Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

2 september 2021 (*)

„Hogere voorziening – Staatssteun – Steun ten behoeve van het Nürburgring-complex (Duitsland) – Besluit waarbij de steun gedeeltelijk onverenigbaar met de interne markt is verklaard – Verkoop van de activa van de begunstigden van de onverenigbaar verklaarde staatssteun – Open, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke inschrijvingsprocedure – Besluit waarbij wordt verklaard dat de nieuwe eigenaar van het Nürburgring-complex is gevrijwaard van terugbetaling van de onverenigbare steun en dat hij geen nieuwe steun heeft genoten voor de verkrijging van dit complex – Ontvankelijkheid – Hoedanigheid van belanghebbende partij – Individueel geraakte persoon – Schending van de procedurele rechten van de belanghebbenden – Moeilijkheden die de inleiding van een formele onderzoeksprocedure vereisen Motivering Onjuiste opvatting van bewijzen”

In zaak C‑647/19 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 30 augustus 2019,

Ja zum Nürburgring eV, gevestigd te Nürburg (Duitsland), vertegenwoordigd door D. Frey en M. Rudolph, Rechtsanwälte,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Flynn, B. Stromsky en T. Maxian Rusche als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras (rapporteur), kamerpresident, N. Piçarra, D. Šváby, S. Rodin en K. Jürimäe, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 april 2021,

het navolgende

Arrest

1        Met haar hogere voorziening verzoekt Ja zum Nürburgring eV om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 juni 2019, Ja zum Nürburgring/Commissie (T‑373/15, EU:T:2019:432; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht haar beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van besluit (EU) 2016/151 van de Commissie van 1 oktober 2014 betreffende steunmaatregel SA.31550 (2012/C) (ex 2012/NN) van Duitsland ten gunste van de Nürburgring (PB 2016, L 34, blz. 1; hierna: „definitief besluit”) heeft verworpen.

 Toepasselijke bepalingen

2        Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 [VWEU] (PB 1999, L 83, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 734/2013 van de Raad van 22 juli 2013 (PB 2013, L 204, blz. 15) (hierna: „verordening nr. 659/1999”), die is ingetrokken bij verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 [VWEU] (PB 2015, L 248, blz. 9), is van toepassing op de feiten van de onderhavige zaak.

3        In artikel 1, onder h), van verordening nr. 659/1999 wordt het begrip „belanghebbende” voor de toepassing van deze verordening gedefinieerd als „een lidstaat en een persoon, onderneming of ondernemersvereniging waarvan de belangen door de toekenning van steun kunnen worden getroffen, in het bijzonder de begunstigde van de steun, concurrerende ondernemingen en beroepsverenigingen”.

4        Artikel 4 van deze verordening, met het opschrift „Eerste onderzoek van de aanmelding en beschikkingen van de Commissie”, bepaalt in de leden 2 tot en met 4:

„2.      Indien de Commissie na een eerste onderzoek tot de bevinding komt dat de aangemelde maatregel geen steun vormt, stelt zij dat bij beschikking vast.

3.      Indien de Commissie na een eerste onderzoek tot de bevinding komt dat de aangemelde maatregel, in zoverre deze binnen het toepassingsgebied van artikel [107], lid l, van het [VWEU] valt, geen twijfel doet rijzen over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt, geeft zij een beschikking houdende dat de maatregel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt (‚beschikking om geen bezwaar te maken’). In de beschikking wordt nader aangegeven welke uitzondering uit hoofde van het Verdrag is toegepast.

4.      Indien de Commissie na een eerste onderzoek tot de bevinding komt dat de aangemelde maatregel twijfel doet rijzen over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt, geeft zij een beschikking welke ertoe strekt de procedure overeenkomstig artikel [108], lid 2, van het [VWEU] in te leiden (‚beschikking tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure’).”

5        Artikel 6, lid 1, van deze verordening luidt als volgt:

„De beschikking om de formele onderzoeksprocedure in te leiden behelst een samenvatting van de relevante feiten en rechtspunten, een eerste beoordeling van de Commissie omtrent de steunverlenende aard van de voorgestelde maatregel, alsook de redenen waarom getwijfeld wordt aan de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt. In de beschikking worden de betrokken lidstaat en de andere belanghebbenden uitgenodigd om hun opmerkingen mede te delen binnen een vastgestelde termijn die normalerwijs niet langer dan een maand mag zijn. In naar behoren gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie deze termijn verlengen.”

6        Artikel 13, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 659/1999 bepaalt dat het onderzoek naar mogelijke onrechtmatige steun resulteert in een beschikking overeenkomstig artikel 4, leden 2, 3 of 4, van die verordening.

 Voorgeschiedenis van het geding en litigieuze besluiten

7        De voorgeschiedenis van het geding wordt uiteengezet in de punten 1 tot en met 16 van het bestreden arrest en kan ten behoeve van de onderhavige procedure als volgt worden samengevat.

8        Het Nürburgring-complex (hierna: „Nürburgring”) is gelegen in de deelstaat Rijnland-Palts (Duitsland) en omvat een circuit voor autoraces (hierna: „Nürburgring-circuit”), een pretpark, hotels en restaurants.

9        Tussen 2002 en 2012 hebben de overheidsondernemingen die eigenaar waren van de Nürburgring (hierna: „verkopers”) steun ontvangen die voornamelijk afkomstig was van de deelstaat Rijnland-Palts. In 2011 heeft rekwirante, een Duitse motorsportvereniging, bij de Commissie een eerste klacht over deze steun ingediend. Deze steun was het voorwerp van een formele onderzoeksprocedure die de Commissie in 2012 heeft ingeleid op grond van artikel 108, lid 2, VWEU. In hetzelfde jaar heeft het Amtsgericht Bad Neuenahr-Ahrweiler (rechter in eerste aanleg Bad Neuenahr-Ahrweiler, Duitsland) het faillissement uitgesproken van de verkopers en beslist om over te gaan tot de verkoop van hun activa. Daartoe werd een inschrijvingsprocedure (hierna: „inschrijvingsprocedure”) geopend, die is afgesloten met de verkoop van die activa aan Capricorn Nürburgring Besitzgesellschaft GmbH (hierna: „Capricorn”).

10      In 2013 heeft rekwirante een tweede klacht ingediend bij de Commissie, op grond dat de inschrijvingsprocedure niet open, transparant, niet-discriminerend en onvoorwaardelijk was. Volgens rekwirante heeft Capricorn aldus nieuwe steun ontvangen en voor de economische continuïteit van de activiteiten van de verkopers gezorgd, zodat het bevel tot terugvordering van de door de verkopers ontvangen steun tot hem moet worden uitgebreid.

11      In artikel 2 van het definitieve besluit heeft de Commissie vastgesteld dat bepaalde steunmaatregelen ten gunste van de verkopers (hierna: „aan de verkopers verleende steun”) onrechtmatig en onverenigbaarheid met de interne markt waren. In artikel 3, lid 2, van dat besluit heeft de Commissie besloten dat Capricorn en haar dochtermaatschappijen waren gevrijwaard van een eventuele terugvordering van de aan de verkopers verleende steun (hierna: „eerste litigieus besluit”).

12      In artikel 1, laatste streepje, van het definitieve besluit heeft de Commissie vastgesteld dat de verkoop van de activa van de Nürburgring aan Capricorn geen staatssteun vormde (hierna: „tweede litigieus besluit”). De Commissie was in dit verband van mening dat de inschrijvingsprocedure op een open, transparante en niet-discriminerende wijze was uitgevoerd, dat die procedure tot een marktconforme verkoopprijs had geleid en dat er geen sprake was van economische continuïteit tussen de verkopers en de koper.

 Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

13      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 juli 2015, heeft rekwirante beroep tot nietigverklaring van het eerste en het tweede litigieuze besluit ingesteld.

14      Het Gerecht heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het strekte tot nietigverklaring van het eerste litigieuze besluit, aangezien rekwirante niet had aangetoond door dit besluit individueel te zijn geraakt. Om de in de punten 48 tot en met 69 van het bestreden arrest uiteengezette redenen heeft het Gerecht in de eerste plaats geoordeeld dat rekwirante niet rechtens genoegzaam had aangetoond dat dit besluit een concurrentiepositie die zij zou hebben ingenomen op de relevante markten merkbaar had aangetast, in de tweede plaats dat zij als beroepsvereniging niet de procesbevoegdheid van een van haar leden kon aanvoeren, en in de derde plaats dat zij niet had bewezen dat zij tijdens de formele onderzoeksprocedure die voorafging aan de vaststelling van het eerste bestreden besluit een duidelijk omschreven en nauw met het voorwerp zelf van dat besluit verbonden functie van onderhandelaar had bekleed.

15      Wat het verzoek tot nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit betreft, heeft het Gerecht in punt 83 van het bestreden arrest vastgesteld dat de partijen het erover eens waren dat voornoemd besluit was vastgesteld na afloop van het in artikel 108, lid 3, VWEU neergelegde vooronderzoek naar de steunmaatregelen en niet na afloop van een formele onderzoeksprocedure.

