ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

4 juni 2020 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van onderhoudsverplichtingen – Verordening (EG) nr. 4/2009 – Artikel 41, lid 1 – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Artikel 24, punt 5 – Executoriale titel waarbij wordt vastgesteld dat er een aanspraak op levensonderhoud bestaat – Beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging – Bevoegdheid van het gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging”

In zaak C‑41/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Amtsgericht Köln (rechter in eerste aanleg Keulen, Duitsland) bij beslissing van 14 januari 2019, ingekomen bij het Hof op 23 januari 2019, in de procedure

FX

tegen

GZ, wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder,

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, L. S. Rossi (rapporteur), J. Malenovský, F. Biltgen en N. Wahl, rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: M. Krausenböck, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 november 2019,

gelet op de opmerkingen van:

FX, vertegenwoordigd door H. W. Junker, Rechtsanwalt,

GZ, wettelijk vertegenwoordigd door B., haar moeder,

de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en U. Bartl als gemachtigden,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, R. Stańczyk en S. Żyrek als gemachtigden,

de Portugese regering, vertegenwoordigd door L. Inez Fernandes, P. Barros da Costa, L. Medeiros en S. Duarte Afonso als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en M. Heller als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 februari 2020,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van, ten eerste, verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (PB 2009, L 7, blz. 1) en van, ten tweede, artikel 24, punt 5, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds FX, die in Duitsland woont, en anderzijds GZ, zijn minderjarige dochter, die wettelijk wordt vertegenwoordigd door haar moeder en in Polen woont, over de bevoegdheid van de verwijzende rechter om uitspraak te doen over het beroep dat FX heeft ingesteld tegen de tenuitvoerlegging van de jegens hem bestaande aanspraak op levensonderhoud.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 4/2009

3

In de overwegingen 9 tot en met 11, 30 en 44 van verordening nr. 4/2009 staat te lezen:

„(9)

Een onderhoudsgerechtigde dient in een lidstaat gemakkelijk een beslissing te kunnen verkrijgen die automatisch, zonder enige andere formaliteit uitvoerbaar is in een andere lidstaat.

(10)

Om deze doelstelling te bereiken, is het wenselijk een communautair instrument inzake onderhoudsverplichtingen te creëren waarin alle voorschriften inzake bevoegdheid en toepasselijk recht, erkenning en uitvoerbaarheid, tenuitvoerlegging van beslissingen, rechtsbijstand en samenwerking tussen centrale autoriteiten worden verenigd.

(11)

Alle onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap, dienen binnen de werkingssfeer van de verordening te vallen, dit om de gelijke behandeling van alle onderhoudsgerechtigden te garanderen. Voor de toepassing van deze verordening moet het begrip ‚onderhoudsverplichting’ autonoom geïnterpreteerd worden.

[...]

(30)

Teneinde de tenuitvoerlegging van een beslissing van [een lidstaat die gebonden is door het op 23 november 2007 te Den Haag ondertekende Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, welk protocol namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2009/941/EG van de Raad van 30 november 2009 (PB 2009, L 331, blz. 17),] in een andere lidstaat te bespoedigen, is er aanleiding de gronden voor weigering of schorsing van de tenuitvoerlegging die de onderhoudsplichtige wegens het grensoverschrijdende karakter van de aanspraak op levensonderhoud kan inroepen, te beperken. Deze beperking mag geen afbreuk doen aan de gronden voor weigering of schorsing die in het nationale recht zijn voorzien en die niet onverenigbaar zijn met de in deze verordening genoemde gronden, zoals de vereffening van de schuld door de onderhoudsplichtige op het moment van de tenuitvoerlegging of het feit dat bepaalde goederen niet vatbaar zijn voor beslag.

[...]

(44)

Deze verordening dient verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)] te wijzigen door in de plaats te treden van de bepalingen daarvan die betrekking hebben op onderhoudsverplichtingen. Onder voorbehoud van de overgangsbepalingen van de onderhavige verordening dienen de lidstaten vanaf de datum waarop zij van kracht wordt, op onderhoudsverplichtingen de bepalingen van deze verordening over bevoegdheid, erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen, en over rechtsbijstand, toe te passen in plaats van die van [verordening nr. 44/2001].”

