beslissing van 12 september 2019, ingekomen bij het Hof op 25 september 2019, in de procedure

G. M. A.

tegen

Belgische Staat,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), vicepresident van het Hof, L. Bay Larsen, M. Safjan en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        G. M. A., vertegenwoordigd door A. Valcke, avocat,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door L. Van den Broeck, C. Pochet en M. Jacobs als gemachtigden, bijgestaan door F. Motulsky, avocat,

–        de Deense regering, vertegenwoordigd door M. Wolff en J. Nymann-Lindegren als gemachtigden,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door Z. Lavery en S. Brandon als gemachtigden, bijgestaan door K. Apps, barrister,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Martin, B.‑R Killmann en E. Montaguti als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 september 2020,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 45 VWEU, de artikelen 15 en 31 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB 2004, L 229, blz. 35), en de artikelen 41 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen G. M. A. en de Belgische Staat over de weigering van laatstgenoemde om G. M. A. als werkzoekende een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden op het Belgische grondgebied toe te kennen.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Overweging 9 van richtlijn 2004/38 luidt als volgt:

„Burgers van de Unie dienen het recht te hebben gedurende [maximaal] drie maanden op het grondgebied van het gastland te verblijven zonder dat aan andere formaliteiten moet worden voldaan dan het bezit van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, zulks onverminderd een gunstiger behandeling voor werkzoekenden, zoals door de jurisprudentie van het Hof van Justitie erkend.”

4        Artikel 6, lid 1, van deze richtlijn luidt:

„Burgers van de Unie hebben het recht gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort.”

5        Artikel 7, leden 1 en 3, van die richtlijn bepaalt:

„1.      Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:

a)      indien hij in het gastland werknemer of zelfstandige is, of

b)      indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, of

c)      –      indien hij is ingeschreven aan een particuliere dan wel openbare instelling die door het gastland overeenkomstig de wetgeving of administratieve praktijk is erkend of wordt gefinancierd, om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, te volgen; en

–      indien hij beschikt over een verzekering die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, en hij de bevoegde nationale autoriteit, – door middel van een verklaring of van een gelijkwaardig middel van zijn keuze –, de zekerheid verschaft dat hij over voldoende middelen beschikt om te voorkomen dat hij of zijn familieleden tijdens zijn verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland; of

d)      indien hij een familielid is van een burger van de Unie die voldoet aan de voorwaarden onder a), b) of c) en hij deze burger begeleidt of zich bij hem voegt.

[…]

3.      Voor de toepassing van lid 1, punt a), behoudt een burger van de Unie die niet langer werknemer of zelfstandige is, in de volgende gevallen zijn status van werknemer of zelfstandige:

a)      hij is als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt;

b)      hij bevindt zich, na ten minste één jaar te hebben gewerkt, in naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven;

c)      hij bevindt zich in een toestand van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor minder dan één jaar of hij is in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven. In dit geval blijft de status van werknemer ten minste zes maanden behouden;

d)      hij start met een beroepsopleiding. Behalve in geval van onvrijwillige werkloosheid is voor het behoud van de status van werknemer in dit geval een verband vereist tussen de voorafgaande beroepsactiviteit en deze opleiding.”

6        Artikel 8 van deze richtlijn legt een reeks administratieve formaliteiten op aan de in artikel 7 bedoelde categorieën van personen.

7        Artikel 14, leden 1, 2 en 4, van richtlijn 2004/38 bepaalt:

„1.      Burgers van de Unie en hun familieleden behouden het verblijfsrecht volgens artikel 6 zolang zij geen onredelijke belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel van het gastland.

2.      Burgers van de Unie en hun familieleden behouden het verblijfsrecht van de artikelen 7, 12 en 13 zolang zij voldoen aan de aldaar genoemde voorwaarden.

[…]

4.      In afwijking van de leden 1 en 2 en onverminderd het bepaalde in hoofdstuk VI, kan in geen geval een verwijderingsmaatregel ten aanzien van burgers van de Unie of hun familieleden worden genomen indien:

[…]

b)      de burgers van de Unie het grondgebied van het gastland zijn binnengekomen om werk te zoeken. In dit geval kunnen zij niet worden verwijderd zolang zij kunnen bewijzen dat zij nog immer werk zoeken en een reële kans maken te worden aangesteld.”