16      In punt 88 van het bestreden arrest stelt het Gerecht dat – rekening houdend met het doel van rekwirante, dat juist bestaat in de terugkeer en de promotie van een circuit voor autoraces op de Nürburgring, en met het feit dat zij aan de eerste fase van de inschrijvingsprocedure voor de verkoop van de activa van de Nürburgring heeft deelgenomen en in dat kader een grote hoeveelheid informatie heeft verzameld over die activa – niet kan worden uitgesloten dat rekwirante in het kader van de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU bij de Commissie opmerkingen kan indienen, die deze instelling zou kunnen meenemen in haar beoordeling van het open, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke karakter van de inschrijvingsprocedure en van de vraag of de activa van de Nürburgring in dat kader tegen de marktprijs zijn verkocht. Het Gerecht heeft dan ook in punt 89 van het bestreden arrest geoordeeld dat rekwirante voor wat het tweede litigieuze besluit betreft moest worden aangemerkt als belanghebbende, en heeft derhalve in punt 93 van het bestreden arrest vastgesteld dat rekwirante voor wat betreft het tweede litigieuze besluit procesbevoegdheid had om de procedurele rechten die zij ontleende aan artikel 108, lid 2, VWEU, te beschermen.

17      In punt 129 van het bestreden arrest heeft het Gerecht verklaard dat, teneinde uitspraak te kunnen doen over de grond van de zaak, voor zover het beroep strekte tot nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit en, in het bijzonder, over het vijfde en het achtste middel, ontleend aan schending van artikel 108, lid 2, VWEU en artikel 4, lid 4, van verordening nr. 659/1999 en van rekwirantes procedurele rechten, moest worden onderzocht of met het eerste tot en met het vierde middel kon worden bewezen dat de Commissie na afloop van de vooronderzoeksfase te maken had met moeilijkheden die de inleiding van een formele onderzoeksprocedure vereisten.

18      Na afloop van dit onderzoek heeft het Gerecht in punt 176 van het bestreden arrest vastgesteld dat met het vijfde en het achtste middel, die waren onderzocht in het licht van de argumenten die rekwirante had aangevoerd in het kader van het eerste tot en met het vierde middel, niet kon worden bewezen dat de Commissie na afloop van de vooronderzoeksprocedure te maken had met moeilijkheden die de inleiding van een formele onderzoeksprocedure vereisten, en dat deze middelen dan ook moesten worden verworpen.

19      In de punten 182 tot en met 190 en 193 tot en met 197 heeft het Gerecht tevens het zesde en het negende middel, ontleend aan schending door de Commissie van, respectievelijk, de motiveringsplicht en het recht op behoorlijk bestuur, onderzocht en verworpen.

20      In punt 198 van het bestreden arrest heeft het Gerecht bijgevolg het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard.

 Conclusies van partijen voor het Hof

21      Rekwirante verzoekt het Hof:

–        het bestreden arrest te vernietigen;

–        het eerste en het tweede litigieuze besluit nietig te verklaren;

–        subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en

–        de Commissie te verwijzen in de kosten van beide procedures.

22      De Commissie verzoekt het Hof:

–        de punten 73 tot en met 94 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat het beroep tegen het tweede litigieuze besluit ontvankelijk was, te vernietigen;

–         dit beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

–        de hogere voorziening af te wijzen, en

–        rekwirante te verwijzen in de kosten van de procedure.

 Hogere voorziening

23      Tot staving van haar hogere voorziening voert rekwirante vijf middelen aan. Ten eerste heeft het Gerecht blijk gegeven vaneen onjuiste rechtsopvatting doordat het heeft geoordeeld dat rekwirante als concurrente van de begunstigde van de betrokken steun niet individueel werd geraakt door het eerste litigieuze besluit. Ten tweede heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het heeft geoordeeld dat zij als beroepsorganisatie niet individueel werd geraakt door het eerste litigieuze besluit. Ten derde heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het heeft vastgesteld dat rekwirante niet bevoegd was om op te komen tegen het tweede litigieuze besluit. Ten vierde is het bestreden arrest ontoereikend gemotiveerd, heeft het Gerecht de feiten en de bewijsmiddelen onjuist opgevat en heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij het onderzoek van de middelen die waren gericht tegen de stilzwijgende weigering van de Commissie om de formele onderzoeksprocedure in te leiden. Ten vijfde heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de beoordeling van de vraag of het tweede litigieuze besluit toereikend is gemotiveerd.

24      Het eerste en het tweede middel betreffen de afwijzing door het Gerecht van het verzoek tot nietigverklaring van het eerste litigieuze besluit, terwijl het derde tot en met het vijfde middel betrekking hebben op de afwijzing van het verzoek tot nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit.

 Middelen betreffende het verzoek tot nietigverklaring van het eerste litigieuze besluit

 Eerste middel

25      Het eerste middel is gericht tegen punt 56 van het bestreden arrest, dat luidt als volgt:

„Wat bovendien de stelling van verzoekster betreft dat haar marktpositie merkbaar is aangetast vanwege haar eerdere investeringen in het Nürburgring-circuit, moet worden opgemerkt dat op basis van het enkele feit dat zij op enigerlei wijze in de Nürburgring zou hebben geïnvesteerd niet kan worden vastgesteld dat zij als marktdeelnemer op de relevante markten aanwezig zou zijn geweest, hetgeen zij overigens niet beweert, laat staan dat haar positie als marktdeelnemer op die markten merkbaar zou zijn aangetast door de aan de verkopers verleende steun, die er volgens haar de oorzaak van was dat haar investeringen waardeloos zijn geworden. Verzoekster legt hoe dan ook niet uit in welk opzicht het eerste [litigieuze] besluit, op grond waarvan de koper van de activa van de Nürburgring niet verplicht was om de aan de verkopers verleende steun terug te betalen, van invloed zou zijn geweest op het nut van haar beweerde investeringen in de Nürburgring.”

–       Argumenten van partijen

26      Met het eerste onderdeel van het eerste middel verwijt rekwirante het Gerecht dat het niet rechtens genoegzaam heeft geantwoord op haar argumenten betreffende de merkbare aantasting van haar marktpositie, hetgeen volgens rekwirante een schending van de motiveringsplicht en van haar recht om te worden gehoord en haar recht op effectieve rechterlijke bescherming oplevert.

27      Rekwirante betoogt in het bijzonder dat het Gerecht, door in punt 56, tweede volzin, van het bestreden arrest te verklaren dat zij niet had uitgelegd in welk opzicht het eerste litigieuze besluit van invloed zou zijn geweest op het nut van de door haar gedane investeringen in de Nürburgring, is voorbijgegaan aan haar argumenten in punt 32 van haar memorie van antwoord voor het Gerecht waarmee zij in essentie aanvoerde dat die investeringen waren ondermijnd en afgewend van hun doel, namelijk de exploitatie van het traditionele circuit van de Nürburgring te bevorderen en de organisatoren van sportevenementen onder voorwaarden van algemeen belang toegang tot dit circuit te verschaffen, om met behulp van een kruissubsidie hotel- en ontspanningsfaciliteiten te financieren die geen verband houden met de autosport en die met de aan de verkopers verleende steun zijn gebouwd. Rekwirante had daaraan toegevoegd dat de verkoop van de activa van de Nürburgring aan Capricorn als rechtstreeks onrechtmatig gevolg de door de onrechtmatige steun veroorzaakte aantasting van haar marktpositie bestendigde.

28      Zij is van mening dat zij, gelet op de nauwe band tussen haar investeringen in het Nürburgring-circuit en de exploitatie daarvan onder voorwaarden van algemeen belang, zo nauw verbonden is met de exploitatie van het circuit dat zij een positie heeft verworven op de relevante markt voor de exploitatie van circuits voor autoraces. Zij herinnert er in dit verband aan dat zij voor het Gerecht de aandacht erop heeft gevestigd dat het Nürburgring-circuit een natuurlijk monopolie vormt. Het Gerecht is echter voorbijgegaan aan het feit dat er bij de exploitatie van een natuurlijk monopolie slechts sprake kan zijn van potentiële mededinging. Rekwirantes investeringen zijn dus de meest directe manier om een positie op de markt te verwerven. Om dezelfde redenen is de vaststelling in de eerste zin van punt 56 van het bestreden arrest, dat rekwirante niet had gesteld dat haar marktpositie door de aan de verkopers verleende steun merkbaar was aangetast, eveneens onjuist.

29      Met het tweede onderdeel van het eerste middel voert rekwirante aan dat het Gerecht op basis van een onjuiste uitlegging van artikel 263, vierde alinea, VWEU in punt 56 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat op basis van enigerlei investering niet kan worden vastgesteld dat de investeerder als marktdeelnemer aanwezig is op de markt waaraan de investeringen ten goede zijn gekomen.

30      De Commissie betoogt dat het eerste middel niet ter zake dienend of in elk geval ongegrond is.

–       Beoordeling door het Hof

31      Met het oog op het gezamenlijke onderzoek van de twee onderdelen van het eerste middel, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof degenen die niet adressaat van een besluit zijn, slechts kunnen stellen individueel te worden geraakt, indien dit besluit hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, blz. 232; 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 93, en 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:2021:608, punt 33).

32      Indien, zoals in casu, een verzoeker ten gronde opkomt tegen een aan het einde van de formele onderzoeksprocedure vastgesteld besluit, volstaat het feit dat hij als belanghebbende in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU kan worden beschouwd, niet om het beroep ontvankelijk te verklaren. Hij moet dan een bijzondere status in de zin van de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak aantonen. Daarvan is met name sprake in het geval dat de positie van die rekwirant op de markt merkbaar wordt aangetast door de steun waarop het betrokken besluit betrekking heeft (arresten van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 97, en 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:2021:608, punt 37).

