ARREST VAN HET HOF (Derde kamer)

12 oktober 2016 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing — Intellectuele eigendom — Auteursrecht en naburige rechten — Richtlijn 91/250/EEG — Artikel 4, onder a) en c) — Artikel 5, leden 1 en 2 — Richtlijn 2009/24/EG — Artikel 4, leden 1 en 2 — Artikel 5, leden 1 en 2 — Rechtsbescherming van computerprogramma’s — Tweedehands wederverkoop van op niet-originele fysieke dragers vastgelegde kopieën van computerprogramma’s waarop een licentie rust — Uitputting van het distributierecht — Exclusief reproductierecht”

In zaak C‑166/15,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Rīgas apgabaltiesas Krimināllietu tiesu kolēģija (regionale rechtbank Riga, strafkamer, Letland) bij beslissing van 18 maart 2015, ingekomen bij het Hof op 13 april 2015, in de strafzaak tegen

Aleksandrs Ranks,

Jurijs Vasiļevičs,

in tegenwoordigheid van:

Finanšu un ekonomisko noziegumu izmeklēšanas prokuratūra,

Microsoft Corp.,

wijst HET HOF (Derde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, M. Vilaras (rapporteur), J. Malenovský, M. Safjan en D. Šváby, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: I. Illéssy, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 16 maart 2016,

gelet op de opmerkingen van:

Aleksandrs Ranks en Jurijs Vasiļevičs, vertegenwoordigd door M. Krūmiņš, advokāts,

Microsoft Corp., vertegenwoordigd door I. Veikša, I. Krodere en N. Tuominen, advokātes,

de Letse regering, vertegenwoordigd door I. Kalniņš en J. Treijs‑Gigulis als gemachtigden,

de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door F. Varrone, avvocato dello Stato,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Samnadda en A. Sauka als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 juni 2016,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing heeft formeel betrekking op de uitlegging van artikel 4, lid 2, en artikel 5, leden 1 en 2, van richtlijn 2009/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (PB 2009, L 111, blz. 16).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak die de Finanšu un ekonomisko noziegumu izmeklēšanas prokuratūra (openbaar aanklager bij het bureau voor de bestrijding van financiële en economische criminaliteit, Letland) heeft aangespannen tegen Aleksandrs Ranks en Jurijs Vasiļevičs wegens georganiseerde illegale verkoop van auteursrechtelijk beschermd materiaal, opzettelijk illegaal gebruik van andermans merk, waardoor diens wettelijk beschermde rechten en belangen ernstig worden geschaad, en uitoefening van een economische activiteit zonder deze te hebben geregistreerd aangezien zij via een onlinemarktplaats op niet-originele dragers vastgelegde kopieën van tweedehands computerprogramma’s hebben verhandeld.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Richtlijn 2009/24

3

Artikel 4, lid 1, onder a), en lid 2, van richtlijn 2009/24 luidt als volgt:

„1.   Onverminderd de artikelen 5 en 6 omvatten de exclusieve rechten van de rechthebbende in de zin van artikel 2 het recht de volgende handelingen te verrichten of het verrichten daarvan toe te staan:

a)

de permanente of tijdelijke reproductie voor een deel of het geheel van een computerprogramma, ongeacht op welke wijze en in welke vorm. Voor zover voor het laden of in beeld brengen, of de uitvoering, transmissie of opslag van een computerprogramma deze reproductie van het programma noodzakelijk is, is voor deze handelingen toestemming van de rechthebbende vereist;

[...]

2.   De eerste verkoop in de Gemeenschap van een kopie van een programma door de rechthebbende of met diens toestemming leidt tot verval van het recht om controle uit te oefenen op de distributie van die kopie in de Gemeenschap, met uitzondering van het recht om controle uit te oefenen op het verder verhuren van het programma of een kopie daarvan.”

