ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

17 maart 2021 ( *1 )

[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 15 april 2021]

„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers – Organisatie van de arbeidstijd – Richtlijn 2003/88/EG – Artikel 2 – Begrip ‚arbeidstijd’ – Artikel 3 – Minimale dagelijkse rusttijd – Werknemers die meerdere arbeidsovereenkomsten hebben gesloten met dezelfde werkgever – Toepassing per werknemer”

In zaak C‑585/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Tribunal Bucureşti (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) bij beslissing van 24 juli 2019, ingekomen bij het Hof op 2 augustus 2019, in de procedure

Academia de Studii Economice din Bucureşti

tegen

Organismul Intermediar pentru Programul Operaţional Capital Uman – Ministerul Educaţiei Naţionale,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, M. Ilešič, E. Juhász, C. Lycourgos (rapporteur) en I. Jarukaitis, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Academie de Studii Economice din Bucureşti, vertegenwoordigd door N. Istudor, D. Dumitrescu en E. Găman,

de Roemeense regering, vertegenwoordigd door E. Gane, A. Rotăreanu en S.‑A. Purza als gemachtigden,

de Belgische regering, vertegenwoordigd door L. Van den Broeck, M. Jacobs en S. Baeyens als gemachtigden,

de Deense regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door J. Nymann‑Lindegren, P. Ngo en M. S. Wolff, vervolgens door J. Nymann‑Lindegren en M. S. Wolff als gemachtigden,

de Letse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door V. Soņeca en L. Juškeviča, vervolgens door V. Soņeca als gemachtigden,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman en C. S. Schillemans als gemachtigden,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll als gemachtigde,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

de Finse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door A. Laine, vervolgens door H. Leppo als gemachtigde,

de Noorse regering, vertegenwoordigd door I. Thue en J. T. Kaasin als gemachtigden,

de Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Gheorghiu en M. van Beek, vervolgens door C. Gheorghiu als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 november 2020,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, punt 1, artikel 3 en artikel 6, onder b), van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Academie de Studii Economice din Bucureşti (academie voor economische studies te Boekarest, Roemenië; hierna: „ASE”) en de Organism Intermediar pentru Programul Operaţional Capital uman – Ministerul Educaţiei Naţionale (intermediaire instantie voor het operationeel programma menselijk kapitaal – ministerie van Onderwijs; hierna: „OI POCU MEN”) over een financiële correctie die laatstgenoemde in het kader van een financieringsprogramma heeft vastgesteld wegens niet-naleving door de ASE van het maximale aantal uren dat iemand per dag mag werken.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Artikel 1 van richtlijn 2003/88 bepaalt:

„1.   Deze richtlijn bepaalt minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd.

2.   Deze richtlijn is van toepassing op:

a)

de minimale dagelijkse en wekelijkse rusttijden en de minimale jaarlijkse vakantie, alsmede op de pauzes en de maximale wekelijkse arbeidstijd, en

b)

bepaalde aspecten van nacht- en ploegenarbeid en van het werkrooster.

3.   Onverminderd de artikelen 14, 17, 18 en 19 is deze richtlijn van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren in de zin van artikel 2 van richtlijn 89/391/EEG [van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk (PB 1989, L 183, blz. 1)].

[…]”

4

Artikel 2 van richtlijn 2003/88 luidt:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.

arbeidstijd: de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken;

2.

rusttijd: de tijd die geen arbeidstijd is;

[…]”

5

In artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Dagelijkse rusttijd”, is bepaald:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat alle werknemers in elk tijdvak van vierentwintig uur een rusttijd van ten minste elf aaneengesloten uren genieten.”

6

Artikel 6 van die richtlijn, „Maximale wekelijkse arbeidstijd”, bepaalt:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat in verband met de noodzakelijke bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers:

a)

de wekelijkse arbeidstijd via wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen of via collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners wordt beperkt;

b)

de gemiddelde arbeidstijd in elk tijdvak van zeven dagen, inclusief overwerk, niet meer dan achtenveertig uren bedraagt.”

7

Artikel 17 van voornoemde richtlijn luidt:

„1.   Met inachtneming van de algemene beginselen inzake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, kunnen de lidstaten afwijken van de artikelen 3 tot en met 6, 8 en 16, wanneer de duur van de arbeidstijd wegens de bijzondere kenmerken van de verrichte werkzaamheid niet wordt gemeten en/of vooraf bepaald, of door de werknemers zelf kan worden bepaald, en met name wanneer het gaat om:

a)

leidinggevend personeel of andere personen met een autonome beslissingsbevoegdheid;

b)

arbeidskrachten in gezins- of familieverband;

c)

werknemers die in kerken en religieuze gemeenschappen de eredienst verzorgen.

