ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid)

21 juni 2023 ( *1 )

„Openbare dienst – Arbeidscontractanten – Overeenkomst voor onbepaalde tijd – Beëindiging van de overeenkomst – Artikel 47, onder c), i), RAP – Onvoldoende geschiktheid voor het ambt – Gedrag in de dienst en werkhouding die niet verenigbaar zijn met het belang van de dienst – Motiveringsplicht – Recht om te worden gehoord – Recht op ouderschapsverlof – Artikel 42 bis van het Statuut – Toepassing op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie van de minimumvoorschriften van de richtlijnen 2010/18/EU en 2002/14/EG – Artikelen 27, 30 en 33 van het Handvest van de grondrechten – Recht van werknemers om te worden geïnformeerd en geraadpleegd – Artikel 24 ter van het Statuut – Kennelijke beoordelingsfout – Bescherming bij kennelijk onredelijk ontslag – Incidentele betwisting van definitieve handelingen – Niet-ontvankelijkheid – Evenredigheidsbeginsel – Misbruik van bevoegdheid – Aansprakelijkheid”

In zaak T‑571/17 RENV,

UG, vertegenwoordigd door M. Richard, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Radu Bouyon als gemachtigde,

verweerster,

wijst

HET GERECHT (Zevende kamer - uitgebreid),

tijdens de beraadslagingen samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, president, V. Valančius, I. Reine, L. Truchot (rapporteur) en M. Sampol Pucurull, rechters,

griffier: L. Ramette, administrateur,

gezien het arrest van 25 november 2021, Commissie/UG (C‑249/20 P, niet-gepubliceerd, EU:C:2021:964),

na de terechtzitting van 27 oktober 2022,

het navolgende

Arrest ( 1 )

1

Het door verzoekster, UG, krachtens artikel 270 VWEU ingestelde beroep strekt in wezen tot, ten eerste, nietigverklaring van het besluit van 17 oktober 2016 waarbij de Europese Commissie haar overeenkomst als arbeidscontractant heeft beëindigd (hierna: „bestreden besluit”) en, ten tweede, vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij als gevolg van dat besluit stelt te hebben geleden.

[omissis]

II. Conclusies van partijen na terugverwijzing

20

Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen:

het besluit houdende afwijzing van de klacht en alle daaraan ten grondslag liggende besluiten nietig te verklaren en haar terug te brengen in de situatie waarin zij zich vóór de bij brief van 8 september 2016 ingeleide ontslagprocedure bevond;

haar volledige re-integratie en betaling van de haar verschuldigde salarissen te gelasten;

de door de Commissie sinds augustus 2016 toegepaste inhoudingen op haar salaris nietig te verklaren;

de Commissie te veroordelen tot terugbetaling van een te veel ontvangen bedrag van 6818,81 EUR, vermeerderd met vertragingsrente vanaf de data waarop de salarisinhoudingen zijn toegepast;

voor recht te verklaren dat de door de Commissie gevorderde aanvullende bedragen niet verschuldigd zijn;

de besluiten van de Commissie waarbij haar afwezigheden op 30 en 31 mei 2016 als ongeoorloofd zijn aangemerkt, nietig te verklaren;

de Commissie te veroordelen tot betaling van een vergoeding van 40000 EUR, vermeerderd met vertragingsrente, voor de immateriële schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de vernederende en discriminerende behandeling die haar ten deel is gevallen wegens haar vakbondsactiviteiten en het opnemen van haar ouderschapsverlof;

de Commissie te verwijzen in de kosten.

21

De Commissie verzoekt het Gerecht:

het beroep te verwerpen;

verzoekster te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

A. Omvang van het geschil na terugverwijzing

22

In de opmerkingen die zij naar aanleiding van de uitspraak van het arrest in hogere voorziening heeft ingediend, heeft verzoekster alle vorderingen uit het verzoekschrift herhaald, met inbegrip van de vorderingen tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij stelt te hebben geleden en tot terugbetaling van de bedragen die de Commissie volgens haar op onrechtmatige wijze op haar salaris heeft ingehouden.

23

De Commissie stelt daarentegen dat het Gerecht zich in het oorspronkelijke arrest reeds definitief heeft uitgesproken over sommige vorderingen van verzoekster.

24

In dit verband zij herinnerd aan artikel 61, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat bepaalt dat het Gerecht, indien een zaak wordt terugverwezen, gebonden is aan de beslissing van het Hof over de rechtsvragen (zie arrest van 1 oktober 2020, CC/Parlement, C‑612/19 P, niet-gepubliceerd, EU:C:2020:776, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25

Wanneer het Hof een beslissing van het Gerecht heeft vernietigd en de zaak naar het Gerecht heeft terugverwezen, wordt de zaak bij het Gerecht aanhangig op grond van artikel 215 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en moet het Gerecht uitspraak doen op alle vorderingen van de verzoekende partij, met uitzondering van de vorderingen die verband houden met onderdelen van het dictum van de oorspronkelijke beslissing van het Gerecht die niet door het Hof zijn vernietigd, alsmede de overwegingen die de noodzakelijke basis voor die onderdelen vormen, aangezien deze kracht van gewijsde hebben gekregen (zie in die zin arrest van 15 december 2021, Tsjechische Republiek/Commissie, T‑627/16 RENV, niet-gepubliceerd, EU:T:2021:894, punt 105 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26

Zoals in punt 19 hierboven in herinnering is geroepen, heeft het Hof het oorspronkelijke arrest in casu gedeeltelijk vernietigd in hogere voorziening door, ten eerste, het bestreden besluit nietig te verklaren (arrest in hogere voorziening, punten 20 tot en met 44), ten tweede, vast te stellen dat de Commissie een onrechtmatige daad had gepleegd waarvoor zij aansprakelijk kon worden gesteld en partijen te verzoeken om onderlinge overeenstemming te bereiken over een billijke financiële vergoeding voor de materiële schade (arrest in hogere voorziening, punt 45) en, ten derde, de vordering van verzoekster betreffende de door haar geleden immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren (arrest in hogere voorziening, punten 55 tot en met 62).

27

Dit arrest is derhalve definitief geworden, met uitzondering van de overwegingen van het oorspronkelijke arrest die, zoals in punt 26 hierboven is aangegeven, door het Hof als onrechtmatig zijn aangemerkt en die betrekking hebben op de vorderingen van verzoekster tot nietigverklaring van het bestreden besluit en tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij als gevolg van dat besluit stelt te hebben geleden.

28

Het Gerecht heeft dus definitief uitspraak gedaan over, ten eerste, de vorderingen van verzoekster tot nietigverklaring van de brief van 8 september 2016, het beoordelingsrapport voor 2015, de salarisinhoudingen en de besluiten waarbij de Commissie haar afwezigheden op het werk op 30 en 31 mei 2016 als ongeoorloofd heeft aangemerkt, ten tweede, de vorderingen tot re-integratie en terugbrenging van verzoekster in de situatie waarin zij zich vóór de bij de brief van8 september 2016 ingeleide procedure bevond en, ten slotte, de vordering tot veroordeling van de Commissie tot terugbetaling van een te veel ontvangen bedrag en tot vaststelling door het Gerecht van het onverschuldigde karakter van de door de Commissie gevorderde aanvullende bedragen.

29

In deze omstandigheden dient het Gerecht in het kader van het onderhavige geding uitsluitend de vorderingen van verzoekster te onderzoeken die strekken tot, ten eerste, nietigverklaring van het bestreden besluit en, ten tweede, vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoekster stelt als gevolg van dat besluit te hebben geleden.

30

Hieruit volgt dat het verzoek van verzoekster om in het kader van het onderhavige geding alle hierboven in punt 20 genoemde vorderingen opnieuw te behandelen, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

B. Vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit

31

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat uit het verzoekschrift blijkt dat, hoewel de eerste vordering formeel tot nietigverklaring van het besluit houdende afwijzing van de klacht strekt, deze in werkelijkheid moet worden geacht tot nietigverklaring van het bestreden besluit te strekken.

32

Tot staving van deze vordering voert verzoekster in wezen zeven middelen aan. Het eerste middel is ontleend aan een motiveringsgebrek, het tweede middel heeft betrekking op schending van artikel 51 van het Statuut en van het recht om te worden gehoord, het derde middel is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het recht op ouderschapsverlof en het recht van werknemers om te worden geïnformeerd en geraadpleegd; het vierde middel heeft betrekking op diverse kennelijke beoordelingsfouten en feitelijke onjuistheden, het vijfde middel betreft schending van het evenredigheidsbeginsel, het zesde middel betreft schending van de tuchtprocedure van bijlage IX bij het Statuut en het zevende middel is ontleend aan misbruik van bevoegdheid.

1.   Eerste middel, ontleend aan een motiveringsgebrek

33

Verzoekster stelt dat de redenen die in de brief van 8 september 2016 en het bestreden besluit worden aangevoerd, vaag en onnauwkeurig zijn, met name de ontslaggronden met betrekking tot het jaar 2015 die worden vermeld op bladzijde 3, onder a) tot en met f), en bladzijde 4, onder i), van de brief van 8 september 2016, en de ontslaggronden die worden vermeld op bladzijde 2, onder c), e) en g), en bladzijde 5, onder d), van die brief.

34

De Commissie betwist de stellingen van verzoekster.

35

Dienaangaande volgt uit de rechtspraak dat het besluit om een tijdelijke functionaris of een arbeidscontractant die op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangesteld, overeenkomstig artikel 47, onder c), i), RAP, te ontslaan, is onderworpen aan de motiveringseisen van artikel 25 van het Statuut, volgens welk artikel „[e]lk besluit dat overeenkomstig dit statuut ten aanzien van een ambtenaar wordt genomen, […] onverwijld schriftelijk te zijner kennis [dient] te worden gebracht” en „[i]edere voor hem nadelige beslissing […] met redenen [dient] te zijn omkleed” (zie in die zin arresten van 24 oktober 2011, P/Parlement,T‑213/10 P, EU:T:2011:617, punt 28, en 4 december 2013, ETF/Schuerings, T‑107/11 P, EU:T:2013:624, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36

Volgens vaste rechtspraak moet de motivering van handelingen van de instellingen van de Europese Unie, die zowel door artikel 296 VWEU wordt vereist als door artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), zijn aangepast aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, zodat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De motiveringsplicht moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet vereist dat alle gegevens feitelijk en rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 296 VWEU voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de tekst ervan, maar ook op de context waarin deze is vastgesteld en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punten 29 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37

De vraag of de motivering van een besluit ontbreekt dan wel ontoereikend is, moet dus worden beantwoord in het licht van de doelstelling van het motiveringsvereiste en van alle hiervoor in de punten 35 en 36 genoemde elementen.

38

In casu komt uit het bestreden besluit en de brief van 8 september 2016, waarnaar het bestreden besluit verwijst, naar voren dat de Commissie de overeenkomst voor onbepaalde tijd van verzoekster krachtens artikel 47, onder c), RAP heeft beëindigd omdat haar werkniveau en haar gedrag onverenigbaar waren met de behoeften van de dienst. Er kon namelijk niet op verzoekster worden gerekend bij het verwezenlijken van de doelstellingen en het verrichten van de taken die haar waren opgedragen; zij heeft zich niet ingespannen om haar collega’s actief bij te staan en zij heeft het belang van de dienst niet in aanmerking genomen noch daaraan prioriteit gegeven, met alle negatieve gevolgen van dien voor de continuïteit en de kwaliteit van de dienstverlening die de CPE zowel aan kinderen als hun ouders wil bieden.

39

Meer in het bijzonder heeft het tot het aangaan van overeenkomsten bevoegde gezag (hierna: „TAOBG”) zich beroepen op een twintigtal omstandigheden die gedetailleerd zijn weergegeven in de brief van 8 september 2016 en die verband houden met het gedrag van verzoekster gedurende de periode 2013‑2016.

40

Zo heeft het TAOBG om te beginnen, wat het jaar 2013 aangaat, gewezen op de bewoordingen van het beoordelingsrapport voor 2013 (hierna: „beoordelingsrapport 2013”), dat verzoekster amper enige inzet had getoond in het kader van de werkgroepen „Keuken” en „Organisatie van informatiebijeenkomsten voor ouders” en dat zij haar activiteiten in verband met deze werkgroepen bovendien had moeten inplannen tijdens de zogeheten „flexibele” uren, waarin zij niet voor de kinderen hoefde te zorgen, aangezien sommige ouders hadden geklaagd dat verzoekster niet aanwezig was in het klaslokaal wanneer zij hun kinderen kwamen ophalen.

41

In de tweede plaats heeft het TAOBG met betrekking tot het jaar 2014 gewezen op de inhoud van het beoordelingsrapport voor 2014 (hierna „beoordelingsrapport 2014”), waarin staat dat de moeilijkheden die verzoekster ondervond bij het combineren van haar beroeps- en privéleven en het feit dat zij geen rekening hield met de belangen van de dienst bij het plannen van de activiteiten in verband met haar mandaat als personeelsvertegenwoordiger, een negatieve impact had gehad op de goede werking van de dienst.

42

Meer in het bijzonder heeft het TAOBG de volgende elementen genoemd: ten eerste het overhaaste verzoek van verzoekster van 24 april 2014 om voltijds te werken terwijl in 1 januari 2014 was gepland dat zij met ingang van 1 mei 2014 in deeltijd zou werken; ten tweede haar ongeoorloofde afwezigheden op 7 mei en 16 juni 2014; ten derde de omstandigheid dat verzoekster had gepland om op 2 mei 2014 afwezig te zijn en dat zij de dienst hiervan pas op dezelfde dag heeft verwittigd; ten vierde haar ongeoorloofde afwezigheid op 18 juni 2014; ten vijfde het feit dat verzoekster haar hiërarchieke meerderen pas de dag tevoren om 17.26 uur had meegedeeld dat zij op 26 februari 2014 afwezig zou zijn in verband met het bijwonen van een vakbondsvergadering; ten zesde het feit dat een van de collega’s van verzoekster op 9 december 2014 had geklaagd over haar gebrek aan samenwerking en communicatie; ten zevende de omstandigheid dat verzoekster haar hiërarchieke meerderen pas op de dag vóór 11 december 2014 had meegedeeld dat zij op 11 en 12 december 2014 afwezig zou zijn in verband met het bijwonen van een voltallige vergadering van de CCP en dat zij verzuimd had de collega’s met wie zij op die dagen zou samenwerken, op de hoogte te stellen van haar afwezigheid, en ten achtste de omstandigheid dat verzoekster pas op 22 december 2014 contact met haar hiërarchieke meerderen had opgenomen met het oog op de hervatting van haar voltijdse werkzaamheden na afloop van het halftijdse verlof om gezondheidsredenen dat haar van 17 november tot en met 23 december 2014 was toegekend.

43

In de derde plaats heeft het TAOBG met betrekking tot 2015 in herinnering gebracht dat het niveau van verzoeksters werk volgens het beoordelingsrapport voor 2015 onbevredigend werd geacht.

44

Meer in het bijzonder heeft het TAOBG gewezen op de volgende punten: ten eerste het feit dat verzoekster onvoldoende of geen betrokkenheid had getoond bij de werkgroepen waarvan zij lid was; ten tweede het feit dat zij niet proactief was bij het uitvoeren van haar taken als „multi-inzetbaar” pedagogisch medewerkster; ten derde het feit dat verzoekster haar hiërarchieke meerderen niet had geïnformeerd over de verwezenlijking van het doel om yoga-activiteiten te organiseren; ten vierde het feit dat verzoekster geen pedagogisch actieplan had opgesteld; ten vijfde het gebrek aan continuïteit in de zorg voor de groep kinderen waarvoor verzoekster verantwoordelijk was; ten zesde de moeilijkheden die sommige collega’s bij de samenwerking met verzoekster ervoeren en ten zevende haar gebrek aan communicatie over sommige van haar afwezigheden in juni 2015.

45

In de vierde plaats heeft het TAOBG met betrekking tot 2016 herinnerd aan de drie doelstellingen die verzoekster in het beoordelingsrapport 2015 waren gesteld: ten eerste diende zij een pedagogisch actieplan op te stellen, ten tweede diende zij een grotere inspanning te leveren bij het uitvoeren van de taken van de verschillende werkgroepen waarvan zij deel uitmaakte als contactpersoon of plaatsvervanger en wel aan de hand van vier specifieke acties („samenstellen en verspreiden van drie CPE-nieuwsbrieven”, „bijhouden van een maandelijks overzicht met feedback/knelpunten”, „het formuleren van voorstellen voor en het maken van de planning voor fysieke activiteiten tijdens de schoolvakanties” en „opstellen van een jaarverslag van de werkgroep ‘Sport’”), en ten derde diende zij haar ouderschapsverlof geruime tijd tevoren in te plannen teneinde haar vervanging en een vlotte organisatie van de start van het schooljaar 2016‑2017 te vergemakkelijken.

46

Het TAOBG heeft erop gewezen dat het, hoewel verzoekster sinds 5 april 2016 op de hoogte was van de hierboven in punt 45 genoemde doelstellingen, haar prestaties in het licht van deze doelstellingen geen tekenen van verbetering hebben vertoond.

47

Het TAOBG heeft in dit verband gewezen op het feit dat de in de beoordelingsrapporten van 2014 en 2015 gesignaleerde problemen zich nog steeds voordeden, namelijk ten eerste het feit dat verzoekster had verzuimd om vóór haar vertrek met ouderschapsverlof op 15 juli 2016 het in punt 45 vermelde pedagogische actieplan op te stellen; ten tweede haar niet-pro-actieve houding in de werkgroepen, zoals blijkt uit het feit dat zij verzuimd had maandelijks verslag uit te brengen over kwesties in verband met de collectieve catering op de CPE, dat zij zich niet actief had ingezet in de werkgroep „Sport”, dat zij vóór haar vertrek met ouderschapsverlof geen jaarverslag van de werkgroepen „Keuken” en „CPE-nieuwsbrief” had opgesteld en dat zij in juli 2016 een – door haar hiërarchieke meerderen als niet langer relevant aangemerkte – editie van de CPE-nieuwsbrief had verzonden die betrekking had op december 2015 en de titel „Kerst 2015” droeg (hierna: „kerstnieuwsbrief 2015”); ten derde het feit dat verzoekster bij haar verzoek om ouderschapsverlof van 25 april 2016 geen rekening had gehouden met de opmerkingen van het afdelingshoofd van 18 februari en 21 maart 2016 dat het niet wenselijk was om in september verlof op te nemen en dat ouderschapsverlof aan het begin van het schooljaar slechts voor twee of drie maanden mogelijk zou zijn; ten vierde haar gebrekkige communicatie met haar hiërarchieke meerderen en collega’s over haar afwezigheden, waaronder met name op 28 januari en 24 mei 2016, en ten vijfde haar ongerechtvaardigde afwezigheid op 30 en 31 mei 2016.

48

In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit, dat na de kennisgeving van de brief van 8 september 2016 en dus in een context die aan verzoekster bekend was, is vastgesteld, niet alleen een uiteenzetting van de rechtsoverwegingen behelst maar dat daarin ook voldoende feiten worden genoemd die van wezenlijk belang waren voor de opzet van dat besluit, zodat verzoekster in staat was de gegrondheid en de rechtmatigheid van dat besluit te beoordelen.

49

Het betoog van verzoekster dat een aantal redenen in de brief van 8 september 2016, waarnaar het bestreden besluit verwijst, onvoldoende nauwkeurig is, doet niet af aan de in het voorgaande punt getrokken conclusie.

