Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

H. SAUGMANDSGAARD ØE

van 29 juli 2019 (1)

Zaak C421/18

Ordre des avocats du barreau de Dinant

tegen

JN

[verzoek van de tribunal de première instance de Namur (rechtbank van eerste aanleg Namen, België) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Artikel 1, lid 1 – Begrip ‚burgerlijke en handelszaken’ – Artikel 7, punt 1 – Bijzondere bevoegdheid inzake verbintenissen uit overeenkomst – Begrip ‚verbintenissen uit overeenkomst’ – Verzoek tot betaling van de door een advocaat aan een orde van advocaten verschuldigde jaarlijkse beroepsbijdragen – Vrijwillig aangegane juridische verbintenis”






I.      Inleiding

1.        Het onderhavige verzoek van de tribunal de première instance de Namur (rechtbank van eerste aanleg Namen, België) om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: „Brussel I bis-verordening”)(2).

2.        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de ordre des avocats du barreau de Dinant (orde van advocaten van de balie van Dinant, België) en JN over de niet-betaling door JN van de aan de ordre des avocats du barreau de Dinant verschuldigde jaarlijkse beroepsbijdragen. Deze jaarlijkse bijdragen vloeien voort uit de inschrijving van JN bij de ordre des avocats du barreau de Dinant, gelet op het feit dat overeenkomstig het Belgische Gerechtelijk Wetboek inschrijving bij een orde van advocaten verplicht is om in België het beroep van advocaat te kunnen uitoefenen.

3.        Aangezien JN zijn woonplaats heeft in Frankrijk, heeft hij de internationale bevoegdheid van de verwijzende rechter om kennis te nemen van dit geschil betwist.

4.        In deze context wenst deze rechter te vernemen of de vordering van een orde van advocaten die ertoe strekt een van haar leden te veroordelen tot betaling van de aan deze orde verschuldigde jaarlijkse beroepsbijdragen, een vordering „ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst” is in de zin van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening.

5.        Aan het eind van mijn uiteenzetting zal ik het Hof in overweging geven deze vraag aldus te beantwoorden dat een vordering met betrekking tot een verplichting tot betaling van jaarlijkse bijdragen die hoofdzakelijk bestaan uit verzekeringspremies, welke verplichting voortvloeit uit een beslissing van een orde van advocaten (hetgeen de verwijzende rechter dient te verifiëren), in omstandigheden waarin advocaten zich volgens de nationale wet bij die orde moeten inschrijven, moet worden beschouwd als een vordering „ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst” in de zin van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Brussel I bis-verordening

6.        Overweging 16 van de Brussel I bis-verordening luidt als volgt:

„Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. [...]”

7.        In artikel 1, lid 1, van deze verordening is bepaald:

„Deze verordening wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii).”

8.        In afdeling 2 van hoofdstuk II van deze verordening, met als opschrift „Bijzondere bevoegdheid”, is in artikel 7, punt 1, bepaald:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.      a)      ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)      voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

–        voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

–        voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)      punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is”.

B.      Belgisch Gerechtelijk Wetboek

9.        Artikel 428, eerste alinea, van het Gerechtelijk Wetboek luidt:

„Niemand kan de titel van advocaat voeren of het beroep van advocaat uitoefenen indien hij geen Belg of onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie is, niet in het bezit is van het diploma van doctor of licentiaat in de rechten, niet de eed heeft afgelegd bedoeld in artikel 429 en niet is ingeschreven op het tableau van de Orde of op de lijst van de stagiairs.”

10.      In artikel 443 van dit wetboek is bepaald dat de raad van de Orde de op het tableau ingeschreven advocaten, de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, de advocaten-stagiairs en de ereadvocaten kan verplichten tot het betalen van de bijdragen die hij bepaalt.

III. Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof

11.      JN is op een niet nader genoemde datum toegelaten tot de ordre des avocats du barreau de Dinant.

12.      Hij verklaart dat hij in de jaren 1990 in Frankrijk is gaan wonen, terwijl hij ingeschreven bleef bij de ordre des avocats du barreau de Dinant, waaraan hij tot en met 2012 zijn bijdragen heeft betaald.

13.      Bij brief van 29 mei 2015 heeft de stafhouder van de orde des avocats du barreau de Dinant JN verzocht om de voor 2013, 2014 en 2015 verschuldigde bijdragen te betalen. Uit die brief blijkt ten eerste dat inschrijving bij de orde van advocaten „aanzienlijke voordelen oplevert op het gebied van verzekeringen” en dat de in dat kader verschuldigde bijdragen „in werkelijkheid hoofdzakelijk bestaan uit door de orde betaalde verzekeringspremies” en ten tweede dat de stafhouder van de orde van advocaten, aangezien hij had vastgesteld dat JN nauwelijks actief was als advocaat maar wel nog steeds was ingeschreven bij de orde van advocaten, hem heeft voorgesteld zijn bijdragen te beperken tot het bedrag van de door de orde betaalde verzekeringspremies en hem deze bijdragen in termijnen te laten betalen.

14.      Omdat JN geen antwoord gaf en betaling uitbleef, zijn hem op 11 december 2015 en 21 december 2016 aanmaningen gestuurd. Aangezien er geen antwoord kwam op deze aanmaningen, heeft de orde van advocaten JN bij ingebrekestelling van 23 januari 2017 opgedragen zijn jaarlijkse bijdragen te betalen.

15.      Naar aanleiding van die ingebrekestelling heeft JN de orde een brief doen toekomen waarin hij gewag maakte van financiële moeilijkheden waardoor hij niet meer dan 100 EUR per maand kon overschrijven om de gevorderde bijdragen te vereffenen.

16.      Aangezien nog altijd geen enkele betaling was verricht, heeft de ordre des avocats du barreau de Dinant JN op 17 mei 2017 gedagvaard om te verschijnen voor de tribunal de première instance de Namur, de verwijzende rechter, met verzoek aan die rechter JN te veroordelen tot betaling van de som van 7 277,70 EUR, vermeerderd met rente, en hem te verwijzen in alle kosten.

17.      Op 16 mei 2017 heeft JN de stafhouder van de ordre des avocats du barreau de Dinant een brief gestuurd met verzoek om van het tableau te worden geschrapt en in termijnen te betalen over een periode van 24 maanden.