33      Zoals het Gerecht in punt 48 van het bestreden arrest zelf in herinnering heeft gebracht, is erkend dat een besluit van de Commissie tot beëindiging van de formele onderzoeksprocedure niet alleen de begunstigde onderneming individueel raakt, maar ook de hiermee concurrerende ondernemingen die in het kader van die procedure een actieve rol hebben gespeeld, voor zover de in het litigieuze besluit bedoelde steunmaatregel hun marktpositie merkbaar aantast (arresten van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 98, en 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:2021:608, punt 38).

34      Het loutere feit dat in een bepaald bestanddeel van infrastructuur wordt geïnvesteerd, betekent echter niet dat de investeerder in kwestie actief is op enige markt die verband houdt met de exploitatie van die infrastructuur. Dit geldt te meer wanneer dergelijke investeringen ertoe strekken de exploitatie van die infrastructuur door verschillende marktdeelnemers te bevorderen onder voorwaarden van algemeen belang, zoals volgens rekwirante het geval was met de investeringen die zij naar eigen zeggen in het Nürburgring-circuit heeft gedaan.

35      Hieruit volgt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 56 van het bestreden arrest in essentie te oordelen dat de argumenten van rekwirante betreffende de investeringen die zij in het Nürburgring-circuit zou hebben gedaan, niet volstonden om aan te tonen dat zij door het eerste litigieuze besluit individueel werd geraakt in de zin van de in punt 31 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel ongegrond worden verklaard.

36      Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, dat in essentie is ontleend aan schending van de motiveringsplicht door het Gerecht, zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak de krachtens artikel 36 en artikel 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie op het Gerecht rustende verplichting om zijn beslissingen te motiveren, niet inhoudt dat het Gerecht een uiteenzetting moet geven die volledig en één voor één alle argumenten van de partijen volgt. De motivering kan dus impliciet zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten heeft afgewezen en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen (arrest van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C‑120/06 P en C‑121/06 P, EU:C:2008:476, punt 96 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37      Uit punt 56 van het bestreden arrest blijkt, althans impliciet maar duidelijk, dat het Gerecht heeft geoordeeld dat de argumenten van rekwirante inzake de investeringen die zij in het Nürburgring-circuit zou hebben gedaan, niet volstonden om aan te tonen dat zij op de relevante markt aanwezig was, laat staan dat haar concurrentiepositie op die markt merkbaar zou zijn aangetast door de maatregel waarop het eerste litigieuze besluit betrekking heeft.

38      Daaruit volgt dat het eerste onderdeel van het eerste middel ongegrond is, evenals dit middel in zijn geheel.

 Tweede middel

39      Het tweede middel ziet op punt 69 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft vastgesteld dat ten aanzien van de strenge voorwaarden die zijn geformuleerd in het arrest van 13 december 2005, Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum (C‑78/03 P, EU:C:2005:761, punten 53‑59) moest worden overwogen dat rekwirante niet had bewezen dat zij tijdens de formele onderzoeksprocedure die voorafging aan de vaststelling van het eerste litigieuze besluit, een duidelijk omschreven en nauw met het voorwerp zelf van dat besluit verbonden functie van onderhandelaar had bekleed, die een grond kon zijn voor haar individuele geraaktheid.

–       Argumenten van partijen

40      Rekwirante betoogt dat het Gerecht zijn motiveringsplicht niet is nagekomen en de hem ter beoordeling voorgelegde feiten en bewijsmiddelen onjuist heeft opgevat. Zij is van mening dat zij voor het Gerecht heeft aangetoond dat zij in de administratieve procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het eerste litigieuze besluit een actieve en unieke rol had gespeeld met betrekking tot de exploitatie van het Nürburgring-circuit in het algemeen belang. Haar duidelijk omschreven en nauw met het voorwerp zelf van dat besluit verbonden functie van onderhandelaar is volgens haar vergelijkbaar met die van het Landbouwschap (publiekrechtelijke instelling die is opgericht om de gemeenschappelijke belangen van de marktdeelnemers in de landbouwsector te beschermen in het algemeen belang, Nederland) in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 2 februari 1988, Van der Kooy e.a./Commissie (67/85, 68/85 en 70/85, EU:C:1988:38, punten 20‑24), en die van het Comité international de la rayonne et des fibres synthétiques (CIRFS) in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie (C‑313/90, EU:C:1993:111, punten 29 en 30).

41      Rekwirante heeft immers met de Commissie onderhandeld over de steun waarop het eerste litigieuze besluit betrekking heeft, teneinde voor haar leden op een wijze die in overeenstemming was met de staatssteunregels en met een doel van algemeen belang, de exploitatie van dit circuit te garanderen en ervoor te zorgen dat haar investeringen tot de verwezenlijking van die doelstelling zouden blijven bijdragen. Deze materiële omstandigheden kenmerken rekwirante ten opzichte van ieder ander, zodat zij bevoegd is om op te komen tegen het eerste litigieuze besluit.

42      Bijgevolg kon het Gerecht volgens rekwirante haar procesbevoegdheid niet uitsluiten zonder uit te leggen waarom, gelet op de door haar aangevoerde middelen, bewijsmiddelen en gedetailleerde argumenten, niet was voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden om haar procesbevoegdheid te erkennen. De verwijzing van het Gerecht in punt 69 van het bestreden arrest naar de „strenge voorwaarden die zijn geformuleerd in het arrest van 13 december 2005, Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum (C‑78/03 P, EU:C:2005:761, punten 53‑59)”, volstaat niet om te begrijpen welke voorwaarden het Gerecht heeft onderzocht. Het Gerecht heeft zijn arrest derhalve niet of ontoereikend gemotiveerd, hetgeen eveneens een schending oplevert van het recht om te worden gehoord en het recht op effectieve rechterlijke bescherming. Door te oordelen dat rekwirante „niet heeft bewezen” dat zij in het kader van de formele onderzoeksprocedure die voorafging aan de vaststelling van het eerste litigieuze besluit een functie van onderhandelaar heeft bekleed, zonder evenwel uit te leggen welke door rekwirante overgelegde bewijzen zijn onderzocht, heeft het Gerecht bovendien de feiten en bewijsmiddelen onjuist opgevat.

43      De Commissie is van mening dat het tweede middel ongegrond is en moet worden afgewezen.

–       Beoordeling door het Hof

44      Uit punt 58 van het bestreden arrest blijkt dat rekwirante voor het Gerecht onder meer heeft aangevoerd dat zij onderhandelingen heeft gevoerd om de belangen van de Duitse autosport te behartigen, in het bijzonder met betrekking tot de terugkeer en de promotie van een circuit voor autoraces op de Nürburgring, en dat zij heeft deelgenomen aan de administratieve procedure die voorafging aan de vaststelling van het eerste ligitieuze besluit door een klacht en schriftelijke opmerkingen in te dienen en bewijsmateriaal te verstrekken.

45      In de punten 66 en 67 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de overwegingen samengevat die het Hof ertoe hebben gebracht, de beroepen ontvankelijk te verklaren in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 2 februari 1988, Van der Kooy e.a./Commissie (67/85, 68/85 en 70/85, EU:C:1988:38), en 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie (C‑313/90, EU:C:1993:111). Bovendien heeft het Gerecht in punt 68 van dat arrest onder verwijzing naar zijn eigen rechtspraak en die van het Hof verklaard dat het niet volstond dat een beroepsvereniging de klacht had ingediend die tot de formele onderzoeksprocedure had geleid of opmerkingen had ingediend tijdens die procedure teneinde aan die vereniging een bijzondere status van onderhandelaar toe te kennen.

46      Ten slotte heeft het Gerecht in punt 69 van het bestreden arrest verwezen naar de „strenge voorwaarden die zijn geformuleerd in het arrest van 13 december 2005, Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum (C‑78/03 P, EU:C:2005:761, punten 53‑59)”, waarin het Hof zelf had herinnerd aan de bijzondere omstandigheden van de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 2 februari 1988, Van der Kooy e.a./Commissie (67/85, 68/85 en 70/85, EU:C:1988:38), en 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie (C‑313/90, EU:C:1993:111), en uiteengezet waarin deze omstandigheden verschilden van de situatie van een gewone belanghebbende die actief had deelgenomen aan de procedure die tot de vaststelling van een besluit betreffende staatssteun had geleid.

47      Deze verwijzingen naar de rechtspraak maken het mogelijk te begrijpen waarom de in punt 58 van het bestreden arrest samengevatte argumenten van rekwirante, niet volstonden om haar de hoedanigheid van onderhandelaar in de zin van de in de punten 66 tot en met 69 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak toe te kennen.

48      De motivering van het Gerecht in de punten 65 tot en met 69 van het bestreden arrest is dus weliswaar betrekkelijk beknopt, maar volstaat om rekwirante in staat te stellen de redenen te begrijpen voor de afwijzing van de argumenten die zij had aangevoerd tot staving van de ontvankelijkheid van haar verzoek tot nietigverklaring van het eerste litigieuze besluit en die waren gebaseerd op de rechtspraak die voortvloeit uit de arresten van 2 februari 1988, Van der Kooy e.a./Commissie (67/85, 68/85 en 70/85, EU:C:1988:38), en 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie (C‑313/90, EU:C:1993:111).