50

Weliswaar kan, zelfs wanneer een besluit van een instelling van de Unie bepaalde sporen van een motivering bevat, sprake zijn van een ontbrekende motivering, maar een dergelijke vaststelling kan slechts worden gedaan wanneer de motivering van het bestreden besluit tegenstrijdig of onbegrijpelijk is of wanneer de motivering in het betrokken besluit dermate onvolledig is dat ze de adressaat, in de context van de vaststelling ervan, op geen enkele wijze in staat stelt om de redenering van de opsteller ervan te begrijpen (zie arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51

In casu is de motivering van het bestreden besluit tegenstrijdig noch onbegrijpelijk. Gesteld al dat sommige redenen als onvolledig zouden kunnen worden aangemerkt, dan nog blijft het een feit dat de redenering van de opsteller ervan duidelijk en ondubbelzinnig naar voren komt.

52

Daarnaast zij eraan herinnerd dat de motivering van een besluit inhoudt dat de gronden waarop dit besluit berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien deze gronden berusten op vergissingen, doen deze afbreuk aan de inhoudelijke rechtmatigheid van het besluit, maar niet aan de motivering ervan, die toereikend kan zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist. Hieruit volgt dat grieven en argumenten die ertoe strekken de gegrondheid van een handeling te betwisten, irrelevant zijn in het kader van een middel dat betrekking heeft op een motiveringsgebrek of een ontoereikende motivering (zie arrest van 12 oktober 2022, Paesen/SEAE, T‑88/21, EU:T:2022:631, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53

Dit betekent dat verzoekster in het kader van het onderhavige middel niet de juistheid kan betwisten van de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende redenen zoals vermeld op bladzijde 2, onder c), e) en g), bladzijde 3, onder b) en e), bladzijde 4, onder i), en bladzijde 5, onder d), van de brief van 8 september 2016.

54

Bijgevolg moet het eerste middel ongegrond worden verklaard.

[omissis]

2.   Derde middel, ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot het recht op ouderschapsverlof en het recht van werknemers om te worden geïnformeerd en geraadpleegd

73

Dit middel bestaat uit twee onderdelen.

74

Het eerste onderdeel is in wezen ontleend aan schending van artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in samenhang met de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, die op 18 juni 2009 is gesloten door de Europese branche-overkoepelende organisaties van sociale partners (BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV) (hierna: „raamovereenkomst”) en van toepassing is geworden bij richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van richtlijn 96/34/EG (PB 2010, L 68, blz. 13).

75

Het tweede onderdeel van het derde middel is in wezen ontleend aan, enerzijds, een onjuiste rechtsopvatting, voor zover de Commissie geen rekening heeft gehouden met de minimumvoorschriften van artikel 7 van richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB 2002, L 80, blz. 29), en, anderzijds, schending van het verbod van obstructie.

a)   Eerste onderdeel van het derde middel: schending van artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in samenhang met de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst

76

Dit onderdeel bestaat uit twee grieven: het bestreden besluit heeft inbreuk gemaakt op deze bepalingen, ten eerste door verzoekster tijdens haar ouderschapsverlof te ontslaan en ten tweede door haar te ontslaan wegens het feit dat zij ouderschapsverlof had aangevraagd.

1) Inaanmerkingneming van de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst bij de uitlegging van artikel 42 bis van het Statuut

77

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 42 bis, tweede alinea, van het Statuut onder meer bepaalt dat de ambtenaar tijdens het ouderschapsverlof „in zijn ambt gehandhaafd [blijft]”.

78

Voorts bepaalt artikel 16 van de RAP dat artikel 42 bis van het Statuut van overeenkomstige toepassing is op tijdelijke functionarissen en dat het ouderschapsverlof niet na het einde van de overeenkomst kan worden voortgezet. Artikel 91 van de RAP bepaalt op zijn beurt dat artikel 16 van de RAP van overeenkomstige toepassing is op arbeidscontractanten.

79

Verder heeft richtlijn 2010/18, zoals artikel 1 ervan bepaalt, tot doel om uitvoering te geven aan de raamovereenkomst.

80

Volgens artikel 288, derde alinea, VWEU bestaat het verbindende karakter van een richtlijn, zoals richtlijn 2010/18, dat de grondslag vormt voor de mogelijkheid om deze aan te voeren, slechts ten aanzien van „elke lidstaat waarvoor zij bestemd is” (zie in die zin arrest van 12 december 2013, Portgás, C‑425/12, EU:C:2013:829, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

81

Artikel 1 sexies, lid 2, van het Statuut, dat krachtens artikel 80, lid 4, van de RAP van overeenkomstige toepassing is op arbeidscontractanten, bepaalt echter dat „[a]mbtenaren in actieve dienst […] recht [hebben] op arbeidsomstandigheden die voldoen aan passende veiligheids- en gezondheidsnormen die ten minste gelijkwaardig zijn met de minimumvoorschriften die gelden op grond van maatregelen die krachtens de Verdragen op deze gebieden zijn vastgesteld”. Daarnaast moet een handeling van de Unie volgens een algemeen uitleggingsbeginsel zo veel mogelijk aldus worden uitgelegd dat de geldigheid ervan niet wordt aangetast en deze handeling in overeenstemming is met het gehele primaire recht en met name de bepalingen van het Handvest (zie arrest van 13 september 2018, UBS Europe e.a., C‑358/16, EU:C:2018:715, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

82

Het Gerecht dient derhalve voorrang te geven aan een zodanige uitlegging van de bepalingen van het Statuut dat kan worden verzekerd dat dit Statuut in overeenstemming is met de beginselen van het sociale recht van de Unie, zoals die uitdrukkelijk zijn verankerd in het Handvest, en dat de essentie van de bepalingen van het secundaire Unierecht die regels van minimale bescherming vormen, in het Statuut kan worden geïntegreerd, ter aanvulling van, zo nodig, de andere statutaire bepalingen (zie in die zin arrest van 19 september 2013, Heroverweging Commissie/Strack, C‑579/12 RX-II, EU:C:2013:570, punt 46).

83

Bovendien zij eraan herinnerd dat, zoals blijkt uit artikel 51, lid 1, van het Handvest, de bepalingen hiervan onder meer zijn gericht tot de instellingen van de Unie, die derhalve gehouden zijn de daarin neergelegde rechten te eerbiedigen. Voorts heeft artikel 33, lid 2, van het Handvest volgens artikel 6, lid 1, eerste alinea, VEU dezelfde juridische waarde als de Verdragsbepalingen, zodat de Uniewetgever deze bepaling moet eerbiedigen, onder meer bij de afkondiging van een handeling als het Statuut op basis van artikel 336 VWEU (zie, naar analogie, arrest van 8 september 2020, Commissie en Raad/Carreras Sequeros e.a., C‑119/19 P en C‑126/19 P, EU:C:2020:676, punt 110 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

84

Het recht op ouderschapsverlof is in artikel 33, lid 2, van het Handvest opgenomen onder de sociale grondrechten, die onder het opschrift „Solidariteit” zijn samengebracht in titel IV van dat Handvest, met als doel om het werkende ouders gemakkelijker te maken hun beroeps- en gezinstaken te combineren. Volgens deze bepaling heeft eenieder onder meer recht op ouderschapsverlof na de geboorte of adoptie van een kind, teneinde beroeps- en gezinsleven te kunnen combineren (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, Maïstrellis, C‑222/14, EU:C:2015:473, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

85

Volgens de toelichtingen bij het Handvest (PB 2007, C 303, blz. 17; hierna: „toelichtingen”), die overeenkomstig artikel 6, lid 1, derde alinea, VEU en artikel 52, lid 7, van het Handvest in acht moeten worden genomen bij de uitlegging ervan, is artikel 33, lid 2, van het Handvest onder meer geïnspireerd op richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof (PB 1996, L 145, blz. 4), die is vervangen door richtlijn 2010/18/EG.

86

Zo volgt, wat artikel 33, lid 2, van het Handvest betreft, uit de toelichtingen dat de daarin vervatte verwijzing naar richtlijn 96/34 – en, ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit, naar richtlijn 2010/18 – doelt op de bepalingen van deze richtlijn die het in voornoemde bepaling van het Handvest verankerde grondrecht op ouderschapsverlof weerspiegelen en nader invullen.

87

Dit is het geval voor de bepaling die werknemers beoogt te beschermen tegen ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof, welke bepaling volgens de rechtspraak van het Hof moet worden opgevat als de uitdrukking van een bijzonder belangrijk sociaal recht van de Unie [zie in die zin arresten van 27 februari 2014, Lyreco Belgium, C‑588/12, EU:C:2014:99, punt 36, en 25 februari 2021, Caisse pour l’avenir des enfants (Tewerkstelling op het moment van de geboorte), C‑129/20, EU:C:2021:140, punt 44].

88

Derhalve moeten de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, voor zover zij werknemers bescherming bieden tegen een ongunstiger behandeling of ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof, geacht worden een integrerend deel van het Statuut uit te maken en moeten deze, behoudens gunstiger bepalingen van het Statuut, worden toegepast op de ambtenaren en functionarissen van de instellingen van de Unie (zie, naar analogie, arrest van 8 september 2020, Commissie en Raad/Carreras Sequeros e.a., C‑119/19 P en C‑126/19 P, EU:C:2020:676, punt 116 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89

Hieruit volgt dat verzoekster terecht stelt dat het Gerecht bij de uitlegging van artikel 42 bis van het Statuut in het kader van het onderzoek van de twee grieven van het onderhavige onderdeel van het middel rekening moet houden met het bepaalde in clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, zoals van toepassing geworden bij richtlijn 2010/18.

2) Gegrondheid van de eerste grief

90

Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie, door haar tijdens haar ouderschapsverlof te ontslaan, artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in samenhang met de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, heeft geschonden.

91

De Commissie betwist het betoog van verzoekster en voert bovendien aan dat de onderhavige grief niet-ontvankelijk is.

92

Vooraf moet worden opgemerkt dat verzoekster schending van artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in samenhang met de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, aanvoert op grond dat het TAOBG het bestreden besluit heeft vastgesteld tijdens haar ouderschapsverlof en niet op grond dat dit besluit in werking is getreden tijdens haar ouderschapsverlof, in welk laatste geval de vaststelling van het bestreden besluit een onderbreking van dit verlof tot gevolg zou hebben gehad.

93

Derhalve dient het Gerecht enkel na te gaan of het TAOBG het bestreden besluit kon vaststellen op een datum waarop verzoekster reeds met ouderschapsverlof was en zonder haar terugkeer in actieve dienst af te wachten, zonder daarmee inbreuk te maken op artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in samenhang met de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst. Daartoe dient niet alleen rekening te worden gehouden met de bewoordingen van artikel 42 bis van het Statuut, maar ook met de context waarin deze bepaling is vastgesteld en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan deze bepaling deel uitmaakt (zie in die zin arrest van 29 september 2022, TC Medical Air Ambulance Agency, C‑633/20, EU:C:2022:733, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

94

In de eerste plaats is het zo dat het TAOBG volgens de bewoordingen van artikel 42 bis van het Statuut verplicht is om een ambtenaar met ouderschapsverlof gedurende deze verlofperiode in zijn ambt te handhaven.

95

Overeenkomstig artikel 1 bis van het Statuut worden ambtenaren immers in een vast ambt bij een instelling van de Unie aangesteld, zodat een ambtenaar met ouderschapsverlof in beginsel het recht heeft om na afloop van dat verlof naar zijn ambt terug te keren.

96

Wanneer het ouderschapsverlof daarentegen is toegekend aan een arbeidscontractant, die overeenkomstig artikel 3 bis van de RAP niet is tewerkgesteld in een ambt dat voorkomt in de lijst van het aantal ambten gevoegd bij de afdeling van de begroting die op de betrokken instelling betrekking heeft, verwijst de term „ambt” in artikel 42 bis van het Statuut noodzakelijkerwijs naar de deeltijdse of voltijdse functie voor de uitoefening waarvan dat personeelslid in dienst is genomen.

97

De bewoordingen van artikel 42 bis van het Statuut staan er echter niet aan in de weg dat het bevoegde gezag een besluit tot ontslag van een ambtenaar of tot beëindiging van de overeenkomst van een arbeidscontractant of tijdelijk functionaris vaststelt terwijl dat personeelslid ten tijde van dat besluit met ouderschapsverlof is en hij zijn ambt of werkzaamheden na afloop van dat verlof in beginsel zou hervatten.

98

In de tweede plaats vindt deze uitlegging steun in de context waarin artikel 42 bis van het Statuut is vastgesteld, met name de bepalingen van het Statuut en de RAP die betrekking hebben op de wijze van beëindiging van de dienst.

99

Ten eerste behelst artikel 47 van het Statuut, dat de verschillende wijzen van beëindiging van de dienst voor ambtenaren omschrijft, geen voorbehoud of uitzondering in verband met het feit dat de betrokken ambtenaar met ouderschapsverlof is. Hetzelfde gaat op voor artikel 51, dat betrekking heeft op onvoldoende geschiktheid voor het ambt, en artikel 9, lid 1, onder h), van bijlage IX bij het Statuut, dat betrekking heeft op tuchtrechtelijk ontslag.

100

Ten tweede vindt deze uitlegging steun in artikel 47 van de RAP, dat betrekking heeft op het eind van de dienst van tijdelijke functionarissen en dat krachtens artikel 119, eerste alinea, van de RAP van overeenkomstige toepassing is op arbeidscontractanten.

101

Allereerst bevat ook artikel 47 van de RAP geen voorbehoud of uitzondering in verband met het feit dat het betrokken personeelslid met ouderschapsverlof is.

102

Voorts bepaalt zowel artikel 47, onder b), ii), van de RAP, voor wat betreft de beëindiging van overeenkomsten voor bepaalde tijd, als artikel 47, onder c), i), van de RAP, voor wat betreft de beëindiging van overeenkomsten voor onbepaalde tijd, dat de opzeggingstermijn niet mag ingaan – en wordt geschorst – tijdens een met een medisch attest bevestigde zwangerschap, tijdens een moederschapsverlof of tijdens een ziekteverlof voor zover dit laatste verlof niet langer dan drie maanden duurt.

103

In dit verband volgt uit de rechtspraak dat deze bepalingen niet verbieden dat een besluit tot beëindiging van de overeenkomst van een tijdelijke functionaris of arbeidscontractant wordt vastgesteld tijdens een moederschaps- of ziekteverlof, maar dat zij de opzeggingstermijn regelen waaraan een dergelijke beëindiging is onderworpen (zie in die zin arrest van 7 november 2019, WN/Parlement, T‑431/18, niet-gepubliceerd, EU:T:2019:781, punt 114).

104

Ouderschapsverlof behoort echter niet tot de in artikel 47 van de RAP genoemde redenen voor opschorting van de in de overeenkomst bepaalde opzeggingstermijn, na afloop waarvan een tijdelijke functionaris of arbeidscontractant kan worden ontslagen.

105

Hieruit volgt ten eerste dat het TAOBG een besluit tot beëindiging van de overeenkomst van een tijdelijke functionaris of arbeidscontractant wegens onder meer onvoldoende geschiktheid voor het ambt kan vaststellen gedurende het ouderschapsverlof van dat personeelslid en ten tweede dat de omstandigheid dat dat personeelslid met ouderschapsverlof is, niet belet dat de in de overeenkomst bepaalde opzeggingstermijn ingaat en deze opzeggingstermijn evenmin opschort.

106

Ten derde vindt deze uitlegging steun in de doelstelling van artikel 42 bis van het Statuut, zoals die naar voren komt uit de inleidende overwegingen van verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB 2004, L 124, blz. 1).

107

Door het fundamentele recht op ouderschapsverlof bij verordening nr. 723/2004 uit te breiden tot de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie, heeft de Uniewetgever het Statuut namelijk willen aanpassen aan de aanzienlijke vorderingen en nieuwe ontwikkelingen die de samenleving sedert de oorspronkelijke vaststelling van het Statuut en de RAP in 1962 heeft doorgemaakt, onder eerbiediging van de bestuurscultuur en -traditie van de Unie, die gebaseerd is op het beginsel van dienstverlening aan de burger (overweging 1 van verordening nr. 723/2004).

108

Zo moet de Unie volgens overweging 2 van verordening nr. 723/2004 kunnen beschikken over een kwalitatief hoogwaardig overheidsapparaat, dat zijn taken conform de Verdragen zo goed mogelijk kan verrichten. Het fundamentele recht op ouderschapsverlof van de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie moet met deze doelstelling worden verzoend.

109

Gelet op deze doelstellingen mag het fundamentele recht op ouderschapsverlof van een ambtenaar of ander personeelslid niet ertoe leiden dat het besluit om de betrokken ambtenaar of het betrokken andere personeelslid te ontslaan wordt vertraagd wanneer het bevoegde gezag over voldoende bewijselementen beschikt die getuigen van diens onvoldoende geschiktheid voor het ambt of diens ernstige tuchtrechtelijke verzuim.

110

Ten vierde en ten slotte moet artikel 42 bis van het Statuut overeenkomstig de punten 79 tot en met 89 van dit arrest worden uitgelegd in het licht van de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, zoals van toepassing geworden bij richtlijn 2010/18.

111

Dienaangaande volgt uit de rechtspraak over clausule 2, punt 4, van de op 14 december 1995 gesloten en als bijlage aan richtlijn 96/34 gehechte raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, die in wezen overeenkomt met clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, dat deze bepaling, teneinde te waarborgen dat de werknemers daadwerkelijk gebruik kunnen maken van hun recht op ouderschapsverlof, voorschrijft dat de nodige maatregelen worden genomen om de werknemers tegen een ongunstiger behandeling of ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof te beschermen (zie in die zin arrest van 27 februari 2014, Lyreco Belgium, C‑588/12, EU:C:2014:99, punt 34).

112

Clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst heeft derhalve tot doel noch tot gevolg dat het een werkgever verboden is om te besluiten een werknemer te ontslaan terwijl die werknemer ten tijde van dat besluit met ouderschapsverlof is, mits dat ontslag niet gebaseerd is op het aanvragen of het opnemen van dat verlof en het voldoet aan de overige voorwaarden van de toepasselijke wet- of regelgeving.

113

Uit de punten 93 tot en met 112 hierboven volgt dan ook dat verzoekster niet met succes kan stellen dat sprake is van schending van artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in samenhang met de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, op grond dat het bestreden besluit door het TAOBG is vastgesteld op het moment dat zij met ouderschapsverlof was.

114

Dit betekent dat de eerste grief van het onderhavige onderdeel ongegrond moet worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over de door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheidsgrond (zie in die zin arrest van 18 mei 2022, TK/Commissie, T‑435/21, niet-gepubliceerd, EU:T:2022:303, punt 42).

3) Gegrondheid van de tweede grief

115

Verzoekster stelt in wezen dat de Commissie artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in het licht van de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, heeft geschonden door haar te ontslaan omdat zij ouderschapsverlof had aangevraagd.

116

De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.

117

In de eerste plaats zij erop gewezen dat de bewoordingen van artikel 42 bis van het Statuut het bevoegde gezag niet verbieden een ambtenaar of ander personeelslid te ontslaan wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof. Uit de punten 79 tot en met 89 van dit arrest volgt echter dat deze bepaling moet worden uitgelegd in het licht van de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst.

118

Zoals uit de eerste alinea van de preambule van de raamovereenkomst en overweging 8 van richtlijn 2010/18 naar voren komt, verbinden de sociale partners, vertegenwoordigd door de algemene branche-overkoepelende organisaties, zich er met deze raamovereenkomst namelijk toe door middel van minimumeisen voor ouderschapsverlof, maatregelen vast te stellen die de combinatie van werk en gezinstaken mogelijk maken en gelijke kansen en behandeling van mannen en vrouwen bevorderen (zie in die zin arrest van 7 september 2017, H., C‑174/16, EU:C:2017:637, punten 29 en 30).

