BESCHIKKING VAN HET HOF (Zesde kamer)

12 oktober 2016 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof — Kredietovereenkomsten voor consumenten — Richtlijn 2008/48/EG — Hypothecaire kredietovereenkomst — Variabele rentevoet — Verplichtingen van de kredietgever — Nationale regeling die van toepassing is op overeenkomsten die op de datum van inwerkingtreding ervan reeds lopen — Niet‑toepasselijkheid van richtlijn 2008/48”

In de gevoegde zaken C‑511/15 en C‑512/15,

betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Prekršajni sud u Bjelovaru (strafrechter Bjelovar, Kroatië) bij beslissingen van 15 september 2015, ingekomen bij het Hof op 25 september 2015, in de procedures

Renata Horžić (C‑511/15),

Siniša Pušić (C‑512/15)

tegen

Privredna banka Zagreb d.d.,

Božo Prka

geeft HET HOF (Zesde kamer)

samengesteld als volgt: E. Regan (rapporteur), kamerpresident, J.‑C. Bonichot en A. Arabadjiev, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de opmerkingen van:

de Republiek Kroatië, vertegenwoordigd door A. Metelko‑Zgombić als gemachtigde,

de Tsjechische Republiek, vertegenwoordigd door M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Goddin en M. Mataija als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om uitspraak te doen bij met redenen omklede beschikking, overeenkomstig artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,

de navolgende

Beschikking

1

De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 23 en artikel 30, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66, met rectificaties in PB 2009, L 207, blz. 14; PB 2010, L 199, blz. 40, en PB 2011, L 234, blz. 46).

2

Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van strafprocedures die zijn ingeleid na klachten van Renata Horžić en Siniša Pušić, die zich civiele partij hebben gesteld, tegen Privredna banka Zagreb d.d. en Božo Prka, de leidinggevende van die vennootschap (hierna samen: „verdachten”), wegens vermeende niet‑nakoming van bepaalde verplichtingen van deze laatsten inzake consumentenkrediet.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

In de overwegingen 9 en 10 van richtlijn 2008/48 staat te lezen:

„(9)

Volledige harmonisatie is nodig om te waarborgen dat alle consumenten in de [Unie] een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en om een echte interne markt te creëren. Het mag de lidstaten derhalve niet worden toegestaan andere nationale bepalingen te handhaven of in te voeren dan er in deze richtlijn zijn vastgelegd. Deze beperking moet echter alleen gelden voor door deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen. Wanneer zulke geharmoniseerde bepalingen niet bestaan, moeten de lidstaten de vrijheid houden om nationale wetgeving te handhaven of in te voeren. [...]

(10)

De in deze richtlijn vervatte definities bepalen het toepassingsgebied van de harmonisatie. De verplichting voor de lidstaten om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze richtlijn dient derhalve te worden beperkt tot het toepassingsgebied zoals dat door deze definities is omschreven. Deze richtlijn mag de lidstaten evenwel niet beletten de bepalingen van de richtlijn overeenkomstig het [Unierecht] toe te passen op gebieden die niet onder het toepassingsgebied ervan vallen. Derhalve kan een lidstaat met betrekking tot kredietovereenkomsten die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen nationale wetgeving handhaven of invoeren die overeenstemt met een aantal of alle bepalingen van de richtlijn [...]”

4

In overweging 14 van die richtlijn staat te lezen:

„Kredietovereenkomsten die worden gewaarborgd door een onroerend goed dienen buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te blijven. Dit soort krediet heeft immers een specifiek karakter. Kredietovereenkomsten die ten doel hebben het verkrijgen of het behouden van eigendomsrechten op grond of op een bestaand of gepland gebouw te financieren, moeten eveneens van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten. [...]”

5

Artikel 2 van die richtlijn, met als opschrift „Toepassingsgebied”, bepaalt:

„1.   Deze richtlijn is van toepassing op kredietovereenkomsten.

2.   Deze richtlijn is niet van toepassing op het volgende:

[...]

b)

kredietovereenkomsten voor het verkrijgen of het behouden van eigendomsrechten betreffende grond of een bestaand of gepland gebouw;

[...]”

6

Artikel 11 van die richtlijn, met als opschrift „Informatie over de debetrentevoet”, luidt:

„1.   In voorkomend geval wordt de consument op papier of op een andere duurzame drager in kennis gesteld van een wijziging van de debetrentevoet voordat de wijziging van kracht wordt. Daarbij wordt het bedrag van de na de inwerkingtreding van de nieuwe debetrentevoet te verrichten betalingen vermeld evenals bijzonderheden betreffende een eventuele wijziging in het aantal of de frequentie van de betalingen.