18.      Voor de verwijzende rechter heeft JN de bevoegdheid van die rechter betwist op grond van de Brussel I bis-verordening. Volgens hem is de inschrijving bij de ordre des avocats du barreau de Dinant met het oog op de uitoefening van het beroep van advocaat geen verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 7, punt 1, van die verordening, aangezien het niet gaat om een overeenkomst op basis van wilsautonomie en vrije keuze, maar om een administratieve formaliteit en een wettelijke verplichting.

19.      De ordre des avocats du barreau de Dinant stelt daarentegen dat JN, door bij de orde ingeschreven te blijven, ten aanzien van die orde de verbintenis is aangegaan de daardoor bepaalde bijdragen te betalen, zodat die verbintenis moet worden gelijkgesteld met een verbintenis uit overeenkomst in de zin van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening.

20.      In deze context vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 7, punt 1, van die verordening in de onderhavige zaak van toepassing is, en meer in het bijzonder of de door het Hof in het arrest Peters Bauunternehmung(3) verstrekte uitlegging kan worden toegepast. Volgens die rechtspraak zijn verbintenissen welke hun grondslag hebben in de tussen een vereniging en haar leden bestaande lidmaatschapsverhouding te beschouwen als „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van deze bepaling.

21.      In dit kader heeft de tribunal de première instance de Namur bij uitspraak van 21 juni 2018, ingekomen bij het Hof op 28 juni 2018, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Is de vordering van een orde van advocaten die ertoe strekt een van haar leden te veroordelen tot betaling van de aan deze orde verschuldigde jaarlijkse beroepsbijdragen, een vordering ,ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van artikel 7, punt 1, van [de Brussel I bis-verordening]?”

22.      Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de Italiaanse en de Litouwse regering alsook door de Europese Commissie.

IV.    Analyse

23.      Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de vordering van een orde van advocaten die ertoe strekt een van haar leden te veroordelen tot betaling van de aan deze orde verschuldigde jaarlijkse beroepsbijdragen, een vordering „ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst” is in de zin van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening.

24.      Om te beginnen wens ik erop te wijzen dat de Commissie betwijfelt of de Brussel I bis-verordening van toepassing is in het hoofdgeding, aangezien bepaalde geschillen tussen een overheidsinstantie en een particulier uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van deze verordening en de ordre des barreaux francophones et germanophone (orde van Franstalige en Duitstalige balies; hierna: „OBFG”), waarvan de ordre des avocats du barreau de Dinant deel uitmaakt, een publiekrechtelijke rechtspersoon is.

25.      Aangezien de verwijzende rechter hierover geen vragen heeft gesteld en er in de verwijzingsbeslissing evenmin opmerkingen over heeft gemaakt, ga ik ervan uit dat hij van oordeel is dat de Brussel I bis-verordening wel degelijk van toepassing is in het hoofdgeding.

26.      Gelet op de opmerkingen van de Commissie zal ik eerst toch even ingaan op dit punt (deel A). Aangezien het nationale dossier waarover het Hof beschikt in dit verband onvoldoende gegevens bevat, zullen mijn opmerkingen beperkt blijven tot een aantal algemene beschouwingen die de verwijzende rechter in staat moeten stellen om te verifiëren of de Brussel I bis-verordening van toepassing is in het hoofdgeding.

27.      Vervolgens zal ik de prejudiciële vraag analyseren, namelijk of een vordering als die in het hoofdgeding onder het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 7, punt 1, van die verordening valt (deel B).

A.      Toepassingsgebied van de Brussel I bis-verordening

28.      Krachtens artikel 1, lid 1, eerste volzin, van de Brussel I bis-verordening is deze verordening van toepassing „in burgerlijke en handelszaken”.

29.      Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het begrip „burgerlijke en handelszaken” een autonoom begrip dat moet worden uitgelegd aan de hand van, enerzijds, de doelen en het stelsel van de Brussel I bis-verordening en, anderzijds, de algemene beginselen die in alle nationale rechtsstelsels worden gevonden. Voorts moet het begrip „burgerlijke en handelszaken” ruim worden uitgelegd om de goede werking van de interne markt te waarborgen en om, met het oog op een harmonische rechtsbedeling, te voorkomen dat in de lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven.(4)

30.      De uitlegging die aan het begrip „burgerlijke en handelszaken” is gegeven, heeft ertoe geleid dat bepaalde rechterlijke beslissingen buiten het toepassingsgebied van de Brussel I bis-verordening vallen wegens factoren die kenmerkend zijn voor de aard van de tussen de procespartijen bestaande rechtsbetrekkingen of van het voorwerp van het geschil.(5)

31.      Zo heeft het Hof geoordeeld dat bepaalde geschillen tussen een overheidsinstantie en een particulier weliswaar binnen het toepassingsgebied van de Brussel I bis-verordening kunnen vallen, doch dat dit anders is wanneer de overheidsinstantie krachtens overheidsbevoegdheid handelt.(6) Wanneer een der partijen bij het geschil openbaar gezag uitoefent, omdat zij daarbij gebruikmaakt van bevoegdheden die buiten het bestek vallen van de voor betrekkingen tussen particulieren geldende regels, is een dergelijk geschil immers uitgesloten van het begrip burgerlijke en handelszaken in de zin van artikel 1, lid 1, van de verordening.(7)

32.      Zoals ik in punt 24 van de onderhavige conclusie heb aangegeven, merkt de Commissie in casu op dat de OBFG, waarvan de ordre des avocats du barreau de Dinant deel uitmaakt, een publiekrechtelijke rechtspersoon is die rechtspersoonlijkheid bezit en waarvan de organisatie en de werking zijn geregeld in het Belgische Gerechtelijk Wetboek.(8)

33.      Ik stel vast dat de OBFG volgens die regeling de taak heeft te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van advocaten en daartoe over een aantal bevoegdheden beschikt.(9)

34.      Het lijkt er dan ook op dat de ordre des avocats du barreau de Dinant, aangezien zij deel uitmaakt van de OBFG, een taak van openbaar belang vervult die erin bestaat de eindverbruikers van juridische diensten de nodige garantie van integriteit en ervaring te bieden en een goede rechtsbedeling te verzekeren.(10)

35.      Indien dat het geval is, wat door de verwijzende rechter moet worden geverifieerd, moet er om te bepalen of de Brussel I bis-verordening van toepassing is in het hoofdgeding worden beoordeeld of de ordre des avocats du barreau de Dinant, door de betaling te eisen van de jaarlijkse bijdragen waarop de vordering in het hoofdgeding betrekking heeft, handelt in de uitoefening van openbaar gezag.