4

Artikel 5, leden 1 en 2, van die richtlijn luidt:

„1.   Tenzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders bepaald is, is voor de in artikel 4, lid 1, onder a) en b), genoemde handelingen geen toestemming van de rechthebbende vereist wanneer deze handelingen voor de rechtmatige verkrijger noodzakelijk zijn om het computerprogramma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, onder meer om fouten te verbeteren.

2.   Het maken van een reservekopie door een rechtmatige gebruiker van het programma kan niet bij overeenkomst worden verhinderd indien die kopie voor bovenbedoeld gebruik nodig is.”

Richtlijn 91/250/EEG

5

Artikel 4 van richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (PB 1991, L 122, blz. 42) bepaalde:

„Onverminderd de artikelen 5 en 6 omvatten de exclusieve rechten van de rechthebbende in de zin van artikel 2 het recht de volgende handelingen te verrichten of het verrichten daarvan toe te staan:

a)

de permanente of tijdelijke reproductie voor een deel of het geheel van een computerprogramma, ongeacht op welke wijze en in welke vorm. Voor zover voor het laden of in beeld brengen, of de uitvoering, transmissie of opslag van een computerprogramma deze reproductie van het programma noodzakelijk is, is voor deze handelingen toestemming van de rechthebbende vereist;

[...]

c)

elke vorm van distributie, met inbegrip van het verhuren, van een oorspronkelijk computerprogramma of kopieën daarvan onder het publiek. De eerste verkoop in de Gemeenschap van een kopie van een programma door de rechthebbende of met diens toestemming leidt tot verval van het recht om controle uit te oefenen op de distributie van die kopie in de Gemeenschap, met uitzondering van het recht om controle uit te oefenen op het verder verhuren van het programma of een kopie daarvan.”

6

Artikel 5, leden 1 en 2, van die richtlijn luidde als volgt:

„1.   Tenzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders bepaald is, is voor de in artikel 4, onder a) en b), genoemde handelingen geen toestemming van de rechthebbende vereist wanneer deze handelingen voor de rechtmatige verkrijger noodzakelijk zijn om het computerprogramma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, onder meer om fouten te verbeteren.

2.   Het maken van een reservekopie door een rechtmatige gebruiker van het programma kan niet bij overeenkomst worden verhinderd indien die kopie voor bovenbedoeld gebruik nodig is.”

7

Artikel 7, lid 1, van de richtlijn bepaalde:

„Onverminderd de artikelen 4, 5 en 6, voorzien de lidstaten, overeenkomstig hun nationale wetgeving, in passende sancties tegen personen die de volgende, onder a), b) en c), genoemde handelingen verrichten:

a)

in het verkeer brengen van een kopie van een computerprogramma terwijl zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden dat het een onrechtmatige kopie is;

b)

bezit voor commerciële doeleinden van een kopie van een computerprogramma terwijl zij weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden dat het een onrechtmatige kopie is;

[...]”

8

Richtlijn 91/250 is ingetrokken bij richtlijn 2009/24.

Lets recht

9

Artikel 32 van de Autortiesību likums (auteurswet) draagt het opschrift „Uitputting van het distributierecht” en bepaalt dat het distributierecht ten aanzien van een werk wordt uitgeput bij de eerste verkoop of anderszins vervreemding van het werk in de Europese Unie, indien de verkoop door de auteur zelf of met diens toestemming wordt verricht. Deze bepaling is uitsluitend van toepassing met betrekking tot fysieke werken of kopieën daarvan.

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

10

Ranks en Vasiļevičs worden vervolgd omdat zij tussen 28 december 2001 en 22 december 2004 verschillende auteursrechtelijk beschermde computerprogramma’s van Microsoft Corp., waaronder versies van Microsoft Windows-software en het kantoorsoftwarepakket Microsoft Office, via een onlinemarktplaats hebben verkocht.

11

Het aantal exemplaren dat van de computerprogramma’s is verkocht, wordt geschat op meer dan 3000. Het exacte aantal kon tijdens het onderzoek niet achterhaald worden, wat eveneens geldt voor het bedrag dat die verkopen precies hebben opgeleverd. Wel is de materiële schade die Microsoft heeft geleden door de activiteiten van Ranks en Vasiļevičs, op basis van de bedragen die op hun PayPal-rekening werden gestort, begroot op 293 548, 40 USD (circa 265514 EUR).

