19.8.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 280/8


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 26 juni2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Višje sodišče v Mariboru — Slovenië) — Aleš Kuhar, Jožef Kuhar/Addiko Bank d.d.

(Zaak C-407/18) (1)

(„Prejudiciële verwijzing - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Richtlijn 93/13/EEG - Gedwongen tenuitvoerlegging van een hypothecair krediet - Onmiddellijk uitvoerbare notariële akte - Rechterlijk toezicht op oneerlijke bedingen - Schorsing van de gedwongen tenuitvoerlegging - Onbevoegdheid van de rechter die kennisneemt van het verzoek tot gedwongen tenuitvoerlegging - Consumentenbescherming - Doeltreffendheidsbeginsel - Richtlijnconforme uitlegging”)

(2019/C 280/09)

Procestaal: Sloveens

Verwijzende rechter

Višje sodišče v Mariboru

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Aleš Kuhar, Jožef Kuhar

Verwerende partij: Addiko Bank d.d.

Dictum

Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten dient, in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling zoals in het hoofdgeding, op grond waarvan een nationale rechter die zich moet uitspreken over een verzoek tot gedwongen tenuitvoerlegging van een hypothecaire kredietovereenkomst die tussen een verkoper en een consument in de vorm van een onmiddellijk uitvoerbare notariële akte is gesloten, noch op verzoek van de consument noch ambtshalve, over de mogelijkheid beschikt om te onderzoeken of de bedingen van een dergelijke akte oneerlijk zijn in de zin van deze richtlijn, en om op die grond de gevraagde gedwongen tenuitvoerlegging te schorsen.


(1)  PB C 294 van 20.8.2018.