[…]”

8

Artikel 23 van richtlijn 2003/88 luidt als volgt:

„Onverminderd het recht van de lidstaten om, in het licht van de ontwikkeling van de situatie, andersluidende wettelijke, bestuursrechtelijke en contractuele bepalingen aan te nemen op het gebied van de arbeidstijd en mits de hand wordt gehouden aan de minimumeisen van deze richtlijn, vormt de tenuitvoerlegging van deze richtlijn geen rechtvaardiging voor een verlaging van het algemene beschermingsniveau van de werknemers.”

Roemeens recht

9

Artikel 111 van Lege nr. 53/2003 privind Codul muncii (wet nr. 53/2003 houdende het wetboek arbeidsrecht) van 24 januari 2003, zoals gewijzigd (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 345 van 18 mei 2011) (hierna: „wetboek arbeidsrecht”), bepaalt:

„Arbeidstijd is de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de bepalingen van zijn arbeidsovereenkomst, de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst en/of de geldende wetten.”

10

Artikel 112, lid 1, van het wetboek arbeidsrecht luidt:

„Voor voltijdwerknemers bedraagt de normale arbeidstijd acht uur per dag en veertig uur per week.”

11

Artikel 114, lid 1, van dit wetboek bepaalt:

„De maximale wettelijke arbeidstijd, inclusief overwerk, mag niet meer dan achtenveertig uur per week bedragen.”

12

Artikel 119 van dat wetboek luidt als volgt:

„De werkgever is verplicht een register bij te houden van de door elke werknemer gewerkte uren en dit register op verzoek ter inzage te geven aan de arbeidsinspectie.”

13

Artikel 120 van voornoemd wetboek luidt:

„1.   Arbeid die wordt verricht buiten de in artikel 112 bepaalde normale wekelijkse arbeidstijd, wordt beschouwd als overwerk.

2.   Overwerk mag niet zonder instemming van de werknemer worden verricht, behalve in geval van overmacht of voor dringende taken die bedoeld zijn om ongevallen te voorkomen of de gevolgen daarvan ongedaan te maken.”

14

Artikel 135, lid 1, van het wetboek arbeidsrecht bepaalt:

„Tussen twee werkdagen hebben werknemers recht op een rusttijd van ten minste twaalf aaneengesloten uren.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

15

De ASE neemt deel aan het project POSDRU/89/1.5/S/59184, een sectoraal operationeel programma voor de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen met de titel „Prestaties en uitmuntendheid in postdoctoraal onderzoek in de economische wetenschappen in Roemenië” (hierna: „project”).

16

Bij proces-verbaal tot vaststelling van onregelmatigheden en ter bepaling van financiële correcties van 4 juni 2018 (hierna: „proces‑verbaal tot vaststelling van onregelmatigheden”) heeft de OI POCU MEN geconstateerd dat de ASE een schuld had ten aanzien van de schatkist ten bedrage van 13490,42 Roemeense leu (RON) (ongeveer 2800 EUR), in verband met salariskosten voor werknemers van het team dat het project uitvoerde. De met deze kosten overeenkomende bedragen zijn niet-subsidiabel verklaard wegens overschrijding van het maximumaantal uren dat deze werknemers per dag konden werken.

17

De ASE heeft bezwaar gemaakt tegen het proces-verbaal tot vaststelling van onregelmatigheden, dat door de OI POCU MEN is afgewezen op grond van met name artikel 3 van richtlijn 2003/88, dat bepaalt dat een werknemer maximaal dertien uur per dag mag werken, welk maximum volgens deze instantie niet van toepassing is op elke afzonderlijke arbeidsovereenkomst van die werknemer.

18

De ASE heeft ter betwisting van dit afwijzende besluit beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

19

De verwijzende rechter preciseert dat de niet-subsidiabel verklaarde bedragen overeenkomen met de kosten van de salarissen van bepaalde deskundigen die in het tijdvak van oktober 2012 tot en met januari 2013 op bepaalde dagen de in het kader van de basisarbeidsduur gewerkte uren, dat wil zeggen acht uur per dag, combineerden met de in het kader van het project en in het kader van andere projecten of activiteiten gewerkte uren. Het totale aantal werkuren per dag lag voor deze deskundigen boven het in de instructies van de beheersautoriteit van het project vastgestelde maximum van dertien uur per dag, welk maximum volgens de OI POCU MEN voortvloeit uit de artikelen 3 en 6 van richtlijn 2003/88.

20

Tegen deze achtergrond heeft de Tribunal Bucureşti (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet onder [het begrip] ‚arbeidstijd’, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van [richtlijn 2003/88], worden verstaan ‚de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent’ op grond van één enkele overeenkomst (voor voltijds werk), dan wel op grond van alle (arbeids)overeenkomsten die door die werknemer zijn gesloten?