36.      Bij deze beoordeling moeten de aard van de jaarlijkse bijdragen(11) alsmede de grondslag en de nadere regels voor de geldendmaking van de vordering(12) worden onderzocht.

37.      Wat de aard van de jaarlijkse bijdragen betreft, lijken mij in die bijdragen geen bevoegdheden van openbaar gezag naar voren te komen.

38.      Krachtens artikel 443 van het Belgische Gerechtelijk Wetboek kan de raad van de orde de op het tableau ingeschreven advocaten immers verplichten tot het betalen van de bijdragen die hij bepaalt. De Commissie merkt in dat verband op dat uit artikel 2 van het reglement van de OBFG lijkt voort te vloeien dat de bijdragen concreter worden vastgesteld door de algemene vergadering van de OBFG.

39.      Ik wens eraan te herinneren dat uit de brief van 29 mei 2015 van de stafhouder van de ordre des avocats du barreau de Dinant aan JN blijkt dat de aan de orde verschuldigde jaarlijkse bijdragen hoofdzakelijk bestaan uit door de orde betaalde verzekeringspremies en dat inschrijving bij de orde voordelen oplevert op het gebied van verzekeringen.(13) Zoals ik het begrijp, heeft de OBFG bij een verzekeringsmaatschappij een verplichte beroepsaansprakelijkheidsverzekering afgesloten voor de advocaten die bij de OBFG zijn ingeschreven.

40.      Voorts wil ik erop wijzen dat uit diezelfde brief blijkt dat de orde ermee zou instemmen het bedrag van de bijdragen te beperken tot het bedrag van de door de orde betaalde verzekeringspremies.(14)

41.      Onder deze omstandigheden althans lijkt het mij niet te gaan om bijdragen voor een dienst van openbaar belang, die zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de Brussel I bis-verordening(15), maar om een vergoeding voor een door de orde van advocaten geleverde dienst, wat ook de Commissie lijkt te suggereren.

42.      Wat de grondslag en de nadere regels voor de geldendmaking van de vordering betreft, lijken mij, zoals de Commissie in haar opmerkingen aangeeft, daarin evenmin bevoegdheden van openbaar gezag naar voren te komen.

43.      Zoals de Commissie opmerkt, lijkt de orde van advocaten, om de betaling van de verschuldigde jaarlijkse bijdragen te kunnen afdwingen, verplicht te zijn een rechtsvordering in te stellen en lijkt zij geen mogelijkheid te hebben om de betaling op een andere manier te verkrijgen, bijvoorbeeld door vaststelling van een publiekrechtelijke handeling die als dusdanig uitvoerbaar is.

44.      Gelet op het bovenstaande staat het aan de verwijzende rechter na te gaan of het hoofdgeding binnen het toepassingsgebied van de Brussel I bis-verordening valt. Dat lijkt mij op het eerste gezicht het geval te zijn.

45.      In onderstaande uiteenzetting ga ik ervan uit dat het hoofdgeding betrekking heeft op een vordering in een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1, lid 1, van de Brussel I bis-verordening en derhalve binnen het toepassingsgebied van die verordening valt.

B.      Toepasselijkheid van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening

46.      De prejudiciële vraag vindt aansluiting bij een omvangrijke rechtspraak met betrekking tot de uitlegging van het begrip „verbintenis uit overeenkomst” in de zin van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening.(16) Aangezien de prejudiciële vraag moet worden beantwoord in het licht van die rechtspraak, acht ik het noodzakelijk allereerst bepaalde aspecten ervan in herinnering te brengen (deel 1), alvorens de prejudiciële vraag te analyseren (deel 2).

1.      Rechtspraak van het Hof met betrekking tot het begrip „verbintenis uit overeenkomst” in de zin van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening

47.      Om te beginnen wil ik eraan herinneren dat de in hoofdstuk II van de Brussel I bis-verordening vastgestelde bevoegdheidsregels berusten op het in artikel 4, lid 1, van deze verordening vervatte beginsel dat personen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat worden opgeroepen voor de gerechten van die staat.(17)

48.      Dat beginsel wordt evenwel aangevuld met alternatieve bevoegdheidsregels, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, waaronder de in artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening vervatte bevoegdheidsregel ten aanzien van „verbintenissen uit overeenkomst”.(18)

49.      Aan het in artikel 7, punt 1, bedoelde begrip „verbintenissen uit overeenkomst” moet een autonome uitlegging worden gegeven, waarbij in de eerste plaats aansluiting moet worden gezocht bij het stelsel en de doelstellingen van deze verordening.(19)

50.      Uit vaste rechtspraak van het Hof vloeit voort dat hoewel artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening niet vereist dat er een overeenkomst is gesloten, er voor de toepassing van deze bepaling niettemin een verbintenis moet bestaan, aangezien de rechterlijke bevoegdheid volgens die bepaling wordt vastgesteld op basis van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Derhalve mag de uitdrukking „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van deze bepaling niet aldus worden uitgelegd dat zij ziet op een situatie waarin geen sprake is van een door een partij jegens een andere vrijwillig aangegane verbintenis.(20)

51.      Bijgevolg is voor de toepassing van de bijzondere bevoegdheidsregel voor verbintenissen uit overeenkomst in artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening vereist dat er sprake is van een vrijwillig aangegane juridische verbintenis van een persoon jegens een andere waarop de vordering van de verzoeker is gebaseerd.(21)

52.      In dat verband wil ik er allereerst op wijzen dat uit het arrest Peters Bauunternehmung, waaraan de verwijzende rechter refereert(22), voortvloeit dat verbintenissen welke hun grondslag hebben in de tussen een vereniging en haar leden bestaande lidmaatschapsverhouding, te beschouwen zijn als verbintenissen uit overeenkomst.