49      De stelling dat het Gerecht de feiten en de bewijsmiddelen onjuist heeft opgevat, moet niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien rekwirante niet heeft aangegeven welke elementen het Gerecht precies verkeerd zou hebben opgevat, noch waarin die onjuiste opvatting zou bestaan (zie in die zin beschikking van 1 februari 2017, Vidmar e.a./Commissie, C‑240/16 P, EU:C:2017:89, punten 26 en 27).

50      Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond is.

51      Aangezien het eerste en het tweede middel moeten worden verworpen, moet de hogere voorziening worden afgewezen voor zover zij strekt tot vernietiging van het deel van het bestreden arrest waarbij het Gerecht het verzoek tot nietigverklaring van het eerste litigieuze besluit heeft afgewezen.

 Middelen betreffende het verzoek tot nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit

 Ontvankelijkheid van het beroep voor het Gerecht

52      Zonder een incidentele hogere voorziening in te stellen verzoekt de Commissie het Hof de ontvankelijkheid van het beroep te onderzoeken voor zover het strekt tot nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit, aangezien het Gerecht volgens haar blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging en de toepassing van het begrip „belanghebbende” in de zin van artikel 108, leden 2 en 3, VWEU en artikel 1, onder h), van verordening nr. 659/1999 en ten onrechte heeft geoordeeld dat rekwirante aanspraak kon maken op die hoedanigheid.

53      In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof, indien bij hem een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig is, gehouden is om, desnoods ambtshalve, uitspraak te doen over het middel van openbare orde met betrekking tot schending van de in artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarden van een door een particulier ingestelde vordering tot nietigverklaring (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Bayerische Motoren Werke en Freistaat Sachsen/Commissie, C‑654/17 P, EU:C:2019:634, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54      Uit de punten 84 tot en met 89 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht in essentie heeft geoordeeld dat rekwirante het recht had om nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit te vorderen als belanghebbende en om haar procedurele rechten uit hoofde van artikel 108, lid 2, VWEU en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 659/1999 te beschermen.

55      In de eerste plaats betoogt de Commissie dat het Gerecht de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie op dit gebied slechts gedeeltelijk heeft gelezen en is voorbijgegaan aan het feit dat de hoedanigheid van belanghebbende het bestaan van een concurrentieverhouding veronderstelt.

56      Dit argument moet echter worden afgewezen. Het begrip „belanghebbende” wordt in artikel 1, onder h), van verordening nr. 659/1999 namelijk gedefinieerd als „een persoon, onderneming of ondernemersvereniging waarvan de belangen door de toekenning van steun kunnen worden getroffen, in het bijzonder de begunstigde van de steun, concurrerende ondernemingen en beroepsverenigingen”. Deze bepaling is gebaseerd op de definitie van het begrip „belanghebbenden” in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU, zoals die voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof (arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

57      Hoewel, zoals de advocaat-generaal in punt 30 van zijn conclusie heeft opgemerkt, een concurrerende onderneming van de begunstigde van een steunmaatregel onbetwistbaar de hoedanigheid van „belanghebbende” in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU heeft, kan een entiteit die niet met de begunstigde van de betrokken steun concurreert ook als zodanig worden aangemerkt, voor zover zij heeft aangevoerd dat haar belangen door die steunverlening kunnen worden getroffen. Volgens de rechtspraak van het Hof veronderstelt dit dat zij aantoont dat die steun haar situatie concreet dreigt te beïnvloeden (zie in die zin arresten van 24 mei 2011, Commissie/Kronoply en Kronotex, C‑83/09 P, EU:C:2011:341, punt 65, en 27 oktober 2011, Oostenrijk/Scheucher-Fleisch e.a., C‑47/10 P, EU:C:2011:698, punt 132).

58      Het argument van de Commissie dat uit de arresten van 9 juli 2009, 3F/Commissie (C‑319/07 P, EU:C:2009:435), 24 mei 2011, Commissie/Kronoply en Kronotex (C‑83/09 P, EU:C:2011:341), en 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci (C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873) volgt dat de hoedanigheid van belanghebbende een concurrentieverhouding veronderstelt, moet derhalve worden afgewezen.

59      Zoals blijkt uit punt 104 van het arrest van 9 juli 2009, 3F/Commissie (C‑319/07 P, EU:C:2009:435), heeft het Hof aan een vakbond van arbeiders immers de hoedanigheid van belanghebbende toegekend op grond van de mogelijke aantasting van zijn belangen en die van zijn leden door de maatregelen die in die zaak aan de orde waren tijdens collectieve onderhandelingen.

60      Wat het arrest van 24 mei 2011, Commissie/Kronoply en Kronotex (C‑83/09 P, EU:C:2011:341, punt 64), betreft, heeft het Hof zijn analyse niet gebaseerd op een concurrentieverhouding tussen de begunstigde van de steun en de verzoekende onderneming in die zaak, maar op het feit dat laatstgenoemde onderneming voor haar productieproces dezelfde grondstof als de begunstigde nodig had.

61      Ten slotte is het arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci (C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 43), waarop de Commissie zich beroept, niet ter zake dienend. Punt 43 van dit arrest had namelijk geen betrekking op de hoedanigheid van belanghebbende van een persoon of een onderneming, maar op de eventuele rechtstreekse aantasting, in het licht van een besluit van de Commissie waarbij de gevolgen van de betrokken nationale maatregelen tot invoering van een steunregeling ongewijzigd zijn gelaten, van de rechtspositie van een klager die stelt dat die maatregelen hem in een nadelige concurrentiepositie brengen.

62      In de tweede plaats betoogt de Commissie dat de erkenning door het Gerecht van de hoedanigheid van belanghebbende van rekwirante, zoals blijkt uit punt 88 van het bestreden arrest, berust op het feit dat rekwirante potentieel over relevante informatie beschikt. Het loutere feit dat een persoon over informatie beschikt die relevant kan zijn in het kader van een formele onderzoeksprocedure inzake de vaststelling of een maatregel onrechtmatige staatssteun vormt, volstaat echter niet om aan deze persoon een dergelijke hoedanigheid toe te kennen.

63      Het Gerecht heeft in punt 86 van het bestreden arrest inderdaad verwezen naar de hoedanigheid van rekwirante als „vereniging zonder winstoogmerk die zich tot doel stelt, ten eerste, de terugkeer en de promotie van een circuit voor autoraces op de Nürburgring te verwezenlijken en, ten tweede, de collectieve belangen van haar leden te bevorderen, van wie sommigen sportevenementen op dat circuit organiseren”, en naar het feit dat rekwirantes belangen „mogelijk concreet zijn beïnvloed door de verleende steun, waarvan de toekenning volgens [rekwirante] in het tweede [litigieuze] besluit had moeten worden vastgesteld omdat de inschrijvingsprocedure niet open, transparant, niet-discriminerend en onvoorwaardelijk was geweest en ertoe had geleid dat de activa van de Nürburgring niet tegen de marktprijs aan Capricorn werden verkocht”.

64      Uit punt 88 van dat arrest blijkt echter dat het Gerecht, om rekwirante te erkennen als „belanghebbende” in de zin van artikel 1, onder h), van verordening nr. 659/1999, zich uiteindelijk heeft gebaseerd op het feit dat „[r]ekening houdend met het doel van [rekwirante], dat juist bestaat in de terugkeer en de promotie van een circuit voor autoraces op de Nürburgring, en met het feit dat zij aan de eerste fase van de inschrijvingsprocedure heeft deelgenomen en in dat kader een grote hoeveelheid informatie heeft verzameld over de activa van de Nürburgring, […] in casu niet [kan] worden uitgesloten dat verzoekster in het kader van de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU bij de Commissie opmerkingen kan indienen, die deze instelling zou kunnen meenemen in haar beoordeling van het open, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke karakter van de inschrijvingsprocedure en van de vraag of de activa van de Nürburgring in dat kader tegen de marktprijs zijn verkocht”.

65      Zoals de advocaat-generaal in essentie heeft opgemerkt in de punten 33 en 34 van zijn conclusie, betekent het feit dat iemand beschikt over informatie die relevant zou kunnen zijn in het kader van een formele onderzoeksprocedure ten aanzien van een steunmaatregel, echter niet dat de belangen van die persoon door de toekenning van die steun kunnen worden aangetast en dat die steun zijn situatie concreet dreigt te beïnvloeden in de zin van de in punt 57 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak. Het enkele bezit van relevante informatie volstaat dus niet om een dergelijke persoon als belanghebbende aan te merken.

66      Uit het dossier in eerste aanleg, dat overeenkomstig artikel 167, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof aan het Hof is doorgezonden, blijkt evenwel dat rekwirante voor het Gerecht onder meer heeft aangevoerd dat zij een vereniging is die de belangen van de gehele Duitse autosport met betrekking tot het circuit van de Nürburgring behartigt, dat zij voornamelijk beoogt dat circuit te exploiteren onder economische voorwaarden die het algemeen belang dienen en die ervoor zorgen dat ook amateursporters toegang hebben tot het circuit, en dat Capricorn een op winstmaximalisering gericht concept toepast dat onverenigbaar is met rekwirantes doelstellingen.