4

Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 4/2009 luidt:

„Deze verordening is van toepassing op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap.”

5

Artikel 2 van deze verordening bepaalt:

„1.   In deze verordening wordt verstaan onder:

1.

‚beslissing’, een door een gerecht van een lidstaat gegeven beslissing inzake onderhoudsverplichtingen, ongeacht de daaraan gegeven benaming, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk bevel tot tenuitvoerlegging [...];

[...]

4.

‚lidstaat van herkomst’, de lidstaat waar [...] de beslissing is gegeven [...];

5.

‚lidstaat van tenuitvoerlegging’, de lidstaat waar om tenuitvoerlegging van de beslissing [...] wordt gevraagd;

[...]”

6

In artikel 3 van dezelfde verordening is bepaald:

„In de lidstaten zijn op het gebied van onderhoudsverplichtingen bevoegd:

a)

het gerecht van de plaats waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats heeft, of

b)

het gerecht van de plaats waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, [...]

[...]”

7

Artikel 8 van verordening nr. 4/2009, met als opschrift „Beperking ten aanzien van procedures”, bepaalt in lid 1:

„Is een beslissing gegeven in een lidstaat of in een staat die partij is bij het [op 23 november 2007 te Den Haag gesloten Verdrag inzake de internationale inning van levensonderhoud ten behoeve van kinderen en andere familieleden, dat namens de Europese Unie is goedgekeurd bij besluit 2011/432/EU van de Raad van 9 juni 2011 (PB 2011, L 192, blz. 39),] waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, dan kan de onderhoudsplichtige niet in een andere lidstaat een procedure aanhangig maken om de beslissing te wijzigen of een nieuwe beslissing te verkrijgen zolang de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats behoudt in de staat waar de beslissing is gegeven.”

8

Hoofdstuk IV van verordening nr. 4/2009, met als opschrift „Erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen”, is onderverdeeld in drie afdelingen en is onder meer van toepassing op de tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van onderhoudsverplichtingen. Volgens artikel 16 van verordening nr. 4/2009 is afdeling 1 – die bestaat uit de artikelen 17 tot en met 22 – van toepassing op beslissingen die zijn gegeven in lidstaten die gebonden zijn door het Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, terwijl afdeling 2 – die de artikelen 23 tot en met 38 omvat – van toepassing is op beslissingen die zijn gegeven in lidstaten die niet door dat protocol gebonden zijn en afdeling 3 – die bestaat uit de artikelen 39 tot en met 43 – bepalingen bevat die gelden voor alle beslissingen.

9

Artikel 41 van verordening nr. 4/2009, met als opschrift „Procedure van en voorwaarden voor tenuitvoerlegging”, maakt deel uit van afdeling 3 van hoofdstuk IV van deze verordening en bepaalt:

„1.   Onverminderd de bepalingen van deze verordening, wordt de procedure voor de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging. Een in een lidstaat gegeven beslissing die in de lidstaat van tenuitvoerlegging uitvoerbaar is, wordt er onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer gelegd als een in die lidstaat van tenuitvoerlegging gegeven beslissing.

[...]”

10

Artikel 42 van die verordening luidt:

„In geen geval wordt in de lidstaat waar erkenning, uitvoerbaarheid of tenuitvoerlegging wordt gevraagd, overgegaan tot een onderzoek naar de juistheid van de in een lidstaat gegeven beslissing.”

11

Artikel 64, lid 2, van verordening nr. 4/2009 luidt:

„Het recht van een openbaar lichaam om op te treden in de plaats van degene aan wie levensonderhoud is verschuldigd, of om terugbetaling te vragen van uitkeringen die bij wijze van levensonderhoud aan de onderhoudsgerechtigde zijn verstrekt, wordt beheerst door het recht waaraan dat lichaam is onderworpen.”