12

Ranks en Vasiļevičs worden vervolgd omdat zij op diverse punten in strijd met het Letse strafrecht hebben gehandeld, namelijk door ten eerste op georganiseerde wijze auteursrechtelijk beschermd materiaal illegaal te verkopen, ten tweede andermans merk opzettelijk illegaal te gebruiken en ten derde een economische activiteit uit te oefenen zonder deze te hebben geregistreerd.

13

Bij vonnis van 3 januari 2012 zijn zij in eerste aanleg schuldig bevonden aan de in respectievelijk artikel 149, lid 3, en artikel 206, lid 2, van het Letse wetboek van strafrecht omschreven strafbare feiten georganiseerde illegale verkoop van auteursrechtelijk beschermd materiaal en opzettelijk illegaal gebruik van andermans merk en veroordeeld tot gedeeltelijke vergoeding aan Microsoft van de door Microsoft geleden schade alsmede tot betaling van alle proceskosten.

14

Het openbaar ministerie, Ranks en Vasiļevičs en Microsoft zijn tegen dat vonnis in hoger beroep gegaan bij de Rīgas apgabaltiesas Krimināllietu tiesu kolēģija (regionale rechtbank Riga, strafkamer, Letland), die het vonnis bij arrest van 22 maart 2013 heeft vernietigd voor zover Ranks en Vasiļevičs daarin schuldig zijn bevonden aan georganiseerde illegale verkoop van auteursrechtelijk beschermd materiaal en zijn veroordeeld tot een straf.

15

Het openbaar ministerie en Ranks en Vasiļevičs zijn in cassatie gegaan bij de Augstākās tiesas Senāts (senaat van het hooggerechtshof, Letland), die bij beslissing van 13 oktober 2013 het arrest van de Rīgas apgabaltiesas Krimināllietu tiesu kolēģija in zijn geheel heeft vernietigd en de zaak voor afdoening heeft terugverwezen naar de rechter in tweede aanleg.

16

Bij de afdoening van de zaak hebben Ranks en Vasiļevičs de Rīgas apgabaltiesas Krimināllietu tiesu kolēģija verzocht om bij het Hof een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen over de uitlegging van artikel 4, lid 2, en artikel 5, leden 1 en 2, van richtlijn 2009/24.

17

Daarop heeft de Rīgas apgabaltiesas Krimināllietu tiesu kolēģija (regionale rechtbank Riga, strafkamer) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)

Kan een persoon die een computerprogramma met een ‚tweedehands’ licentie heeft verworven op een niet-originele, maar werkende cd‑rom die door niemand anders wordt gebruikt, zich op grond van artikel 5, lid 1, en artikel 4, lid 2, van richtlijn 2009/24 beroepen op het verval van het recht om controle uit te oefenen op de distributie van een exemplaar (kopie) van het computerprogramma, dat de eerste verkrijger van de rechthebbende heeft verkregen met de originele cd‑rom, [wanneer deze cd‑rom] beschadigd is geraakt [en] de eerste verkrijger zijn exemplaar (kopie) van het programma heeft gewist of niet meer gebruikt?

2)

Zo ja, heeft een persoon die zich kan beroepen op het verval van het recht om controle uit te oefenen op de distributie van een exemplaar (kopie) van het computerprogramma, dan overeenkomstig artikel 4, lid 2, en artikel 5, lid 2, van richtlijn 2009/24 het recht om dat programma op een niet-originele cd‑rom door te verkopen aan een derde?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

18

Om te beginnen moet erop worden gewezen dat, zoals de advocaat-generaal in punt 4 van zijn conclusie heeft aangegeven, richtlijn 2009/24, waarvan artikel 10 bepaalt dat richtlijn 91/250 wordt ingetrokken, in werking is getreden op 25 mei 2009 ingevolge artikel 11 daarvan. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt echter dat Ranks en Vasiļevičs worden vervolgd voor feiten die zijn gepleegd tussen 28 december 2001 en 22 december 2004. Op het hoofdgeding is dus richtlijn 91/250, en niet richtlijn 2009/24, van toepassing.