2.   De partijen kunnen echter in de kredietovereenkomst overeenkomen dat de in lid 1 bedoelde informatie periodiek aan de consument wordt verstrekt indien de wijziging van de debetrentevoet het gevolg is van een wijziging van een referentierentevoet en het publiek via passende middelen kennis kan nemen van de nieuwe referentierentevoet en de informatie over de nieuwe referentierentevoet ook beschikbaar is in de gebouwen van de kredietgever.”

7

Artikel 22 van richtlijn 2008/48, met als opschrift „Harmonisatie en dwingend karakter van de richtlijn”, bepaalt in lid 1:

„In zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, mogen de lidstaten geen bepalingen handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.”

8

Artikel 23 van die richtlijn, met als opschrift „Sancties”, luidt:

„De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die gelden voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.”

9

Artikel 30 van die richtlijn, met als opschrift „Overgangsmaatregelen”, bepaalt:

„1.   De op de datum van inwerkingtreding van de nationale uitvoeringsmaatregelen bestaande kredietovereenkomsten vallen buiten deze richtlijn.

2.   De lidstaten zorgen er echter voor dat [artikel] 11 [...] tevens van toepassing [is] op kredietovereenkomsten met onbepaalde looptijd die op de datum van inwerkingtreding van de nationale uitvoeringsmaatregelen reeds lopen.”

Kroatisch recht

10

De Zakon o potrošačkom kreditiranju (wet op het consumentenkrediet, Narodne novine, br. 75/09), die op 1 januari 2010 in werking is getreden, strekt tot omzetting van richtlijn 2008/48 in nationaal recht.

11

In artikel 3 van die wet worden de soorten kredietovereenkomsten opgesomd waarop die wet niet van toepassing is. Hiertoe behoren noch kredietovereenkomsten die worden gewaarborgd door een hypotheek of door een andere vergelijkbare zekerheid, noch kredietovereenkomsten voor het verkrijgen of het behouden van eigendomsrechten betreffende grond of een bestaand of gepland gebouw.

12

Artikel 11 van die wet, met als opschrift „Informatie over de rentevoet”, luidt:

„(1)   Als variabele rentevoeten zijn overeengekomen, stelt de kredietgever de consument in kennis van iedere wijziging van die rentevoeten, een en ander op papier of op een andere duurzame drager en minstens 15 dagen voordat de wijziging van kracht wordt. Deze informatie omvat het bedrag van de na het van kracht worden van de nieuwe rentevoet te verrichten periodieke betalingen alsook bijzonderheden betreffende een eventuele wijziging in het aantal en de frequentie van de betalingen.

(2)   De partijen kunnen in de kredietovereenkomst overeenkomen dat de in lid 1 bedoelde informatie periodiek aan de consument wordt verstrekt wanneer de wijziging van de rentevoet het gevolg is van een wijziging van een referentierentevoet, mits de nieuwe referentierentevoet kenbaar is voor het publiek, met name via informatie in de kantoren van de kredietgever.”

13

De wet op het consumentenkrediet is met ingang van 1 januari 2014 gewijzigd bij de Zakon o izmjenama i dopunama Zakona o potrošačkom kreditiranju (wet tot wijziging en aanvulling van de wet op het consumentenkrediet, Narodne novine, br. 143/13).

14

Artikel 11a van de wet op het consumentenkrediet, zoals gewijzigd, met als opschrift „Variabele rentevoet”, dat is ingevoegd bij artikel 3 van de wet tot wijziging en aanvulling van de wet op het consumentenkrediet, bepaalt:

„(1)   Als variabele rentevoeten zijn overeengekomen, moet de kredietgever:

a)

een duidelijke, voor de consument bekende parameter vaststellen voor het nemen van beslissingen inzake de correctie van die rentevoeten;

b)

uit kwalitatief en kwantitatief oogpunt aangeven wat het causaal verband is tussen de fluctuaties van de onder a) bedoelde parameter en de weerslag ervan op de variabele rentevoeten, en

c)

bepalen op welke perioden de beslissing inzake correctie van de variabele rentevoeten betrekking heeft (basisperiode en referentieperiode).

