18.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 437/8


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 26 oktober 2017 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Kehl — Duitsland) — Strafzaak tegen I

(Zaak C-195/16) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Vervoer - Rijbewijs - Richtlijn 2006/126/EG - Artikel 2, lid 1 - Onderlinge erkenning van rijbewijzen - Begrip „rijbewijs” - Certificat d’examen du permis de conduire (attest dat het examen voor verkrijging van het rijbewijs met succes is afgelegd) (CEPC) dat de houder ervan toestaat, vóór de afgifte van het definitieve rijbewijs een motorvoertuig te besturen op het grondgebied van de lidstaat die het certificaat heeft afgegeven - Situatie waarin de houder van het CEPC een motorvoertuig bestuurt in een andere lidstaat - Verplichting tot erkenning van het CEPC - Sancties die aan de houder van het CEPC worden opgelegd wegens het besturen van een motorvoertuig buiten het grondgebied van de lidstaat die het CEPC heeft afgegeven - Evenredigheid))

(2017/C 437/11)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Amtsgericht Kehl

Partij in de strafzaak

I

In tegenwoordigheid van: Staatsanwaltschaft Offenburg

Dictum

1)

Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs en de artikelen 18, 21, 45, 49 en 56 VWEU moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een regeling van een lidstaat op grond waarvan die lidstaat erkenning van een certificaat dat in een andere lidstaat ten bewijze van de rijbevoegdheid van de houder van dat certificaat is afgegeven, kan weigeren wanneer dit certificaat niet voldoet aan de eisen van het door deze richtlijn voorgeschreven rijbewijsmodel, zelfs ingeval de houder van dat certificaat voldoet aan de door die richtlijn voor de afgifte van een rijbewijs gestelde voorwaarden.

2)

Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2006/126 en de artikelen 21, 45, 49 en 56 VWEU moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat een lidstaat een sanctie oplegt aan een persoon die weliswaar voldoet aan de in die richtlijn gestelde eisen voor de afgifte van een rijbewijs, maar op zijn grondgebied een motorvoertuig bestuurt zonder te beschikken over een rijbewijs dat voldoet aan de eisen van het door deze richtlijn voorgeschreven rijbewijsmodel, en die, in afwachting van de afgifte van een dergelijk rijbewijs door een andere lidstaat, zijn in die andere lidstaat verworven rijbevoegdheid alleen kan bewijzen aan de hand van een door laatstgenoemde lidstaat afgegeven tijdelijk certificaat, mits die sanctie niet onevenredig is aan de ernst van de betrokken feiten. Het staat in dit verband aan de verwijzende rechterlijke instantie om in kader van haar beoordeling van de ernst van de door de betrokken persoon gepleegde inbreuk en van de zwaarte van de aan deze laatste op te leggen sanctie, als eventuele verzachtende omstandigheid in aanmerking te nemen dat de betrokken persoon in een andere lidstaat rijbevoegdheid heeft verkregen ten bewijze waarvan hem door die andere lidstaat een certificaat is afgegeven dat in beginsel vóór het verstrijken van de geldigheidsduur ervan op verzoek van de betrokken persoon zal worden ingeruild voor een rijbewijs dat voldoet aan de eisen van het door richtlijn 2006/126 voorgeschreven rijbewijsmodel. Deze rechterlijke instantie moet in de context van haar analyse ook onderzoeken, welk reëel gevaar voor de veiligheid van het wegverkeer de betrokken persoon op haar grondgebied oplevert.


(1)  PB C 260 van 18.7.2016.