 Belgisch recht

8        Artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad van 31 december 1980, blz. 14584), bepaalt in de versie die van kracht was ten tijde van de feiten van het hoofdgeding (hierna: „wet van 15 december 1980”):

„De Raad [voor Vreemdelingenbetwistingen (België)] doet uitspraak, bij wijze van arresten als annulatierechter over de overige beroepen wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht.”

9        Artikel 40, § 4, van de wet van 15 december 1980 bepaalt:

„Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven indien hij de in artikel 41, eerste lid, bedoelde voorwaarde vervult en hij:

1º      hetzij in het Rijk werknemer of zelfstandige is of het Rijk binnenkomt om werk te zoeken, zolang hij kan bewijzen dat hij nog werk zoekt en een reële kans maakt om te worden aangesteld;

[…]”

10      Artikel 50 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1981, blz. 13740) bepaalt:

„§ 1.      De burger van de Unie die langer dan drie maanden op het grondgebied van het Rijk wil verblijven en die zijn burgerschap bewijst, overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van de wet [van 15 december 1980], dient een aanvraag voor een verklaring van inschrijving in bij het gemeentebestuur van de plaats waar hij verblijft door middel van een document overeenkomstig het model van bijlage 19.

[…]

§ 2.      Bij de aanvraag of ten laatste binnen de drie maanden na de aanvraag dient de burger van de Unie […] de volgende documenten over te maken:

[…]

3° werkzoekende:

a)      een inschrijving bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening of kopieën van sollicitatiebrieven; en

b)      het bewijs van de reële kans om te worden aangesteld waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, zoals behaalde diploma’s, eventuele gevolgde of voorziene beroepsopleidingen, en duur van de werkloosheid;

[…]”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11      Op 27 oktober 2015 heeft G. M. A., een Grieks onderdaan, een aanvraag ingediend voor een verklaring van inschrijving in België om als werkzoekende in die lidstaat een recht op verblijf voor meer dan drie maanden te verkrijgen overeenkomstig artikel 50, § 1, van het koninklijk besluit betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt niet op welke datum G. M. A. het grondgebied van die lidstaat is binnengekomen.

12      Op 18 maart 2016 werd deze aanvraag bij besluit (hierna: „besluit van de Dienst”) van de Belgische Dienst Vreemdelingenzaken (hierna: „Dienst”) afgewezen op grond dat G. M. A. niet voldeed aan de voorwaarden die de Belgische wetgeving stelt om in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden. Volgens de Dienst lieten de door G. M. A. overgelegde documenten namelijk niet veronderstellen dat hij een reële kans maakte om op het Belgische grondgebied te worden aangesteld. Bijgevolg werd G. M. A. gelast dit grondgebied binnen 30 dagen na de kennisgeving van dat besluit te verlaten.

13      Bij arrest van 28 juni 2018 heeft de Belgische Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: „RvV”), de rechterlijke instantie die bevoegd is om in eerste aanleg kennis te nemen van geschillen betreffende de wettigheid van de besluiten van de Dienst, het door G. M. A. tegen het besluit van de Dienst ingestelde beroep verworpen.

14      G. M. A. is daarop in cassatie gegaan bij de verwijzende rechter, de Raad van State (België), waarbij hij in de eerste plaats heeft aangevoerd dat uit artikel 45 VWEU, gelezen in het licht van het arrest van 26 februari 1991, Antonissen (C‑292/89, EU:C:1991:80), voortvloeit dat de lidstaten verplicht zijn om werkzoekenden uit een andere lidstaat een „redelijke termijn” toe te kennen om deze personen in staat te stellen kennis te nemen van mogelijkerwijs voor hen geschikte vacatures en het nodige te doen om te worden aangesteld. Volgens G. M. A. mag deze termijn in geen geval korter zijn dan zes maanden, zoals blijkt uit een gezamenlijke lezing naar analogie van artikel 7, lid 3, en de artikelen 11 en 16 van richtlijn 2004/38.

15      Bovendien zou de werkzoekende gedurende de gehele termijn niet hoeven te bewijzen dat hij een reële kans maakt te worden aangesteld.

