ARREST VAN HET HOF (Achtste kamer)

26 april 2017 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Gemeenschappelijk douanetarief — Tariefposten — Indeling van de goederen — Implantaatschroeven die bestemd zijn om in het menselijk lichaam te worden ingebracht voor de behandeling van breuken in het beendergestel of de bevestiging van protheses — Gecombineerde nomenclatuur — Post 9021 — Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1212/2014 — Geldigheid”

In zaak C‑51/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Noord-Holland (Nederland) bij beslissing van 25 januari 2016, ingekomen bij het Hof op 28 januari 2016, in de procedure

Stryker EMEA Supply Chain Services BV

tegen

Inspecteur van de Belastingdienst/Douane kantoor Rotterdam Rijnmond,

wijst

HET HOF (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: M. Vilaras, kamerpresident, M. Safjan en D. Šváby (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: P. Mengozzi,

griffier: M. Ferreira, hoofdadministrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 januari 2017,

gelet op de opmerkingen van:

Stryker EMEA Supply Chain Services BV, vertegenwoordigd door H. de Bie, advocaat,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en M. A. M. de Ree als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Caeiros en S. Noë als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van post 9021 van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: „GN”) die is opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1101/2014 van de Commissie van 16 oktober 2014 (PB 2014, L 312, blz. 1; hierna: „verordening nr. 2658/87”), alsmede de geldigheid van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1212/2014 van de Commissie van 11 november 2014 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur (PB 2014, L 329, blz. 3).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Stryker EMEA Supply Chain Services BV (hierna: „Stryker”) en de Inspecteur van de Belastingdienst/Douane kantoor Rotterdam Rijnmond (hierna: „douaneautoriteiten”) over de tariefindeling van drie modellen van medische implantaatschroeven.

Toepasselijke bepalingen

Indeling van goederen

3

De GN is ingevoerd bij verordening nr. 2658/87. Zij is gebaseerd op het op 14 juni 1983 te Brussel gesloten Internationaal Verdrag betreffende het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: „GS”), dat samen met het daarbij behorende protocol van wijziging van 24 juni 1986 namens de Europese Economische Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 87/369/EEG van de Raad van 7 april 1987 (PB 1987, L 198, blz. 1). In de GN zijn de posten en onderverdelingen van het GS tot zes cijfers overgenomen. Alleen het zevende en achtste cijfer bevatten verdere postonderverdelingen die specifiek zijn voor de GN.

4

Verordening nr. 2658/87 machtigt de Europese Commissie de inhoud van een tariefpost te verduidelijken. Bijlage I bij verordening nr. 2658/87 wordt door de Commissie eenmaal per jaar bijgewerkt. Bij uitvoeringsverordening nr. 1101/2014 heeft de Commissie een volledige versie van de GN vastgesteld, die van toepassing is vanaf 1 januari 2015.

5

In dit verband bevat de GN in haar eerste deel, titel I, afdeling A, een geheel van algemene regels voor de interpretatie van deze nomenclatuur. In deze afdeling heet het:

„Voor de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur gelden de volgende bepalingen.

1.

De tekst van de opschriften van de afdelingen, van de hoofdstukken en van de onderdelen van hoofdstukken wordt geacht slechts als aanwijzing te gelden; voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken [...].

[...]

6.

Voor de indeling van goederen onder de onderverdelingen van een post zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van die onderverdelingen en de aanvullende aantekeningen[...], met dien verstande dat uitsluitend onderverdelingen van gelijke rangorde met elkaar kunnen worden vergeleken. Voor de toepassing van deze regel en voor zover niet anders is bepaald, zijn de aantekeningen op de afdelingen en op de hoofdstukken eveneens van toepassing.”

6

Het tweede deel van de GN, met het opschrift „Tabel van de rechten”, bevat een afdeling XV, getiteld „Onedele metalen en werken daarvan”. De aantekeningen 2 en 3 op deze afdeling luiden:

„2.