119

De doelstellingen die door de raamovereenkomst worden nagestreefd, houden dus verband met de verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden en het bestaan van een adequate sociale bescherming van werknemers, hetgeen doelstellingen van de sociale politiek van de Unie zijn, zoals blijkt uit artikel 151 VWEU (zie arrest van 7 september 2017, H., C‑174/16, EU:C:2017:637, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

120

Teneinde te waarborgen dat werknemers daadwerkelijk gebruik kunnen maken van hun recht op ouderschapsverlof, bepaalt clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst derhalve dat overeenkomstig de wetgeving, de collectieve overeenkomsten of de nationale gebruiken de nodige maatregelen moeten worden genomen om werknemers tegen onder meer ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof te beschermen (zie, naar analogie, arrest van 27 februari 2014, Lyreco Belgium, C‑588/12, EU:C:2014:99, punt 34).

121

Gelet op de in punt 118 van dit arrest in herinnering gebrachte doelstellingen van de raamovereenkomst moet clausule 5, punt 4, worden opgevat als de uitdrukking van een bijzonder belangrijk sociaal recht van de Unie, zodat zij niet restrictief mag worden uitgelegd (zie, naar analogie, arrest van 27 februari 2014, Lyreco Belgium, C‑588/12, EU:C:2014:99, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

122

In de tweede plaats verbieden de bepalingen van artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in het licht van de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, het bevoegde gezag om een ambtenaar of ander personeelslid wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt te ontslaan omdat de betrokkene ouderschapsverlof aanvraagt, met name wanneer dit ontslag berust op redenen die verband houden met de begin- en einddatum van dit verlof of de duur van het in die aanvraag verzochte verlof.

123

Ten eerste moet worden opgemerkt dat zowel volgens de bepalingen van de raamovereenkomst als volgens artikel 42 bis van het Statuut voor het recht op ouderschapsverlof een minimumduur geldt alsook een tijdslimiet die gekoppeld is aan de leeftijd van het kind waarvoor dit verlof wordt aangevraagd. Het verzoek om toekenning van een dergelijk verlof moet dus noodzakelijkerwijs preciseringen bevatten aangaande de data en de duur van het door de aanvrager gewenste verlof.

124

Het zijn bovendien deze preciseringen aangaande de data en de duur van het ouderschapsverlof die het bevoegde gezag in staat stellen te beoordelen of het opnemen van dit verlof verenigbaar is met de behoeften van de organisatie waar de aanvrager werkzaam is.

125

Ten tweede vindt deze uitlegging steun in clausule 3, punt 2, van de raamovereenkomst, volgens welke bepaling de werknemer die gebruik wenst te maken van zijn recht op ouderschapsverlof, zijn werkgever met inachtneming van een bepaalde termijn in kennis dient te stellen van zijn voornemen, onder vermelding van het begin en het einde van de verlofperiode, welke termijn van een zodanige duur moet zijn dat rekening wordt gehouden met de belangen van werknemers en werkgevers.

126

Ten derde zou een praktijk waarbij een werknemer in het kader van een procedure wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt zou kunnen worden ontslagen op grond dat het door hem ingediende verzoek om ouderschapsverlof niet strookt met eerder door de werkgever vastgestelde richtsnoeren, de werknemer ervan kunnen weerhouden een dergelijk verlof aan te vragen en regelrecht indruisen tegen het doel van de raamovereenkomst, die er onder meer toe strekt om het beroeps‑ en gezinsleven beter te kunnen combineren (zie in die zin, naar analogie, arrest van 8 mei 2019, Praxair MRC, C‑486/18, EU:C:2019:379, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

127

In casu moet worden nagegaan of het bestreden besluit gebaseerd is op het verzoek om ouderschapsverlof dat verzoekster op 25 april 2016 heeft ingediend.

128

In dat verband moet eraan worden herinnerd dat het bestreden besluit alle redenen herhaalt die in de brief van 8 september 2016 staan vermeld, waaronder de op bladzijde 4, onder c), van die brief vermelde reden dat het TAOBG, gelet op het feit dat de problemen zoals onder meer vermeld in het beoordelingsrapport voor 2015 zich nog steeds voordeden, heeft vastgesteld dat verzoekster bij haar verzoek om ouderschapsverlof van 25 april 2016 niet de aanwijzingen van haar afdelingshoofd van 18 februari en 21 maart 2016 in acht had genomen. Deze aanwijzingen hielden in dat verlof in de maand september niet wenselijk was en dat ouderschapsverlof aan het begin van het schooljaar bovendien uitsluitend voor een duur van twee of drie maanden kon worden overwogen.

129

Het TAOBG heeft in het beoordelingsrapport voor 2015 als doel voor verzoekster voor het jaar 2016 geformuleerd om haar ouderschapsverlof voldoende van tevoren te plannen teneinde haar vervanging en een goede organisatie van het begin van het schooljaar 2016/2017 te vergemakkelijken.

130

Zoals het Hof in punt 34 van het arrest in hogere voorziening heeft geoordeeld, blijkt uit de brief van 8 september 2016 echter duidelijk dat de kritiek die het TAOBG op het ouderschapsverlof heeft geuit, geen betrekking heeft op het feit dat dit verlof onvoldoende van tevoren was gepland, maar op de data van dit verlof.

131

Uit de motivering van de brief van 8 september 2016 blijkt namelijk dat het bestreden besluit weliswaar is gebaseerd op de algemene vaststelling dat verzoekster ongeschikt voor het ambt is, maar dat die vaststelling zelf op een hele reeks gronden berust, waaronder de op bladzijde 4, onder c), van die brief genoemde omstandigheid dat de in verzoeksters aanvraag van 25 april 2016 genoemde data van het ouderschapsverlof niet strookten met de richtsnoeren van haar afdelingshoofd van 18 februari en 21 maart 2016.

132

Het bestreden besluit blijkt derhalve mede te zijn gebaseerd op verzoeksters aanvraag van ouderschapsverlof van 25 april 2016.

133

Volgens de Commissie moet de op bladzijde 4, onder c), van de brief van 8 september 2016 vermelde reden worden gezien als een verwijt aan het adres van verzoekster dat zij gebrekkig heeft gecommuniceerd over een kwestie die voor haar hiërarchieke meerderen van groot belang is.

134

Dienaangaande blijkt om te beginnen uit het dossier dat verzoekster haar afdelingshoofd reeds op 21 maart 2016, tijdens het gesprek dat voorafging aan de vaststelling van het beoordelingsrapport voor 2015, op de hoogte had gesteld van haar voornemen om in de loop van 2016 ouderschapsverlof aan te vragen.

135

Uit een e-mail van het afdelingshoofd van 26 mei 2016 komt namelijk naar voren dat tijdens dit jaarlijkse gesprek de mogelijkheid is geopperd dat verzoekster aan het begin van het schooljaar 2016/2017 een paar maanden ouderschapsverlof zou opnemen en dat het afdelingshoofd bij die gelegenheid heeft gepreciseerd dat het, in het belang van de dienst, de voorkeur verdiende dat verzoekster slechts twee tot drie maanden ouderschapsverlof zou opnemen, mocht dit aan het begin van het schooljaar plaatsvinden. Dit zou namelijk een invalskracht de mogelijkheid bieden om stabiliteit te creëren en de groep op kruissnelheid te brengen, waarna verzoekster later in het schooljaar haar werkzaamheden gemakkelijker zou kunnen hervatten.

136

Vervolgens heeft verzoekster op 25 april 2016, dus minder dan een maand na het opstellen van het beoordelingsrapport voor 2015 waarin haar was verzocht haar ouderschapsverlof voldoende van tevoren te plannen, een verzoek om ouderschapsverlof ingediend voor de periode van 15 juni tot 15 september 2016.

137

In de tweede plaats wordt niet betwist dat het afdelingshoofd op 20 mei 2016, dat wil zeggen een krappe maand na de indiening van verzoeksters verzoek om ouderschapsverlof, dit verzoek gedeeltelijk heeft afgewezen voor zover het betrekking had op de periode van 15 juni tot en met 14 juli 2016.

138

Op 25 mei 2016 heeft verzoekster, die inmiddels om verlenging van haar ouderschapsverlof had verzocht, haar verzoek om toekenning van ouderschapsverlof voor de periode van 1 tot 15 juli 2016 herhaald.

139

Ten slotte heeft verzoeksters hiërarchieke meerdere bij e-mail van 26 mei 2016 ingestemd met de verlenging van verzoeksters ouderschapsverlof tot en met 14 november 2016, onder handhaving van haar weigering om verzoekster ouderschapsverlof toe te kennen voor de periode van 1 tot 15 juli 2016, enerzijds omdat dit verzoek te laat was ingediend en anderzijds om redenen in verband met de planning van het verlof van haar collega’s. De hiërarchieke meerdere van verzoekster heeft met name gepreciseerd dat zij andere verlofaanvragen voor de eerste twee weken van juli 2016 had moeten afwijzen, omdat in die periode een groot aantal kinderen stond ingeschreven en er niet voldoende vaste pedagogische personeelskrachten aanwezig waren om een veilige opvang van de kinderen te waarborgen.

140

Hoewel uit de in de punten 134 tot en met 139 van dit arrest genoemde omstandigheden van de onderhavige zaak volgt dat verzoeksters aanvankelijke verzoek om ouderschapsverlof inhield dat zij de eerste twee weken van september afwezig zou zijn en niet, conform de door het afdelingshoofd geuite wens, gedurende een periode van twee of drie maanden vanaf het begin van het schooljaar, blijkt dus niet dat verzoekster bij de indiening van haar verzoek om ouderschapsverlof blijk heeft gegeven van een gebrekkige communicatie met haar afdelingshoofd.

141

Wel komt uit deze omstandigheden en de volgorde waarin zij zich hebben voorgedaan, naar voren dat het TAOBG heeft geoordeeld dat het niet in acht nemen van de richtsnoeren van het afdelingshoofd met betrekking tot het ouderschapsverlof aantoonde dat verzoekster geen rekening hield met de behoeften van de dienst en dat dit een gedrag vormde dat, gecombineerd met andere factoren, in aanmerking kon worden genomen met het oog op een ontslag wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt.

142

Het TAOBG was weliswaar gerechtigd om verzoeksters aanvraag om ouderschapsverlof af te wijzen op grond dat de beoogde data voor de duur van dat verlof niet verenigbaar waren met de behoeften van de dienst, maar het kon de data van het door verzoekster op 25 april 2016 aangevraagde ouderschapsverlof niet aanvoeren als een van de gronden voor ontslag wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt zonder daarmee inbreuk te maken op artikel 42 bis van het Statuut, gelezen in het licht van de minimumeisen van clausule 5, punt 4, van de raamovereenkomst, die het recht van een ambtenaar of ander personeelslid waarborgen om ouderschapsverlof aan te vragen.

143

Bijgevolg moet de tweede grief van dit onderdeel worden aanvaard.

144

De hierboven in punt 142 vastgestelde onrechtmatigheid kan als zodanig echter niet tot nietigverklaring van het bestreden besluit leiden.

145

Volgens de rechtspraak kan immers, wanneer de bestreden handeling op meerdere gronden berust, maar een van de gronden gebrekkig is gemotiveerd, dit gebrek niet leiden tot de nietigverklaring van die handeling indien de andere grond of gronden op zich een voldoende rechtvaardiging vormt of vormen, los van de door onrechtmatigheid aangetaste gronden (zie in die zin arresten van 5 maart 2019, Pethke/EUIPO, T‑169/17, niet-gepubliceerd, EU:T:2019:135, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 23 september 2020, VE/AEMF, T‑77/18 en T‑567/18, niet-gepubliceerd, EU:T:2020:420, punt 213 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

146

Aangezien de algemene constatering dat verzoekster onvoldoende geschikt is voor het ambt, in casu stoelt op verschillende redenen, die losstaan van de reden betreffende de door haar in haar aanvraag om ouderschapsverlof van 25 april 2016 gekozen data, dienen het tweede onderdeel van het derde middel en de overige middelen te worden onderzocht.

b)   Tweede onderdeel van het derde middel: onjuiste rechtsopvatting als gevolg van het verzuim om de minimumvoorschriften van artikel 7 van richtlijn 2002/14/EG in acht te nemen en schending van het verbod van obstructie

147

Dit onderdeel bestaat uit twee grieven, ontleend aan, ten eerste, een onjuiste rechtsopvatting voor zover de Commissie is voorbijgegaan aan de minimumvoorschriften van artikel 7 van richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB 2002, L 80, blz. 29), en, ten tweede, schending van het verbod van obstructie.

1) Inachtneming van de minimumvoorschriften van artikel 7 van richtlijn 2002/14 bij de vaststelling door het bevoegde gezag van een besluit tot ontslag wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt op basis van artikel 47, onder c), i), van de RAP

148

Verzoekster stelt in wezen dat de Commissie bij de vaststelling van het bestreden besluit op basis van artikel 47, onder c), i), van de RAP blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat zij de minimumvereisten van artikel 7 van richtlijn 2002/14 niet in acht heeft genomen: zij is namelijk ontslagen terwijl zij bij de CLP actief was als vakbondslid.

149

De Commissie betwist het betoog van verzoekster.

150

Zoals uit de punten 80 en 81 hierboven blijkt, dient het Gerecht de bepalingen van het Statuut en de RAP zodanig uit te leggen dat gewaarborgd is dat deze bepalingen stroken met de beginselen van het sociaal recht van de Unie zoals die thans uitdrukkelijk zijn vastgelegd in het Handvest, en dat de essentie van de bepalingen van afgeleid recht van de Unie die regels van minimale bescherming vormen, in het Statuut en de RAP worden geïntegreerd teneinde in voorkomend geval de overige bepalingen van het Statuut aan te vullen.

151

Artikel 27 van het Handvest, dat het opschrift „Het recht op informatie en raadpleging van de werknemers binnen de onderneming” draagt, bepaalt dat werknemers in de gevallen en onder de voorwaarden waarin het Unierecht en de nationale wetgevingen en praktijken voorzien, de zekerheid moeten hebben dat zij op verschillende niveaus worden geïnformeerd en geraadpleegd.

152

Volgens de toelichting bij artikel 27 van het Handvest is deze bepaling nader uitgewerkt in richtlijn 2002/14.

153

Zo volgt uit de rechtspraak dat de invoering van een algemeen kader voor het informeren en raadplegen van werknemers bij richtlijn 2002/14 de uitdrukking is van in artikel 27 van het Handvest neergelegde algemene beginselen van Unierecht die voor de instellingen gelden (arrest van 15 september 2016, TAO-AFI en SFIE-PE/Parlement en Raad, T‑456/14, EU:T:2016:493, punt 76).

154

Meer concreet volgt uit artikel 1, lid 1, artikel 2, onder f) en g), en artikel 4 van richtlijn 2002/14 dat bij die bepalingen minimumvoorschriften worden ingevoerd voor het informeren en raadplegen van de werknemers, onverminderd voor de werknemers gunstigere bepalingen, en dat het informeren en raadplegen van de werknemers wordt georganiseerd via de personeelsvertegenwoordigers waarin door de toepasselijke wetgeving, regelgeving of praktijken is voorzien (arrest van 15 september 2016, TAO-AFI en SFIE-PE/Parlement en Raad, T‑456/14, EU:T:2016:493, punt 80).

155

Volgens artikel 9, lid 3, van het Statuut „behartigt [het personeelscomité] de belangen van het personeel bij de instelling en zorgt [het] voor een voortdurend contact tussen haar en het personeel. Het draagt bij tot de goede werking van de dienst door de mening van het personeel aan de dag te doen treden en deze naar voren te brengen.”

156

Hieruit volgt dat de Commissie de minimumvoorschriften inzake het informeren en raadplegen van de werknemers waarin richtlijn 2002/14 voorziet, dient toe te passen op haar personeelscomité en op de leden van dit vertegenwoordigende orgaan.

157

In casu komt uit het dossier niet naar voren dat verzoekster ten tijde van haar ontslag geen lid meer was van de CLP en de CCP. Derhalve stelt verzoekster in het kader van de eerste grief van het onderhavige onderdeel terecht dat de Commissie bij de vaststelling van het op artikel 47, onder c, i), van de RAP gebaseerde bestreden besluit de minimumvereisten van artikel 7 van richtlijn 2002/14 in acht moest nemen.

2) Gegrondheid van de eerste grief

158

Volgens de rechtspraak is het ontslag van een werknemersvertegenwoordiger dat is ingegeven door zijn hoedanigheid of functie van vertegenwoordiger onverenigbaar met de door dit artikel 7 van richtlijn 2002/14 vereiste bescherming (arrest van 11 februari 2010, Ingeniørforeningen i Danmark, C‑405/08, EU:C:2010:69, punt 58).

159

Een werknemersvertegenwoordiger die wordt ontslagen, moet dus in het kader van passende administratieve of gerechtelijke procedures kunnen nagaan of deze beslissing niet is ingegeven door zijn hoedanigheid of de uitoefening van zijn functie van vertegenwoordiger, en passende sancties moeten toepasselijk zijn ingeval blijkt dat er een verband is tussen deze hoedanigheid of functie en het ontslag van deze vertegenwoordiger (arrest van 11 februari 2010, Ingeniørforeningen i Danmark, C‑405/08, EU:C:2010:69, punt 59).

160

Met betrekking tot inzonderheid de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie moet bovendien rekening worden gehouden met artikel 24 ter van het Statuut, volgens hetwelk „[d]e ambtenaren […] het recht van vereniging [hebben]; zij kunnen met name lid zijn van vak- of beroepsorganisaties van Europese ambtenaren”. De instellingen van de Unie dienen zich namelijk te onthouden van enige handeling die de uitoefening van de in voornoemde bepalingen van artikel 24 ter van het Statuut erkende vrijheid van vakvereniging kan belemmeren (zie, naar analogie, arrest van 18 januari 1990, Maurissen en Union syndicale/Rekenkamer, C‑193/87 en C‑194/87, EU:C:1990:18, punt 12).

161

De aldus erkende vrijheid van vakvereniging die de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie genieten, houdt ook het recht van vak- of beroepsorganisaties (hierna: „VBO’s”) in om ter behartiging van de beroepsbelangen van hun leden elke rechtmatige activiteit te ontplooien (zie arrest van 18 januari 1990, Maurissen en Union syndicale/ Rekenkamer, C‑193/87 en C‑194/87, EU:C:1990:18, punt 13 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

162

Daaruit volgt enerzijds dat de instellingen van de Unie moeten aanvaarden dat de VBO’s de hun toekomende taak vervullen om het personeel te vertegenwoordigen en deel te nemen aan het overleg over alle aangelegenheden die het personeel raken, en anderzijds dat zij de ambtenaren en andere personeelsleden niet in enigerlei vorm mogen benadelen wegens hun vakbondsactiviteiten (zie in die zin arrest van 18 januari 1990, Maurissen en Union syndicale/ Rekenkamer, C‑193/87 en C‑194/87, EU:C:1990:18, punten 14 en 15).

163

In het licht van deze bepalingen en beginselen moet worden beoordeeld of de eerste grief van het onderhavige onderdeel gegrond is.

164

In de eerste plaats blijkt noch uit de motivering van het bestreden besluit noch uit de stukken van het dossier dat dit besluit uitsluitend is gebaseerd op de hoedanigheid van lid van de CCP en de CLP die verzoekster sinds 13 mei 2014 bezat, los van de uitoefening van deze werkzaamheden tot vertegenwoordiging van het personeel of, meer in het algemeen, van haar vakbondsactiviteiten.