2)

Moeten de aan de lidstaten opgelegde verplichtingen uit hoofde van artikel 3 van [richtlijn 2003/88] (verplichting om de nodige maatregelen te treffen opdat alle werknemers in elk tijdvak van vierentwintig uur een rusttijd van ten minste elf aaneengesloten uren genieten) en uit hoofde van artikel 6, onder b), van deze richtlijn (vaststellen dat de gemiddelde arbeidstijd in een tijdvak van zeven dagen, inclusief overwerk, niet meer dan achtenveertig uur bedraagt) aldus worden uitgelegd dat daarbij grenzen worden vastgelegd ten aanzien van één enkele overeenkomst, dan wel ten aanzien van alle overeenkomsten die met dezelfde werkgever of met verschillende werkgevers zijn gesloten?

3)

Indien de antwoorden op de eerste en de tweede vraag een uitlegging bevatten volgens welke het uitgesloten is dat de lidstaten, op nationaal niveau, kunnen bepalen dat artikel 3 en artikel 6, onder b), van [richtlijn 2003/88] per overeenkomst worden toegepast wanneer er geen nationale wetsbepalingen zijn volgens welke de dagelijkse minimumrusttijd en de maximale wekelijkse arbeidstijd betrekking hebben op de werknemer (ongeacht het aantal arbeidsovereenkomsten dat de werknemer met dezelfde werkgever of met verschillende werkgevers heeft gesloten), kan een namens de staat optredende openbare instelling van een lidstaat zich dan beroepen op de rechtstreekse toepassing van artikel 3 en artikel 6, onder b), van [richtlijn 2003/88] en de werkgever een sanctie opleggen wegens niet-naleving van de grenzen die in de richtlijn worden gesteld aan de dagelijkse rusttijd en/of de maximale wekelijkse arbeidstijd?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen

21

[Zoals gewijzigd bij beschikking van 15 april 2021] De Europese Commissie betoogt dat de door de verwijzende rechter beschreven feitelijke en juridische situatie onvoldoende preciseringen en toelichtingen bevat om de gestelde vragen en de noodzaak om daarop te antwoorden te rechtvaardigen. Bovendien geeft zij aan, in navolging van de Roemeense regering, dat de tweede en de derde vraag niet-ontvankelijk zijn voor zover zij betrekking hebben op artikel 6 van richtlijn 2003/88. De Roemeense regering voegt hieraan toe dat een antwoord van het Hof met betrekking tot de hypothetische situatie waarin een werknemer overeenkomsten heeft gesloten met een aantal verschillende werkgevers, zinloos zou zijn voor de verwijzende rechter, omdat de in een prejudiciële beslissing gegeven analyse verband moet houden met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie, te weten in casu een situatie waarin de werknemer meerdere overeenkomsten met dezelfde werkgever heeft gesloten. Voorts betwijfelt de Commissie of richtlijn 2003/88 van toepassing is op het hoofdgeding, omdat in het hoofdgeding de kwestie van de beloning van werknemers aan de orde is, terwijl deze richtlijn die kwestie volgens de rechtspraak niet regelt.

22

In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, gelet op de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof stelt, te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 19 december 2019, Darie, C‑592/18, EU:C:2019:1140, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23

Bijgevolg geldt voor prejudiciële vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen over een door een nationale rechter gestelde prejudiciële vraag, wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 8 oktober 2020, Union des industries de la protection des plantes, C‑514/19, EU:C:2020:803, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24

Voor zover, in de eerste plaats, de gestelde vragen de minimale dagelijkse rusttijd betreffen, moet in casu worden opgemerkt dat de verwijzingsbeslissing de nodige informatie bevat over de feiten van het hoofdgeding en verwijst naar de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving, aan de hand waarvan het voorwerp van dit geding en de gestelde vragen voldoende kunnen worden begrepen.

25

Naast de bepalingen van het wetboek arbeidsrecht betreffende de dagelijkse arbeidstijd en rusttijden, te weten de artikelen 111, 112 en 135, vermeldt de verwijzingsbeslissing in het bijzonder dat de OI POCU MEN de schuldtitel heeft vastgesteld op grond dat de ASE zich niet had gehouden aan de regelgeving inzake het maximumaantal uren dat een persoon per dag mag werken, en verduidelijkt deze beslissing hoe de dagelijkse werkuren van de door de ASE aangestelde deskundigen zijn berekend.

26

De gestelde vragen zijn in dit opzicht dus ontvankelijk.

27

Voor zover, in de tweede plaats, de tweede en de derde vraag betrekking hebben op de niet-inachtneming van de maximale wekelijkse arbeidstijd, moet worden opgemerkt dat, ook al heeft de OI POCU MEN zich volgens de verwijzingsbeslissing ter rechtvaardiging van het proces-verbaal tot vaststelling van onregelmatigheden beroepen op zowel artikel 3 als artikel 6, onder b), van richtlijn 2003/88, de verwijzende rechter, zoals de advocaat-generaal in punt 23 van zijn conclusie heeft opgemerkt, niet heeft aangegeven waarom laatstgenoemde bepaling relevant is, aangezien daarin alleen de aan de ASE verweten niet-nakoming van de minimale dagelijkse rusttijd is uiteengezet.