In de [GN] worden als ‚delen voor algemeen gebruik’ aangemerkt:

a)

artikelen bedoeld bij de posten 7307, 7312, 7315, 7317 en 7318, alsmede dergelijke artikelen van andere onedele metalen;

[...]

3.

In de nomenclatuur worden als ‚onedele metalen’ aangemerkt: [...] staal, [...] titaan, [...]”

7

Afdeling XV van de GN bevat een hoofdstuk 73, met het opschrift „Werken van gietijzer, van ijzer en van staal”. Dit hoofdstuk omvat onder meer post 7318, die als volgt luidt:

„Schroeven, bouten, moeren, kraagschroeven, schroefhaken, massieve klinknagels en klinkbouten, splitpennen en splitbouten, stelpennen en stelbouten, spieën, sluitringen (veerringen en andere verende sluitringen daaronder begrepen) en dergelijke artikelen, van gietijzer, van ijzer of van staal.”

8

De GS-toelichting op post 7318 bevat de volgende verduidelijking:

„Al deze artikelen zijn in de regel in de afgewerkte staat van schroefdraad voorzien, met uitzondering van bepaalde bouten die door bv. een pen worden vastgezet. Zij worden gebruikt voor het aan elkaar bevestigen van twee of meer elementen, zodanig dat het mogelijk is deze later zonder beschadiging te demonteren.

[...] [M]etaalschroeven zijn cilindervormig en de draad heeft dicht opeenvolgende gangen (kleine spoed) met een scherp profiel. De kop kan een groef of zijvlakken hebben. In het laatste geval worden de bouten en de metaalschroeven aangedraaid met behulp van een sleutel.

Onder deze post vallen [...] metaalschroeven van alle soorten, ongeacht vorm en gebruik, dus ook die met speciale vorm, zoals U-bouten, bouten zonder kop (tapeinden) – bestaande uit cilindrische schachten met schroefdraad aan één uiteinde of over de gehele lengte – schroeftapbouten (draadeinden), bestaande uit een korte schacht met schroefdraad aan beide uiteinden.

[...]

Houtschroeven onderscheiden zich van bouten en metaalschroeven door hun tapse vorm en doordat zij zijn voorzien van een punt en een steile, scherpe schroefdraad, om bij het draaien in de stof te kunnen dringen. Bovendien hebben houtschroeven meestal een gegroefde kop en worden zij altijd zonder moer gebruikt.

[...]”

9

Afdeling XV van de GN bevat ook een hoofdstuk 81, met het opschrift „Andere onedele metalen; cermets; werken van deze stoffen”. Onder dit hoofdstuk valt post 8108, die als volgt luidt:

„Titaan en werken daarvan, resten en afval daaronder begrepen

[...]

8108 90 – andere

[...]

8108 90 90 – andere”.

10

Het tweede deel van de GN bevat een afdeling XVIII, met het opschrift „Optische instrumenten, apparaten en toestellen; instrumenten, apparaten en toestellen, voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisie-instrumenten, -apparaten en ‑toestellen; medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen; uurwerken; muziekinstrumenten; delen en toebehoren van deze instrumenten, apparaten en toestellen”.

11

Afdeling XVIII van de GN bevat een hoofdstuk 90, met het opschrift „Optische instrumenten, apparaten en toestellen; instrumenten, apparaten en toestellen, voor de fotografie en de cinematografie; meet-, verificatie-, controle- en precisie-instrumenten, -apparaten en ‑toestellen; medische en chirurgische instrumenten, apparaten en toestellen; delen en toebehoren van deze instrumenten, apparaten en toestellen”.

12

Aantekening 1 op dit hoofdstuk 90 luidt:

„1.

Dit hoofdstuk omvat niet:

[...]

f)

delen voor algemeen gebruik in de zin van aantekening 2 op afdeling XV, van onedel metaal (afdeling XV) en dergelijke artikelen van kunststof (hoofdstuk 39);

[...]”