16      In de tweede plaats heeft G. M. A. aangevoerd dat hij na de vaststelling van het besluit van de Dienst, namelijk op 6 april 2016, door het Europees Parlement is aangesteld als stagiair. Deze omstandigheid toont volgens hem aan dat hij een reële kans maakte te worden aangesteld en dat hij dientengevolge in aanmerking had kunnen komen voor een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden.

17      Door geen rekening te houden met de aanstelling van G. M. A. zou de RvV de artikelen 15 en 31 van richtlijn 2004/38, alsmede de artikelen 41 en 47 van het Handvest hebben geschonden. Uit die bepalingen volgt immers dat de rechterlijke instanties die bevoegd zijn tot toetsing van de wettigheid van een administratief besluit betreffende het verblijfsrecht van een burger van de Unie, alle relevante omstandigheden volledig moeten onderzoeken en rekening moeten houden met alle elementen die hun ter kennis worden gebracht, zelfs indien deze gegevens dateren van na het betrokken besluit.

18      In het licht van deze overwegingen heeft G. M. A. betoogd dat de RvV de nationale procedureregel waarbij de artikelen 15 en 31 van richtlijn 2004/38 onjuist in Belgisch recht zijn omgezet, namelijk artikel 39/2, §2, van de wet van 15 december 1980 – op grond waarvan de RvV geen rekening heeft gehouden met zijn aanstelling als stagiair na het besluit van de Dienst –, buiten toepassing had moeten laten.

19      De verwijzende rechter is van oordeel dat de beslechting van het hoofdgeding afhangt van de wijze waarop het Hof artikel 45 VWEU, de artikelen 15 en 31 van richtlijn 2004/38 en de artikelen 41 en 47 van het Handvest uitlegt. Indien deze bepalingen moeten worden uitgelegd in de zin die door G. M. A. wordt voorgestaan, zou hij immers in aanmerking moeten komen voor een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden op het Belgische grondgebied.

20      In deze omstandigheden heeft de Raad van State de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 45 [VWEU] aldus worden uitgelegd en toegepast dat het gastland verplicht is om, ten eerste, een werkzoekende een redelijke termijn toe te kennen teneinde hem in staat te stellen kennis te nemen van mogelijkerwijs geschikte vacatures en de maatregelen te nemen die vereist zijn om te worden aangesteld, ten tweede, te erkennen dat de termijn om werk te zoeken in geen geval minder dan zes maanden mag bedragen en, ten derde, een werkzoekende toe te staan om zich tijdens de volledige duur van die termijn op zijn grondgebied op te houden, zonder van hem het bewijs te verlangen dat hij een reële kans maakt te worden aangesteld?

2)      Moeten de artikelen 15 en 31 van richtlijn [2004/38] en de artikelen 41 en 47 van het [Handvest] en de algemene beginselen van de voorrang van het Unierecht en de nuttige werking van de richtlijnen aldus worden uitgelegd dat de nationale rechters van het gastland in het kader van het onderzoek van een beroep tot nietigverklaring van een besluit tot niet-erkenning van een verblijfsrecht van een burger van de Unie voor meer dan drie maanden, verplicht zijn om rekening te houden met nieuwe feiten die zich hebben voorgedaan nadat de nationale autoriteiten hun besluit hadden genomen, wanneer die feiten de situatie van de betrokkene aldus kunnen wijzigen dat zijn verblijfsrecht in het gastland niet langer kan worden beperkt?”

 Prejudiciële vragen

 Eerste vraag

21      Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof, in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, de taak van het Hof is om aan de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten. Daartoe kan het nodig zijn dat het Hof de voorgelegde vragen herformuleert. De omstandigheid dat een nationale rechterlijke instantie bij de formulering van een prejudiciële vraag formeel heeft verwezen naar bepaalde voorschriften van het Unierecht, staat er niet aan in de weg dat het Hof deze rechterlijke instantie alle uitleggingsgegevens verschaft die nuttig kunnen zijn voor de beslechting van de bij die rechterlijke instantie aanhangige zaak, ongeacht of deze voorschriften in de vragen worden genoemd [arrest van 23 april 2020, Land Niedersachsen (Eerdere perioden van relevante werkzaamheden), C‑710/18, EU:C:2020:299, punt 18].