(2)   Onder de in lid 1 van dit artikel bedoelde parameter wordt een van de volgende variabelen verstaan: de Euribor, de Libor, de nationale referentierentevoet, het rendement op schatkistpapier of de gemiddelde rentevoet voor particuliere deposito’s in een bepaalde valuta. De variabele rentevoet wordt vastgesteld door de overeengekomen parameter te verhogen met een vaste opslag, die samen met de parameter moet worden afgesproken en die de banken tijdens de terugbetalingsperiode niet mogen overschrijden.

(3)   Fluctuaties van de rentevoeten in een referentieperiode mogen niet hoger of, in geval van een rentedaling, lager zijn dan de in procentpunten uitgedrukte fluctuatie van de in lid 1 bedoelde parameter.

(4)   Als de kredietgever variabele rentevoeten aanbiedt, moet hij de in lid 1 bedoelde gegevens duidelijk en ondubbelzinnig meedelen aan de consument vóór de kredietovereenkomst wordt gesloten. Ook moet hij de consument inlichten over alle risico’s waarmee een variabele rentevoet gepaard gaat en in de overeenkomst duidelijk en ondubbelzinnig aangeven op basis van welke variabelen de variabele rentevoet wordt berekend.

(5)   Voor alle lopende kredietovereenkomsten, gesloten tot op de datum van inwerkingtreding van deze wet zonder dat de parameter en het causale verband erin zijn bepaald, moet de kredietgever overeenkomstig dit artikel als parameter een van de volgende variabelen nemen:

een referentierentevoet (Euribor, Libor) of

de nationale referentierentevoet of

het rendement op schatkistpapier van het ministerie van Financiën of

de gemiddelde rentevoet voor particuliere deposito’s in een bepaalde valuta.

Hij moet ook aangeven wat het vaste deel van de rentevoet is en met welke intervallen de rentevoeten worden gewijzigd. [...]

[...]”

15

Artikel 26, lid 1, punt 28, van de wet op het consumentenkrediet, zoals gewijzigd, bepaalt dat een geldboete wordt opgelegd aan een kredietgever of kredietbemiddelaar die de krachtens artikel 11a, lid 5, van die wet op hem rustende verplichtingen niet nakomt.

16

Artikel 13 van de wet tot wijziging en aanvulling van de wet op het consumentenkrediet bepaalt:

„(1)   Voor zover artikel 3 van deze wet betrekking heeft op artikel 11a, lid 5, van de wet op het consumentenkrediet [...], is het van toepassing op alle consumentenkredietovereenkomsten, ongeacht de datum waarop zij zijn gesloten.

(2)   Voor lopende kredietovereenkomsten, gesloten tot op de datum van inwerkingtreding van deze wet zonder dat de parameter en het causale verband erin zijn bepaald, moet de kredietgever ten laatste op 1 januari 2014 met de kredietnemer een rentevoet overeenkomen met vaststelling van een parameter, een vaste opslag en de geldingsduur van de variabele rentevoeten.”

Hoofdgedingen en prejudiciële vragen

17

Horžić en Pušić hebben elk, op 12 oktober 2005 respectievelijk 21 september 2006, met de verdachten een hypothecaire kredietovereenkomst gesloten waarin werd voorzien in een variabele rentevoet van 4,03 % respectievelijk 4,25 %. Die rentevoet is daarna meermaals verhoogd en bedroeg uiteindelijk 5,95 % respectievelijk 6,00 %.

18

Naar aanleiding van de laatste verhoging van die rentevoet hebben verzoekers in de hoofdgedingen van Privredna banka Zagreb een bericht ontvangen waarin hun werd meegedeeld dat die verhoging het gevolg was van wijzigingen in de groepen van verhandelde bankproducten en ten behoeve van de stabiliteit van de onderneming. In dat bericht werd daarentegen geen informatie verstrekt over de parameters die waren toegepast bij de berekening van het bedrag van die verhoging.

19

Daarom hebben die verzoekers bij de Prekršajni sud u Bjelovaru (strafrechter Bjelovar, Kroatië) tegen de verdachten een klacht ingediend, op grond dat zij de wet op het consumentenkrediet, zoals gewijzigd, hadden geschonden, doordat zij in strijd met artikel 11a, lid 5, van die wet op 1 januari 2014 bij hun kredietovereenkomst geen bijlage hadden opgesteld waarin nader werd bepaald wat de parameters en het vaste gedeelte van de rentevoeten waren alsook hoelang die rentevoeten van toepassing waren.

