ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

24 mei 2016 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Prejudiciële spoedprocedure — Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Europees aanhoudingsbevel — Artikel 4 bis, lid 1 — Procedures van overlevering tussen de lidstaten — Voorwaarden voor tenuitvoerlegging — Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging — Uitzonderingen — Verplichte tenuitvoerlegging — Bij verstek opgelegde straf — Begrippen ‚persoonlijk gedagvaard’ en ‚anderszins officieel in kennis gesteld’ — Autonome begrippen van het Unierecht”

In zaak C‑108/16 PPU,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Amsterdam (Nederland) bij beslissing van 24 februari 2016, ingekomen bij het Hof op diezelfde dag, in de procedure betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen

Paweł Dworzecki,

wijst

HET HOF (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: T. von Danwitz (rapporteur), kamerpresident, A. Arabadjiev, C. Lycourgos, E. Juhász en C. Vajda, rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 april 2016,

gelet op de opmerkingen van:

Paweł Dworzecki, vertegenwoordigd door J. Dobosz en A. de Boon, advocaten,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman, M. Noort en B. Koopman als gemachtigden,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door J. Sawicka en M. Pawlicka als gemachtigden,

de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door V. Kaye als gemachtigde, bijgestaan door J. Holmes, barrister,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Troosters en S. Grünheid als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 mei 2016,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24; hierna: „kaderbesluit 2002/584”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure betreffende de tenuitvoerlegging in Nederland van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd door de Sąd Okręgowy w Zielonej Górze (regionale rechter Zielona Góra, Polen) tegen Paweł Dworzecki.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

De overwegingen 5 en 7 van kaderbesluit 2002/584 luiden als volgt:

„(5)

[...] Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en vervolging kan [...] een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. [...]

[...]

(7)

Daar de beoogde vervanging van het multilaterale uitleveringsstelsel, gebaseerd op het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 niet voldoende door de lidstaten op unilaterale wijze kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de dimensie en effecten ervan beter op het niveau van de Unie haar beslag kan krijgen, kan de Raad overeenkomstig het in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in artikel 5 van het EG‑Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, zoals in laatstgenoemd artikel neergelegd, gaat dit kaderbesluit niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.”

4

Artikel 1 van kaderbesluit 2002/584, met het opschrift „Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel”, bepaalt:

„1.   Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

2.   De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.

3.   Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het [VEU], wordt aangetast.”

5

Kaderbesluit 2009/299 bepaalt nader op welke gronden de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel wordt geweigerd wanneer de betrokkene niet is verschenen tijdens het proces. De overwegingen 1, 2, 4, 6 tot en met 8 en 14 luiden:

„(1)

Het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen tijdens het proces maakt deel uit van het recht op een eerlijk proces dat is voorzien in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het Hof heeft tevens verklaard dat het recht van de verdachte om in persoon tijdens het proces te verschijnen, niet absoluut is, alsook dat de verdachte onder bepaalde voorwaarden uit eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend, maar op ondubbelzinnige wijze afstand kan doen van dat recht.

(2)

In de verschillende kaderbesluiten van de Raad ter toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op onherroepelijke rechterlijke beslissingen wordt de kwestie van beslissingen gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet in persoon is verschenen, niet op een consistente wijze behandeld. Deze diversiteit kan het werk van de personen die deze instrumenten toepassen bemoeilijken en de justitiële samenwerking belemmeren.

[...]

(4)

Er moeten derhalve duidelijke, gemeenschappelijke gronden worden bepaald voor het niet erkennen van beslissingen die zijn gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet in persoon is verschenen. Dit kaderbesluit strekt ertoe zulke gemeenschappelijke gronden nauwkeuriger te omschrijven, waardoor de uitvoerende autoriteit de beslissing met volledige inachtneming van het recht van verdediging van de betrokkene ten uitvoer kan leggen ondanks de afwezigheid van de betrokkene tijdens het proces. Dit kaderbesluit beoogt niet vormen en methoden, met inbegrip van de procedurevoorschriften, die worden gebruikt om de in dit kaderbesluit gespecificeerde resultaten te behalen, te regelen; deze blijven een zaak van het nationale recht van de lidstaten.