13

De GS-toelichting op hoofdstuk 90 bevat de volgende verduidelijkingen:

„Dit hoofdstuk omvat instrumenten, apparaten en toestellen van uiteenlopende aard, welke in de regel het kenmerk dragen dat zij met zorg zijn afgewerkt en uiterst nauwkeurig zijn, zodat de meeste onder meer gebruikt worden voor [...] medische doeleinden.

[...]”

14

Post 9021 is als volgt gestructureerd:

„9021 10 – Orthopedische artikelen en toestellen, alsmede artikelen en toestellen voor de behandeling van breuken in het beendergestel.

[...]

9021 10 90 – – artikelen en toestellen voor de behandeling van breuken in het beendergestel

[...]

9021 90 – andere:

[...]

9021 90 90 – – andere”

15

De GS-toelichting op post 9021 preciseert:

„Deze artikelen en apparaten dienen om gekwetste lichaamsdelen onbeweeglijk of gestrekt te houden en te beschermen, dan wel om breuken te zetten. [...]

Sommige van deze artikelen en apparaten worden op het lichaam van de patiënt bevestigd (zulks geldt onder meer ten aanzien van breukspalken, en dergelijke artikelen van metaaldraad, zink, hout, enz. om de ledematen onbeweeglijk te houden, spalken van gipsverband voor de ellebogen, de ribbenkast, enz.) of worden aangebracht op een bed of tafel (beschermingshoepels, strektoestellen voor het zetten van breuken en dienende ter vervanging van breukspalken, enz.).

Met inachtneming van het bepaalde in aantekening 1, onder f), op hoofdstuk 90 worden onder post 9021 eveneens ingedeeld, plaatjes, pennen, enz., die door chirurgen langs operatieve weg in het lichaam worden gebracht om de twee einden van een gebroken been aaneen te zetten of voor soortgelijke behandeling van breuken in het beendergestel.”

16

De GN-toelichting op onderverdeling 9021 39 90 verduidelijkt:

„Deze onderverdeling omvat onder meer:

1.

plaatjes die blijvend in het organisme worden aangebracht (b.v. ter vervanging van een bot of een deel van een bot);

[...]”

Uitvoeringsverordening nr. 1212/2014

17

Uitvoeringsverordening nr. 1212/2014 deelt de medische implantaatschroef in op basis van de gegevens in de bijlage bij deze verordening.

18

Deze schroef is daarin als volgt omschreven:

„Een massief, cilindervormig en van schroefdraad voorzien product uit een zeer harde, gekleurde titaniumlegering, met een lengte van ongeveer 12 mm.

Het product heeft een steel met een vaste buitendiameter van 3 mm en een kop. De steel is over zijn volledige lengte voorzien van een asymmetrische schroefdraad. De kop is voorzien van schroefdraad (waardoor hij in een compressieplaat in fixatiesystemen kan worden gedraaid) en bovenop bevindt zich een uitsparing voor de aandrijving.

Het product voldoet aan de ISO/TC 150-normen voor implantaatschroeven en wordt aangeboden voor gebruik bij traumachirurgie om breuken te zetten. Het moet in het lichaam worden ingebracht met behulp van specifieke instrumenten.

Bij invoer wordt het product in een steriele verpakking aangeboden. Het is genummerd en daarom traceerbaar tijdens het volledige productie- en distributieproces.”

19

Overeenkomstig de motivering in de bijlage bij deze verordening, gelden voor de indeling de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de GN, aantekening 2, onder a), op afdeling XV, aantekening 3 op afdeling XV, aantekening 1, onder f), op hoofdstuk 90, alsmede de bewoordingen van de posten en onderverdelingen nrs. 8108, 8108 90 en 8108 90 90 van de GN.

