ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

15 juni 2017 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Artikel 7, punt 1 — Begrippen ‚verbintenissen uit overeenkomst’ en ‚overeenkomst tot levering van diensten’ — Regresvordering tussen hoofdelijke medeschuldenaren van een kredietovereenkomst — Bepaling van de plaats van uitvoering van de kredietovereenkomst”

In zaak C‑249/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 31 maart 2016, ingekomen bij het Hof op 2 mei 2016, in de procedure

Saale Kareda

tegen

Stefan Benkö

wijst

HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, M. Vilaras, J. Malenovský, M. Safjan (rapporteur) en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: Y. Bot,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Saale Kareda, vertegenwoordigd door C. Függer, Rechtsanwalt,

Stefan Benkö, vertegenwoordigd door S. Alessandro, Rechtsanwalt,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Heller en M. Wilderspin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 april 2017,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, punt 1, eerste alinea, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1, met rectificatie in PB 2017, L 104, blz. 28).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Stefan Benkö en Saale Kareda inzake de vergoeding van maandelijkse afbetalingen inzake een gemeenschappelijke kredietovereenkomst, die bij gebreke van betaling door Kareda, door Benkö zijn betaald.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 1215/2012

3

Uit overweging 4 van verordening nr. 1215/2012 blijkt dat deze verordening ertoe strekt, met het oog op de goede werking van de interne markt, „[b]epalingen [in te voeren] die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken alsook zorgen voor een snelle en eenvoudige erkenning en tenuitvoerlegging van in een lidstaat gegeven beslissing”.

4

De overwegingen 15 en 16 van deze verordening luiden:

„(15)

De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. Voor rechtspersonen moet de woonplaats autonoom worden bepaald om de gemeenschappelijke regels doorzichtiger te maken en jurisdictiegeschillen te voorkomen.

(16)

Naast de woonplaats van de verweerder moeten er alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de verweerder wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was. Dat is met name belangrijk bij geschillen betreffende niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer of op de persoonlijkheidsrechten, met inbegrip van smaad.”

5

De bevoegdheidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk II van die verordening. Dit hoofdstuk omvat met name de eerste, tweede en vierde afdeling, met de respectieve titels „Algemene bepalingen”, „Bijzondere bevoegdheid” en „Bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten”.

6

Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, dat valt onder de eerste afdeling van dat hoofdstuk II, is gesteld in de volgende bewoordingen:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

7

Artikel 7 van die verordening nr. 1215/2012, dat is opgenomen in afdeling 2 van dat hoofdstuk II, luidt als volgt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.

a)

ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)

voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)

punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;

[…]”

8

De tekst van artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 is identiek aan die van artikel 5, punt 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1), die bij verordening nr. 1215/2012 is ingetrokken. Voorts komt dit artikel 7, punt 1, overeen met artikel 5, punt 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen voor de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dat verdrag (hierna: „Executieverdrag”).

9

Artikel 17, lid 1, van verordening nr. 1215/2012, dat is opgenomen in afdeling 4 van hoofdstuk II, bepaalt:

„Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 6 en artikel 7, punt 5, wanneer:

a)

het gaat om koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken;

b)

het gaat om leningen op afbetaling of andere krediettransacties ter financiering van de verkoop van zulke zaken, of

c)

in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.”

10

Artikel 18, leden 1 en 2, van deze verordening, dat eveneens deel uitmaakt van die afdeling 4, luidt als volgt:

„1.   De rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die partij woonplaats heeft, hetzij, ongeacht de woonplaats van de wederpartij, voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft.

2.   De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de wederpartij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.”

11

De tekst van de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 1215/2012 komt overeen met die van de artikelen 15 en 16 van verordening nr. 44/2001.

Verordening nr. 593/2008

12

De overwegingen 7 en 17 van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6, met rectificatie in PB 2009, L 309, blz. 87), luiden:

„(7)

Het materiële toepassingsgebied en de bepalingen van de verordening moeten stroken met verordening [nr. 44/2001] en verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (‚Rome II’) […].

[…]

(17)

Wat het toepasselijke recht bij ontstentenis van een rechtskeuze betreft, dient het concept ‚verrichten van diensten’ en ‚verkoop van goederen’ op dezelfde wijze te worden geïnterpreteerd als bij de toepassing van artikel 5 van verordening [nr. 44/2001], voor zover de verkoop van goederen en de verrichting van diensten onder die verordening vallen. Hoewel franchise- en distributieovereenkomsten overeenkomsten inzake het verrichten van diensten zijn, zijn deze aan specifieke regels onderworpen.”