[...]

(6)

De bepalingen van dit kaderbesluit tot wijziging van andere kaderbesluiten leggen vast onder welke voorwaarden de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing die is gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet in persoon is verschenen, niet behoort te worden geweigerd. Het gaat om alternatieve voorwaarden. Indien aan één van de voorwaarden is voldaan, geeft de uitvaardigende autoriteit door de desbetreffende rubriek van het Europees aanhoudingsbevel of van het relevante certificaat bij de andere kaderbesluiten in te vullen, de garantie dat aan de voorschriften is of zal worden voldaan, hetgeen voldoende zou moeten zijn voor de tenuitvoerlegging van de beslissing op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning.

(7)

De erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing die is gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet in persoon is verschenen, mag niet worden geweigerd indien hij persoonlijk was gedagvaard en daarbij op de hoogte was gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of indien hij anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, waardoor op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces. In dit verband dient de betrokkene die kennisgeving ‚tijdig’ te hebben ontvangen, dat wil zeggen lang genoeg van tevoren om hem in staat te stellen bij het proces aanwezig te zijn en zijn recht van verdediging effectief uit te oefenen.

(8)

Het recht op een eerlijk proces van een verdachte is gegarandeerd door het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dit recht omvat het recht van de betrokkene om in persoon tijdens het proces te verschijnen. Om van dit recht gebruik te kunnen maken, dient de betrokkene op de hoogte te zijn van het voorgenomen proces. Ingevolge dit kaderbesluit dient elke lidstaat er overeenkomstig het nationale recht zorg voor te dragen dat de betrokkene op de hoogte is van het proces, met dien verstande dat het nationale recht in overeenstemming moet zijn met het genoemde Verdrag. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt, dat in voorkomend geval bij het beoordelen of de wijze van kennisgeving voldoende waarborgt dat de betrokkene op de hoogte is van het proces, ook in het bijzonder kan worden overwogen of de betrokkene voldoende diligent is geweest de aan hem gerichte kennisgeving in ontvangst te nemen.

[...]

(14)

Dit kaderbesluit beperkt zich tot de nauwkeurigere omschrijving van gronden voor niet-erkenning in regelingen ter toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning. Derhalve hebben bepalingen als die betreffende het recht op een nieuw proces alleen betrekking op de omschrijving van die gronden voor niet-erkenning. Ze zijn niet bedoeld om de nationale wetgevingen onderling aan te passen. Dit kaderbesluit laat toekomstige regelgeving van de Europese Unie tot onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen op strafrechtelijk gebied onverlet.”

6

Bij artikel 2 van kaderbesluit 2009/299 is artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, met het opschrift „Beslissingen gegeven na een proces waarop de betrokkene niet in persoon is verschenen”, ingevoegd. Deze bepaling luidt als volgt:

„De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel ook weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften:

a)

de betrokkene tijdig,

i)

persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces;

en

ii)

ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt;

[...]”

Nederlands recht

7

De Overleveringswet (hierna: „OLW”) zet kaderbesluit 2002/584 om in Nederlands recht. Artikel 12 van deze wet bepaalt:

„Overlevering wordt niet toegestaan indien het Europees aanhoudingsbevel strekt tot tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat, overeenkomstig de procedurevoorschriften van [de] uitvaardigende lidstaat:

a)

de verdachte tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt; of

[...]”

8

Onderdeel D van bijlage 2 bij de OLW, met het opschrift „Model voor het Europees aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Overleveringswet”, komt overeen met punt d) van de bijlage bij kaderbesluit 2002/584.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

9

Op 30 november 2015 is bij de rechtbank Amsterdam (Nederland) door de officier van justitie bij de rechtbank een verzoek ingediend betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat op 4 februari 2015 is uitgevaardigd door de Sąd Okręgowy w Zielonej Górze (regionale rechter Zielona Góra, Polen).