20

Deze motivering gaat als volgt verder:

„Gezien zijn objectieve kenmerken komt het product volledig overeen met een schroef van onedel metaal, ook al is het bestemd voor gebruik bij traumachirurgie. Ongeacht het feitelijke gebruik ervan zijn schroeven van onedel metaal, in overeenstemming met aantekening 2[, onder] a), op afdeling XV, delen voor algemeen gebruik. Op grond van aantekening 1[, onder] f), op hoofdstuk 90 is indeling onder post 9021 als breukspalken en andere artikelen en apparaten voor de behandeling van breuken in het beendergestel derhalve uitgesloten.

Het product moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 8108 90 90 als andere artikelen van titaan.”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

21

Het hoofdgeding heeft betrekking op de intrekking van drie bindende tariefinlichtingen, die door de douaneautoriteiten aan Stryker zijn afgegeven voor drie modellen van implantaatschroeven die bestemd zijn om in het menselijk lichaam te worden ingebracht voor de behandeling van breuken in het beendergestel of de bevestiging van protheses. Blijkens de verwijzingsbeslissing hebben deze schroeven de volgende gemeenschappelijke kenmerken:

een doorsnede van respectievelijk 6,5 mm, 6,5 mm en 4 mm;

een lengte van respectievelijk 25 mm, 50 mm en 16mm;

een speciaal ontwikkeld schroefdraad;

een schroefkop die is voorzien van een inbus;

een individuele verpakking, in een doosje tezamen met een gebruiksaanwijzing;

een steriele of niet-steriele staat.

22

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt ook dat deze schroeven specifieke kenmerken hebben. Een ervan is namelijk vervaardigd van een titaniumlegering, terwijl de twee andere zijn vervaardigd van roestvrij staal. Bovendien zijn de roestvrijstalen schroeven bestemd voor eenmalig gebruik. Tot slot wordt de titanium schroef gebruikt voor het fixeren van een kunstgewricht, terwijl de roestvrijstalen schroeven worden gebruikt voor de tijdelijke fixatie/stabilisatie van botten.

23

Gelet op deze kenmerken werden deze drie typen medische implantaatschroeven op basis van door de douaneautoriteiten afgegeven bindende tariefinlichtingen door die autoriteiten ingedeeld onder GN-code 9021 90 90.

24

Na de bekendmaking van uitvoeringsverordening nr. 1212/2014 hebben voornoemde autoriteiten die tariefinlichtingen bij beschikking van 6 januari 2015 ingetrokken. Deze intrekking was gerechtvaardigd omdat volgens die verordening „een schroef die bestemd is voor chirurgie, gezien zijn objectieve eigenschappen en kenmerken moet worden ingedeeld als een deel voor algemeen gebruik”.

25

Nadat Stryker bij de douaneautoriteiten vergeefs een bezwaarschrift had ingediend, heeft zij tegen die intrekkingsbeschikking beroep ingesteld bij de verwijzende rechter.

26

Ter ondersteuning van haar beroep voert Stryker in wezen aan dat, gelet op de objectieve kenmerken en eigenschappen van implantaatschroeven, waaronder hun inherente bestemming, geen sprake is van „reguliere” schroeven als bedoeld in GN-post 7318. Bovendien betoogt Stryker dat uitvoeringsverordening nr. 1212/2014 ongeldig is, omdat de in deze verordening gemaakte indeling uitsluitend is gebaseerd op de uiterlijke kenmerken van de betrokken medische implantaatschroeven, zonder rekening te houden met de inherente bestemming van deze schroeven, hetgeen in strijd is met de rechtspraak van het Hof.

27

De douaneautoriteiten betogen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schroeven grote overeenkomsten vertonen met de in voornoemde verordening omschreven schroef en daarom moeten worden aangemerkt als „delen voor algemeen gebruik”.

28

De verwijzende rechter is van oordeel dat, in de eerste plaats, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde implantaatschroeven, gelet op hun objectieve eigenschappen en kenmerken, waaronder hun inherente bestemming, in aanmerking komen voor indeling onder GN-post 9021.

