Zaak C‑13/16

Valsts policijas Rīgas reģiona pārvaldes Kārtības policijas pārvalde

tegen

Rīgas pašvaldības SIA „Rīgas satiksme”

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Augstākās tiesas Administratīvo lietu departaments)

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 95/46/EG – Artikel 7, onder f) – Persoonsgegevens – Voorwaarden waaronder de verwerking van persoonsgegevens geoorloofd is – Begrip ‚noodzakelijk voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van een derde’ – Verzoek om mededeling van de persoonsgegevens van een voor een verkeersongeval verantwoordelijke persoon om een recht in rechte uit te oefenen – Verplichting van de voor de verwerking verantwoordelijke om een dergelijk verzoek in te willigen – Geen”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 4 mei 2017

  1. Harmonisatie van de wetgevingen–Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens–Richtlijn 95/46–Voorwaarden waaronder de verwerking van persoonsgegevens geoorloofd is–Behartiging van het gerechtvaardigde belang van de voor de verwerking verantwoordelijke persoon of van degene aan wie de gegevens worden verstrekt–Begrip gerechtvaardigd belang–Belang van een derde bij het verkrijgen van persoonsgegevens van degene die schade heeft aangebracht aan zijn eigendom, teneinde de schade op deze persoon in rechte te verhalen–Daaronder begrepen

    [Richtlijn 95/46 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, f)]

  2. Harmonisatie van de wetgevingen–Bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens–Richtlijn 95/46–Voorwaarden waaronder de verwerking van persoonsgegevens geoorloofd is–Behartiging van het gerechtvaardigde belang van de voor de verwerking verantwoordelijke persoon of van degene aan wie de gegevens worden verstrekt–Verplichting voor de voor de verwerking verantwoordelijke persoon om persoonsgegevens aan een derde, op diens verzoek, te verstrekken om deze laatste in staat te stellen beroep in te stellen–Geen–Verstrekking van die gegevens op basis van het nationale recht–Toelaatbaarheid

    [Richtlijn 95/46 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, f)]

  1.  Zie de tekst van de beslissing.

    (zie punt 29)

  2.  Artikel 7, onder f), van richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens moet aldus worden uitgelegd dat daarbij niet de verplichting wordt opgelegd om persoonsgegevens aan een derde te verstrekken om deze in staat te stellen bij een civiele rechterlijke instantie een beroep tot schadevergoeding in te stellen voor schade die is veroorzaakt door de persoon op wie de gegevensbescherming betrekking heeft. Artikel 7, onder f), van deze richtlijn verzet zich evenwel niet tegen een dergelijke mededeling op basis van het nationale recht.

    Vast staat echter dat, zoals de advocaat-generaal in de punten 82 tot en met 84 van zijn conclusie heeft aangestipt en onder voorbehoud van het onderzoek dat de nationale rechter dienaangaande dient te verrichten, het in omstandigheden als die in het hoofdgeding niet gerechtvaardigd is om te weigeren aan een benadeelde partij persoonsgegevens mee te delen die noodzakelijk zijn voor het instellen van een beroep tot schadevergoeding tegen de schadeverwekker of, in voorkomend geval, tegen de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen omdat de schadeverwekker minderjarig is.

    (zie punten 33‑ 34 en dictum)