10

Dit Europees aanhoudingsbevel strekt tot aanhouding en overlevering van Dworzecki, Pools staatsburger, woonachtig te ’s‑Gravenhage (Nederland), voor de uitvoering van drie vrijheidsstraffen in Polen, van respectievelijk twee jaar, acht maanden en zes maanden. Deze laatste twee straffen moeten nog volledig worden uitgevoerd, terwijl van de eerste straf nog zeven maanden en twaalf dagen moeten worden uitgezeten door Dworzecki. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft enkel de overlevering voor de uitvoering van de tweede vrijheidsstraf.

11

Wat deze laatste straf betreft, preciseert onderdeel D van dat Europees aanhoudingsbevel dat de betrokkene niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die heeft geleid tot het vonnis waarbij die straf is opgelegd. De uitvaardigende rechterlijke autoriteit heeft dan ook punt 1, onder b), aangekruist, dat staat in onderdeel D van het formulier van het Europees aanhoudingsbevel en dat overeenkomt met punt 3.1, onder b) van punt d) van het formulier in de bijlage bij kaderbesluit 2002/584, dat van toepassing is in gevallen waarin „de betrokkene niet persoonlijk is gedagvaard maar [...] anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces, en ervan in kennis is gesteld dat een beslissing kan worden gegeven wanneer hij niet op het proces verschijnt”.

12

Uit hoofde van informatie over de wijze waarop aan de betrokken voorwaarde is voldaan, welke moet worden ingevuld volgens punt 4, dat staat onder punt d) van dat formulier, preciseert dat Europees aanhoudingsbevel – in het Engels – het volgende:

„De dagvaarding is gezonden naar het adres dat door Paweł Dworzecki was opgegeven voor betekeningen, en is in ontvangst genomen door een op dat adres wonende volwassene, de grootvader van Paweł Dworzecki, overeenkomstig artikel 132 van het [Poolse] wetboek van strafvordering, waarin is bepaald dat ‚in geval van afwezigheid van de geadresseerde, de dagvaarding moet worden betekend aan een volwassen lid van de huishouding, en dat indien er geen volwassen lid van de huishouding aanwezig is, de dagvaarding tevens kan worden betekend aan de eigenaar of de conciërge of het dorpshoofd, mits deze personen toezeggen de dagvaarding aan de geadresseerde te zullen overhandigen’. Een kopie van het vonnis is eveneens naar dat adres gezonden en in ontvangst genomen door een op dat adres wonende volwassene. Paweł Dworzecki heeft bovendien schuld bekend en bij voorbaat de door het openbaar ministerie voorgestelde straf aanvaard.”

13

De verwijzende rechter merkt op dat hij het Nederlandse recht waarbij artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 is omgezet, reeds in die zin heeft uitgelegd dat bij het onderzoek of de in de punten a) tot en met d) van deze bepaling genoemde voorwaarden in acht zijn genomen, moet worden uitgegaan van het recht van de uitvaardigende lidstaat. Met name wanneer de dagvaarding aan een huisgenoot van de opgeëiste persoon is uitgereikt, heeft hij aldus geen toepassing gegeven aan de in artikel 12 OLW genoemde grond tot weigering van de tenuitvoerlegging.

14

De verwijzende rechter vraagt zich evenwel af of een dergelijke uitlegging van het nationale recht in overeenstemming is met artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584. Hij meent immers dat de Uniewetgever met de uitdrukking „overeenkomstig nadere in het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat bepaalde procedurevoorschriften”, die voorafgaat aan de opsomming van de punten a) tot en met d) in artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584, heeft willen beklemtonen, met name middels het kwalificerende woord „nadere”, dat kaderbesluit 2009/299 niet strekt tot harmonisatie van het strafprocesrecht van de lidstaten inzake berechting bij verstek in het algemeen en de wijze van dagvaarding in strafzaken in het bijzonder, maar slechts strekt tot het bepalen van gemeenschappelijke gronden voor het niet erkennen van bij verstek gegeven strafrechtelijke beslissingen. Daaruit volgt volgens hem dat de uitdrukkingen in de punten a) tot en met d) in artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 autonome begrippen van het Unierecht zijn.

