26.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 72/28


Hogere voorziening ingesteld op 8 december 2017 door Alex SCI tegen de beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 10 oktober 2017 in zaak T-841/16, Alex / Commissie

(Zaak C-696/17 P)

(2018/C 072/37)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: Alex SCI (vertegenwoordiger: J. Fouchet, avocat)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

de beschikking van het Gerecht van de Europese Unie van 10 oktober 2017 in zijn geheel nietig verklaren behalve voor zover daarin wordt erkend dat tegen het besluit van de Commissie van 21 september 2016 beroep kan worden ingesteld;

opnieuw recht doende:

het besluit van de Europese Commissie van 21 september 2016 nietig verklaren;

vaststellen dat de door het EFRO, de Franse Staat, de Conseil régional d’Aquitaine en de Conseil général des Pyrénées Atlantiques aan de CABAB verleende steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is;

de Europese Commissie verwijzen in alle kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten voor een advocaat ter hoogte van 5 000 EUR.

Middelen en voornaamste argumenten

A.   Ontvankelijkheid

Rekwirante verzoekt om bevestiging van de beschikking van het Gerecht waar dit laatste heeft geoordeeld dat tegen voornoemd besluit in rechte kon worden opgekomen. De brief van 21 september 2016 is een voor beroep vatbare handeling in de zin van artikel 263, lid 1, VWEU.

Rekwirante verzoekt de beschikking van het Gerecht te wijzigen voor zover deze betrekking heeft op de procesbevoegdheid en het procesbelang van Alex SCI. Zij werd door het betrokken besluit geraakt in de zin van artikel 263, lid 4, VWEU wat haar situatie op de markt betreft.

B.   Ten gronde

Het eerste middel is ontleend aan externe onwettigheid wegens een motiveringsgebrek. In het besluit van 21 september 2016 wordt geen enkele uit juridische of tekstuele gegevens dan wel uit de rechtspraak afgeleide grondslag genoemd, zodat Alex SCI, vertegenwoordigd door haar bestuurder, dit besluit niet kan begrijpen door het alleen maar te lezen. Aangezien het besluit zowel juridisch als feitelijk zeer gebrekkig is gemotiveerd, is er sprake van externe onwettigheid.

Het tweede middel is ontleend aan interne onwettigheid (niet-aangemelde staatssteun). De Communauté d’Agglomération Côte-basque — Adour (CABAB) was in het kader van haar economische strategie voornemens om de „Technocité” in Bayonne aan te leggen, een terrein waar een gespecialiseerd luchtvaartcentrum moest ontstaan. Daartoe heeft de CABAB het EFRO, de Franse Staat, de Conseil régional d’Aquitaine en de Conseil général des Pyrénées Atlantiques verzocht of zij het project mede wilden financieren door ieder een bedrag van 1 000 000 EUR bij te dragen.

Om te beginnen vertonen deze betalingen volgens rekwirante alle kenmerken van staatssteun en gaat het dus om een steunmaatregel die in strijd met artikel 108 VWEU niet is aangemeld.

Bovendien zijn deze betalingen onverenigbaar met de interne markt. Het project Technocité bestaat immers uit een gespecialiseerd platform voor industrie en dienstverlening gericht op de ontwikkeling van geavanceerde technologie voor de lucht- en ruimtevaartsector alsook van geïntegreerde systemen. Deze sector is uitermate competitief. Daarom is deze steun in strijd met artikel 107 VWEU.

Wat ten slotte de niet-naleving van de steunverleningsovereenkomsten betreft, moet eraan worden herinnerd dat deze overeenkomsten tot doel hadden het project „luchtvaartcentrum Technocité” te financieren om zo het terrein in te richten en te komen tot „een gespecialiseerd platform voor onderzoek naar en ontwikkeling van geavanceerde technologie voor de lucht- en ruimtevaartsector alsook van geïntegreerde systemen”. Op het terrein van Technocité verrichten diverse ondernemingen tal van werkzaamheden. Het betreft ondernemingen zoals Fidal, Avantis, Decra, Sepa, Trescal, KPMG en Capgemini, dat wil zeggen ondernemingen die op andere gebieden dan de luchtvaart actief zijn.

De staatssteun moet kortom ongeldig worden verklaard en de betaalde bedragen dienen te worden terugbetaald [zie in het bijzonder artikel 4, leden 1 en 2, van verordeningen nr. 734/2013 (1) en nr. 2988/95 (2); Conseil d’État (Raad van State, Frankrijk; hierna: „CE”), 2 juni 1992, jurispr. blz. 165; CE, 6 november 1998, jurispr. blz. 397; HvJEG 11 juli 1996, SFEI, C-39/94].


(1)  Verordening (EU) nr. 734/2013 van de Raad van 22 juli 2013 tot wijziging van verordening (EG) nr. 659/1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 204, blz. 15).

(2)  Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1).