165

In de tweede plaats bevat het bestreden besluit geen enkele grond op basis waarvan het TAOBG zou hebben geoordeeld dat de wijze waarop verzoekster op de datum van vaststelling van dat besluit haar werkzaamheden als personeelsvertegenwoordiger of meer algemeen haar vakbondsactiviteiten verrichtte, kenmerkend was voor een gedrag dat rechtvaardigde dat haar overeenkomst wegens onvoldoende ongeschiktheid voor het ambt zou worden beëindigd.

166

Bovendien blijkt uit de ter terechtzitting gevoerde debatten dat verzoekster naar aanleiding van een daartoe strekkende vraag van het Gerecht heeft bevestigd dat zij met ingang van de datum waarop haar ouderschapsverlof inging, te weten op 15 juli 2016, niet langer had deelgenomen aan de activiteiten van de CLP en de CCP en dat zij binnen de CCP en de CLP had moeten worden vervangen door een plaatsvervanger.

167

De omstandigheid dat verzoekster ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit haar werkzaamheden als personeelsvertegenwoordiger niet langer daadwerkelijk verrichtte, vormt dus een aanwijzing dat dit besluit niet is gebaseerd op het feit dat verzoekster die werkzaamheden op die datum verrichtte.

168

In de derde plaats is het zo dat een van de redenen waarom het TAOBG verzoekster wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt heeft ontslagen, is dat zij bij de planning van de activiteiten in verband met haar mandaat als personeelsvertegenwoordiger in de loop van 2014 en 2016 geen rekening heeft gehouden met het dienstbelang.

169

Meer concreet blijkt uit de punten 41 en 42 van dit arrest dat het TAOBG verzoekster, wat het jaar 2014 aangaat, heeft verweten dat zij haar hiërarchieke meerderen te laat had verwittigd van haar deelname aan de vergaderingen van de CCP en de CLP en dat zij in een aantal gevallen haar collega’s niet op de hoogte had gesteld van haar deelname aan die vergaderingen. Verder blijkt uit punt 47 van dit arrest dat het TAOBG verzoekster, wat het jaar 2016 aangaat, heeft verweten dat zij haar hiërarchieke meerderen te laat had verwittigd van haar deelname aan een aantal vergaderingen van de CCP en dat zij haar collega’s daarover niet of soms te laat had ingelicht.

170

Derhalve moet worden nagegaan of het bevoegde gezag het bestreden besluit op een dergelijke reden kon baseren zonder zijn verplichting om de minimumvoorschriften van artikel 7 van richtlijn 2002/14 in aanmerking te nemen, te schenden.

171

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 1, zesde alinea, van bijlage II bij het Statuut bepaalt dat de functies van de leden van het personeelscomité worden beschouwd als een onderdeel van de taken die zij binnen hun instelling moeten verrichten. De instellingen moeten dus de voorwaarden scheppen die nodig zijn om functies als personeelsvertegenwoordiger te kunnen uitoefenen. De ambtenaar mag in dit verband geen nadeel ondervinden van het feit dat hij functies uitoefent in de organen die het personeel vertegenwoordigen (zie arrest van 26 september 1996, Maurissen/Rekenkamer, T‑192/94, EU:T:1996:133, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

172

Zo ook beoogt artikel 1, zesde alinea, tweede volzin, van bijlage II bij het Statuut de rechten van onder meer de leden van het personeelscomité te waarborgen door hen te beschermen tegen elk nadeel dat zij zouden kunnen ondervinden van het feit dat zij werkzaamheden uitoefenen in de organen die het personeel vertegenwoordigen. Dit is met name de reden waarom bij het opstellen van het beoordelingsrapport van de betrokken ambtenaren en andere personeelsleden rekening moet worden gehouden met de werkzaamheden ter zake van de vertegenwoordiging van het personeel (arresten van 26 september 1996, Maurissen/Rekenkamer, T‑192/94, EU:T:1996:133, punt 41, en 5 november 2003, Lebedef/Commissie,T‑326/01, EU:T:2003:291, punt 49). De eerste volzin van deze bepaling heeft tot doel om de betrokkenheid van ambtenaren bij de vertegenwoordiging van het personeel van hun instelling te faciliteren, in het bijzonder door hun toe te staan daaraan deel te nemen binnen de werktijd die normaal is toegewezen aan de diensten die zij in hun instelling moeten verlenen en niet bovenop die werktijd (arrest van 16 december 2010, Lebedef/Commissie, T‑364/09 P, EU:T:2010:539, punt 23), of in het kader van een detachering bij een VBO, hetgeen een gedeeltelijke of totale vrijstelling van de werkzaamheden binnen de diensten van de instelling impliceert.

173

Een ambtenaar die of een ander personeelslid dat voor 50 % bij een vakbond is gedetacheerd, moet echter overeenkomstig artikel 60 van het Statuut vooraf toestemming vragen aan zijn hiërarchieke meerdere om afwezig te mogen zijn en deel te nemen aan de vergaderingen waarvoor hij is uitgenodigd in verband met zijn vakbondsmandaat of zijn mandaat als personeelsvertegenwoordiger. Van de verplichting om vooraf om toestemming te vragen overeenkomstig artikel 60 van het Statuut kan namelijk alleen worden afgeweken bij ziekte of ongeval en niet bij deelname aan vergaderingen in verband met een vakbondsmandaat of vergaderingen van een vertegenwoordigende instantie als de CCP of de CLP (zie in die zin arrest van 16 december 2010, Lebedef/Commissie, T‑52/10 P, EU:T:2010:543, punt 30).

174

In dat verband moet worden opgemerkt dat verzoekster op grond van artikel 7, punt 3.1, van besluit C(2011) 3588 final van de Commissie van 27 mei 2011 [hierna: „besluit C(2011) 3588”] verplicht was om haar hiërarchieke meerderen „tijdig” op de hoogte te brengen van haar oproepen voor de vergaderingen van de CCP en de CLP, en dat het hiërarchieke gezag gerechtigd was haar deelname aan die vergaderingen in voorkomend geval bij een schriftelijk gemotiveerd besluit te weigeren.

175

Het bevoegde gezag kon derhalve, zonder de minimumvoorschriften van artikel 7 van richtlijn 2002/14 te miskennen, het bestreden besluit baseren op het feit dat verzoekster haar verplichting niet was nagekomen om haar meerderen tijdig vóór de vergaderingen van de CLP en de CCP waarvan zij lid was, te verwittigen dat zij die vergaderingen zou bijwonen. Een dergelijke reden is immers niet gebaseerd op de uitoefening van haar werkzaamheden als personeelsvertegenwoordiger, maar op de niet-inachtneming door verzoekster van de voorwaarden voor de organisatie van de dienst die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het haar toevertrouwde mandaat.

176

Derhalve moet de eerste grief van dit onderdeel als ongegrond worden afgewezen.

3) Tweede grief

177

Verzoekster stelt dat de Commissie met het bestreden besluit inbreuk heeft gemaakt op de regel van het verbod van obstructie.

[omissis]

3.   Vierde middel, ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten en feitelijke onjuistheden

[omissis]

a)   Omvang van het toezicht door de Unierechter

184

Om te beginnen moet worden gepreciseerd wat de omvang is van het toezicht dat het Gerecht dient uit te oefenen wanneer het wordt aangezocht om de rechtmatigheid te toetsen van een besluit om een arbeidscontractant wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt te ontslaan.

185

Verzoekster stelt namelijk dat de vaste rechtspraak volgens welke het toezicht door de Unierechter op de rechtmatigheid van besluiten om ambtenaren of andere personeelsleden wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt te ontslaan, beperkt is tot kennelijke beoordelingsfouten, in strijd is met artikel 30 van het Handvest, dat betrekking heeft op de bescherming tegen onredelijk ontslag. Zij betoogt bovendien dat de bewijslast van de rechtmatigheid van een besluit als het bestreden besluit op de werkgever moet rusten, omdat artikel 30 van het Handvest anders zinledig zou zijn. Ten slotte betoogt zij dat het Gerecht bij de beoordeling van de bewijslast rekening moet houden met de abnormaal lange duur van de gerechtelijke procedure, gelet op de bepalingen van artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: „EVRM”).

186

De Commissie betwist de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het betoog van verzoekster.

187

Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat het TAOBG overeenkomstig artikel 47, onder c), i), van de RAP bij de beëindiging van een met een tijdelijke functionaris of een arbeidscontractant gesloten overeenkomst van onbepaalde duur over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, mits inachtneming van de in de overeenkomst bepaalde opzegtermijn, zodat het toezicht van de Unierechter beperkt dient te zijn tot de vraag of er sprake is van een kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arrest van 26 februari 1981, de Briey/Commissie, 25/80, EU:C:1981:56, punt 7; zie in die zin ook arrest van 6 juli 2022, YF/AECP, T‑664/21, niet-gepubliceerd, EU:T:2022:425, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

188

De beoordeling van de vraag of de ambtenaren en andere personeelsleden van de instellingen van de Unie geschikt zijn voor het ambt, komt in de eerste plaats toe aan die instellingen (zie in die zin arrest van 19 juli 1955, Kergall/Gemeenschappelijke Vergadering, 1/55, EU:C:1955:9, blz. 23).

189

In dat verband kan een vergissing slechts als een kennelijke vergissing worden aangemerkt wanneer zij gemakkelijk kan worden ontdekt in het licht van de criteria waaraan de wetgever de uitoefening door de administratie van haar beoordelingsbevoegdheid heeft willen onderwerpen. Met andere woorden, het middel inzake een kennelijke vergissing moet worden verworpen indien, ondanks het door verzoekster aangevoerde bewijs, de betrokken beoordeling nog steeds gerechtvaardigd en coherent kan worden geacht [zie arrest van 2 april 2019, Fleig/EDEO, T‑492/17, EU:T:2019:211, punt 55 (niet-gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].

190

Bovendien moet in herinnering worden geroepen dat de handelingen van de instellingen van de Unie in beginsel vermoed worden rechtmatig te zijn en dus rechtsgevolgen in het leven te roepen, zolang zij niet zijn ingetrokken, in het kader van een beroep tot nietigverklaring nietig zijn verklaard of ten gevolge van een prejudiciële verwijzing of een exceptie van onwettigheid ongeldig zijn verklaard (zie arrest van 10 september 2019, HTTS/Raad, C‑123/18 P, EU:C:2019:694, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

191

Uit het beginsel van het vermoeden van rechtmatigheid van de handelingen van de instellingen van de Unie volgt dat een tijdelijke functionaris of arbeidscontractant die het voorwerp is van een ontslagbesluit en die beroep instelt bij de rechterlijke instanties van de Unie, moet aantonen dat dit besluit onrechtmatig is.

192

Artikel 30 van het Handvest doet geen afbreuk aan de hiervoor in de punten 187 tot en met 191 genoemde beginselen en aangehaalde rechtspraak.

193

Ten eerste volgt uit artikel 30 van het Handvest, dat bepaalt dat „iedere werknemer […] overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken recht op bescherming tegen iedere vorm van kennelijk onredelijk ontslag [heeft]”, dat de bewoordingen daarvan geen concrete verplichtingen behelzen (arrest van 4 december 2013, ETF/Schuerings, T‑107/11 P, EU:T:2013:624, punt 100). Artikel 30 van het Handvest formuleert dus geen enkele regel die ontkracht dat de toetsing door het Gerecht van de rechtmatigheid van het besluit tot beëindiging van een overeenkomst met een tijdelijke functionaris of arbeidscontractant voor onbepaalde tijd beperkt is tot kennelijke beoordelingsfouten.

194

Ten tweede geldt hetzelfde voor punt 24 van deel I van het op 18 oktober 1961 te Turijn ondertekende en herziene Europees Sociaal Handvest, waarop artikel 30 van het Handvest volgens de toelichting bij dat artikel is geïnspireerd en dat bepaalt dat „[a]lle werknemers […] recht op bescherming [hebben] in geval van beëindiging van de dienstbetrekking”.

195

Ten derde wordt in de toelichting bij artikel 30 van het Handvest uitdrukkelijk verwezen naar richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB 2001, L 82, blz. 16) en richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB 1980, L 283, blz. 23). Gesteld echter al dat artikel 30 van het Handvest aldus kan worden uitgelegd dat het een bijzondere bescherming verleent aan werknemers die op grond van deze specifieke bepalingen van afgeleid Unierecht zijn ontslagen, dan nog blijft het een feit dat de situatie van verzoekster niet onder het toepassingsgebied van deze bepalingen valt.

196

Bijgevolg kan uit artikel 30 van het Handvest niet worden afgeleid dat het Gerecht, wanneer het de rechtmatigheid dient te beoordelen van een besluit om een ambtenaar, een tijdelijke functionaris of een arbeidscontractant wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt te ontslaan, gehouden is een toezicht uit te oefenen dat verder gaat dan het toezicht op kennelijke beoordelingsfouten, of dat het de bewijslast van de rechtmatigheid van een dergelijk besluit op de betrokken instelling moet doen rusten.

197

Bovendien zij eraan herinnerd dat, hoewel de door het EVRM gewaarborgde grondrechten – zoals artikel 6, lid 3, VEU bevestigt – als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie en artikel 52, lid 3, van het Handvest bepaalt dat rechten uit het Handvest die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door dit verdrag aan worden toegekend, het EVRM geen formeel in de rechtsorde van de Unie opgenomen rechtsinstrument is zolang de Unie er geen partij bij is (zie arrest van 22 oktober 2020, Silver Plastics en Johannes Reifenhäuser/Commissie, C‑702/19 P, EU:C:2020:857, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

198

In dit verband zij opgemerkt dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met door het EVRM gewaarborgde rechten, artikel 52, lid 3, van het Handvest beoogt te zorgen voor de nodige samenhang tussen de in het Handvest vervatte en de daarmee corresponderende, door het EVRM gewaarborgde rechten, „zonder dat dit de autonomie van het Unierecht of van het Hof van Justitie van de Europese Unie aantast” (zie in die zin arrest van 20 maart 2018, Menci, C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 23). Volgens de toelichtingen correspondeert artikel 47, tweede alinea, van het Handvest met artikel 6, lid 1, van het EVRM (zie arrest van 22 oktober 2020, Silver Plastics en Johannes Reifenhäuser/Commissie, C‑702/19 P, EU:C:2020:857, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

199

Derhalve moet het argument betreffende schending van artikel 6 EVRM in wezen aldus worden opgevat dat hiermee wordt aangevoerd dat het Gerecht het recht op een eerlijk proces, zoals dat onder meer is verankerd in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, zou schenden indien het het onderzoek van de rechtmatigheid van het bestreden besluit na de terugverwijzing van de zaak door het Hof zou onderwerpen aan een toetsing die beperkt is tot kennelijke beoordelingsfouten, dit terwijl uit de buitensporig lange duur van de gerechtelijke procedure blijkt dat de regel van een redelijke procestermijn niet in acht is genomen.

200

Uit de rechtspraak volgt dat de niet-nakoming door een rechterlijke instantie van de Unie van haar verplichting krachtens artikel 47, tweede alinea, van het Handvest om de aan haar voorgelegde zaken binnen een redelijke termijn te berechten, haar bestraffing moet vinden in het kader van een beroep tot schadevergoeding dat bij het Gerecht aanhangig wordt gemaakt, aangezien een dergelijk beroep een effectief rechtsmiddel vormt (zie arrest van 13 december 2018, Europese Unie /Kendrion, C‑150/17 P, EU:C:2018:1014, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

201

Wanneer een dergelijke schadevordering wordt ingesteld bij het Gerecht, dat daartoe krachtens artikel 256, lid 1, VWEU bevoegd is, is deze rechterlijke instantie bovendien gehouden zich daarover uit te spreken in een andere formatie dan die welke kennis heeft genomen van het geschil dat heeft geleid tot de procedure waarvan de duur wordt bekritiseerd (zie arrest van 14 september 2016, Trafilerie Meridionali/Commissie,C‑519/15 P, EU:C:2016:682, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

202

Uit de hierboven in de punten 200 en 201 aangehaalde rechtspraak volgt derhalve dat bij het onderzoek van een vordering tot nietigverklaring, in voorkomend geval gecombineerd met een vordering tot schadevergoeding, nadat een zaak door het Hof is terugverwezen overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de rechtsprekende formatie van het Gerecht die over deze vordering(en) moet beslissen, niet bevoegd is om de eventuele buitensporige duur van de gerechtelijke procedure te beoordelen en dus dit verzuim niet kan trachten te herstellen door, onder meer, de omvang van zijn toezicht op de rechtmatigheid van de motivering van het besluit waarvan nietigverklaring wordt gevorderd, te wijzigen.

203

Bijgevolg moet het hierboven in punt 185 uiteengezette betoog van verzoekster worden afgewezen, zonder dat de door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheidsgrond hoeft te worden onderzocht.

b)   Eerste onderdeel van het vierde middel: de motivering dat verzoekster overhaast heeft verzocht om intrekking van de toestemming om haar werkzaamheden in deeltijd uit te oefenen berust op een kennelijke beoordelingsfout

204

In het kader van dit onderdeel betoogt verzoekster in wezen dat de vermeldingen op bladzijde 2, onder a), van de brief van 8 september 2016 onvoldoende steun bieden voor de constatering van de Commissie dat zij mogelijk niet geschikt was voor het ambt omdat zij moeilijkheden ondervond bij het combineren van haar beroepsleven met haar gezinsleven.

205

Verzoekster stelt met name dat zij zich in april 2014 na een echtscheidingsprocedure in de situatie bevond van een alleenstaande ouder met drie ten laste komende kinderen, zodat het gerechtvaardigd was dat zij meer wilde gaan werken om de gezinslasten te kunnen dragen. Zij stelt eveneens dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de intrekking van haar verzoek om in deeltijd te werken tot ontregeling van de dienst heeft geleid.

206

Het TAOBG heeft in dit verband op bladzijde 2, onder a), van de brief van 8 september 2016 opgemerkt dat de aanvraag van verzoekster om halftijds te werken in januari 2014 was ingewilligd voor de periode van 1 mei 2014 tot het einde van het schooljaar, maar dat verzoekster op 24 april 2014 met spoed had verzocht om haar werkzaamheden om gezinsredenen voltijds te kunnen blijven verrichten, en dat de locatiemanager het nodige had gedaan om verzoekster bij te staan en de organisatie van de dienst aan te passen, zodat verzoekster vanaf 15 mei 2014 voltijds heeft kunnen werken.

207

Daarnaast heeft het TAOBG erop gewezen dat er, als gevolg van de late ontvangst door de eenheid Personeelsbeheer van de informatie dat verzoekster vanaf 15 mei 2014 voltijds zou blijven werken, ongebruikelijke inspanningen hadden moeten worden geleverd om de behoeften van de dienst af te stemmen op verzoeksters persoonlijke behoeften.

208

Vooraf zij opgemerkt dat verzoekster niet opkomt tegen de verwijzing die het TAOBG op bladzijde 2 van de brief van 8 september 2016 maakt naar de beoordeling in het beoordelingsrapport voor 2014 dat zij in 2014 problemen had ondervonden bij het combineren van haar beroeps- en privéleven, maar uitsluitend tegen de grond van het bestreden besluit die wordt vermeld op bladzijde 2, onder a), van de brief van 8 september 2016. Deze grond betreft geen beoordeling in het beoordelingsrapport voor 2014.

209

Derhalve kan het door verzoekster in het kader van dit onderdeel gevoerde betoog niet worden geacht een beoordeling uit het beoordelingsrapport voor 2014 te ontkrachten, dat volgens de Commissie definitief is geworden.

210

Wat de gegrondheid van het in het kader van dit onderdeel gevoerde betoog betreft, zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat artikel 55 bis van het Statuut, dat krachtens de gecombineerde bepalingen van de artikelen 16 en 91 van de RAP van overeenkomstige toepassing is op arbeidscontractanten, de voorwaarden vaststelt waaronder een arbeidscontractant in deeltijd kan werken. De voorwaarden voor arbeid in deeltijd en de procedure ter verlening van de daartoe vereiste toestemming worden omschreven in bijlage IV bis bij het Statuut en, in voorkomend geval, in de door het bevoegde gezag vastgestelde uitvoeringsbepalingen.

