5.2.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 42/8


Hogere voorziening ingesteld op 20 november 2017 door de Helleense Republiek tegen het arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 19 september 2017 in zaak T-327/15, Helleense Republiek / Europese Commissie

(Zaak C-670/17 P)

(2018/C 042/12)

Procestaal: Grieks

Partijen

Rekwirante: Helleense Republiek (vertegenwoordigers: G. Kanellopoulos, I. Pachi en A. Vasilopoulou)

Andere partij in de procedure: Europese Commissie

Conclusies

Rekwirante verzoekt de hogere voorziening ontvankelijk te verklaren, het bestreden arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 september 2017 in zaak T-327/15 te vernietigen en het beroep van de Helleense Republiek van 2 juni 2015 toe te wijzen door het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 25 maart 2015„inzake de toepassing van financiële correcties op de bijstand van het EOGFL, afdeling Oriëntatie, toegewezen aan het operationeel programma CCI 2000GR061PO021 (Griekenland — Doelstelling 1 — Plattelandsreconstructie)” [kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 1936 final], nietig te verklaren.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert rekwirante vijf middelen tot vernietiging aan.

Als eerste middel tot vernietiging voert zij de onjuiste uitlegging en toepassing aan van de overgangsbepalingen van verordeningen (EG) nr. 1083/2006 (1) en (EU) nr. 1303/2013 (2), gelezen in samenhang met de bepalingen van verordening (EG) nr. 1290/2005 (3) en een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van de bepalingen van verordening (EG) nr. 1260/1999 (4) op het EOGFL, afdeling Oriëntatie na 1 januari 2017 — ontoereikende en onjuiste motivering van het bestreden arrest.

Als tweede middel tot vernietiging voert zij de onjuiste uitlegging en toepassing aan van de bepalingen van artikel 39 van verordening (EG) nr. 1260/1999 — tegenstrijdige en ontoereikende motivering.

Als derde middel tot vernietiging voert zij de onjuiste uitlegging en de onjuiste en selectieve toepassing aan van de procedurebepalingen van de artikelen 144 en 145 van verordening (EU) nr. 1303/2013, die in het bestreden arrest als toepasselijk worden beschouwd, terwijl de procedurewaarborg van artikel 52, lid 4, onder c), van verordening (EU) 1306/2013 (5) moest worden toegepast, die in de onderhavige zaak de bevoegdheid ratione temporis van de Commissie beperkt — tegenstrijdige en ontoereikende motivering van het bestreden arrest.

Het vierde middel tot vernietiging betreft de uitlegging en de toepassing van de beginselen van rechtszekerheid en van de bescherming van het gewettigd vertrouwen door de lidstaat in het kader van de loyale samenwerking met de Commissie inzake de beoordeling van de gevolgen van de uitdrukkelijke aanvaarding — met negen maanden vertraging — van het eindverslag van het programma en de late opening van de financiële-correctieprocedure, waarbij deze vertragingen een niet-nakoming zijn van de verplichting die de Commissie op zich heeft genomen om binnen redelijke termijnen de operationele programma’s uit te voeren en tot de eindbetaling over te gaan.

Ten slotte voert zij als vijfde middel tot vernietiging de geheel ontoereikende motivering van het bestreden arrest aan, voor zover daarbij de grieven van de Helleense Republiek inzake de veelvoudige en dus onevenredige financiële correctie worden afgewezen.


(1)  Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB 2006, L 210, blz. 25).

(2)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 320).

(3)  Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB 2005, L 209, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad van 21 juni 1999 houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen (PB 1999, L 161, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 549).