15

Wat de uitlegging van deze begrippen betreft, meent de verwijzende rechter dat de voorwaarden van artikel 4 bis, lid 1, onder a), van kaderbesluit 2002/584 in casu niet zijn vervuld, omdat niet vaststaat dat Dworzecki daadwerkelijk officieel op de hoogte was gebracht van de informatie over het tijdstip en de plaats van het proces.

16

Bovendien beklemtoont de verwijzende rechter dat de uitlegging van artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 die hij voorstelt, strikter zou kunnen zijn dan de vereisten die voortvloeien uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950. Dat Hof stelt, met name in de punten 99 en 101 van het arrest van 1 maart 2006, Sejdovic tegen Italië (CE:ECHR:2006:0301JUD005658100), namelijk enkel het vereiste dat de verdachte „voldoende op de hoogte is van de vervolging en de aanklachten tegen hem”.

17

Daarop heeft de rechtbank Amsterdam de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Zijn de in artikel 4 bis, eerste lid, aanhef en onder a, van kaderbesluit 2002/584 gebezigde begrippen

,tijdig persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid’

en

‚tijdig anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dal hij op de hoogte was van het voorgenomen proces’,

autonome begrippen van Unierecht?

2)

Zo ja:

a)

hoe dienen deze autonome begrippen dan in zijn algemeenheid te worden uitgelegd en

b)

valt een geval als het onderhavige, dat zich daardoor kenmerkt dat:

volgens het [Europees aanhoudingsbevel] de dagvaarding is betekend op het adres van de opgeëiste persoon aan een volwassen huisgenoot die heeft toegezegd de dagvaarding te overhandigen aan de opgeëiste persoon;

zonder dat uit het [Europees aanhoudingsbevel] blijkt dat en wanneer die huisgenoot de dagvaarding inderdaad aan de opgeëiste persoon heeft overhandigd;

terwijl uit de verklaring die de opgeëiste persoon ter zitting van de verwijzende rechter heeft afgelegd niet kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon – tijdig – op de hoogte was van de datum en plaats van het voorgenomen proces,

onder één van beide autonome begrippen?”

Spoedprocedure

18

De verwijzende rechter heeft verzocht de onderhavige prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

19

Ter onderbouwing van dit verzoek voert hij met name aan dat Dworzecki thans zijn vrijheid is ontnomen in afwachting van zijn feitelijke overlevering aan de Republiek Polen.

20

De verwijzende rechter zet voorts uiteen dat het antwoord van het Hof op de prejudiciële vragen op rechtstreekse en doorslaggevende wijze van invloed is op de duur van de detentie van Dworzecki in Nederland, aangezien deze rechter zich, bij gebreke van een antwoord van het Hof, niet voor alle in het Europees aanhoudingsbevel genoemde vonnissen kan uitspreken over de overlevering van de betrokkene.

21

In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de onderhavige prejudiciële verwijzing betrekking heeft op de uitlegging van kaderbesluit 2002/584, dat behoort tot de gebieden bedoeld in titel V van het derde deel van het VWEU, betreffende de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Behandeling volgens de prejudiciële spoedprocedure is voor deze verwijzing derhalve mogelijk.

22

Wat in de tweede plaats het criterium inzake de spoedeisendheid betreft, moet volgens de rechtspraak van het Hof rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de betrokkene in het hoofdgeding thans zijn vrijheid is ontnomen en dat het van de beslechting van het hoofdgeding afhangt of zijn hechtenis wordt voortgezet (zie in die zin arrest van 16 juli 2015, Lanigan, C‑237/15 PPU, EU:C:2015:474, punt 24). Bovendien moet de situatie van de betrokkene worden beoordeeld zoals deze zich voordeed op de datum van het onderzoek van het verzoek om de prejudiciële verwijzing volgens de prejudiciële spoedprocedure te behandelen (zie in die zin arrest van 15 februari 2016, N., C‑601/15 PPU, EU:C:2016:84, punt 40).