28

In die omstandigheden zijn de tweede en de derde vraag niet-ontvankelijk voor zover zij betrekking hebben op artikel 6 van richtlijn 2003/88.

29

Voor zover, in de derde plaats, de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2003/88 ingeval een werknemer arbeidsovereenkomsten heeft gesloten met meerdere werkgevers, moet worden opgemerkt dat uit de verwijzingsbeslissing geenszins blijkt dat de lonen die de OI POCU MEN in het proces-verbaal tot vaststelling van onregelmatigheden heeft aangemerkt als niet-subsidiabele uitgaven, verband houden met arbeidsovereenkomsten die de deskundigen zowel met de ASE als met andere werkgevers hebben gesloten. Alleen de uitgaven in verband met de arbeidsovereenkomsten die deze deskundigen met de ASE hebben gesloten, zijn immers vermeld.

30

De gestelde vragen zijn bijgevolg ook niet-ontvankelijk voor zover zij betrekking hebben op de uitlegging van artikel 2, punt 1, en artikel 3 van richtlijn 2003/88 in het geval van arbeidsovereenkomsten die een werknemer met meerdere werkgevers heeft gesloten.

31

Wat in de vierde plaats het standpunt van de Commissie betreft dat het hoofdgeding, aangezien het betrekking heeft op de vergoeding van werknemers, niet ziet op richtlijn 2003/88, dient in herinnering te worden gebracht dat deze richtlijn, afgezien van het in artikel 7, lid 1, van die richtlijn bedoelde bijzondere geval van jaarlijkse vakantie met behoud van loon, enkel bepaalde aspecten van de organisatie van de arbeidstijd regelt, ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers, en dat zij dus in beginsel niet van toepassing is op de vergoeding van werknemers (arrest van 30 april 2020, Készenléti Rendőrség, C‑211/19, EU:C:2020:344, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32

Deze vaststelling houdt evenwel niet in dat de in de onderhavige zaak gestelde vragen niet hoeven te worden beantwoord.

33

De verwijzende rechter is namelijk van oordeel dat de uitlegging van een aantal bepalingen van richtlijn 2003/88 noodzakelijk is om hem in staat te stellen uitspraak te doen over de vraag of de door de OI POCU MEN gevorderde schuld ten aanzien van de schatkist rechtmatig is. Om te bepalen of de ASE de door haar deskundigen gewerkte uren op rechtmatige wijze heeft vergoed, wenst de verwijzende rechter in het bijzonder te vernemen of de ASE zich heeft gehouden aan de regelgeving inzake het maximumaantal uren dat een persoon per dag mag werken.

34

In die omstandigheden moeten de gestelde vragen, voor zover zij betrekking hebben op de niet-naleving van de bepalingen van richtlijn 2003/88 inzake het maximumaantal uren dat een persoon per dag mag werken, worden geacht relevant te zijn voor de beslechting van het bij de verwijzende rechter aanhangige geding en zijn zij dus ontvankelijk.

Eerste en tweede vraag

35

Met zijn eerste en tweede vraag, die gezamenlijk dienen te worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 2, punt 1, en artikel 3 van richtlijn 2003/88 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een werknemer met dezelfde werkgever meerdere arbeidsovereenkomsten heeft gesloten, de in dat artikel 3 bepaalde minimale dagelijkse rusttijd van toepassing is op al deze overeenkomsten gezamenlijk dan wel op elk van die overeenkomsten afzonderlijk.

36

Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat het recht van iedere werknemer op een beperking van de maximumarbeidsduur en op – onder meer – dagelijkse rusttijden niet alleen een bijzonder belangrijk sociaalrechtelijk voorschrift van de Unie is, maar ook uitdrukkelijk is verankerd in artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaraan artikel 6, lid 1, VEU dezelfde juridische waarde toekent als aan de Verdragen (zie in die zin arrest van 14 mei 2019, CCOO, C‑55/18, EU:C:2019:402, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37

De bepalingen van richtlijn 2003/88, met name artikel 3, bevatten een nadere regeling van dat grondrecht en moeten dus in het licht daarvan worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 14 mei 2019, CCOO, C‑55/18, EU:C:2019:402, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38

Niettemin volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en de doelstellingen van de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt (zie met name arrest van 6 oktober 2020, Jobcenter Krefeld, C‑181/19, EU:C:2020:794, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39

Wat in de eerste plaats de bewoordingen van artikel 2, punt 1, en artikel 3 van richtlijn 2003/88 betreft, moet worden opgemerkt dat artikel 2, punt 1, van deze richtlijn het begrip „arbeidstijd” omschrijft als de tijd waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken.