19

Derhalve dienen de twee vragen met betrekking tot de uitlegging van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2009/24, dat de regel inzake uitputting van het distributierecht van de auteursrechthebbende bevat, en artikel 5, leden 1 en 2, van die richtlijn, dat uitzonderingen op het exclusieve reproductierecht van die rechthebbende behelst, aldus te worden uitgelegd dat deze vragen zien op de bepalingen van gelijke strekking in richtlijn 91/250, namelijk artikel 4, onder c), respectievelijk artikel 4, onder a), en artikel 5, leden 1 en 2.

Ontvankelijkheid

20

De Letse regering koestert twijfels omtrent de ontvankelijkheid van de vragen, stellende dat de verwijzende rechter lijkt aan te nemen dat Ranks en Vasiļevičs auteursrechtelijk beschermd materiaal legaal hebben verkregen, maar dat uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de aan de orde zijnde computerprogramma’s illegaal zijn.

21

In dit verband zij eraan herinnerd dat het in het kader van de procedure van artikel 267 VWEU uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie arrest van 12 oktober 2010, Rosenbladt, C‑45/09, EU:C:2010:601, punt 32en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22

Volgens vaste rechtspraak rust een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende de uitlegging van Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter om een prejudiciële beslissing, wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord op de gestelde vragen te geven (zie arrest van 12 oktober 2010, Rosenbladt, C‑45/09, EU:C:2010:601, punt 33en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23

In casu betreft het hoofdgeding de vraag of de door Ranks en Vasiļevičs georganiseerde wederverkoop van kopieën van tweedehands computerprogramma’s rechtmatig is gelet op het bepaalde in richtlijn 91/250. Het daarop te geven antwoord hangt dus direct af van de uitlegging van artikel 4, onder c), van die richtlijn, dat de regel inzake uitputting van het distributierecht van de auteursrechthebbende bevat, en van de uitlegging van artikel 4, onder a), en artikel 5, leden 1 en 2, van de richtlijn, die een exclusief reproductierecht toekennen aan die rechthebbende en uitzonderingen op dat recht behelzen.

24

De vragen zijn derhalve ontvankelijk.

Ten gronde

25

Met zijn twee vragen, die gezamenlijk moeten worden behandeld, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, onder a) en c), en artikel 5, leden 1 en 2, van richtlijn 91/250 aldus moeten worden uitgelegd dat de verkrijger van een op een niet-originele fysieke drager vastgelegde kopie van een tweedehands computerprogramma, op basis van de regel inzake uitputting van het distributierecht van de rechthebbende, een dergelijke kopie mag doorverkopen wanneer de aan de eerste verkrijger geleverde originele fysieke drager van dat programma beschadigd is geraakt en die eerste verkrijger zijn exemplaar van die kopie heeft gewist of niet meer gebruikt.

26

Om te beginnen moet in herinnering worden geroepen dat volgens artikel 4, onder c), van die richtlijn de eerste verkoop in de Unie van een kopie van een programma door de rechthebbende of met diens toestemming leidt tot verval van het distributierecht voor die kopie in de Unie.

27

Blijkens die bepaling gelden er voor de uitputting van het distributierecht voor een kopie van een programma twee voorwaarden, namelijk dat de kopie in het verkeer is gebracht en meer in het bijzonder is verkocht door de rechthebbende of met diens toestemming, en dat de verhandeling ervan in de Unie heeft plaatsgevonden [zie naar analogie, wat betreft artikel 4 van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10), arresten van 12 september 2006, Laserdisken, C‑479/04, EU:C:2006:549, punt 21, en 22 januari 2015, Art & Allposters International, C‑419/13, EU:C:2015:27, punt 31].