29

Een dergelijke indeling volgt uit de objectieve eigenschappen en kenmerken van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde medische implantaatschroeven. De verwijzende rechter merkt in dit verband op dat deze schroeven ontworpen, geproduceerd en verkocht worden als orthopedisch artikel voor de behandeling van breuken in het beendergestel of de bevestiging van protheses, dat zij worden geleverd met een voor de chirurg opgestelde gebruiksaanwijzing, dat zij enkel in het lichaam kunnen worden ingebracht met behulp van specifieke medische instrumenten, dat het gebruikte materiaal (staal of titaniumlegering) specifiek ontworpen is om de risico’s van afstoting te minimaliseren, dat de schroefdraad dieper is dan bij „universele” schroeven, dat de schroefkop zo is ontwikkeld dat ontstekingsrisico’s wordt verminderd, dat zij voldoen aan de normen van de International Standard Organization, die de kwaliteit van medische producten garandeert, en, tot slot, dat zij bij een terugroepactie traceerbaar zijn.

30

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt ook dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schroeven individueel zijn verpakt in een doosje en dat zij in steriele staat kunnen worden aangeboden.

31

Voorts geeft de verwijzende rechter aan dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde implantaatschroeven uitsluitend bestemd zijn om in het menselijk lichaam te worden ingebracht voor de behandeling van breuken in het beendergestel of de bevestiging van protheses.

32

In de tweede plaats merkt de verwijzende rechter op dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schroeven overeenkomen met de schroef zoals die is omschreven in de bijlage bij uitvoeringsverordening nr. 1212/2014, die indeling onder post 9021 uitsluit. De verwijzende rechter leidt uit die verordening af dat wanneer het gaat om een product dat valt onder de „delen voor algemeen gebruik” in de zin van aantekening 2 op afdeling XV, de bestemming van dat product niet in aanmerking kan worden genomen voor de tariefindeling daarvan.

33

In de derde plaats benadrukt de verwijzende rechter het belang dat de Commissie, die uitvoeringsverordening nr. 1212/2014 heeft vastgesteld, toekent aan de uiterlijke verschijningsvorm van de implantaatschroeven voor de indeling daarvan. De verwijzende rechter erkent dat een dergelijke implantaatschroef op het eerste gezicht lijkt op een „universele” schroef. Niettemin merkt hij op dat nadere beschouwing wijst op een eigen karakter, dat dergelijke implantaatschroeven onderscheidt van universele schroeven. Hij merkt in dit verband op dat de schroefdraad van de onderhavige implantaatschroeven dieper is dan van een universele schroef en dat de uitsparing in de schroefkop niet geschikt is voor universeel gereedschap, maar is afgestemd op specifieke medische instrumenten.

34

In deze omstandigheden wenst de verwijzende rechter te vernemen of de Commissie, door in de motivering in de bijlage bij uitvoeringsverordening nr. 1212/2014 de werkingssfeer van post 9021 te beperken, haar bevoegdheden niet heeft overschreden.

35

Daarop heeft de rechtbank Noord-Holland besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Dient post 9021 van de GN aldus te worden uitgelegd dat implantaatschroeven [als aan de orde in het hoofdgeding], die uitsluitend bestemd zijn om in het menselijk lichaam te worden ingebracht voor de behandeling van breuken in het beendergestel of de bevestiging van protheses, daaronder kunnen worden ingedeeld?

2)

Is uitvoeringsverordening [...] nr. 1212/2014 [...] geldig?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

36

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de GN aldus moet worden uitgelegd dat medische implantaatschroeven als aan de orde in het hoofdgeding, die uitsluitend zijn bestemd om in het menselijk lichaam te worden ingebracht voor de behandeling van breuken in het beendergestel of de bevestiging van protheses, onder GN-post 9021 vallen.