Verordening nr. 1215/2012

12

Overweging 10 van verordening nr. 1215/2012 luidt:

„Het is van belang dat alle belangrijke burgerlijke en handelszaken onder de werkingssfeer van deze verordening worden gebracht, met uitzondering van bepaalde duidelijk omschreven aangelegenheden, met name onderhoudsverplichtingen, die moeten worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze verordening gezien de vaststelling van [verordening nr. 4/2009].”

13

Artikel 1 van verordening nr. 1215/2012 bepaalt:

„1.   Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. [...]

2.   Deze verordening is niet van toepassing op:

[...]

e)

onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap;

[...]”

14

In artikel 24 van verordening nr. 1215/2012, dat deel uitmaakt van afdeling 6 („Exclusieve bevoegdheid”) van hoofdstuk II van deze verordening, is bepaald:

„Ongeacht de woonplaats van partijen zijn bij uitsluiting bevoegd:

[...]

5.

voor de tenuitvoerlegging van beslissingen: de gerechten van de lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging.”

Duits recht

ZPO

15

§ 767 van de Zivilprozessordnung (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (BGBl. 2007 I, blz. 1781; hierna: „ZPO”) heeft als opschrift „Beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging” en luidt als volgt:

„(1)   Middelen die betrekking hebben op de vordering zelf waarvan het bestaan bij de beslissing is vastgesteld, dienen door de schuldenaar te worden aangevoerd door beroep in te stellen bij de rechter in eerste aanleg.

(2)   Zij zijn slechts ontvankelijk voor zover de gronden waarop zij berusten, pas zijn ontstaan na afloop van de terechtzitting die volgens de bepalingen van het onderhavige wetboek de laatste gelegenheid vormde om middelen aan te voeren, en voor zover zij niet meer kunnen worden aangevoerd door verzet aan te tekenen.

(3)   De schuldenaar dient in het door hem in te stellen beroep alle middelen aan te voeren die hij kon aanvoeren toen het beroep werd ingesteld.”

FamFG

16

§ 120 van het Gesetz über das Verfahren in Familiensachen und in den Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit (wet betreffende procedures in familierechtelijke zaken en niet-contentieuze procedures; hierna: „FamFG”) heeft als opschrift „Tenuitvoerlegging” en bepaalt:

„(1)   De tenuitvoerlegging in zaken betreffende huwelijkse aangelegenheden en familiegeschillen vindt plaats overeenkomstig de bepalingen van de [ZPO] die betrekking hebben op gedwongen tenuitvoerlegging.

[...]”

AUG

17

§ 40 van het Auslandsunterhaltsgesetz (wet betreffende de inning van levensonderhoud in de betrekkingen met vreemde staten) van 23 mei 2011 (BGBl. 2011 I, blz. 898; hierna: „AUG”) bepaalt:

„(1)   Indien de gedwongen tenuitvoerlegging op grond van de titel moet worden toegestaan, beslist het gerecht dat de titel moet worden voorzien van de formule van tenuitvoerlegging. [...]

[...]”

18

In § 66 AUG, met als opschrift „Beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging”, staat te lezen:

„(1)   Wanneer een buitenlandse titel op grond van [verordening nr. 4/2009] zonder exequaturprocedure uitvoerbaar is dan wel op grond van die verordening [...] uitvoerbaar wordt verklaard, kan de onderhoudsplichtige in een procedure als bedoeld in § 120, lid 1, [FamFG] juncto § 767 [ZPO] middelen aanvoeren die tegen de vordering zelf gericht zijn. Indien die titel een rechterlijke beslissing is, geldt dit enkel voor zover de gronden waarop de middelen berusten, pas ontstaan zijn nadat de beslissing is gegeven.

[...]

(3)   Het op grond van § 120, lid 1, [FamFG] juncto § 767 [ZPO] ingestelde beroep dient te worden ingesteld bij het gerecht dat uitspraak heeft gedaan op het verzoek om de formule van tenuitvoerlegging aan te brengen. [...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

19

Bij beslissing van de Sąd Okręgowy w Krakowie (rechter in eerste aanleg Krakau, Polen) van 26 mei 2009 is FX veroordeeld tot betaling van een maandelijkse onderhoudsbijdrage van ongeveer 100 EUR ten gunste van zijn minderjarige dochter GZ, met terugwerkende kracht vanaf juni 2008.