67      Gelet op deze argumenten, die door de Commissie niet worden betwist, moet worden aanvaard dat de vermeende toekenning van steun aan Capricorn in verband met de verwerving van de Nürburgring de belangen van rekwirante en haar leden kan schaden, zodat zij als „belanghebbende” in de zin van artikel 1, onder h), van verordening nr. 659/1999 moet worden aangemerkt.

68      Bijgevolg moet worden geoordeeld dat het verzoek tot nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit ontvankelijk is.

 Derde middel

69      Met haar derde middel komt rekwirante op tegen punt 83 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat zijzelf, of een van haar leden, om dezelfde redenen als die welke met betrekking tot het eerste litigieuze besluit zijn genoemd, niet kon worden geacht individueel te zijn geraakt door het tweede litigieuze besluit.

70      Dit middel betreft overwegingen van het bestreden arrest die niet noodzakelijk zijn ter staving van het dictum ervan. Zoals uit punt 93 van het bestreden arrest blijkt, heeft het Gerecht namelijk geoordeeld dat rekwirante het recht had om te verzoeken om nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit en dat, zoals blijkt uit punt 68 van het onderhavige arrest, er geen reden is om deze conclusie ter discussie te stellen.

71      Derhalve moet het derde middel als niet ter zake dienend worden afgewezen.

 Vierde middel

72      Het vierde middel valt uiteen in vijf onderdelen. Om te beginnen moeten het tweede, het vierde en het vijfde onderdeel van dit middel worden onderzocht.

–       Argumenten van partijen

73      Met het tweede onderdeel van het vierde middel voert rekwirante aan dat het Gerecht in de punten 152 tot en met 156 van het bestreden arrest een ter ondersteuning van het bod van Capricorn opgestelde brief van Deutsche Bank AG van 10 maart 2014, onjuist heeft opgevat door te oordelen dat niet is gebleken dat de Commissie het bindende karakter van die brief in twijfel had moeten trekken. Rekwirante herinnert eraan dat zij voor het Gerecht de aandacht had gevestigd op het feit dat die brief op de laatste bladzijde een „belangrijke mededeling” bevatte, waaruit bleek dat de daarin vervatte voorwaarden niet beoogden wettelijk bindende verplichtingen in het leven te roepen. Andere passages uit diezelfde mededeling bevestigen dat standpunt. Volgens rekwirante had het Gerecht, indien het de brief van Deutsche Bank van 10 maart 2014 niet onjuist had opgevat, moeten vaststellen dat Deutsche Bank zich niet door die brief gebonden achtte.

74      In het kader van het vierde onderdeel van het vierde middel voert rekwirante aan dat de vaststelling van het Gerecht in punt 166 van het bestreden arrest dat de feiten van na 11 maart 2014 niet relevant waren voor het onderzoek van de vraag of er in het kader van de inschrijvingsprocedure mogelijk steun was verleend aan Capricorn, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en van een onjuiste opvatting van het bewijs door het Gerecht, en bovendien ontoereikend is gemotiveerd.

75      Volgens rekwirante beschikte de Commissie ten tijde van de vaststelling van het tweede litigieuze besluit over gedetailleerde informatie en bewijzen dat Capricorn een ongerechtvaardigd voordeel had genoten in een niet-transparante en discriminerende inschrijvingsprocedure, die ertoe had geleid dat haar, ondanks haar gebrek aan solvabiliteit, de activa van de Nürburgring werden toegekend. Anders dan het Gerecht in punt 167 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, had de Commissie op grond van die informatie de formele onderzoeksprocedure moeten inleiden, ook al had rekwirante geen nieuwe klacht ingediend.

76      Ten slotte heeft het vijfde onderdeel van het vierde middel betrekking op de punten 173 tot en met 176 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht de in de punten 170 en 171 van dat arrest samengevatte argumenten van rekwirante heeft afgewezen. Volgens rekwirante heeft het Gerecht zich beperkt tot een samenvatting van haar argumenten in punt 170 van het bestreden arrest, zonder deze te onderzoeken en zonder de afwijzing ervan te motiveren. Hetzelfde geldt voor het in punt 171 van het bestreden arrest aangevoerde argument betreffende de pachtovereenkomst inzake de activa van de Nürburgring. Het Gerecht heeft enkel aangegeven dat de pachtsom is betaald aan een onafhankelijke vennootschap van verkopers en dat de verkoopprijs van de activa van de Nürburgring in mindering is gebracht op de pachtsommen, die met deze prijs moesten worden verrekend totdat de verkoop was afgerond. Zonder enige toelichting te geven, heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie geen twijfels had moeten koesteren over het bestaan van een ongerechtvaardigd voordeel, hetgeen een onjuiste opvatting van de door rekwirante aangevoerde bewijselementen vormt en blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 107 en artikel 108, lid 3, VWEU.

77      De Commissie is primair van mening dat het tweede onderdeel van het vierde middel niet ter zake dienend is. Volgens de Commissie zijn de vaststellingen in de punten 152, 154 en 155 van het bestreden arrest, die door rekwirante niet worden betwist, voldoende ter ondersteuning van de overwegingen van het Gerecht dat niet is gebleken dat de Commissie twijfels had moeten koesteren over het bindende karakter van de brief van Deutsche Bank van 10 maart 2014, gesteld dat het Gerecht in punt 153 van dat arrest de feiten onjuist heeft opgevat.

78      Het tweede onderdeel van het vierde middel is hoe dan ook ongegrond. In de brief van Deutsche Bank van 10 maart 2014 wordt herhaaldelijk de term „verbintenis” gebruikt. In werkelijkheid betwist rekwirante enkel de uitlegging van deze term door het Gerecht in het licht van andere verklaringen in diezelfde brief. Dit behoort evenwel tot de soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht, die ook de uitlegging van krachtens het nationale recht gesloten overeenkomsten omvat.

79      Het vierde onderdeel van het vierde middel berust volgens de Commissie op een onjuiste lezing van de punten 165 tot en met 169 van het bestreden arrest. Het Gerecht heeft daarin ontkennend geantwoord op de vraag of de in punt 163 van dat arrest samengevatte stelling van rekwirante dat Capricorn op 13 augustus 2014 in het kader van een niet-transparante procedure voor de doorverkoop van de activa van de Nürburgring was vervangen door een subkoper, had moeten worden onderzocht in het tweede litigieuze besluit. Volgens de Commissie deed het Gerecht dit terecht, aangezien omstandigheden die dateren van na de verkoop van de activa van de Nürburgring niet relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of de curator van de Nürburgring bij die verkoop heeft gehandeld als een investeerder in een markteconomie. Een dergelijke investeerder had echter geen rekening kunnen houden met feiten zoals die welke rekwirante aanvoert, die zich pas na de sluiting van de verkoop hebben voorgedaan. Ook al beschikte de Commissie bij de vaststelling van het tweede litigieuze besluit over de door rekwirante in haar betoog aangevoerde informatie, deze waren irrelevant voor de toepassing van het beginsel van de verkoper in een markteconomie op de koopovereenkomst die op 11 maart 2014 tussen de curator van de Nürburgring en Capricorn is gesloten.

80      Ten slotte betoogt de Commissie in antwoord op het vijfde onderdeel van het vierde middel dat de in de punten 170 en 171 van het bestreden arrest samengevatte argumentatie van rekwirante geen afbreuk deed aan de naleving van het criterium van de verkoper in een markteconomie. In het bijzonder hebben de in punt 170 van dat arrest samengevatte argumenten betrekking op gebeurtenissen die dateren van na de sluiting van die verkoopovereenkomst. Hetzelfde geldt voor de in punt 171 van dat arrest genoemde sluiting van een pachtovereenkomst. In de punten 173 tot en met 174 van dat arrest heeft het Gerecht de afwijzing van deze argumenten beknopt, maar duidelijk gemotiveerd. Het zou voor het Gerecht voor de hand hebben gelegen om te verwijzen naar de punten 138 tot en met 158 van het bestreden arrest, aangezien het Gerecht daarin heeft uiteengezet dat de verkoopprijs van de activa van de Nürburgring is vastgesteld in het kader van een open en transparante inschrijvingsprocedure en er geen twijfel bestond over de financiering van het geselecteerde bod. Wat rekwirantes argument betreft dat de bewijselementen onjuist zijn opgevat, valt niet te begrijpen waarop deze stelling is gebaseerd, temeer daar rekwirante zelf erkent dat het Gerecht haar argumenten correct heeft samengevat in de punten 170 en 171 van het bestreden arrest.

–       Beoordeling door het Hof

81      Om te beginnen moet worden gepreciseerd dat het tweede onderdeel van het vierde middel, anders dan de Commissie stelt, niet alleen betrekking heeft op punt 153 van het bestreden arrest, maar ook op de punten 152 en 154 tot en met 156 van dat arrest. Het onderdeel kan dan ook niet als niet ter zake dienend worden afgewezen.

82      Voor het onderzoek van dit onderdeel zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 151 van het bestreden arrest, aan de investeerders die belangstelling hadden voor de verwerving van de activa van de Nürburgring was gepreciseerd dat zij met name zouden worden geselecteerd op basis van de waarschijnlijkheid van de sluiting van de transactie. Een van de in dit verband in aanmerking te nemen factoren was de financieringszekerheid van hun bod, zoals die blijkt uit een bevestiging van de financiering door hun financieringspartners.