28

Het Hof heeft reeds geoordeeld dat onder de in die bepaling gebruikte term „verkoop”, die ruim moet worden uitgelegd, alle vormen van verhandeling van een kopie van een computerprogramma vallen waarbij voor onbeperkte tijd een gebruiksrecht voor die kopie wordt toegekend tegen betaling van een prijs waarmee de houder van het auteursrecht op dat programma een vergoeding moet kunnen krijgen die overeenstemt met de economische waarde van de kopie (zie in die zin arrest van 3 juli 2012, UsedSoft, C‑128/11, EU:C:2012:407, punt 49).

29

Wanneer de auteursrechthebbende een kopie van zijn computerprogramma dat is vastgelegd op een fysieke drager, zoals diskettes, cd‑roms of dvd‑roms, voor het eerst in de Unie verhandelt, is ontegenzeggelijk sprake van eerste verkoop van die kopie in de zin van artikel 4, onder c), van richtlijn 91/250. Tevens moet worden aangenomen dat die verkoop, bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel in de verwijzingsbeslissing, gepaard gaat met een onbeperkte gebruikslicentie voor die kopie.

30

Uit het voorgaande volgt dat de auteursrechthebbende op een computerprogramma die in de Unie een kopie van dat programma op een fysieke drager, zoals een cd‑rom of een dvd‑rom, met een onbeperkte gebruikslicentie voor het programma heeft verkocht, op grond van artikel 4, onder c), van richtlijn 91/250 zich niet meer tegen de latere wederverkoop van die kopie door de eerste verkrijger of latere verkrijgers kan verzetten, ongeacht of contractuele bedingen latere overdracht verbieden (zie in die zin arrest van 3 juli 2012, UsedSoft, C‑128/11, EU:C:2012:407, punt 77).

31

De gestelde vragen betreffen echter niet de wederverkoop van een op de originele fysieke drager vastgelegde kopie van een tweedehands computerprogramma door de eerste verkrijger daarvan, maar de wederverkoop van een op een niet-originele fysieke drager vastgelegde kopie van een tweedehands computerprogramma door een persoon die deze kopie heeft verkregen van de eerste verkrijger of een latere verkrijger.

32

Microsoft, de Italiaanse en de Poolse regering en de Europese Commissie betogen in hun opmerkingen dat de in artikel 4, onder c), van richtlijn 91/250 neergelegde regel inzake uitputting van het distributierecht slechts geldt voor de aan de eerste verkrijger verkochte originele fysieke drager (diskette, cd‑rom of dvd‑rom) waarop de door de rechthebbende of met diens toestemming in het verkeer gebrachte kopie van het computerprogramma is vastgelegd, dus niet voor een niet-originele fysieke drager van die kopie.

33

Dit betoog kan als zodanig niet worden aanvaard.

34

De uitputting van het distributierecht van artikel 4, onder c), van richtlijn 91/250 heeft immers betrekking op de kopie van het computerprogramma en de bijbehorende gebruikslicentie, en niet op de fysieke drager waarop die kopie eventueel voor het eerst in de Unie op de markt is gebracht door de auteursrechthebbende of met diens toestemming.

35

Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat artikel 4, lid 2, van richtlijn 2009/24, waarin het bepaalde in artikel 4, onder c), van richtlijn 91/250 is overgenomen, zonder nadere precisering naar de „verkoop [...] van een kopie van een programma” verwijst en dus geen onderscheid maakt op basis van de materiële of immateriële vorm van de betrokken kopie (zie in die zin arrest van 3 juli 2012, UsedSoft, C‑128/11, EU:C:2012:407, punt 55).

36

Het Hof heeft hieruit met name afgeleid dat de uitputting van het distributierecht van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2009/24 intreedt na de eerste verkoop van een kopie van een computerprogramma in de Unie door de houder van het auteursrecht of met diens toestemming, ongeacht of de verkoop betrekking heeft op een materiële of immateriële kopie van dat programma (arrest van 3 juli 2012, UsedSoft, C‑128/11, EU:C:2012:407, punten 55 en 61).