23

In casu staat ten eerste vast dat aan Dworzecki op die datum zijn vrijheid was ontnomen. Ten tweede hangt het van de uitkomst van het hoofdgeding af of diens bewaring wordt voortgezet, daar de maatregel tot zijn bewaring, blijkens de door de verwijzende rechter verstrekte verduidelijkingen, was gelast in het kader van de tenuitvoerlegging van het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel.

24

In die omstandigheden heeft de Vierde kamer van het Hof op 10 maart 2016, op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, besloten het verzoek van de verwijzende rechter om de prejudiciële verwijzing volgens de prejudiciële spoedprocedure te behandelen, in te willigen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

25

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584 in die zin moet worden uitgelegd dat de uitdrukkingen „persoonlijk [...] gedagvaard en daarbij op de hoogte [...] gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid” en „anderszins daadwerkelijk officieel in kennis [...] gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces”, in deze bepaling, autonome begrippen van het Unierecht vormen.

26

Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat kaderbesluit 2002/584, zoals met name volgt uit artikel 1, leden 1 en 2, en de overwegingen 5 en 7 ervan, beoogt het op het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 gebaseerde multilaterale uitleveringsstelsel te vervangen door een op het beginsel van wederzijdse erkenning gebaseerde regeling waarbij veroordeelde of verdachte personen met het oog op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of met het oog op vervolging worden overgeleverd tussen de rechterlijke autoriteiten (arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 75en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27

Aldus beoogt kaderbesluit 2002/584 met de instelling van een nieuwe vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan (arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 76en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28

Volgens vaste rechtspraak van het Hof vereist zowel de uniforme toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel dat de bewoordingen van een bepaling van het Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, rekening houdend met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling (arresten van 17 juli 2008, Kozłowski, C‑66/08, EU:C:2008:437, punt 42, en 15 oktober 2015, Axa Belgium, C‑494/14, EU:C:2015:692, punt 21en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29

In dit verband bevat kaderbesluit 2002/584, en met name artikel 4 bis, lid 1, weliswaar verscheidene uitdrukkelijke verwijzingen naar het nationale recht van de lidstaten, doch betreft geen van deze verwijzingen de begrippen in artikel 4 bis, lid 1, onder a), i).

30

In die omstandigheden, en zoals is betoogd door alle belanghebbenden die opmerkingen hebben ingediend bij het Hof, moet worden vastgesteld dat de uitdrukkingen die het voorwerp van de eerste vraag vormen, moeten worden opgevat als autonome begrippen van het Unierecht en op het grondgebied van de Unie uniform moeten worden uitgelegd.

31

Voor deze uitlegging is bovendien steun te vinden in de totstandkomingsgeschiedenis van kaderbesluit 2009/299. Zoals blijkt uit de overwegingen 2 en 4 ervan, heeft de Uniewetgever – die heeft geconstateerd dat het feit dat kwesties betreffende beslissingen gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet is verschenen, niet op consistente wijze worden behandeld, onder meer de justitiële samenwerking kon belemmeren – het immers noodzakelijk geacht dat duidelijke, gemeenschappelijke gronden worden bepaald voor het niet erkennen van beslissingen die zijn gegeven na een proces waarbij de betrokkene niet in persoon is verschenen, zonder evenwel de vormen en methoden, daaronder begrepen de procedurevoorschriften, die een zaak van het nationale recht van de lidstaten blijven, te regelen welke worden gebruikt om de in dit kaderbesluit gespecificeerde resultaten te behalen.

32

Uit het voorgaande volgt dat artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584 in die zin moet worden uitgelegd dat de uitdrukkingen „persoonlijk [...] gedagvaard” en „anderszins daadwerkelijk officieel in kennis [...] gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces”, in deze bepaling, autonome begrippen van het Unierecht vormen en in de gehele Unie uniform moeten worden uitgelegd.