37

Stryker betoogt dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde drie modellen van schroeven in ieder geval, onafhankelijk van hun fysieke samenstelling – staal of titanium – onder GN-post 9021 vallen. Deze indeling wordt in essentie gerechtvaardigd door de inherente bestemming van deze schroeven en door objectieve kenmerken die eigen zijn aan deze schroeven, welke kenmerken de Commissie ten onrechte als niet-relevant heeft aangemerkt.

38

Volgens de Commissie is het beslissende criterium echter gelegen in een analyse van de objectieve uiterlijke kenmerken van deze schroeven. Op grond daarvan kent de Commissie een doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat, volgens haar, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schroeven „volledig overeenkomen” met gewone schroeven. Volgens de Commissie is de bestemming van deze schroeven – het gebruik ervan bij traumachirurgie – dus irrelevant. De in het hoofdgeding aan de orde zijnde schroeven moeten dus worden aangemerkt als „delen voor algemeen gebruik, van onedel metaal”, en kunnen dus op grond van aantekening 1, onder f), op hoofdstuk 90 van de GN niet worden ingedeeld onder GN-post 9021. Bijgevolg stelt de Commissie voor om de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schroeven in te delen aan de hand van hun fysieke samenstelling, dat wil zeggen de schroeven van staal onder GN-post 7318 en de schroeven van titaniumlegering onder GN-post 8108.

39

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, volgens vaste rechtspraak, in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in het algemeen moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-posten en in de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken zijn omschreven (zie met name arrest van 18 mei 2011, Delphi Deutschland, C‑423/10, EU:C:2011:315, punt 23).

40

Bovendien kan, eveneens volgens vaste rechtspraak, de bestemming van het product een objectief indelingscriterium zijn wanneer die bestemming inherent is aan het product, en moet die inherentie kunnen worden beoordeeld aan de hand van de objectieve kenmerken en eigenschappen van het product (zie met name arrest van 22 december 2010, Premis Medical, C‑273/09, EU:C:2010:809, punt 43).

41

In casu blijkt uit de feitelijke vaststellingen van de verwijzende rechter, zoals die in punt 29 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schroeven beschikken over een kop met een specifieke vorm die speciaal is aangepast aan medische bevestigingsinstrumenten en over een schroefdraad die speciaal is ontworpen om in het bot te worden geschroefd en het ontstekingsrisico te verminderen. Verder hebben zij een speciale behandeling ondergaan om het risico van afstoting te minimaliseren.

42

Niet betwist wordt overigens dat voornoemde schroeven speciaal zijn ontwikkeld om te worden ingebracht in het organisme, voor het fixeren van, respectievelijk, hetzij een kunstgewricht, hetzij botten of delen van botten.

43

Bovendien moet worden geconstateerd dat producten als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn noch in de tekst van de GN-posten, noch in de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken van de GN uitdrukkelijk worden vermeld.

44

Er zij evenwel op gewezen dat de tekst van GN-post 9021 met name melding maakt van artikelen en toestellen voor de behandeling van breuken in het beendergestel.

45

In dit verband bevatten zowel de toelichtingen op het GS als die op de GN, nuttige aanwijzingen voor de tariefindeling van producten als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, ook al zijn deze toelichtingen slechts uitleggingen en rechtens niet bindend (zie arrest van 27 april 2006, Kawasaki Motors Europe, C‑15/05, EU:C:2006:259, punt 37en aldaar aangehaalde rechtspraak).

46

Eerst en vooral preciseert de GS-toelichting op hoofdstuk 90, zoals in punt 13 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, dat de producten die onder dit hoofdstuk vallen, het kenmerk dragen dat zij met zorg zijn afgewerkt en uiterst nauwkeurig zijn, zodat de meeste van deze producten onder meer gebruikt worden voor medische doeleinden.