20

Naar aanleiding van een verzoek van GZ van 20 juli 2016 heeft het Amtsgericht Köln (rechter in eerste aanleg Keulen, Duitsland) bij beschikking van 27 juli 2016 beslist om de bovengenoemde beslissing van de Sąd Okręgowy w Krakowie te voorzien van de formule van tenuitvoerlegging.

21

Op basis van deze uitvoerbaar verklaarde titel heeft GZ, die wettelijk wordt vertegenwoordigd door haar moeder, in Duitsland een procedure tot gedwongen tenuitvoerlegging ingesteld tegen FX. FX heeft zich tegen deze procedure verzet en heeft op 5 april 2018 bij het Amtsgericht Köln overeenkomstig § 767 ZPO een beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging ingesteld.

22

Ter ondersteuning van zijn beroep heeft FX aangevoerd dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde alimentatieschuld reeds was voldaan, tot 2010 rechtstreeks en sinds december 2010 via het alimentatiefonds (Polen), waaraan FX de aan GZ uitgekeerde bedragen heeft terugbetaald voor zover zijn financiële draagkracht het toeliet. Volgens FX is het grootste deel van die schuld hoe dan ook tenietgegaan.

23

In de eerste plaats betwijfelt de verwijzende rechter of het door FX bij hem ingestelde beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging onder zijn internationale bevoegdheid valt.

24

Ten eerste is die rechter van oordeel dat hij geen internationale bevoegdheid zou bezitten op grond van verordening nr. 4/2009 indien dat beroep zou worden aangemerkt als een beroep inzake onderhoudsverplichtingen in de zin van artikel 1 van die verordening, omdat in dat geval enkel de gerechten in Polen bevoegd zijn om zich uit te spreken over het door FX aangevoerde middel dat inhoudt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde alimentatieschuld is voldaan.

25

Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat in een gedeelte van de Duitse rechtsleer het standpunt wordt ingenomen dat het in § 767 ZPO geregelde beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging betrekking heeft op onderhoudsverplichtingen in de zin van verordening nr. 4/2009, omdat de in het kader van dat beroep aangevoerde middelen – zoals de stelling dat de vordering reeds is voldaan of dat zij is overgedragen – uiteindelijk gericht zijn tegen de executoriale titel als zodanig en niet tegen de louter uit het oogpunt van het recht inzake tenuitvoerlegging te beoordelen wijze waarop de gedwongen tenuitvoerlegging plaatsvindt. De verwijzende rechter beklemtoont tevens dat het beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging dezelfde functie vervult als een verzoek tot vermindering van de aanspraak op levensonderhoud waarvoor een executoriale titel is afgegeven, dat volgens artikel 8 van verordening nr. 4/2009 onderworpen is aan de in deze verordening neergelegde bevoegdheidsregels. De verwijzende rechter schaart zich achter deze uitlegging, die wordt verdedigd in een gedeelte van de Duitse rechtsleer en die volgens hem de enige uitlegging is die verenigbaar is met het doel van die verordening, te weten het waarborgen van de bescherming en bevoegdheidsrechtelijke bevoorrechting van de onderhoudsgerechtigde, die bijgevolg niet zou gehouden zijn om zich voor de gerechten van de lidstaat van tenuitvoerlegging van de schuldvordering waarvoor een executoriale titel is afgegeven, te verweren tegen een beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging dat gebaseerd is op materieelrechtelijke middelen tegen die schuldvordering.