83      Uit de overwegingen 50, 273 en 278 van het definitieve besluit blijkt dat de Commissie van mening was dat de financiering van het bod van Capricorn was gewaarborgd, aangezien Capricorn de brief van Deutsche Bank van 10 maart 2014 had overgelegd, die een bindend karakter had.

84      In de punten 152 tot en met 155 van het bestreden arrest is het Gerecht nagegaan of de Commissie met het door haar verrichte onderzoek, dat aansloot bij de analyse van de Duitse autoriteiten, kon vaststellen dat er geen twijfel bestond ten aanzien van het bindende karakter van die brief, en in punt 156 van dit arrest is het tot de conclusie gekomen dat dit inderdaad het geval was.

85      Derhalve moet worden onderzocht of, zoals rekwirante stelt, het Gerecht in het kader van dat onderzoek de inhoud van die brief onjuist heeft opgevat.

86      In dit verband zij eraan herinnerd dat er sprake is van een onjuiste opvatting van de bewijselementen wanneer, zonder dat gebruik behoeft te worden gemaakt van nieuwe bewijselementen, de beoordeling van de bestaande bewijselementen kennelijk onjuist blijkt te zijn (arresten van 18 januari 2007, PKK en KNK/Raad, C‑229/05 P, EU:C:2007:32, punt 37, en 18 juli 2007, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, C‑326/05 P, EU:C:2007:443, punt 60).

87      In casu blijkt uit de brief van Deutsche Bank van 10 maart 2014, zoals deze door de Commissie aan het Gerecht is overgelegd en in het dossier van eerste aanleg is opgenomen, dat deze brief op de eerste bladzijde een duidelijke indicatie bevat dat de in die brief vervatte „verbintenis” is onderworpen aan de voorwaarden die met name zijn uiteengezet in de „lijst voorwaarden [term sheet]” die als bijlage A bij die brief is gevoegd.

88      Zoals rekwirante echter terecht opmerkt, bevat deze bijlage aan het einde een „belangrijke mededeling”, waarin onder meer wordt gesteld dat „deze lijst van voorwaarden louter ter bespreking dient en geen wettelijk bindende verplichtingen tussen ons in het leven roept [...] Bijgevolg aanvaarden wij geen aansprakelijkheid voor enig direct, daarmee gepaard gaand of ander verlies dat voortvloeit uit het vertrouwen op die[zelfde] brief.”

89      Uit deze gegevens blijkt duidelijk dat de brief van Deutsche Bank van 10 maart 2014 geen bindende financieringsverplichting heeft doen ontstaan voor de bank die deze brief heeft afgegeven en ten gunste van Capricorn.

90      Deze conclusie wordt overigens bevestigd door de vermelding in punt 9 van bladzijde 5 van die brief, met als opschrift „Toepasselijk recht en bevoegdheid”, waarin wordt verwezen naar „elke eventuele niet-contractuele verbintenis” die uit die brief voortvloeit, zonder melding te maken van contractuele verbintenissen, juist omdat deze brief niet was bedoeld om dergelijke verbintenissen in het leven te roepen.

91      In dit verband is het van weinig belang dat, zoals het Gerecht in de punten 152 en 153 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, diezelfde brief aangeeft dat Deutsche Bank „bereid” is aan Capricorn een lening van 45 miljoen EUR te verstrekken en dat daarin herhaaldelijk wordt verwezen naar de door Deutsche Bank jegens Capricorn aangegane „verbintenis”, aangezien uit de in punt 88 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte aanwijzingen duidelijk blijkt dat deze „verbintenis” geen wettelijk bindende financieringsverplichtingen heeft doen ontstaan, evenmin als de eerdere brieven van Deutsche Bank waarnaar het Gerecht in punt 154 van het bestreden arrest heeft verwezen. Het feit dat het niet-bindende karakter van de brief van Deutsche Bank van 10 maart 2014 in andere bewoordingen is gesteld dan in die eerdere brieven, doet niet af aan deze conclusie.

92      Hieruit volgt dat, zoals rekwirante met het tweede onderdeel van het vierde middel aanvoert, het Gerecht de inhoud van de brief van Deutsche Bank van 10 maart 2014 onjuist heeft opgevat en dat dit onderdeel derhalve gegrond is.

93      In het kader van het vierde onderdeel van het vierde middel verwijt rekwirante het Gerecht in essentie dat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 166 van het bestreden arrest haar in de punten 162 en 163 van dat arrest samengevatte argumenten af te wijzen.

94      Zoals de advocaat-generaal in punt 108 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft rekwirante voor het Gerecht in essentie aangevoerd dat Capricorn en de verkopers na de sluiting op 11 maart 2014 van de verkoop van de activa van de Nürburgring aan Capricorn een overeenkomst ter waarborging van de betaling in tranches van de verkoopprijs hadden gesloten, die in de mogelijkheid voorzag dat ingeval de betaling van de tweede tranche van de verkoopprijs uitbleef, de activa opnieuw moesten worden verkocht, hetgeen vervolgens ook daadwerkelijk is gebeurd.

95      In punt 166 van het bestreden arrest heeft het Gerecht eraan herinnerd dat de steun die volgens rekwirante door de Commissie had moeten worden vastgesteld in het tweede litigieuze besluit, aan Capricorn zou zijn verleend op 11 maart 2014, de datum waarop die activa aan laatstgenoemde waren verkocht tegen een prijs die volgens haar lager was dan de marktprijs. Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat de feiten van na die datum niet relevant waren voor het onderzoek van de vraag of er in het kader van de inschrijvingsprocedure mogelijk steun was verleend aan Capricorn. In punt 167 van het bestreden arrest heeft het Gerecht hieraan toegevoegd dat indien rekwirante had gewild dat de Commissie tevens onderzocht of uit de beweerde voortzetting van het verkoopproces nieuwe staatssteun was voortgevloeid, zij daarover een nieuwe klacht had moeten indienen.

96      In dit verband is het juist dat indien moest worden aangenomen dat Capricorn steun had ontvangen die overeenstemde met het verschil tussen de marktprijs van de activa van de Nürburgring en de door Capricorn daarvoor betaalde prijs, in het kader van een inschrijvingsprocedure die niet voldeed aan de vereisten van openheid, transparantie, onvoorwaardelijkheid en non-discriminatie, die steun noodzakelijkerwijs is toegekend op 11 maart 2014, de datum van toekenning van deze activa aan Capricorn en de ondertekening van de koopovereenkomst daarvoor.

97      Anders dan het Gerecht in punt 166 van het bestreden arrest heeft geoordeeld, betekent dit echter niet dat feiten van na die datum per definitie volstrekt irrelevant waren voor de beoordeling van de vraag of dergelijke steun daadwerkelijk is verleend.

98      Er moet immers in herinnering worden gebracht dat de wettigheid van een besluit inzake staatssteun moet worden beoordeeld aan de hand van de gegevens waarover de Commissie kon beschikken op het ogenblik waarop het besluit werd vastgesteld (zie in die zin arrest van 20 september 2017, Commissie/Frucona Košice, C‑300/16 P, EU:C:2017:706, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals de advocaat-generaal in essentie in de punten 102 en 103 van zijn conclusie opmerkt, eindigt de vooronderzoeksfase inzake staatssteun op het tijdstip waarop de Commissie een van de in artikel 4 van verordening nr. 659/1999 bedoelde besluiten vaststelt, zodat niet kan worden uitgesloten dat na afloop van de inschrijvingsprocedure, maar vóór de vaststelling van het desbetreffende besluit van de Commissie, nieuwe analyse-elementen aan het licht kunnen komen.

99      Zoals uit de punten 82 en 83 van het onderhavige arrest blijkt, was met name het feit dat de financiering van het bod van Capricorn was gewaarborgd, op zijn minst één van de factoren die de toewijzing van de activa van de Nürburgring aan Capricorn rechtvaardigden.

100    De door rekwirante aangevoerde feiten – zoals samengevat in punt 94 van het onderhavige arrest en ook al dateren zij van na de toewijzing van de activa van de Nürburgring aan Capricorn – kunnen echter, indien zijn op waarheid berusten, twijfel doen rijzen over de geldigheid van de conclusie van de verantwoordelijken voor de inschrijvingsprocedure, dat de financiering van het bod van Capricorn gewaarborgd was, en bijgevolg over het transparante en niet-discriminerende karakter van deze procedure, waarbij eraan wordt herinnerd dat, zoals blijkt uit punt 157 van het bestreden arrest, een ander bod is afgewezen bij gebreke van bewijs van financiering.

101    De vraag rijst immers waarom Capricorn indien de financiering van haar bod was gewaarborgd, opnieuw had moeten onderhandelen over de betaling van de verkoopprijs in tranches en uiteindelijk de tweede tranche niet heeft kunnen betalen, hetgeen heeft geleid tot de doorverkoop van de activa van de Nürburgring.

102    Hieruit volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de door rekwirante aangevoerde en in punt 94 van het onderhavige arrest samengevatte feiten irrelevant te achten op de enkele grond dat zij dateerden van na de verkoop van de activa van de Nürburgring aan Capricorn. Bijgevolg is het vierde onderdeel van het vierde middel gegrond.

103    Ten slotte stelt rekwirante met het vijfde onderdeel van het vierde middel in essentie dat de afwijzing door het Gerecht, in de punten 173 tot en met 176 van het bestreden arrest, van haar in de punten 170 en 171 van dat arrest samengevatte argumenten niet of ontoereikend is gemotiveerd.

