8.9.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 303/27


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Ráckevei Járásbíróság (Hongarije) op 1 juli 2014 — Banif Plus Bank Zrt./Márton Lantos en Mártonné Lantos

(Zaak C-312/14)

2014/C 303/34

Procestaal: Hongaars

Verwijzende rechter

Ráckevei Járásbíróság

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Banif Plus Bank Zrt.

Verwerende partijen: Márton Lantos, Mártonné Lantos

Prejudiciële vragen

1)

Moeten artikel 4, lid 1, punten 2 (beleggingsdiensten en -activiteiten) en 17 (financieel instrument), van en bijlage I, deel C, punt 4 (valutatermijntransactie, afgeleide instrumenten), bij [richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van richtlijn 93/22/EEG van de Raad (1)], aldus worden uitgelegd dat het aanbod aan de cliënt van een (wisselkoers)transactie die, in de juridische vorm van een lening in vreemde valuta, bestaat in een contante koop/verkoop op het tijdstip van de betaling en een koop/verkoop op termijn op het tijdstip van de terugbetaling door middel van de omzetting in forint van een geregistreerd bedrag in vreemde valuta, waardoor de lening van de cliënt wordt blootgesteld aan de gevolgen en de risico’s (wisselkoersrisico) van de kapitaalmarkt, een financieel instrument in de zin van die bepalingen vormt?

2)

Moeten artikel 4, lid 1, punt 6 (handelen voor eigen rekening), van en bijlage I, deel A, punt 3 (handelen voor eigen rekening), bij richtlijn 2004/39 aldus worden uitgelegd dat een tradingactiviteit voor eigen rekening met betrekking tot het in de eerste vraag beschreven financieel instrument een beleggingsdienst- of activiteit vormt?

3)

Moet de financiële instelling de geschiktheid nagaan zoals opgelegd in artikel 19, leden 4 en 5, van de richtlijn, rekening houdend met het feit dat de valutatermijntransactie — die een beleggingsdienst in verband met afgeleide financiële instrumenten vormt — is aangeboden als onderdeel van een ander financieel product (te weten een lening) en dat het afgeleide instrument op zich een complex financieel instrument vormt? Moet artikel 19, lid 9, van de richtlijn buiten toepassing worden gelaten op grond dat, aangezien de door de cliënt aangegane risico’s in verband met de lening en het financieel instrument wezenlijk verschillen, het onontbeerlijk is de geschiktheid te beoordelen voor zover de transactie een afgeleid instrument bevat?

4)

Leidt de omzeiling van artikel 19, leden 4 en 5, van de richtlijn tot de nietigverklaring van de tussen de bank en de cliënt gesloten lening?


(1)  PB L 145, blz. 1