Tweede vraag

33

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584 in die zin moet worden uitgelegd dat een dagvaarding als aan de orde in het hoofdgeding, die niet rechtstreeks aan de betrokkene is betekend, maar die, op diens adres, is uitgereikt aan een volwassen huisgenoot die heeft toegezegd hem deze dagvaarding te overhandigen, zonder dat uit het Europees aanhoudingsbevel blijkt dat, en in voorkomend geval wanneer, die volwassene deze dagvaarding daadwerkelijk aan de betrokkene heeft overhandigd, voldoet aan de in die bepaling genoemde voorwaarden.

34

Volgens artikel 4 bis, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel voor de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel weigeren, indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het Europees aanhoudingsbevel is vermeld dat de onder a), b), c) of d), van dat lid 1, genoemde voorwaarden zijn vervuld.

35

Daaruit volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in beginsel gehouden is een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen – ook al was de betrokkene niet aanwezig op het proces dat tot de beslissing heeft geleid –, indien de in artikel 4 bis, lid 1, onder a), b), c) of d), van kaderbesluit 2002/584 genoemde voorwaarden zijn vervuld.

36

Wat meer in het bijzonder artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van dit kaderbesluit betreft, geldt deze verplichting voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit wanneer de betrokkene hetzij „persoonlijk is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid” hetzij „anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces”.

37

Gelet op de doelen van kaderbesluit 2009/299, zoals in herinnering gebracht in punt 31 van dit arrest, moet worden vastgesteld dat de in artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584 voorziene wijzen van dagvaarding, voor zover zij duidelijk en gemeenschappelijk van aard zijn, beogen een hoog beschermingsniveau te waarborgen en de uitvoerende rechterlijke autoriteit in staat te stellen de betrokkene over te leveren niettegenstaande het feit dat hij niet aanwezig was op het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid, en daarbij de rechten van de verdediging volledig in acht te nemen.

38

Met de eerbiediging van de in artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584 genoemde dagvaardingsvoorwaarden kan immers worden verzekerd dat de betrokkene tijdig de informatie over het tijdstip en de plaats van zijn proces heeft ontvangen en de uitvoerende autoriteit kan er aldus van uitgaan dat de rechten van de verdediging in acht zijn genomen.

39

De in deze bepaling van kaderbesluit 2002/584 gestelde voorwaarden dienen tegen de achtergrond van deze overwegingen te worden uitgelegd.

40

De Nederlandse en de Poolse regering alsmede de regering van het Verenigd Koninkrijk menen in wezen dat een dagvaarding als aan de orde in het hoofdgeding onder de tweede in artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584 bedoelde situatie valt. Gelet op het doel van kaderbesluit 2002/584 staan zij op het standpunt dat een dagvaarding die, in afwezigheid van de geadresseerde ervan, is uitgereikt aan een volwassen huisgenoot van hem, die heeft toegezegd deze aan hem te overhandigen, de opvatting rechtvaardigt dat deze persoon rechtens genoegzaam op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van zijn proces. Met name de regering van het Verenigd Koninkrijk verwijst in dit verband naar overweging 8 van kaderbesluit 2009/299, waarin is vermeld dat volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ook in het bijzonder kan worden overwogen of de betrokkene voldoende diligent is geweest de aan hem gerichte kennisgeving in ontvangst te nemen.

41

Volgens de Europese Commissie daarentegen voldoet een dagvaarding als aan de orde in het hoofdgeding niet aan de voorwaarden in artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584. Hoewel deze instelling niet uitsluit dat de informatie over het tijdstip en de plaats van het proces rechtsgeldig indirect, via andere personen, kan worden overgebracht aan de gedagvaarde persoon, mits vaststaat dat laatstgenoemde, zoals deze bepaling vereist, werkelijk op de hoogte was van deze informatie, neemt dit niet weg dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit de gegevens moet verstrekken waaruit blijkt dat de betrokkene daadwerkelijk van deze informatie op de hoogte was. Bijgevolg kan het in aanmerking nemen van een betekening die op een juridische fictie berust, zonder dat de uitvaardigende rechterlijke autoriteit bijkomende elementen verstrekt die kunnen staven dat deze persoon door die autoriteit daadwerkelijk op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van zijn proces, zoals in casu het geval lijkt te zijn, niet worden geacht in overeenstemming met deze bepaling te zijn.