211

In het bijzonder bepaalt artikel 2, eerste alinea, van bijlage IV bis bij het Statuut:

„Op verzoek van de betrokken ambtenaar kan het tot aanstelling bevoegde gezag de toestemming intrekken voordat de periode waarvoor zij is verleend, is verstreken. De intrekking mag niet later plaatsvinden dan twee maanden na de door de ambtenaar gevraagde datum; wanneer toestemming is verleend voor een periode van meer dan een jaar, mag de intrekking niet later dan vier maanden na die datum plaatsvinden.”

212

Uit deze bepalingen volgt dat verzoekster, door om intrekking van de toestemming om in deeltijd te werken te verzoeken voordat de periode waarvoor deze toestemming was verleend, was verstreken, gebruik heeft gemaakt van een mogelijkheid die het Statuut haar uitdrukkelijk biedt.

213

In de tweede plaats blijkt noch uit de motivering van het bestreden besluit noch uit de stukken van het dossier dat de termijn tussen 24 april 2014 – de datum waarop verzoekster verzocht om de toestemming om haar werkzaamheden in deeltijd te verrichten in te trekken – en 1 mei 2014 – de datum waarop die toestemming van kracht werd – niet strookt met de bepalingen van artikel 55 bis en bijlage IV bis bij het Statuut of met de door de Commissie ter uitvoering daarvan vastgestelde uitvoeringsbepalingen.

214

In de derde plaats heeft verzoekster toestemming gekregen om met ingang van 15 mei 2014 weer voltijds te werken, waaruit blijkt dat de vervroegde hervatting van haar voltijdse werkzaamheden niet onverenigbaar was met de behoeften van de dienst. Uit de stukken van het dossier blijkt bovendien evenmin dat de behandeling van verzoeksters verzoek buitengewone inspanningen van de bevoegde diensten heeft gevergd.

215

In de vierde plaats wordt niet betwist dat het verzoek van verzoekster van 24 april 2014 om haar werkzaamheden in voltijd te verrichten volgde op een echtscheidingsprocedure die diezelfde maand was ingeleid en als gevolg waarvan zij een alleenstaande ouder met drie ten laste komende kinderen was geworden. Dit overhaaste verzoek was dus weliswaar gebaseerd op privéredenen, maar was daarom niet minder ernstig en legitiem.

216

In de vijfde plaats blijkt uit het dossier dat de Commissie naar aanleiding van het betoog van verzoekster enkel heeft verklaard dat zij, teneinde de combinatie van werk en privéleven te vergemakkelijken, ouderschapsverlof heeft kunnen opnemen en dat haar werktijden zijn aangepast toen zij in november en december 2014 om medische redenen in deeltijd werkte. Verder heeft de Commissie gesteld dat de administratie verzoekster niet heeft verweten dat zij heeft verzocht om haar werktijden op haar behoeften af te stemmen.

217

De Commissie heeft dus, gelet op de in de punten 210 tot en met 215 van dit arrest genoemde omstandigheden waarin het verzoek van verzoekster van 24 april 2014 tot intrekking van de toestemming om haar werkzaamheden in deeltijd te verrichten was ingediend. niet aangetoond dat de beoordeling in het bestreden besluit dat dit verzoek getuigde van de moeilijkheden die zij ervoer om haar privé- en beroepsleven met elkaar te verzoenen, gerechtvaardigd en coherent was.

218

Verzoekster stelt dan ook terecht dat het bestreden besluit berust op een kennelijke beoordelingsfout voor zover de Commissie op de op bladzijde 2, onder a), van de brief van 8 september 2016 vermelde grond heeft geoordeeld dat zij moeilijkheden ondervond bij het combineren van haar beroeps- en gezinsleven.

c)   Tweede onderdeel van het vierde middel: de grond inzake de gestelde ongeoorloofde afwezigheden van verzoekster berust op een kennelijke beoordelingsfout

219

In het kader van dit onderdeel uit verzoekster twee grieven. De eerste grief betreft de tardieve en onbillijke aard van de in het bestreden besluit genoemde grond dat zij in 2014 meermaals onregelmatig afwezig was, en de tweede grief heeft betrekking op het feit dat die motivering ongegrond is voor wat betreft haar afwezigheden op 7 mei 2014, 16 en 18 juni 2014 en 30 en 31 mei 2016.

220

De Commissie stelt dat dit onderdeel van het middel niet-ontvankelijk is, omdat verzoekster het in haar voorafgaande klacht niet heeft aangevoerd en zij de besluiten tot vaststelling van de onregelmatige aard van haar afwezigheden niet binnen de in het Statuut en de RAP gestelde termijnen heeft betwist.

221

Dienaangaande zij opgemerkt dat het TAOBG op bladzijde 2, onder b), van de brief van 8 september 2016 heeft opgemerkt dat verzoekster op 7 mei en 16 juni 2014 ongerechtvaardigd afwezig was en op bladzijde 2, onder d), van diezelfde brief dat zij op 18 juni 2014 ongerechtvaardigd afwezig was. Ten slotte heeft het TAOBG op bladzijde 5, onder e), van de brief van 8 september 2016 ook nog verwezen naar de ongerechtvaardigde afwezigheid van verzoekster op 30 en 31 mei 2016.

222

In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat een besluit om een tijdelijke functionaris of arbeidscontractant op grond van artikel 47, onder c), i), van de RAP te ontslaan, dat in wezen voortvloeit uit het feit dat de betrokken persoon wordt verweten dat hij of zij onvoldoende geschikt is voor het ambt, kan worden gerechtvaardigd aan de hand van een geheel van concrete en onderling overeenstemmende materiële feiten, in voorkomend geval gestaafd door meerdere jaarlijkse beoordelingsrapporten die getuigen van onbevredigende prestaties, ook al zijn deze feiten afzonderlijk beschouwd niet ernstig genoeg om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen (zie in die zin arrest van 6 juli 2022, YF/AECP, T‑664/21, niet-gepubliceerd, EU:T:2022:425, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

223

De vraag of een ambtenaar, een tijdelijke functionaris of een arbeidscontractant onvoldoende geschikt voor het ambt is, dient namelijk met name te worden beoordeeld in het licht van zijn bekwaamheid, zijn prestaties en zijn gedrag in de dienst (zie in die zin arrest van 21 oktober 1980, Vecchioli/Commissie, 101/79, EU:C:1980:243, punt 7).

224

Ten aanzien van ambtenaren zij meer in het bijzonder opgemerkt dat artikel 51, lid 1, onder a), van het Statuut bepaalt dat de ambtenaar wordt ontslagen indien zijn prestaties volgens vijf opeenvolgende jaarlijkse rapporten onbevredigend zijn.

225

Uit deze bepaling volgt dat wanneer het tot aanstelling bevoegde gezag besluit een ambtenaar wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt te ontslaan, het zijn besluit kan baseren op feiten waaruit deze onvoldoende geschiktheid gedurende de vijf jaar voorafgaand aan het ontslagbesluit blijkt.

226

Weliswaar moet worden geconstateerd dat artikel 51 van het Statuut niet van toepassing is op arbeidscontractanten of tijdelijke functionarissen, en zelfs niet van overeenkomstige toepassing, maar zij kunnen in het kader van de in het Statuut en de RAP vastgelegde procedures voor de behandeling van gevallen van onvoldoende geschiktheid voor het ambt niet gunstiger worden behandeld dan ambtenaren.

227

Ook al onderscheiden arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd zich uit het oogpunt van arbeidszekerheid van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, het valt niet te loochenen dat werknemers die in de overheidsdienst van de Unie op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd zijn aangesteld, niet onkundig kunnen zijn van de tijdelijke aard van hun tewerkstelling en van het feit dat deze geen enkele werkgelegenheidsgarantie biedt (zie arrest van 6 juli 2022, YF/AECP, T‑664/21, niet-gepubliceerd, EU:T:2022:425, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

228

Derhalve volgt uit de hierboven in de punten 222 en 227 aangehaalde rechtspraak dat het TAOBG een besluit om een tijdelijke functionaris of arbeidscontractant wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt te ontslaan, kan baseren op feiten die, zoals in casu, zijn geconstateerd tijdens de drie jaar voorafgaand aan de vaststelling van dat besluit.

229

Dit betekent dat de eerste grief van dit onderdeel moet worden afgewezen, zonder dat de twee door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheidsgronden, zoals vermeld in punt 220 hierboven, hoeven te worden onderzocht.

230

In de tweede plaats moeten de twee niet-ontvankelijkheidsgronden die de Commissie met betrekking tot de tweede grief van dit onderdeel van het middel heeft aangevoerd, worden onderzocht.

231

Ten eerste volgt uit de rechtspraak dat de regel van overeenstemming tussen de klacht in de zin van artikel 91, lid 2, van het Statuut en het daaropvolgende verzoekschrift op straffe van niet-ontvankelijkheid vereist dat een middel dat bij de Unierechter wordt aangevoerd, reeds eerder is aangevoerd in de precontentieuze procedure, zodat het bevoegde gezag kennis heeft kunnen nemen van de punten van kritiek die de betrokkene tegen het bestreden besluit heeft ingebracht. Deze regel wordt gerechtvaardigd door het doel van de precontentieuze procedure, namelijk een minnelijke schikking van geschillen tussen de betrokken ambtenaren of tijdelijke functionarissen of arbeidscontractanten enerzijds en de administratie anderzijds mogelijk te maken. Hieruit volgt dat, zoals ook uit vaste rechtspraak blijkt, de bij de Unierechter ingediende conclusies slechts bezwaren kunnen bevatten die op dezelfde grond berusten als die waarop de in de klacht geformuleerde bezwaren berusten, met dien verstande dat deze bezwaren voor de Unierechter kunnen worden uitgewerkt in middelen en argumenten die niet noodzakelijkerwijs in de klacht voorkomen, maar er wel nauw bij aansluiten (zie arrest van 28 september 2022, Zegers/Commissie, T‑663/21, niet-gepubliceerd, EU:T:2022:589, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

232

In haar voorafgaande klacht van 17 januari 2017 heeft verzoekster de haar verweten „vermeende ongerechtvaardigde afwezigheden” voor het jaar 2014 „categorisch” betwist en gesteld dat deze feiten hoe dan ook onvoldoende ernstig waren. Daarnaast heeft zij erop gewezen dat de vermeende ongerechtvaardigde afwezigheid van 30 mei tot 1 juni 2016 niet was aangetoond en door medische attesten werd weersproken.

233

Bijgevolg kan de Commissie niet staande houden dat de tweede grief van dit onderdeel in strijd is met de regel van overeenstemming tussen de klacht en het verzoekschrift als bedoeld in punt 231 van dit arrest.

234

Ten tweede zij erop gewezen dat de klacht- en beroepstermijnen van de artikelen 90 en 91 van het Statuut van openbare orde zijn, zodat de partijen en de rechter er niet naar believen over kunnen beschikken, aangezien zij ertoe dienen de duidelijkheid en de zekerheid van de rechtssituaties te waarborgen. Eventuele uitzonderingen op of afwijkingen van deze termijnen moeten restrictief worden uitgelegd [zie arrest van 25 juni 2020, XH/Commissie, T‑511/18, EU:T:2020:291, punt 74 (niet-gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].

235

Iedere ambtenaar, tijdelijke functionaris of arbeidscontractant kan dus weliswaar op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht indienen tegen een besluit waardoor hij zich bezwaard acht, maar de betrokken ambtenaar of het betrokken andere personeelslid mag deze bevoegdheid niet gebruiken om de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut vastgestelde klacht- en beroepstermijnen te omzeilen door bij wege van een verzoek indirect op te komen tegen een eerder, niet binnen de gestelde termijn bestreden besluit. Alleen wanneer zich belangrijke nieuwe feiten voordoen, kan om herziening van een niet binnen de gestelde termijn bestreden besluit worden verzocht [zie in die zin arresten van 21 februari 2006, V/Commissie, T‑200/03 en T‑313/03, EU:T:2006:57, punten 94 en 95 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 25 juni 2020, XH/Commissie, T‑511/18, EU:T:2020:291, punt 75 (niet-gepubliceerd) en aldaar aangehaalde rechtspraak].

236

In het kader van een beroep tegen een hem bezwarend besluit kan een verzoeker wel, met name in het kader van een middel betreffende een kennelijke beoordelingsfout, de gevolgen betwisten die een instelling heeft verbonden aan een eerder, hem eveneens bezwarend besluit, ook al is dat besluit definitief geworden en kunnen de gronden ervan niet meer worden betwist (zie in die zin arrest van 23 september 2020, VE/EAEM, T‑77/18 en T‑567/18, niet-gepubliceerd, EU:T:2020:420, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

237

Wat om te beginnen de vermeende ongerechtvaardigde afwezigheden van 7 mei en 16 juni 2014 betreft, voert verzoekster aan dat haar in feite wordt verweten dat zij te laat een medisch attest heeft overgelegd waaruit bleek dat een van haar kinderen op die twee dagen ernstig ziek was, en dat het bestreden besluit geen nadere tijdsaanduiding in verband met die vertraging bevat.

238

Verzoekster betwist dus niet dat zij de medische attesten ter rechtvaardiging van haar afwezigheid op 7 mei en 16 juni 2014 te laat heeft ingediend, maar stelt in wezen dat het bestreden besluit berust op een kennelijke beoordelingsfout voor zover het TAOBG zich heeft gebaseerd op het besluit waarbij haar ongerechtvaardigde afwezigheid gedurende die twee dagen werd vastgesteld.

239

Bijgevolg strekt het betoog van verzoekster niet tot betwisting van het – definitief geworden – besluit houdende vaststelling van haar ongerechtvaardigde afwezigheden op 7 mei en 16 juni 2014, zodat de door de Commissie aangevoerde tweede niet-ontvankelijkheidsgrond moet worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op het betoog van verzoekster met betrekking tot deze afwezigheden.

240

Wat voorts de vermeende onregelmatige afwezigheid op 18 juni 2014 aangaat, moet worden geconstateerd dat verzoekster weliswaar stelt dat zij bij afwezigheid om gezondheidsredenen steeds een medisch attest heeft overgelegd, maar dat zij niet verklaart waarom zij op die dag afwezig was en niet naar enig in het kader van de procedure overgelegd document verwijst dat deze afwezigheid zou kunnen rechtvaardigen.

241

Het betoog van verzoekster kan dus geen afbreuk doen aan het besluit van 18 juni 2014 waarbij is vastgesteld dat zij ongeoorloofd afwezig was, zodat de onderhavige grief, voor zover deze is gericht tegen de op bladzijde 2, onder d), van de brief van 8 september 2016 vermelde reden, ongegrond is en moet worden afgewezen, zonder dat de tweede door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheidsgrond in dit verband hoeft te worden onderzocht.

242

Wat ten slotte haar vermeende ongeoorloofde afwezigheid op 30 en 31 mei 2016 aangaat, stelt verzoekster in wezen dat het TAOBG zich ten onrechte heeft gebaseerd op een advies van de controlerend geneesheer van 27 mei 2016, omdat tijdens die medische controle niet kon worden voorzien dat zij op 30 mei 2016 op de spoedeisende hulp zou worden opgenomen wegens paresthesie van de linkerzijde. Zij heeft verder nog betoogd dat zij bewijsstukken in verband met deze afwezigheid heeft overgelegd.

243

Het onderhavige betoog van verzoekster strekt tot betwisting van het besluit van 1 juni 2016 waarbij het TAOBG haar afwezigheden op 30 en 31 mei 2016 als ongerechtvaardigd heeft aangemerkt op grond dat zij op die dagen haar werk niet had hervat, zulks in weerwil van een advies van de controlerend geneesheer van 27 mei 2016 waarin stond dat zij in staat was haar werkzaamheden te hervatten.

244

Uit het dossier blijkt dat dit besluit op 1 juni 2016 per e-mail aan verzoekster is meegedeeld. Zoals het Gerecht in punt 46 van het oorspronkelijke arrest heeft vastgesteld, heeft verzoekster niet overeenkomstig de vereisten van artikel 91, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen dit besluit, dat kennelijk bezwarend voor haar was.

245

Tot slot voert verzoekster geen nieuwe belangrijke feiten aan die een herziening van de rechtmatigheid van dat besluit zouden rechtvaardigen.

246

Bijgevolg is het betoog van verzoekster dat ertoe strekt het besluit van 1 juni 2016 incidenteel te betwisten, niet-ontvankelijk voor zover het tot doel heeft een definitief geworden handeling ter discussie te stellen.

247

In de derde plaats moet de gegrondheid worden onderzocht van verzoeksters betoog betreffende de in het bestreden besluit vermelde grond dat zij op 7 mei en 16 juni 2014 ongerechtvaardigd afwezig was.

248

In dit verband blijkt uit de op bladzijde 2, onder b), van de brief van 8 september 2016 vermelde grond voor het bestreden besluit dat verzoekster op 7 en 28 februari 2014 en op 7 mei en 16 juni 2014 om buitengewoon verlof heeft verzocht omdat een van haar kinderen ernstig ziek was. Tevens blijkt daaruit dat het TAOBG de afwezigheden van 7 mei en 16 juni 2014 als ongerechtvaardigd heeft aangemerkt, omdat verzoekster niet binnen de gestelde termijnen de vereiste bewijsstukken heeft overgelegd.

249

Allereerst moet worden herinnerd aan artikel 60 van het Statuut, dat krachtens de artikelen 16 en 91 van de RAP van toepassing is op arbeidscontractanten en dat luidt als volgt:

„Behoudens bij ziekte of ongeval mag de ambtenaar, zonder hiertoe tevoren door zijn chef te zijn gemachtigd, niet afwezig zijn. Onverminderd de eventuele toepassing van tuchtrechtelijke bepalingen, wordt iedere onregelmatige afwezigheid die naar behoren is vastgesteld, op het vakantieverlof in mindering gebracht. Indien de ambtenaar geen recht meer op zodanig verlof heeft, ontvangt hij over het desbetreffende tijdvak geen bezoldiging.”

250

Bovendien kan volgens artikel 57, tweede alinea, van het Statuut, dat krachtens de artikelen 16 en 91 van de RAP van toepassing is op arbeidscontractanten, aan de arbeidscontractant op zijn verzoek en bij wijze van uitzondering een buitengewoon verlof worden verleend. Dat verlof wordt verleend overeenkomstig de bepalingen van bijlage V bij het Statuut.

251

Zo bepaalt artikel 6 van bijlage V bij het Statuut dat aan de ambtenaar behalve vakantieverlof op zijn verzoek ook buitengewoon verlof kan worden verleend, variërend van ten hoogste twee dagen wegens ernstige ziekte van een kind tot ten hoogste vijf dagen wegens bijzonder ernstige ziekte van een kind, gestaafd door een medisch attest, of opname in een ziekenhuis van een kind van ten hoogste twaalf jaar.

252

In casu blijkt uit de motivering van het bestreden besluit dat de vaststelling van de ongerechtvaardigde afwezigheid van verzoekster op 7 mei en 16 juni 2014 uitsluitend is te herleiden tot de vertraagde toezending door verzoekster van de medische attesten in verband met de ernstige ziekte van een van haar kinderen.

253

De voor die toezending geldende termijn en de termijn waarbinnen verzoekster die bewijsstukken uiteindelijk aan het OIL heeft meegedeeld, blijken weliswaar in casu niet uit de motivering van het bestreden besluit noch uit de stukken van het dossier, maar verzoekster toont niet aan en stelt zelfs niet dat zij de noodzakelijke bewijsstukken ter regularisatie van haar administratieve situatie heeft verstrekt binnen een korte termijn, gelet op de termijn waarover zij beschikte.