26

Ten tweede merkt de verwijzende rechter op dat de Duitse wetgever daarentegen kennelijk van mening is dat de gerechten van de lidstaat van tenuitvoerlegging van een aanspraak op levensonderhoud bevoegd zijn om uitspraak te doen over een beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging, zoals het beroep op grond van § 767 ZPO, waarin de schuldenaar middelen kan aanvoeren die gericht zijn tegen de aanspraak zelf. Volgens de verwijzende rechter wordt in de heersende Duitse rechtsleer tevens het standpunt verdedigd dat een dergelijk beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging geen betrekking heeft op onderhoudsverplichtingen in de zin van verordening nr. 4/2009, met name omdat de nagestreefde doelstelling van rechtsbescherming enkel betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van de aanspraak, maar het bestaan van de oorspronkelijke titel onverlet laat.

27

In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich, voor het geval dat deze tweede opvatting de overhand zou hebben, af of het door FX ingestelde beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging moet worden aangemerkt als een beroep dat betrekking heeft op de „tenuitvoerlegging van beslissingen” in de zin van artikel 24, punt 5, van verordening nr. 1215/2012.

28

Volgens hem maken de arresten van 4 juli 1985, AS-Autoteile Service (220/84, EU:C:1985:302), en 13 oktober 2011, Prism Investments (C‑139/10, EU:C:2011:653), het op zichzelf beschouwd niet mogelijk om die vraag te beantwoorden. Zij zijn namelijk uitgesproken in de regelgevingscontext van vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 4/2009. Bovendien is verordening nr. 1215/2012 volgens artikel 1, lid 2, onder e), niet van toepassing op onderhoudsverplichtingen.

29

In deze omstandigheden heeft het Amtsgericht Köln de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Betreft een overeenkomstig § 767 [ZPO] ingesteld beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging dat gericht is tegen een buitenlandse onderhoudstitel, een onderhoudsverplichting in de zin van [verordening nr. 4/2009]?

2)

Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is een overeenkomstig § 767 [ZPO] ingesteld beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging dat gericht is tegen een buitenlandse onderhoudstitel, dan een procedure inzake de tenuitvoerlegging van beslissingen in de zin van artikel 24, punt 5, van [verordening nr. 1215/2012]?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

30

Met zijn vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging dat is ingesteld door de onderhoudsplichtige en dat gericht is tegen de tenuitvoerlegging van een beslissing van een gerecht van de lidstaat van herkomst waarbij het bestaan van de aanspraak op levensonderhoud is vastgesteld, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 4/2009 of verordening nr. 1215/2012 en onder de internationale bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van tenuitvoerlegging valt.

31

In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat met name uit de overwegingen 10 en 11, artikel 1, lid 1, en artikel 2 van verordening nr. 4/2009 volgt dat deze verordening een instrument van de Europese Unie is dat onder meer de bepalingen omvat die betrekking hebben op jurisdictiegeschillen en wetsconflicten alsook op de erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen op het gebied van onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk en aanverwantschap.

32

Met dit instrument wilde de Uniewetgever de in verordening nr. 44/2001 vervatte bepalingen inzake onderhoudsverplichtingen vervangen door bepalingen die de procedure voor de uitvoeringsrechter, gelet op het spoedeisende karakter van de afhandeling van aanspraken op levensonderhoud, lichter en dus sneller maken (arrest van 9 februari 2017, S., C‑283/16, EU:C:2017:104, punt 32). Daartoe bevat verordening nr. 4/2009 een hoofdstuk IV, met als opschrift „Erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging van beslissingen”, dat met name betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van beslissingen van de gerechten van de lidstaten op het gebied van onderhoudsverplichtingen.

33

Derhalve is verordening nr. 4/2009 een lex specialis wat met name de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen op het specifieke gebied van onderhoudsverplichtingen betreft, hetgeen overigens wordt bevestigd door verordening nr. 1215/2012, waarbij verordening nr. 44/2001 is ingetrokken. Uit artikel 1, lid 2, onder e), van verordening nr. 1215/2012, gelezen in het licht van overweging 10 ervan, volgt immers dat onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk en aanverwantschap, van de materiële werkingssfeer van die verordening uitgesloten zijn ingevolge de vaststelling van verordening nr. 4/2009.