53.      In de zaak die heeft geleid tot dat arrest ging het om de kwalificatie van een betalingsverplichting die voortvloeide uit het vrijwillige lidmaatschap van een ondernemersvereniging. De betrokken betaling was aan de betrokken onderneming in rekening gebracht krachtens een intern voorschrift dat was vastgesteld door de organen van de vereniging en dat bindend was voor haar leden.(23)

54.      Dienaangaande heeft het Hof geoordeeld dat „het lidmaatschap van een vereniging nauwe betrekkingen tot stand brengt, welke van dezelfde aard zijn als die tussen de partijen bij een overeenkomst”, zodat het voor de toepassing van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening legitiem was de door de verwijzende rechter bedoelde verbintenissen te beschouwen als verbintenissen uit overeenkomst. Het heeft daaraan toegevoegd dat het in dit verband niet van belang was dat de betwiste verbintenis zonder meer uit de toetreding voortvloeide dan wel uit die toetreding in verband met een besluit van een orgaan van de vereniging.(24) 

55.      Vervolgens heeft het Hof die rechtspraak naar analogie toegepast in het arrest Powell Duffryn(25), waarin het heeft geoordeeld dat de statuten van een vennootschap als een overeenkomst moeten worden beschouwd die zowel de betrekkingen tussen de aandeelhouders als de betrekkingen tussen deze aandeelhouders en de door hen opgerichte vennootschap regelt. Volgens het Hof brengen de aandeelhouders met de oprichting van een vennootschap immers tot uitdrukking dat zij een gemeenschappelijk belang hebben, bestaande in het nastreven van een gemeenschappelijk doel. Om dit doel te bereiken, heeft iedere aandeelhouder jegens de andere aandeelhouders en de organen van de vennootschap rechten en plichten, die in de statuten van de vennootschap zijn neergelegd. Het Hof heeft geconcludeerd dat een forumclausule in de statuten van een vennootschap een overeenkomst vormt die voor alle aandeelhouders bindend is.(26)

56.      Zoals het Hof heeft uitgelegd, stemt een aandeelhouder, door aandeelhouder van een vennootschap te worden en te blijven, ermee in dat alle bepalingen van de statuten van de vennootschap alsmede alle overeenkomstig het toepasselijke nationale recht en de statuten genomen besluiten van de vennootschapsorganen voor hem gelden, ook al is hij het met sommige van die bepalingen of besluiten niet eens.(27)

57.      Mijns inziens is de onderliggende redenering van de aangehaalde rechtspraak dat wanneer een rechtspersoon of natuurlijke persoon vrijwillig lid is geworden van een rechtspersoon (bijvoorbeeld een vereniging of een vennootschap), die rechtspersoon of natuurlijke persoon ermee instemt zich te onderwerpen aan alle uit dat lidmaatschap voortvloeiende verplichtingen die in de statuten van de vennootschap en de besluiten van de vennootschapsorganen zijn neergelegd, waardoor tussen die rechtspersoon en zijn leden nauwe betrekkingen tot stand worden gebracht die gelijk te stellen zijn met contractuele betrekkingen.

58.      Tot slot heeft het Hof, in het recente arrest Kerr(28), de gelegenheid gekregen zich uit te spreken over de kwalificatie van een betalingsverplichting die voortvloeide uit een besluit van de algemene vergadering van de vereniging van eigenaars van een appartementencomplex – die geen rechtspersoonlijkheid had en krachtens de wet speciaal was opgericht om bepaalde rechten uit te oefenen –, welk besluit door de meerderheid van de leden was vastgesteld maar bindend was voor alle leden ervan en waarbij het bedrag van de jaarlijkse financiële bijdragen in het budget van de vereniging van eigenaars voor het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten van dat complex was vastgesteld.

59.      Het Hof heeft, onder verwijzing naar voornoemde arresten, geoordeeld dat het lidmaatschap van een vereniging van eigenaars weliswaar bij wet was voorgeschreven, aangezien het Bulgaarse recht dat in de desbetreffende zaak van toepassing was, voorzag in een verplichting om de gemeenschappelijke gedeelten te laten beheren door een vereniging van eigenaars, maar dit niet wegnam dat de bijzonderheden van het beheer van de gemeenschappelijke gedeelten van het betrokken onroerend goed in voorkomend geval bij overeenkomst waren geregeld en dat de toetreding tot de vereniging was gebeurd door de vrijwillige verwerving van een appartement samen met de aandelen in de mede-eigendom van die gemeenschappelijke gedeelten, waardoor de betwiste verplichting tot betaling moest worden aangemerkt als een vrijwillig aangegane juridische verbintenis in de zin van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening.(29)

60.      Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat het feit dat de betrokken mede-eigenaars niet hadden deelgenomen aan de vaststelling van dat besluit of zich daartegen niet hadden verzet, maar het besluit en de daaruit voortvloeiende verbintenis hen krachtens de wet bonden, niet van invloed was op de toepassing van artikel 7, punt 1, aangezien iedere mede-eigenaar, door de mede-eigendom van een onroerend goed te verkrijgen en te behouden, zich vrijwillig had onderworpen aan alle bepalingen van het reglement van de betrokken vereniging van eigenaars en aan de door de algemene vergadering daarvan genomen besluiten.(30)

61.      Het is in het licht van die rechtspraak dat de prejudiciële vraag in de onderhavige zaak moet worden onderzocht.

2.      Toepasselijkheid van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening in een situatie als in het hoofdgeding

62.      Overeenkomstig voornoemde rechtspraak is het om de prejudiciële vraag te beantwoorden van cruciaal belang te bepalen of de verplichting tot betaling van jaarlijkse bijdragen een vrijwillig aangegane verbintenis in de zin van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening is.

63.      In casu is de vraag meer bepaald of het feit dat lidmaatschap van een orde van advocaten door het Belgische Gerechtelijk Wetboek is voorgeschreven om het beroep van advocaat te kunnen uitoefenen, eraan in de weg staat dat de verplichting om de uit dat lidmaatschap voortvloeiende bijdragen te betalen wordt beschouwd als een vrijwillig aangegane juridische verbintenis.