104    In dit verband zij erop gewezen dat het Gerecht in punt 170 van het bestreden arrest vier argumenten heeft samengevat die rekwirante in het derde onderdeel van het derde middel van haar beroep had aangevoerd. Volgens het Gerecht waren deze argumenten erop gericht aan te tonen dat zowel de aankoopprijs van de activa van de Nürburgring door Capricorn als de wijze van betaling van deze prijs steunelementen bevatten, aangezien, ten eerste, 6 miljoen EUR van de brutowinst van de exploitant van de Nürburgring moest worden verrekend met de verkoopprijs, terwijl die exploitant in de loop van 2013 had aangegeven geen winst te verwachten uit de activa van de Nürburgring, ten tweede, de betaling van de tweede tranche van de prijs was uitgesteld, ten derde, de boete van 25 miljoen EUR waarin de koopovereenkomst voorzag in geval van niet-nakoming van de betalingsverplichting niet was geïnd en, ten vierde, de activa van de Nürburgring in het kader van een niet-transparante procedure waren verkocht aan een subkoper.

105    In punt 171 van dat arrest heeft het Gerecht een door rekwirante in dezelfde context aangevoerd aanvullend argument samengevat inzake de overeenkomst waarbij de activa van de Nürburgring aan Capricorn werden verpacht voor een periode lopend vanaf 1 januari 2015, teneinde tegemoet te komen aan een overgangssituatie die overeenkwam met de mogelijke verwezenlijking van de voorwaarde waarvan de verkoop van de activa van de Nürburgring aan Capricorn afhankelijk was, namelijk de vaststelling door de Commissie van een besluit waarbij ieder risico zou worden weggenomen dat de koper van die activa kon worden verplicht om de aan de verkopers verleende steun terug te betalen. Deze overeenkomst was volgens rekwirante niet onderworpen aan een open, transparante, niet-discriminerende en onvoorwaardelijke inschrijvingsprocedure, waardoor de pachtsommen uit hoofde van die overeenkomst niet marktconform waren en nieuwe steunelementen bevatten. Tussen de verkopers en Capricorn was overeengekomen dat de pachtsommen van die pachtovereenkomst net zo lang met de verkoopprijs van de activa van de Nürburgring zouden worden verrekend totdat de verkoop was afgerond.

106    In antwoord op deze argumenten heeft het Gerecht in punt 173 van het bestreden arrest enkel opgemerkt dat „[o]m de in de punten 138 tot en met 158 [van dat arrest] uiteengezette redenen […] niet [kan] worden aangenomen dat de Commissie twijfels had moeten koesteren ten aanzien van het transparante en niet-discriminerende karakter van de inschrijvingsprocedure”. In punt 174 van dat arrest heeft het Gerecht daaraan toegevoegd dat om diezelfde redenen tevens moet worden aangenomen worden dat „het onderzoek van de Commissie dat tot de vaststelling van het tweede [litigieuze] besluit heeft geleid van dien aard was dat het twijfels omtrent het bestaan van een in het kader van de pachtovereenkomst betreffende de activa van de Nürburgring of in het kader van de andere voorwaarden voor de betaling van de verkoopprijs van die activa aan de koper toegekend voordeel kon wegnemen”.

107    Zoals de advocaat-generaal in punt 115 van zijn conclusie heeft opgemerkt, beantwoordt een dergelijke motivering, anders dan de in punt 36 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak vereist, niet, ook niet impliciet, aan de in de punten 170 en 171 van het bestreden arrest samengevatte argumenten van rekwirante en maakt zij het niet mogelijk de redenering van het Gerecht te begrijpen, zodat de betrokkenen kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen.

108    De overwegingen in de punten 138 tot en met 158 van het bestreden arrest, waarnaar het Gerecht in punt 173 van dat arrest heeft verwezen, hebben betrekking op het niet-transparante en discriminerende karakter van de inschrijvingsprocedure, in het bijzonder gelet op het ontbreken van transparantie van de financiële gegevens, het discriminerende en niet-transparante karakter van de beoordelingscriteria en de toepassing daarvan, en de voortzetting van het verkoopproces na de overdracht van de activa van de Nürburgring aan Capricorn, en voorts de kwestie van de financiering van het bod van laatstgenoemde. Die overwegingen maken het dus niet mogelijk te begrijpen waarom de in de punten 170 en 171 van dat arrest samengevatte argumenten van rekwirante zijn afgewezen.

109    Bijgevolg moet worden vastgesteld dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd wat de afwijzing van deze argumenten door het Gerecht betreft. Hieruit volgt dat het vijfde onderdeel van het vierde middel gegrond is.

110    In die omstandigheden dient de hogere voorziening te worden toegewezen en het bestreden arrest te worden vernietigd voor zover het Gerecht daarbij het verzoek tot nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit heeft afgewezen, zonder dat het nodig is het eerste en het derde onderdeel van het vierde middel en het vijfde middel te onderzoeken.

 Beroep voor het Gerecht

111    Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, tweede volzin, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.

112    In casu, met name gelet op het feit dat het door rekwirante ingestelde beroep tot nietigverklaring in zaak T‑373/15 is gebaseerd op middelen waarover voor het Gerecht de standpunten zijn uitgewisseld en waarvan het onderzoek niet vereist dat enige extra maatregel tot organisatie van de procesgang of van instructie van het dossier wordt vastgesteld, oordeelt het Hof dat dit beroep in staat van wijzen is en dat het dit zelf dient af te doen (zie naar analogie arrest van 8 september 2020, Commissie en Raad/Carreras Sequeros e.a., C‑119/19 P en C‑126/19 P, EU:C:2020:676, punt 130), binnen de grenzen van het geding waarover het nog dient te beslissen, te weten het verzoek tot nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit (zie in die zin arrest van 1 juli 2008, Chronopost en La Poste/UFEX e.a., C‑341/06 P en C‑342/06 P, EU:C:2008:375, punt 134).

113    Er zij aan herinnerd dat het tweede litigieuze besluit een op artikel 4, lid 3, van verordening nr. 659/1999 gebaseerd besluit om geen bezwaar te maken is, waarvan de rechtmatigheid afhangt van het antwoord op de vraag of twijfel bestond over de verenigbaarheid van de betrokken steun met de interne markt.

114    Aangezien bij dergelijke twijfel een formele onderzoeksprocedure moet worden ingeleid waaraan de in artikel 1, onder h), van verordening nr. 659/1999 bedoelde belanghebbenden mogen deelnemen, moet ervan worden uitgegaan dat elke belanghebbende in de zin van laatstbedoelde bepaling door een dergelijk besluit rechtstreeks en individueel wordt geraakt. Wie door de procedurele waarborgen van artikel 108, lid 2, VWEU en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 659/1999 wordt beschermd, kan de naleving daarvan immers slechts afdwingen indien hij het besluit om geen bezwaar te maken voor de rechter van de Unie kan betwisten (arrest van 24 mei 2011, Commissie/Kronoply en Kronotex, C‑83/09 P, EU:C:2011:341, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

115    Dienaangaande zij opgemerkt dat het inderdaad niet aan de Unierechter toekomt om het beroep van een verzoeker waarmee deze uitsluitend de gegrondheid betwist van een besluit waarbij de steun wordt beoordeeld, uit te leggen als een beroep dat ertoe strekt in realiteit de procedurerechten te waarborgen die de verzoeker aan artikel 108, lid 2, VWEU ontleent, wanneer hij niet uitdrukkelijk een middel heeft opgeworpen waarmee hij dit doel nastreeft, omdat anders het voorwerp van dat beroep zou worden gewijzigd (zie in die zin arrest van 24 mei 2011, Commissie/Kronoply en Kronotex, C‑83/09 P, EU:C:2011:341, punt 55). Wanneer een verzoeker om nietigverklaring van een besluit om geen bezwaar te maken verzoekt, betwist hij echter in essentie het feit dat de Commissie het besluit betreffende de betrokken steun heeft vastgesteld zonder de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden, waardoor zijn procedurerechten zijn geschonden terwijl het bestaan van twijfels over de verenigbaarheid van die steun met de interne markt de Commissie daartoe verplichtte. Om ervoor te zorgen dat zijn vordering tot nietigverklaring wordt toegewezen, kan de verzoeker elk middel aanvoeren waaruit blijkt dat de Commissie bij de beoordeling van de gegevens en de elementen waarover zij beschikte tijdens de vooronderzoeksfase dergelijke twijfels had moeten koesteren, zonder dat het gebruik van deze argumenten het voorwerp van het beroep wijzigt. Hieruit volgt dat de Unierechter door een verzoeker aangevoerde argumenten ten gronde kan onderzoeken om na te gaan of zij ook elementen bevatten ter staving van een middel dat eveneens door die verzoeker is aangevoerd en waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat er twijfels bestonden die de inleiding van de formele onderzoeksprocedure zouden hebben gerechtvaardigd (zie in die zin arrest van 24 mei 2011, Commissie/Kronoply en Kronotex, C‑83/09 P, EU:C:2011:341, punten 56 en 59).

