15.2.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 59/33


Beroep ingesteld op 3 december 2015 — Crédit Mutuel Arkéa/ECB

(Zaak T-712/15)

(2016/C 059/38)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: Crédit Mutuel Arkéa (Le Relecq-Kerhuon, Frankrijk) (vertegenwoordiger: H. Savoie, advocaat)

Verwerende partij: Europese Centrale Bank (ECB)

Conclusies

het besluit van de Europese Centrale Bank (ECB) van 5 oktober 2015 (ECB/SSM/2015 — 9695000CG7B8NLR5984/28) houdende vaststelling van de prudentiële vereisten die van toepassing zijn op de Groupe Crédit Mutuel, nietig verklaren

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan.

1.

Het besluit van de ECB van 5 oktober 2015 (hierna: „besluit”) is onrechtmatig, aangezien het ingaat tegen de bepalingen van Unierecht die de bevoegdheid van de ECB op het gebied van het prudentiële toezicht beperken tot de kredietinstellingen. Dit middel valt uiteen in vier onderdelen.

De regels inzake bankentoezicht die op de ECB van toepassing zijn, bepalen dat de bevoegdheid van de ECB strikt beperkt is tot de kredietinstellingen en andere financiële instellingen.

De Confédération nationale du Crédit Mutuel (CNCM) is geen kredietinstelling, zodat de ECB haar toezicht op Crédit Mutuel niet op het niveau van de CNCM mocht uitoefenen.

Het betoog dat de ECB geen prudentieel toezicht kan uitoefenen ten aanzien van de CNCM vindt steun in de omstandigheid dat de ECB geen sancties kan opleggen, hetgeen zij zelf overigens ook erkent.

Aangezien de ECB geen maatregelen kan opleggen aan de CNCM, strekt het besluit tevergeefs en in strijd met het recht tot oplegging van corrigerende maatregelen aan de Crédit Mutuel-groep, die juridisch niet bestaat.

2.

Het besluit moet tevens nietig worden verklaard op grond dat daarin onrechtmatig is vastgesteld dat Crédit Mutuel als geheel een groep vormt in de zin van de Europese voorschriften inzake prudentieel toezicht. Dit middel valt uiteen in drie onderdelen.

In de Europese regelgeving is het algemene beginsel vastgelegd dat op individuele basis prudentieel toezicht wordt uitgeoefend op kredietinstellingen, en dat voorts een geconsolideerd toezicht wordt uitgeoefend op het niveau van de onderlinge verzekeringsgroepen, mits deze kunnen worden beschouwd als één enkele eenheid.

De juridische voorwaarden van de Europese regelgeving die geconsolideerd prudentieel toezicht op het niveau van bankgroepen toestaat, zijn niet vervuld.

Aan geen van de drie voorwaarden voor geconsolideerd toezicht op het niveau van Crédit Mutuel als geheel, is in casu voldaan.

3.

Het besluit moet eveneens nietig worden verklaard omdat daarbij het voor de Crédit Mutuel Arkéa-groep vereiste Tier 1-kernkapitaal op onrechtmatige wijze is verhoogd van 8 % tot 11 %. Dit middel bevat twee onderdelen.

In het besluit wordt het recht onjuist toegepast.

Het besluit bevat beoordelingsfouten.