22      Hoewel de verwijzende rechter in casu met zijn eerste vraag verzoekt om uitlegging van enkel artikel 45 VWEU, dient te worden opgemerkt dat artikel 14, lid 4, onder b), van richtlijn 2004/38 specifiek gericht is op werkzoekenden. Volgens deze bepaling kan immers geen verwijderingsmaatregel ten aanzien van burgers van de Unie worden genomen zolang zij het grondgebied van het gastland zijn binnengekomen om werk te zoeken en zij kunnen bewijzen dat zij daar nog immer werk zoeken en een reële kans maken te worden aangesteld.

23      Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan dat de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 45 VWEU en artikel 14, lid 4, onder b), van richtlijn 2004/38 aldus moeten worden uitgelegd dat het gastland verplicht is een werkzoekende een redelijke termijn toe te kennen teneinde hem in staat te stellen kennis te nemen van mogelijkerwijs voor hem geschikte vacatures en het nodige te doen om te worden aangesteld, en dat deze termijn in geen geval minder dan zes maanden mag bedragen en dat het gastland tijdens deze periode van de werkzoekende het bewijs mag verlangen dat hij werk zoekt en een reële kans maakt te worden aangesteld.

24      Wat in de eerste plaats de vraag betreft of het gastland verplicht is werkzoekenden een „redelijke termijn” toe te kennen teneinde hen in staat te stellen kennis te nemen van mogelijkerwijs voor hen geschikte vacatures en het nodige te doen om te worden aangesteld, dient te worden opgemerkt dat het begrip „werknemer” in de zin van artikel 45 VWEU, een zelfstandige betekenis binnen het recht van de Unie heeft en niet beperkt mag worden uitgelegd (arrest van 21 februari 2013, N., C‑46/12, EU:C:2013:97, punt 39). In het bijzonder moet een persoon die daadwerkelijk werk zoekt, als „werknemer” worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 19 juni 2014, Saint Prix, C‑507/12, EU:C:2014:2007, punt 35).

25      Tevens moet worden opgemerkt dat het vrije verkeer van werknemers deel uitmaakt van de grondslagen van de Unie, zodat de bepalingen waarin deze vrijheid is verankerd ruim moeten worden uitgelegd. In het bijzonder zou een strikte uitlegging van artikel 45, lid 3, VWEU ten koste gaan van de reële kansen van een werkzoekende onderdaan van een lidstaat om in de andere lidstaten werk te vinden, en deze bepaling van haar nuttig effect zou ontdoen (zie in die zin arrest van 26 februari 1991, Antonissen, C‑292/89, EU:C:1991:80, punten 11 en 12).

26      Hieruit volgt dat het vrije verkeer van werknemers impliceert dat de onderdanen van de lidstaten het recht hebben om zich op het grondgebied van de andere lidstaten vrij te verplaatsen en daar te verblijven teneinde er werk te zoeken (zie in die zin arrest van 26 februari 1991, Antonissen, C‑292/89, EU:C:1991:80, punt 13). Dit recht is door de Uniewetgever gecodificeerd in artikel 14, lid 4, onder b), van richtlijn 2004/38. In dit verband moet worden opgemerkt dat het nuttig effect van artikel 45 VWEU gewaarborgd is zolang het Unierecht of, bij gebreke daarvan, de wettelijke regeling van een lidstaat de belanghebbenden een redelijke termijn laat die hen in staat stelt om op het grondgebied van het gastland kennis te nemen van de vacatures die bij hun beroepskwalificaties passen, en om in voorkomend geval het nodige te doen om te worden aangesteld (zie in die zin arrest van 26 februari 1991, Antonissen, C‑292/89, EU:C:1991:80, punt 16).

27      Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat het gastland gehouden is werkzoekenden een redelijke termijn toe te kennen die hen in staat te stelt om op het grondgebied van die lidstaat kennis te nemen van de vacatures die bij hun beroepskwalificaties passen, en om in het voorkomend geval het nodige te doen om te worden aangesteld.

28      Wat in de tweede plaats de duur van die termijn betreft, zij er ten eerste aan herinnerd dat uit artikel 6 van richtlijn 2004/38 volgt dat alle burgers van de Unie het recht hebben om gedurende maximaal drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort.

29      In artikel 7 van deze richtlijn zijn de situaties aangegeven waarin een burger van de Unie in aanmerking kan komen voor een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden.