20

De verdachten hebben echter aangevoerd dat die wet niet in overeenstemming is met richtlijn 2008/48, met name met artikel 30, lid 1, van die richtlijn, aangezien daarbij aan de kredietgever verplichtingen inzake de vaststelling van de variabele rentevoet worden opgelegd met betrekking tot op de datum van inwerkingtreding van die wet, namelijk op 1 januari 2014, bestaande kredietovereenkomsten en die wet derhalve – in strijd met die bepaling – terugwerkende kracht heeft, terwijl die richtlijn een volledige harmonisatie tot stand heeft gebracht.

21

Daarom heeft de Prekršajni sud u Bjelovaru de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)

Kan de toepassing met terugwerkende kracht van de wet [op het consumentenkrediet, zoals gewijzigd,] uitsluitend overeenkomstig het bepaalde in deze wet worden uitgelegd en beoordeeld en is een dergelijke toepassing van [die] wet verenigbaar met het Unierecht, met name met artikel 30 van richtlijn 2008/48[...], waarvan lid 1 uitdrukkelijk bepaalt dat die richtlijn niet van toepassing is op kredietovereenkomsten die zijn gesloten vóór de inwerkingtreding van de nationale wettelijke regeling waarbij [die] richtlijn in nationaal recht is omgezet?

2)

Kan in het hierboven geschetste kader de strafbepaling van artikel 26, lid 1, punt 28, van de wet op het consumentenkrediet[, zoals gewijzigd,] overeenkomstig artikel 23 van [...] richtlijn [2008/48] en in het licht van de overgangsbepalingen van artikel 30 ervan aldus worden uitgelegd dat de sancties die gelden voor inbreuken op een ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepaling niet kunnen worden opgelegd voor eventuele inbreuken die verband houden met kredietovereenkomsten die op de datum van inwerkingtreding van de nationale uitvoeringsmaatregelen reeds lopen?”

22

Bij beschikking van de president van het Hof van 28 oktober 2015 zijn de zaken C‑511/15 en C‑512/15 gevoegd voor de schriftelijke behandeling en de onderhavige beschikking.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

23

Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 23 en artikel 30, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale bepalingen als in de hoofdgedingen, op grond waarvan de kredietgever, op straffe van strafrechtelijke sancties, met betrekking tot op de datum van inwerkingtreding van die bepalingen bestaande kredietovereenkomsten verplichtingen inzake variabele rentevoeten moet nakomen.

24

Volgens artikel 99 van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Hof, wanneer het antwoord op een prejudiciële vraag duidelijk uit de rechtspraak kan worden afgeleid, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.

25

Deze bepaling dient in de onderhavige zaken te worden toegepast. Zoals de Kroatische en de Tsjechische regering alsook de Europese Commissie in wezen hebben aangevoerd, kan het antwoord op de door de verwijzende rechter gestelde vragen immers duidelijk uit de rechtspraak van het Hof, met name uit het arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România (C‑602/10, EU:C:2012:443), en de beschikking van 3 juli 2014, Tudoran (C‑92/14, EU:C:2014:2051), worden afgeleid.

26

Zoals de verdachten hebben aangevoerd, vloeit uit artikel 22, lid 1, van richtlijn 2008/48, uitgelegd in het licht van de overwegingen 9 en 10 van die richtlijn, weliswaar voort dat die richtlijn voor kredietovereenkomsten die onder die richtlijn vallen, in een volledige harmonisatie voorziet en, zoals volgt uit het opschrift van dat artikel 22, heeft die richtlijn een dwingend karakter. Dit moet aldus worden begrepen dat de lidstaten voor de door die harmonisatie specifiek bestreken materies geen nationale bepalingen mogen handhaven of invoeren die afwijken van die welke in die richtlijn zijn vastgesteld (arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România, C‑602/10, EU:C:2012:443, punt 38).

27

Dat neemt echter niet weg dat kredietovereenkomsten voor het verkrijgen of het behouden van eigendomsrechten betreffende grond of een bestaand of gepland gebouw op grond van de ondubbelzinnige formulering van artikel 2, lid 2, onder b), van richtlijn 2008/48 en gelet op overweging 14 van die richtlijn zijn uitgesloten van de materiële werkingssfeer van die richtlijn (zie in die zin arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România, C‑602/10, EU:C:2012:443, punt 42, en beschikking van 3 juli 2014, Tudoran, C‑92/14, EU:C:2014:2051, punt 30).

28

Aangezien uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde kredietovereenkomsten „hypothecaire” kredietovereenkomsten zijn, is richtlijn 2008/48 bijgevolg niet van toepassing op de feiten van de hoofdgedingen (zie in die zin arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România, C‑602/10, EU:C:2012:443, punten 41 en 42, en beschikking van 3 juli 2014, Tudoran, C‑92/14, EU:C:2014:2051, punt 31).