64.      De Italiaanse en de Litouwse regering zijn van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.

65.      Deze regeringen zijn in wezen van mening dat de verplichting tot betaling van bijdragen in essentie een vrijwillig aangegane verbintenis is, aangezien wie advocaat wordt, vrijwillig te kennen geeft dat beroep te willen uitoefenen, waaruit de verplichting voortvloeit lid te worden van een beroepsorde en derhalve ook de door die orde vastgestelde bijdragen te betalen. Op grond van het beginsel dat in het arrest Peters Bauunternehmung(31) is gehanteerd, stellen deze regeringen dat de tussen de orde en de advocaten bestaande lidmaatschapsverhouding van dezelfde aard is als de banden die tussen partijen bij een overeenkomst ontstaan. Een beroepsorde kan immers worden gelijkgesteld aan een vereniging, en de verplichtingen van haar leden zijn gebaseerd op de overeenkomst waarbij de betrekkingen tussen de orde en haar leden tot stand worden gebracht. Middels die overeenkomst geven de overeenkomstsluitende partijen aan dat zij bereid zijn de interne regels van het betrokken organisme te aanvaarden, hetgeen onder meer inhoudt dat zij zich ertoe verbinden de door het organisme vastgestelde bijdragen te betalen.

66.      De genoemde regeringen wijzen er voorts op dat de uitlegging die zij voorstellen gerechtvaardigd is vanwege de specifieke band tussen de plaats van uitvoering van de verbintenis en het gerecht van die plaats, aangezien het gerecht van de lidstaten van de plaats van vestiging van de orde van advocaten het best geplaatst is om zich uit te spreken over het geding.(32)

67.      De Commissie, daarentegen, is van oordeel dat een vordering als die in het hoofdgeding geen vordering „ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 7, punt 1, van deze verordening is, aangezien het lidmaatschap van een orde van advocaten, waaruit de verplichting om de jaarlijkse bijdragen te betalen voortvloeit, bij wet is voorgeschreven om het beroep van advocaat te kunnen uitoefenen, zonder de mogelijkheid een andere keuze te maken of hiervan af te wijken. De Commissie onderstreept in dat verband met name dat de betrokken onderneming in de zaak die heeft geleid tot het arrest Peters Bauunternehmung(33), anders dan in casu het geval is, vrijwillig had besloten om lid te worden van de vereniging.

68.      Volgens de Commissie zou het bovendien niet dienstig zijn de voorwaarde van een vrijwillig aangegane verbintenis te omzeilen door de algemene doelstellingen van de Brussel I bis-verordening op het gebied van bijzondere bevoegdheden als basis te nemen, wat er in de praktijk overigens al te gemakkelijk toe zou leiden dat het forum van de eiser bevoegd is, hetgeen zou indruisen tegen de in artikel 4, lid 1, van deze verordening vervatte algemene regel.

69.      Ik geef toe dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet voor de hand ligt.

70.      Het klopt dat de situatie in het hoofdgeding enige gelijkenissen vertoont met de zaken die hebben geleid tot de hierboven genoemde arresten Peters Bauunternehmung(34) en Powell Duffryn(35), in die zin dat het hoofdgeding eveneens ziet op betrekkingen tussen een rechtspersoon en zijn leden en op een aan de leden van die rechtspersoon opgelegde betalingsverplichting die voortvloeit uit een besluit van die rechtspersoon.

71.      Zoals de Commissie terecht opmerkt, verschilt de situatie in het hoofdgeding echter van die in de genoemde zaken doordat inschrijving op het tableau van een orde van advocaten, waaruit de verplichting om de door die orde vastgestelde jaarlijkse bijdragen te betalen voortvloeit, krachtens artikel 428, eerste alinea, van het Belgische Gerechtelijk Wetboek verplicht is om het beroep van advocaat te kunnen uitoefenen.

72.      Ik wijs erop dat die verplichte inschrijving bij een orde van advocaten verband houdt met het feit dat die orde een taak van openbaar belang vervult.(36) In dat opzicht kan de orde mijns inziens niet worden gelijkgesteld aan een privaatrechtelijke vereniging of privaatrechtelijke vennootschap, zoals in voornoemde arresten, waarin het Hof heeft verklaard dat alle betrekkingen tussen deze rechtspersonen en hun respectieve leden van contractuele aard waren.(37)

73.      Ik kan me dan ook niet vinden in de stellingen van de Italiaanse en de Litouwse regering dat de tussen de orde en de advocaten bestaande lidmaatschapsverhouding globaal genomen van dezelfde aard is als de banden die tussen partijen bij een overeenkomst ontstaan.

74.      Zoals ik in de punten 28 tot en met 45 van deze conclusie met betrekking tot het toepassingsgebied van de Brussel I bis-verordening heb uiteengezet, moet er in het geval van orden van advocaten immers een onderscheid worden gemaakt tussen twee soorten geschillen: enerzijds geschillen over de betrekkingen tussen de orde en haar leden die publiekrechtelijk van aard zijn en daardoor uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van deze verordening, en anderzijds geschillen over de betrekkingen tussen de orde en haar leden die privaatrechtelijk van aard zijn en daardoor binnen het toepassingsgebied van de verordening vallen.

75.      Alleen binnen die tweede categorie geschillen kan een vordering een vordering „ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst” zijn, voor zover zij betrekking heeft op een vrijwillig aangegane verbintenis.

76.      Op dat punt ben ik aangaande het hoofdgeding, dat in die tweede categorie valt, geneigd te denken dat de verplichting om de door de orde vastgestelde jaarlijkse bijdragen te betalen wel degelijk een vrijwillig aangegane verbintenis in de zin van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening is en een vordering die betrekking heeft op die verbintenis derhalve een vordering ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst is in de zin van die bepaling.

77.      Wat de in punt 63 van deze conclusie vermelde problematiek betreft, bevat het arrest Kerr(38) volgens mij relevante uitleggingsgegevens.

78.      Zo heeft het arrest Kerr(39) weliswaar betrekking op een verplichting om gemeenschappelijke lasten te betalen, maar kan er mijns inziens toch uit worden afgeleid dat het feit dat de uitoefening van een bepaalde activiteit in de nationale wetgeving wordt gekoppeld aan de voorwaarde om lid te worden van een organisme, niet noodzakelijk uitsluit dat een verbintenis die daaruit voortvloeit als vrijwillig aangegane juridische verbintenis kan worden aangemerkt in de zin van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening.