37

Aan de auteursrechthebbende op een computerprogramma komt op grond van artikel 4, onder a), van richtlijn 91/250 echter ook het exclusieve recht toe om een deel of het geheel van dat programma permanent of tijdelijk te reproduceren, ongeacht op welke wijze en in welke vorm, of om daarvoor toestemming te geven, onverminderd de in de artikelen 5 en 6 van die richtlijn neergelegde uitzonderingen.

38

De rechtmatige verkrijger van een door de rechthebbende of met diens toestemming in het verkeer gebrachte kopie van een computerprogramma kan dat programma op basis van de in artikel 4, onder c), van richtlijn 91/250 neergelegde regel inzake uitputting van het distributierecht dus tweedehands doorverkopen, mits die overdracht geen afbreuk doet aan het exclusieve reproductierecht van de rechthebbende ingevolge artikel 4, onder a), van die richtlijn en derhalve op voorwaarde dat het maken van een reproductie van het programma met toestemming van die rechthebbende plaatsvindt of onder de uitzonderingen van de artikelen 5 en 6 van die richtlijn valt.

39

Ranks en Vasiļevičs en de Commissie stellen in hun opmerkingen dat de regel inzake uitputting van het distributierecht toestaat dat een op een niet-originele fysieke drager vastgelegde kopie van een computerprogramma wordt doorverkocht wanneer de originele fysieke drager beschadigd is geraakt, mits is voldaan aan de eisen die door het Hof zijn gesteld in zijn arrest van 3 juli 2012, UsedSoft (C‑128/11, EU:C:2012:407). Volgens deze eisen moet de eerste verkrijger van een op een originele fysieke drager vastgelegde kopie van een programma een onbeperkte gebruikslicentie voor dat programma hebben en de resterende eigen kopieën van dat programma op het moment van wederverkoop daarvan onbruikbaar maken. Het maken van een kopie van een computerprogramma op een niet-originele fysieke drager zou in dat geval zijn toegestaan op grond van de uitzonderingen op het exclusieve reproductierecht als genoemd in artikel 5, leden 1 en 2, van die richtlijn.

40

Dienaangaande moet in de eerste plaats in herinnering worden geroepen dat volgens artikel 5, lid 2, van richtlijn 91/250 het maken van een reservekopie door een rechtmatige gebruiker van een programma niet bij overeenkomst kan worden verhinderd indien die kopie voor het gebruik van het programma nodig is. Artikel 9, lid 1, van die richtlijn bepaalt dat elk contractueel beding dat strijdig is met artikel 5, lid 2, nietig is.

41

Zoals blijkt uit artikel 5, lid 2, van die richtlijn, gelden er voor het maken van een reservekopie van een computerprogramma dus twee voorwaarden. De kopie moet worden gemaakt door een rechtmatige gebruiker van het programma en moet nodig zijn voor het gebruik daarvan.

42

Deze bepaling, waarin een uitzondering is neergelegd op het exclusieve reproductierecht van de auteursrechthebbende op een computerprogramma, moet volgens vaste rechtspraak van het Hof eng worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 1 december 2011, Painer, C‑145/10, EU:C:2011:798, punt 109).

43

Hieruit volgt dat een reservekopie van een computerprogramma slechts kan worden gemaakt en gebruikt om te voorzien in de behoeften van de rechtmatige gebruiker van dat programma en dat die gebruiker, ook al heeft hij de originele fysieke drager van het programma beschadigd, vernietigd of verloren, die kopie dus niet mag gebruiken om dat programma tweedehands door te verkopen aan een derde.

44

Zoals Microsoft en de Italiaanse en de Poolse regering in hun opmerkingen betogen, kan de rechtmatige verkrijger van een kopie van een computerprogramma met een onbeperkte gebruikslicentie die deze kopie wil doorverkopen, na uitputting van het distributierecht van de auteursrechthebbende ingevolge artikel 4, onder c), van richtlijn 91/250, de op grond van artikel 5, lid 2, van die richtlijn gemaakte reservekopie van dat programma dan ook niet zonder toestemming van die rechthebbende overdragen aan een nieuwe verkrijger op de grond dat hij de aan hem door de rechthebbende of met diens toestemming verkochte originele fysieke drager heeft beschadigd, vernietigd of verloren.