47

Aldus moeten onder GN-post 9021 producten worden ingedeeld die vooral worden gekenmerkt door hun zorgvuldige vervaardiging en hun grote precisie, hetgeen ze onderscheidt van gewone producten (zie in die zin arrest van 7 november 2002, Lohmann en Medi Bayreuth, C‑260/00–C‑263/00, EU:C:2002:637, punt 37).

48

Vervolgens wordt in punt 2 van de GS-toelichting op post 9021 bepaald dat de artikelen en toestellen voor de behandeling van breuken in het beendergestel „dienen om gekwetste lichaamsdelen onbeweeglijk [...] te houden [...], dan wel om breuken te zetten”. Onder deze post vallen ook „plaatjes, pennen, enz., die door chirurgen langs operatieve weg in het lichaam worden gebracht om de twee einden van een gebroken been aaneen te zetten of voor soortgelijke behandeling van breuken in het beendergestel”.

49

Tot slot preciseert de GN-toelichting op onderverdeling 9021 39 90 dat onder die post vallen „plaatjes die blijvend in het organisme worden aangebracht (b.v. ter vervanging van een bot of een deel van een bot)”.

50

Uit het voorgaande volgt dat producten die worden gekenmerkt door hun zorgvuldige vervaardiging en hun grote precisie, en die in het organisme kunnen worden ingebracht om gekwetste lichaamsdelen onbeweeglijk te houden, dan wel om breuken te zetten, hetgeen ze bijgevolg onderscheidt van gewone producten, moeten worden ingedeeld onder GN-post 9021.

51

In de tweede plaats behoren tot de criteria op grond waarvan eenvoudige of gewone producten kunnen worden onderscheiden van producten die een medische functie vervullen, met name de wijze van vervaardiging alsook de specifieke functie van het betrokken product (zie in die zin arrest van 7 november 2002, Lohmann en Medi Bayreuth, C‑260/00–C‑263/00, EU:C:2002:637, punt 39).

52

Wat de wijze van vervaardiging van het product betreft, volgt uit de feitelijke vaststellingen van de verwijzende rechter dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde medische implantaatschroeven zodanig zijn ontworpen dat zij, vanwege de specifieke vorm van hun kop, enkel met specifieke medische instrumenten, en niet met gewone instrumenten in het lichaam kunnen worden ingebracht. Bovendien is het materiaal dat voor deze roestvrijstalen of titanium schroeven wordt gebruikt speciaal ontworpen om de risico’s van afstoting te minimaliseren.

53

Wat de specifieke functie van het product betreft, blijkt uit de verwijzingsbeslissing tevens dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde medische implantaatschroeven uitsluitend als functie hebben het aaneenzetten van twee einden van een gebroken been of het fixeren van een kunstgewricht.

54

Derhalve moet worden vastgesteld dat producten als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn zich van gewone producten onderscheiden door hun zorgvuldige vervaardiging en hun grote precisie, gezien hun wijze van vervaardiging en hun specifieke functie. Anders dan de Commissie betoogt, dient derhalve geen beslissend belang te worden toegekend aan de uiterlijke verschijningsvorm van medische implantaatschroeven als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn.

55

Uit de objectieve kenmerken en eigenschappen van medische implantaatschroeven als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, volgt dan ook dat dergelijke producten onder GN-post 9021 kunnen vallen.

56

In de derde plaats kunnen – aangezien, zoals volgt uit de punten 39 tot en met 55 van het onderhavige arrest, schroeven als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn gezien hun objectieve kenmerken en eigenschappen moeten worden ingedeeld onder GN-post 9021, als artikelen voor de behandeling van breuken in het beendergestel – deze schroeven niet worden ingedeeld onder de GN-posten 7318 en 8108 en vallen zij niet onder de „delen voor algemeen gebruik”, in de zin van aantekening 1, onder f), op hoofdstuk 90 en aantekening 2, onder a), op afdeling XV van de GN.