34

Zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 39 en 40 van zijn conclusie, is verordening nr. 4/2009 – en met name hoofdstuk IV ervan – dan ook van toepassing op een geding als het hoofdgeding, dat aanhangig is gemaakt bij een gerecht van een lidstaat (de lidstaat van tenuitvoerlegging) en dat betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een beslissing van een gerecht van een andere lidstaat (de lidstaat van herkomst) die in eerstgenoemde lidstaat uitvoerbaar is verklaard en die ziet op onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen.

35

Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door het feit dat bij een nationale rechter, net zoals bij de verwijzende rechter, een beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging is ingesteld tegen een beslissing van een gerecht van de lidstaat van herkomst waarbij is vastgesteld dat er een aanspraak op levensonderhoud bestaat. Zoals het Hof heeft geoordeeld, hangt het beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging waarin § 767 ZPO voorziet, immers nauw samen met de tenuitvoerleggingsprocedure (zie in die zin arrest van 4 juli 1985, AS-Autoteile Service, 220/84, EU:C:1985:302, punt 12). Wanneer een dergelijk beroep bij een verzoek om tenuitvoerlegging van een beslissing op het gebied van onderhoudsverplichtingen komt, valt het dus evenals dit verzoek binnen de werkingssfeer van verordening nr. 4/2009.

36

In de tweede plaats moet met betrekking tot de twijfels die de verwijzende rechter heeft over zijn internationale bevoegdheid om als gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging van de aanspraak op levensonderhoud uitspraak te doen op een beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging zoals het beroep dat aan de orde is in het hoofdgeding, worden opgemerkt dat verordening nr. 4/2009 in hoofdstuk IV weliswaar een reeks bepalingen bevat die zien op de tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van onderhoudsverplichtingen, maar dat in geen van deze bepalingen uitdrukkelijk wordt verwezen naar de bevoegdheid in de fase van de tenuitvoerlegging.

37

Een van de bepalingen van afdeling 3 („Gemeenschappelijke bepalingen”) van hoofdstuk IV van verordening nr. 4/2009 is evenwel artikel 41, lid 1. Daarin is bepaald dat de procedure voor de tenuitvoerlegging van een in een andere lidstaat gegeven beslissing wordt beheerst door het recht van de lidstaat van tenuitvoerlegging, alsook dat een in een lidstaat gegeven beslissing die in de lidstaat van tenuitvoerlegging uitvoerbaar is, er onder dezelfde voorwaarden ten uitvoer wordt gelegd als een in die lidstaat van tenuitvoerlegging gegeven beslissing.

38

Uit die bepaling van verordening nr. 4/2009 volgt impliciet en noodzakelijkerwijs dat een beroep dat nauw samenhangt met de procedure voor de tenuitvoerlegging van een beslissing van een gerecht van de lidstaat van herkomst waarbij wordt vastgesteld dat er een aanspraak op levensonderhoud bestaat – hetgeen geldt voor het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging –, net zoals het verzoek om tenuitvoerlegging van deze beslissing zelf, onder de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van tenuitvoerlegging valt.

39

In dit verband zou het met name in strijd zijn met de in punt 32 van dit arrest in herinnering gebrachte doelstellingen van eenvoud en snelheid die worden nagestreefd met verordening nr. 4/2009 – en in het bijzonder met het stelsel waarvan artikel 41, lid 1, van deze verordening deel uitmaakt – dat het bevoegde gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging dat door een onderhoudsgerechtigde is verzocht om een in die lidstaat uitvoerbaar verklaarde beslissing ten uitvoer te doen leggen, zou moeten vaststellen dat het hoe dan ook niet bevoegd is om uitspraak te doen op een beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging en dat het gerecht van de lidstaat van herkomst daartoe bevoegd is, en wel omdat laatstgenoemd gerecht – als het gerecht van de lidstaat waar de onderhoudsgerechtigde verblijft – volgens artikel 3, onder b), van verordening nr. 4/2009 het best in staat is om de bescherming van de onderhoudsgerechtigde te waarborgen.