40

Artikel 3 van deze richtlijn legt de lidstaten de verplichting op om de nodige maatregelen te treffen opdat „alle werknemers” in elk tijdvak van vierentwintig uur een rusttijd van ten minste elf aaneengesloten uren genieten (zie in die zin arrest van 14 mei 2019, CCOO, C‑55/18, EU:C:2019:402, punt 38).

41

Het gebruik van de woorden „alle werknemers” pleit voor een uitlegging van artikel 3 waarbij die bepaling per werknemer wordt toegepast ingeval er tussen een werknemer en eenzelfde werkgever meerdere arbeidsovereenkomsten zijn gesloten. Door het gebruik van het onbepaald voornaamwoord „alle” legt artikel 3 immers met betrekking tot het genieten van een rusttijd van ten minste elf aaneengesloten uren in elk tijdvak van vierentwintig uur, de nadruk op de werknemer, ongeacht of deze al dan niet meerdere overeenkomsten met zijn werkgever heeft gesloten.

42

Wat in de tweede plaats de context van artikel 2, punt 1, en artikel 3 van richtlijn 2003/88 betreft, moet worden opgemerkt dat in artikel 2, punt 2, van deze richtlijn „rusttijd” wordt gedefinieerd als de tijd die geen arbeidstijd is.

43

Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld dat dit begrip en het begrip „arbeidstijd” elkaar uitsluiten en dat richtlijn 2003/88 niet voorziet in een tussencategorie tussen arbeidstijden en rusttijden (arrest van 10 september 2015, Federación de Servicios Privados del sindicato Comisiones obreras, C‑266/14, EU:C:2015:578, punten 25 en 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

44

Bovendien behoort artikel 2 van richtlijn 2003/88 niet tot de bepalingen van deze richtlijn waarvan mag worden afgeweken (arrest van 10 september 2015, Federación de Servicios Privados del sindicato Comisiones obreras, C‑266/14, EU:C:2015:578, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45

In die omstandigheden kan niet worden voldaan aan het vereiste van artikel 3 van die richtlijn, namelijk dat elke werknemer dagelijks een rusttijd van ten minste elf aaneengesloten uren geniet, indien deze rusttijden voor elke overeenkomst die deze werknemer aan zijn werkgever bindt afzonderlijk in aanmerking worden genomen. In een dergelijk geval zouden immers, zoals wordt geïllustreerd door het hoofdgeding, de uren die in het kader van één overeenkomst als rusttijd worden beschouwd, in het kader van een andere overeenkomst arbeidstijd kunnen vormen. Volgens de in punt 43 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak kan eenzelfde tijdvak echter niet tegelijkertijd als arbeidstijd en als rusttijd worden aangemerkt.

46

Hieruit volgt dat de door een werknemer met zijn werkgever gesloten arbeidsovereenkomsten gezamenlijk moeten worden onderzocht om te kunnen vaststellen dat de als dagelijkse rusttijd aangemerkte periode voldoet aan de definitie van „rusttijd” in artikel 2, punt 2, van richtlijn 2003/88, namelijk dat het gaat om tijd die geen arbeidstijd is.

47

In de derde plaats vindt de uitlegging die voortvloeit uit de bewoordingen en de context van artikel 2, punt 1, en artikel 3 van richtlijn 2003/88 ook bevestiging in de doelstelling van deze richtlijn.

48

Volgens vaste rechtspraak heeft richtlijn 2003/88 immers tot doel om minimumvoorschriften vast te stellen om de levens- en arbeidsomstandigheden van werknemers te verbeteren door de nationale regeling inzake met name de duur van de arbeidstijd te harmoniseren (arrest van 14 mei 2019, CCOO, C‑55/18, EU:C:2019:402, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49

Deze harmonisatie inzake de organisatie van de arbeidstijd op het niveau van de Europese Unie beoogt een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers te waarborgen door hun – onder meer dagelijkse – minimumrusttijden te waarborgen (zie in die zin arrest van 14 mei 2019, CCOO, C‑55/18, EU:C:2019:402, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50

Indien de minimumvoorschriften van artikel 3 van richtlijn 2003/88 aldus werden uitgelegd dat zij afzonderlijk van toepassing zijn op elke door de werknemer met zijn werkgever gesloten overeenkomst, zou afbreuk worden gedaan aan de waarborg van een betere bescherming van die werknemer, aangezien het door de cumulatie van de arbeidstijd waarin afzonderlijk is voorzien in elk van de met de werkgever gesloten overeenkomsten, onmogelijk kan worden gemaakt om de rusttijd van elf aaneengesloten uren voor elk tijdvak van vierentwintig uur te waarborgen, terwijl dit door de Uniewetgever wordt beschouwd als een minimumperiode die noodzakelijk is om de werknemer in staat te stellen bij te komen van de vermoeidheid die inherent is aan het dagelijkse werk.