254

Bovendien voert verzoekster geen enkele reden aan waarom deze vertraagde toezending verschoonbaar zou kunnen worden geacht.

255

Wanneer een ambtenaar, tijdelijke functionaris of arbeidscontractant bij herhaling een termijn niet in acht neemt waarbinnen stukken ter rechtvaardiging van een afwezigheid moeten worden overgelegd, kan dit worden aangemerkt als ongepast gedrag van de betrokken ambtenaar of arbeidscontractant.

256

In deze omstandigheden heeft verzoekster niet aangetoond dat het TAOBG een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door bij de vaststelling van het bestreden besluit te verwijzen naar een eerder besluit waarbij was vastgesteld dat zij op 7 mei en 16 juni 2014 onregelmatig afwezig was geweest wegens de vertraagde toezending van de documenten die deze afwezigheden hadden kunnen rechtvaardigen.

257

Bijgevolg moet de onderhavige grief, en dus dit onderdeel van het middel in zijn geheel, worden afgewezen.

d)   Derde onderdeel van het vierde middel: de grond betreffende verzoeksters betrokkenheid bij haar werk berust op een kennelijke beoordelingsfout en feitelijke onjuistheden

258

In het kader van dit onderdeel uit verzoekster acht grieven. Ten eerste stelt zij dat haar betrokkenheid bij de werkgroepen in 2014 is erkend in haar beoordelingsrapport voor dat jaar. Ten tweede stelt zij dat zij zich in 2015 ten volle heeft gekweten van haar taken als multi-inzetbaar pedagogisch medewerkster bij de CPE van Mamer en dat zij het pedagogische actieplan op 22 april 2015 aan een van haar collega’s heeft toegezonden. Ten derde stelt zij yogalessen met de kinderen te hebben georganiseerd, hoewel deze activiteit geen deel uitmaakte van haar formele doelstellingen. Ten vierde betwist verzoekster het verwijt dat zij niet voldoende proactief aan de werkgroepen, waaronder de werkgroep „Keuken”, heeft deelgenomen. Ten vijfde wijst zij erop dat zij slechts een plaatsvervangend lid van de werkgroep „Sport” was. Ten zesde betwist verzoekster dat zij in juli 2016 de kerstnieuwsbrief 2015 aan haar hiërarchieke meerderen heeft toegezonden. Ten zevende stelt verzoekster dat het pedagogisch actieplan niet noodzakelijkerwijs in een formele vorm diende te worden gegoten en dat het niet opportuun was om dit plan voor het nieuwe schooljaar in september 2016 in te dienen terwijl zij met ouderschapsverlof ging. Ten achtste betoogt verzoekster dat het TAOBG na slechts twee maanden van aanwezigheid al heeft geconcludeerd dat zij de doelstellingen van 2016 niet had verwezenlijkt.

259

De Commissie betoogt dat verzoekster geen kritiek kan uiten op de beoordelingen in de beoordelingsrapporten voor 2013, 2014 en 2015, waarop het bestreden besluit is gebaseerd, aangezien zij niet binnen de in het Statuut gestelde termijn tegen deze rapporten is opgekomen. Verder betwist de Commissie de stellingen van verzoekster.

260

In de eerste plaats moet met betrekking tot de door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheidsgrond worden verwezen naar de hierboven in de punten 235 en 236 aangehaalde rechtspraak.

261

In casu zij eraan herinnerd dat de motivering van het bestreden besluit verwijst naar een aantal beoordelingen die onder meer zijn opgenomen in verzoeksters beoordelingsrapporten voor de jaren 2013, 2014 en 2015.

262

Met name blijkt uit het dossier dat de motivering in de laatste alinea van bladzijde 1 van de brief van 8 september 2016 verwijst naar het beoordelingsrapport voor 2013. Voorts blijkt de motivering betreffende de moeilijkheden die verzoekster ondervond bij het combineren van haar privé- en beroepsleven, zoals vermeld in de tweede alinea van bladzijde 2 van diezelfde brief, te verwijzen naar het beoordelingsrapport voor 2014. De motivering op bladzijde 3, onder a) tot en met e), van voornoemde brief is ten slotte een weergave van de kwalitatieve beoordeling van verzoeksters efficiency, zoals terug te vinden in punt 3.1 van het beoordelingsrapport voor 2015.

263

Met haar betoog in het kader van de tweede tot en met de vijfde grief van dit onderdeel tracht verzoekster de inhoud van deze kwalitatieve beoordeling en daarmee dus van het beoordelingsrapport voor 2015 in twijfel te trekken.

264

Het staat evenwel vast dat verzoekster in kennis is gesteld van haar beoordelingsrapport voor 2015 en dat zij dit rapport niet binnen de in de artikelen 90 en 91 van het Statuut gestelde termijnen heeft betwist, zodat zowel dit rapport als de daarin vervatte beoordelingen definitief zijn geworden.

265

Bovendien heeft verzoekster geen nieuwe belangrijke feiten aangevoerd waaruit zou blijken dat zij nog steeds kan opkomen tegen het beoordelingsrapport voor 2015.

266

In deze omstandigheden kan verzoekster in het kader van het onderhavige beroep tegen het bestreden besluit, waarvoor het beoordelingsrapport voor 2015 een voorbereidende rol heeft gespeeld, niet bij wijze van incident opkomen tegen dat rapport. Derhalve zijn de tweede tot en met de vijfde grief van het derde onderdeel van het vierde middel niet-ontvankelijk voor zover zij strekken tot betwisting van een definitief geworden handeling.

267

De eerste, de zesde, de zevende en de achtste grief strekken daarentegen niet tot betwisting van de beoordelingen in de beoordelingsrapporten voor 2013, 2014 en 2015. De door de Commissie aangevoerde niet-ontvankelijkheidsgrond moet in zoverre dan ook worden afgewezen.

268

Wat in de tweede plaats de eerste grief aangaat, beroept verzoekster zich op de beoordelingen in het beoordelingsrapport voor 2014 die betrekking hebben op haar betrokkenheid bij de werkgroepen „Organisatie van informatiebijeenkomsten voor ouders” en „Keuken”.

269

Uit de beoordelingsrapporten voor 2013 en 2015, waarnaar het bestreden besluit verwijst, blijkt echter dat verzoekster in 2013 slechts in zeer geringe mate betrokkenheid heeft getoond bij de werkgroepen „Keuken” en „Organisatie van informatiebijeenkomsten voor ouders” en dat haar betrokkenheid in 2015 bij de werkgroepen „CPE-nieuwsbrief”, „Keuken” en „Sport” onvoldoende was of zelfs geheel ontbrak.

270

Daarnaast blijkt uit de gronden voor het bestreden besluit die worden vermeld op bladzijde 4 van de brief van 8 september 2016, dat het beoordelingsrapport voor 2015 onder meer als doelstelling voor verzoekster voor het jaar 2016 had geformuleerd dat zij een grotere inzet zou tonen bij het uitvoeren van de taken van de verschillende werkgroepen, hetzij als contactpersoon hetzij als plaatsvervangend lid, door maandelijks een overzicht met ontvangen feedback of gesignaleerde problemen (feitelijk en nauwkeurig) bij te houden, door voorstellen te doen of door een planning op te stellen voor de fysieke activiteiten tijdens schoolvakanties en door een jaarverslag op te stellen voor de werkgroep „Sport”. Gebleken is echter dat verzoekster geen enkele verbetering heeft laten zien voor wat betreft het niveau van haar prestaties in het licht van deze doelstelling, waarvan zij sinds 5 april 2016 op de hoogte was.

271

Op bladzijde 4, onder b), van de brief van 8 september 2016 heeft het TAOBG namelijk geoordeeld dat verzoekster vóór haar vertrek met ouderschapsverlof op 15 juli 2016 nog steeds even weinig proactief was bij het uitvoeren van de taken van de verschillende werkgroepen waarvan zij lid was. Het TAOBG verweet verzoekster met name dat zij niet het initiatief had genomen om maandelijks een overzicht op te stellen van de problemen die in de werkgroep „Keuken” waren gesignaleerd, dat zij geen actieve rol had gespeeld in de werkgroep „Sport” en dat zij had verzuimd de jaarverslagen van de werkgroepen „Keuken” en „CPE-nieuwsbrief” vóór haar vertrek met ouderschapsverlof in te dienen, ondanks een daartoe strekkend verzoek van 26 mei 2016 van haar afdelingshoofd.

272

De omstandigheid dat verzoekster in 2014 wél de vereiste betrokkenheid heeft getoond in de werkgroepen waarvan zij lid was, doet dan ook niet af aan de vaststellingen op bladzijde 1, bladzijde 3, onder a), en bladzijde 4, onder b), van de brief van 8 september 2016. Deze vaststellingen hebben betrekking op verzoeksters gebrek aan betrokkenheid bij de werkgroepen waarvan zij lid was gedurende de jaren 2013 en 2015 en gedurende de periode van 5 april tot 15 juli 2016.

273

Bijgevolg heeft verzoekster niet aangetoond dat de motivering van het bestreden besluit met betrekking tot haar gebrek aan betrokkenheid bij de werkgroepen waarvan zij lid was in 2013, 2015 en voor een deel van 2016 op een kennelijke beoordelingsfout berust, zodat de onderhavige grief ongegrond is en moet worden afgewezen.

274

In de derde plaats voert verzoekster in het kader van haar zesde grief aan dat het bestreden besluit op een feitelijke onjuistheid berust, aangezien zij de ontwerp-kerstnieuwsbrief 2015 op 22 januari 2016 en niet in juli 2016 heeft toegezonden aan de personen die dat ontwerp moesten goedkeuren. Zij preciseert dat de vertraagde verzending van haar e-mail waaraan de ontwerp-nieuwsbrief was gehecht, te wijten is aan een computerfout en dat de vertraagde publicatie ervan te wijten is aan twee van haar collega’s en aan haar hiërarchieke meerdere.

275

In dit verband blijkt uit de gronden voor het bestreden besluit die worden vermeld op bladzijde 4 van de brief van 8 september 2016, dat het beoordelingsrapport voor 2015 als een van de doelstellingen voor verzoekster voor 2016 had geformuleerd om meer inzet te tonen bij het uitvoeren van de taken van de verschillende werkgroepen waarvan zij contactpersoon of plaatsvervangend lid was en wel door drie CPE-nieuwsbrieven samen te stellen en te verspreiden. Uit deze motivering blijkt eveneens dat verzoekster geen enkele verbetering heeft laten zien voor wat betreft het niveau van haar prestaties in het licht van deze doelstelling, waarvan zij sedert 5 april 2016 op de hoogte was.

276

Met name heeft het TAOBG verzoekster op bladzijde 4, onder b), van de brief van 8 september 2016 verweten dat zij op 18 juli 2016 de kerstnieuwsbrief 2015 heeft verzonden, die door haar hiërarchieke gezag niet langer relevant werd geacht.

277

In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat verzoekster verwijst naar een e-mail die zij op 22 januari 2016 heeft verzonden en waarvan zij een afschrift aan haar verzoekschrift heeft gehecht.

278

Zoals de Commissie echter opmerkt, heeft dit document onvoldoende bewijskracht. Weliswaar behelst de e-mail de boodschap „[H]ierbij zend ik u de ontwerp-nieuwsbrief voor onze speciale kersteditie, om te printen” en wordt daarin een bijlage vermeld met het opschrift „Nieuwsbrief kinderopvang KERST.speciale editie.docx”, maar er staat ook dat de nieuwsbrief „van carnaval zo spoedig mogelijk zal volgen”, terwijl carnaval in dat jaar plaatsvond in februari.

279

Ten tweede heeft de Commissie een e-mail overgelegd waarin de datum van 18 juli 2016 als verzenddatum staat vermeld, welke e-mail van verzoekster afkomstig is en aan dezelfde geadresseerden is toezonden, met exact dezelfde boodschap als de e-mail waarop verzoekster zich beroept.

280

Ten derde stelt verzoekster weliswaar dat de e-mail waarmee zij de ontwerp-kerstnieuwsbrief 2015 aan haar collega’s heeft toegezonden, de geadresseerden door een computerfout niet heeft bereikt, maar levert zij geen enkel bewijs ter onderbouwing van haar stelling.

281

Ten vierde stelt verzoekster dat de publicatie van de kerstnieuwsbrief 2015, na de verzending op 22 januari 2016, vertraging heeft opgelopen door toedoen van twee van haar collega’s, en vervolgens door toedoen van de locatiemanager van de CPE van Kirchberg in Luxemburg, hetgeen zou verklaren waarom zij de ontwerp-kerstnieuwsbrief 2015 tweemaal aan haar hiërarchieke meerderen heeft toegezonden.

282

Verzoekster levert echter geen enkel bewijs van haar beweringen, die bovendien deels worden weersproken door de stukken van het dossier.

283

De naam van een van de twee hierboven in punt 281 genoemde collega’s komt namelijk niet voor in de lijst van geadresseerden van de e-mail van 22 januari 2016 waarop verzoekster zich beroept en evenmin in de door verzoekster overhandigde samenstelling van de werkgroep „CPE-nieuwsbrief”.

284

Bovendien stelt verzoekster weliswaar dat het ontwerp van de kerstnieuwsbrief 2015 moest worden goedgekeurd door de locatiemanager van de CPE van Kirchberg, maar zowel in de e-mail van 22 januari 2016, waarop verzoekster zich beroept, als in de e-mail van 18 juli 2016, die door de Commissie is overgelegd, wordt deze persoon enkel in cc vermeld, terwijl beide mails zijn geadresseerd aan drie andere personen die volgens verzoekster lid waren van de werkgroep „CPE-nieuwsbrief”.

285

Deze omstandigheid biedt dan ook steun voor het betoog van de Commissie dat het ontwerp van de kerstnieuwsbrief 2015 niet door de locatiemanager van de CPE van Kirchberg hoefde te worden goedgekeurd, maar enkel door de andere leden van de werkgroep „CPE-nieuwsbrief”.

286

Dit betekent dat verzoekster geen enkel bewijselement heeft aangevoerd dat het door de Commissie geleverde bewijs kan weerleggen dat zij het ontwerp van de kerstnieuwsbrief 2015 pas op 18 juli 2016 ter goedkeuring aan de leden van de werkgroep „CPE-nieuwsbrief” heeft toegezonden.

287

Derhalve is deze grief ongegrond en moet zij worden afgewezen.

288

In de vierde plaats stelt verzoekster in het kader van haar zevende grief dat het verwijt dat zij voor 2016 geen pedagogisch actieplan zou hebben ingediend, niet betekent dat een dergelijk plan niet bestond. Voordien was het pedagogisch actieplan niet in een formele vorm gegoten. Verder is verzoekster van mening dat men zich kan afvragen of het nodig is dat een personeelslid dat met ouderschapsverlof gaat een pedagogisch actieplan opstelt voor de periode waarin het zelf afwezig zal zijn, aangezien een dergelijk plan moet worden afgestemd op de kinderen die zij onder haar hoede heeft en moet worden gepersonaliseerd.

289

Dienaangaande blijkt uit de gronden voor het bestreden besluit die worden vermeld op bladzijde 4 van de brief van 8 september 2016, dat in het beoordelingsrapport voor 2015 onder meer als doel voor verzoekster voor 2016 was geformuleerd om een pedagogisch actieplan op te stellen. Op bladzijde 4, onder a), van diezelfde brief heeft het TAOBG verzoekster verweten dat zij dit actieplan niet vóór haar vertrek met ouderschapsverlof op 15 juli 2016 heeft ingediend, ondanks het feit dat zij hiertoe op 26 mei 2016 was aangemaand en dat zij over 112,5 flexibele uren, dat wil zeggen het equivalent van veertien werkdagen, beschikte om dit plan op te stellen.

290

De stellingen van verzoekster dat het opstellen van een pedagogisch actieplan voordien geen geformaliseerde praktijk was en dat een dergelijk plan bovendien, gezien haar voornemen om met ouderschapsverlof te gaan, niet nodig of opportuun was, kunnen niet afdoen aan het dwingende karakter van de doelstelling om dit actieplan op te stellen, zoals deze haar in het beoordelingsrapport voor 2015 was gesteld en waarvan niet wordt betwist dat zij er vanaf 5 april 2016 van op de hoogte was.

291

Verder blijkt uit een op 26 mei 2016 door het afdelingshoofd aan verzoekster gerichte e-mail dat dit afdelingshoofd haar heeft verzocht het pedagogisch actieplan uit te werken ter voorbereiding van het schooljaar 2016/2017 en wel aan de hand van een bij deze e-mail gevoegd model. Bovendien heeft het afdelingshoofd haar eraan herinnerd dat dit elk schooljaar diende te geschieden, overeenkomstig een sinds 2014 geldende instructie. Tot slot zou dit pedagogisch actieplan als werkbasis moeten dienen voor degene die in september 2016 de zorg zou krijgen over de groep kinderen die voor het schooljaar 2016/2017 aan verzoekster waren toevertrouwd, zulks in afwachting van haar terugkeer uit ouderschapsverlof.

292

Dienaangaande zij in herinnering geroepen dat artikel 21, eerste alinea, van het Statuut, dat krachtens de artikelen 11 en 81 van de RAP van overeenkomstige toepassing is op arbeidscontractanten, bepaalt dat „[iedere ambtenaar,] [o]ngeacht de rang welke hij in het ambtelijk bestel bekleedt, […] verplicht [is] zijn meerderen bij te staan en van raad te dienen; hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken welke hem zijn toevertrouwd.”

293

Volgens artikel 21 bis van het Statuut, dat krachtens de artikelen 11 en 81 van de RAP van overeenkomstige toepassing is op arbeidscontractanten, mag een ambtenaar zich uitsluitend onttrekken aan de in artikel 21 van het Statuut neergelegde verplichting tot gehoorzaamheid wanneer hij van zijn hiërarchieke meerdere een opdracht krijgt die duidelijk in strijd is met de wet of met de geldende veiligheidsvoorschriften.

294

In casu heeft verzoekster niet aangetoond of zelfs maar gesteld dat de haar verstrekte opdracht om vóór haar vertrek met ouderschapsverlof een pedagogisch actieplan op te stellen, duidelijk in strijd was met de wet of de geldende veiligheidsvoorschriften.

295

In deze omstandigheden heeft het TAOBG geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door te oordelen dat het feit dat verzoekster vóór haar vertrek met ouderschapsverlof bij haar hiërarchieke meerdere niet het pedagogische actieplan had ingediend dat deze van haar had gevraagd, ongepast gedrag van verzoekster vormde en als een van de redenen voor het bestreden besluit kon dienen.

296

Bijgevolg is deze grief ongegrond en moet zij worden afgewezen.

297

In de vijfde en laatste plaats betoogt verzoekster met haar achtste grief in wezen dat het TAOBG een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door op basis van slechts twee maanden van aanwezigheid te beoordelen of verzoekster de haar voor 2016 gestelde doelen had bereikt.

298

Zoals het Hof in punt 28 van het arrest in hogere voorziening heeft geoordeeld, komt uit de brief van 8 september 2016 echter uitdrukkelijk naar voren dat het TAOBG zich bij zijn algemene beoordeling van de wijze waarop verzoekster zich rekenschap van deze doelstellingen had gegeven, heeft beperkt tot de vaststelling dat haar prestatieniveau ter zake geen tekenen van verbetering had vertoond.