79.      Daartoe wens ik te onderstrepen dat hoewel het Hof in dat arrest heeft opgemerkt dat het lidmaatschap van de vereniging van eigenaars bij wet is voorgeschreven, het twee aspecten heeft belicht met betrekking tot de verplichting om gemeenschappelijke lasten te betalen op grond waarvan die verplichting als een vrijwillig aangegane verbintenis kan worden aangemerkt: ten eerste gebeurt de toetreding tot de vereniging door de vrijwillige verwerving van een appartement samen met de aandelen in de mede-eigendom van de gemeenschappelijke gedeelten van het betrokken onroerend goed, en ten tweede worden de bijzonderheden van het beheer van die gemeenschappelijke gedeelten geregeld bij overeenkomst, en dus in onderlinge overeenstemming door de mede-eigenaren.

80.      Volgens mij vertonen de feiten in het hoofdgeding enige gelijkenissen met die in de zaak die heeft geleid tot het arrest Kerr(40).

81.      Inschrijving bij de orde van advocaten is weliswaar voorgeschreven door de wet en geeft uiting aan de manier waarop het beroep van advocaat is geregeld naar nationaal recht.

82.      Evenwel is, ten eerste, de inschrijving voltrokken middels een vrijwillige handeling die JN heeft verricht om advocaat te worden en dit beroep in België te kunnen uitoefenen tot hij van het tableau werd geschrapt in 2017. Met die keuze heeft hij zich onderworpen aan de bijbehorende beroepsregels, met inbegrip van de regels die de raad van de orde in staat stellen om op het tableau ingeschreven advocaten te verplichten tot de betaling van jaarlijkse bijdragen. Aangaande de periode waarop de betwiste bijdragen betrekking hebben, wens ik overigens op te merken dat hoewel het erop lijkt dat JN nauwelijks actief was als advocaat(41), hij vrijwillig heeft besloten om ingeschreven te blijven op het tableau. Niets belette hem immers om vóór 2017 te verzoeken om van het tableau te worden geschrapt als hij van mening was dat zijn inschrijving hem geen voordelen verschafte.

83.      Ten tweede is de verplichting om bijdragen te betalen niet opgelegd door de wet, aangezien in het Belgische Gerechtelijk Wetboek noch de aard, noch het bedrag van de bijdragen is bepaald.

84.      Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt het er immers op dat het doel en het bedrag van de bijdragen waarvan de betaling wordt gevorderd in het hoofdgeding, zijn vastgesteld door de orde van advocaten waartoe verzoeker behoort en waarbinnen hij een zekere invloed kan uitoefenen op de collectieve regels die door dit beroep worden vastgesteld. De gevorderde bijdragen vloeien dus voort uit de nauwe betrekkingen tussen de orde en JN, die vergelijkbaar zijn met de betrekkingen uit hoofde van een overeenkomst. Door advocaat te worden en te blijven bij de orde, heeft JN er vrijwillig mee ingestemd te worden onderworpen aan de verplichting tot betaling van de bijdragen.

85.      Ik wens er in dat verband aan te herinneren dat de bijdragen overeenkomen met een door de orde verrichte dienst, te weten de collectieve afsluiting van een beroepsverzekering, waarvan verzoeker bij de uitoefening van zijn beroep kan gebruikmaken door ervoor te kiezen ingeschreven te blijven bij de ordre des avocats du barreau de Dinant.

86.      Het gaat dus niet om een situatie waarin de betalingsverplichting eenzijdig is vastgesteld bij wet, zoals het geval was in de zaak die heeft geleid tot het arrest Austro-Mechana(42).

87.      In de zaak die heeft geleid tot dat arrest en die betrekking had op de kwalificatie van de verplichting voor een onderneming om een vergoeding te betalen aan een collectieve beheersorganisatie, heeft het Hof geoordeeld dat deze betalingsverplichting niet vrijwillig was aangegaan in de zin van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening, aangezien zij aan de onderneming was opgelegd door het nationale recht wegens het in het verkeer brengen van dragers voor het opnemen van beeld en geluid overeenkomstig de Oostenrijkse regelgeving.(43)

88.      Hoewel ik erken dat de vraag die in casu voorligt een grensgeval betreft, ben ik tot slot geneigd om, gelet op de rechtspraak van het Hof – waaruit overigens blijkt dat het begrip „verbintenis uit overeenkomst” niet strikt wordt uitgelegd(44) – te stellen dat op basis van de hierboven beschreven gegevens kan worden geoordeeld dat de verplichting tot betaling van jaarlijkse bijdragen in de onderhavige zaak een vrijwillig aangegane verbintenis is in de zin van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening.

89.      Deze oplossing wordt bovendien gestaafd door de doelstellingen van de Brussel I bis-verordening.

90.      Ik wens eraan te herinneren dat er naast de woonplaats van de verweerder alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of op de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken.

91.      Wat dat eerste punt betreft heeft het Hof in het arrest Peters Bauunternehmung(45) benadrukt dat „de meeste nationale rechtsstelsels de plaats van vestiging van de vereniging aanwijzen als de plaats waar de uit het lidmaatschap voortvloeiende verbintenissen moeten worden uitgevoerd, [zodat] de toepassing van [het forum contractus] [...] praktische voordelen [biedt]: het gerecht van de plaats waar de vereniging is gevestigd, is gewoonlijk immers het best in staat de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging alsook de omstandigheden die tot het ontstaan van het geschil hebben geleid, te begrijpen”.

92.      In casu is de verwijzende rechter, voor zover hij van oordeel is dat hij de rechter is van de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt in de zin van de in artikel 7, punt 1, onder a) tot en met c), van de Brussel I bis-verordening vastgestelde regels, wat mij het geval lijkt te zijn(46), bevoegd om kennis te nemen van het geschil in het hoofdgeding.

93.      Zoals de Italiaanse en de Litouwse regering in dit verband opmerken, moet die rechter worden beschouwd als het best in staat de statuten, reglementen en besluiten van de ordre des avocats du barreau de Dinant te begrijpen, evenals de omstandigheden die tot het ontstaan van het geschil hebben geleid. De overweging met betrekking tot de nauwe band tussen het gerecht en de vordering als bijzondere bevoegdheidsgrond zoals bedoeld in artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening geldt met andere woorden voor het hoofdgeding.

94.      Zoals de Italiaanse regering terecht opmerkt, wordt met deze oplossing ook vermeden dat betalingsvorderingen op advocaten die hun woonplaats in voorkomend geval in verschillende lidstaten hebben en vragen over de geldigheid van de aan die vorderingen ten grondslag liggende besluiten bij verschillende rechters worden aangebracht.(47) De oplossing die ik voorstel, ligt met andere woorden ook in lijn met de doelstelling van een goede rechtsbedeling.

