ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

28 oktober 2020 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Auteursrecht en naburige rechten – Richtlijn 2001/29/EG – Informatiemaatschappij – Harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten – Artikel 3, lid 1 – Mededeling aan het publiek – Begrip ‚publiek’ – Elektronische overlegging aan een rechter van een beschermd werk als bewijsstuk in een gerechtelijke procedure”

In zaak C‑637/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Svea hovrätt – Patent- och marknadsöverdomstol (landelijk bevoegde rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendoms-, mededingings- en consumentenzaken, opgericht bij de rechter in tweede aanleg Stockholm, Zweden) bij beslissing van 20 augustus 2019, ingekomen bij het Hof op 27 augustus 2019, in de procedure

BY

tegen

CX,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, M. Ilešič (rapporteur), E. Juhász, C. Lycourgos en I. Jarukaitis, rechters,

advocaat-generaal: G. Hogan,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Zweedse regering, vertegenwoordigd door C. Meyer-Seitz en H. Eklinder als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Simonsson en J. Samnadda als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 september 2020,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen verzoeker in het hoofdgeding, die stelt dat hij het auteursrecht op een foto heeft, en verweerder in het hoofdgeding, een gebruiker van deze foto, over het feit dat verweerder in het hoofdgeding een kopie van een pagina van de website van verzoeker in het hoofdgeding met die foto heeft overgelegd als bewijsstuk in een procedure voor een civiele rechter tussen hem en verzoeker in het hoofdgeding.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

De overwegingen 3, 9, 10 en 31 van richtlijn 2001/29 luiden:

„(3)

De voorgestelde harmonisatie zal bijdragen tot de uitoefening van de vier vrijheden van de interne markt en past in het kader van de eerbiediging van de fundamentele rechtsbeginselen en met name de eigendom – met inbegrip van de intellectuele eigendom – de vrije meningsuiting en het algemeen belang.

[...]

(9)

Bij een harmonisatie van het auteursrecht en de naburige rechten moet steeds van een hoog beschermingsniveau worden uitgegaan, omdat die rechten van wezenlijk belang zijn voor scheppend werk. De bescherming van deze rechten draagt bij tot de instandhouding en ontwikkeling van de creativiteit in het belang van auteurs, uitvoerend kunstenaars, producenten, consumenten, cultuur, industrie en het publiek in het algemeen. De intellectuele eigendom is dan ook als een geïntegreerd deel van de eigendom erkend.

(10)

Auteurs en uitvoerend kunstenaars moeten, willen zij hun scheppende en artistieke arbeid kunnen voortzetten, een passende beloning voor het gebruik van hun werk ontvangen, evenals de producenten om dat werk te kunnen financieren. De productie van fonogrammen, films en multimediaproducten, en van diensten, zoals ‚diensten-op-aanvraag’, vereist aanzienlijke investeringen. Een adequate rechtsbescherming van de intellectuele eigendomsrechten is noodzakelijk om de mogelijkheid tot het verkrijgen van een dergelijke beloning en de mogelijkheid van een behoorlijk rendement van dergelijke investeringen te waarborgen.

[...]

(31)

Er moet een rechtvaardig evenwicht van rechten en belangen worden gewaarborgd tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en tussen de verschillende categorieën rechthebbenden en gebruikers van beschermd materiaal. De in de lidstaten geldende beperkingen en restricties op de rechten moeten opnieuw worden bezien in het licht van de nieuwe elektronische omgeving. [...] Met het oog op de goede werking van de interne markt moet meer eenheid in de omschrijving van dergelijke beperkingen en restricties worden gebracht. De mate waarin dergelijke beperkingen en restricties worden geharmoniseerd, moet worden bepaald aan de hand van de gevolgen ervan voor de goede werking van de interne markt.”

4

Artikel 3 van richtlijn 2001/29, met als opschrift „Recht van mededeling van werken aan het publiek en recht van beschikbaarstelling van ander materiaal voor het publiek”, bepaalt in lid 1:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, de mededeling van hun werken aan het publiek, per draad of draadloos, met inbegrip van de beschikbaarstelling van hun werken voor het publiek op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, toe te staan of te verbieden.”

5

Artikel 4 van die richtlijn, met als opschrift „Distributierecht”, bepaalt in lid 1:

„De lidstaten voorzien ten behoeve van auteurs in het uitsluitende recht, elke vorm van distributie onder het publiek van het origineel van hun werken of kopieën daarvan, door verkoop of anderszins, toe te staan of te verbieden.”