13

Artikel 15 van die verordening, met het opschrift „Wettelijke subrogatie”, luidt als volgt:

„Indien een persoon (‚de schuldeiser’) een vordering uit overeenkomst heeft jegens een andere persoon (‚de schuldenaar’) en een derde verplicht is de schuldeiser te voldoen, dan wel deze reeds door de derde op grond van deze verplichting is voldaan, bepaalt het recht dat op de verplichting van de derde van toepassing is, of en in welke mate de derde jegens de schuldenaar de rechten kan uitoefenen die de schuldeiser jegens de schuldenaar had overeenkomstig het recht dat hun betrekkingen beheerst.”

14

Artikel 16 van die verordening, „Hoofdelijke schuldenaars”, bepaalt:

„Indien een schuldeiser een vordering heeft op verscheidene, voor dezelfde schuldvordering aansprakelijke schuldenaren, van wie er één de vordering reeds geheel of ten dele heeft voldaan, dan beheerst het recht dat op de verbintenis van deze schuldenaar jegens de schuldeiser van toepassing is, het recht van regres van deze schuldenaar op de andere schuldenaren. De andere schuldenaren kunnen zich beroepen op de weren die zij tegen de schuldeiser zouden kunnen aanvoeren op grond van het recht dat hun verbintenissen jegens de schuldeiser beheerst.”

Oostenrijks recht

15

§ 896 van het Allgemeines Bürgerliches Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: „ABGB”) luidt als volgt:

„Een hoofdelijke medeschuldenaar die de gehele schuld alleen heeft afgelost, heeft het recht, zelfs zonder dat er een overdracht van rechten heeft plaatsgevonden, van de andere schuldenaren terugbetaling te vorderen, waarbij de schuld gelijkelijk wordt verdeeld indien tussen hen geen andere verdeling is overeengekomen.”

16

Vóór de wijziging bij het Zahlungsverzugsgesetz (wet inzake betalingsachterstand, BGBl. I, 2013/50) bepaalde § 905, lid 2, ABGB dat „in geval van twijfel betalingen in geld door de schuldenaar voor eigen rekening en risico aan de schuldeiser worden verricht in diens woonplaats (plaats van vestiging)”.

17

§ 1042 ABGB luidt als volgt:

„Hij die voor een ander kosten maakt die deze op grond van deze wet zelf had moeten maken, heeft het recht vergoeding hiervan te vorderen.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

18

Benkö, een Oostenrijks staatsburger woonachtig in Oostenrijk, heeft bij het Landesgericht St. Pölten (rechter in eerste aanleg Sankt Pölten, Oostenrijk) tegen zijn voormalige levenspartner, Kareda, een Ests staatsburger woonachtig op een onbekend adres in Estland, een vordering ingesteld tot terugbetaling van 17145,41 EUR, vermeerderd met rente en kosten. Uit de verwijzingsbeslissing komt naar voren dat Benkö en Kareda in 2007, toen zij samenwoonden in Oostenrijk, een eengezinswoning hebben gekocht voor 190000 EUR, waarvan zij dus elk voor de onverdeelde helft eigenaar zijn. Bij gebreke van eigen kapitaal hebben zij ter financiering van deze aankoop en de noodzakelijke verbouwingen in maart 2007 drie leningen van respectievelijk 150000 EUR, 100000 EUR en 50000 EUR afgesloten bij een Oostenrijkse bank. Benkö en Kareda hadden beiden de hoedanigheid van kredietnemer.

19

Eind 2011 heeft Kareda de samenwoning met Benkö beëindigd en is weer in Estland gaan wonen op een voor hem onbekende plaats. Zij is vanaf juni 2012 gestopt met haar bijdrage aan de aflossing van deze leningen, zodat Benkö vanaf dat tijdstip als enige deze leningen afloste. De door Benkö ingestelde vordering strekt er derhalve toe Kareda ingevolge § 1042 ABGB ertoe te veroordelen hem de betalingen die hij tot en met juni 2014 voor haar heeft gedaan, te vergoeden.

20

De rechter in eerste aanleg, het Landesgericht St. Pölten, heeft contact opgenomen met de ambassade van Estland in Oostenrijk teneinde Kareda’s woonplaats te achterhalen, doch tevergeefs.