V.      Conclusie

95.      Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging de door de tribunal de première instance de Namur gestelde vraag te beantwoorden als volgt:

„Artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een vordering met betrekking tot een verplichting tot betaling van jaarlijkse bijdragen die hoofdzakelijk bestaan uit verzekeringspremies, welke verplichting voortvloeit uit een beslissing van een orde van advocaten (hetgeen de verwijzende rechter dient te verifiëren), in omstandigheden waarin advocaten zich volgens de nationale wet bij die orde moeten inschrijven, moet worden beschouwd als een vordering ,ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van dat artikel.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 (PB 2012, L 351, blz. 1).


3      Arrest van 22 maart 1983 (34/82, EU:C:1983:87).


4      Zie met name arrest van 28 februari 2019, Gradbeništvo Korana (C‑579/17, EU:C:2019:162, punten 46 en 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Ik wens op te merken dat de rechtspraak die is ontwikkeld in het kader van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) en van het verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen voor de toetreding van nieuwe lidstaten tot dit verdrag, eveneens geldt voor de Brussel I bis-verordening, wanneer de bepalingen in kwestie als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt [zie in die zin met name arresten van 14 maart 2013, Česká spořitelna (C‑419/11, EU:C:2013:165, punt 27), en 9 maart 2017, Pula Parking (C‑551/15, EU:C:2017:193, punt 31)]. Dat is het geval voor de relevante bepalingen in deze zaak, te weten artikel 1, lid 1, van de Brussel I bis-verordening [zie met name arresten van 11 april 2013, Sapir e.a. (C‑645/11, EU:C:2013:228, punten 31 en 32), en 15 november 2018, Kuhn (C‑308/17, EU:C:2018:911, punten 31 en 32)] en artikel 7, punt 1, van die verordening [zie met name arresten van 14 maart 2013, Česká spořitelna (C‑419/11, EU:C:2013:165, punten 43 en 44), en 8 mei 2019, Kerr (C‑25/18, EU:C:2019:376, punt 20)]. Hierna zal ik derhalve uitsluitend refereren aan de Brussel I bis-verordening, ook al haal ik rechtspraak aan met betrekking tot de instrumenten die eraan vooraf zijn gegaan.


5      Zie met name arresten van 14 oktober 1976, LTU (29/76, EU:C:1976:137, punt 4), en 28 april 2009, Apostolides (C‑420/07, EU:C:2009:271, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


6      Zie met name arrest van 11 april 2013, Sapir e.a. (C‑645/11, EU:C:2013:228, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


7      Zie met name arrest van 28 februari 2019, Gradbeništvo Korana (C‑579/17, EU:C:2019:162, punt 49).


8      De Commissie verwijst in dat verband met name naar de website van de OBFG (bijgewerkt op 26 augustus 2014): https://avocats.be/sites/default/files/texte_apropos_avocatsBE3.pdf


9      Zie artikel 495, eerste alinea, van het Belgische Gerechtelijk Wetboek.


10      Ik wijs er in dit verband op dat het Hof de noodzaak heeft erkend om regels vast te stellen inzake organisatie, bekwaamheid, deontologie, toezicht en aansprakelijkheid [zie met name arresten van 12 december 1996, Reisebüro Broede (C‑3/95, EU:C:1996:487, punt 38), en 19 februari 2002, Wouters e.a. (C‑309/99, EU:C:2002:98, punt 97)].


11      Zie de rechtspraak aangehaald in voetnoot 15 van de onderhavige conclusie.


12      Zie in die zin met name arrest van 28 februari 2019, Gradbeništvo Korana (C‑579/17, EU:C:2019:162, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


13      Zie punt 13 van deze conclusie.


14      Zie punt 13 van deze conclusie.


15      Het Hof heeft immers geoordeeld dat een overheidsinstantie krachtens overheidsbevoegdheid handelt wanneer het geschil betrekking heeft op de invordering van bijdragen die een particulier verschuldigd is aan een publiekrechtelijk orgaan uit hoofde van het gebruik van diens installaties en diensten, inzonderheid wanneer dat gebruik verplicht en exclusief is en temeer wanneer de hoogte van de bijdragen, de berekeningswijzen en de inningsprocedures eenzijdig aan de gebruikers worden opgelegd [zie met name arresten van 14 oktober 1976, LTU, (29/76, EU:C:1976:137, punt 4); 15 februari 2007, Lechouritou e.a., (C‑292/05, EU:C:2007:102, punt 32), en 11 juni 2015, Fahnenbrock e.a. (C‑226/13, C‑245/13 en C‑247/13, EU:C:2015:383, punt 52)].


16      Zie voor die rechtspraak voetnoot 4 van deze conclusie.


17      Zie in die zin overweging 15 van de Brussel I bis-verordening en arrest van 12 september 2018, Löber (C‑304/17, EU:C:2018:701, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


18      Zie in die zin overweging 16 van de Brussel I bis-verordening en arrest van 4 oktober 2018, Feniks (C‑337/17, EU:C:2018:805, punt 36).


19      Zie met name arresten van 22 maart 1983, Peters Bauunternehmung (34/82, EU:C:1983:87, punt 10), en 17 juni 1992, Handte (C‑26/91, EU:C:1992:268, punt 10).


20      Zie met name arresten van 14 maart 2013, Česká spořitelna (C‑419/11, EU:C:2013:165, punt 46); 28 januari 2015, Kolassa (C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 39), en 21 april 2016, Austro-Mechana (C‑572/14, EU:C:2016:286, punt 35).


21      Zie met name arresten van 14 maart 2013, Česká spořitelna (C‑419/11, EU:C:2013:165, punt 47); 18 juli 2013, ÖFAB (C‑147/12, EU:C:2013:490, punt 33), en 21 april 2016, Austro-Mechana (C‑572/14, EU:C:2016:286, punt 36).