6

Artikel 9 van richtlijn 2001/29, met als opschrift „Voortgezette toepassing van andere wettelijke bepalingen”, luidt:

„Deze richtlijn doet geen afbreuk aan bepalingen betreffende met name octrooirechten, handelsmerken, rechten inzake tekeningen of modellen, gebruiksmodellen, topografieën van halfgeleiderproducten, lettertypes, voorwaardelijke toegang, toegang tot de kabel van omroepdiensten, de bescherming van nationaal bezit, vereisten inzake wettelijk depot, beperkende praktijken en oneerlijke concurrentie, handelsgeheimen, veiligheid, vertrouwelijkheid, gegevensbescherming en persoonlijke levenssfeer, toegang tot overheidsdocumenten en het overeenkomstenrecht.”

Zweeds recht

7

In § 2 van de lag (1960:729) om upphovsrätt till litterära och konstnärliga verk (upphovsrättslag) [wet (1960:729) betreffende het auteursrecht op literaire en artistieke werken; hierna: „auteurswet”] is bepaald:

„Behoudens de hierna genoemde beperkingen bestaat het auteursrecht in het uitsluitende recht om over het werk te beschikken door reproductie en door beschikbaarstelling ervan aan het publiek, in de oorspronkelijke of in gewijzigde vorm, in vertaling of in bewerking tot een andere literaire of kunstvorm, of volgens een andere techniek.

De reproductie van exemplaren omvat elke directe of indirecte reproductie, zowel tijdelijk als permanent, van exemplaren van het werk, ongeacht in welke vorm en met welke methode, hetzij geheel hetzij gedeeltelijk.

Het werk wordt in de volgende gevallen beschikbaar gesteld aan het publiek:

1.   Wanneer het werk wordt meegedeeld aan het publiek. Hiervan is sprake wanneer het werk per draad of draadloos beschikbaar wordt gesteld aan het publiek vanaf een andere plaats dan die waar het publiek kennis kan nemen van het werk. Het begrip ‚mededeling aan het publiek’ heeft ook betrekking op mededelingen die op zodanige wijze plaatsvinden dat het werk voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk is.

[...]

4.   Wanneer kopieën van het werk te koop, te huur of te leen worden aangeboden of anderszins onder het publiek worden gedistribueerd.

Met de begrippen ‚mededeling aan het publiek’ en ‚openbare uitvoering’ worden gelijkgesteld mededelingen en uitvoeringen die in de uitoefening van een bedrijf worden georganiseerd voor een grote besloten groep.”

8

§ 49a van de auteurswet luidt:

„Wie een foto heeft gemaakt, heeft het uitsluitende recht om de foto te reproduceren en beschikbaar te stellen aan het publiek. Dit recht geldt ongeacht of de foto wordt gebruikt in de oorspronkelijke of in gewijzigde vorm en ongeacht welke techniek wordt gebruikt.”

9

Volgens de tryckfrihetsförordning (besluit inzake de persvrijheid) brengt de bevordering van een vrije uitwisseling van gedachten en van een veelzijdige informatievoorziening met zich mee dat eenieder het recht heeft om toegang te krijgen tot overheidsdocumenten. In zoverre wordt in dat besluit bepaald dat aan een rechter overgelegde documenten overheidsdocumenten vormen, ongeacht in welke vorm en op welke wijze die documenten worden ingediend. Hieruit volgt dat eenieder kan verzoeken om toegang tot een aan een rechter overgelegd document, tenzij het gaat om vertrouwelijke informatie.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10

Verzoeker en verweerder in het hoofdgeding zijn natuurlijke personen die elk een eigen website beheren.

11

In het kader van een procedure voor de civiele rechter in Zweden heeft verweerder in het hoofdgeding een kopie van een tekstpagina met een foto overgelegd als bewijsstuk aan de rechter bij wie de zaak aanhangig was. Deze pagina was afkomstig van de website van verzoeker in het hoofdgeding.

12

Verzoeker in het hoofdgeding, die stelt dat hij het auteursrecht heeft op die foto, heeft gevorderd dat verweerder in het hoofdgeding wordt veroordeeld om hem een schadevergoeding te betalen wegens inbreuk op het auteursrecht en de bijzondere bescherming van foto’s als bedoeld in respectievelijk § 2 en § 49a van de auteurswet. Verweerder in het hoofdgeding betwist dat er enige schadevergoedingsplicht bestaat.

13

De rechter bij wie de zaak in eerste aanleg aanhangig was, heeft geoordeeld dat de foto in kwestie beschermd was op grond van § 49a van de auteurswet. Hij heeft vastgesteld dat deze foto was overgelegd aan een rechterlijke instantie, zodat eenieder krachtens de toepasselijke wettelijke bepalingen kon verzoeken om mededeling ervan. Hij heeft daaruit afgeleid dat verweerder in het hoofdgeding die foto had gedistribueerd onder het publiek in de zin van de auteurswet. Niettemin heeft hij geoordeeld dat niet was aangetoond dat verzoeker in het hoofdgeding schade had geleden, en daarom heeft hij diens vordering afgewezen.

