13.7.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 228/23


Beroep ingesteld op 15 mei 2015 — Klyuyev/Raad

(Zaak T-244/15)

(2015/C 228/29)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Andriy Klyuyev (Donetsk, Oekraïne) (vertegenwoordiger: R. Gherson, solicitor)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

besluit (GBVB) 2015/364 van de Raad van 5 maart 2015 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2015, L 62, blz. 25) en uitvoeringsverordening (EU) 2015/357 van de Raad van 5 maart 2015 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2015, L 62, blz. 1), nietig verklaren voor zover zij op verzoekende partij van toepassing zijn;

subsidiair: artikel 1, lid 1, van besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014, zoals gewijzigd, en artikel 3, lid 1, van verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014, zoals gewijzigd, niet van toepassing verklaren voor zover zij als gevolg van een onrechtmatigheid op verzoekende partij van toepassing zijn, en

de Raad verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij zeven middelen aan.

1.

Eerste middel: besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014, zoals gewijzigd (hierna: „besluit”), druist, voor zover het aan verzoekende partij beperkende maatregelen oplegt, in tegen de uitdrukkelijke doeleinden van het besluit (bijvoorbeeld democratie, rechtsstaat, respect voor de mensenrechten) en valt niet binnen de beginselen en doeleinden van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid („GBVB”), zoals verwoord in artikel 21 VEU. De voorwaarden waaronder een beroep kan worden gedaan op artikel 21 VEU zijn door het besluit derhalve niet vervuld. Aangezien het besluit ongeldig was, kon de Raad zich niet beroepen op artikel 215, lid 2, VWEU om verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014, zoals gewijzigd (hierna: „verordening”), vast te stellen. Recente gebeurtenissen hebben duidelijk gemaakt dat verzoekende partij niet eerlijk, onafhankelijk en onbevooroordeeld zal worden behandeld door Oekraïense onderzoeksinstanties en rechterlijke instanties.

2.

Tweede middel: verzoekende partij voldoet niet aan de criteria voor opname in de bijlage bij het besluit en de verordening (hierna samen: „bestreden maatregelen”). Toen verzoekende partij werd opgenomen op de lijst, was door de Oekraïense autoriteiten tegen haar geen strafvervolging ingesteld voor het verduisteren van overheidsmiddelen of activa of voor machtsmisbruik ten koste van Oekraïense overheidsmiddelen of activa.

3.

Derde middel: de Raad heeft de rechten van verdediging en het recht op een doeltreffende rechterlijke bescherming van verzoekende partij geschonden. Verzoekende partij heeft geen ernstig, geloofwaardig of concreet bewijs gekregen ter ondersteuning van een zaak die het opleggen van beperkende maatregelen aan haar zou rechtvaardigen. Er is met name geen bewijs van enig zorgvuldig en onpartijdig onderzoek naar de vraag of de redenen die zijn genoemd om de heraanwijzing te rechtvaardigen, gelet op de door verzoekende partij afgelegde verklaringen, gegrond zijn.

4.

Vierde middel: de Raad heeft de opname van verzoekende partij in de bijlage onvoldoende gemotiveerd. De motivering bevat geen details en bestaat voornamelijk uit algemene stereotypische formuleringen.

5.

Vijfde middel: de Raad heeft de fundamentele rechten van verzoekende partij op eigendom en goede naam zwaar geschonden. De beperkende maatregelen waren niet „bij wet gesteld”; zij waren zonder behoorlijke waarborgen die verzoekende partij in staat stellen haar zaak daadwerkelijk aan de Raad voor te leggen; zij zijn niet beperkt tot specifiek bezit waarvan wordt gezegd dat het verduisterde overheidsmiddelen betreft of zelfs maar beperkt tot de hoogte van de middelen die zouden zijn verduisterd; zij zijn beschouwd als een aanwijzing van schuld, hetgeen heeft geleid tot negatieve gevolgen in andere jurisdicties.

6.

Zesde middel: de Raad is uitgegaan van materieel onjuiste feiten. De bewering dat door de Oekraïense autoriteiten tegen verzoekende partij een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld wegens het verduisteren van overheidsmiddelen of activa of wegens machtsmisbruik ten koste van Oekraïense overheidsmiddelen of activa, of dat verzoekende partij zich waarschijnlijk daaraan schuldig heeft gemaakt, is aantoonbaar onjuist.

7.

Zevende middel, aangevoerd ter ondersteuning van de exceptie van onwettigheid: zouden artikel 1, lid 1, van het besluit en artikel 3, lid 1, van de verordening aldus moeten worden uitgelegd, dat zij mede betrekking hebben op a) enig onderzoek door een Oekraïense instantie, ongeacht of hieraan enige rechterlijke beslissing of procedure ten grondslag ligt, of met een dergelijke beslissing of procedure daarop controle of toezicht wordt uitgeoefend, en/of b) enig „machtsmisbruik door een openbaar ambtsdrager om een ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen”, ongeacht of sprake is van een gestelde verduistering van overheidsmiddelen, dan zou het criterium voor aanwijzing, rekening houdende met de willekeurige breedte en werkingssfeer die het gevolg zouden zijn van een dergelijke ruime uitlegging, geen juiste rechtsgrondslag hebben en/of onevenredig zijn aan de doeleinden van het besluit en de verordening. Het criterium voor aanwijzing zou derhalve onrechtmatig zijn.