51

Bovendien moet volgens de rechtspraak van het Hof de werknemer worden beschouwd als de zwakkere partij binnen de arbeidsverhouding, zodat moet worden verhinderd dat de werkgever over de mogelijkheid beschikt om hem een beperking van zijn rechten op te leggen (arrest van 14 mei 2019, CCOO, C‑55/18, EU:C:2019:402, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52

Gelet op deze positie van zwakkere partij kan een werknemer er immers van worden weerhouden uitdrukkelijk zijn rechten uit te oefenen jegens zijn werkgever, omdat de afdwinging van die rechten hem kan blootstellen aan maatregelen van die werkgever die de arbeidsverhouding ten nadele van die werknemer kunnen beïnvloeden (arrest van 14 mei 2019, CCOO, C‑55/18, EU:C:2019:402, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53

Indien de bepalingen van richtlijn 2003/88 inzake de minimale dagelijkse rusttijd aldus zouden moeten worden uitgelegd dat zij afzonderlijk van toepassing zijn op elke door een werknemer met dezelfde werkgever gesloten arbeidsovereenkomst, zou deze werknemer door zijn werkgever onder druk kunnen worden gezet om zijn arbeidstijd over verschillende overeenkomsten te spreiden, hetgeen aan deze bepalingen hun nuttig effect zou kunnen ontnemen.

54

Tot slot moet worden gepreciseerd dat de door de ASE en de Poolse en de Roemeense regering aangevoerde speelruimte waarover de lidstaten beschikken bij het bepalen van de wijze van uitvoering van de bepalingen van artikel 3 van deze richtlijn, niet relevant is voor het antwoord op de eerste en de tweede vraag. Zoals de advocaat-generaal in punt 57 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft de aan het Hof gestelde vraag immers geen betrekking op de wijze van uitvoering van deze bepalingen, maar op de draagwijdte daarvan. Volgens artikel 23 van deze richtlijn moeten, onverminderd het recht van de lidstaten om andersluidende wettelijke, bestuursrechtelijke en contractuele bepalingen aan te nemen op het gebied van de arbeidstijd, de bij richtlijn 2003/88 vastgestelde minimumeisen in acht worden genomen.

55

Uit bovenstaande analyse volgt dat bepaalde deskundigen die voor de uitvoering van het project zijn ingezet, middels verschillende arbeidsovereenkomsten gebonden waren aan de ASE, zodat het in casu voor de controle op de naleving van de bepalingen van artikel 3 van richtlijn 2003/88 noodzakelijk is dat deze overeenkomsten gezamenlijk worden onderzocht.

56

Hieraan moet worden toegevoegd dat de Commissie, gelet op de bijzondere kenmerken van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde deskundigen, in wezen opmerkt dat richtlijn 2003/88 uitsluitend van toepassing is op „werknemers” in de zin van deze richtlijn.

57

Volgens de rechtspraak van het Hof is het hoofdkenmerk van een arbeidsverhouding dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt (arrest van 20 november 2018, Sindicatul Familia Constanţa e.a., C‑147/17, EU:C:2018:926, punt 41).

58

Van een arbeidsverhouding is dus slechts sprake indien er een ondergeschiktheidsband tussen de werknemer en zijn werkgever bestaat. Of er sprake is van een dergelijke band moet van geval tot geval worden nagegaan, aan de hand van alle gegevens en alle omstandigheden die de verhoudingen tussen partijen kenmerken (arrest van 11 april 2019, Bosworth en Hurley, C‑603/17, EU:C:2019:310, punt 26).

59

Bijgevolg is de tijd die de in het hoofdgeding aan de orde zijnde deskundigen hebben besteed aan het verrichten van diensten in het kader van het project, slechts relevant voor de controle op de naleving van de minimale dagelijkse rusttijd van artikel 3 van richtlijn 2003/88 indien er in het kader van dit project sprake was van een verhouding van ondergeschiktheid tussen de ASE en deze deskundigen. Uit het dossier waarover het Hof beschikt lijkt te volgen dat dit het geval was, maar het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

60

Voorts hebben de ASE en de Deense regering zich beroepen op de uitzonderingsbepalingen van richtlijn 2003/88, en meer in het bijzonder op artikel 17, lid 1, om te rechtvaardigen dat artikel 3 ervan niet wordt toegepast op bepaalde werknemers.