42

In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat het recht van een verdachte om in persoon te verschijnen op het proces weliswaar een wezenlijk onderdeel van het recht op een eerlijk proces is, maar geen absoluut vereiste is. De verdachte kan uit eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand doen van dat recht, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat, gepaard gaat met minimale waarborgen die evenredig zijn met de ernst van het strafbare feit waarvoor de verdachte wordt vervolgd, en niet in strijd is met een belangrijk openbaar belang. Meer in het bijzonder is geen sprake van schending van het recht op een eerlijk proces, ook al is de verdachte niet in persoon verschenen, wanneer hij op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces of is verdedigd door een raadsman die hij daartoe gemachtigd heeft (zie in die zin arrest van 26 februari 2013, C‑399/11, Melloni, EU:C:2013:107, punt 49).

43

Het recht op een eerlijk proces van een persoon die is gedagvaard om voor een strafrechter te verschijnen, vereist aldus dat die persoon op zodanige wijze is geïnformeerd dat hij zijn verweer doeltreffend kan voorbereiden. Artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584 beoogt dit doel te bereiken zonder evenwel uitputtend te bepalen welke middelen daartoe kunnen worden gebruikt. Naast het geval van de dagvaarding in persoon, is immers voldaan aan de voorwaarden van deze bepaling indien de betrokkene „anderszins” daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van zijn proces.

44

In dit verband heeft kaderbesluit 2009/299, zoals overweging 4 ervan preciseert, niet tot doel om op het niveau van de Unie de vormen en methoden te regelen waarvan de bevoegde autoriteiten gebruikmaken in het kader van de overleveringsprocedure, met inbegrip van de volgens het nationale recht van de betrokken lidstaat toepasselijke procedurevoorschriften.

45

Het in punt 43 van dit arrest in herinnering gebrachte doel van artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584 is noodzakelijkerwijs bereikt door een dagvaarding die plaatsvindt „in persoon”, als bedoeld in het eerste zinsdeel van die bepaling, daar een dergelijke wijze van dagvaarding garandeert dat de betrokkene de dagvaarding zelf heeft ontvangen en bijgevolg op de hoogte is gebracht van het tijdstip en de plaats van zijn proces.

46

Met de voorwaarden in het tweede zinsdeel van deze bepaling wordt beoogd hetzelfde hoge niveau van bescherming van de gedagvaarde persoon te bereiken, door er zorg voor te dragen dat deze persoon over de informatie over het tijdstip en de plaats van zijn proces beschikt.

47

Met name gelet op de bewoordingen van artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584, volgens welke op ondubbelzinnige wijze moet vaststaan dat de betrokkene „op de hoogte was van het voorgenomen proces”, kan de omstandigheid dat een dagvaarding is uitgereikt aan een derde die toezegt die dagvaarding aan de betrokkene te overhandigen, ongeacht of deze persoon al dan niet tot het huishouden van de betrokkene behoort, niet zonder meer aan deze vereisten voldoen. Met een dergelijke wijze van dagvaarding kan immers noch op ondubbelzinnige wijze worden vastgesteld dat de betrokkene de informatie over het tijdstip en de plaats van zijn proces „daadwerkelijk” heeft ontvangen, noch, in voorkomend geval, op welke precieze tijdstip hij die heeft ontvangen.

48

Zoals de Commissie heeft opgemerkt kan weliswaar niet principieel worden uitgesloten dat de uitreiking van een dagvaarding aan een derde beantwoordt aan de vereisten van artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584, doch om het doel van deze bepaling te bereiken moet op ondubbelzinnige wijze vaststaan dat deze derde de dagvaarding daadwerkelijk aan de betrokkene heeft overhandigd.