21

De gemachtigde die voor Kareda was benoemd voor de ontvangst van de betekeningen, heeft een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen met het betoog dat zij haar woonplaats in Estland had. Volgens hem vallen de door Benkö beschreven feiten niet onder het bepaalde in hoofdstuk II, afdelingen 2 tot en met 7, van verordening nr. 1215/2012. Verder zou de aangezochte rechter niet relatief bevoegd zijn, temeer daar de vestigingsplaats van de bank waarbij de betrokken leningen waren afgesloten, welke zou overeenkomen met de plaats van uitvoering van de verplichting tot terugbetaling van deze leningen, niet binnen het arrondissement van het Landesgericht St. Pölten ligt.

22

Die rechter heeft dit betoog aanvaard en geoordeeld dat hij internationaal onbevoegd was om van de zaak kennis te nemen.

23

In het hoger beroep dat Benkö tegen deze uitspraak had ingesteld, heeft het Oberlandesgericht Wien (rechter in tweede aanleg Wenen, Oostenrijk) beslist dat de bevoegdheid op grond van artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 werd bepaald door de plaats van uitvoering van de contractuele verbintenis tot terugbetaling, namelijk, volgens deze rechter, de woonplaats van de schuldenaar. Het Landesgericht St. Pölten was dus internationaal en relatief bevoegd.

24

De gemachtigde van Kareda heeft tegen deze beslissing van de rechter in tweede aanleg beroep in „Revision” ingesteld bij de verwijzende rechter, het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk), teneinde te laten vaststellen dat de Oostenrijkse gerechten onbevoegd zijn.

25

Daarop heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Dient artikel 7, punt 1, van verordening [nr. 1215/2012] aldus te worden uitgelegd dat een vordering tot terugbetaling (verrekening/regres), die een schuldenaar die in het kader van een (gezamenlijk) gesloten kredietovereenkomst met een bank de aflossingstermijnen alleen heeft betaald, geldend maakt tegen de andere schuldenaar in deze kredietovereenkomst, een afgeleid (secundair) contractueel recht voortvloeiend uit de kredietovereenkomst is?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Wordt de plaats van uitvoering van het recht op terugbetaling (verrekening/regres) van een schuldenaar jegens de andere schuldenaar in de onderliggende kredietovereenkomst bepaald

a)

op grond van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 (‚verstrekking van diensten’) of

b)

op grond van artikel 7, punt 1, onder c), juncto onder a), van verordening nr. 1215/2012 volgens de lex causae?

3)

Voor het geval dat de tweede vraag, onder a), bevestigend wordt beantwoord:

Is de verstrekking van het krediet door de bank de voor de kredietovereenkomst kenmerkende prestatie, en wordt de plaats van uitvoering voor de verstrekking van deze dienst derhalve op grond van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 bepaald door de vestigingsplaats van de bank, indien de verstrekking van het krediet uitsluitend daar is geschied?

4)

Voor het geval dat de tweede vraag, onder b), bevestigend wordt beantwoord:

Is voor de bepaling, overeenkomstig artikel 7, punt 1, onder a), van verordening nr. 1215/2012, van de plaats van uitvoering van de niet-nagekomen verbintenis uit overeenkomst doorslaggevend:

a)

het tijdstip waarop beide schuldenaren de lening zijn aangegaan (maart 2007) of

b)

het tijdstip waarop de tot regres bevoegde kredietschuldenaar de betalingen waaruit het regresrecht wordt afgeleid, aan de bank heeft verricht (juni 2012 tot en met juni 2014)?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

26

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een regresvordering tussen hoofdelijke medeschuldenaren van een kredietovereenkomst onder het in die bepaling bedoelde begrip „verbintenissen uit overeenkomst” valt.

27

Om deze vraag te beantwoorden, moet worden verwezen naar de uitlegging die het Hof heeft gegeven aan artikel 5, punt 1, van verordening nr. 44/2001, alsmede artikel 5, punt 1, van het Executieverdrag, die tevens geldt voor artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, aangezien deze bepalingen als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, ÖFAB, C‑147/12, EU:C:2013:490, punt 28).

28

Uit deze rechtspraak komt, ten eerste, naar voren dat het begrip „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, punt 1, van verordening nr. 44/2001 autonoom moet worden uitgelegd teneinde de eenvormige toepassing van dit begrip in alle lidstaten te waarborgen en, ten tweede, dat voor toepassing van dat begrip, de vordering van verzoeker moet zijn gebaseerd op een vrijwillig aangegane juridische verbintenis van een persoon jegens een andere (zie in die zin arresten van 14 maart 2013, Česká spořitelna, C‑419/11, EU:C:2013:165, punten 4547, en 28 januari 2015, Kolassa, C‑375/13, EU:C:2015:37, punten 37 en 39).