29

Zoals volgt uit overweging 10 van die richtlijn, mogen de lidstaten echter bepalingen van die richtlijn overeenkomstig het Unierecht toepassen op gebieden die niet onder het toepassingsgebied ervan vallen. Zo heeft het Hof reeds geoordeeld dat de lidstaten met betrekking tot kredietovereenkomsten die buiten het toepassingsgebied van die richtlijn vallen, nationale maatregelen kunnen handhaven of invoeren die overeenstemmen met de bepalingen van die richtlijn of met een aantal daarvan (arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România, C‑602/10, EU:C:2012:443, punt 40).

30

Derhalve verzet de harmonisatie waarin richtlijn 2008/48 voorziet, zich met betrekking tot kredietovereenkomsten als in de hoofdgedingen niet ertegen dat een lidstaat die overeenkomsten opneemt in de werkingssfeer van een nationale maatregel tot omzetting van die richtlijn, teneinde alle of een aantal bepalingen van die richtlijn toe te passen op die overeenkomsten (arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România, C‑602/10, EU:C:2012:443, punten 40 en 43).

31

Zoals blijkt uit de overwegingen 9 en 10 van richtlijn 2008/48, staat het in beginsel aan de lidstaten om te bepalen onder welke voorwaarden zij hun nationale regeling tot omzetting van die richtlijn wensen uit te breiden tot kredietovereenkomsten als in de hoofdgedingen, die geen betrekking hebben op een gebied waarvoor de Uniewetgever geharmoniseerde bepalingen heeft willen vaststellen (arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România, C‑602/10, EU:C:2012:443, punt 52).

32

Bijgevolg kunnen de lidstaten, indien zij voor die overeenkomsten in hun nationale regeling tot omzetting van richtlijn 2008/48 een regel kunnen invoeren die specifiek overeenstemt met de in artikel 30, lid 1, van die richtlijn bedoelde overgangsmaatregel, met inachtneming van de regels van het VWEU en onverminderd andere handelingen van afgeleid recht die eventueel relevant zijn, in beginsel ook een andere overgangsmaatregel vaststellen die inhoudt dat die regeling ook van toepassing is op overeenkomsten die bestonden op de datum van inwerkingtreding van die regeling (arrest van 12 juli 2012, SC Volksbank România, C‑602/10, EU:C:2012:443, punt 53).

33

Hetzelfde geldt voor de in artikel 23 van richtlijn 2008/48 bedoelde sancties. Dus verzet dat artikel zich er niet tegen dat een lidstaat met betrekking tot lopende kredietovereenkomsten die niet binnen de materiële werkingssfeer van richtlijn 2008/48 vallen, in zijn nationale regeling bepalingen opneemt inzake sancties voor inbreuken op de bepalingen van die regeling.

34

Die uitlegging geldt in casu a fortiori, daar de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde nationale bepalingen inzake de vaststelling van variabele rentevoeten, zoals vervat in met name artikel 11a van de wet op het consumentenkrediet, zoals gewijzigd – anders dan artikel 11 van de wet op het consumentenkrediet, dat een maatregel vormt tot uitvoering van artikel 11 van richtlijn 2008/48 betreffende informatie over de debetrentevoet – niet overeenstemmen met de bepalingen van richtlijn 2008/48 en derhalve niet kunnen worden geacht tot omzetting van die richtlijn te strekken.

35

Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 23 en artikel 30, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen als in de hoofdgedingen, op grond waarvan de kredietgever, op straffe van strafrechtelijke sancties, met betrekking tot op de datum van inwerkingtreding van die bepalingen bestaande kredietovereenkomsten verplichtingen inzake variabele rentevoeten moet nakomen, mits die kredietovereenkomsten niet binnen de materiële werkingssfeer van die richtlijn vallen en die verplichtingen bovendien geen uitvoering van die richtlijn vormen.

Kosten

36

Ten aanzien van de partijen in de hoofdgedingen is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 23 en artikel 30, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen nationale bepalingen als in de hoofdgedingen, op grond waarvan de kredietgever, op straffe van strafrechtelijke sancties, met betrekking tot op de datum van inwerkingtreding van die bepalingen bestaande kredietovereenkomsten verplichtingen inzake variabele rentevoeten moet nakomen, mits die kredietovereenkomsten niet binnen de materiële werkingssfeer van die richtlijn vallen en die verplichtingen bovendien geen uitvoering van die richtlijn vormen.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Kroatisch.