299

Het TAOBG heeft verzoekster namelijk weliswaar verweten dat zij het eerste doel dat haar in haar beoordelingsrapport voor 2015 was opgedragen, namelijk het opstellen van een pedagogisch actieplan, niet volledig had verwezenlijkt, maar dit geldt niet ten aanzien van de twee andere doelen, te weten het tonen van meer inzet bij het uitvoeren van de taken van de verschillende werkgroepen waarvan zij lid was en het tijdig inplannen van haar ouderschapsverlof (zie in die zin arrest in hogere voorziening, punt 29).

300

Wat meer concreet het eerste doel betreffende het opstellen van het pedagogische actieplan aangaat, waarvan niet wordt betwist dat verzoekster er op 5 april 2016 kennis van heeft genomen, heeft verzoekster niet aangetoond of zelfs maar gesteld dat zij over onvoldoende tijd beschikte om dit doel vóór haar vertrek met ouderschapsverlof op 15 juli 2016 te kunnen verwezenlijken, terwijl zij daartoe blijkens het bestreden besluit over veertien werkdagen beschikte.

301

In deze omstandigheden heeft verzoekster niet aangetoond dat het TAOBG een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door na afloop van een periode van circa drie maanden vast te stellen dat zij het eerste doel dat haar in het beoordelingsrapport voor 2015 was gesteld, te weten het opstellen van het pedagogische actieplan, niet had verwezenlijkt.

302

Derhalve moet de onderhavige grief, alsook het onderhavige onderdeel van dit middel in zijn geheel, ongegrond worden verklaard.

e)   Vierde onderdeel van het vierde middel: de grond dat verzoekster heeft verzuimd om haar hiërarchieke meerderen en collega’s in te lichten over haar deelname aan bepaalde vergaderingen van de CCP en de CLP berust op een kennelijke beoordelingsfout

303

Dit onderdeel omvat in wezen twee grieven. Ten eerste stelt verzoekster dat geen enkele Unierechtelijke bepaling haar ertoe verplichtte haar collega’s in te lichten over haar deelname aan de vergaderingen van de CCP en de CLP waarvoor zij een oproep had ontvangen. Ten tweede betoogt zij dat zij haar hiërarchieke meerderen altijd vooraf in kennis heeft gesteld van de vergaderingen waaraan zij uit hoofde van haar mandaat als personeelsvertegenwoordiger moest deelnemen, dat haar meerderen over het vergaderschema van de CCP en de CLP beschikten en dat zij op het laatste moment was opgeroepen om deel te nemen aan de vergadering van de CCP van 11 en 12 december 2014.

304

De Commissie bestrijdt de stellingen van verzoekster.

305

Opgemerkt zij dat de algemene constatering van het TAOBG in het bestreden besluit dat verzoekster onvoldoende geschikt is voor het ambt, onder meer is gebaseerd op het feit dat verzoekster bij het plannen van haar activiteiten in verband met haar mandaat als personeelsvertegenwoordiger niet altijd rekening hield met het belang van de dienst.

306

Meer in het bijzonder heeft het TAOBG verzoekster op bladzijde 2, onder e), van de brief van 8 september 2016 verweten dat zij haar hiërarchieke meerderen pas de dag tevoren om 17.26 uur heeft laten weten dat zij op 26 februari 2014 een vergadering in verband met haar vakbondsmandaat zou bijwonen.

307

Daarnaast heeft het TAOBG verzoekster op bladzijde 2, onder f), van de brief van 8 september 2016 verweten dat zij haar collega’s niet heeft geïnformeerd over het feit dat zij op 9 december 2014 een vergadering van de CCP zou bijwonen.

308

Verder heeft het TAOBG verzoekster op bladzijde 2, onder g), van de brief van 8 september 2016 verweten dat zij haar hiërarchieke meerderen pas de dag tevoren heeft laten weten dat zij op 11 en 12 december 2014 een plenaire vergadering van de CCP zou bijwonen en dat zij bovendien heeft verzuimd haar collega’s hiervan in kennis te stellen.

309

Tot slot heeft het TAOBG verzoekster op bladzijde 5, onder d), van de brief van 8 september 2016 verweten dat zij haar hiërarchieke meerderen en haar collega’s pas op de dag zelf van de vergaderingen van de CCP van 28 januari en 24 mei 2016 heeft laten weten dat zij die vergaderingen zou bijwonen.

310

Vooraf zij opgemerkt dat verzoekster niet opkomt tegen het feit dat het TAOBG op bladzijde 2 van de brief van 8 september 2016 verwijst naar de beoordeling in het beoordelingsrapport voor 2014 dat zij bij het plannen van haar vakbondsactiviteiten niet altijd rekening had gehouden met het belang van de dienst. Verzoekster betwist enkel de gronden voor het bestreden besluit die worden vermeld op bladzijde 2, onder e) tot en met g), van de brief van 8 september 2016, waarin niet wordt gerefereerd aan een beoordeling uit het beoordelingsrapport voor 2014.

311

Bijgevolg kunnen de door verzoekster in het kader van dit onderdeel aangevoerde argumenten niet worden opgevat als een betwisting van een beoordeling uit het beoordelingsrapport voor 2014, dat volgens de Commissie definitief is geworden.

312

Wat om te beginnen de eerste grief aangaat, moet, zoals in punt 173 van dit arrest is uiteengezet, een ambtenaar die of een ander personeelslid dat bij een vakbond is gedetacheerd of is gemandateerd als personeelsvertegenwoordiger, overeenkomstig artikel 60 van het Statuut vooraf toestemming vragen aan zijn hiërarchieke meerdere om afwezig te mogen zijn en deel te nemen aan de vergaderingen waarvoor hij is uitgenodigd in verband met zijn vakbondsmandaat of zijn mandaat als personeelsvertegenwoordiger. Van de verplichting om vooraf om toestemming te vragen overeenkomstig artikel 60 van het Statuut kan namelijk alleen worden afgeweken bij ziekte of ongeval en niet bij deelname aan vergaderingen in verband met een vakbondsmandaat of vergaderingen van een vertegenwoordigende instantie als de CCP of de CLP.

313

In dat kader was verzoekster, zoals in punt 174 van dit arrest is uiteengezet, krachtens artikel 7, punt 3.1 van besluit C(2011) 3588 verplicht om haar hiërarchieke meerderen tijdig op de hoogte te stellen van haar oproepen voor de vergaderingen van de CCP en de CLP, en was de hiërarchie gerechtigd haar deelname aan die vergaderingen in voorkomend geval bij een schriftelijk gemotiveerd besluit te weigeren.

314

Opgemerkt zij echter, ten eerste, dat noch artikel 60 van het Statuut noch besluit C(2011) 3588 een personeelslid met een vakbondsmandaat of een mandaat als personeelsvertegenwoordiging ertoe verplicht zijn collega’s in te lichten over zijn deelname aan vergaderingen in verband met de uitoefening van zijn mandaat.

315

Ten tweede komt, anders dan de Commissie betoogt, uit de stukken van het dossier niet naar voren dat verzoekster een formele instructie van haar hiërarchieke meerderen heeft gekregen om haar collega’s op de hoogte te brengen van haar afwezigheden in verband met haar deelname aan de vergaderingen van de CLP en de CCP.

316

Om te beginnen blijkt uit een op 6 september 2011 door het afdelingshoofd aan verzoekster geadresseerde e-mail wel dat dit afdelingshoofd van oordeel was dat de bijzondere behoeften van de CPE en de aard van verzoeksters werkzaamheden zich verzetten tegen haar systematische deelname aan vergaderingen in verband met haar vakbondsmandaat. In deze e-mail heeft verzoekster toestemming gekregen om de vakbondsvergaderingen bij te wonen onder de dubbele voorwaarde dat zij dit zou afstemmen met de collega met wie zij samen een groep kinderen onder haar hoede had en dat zij bovendien het afdelingssecretariaat en de locatiemanager van het kinderdagverblijf daarvan op de hoogte zou stellen.

317

Uit de stukken van het dossier blijkt echter niet dat deze instructie na het schooljaar 2011/2012 en in het bijzonder na de benoeming van verzoekster tot lid van de CLP en de CCP in de loop van 2014 is verlengd.

318

In het bijzonder blijkt weliswaar uit een memorandum van het afdelingshoofd van verzoekster van 7 februari 2017 dat er over de uitvoering van haar vakbondsmandaat een regeling was getroffen met de voorzitter van de vakbond waarvan verzoekster lid was, maar uit niets blijkt dat deze regeling, die van 16 juli 2011 tot 1 april 2014 van kracht was, na die datum is verlengd.

319

Voorts blijkt uit de op bladzijde 2, onder f), van de brief van 8 september 2016 vermelde e-mail dat een collega van verzoekster tegenover de locatiemanager van de crèche van de CPE van Mamer haar verbazing had geuit over het feit dat verzoekster haar niet had laten weten dat zij op 9 december 2014 afwezig zou zijn. Volgens dezelfde e-mail heeft zij deze locatiemanager gevraagd of er ook een protocol voor collegiale samenwerking bestond.

320

Ten slotte tonen de door de Commissie aangevoerde stukken niet aan dat er een formele instructie tot verzoekster was gericht om haar collega’s op de hoogte te brengen van haar afwezigheden in verband met haar deelname aan de vergaderingen van de CLP en de CCP.

321

In het beoordelingsrapport voor 2014 wordt hierover namelijk uitsluitend vermeld dat verzoekster systematisch rekening diende te houden met de organisatie van de dienst wanneer zij van plan was zich van haar vakbondstaken te kwijten en dat afwezigheid in september diende te worden vermeden.

322

Ook verzoeksters e-mail van 27 april 2015 aan de functionele mailbox van de CPE van Mamer, waarin enkele van haar collega’s in cc stonden vermeld en waarin zij onder meer haar komende afwezigheden in de daaropvolgende maand heeft gespecificeerd, wettigen niet de conclusie dat zij formeel was geïnstrueerd om haar collega’s systematisch te verwittigen van haar deelname aan de vergaderingen van de CCP en de CLP.

323

Bovendien heeft het afdelingshoofd van verzoekster in een eveneens door de Commissie aangevoerd memorandum van 15 juli 2016 verklaard dat zij als personeelsvertegenwoordiger weliswaar het recht had om zonder voorafgaande toestemming een in december 2014 geplande vergadering van de CCP bij te wonen, maar dat het een „goede praktijk” vormde om haar hiërarchieke meerderen en haar collega’s hierover tijdig tevoren te informeren.

324

Derhalve heeft de Commissie niet aangetoond dat verzoekster een formele instructie van haar hiërarchieke meerderen om haar collega’s te informeren over haar deelname aan de vergaderingen van de CCP en de CLP heeft genegeerd en daarmee de krachtens de artikelen 11 en 21 van het Statuut op haar rustende verplichtingen tot loyaliteit en gehoorzaamheid heeft geschonden.

325

Uit het voorgaande volgt dat verzoekster terecht stelt dat het bestreden besluit berust op een kennelijke beoordelingsfout voor zover het TAOBG heeft geoordeeld dat het verzuim om haar collega’s vooraf te informeren over haar deelname aan de vergaderingen van 9, 11 en 12 december 2014 en 28 januari en 24 mei 2016, ongepast gedrag van haar kant opleverde.

326

Wat vervolgens de tweede grief van het onderhavige onderdeel betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat het feit dat de hiërarchieke meerderen van verzoekster over het vergaderschema van de CCP en de CLP beschikten, haar niet ontsloeg van de krachtens artikel 60, eerste alinea, van het Statuut op haar rustende verplichting om toestemming te vragen om deze vergaderingen te mogen bijwonen.

327

Ten tweede betoogt verzoekster weliswaar dat zij haar hiërarchieke meerderen altijd tevoren in kennis heeft gesteld van de vergaderingen waaraan zij uit hoofde van haar mandaat als personeelsvertegenwoordiger deelnam, maar voert zij geen enkel bewijs aan waaruit blijkt dat zij, zodra zij de oproepen voor de in het bestreden besluit vermelde vergaderingen had ontvangen, om toestemming heeft verzocht teneinde haar hiërarchieke meerderen in staat te stellen onmiddellijk in haar vervanging te voorzien en de continuïteit van de dienst te waarborgen.

328

Met name toont verzoekster niet aan en stelt zij zelfs niet eens dat zij te laat is opgeroepen voor de vakbondsvergadering van 26 februari 2014.

329

Verder blijkt uit het dossier dat de vergaderingen van de CCP van 11 en 12 december 2014 en van 28 januari en 24 mei 2016 hebben plaatsgevonden in Brussel, zodat het, gelet op de tijd die gemoeid gaat met het reizen tussen Luxemburg en Brussel, afhankelijk van het vervoermiddel, niet erg waarschijnlijk is dat verzoekster pas op de dag vóór of op de dag zelf van die vergaderingen is opgeroepen.

330

In die omstandigheden heeft het TAOBG geen kennelijke beoordelingsfout gemaakt door in het bestreden besluit te oordelen dat het verzuim van verzoekster om haar hiërarchieke meerderen te informeren over haar deelname aan de vergaderingen van 26 februari 2014, 11 en 12 december 2014 en 28 januari en 24 mei 2016, ongepast gedrag van haar kant opleverde.

f)   Vijfde onderdeel van het vierde middel: de grond volgens welke verzoekster het verzoek tot herplaatsing in haar voltijdse functie na een periode van halftijds werk om medische redenen te laat heeft ingediend, berust op een kennelijke beoordelingsfout

331

In het kader van dit onderdeel betoogt verzoekster in wezen dat de op bladzijde 3, onder h), van de brief van 8 september 2016 genoemde grond voor het bestreden besluit berust op een kennelijke beoordelingsfout, aangezien haar halftijdse werk om medische redenen had kunnen worden verlengd, de herplaatsing in haar voltijdse functie op haar eigen initiatief geschiedde en het niet duidelijk is wat haar nu precies wordt verweten.

332

De Commissie betwist de argumenten van verzoekster.

333

In dit verband zij eraan herinnerd dat het TAOBG op bladzijde 3, onder h), van de brief van 8 september 2016 heeft geconstateerd dat verzoekster van 17 november tot en met 23 december 2014 om gezondheidsredenen halftijds had gewerkt, waarna de medische dienst haar had geadviseerd om met haar hiërarchieke meerderen in overleg te treden over de hervatting van haar voltijdse werkzaamheden in januari 2015. Voorts heeft het TAOBG opgemerkt dat verzoekster pas op 22 december 2014 contact had opgenomen met haar hiërarchieke meerderen.

334

Vooraf zij opgemerkt dat in de motivering op bladzijde 3, onder h), van de brief van 8 september 2016 geen beoordeling uit het beoordelingsrapport voor 2014 wordt overgenomen, dat volgens de Commissie definitief is geworden.

335

Wat de gegrondheid van de in het kader van dit onderdeel gevoerde betoog betreft, volgt ten eerste uit artikel 59, derde tot en met vijfde alinea, van het Statuut, dat krachtens de artikelen 16 en 91 van de RAP van overeenkomstige toepassing is op arbeidscontractanten, dat de ambtenaar, tijdelijke functionaris of arbeidscontractant met ziekteverlof te allen tijde kan worden verplicht zich aan een door de instelling georganiseerde medische controle te onderwerpen, dat indien uit dit medisch onderzoek blijkt dat de betrokken ambtenaar of arbeidscontractant in staat is zijn werkzaamheden te verrichten, zijn afwezigheid met ingang van de datum van dit onderzoek als ongeoorloofd wordt beschouwd, tenzij de betrokken ambtenaar of arbeidscontractant van oordeel is dat de conclusies van het door het bevoegde gezag georganiseerde medisch onderzoek medisch niet gerechtvaardigd zijn; in dat geval kan de betrokken ambtenaar of arbeidscontractant, of een arts die namens hem optreedt, binnen twee dagen bij de instelling een verzoek om arbitrage door een onafhankelijke arts indienen.

336

In casu blijkt uit het dossier dat verzoekster toestemming heeft gekregen om haar werkzaamheden vanaf 17 november 2014 om gezondheidsredenen halftijds te verrichten en dat de met het medisch onderzoek belaste arts op 16 december 2014 erop heeft aangedrongen dat zij haar werkzaamheden vanaf januari 2015 in voltijd zou hervatten.

337

Noch uit de motivering van het bestreden besluit noch uit de stukken van het dossier blijkt echter dat verzoekster, door op maandag 22 december 2014 contact op te nemen met haar werkgever teneinde de hervatting van haar voltijdse werkzaamheden in januari 2015 te regelen, een krachtens een Unierechtelijke bepaling geldende termijn zou hebben geschonden of een instructie van haar hiërarchieke meerderen zou hebben genegeerd.

338

Ten tweede staat weliswaar vast dat de kinderopvang van de CPE op 22 december 2014 wegens de kerstvakantie was gesloten, maar de Commissie heeft niet gesteld dat de administratie van de CPE in die periode niet voor een permanente aanwezigheid zorgde om de continuïteit van de dienst te waarborgen. Derhalve komt uit de stukken van het dossier niet naar voren dat de wijze waarop verzoekster haar werkzaamheden voltijds zou hervatten, niet tussen 22 december 2014 en 5 januari 2015 kon worden geregeld.

339

Ten derde blijkt evenmin dat een termijn van twee weken onvoldoende was om verzoeksters voltijdse re-integratie te regelen.

340

Verzoekster betoogt dan ook terecht dat het bestreden besluit berust op een kennelijke beoordelingsfout voor zover het TAOBG zich heeft gebaseerd op de grond die wordt vermeld op bladzijde 3, onder h), van de brief van 8 september 2016.

g)   Zesde onderdeel van het vierde middel: de grond volgens welke er een conflict heerste in het kinderdagverblijf van de CPE van Mamer berust op een kennelijke beoordelingsfout

341

In het kader van het onderhavige onderdeel betoogt verzoekster in wezen dat de op bladzijde 4, onder f), van de brief van 8 september 2016 vermelde grond berust op een kennelijke beoordelingsfout, aangezien het TAOBG geen rekening heeft gehouden met de uiterst vijandige wijze waarop een aantal van haar collega’s haar bij haar aankomst op het kinderdagverblijf van de CPE van Mamer heeft ontvangen.

342

Het TAOBG heeft in dit verband op bladzijde 4, onder f), van de brief van 8 september 2016 geconstateerd dat de collega’s van verzoekster hadden gemeld dat zij problemen ervoeren bij de samenwerking met verzoekster en met name dat de locatiemanager van de CPE van Mamer in april 2015 een e-mail aan het afdelingshoofd van verzoekster had gezonden waarin stond dat zij nog maar sinds kort werkzaam was op het kinderdagverblijf van de CPE van Mamer, maar dat er nu al sprake was van een „ernstig conflict”, „dat het niet goed ging” en „dat de goede sfeer in de ochtend volkomen was verdwenen”.

343

Ten eerste blijkt uit de stukken van het dossier dat verzoekster in april 2015 als „multi-inzetbaar pedagogisch medewerkster” was tewerkgesteld bij het kinderdagverblijf van de CPE van Mamer. Voorts blijkt daaruit dat de locatiemanager van de CPE van Mamer in een e-mail van 23 april 2015, gericht aan het afdelingshoofd van verzoekster en getiteld „Conflict op het kinderdagverblijf” heeft aangegeven dat ofschoon verzoekster nog maar sinds korte tijd werkzaam was op het kinderdagverblijf van de CPE van Mamer, er nu al een ernstig conflict was ontstaan, het niet goed ging, de goede sfeer in de ochtend volkomen was verdwenen en een van de collega’s van verzoekster aan het huilen was terwijl een ander aan de telefoon stond te schreeuwen. Bovendien werd daarin uiteengezet dat de locatiemanager van de CPE van Mamer en een van de collega’s van verzoekster hun uiterste best hadden gedaan om de situatie te sussen en, meer concreet, dat die collega ’s ochtends meer dan een uur met verzoekster had doorgebracht terwijl de locatiemanager met de overige collega’s had gesproken en dat het als zeer dringend werd ervaren om een vergadering met iedereen te beleggen voordat ze elkaar „zouden afmaken”.