45

In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing weliswaar dat Ranks en Vasiļevičs zich bezig hebben gehouden met de wederverkoop van kopieën van computerprogramma’s die waren vastgelegd op niet-originele fysieke dragers, maar wordt daarin niet aangegeven of zij, als eerste verkrijgers van die programma’s, de doorverkochte kopieën zelf hebben gemaakt, dan wel of deze kopieën zijn gemaakt door degenen van wie zij die hebben verkregen, ongeacht of die personen de eerste rechtmatige verkrijgers waren of niet.

46

Vastgesteld moet evenwel worden dat Ranks en Vasiļevičs, ongeacht de omstandigheden waarin zij de door hen doorverkochte kopieën van de computerprogramma’s hebben verkregen, onder het bepaalde in artikel 7, lid 1, onder a) en b), van richtlijn 91/250 vallen indien wordt aangetoond dat zij illegale kopieën van computerprogramma’s in het verkeer hebben gebracht en voor commerciële doeleinden voorhanden hebben gehad.

47

Het staat echter uitsluitend aan de verwijzende rechter om, gelet op de door hem in kaart gebrachte feiten, voor elke door Ranks en Vasiļevičs doorverkochte kopie van een computerprogramma te bepalen of er sprake is van een onrechtmatige kopie in de zin van artikel 7, lid 1, van die richtlijn, en om waar nodig daaruit consequenties te trekken.

48

In de tweede plaats moet in herinnering worden geroepen dat volgens artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 voor het maken van een reproductie geen toestemming van de rechthebbende is vereist wanneer deze handeling voor de rechtmatige verkrijger noodzakelijk is om het programma te kunnen gebruiken voor het beoogde doel, tenzij bij overeenkomst uitdrukkelijk anders is bepaald.

49

Dienaangaande volgt uit de rechtspraak van het Hof dat wanneer een verkrijger van een kopie van een computerprogramma de zich op de website van de rechthebbende bevindende kopie koopt en downloadt, er sprake is van een op grond van artikel 5, lid 1, van die richtlijn toegestane reproductie, aangezien die reproductie noodzakelijk is om hem in staat te stellen dat programma voor het beoogde doel te gebruiken (zie in die zin arrest van 3 juli 2012, UsedSoft, C‑128/11, EU:C:2012:407, punt 75).

50

Het Hof heeft voorts geoordeeld dat als de kopie van het door de eerste verkrijger via de website van de rechthebbende gekochte en gedownloade computerprogramma wordt doorverkocht, de nieuwe verkrijger van die kopie, die een rechtmatige verkrijger in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 91/250 is, overeenkomstig die bepaling tevens het recht heeft die kopie op zijn computer te downloaden, daar het bij die download gaat om een reproductie van dat programma die noodzakelijk is om hem in staat te stellen het programma voor het beoogde doel te gebruiken (zie in die zin arrest van 3 juli 2012, UsedSoft, C‑128/11, EU:C:2012:407, punten 80 en 81).

51

Er dient echter op te worden gewezen dat de omstandigheden van het hoofdgeding verschillen van die welke aan de orde waren in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 3 juli 2012, UsedSoft (C‑128/11, EU:C:2012:407). Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt immers dat Ranks en Vasiļevičs kopieën van computerprogramma’s op niet-originele fysieke dragers hebben verkocht op het internet, en niets duidt erop dat zij die kopieën oorspronkelijk via de website van de rechthebbende hebben gekocht en gedownload.

52

Toch zijn de situatie van de rechtmatige verkrijger van een kopie van een computerprogramma die is vastgelegd op een beschadigd geraakte, vernietigde of verloren gegane fysieke drager, en die van de rechtmatige verkrijger van een via het internet gekochte en gedownloade kopie van een computerprogramma vergelijkbaar wat de regel inzake uitputting van het distributierecht en het exclusieve reproductierecht van de rechthebbende betreft.