30      Tevens zij eraan herinnerd dat artikel 14, leden 1 en 2, van deze richtlijn bepaalt onder welke voorwaarden burgers van de Unie het in artikel 6 of 7 van die richtlijn bedoelde verblijfsrecht in voorkomend geval kunnen behouden.

31      In het bijzonder blijft krachtens artikel 14, lid 1, van richtlijn 2004/38 het verblijfsrecht volgens artikel 6 van deze richtlijn behouden zolang de betrokkenen geen onredelijke belasting voor het socialebijstandsstelsel van het gastland vormen. Artikel 14, lid 2, van deze richtlijn bepaalt met name dat burgers van de Unie en hun familieleden langer dan drie maanden een verblijfsrecht behouden zolang zij aan de voorwaarden van artikel 7 van die richtlijn voldoen.

32      Zoals blijkt uit punt 22 van het onderhavige arrest, is artikel 14, lid 4, onder b), van richtlijn 2004/38, welke bepaling voorziet in een afwijking van de leden 1 en 2 van artikel 14, specifiek gericht op werkzoekenden.

33      Hieruit volgt dat in artikel 14, lid 4, onder b), van richtlijn 2004/38 specifiek de voorwaarden zijn vastgesteld voor het behoud van het verblijfsrecht van burgers van de Unie die hun lidstaat van herkomst verlaten met de wens om werk te zoeken in het gastland. Deze bepaling, die de Uniewetgever heeft vastgesteld ter codificatie van de lering uit het arrest van 26 februari 1991, Antonissen (C‑292/89, EU:C:1991:80), met betrekking tot het op artikel 45 VWEU gebaseerde verblijfsrecht van werkzoekenden, regelt evenwel ook rechtstreeks het verblijfsrecht van burgers van de Unie die werkzoekende zijn, zoals met name blijkt uit punt 52 van het arrest van 15 september 2015, Alimanovic (C‑67/14, EU:C:2015:597).

34      Wanneer een burger van de Unie het grondgebied van een gastland binnenkomt om daar werk te zoeken, valt het verblijfsrecht van die burger derhalve, vanaf het moment van diens inschrijving als werkzoekende, onder artikel 14, lid 4, onder b), van richtlijn 2004/38.

35      Opgemerkt zij echter dat uit de bewoordingen van artikel 6 van richtlijn 2004/38 blijkt dat deze bepaling zonder onderscheid van toepassing is op alle burgers van de Unie, ongeacht het oogmerk waarmee deze burgers het grondgebied van het gastland binnenkomen. Hieruit volgt dat, ook wanneer een burger van de Unie het grondgebied van een gastland binnenkomt met het oogmerk daar werk te zoeken, zijn verblijfsrecht gedurende de eerste drie maanden eveneens onder artikel 6 van richtlijn 2004/38 valt.

36      In die omstandigheden kan gedurende de in die bepaling bedoelde periode van drie maanden aan deze burger geen andere voorwaarde worden gesteld dan de verplichting in het bezit te zijn van een geldig identiteitsbewijs.

37      Voorts dient te worden geoordeeld dat de in punt 27 van het onderhavige arrest bedoelde redelijke termijn ingaat op het tijdstip waarop de betrokken burger van de Unie heeft besloten zich in het gastland als werkzoekende in te schrijven.

38      Wat in de tweede plaats de mogelijkheid betreft om een minimumperiode vast te stellen waarmee deze redelijke termijn moet overeenstemmen, dient te worden opgemerkt dat artikel 14, lid 4, onder b), van richtlijn 2004/38 in dit verband geen enkele aanwijzing bevat.

39      In die omstandigheden dient er om te beginnen aan te worden herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 26 van het onderhavige arrest, een dergelijke termijn het nuttig effect van artikel 45 VWEU moet kunnen waarborgen.

40      Vervolgens heeft het Hof in punt 21 van het arrest van 26 februari 1991, Antonissen (C‑292/89, EU:C:1991:80), weliswaar geen minimumperiode vastgesteld waarmee deze redelijke termijn moet overeenstemmen, maar geoordeeld dat een termijn van zes maanden vanaf de binnenkomst op het grondgebied van het gastland, zoals die welke aan de orde was in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, geen afbreuk lijkt te kunnen doen aan dat nuttig effect.