344

Bij gebreke van meer nauwkeurige aanwijzingen omtrent de oorzaak van de op bladzijde 4, onder f), van de brief van 8 september 2016 beschreven – en door de hierboven in punt 343 genoemde e-mail van 23 april 2015 aangetoonde – conflictsituatie, kan noch uit die e-mail noch uit de overige stukken van het dossier worden afgeleid dat de verantwoordelijkheid voor die conflictsituatie uitsluitend of hoofdzakelijk aan verzoekster viel toe te rekenen.

345

Ten tweede moet worden vastgesteld dat de stukken waarnaar de Commissie verwijst onvoldoende bewijs bevatten dat verzoekster primair verantwoordelijk is voor het feit dat op 23 april 2015 een conflict is gerezen in het kinderdagverblijf van de CPE van Mamer.

346

De inhoud van de e-mail van een collega van verzoekster van 9 december 2014, die op dezelfde dag is doorgestuurd door de locatiemanager van de CPE van Mamer, werpt namelijk geen enkel licht op de mogelijke oorzaken van de conflictsituatie die op 23 april 2015 op het kinderdagverblijf van de CPE van Mamer heerste.

347

Hetzelfde geldt voor de e-mails die het afdelingshoofd van verzoekster en de locatiemanager van de CPE van Mamer op 25 juni 2015 hebben uitgewisseld en waarin uitsluitend wordt gesproken over de moeilijkheden die deze manager had ondervonden bij het vervangen van verzoekster op 24 en 25 juni 2015 doordat zij deze afwezigheid pas in de ochtend van 24 juni 2015 had doorgegeven.

348

Zo ook wordt in de getuigenissen van 18 december 2018 van de locatiemanager en de beheerder van de CPE van Mamer alsook van het afdelingshoofd van verzoekster in algemene bewoordingen gesteld dat sommige collega’s rechtstreeks en herhaaldelijk bij hen hebben gemeld dat de samenwerking met verzoekster uiterst moeizaam verliep, zonder dat evenwel gewag werd gemaakt van de op 23 april 2015 op het kinderdagverblijf van de CPE heersende conflictsituatie.

349

Ten slotte verwijst de Commissie nog naar een e-mail van 21 oktober 2015 van een ouder van een kind dat verzoekster in het schooljaar 2014/2015 onder haar hoede had gehad in het „kinderdagverblijf” van de CPE van Kirchberg, maar deze e-mail bevat geen enkele aanwijzing over de oorzaken van de op 23 april 2015 op het kinderdagverblijf van Mamer heersende conflictsituatie.

350

Derhalve stelt verzoekster terecht dat het bestreden besluit berust op een kennelijke beoordelingsfout voor zover het TAOBG zich heeft gebaseerd op de op bladzijde 4, onder f), van de brief van 8 september 2016 vermelde grond.

h)   Zevende onderdeel van het vierde middel: de algemene vaststelling dat verzoekster onvoldoende geschikt is voor het ambt berust op een kennelijke beoordelingsfout

351

Het onderhavige onderdeel omvat vijf grieven. De eerste grief houdt in dat de tekortkomingen die verzoekster worden verweten niet elk jaar zijn herhaald in haar beoordelingsrapporten; de tweede grief luidt dat de beoordelingen in het beoordelingsrapport voor 2015 niet objectief zijn; de derde grief luidt dat de feiten die haar met betrekking tot de jaren 2014 en 2015 worden verweten, van lang geleden dateren; de vierde grief betreft het ontbreken van enige fout of nalatigheid van verzoekster bij de zorg voor de aan haar toevertrouwde kinderen, en de vijfde grief heeft betrekking op het verzuim van de Commissie om rekening te houden met verzoeksters lange staat van dienst en het feit dat zij nooit een berisping of waarschuwing heeft gekregen.

352

In de eerste plaats moet, alvorens de hierboven in punt 351 opgesomde grieven worden onderzocht, rekening houdend met het onderzoek van het derde en vierde middel in de punten 73 tot en met 350 van dit arrest, worden bepaald of de door het Gerecht in het kader van het onderzoek van deze middelen vastgestelde onrechtmatigheden tot nietigverklaring van het bestreden besluit leiden dan wel of de gronden die niet door verzoekster zijn betwist of waarvan zij de onrechtmatige aard niet heeft aangetoond, volstaan als juridische grondslag voor dit besluit, los van de gronden die door het Gerecht als onrechtmatig zijn aangemerkt.

353

In dit verband zij ten eerste met betrekking tot het gedrag van verzoekster in 2013 opgemerkt dat zij niet het bewijs heeft geleverd van de onrechtmatigheid van de op bladzijde 1 van de brief van 8 september 2016 vermelde gronden voor het bestreden besluit, namelijk dat zij amper enige inzet had getoond in het kader van de werkgroepen „Keuken” en „Organisatie van informatiebijeenkomsten voor ouders” en dat zij haar activiteiten in verband met deze werkgroepen bovendien had moeten inplannen tijdens de zogeheten „flexibele” uren, waarin zij niet voor de kinderen hoefde te zorgen, aangezien sommige ouders hadden geklaagd dat zij niet aanwezig was in het klaslokaal wanneer zij hun kinderen kwamen ophalen.

354

Wat ten tweede de gronden van het bestreden besluit in verband met het gedrag van verzoekster in 2014 aangaat, heeft verzoekster evenmin aangetoond dat de beoordelingen in het beoordelingsrapport voor 2014, zoals weergegeven op bladzijde 2 van de brief van 8 september 2016, die betrekking hebben op enerzijds de moeilijkheden die zij zou hebben ondervonden bij het combineren van haar privé- en beroepsleven en anderzijds het verzuim om bij het plannen van de activiteiten in verband met haar mandaat als personeelsvertegenwoordiger de belangen van de dienst in aanmerking te nemen, onrechtmatig waren.

355

Verzoekster heeft evenmin de onrechtmatigheid aangetoond van de op bladzijde 2, onder b) tot en met g), van de brief van 8 september 2016 vermelde gronden, te weten, respectievelijk, haar onregelmatige afwezigheden op 7 mei en 16 juni 2014; het feit dat zij had gepland om op 2 mei 2014 afwezig te zijn en de dienst daarvan op dezelfde dag had verwittigd; haar ongerechtvaardigde afwezigheid op 18 juni 2014; het feit dat zij haar hiërarchieke meerderen pas de dag tevoren om 17.26 uur in kennis had gesteld van haar afwezigheid op 26 februari 2014 wegens het bijwonen van een vakbondsvergadering; de omstandigheid dat zij op 9 december 2014 de inrichting van een lokaal had veranderd zonder instemming van de collega met wie zij samenwerkte en dat zij dat lokaal niet heeft teruggebracht in de oude staat, en ten slotte het feit dat zij haar hiërarchieke meerderen pas de dag vóór 11 december 2014 in kennis heeft gesteld van haar afwezigheid op 11 en 12 december 2014 wegens het bijwonen van een plenaire vergadering van de CCP.

356

Wat ten derde het gedrag van verzoekster in 2015 aangaat, heeft zij de op bladzijde 3 van de brief van 8 september 2016 vermelde grond voor het bestreden besluit dat het algehele niveau van haar prestaties in 2015 in het beoordelingsrapport voor 2015 als onvoldoende is aangemerkt, niet betwist.

357

Verzoekster heeft evenmin het bewijs geleverd van de onrechtmatigheid van de gronden zoals vermeld op bladzijde 3, onder a) tot en met e), en i), van de brief van 8 september 2016, te weten respectievelijk het feit dat zij onvoldoende of zelfs geheel niet betrokken was bij de werkgroepen waarvan zij lid was; het feit dat zij niet proactief was wanneer zij zich van haar taken als „multi-inzetbaar” pedagogisch medewerkster kweet; het verzuim om haar hiërarchieke meerderen te informeren over de uitvoering van de doelstelling om yoga-activiteiten te organiseren; het feit dat zij geen pedagogisch actieplan heeft opgesteld; het feit dat het gebrek aan continuïteit in de zorg voor de groep kinderen waarvoor zij verantwoordelijk was, aanleiding had gegeven tot twee klachten van twee ouders, en ten slotte haar verzuim om een aantal van haar afwezigheden in juni 2015 mee te delen.

358

Wat ten vierde het gedrag van verzoekster in 2016 aangaat, heeft zij niet de onrechtmatigheid aangetoond van de op bladzijde 4 van de brief van 8 september 2016 vermelde grond voor het bestreden besluit, namelijk dat het niveau van haar prestaties in het licht van de drie doelstellingen die haar voor 2016 waren gesteld, niet was verbeterd.

359

Verzoekster heeft evenmin de onrechtmatigheid aangetoond van de op bladzijde 4, onder a) en b), en bladzijde 5, onder d) en e), van de brief van 8 september 2016 vermelde gronden voor het bestreden besluit, te weten respectievelijk het feit dat zij het pedagogische actieplan dat van haar was gevraagd niet vóór haar vertrek met ouderschapsverlof op 15 juli 2016 had ingediend, het verzuim om maandelijks verslag uit te brengen over kwesties in verband met de collectieve catering op de CPE, haar gebrek aan actieve inzet in de werkgroep „Sport”, het feit dat zij vóór haar vertrek met ouderschapsverlof geen jaarverslag van de werkgroepen „Keuken” en „CPE-nieuwsbrief” had opgesteld en dat zij in juli 2016 een door haar hiërarchieke meerderen als niet langer relevant aangemerkte editie van de CPE-nieuwsbrief had verzonden, haar gebrekkige communicatie met haar hiërarchieke meerderen over haar afwezigheden, waaronder met name op 28 januari en 24 mei 2016, en tot slot haar ongerechtvaardigde afwezigheid op 30 en 31 mei 2016.

360

Het bestreden besluit bevat derhalve een aantal gronden waarvan de onrechtmatigheid niet is aangetoond en die voldoende zwaarwegend zijn om steun te bieden voor de algemene vaststelling van het TAOBG dat verzoekster ongeschikt is voor het ambt, gelet met name op haar gebrek aan betrokkenheid bij de werkgroepen waarvan zij lid was in 2013, 2015 en 2016, haar ongerechtvaardigde afwezigheden in 2014 en 2016, het verzuim om haar hiërarchieke meerderen tijdig te informeren over het bijwonen van bepaalde vergaderingen in verband met haar vakbondsmandaat of haar mandaat als personeelsvertegenwoordiger in 2014 en 2016 en het niet naleven van bepaalde instructies van haar hiërarchieke meerderen in 2015 en 2016.

361

In die omstandigheden kan de rechtmatigheid van de algemene vaststelling dat verzoekster ongeschikt is voor het ambt niet worden aangetast door het feit dat de op bladzijde 4, onder c), van de brief van 8 september 2016 vermelde grond voor het bestreden besluit betreffende de data waarop en de periode waarin verzoekster om ouderschapsverlof heeft verzocht, berust op een onjuiste rechtsopvatting, en evenmin door het feit dat er beoordelingsfouten kleven aan de gronden die zijn vermeld op bladzijde 2, onder a), f) en g), bladzijde 3, onder h), bladzijde 4, onder f), en bladzijde 5, onder d), van dezelfde brief en die betrekking hebben op respectievelijk het overhaaste verzoek dat verzoekster om gezinsredenen zou hebben gedaan om de toestemming om in deeltijd te mogen werken in te trekken; op het feit dat verzoekster haar collega’s niet heeft laten weten dat zij op 9 december 2014 een vergadering van de CCP zou bijwonen; op het feit dat zij haar collega’s niet heeft laten weten dat zij op 11 en 12 december 2014 een vergadering van de CCP zou bijwonen; op haar verzoek om de wijze te regelen waarop zij, na een periode van halftijds werk om medische redenen, in haar voltijdse functie zou worden herplaatst; op de conflictsituatie in het kinderdagverblijf van de CPE van Mamer op 23 april 2015 en ten slotte op het verzuim van verzoekster om haar collega’s te verwittigen van haar deelname aan de vergaderingen van de CCP van 28 januari en 24 mei 2016.

362

Uit de voorgaande overwegingen volgt derhalve dat de door het Gerecht in het kader van zijn onderzoek van het derde en het vierde middel in de punten 73 tot en met 350 van dit arrest vastgestelde onrechtmatigheden niet van dien aard zijn dat zij tot nietigverklaring van het bestreden besluit leiden.

363

Wat in de tweede plaats de eerste grief van dit onderdeel betreft, stelt verzoekster dat in haar beoordelingsrapporten niet elk jaar dezelfde punten van kritiek zijn geuit, zodat het TAOBG haar niet kon verwijten dat haar tekortkomingen zich over meerdere jaren hebben uitgestrekt.

364

Allereerst zij eraan herinnerd dat bij gebreke van de (overeenkomstige) toepassing van artikel 51 van het Statuut op arbeidscontractanten, geen enkele bepaling van de RAP het TAOBG ertoe verplicht om zich bij de vaststelling van een besluit tot beëindiging van de overeenkomst van een arbeidscontractant wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt uitsluitend te baseren op herhaalde tekortkomingen die in de beoordelingsrapporten van de arbeidscontractant zouden moeten staan vermeld.

365

In casu was het TAOBG dan ook gerechtigd om het bestreden besluit niet alleen te baseren op gedragingen van verzoekster die in haar beoordelingsrapporten van 2013, 2014 en 2015 het voorwerp van bepaalde beoordelingen zijn geweest, maar ook op gedragingen die niet in die rapporten stonden vermeld.

366

Voorts zij opgemerkt dat sommige van de gedragingen die het TAOBG verzoekster verwijt, ongeacht of deze al dan niet zijn beoordeeld in haar beoordelingsrapporten, een herhaling vormen van dezelfde tekortkomingen als die van 2013 en 2016.

367

Dit geldt met name ten aanzien van verzoeksters gebrek aan betrokkenheid bij de werkgroepen waarvan zij lid was in 2013, 2015 en 2016, haar onregelmatige afwezigheden in 2014 en 2016, het niet tijdig informeren van haar hiërarchieke meerderen over het bijwonen van vergaderingen in verband met haar vakbondsmandaat of haar mandaat als personeelsvertegenwoordiger in 2014 en 2016 en het niet opvolgen van bepaalde instructies, in het bijzonder de instructie om een pedagogisch actieplan op te stellen in 2015 en 2016.

368

Derhalve kan verzoekster niet stellen dat het bestreden besluit berust op een kennelijke beoordelingsfout omdat dezelfde tekortkomingen niet elk jaar opnieuw zijn herhaald. Deze grief moet dan ook ongegrond worden verklaard.

369

Wat in de derde plaats de tweede grief van dit onderdeel betreft, volgt uit punt 266 van dit arrest dat verzoekster het beoordelingsrapport voor 2015 niet bij wege van incident kan aanvechten in het kader van het onderhavige beroep tegen het bestreden besluit, waarvoor dat rapport een voorbereidende rol heeft gespeeld.

370

Vastgesteld moet worden dat verzoekster met de onderhavige grief de objectiviteit van haar beoordelingsrapport voor 2015 tracht te ontkrachten, gelet op de beoordeling die de ad-hocgroep van gedetacheerde en gemachtigde functionarissen van de Commissie heeft verricht van de wijze waarop zij haar mandaat als personeelsvertegenwoordiger heeft uitgeoefend.

371

Bijgevolg moet deze grief niet-ontvankelijk worden verklaard.

372

Wat in de vierde plaats de derde grief van dit onderdeel aangaat, volgens welke de aan verzoekster verweten feiten met betrekking tot 2014 en 2015 van lang geleden dateren, volgt uit punt 228 van dit arrest en uit de hierboven in de punten 222 en 227 aangehaalde rechtspraak dat het TAOBG een besluit om een tijdelijke functionaris of arbeidscontractant wegens ongeschiktheid voor het ambt te ontslaan mag baseren op feiten die, zoals in casu, zijn vastgesteld in de drie jaar voorafgaand aan de vaststelling van een dergelijk besluit.

373

Bijgevolg moet de onderhavige grief ongegrond worden verklaard.

374

Wat in de vijfde plaats de vierde grief van dit onderdeel aangaat, stelt verzoekster dat het bestreden besluit niet is gebaseerd op enige fout of nalatigheid die haar zou kunnen worden verweten in het kader van de zorg voor de aan haar toevertrouwde kinderen.

375

Deze grief stoelt op de premisse dat de beëindiging van de overeenkomst van een arbeidscontractant of tijdelijk functionaris wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt slechts kan plaatsvinden wegens een fout of nalatigheid van het betrokken personeelslid in het kader van de uitoefening van zijn primaire taken.

376

Weliswaar kan het begaan van een fout of nalatigheid in de uitvoering van de werkzaamheden die primair aan een tijdelijke functionaris of arbeidscontractant zijn opgedragen, in voorkomend geval aanleiding geven tot een tuchtmaatregel, maar dit neemt niet weg dat het TAOBG bij gebreke van een dergelijke fout of nalatigheid gerechtigd is de overeenkomst van een tijdelijke functionaris of arbeidscontractant wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt te beëindigen wanneer, zoals in casu, het algemene gedrag van het betrokken personeelslid, door de ongepaste aard ervan, gedurende meerdere opeenvolgende jaren een negatieve invloed heeft gehad op de goede werking van de dienst van de instelling waarbij dat personeelslid is tewerkgesteld.

377

Gelet op de onjuistheid van de hierboven in punt 375 genoemde premisse, moet de onderhavige grief worden afgewezen.

378

Wat in de zesde en laatste plaats de vijfde grief van dit onderdeel betreft, verwijt verzoekster het TAOBG dat het geen rekening heeft gehouden met haar lange staat van dienst en met het feit dat zij nimmer een berisping of waarschuwing heeft gekregen.

379

Zoals uit punt 376 van dit arrest naar voren komt, heeft het TAOBG echter het recht om de overeenkomst van een tijdelijke functionaris of arbeidscontractant wegens onvoldoende geschiktheid voor het ambt te beëindigen wanneer, zoals in casu, het algemene gedrag van de betrokken functionaris, door de ongepaste aard ervan, gedurende meerdere opeenvolgende jaren een negatieve invloed heeft gehad op de goede werking van de dienst van de instelling waarbij dat personeelslid is tewerkgesteld.

380

Het feit dat verzoekster al een anciënniteit van zes jaar genoot toen haar ongepaste gedrag in 2013 aan het licht trad, en het feit dat haar nooit een tuchtmaatregel is opgelegd, vormen op zich geen bewijs van de kennelijke onjuistheid van het bestreden besluit, terwijl niet kan worden ontkend dat het ongepaste gedrag van verzoekster tussen 2013 en 2016 doorlopend de goede werking heeft ondermijnd van de CPE waar zij werkzaam was.

381

Uit de voorgaande overwegingen volgt dan ook dat de onderhavige grief en daarmee het onderhavige onderdeel van het vierde middel en dus het vierde middel in zijn geheel moeten worden afgewezen.

[omissis]

 

HET GERECHT (Zevende kamer – uitgebreid)

rechtdoende, verklaart:

 

1)

Het beroep wordt verworpen.

 

2)

UG en de Europese Commissie dragen elk hun eigen kosten in de zaken die zijn ingeschreven onder de nummers T‑571/17 en C‑249/20 P.

 

3)

In de onder nummer T‑571/17 RENV ingeschreven zaak draagt UG haar eigen kosten en een derde van de kosten van de Commissie.

 

da Silva Passos

Valančius

Reine

Truchot

Sampol Pucurull

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 21 juni 2023.

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Frans.

( 1 ) Enkel de punten van dit arrest waarvan het Gerecht publicatie nuttig acht, worden weergegeven.