40

Het Hof heeft om te beginnen namelijk geoordeeld dat de nabijheid tussen de bevoegde rechter en de onderhoudsgerechtigde niet de enige doelstelling van verordening nr. 4/2009 is (arrest van 18 december 2014, Sanders en Huber, C‑400/13 en C‑408/13, EU:C:2014:2461, punt 40). Deze verordening heeft eveneens tot doel een goede rechtsbedeling te waarborgen, niet alleen vanuit het oogpunt van een optimalisering van de rechterlijke organisatie maar ook in het belang van de partijen – ongeacht of het de verzoeker of de verweerder betreft – om onder meer eenvoudig toegang te hebben tot de rechter en de bevoegdheidsregels te kunnen voorzien (zie in die zin arrest van 18 december 2014, Sanders en Huber, C‑400/13 en C‑408/13, EU:C:2014:2461, punt 29).

41

Indien aan het gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging de verplichting werd opgelegd zich hoe dan ook onbevoegd te verklaren om uitspraak te doen op een beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging zoals het beroep dat aan de orde is in het hoofdgeding, en zulks ten gunste van het gerecht van de lidstaat van herkomst dat het bestaan van de aanspraak op levensonderhoud heeft vastgesteld, zou dit niet tot gevolg hebben dat de inning van internationale vorderingen tot levensonderhoud zo gemakkelijk mogelijk wordt gemaakt, wat een van de voornaamste doelstellingen van verordening nr. 4/2009 is, maar wel dat de procedure buitensporig lang en omslachtig wordt gemaakt alsook dat de partijen in een niet te verwaarlozen mate tijdverlies lijden en extra kosten hebben (zie in die zin arrest van 18 december 2014, Sanders en Huber, C‑400/13 en C‑408/13, EU:C:2014:2461, punt 41).

42

Hieruit volgt dat een gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging waarbij een verzoek is ingediend dat strekt tot tenuitvoerlegging van een beslissing van een gerecht van de lidstaat van herkomst waarbij is vastgesteld dat er een aanspraak op levensonderhoud bestaat, krachtens verordening nr. 4/2009 en met name artikel 41, lid 1, ervan bevoegd is om op een beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging uitspraak te doen wanneer dit beroep nauw samenhangt met het verzoek tot tenuitvoerlegging dat bij dat gerecht is ingediend.

43

Hieraan dient te worden toegevoegd dat het beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging in het hoofdgeding gebaseerd is op verzoekers stelling dat hij de alimentatieschuld in kwestie reeds grotendeels heeft voldaan, rechtstreeks dan wel indirect via het alimentatiefonds.

44

Het Hof is weliswaar bevoegd om de uitleggingsgegevens betreffende verordening nr. 4/2009 te verstrekken die voor de verwijzende rechter nuttig zijn in verband met een dergelijk tegen de tenuitvoerlegging gericht middel, maar die rechter is zelf bij uitsluiting bevoegd voor de beoordeling van de feiten en van de bewijzen die de partijen in het hoofdgeding hebben overgelegd om hun stellingen te onderbouwen.

45

Zoals de advocaat-generaal in punt 78 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is het feit dat de schuld is voldaan een van de gronden die doorgaans in aanmerking worden genomen in het stadium van de tenuitvoerlegging, hetgeen overigens wordt benadrukt in de tweede volzin van overweging 30 van verordening nr. 4/2009, waarin het heet dat de vereffening van de schuld door de onderhoudsplichtige op het moment van de tenuitvoerlegging behoort tot de in het nationale recht neergelegde gronden voor weigering of schorsing van de tenuitvoerlegging die niet onverenigbaar zijn met die verordening.

46

Wanneer een beslissing is gegeven in een lidstaat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, wordt met een dergelijke grond, die de onderhoudsplichtige voor het gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging aanvoert ter ondersteuning van het beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging, niet beoogd om die beslissing te wijzigen of om in laatstgenoemde lidstaat een nieuwe beslissing te verkrijgen in de zin van artikel 8 van verordening nr. 4/2009, noch om in deze lidstaat een inhoudelijke toetsing van die beslissing te verkrijgen in de zin van artikel 42 van die verordening.

