12.8.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 270/4


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 18 juni 2019 — Republiek Oostenrijk/Bondsrepubliek Duitsland

(Zaak C-591/17) (1)

(Niet-nakoming - Artikelen 18, 34, 56 en 92 VWEU - Regeling van een lidstaat die voorziet in een infrastructuurheffing voor personenauto’s - Situatie waarin houders van in die lidstaat geregistreerde voertuigen worden vrijgesteld van motorvoertuigenbelasting voor een bedrag dat overeenkomt met die heffing)

(2019/C 270/04)

Procestaal: Duits

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordigers: G. Hesse, J. Schmoll en C. Drexel, gemachtigden)

Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze en S. Eisenberg, gemachtigden, bijgestaan door C. Hillgruber, Rechtsanwalt)

Interveniënt aan de zijde van de verzoekende partij: Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: J. Langer, J. M. Hoogveld en M. Bulterman, gemachtigden)

Interveniënt aan de zijde van de verwerende partij: Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordigers: J. Nymann-Lindegren en M. Wolff, gemachtigden)

Dictum

1)

De Bondsrepubliek Duitsland is de krachtens de artikelen 18, 34, 56 en 92 VWEU op haar rustende verplichtingen niet nagekomen door de invoering van de infrastructuurheffing voor personenauto’s en de gelijktijdige invoering van een vrijstelling van motorvoertuigenbelasting ten gunste van de houders van in Duitsland geregistreerde voertuigen ten belope van een bedrag dat minstens gelijk is aan de betaalde heffing.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in drie vierde van de kosten van de Republiek Oostenrijk, en zij draagt haar eigen kosten.

4)

De Republiek Oostenrijk draagt een vierde van haar eigen kosten.

5)

Het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Denemarken dragen hun eigen kosten.


(1)  PB C 402 van 27.11.2017.