61

De afwijkingsmogelijkheden die in richtlijn 2003/88 – met name in artikel 17 – zijn vastgesteld als uitzonderingen op de in die richtlijn bepaalde Unieregeling inzake de organisatie van de arbeidstijd, moeten volgens de rechtspraak van het Hof aldus worden uitgelegd dat de strekking ervan beperkt blijft tot hetgeen strikt noodzakelijk is om de met deze afwijkingen beschermde belangen veilig te stellen (arrest van 21 februari 2018, Matzak, C‑518/15, EU:C:2018:82, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62

Voorts heeft het Hof geoordeeld dat artikel 17, lid 1, van richtlijn 2003/88 geldt voor werknemers van wie de gehele arbeidstijd wegens de bijzondere kenmerken van de verrichte werkzaamheid niet wordt gemeten of vooraf bepaald, of door de werknemers zelf kan worden bepaald (arrest van 26 juli 2017, Hälvä e.a., C‑175/16, EU:C:2017:617, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63

In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde deskundigen beschikten over voltijdarbeidsovereenkomsten voor veertig werkuren per week. In die omstandigheden blijkt dat op zijn minst een deel van de arbeidstijd van deze deskundigen, zelfs in het geval van universitair docenten, door hun werkgever werd bepaald, waardoor de afwijking van artikel 17, lid 1, van richtlijn 2003/88 niet op hen van toepassing kan zijn. Het staat evenwel aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

64

Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de eerste en de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 2, punt 1, en artikel 3 van richtlijn 2003/88 aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een werknemer met dezelfde werkgever meerdere arbeidsovereenkomsten heeft gesloten, de in dat artikel 3 bepaalde minimale dagelijkse rusttijd van toepassing is op al deze overeenkomsten gezamenlijk en niet op elk van die overeenkomsten afzonderlijk.

Derde vraag

65

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of, ingeval artikel 3 van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling bedoelde minimale dagelijkse rusttijd betrekking heeft op alle door een werknemer met eenzelfde werkgever gesloten arbeidsovereenkomsten, een namens de staat optredende overheidsinstelling zich kan beroepen op de rechtstreekse werking van die bepaling tegenover een werkgever die deze niet naleeft.

66

Uit vaste rechtspraak van het Hof volgt dat in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, die bepalingen bij de nationale rechter kunnen worden ingeroepen tegenover de staat wanneer deze heeft verzuimd de richtlijn tijdig in nationaal recht om te zetten, of dit op onjuiste wijze heeft gedaan (zie in die zin arrest van 6 november 2018, Max-Planck-Gesellschaft zur Förderung der Wissenschaften, C‑684/16, EU:C:2018:874, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67

Meteen moet echter worden benadrukt dat er, zoals de advocaat-generaal in punt 81 van zijn conclusie heeft opgemerkt, in casu geen enkele nationale regeling is betwist op grond dat zij onverenigbaar zou zijn met de bepalingen van richtlijn 2003/88.

68

Hieraan dient te worden toegevoegd dat de vraag of een nationale bepaling buiten toepassing moet worden gelaten omdat zij indruist tegen het Unierecht, zich slechts voordoet indien geen met dat recht strokende uitlegging van die bepaling mogelijk is (arrest van 6 november 2018, Bauer en Willmeroth, C‑569/16 en C‑570/16, EU:C:2018:871, punt 65).

69

Het beginsel van een conforme uitlegging van het nationale recht, op grond waarvan de nationale rechter zijn nationale recht zoveel mogelijk moet uitleggen in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht, is inherent aan het systeem van de Verdragen, aangezien het deze rechter in staat stelt om binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het Unierecht te verzekeren bij de beslechting van de bij hem aanhangige gedingen (arrest van 14 mei 2020, Staatsanwaltschaft Offenburg, C‑615/18, EU:C:2020:376, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

70

In casu benadrukt de Roemeense regering in haar schriftelijke opmerkingen dat in Roemenië, ingeval een werknemer meerdere overeenkomsten sluit met dezelfde werkgever, artikel 135, lid 1, gelezen in samenhang met de artikelen 119 en 120, van het wetboek arbeidsrecht moet worden toegepast.

71

Artikel 135, lid 1, bepaalt dat werknemers tussen twee werkdagen recht hebben op een rusttijd van ten minste twaalf aaneengesloten uren.

72

De in artikel 135, lid 1, erkende rechten bieden dus meer bescherming dan die welke zijn opgenomen in artikel 3 van richtlijn 2003/88, op grond waarvan de minimale rusttijd – voor elk tijdvak van vierentwintig uur – elf aaneengesloten uren bedraagt.

73

Zoals de advocaat-generaal in punt 82 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is er in die omstandigheden geen reden om aan te nemen dat de OI POCU MEN haar beslissing niet had kunnen baseren op de bepalingen van Roemeens recht, uitgelegd in het licht van de relevante bepalingen van richtlijn 2003/88.

74

Aangezien niet wordt betwist dat het Roemeense recht in overeenstemming is met artikel 3 van richtlijn 2003/88 en het hoe dan ook duidelijk is dat dit recht in overeenstemming met dat artikel kan worden uitgelegd, hoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.

Beperking van de werking van het onderhavige arrest in de tijd

75

De Roemeense regering en de ASE verzoeken het Hof in hun schriftelijke opmerkingen om de werking van het onderhavige arrest te beperken in de tijd.