41      Ten slotte moet in deze context rekening worden gehouden met de doelstellingen van richtlijn 2004/38, die beoogt de uitoefening van het fundamentele en persoonlijke recht van vrij verkeer en verblijf, dat door artikel 21, lid 1, VWEU rechtstreeks aan alle burgers van de Unie wordt verleend, te vergemakkelijken en dit recht te versterken (zie in die zin arrest van 11 april 2019, Tarola, C‑483/17, EU:C:2019:309, punt 23).

42      Gelet op deze overwegingen dient te worden geoordeeld dat een termijn van zes maanden vanaf de datum van inschrijving in beginsel niet ontoereikend lijkt en geen afbreuk doet aan het nuttig effect van artikel 45 VWEU.

43      Wat in de derde plaats de verplichtingen betreft die het gastland gedurende deze „redelijke termijn” aan de werkzoekende kan opleggen, volgt, zoals blijkt uit punt 22 van het onderhavige arrest, uit de bewoordingen van artikel 14, lid 4, onder b), van richtlijn 2004/38 dat ten aanzien van de werkzoekende geen verwijderingsmaatregel kan worden opgelegd indien hij aantoont dat hij nog immer werk zoekt en een reële kans maakt te worden aangesteld. Deze bepaling herhaalt in wezen het uit punt 21 van het arrest van 26 februari 1991, Antonissen (C‑292/89, EU:C:1991:80), voortvloeiende beginsel dat de betrokkene niet mag worden gedwongen het grondgebied van het gastland te verlaten indien hij na het verstrijken van een redelijke termijn aantoont dat hij „nog steeds werk zoekt en een reële kans heeft het te vinden”.

44      Aangezien de werkzoekende na het verstrijken van deze redelijke termijn dus „nog immer” werk moet zoeken om te voorkomen dat hij het grondgebied van het gastland moet verlaten, dient daaruit te worden afgeleid dat het gastland reeds gedurende die termijn de werkzoekende kan verplichten werk te zoeken. Gedurende deze termijn kan die lidstaat echter niet van de betrokkene eisen dat hij aantoont dat hij een reële kans maakt te worden aangesteld.

45      Deze uitlegging vindt steun in het feit dat, zoals blijkt uit punt 27 van het onderhavige arrest, het doel van de redelijke termijn erin bestaat de werkzoekende in staat te stellen kennis te nemen van de vacatures die bij zijn persoonlijke kwalificaties passen en het nodige te doen om te worden aangesteld, zodat de bevoegde nationale autoriteiten pas na afloop van een dergelijke termijn kunnen beoordelen of de betrokkene nog immer werk zoekt en een reële kans maakt te worden aangesteld.

46      De werkzoekende hoeft dus pas na het verstrijken van deze redelijke termijn niet alleen te bewijzen dat hij nog immer werk zoekt, maar ook dat hij een reële kans maakt te worden aangesteld.

47      Het staat aan de autoriteiten en de rechterlijke instanties van het gastland om het in die zin door de betrokken werkzoekende overgelegde bewijs te beoordelen. In dit verband moeten deze autoriteiten en rechterlijke instanties alle relevante gegevens in hun geheel analyseren, zoals bijvoorbeeld, zoals de advocaat-generaal in de punten 75 en 76 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de omstandigheid dat deze werkzoekende zich heeft ingeschreven bij het voor werkzoekenden bevoegde nationale orgaan, dat hij zich regelmatig meldt bij potentiële werkgevers en hun sollicitatiebrieven stuurt of dat hij naar sollicitatiegesprekken gaat. In het kader van deze beoordeling moeten die autoriteiten en rechterlijke instanties rekening houden met de situatie op de nationale arbeidsmarkt in de sector die overeenkomt met de persoonlijke kwalificaties van de betrokken werkzoekende. Daarentegen kan het feit dat deze werkzoekende werkaanbiedingen heeft geweigerd die niet bij zijn beroepskwalificaties passen, niet in aanmerking worden genomen als reden om aan te nemen dat hij niet aan de voorwaarden van artikel 14, lid 4, onder b), van richtlijn 2004/38 voldoet.