22      Arrest van 22 maart 1983 (34/82, EU:C:1983:87). Zie punt 20 van deze conclusie.


23      Zie arrest van 22 maart 1983, Peters Bauunternehmung (34/82, EU:C:1983:87, punt 2).


24      Zie arrest van 22 maart 1983, Peters Bauunternehmung (34/82, EU:C:1983:87, punten 13‑18).


25      Arrest van 10 maart 1992 (C‑214/89, EU:C:1992:115).


26      Zie arrest van 10 maart 1992, Powell Duffryn (C‑214/89, EU:C:1992:115, punten 16‑18).


27      Zie arrest van 10 maart 1992, Powell Duffryn (C‑214/89, EU:C:1992:115, punt 19). Het Hof heeft eveneens aanvaard dat er sprake is van een dergelijke vrijwillige instemming in de uitoefening van de activiteit van bestuurder overeenkomstig het vennootschapsrecht, door te oordelen dat de activiteit van een bestuurder nauwe banden creëert die vergelijkbaar zijn met de banden die tussen partijen bij een overeenkomst ontstaan, en dat dus de conclusie gewettigd is dat de vordering die de vennootschap tegen haar voormalige bestuurder indient op grond dat deze niet zou hebben voldaan aan zijn verplichting tot behoorlijke vervulling van zijn vennootschapsrechtelijke taak, onder het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” valt. Het Hof heeft in dat verband onderstreept dat de bestuurder en de vennootschap „vrijwillig wederzijdse verbintenissen [zijn] aangegaan in die zin dat [de bestuurder] zich verbond tot het leiden en besturen van de vennootschap, terwijl de vennootschap zich ertoe verplichtte hem voor die werkzaamheden te belonen, zodat kan worden gesteld dat hun verhouding van contractuele aard is” [zie arrest van 10 september 2015, Holterman Ferho Exploitatie e.a. (C‑47/14, EU:C:2015:574, punten 53 en 54)].


28      Arrest van 8 mei 2019 (C‑25/18, EU:C:2019:376). Ik wens te verduidelijken dat dit arrest is uitgesproken nadat het schriftelijke gedeelte van de procedure in de onderhavige zaak werd afgesloten.


29      Zie arrest van 8 mei 2019, Kerr (C‑25/18, EU:C:2019:376, punten 26‑28).


30      Zie arrest van 8 mei 2019, Kerr (C‑25/18, EU:C:2019:376, punt 29).


31      Arrest van 22 maart 1983 (34/82, EU:C:1983:87).


32      De regeringen gaan daarbij uit van het beginsel dat de verwijzende rechter de rechter is van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, zoals vastgelegd in artikel 7, punt 1, onder a) tot en met c), van de Brussel I bis-verordening. Zie in dit verband voetnoot 46.


33      Arrest van 22 maart 1983 (34/82, EU:C:1983:87).


34      Arrest van 22 maart 1983 (34/82, EU:C:1983:87).


35      Arrest van 10 maart 1992 (C‑214/89, EU:C:1992:115).


36      Zie punt 34 van deze conclusie.


37      Ik wil er eveneens op wijzen dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft geoordeeld dat orden van advocaten niet kunnen worden beschouwd als verenigingen in de zin van artikel 11 van het in Rome op 4 november 1950 ondertekende Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat de vrijheid van vereniging waarborgt, met inbegrip van het negatieve recht om niet gedwongen te worden lid te worden van een vereniging. Advocaten zijn dus uitgesloten van deze bescherming inzake de inschrijving bij een beroepsorde (EHRM, 2 juli 1990, M.A. e.a. tegen Spanje, CE:ECHR:1990:0702DEC001375088).


38      Arrest van 8 mei 2019 (C‑25/18, EU:C:2019:376).


39      Arrest van 8 mei 2019 (C‑25/18, EU:C:2019:376).


40      Arrest van 8 mei 2019 (C‑25/18, EU:C:2019:376).


41      Zie punt 13 van deze conclusie.


42      Arrest van 21 april 2016 (C‑572/14, EU:C:2016:286, punt 37).


43      Zie arrest van 21 april 2016, Austro-Mechana (C‑572/14, EU:C:2016:286, punten 18 en 37), waarbij, en dat wil ik graag verduidelijken, de voorwaarden voor de betaling eveneens waren vastgelegd in de desbetreffende regeling. Evenzo heeft het Hof geoordeeld dat de verbintenissen van een aandeelhouder van een vennootschap ten aanzien van derden uit hoofde van het nationale recht niet vrijwillig worden aangegaan in de zin van artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening [zie arrest van 18 juli 2013, ÖFAB (C‑147/12, EU:C:2013:490, punten 34‑36)].


44      Hoewel het Hof artikel 7, punt 1, van de Brussel I bis-verordening vaak vermeldt als uitzondering op de in artikel 4, lid 1, van die verordening vervatte algemene regel van de bevoegdheid van het forum van de verzoeker en die eerste bepaling, die een uitzondering vormt, eng moet worden uitgelegd [zie in die zin arrest van 12 september 2018, Löber (C‑304/17, EU:C:2018:701, punten 17 en 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak)], toont de toepassing van artikel 7, punt 1, van deze verordening door het Hof mijns inziens dat het begrip „verbintenis uit overeenkomst” in de zin van die bepaling niet strikt dient te worden uitgelegd, hetgeen het Hof overigens heeft bevestigd in het arrest van 20 januari 2005, Engler (C‑27/02, EU:C:2005:33, punt 48), onder specifieke verwijzing naar de arresten Peters Bauunternehmung en Powell Duffryn [zie in die zin ook de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Kerr (C‑25/18, EU:C:2019:86, punt 51)].


45      Arrest van 22 maart 1983 (34/82, EU:C:1983:87, punt 14).


46      Ik wil benadrukken dat een antwoord op de prejudiciële vraag niet volstaat om te bepalen of de verwijzende rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil in het hoofdgeding, aangezien daartoe ook moet worden bepaald of de verwijzende rechter de rechter is van de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt in de zin van de in artikel 7, punt 1, onder a) tot en met c), van de Brussel I bis-verordening vastgestelde regels. De verwijzende rechter heeft daarover geen vragen gesteld of opmerkingen gemaakt, wat er voor mij op lijkt te wijzen dat hij zichzelf daadwerkelijk beschouwt als de rechter van de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt in de zin van dat artikel 7, punt 1.


47      Zie in die zin arrest van 10 maart 1992, Powell Duffryn (C‑214/89, EU:C:1992:115, punt 20).