14

Verzoeker in het hoofdgeding heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de Svea hovrätt – Patent- och marknadsöverdomstol (landelijk bevoegde rechter in tweede aanleg voor intellectuele-eigendoms-, mededingings- en consumentenzaken, opgericht bij de rechter in tweede aanleg Stockholm, Zweden), de verwijzende rechter.

15

De verwijzende rechter merkt op dat hij zich onder meer dient uit te spreken over de vraag of de overlegging van een kopie van de betreffende foto aan een rechter een ontoelaatbare beschikbaarstelling van een werk – in de vorm van een distributie onder of een mededeling aan het publiek – in de zin van het auteursrecht kan vormen. Partijen hebben in het bij de verwijzende rechter aanhangige geding namelijk gepreciseerd dat die foto in de vorm van een elektronische kopie per e-mail was overgelegd aan de rechter bij wie de zaak toen aanhangig was. De verwijzende rechter wenst tevens te vernemen of een rechter kan worden geacht onder het begrip „publiek” te vallen.

16

Dienaangaande merkt hij op dat er onzekerheid bestaat over de Unierechtelijke uitlegging van de begrippen „mededeling aan het publiek” en „distributie onder het publiek” voor het geval dat een beschermd werk wordt overgelegd aan een rechter, en met name over de vraag of ten eerste een rechter kan worden geacht onder het begrip „publiek” in de zin van richtlijn 2001/29 te vallen en of ten tweede dit begrip dezelfde betekenis heeft voor de toepassing van artikel 3, lid 1, als voor de toepassing van artikel 4, lid 1, van die richtlijn.

17

Daarnaast moet worden vastgesteld of er sprake is van een „mededeling aan het publiek” dan wel „distributie onder het publiek” wanneer een document wordt overgelegd aan een rechter. Daarbij doet het niet ter zake of dit document wordt overgelegd in de vorm van een „fysiek” document dan wel als bijlage bij een e‑mail, aangezien die overlegging in beide gevallen dezelfde gevolgen heeft en dezelfde doelstellingen dient.

18

In deze omstandigheden heeft de Svea hovrätt – Patent- och marknadsöverdomstol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Heeft het begrip ‚publiek’ in artikel 3, lid 1, en artikel 4, lid 1, van [richtlijn 2001/29] een uniforme betekenis?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, behoort een rechter dan tot het publiek in de zin van die bepalingen?

3)

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord:

a)

behoort een rechter dan tot het publiek wanneer iemand een auteursrechtelijk beschermd werk meedeelt aan die rechter, en

b)

behoort een rechter dan tot het ‚publiek’ wanneer iemand een auteursrechtelijk beschermd werk distribueert aan die rechter?

4)

Is het voor de beoordeling of de overlegging van een auteursrechtelijk beschermd werk aan een rechter neerkomt op een mededeling aan dan wel distributie onder het publiek, van belang dat het nationale recht bepalingen inzake de openbaarheid van documenten bevat op grond waarvan aan een rechter overgelegde documenten in beginsel, wanneer zij niet vertrouwelijk zijn, toegankelijk zijn voor eenieder die daarom verzoekt?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

19

Om te beginnen zij opgemerkt dat uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde foto in de vorm van een elektronische kopie per e-mail is overgelegd aan de rechter waarbij de zaak toen aanhangig was.

20

Uit de rechtspraak volgt dat de mededeling aan het publiek van een werk, uitgezonderd de distributie van fysieke kopieën ervan, niet onder het in artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/29 bedoelde begrip „distributie onder het publiek” valt, maar onder het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn (zie in die zin arrest van 19 december 2019, Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers, C‑263/18, EU:C:2019:1111, punten 45, 51 en 52).

21

Derhalve moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling gebezigde begrip „mededeling aan het publiek” zich mede uitstrekt tot het geval waarin een beschermd werk langs elektronische weg aan een rechter wordt overgelegd als bewijsstuk in een gerechtelijke procedure tussen particulieren.

22

In dit verband blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof over artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 dat het begrip „mededeling aan het publiek” twee cumulatieve elementen met elkaar verbindt, te weten een in de mededeling van een werk bestaande handeling en de mededeling van dit werk aan een publiek (arresten van 31 mei 2016, Reha Training, C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 37, en 19 december 2019, Nederlands Uitgeversverbond en Groep Algemene Uitgevers, C‑263/18, EU:C:2019:1111, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23

Zoals eveneens uit die vaste rechtspraak volgt, kan ten eerste elke handeling waarbij een gebruiker met volledige kennis van de gevolgen van zijn handelwijze toegang verleent tot beschermde werken, voor de toepassing van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 een handeling vormen die bestaat in een mededeling (arrest van 14 juni 2017, Stichting Brein, C‑610/15, EU:C:2017:456, punt 26).