57

Gelet op een en ander moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat de GN aldus moet worden uitgelegd dat medische implantaatschroeven als aan de orde in het hoofdgeding, onder GN-post 9021 vallen, aangezien deze producten door hun zorgvuldige afwerking en uiterste nauwkeurigheid, alsook door hun wijze van vervaardiging en hun specifieke functie, kenmerken hebben waardoor deze zich onderscheiden van gewone producten. Met name het feit dat medische implantaatschroeven als aan de orde in het hoofdgeding enkel in het lichaam kunnen worden ingebracht met behulp van specifieke medische instrumenten, en niet met gewone instrumenten, vormt een kenmerk dat in aanmerking moet worden genomen om deze medische implantaatschroeven te onderscheiden van gewone producten.

Tweede vraag

58

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of uitvoeringsverordening nr. 1212/2014 geldig is.

59

Uit de rechtspraak volgt, ten eerste, dat een indelingsverordening door de Commissie wordt vastgesteld wanneer de indeling van een specifiek product in de GN moeilijkheden kan opleveren of controversieel is en, ten tweede, dat wanneer een dergelijke verordening niet voor een bepaalde marktdeelnemer geldt, maar van toepassing is op alle producten die identiek zijn aan het ingedeelde product, zij een algemene strekking heeft (zie arrest van 19 februari 2009, Kamino International Logistics, C‑376/07, EU:C:2009:105, punt 63).

60

Vastgesteld moet worden, net als de Commissie dit ter terechtzitting heeft gedaan, dat het product dat door uitvoeringsverordening nr. 1212/2014 is ingedeeld, niet identiek is aan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde medische implantaatschroeven, gelet op de objectieve uiterlijke kenmerken daarvan. De in de bijlage bij die verordening omschreven schroef heeft namelijk, onder meer, een lengte van ongeveer 12 mm, een steel met een vaste buitendiameter van 3 mm en een kop die voorzien is van een asymmetrische schroefdraad, terwijl de in het hoofdgeding aan de orde zijnde schroeven, zoals omschreven in de verwijzingsbeslissing, veel langer zijn, stelen met een grotere diameter hebben en koppen hebben die niet zijn voorzien van asymmetrische schroefdraad.

61

Volgens de rechtspraak bevordert de toepassing naar analogie van een indelingsverordening op soortgelijke producten als die waarop deze verordening betrekking heeft, een coherente uitlegging van de GN en de gelijke behandeling van de ondernemers (arrest van 4 maart 2004, Krings, C‑130/02, EU:C:2004:122, punt 35).

62

Desalniettemin is een dergelijke toepassing naar analogie niet noodzakelijk en evenmin mogelijk, wanneer het Hof met zijn antwoord op een prejudiciële vraag de verwijzende rechter alle benodigde gegevens heeft verstrekt voor de indeling van een product onder de juiste GN-post.

63

In die omstandigheden hoeft de tweede vraag niet te worden beantwoord.

Kosten

64

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Achtste kamer) verklaart voor recht:

 

Post 9021 van de gecombineerde nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 1101/2014 van de Commissie van 16 oktober 2014, moet aldus worden uitgelegd dat medische implantaatschroeven als aan de orde in het hoofdgeding daaronder vallen, aangezien deze producten door hun zorgvuldige afwerking en uiterste nauwkeurigheid, alsook door hun wijze van vervaardiging en hun specifieke functie kenmerken hebben waardoor deze zich onderscheiden van gewone producten. Met name het feit dat medische implantaatschroeven als aan de orde in het hoofdgeding enkel in het lichaam kunnen worden ingebracht met behulp van specifieke medische instrumenten, en niet met gewone instrumenten, vormt een kenmerk dat in aanmerking moet worden genomen om deze medische implantaatschroeven te onderscheiden van gewone producten.

 

Vilaras

Safjan

Šváby

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 26 april 2017.

De griffier

A. Calot Escobar

De president van de Achtste kamer

M. Vilaras


( *1 )   Procestaal: Nederlands.