47

Een op die grond gebaseerd beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging hangt namelijk nauw samen met de tenuitvoerleggingsprocedure, aangezien het er uitsluitend toe strekt het bedrag ten belope waarvan de beslissing houdende vaststelling van het bestaan van de aanspraak op levensonderhoud nog ten uitvoer kan worden gelegd, te betwisten op basis van bewijzen die de onderhoudsplichtige heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn stelling dat hij zijn schuld heeft vereffend en waarvan zowel de ontvankelijkheid als de gegrondheid moet worden beoordeeld door het gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging.

48

Overigens volgt in het hoofdgeding uit § 66 AUG dat de onderhoudsplichtige slechts middelen kan aanvoeren die berusten op omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat de beslissing is gegeven waarbij het bestaan van de aanspraak op levensonderhoud is vastgesteld. Een dergelijke bepaling brengt dan ook met zich mee dat omstandigheden die de onderhoudsplichtige voor het gerecht van de lidstaat van herkomst heeft aangevoerd of had kunnen aanvoeren, niet met succes kunnen worden aangevoerd om het beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging te ondersteunen.

49

Daarbij komt dat – zoals de advocaat-generaal in wezen heeft opgemerkt in de punten 79 tot en met 81 van zijn conclusie – aan de in de punten 46 en 47 van dit arrest vervatte beoordeling niet wordt afgedaan door het feit dat in het hoofdgeding een openbaar lichaam als het alimentatiefonds tussenbeide is gekomen dat tegenover de onderhoudsgerechtigde in de plaats is getreden van de onderhoudsplichtige.

50

In een dergelijke zaak heeft de interventie van een dergelijk lichaam, waarin artikel 64, lid 2, van verordening nr. 4/2009 overigens voorziet, namelijk enkel betrekking op de wijze waarop de alimentatieschuld wordt voldaan en op de bewijzen die de schuldenaar voor het gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn stelling dat hij zijn schuld indirect heeft voldaan. Die interventie heeft geen invloed op de gegrondheid van de beslissing van het gerecht van de lidstaat van herkomst waarbij het bestaan van de aanspraak op levensonderhoud is vastgesteld.

51

Gelet op een en ander dienen de prejudiciële vragen te worden beantwoord als volgt:

Verordening nr. 4/2009 moet aldus worden uitgelegd dat een nauw met de tenuitvoerleggingsprocedure samenhangend beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging dat is ingesteld door de onderhoudsplichtige en dat gericht is tegen de tenuitvoerlegging van een beslissing van een gerecht van de lidstaat van herkomst waarbij het bestaan van de aanspraak op levensonderhoud is vastgesteld, binnen de werkingssfeer van die verordening en onder de internationale bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van tenuitvoerlegging valt.

Op grond van artikel 41, lid 1, van verordening nr. 4/2009 en de relevante bepalingen van het nationale recht staat het aan de verwijzende rechter om als gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging uitspraak te doen over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de bewijzen die de onderhoudsplichtige heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn stelling dat hij zijn schuld grotendeels heeft voldaan.

Kosten

52

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen moet aldus worden uitgelegd dat een nauw met de tenuitvoerleggingsprocedure samenhangend beroep ter voorkoming van tenuitvoerlegging dat is ingesteld door de onderhoudsplichtige en dat gericht is tegen de tenuitvoerlegging van een beslissing van een gerecht van de lidstaat van herkomst waarbij het bestaan van de aanspraak op levensonderhoud is vastgesteld, binnen de werkingssfeer van die verordening en onder de internationale bevoegdheid van de gerechten van de lidstaat van tenuitvoerlegging valt.

 

Op grond van artikel 41, lid 1, van verordening nr. 4/2009 en de relevante bepalingen van het nationale recht staat het aan de verwijzende rechter om als gerecht van de lidstaat van tenuitvoerlegging uitspraak te doen over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de bewijzen die de onderhoudsplichtige heeft overgelegd ter ondersteuning van zijn stelling dat hij zijn schuld grotendeels heeft voldaan.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.