24

Dit geldt voor het geval waarin een beschermd werk langs elektronische weg aan een rechter wordt overgelegd als bewijsstuk in een gerechtelijke procedure tussen particulieren.

25

Ten tweede vallen beschermde werken slechts onder het begrip „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 indien zij daadwerkelijk worden meegedeeld aan een publiek (arrest van 14 juni 2017, Stichting Brein, C‑610/15, EU:C:2017:456, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26

In zoverre ziet het begrip „publiek” op een onbepaald aantal potentiële ontvangers en impliceert het bovendien een vrij groot aantal personen (arresten van 15 maart 2012, SCF, C‑135/10, EU:C:2012:140, punt 84; 31 mei 2016, Reha Training, C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 41, en 29 november 2017, VCAST, C‑265/16, EU:C:2017:913, punt 45).

27

Wat de onbepaaldheid van het aantal potentiële ontvangers betreft, heeft het Hof benadrukt dat het erom gaat een werk op elke passende wijze waarneembaar te maken voor personen in het algemeen, en dus niet voor specifieke individuen die tot een private groep behoren (arresten van 15 maart 2012, SCF, C‑135/10, EU:C:2012:140, punt 85, en 31 mei 2016, Reha Training, C‑117/15, EU:C:2016:379, punt 42).

28

In casu moet een mededeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is – zoals de advocaat-generaal in de punten 42 tot en met 44 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt – worden geacht te zijn gericht tot een duidelijk afgebakende en besloten groep personen die bij een rechterlijke instantie openbaredienstfuncties uitoefenen, en niet tot een onbepaald aantal potentiële ontvangers.

29

Die mededeling wordt dus niet gedaan aan personen in het algemeen, maar aan welbepaalde individuele beroepsbeoefenaren. Derhalve moet worden geoordeeld dat er geen sprake is van een „mededeling aan het publiek” in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 wanneer een beschermd werk langs elektronische weg aan een rechter wordt overgelegd als bewijsstuk in een gerechtelijke procedure tussen particulieren (zie naar analogie arrest van 19 november 2015, SBS Belgium, C‑325/14, EU:C:2015:764, punten 23 en 24).

30

In dit verband is het irrelevant dat het nationale recht regels inzake toegang tot overheidsdocumenten bevat. Deze toegang wordt immers niet verleend door de gebruiker die het werk aan de rechter heeft overgelegd, maar wel door de rechter aan de particulieren die om die toegang verzoeken, op grond van een verplichting die is neergelegd en volgens een procedure die is vastgesteld in het nationale recht inzake toegang tot overheidsdocumenten, waarbij richtlijn 2001/29 geen afbreuk doet aan de bepalingen van dat recht, hetgeen uitdrukkelijk is bepaald in artikel 9 van die richtlijn.

31

Opgemerkt dient te worden dat de in punt 29 van dit arrest gegeven uitlegging – zoals blijkt uit de overwegingen 3 en 31 van richtlijn 2001/29 – het mogelijk maakt om met name in de elektronische omgeving te zorgen voor het behoud van een rechtvaardig evenwicht tussen enerzijds het belang van de houders van auteursrechten en naburige rechten bij de bescherming van hun recht op intellectuele eigendom, die thans wordt gewaarborgd door artikel 17, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), en anderzijds het algemeen belang en de bescherming van de belangen en grondrechten van de gebruikers van beschermd materiaal (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Pelham e.a., C‑476/17, EU:C:2019:624, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32

Met name heeft het Hof reeds in herinnering gebracht dat geenszins uit artikel 17, lid 2, van het Handvest of uit de rechtspraak van het Hof volgt dat het in deze bepaling erkende recht op intellectuele eigendom onaantastbaar is en dus absoluut moet worden beschermd, aangezien het dient te worden afgewogen tegen de overige grondrechten (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Pelham e.a., C‑476/17, EU:C:2019:624, punten 33 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak), waaronder het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte.

33

Het recht op een doeltreffende voorziening in rechte zou ernstig worden aangetast indien een rechthebbende zich tegen de overlegging van bewijsstukken aan een rechter kon verzetten op de enkele grond dat die bewijsstukken auteursrechtelijk beschermd materiaal bevatten.

34

Gelet op een en ander dient op de prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus moet worden uitgelegd dat het in deze bepaling gebezigde begrip „mededeling aan het publiek” zich niet uitstrekt tot het geval waarin een beschermd werk langs elektronische weg aan een rechter wordt overgelegd als bewijsstuk in een gerechtelijke procedure tussen particulieren.

Kosten

35

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij moet aldus worden uitgelegd dat het in deze bepaling gebezigde begrip „mededeling aan het publiek” zich niet uitstrekt tot het geval waarin een beschermd werk langs elektronische weg aan een rechter wordt overgelegd als bewijsstuk in een gerechtelijke procedure tussen particulieren.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Zweeds.