53

Aan de rechtmatige verkrijger van een kopie van een computerprogramma die voor dat programma een onbeperkte gebruikslicentie heeft, maar niet meer beschikt over de originele fysieke drager waarop die kopie hem oorspronkelijk werd geleverd, omdat hij die fysieke drager heeft vernietigd, beschadigd of verloren, kan niet reeds op grond daarvan de mogelijkheid worden ontzegd om die kopie tweedehands door te verkopen aan een derde, aangezien dit het verval van het distributierecht als bedoeld in artikel 4, onder c), van richtlijn 91/250 zijn nuttig effect zou ontnemen (zie in die zin arrest van 3 juli 2012, UsedSoft, C‑128/11, EU:C:2012:407, punt 83).

54

Zoals Microsoft in haar schriftelijke antwoord op de vragen van het Hof heeft erkend, moet de rechtmatige verkrijger van een onbeperkte gebruikslicentie voor een kopie van een tweedehands computerprogramma dan ook dat programma kunnen downloaden vanaf de website van de houder van het auteursrecht. Die download is immers een reproductie van een computerprogramma die noodzakelijk is om hem in staat te stellen dat programma voor het beoogde doel te gebruiken, zoals het Hof heeft overwogen in het arrest van 3 juli 2012, UsedSoft (C‑128/11, EU:C:2012:407, punt 85).

55

Er zij echter aan herinnerd dat de eerste verkrijger van een kopie van een computerprogramma waarvoor het distributierecht van de auteursrechthebbende op grond van artikel 4, onder c), van richtlijn 91/250 is uitgeput, wanneer hij die kopie tweedehands doorverkoopt, alle in zijn bezit zijnde kopieën op het moment van wederverkoop onbruikbaar moet maken om geen inbreuk te maken op het in artikel 4, onder a), van die richtlijn bedoelde exclusieve recht van die rechthebbende om zijn computerprogramma te reproduceren (zie naar analogie arrest van 3 juli 2012, UsedSoft, C‑128/11, EU:C:2012:407, punten 70 en 78).

56

Hieraan moet worden toegevoegd dat het aan de verkrijger van een onbeperkte gebruikslicentie voor een kopie van een tweedehands computerprogramma die met een beroep op de regel inzake uitputting van het distributierecht vanaf de website van de rechthebbende een kopie van dat programma op zijn computer downloadt, staat om met alle bewijsmiddelen aan te tonen dat hij die licentie rechtmatig heeft verkregen.

57

Gelet op al het voorgaande moeten artikel 4, onder a) en c), en artikel 5, leden 1 en 2, van richtlijn 91/250 aldus worden uitgelegd dat de eerste verkrijger van een kopie van een computerprogramma met een onbeperkte gebruikslicentie weliswaar het recht heeft om die kopie en de bijbehorende licentie tweedehands door te verkopen aan een nieuwe verkrijger, maar dat, als de originele fysieke drager van de hem oorspronkelijk geleverde kopie beschadigd raakt, wordt vernietigd of verloren gaat, hij zijn reservekopie van dat programma niet aan die nieuwe verkrijger mag verschaffen zonder toestemming van de rechthebbende.

Kosten

58

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 4, onder a) en c), en artikel 5, leden 1 en 2, van richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s moeten aldus worden uitgelegd dat de eerste verkrijger van een kopie van een computerprogramma met een onbeperkte gebruikslicentie weliswaar het recht heeft om die kopie en de bijbehorende licentie tweedehands door te verkopen aan een nieuwe verkrijger, maar dat, als de originele fysieke drager van de hem oorspronkelijk geleverde kopie beschadigd raakt, wordt vernietigd of verloren gaat, hij zijn reservekopie van dat programma niet aan die nieuwe verkrijger mag verschaffen zonder toestemming van de rechthebbende.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Lets.