116    In casu is de hoedanigheid van „belanghebbende” van rekwirante in de zin van artikel 1, onder h), van verordening nr. 659/1999 reeds erkend in punt 67 van het onderhavige arrest. Tot staving van haar beroep heeft rekwirante negen middelen aangevoerd. Met uitzondering van het zevende middel, dat is aangevoerd ter ondersteuning van het verzoek tot nietigverklaring van het eerste litigieuze besluit, worden de andere middelen aangevoerd ter staving van het verzoek tot nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit.

117    Met het vijfde en het achtste middel wordt uitdrukkelijk gesteld dat rekwirantes procedurele rechten zijn geschonden doordat de Commissie de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU niet heeft ingeleid, hoewel het feit dat de activa van de Nürburgring onder de marktprijs zijn verkocht haar tot de slotsom had moeten brengen dat er steun aan de koper was verleend.

118    Om overeenkomstig de in punt 115 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak over deze middelen te kunnen oordelen, dienen allereerst het eerste en het derde onderdeel van het eerste middel en het tweede middel gezamenlijk te worden onderzocht. Die onderdelen en dat middel zijn in essentie ontleend aan een onjuiste beoordeling door de Commissie van de bevestiging van de financiering van het bod van Capricorn.

 Argumenten van partijen

119    Met het eerste en het derde onderdeel van haar eerste middel en haar tweede middel voert rekwirante aan dat de vaststelling van de Commissie in de overwegingen 50, 51, 266, 271 en 273 van het definitieve besluit dat Capricorn een financiële verbintenis van Deutsche Bank met betrekking tot een lening van 45 miljoen EUR had overgelegd, kennelijk onjuist is, aangezien uit de bewoordingen van de brief van Deutsche Bank van 10 maart 2014 blijkt dat deze niet bindend was.

120    Zij voegt daaraan toe dat uit voetnoot 79 van het definitieve besluit blijkt dat de Commissie op de hoogte was van de in punt 94 van het onderhavige arrest vermelde overeenkomst die op 13 augustus 2014 tussen de curator van de Nürburgring, de verkopers en Capricorn is gesloten en die met name bepaalde dat Capricorn de tweede tranche van de verkoopprijs met uitstel mocht betalen. Deze overeenkomst toont aan dat de financiering van het bod van Capricorn niet was bevestigd.

121    De Commissie betwist die argumenten. Zij verwijst naar de bewoordingen van de brief van Deutsche Bank van 10 maart 2014, waarin met name herhaaldelijk sprake is van een „verbintenis” van Deutsche Bank en zij is dan ook van mening dat zij deze brief niet kennelijk onjuist heeft beoordeeld.

122    Met betrekking tot de overeenkomst van 13 augustus 2014 preciseert de Commissie, dat zij ten tijde van de vaststelling van het definitieve besluit niet in het bezit was van de tekst van deze overeenkomst, die haar in het kader van de administratieve procedure niet was meegedeeld. De informatie in voetnoot 79 van het definitieve besluit is afkomstig uit een mededeling van de Bondsrepubliek Duitsland. Hoe dan ook wijst de Commissie erop dat zij het tweede litigieuze besluit niet heeft gebaseerd op het feit dat het door Deutsche Bank overgelegde bewijs van financiering nog bestond op het tijdstip waarop dit besluit werd vastgesteld.

 Beoordeling door het Hof

123    Opgemerkt zij dat de Commissie, om uit te sluiten dat Capricorn onrechtmatige steun heeft ontvangen bij de verwerving van de activa van de Nürburgring, zich ervan moest vergewissen dat deze verwerving had plaatsgevonden tegen een prijs die overeenkwam met de marktprijs. Dit zou het geval zijn indien kan worden bevestigd dat de inschrijvingsprocedure open, transparant, niet-discriminerend en onvoorwaardelijk is verlopen.

124    Zoals reeds is opgemerkt in punt 82 van het onderhavige arrest, was één van de factoren die bij de selectie van de koper van de activa van de Nürburgring in aanmerking zijn genomen, de bevestiging van de financiering van zijn bod.

125    Uit overweging 116 van het definitieve besluit blijkt immers dat een andere inschrijver, die bij de Commissie een klacht heeft ingediend, in het kader van de inschrijvingsprocedure, een hogere aankoopprijs voor alle activa van de Nürburgring had voorgesteld dan Capricorn. Uit overweging 272 van het definitieve besluit blijkt echter dat dit bod is afgewezen wegens het ontbreken van bewijs van financiering.

126    Volgens overweging 273 van het definitieve besluit werden slechts twee biedingen geacht over een gewaarborgde financiering te beschikken, namelijk het bod van Capricorn en dat van een andere inschrijver. Aangezien echter zowel het bedrag aan gewaarborgde financiering waarover die andere inschrijver beschikte als de door hem voorgestelde verkoopprijs lager was dan die van Capricorn, werd het bod van laatstgenoemde uiteindelijk geselecteerd.

127    Hieruit volgt dat, indien zou blijken dat ten onrechte was aangenomen dat Capricorn voor haar bod een bevestigde financiering had, terwijl dit in werkelijkheid niet het geval was, deze omstandigheid met name afbreuk zou doen aan het niet-discriminerende karakter van de inschrijvingsprocedure. Zij kon namelijk een bewijs zijn dat Capricorn een voorkeursbehandeling had genoten en haar bod niet was afgewezen, in tegenstelling tot ten minste één andere inschrijver die geen bewijs van bevestigde financiering van zijn bod kon overleggen.

128    Aangezien er twijfel bestond over de bevestiging van de financiering van het bod van Capricorn, die niet kon worden weggenomen, was de Commissie derhalve verplicht om de formele onderzoeksprocedure in te leiden en kon zij geen besluit om geen bezwaar te maken vaststellen, zoals het tweede litigieuze besluit.

129    Er zij op gewezen dat het door rekwirante aangevoerde bewijs het bestaan van dergelijke twijfels aantoont.

130    Ten eerste kon de Commissie om de in de punten 87 tot en met 91 van het onderhavige arrest uiteengezette redenen niet aannemen dat de brief van Deutsche Bank van 10 maart 2014 een bindende financieringsverplichting bevatte.

131    Ten tweede blijkt uit voetnoot 79 van het definitieve besluit, zoals rekwirante stelt, dat de tweede tranche van de verkoopprijs door Capricorn niet op tijd is betaald en dat de betaling van deze tranche bij overeenkomst van 13 augustus 2014 tussen de curator van de Nürburgring, de verkopers en Capricorn is uitgesteld tot een latere datum, in ruil voor de betaling van vertragingsrente door Capricorn en de verstrekking van aanvullende garanties. Indien de financiering van het bod van Capricorn daadwerkelijk was gegarandeerd, zou laatstgenoemde logischerwijze in staat zijn geweest om de tweede tranche van de verkoopprijs binnen de gestelde termijn te betalen en had zij niet moeten onderhandelen over het uitstel van betaling ervan.

132    Zonder dat hoeft te worden ingegaan op de overige argumenten die rekwirante ter ondersteuning van haar beroep heeft aangevoerd, moet derhalve worden geconcludeerd dat, voor zover dit beroep strekt tot nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit, de beoordeling van de vraag of de verkoop van de activa van de Nürburgring aan Capricorn impliceerde dat aan Capricorn met de interne markt onverenigbare steun werd toegekend, twijfels deed rijzen in de zin van artikel 4 van verordening nr. 659/1999, op grond waarvan de Commissie had moeten besluiten om de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden.

133    Bijgevolg moet het beroep worden toegewezen en moet het tweede litigieuze besluit nietig worden verklaard.

 Kosten

134    Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is of wanneer het Hof, bij gegrondheid ervan, de zaak zelf afdoet.

135    Krachtens artikel 138, lid 3, eerste volzin, van het Reglement voor de procesvoering, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van overeenkomstige toepassing is op de procedure in hogere voorziening, draagt elk van de partijen haar eigen kosten indien zij onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.

136    In casu dient laatstgenoemde bepaling te worden toegepast, aangezien de hogere voorziening wordt afgewezen voor zover zij betrekking heeft op het deel van het bestreden arrest waarbij het Gerecht het verzoek tot nietigverklaring van het eerste litigieuze besluit heeft afgewezen, maar wordt toegewezen voor zover zij betrekking heeft op het deel van dat arrest waarbij het Gerecht het verzoek tot nietigverklaring van het tweede litigieuze besluit heeft afgewezen, en het Hof dat besluit nietig verklaart.

137    Derhalve dient te worden beslist dat elke partij haar eigen kosten zal dragen.

Het Hof (Vierde kamer) verklaart:

1)      Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 juni 2019, Ja zum Nürburgring/Commissie (T373/15, EU:T:2019:432), wordt vernietigd voor zover het Gerecht van de Europese Unie daarbij het verzoek tot nietigverklaring van artikel 1, laatste streepje, van besluit (EU) 2016/151 van de Commissie van 1 oktober 2014 betreffende steunmaatregel SA.31550 (2012/C) (ex 2012/NN) van Duitsland ten gunste van de Nürburgring heeft afgewezen.

2)      De hogere voorziening wordt afgewezen voor het overige.

3)      Artikel 1, laatste streepje, van besluit (EU) 2016/151 van de Commissie van 1 oktober 2014 betreffende steunmaatregel SA.31550 (2012/C) (ex 2012/NN) van Duitsland ten behoeve van de Nürburgring (PB 2016, L 34, blz. 1) wordt nietig verklaard.

4)      Ja zum Nürburgring eV en de Europese Commissie dragen ieder hun eigen kosten.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.