49

In dit verband dient de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in het Europees aanhoudingsbevel de elementen te vermelden op basis waarvan zij heeft geconstateerd dat de betrokkene de informatie over het tijdstip en de plaats van zijn proces daadwerkelijk officieel heeft ontvangen. Wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich ervan vergewist dat de voorwaarden in artikel 4 bis, lid 1, onder a), van kaderbesluit 2002/584 zijn vervuld, kan zij zich tevens op andere elementen baseren, daaronder begrepen omstandigheden waarvan zij kennis heeft genomen in het kader van het horen van de betrokkene.

50

Daar de in artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584 bedoelde gevallen bovendien zijn geformuleerd als uitzonderingen op een grond tot facultatieve niet-erkenning, kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit hoe dan ook, zelfs na te hebben vastgesteld dat die gevallen niet zien op de betrokken situatie, rekening houden met andere omstandigheden aan de hand waarvan zij zich ervan kan vergewissen dat de overlevering van de betrokkene geen schending van zijn rechten van verweer impliceert.

51

In het kader van een dergelijke beoordeling van die facultatieve grond tot niet-erkenning kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit aldus de handelwijze van de betrokkene in aanmerking nemen. In deze fase van de overleveringsprocedure kan immers bijzondere aandacht worden geschonken aan een eventueel kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de betrokkene, met name wanneer blijkt dat hij heeft getracht te ontkomen aan de betekening van de aan hem gerichte informatie.

52

Zo kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit tevens rekening houden met de ter terechtzitting voor het Hof door de Poolse regering genoemde omstandigheid dat het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat in elk geval aan de betrokkene het recht verleent om te verzoeken om een verzetprocedure wanneer, zoals in casu, de betekening van de dagvaarding wordt geacht te zijn verricht middels neerlegging ervan bij een volwassen huisgenoot van de betrokkene.

53

Hoe dan ook beschikt de uitvoerende rechterlijke autoriteit over de mogelijkheid om krachtens artikel 15, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 dringend om aanvullende gegevens te verzoeken, indien zij van oordeel is dat de door de uitvaardigende lidstaat meegedeelde gegevens onvoldoende zijn om haar in staat te stellen een beslissing te nemen over de overlevering.

54

Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584 in die zin moet worden uitgelegd dat een dagvaarding als aan de orde in het hoofdgeding, die niet rechtstreeks aan de betrokkene is betekend maar op diens adres is uitgereikt aan een volwassen huisgenoot van hem, die heeft toegezegd deze aan hem te overhandigen, zonder dat uit het Europees aanhoudingsbevel blijkt dat en, in voorkomend geval, wanneer deze volwassene die dagvaarding daadwerkelijk aan de betrokkene heeft overhandigd, niet zonder meer voldoet aan de in die bepaling genoemde voorwaarden.

Kosten

55

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet in die zin worden uitgelegd dat de uitdrukkingen „persoonlijk [...] gedagvaard” en „anderszins daadwerkelijk officieel in kennis [...] gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces”, in deze bepaling, autonome begrippen van het Unierecht vormen en in de gehele Europese Unie uniform moeten worden uitgelegd.

 

2)

Artikel 4 bis, lid 1, onder a), i), van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, moet in die zin worden uitgelegd dat een dagvaarding als aan de orde in het hoofdgeding, die niet rechtstreeks aan de betrokkene is betekend maar op diens adres is uitgereikt aan een volwassen huisgenoot van hem, die heeft toegezegd deze aan hem te overhandigen, zonder dat uit het Europees aanhoudingsbevel blijkt dat en, in voorkomend geval, wanneer deze volwassene die dagvaarding daadwerkelijk aan de betrokkene heeft overhandigd, niet zonder meer voldoet aan de in die bepaling genoemde voorwaarden.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Nederlands.