29

In dat verband moet er allereerst aan worden herinnerd dat de in artikel 5, lid 1, onder b), van verordening nr. 44/2001 vermelde aanknopingspunten zijn bestemd om te worden toegepast op alle vorderingen uit één overeenkomst (zie in die zin arrest van 9 juli 2009, Rehder, C‑204/08, EU:C:2009:439, punt 33).

30

Vervolgens moeten alle verbintenissen die hun grondslag vinden in de overeenkomst waarvan niet-nakoming wordt aangevoerd ter staving van de vordering van verzoeker, worden geacht onder het begrip verbintenissen uit overeenkomst te vallen (zie in die zin arresten van 6 oktober 1976, De Bloos, 14/76, EU:C:1976:134, punten 16 en 17, en 8 maart 1988, Arcado, 9/87, EU:C:1988:127, punt 13).

31

Dit geldt eveneens voor verbintenissen die zijn ontstaan tussen twee hoofdelijke medeschuldenaren, zoals partijen in het hoofdgeding en, meer bepaald, voor de mogelijkheid voor een medeschuldenaar die het gedeelte van de gemeenschappelijke schuld van de ander geheel of gedeeltelijk heeft betaald, om het aldus door hem betaalde bedrag terug te krijgen door het instellen van een regresvordering (zie naar analogie arrest van 12 oktober 2016, Kostanjevec, C‑185/15, EU:C:2016:763, punt 38). Zoals de advocaat-generaal in punt 31 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zou het, daar deze vordering haar bestaansreden in deze overeenkomst vindt, immers gekunsteld zijn om, voor de toepassing van verordening nr. 1215/2012, deze rechtsbetrekkingen af te splitsen van de overeenkomst die deze in het leven heeft geroepen en die eraan ten grondslag ligt.

32

Tot slot moet, ofschoon het bepaalde in verordening nr. 1215/2012 moet worden uitgelegd in het licht van het daarbij ingestelde systeem en de doelstellingen ter ondersteuning ervan (zie in die zin arrest van 16 januari 2014, Kainz, C‑45/13, EU:C:2014:7, punt 19), rekening worden gehouden met de doelstelling om met name deze laatste verordening en de Rome I-verordening onderling te laten samenhangen (zie in die zin arrest van 21 januari 2016, ERGO Insurance en Gjensidige Baltic, C‑359/14 en C‑475/14, EU:C:2016:40, punt 43). De uitlegging dat een regresvordering zoals aan de orde in het hoofdgeding moet worden geacht te vallen onder het begrip verbintenis uit overeenkomst in de zin van verordening nr. 1215/2012, strookt tevens met deze doelstelling van onderlinge samenhang. Artikel 16 van de Rome I-verordening verbindt de verhouding tussen meerdere schuldenaren immers uitdrukkelijk aan die welke tussen de schuldenaar en schuldeiser bestaat.

33

Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een regresvordering tussen hoofdelijke medeschuldenaren van een kredietovereenkomst onder het in die bepaling bedoelde begrip „verbintenissen uit overeenkomst” valt.

Tweede vraag

34

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een kredietovereenkomst, zoals aan de orde in het hoofdgeding, die is gesloten tussen een kredietinstelling en twee hoofdelijke medeschuldenaren, moet worden aangemerkt als een in die bepaling bedoelde „overeenkomst voor de verstrekking van diensten”.

35

Volgens de rechtspraak van het Hof houdt het begrip „diensten” in de zin van artikel 5, punt 1, onder b), van verordening nr. 44/2001, waarvan de tekst identiek is aan die van artikel 7, punt 1, onder b), van verordening nr. 1215/2012, op zijn minst in dat de partij die ze verstrekt, een bepaalde activiteit verricht tegen vergoeding (zie in die zin arrest van 14 juli 2016, Granarolo, C‑196/15, EU:C:2016:559, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36

Zoals de advocaat-generaal in punt 40 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de dienst in een kredietovereenkomst tussen een kredietinstelling en een kredietnemer gelegen in de overdracht van een geldbedrag door de eerste aan de tweede, in ruil voor een vergoeding die door de kredietnemer, in beginsel, wordt betaald in de vorm van rente.

37

Een dergelijke kredietovereenkomst moet dus worden aangemerkt als „overeenkomst voor de verstrekking van diensten” in de zin van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012.

38

Derhalve moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een kredietovereenkomst, zoals aan de orde in het hoofdgeding, die is gesloten tussen een kredietinstelling en twee hoofdelijke medeschuldenaren, moet worden aangemerkt als een in die bepaling bedoelde „overeenkomst voor de verstrekking van diensten”.