48      In casu volgt uit de hierboven uiteengezette overwegingen dat G. M. A. op het tijdstip waarop hij zijn aanvraag tot inschrijving als werkzoekende indiende, namelijk op 27 oktober 2015, op zijn minst over een redelijke termijn moest beschikken waarbinnen de Belgische autoriteiten hem enkel konden verplichten te bewijzen dat hij op zoek was naar werk.

49      Uit de informatie waarover het Hof beschikt, blijkt echter dat het besluit van de Dienst waarbij G. M. A. een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden op het Belgische grondgebied is geweigerd, is genomen op grond dat uit de door hem tot staving van zijn aanvraag overgelegde bewijsstukken niet bleek dat hij een reële kans maakte te worden aangesteld.

50      In die omstandigheden dient te worden vastgesteld dat artikel 45 VWEU en artikel 14, lid 4, onder b), van richtlijn 2004/38 zich verzetten tegen een nationale regeling die een dergelijke voorwaarde oplegt aan een werkzoekende die zich in een situatie als die van G. M. A. bevindt.

51      Gelet op het voorgaande dient de eerste vraag als volgt te worden beantwoord:

–        Artikel 45 VWEU en artikel 14, lid 4, onder b), van richtlijn 2004/38 moeten aldus worden uitgelegd dat een gastland verplicht is een burger van de Unie een redelijke termijn toe te kennen, die ingaat op het tijdstip waarop deze burger van de Unie zich als werkzoekende heeft ingeschreven, teneinde hem in staat te stellen kennis te nemen van mogelijkerwijs geschikte vacatures en het nodige te doen om te worden aangesteld.

–        Gedurende deze termijn kan het gastland eisen dat de werkzoekende bewijst dat hij werk zoekt. Pas na het verstrijken van die termijn kan deze lidstaat eisen dat de werkzoekende niet alleen bewijst dat hij nog immer werk zoekt, maar ook dat hij een reële kans maakt te worden aangesteld.

 Tweede vraag

52      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 15 en 31 van richtlijn 2004/38, de artikelen 41 en 47 van het Handvest, en de beginselen van voorrang en nuttige werking aldus moeten worden uitgelegd dat de rechterlijke instanties van het gastland in het kader van het onderzoek van het beroep tegen een besluit waarbij een werkzoekende een verblijfsrecht voor meer dan drie maanden is geweigerd, verplicht zijn om een toetsing met volledige rechtsmacht te verrichten en rekening te houden met elementen die zich na dat besluit hebben voorgedaan, wanneer deze elementen de situatie van deze werkzoekende zouden kunnen wijzigen en de toekenning van dit verblijfsrecht kunnen rechtvaardigen.

53      Uit het antwoord op de eerste vraag blijkt dat de autoriteiten van het gastland gedurende de periode waarop de in punt 51 van het onderhavige arrest bedoelde redelijke termijn betrekking heeft, de betrokken werkzoekende niet kunnen verplichten te bewijzen dat hij een reële kans maakt om te worden aangesteld. Aangezien in casu bij het besluit van de Dienst aan G. M. A. verplichtingen zijn opgelegd die in strijd zijn met artikel 45 VWEU en artikel 14, lid 4, onder b), van richtlijn 2004/38, hoeft derhalve niet te worden onderzocht of de rechterlijke instanties van het gastland rekening moeten houden met elementen die zich na dit besluit hebben voorgedaan, om te erkennen dat verzoeker in het hoofdgeding een verblijfsrecht als werkzoekende heeft.

54      In die omstandigheden hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

 Kosten

55      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten, komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 45 VWEU en artikel 14, lid 4, onder b), van 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEGmoeten aldus worden uitgelegd dat een gastland verplicht is om een burger van de Unie een redelijke termijn toe te kennen, die ingaat op het tijdstip waarop deze burger van de Unie zich als werkzoekende heeft ingeschreven, teneinde hem in staat te stellen kennis te nemen van mogelijkerwijs geschikte vacatures en het nodige te doen om te worden aangesteld.

Gedurende deze termijn kan het gastland eisen dat de werkzoekende bewijst dat hij werk zoekt. Pas na het verstrijken van die termijn kan deze lidstaat eisen dat de werkzoekende niet alleen bewijst dat hij nog immer werk zoekt, maar ook dat hij een reële kans maakt te worden aangesteld.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.