76

Wat om te beginnen het verzoek van de Roemeense regering betreft voor het geval het Hof artikel 2, punt 1, en artikel 3 van richtlijn 2003/88 aldus uitlegt dat het per werknemer wordt toegepast, moet worden opgemerkt dat dit verzoek is ingegeven door het feit dat een dergelijke toepassing een impact op het systeem van de Roemeense arbeidsmarkt zou hebben, waar volgens deze regering veel werknemers overeenkomsten met meerdere werkgevers hebben. Het verzoek betreft dus de hypothese dat het onderhavige arrest betrekking heeft op gevallen van met meerdere werkgevers gesloten arbeidsovereenkomsten. Aangezien het verzoek om een prejudiciële beslissing evenwel niet-ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op de uitlegging van de bepalingen van richtlijn 2003/88 voor dergelijke gevallen, hoeft op dat punt niet te worden geantwoord op het verzoek om de werking van het onderhavige arrest te beperken in de tijd.

77

Wat vervolgens het verzoek van de Roemeense regering betreft voor het geval het Hof artikel 2, punt 1, en artikel 3 van richtlijn 2003/88 aldus uitlegt dat het wordt toegepast per afzonderlijke overeenkomst die de werknemer met zijn werkgever heeft gesloten, hierop hoeft evenmin te worden geantwoord, aangezien uit punt 64 van het onderhavige arrest blijkt dat de minimale dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 3 van deze richtlijn betrekking heeft op de gezamenlijke overeenkomsten die de werknemer met dezelfde werkgever heeft gesloten.

78

Wat ten slotte het verzoek van de ASE betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat, volgens vaste rechtspraak, de uitlegging die het Hof in de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 267 VWEU aan een voorschrift van Unierecht geeft, de betekenis en de strekking van dat voorschrift verklaart en preciseert zoals het sedert het tijdstip van de inwerkingtreding ervan moet of had moeten worden verstaan en toegepast. Hieruit volgt dat het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór de uitspraak van het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, indien voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden gebracht (arrest van 3 oktober 2019, Schuch-Ghannadan, C‑274/18, EU:C:2019:828, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

79

Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan het Hof uit hoofde van een aan de rechtsorde van de Unie inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid besluiten om beperkingen te stellen aan de mogelijkheid voor iedere belanghebbende om met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen opnieuw ter discussie te stellen. Tot een dergelijke beperking kan slechts worden besloten indien is voldaan aan twee essentiële criteria, te weten de goede trouw van de belanghebbende kringen en het gevaar voor ernstige verstoringen (arrest van 3 oktober 2019, Schuch-Ghannadan, C‑274/18, EU:C:2019:828, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

80

Meer bepaald heeft het Hof slechts in zeer specifieke omstandigheden van deze mogelijkheid gebruikgemaakt, te weten wanneer er – met name wegens het grote aantal rechtsbetrekkingen dat te goeder trouw tot stand was gekomen op basis van de geldig geachte wettelijke regeling – gevaar bestond voor ernstige economische gevolgen en tevens bleek dat zowel particulieren als de nationale autoriteiten tot met het Unierecht strijdig gedrag waren gebracht op grond van een objectieve, grote onzekerheid over de strekking van bepalingen of beginselen van het Unierecht, tot welke onzekerheid het gedrag zelf van andere lidstaten of van de Commissie eventueel had bijgedragen (arrest van 3 oktober 2019, Schuch‑Ghannadan, C‑274/18, EU:C:2019:828, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81

In casu moet worden opgemerkt dat de ASE enkel stelt – zonder enig ander element aan te voeren – dat er rekening moet worden gehouden met zowel de goede trouw van de belanghebbenden als het risico van ernstige verstoringen van de Roemeense economie. Aldus voert zij onvoldoende elementen aan om aan te tonen dat het criterium inzake de goede trouw van de belanghebbende kringen is vervuld, en verstrekt zij het Hof evenmin nauwkeurige informatie over het aantal betrokken rechtsbetrekkingen of de aard en de omvang van de mogelijke economische gevolgen van het onderhavige arrest. Bijgevolg kunnen de twee in punt 79 van het onderhavige arrest bedoelde criteria, die een beperking van de gevolgen van het onderhavige arrest in de tijd zouden kunnen rechtvaardigen, niet worden geacht te zijn vervuld.

82

Uit voorgaande overwegingen volgt dat de werking van het onderhavige arrest niet hoeft te worden beperkt in de tijd.

Kosten

83

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 2, punt 1, en artikel 3 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd moeten aldus worden uitgelegd dat wanneer een werknemer met dezelfde werkgever meerdere arbeidsovereenkomsten heeft gesloten, de in dat artikel 3 bepaalde minimale dagelijkse rusttijd van toepassing is op al deze overeenkomsten gezamenlijk en niet op elk van die overeenkomsten afzonderlijk.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Roemeens.