Derde vraag

39

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer een kredietinstelling een krediet toekent aan twee hoofdelijke medeschuldenaren, de „plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden” in de zin van deze bepaling, tenzij anders is overeengekomen, de vestigingsplaats van deze instelling is, mede om de relatieve bevoegdheid te bepalen van de rechter bij wie de regresvordering wordt ingesteld.

40

In dat verband moet, overeenkomstig de rechtspraak van het Hof, de kenmerkende verbintenis van de overeenkomst worden vastgesteld (zie in die zin arrest van 14 juli 2016, Granarolo, C‑196/15, EU:C:2016:559, punt 33).

41

Zoals de advocaat-generaal in punt 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de kenmerkende verbintenis in het kader van een kredietovereenkomst de kredietverstrekking zelf, terwijl de verbintenis van de kredietnemer tot terugbetaling van dat bedrag slechts het gevolg is van de uitvoering van de prestatie van de kredietverstrekker.

42

Behoudens het door de verwijzende rechter in zijn vraag vermelde geval dat anders is overeengekomen, moet in het geval van de verstrekking van een krediet door een kredietinstelling, de vestigingsplaats van deze instelling dus worden beschouwd als de plaats waar de diensten verstrekt werden, in de zin van artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012.

43

Met betrekking tot de vraag of dit oordeel ook relevant is om vast te stellen welke rechter relatief bevoegd is om kennis te nemen van een regresvordering tussen de hoofdelijke medeschuldenaren van de verbintenis tot terugbetaling, moet eraan worden herinnerd dat, zoals uit punt 31 van dit arrest naar voren komt, een dergelijke vordering haar grondslag vindt in de kredietovereenkomst die is gesloten tussen de hoofdelijke medeschuldenaren en de kredietinstelling.

44

Uit het voorgaande alsmede uit de doelstellingen van voorspelbaarheid, eenvormigheid en een goede rechtsbedeling die volgens de overwegingen 15 en 16 van verordening nr. 1215/2012 door die verordening worden nagestreefd, vloeit voort dat artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van deze verordening in die zin moet worden uitgelegd dat de rechter van de plaats van de lidstaat waar de kredietinstelling is gevestigd, als plaats waar de verbintenis die aan de regresvordering ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd, de bevoegde rechter is om van een dergelijke vordering kennis te nemen.

45

In dat verband is de opmerking die door elk van de partijen in het hoofdgeding is ingediend, dat zij beide de hoedanigheid van consument bezitten en derhalve moeten profiteren van de bevoegdheidsregels die, wat verbintenissen uit overeenkomst aangaat, zijn neergelegd in de artikelen 17 en 18 van verordening nr. 1215/2012, niet relevant. Zoals het Hof ten aanzien van de artikelen 15 en 16 van verordening nr. 44/2001 heeft opgemerkt, kunnen die regels namelijk niet worden toegepast op verhoudingen tussen twee consumenten (zie in die zin arrest van 5 december 2013, Vapenik, C‑508/12, EU:C:2013:790, punt 34).

46

Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer een kredietinstelling een krediet heeft toegekend aan twee hoofdelijke medeschuldenaren, de „plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden” in de zin van deze bepaling, tenzij anders is overeengekomen, de vestigingsplaats van deze instelling is, mede om de relatieve bevoegdheid te bepalen van de rechter bij wie de regresvordering wordt ingesteld.

Vierde vraag

47

Gelet op het antwoord op de derde vraag behoeft de vierde vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

48

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 7, punt 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat een regresvordering tussen hoofdelijke medeschuldenaren van een kredietovereenkomst onder het in die bepaling bedoelde begrip „verbintenissen uit overeenkomst” valt.

 

2)

Artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat een kredietovereenkomst, zoals aan de orde in het hoofdgeding, die is gesloten tussen een kredietinstelling en twee hoofdelijke medeschuldenaren, moet worden aangemerkt als een in die bepaling bedoelde „overeenkomst voor de verstrekking van diensten”.

 

3)

Artikel 7, punt 1, onder b), tweede streepje, van verordening nr. 1215/2012 moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer een kredietinstelling een krediet heeft toegekend aan twee hoofdelijke medeschuldenaren, de „plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden” in de zin van deze bepaling, tenzij anders is overeengekomen, de vestigingsplaats van deze instelling is, mede om de relatieve bevoegdheid te bepalen van de rechter bij wie de regresvordering wordt ingesteld.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.